Een inbreker die een klacht indient tegen een schietende agent en de reactie daarop van de politieleiding |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Klacht inbreker tegen schietende agent»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de korpsleiding deze agent heeft laten vallen, temeer omdat de nieuwe politiechef van Oost Brabant heeft aangegeven dat een woninginbraak net zo erg is als een verkrachting en het volgens de regering een «High Impact Crime» is? Zo nee, waarom niet?
Het regeerakkoord stelt dat de politie daadkrachtig en gezaghebbend moet kunnen optreden tegen overvallen en inbraken. De agenten die dit elke dag en nacht weer op zich nemen, hebben mijn volledige steun.
Wel is het optreden van politie gebonden aan procedures en regelgeving. Voor de toelaatbaarheid van het gebruik van een vuurwapen door een agent is dit geregeld in de ambtsinstructie voor de politie. Bovendien is één van de standaardprocedures in het geval van vuurwapengebruik door een politiemedewerker dat de Rijksrecherche een onderzoek start. Dat is in dit geval dan ook gebeurd.
Uit het onderzoek is gebleken dat het gebruik van het vuurwapen door de agent in deze specifieke situatie niet rechtmatig was. De oorzaak voor dit onrechtmatig gebruik bleek bij nader onderzoek niet te liggen in onduidelijkheid in of onbekendheid met de ambtsinstructie voor de politie, maar bleek te liggen in het feit dat betrokken agent onvoldoende was onderricht op de inhoud van de nota van toelichting behorend bij de ambtsinstructie.
De Hoofdofficier van Justitie is met de toenmalige korpsleiding tot het oordeel gekomen dat de betrokken politieambtenaar zich met succes kan beroepen op dwaling omtrent de rechtmatigheid van zijn handelen, omdat hij niet juist onderricht was met betrekking tot deze specifieke vorm van geweldstoepassing. Betrokken agent is dan ook niet vervolgd of gestraft.
Ook is gebleken dat de ambtsinstructie geen aanpassing behoeft. Wel wordt naar aanleiding van deze casus in de Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT) gericht aandacht besteed aan het gebruik van het vuurwapen ter aanhouding van een inbreker of insluiper en de bijbehorende bepalingen in de nota van toelichting bij de ambtsinstructie.
Op welke wijze is de ambtsinstructie van de politie aangepast? Betekent dit dat agenten geacht worden niet te schieten op vluchtende woninginbrekers? Zo ja, deelt u de mening dat dit een vrijbrief is voor woninginbrekers in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid duidelijk stelling te nemen en op te komen voor agenten die met succes woninginbrekers in de kraag vatten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De Nederlandse inzet aangaande financiële transparantie in de grondstoffensector |
|
Bram van Ojik (GL), Jan Vos (PvdA), Marit Maij (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de heer Soros?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een Europese variant van sectie 1504 van de Amerikaanse Dodd-Frank Act, de EU Transparantie en Accountancy Richtlijnen, een belangrijke stap is in toename van transparantie over betalingen door de mijnbouw-, olie- en houtkapindustrie aan overheden en eveneens leidt tot transparantie door de overheden van de grondstofrijke landen over deze inkomsten en de besteding van deze gelden, afname van corruptie en omkoping en daarmee toename van goed bestuur en democratisering? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Door de richtlijn komt informatie beschikbaar voor de lokale bevolking om inzicht te krijgen in de aanwending van de opbrengsten uit de grondstoffenexploitatie. Deze transparantie kan bijdragen aan het tegengaan van corruptie.
Deelt u de mening dat in het belang van een gelijk speelveld de EU Transparantie en Accountancy Richtlijnen wat betreft vereisten voor verplichte rapportage van betalingen door de mijnbouw-, olie- en houtkapindustrie aan overheden niet mogen onderdoen aan de Amerikaanse vereisten op dit vlak zoals vastgelegd in sectie 1504 van de Amerikaanse Dodd-Frank Act en bekrachtigd door de Securities and Exchange Commission (SEC)? Zo nee, waarom niet?
Met het oog op het internationaal gelijke speelveld voor het bedrijfsleven dient de Europese rapportageplicht zoveel mogelijk in lijn te zijn met verplichtingen in de Amerikaanse wetgeving. De administratieve lasten van grote Europese ondernemingen die in deze sector internationaal actief zijn en ook een Amerikaanse beursnotering hebben, worden zo beperkt.
Deelt u de mening dat deze Europese richtlijnen veel positieve effecten zullen hebben in grondstofrijke ontwikkelingslanden omdat zij de bevolking in staat stellen de regering aan te spreken op de besteding van de inkomsten uit de grondstoffensector en daarmee corruptie tegengaan en duurzaam grondstoffenbeheer stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Door de Europese richtlijnen komt informatie beschikbaar voor de lokale bevolking waarmee zij inzicht krijgt in de inkomsten van haar overheid. Het kabinet acht internationale regels voor transparantie in de grondstoffensector van belang voor corruptiebestrijding.
Klopt de berichtgeving dat Nederland in de Europese Raad pleit voor een uitzondering op de rapportageverplichting in de Europese richtlijn voor landen waar in het strafrecht is opgenomen dat informatie niet publiek mag worden gemaakt? Zo ja, waarom en voor welke landen is dat nu het geval?
Nee, het kabinet acht een uitzonderingsclausule niet wenselijk. Ik verwijs u naar de brief aan uw Kamer van 8 februari jl. (Kamerstuk 21 501-30, nr. 303).
Deelt u de mening dat naar aanleiding van eventuele uitzonderingsclausules in Europese regelgeving het gevaar bestaat dat juist overheden van landen met repressieve regimes, hoge corruptie en weinig transparantie het openbaar maken van betalingen van bedrijven aan de overheid strafbaar zullen stellen om te voorkomen dat bedrijven openbaar maken hoeveel geld zij aan deze overheden betalen voor de winning van grondstoffen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht een uitzonderingsclausule niet wenselijk, mede met het oog op de mogelijkheid voor regimes om met een verbod op rapportage of met geheimhoudingsverplichtingen te ontkomen aan Europese transparantiebepalingen.
Deelt u de mening dat een uitzondering op de Europese richtlijnen, zoals Shell en de regering bepleiten, juist landen uitlokt om zulke wetgeving te implementeren? Zo nee, waarom niet, aangezien er op deze manier ruimte wordt geboden om via wetgeving de Europese regeling te omzeilen en transparantie te voorkomen?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat het momenteel nergens wettelijk verboden is voor bedrijven om betalingen aan overheden openbaar te maken? Zo ja, waarom pleiten dan zowel de regering als Shell voor een uitzondering in de Europese regeling hieromtrent? Zo nee, in welke landen bestaat een dergelijk verbod?
Het kabinet is bekend met het feit dat er landen zijn die een ruim geformuleerd verbod kennen op publicatie van (staats)geheime en gevoelige informatie en met de uiteenlopende opvattingen over de consequenties ervan. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk of dergelijke wetgeving van toepassing is op betalingen van bedrijven aan overheden.
Het kabinet verwacht dat als eenmaal een kritische massa van bedrijven en landen deze rapportageverplichting toepast minder landen zullen stellen dat hun binnenlandse verboden op openbaarmaking worden overtreden. Dit is ook de verwachting van de Europese Commissie op basis van haar consultaties. Ook in de Dodd-Frank Act en in de uitwerking daarvan in de SEC-regels is geen uitzonderingsclausule opgenomen.
De sterke daling van de CO2 prijs |
|
Liesbeth van Tongeren (GL), Jan Vos (PvdA), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kwam de snelle en stevige neerwaartse ontwikkeling in de CO2-prijs na de stemming in het Europees Parlement (EP) donderdag jl.1 voor u onverwacht?
De ontwikkeling van de CO2-prijs wordt bepaald door vraag en aanbod. Verwachtingen van marktpartijen spelen hier een belangrijke rol bij. De CO2-prijs reageert altijd sterk op relevante politieke ontwikkelingen die de verwachtingen sterk beïnvloeden. In die zin is de daling van de CO2-prijs na het negatieve advies van de Commissie Industrie, Onderzoek en Energie (ITRE) van het EP niet onverwacht.
Is er naar uw mening sprake van een tijdelijke dip als gevolg van de stemming in de energie- en industriecommissie van het EP? Of staat het vertrouwen in de prijsvorming binnen het Europees Emissiehandelsysteem (ETS) naar uw mening structureel ter discussie?
Politieke signalen kunnen tot fluctuaties in de CO2-prijs leiden. De trend is echter al geruime tijd dat de CO2-prijs daalt. Dit is verklaarbaar door het toegenomen grote overschot van emissierechten op de markt. Om het ETS op een effectieve wijze te laten bijdragen aan de EU klimaatdoelstelling voor 2050 moet zij worden versterkt. De meeste betrokken partijen blijven benadrukken dat het ETS als zodanig niet ter discussie staat. Het vertrouwen in het ETS zelf blijft gehandhaafd, maar versterking ervan zal dat vertrouwen nog verder ondersteunen.
Welke prijs zou u representatief achten voor de negatieve externe effecten van CO2-uitstoot? Is bij een CO2-prijs van minder dan 10 euro sprake van een groot verschil tussen de maatschappelijke kosten die buiten het ETS en binnen het ETS verbonden worden aan CO2-uitstoot?
De prijs op de CO2-markt is geen waardering van de negatieve effecten van CO2-uitstoot, maar van de kosten van CO2-reductie voor het halen van het gestelde CO2 doel binnen het ETS (– 21% in 2020). De studies naar de maatschappelijke kosten van CO2-uitstoot laten een grote variatie aan schattingen zien. Het meest aannemelijk lijkt het dat deze maatschappelijke kosten hoger zijn dan de huidige CO2-prijs.
Ik hecht er aan te benadrukken dat de overheid in het ETS niet de CO2-prijs bepaalt. Dat doet de markt. De overheid bepaalt wel het CO2-doel. Alleen zo krijgen we de kosteneffectieve reductie die we wenselijk achten. Bij het bepalen van het CO2-doel wordt rekening gehouden met de internationale context.
Deelt u de zorgen van Hans ten Berge, het hoofd van de Europese elektriciteitsbranche, dat zonder een stevige hervorming van de CO2-markt er een «verloren decennium» dreigt waarin de CO2-rechten van het ETS zullen devalueren tot «junk bond status»?2
Ik deel de mening dat versterking van het ETS nodig is. Emissierechten blijven het recht vertegenwoordigen om een ton CO2 uit te mogen stoten, maar op dit moment tegen een lagere prijs dan vooraf ingeschat. Ondanks deze prijs is het aantal handelstransacties tot nog toe alleen nog toegenomen. Ook elders in de wereld werken steeds meer landen aan systemen van emissiehandel. Tegelijkertijd moet de EU nu al werken aan hervorming gericht op de periode na 2020.
Leiden deze dieptepunten in de prijsvorming naar uw mening hoe dan ook tot een structurele verslechtering van het perspectief voor CO2-arme investeringen, omdat investeerders hoe dan ook rekening houden met een grotere bandbreedte en mogelijke volatiliteit in de CO2-prijs?
De hoogte van de CO2-prijs is één van de factoren die van invloed is op het besparingstempo en investeringsklimaat voor CO2-arme investeringen. Het huidige Europese en Nederlandse beleid op het terrein van het stimuleren van duurzame energie en energiebesparing zijn ook belangrijke stimulansen voor CO2-arme investeringen. Vooral de verwachtingen over het toekomstige Europese energie en klimaatbeleid en de CO2-prijs die daar uit volgt zullen de investeringen bepalen. Uit recent onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat het huidige ETS geleid heeft tot meer patent registraties voor koolstofarme technieken.
Wanneer besloten wordt tot het later veilen van een bepaalde hoeveelheid emissierechten («backloading») en tot structurele versterking van het ETS, geeft dit wel een krachtig politiek signaal en meer zekerheid voor de toekomst.
Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot het tijdschema voor de nadere besluitvorming over incidentele (backloading) en structurele maatregelen (Carbon market review) ter versterking van de CO2-markt?
Ten aanzien van backloading stemt het Europees Parlement waarschijnlijk op 15 april a.s. plenair over een verduidelijkende wijziging van de richtlijn emissiehandel voor het aspect backloading. De Milieuraad zou hierover vervolgens op 18 juni kunnen stemmen. Hierdoor wordt de weg vrij gemaakt om over backloading te stemmen. Dit kan dan in één van de maandelijkse vergaderingen van het Comité Klimaatverandering.
Voor wat betreft de planning van de structurele maatregelen het volgende. Eind februari is de eerste consultatie rond structurele versterking van het ETS geëindigd. Op 1 maart jongstleden heeft de Europese Commissie vervolgens een stakeholderbijeenkomst georganiseerd, in april zal er nog één volgen.
Wat is de laatste stand van zaken wat betreft de politieke verhoudingen in de Europese Raad met betrekking tot zowel het backloading-voorstel van de Europese Commissie als de Carbon market review? Hoeveel landen hebben naast Nederland formeel of informeel hun steun uitgesproken voor backloading en/of voor één van de opties uit de Carbon market review, en welke landen liggen dwars?
Naast Nederland hebben acht landen formeel hun steun uitgesproken voor backloading, drie landen zijn onder condities voor en drie landen lijken tegen te zijn. De overige Lidstaten hebben nog geen positie.
Over het verslag inzake de koolstofmarkt (carbon market report) hebben nog weinig lidstaten zich uitgesproken. Informeel zijn vrijwel alle lidstaten voor verbetering van het ETS, wel met verschillende invalshoeken. Slechts een paar lidstaten hebben tot nu toe een zienswijze op de betreffende consultatie van de Europese Commissie ingezonden. Naar verwachting zal het krachtenveld vergelijkbaar zijn met dat rond backloading.
