Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
De Maas heeft de afgelopen decennia op veel plekken meer ruimte gekregen door een combinatie van delfstoffenwinning en hoogwaterbescherming. In Maastricht zelf zijn daarbij geen maatregelen genomen, waardoor de breedte van het rivierbed hier significant kleiner is dan boven- en benedenstroom van de stad. De Sint Servaasbrug, Wilhelminabrug en Spoorbrug Maastricht liggen op het smalste deel van de rivier, waarbij de pijlers van de bruggen voor extra opstuwing zorgen. De pijlers van de Spoorbrug Maastricht zorgen bijvoorbeeld al voor een opstuwend effect van vijf centimeter.
Doordat de Maas in Maastricht relatief smal is ten opzichte van de delen ten noorden en zuiden van de stad nemen bij hogere rivierafvoeren de stroomsnelheden snel toe. Deze hoge stroomsnelheden hebben onder andere een negatief effect op de bevaarbaarheid van dit traject. Schepen hebben dan meer ruimte nodig, waardoor het passeren van andere schepen lastiger wordt. Daarnaast wordt het passeren van de bruggen risicovoller door de beperkte breedte. Specifiek bij de Spoorbrug Maastricht speelt de afwijkende oriëntatie van de beweegbare opening aan de westoever, terwijl de doorgaande vaarroute tussen Julianakanaal en Sint Servaasbrug zich langs de oostoever bevindt. De sloop van de Spoorbrug Maastricht leidt tot een aanzienlijke verbetering van de nautische veiligheid.
In het project Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht hoe de waterstanden in het centrum van Maastricht kunnen worden verlaagd met het oog op hoogwaterveiligheid. Daarnaast onderzoekt het project welke maatregelen nodig zijn om de bevaarbaarheid bij hogere afvoeren te verbeteren.
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Het proces voor onttrekking van de spoorlijn en sloop van de Spoorbrug Maastricht liep reeds voor de start van het project Zuidelijk Maasdal. Beide trajecten samenvoegen zou tot vertraging van het proces rondom de besluitvorming van de Spoorbrug Maastricht leiden. Dat is onwenselijk omdat de onderhoudskosten voor de Spoorbrug Maastricht dan langer door zouden lopen waardoor ook de verkenning in omvang zou toenemen. Daarnaast zou het nautisch en waterveiligheidsknelpunt blijven bestaan. Het voorkeursalternatief van de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht betreft de sloop van de Spoorbrug Maastricht in combinatie met de realisatie en een langzaamverkeersverbinding. Dit is als uitgangspunt gehanteerd voor het project Zuidelijk Maasdal.
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
In het Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht zijn integrale alternatieven onderzocht voor waterveiligheid, scheepvaart, een langzaamverkeersverbinding en de monumentale waarde van de Spoorbrug Maastricht. Een integraal ontwerp met een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt is niet onderzocht vanwege het ontbreken van concrete initiatieven of een realistisch perspectief.
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Dat klopt. De oostelijke pijler van de Spoorbrug Maastricht staat schuin op de huidige stroomrichting in de rivier. Dit geeft een atypische stroming rondom de pijler en daarnaast is het daardoor lastiger de breedte van de doorvaartopening onder de brug in te schatten. Het hefdeel bevindt zich aan de westelijke oever, terwijl de doorvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal zich aan de oostoever bevinden. Dit betekent dat schepen moeten slingeren over de Maas, hetgeen vooral bij hogere afvoeren tot risico’s leidt. Door de afnemende doorvaarthoogte moeten meer schepen dan door het hefdeel varen. Bovendien hebben schepen door de hoge stroomsnelheden meer moeite om de manoeuvre te maken. Ook kunnen er geen schepen tegemoetkomen terwijl andere schepen oversteken of onder het hefdeel varen.
Daarnaast vormt de Spoorbrug Maastricht een obstakel voor schepen die vanuit sluis Bosscherveld naar het Julianakanaal varen en vice versa. Om te voorkomen dat deze bij de splitsing op de landtong worden gedrukt door de stroming, moeten zij een stuk stroomopwaarts varen en dan draaien. Daarvoor is alleen tussen de Spoorbrug Maastricht en de Wilhelminabrug voldoende ruimte. Deze schepen moeten daarom twee keer de Spoorbrug Maastricht passeren.
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Het project Zuidelijk Maasdal hanteert het uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht wordt gesloopt. Zowel in het bepalen van de nautische opgave als in de uitwerking van de oplossingen wordt daarom een situatie zonder Spoorbrug Maastricht beschouwd.
Voorafgaand aan het project Zuidelijk Maasdal is in 2017 door Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar de nautische veiligheid in Maastricht. Hierin zijn wel eventuele aanpassingen aan de Spoorbrug Maastricht bekeken, namelijk het verhogen van de brug door deze vast te verhogen of beweegbaar te maken. Het vast verhogen van de brug bleek toen niet haalbaar omdat de aansluitingen van het spoor dan ook verhoogd en verlengd moeten worden. Dit was niet in te passen met het stationsemplacement aan de oostzijde omdat de aansluitingen dan te steil zouden worden. Ook het beweegbaar maken van de brug is als technisch zeer ingewikkeld en kostbaar aangemerkt en daarom niet nader uitgezocht.
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
De Drielandentrein wordt in samenwerking tussen NS, Arriva en NMBS geëxploiteerd. Enkel het Nederlandse deel van de verbinding tussen Maastricht en Luik valt onder de Hoofdrailnetconcessie. In de Hoofdrailnetconcessie zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de decentralisatie. Tijdens het BO MIRT van januari 2026 hebben IenW en de provincie Limburg afgesproken dat decentralisatie plaatsvindt vanaf 2028 of als dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt vanaf de volgende regionale concessieperiode (vanaf eind 2031). Hier zijn het ministerie en de provincie dus over in gesprek. De geambieerde frequentieverhoging vereist aan de Nederlandse zijde van de grens veiligheidsverbeteringen aan overwegen bij Eijsden.
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Dat klopt.
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Op het BO MIRT van eind 2025 en begin 2026 hebben IenW en provincie Limburg afgesproken om de AROV-middelen2 te herbestemmen aan een viertal projecten. Dit is een integrale aanpak, waarmee wij afspreken dat al deze projecten worden uitgevoerd. Hieronder vallen onder andere de sloop van de Spoorbrug Maastricht en het verbeteren van overwegen tussen Maastricht en Eijsden ten behoeve van een frequentieverhoging van de Drielandentrein tussen Maastricht en Luik.
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Rijkswaterstaat stelt vanuit scheepvaartveiligheid eisen aan de minimale afstand tussen bruggen over de vaarweg. Een nieuwe langzaamverkeersbrug en Spoorbrug Maastricht zouden te dicht op elkaar komen te liggen. De realisatie van een nieuwe langzaamverkeersbrug is daarom enkel mogelijk als de Spoorbrug Maastricht gesloopt is.
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
IenW en de provincie Limburg leggen de financiële afspraken vast in een nader af te spreken bestuursovereenkomst.
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er sinds de reactivering slechts één trein gereden. Het traject heeft een lage maximale snelheid en is niet voorzien van bovenleiding. Exploitatie voor reizigersvervoer zal grote investeringen vragen van meerdere tientallen miljoenen. Deze investering weegt niet op tegen de baten. Mede op basis van de beoordeling van ProRail concludeer ik dat heropening van het traject Maastricht – Lanaken niet realistisch is.
