De wanordelijkheden rond de wedstrijd Go Ahead Eagles – PEC Zwolle |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de wanordelijkheden rond Go Ahead Eagles – PEC Zwolle, waaronder het bericht dat uiteindelijk moest worden ingegrepen door de ME?1 Wat is uw reactie op het verloop van deze gebeurtenissen?
Ja.
Hoe kan het dat, ondanks vooraf aangekondigde strengere controles en overleg met supporters, toch wanordelijkheden zijn ontstaan? Waar is het volgens u concreet misgegaan?
Voordat ik deze vragen beantwoord, wil ik schetsen hoe de beslisstructuur op het gebied van veilig en gastvrij voetbal plaatsvindt. De wedstrijdvoorbereiding is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek, bestaande uit de burgemeester, het Openbaar Ministerie, de politie en de betaald voetbal organisatie (BVO). Hier ben ik niet bij betrokken en hier hoor ik ook niet bij betrokken te zijn. De landelijke overheid neemt wel deel aan de Regiegroep Voetbal en Veiligheid.2 Binnen de Regiegroep worden afspraken gemaakt en adviezen gegeven om de veiligheid en gastvrijheid in en rond Nederlandse voetbalstadions te verbeteren en de samenwerking tussen de deelnemende partners te bevorderen. De Regiegroep treedt echter niet in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van decentrale overheden. Tegen deze achtergrond beperk ik mij tot een toelichting op algemene beleidslijnen en ga ik niet in op de concrete omstandigheden van deze situatie. De burgemeester van Deventer legt daarover desgevraagd verantwoording af aan de gemeenteraad.
In de wedstrijdvoorbereiding op decentraal niveau worden er heldere afspraken gemaakt over de voorwaarden voor de toelating van het maximaal aantal supporters in het gastenvak. Het verdient waardering dat op decentraal niveau vooraf in goede onderlinge afstemming alles in het werk is gesteld om een gastvrije en veilige ontvangst van supporters te waarborgen. Helaas hebben deze voorwaarden in dit geval niet het beoogde effect gehad op het gedrag van een deel van de uitsupporters. De evaluatie van de wedstrijd is nog niet afgerond. Op dit moment valt daarom niet aan te geven waarom deze groep supporters de gemaakte afspraken en regels heeft genegeerd.
Zoals aangegeven is de wedstrijdvoorbereiding een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek waar ik vanuit mijn rol niet betrokken bij ben. Van de voetbalvierhoeken van Deventer en Zwolle heb ik overigens begrepen dat zij voorafgaand aan deze wedstrijd nauw met elkaar samen hebben gewerkt om de derbywedstrijd veilig en gastvrij te laten verlopen. De lokale vierhoeken zien deze derby namelijk al jaren als een hoog-risicowedstrijd.
Welke risico-inschatting is vooraf gemaakt ten aanzien van deze wedstrijd, en in hoeverre is daarbij rekening gehouden met de specifieke spanningen rond deze derby?
Zie antwoord vraag 2.
Welke rol heeft het advies van de politie gespeeld in de voorbereiding, en in hoeverre zijn deze adviezen overgenomen door de gemeente mede in het licht van het latere besluit om zonder uitpubliek te spelen?
In het algemeen kan ik aangeven dat de politie deel uitmaakt van de lokale vierhoek en dat hun adviezen bij de wedstrijdvoorbereiding worden meegenomen en direct invloed hebben op de besluitvorming over de voorwaarden waaronder een wedstrijd gespeeld wordt.
Kunt u toelichten hoe de voorbereiding en afstemming tussen burgemeester, politie, Openbaar Ministerie, clubs en de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) is verlopen, en of er op enig moment daarin is bijgestuurd?
Zoals hierboven aangegeven heb ik inhoudelijk geen bemoeienis met de wedstrijdvoorbereidingen van de verschillende wedstrijden. Dat betekent dat ik niet beschik over de bevoegdheid om in dit proces bij te sturen en dat ik niet kan ingaan op de wijze waarop de afstemming in dit specifieke geval is verlopen.
Hoe beoordeelt u het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot het uiteindelijk spelen zonder uitpubliek? Had dit besluit, gelet op de beschikbare informatie en risico-inschattingen, eerder genomen kunnen dan wel moeten worden?