Bent u van mening dat bij nader inzien de eerdere ingrepen ten aanzien van het ETS, zoals het doorschuiven van rechten uit de tweede periode van emissiehandel, het kosteloos uitdelen van rechten in plaats van deze te veilen, het uitstellen van de deelname van de luchtvaart en de scheepvaartsectoren aan het ETS en het ruimhartig toestaan van rechten afkomstig uit de flexibele mechanismen zoals het CDM (Clean Development Mechanism) en het JI (Joint Implementation), los van de economische malaise, onnodige en onbedoelde neerwaartse druk op de prijsvorming binnen het ETS tot gevolg hebben gehad?
Aan elk van de keuzes die zijn gemaakt bij de vormgeving van het ETS liggen legitieme redenen ten grondslag, zoals het veiligstellen van de internationale concurrentiepositie van Europese bedrijven. Daar zitten keuzes bij die per saldo hebben geleid tot een grotere hoeveelheid emissierechten op de markt. Bij deze aanpassingen staat echter niet de verwachte hoogte van de prijs voorop, maar het bereiken van het CO2-reductiedoel voor 2020 op de meest kostenefficiënte manier.
Vraag 9 en antwoord 9: reeds meegenomen bij vraag 5.
Heeft de lage CO2-prijs gevolgen voor het besparingstempo in Nederland c.q. het investeringsklimaat voor CO2-arme investeringen?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer verwacht u de uitkomsten van de door u aangekondigde vervolgstudie door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) naar versterking van het ETS?
Ik verwacht dat PBL de vervolgstudie in april gereed heeft en publiceert.
Kunt u de Kamer tijdig informeren over de inbreng die de regering voornemens is te leveren via de Europese (internet)consultaties over de voorstellen om het ETS te versterken?
Ik heb u recentelijk bij brief geïnformeerd over de inbreng die de regering voornemens is te leveren (kenmerk IENM/BSK-2013/20403).
Het EU-trendrapport 2013 van de Algemene Rekenkamer |
|
Barry Madlener (PVV), Teun van Dijck (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt het kabinet van de exorbitante foutmarge van 3,9% bij EU-bestedingen, een bedrag van 5 miljard euro dat niet adequaat wordt verantwoord?1
Het kabinet acht het een onwenselijke situatie dat het foutenpercentage op een dergelijk hoog niveau ligt en stijgt ten opzicht van het voorgaande jaar. Mede om die reden heeft Nederland tegen het positieve Dechargeadvies van de Raad over de EU-begroting van 2011 gestemd (zie verder de beantwoording onder vraag 3). Overigens gaat het hier niet om «niet adequaat verantwoord» maar om fouten van materieel belang die gemaakt zijn bij de uitgaven.
Wat vindt het kabinet van de constatering dat de bilaterale leningen aan Griekenland (€ 52 miljard) en de gelden uit het noodfonds (€ 188 miljard) niet worden gecontroleerd en verantwoord?
De Algemene Rekenkamer geeft aan dat er geen onafhankelijk onderzoek kan plaatsvinden door een nationale of Europese rekenkamer dan wel een speciaal daartoe opgericht auditcomité. Dit betekent niet dat deze middelen niet zouden worden gecontroleerd en verantwoord. De steun die lidstaten hebben aangevraagd en gekregen via bilaterale leningen onder de Greek Loan Facility of via het EFSF gaat vergezeld met strikte conditionaliteiten. De zogenaamde Trojka (Commissie, ECB en IMF) stelt samen met de lidstaat die steun aanvraagt een Memorandum of Understanding (MoU) op waarin de beleidscondities en maatregelen staan beschreven waar de lidstaat aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor financiële steun. Vervolgens gaat de Trojka minimaal ieder kwartaal op missie naar de lidstaat om de voortgang van het leningenprogramma te beoordelen. De Trojka beoordeelt of voldaan is aan de beleidscondities voor die periode uit het MoU. Deze MoU’s en rapporten worden na besluitvorming openbaar gemaakt. Bij een positief oordeel van de Trojka over de voortgang, besluit de Eurogroep Working Group en/of EFSF bewindvoerders over het wel of niet uitkeren van de tranche. Het kabinet is van mening dat de controle van de Europese Commissie, de ECB en het IMF op de besteding van de financiële steun van bilaterale leningen en het EFSF een voldoende waarborg is voor het bereiken van de gewenste beleidscondities.
Voor wat betreft de Greek Loan Facility is er geen specifiek opgerichte multilaterale rekenkamer. Het betreft hier namelijk bilaterale leningen van de ene staat aan de andere. Nationale parlementen en nationale rekenkamers kunnen over een dergelijke bilaterale lening controle uitoefenen via de nationale rijksbegroting.
De minister van Financiën rapporteert daarnaast in de nationale rijksbegroting over de garanties die Nederland afgeeft aan het EFSF en de gevolgen daarvan voor de EMU-schuld. Het nationale parlement en de nationale rekenkamer kunnen over de garanties die Nederland verstrekt aan het EFSF dus controle uitoefenen via de nationale rijksbegroting. Bij het EFSF vindt daarnaast controle plaats via de interne auditfunctie en een externe accountantsfunctie. Het EFSF maakt zijn jaarverslag openbaar, waarin de verstrekte garanties van lidstaten zijn weergegeven met het rapport van de externe accountant. Het EFSF kent echter geen overkoepelend toezichthoudend publiek auditcomité zoals het ESM die wel kent. Het kabinet verkent of de middelen van het EFSF onder toezicht van het ESM-auditcomité gebracht kunnen worden.
Welke lidstaten verzetten zich tegen een lidstaatverklaring en weigeren zich te verantwoorden voor de besteding van EU-gelden?
Geen enkele lidstaat weigert zich te verantwoorden over de besteding van EU-gelden. Alle lidstaten moeten voldoen aan de verantwoordingsregels zoals opgenomen in onder andere het Financieel Reglement van de EU-begroting. Het kabinet wilde deze regels op een hoger ambitieniveau hebben. Mede door de inzet van Nederland bij de recentelijk afgeronde heronderhandeling van dit Financieel Reglement, zijn enkele belangrijke verbeteringen ingevoerd die gelden vanaf de nieuwe MFK-periode. Hoewel er geen verplichte lidstaatverklaring is gekomen (alleen een vrijwillige) zijn een aantal elementen uit de lidstaatverklaring wel een verplicht onderdeel geworden van EU-recht, te weten het afgeven (door uitvoerende instanties in lidstaten) van een verklaring over de werking van de controlesystemen («beheersverklaring») vergezeld van een rapportage over de foutenpercentages tot op het niveau van de eindbegunstigden door een onafhankelijke auditor («onafhankelijke audit opinie»). Ook moet daarbij een overzicht van corrigerende maatregelen gegeven worden, zoals ook gebeurt in de Nederlandse Nationale Verklaring. Helaas is – ondanks sterk aandringen van Nederland – het niet verplicht geworden om deze rapportages openbaar te maken, die keuze wordt overgelaten aan de lidstaten zelf. Ook ontbreekt ondertekening op politiek niveau. De toegevoegde waarde van het instrument «Nationale Verklaring» wordt door slechts drie lidstaten gedeeld. Het kabinet zal zich blijven inzetten om het doel en de elementen van de Nationale Verklaring in de verschillende fasen van de verantwoordingscyclus onder te brengen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de besteding van EU-subsidies en EFSF-gelden op rechtmatigheid en doelmatigheid worden gecontroleerd en verantwoord?
Voor wat betreft de EFSF-middelen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2. Voor wat betreft EU-subsidies pleit het kabinet voor betere verantwoording door lidstaten, voor betere rapportages over de effecten van EU-subsidie, voor strikte handhaving van de subsidie- en controleregels door de Europese Commissie en voor meer transparantie over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de bestedingen per lidstaat. Voor nadere details hierover verwijs ik u graag naar Kamerstuk 24 202, nr. 28 inzake het Schriftelijk Overleg dat met uw Kamer is gevoerd over het jaarverslag van de Europese Rekenkamer 2012.
Bent u bereid om lidstaten te dwingen een lidstaatverklaring af te geven zolang zij gebruik maken van gelden uit een van de noodfondsen (EFSF/ESM)?
Nee. Het kabinet is geen voorstander van een koppeling van ESM-steun aan een niet-verplicht instrument dat bedoeld is voor EU-subsidies. Bovendien kent het ESM al een solide verantwoordingsstructuur dat op het punt van onderlinge beoordeling (door de leningverstrekkende landen) zelfs strenger is dan de lidstaatverklaring.
Het beleid voor de koninklijke archieven |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de strekking van de motie-Kalsbeek waarin de regering wordt verzocht alle stukken die (mede) betrekking hebben op de uitoefening van de functie van staatshoofd, over te brengen naar het nationaal archief?1
De tekst van de motie is bekend.
Kunt u een overzicht verschaffen van de stukken die op basis van deze motie sindsdien zijn overgebracht vanuit het Koninklijk Huis archief naar het nationaal archief?
Het Koninklijk Huisarchief is een particulier archief waarop de Archiefwet niet van toepassing is. Vanuit het particulier archief van prins Bernhard zijn stukken overgedragen aan het Kabinet der Koningin en vervolgens door het Kabinet der Koningin aan het ministerie van Defensie.
De overgedragen stukken hebben betrekking op de werkzaamheden van de inspecteur-generaal van de krijgsmacht, het bevelhebberschap van de binnenlandse strijdkrachten en enkele organen die werkzaam waren op het terrein van Defensie.
Kunt u aangeven hoe de in de motie-Kalsbeek voorgestelde procedure in de praktijk werkt, daarbij ingaand op de vragen op welke wijze en naar welke informatie wordt gezocht in het Koninklijk Huis Archief om te bepalen of bepaalde stukken al dan niet in het Nationaal Archief thuishoren?
De inrichting en werking van de procedure is beschreven in antwoorden en de reactie die de regering na de indiening van de motie-Kalsbeek aan de Kamer heeft gezonden met betrekking tot het Koninklijk Huisarchief (Kamerstukken II 2004/5, 29 800 III, nrs. 23 en 29 en 2008/9, 31 700 III, nr. 16).
Kunt u aangeven wie naast de directeur van het Koninklijk Huis Archief en de directeur van het Nationaal Archief mede bepalen of stukken al dan niet thuishoren in het Nationaal Archief?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhouden uw uitspraken over de reeds van toepassing zijnde procedure zoals bedoeld in de motie-Kalsbeek, vóór de motie, zich tot het feit dat officiële stukken met betrekking tot prins Benhard in zijn functie als inspecteur-generaal van de krijgsmacht, tot voor kort niet in een openbaar toegankelijk archief rustten?
De betreffende stukken maakten onderdeel uit van een verzameling stukken. Bij het inventariseren hiervan is de beschreven werkwijze gevolgd die heeft geleid tot overbrenging van stukken aan het ministerie van Defensie waarop de Archiefwet van toepassing is.
Kunt u verzekeren dat alle bestaande archiefstukken die betrekking hebben op de staatsfuncties van prins Bernhard waarin hij was benoemd door de regering in ballingschap in de periode 1940–1945, zoals de functies van hoofdverbindingsofficier; hoofd Nederlandse militaire missie; Hoofd van het Centraal Orgaan Voorbereidingen Terugkeer naar Nederland; Bevelhebber van de Nederlandse Strijdkrachten, evenals zijn directe betrokkenheid bij het Contact Holland en het Bureau Bijzondere Opdrachten, in het Nationaal Archief zijn opgenomen, in lijn met de door u geponeerde stelling dat «ook stukken die betrekking hebben op andere leden van het koninklijk huis die een publiek ambt hebben vervuld» zijn opgenomen in het Nationaal dan wel het ministerieel archief?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er grond is voor de veronderstelling dat het Koninklijk Huisarchief terzake delen bevat en bent u derhalve bereid delen van het Koninklijk Huisarchief openbaar te maken voor historici om deze kwestie nader te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u aanleiding om stukken die betrekking hebben op reizen van prins Bernhard in ballingschap naar het Vaticaan, Zweden, Midden-Amerika, Zuid-Amerika en Afrika toegankelijk te maken in het Nationaal Archief? Zo nee, waarom niet?
Stukken die hierop betrekking hebben en ressorteren onder instellingen waarop de Archiefwet van toepassing is, zullen volgens de bepalingen van de Archiefwet en het Archiefbesluit worden overgedragen aan het Nationaal Archief en daar dan toegankelijk zijn volgens de geldende voorschriften.
Het bericht dat internetoplichting voortaan een zaak voor de civiele rechter zou zijn |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in de Leeuwarder Courant over internetbedrog?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja. Voor mijn reactie verwijs ik naar het antwoord op de hierna volgende vragen.
Is het waar dat het ten laste leggen van het delict verduistering niet meer mogelijk is ten aanzien van mensen die betalingen van een ander opstrijken, maar de beloofde goederen niet leveren? Kunt u de exacte effecten van het genoemde arrest van de Hoge Raad uiteen zetten? Is hiermee de strafrechtelijke aanpak van internetoplichting moeilijker geworden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het krantenbericht refereert aan een arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2012 (LJN: BV8280). Het betrof een zaak waar dvd’s vooraf waren betaald maar niet geleverd. De Hoge Raad oordeelde dat het betaalde geld na overmaking eigendom werd van de verdachte. Hier is geen sprake van wederrechtelijke toe-eigening en dus in strafrechtelijk zin ook geen sprake van verduistering (iemand kan zijn eigen geld immers niet wederrechtelijk toe-eigenen). Het feit dat de tegenprestatie (het leveren van de dvd’s) niet was nagekomen maakt dit niet anders. Het gevolg van dit arrest is dat een situatie waarbij geld wordt ontvangen maar de tegenprestatie uitblijft niet kan worden vervolgd als verduistering.