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt. Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor spoorvervoer. Dit geschiedt per bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
IenW en de Belgische federale overheid hebben middels de gezamenlijke verklaring spoordossiers februari jl. ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen naar het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Ja, ik ben bekend met de ambitie van vervoerder Arriva. Het ministerie heeft, naar aanleiding van de reactie van Arriva op de internetconsultatie die in oktober-november 2025 open stond, een gesprek gevoerd met Arriva. In een later gesprek in 2026 heeft Arriva hun toekomstvisie en een rapport van een ingenieursbureau toegelicht. In de rapportage zien adviseurs van een adviesbureau het exploiteren van een treinverbinding als «zeer ambitieus». Grote aanpassingen aan de infrastructuur zijn benodigd in zowel Nederland als België.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er, zoals eerder toegelicht, sinds de reactivering slechts één trein gereden. In 2020 is het spoor aan Nederlandse zijde buiten gebruik gesteld. In 2020 is door de Belgische Minister middels een ministeriële toelating toestemming gegeven aan Infrabel om de spoorlijn aan Belgische zijde van de grens niet meer te onderhouden. De Spoorbrug Maastricht in huidige vorm en staat voldoet niet aan de vereisten voor een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6, heeft Rijkswaterstaat meerdere scenario’s onderzocht. Eventuele her-ingebruikname van de Spoorbrug Maastricht vraagt dat de constructie wordt verhoogd ten behoeve van de scheepvaart, wat feitelijk nieuwbouw betekent. Dit is zeer lastig in te passen in de omgeving en kostbaar. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 14, hebben IenW en de Belgische federale overheid ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen over het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
De Euregio Maas-Rijn onderscheidt zich in Europees perspectief en van andere kandidaat-regio's voor de vestiging van de Einstein Telescope onder meer door het sterke internationale leef- en vestigingsklimaat. Dat maakt de Euregio aantrekkelijk voor onderzoekers en innovatieve bedrijven die willen samenwerken bij de technologieontwikkeling en de exploitatie van de Einstein Telescope. Goede grensoverschrijdende verbindingen en verdere verbeteringen van die verbindingen zijn dus van groot belang voor die grensoverschrijdende samenwerking en daarmee voor de kansen voor de Euregio als vestigingslocatie. Dit is dus een belangrijk onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het Bidbook van de Euregio Maas-Rijn voor de Einstein Telescope. IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Ik ben van mening dat onomkeerbare infrastructurele besluiten zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om die reden hebben mijn voorganger en ik afgelopen periode een intensief traject doorlopen, waar mijn voorganger middels een internetconsultatie betrokkenen gevraagd heeft hun mening te delen. Vervolgens is mijn voorganger met een groot aantal partijen in gesprek gegaan om deze argumenten te kunnen betrekken in de afweging. Ook hebben mijn voorganger en ik het voorgenomen besluit meermaals besproken met Minister Crucke. Er volgt nog een allesomvattend gesprek tussen Minister Crucke en mij rond verschillende infrastructurele besluiten die genomen moeten worden. Op basis van de argumenten zie ik vooralsnog geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen en nader onderzoek te doen.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Het project Zuidelijk Maasdal heeft als uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht gesloopt wordt. Het uitstellen van het besluit over de Spoorbrug Maastricht leidt tot een wijziging van het uitgangspunt voor het project. Dit heeft direct gevolgen voor de planning en het budget van de verkenningsfase, waardoor ook de uitvoering van andere onderdelen van de integrale scope, zoals de verbetering van de waterveiligheid in het gebied, vertraging oplopen.
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
De vervoerders op de Drielandentrein slagen er op dit moment niet in het Nederlandse check-in-check-out-systeem met paaltjes uit te breiden naar de Belgische stations op de Drielandentrein. Daarom kunnen reizigers daar nu geen gebruik maken van zowel de OV-chipkaart en OVpay. Tijdens het implementatietraject is recent gebleken dat in tegenstelling tot eerdere verwachtingen een goede integratie van het Belgische tarievensysteem in het Nederlandse OV-chipkaart-systeem met correcte beprijzing niet mogelijk is. Daarom is door de vervoerders geadviseerd om van een implementatie van in- en uitchecken met de OV-chipkaart op het Belgische deel af te zien tot de volledige migratie naar OVpay in 2027. Dit is namelijk technisch wel compatibel met de integratie van het Belgisch systeem.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
Ja, dat herinner ik mij. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen inzake de afspraken met België over spoordossiers4, rijdt de Drielandentrein momenteel in het algemeen zoals beoogd op het gehele traject Aachen-Heerlen-Maastricht-Liège Guillemins en vice versa. Door (geplande) werkzaamheden in Duitsland en door stakingen in België was het de afgelopen periode niet mogelijk zonder hinder te rijden. Behoudens deze (externe) oorzaken is de betrouwbaarheid van de verbinding sinds de start fors verbeterd. De prestaties op het traject van en naar Duitsland voldoen echter niet aan de (Nederlandse) normen, omdat er beperkte capaciteit op dit traject is, waarvoor overbelastverklaringen zijn opgesteld.
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
Handhaving monogamie |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijzonder huwelijk: Natasja (51) trouwt niet alleen met Erik (51), maar óók met Berlinda (55)»?1
Zijn u meer situaties bekend van een schijnhuwelijk met meer dan twee personen waarbij een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) een rol vervult?
Ziet u het belang om het huwelijk als een uniek verbond van twee personen te beschermen, mede gezien de problemen die bij polygamie bestaan en die de overheid door middel van beleid probeert te bestrijden?
Wat vindt u, gelet op de wettelijke norm van monogamie en de strafbepaling inzake bigamie, van situaties waarin bewust de schijn wordt gecreëerd dat sprake is van een huwelijk met meer dan twee personen?
In hoeverre wordt in de informatievoorziening richting de babs en bij hun beëdiging aandacht besteed aan de wettelijke norm van monogamie en de betekenis ervan voor de verantwoordelijkheid van de babs?
Vindt u het te verenigen met de verantwoordelijkheid van de babs in het naleven van de wettelijke normen dat hij bewust meewerkt aan situaties waarin de schijn van bigamie wordt gewekt, bijvoorbeeld door in de ceremonie een plaats te geven aan het gebruik van aktes en getuigen? Zo ja, waarom? Zo nee, in hoeverre wordt het handelen van de babs meegewogen bij een nieuwe beëdiging?
In hoeverre is bij de beëdiging van een babs voor een enkele dag bekend op welke situatie de beëdiging betrekking heeft? Vindt u ook dat een beëdiging voor situaties van schijnhuwelijken, waaronder bigame schijnhuwelijken, niet aan de orde kan zijn?
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor de rechtspraak om meer duidelijkheid te creëren over de rol van de babs in het bewaken van de wettelijke positie van het monogame huwelijk?
Het bericht 'EU-kopstuk Von der Leyen wil vetorecht Nederland fors inperken en vaart maken met nieuwe lidstaten' |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in de Telegraaf «EU-kopstuk Von der Leyen wil vetorecht Nederland fors inperken en vaart maken met nieuwe lidstaten»?1
Kunt u toelichten in hoeverre u bekend bent met de plannen om het vetorecht van lidstaten te beperken op het gebied van belastingfraude, energiebelasting, sociale zekerheid en tussentijdse besluiten over EU-toetreding?
Klopt het dat wanneer Europese lidstaten besluiten met gekwalificeerde meerderheid kunnen nemen over sociale zekerheid, dit ertoe leidt dat ze ook zeggenschap over onze pensioenen krijgen? Zo ja, vindt u dat wenselijk. Zo nee, waarom niet?
Kunt u voor de eerstvolgende bijeenkomst van regeringsleiders in de Europese Unie aan de Tweede Kamer doen toekomen met een kabinetsappreciatie over de voornemens?
Herinnert u zich dat de Minister van Buitenlandse Zaken in zijn Europatoespraak van 26 augustus 2026 aan de Universiteit Maastricht zei2: «We can make the Union more effective by moving from unanimity to qualified-majority decision-making in some parts of the EU’s common foreign policy. We need to revise our veto system.» Welke onderdelen van het buitenlands beleid bedoelt de Minister precies? Geldt «revise our veto system» uitsluitend voor het buitenlands beleid?
Is de toespraak van de Minister van Buitenlandse Zaken in Maastricht kabinetsbeleid?
Herinnert u zich dat u op 3 maart 2026 in Brussel, naar aanleiding van het Hongaarse veto op de lening voor Oekraïne, tegen Euronews3: «The new Dutch government is in favor of less and less decision-making by unanimity on the European level». Bevestigt u deze uitspraak? Op welke terreinen wordt precies gedoeld? En op welke terreinen niet?
Erkent u dat concessies op het gebied van buitenlandse zaken financiële gevolgen kunnen hebben voor Nederland, als gevolg van besluiten waarmee Nederland niet heeft ingestemd?
Wil het kabinet het Nederlandse vetorecht op alle terreinen behouden, of is het kabinet bereid dit op sommige terreinen op te geven? Kunt u hierop een duidelijk antwoord zonder voorbehouden geven?
Indien het kabinet bereid is het veto op sommige terreinen op te geven, kunt u dan per terrein aangeven of het kabinet het Nederlandse veto wil behouden of opgeven, ook in de context van de beleidsterreinen die worden genoemd in het voorstel van Von der Leyen?
Erkent u dat een veto dat is opgegeven, daarna alleen met unanieme instemming van alle lidstaten kan worden hersteld, en dat het opgeven van een veto in de praktijk dus onomkeerbaar is?
Hoe verhoudt het opgeven van Nederlandse vetorechten zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat Nederlandse kiezers via verkiezingen invloed moeten kunnen uitoefenen op de besluiten waaraan Nederland is gebonden, en acht het kabinet dit een versterking of een verzwakking van de Nederlandse democratische zeggenschap?