De wedstrijdvoorbereiding en het besluitvormingsproces is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek. Het past niet dat ik daar een oordeel over geef. Het is aan de gemeenteraad van Deventer en/of Zwolle om hier desgewenst een oordeel over te vellen. Wel vind ik het lovenswaardig dat de vierhoeken hier nauw hebben samengewerkt.
Waren de getroffen maatregelen, waaronder toegangscontroles, supportersscheiding en inzet van stewards en politie, naar uw oordeel voldoende en proportioneel gezien het risicoprofiel? Zo nee, waar schoot dit tekort?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete lessen trekt u uit dit incident voor de voorbereiding en besluitvorming rond risicowedstrijden, en hoe worden deze vertaald naar structurele verbeteringen en betere verankering van risicobeperking?
Op dit moment is de gemeente Deventer de casus aan het evalueren. De burgemeester van Deventer zal hierover, indien door de gemeenteraad gewenst, verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.
De gemeenten met een BVO overleggen na iedere speelronde gezamenlijk over incidenten, en komen daarnaast tweemaal per jaar bij de KNVB bijeen en onderhouden onderling goed contact. De geleerde lessen na incidenten worden doorgaans onderling gedeeld en meegenomen bij wedstrijdvoorbereidingen. Binnen dit proces heeft mijn departement via de Regiegroep enkel een ondersteunende rol.
Kunt u verklaren hoe vuurwerk en rookbommen ondanks een dubbele fouillering het stadion zijn binnengekomen? Zijn er aanvullende maatregelen of best practices bekend om deze producten nog beter te kunnen weren?
In het algemeen kan ik aangeven dat het fouilleren bij de toegangscontrole tot een (voetbal)stadion wettelijk is beperkt tot een oppervlakkige controle van kleding en controle van tassen en jassen. Ontkleding en het fouilleren van intieme zones is niet toegestaan. De ervaring leert dat compact vuurwerk daardoor lastig is op te sporen. In hoeverre dit in dit geval een rol heeft gespeeld, zal mogelijk uit de evaluatie blijken.
Zoals aangegeven in de Voortgangsbrief veilig en gastvrij betaald voetbal van 19 december 2025 voert het Auditteam Voetbal en Veiligheid3 momenteel een onderzoek uit naar de impact van het illegaal gebruik van vuurwerk bij voetbal.4 Tevens heeft mijn ministerie verzocht om een aanvullend onderzoek uit te voeren naar de samenstelling van vuurwerk en de mogelijke effecten op de gezondheid van stadionbezoekers en medewerkers. De resultaten zullen in samenhang worden bezien met het onderzoek van het Auditteam, zodat beide trajecten elkaar kunnen versterken en kunnen worden meegenomen bij het nieuwe plan van aanpak. De uitkomsten van deze onderzoeken worden naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 opgeleverd. Tevens worden hierbij de inzichten van de nieuwe, landelijk geldende KNVB-richtlijnen met betrekking tot het gebruik van vuurwerk in stadions meegenomen.
Het artikel waarin wordt vermeld dat werken aan het spoor, drie jaar na het ongeval in Voorschoten, nog steeds onveilig is |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de inhoud van dit artikel?1
Hoe is het mogelijk dat de Arbeidsinspectie bij 11 van de 12 onderzochte locaties, twee jaar na het verschijnen van het OVV-rapport over het ongeval in Voorschoten, moet concluderen dat er geen verbeteringen ten aanzien van de veiligheid hebben plaatsgevonden?
Bent u het met de stelling uit het artikel eens dat goederen en passagiers centraal staan en dat de veiligheid van werknemers achteraan komt? Zo ja, waarom en zo nee waarom niet?
Bent u van mening dat u gefaald heeft in het tijdig implementeren van de aanbevelingen van het OVV-rapport, nu uit het artikel blijkt dat de veiligheid niet beter is geworden tijdens spoorwerkzaamheden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Waarom is de aangenomen motie-Heutink, die de regering opdraagt om spoorwerkers onder de Arbeidstijdenwet te laten vallen, niet uitgevoerd?
Bent u van mening dat het ongeval in Voorschoten in 2023 niet van zodanige ernstige aard was dat het opvolgen van OVV-aanbevelingen niet nodig is? Zo nee, waarom is de situatie op veel locaties dan nog zo onveilig?