Mogelijk kan in dergelijke gevallen nog wel vervolgd worden wegens oplichting. Daarvoor moet volgens artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht bijvoorbeeld sprake zijn van «listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels», zoals het gebruik van valse keurmerken of een valse naam. Hier zal in sommige, maar zeker niet in alle gevallen van internetoplichting sprake van zijn. Zo had in de genoemde zaak over de niet-geleverde dvd’s het Hof Den Bosch de verdachten al vrijgesproken van de primair ten laste gelegde oplichting, omdat zij onder eigen naam en met eigen bankrekening handelden. Ook in een andere recente uitspraak van het Hof Den Haag (LJN: BW5086) is iemand die online concertkaartjes verkocht maar niet leverde vrijgesproken van oplichting, omdat hij gebruik maakte van zijn eigen voornaam en bankrekening en er geen sprake was van een listige kunstgreep of samenweefsels van verdichtsels.
Gevallen van internetfraude waarbij noch verduistering noch oplichting ten laste kan worden gelegd zijn bij de huidige wetgeving gezien de jurisprudentie niet te kwalificeren als een strafbaar feit.
Deelt u de mening dat het oplichten van mensen op het internet door mensen wel te laten betalen maar geen goederen te leveren, aangepakt moet worden met het strafrecht en dat slachtoffers van oplichting op het internet niet te horen moeten krijgen dat het een civiele zaak betreft? Kunt u bevestigen dat het strafrecht ingezet blijft worden tegen dergelijke vormen van internetoplichting? Op welke wijze kan een strafrechtelijke aanpak tegen internetoplichters gewaarborgd blijven?
De zaak waarover de Hoge Raad oordeelde toont eens te meer aan dat mensen goed op moeten letten als zij, bijvoorbeeld via internet, zaken doen met een onbekende tegenpartij. Dat geldt zeker als er vooraf (aan)betaald moet worden. Er zijn op internet verschillende oplossingen voorhanden waarmee de risico’s van dergelijke transacties beperkt kunnen worden.
Ook als mensen eenmaal slachtoffer zijn geworden van oplichting houden ze een eigen verantwoordelijkheid om de schade die zij hierdoor geleden hebben te verhalen. Het strafrecht kan niet voor ieder zakelijk conflict een oplossing bieden. Maar bij ernstige gevallen, bijvoorbeeld als het gaat om grote bedragen en/of grote aantallen gedupeerden, moet naar mijn mening ook langs strafrechtelijke weg opgetreden kunnen worden. Zoals vermeld in antwoord op vraag 2 kan het Openbaar Ministerie ook nu nog optreden tegen bepaalde gevallen van internetoplichting. Ik zal naar aanleiding van het arrest in overleg met het Openbaar Ministerie bezien of, en zo ja op welke wijze, nieuwe strafrechtelijk mogelijkheden gecreëerd moeten worden.
Het negeren van een rijverbod door een dronken chauffeur |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Dronken buschauffeur rijdt door na botsing» en «Dronken buschauffeur na ongeluk ontslagen»?1
Ja.
Is het waar dat een werkgever niet op de hoogte wordt gesteld van het feit dat een werknemer, die beroepsmatig in het bezit van een geldig rijbewijs moet zijn, dat rijbewijs niet meer heeft? Zo ja, waarom is dat zo? Zo nee, hoe is dit dan wel geregeld?
Ten aanzien van het verstrekken van gegevens omtrent invordering, inneming en teruggave van het rijbewijs en ontzegging van de rijbevoegdheid vermelden het Reglement Rijbewijzen, het Privacyreglement Centraal Rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister en het Besluit aanwijzing Stichting Waarborgfonds Motorverkeer voor ontvangen van gegevens uit het rijbewijsregister een aantal personen of instanties aan wie de Dienst Wegverkeer inlichtingen verstrekt. Werkgevers worden in al deze regelingen niet genoemd. De politie mag op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) en het Besluit politiegegevens alleen politiegegevens verstrekken aan limitatief genoemde derden. Werkgevers staan daarbij niet genoemd.
Het Openbaar Ministerie kan op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daarop gebaseerde Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens strafvorderlijke gegevens over verdachten of veroordeelden verstrekken aan bepaalde instanties, waaronder werkgevers in de vervoerssector. Voorwaarde hierbij is wel dat uit het strafdossier blijkt van feiten en omstandigheden die twijfels doen rijzen over het behoorlijk beroepsmatig functioneren van de verdachte of veroordeelde. Er moet van geval tot geval worden beoordeeld of er aanleiding is van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Is het in het kader van het inlichten van een werkgever relevant of het rijbewijs door de politie is ingevorderd, door de officier van Justitie is ingenomen dan wel door de rechter de rijbevoegdheid is ontzegd? Zo ja, op welke wijze en waarom?
Als de politie een rijbewijs invordert dat wordt daarvan een proces-verbaal ingezonden naar de officier van justitie. Deze beslist over inhouding dan wel teruggave van een rijbewijs. Voor het verstrekken van gegevens die bij de politie of het Openbaar Ministerie berusten verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Ontzeggingen van de rijbevoegdheid die zijn opgelegd door de strafrechter kunnen alleen door de voorzitter van de rechtbank aan derden worden verstrekt.
Deelt u de mening dat de bescherming van de verkeersveiligheid en de veiligheid van passagiers voorrang dient te hebben boven de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene van wie de rijbevoegdheid is ingevorderd, ingenomen of ontzegd? Zo ja, hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is dat iemand waarvan het rijbewijs is ingenomen geen voertuig bestuurt. Een persoon die toch achter het stuur wordt aangetroffen begaat een misdrijf. De verkeersveiligheid, de veiligheid van passagiers en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn allen belangrijke aspecten. Het Openbaar Ministerie en de rechter beoordelen in een individuele zaak wat het zwaarst moet wegen, en houden daarbij rekening met alle relevante omstandigheden. Als het Openbaar Ministerie aanleiding ziet om de werkgever in te lichten heeft het deze bevoegdheid. Zie het antwoord op vraag 2. Gelet hierop zie ik geen aanleiding om bijvoorbeeld een algemene meldplicht aan werkgevers in het leven te roepen.
Houdt de rechter bij het opleggen van een onvoorwaardelijke rijontzegging rekening met de omstandigheid dat iemand zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en is dit belang daarmee reeds meegewogen bij het desalniettemin opleggen van de rijontzegging?
De rechter betrekt in zijn afweging bij het opleggen van een straf of maatregel onder meer de gevolgen daarvan voor de te veroordelen persoon, gelet op diens persoonlijke omstandigheden. Wanneer ter zitting de mogelijkheid van een onvoorwaardelijke rijontzegging als sanctie aan de orde komt, is het gegeven dat iemand zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk in dit verband een relevante omstandigheid.
De strijd tegen de drugscriminaliteit en de wens van gemeenten wietteelt te legaliseren |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Hennepteelt groeit politie boven het hoofd»?1
Het artikel is mij bekend. Het is goed nieuws dat het aantal meldingen door burgers over wietplantages flink is gestegen. Daarnaast is het aantal plantages dat jaarlijks wordt geruimd nog steeds hoog. Alle inspanningen hebben effect. Desondanks blijft de georganiseerde hennepteelt een ernstig probleem en blijft de aanpak hiervan een topprioriteit van deze regering. Hierbij wordt ingezet op een geïntegreerde aanpak samen met gemeenten, belastingdienst en andere partners, zodat ook de criminele organisaties die schuil gaan achter de kleine telers in het vizier komen. Om deze samenwerking nog bestendiger te maken, zijn de gemeenschappelijke uitgangspunten voor de geïntegreerde aanpak recentelijk vastgelegd in een Leidraad Geïntegreerde Aanpak van Ondermijnende Criminaliteit.
Hoeveel politiecapaciteit houdt zich op dit moment bezig met de illegale hennepteelt? Wat kost deze inzet van politie?
Politiecapaciteit wordt niet specifiek geoormerkt. Ook wordt geen uitsplitsing gemaakt naar kosten voor de bestrijding van bepaalde vormen van criminaliteit. Criminaliteit wordt bestreden en capaciteit wordt daar ingezet waar dit nodig is.
Wat is uw reactie op het gegeven dat verzekeraars duizenden claims krijgen die samenhangen met hennepteelt, zoals branden in woningen, met een totale jaarlijkse schade van 100 miljoen euro?
Dat verzekeraars schade hebben ten gevolge van hennepteelt is bekend. Om die reden wordt in het kader van de bestrijding van georganiseerde hennepteelt regelmatig contact onderhouden met het Verbond van Verzekeraars (VVV) of het daaraan verbonden Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude (CBV). Dit contact heeft er onder meer toe geleid dat het CBV, Meld Misdaad Anoniem en de politie samenwerken wanneer er (anonieme) signalen binnenkomen die betrekking hebben op de hennepteelt.
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle kosten die de huidige strijd tegen de georganiseerde hennepteelt voor de samenleving met zich meebrengt? Zo nee, waarom niet? Blijft u, ook met het oog op deze kosten, vasthouden aan het huidige beleid met alle onwenselijke effecten van dien?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het artikel «Gemeente mag zelf wiet kweken» en de opmerkingen van de geciteerde hoogleraar/rechtswetenschapper dat het verbieden van gemeentelijke hennepteelt onzin is en nergens op slaat?2
Zoals ik eerder heb aangegeven is de geldende wet- en regelgeving duidelijk: regulering van de hennepteelt is in strijd met VN-verdragen, EU-recht en de Opiumwet. Er is geen ruimte voor gemeentelijke initiatieven die daarvan afwijken. Ik heb uw Kamer tijdens het algemeen overleg over de clubpas van 13 december 2012 een inventarisatie toegezegd van de plannen van gemeenten om hennepteelt te reguleren. In het verlengde daarvan heb ik ook toegezegd om onderzoek te doen naar de kleinschalige hennepteelt in Europa en de VS, waarbij ik ook de juridische aspecten zal meenemen. Ik zal uw Kamer hierover voor het einde van dit jaar berichten.
Deelt u de mening van deze hoogleraar dat de internationale regels boterzacht zijn en er niet toe leiden dat gemeentelijke experimenten met wietteelt onder alle omstandigheden verboden moeten blijven?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op de observatie dat Nederland aan alle kanten voorbij wordt gestreefd door bijvoorbeeld Amerikaanse staten voor wat betreft de regulering van wietteelt? Hoe kan dit, indien het toestaan van gereguleerde wietteelt in zou druisen tegen internationale regels, zoals u stelt?
Zie antwoord vraag 5.
Zit deze hoogleraar er volgens u geheel naast of bent u bereid toe te geven dat de internationale regels wel degelijk enige ruimte laten om gereguleerde wietteelt toe te staan?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid enkele gemeenten alsnog toestemming te verlenen te experimenteren met gereguleerde wietteelt, juist ook vanwege de strijd tegen de drugsgerelateerde criminaliteit?
Zie antwoord vraag 5.
Turkije’s oorlogstaal en de Nederlandse Patriotmissie |
|
Lilian Helder (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Erdogan: Israel Waging «State Terrorism» in Syria»?1
Ja.
Erkent u dat Turkije alle grenzen overschrijdt door Israël te betichten van staatsterrorisme? Zo ja, bent u bereid met onmiddellijke ingang de Turkse ambassadeur op het matje te roepen en uw ongenoegen te uiten? Zo nee, waarom niet?
Turkije heeft bij navraag aangegeven dat het geenszins de bedoeling was Syrië op te roepen tot een aanval op Israël, maar dat de uitspraken bedoeld waren als scherpe kritiek op het regime van Assad.
Nederland zal verder bij Turkije en Israël blijven aandringen op stappen die toenadering mogelijk maken.
Deelt u de mening dat uw Turkse ambtsgenoot Davutoglu Syrië ophitst tot oorlog door Syrië te verwijten dat het niet reageert op de vermeende Israëlische aanval op legitieme militaire doelen? Zo ja, bent u bereid met onmiddellijke ingang de Turkse ambassadeur op het matje te roepen en ook hierover uw ongenoegen te uiten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat minister Davutoglu door zijn insinuatie dat er een geheime overeenkomst is tussen Assad en Israël, onderlinge haat en antisemitisme in Syrië aanwakkert?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de opdracht voor de zelfmoordaanslag op de Amerikaanse ambassade in Ankara afkomstig was van een Turkse terroristenleider die in Nederland verblijft? Zo ja, wanneer wordt dit terroristennetwerk opgerold? Zo nee, wat zijn dan de feiten?2
Tot op heden is mij geen informatie bekend die een dergelijke betrokkenheid vanuit Nederland bij de aanslag bevestigt.
Deelt u de overtuiging dat het belachelijk en onverantwoord is dat onze militairen gevaar lopen om Turkije, dat zich zo vijandig uitlaat, te beschermen?3
Nee, zie verder antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Bent u bereid onze Nederlandse Patriots en militairen per direct terug te halen, nu Turkije Syrië zelf actief aanspoort om de binnenlandse oorlog uit te breiden naar buurland Israël? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie verder antwoord op vragen 2,3 en 4.
Het bericht dat de activiteiten van de stichting Ombudsman op 1 juni worden beëindigd |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de activiteiten van de stichting Ombudsman op 1 juni worden beëindigd?1
Ja.