Waar ligt voor het kabinet de grens? Indien het kabinet bereid is unanimiteit op aanvullende beleidsterreinen los te laten, welke bevoegdheden moeten volgens het kabinet uiteindelijk altijd nationaal blijven?
Kunt u daarbij uiteenzetten of het kabinet een verdere politieke integratie richting een «Verenigde Staten van Europa» wenselijk acht, en welke gevolgen dit volgens het kabinet zou hebben voor de Nederlandse democratie en nationale soevereiniteit?
Bent u bekend met het Frans-Duitse non-paper4 «Strengthening European resilience, addressing global macroeconomic imbalances and market distorting practices», waarin wordt voorgesteld om nieuwe handelsinstrumenten in te voeren die door de Europese Commissie kunnen worden geactiveerd tenzij een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten daartegen bezwaar maakt?
Acht u het democratisch wenselijk dat de niet-gekozen Europese Commissie vergaande handels- en marktmaatregelen kan opleggen tenzij een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten daartegen stemt? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Zegt u toe dat het kabinet niet instemt met een inperking van bestaande Nederlandse vetorechten, ook niet via politieke afspraken of conclusies van de Europese Raad tijdens de eerstvolgende bijeenkomst van de Europese Raad, voordat de Kamer de concrete voorstellen en juridische gevolgen heeft kunnen bespreken?
Bent u bereid hier alleen mee in te stemmen na instemming van de Eerste en de Tweede Kamer?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en voor de eerstvolgende bijeenkomst van de Europese Raad beantwoorden?
Ernstige hinder en slaapverstoring in de woonomgeving door windturbines en de totstandkoming van landelijke windturbinenormen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de RIVM/CBS-rapporten van de Onderzoeken Beleving Woonomgeving (OBW) naar hinder en slaapverstoring?1
Kunt u voor de jaren 2019 tot en met 2024 aangeven welk percentage van de Nederlandse bevolking van 16 jaar en ouder volgens het Onderzoek Beleving Woonomgeving ernstige geluidhinder respectievelijk ernstige slaapverstoring door windturbines rapporteerde?
Kunt u deze percentages per jaar vertalen naar geschatte aantallen Nederlanders en daarbij de betrouwbaarheidsintervallen, steekproefomvang en eventuele gevolgen van afronding vermelden?
Hoe verklaart u dat de gerapporteerde ernstige slaapverstoring door windturbinegeluid gemiddeld 0,1 procent bedroeg in 2019 tot en met 2022, 0,4 procent in 2023 en 0,3 procent in 2024? Zijn deze verschillen statistisch significant en hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Welke oorzaken van deze verschillen zijn onderzocht en welke conclusies kunnen daaruit worden getrokken?
Is onderzocht of de ontwikkeling van ernstige hinder en slaapverstoring samenhangt met veranderingen in het aantal windturbines, de tiphoogte, het vermogen, de rotordiameter of de afstand tot woningen? Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat tijdens een informatiebijeenkomst voor de gemeenteraad van Amersfoort op 15 april 2025 een percentage van 0,0 procent ernstige slaapverstoring door windturbines is gepresenteerd, terwijl het meest recente Onderzoek Beleving Woonomgeving over 2023 uitkwam op 0,4 procent, en hoe verklaart u dit verschil en wat zegt dit volgens u over de wijze waarop actuele RIVM-gegevens over windturbinehinder hun weg vinden naar decentrale overheden?2
Acht u het wenselijk dat gemeenten en provincies besluiten over windturbineprojecten kunnen baseren op cijfers die afwijken van de meest recente RIVM-onderzoeken en, zo nee, welke verantwoordelijkheid ziet u voor het RIVM en het kabinet om dergelijke situaties te voorkomen?
Welke concrete waarborgen gelden voor de actualiteit en volledigheid van informatie die door of namens het RIVM, GGD’en en door de overheid ondersteunde expertisepunten over windturbines wordt verstrekt?
Welke kennis ontbreekt momenteel nog over de gevolgen van langdurige blootstelling aan windturbinegeluid, laagfrequent geluid en infrageluid voor hinder, slaap en gezondheid en, voor zover dergelijke kennis ontbreekt, acht u de huidige wetenschappelijke basis voldoende om te bepalen welke afstand en welk geluidsniveau nodig zijn om omwonenden voldoende te beschermen?
Welke resultaten moet het lopende RIVM-onderzoek naar de blootstelling-responsrelatie tussen windturbinegeluid, hinder en slaapverstoring opleveren, wanneer worden deze resultaten verwacht en kunnen deze nog worden verwerkt in de nieuwe landelijke windturbinenormen?
Waarom behoren kinderen jonger dan 16 jaar niet tot de doelpopulatie van het OBW en via welk onderzoek worden hinder en slaapverstoring door windturbinegeluid bij deze groep wel vastgesteld?
Op welke wetenschappelijke gegevens baseert het kabinet zich bij de bescherming van kinderen tegen nachtelijk windturbinegeluid, zolang rechtstreeks onderzoek onder deze leeftijdsgroep ontbreekt?
Welke concrete rol spelen ernstige hinder en slaapverstoring bij de vaststelling van de landelijke normen voor geluid en afstand, welk beschermingsniveau wil het kabinet daarmee voor omwonenden bereiken en hoe wordt daarbij omgegaan met bestaande onzekerheden over mogelijke gezondheidseffecten?
Welke regels gelden voor windprojecten waarover gemeenten en provincies besluiten, voordat de nieuwe landelijke windturbinenormen in werking treden?
Hoe voorkomt u dat in deze tussenperiode projecten worden vergund op basis van lokaal vastgestelde normen die omwonenden minder bescherming bieden dan de toekomstige landelijke normen en welke gevolgen heeft het voor reeds verleende vergunningen, indien de landelijke normen uiteindelijk strenger blijken te zijn?
Onbevoegde rijlesinstructeurs en ontbrekend toezicht |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de aflevering van Kassa gezien over ontbrekend toezicht en handhaving op onbevoegde rijinstructeurs?1
Herkent u de problemen met onbevoegde rijinstructeurs? Welke maatregelen zijn tot nu toe genomen om dit probleem op te lossen?
Erkent u dat het al lang bekend is dat deze problemen bestaan en Roemer daarom in 2021 een rapport presenteerde?2
Erkent u dat rijles van een onbevoegde rijlesinstructeur kan leiden tot gevaarlijke situaties? Is het bekend of er ongelukken zijn gebeurd met onbevoegde rijinstructeurs?
Klopt het dat dit probleem niet alleen speelt bij praktijklessen, maar ook bij theorielessen, waar docenten zonder WRM-certificaat lesgeven?
Klopt het dat dat bedrijven die theorielessen aanbieden zich bij het CBR kunnen inschrijven als rijschool, ook als ze dit niet zijn?
Klopt het dat in de Opleidingsraad van het CBR een partij is vertegenwoordigd die werkt met theoriedocenten zonder WRM-certificaten?
Hoe kan het dat bij de betrokken instanties en organisaties onduidelijk is waar mensen terecht kunnen met meldingen over onbevoegde rijlesinstructeurs? Hoe wordt dit opgelost?
Worden meldingen over onbevoegde rijinstructeurs bij het Innovam Branche Kwalificatie Instituut (IBKI), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) of de politie geregistreerd? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat dit?
Hoeveel controles voert de politie jaarlijks uit op rijlesinstructeurs?
Bent u bereid snel een centraal meldpunt op te zetten om inzichtelijk te krijgen wat de omvang is van de groep onbevoegde rijlesinstructeurs? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat volgens de plateauplanning alle maatregelen ingevoerd en wettelijk verankerd hadden moeten zijn na het vierde kwartaal van 2025? Hoe kan het dat er een vertraging van drie jaar is ontstaan?
Bent u bereid om de maatregelen uit het rapport-Roemer Van rijles naar rijonderwijs eerder dan 2029 in te voeren? Zo nee, waarom niet?
De vergoeding van diabetessensoren |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Diabetessensor nodig, maar niet vergoed: wat als je nét buiten de criteria valt?»1
Klopt het dat de vergoedingscriteria voor een glucosesensor die gekoppeld is aan een insulinepomp grotendeels dateren uit 2017? Zo ja, wanneer zijn deze criteria voor het laatst geëvalueerd?
Hoe beoordeelt u het signaal dat mensen met diabetes type 1 deze technologie regelmatig niet vergoed krijgen, omdat zij net buiten de huidige vergoedingscriteria vallen, terwijl hun behandelaar vindt dat zij die nodig hebben?
Hoe kijkt u naar de oproep van diabetesverpleegkundigen en patiëntenorganisaties om bij de beoordeling naast glucosewaarden ook de dagelijkse ziektelast en de kwaliteit van leven mee te wegen?
Hoeveel mensen met diabetes vallen buiten de huidige criteria, terwijl hun behandelaar vindt dat zij medisch baat hebben bij deze technologie? Hoe verhoudt dit zich tot de schatting van Diabetesvereniging Nederland van zo’n 10.000 mensen, en bent u bereid dit nader in kaart te brengen?
Hoe kijkt u ertegenaan dat zorgverzekeraars verwijzen naar de criteria van het Zorginstituut, terwijl het Zorginstituut aangeeft hierin niet aan zet te zijn? Wie is volgens u verantwoordelijk voor het actualiseren van deze criteria?
Hoe past het tijdig inzetten van deze technologie, die complicaties en zorgkosten kan voorkomen, binnen uw inzet op passende zorg?
Bent u bereid zorgverzekeraars, behandelaars en patiëntenorganisaties bij elkaar te brengen om de criteria te laten aansluiten bij de stand van de wetenschap en praktijk, en zo nodig het Zorginstituut om een herbeoordeling te vragen?
Het recente bezoek van de premier aan stichting Ieder Kind een Sint |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw bezoek aan stichting «Ieder Kind een Sint» in Vriezeveen van woensdag 30 september 2026?1
Welke lessen rond de ondersteuning van kinderen die opgroeien in armoede trekt u naar aanleiding van dit bezoek?
Vindt u het acceptabel dat het aantal kinderen dat opgroeit in armoede door uw beleid komend jaar waarschijnlijk vrijwel gelijk blijft? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat is voor u een acceptabel aantal kinderen dat in Nederland mag opgroeien in armoede? Indien uw antwoord in de lijn ligt dat geen enkel kind in armoede mag opgroeien, waarom is uw beleid hier dan niet op gericht?
Waarom heeft u geen duidelijk doel geformuleerd rond het terugdringen van het aantal kinderen dat opgroeit in armoede, zoals het kabinet Rutte 4 dat bijvoorbeeld wel had?
Deelt u de mening dat met de huidige aanpak van het kabinet blijkt dat nog steeds vrijwel hetzelfde aantal kinderen in armoede leeft en dat het daarom noodzakelijk is dat het kabinet extra maatregelen neemt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanvullende stappen neemt het kabinet om het aantal kinderen dat opgroeit in armoede de komende vijf jaar drastisch te laten dalen?
Hoe rijmt u uw bezoek aan deze stichting met het feit dat uit de begroting blijkt dat het aantal kinderen in armoede door uw beleid ook komend jaar vrijwel gelijk zal blijven?
Welke stappen neemt u om initiatieven zoals «Ieder Kind een Sint» en andere initiatieven die kinderen in armoede financieel te ondersteunen?
Deelt u de zorgen van de stijgende brandstofprijs, boodschappenprijzen en andere kosten voor levensonderhoud ervoor zullen zorgen dat het aantal kinderen dat moet opgroeien in armoede komend jaar zal stijgen in plaats van dalen?
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat de stijgende brandstofprijs, boodschappenprijzen en andere kosten voor levensonderhoud er niet voor zorgen dat nog meer kinderen in armoede zullen opgroeien de komende jaren?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Mogelijke bemoeienis van de bestuursvoorzitter van Wageningen University & Research met een stikstofsymposium |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van wetenschapsjournalist Arnout Jaspers van 6 oktober 2026 over de annulering van het symposium «Van Habitatrichtlijn naar doelgericht natuurbeheer», dat op 13 oktober bij het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs (KIVI) in Den Haag zou plaatsvinden?
Klopt het dat dr. ir. Sjoukje Heimovaara, voorzitter van de Raad van Bestuur van Wageningen University & Research (WUR), contact heeft opgenomen met het bestuur van KIVI over dit symposium?
Zo ja, wanneer heeft dit contact plaatsgevonden, op wiens initiatief en wat was de precieze aanleiding voor dit contact?
Klopt het dat Heimovaara daarbij haar «bezorgdheid» heeft uitgesproken over het symposium, mede gezien het landelijk debat, en zo ja, waaruit bestond deze bezorgdheid precies?
Heeft de samenstelling van het sprekersprogramma, waaronder de deelname van wetenschappers en onderzoekers met uiteenlopende opvattingen over het Nederlandse stikstof- en natuurbeleid, een rol gespeeld bij deze bezorgdheid? Zo ja, welke sprekers of inhoudelijke standpunten waren voor WUR aanleiding tot zorgen en waarom?
Heeft Heimovaara of een andere vertegenwoordiger van WUR KIVI op enigerlei wijze verzocht, geadviseerd of aangemoedigd om het programma te wijzigen, bepaalde sprekers te weren of het symposium niet door te laten gaan?
Klopt het dat KIVI na het contact met Heimovaara de aankondiging en het programma van het symposium van zijn website heeft verwijderd en het symposium heeft geannuleerd? Zo ja, wat was volgens KIVI de reden voor deze beslissing?
Bestaat er volgens u een causaal verband tussen de interventie vanuit WUR en de beslissing van KIVI om het symposium te annuleren? Bent u bereid dit bij zowel WUR als KIVI na te gaan en de Kamer hierover te informeren?
Acht u het passend dat een bestuurder van een publiek gefinancierde universiteit zich vanuit haar bestuurlijke functie mengt in de programmering van een extern wetenschappelijk symposium vanwege zorgen over deelnemende wetenschappers of de inhoudelijke richting van het debat?
Hoe verhoudt een dergelijke handelwijze zich volgens u tot het beginsel van academische vrijheid, zoals neergelegd in artikel 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek?
Hoe verhoudt een dergelijke handelwijze zich volgens u tot de in mei 2025 door de Nederlandse universiteiten uitgedragen verklaring over academische vrijheid, waarin onder meer wordt benadrukt dat verschillende opvattingen moeten kunnen worden gedeeld en bevraagd en dat het wetenschappelijke debat vrij en mogelijk moet blijven?
Deelt u het uitgangspunt dat juist bij maatschappelijk en politiek omstreden wetenschappelijke onderwerpen, zoals stikstof en natuurbeleid, ruimte moet bestaan voor wetenschappers die gevestigde aannames, modellen en beleidsuitgangspunten kritisch bevragen, mits zij hun standpunten wetenschappelijk kunnen onderbouwen?
Bent u bereid bij WUR een feitelijke reconstructie op te vragen van alle contacten tussen leden van het College van Bestuur of andere functionarissen van WUR enerzijds en KIVI anderzijds over dit symposium, en de Kamer hierover zo volledig mogelijk te informeren?
Welke waarborgen acht u noodzakelijk om te voorkomen dat institutionele of bestuurlijke druk vanuit universiteiten ertoe leidt dat wetenschappelijke bijeenkomsten worden afgelast of onderzoekers vanwege afwijkende wetenschappelijke inzichten van het debat worden uitgesloten?
De stijging van verplichte zorg in de ggz |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cijfers dwang in de ggz opnieuw gestegen» en de onderliggende cijfers van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?1
Hoe beoordeelt u het feit dat het geregistreerde aantal ggz-cliënten dat te maken kreeg met verplichte zorg is gestegen van 13.022 in 2024 naar 13.722 in 2025, een stijging van ongeveer 5 procent?2, 3
In hoeverre kan deze stijging volgens u worden verklaard door een daadwerkelijke toename van verplichte zorg en in hoeverre door betere registratie? Kunt u dit zo veel mogelijk kwantificeren?
Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal cliënten dat sinds de inwerkingtreding van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) met verplichte zorg te maken heeft gekregen, uitgesplitst per jaar en naar vorm van verplichte zorg?
Hoe beoordeelt u dat zorgprofessionals tegenover de IGJ aangeven dat personeelstekorten, instabiele teams en hoge werkdruk kunnen leiden tot gevoelens van onveiligheid bij zorgverleners, waardoor sneller tot insluiting kan worden overgegaan?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat personeelsproblemen ertoe leiden dat patiënten eerder of vaker worden ingesloten?
Klopt het dat een landelijke registratie van het feitelijke aantal separeerverblijven en Extra Beveiligde Kamers (EBK’s) ontbreekt? Waarom bestaat deze landelijke registratie nog steeds niet?
Hoe kunt u beoordelen of het beleid om separeerverblijven en insluitingen in EBK’s af te bouwen daadwerkelijk succesvol is als niet landelijk bekend is hoeveel van deze ruimtes er zijn?
Kunt u verklaren waarom het aantal geregistreerde toepassingen van een EBK is gestegen van 2.529 in 2024 naar 2.893 in 2025, terwijl wordt ingezet op het terugdringen van insluiting?