Is het waar dat door het wegvallen van de subsidies voor de omroep- en patiëntenorganisaties de activiteiten van de stichting Ombudsman, zoals sociaal juridische dienstverlening, niet meer worden verricht? Zo ja, is er een andere organisatie die de taken overneemt?
CG-Raad en Platform VG, die tot nog toe hun juridische ondersteuning door de Stichting De Ombudsman (Juridisch Steunpunt Regelrecht) lieten uitvoeren, gaan vanaf 1 april 2013 zelf juridische ondersteuning aanbieden aan hun leden. CG-Raad en Platform VG hebben daartoe besloten samen met de NPCF en het Landelijk Platform GGZ een nieuwe eigen juridische dienst in te richten. Als uitvloeisel van de visiebrief «Bundel je kracht, samen sterk» van 20 mei 2011 ontvangen de vier organisaties gezamenlijk een aanvullende subsidie voor activiteiten die hun gezamenlijke regierol in het veld versterkt. Een van de activiteiten waartoe is besloten, is het gezamenlijk inrichten van deze dienstverlening. Vanaf april 2013 zullen de leden van de CG-Raad en Platform VG al gebruik kunnen maken van de nieuwe juridische dienstverlening, de NPCF en Landelijk Platform GGZ volgen in het najaar.
Kunt u aangeven of, en zo ja,op welke wijze, deze activiteiten alleen nog onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vallen (en geen Rijkstaak meer is) en door gemeenten worden gefaciliteerd?
Zoals aangegeven blijft juridische dienstverlening door de 4 koepels plaatsvinden. Gemeenten zijn daarnaast verantwoordelijk voor het lokale beleid, onder meer met betrekking tot de Sociaal Raadslieden en de invulling van het prestatieveld informatie, advies en cliëntondersteuning van de Wmo. Zij zijn niet verantwoordelijk voor de activiteiten c.q. de financiering van de landelijke Stichting De Ombudsman.
Hoe verhoudt het bovenstaande zich tot uw visie op de hervormingen van de AWBZ, de overheveling naar de Wmo, het scheiden van wonen en zorg en het extramuraliseren van de zorgzwaartepakketten 4?
Ik vind het met het oog op de hervormingen van belang dat vooral aan de voorkant van het systeem, bij het keukentafelgesprek met de cliënt wordt meegedacht over wat zijn wensen en behoeften zijn en waar hij daarbij ondersteuning nodig heeft in aanvulling op zijn eigen mogelijkheden en die van zijn sociale netwerk. Op die manier wil ik zoveel mogelijk voorkomen dat er achteraf allerlei juridische zaken nodig zijn omdat de cliënt ontevreden is met de uitkomst van het gesprek.
In mijn beleidsbrief over de hervorming van de langdurige zorg zal ik uitgebreid ingaan op de waarborgen voor en de positie van de burger.
Fraude bij Holland Casino |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Casino ten einde raad: verlink foute collega's»?1
Ja.
Is het waar dat frauderende medewerkers door de directie van Holland Casino tijd krijgen zichzelf aan te geven en dat zij in ruil daarvoor een vorm van baangarantie krijgen? Zo ja, deelt u de mening dat frauderende medewerkers van Holland Casino wellicht niet goed in staat zijn om taken zoals het voorkomen van witwassen van geld, fraude of gokverslaving uit te voeren en dat dat arbeidsrechtelijke consequenties dient te hebben? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Holland Casino heeft mij desgevraagd meegedeeld in haar bedrijfsvoering het tegengaan van fraude, criminaliteit en kansspelverslaving hoog in het vaandel te hebben staan en dat, in het verlengde daarvan, de integriteit van haar personeel boven iedere twijfel verheven moet zijn. Dit komt duidelijk tot uiting in een aantal interne regels en procedures bij Holland Casino. Begin vorig jaar zijn arbeidsrechtelijke stappen genomen tegen een aantal medewerkers van het casino in Scheveningen die deze regels hadden overtreden, onder meer omdat zij betrokken waren bij het organiseren van illegale kansspelen. In de periode daarna bleven op de werkvloer van het casino echter nog steeds hardnekkige geruchten de ronde doen dat ook andere werknemers betrokken waren bij illegale kansspelen. Het bewijs daarvan was echter niet te leveren. De directie van het casino in Scheveningen heeft haar medewerkers vervolgens, in een uiterste poging de feiten op tafel te krijgen dan wel de geruchten in de kiem te smoren, per brief opgeroepen er melding van te maken als zij zélf dan wel eventuele collega’s betrokken zijn bij het organiseren of spelen van illegale kansspelen.
Op basis van eventuele meldingen worden gesprekken gevoerd met de betrokken medewerkers en wordt vervolgens bepaald tot welke maatregelen wordt overgegaan. Het onderzoek wordt begin april afgerond. Naar ik van Holland Casino heb begrepen, zullen in geval van feitelijk vastgestelde integriteitsschendingen passende arbeidsrechtelijke maatregelen worden genomen, maar worden medewerkers die zichzelf op eigen initiatief melden niet ontslagen.
Het behoort tot de competentie van het bestuur van Holland Casino om, als onderdeel van de bedrijfsvoering, te bepalen hoe om te gaan met eventuele geconstateerde strafbare feiten of andere overtredingen van haar medewerkers, zolang dit geen afbreuk doet aan de wijze waarop Holland Casino uitvoering geeft aan haar publieke taken.
Deelt u de mening dat de directie van Holland Casino, mede gegeven de publieke taken die dit bedrijf heeft, zich niet zou moeten beperken tot interne maatregelen of sancties, laat staan het geven van enige vorm van baangarantie voor fraudeurs, maar dat aangifte van strafbare feiten bij de politie eerder voor de hand ligt? Zo ja, hoe gaat u dit aan de directie van Holland Casino vertellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de directie van Holland Casino sinds 1 januari 2012 aangiften gedaan van strafbare feiten die door medewerkers van het bedrijf zouden zijn gepleegd? Zo ja, hoe vaak is dit gebeurd en wat is de aard van de delicten waarvoor aangifte is gedaan? Zo nee, deelt u dan de mening dat de berichten over een stroom incidenten, de signalen dat medewerkers de regels overtreden en het feit dat er geen of nauwelijks aangiften bekend zijn, de indruk wekken van een doofpotcultuur bij Holland Casino?
Holland Casino heeft mij meegedeeld sinds 1 januari 2012 zeven keer aangifte te hebben gedaan, nadat zich verschillende incidenten hadden voorgedaan. Het betrof incidenten waarbij sprake was van samenspel tussen medewerkers en gasten, dan wel diefstal. Incidenten komen op verschillende manieren aan het licht: via medewerkers die hun leidinggevende informeren, door signalen van gasten of door zelfstandig onderzoek van de afdeling Security & Legal. Gemelde incidenten worden altijd onderzocht.
Op basis van mij bekende informatie heb ik niet de indruk dat er bij Holland Casino sprake is van een doofpotcultuur. Het bedrijf kent zowel vertrouwenspersonen als een klokkenluidersregeling. Ook schroomt Holland Casino niet om aangifte te doen van strafbare feiten, zelfs wanneer dit leidt tot media-aandacht. Incidenten worden bovendien breed binnen de organisatie gecommuniceerd.
Over welke mogelijkheden beschikken u of andere organen van de overheid om toezicht te houden op Holland Casino? Wordt daar in verband met het voorkomen van fraude door medewerkers van dat bedrijf gebruik van gemaakt? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Naast mijn stelselverantwoordelijkheid voor het kansspelbeleid in brede zin zijn er verschillende overheidsorganen die, steeds vanuit verschillend perspectief, toezicht houden op Holland Casino.
De kansspelautoriteit ziet toe op de naleving van de Wet op de kansspelen (en onderliggende regelgeving) en de aan Holland Casino verleende vergunning. Het gaat hier in het algemeen om voorschriften die ertoe strekken de voor kansspelen relevante publieke belangen – het tegengaan van kansspelverslaving en het beschermen van consumenten – te borgen. Bij overtreding van deze voorschriften kan de kansspelautoriteit o.a. een bestuurlijke boete opleggen.
Conform het deelnemingenbeleid is de Minister (in dit geval: de Staatssecretaris) van Financiën verantwoordelijk voor het beheer van het aandeelhouderschap in de onderneming en treedt hij bij Holland Casino, gelet op diens rechtsvorm, op als ware hij aandeelhouder. Dit komt tot uiting in de statuten van Holland Casino, waarin verschillende rechten en bevoegdheden van de minister in zijn rol van aandeelhouder zijn vastgelegd.
De Nederlandsche Bank ziet toe op de naleving van tal van wetten van financiële aard. Het betreft hier onder andere de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de Wet op het financieel toezicht, de Wet inzake de geldtransactiekantoren en de Sanctiewet.
De Algemene Rekenkamer tenslotte kan onderzoek instellen naar het financiële beheer van Holland Casino.
Naast deze overheidsorganen ziet de raad van commissarissen van Holland Casino toe op de algemene gang van zaken in de stichting, het financiële verloop bij de stichting en de winstafdracht aan de Staat der Nederlanden alsmede op het beleid van het bestuur.
Het voorkomen van dan wel het omgaan met fraude door medewerkers van de onderneming valt net als bij andere ondernemingen binnen de normale verantwoordelijkheden van het bestuur, en is als zodanig niet specifiek belegd bij één van de publieke toezichthouders. Naar mijn mening is dat ook niet nodig, omdat het hier gaat om maatregelen die het bestuur in het kader van haar normale bedrijfsvoering kan (en zal) treffen en waarop de raad van commissarissen toezicht houdt.
Wat is de stand van zaken met de plannen om het staatsbedrijf Holland Casino te verkopen? Wordt er bij die plannen uitdrukkelijk rekening gehouden met eisen ten aanzien van de integriteit van het personeel en taken met betrekking tot het voorkomen van fraude, witwassen van geld en gokverslaving?
Op dit moment werken de ministeries van Veiligheid en Justitie en van Financiën, in nauw overleg met de kansspelautoriteit, beleidsmatige maatregelen uit die strekken tot herinrichting van de casinomarkt. Integraal onderdeel van de herinrichting is de privatisering van Holland Casino. De Staatssecretaris van Financiën en ik streven ernaar uw Kamer daarover voor de zomer nader te berichten. Bij de uitwerking van de plannen zal nadrukkelijk rekening worden gehouden met de beleidsdoelstellingen – het tegengaan van kansspelverslaving, het beschermen van de consument en het tegengaan van fraude en witwassen.
Het rapport ‘sociaal economische gevolgen van echtscheiding’ |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het verkennend rapport «sociaal-economische gevolgen van echtscheiding»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevindingen in het rapport die wijzen op de negatieve effecten op gezondheid, geluk en welbevinden en, als gevolg daarvan, op de overheidsfinanciën? Kost echtscheiding Nederland jaarlijks circa € 2 miljard?
Over het effect van echtscheiding op de overheidsfinanciën geeft het rapport geen directe informatie. Het rapport stelt dat er een relatie is tussen echtscheiding en maatschappelijke kosten, maar dat deze relatie niet noodzakelijkerwijs een oorzakelijke is. Gezien het voorgaande zal nader onderzoek naar de omvang van de totale maatschappelijke kosten van echtscheiding onvoldoende oorzakelijke verbanden kunnen aantonen.
Op welke wijze kan het risico op armoede als gevolg van echtscheiding worden voorkomen?
Een echtscheiding is een gebeurtenis waarbij mensen vaak geconfronteerd worden met een terugval in inkomen. Het is dan zaak dat mensen zo snel mogelijk bekijken op welke wijze zij hun inkomsten en uitgaven het beste in balans kunnen brengen. Als dit mensen niet zelf lukt, dan kunnen zij zich tot de gemeente wenden voor hulp.
Participatie via werk is de beste manier om onverwachte gebeurtenissen, zoals een scheiding, financieel op te kunnen vangen. Via allerlei maatregelen en voorzieningen investeert het kabinet in een stelsel dat mensen in staat stelt om te werken. Daarnaast faciliteert het kabinet financiële educatie, opdat mensen een verstandig financieel beleid voeren waarbij rekening gehouden wordt met tegenvallers.
Wanneer mensen onverhoopt (tijdelijk) niet in staat zijn voldoende inkomen te genereren, is er voor hen een sociaal vangnet in de vorm van een bijstandsuitkering.
Bent u bereid terug te komen op antwoorden op eerdere vragen over de omvang van de totale maatschappelijke kosten van echtscheiding2, waarin u aangeeft dat een onderzoek naar de omvang van de totale maatschappelijke kosten van echtscheiding in Nederland geen toegevoegde zou hebben? Zo ja, wilt u dan aanvullend onderzoek verrichten naar de sociaal-economische gevolgen van echtscheiding? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kent u de verkennende studie «relatie ondersteunend aanbod Centra Jeugd en Gezin» (CJG's)3, waaruit blijkt dat er in Nederland nog nauwelijks sprake is van preventief relatieondersteuningsaanbod vanuit de CJG's? Waarom is er nauwelijks hulpaanbod? Hoe kan dit aanbod worden vergroot?
De verkennende studie «relatie ondersteunend aanbod Centra Jeugd en Gezin» laat zien dat er weinig maatschappelijk draagvlak lijkt te bestaan voor relatieondersteunend aanbod. Dit wordt bevestigd door de aanbieders van relatieondersteunende programma’s. Bij paren lijkt het behoren tot het privédomein van relaties en relatieproblemen een belemmering te zijn om hulp te zoeken bij relatieproblemen.
De voormalige minister voor Jeugd en Gezin heeft, als opdrachtgever van de verkennende studie, de taak voor het realiseren van relatieondersteunend hulpaanbod neergelegd bij gemeenten en Centra voor Jeugd en Gezin. Gemeenten hebben een belangrijke rol als het gaat om het beschikbaar stellen van lichtere vormen van hulpverlening en (in toenemende mate) de algemene regie op een goed op elkaar aansluitend pakket van beschikbare hulpverlening. Dit geldt ook voor hulpaanbod op het gebied van relatieondersteuning. De rol van gemeenten zal na de decentralisatie van de zorg voor jeugd op dit laatste terrein nog veel belangrijker worden.
Om gemeenten en Centra voor Jeugd en Gezin te ondersteunen bij het vormgeven van relatieondersteunend aanbod, is de handreiking «Relatieondersteunend aanbod voor (aanstaande) ouders» ontwikkeld. Deze handreiking is op 21 november 2012 gepubliceerd op de website www.voordejeugd.nl . Via de link http://www.voordejeugd.nl/actueel/nieuws/288-relatieondersteunend-aanbod-voor-aanstaande-ouders is de handreiking te downloaden.
Wil u nader onderzoek doen, zoals wordt aanbevolen in de verkennende studie, naar de effectiviteit van het huidige Nederlandse aanbod relatieondersteunende programma’s?
Het ministerie van VWS financiert ZonMw voor het uitvoeren van het programma «Effectief werken in de jeugdsector». Eén van de programmalijnen voorziet in onderzoek naar de effectiviteit van interventies. De programmacommissie van ZonMw beoordeelt de wetenschappelijke relevantie van de onderzoeksvoorstellen.
Deelt u de mening dat het, gezien de sociaal-economische gevolgen, belangrijk is dat overheidsbeleid gericht moet zijn op het versterken van familie- en gezinsrelaties? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan? Zo nee, waarom niet?
Op 8 februari 2013 hebben we uw Kamer de Gezamenlijke agenda VWS «Van systemen naar mensen» aangeboden (MEVA/AEB-3155166). Met de decentralisatie van alle ondersteuning, hulp en zorg bij opgroeien en opvoeden naar gemeenten, willen we een omslag realiseren naar preventie en aansluiten bij eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van jeugdigen en hun ouders. Door ontschotting van budgetten ontstaan meer mogelijkheden voor «één gezin, één plan, één regisseur» én voor zorgvernieuwing. Gemeenten kunnen hun taak doelmatiger uitvoeren door ontschotting en investering in preventie en vroegtijdig signaleren. Hierdoor wordt het makkelijker verbindingen te leggen tussen zorg, lokaal gezondheidsbeleid, onderwijs, werk en inkomen, sport en veiligheid.
Wanneer is de handreiking verstuurd, waarin aandacht wordt besteed aan de gevolgen van relatieproblemen tussen ouders en de wijze waarop CJG's op dit terrein een rol kunnen spelen? Kan de Kamer deze handreiking ontvangen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe geeft u invulling aan de Nota Gezinsbeleid «De Kracht van het Gezin» uit 2008?4
Het gezinsbeleid wordt op de verschillende betrokken ministeries uitgevoerd. Op de onderdelen hiervan wordt de Kamer door de daarvoor verantwoordelijke bewindspersoon geïnformeerd. De verantwoordelijkheid voor de kinderopvang, het kindgebonden budget, de kinderbijslag, het stelsel van verlofregelingen en de tegemoetkoming ouders thuiswonende gehandicapte kinderen is belegd bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het regeerakkoord «Bruggen slaan» is besloten tot een herziening van de kindregelingen. Binnen afzienbare tijd zal de Kamer geïnformeerd worden over de precieze invulling hiervan.
Ter zake van de combinatie arbeid en zorg heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een wetsvoorstel ingediend met voorstellen voor flexibeler toepassingsmogelijkheden van de regelingen uit de Wet arbeid en zorg en de Wet aanpassing arbeidsduur (wetsvoorstel modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden). Dit onderwerp maakt tevens onderdeel uit van de gesprekken met sociale partners in het kader van de sociale agenda.
Werkloze Friezen die direct bij de sociale werkplaats aan het werk worden gezet |
|
Sadet Karabulut |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Is het waar dat dertien Friese gemeenten een werkproject zijn gestart waarbij mensen die zich aanmelden voor de bijstand direct bij de sociale werkplaats aan het werk worden gezet op straffe van een korting op de uitkering?1 2
Voor de beantwoording van de vragen heb ik nadere informatie van de deelnemende gemeenten ontvangen.
Ja. De mensen waarom het hier gaat worden niet in het kader van de sociale werkvoorziening geplaatst. Het betreft mensen die een beroep op de gemeente doen en via tussenkomst van Empatec aan de slag worden geholpen. NV Empatec is het mensontwikkelbedrijf van 13 Friese gemeenten. Het voert niet alleen de sociale werkvoorziening uit voor gemeenten maar ook andere re-integratiediensten.
Wat is de reden dat sociale werkplaats Empatec bijstandsgerechtigden met behoud van uitkering laat instromen in plaats van personen met een indicatie voor de sociale werkplaats die op de wachtlijst bij Empatec staan? Wat is de primaire doelstelling van sociale werkplaats Empatec?
De mensen waarom het hier gaat worden niet in het kader van de sociale werkvoorziening geplaatst. Dertien gemeenten in het westen van Friesland starten samen met Empatec een proefproject om uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk aan werk te helpen. De gemeenten hebben de keus gemaakt om mensen niet thuis te laten zitten met een uitkering, maar actief aan het werk te helpen.
Kunt u toelichten waarom bij sociale werkplaats Empatec na 1 januari 2014 wel bijstandsgerechtigden mogen instromen, maar geen personen met een indicatie voor de sociale werkplaats? Is het uw intentie om de sociale werkplaatsen om te vormen tot bedrijven waar bijstandsgerechtigden verplicht worden met behoud van uitkering te gaan werken?
Gemeenten hebben beleidsvrijheid in het organiseren van de uitvoering van de Wsw. Veel gemeenten maken daarbij gebruik van sw-bedrijven. Naast de uitvoering van de Wsw kunnen gemeenten de expertise van sw-bedrijven ook inzetten voor andere taken.
Gemeenten krijgen met de inwerkingtreding van de Participatiewet de mogelijkheid om via een nieuwe voorziening beschut werk te organiseren voor mensen met een arbeidshandicap. Zij kunnen daarbij desgewenst de opgebouwde kennis van de sw-bedrijven voor deze groep inzetten.
Kunt u toelichten in welke mate er sprake is van verdringing van werknemers van de sociale werkplaatsen door bijstandsgerechtigden die moeten werken met behoud van uitkering?
Zie het antwoord op vraag 2. Er is volgens de gemeenten geen sprake van verdringing. Empatec verzorgt voor haar gemeenten al jarenlang re-integratietrajecten waarbij continu ca 450 WWB-ers en Wajongers een traject volgen. De bedrijfsvoering is er op gericht dat er voldoende en passend werk is voor zowel WWB-ers als Wsw-ers. In de afgelopen jaren heeft Empatec geïnvesteerd in doorontwikkeling van haar werkbedrijven, zodat er voor beide doelgroepen hoogwaardig werk en opleidingsmogelijkheden zijn ontstaan.
Krijgen bijstandsgerechtigden die verplicht moeten werken met behoud van uitkering na de projectduur de garantie van een vast contract bij een reguliere werkgever of worden zij teruggeplaatst in de bijstand?
Werken met behoud van uitkering is een van de instrumenten die de gemeente kan inzetten om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te activeren en te begeleiden naar werk. Werken met behoud van uitkering is mogelijk voor een beperkte periode. Gedacht kan worden aan een periode van zes maanden. Uitzondering op de genoemde duur van werken met behoud van uitkering vormen de participatieplaatsen. Gemeenten kunnen dit instrument inzetten voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, maar die wel het perspectief hebben dat zij met langere begeleiding weer inzetbaar zijn in reguliere arbeid. Mensen op een participatieplaats kunnen hierbij twee jaar werken met behoud van uitkering. De gemeente kan deze periode onder voorwaarden met maximaal twee keer een jaar verlengen. Bij een participatieplaats staat de toenadering tot de arbeidsmarkt voorop, moet er sprake zijn van een additionele arbeidsplaats waardoor verdringing wordt voorkomen en aan uitkeringsgerechtigden zonder startkwalificatie, wordt na zes maanden scholing of een opleiding aangeboden, tenzij dit niet bijdraagt aan de arbeidsmarktkansen. Gemeenten moeten uitkeringsgerechtigden na zes maanden werken op een participatieplaats en vervolgens elke zes maanden een premie geven, tenzij de uitkeringsgerechtigde naar het oordeel van het college onvoldoende heeft meegewerkt.
Volgens de betrokken gemeenten hebben tientallen bedrijven inmiddels aangegeven zeer enthousiast te zijn over de nieuwe aanpak en de integrale werkwijze van het proefproject. De werkwijze is er op gericht om mensen zo snel als mogelijk te begeleiden naar een dienstverband bij een werkgever conform de daarvoor geldende cao. Werken bij een werkgever met behoud van uitkering wordt tot een minimum beperkt. In principe wordt hierbij uitgegaan van een periode van maximaal 3 maanden. Empatec streeft naar een proefplaatsing van gemiddeld 1 maand. De werkgever neemt het besluit of personen al dan niet in dienst worden genomen.
Welke reguliere bedrijven hebben zich reeds aan dit werkproject gecommitteerd? Krijgen bijstandsgerechtigden die binnen dit werkproject aan de slag gaan in een reguliere functie bij een reguliere werkgever bijbehorend functieloon betaald zoals omschreven in de geldende cao? Zo nee, wat is hiervan de reden?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u het wenselijk dat bijstandsgerechtigden een jaar lang werken maar onder het minimumloon worden betaald? Deelt u de mening dat dit onwenselijk? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen na drie maanden tenminste het wettelijk minimumloon verdienen met uitzicht op cao-functieloon? Zo nee, bent u tegen eerlijk werk voor eerlijk loon?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de kosten en de baten van het Friese werkproject? Wanneer is het project geslaagd?
Het is niet aan mij om te bepalen wanneer dit project geslaagd is. Dat is ter beoordeling van de colleges en gemeenteraden. De kosten worden binnen de budgetten van de samenwerkende partijen gedekt. Het doel is om meer mensen naar een regulier arbeidsplaats te begeleiden door het ontwikkelen van een gezamenlijke integrale aanpak en door maatwerk. Het streven van de deelnemende gemeenten is om ten opzichte van 2011 5% meer uitstroom naar regulier werk te realiseren.
Wat zijn de regionale werkloosheidscijfers van Friesland? Welke doelstelling hebben de 13 Friese gemeenten geformuleerd als het gaat om het tegengaan van werkloosheid in de regio?
Het CBS (Statline) geeft ten aanzien van het werkloosheidscijfer voor de Provincie Friesland de stand van eind 2011 weer: 5,7% (landelijk was toen 5,4%). Het gemiddelde percentage werkzoekenden (ingeschreven niet-werkende werkzoekenden; NWW) van de dertien betrokken gemeenten bedroeg eind 2011 6,2%. De doelstelling van het proefproject is om de uitstroom naar regulier werk te verhogen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Het bericht dat zijn ‘fusiebonus’ om gemeentelijke herindelingen te stimuleren, in strijd is met de wet |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Fusiebonus» Plasterk in strijd met de wet»?1
Ja
Kent u ook het artikel «Vermeende rem op gemeentefusies bestaat niet»?2
Ja
Wat is uw reactie op de constatering dat er bij gemeentelijke fusies geen sprake is van de door u gesuggereerde «negatieve prikkel»?
Gemeenten verliezen na herindeling een aantal maal het vaste bedrag; bijvoorbeeld drie gemeenten die fuseren ontvangen voorafgaand aan de fusie elk het vaste bedrag en na herindeling nog eenmaal. Deze gemeenten verliezen derhalve tweemaal het vaste bedrag door te fuseren. Dit is een negatieve prikkel tot opschaling.
Recent onderzoek van professor Allers suggereert dat er wellicht ook andere prikkels zijn die dit effect (deels) zouden kunnen compenseren.
Wat is uw reactie op de constatering dat u een «positieve prikkel» wilt invoeren om gemeentelijke fusies te bespoedigen en dat dit in strijd zou zijn met de Financiële verhoudingswet?
Op dit moment doe ik onderzoek naar het gewenste systeem van financiële prikkels. Mocht de uitkomst hiervan betekenen dat wetswijziging noodzakelijk is, dan zult u vanzelfsprekend een daartoe strekkend voorstel ontvangen.
Wat is uw reactie op de constatering dat de vaste voet onbelangrijk is voor de vaststelling van de hoogte van de totale uitkering die gemeenten ontvangen?
Ik kan mij niet vinden in de constatering dat het vaste bedrag onbelangrijk is voor de vaststelling van de hoogte van de totale uitkering die gemeenten ontvangen. De term vast bedrag geeft aan dat elke gemeente voor dit deel van de algemene uitkering hetzelfde bedrag ontvangt3. In 2013 is dit ongeveer € 400.000 per gemeente. Dat is zeker voor kleine gemeenten geen onbelangrijk bedrag.
Bent u, ondanks de constatering dat er geen sprake is van significante verlaging van uitkeringen na herindelingen, nog steeds van mening dat van het verdeelsysteem van de algemene uitkering een negatieve financiële prikkel tot herindeling uitgaat? Zo ja, waarom?