Kunt u aangeven hoeveel van de 12.111 geregistreerde toepassingen van insluiting in 2025 daadwerkelijk eenzame opsluiting betroffen? Zo nee, waarom wordt dit niet geregistreerd?
Wanneer wordt de aangekondigde nulmeting naar het aantal klassieke separeercellen uitgevoerd en wanneer ontvangt de Kamer de resultaten?
Welke concrete en meetbare doelstellingen hanteert u voor het verminderen van insluiting en andere vormen van verplichte zorg in de ggz en op welke termijn moeten deze worden bereikt?
Hoeveel middelen heeft de rijksoverheid de afgelopen vijf jaar beschikbaar gesteld voor het terugdringen van dwang en insluiting in de ggz en welke aantoonbare resultaten zijn daarmee bereikt?
De IGJ geeft aan dat de gepubliceerde trendanalyse niet alle zorgaanbieders omvat, bent u bereid ervoor te zorgen dat er een volledig en landelijk vergelijkbaar beeld komt van de toepassing van verplichte zorg, insluiting, separatie en het gebruik van EBK’s?
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de ontwikkeling van verplichte zorg in de ggz, uitgesplitst naar de verschillende vormen daarvan, waaronder afzonderlijk insluiting in een separeerverblijf en een EBK?
Het succesvolle Amsterdamse proefproject waarbij asielzoekers sneller beginnen werken |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de succesvolle proef in Amsterdam om asielzoekers sneller aan een baan te helpen?1
Welke lessen trekt u uit deze succesvolle proef om breder in Nederland uit te rollen?
Bent u in gesprek met het COA en UWV over hun betrokkenheid in dit proefproject en wat zij eruit leren? Zullen zij op basis hiervan actie ondernemen in samenwerking met andere gemeenten?
Wat leert u uit de Amsterdamse aanpak in de ondersteuning van werkgevers om asielzoekers aan een baan te helpen? Zal u op basis hiervan landelijke initiatieven uitrollen om het voor werkgevers makkelijker te maken asielzoekers aan te nemen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Moeten werkgevers buiten de tewerkstellingsvergunningen nog aan andere administratieve vereisten voldoen om een asielzoeker in dienst te nemen? Zo ja, welke?
Gezien het feit dat de Nederlandse economie in 2024 een boost van 3,5 miljard euro kreeg dankzij werkende Oekraïense vluchtelingen, kunt u inzichtelijk maken wat de economische en maatschappelijke meerwaarde zou zijn als alle asielzoekers die kunnen, en niet studeren, zouden werken?
Hoeveel zouden de uitgaven aan de bijstand dalen indien het Amsterdamse proefproject met gelijkaardige resultaten over heel Nederland uitgerold zou worden?
Hoe bewaakt u de kwaliteit van het werk waarin asielzoekers terechtkomen om uitbuiting te vermijden?
Kunt u meer middelen vrijmaken voor gemeenten om dergelijke projecten uit te rollen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk kunnen beantwoorden ruim voor het wetgevingsoverleg Integratie & Inburgering?
De Israëlberichtgeving van NOS op 3 |
|
Annabel Nanninga (JA21), Martin Bosma (PVV), René Claassen (PVV), Mona Keijzer , Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «NOS weer onder vuur vanwege Israël-berichtgeving: «Complete nonsens en een antisemitische complottheorie»» en de analyse op de website Wat leren we onze kinderen? over de video «Het lijnenspel van Israël»?1, 2
De Code Journalistiek Handelen is de gezamenlijke ethische gedragscode waar de NOS en andere landelijke publieke omroepen zich aan moeten houden. Bent u het ermee eens dat overduidelijke overtredingen van deze Code dus niet door de Minister zijn af te doen als «redactionele keuzes/vrijheid»? Welke consequenties verbindt u eraan als door de Ombudsman vastgesteld wordt dat de NOS de Code niet naleeft?
Hoe beoordeelt u de kritiek van de gerenommeerde historicus Benny Morris die stelt dat de video een antisemitische complottheorie verspreidt door te stellen dat Israël streeft naar een rijk van de Nijl tot aan de Eufraat? Bent u bereid om bij de NOS te vragen op welke bronnen de bewering berust en deze onderbouwing met de Kamer te delen?
Bent u ook van mening dat het niet de taak van de NOS is om zich in te laten met speculaties en insinuaties, laat staan het voeden van complottheorieën? Vindt u dat een sfeer van speculatie past bij het karakter van een uitlegvideo?
Hoe beoordeelt u de kritiek dat de NOS bepaalde fragmenten waarin Netanyahu spreekt over samenleven met Palestijnen heeft weggelaten, waardoor zijn uitspraken volgens de analyse nu een andere betekenis krijgen? En hoe verhoudt dit zich tot het verbod op misleidende montage zoals opgenomen in de Code Journalistiek Handelen?
Hoe beoordeelt u de kritiek dat de NOS met name extreme Israëlische stemmen laat zien en horen en tegelijkertijd Israëlische veiligheidsargumenten onvoldoende aan bod laat komen? Deelt u dat deze selectiviteit het beeld kan doen ontstaan dat Israël bij voorbaat de schuldige is?
Hoe beoordeelt u de bevinding van de onderzoekers dat in berichtgevingen rondom het conflict de onwaarheden en selectieve weglatingen bijna altijd in het nadeel van Israël uitvallen? Wanneer is volgens u sprake van systematische vooringenomen berichtgeving?
Deelt u de conclusie dat sprake is van met twee maten meten wanneer Israëlische verklaringen kritisch worden bevraagd, maar beschuldigingen aan Israël zonder enige controle worden overgenomen? Hoe kan u voorkomen dat de NOS met twee maten blijft meten?
Wat vindt u ervan dat de terroristische aanslagen van 7 oktober 2023 een zo marginale plek krijgen in deze video van de NOS?
Kunt u nagaan of deze video via Schooltv of andere lesmethodes wordt aangeboden, en zo ja, of en hoe eventuele correcties ook deze scholen en leerlingen bereiken en voldoende aandacht krijgen?
Bent u bereid de NOS te vragen om publiekelijk en inhoudelijk op deze kritiek te reageren en daarmee de vastgestelde fouten te herstellen, zoals voorgeschreven in de Code Journalistiek Handelen, en hierover de Kamer te informeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat dergelijke fouten leiden tot minder draagvlak voor en vertrouwen in de NOS in de samenleving? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen vóór het mediadebat op 16 november aanstaande beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Het zicht op de doelmatigheid van agentschappen |
|
Mona Keijzer |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het interdepartementaal beleidsonderzoek «IBO Agentschappen: Samen werken aan publieke waarde», waarin is vastgesteld dat sturing op doelmatigheidsindicatoren in de praktijk beperkt plaatsvindt en dat een kwantitatieve vergelijking van doelmatigheid over de jaren heen lastig is?1
Klopt het dat de Regeling agentschappen voorschrijft dat u samen met de vakminister ten minste eens per vijf jaar de doelmatigheid en doeltreffendheid van elk van de 28 agentschappen beoordeelt en het rapport openbaar maakt?2
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van alle agentschappen met per agentschap de datum van de laatste doorlichting, het oordeel over de doelmatigheid en de datum waarop de volgende doorlichting is voorzien?
Bij hoeveel agentschappen ligt de laatste doorlichting langer dan vijf jaar terug? Bij welke, en wat is daarvan de reden?
Hoeveel voorbeelden hebben in de afgelopen vijf jaar geleid tot aanpassing van de bekostiging, tarieven, governance of agentschapsstatus? Kunt u dit per agentschap specificeren?
Bij hoeveel agentschappen is over de afgelopen vijf jaar een positieve doelmatigheidsontwikkeling vastgesteld en bij hoeveel kon die ontwikkeling niet worden vastgesteld door het ontbreken van bruikbare indicatoren?
Welke maatregelen zijn sinds de kabinetsreactie op het beleidsonderzoek genomen om de sturing op doelmatigheid te verbeteren3, en waaruit blijkt dat die sturing daadwerkelijk is verbeterd?
Wat is er bij de herziening van de Regeling agentschappen per 1 januari 2025 gewijzigd aan de eisen die aan de beoordeling van doelmatigheid worden gesteld? Zijn die eisen aangescherpt, gelijk gebleven of verruimd?
Bent u bereid de Kamer voortaan jaarlijks één rijksbreed overzicht te sturen waaruit blijkt welke agentschappen zijn doorgelicht, wat het oordeel was, welke maatregelen zijn afgesproken en wanneer opnieuw wordt beoordeeld?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De mishandeling van de Joodse schrijver Jigal Krant op station Utrecht Centraal |
|
Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Joodse kookboekenschrijver Jigal Krant tot bloedens toe belaagd, geschopt en geslagen door Hamas-mob in Utrecht»?1
Klopt het dat de heer Krant op 7 oktober 2026 op station Utrecht Centraal door deelnemers aan een pro-Palestijnse demonstratie is belaagd, geschopt en geslagen tot hij bloedde? Kunt u een feitelijke reconstructie geven van het incident en van het optreden van de politie?2, 3
Klopt het dat de politie niet optrad tegen de geweldplegers, maar wel het slachtoffer hardhandig afvoerde en zijn persoonsgegevens noteerde? Zo ja, op grond waarvan en op wiens aanwijzing? Hoe verhoudt dit zich tot de kerntaak van de politie om slachtoffers te beschermen en daders aan te houden?4
Wisten politie en gemeente vooraf dat er op deze beladen datum een demonstratie op Utrecht Centraal zou plaatsvinden? Welke risico-inschatting is gemaakt voor de veiligheid van Joodse reizigers en omstanders en waarom heeft die niet geleid tot adequate bescherming?
Hoeveel verdachten zijn inmiddels aangehouden? Zijn de camerabeelden van het station veiliggesteld? Als er nog niemand is aangehouden, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat dit geen losstaand incident is, maar onderdeel van een patroon waarin bij pro-Palestijnse demonstraties geweld wordt gepleegd zonder dat de politie direct ingrijpt? Hoe verklaart u dat de politie pas ruim vier maanden na de mishandeling van een PowNews-cameraman op 23 mei 2026, eveneens op Utrecht Centraal, beelden van de verdachte vrijgeeft?5
Hoe vaak is sinds 7 oktober 2023 bij pro-Palestijnse demonstraties geweld gepleegd tegen Joden, journalisten of omstanders? In hoeveel van die gevallen heeft dit geleid tot aanhouding, vervolging en veroordeling?
Weegt het Openbaar Ministerie (OM) het antisemitische karakter van deze aanval conform de Aanwijzing discriminatie mee als strafverzwarende omstandigheid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onverteerbaar is dat een Jood in Nederland op een Nederlands treinstation in elkaar wordt geslagen, en dan uitgerekend op 7 oktober, de dag waarop de slachtoffers van de barbaarse slachtpartijen van de terroristen van Hamas worden herdacht? Deelt u ook de opvatting dat Joden zich in Nederland vrij en veilig moeten kunnen bewegen en dat de overheid daar op dit moment aantoonbaar in tekortschiet?
Bent u bereid om de politie en het OM op te dragen de daders met voorrang op te sporen en te vervolgen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid het optreden van de politie in dit incident onafhankelijk te laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid met de burgemeesters van de grote steden in overleg te gaan om te voorkomen dat stationshallen nog langer het toneel zijn van intimidatie en geweld tegen Joden? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid de Kamer binnen twee weken over de uitkomst te informeren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen allen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
De berichtgeving over discriminatie bij de afdeling Handhaving van UWV |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van het Algemeen Dagblad en EenVandaag die wijst op discriminatie, racisme en etnisch profileren bij de afdeling Handhaving van UWV?
Deelt u de mening dat selecteren op «land van herkomst» en zwangerschap discriminatie is?
Sinds wanneer stonden de risicokenmerken «land van herkomst» en zwangerschap in de werkinstructie van de afdeling Handhaving en wanneer zijn deze definitief verwijderd?
Heeft u eerder signalen of klachten ontvangen over discriminatie in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving? Zo ja, kunt u aangeven wat de aard en omvang van deze signalen of klachten waren, welke maatregelen heeft u daarop getroffen, en in hoeverre deze naar tevredenheid van de melder waren?
Heeft u signalen of klachten ontvangen over discriminatie op andere gronden dan land van herkomst of zwangerschap in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving?
Deelt u de mening dat signalen van mogelijke discriminatie, zoals de uitkomst van de interne analyse van UWV, direct bij de Minister dienen te worden gemeld, ook als vervolgonderzoek nog plaatsvindt?
Welke afspraken gelden momenteel binnen de rijksoverheid voor de omgang met ambtelijke signalen van mogelijke discriminatie als gevolg van beleid en/of op de werkvloer?
Acht u deze afspraken voldoende, gelet op het feit dat de signalen u pas laat hebben bereikt en gelet op de stelling in de berichtgeving dat niets is gedaan met signalen over de werkcultuur?
Kunt u aangeven wanneer de maatregelen gericht op de werkcultuur bij de afdeling, zoals door u geschetst in uw Kamerbrief (2026D48782), wat u betreft voldoende effectief zijn? Welke doelen stelt u hierbij?
Welke maatregelen treft u om slachtoffers van discriminatie op de werkvloer van de afdeling te beschermen, daders aan te pakken en bewustwording te creëren?
Kunt u aangeven waarom aanvankelijk door UWV is gekozen voor een interne analyse na vermoedens van mogelijke discriminatie, in plaats van direct een onafhankelijk extern onderzoek?
Hoe beoordeelt u de stelling in het Algemeen Dagblad dat het KPMG-onderzoek niet primair gericht is op het onderzoeken van discriminatie, maar op verschillen in de werkwijze per kantoor?
Met welke onderzoeksvraag is het KPMG-onderzoek in januari 2026 van start gegaan? Was het onderzoeken van discriminatie daar expliciet onderdeel van?
Is de richting van het KPMG-onderzoek gaandeweg aangepast? Zo ja, waarom?
Heeft de afdeling Handhaving van UWV de discriminatietoets voor publieke dienstverlening gebruikt? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u bereid de gehanteerde algoritmes en risicoprofielen van het UWV door te lichten op mogelijke (indirecte) discriminatie en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Maakt UWV gebruik van geautomatiseerde selecties van uitkeringsgerechtigden voor controles op fraude? Zo ja, worden historische gegevens, waaronder uitkomsten van oudere fraudecontroles, gebruikt om dergelijke systemen te trainen?
Is door de afdeling Handhaving overwogen om over te gaan tot aselecte controles? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Op basis van welke risicokenmerken worden de controles door de afdeling Handhaving op dit moment uitgevoerd?
Kunt u aangeven welke maatregelen UWV heeft getroffen sinds het kinderopvangtoeslagenschandaal om discriminatie en etnisch profileren in de eigen dienstverlening te voorkomen en bestrijden?
Kunt u aangeven op welke manier UWV de uitspraak in de zaak aangespannen door Amnesty c.s. tegen de Staat1 heeft geïmplementeerd?
Kunt u aangeven of en op welke manier UWV het toetsingskader voor risicoprofielen, ontwikkeld door het College voor de Rechten van de Mens, heeft geïmplementeerd?
Welke vervolgstappen bent u van plan te nemen indien het onderzoeksresultaat wijst op discriminerend handelen?
Welke lessen neemt u in een eventuele hersteloperatie voor gedupeerden mee uit de handelwijze bij de hersteloperatie na discriminerende risicoprofilering bij DUO, waaronder de informatievoorziening aan burgers, dossierherbeoordeling en compensatie?
Het bericht ‘Discriminatie en racisme binnen afdeling handhaving bij UWV' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Racisme en discriminatie bij afdeling handhaving UWV, nieuwe hoogste baas biedt excuses aan»?1
Hoeveel mensen met een migratieachtergrond hebben vanwege hun migratieachtergrond te maken gekregen met een strenger controleregime bij het UWV dan mensen zonder migratieachtergrond?
Bent u bereid de beslissingen binnen de afgelopen vijf jaar opnieuw te controleren om zo vast te kunnen stellen of mensen met een migratieachtergrond in bepaalde regio’s inderdaad te maken hebben gekregen met een strenger controleregime vanwege hun achtergrond en waar nodig beslissingen opnieuw tegen het licht te houden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat u pas na vragen van het Algemeen Dagblad (AD) over het onderzoek hoorde terwijl deze informatie al in januari bij uw ministerie bekend was? Zo ja, waarom zit hier zoveel tijd tussen?
Hoe ziet de tijdlijn tussen de start van het onderzoek en bekendmaking bij u eruit? Welke stappen werden wanneer gezet, en wie werd wanneer geïnformeerd?
Waarom is het advies om op basis van de uitkomsten van het eerdere interne onderzoek een nader specifiek onderzoek te doen naar mogelijk racisme en discriminatie bij het uitdelen van boetes eerder niet opgevolgd, waardoor de uitkomsten van dit onderzoek al bijna een jaar op de plank liggen?
Welke stappen heeft u genomen toen u bekend werd met de uitkomsten van het interne onderzoek bij het UWV?
Klopt het dat er een extern onderzoek loopt naar het UWV? Klopt het dat er in dit onderzoek vooral gekeken wordt naar verschillen per kantoor van het UWV?