Zie antwoord 3
Hoe beantwoordt u de door de onderzoekers voorgelegde vraag «of opschaling nastrevenswaardig is» in het geval negatieve prikkels alleen zijn te voorkomen door opgeschaalde gemeenten permanent een hogere uitkering te laten ontvangen?
De vraag die de onderzoekers opwerpen over de nastrevenswaardigheid van opschaling heeft een financiële aanleiding. Het kabinet kiest echter niet primair op financiële gronden voor opschaling van gemeenten, maar veeleer vanuit de noodzaak dat gemeenten de steeds zwaardere taken ook daadwerkelijk moeten kunnen uitvoeren in het belang van de burger. Het artikel biedt voor het kabinet dan ook geen aanleiding om af te zien van de beoogde opschaling.
De werking van het in-car alarmeringssysteem eCall, waarover bij hulpdiensten onduidelijkheid heerst |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Brandweer vreest loze meldingen autoalarm», over het in-car alarmeringssysteem eCall, dat bij ongevallen automatisch de hulpdiensten waarschuwt en waarover bij hulpdiensten in Friesland onduidelijkheid heerst?1
Ja.
Zijn de hulpdiensten voldoende geïnformeerd en voorbereid op de invoering van het eCall-systeem? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen om de hulpdiensten voor te bereiden op de invoering van het eCall-systeem?
Tot nu toe is er nog geen Europees voorstel tot verplichting van eCall. Ik verwacht een dergelijk voorstel overigens wel voor de zomer. Samen mijn collega van VenJ werk ik nu al (in het HeERO project) aan technische specificaties, ontwerp en organisatie van het toekomstige eCall systeem. De hulpdiensten worden hier actief bij betrokken. Op 6 december 2012 is een eerste informatiesessie voor de hoofden van de meldkamers geweest. Ik wil u overigens aangeven dat de verantwoordelijkheid voor het ontvangen en afhandelen van eCall noodoproepen («112-meldingen») bij mijn collega van het Ministerie van Veiligheid en Justitie berust.
Klopt het dat het eCall-systeem direct wordt gekoppeld aan de 112-alarmcentrale en dat er geen andere centrales (bijvoorbeeld de centrale van de autoproducent of de ANWB) als intermediair worden ingeschakeld?
Nederland hoeft hierin geen keuze te maken. Beide opties zijn mogelijk en zullen waarschijnlijk ook naast elkaar gebruikt gaan worden. Dit moet nog verder uitgewerkt worden. Opzet van het door Europa voorgestelde eCall systeem is dat er rechtstreeks contact is tussen het voertuig en de alarmcentrale. Er wordt echter niet voorgeschreven of dat direct via 112 of via een particuliere alarmcentrale gaat. In het HeERO-project gebruikt Nederland een directe koppeling met de 112-centrale.
Zal het aantal meldingen aan 112-alarmcentrales met de invoering van het eCall-systeem toenemen? Zo ja, zijn de 112-alarmcentrales voldoende toegerust voor een toename van het aantal meldingen?
Het eCall systeem is een toevoeging aan de bestaande mogelijkheden om de hulpdiensten te informeren door automatisch een melding te genereren als de auto een zwaar ongeval heeft gehad. Dit zijn bijvoorbeeld gevallen waarin de inzittenden zelf niet in staat zijn om 112 te bellen. Juist in deze gevallen kan het gebruik van eCall de aanrijtijden van hulpdiensten verkorten (gemiddeld ca. 4 minuten). Zelfs als eCall verplicht wordt zal het nog een aantal jaren duren voordat het hele wagenpark hiermee uitgerust zal zijn. Dit betekent dat in de eerste jaren de eCall meldingen nog beperkt zullen zijn en dat de ervaring zal leren of aanvullende maatregelen nodig zullen zijn.
Stuurt het eCall-systeem bij elk ongeval automatisch een melding naar de alarmcentrale dat er een ongeval heeft plaatsgevonden of maakt het eCall-systeem een onderscheid in de zwaarte van het ongeval?
Er is nog niet Europees vastgelegd aan welke eisen een systeem precies moet voldoen om «eCall systeem» te mogen heten. Deze eisen zullen (net als alle voertuigeisen) uiteindelijk worden vastgelegd in zogenaamde typegoedkeuringseisen. Onderdeel daarvan is dat er alleen een melding wordt gegenereerd als de auto een zwaar ongeval heeft gehad, waarbij bijvoorbeeld de airbag is geactiveerd of extreem hoge vertragingen worden gemeten. Dit om activering bij bijvoorbeeld parkeerschade e.d. te voorkomen.
Gebrek aan controle ziekenhuis declaraties door zorgverzekeraar |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ook tevreden over feit dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) werk maakt van gebrek aan controle op declaraties van ziekenhuizen door zorgverzekeraars, maar dat meer nodig is?1
Ja, ik ben tevreden met het feit dat de NZa hier werk van maakt en ja, het klopt dat er meer nodig is. Het aanpakken van onterechte en ongepaste declaraties is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorgaanbieders zijn in algemene zin verantwoordelijk voor het juist en gepast declareren. De zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor het controleren of de zorgaanbieder daadwerkelijk een juiste en gepaste declaratie heeft ingediend. Deze boodschap heeft NZa ook duidelijk op 7 maart jl. naar voren gebracht in de nieuwsbrief die specifiek over correct declareren gaat. De zorgautoriteit heeft aangekondigd dat ze haar toezicht verder gaat intensiveren. De NZa gaat ziekenbestuurders, medisch specialisten en zorgverzekeraars aanspreken op hun verantwoordelijkheid bij het voorkomen van onterechte declaraties. In het toezicht op de zorgverzekeraars zet de NZa al sinds enkele jaren in op verbetering van de controle van declaraties. Zo heeft de NZa in het bijgevoegde «Samenvattend rapport rechtmatigheid uitvoering Zorgverzekeringswet 2011» aangegeven dat de zorgverzekeraars meer werk moeten maken van deze controles.
Is er een analyse gemaakt van de oorzaak van verkeerde en te hoge declaraties uit de zorg enerzijds en gebrek aan controle hierop door zorgverzekeraars anderzijds? Zo ja, wat is de oorzaak en hoe wordt deze aangepakt? Zo nee, gaat dit nog gebeuren?
De Erasmus Universiteit Rotterdam en het Verwey-Jonker Instituut hebben in opdracht van de NZa de beleving van en de bereidheid tot naleving van de wettelijke declaratievoorschriften onderzocht onder medisch-specialisten.3 Uit deze Doelgroepenanalyse declaratiepraktijk medisch specialistische zorg blijkt onder meer dat de sector erkent dat niet-correct declareren plaatsvindt maar ook dat een aanzienlijk deel van de beroepsbeoefenaren zich al op een juiste manier aan de regels houdt. In het kader van de intensivering van het toezicht op correct declareren, is de NZa (onder meer) met ziekenhuizen, verzekeraars, medisch specialisten en hun brancheorganisaties in gesprek en geeft de zorgautoriteit aan welke verbeteringen in declaratiegedrag worden verwacht. De NZa zal daarbij voorlichten over de belangrijkste do’s en don’ts bij het declareren. Als er aanleiding toe bestaat, stelt de NZa een toezichtonderzoek in, zoals ze dat in december 2012 bij een academisch ziekenhuis heeft gedaan. Voorts is in het kader van de beoogde intensivering van het toezicht op de Zorgverzekeringswet (Zvw) onder regie van mijn departement een analyse gemaakt van de vraag hoe controle en toezicht eraan kunnen bijdragen dat voorkomen wordt dat declaraties voor ziekenhuiszorg die niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden uit het Zorgverzekeringsfonds worden gefinancierd. Uit deze analyse komt naar voren dat er reële aanknopingspunten tot verbetering zijn bij alle partijen in de zorgketen (van regulering en pakketbeheer tot registratie, declaratie, verantwoording en controle en toezicht). De gewenste verbeteringen draaien vooral maar niet uitsluitend rond de vraag of aan de volgende wettelijke voorwaarden wordt voldaan: is de zorg feitelijk geleverd? Is de geleverde zorg volgens de stand van de wetenschap en praktijk? En is de geleverde zorg naar inhoud en omvang redelijkerwijs aangewezen? Hierbij zijn de volgende aandachtsgebieden geïdentificeerd.
Als de prestatiebeschrijving (in het kader van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)) niet goed aansluit op het collectief verzekerd pakket volgens de Zvw kan de rechtmatigheid van de declaraties moeilijker worden gecontroleerd. De NZa heeft dit onderwerp als aandachtspunt benoemd in de doorontwikkelagenda DOT (november 2011 en 2012). Op verzoek van de NZa onderzoeken DBC-Onderhoud en het CVZ in samenspraak met zorgverzekeraars en zorgaanbieders momenteel hoe een betere aansluiting tussen de aanspraken in het verzekerd pakket en prestatiebeschrijvingen het controleproces kan ondersteunen.
In de Zvw is de inhoud en omvang van de te verzekeren prestaties in veel gevallen open geformuleerd. Duidelijkere normen over gepast gebruik vergemakkelijken effectieve controle door zorgaanbieders en zorgverzekeraars en toezicht door de NZa. Het CVZ brengt regelmatig een standpunt of advies uit ter verduidelijking, waardoor deze open formulering in de praktijk beter hanteerbaar wordt. De voorgenomen oprichting van het Nederlands Kwaliteitsinstituut zal bijdragen aan een verbetering van de richtlijnen en de transparantie en implementatie ervan. Dit draagt op haar beurt bij aan de verduidelijking van de normering wat onder andere weer zorginkoop door zorgverzekeraars op basis van kwaliteit vergemakkelijkt.
In het huidige controlesysteem bestaan onvoldoende stimulansen voor de zorgaanbieder om te voorkomen dat onjuiste declaraties worden aangeleverd. Onderzocht zal worden hoe zorgaanbieders kunnen worden gestimuleerd om de controle op declaraties te versterken.
Controle is normaliter een onderdeel van een risicomanagementsysteem (zijnde het cyclisch doorlopend proces van het identificeren en beoordelen van risico’s en het vaststellen van beheersmaatregelen om de risico’s in voorkomende gevallen te verkleinen of uit te bannen). De aandacht voor controle is nog in ontwikkeling en zou een integraal element bij de invoering van systemen moeten zijn. Onderzocht wordt hoe dit verder kan worden gestimuleerd.
Om de juistheid van de declaraties te kunnen vaststellen moeten declaraties worden gecontroleerd. Voor een goede uitvoering van deze controles dienen aan de hand van betrouwbare data onder andere opvallende afwijkingen of statistische verbanden (de potentiële risico’s) in kaart te worden gebracht. Vervolgens dienen deze te worden geanalyseerd en gewogen. De uitkomst hiervan indiceert de aandachtsgebieden waarop het risicobeheer (inclusief AO/IC) van zorgverzekeraars en zorgaanbieders zich dient te richten. Kortom er dienen bij beide partijen op elkaar afgestemde risicomanagementsystemen te bestaan.
Door bij risicoanalyses bovendien zoveel mogelijk samen te werken tussen zorgaanbieders onderling, zorgverzekeraars onderling en tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars samen wordt de kwaliteit van de analyses verbeterd en worden kosten bespaard. Voldoende onderzoekscapaciteit (softwaresystemen en data-analisten) en adviserend geneeskundigen vormen hierbij de basis voor elk risicobeheersysteem.
De risico’s dat bij het declareren niet aan de wettelijke voorwaarden worden voldaan, zijn in kaart gebracht. Het is nu zaak om de bovenstaande aandachtspunten in concrete stappen om te zetten. Ik ben in overleg met de betrokken ZBO’s en veldpartijen om een gezamenlijk plan van aanpak op te stellen.
Is ook onderzocht waarom declaraties van het ziekenhuis, in tegenstelling tot bijvoorbeeld van de tandarts, zo laat worden verzonden en voor velen onbegrijpelijke codetaal bevatten?
Er is een aantal oorzaken aan te wijzen die leiden tot verschillen tussen de declaraties van medisch specialistische zorg en tandartszorg. Medisch specialistische zorg wordt gedeclareerd in zogenaamde DBC-zorgproducten. Deze kennen afsluitregels als onderdeel van de declaratieregels die bepalen dat de declaratie van de verleende zorg pas na een bepaalde termijn mag plaatsvinden. Dit voorkomt dat er een nieuw DBC-zorgproduct geopend moet worden als de patiënt kort na het sluiten van het DBC-zorgproduct toch nog een keer terug moet komen. De verdere afhandeling, waaronder de controle, van de declaratie kost meer tijd vanwege de hogere mate van ingewikkeldheid. Medisch specialistische zorg bestaat vaak uit verschillende soorten zorgverlening die in sommige gevallen door meerdere medisch specialisten is geleverd. Daarnaast kunnen vertragingen in contractonderhandelingen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders ertoe leiden dat de zorg door het ziekenhuis later gedeclareerd wordt.
Ziekenhuizen sturen doorgaans nagenoeg alle facturen rechtstreeks naar de zorgverzekeraar. Dit laat onverlet dat de NZa toezicht houdt op de informatieverstrekking van zorgaanbieders aan patiënten. Zo zijn zorgaanbieders verplicht om het tarief dat zij in rekening brengen bekend te maken als de patiënt daar om vraagt.