Welke andere aspecten binnen het UWV worden in dit externe onderzoek meegenomen?
Welke afdelingen binnen het UWV vallen onder dit externe onderzoek?
Worden de verschillen in het controleregime bij verschillende regio’s en eventuele racistische of discriminerende aspecten bij de controle ook meegenomen binnen dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Worden discriminerende en racistische uitingen bij de werving, selectie en het behoud van personeel ook meegenomen in dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Kunt u de onderzoeksopzet met de Kamer delen?
Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van dit onderzoek verwachten?
Wat vindt u van het verhaal van Minke van den Berg bij EenVandaag? Wat vindt u ervan dat zij intern werd aangepakt toen ze de vermeende discriminatie aankaartte bij haar manager?
Welke maatregelen worden er binnen het UWV genomen om te voorkomen dat niet de melder, maar de dader in het vervolg wordt aangepakt?
Kunt u reflecteren op de in de media geschetste voorbeelden en daarbij in elk geval meenemen of u racisme en discriminatie binnen het UWV ziet als een probleem van individuen of als een cultureel en organisatie breed probleem binnen de werkorganisatie van het UWV?
Welke andere stappen neemt u om ervoor te zorgen dat racisme en discriminatie in de organisatie en bij handhaving direct worden aangepakt zolang het onderzoek loopt?
Welke stappen neemt het UWV tegen de in het artikel genoemde medewerkers die personeel bewust afwijzen gebaseerd op afkomst?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Cryptoactiva |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Waarom zijn cryptoactiva, zoals gedefinieerd in de Markets in Crypto Asset Regulation en onze eigen Wet financieel toezicht (Wft), niet opgenomen in de vermogenswinstbelasting als financiële instrumenten?
Is de Staatssecretaris bereid om voor cryptoactiva achterwaartse verliesverrekening mogelijk te maken, zodat beleggers in cryptoactiva straks niet over een verlies belasting hoeven te betalen?
De verkoop van de Commandopost Clingendael (Seyss-Inquartbunker) |
|
Erik van der Maas (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente ontwikkelingen rond de verkoop van de Commandopost Clingendael, waaronder de uitsluiting van één van de deelnemende partijen, de daaropvolgende juridische procedure en het feit dat zolang deze procedure loopt niet definitief tot gunning kan worden overgegaan?
De toenmalige Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelde in 2023 dat het niet nodig was het verkoopproces te stoppen, omdat dit proces «zorgvuldig [was] vormgegeven», terwijl het kabinet daarnaast stelde dat het erfgoedbelang voldoende werd geborgd door onder andere toepassing van de Leidraad Afstoot Monumenten en betrokkenheid van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE); zijn beide Ministers, gezien het verloop van de procedure sindsdien met een uitsluiting van een partij en een juridische procedure, nog steeds van oordeel dat de verkoopprocedure voldoende zorgvuldig en robuust is om tot vervreemding van dit bijzondere rijksmonument over te gaan? Zo ja, waarop baseren zij dat oordeel?
Bent u bereid, mede gezien de lopende juridische procedure en de onomkeerbaarheid van verkoop, toe te zeggen dat niet tot definitieve gunning of levering van de Commandopost Clingendael wordt overgegaan voordat deze Kamervragen zijn beantwoord en de Kamer zich over de ontstane situatie heeft kunnen uitspreken? Zo nee, waarom acht u het verantwoord om bij een rijksmonument van deze betekenis een onomkeerbare beslissing te nemen voordat duidelijkheid bestaat over de zorgvuldigheid van de gevolgde procedure?
Bent u bereid de ontstane situatie aan te grijpen om opnieuw te beoordelen of voortzetting van de huidige verkoopprocedure nog in het publieke belang is en, indien onvoldoende kan worden gegarandeerd dat sprake is van een zorgvuldige en concurrerende selectie van kwalitatief geschikte herbestemmingsplannen, niet tot gunning over te gaan en een nieuwe openbare procedure te starten?
De mogelijke gezondheidsrisico’s voor omwonenden van Chemelot |
|
Dion Huidekooper (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Chemelot: de schoorsteen moet roken» over de uitstoot van schadelijke stoffen door Chemelot en de mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden?1
Klopt het dat van slechts een beperkt aantal zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) metingen in de leefomgeving beschikbaar zijn en dat deze metingen bovendien maar op één locatie plaatsvinden? Acht u de huidige meetinfrastructuur toereikend om een representatief beeld te krijgen van de werkelijke blootstelling van omwonenden?
Hoeveel door Chemelot uitgestoten ZZS worden op dit moment níét structureel gemeten in de leefomgeving? Bent u bereid ervoor te zorgen dat er op meerdere locaties en op een breder pallet aan ZZS wordt gemeten?
Hoe controleren de Inspectie Leefomgeving & Transport (ILT) en Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) of de gerapporteerde uitstoot van Chemelot overeenkomt met de daadwerkelijke uitstoot uit de installaties op het Chemelot-terrein? Ziet u aanleiding om meer direct bij de bron te meten?
Klopt het dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) waarschuwt voor een mogelijk verhoogd gezondheidsrisico door de combinatie van verschillende ZZS, ook wanneer deze stoffen afzonderlijk onder de wettelijke normen blijven? Wat betekent deze conclusie volgens u voor de risico’s die omwonenden lopen?
Hoe wordt op dit moment bij vergunningverlening rond Chemelot rekening gehouden met de gecombineerde uitstoot van verschillende ZZS?
Welke mogelijkheden heeft de provincie Limburg volgens u om uit voorzorg vergunningen aan te scherpen of aanvullende eisen te stellen vanwege mogelijke risico’s van de gecombineerde uitstoot van ZZS?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de leefomgeving en volksgezondheid om ervoor te zorgen dat bij de vergunningverlening rond Chemelot voldoende rekening wordt gehouden met deze gecombineerde uitstoot? En welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf?
Hoe beoordeelt u de verschillende opvattingen van het RIVM en de provincie Limburg over de betekenis van de mogelijke risico’s van gecombineerde blootstelling? Deelt u de opvatting dat juist meer metingen nodig zijn om duidelijkheid te krijgen over de daadwerkelijke risico’s voor omwonenden?
Hoe wordt bij besluitvorming over Chemelot de economische betekenis van het industriecomplex afgewogen tegen de bescherming van milieu en de gezondheid van omwonenden? Hoe wordt daarbij geborgd dat economische belangen niet ten koste gaan van de gezondheid van omwonenden?
Kunt u verklaren waarom rond bijvoorbeeld Tata Steel uitgebreid gezondheidsonderzoek plaatsvindt, terwijl het RIVM ook rond Chemelot constateert dat belangrijke kennis ontbreekt en aanvullend onderzoek en metingen adviseert?
Hoe zorgt u ervoor dat de gezondheid van omwonenden van grote industriële complexen in alle regio’s van Nederland voldoende aandacht krijgt en dat Limburg hierin niet achterblijft?
Bent u bereid om samen met de provincie Limburg, het RIVM en de RUD Zuid-Limburg tot een plan van aanpak te komen voor aanvullende metingen en vervolgonderzoek rond Chemelot, en dit plan per Kamerbrief aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Het Marktonderzoek Digitale Leermaterialen in het voortgezet onderwijs van de Autoriteit Consument & Markt |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie van de consultatieversie van het Marktonderzoek Digitale Leermaterialen in het voortgezet onderwijs?1
Deelt u de mening dat is gebleken dat de markt voor leermaterialen in het voortgezet onderwijs niet goed werkt en dat meer regie vanuit de overheid en scholen nodig is?
Deelt u de mening dat gezien de opgaven waar het onderwijs voor staat vergaande marktwerking rondom leermaterialen onwenselijk is?
Gaat u uitgevers aanspreken op de koppelverkoop van licenties en leerboeken? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van de trend dat het aanbod herbruikbare leerboeken de laatste jaren gedaald is naar bijna nul en wat gaat u doen om deze trend te keren?
Bent u ermee bekend dat scholen in het voortgezet onderwijs jaarlijks voor ongeveer 280 miljoen euro aan leermaterialen inkopen, terwijl de prijzen de afgelopen zeven jaar sneller zijn gestegen dan de prijzen van vergelijkbare producten? Wat betekent dit voor de schoolbudgetten?
Gaat u een monitor opzetten om de ontwikkelingen in het aanbod van en de prijzen voor leermaterialen te kunnen volgen?
Vindt u dat aanvullende bevoegdheden of regelgeving nodig zijn om ook uitgevers zonder machtspositie aan te kunnen pakken, nu de Autoriteit Consument & Markt (ACM) aangeeft op dit moment weinig tegen deze uitgevers te kunnen doen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het met de ACM eens dat voorlichting aan en betere begeleiding van schoolbesturen en vakgroepen bij de inkoop van leermaterialen prioriteit dienen te krijgen? Hoe gaat u deze voorlichting en begeleiding bieden of daarbij ondersteunen?