Het verbeteren van de helderheid van zorgnota’s die de verzekeraar aan de verzekerde verstrekt, heeft voor mij een hoge prioriteit. Hierover heb ik op 10 november 2011 in de Kamer gezegd dat als zorgverzekeraars hier geen actie op ondernemen, dat ik met wettelijke maatregelen zal komen. Inmiddels is er een aantal stappen gezet. In 2012 heeft de NPCF een enquête uitgezet onder haar leden waarin wordt gevraagd naar de begrijpelijkheid van de nota’s. Momenteel wordt er aan de hand van de uitkomsten van deze enquête gewerkt aan verbeteringen. Hierbij wordt tevens aandacht besteed aan het verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Privacyaspecten zijn daarbij een belangrijk aandachtspunt. Ik houd de Kamer op hoogte van de vorderingen.
Deelt u de mening dat patiënten, indien gewenst, betrokken kunnen worden bij controle van nota's, maar dat hiervoor tijdig een leesbare factuur gestuurd moet worden door het ziekenhuis aan de patiënt?
Zie antwoord vraag 3.
Is er een breed plan van aanpak bij de NZa om foute declaraties en vervolgens niet-controlerende verzekeraars te voorkomen, op te sporen en indien nodig te handhaven? Zo ja, kan de Kamer een jaarlijkse effectenrapportage ontvangen?
Ja. De NZa onderneemt op een breed terrein acties en heeft vanaf 2010 haar toezicht verscherpt. Op het terrein van correct declareren heeft de NZa onlangs – in december 2012 – een grootschalig onderzoek uitgevoerd bij een academisch ziekenhuis. Voor 2013 heeft de NZa een interventiestrategie ontwikkeld die draait om een mix van voorlichting en bewustwording, versterking van het interne toezicht bij zorgaanbieders, indringender controles door zorgverzekeraars en, indien nodig, handhavend optreden. De NZa heeft gepast gebruik in het Protocol vereveningsonderzoek opgenomen en heeft samen met het CVZ een gezamenlijke voorlichtingsronde langs zorgverzekeraars en hun externe accountants gehouden. De NZa heeft ervoor gekozen om het toezicht op gepast gebruik in fases uit te rollen. Hierdoor hebben partijen de gelegenheid om hun rol beter op te pakken en ook het toezicht goed in te richten. In dit verband heeft de NZa eind 2012 ook de Regeling controle en administratie zorgverzekeraars (Staatscourant 2012, nr. 26404) vastgesteld, die tot doel heeft nadere voorschriften te stellen aan de uitvoering van formele en materiële controles en onderzoek signalen van fraude door zorgverzekeraars.
In het reeds genoemde «Samenvattend rapport rechtmatigheid uitvoering Zorgverzekeringswet 2011» doet de NZa verslag van de bevindingen over dat jaar en de manier waarop de door haar gewenste acties in het rapport van het voorafgaande jaar zijn opgevolgd4. Dit rapport geeft bovendien een actueel inzicht in het toezicht van de NZa en de hierbij opkomende aandachtsgebieden voor verbetering. In het rapport heeft de NZa net als bij het onderzoek in 2010 de focus gelegd op de formele en materiële controles, misbruik en oneigenlijk gebruik en gepast gebruik. Daarnaast geeft de NZa een oordeel over de juistheid van financiële verantwoordingen. De NZa vindt dat zorgverzekeraars meer werk moeten maken van de controle van declaraties van prestaties en de controle van hun financiële verantwoordingen. Met de extra aandacht in het vereveningsonderzoek is het aantal aanwijzingen van de NZa aan zorgverzekeraars en informatieverzoeken voor verbeterplannen voor formele en materiële controles, misbruik en oneigenlijk gebruik en gepast gebruik toegenomen.
ZN heeft een aantal jaren geleden het programma «Samenwerken aan Controles» uitgevoerd. Dit programma was voornamelijk gericht op het samenwerken door zorgverzekeraars op het gebied van (technische en) formele controles. Resultaat van dit programma is onder meer een gezamenlijke visie op controle, namelijk controle zo vroeg mogelijk in de keten en dat het om een «goede» declaraties moet gaan. Een ander resultaat van het programma is dat voor alle sectoren de technische controles uniform zijn opgesteld en worden uitgevoerd via VECOZO. Wat betreft de formele controles hebben de zorgverzekeraars gezamenlijk voor een aantal sectoren de controles uniform opgesteld en afgestemd met de zorgaanbieders. De daaraan vooraf liggende interpretatie van de NZa beleidsregels is ook in gezamenlijkheid uitgevoerd.
Voor de sector Medisch Specialistische Zorg worden de controles ook nog eens gezamenlijk uitgevoerd via de DOT Controlemodule. Deze module is door de zorgverzekeraars gratis beschikbaar gesteld aan de ziekenhuizen. Tot op heden hebben zestien ziekenhuizen hiervan gebruik gemaakt.
In vervolg op bovenstaande programma start ZN met een nieuw programma dat zich met name richt op het intensiveren van de materiële controle en controle op gepast gebruik. Eén van de deelprojecten richt zich op de mogelijkheden om verzekerden in te zetten bij het controleren van de nota. De zorgverzekeraars zijn ten slotte bezig hun risicomanagementsystemen te versterken.
De NVZ en de NFU hebben aangegeven dat beide organisaties betere controlefaciliteiten gedurende het zorgproces gaan inzetten. Momenteel onderzoeken de NVZ en NFU of er mogelijkheden zijn om controles, die een verband leggen tussen diagnose en geregistreerde zorg, niet langer achteraf plaats te laten vinden wat duurder en arbeidsintensiever is, maar gedurende het zorgproces in te zetten. In de huidige situatie maken nagenoeg alle ziekenhuizen gebruik van controle instrumenten, maar deze zijn onvoldoende op elkaar en op de controlemethodieken van de zorgverzekeraars afgestemd.
De NMa opinie "Versterking landbouw vraagt om innovatie, niet om minder concurrentie" |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de opinie van de Nationale Mededingingsautoriteit (NMa) «Versterking landbouw vraagt om innovatie, niet om minder concurrentie»?1
Ja.
Wat is uw inhoudelijke mening over deze opinie?
Bij de koers voor de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), want daar gaat deze opinie van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) over, spelen veel belangen een rol. Binnen de huidige voorstellen voor het GLB wordt de positie van de primaire producent versterkt door producentenorganisaties in alle sectoren van de landbouw toe te staan. Het kabinet steunt dit voorstel van de Europese Commissie om op deze manier de marktmacht van primaire producenten te versterken. Deze producentenorganisaties dienen zich wel aan de mededingingsregels te houden. Hoe die regels er voor de agrarische sector precies uit gaan zien, is een punt dat in deze eindfase van de onderhandelingen tussen het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie met een goede betrokkenheid van u als nationaal parlement duidelijk moet worden. De Landbouwcommissie van het Europees Parlement heeft hier reeds stelling in genomen. Volgens mij moeten we een weg vinden die recht doet aan zowel de situatie van de primaire producent, als aan de rol die mededinging speelt bij onder meer vernieuwing en slagkracht van de agrarische sector.
Deelt u de mening dat de NMa in deze opinie een waardeoordeel geeft over Europarlementariërs en indirect over de leden van de Tweede Kamer door onder andere te stellen dat «Europarlementariërs de problemen in de Europese landbouw niet oplossen», «... zeggen ... nee tegen vernieuwingen» en «... oproep die we in Nederland ook nog wel eens horen», en dat zij meent de politiek te moeten beïnvloeden door onder andere te stellen: «... moeten we een geluid laten horen dat we deze weg niet op moeten»?
Nee.
Deelt u de mening dat de onafhankelijkheid van de NMa hiermee is aangetast? Zo ja, wat gaat u ondernemen om de onafhankelijkheid weer te herstellen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De NMa geeft aan wat in haar ogen en vanuit haar ervaring, als mededingingsautoriteit, nodig is bij de hervorming van het GLB. Dit strookt met de onafhankelijke positie van de NMa. Tegelijkertijd voert de Staatssecretaris van Economische Zaken de onderhandelingen over het GLB in Brussel. De NMa zal conform de uiteindelijk overeengekomen Europese kaders toezicht houden op het naleven van de mededingingsregels.
Vindt u dat een Chief Economist NMa of überhaupt een medewerker van de NMa dit soort zwaar politiek inhoudelijke opinies mag publiceren? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u ondernemen om dit in de toekomst te voorkomen én welke sanctie treft u richting de Chief Economist?
De NMa geeft vanuit haar economische expertise aan hoe zij aankijkt tegen de hervormingen in het GLB en de rol die mededinging daar in zou moeten nemen. Zoals ik in het vorige antwoord al heb verwoord, heeft de NMa een onafhankelijke positie die ruimte biedt om zulke opinies te verwoorden. Aan deze opinie van de NMa over de hervormingen van het GLB ligt een gezamenlijk statement ten grondslag van de hoofden van de Europese mededingingsautoriteiten dat op 21 december 2012 is gepubliceerd op de website van het Directoraat-generaal Mededinging van de Europese Commissie. Het standpunt van Nederland ten aanzien van de hervorming van het GLB is door het kabinet in samenspraak met de Tweede Kamer bepaald.
De NMa zal conform de Europese kaders van het GLB, zoals die na de hervorming zullen gelden, toezicht houden op het naleven van de mededingingsregels.
Het bericht dat de cookiemuur van de Publieke Omroep niet rechtsgeldig is |
|
Jasper van Dijk , Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «CBP tikt publieke omroep op vingers om cookiemuur» waarin Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) de publieke omroep op de vingers tikt vanwege de cookiemuur die op alle publieke sites te vinden is?1
OPTA is belast met het toezicht op naleving van de cookiebepaling. Het is dus aan OPTA om een oordeel te vellen over de rechtmatigheid van de handelwijze van de NPO in het licht van de cookiebepaling. OPTA ziet daarbij toe op de eisen die volgen uit artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet dat een ieder die cookies wenst te plaatsen hierover de gebruiker moet informeren en daartoe toestemming moet hebben verkregen.
In het geval er tevens sprake is van de verwerking van persoonsgegevens is daarnaast het CBP als toezichthouder bevoegd, omdat dan ook de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing is. Hierbij speelt het in artikel 11.7a, eerste lid, van de Telecommunicatiewet opgenomen rechtsvermoeden een rol. Het CBP mag aannemen dat er bij de door de Ster geplaatste tracking cookies sprake is van de verwerking van persoonsgegevens, tenzij de NPO, respectievelijk de Ster aantoont dat er in dit geval geen sprake is van de verwerking van persoonsgegevens. Het rechtsvermoeden in de cookiebepaling brengt niet met zich mee dat er bij tracking cookies per definitie sprake behoeft te zijn van verwerking van persoonsgegevens. Het rechtsvermoeden blijft weerlegbaar, het legt alleen de bewijslast bij de cookieplaatser. Alleen als de NPO niet kan aantonen dat de verzamelde gegevens niet herleidbaar zijn tot een identificeerbaar natuurlijk persoon is sprake van verwerking van persoonsgegevens die aan de eisen van de Wet bescherming persoonsgegevens moet voldoen.
Hoe kijkt u naar de reactie van de NPO2 die schetst dat in eerste instantie het probleem in de cookiewet zit en dat daarnaast de verschillende instanties (CBP en Opta) diverse standpunten innemen op dit onderwerp?
Het is duidelijk dat er in de praktijk enige knelpunten zijn met de cookiebepaling. Daarom heb ik de Kamer ook toegezegd te bekijken welke mogelijkheden er zijn om tot een structurele oplossing van deze knelpunten te komen. Ik heb daarbij aangegeven binnen een maand meer duidelijkheid te verschaffen. De discussie over de manier waarop de NPO de wettelijke verplichting om toestemming te vragen heeft geïmplementeerd, ziet echter vooral op de keuze van de NPO om bezoekers geen toegang te verlenen tot de site indien zij geen toestemming geven voor het gebruik van (tracking) cookies. De cookiebepaling dwingt geenszins tot een dergelijke keuze.
OPTA en CBP hebben laten weten intensief onderling overleg te hebben gevoerd ten aanzien van dit onderwerp. Ook hebben zij aangegeven ten aanzien van dit onderwerp intensief te hebben samengewerkt en dat te zullen blijven doen. Van diverse (uiteenlopende) standpunten ten aanzien van dit onderwerp is, aldus OPTA en CBP, geen sprake.
Welke stappen gaat u ondernemen nu het CBP stelt dat er opties zijn om de sites van de NPO wel beschikbaar te maken voor bezoekers zonder cookies in te stellen en gezien de monopoliepositie van de NPO dit door het CBP ook wenselijk wordt geacht?
Het is belangrijk dat de websites van de NPO voor een breed publiek toegankelijk zijn. Daarnaast is het belangrijk dat de NPO voldoende inkomsten kan genereren om een interessant (digitaal) aanbod te kunnen doen zeker in tijden van bezuinigingen. Er zal daarom de komende maand met de NPO worden overlegd of een andere aanpak mogelijk is. Dit doet niet af aan het feit dat het aan de beide toezichthouders is, OPTA en CBP, om te beoordelen in hoeverre de Telecommunicatiewet, respectievelijk de Wet bescherming persoonsgegevens door de NPO wordt overtreden.
Deelt u de mening dat voor de basisfunctionaliteiten van de NPO-sites alsook het vastleggen van generieke gebruiks- en gebruikersgegevens geen tracking cookies nodig zijn en dat voor mensen die hun privacy niet aangetast willen zien de site gewoon bruikbaar moet zijn?
Ja, voor de basisfunctionaliteiten en het vastleggen van gegevens over het gebruik zijn geen tracking cookies nodig. Verder is het ook nadrukkelijk niet de bedoeling van de NPO om mensen in hun privacy aan te tasten. De NPO stelt dan ook dat de door de NPO en Ster gebruikte tracking cookies niet herleidbaar zijn tot individueel identificeerbare personen, en dat het gestelde rechtsvermoeden aldus kan worden weerlegd. De NPO heeft getracht bij de toepassing en het gebruik van cookies een goede balans te vinden tussen toegankelijkheid van publieke audiovisueel materiaal, privacy van gebruikers, de mediawettelijke verplichtingen en de commerciële exploitatie van de Ster op het internet. Gelet op de daaropvolgende maatschappelijke discussie en de verschillende methoden die in het mediaveld worden gebruikt, heeft de NPO na overleg aangegeven de mogelijkheden voor een gedifferentieerde toestemming uitgebreid te zullen onderzoeken.
Bent u bereid deze vragen voor het algemeen overleg Digitale Agenda op 13 februari 2013 te beantwoorden?
Ja.
Taalproblemen in de zorg |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Apothekers moeten taalbarrière slechten»1 en «Spraakverwarring in de spreekkamer» en «Zonder tolken verslechtert de zorg»2?
Ja.
Wat is uw reactie op het signaal dat ouderen met een migrantenachtergrond vaak de bijsluiter niet kunnen lezen, of de uitleg van de apotheker niet snappen?
Communicatie is belangrijk in de zorg, zowel bij het vaststellen van de diagnose, als bij de behandeling zelf en bij leefstijladvies. Mensen zijn er zelf primair verantwoordelijk voor dat ze in het Nederlands kunnen communiceren. Dat betekent dat zij zelf naar oplossingen zoeken als zij de Nederlandse taal niet machtig zijn en daardoor de bijsluiter niet of niet goed kunnen lezen. Maar ook zorgverleners hebben op grond van de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) de verplichting om zich in te spannen om zo begrijpelijk mogelijk te communiceren. De apotheker kan relevante informatie daartoe ook op andere wijze verstrekken dan met een schriftelijke of mondelinge toelichting. Via beeldmateriaal kan bijvoorbeeld worden uitgelegd hoe een middel moet worden gebruikt. Dit is niet alleen in het belang van ouderen met een migrantenachtergrond, maar ook van mensen die laaggeletterd zijn. Voor apotheken is sinds 2009 hiervoor een nuttig instrument beschikbaar: de zogenoemde balieklapper.3
Deelt u de mening dat zorg, waaronder die van apothekers, voor iedereen toegankelijk moet zijn? Zo ja, deelt u voorts de mening dat die toegankelijkheid voor mensen met een taalbarrière op dit moment voldoende gegarandeerd is?
Ja, ik deel de mening dat de zorg in Nederland voor iedereen toegankelijk moet zijn. Er zijn verschillende manieren waarop zowel de cliënt als de zorgverlener hulp kunnen inschakelen als er sprake is van een taalbarrière.
Zo nemen ouderen vaak iemand uit hun netwerk van familieleden en mantelzorgers mee als zij gebruik maken van zorg. Dit betreft ook veel oudere migranten. Het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) heeft samen met het Netwerk van Organisaties van Oudere Migranten (NOOM) en Marokko Media een website ontwikkeld met meer informatie en hulpmiddelen voor dit netwerk van familie en mantelzorgers. Op www.zorgvoorjeouders.nl kunnen zij informatie vinden over de zorg in Nederland, de meeste voorkomende ziektes en informatie over het goed gebruik van medicijnen. Als oudere migranten bepaalde problematiek niet in aanwezigheid van familie willen bespreken kunnen zij zelf de tolkentelefoon inschakelen.
Deelt u bovendien de mening dat het belangrijk is dat artsen en apothekers goed met allochtone patiënten moeten kunnen communiceren, zeker gezien het feit dat migranten op leeftijd, in vergelijking met autochtone ouderen, vaker een gezondheidsachterstand hebben?
Zorgverleners moeten in staat zijn om zorg op maat te bieden, rekening houdend met de vaardigheden en achtergrond van de patiënt. Om ervoor te zorgen dat ook kwetsbare groepen de zorg krijgen die zij nodig hebben, is het van belang dat er professionele standaarden zijn die vanuit het cliëntperspectief zijn geschreven. Naar aanleiding van de motie van mevrouw Bruins Slot zal ik het Kwaliteitsinstituut vragen om informatie over kwaliteit van zorg ook toegankelijk te maken voor laaggeletterden. De in het antwoord op vraag 2 genoemde balieklapper vind ik een goed voorbeeld hiervan.
Wat is uw reactie op de stelling dat de kwaliteit van de zorg lijdt onder de bezuiniging op medische tolken, bijvoorbeeld doordat behandelingen vertraging oplopen door de taalbarrière?
Ik heb geen gegevens ontvangen waaruit blijkt dat de kwaliteit van zorg aantoonbaar zou lijden doordat de inzet van tolken niet meer centraal wordt vergoed. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft ook geen meldingen ontvangen van incidenten die betrekking hadden op taalproblemen in de zorg.
Zoals ik heb aangegeven kunnen mensen er zelf voor kiezen om een professionele tolk in te schakelen of een familielid, mantelzorger of vrijwilliger mee te nemen als zij gebruik maken van zorg. Daarnaast zijn zorgverleners gehouden zich in te spannen om zo goed mogelijk met patiënten te communiceren vanuit hun verantwoordelijkheid voor goede informatie en het informed consent.
Wat is uw reactie op de uitspraak dat huisartsen zonder tolk vaker doorverwijzen?
De zorgverlener moet goed kunnen inspelen op de verschillen tussen patiënten en moet de zorgverlening optimaal afstemmen op de individuele behoeften en mogelijkheden. Zoals ik bij vraag 2 heb aangegeven hebben zowel patiënten als zorgverleners een verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goede onderlinge communicatie. Mensen die minder goed onder woorden kunnen brengen welke klachten zij hebben worden soms eerder doorverwezen voor nader onderzoek. Ik vind het om die reden van belang dat de patiënt zich inspant om in het Nederlands te kunnen communiceren.
Kunt u aangeven hoeveel extra zorgkosten er jaarlijks gemaakt worden, doordat artsen eerder doorverwijzen of de behandeling vertraagd wordt, omdat de patiënt de Nederlandse taal niet machtig is? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik heb geen indicatie van extra zorgkosten die gemaakt worden omdat de patiënt de Nederlandse taal niet machtig is en deze zelf geen informele of professionele tolk heeft ingeschakeld. Uit bijgevoegde kosten- en opbrengstenanalyse van tolkdiensten is, met kanttekeningen, op te maken dat op het moment dat tolken nog vergoed werden door de overheid, voor wat betreft huisartsen en ggz-instellingen de kosten voor het toenmalige gebruik van professionele tolken ongeveer € 7 miljoen bedroegen en de opbrengsten ongeveer € 3,5 miljoen. Overigens is in het rapport op enkele punten bedrijfsgevoelige informatie weggelakt.
Deelt u de mening, zeker gezien de uitspraak dat er jaarlijks meer zorgkosten gemaakt worden door sneller doorverwijzen, dat de inzet van tolken in de zorg juist zorgkosten kan besparen?
Ik deel de mening niet dat het collectief financieren van tolken leidt tot kostenbesparingen. Als in de zorg alleen gebruik gemaakt wordt van collectief vergoede, professionele tolken leidt dit (op basis van de kosten- en batenanalyse uit 2009) mogelijk zelfs tot een toename van zorgkosten. De inzet van tolken door mensen zelf is één van de mogelijkheden om zorgkosten te besparen. De patiënt en de zorgverlener kunnen samen ook zoeken naar andere oplossingen om een taalbarrière te overbruggen.
Wanneer kan de Kamer de resultaten van het onderzoek naar de problemen in de praktijk, na afschaffing van de tolkenvergoeding in de zorg, tegemoet zien?
Bij de behandeling van de begroting heb ik toegezegd om de huidige praktijk te onderzoeken met betrekking tot de vergoeding van tolken in de zorg en waar de problemen zitten ten aanzien van informed consent. Ik betrek hierbij ook zorgverzekeraars en de KNMG. Ik informeer u hierover door de voorjaarsnota 2013, dus uiterlijk in mei 2013.
Reclames en patiënten werving van GGZ-instelling Indigo |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Hoe rijmt u uw antwoord op eerdere vragen, waarin u stelt mijn zorgen te delen over de reclame om patiënten te werven door de GGZ-instelling Indigo, als u tevens schrijft geen actie te ondernemen?1
Zoals ik in mijn andere antwoorden heb aangegeven, valt de handelwijze van de instelling binnen de regels van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). In tegenstelling tot wat de LVE schrijft, biedt de instelling geen hulp voor mensen die geen verwijsbrief hebben van de huisarts. Zodra men contact opneemt met Indigo worden zij door de medewerkers geïnformeerd over de mogelijkheden en de rol van de huisarts als verwijzer. Indien de huisarts vervolgens vermoedt dat deze persoon een stoornis heeft, verwijst hij naar een instelling, dat kan ook een andere instelling zijn. De zorgverlening die wordt verleend past binnen de aanspraak van de wet en de behandelwijze geschiedt conform richtlijnen en standaarden. Daarbij ga ik er vanuit dat indien de huisarts constateert dat er geen sprake is van een psychische stoornis, maar bijvoorbeeld alleen van klachten van somberheid en stress, de patiënt niet wordt doorverwezen naar de GGZ. Om die reden onderneem ik geen actie op dit moment, maar ik ben wel alert. Daarom vind ik het belangrijk dat de NZa deze casus wel gaat monitoren. Ik kom hier later nog op terug.
Wat bedoelt u met uw opmerking dat de handelwijze van de instelling «vooralsnog» binnen de regels van de Zorgverzekeringswet lijkt te vallen? Kan hieruit worden opgemaakt dat u voornemens bent de wet aan te scherpen, waardoor dergelijke reclame/misleiding niet meer voor kan komen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn binnen de Zorgverzekeringswet geen beperkingen ten aanzien van reclame uitingen door zorgaanbieders. Buiten het feit dat ik – zoals ik reeds al aangaf – het niet nodig acht op dit moment maatregelen te nemen, zou de Zvw op dit punt niet aangepast kunnen worden.
In de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) is in artikel 39 geregeld dat «Zorgaanbieders ervoor zorgdragen dat de door of namens hen verstrekte of beschikbaar gestelde informatie terzake van een product of dienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en niet misleidend is». Er mag dus reclame gemaakt worden, zolang dit niet misleidend is. De NZa houdt hier toezicht op, en heeft de wettelijke regels voor zorgaanbieders hierover nader toegelicht en verduidelijkt in het Richtsnoer Informatieverstrekking Zorgaanbieders.
Wat bedoelt u concreet als u de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vraagt er «aandacht aan te besteden»? Welke verandering gaat dit in de praktijk opleveren en op welke termijn? Vindt u dat de NZa op een gedegen en zorgvuldige manier reclame-uitingen van zorgaanbieders beoordeelt op hun misleiding? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs u hierbij naar het antwoord op vraag 2. Op de vraag of er een verandering zal gaan optreden als ik vraag aan de NZa er aandacht aan te besteden, kan ik op dit moment niet antwoorden. Dit is afhankelijk van de wijze waarop de NZa het een en ander wel of niet zal beoordelen.
Bent u het met de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen (LVE) eens dat mensen altijd eerst naar de huisarts zouden moeten gaan als zij klachten hebben, aangezien u de poortwachtersfunctie van de huisarts belangrijk vindt? Zo ja, waarom doet u dan niets (of laat u niets doen) aan de handelwijze van Indigo? Zo neen, waarom niet?
Zoals ik in mijn vorige antwoorden heb aangegeven, verwijst Indigo de patiënten eerst naar de huisarts voordat ze bij de Indigo in behandeling gaan. Dat is ook verplicht. De huisarts zal conform richtlijnen de patiënt wel of niet verwijzen naar de GGZ.
Vindt u het echt geen misleiding dat een (grote) instelling mensen werft voor zorg, door een «gratis eerste consult» aan te bieden en daarmee mensen de zorg in te lokken?
Zoals ik in de beantwoording van de vorige set Kamervragen heb aangegeven, biedt de instelling een gratis eerste consult aan om de patiënt de gelegenheid te bieden om bij zichzelf na te gaan of hij/ zij bereid is het behandeltraject bij de instelling aan te gaan. Ik heb al aangegeven dat dit integer kan zijn, maar ook de schijn van aanbodgestuurde vraag in zich draagt. Vandaar dat ik benadruk dat een verwijsbrief van de huisarts nodig is en de NZa vraag hieraan extra aandacht te besteden. Het is wettelijk niet verboden een gratis eerste consult aan te bieden. Zorgaanbieders hebben in beginsel het recht, uit altruïsme of anderszins, zorg te verlenen zonder dat hier een betaling tegenover staat, tenzij zij daarmee een contractuele verplichting jegens hun verzekeraar schenden.
Hoe gaat u voorkomen dat mensen naar de huisarts gaan, om achteraf een doorverwijzing te vragen om naar Indigo te gaan en hoe kunt u dan de poortwachtersfunctie van huisartsen garanderen?
Indigo zal, zoals zij ook aangeeft, patiënten vóóraf een verwijsbrief laat halen door de huisarts en dat de huisarts adequaat, en aan de hand van de richtlijnen die daarvoor gehanteerd worden, deze patiënt wel of niet doorstuurt naar een zorgaanbieder.
Hoeveel meer dochterondernemingen van Parnassia BavoGroep werft patiënten via reclames? Bent u bereid dit te onderzoeken?
De andere zorgbedrijven die vanuit de Parnassia Groep aan de uitingen deelnamen zijn: Bavo Europoort, PsyQ, Brijder en Lucertis.