Bent u bereid scholen te helpen bij het opstellen van beleid voor de gezamenlijke inkoop van leermaterialen? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen?
Bent u bereid de gezamenlijke inkoop van leermaterialen door scholen anderszins te ondersteunen? Zo ja, hoe en op welke termijn?
Bent u bereid scholen financieel te ondersteunen bij de overstap naar nieuwe leermaterialen, aangezien die overstap nu vaak niet gemaakt wordt omdat dit een eenmalige investering vereist die op korte termijn niet haalbaar is, terwijl die op langere termijn juist geld kan besparen?
Bent u bereid normen of vereisten op te stellen voor interoperabiliteit en dataportabiliteit zodat vendor lock-in tegen kan worden gegaan? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u het toezicht op de kwaliteit van digitale leermaterialen verstevigen?
Welke overige aanbevelingen uit het ACM-rapport gaat u opvolgen en op welke manier?
Indien er aanbevelingen zijn die u niet bereid bent op te volgen, waarom niet?
Wat is de stand van zaken van het onderzoek van de Ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Economische Zaken dat parallel loopt aan het marktonderzoek van de ACM en wanneer worden de uitkomsten daarvan verwacht?
Kan u een reactie geven op het eindrapport van de ACM zodra dit is verschenen?
Bent u op de hoogte van vergelijkbare problemen op de markt voor leermaterialen in het primair onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs?
De demissionaire status van kabinetten. |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Is er een eenduidige definitie of betekenis van het begrip «demissionaire status»?1
Is er naast het Blauwe Boek een handelingskader bij het opereren van kabinetten in «demissionaire status» en zo ja, kunt u beschikbare informatie daarover delen met de Kamer? Zo nee, acht u het wenselijk dat een dergelijk kader wordt opgesteld?
Kunt u schetsen wat de staatsrechtelijke context is van het begrip «demissionaire status»?
Wat is uw visie op regeren in demissionaire status vanuit Nederlandse kabinetten? Acht u het huidige (handelings)kader bij regeren vanuit demissionaire status afdoende helder en zo nee, welke mogelijke verbeteringen ziet u?
Kunt u inzicht verschaffen in het – naar uw inschatting meest vergaande, controversiële of impactvolle – beleid dat zonder voorhang of andere vorm van formele parlementaire betrokkenheid demissionair wordt vastgesteld per algemene maatregel van bestuur of lagere regelgeving?
Hoe reflecteert u in het licht van de reikwijdte en impact van dit beleid op de demissionaire bevoegdheden op dit vlak, evenals (het gebrek aan) de grenzen aan die bevoegdheden?
Is het mogelijk om staatsnoodrecht in te zetten door kabinetsleden in demissionaire status? Hoe reflecteert u op de demissionaire bevoegdheden op dit vlak, evenals (het gebrek aan) de grenzen aan die bevoegdheden?
Vindt u het wenselijk dat hoge en belangrijke publieke benoemingen door kunnen gaan zonder daar grenzen aan bevoegdheden te stellen in demissionaire status? Welke beperkingen gelden hiervoor thans in formele of informele zin, en hoe wordt hierover (publiek) gecommuniceerd?
Welke andere bevoegdheden kunnen demissionair alsnog door de regering ingeroepen of ingezet worden?
Welke conclusies verbindt u aan het feit dat Nederland sinds 2010 ruim een kwart van de tijd, en in de afgelopen vijf jaar zelfs ruim twee vijfde van de tijd door een demissionair kabinet is bestuurd? Kunt u in deze beoordeling ook een historisch perspectief betrekken? Acht u de huidige staatsrechtelijke invulling van de demissionaire status nog passend bij de frequentie en duur waarmee deze situatie zich voordoet?2
Herinnert u zich dat voormalig Minister-President Rutte in januari 2021 verklaarde dat het demissionaire kabinet «mentaal, praktisch, de facto missionair blijft qua coronabestrijding»? Hoe verhoudt een dergelijke beleidsspecifieke invulling van de demissionaire status zich tot het uitgangspunt dat een kabinet ofwel «volwaardig» regeert ofwel demissionair is?3
Welke kern van waarheid zat er in de grap die – destijds demissionair – premier Rutte maakte, toen hij zei: «U kunt ons niet meer wegsturen als kabinet. Dus strikt genomen hebben we nu meer macht dan vóór vorige week vrijdag, zou je gek genoeg kunnen zeggen.»?4
Welke kern van waarheid schuilt er in de uitspraak van – destijds demissionair – Minister De Jonge toen hij zei: «Het mooie van demissionair zijn is: hoe langer je het bent, hoe minder je het wordt.»?5
Hoe beoordeelt u het huidige kader waardoor beperkingen worden opgelegd aan de «handelingsbevoegdheid» voor een demissionair kabinet tegen de achtergrond van onder meer de voornoemde bevoegdheden van een demissionaire regering?
Hoe verhoudt de Nederlandse «demissionaire status», de bevoegdheden daarbij en de inkadering van die bevoegdheden (of al dan niet het gebrek daaraan) zich tot die in andere landen die ook iets als een «demissionaire regering» kennen? Bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) landen als België en Duitsland, of het caretaker period-model in (voormalige) Gemenebestlanden?
Hoe verhoudt het Nederlandse verschijnsel van een kabinetsval, demissionair regeren en de relatief lange periode (laatstelijk 148 dagen) om nieuwe verkiezingen te organiseren zich tot andere landen met een vergelijkbaar systeem?
Vindt u het reëel of acht u het wenselijk om het begrip «demissionaire status» en de (on)bevoegdheden die daarbij horen van een duidelijker (regulerings)kader te voorzien ten opzichte van de huidige middelen die Kamer en regering hebben om door te regeren, zoals onderwerpen wel of niet controversieel verklaren?
Wat is uw visie op de wenselijkheid van het nader inkaderen dan wel wettelijk verankeren van de begrippen «demissionaire status» en «controversiële onderwerpen» in het staatsrecht, om willekeur, misbruik of onenigheid op het moment dat het erom spant te voorkomen?
De lang aanslepende asielaanvragen die werk in de weg staan |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Wat wordt de gemiddelde en de maximale wachttijd van een aanvraag van de ruim 50.000 asielzoekers die al wachtten op een besluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en door het migratiepact onderaan de stapel zijn beland?1
Herkent u de frustratie die dit veroorzaakt bij mensen die al lang aan het wachten zijn op een besluit van de IND?
Erkent u dat Nederland er absoluut niet bij gebaat is dat deze mensen langer in onzekerheid zitten en daardoor niet kunnen werken of studeren, hetgeen zou bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Wat kunt u doen om deze mensen tijdens hun wachttijd alsnog de kans te geven om bij te dragen aan de Nederlandse samenleving?
Welke mogelijkheden hebben deze mensen om de Nederlandse taal te leren nu zij langer moeten wachten op een besluit?
Bent u het eens met de stelling dat er sprake is van een gemiste kans dat mensen die hier zijn niet kunnen bijdragen aan de samenleving door de onzekerheid waar zij zich in bevinden?
Zijn er mogelijkheden – wanneer deze mensen niet mogen werken – voor mensen om vrijwilligerswerk te doen, ofwel te werken voor een loon wat pas wordt uitbetaald wanneer zij een beslissing van de IND krijgen?
Wat gaat u doen aan het grote aantal verhuisbewegingen dat voor (potentiële) werknemers en werkgevers een sta-in-de-weg is te beperken?
Hoeveel extra FTE's zouden er nodig zijn om alle lopende aanvragen van asielzoekers binnen de zes maanden af te ronden?
Bent u bereid uw strategie om 50.000 al wachtende asielzoekers na drie jaar pas van een eerste besluit te voorzien te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat het jarenlange wachten van mensen niet bijdraagt aan een gevoel van nut en zingeving en juist voor meer overlast van deze mensen kan zorgen?
Heeft u cijfers over de psychische klachten en het aantal suïcides of suïcidepogingen onder asielzoekers die wachten op een besluit van de IND? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit in kaart brengen?
Het bericht ‘Hoge paramilitair uit Sudan was met valse naam in Nederland’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de reactie van het kabinet op dit bericht?1
Waarom deelde het Ministerie van Buitenlandse Zaken de informatie dat Dagalo in Nederland was niet met politie of justitie?
Welke mogelijkheden waren er op dat moment om Dagalo in Nederland op te pakken en te vervolgen? Waarom is hier niet voor gekozen?