Kunt u een lijst doen toekomen waarin u per OVV-aanbeveling weergeeft of er in de afgelopen twee jaar stappen zijn gezet? Zo ja, wat er precies is gedaan of waarom er met een aspect uit het OVV-rapport juist niets gedaan is?
Welke concrete maatregelen bent u van plan op korte termijn te nemen om de veiligheid van alle spoorwerkers te verbeteren?
De positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Longevity Shift: A New Era of Physician Engagement in Longevity Medicine» (Ipsos, maart 2026), waaruit blijkt dat artsen in toenemende mate worden geconfronteerd met patiënten die vragen stellen over longeviteitsgeneeskunde, maar dat zij daarvoor onvoldoende zijn opgeleid, en dat bestaande bekostigingsstructuren preventieve en op gezondheidsoptimalisatie gerichte zorg structureel ontmoedigen?
Deelt u de analyse dat de huidige fee-for-servicebekostiging een structurele drempel opwerpt voor preventieve en longeviteitsgerichte zorg, doordat artsen niet of nauwelijks worden gecompenseerd voor tijdsintensieve consulten bij gezonde patiënten zonder gediagnosticeerde aandoening? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit knelpunt weg te nemen?
In hoeverre is longeviteitsgeneeskunde als interventioneel vakgebied geïntegreerd in de basisopleiding en nascholing van huisartsen en medisch specialisten in Nederland? Bent u bereid dit te onderzoeken (met de Minister van OCW) en of de opleidingseisen op dit punt aanvulling behoeven, mede in het licht van de toenemende vraag vanuit de samenleving naar gezondheidsoptimalisatie en verlenging van de gezonde levensduur?
Bent u bekend met het signaal uit het rapport dat artsen bij longeviteitsgeneeskunde interventies voorschrijven aan mensen die zich gezond voelen, zonder dat er sprake is van een vastgestelde aandoening, terwijl de standaard van zorg op dit terrein grotendeels ongedefinieerd blijft? Welke rol ziet u voor de overheid bij het ontwikkelen van klinische richtlijnen en evidence-based standaarden voor longeviteitsgerichte preventiezorg, zodat artsen niet zonder professioneel kader opereren?
Bent u bereid te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg binnen de Nederlandse bekostigingssystematiek een structurele plek kan krijgen, bijvoorbeeld via uitkomstbekostiging of een gerichte aanvulling op de Zorgverzekeringswet, naar voorbeeld van ouderenzorgmodellen in Denemarken en Finland.
In hoeverre acht u het wenselijk dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken van een vergoedingsstructuur, primair ontwikkelt in de cash-pay en conciergegeneeskunde en daarmee feitelijk voorbehouden blijft aan vermogenden? Welke maatregelen overweegt u om de toegankelijkheid van preventieve longeviteitszorg voor een breed publiek te waarborgen?
Bent u bereid te bezien hoe longeviteitsgerichte preventiezorg beter kan worden ingebed in bestaande beleidskaders, zoals het Nationaal Preventieakkoord, het Integraal Zorgakkoord en de Wet publieke gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad, beroepsverenigingen en relevante wetenschappelijke instituten, een Nationale Strategie Longeviteitsgeneeskunde te ontwikkelen, met concrete doelstellingen voor de integratie van longeviteitsgerichte preventiezorg in het zorgstelsel, de opleiding van zorgprofessionals, wetenschappelijk onderzoek en de toegankelijkheid van deze zorg voor alle Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken hoe de bestaande onderzoeksinfrastructuur van onder andere Maastricht University en Maastricht UMC+, waaronder The Maastricht Study met haar grootschalige biobanking en deep phenotyping en het MERLN Institute for Technology Inspired Regenerative Medicine, strategisch kan worden ingezet als nationaal expertisecentrum voor longeviteitsgeneeskunde, door koppeling van biobankdata, biomarkers van biologische veroudering en klinische toepassingen? En hoe deze kennisinfrastructuur structureel kan worden ingebed in de nationale onderzoeks- en zorgagenda?
Bent u bereid de Kamer te faciliteren met een technische briefing over longeviteitsgeneeskunde, waarbij in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad en academische centra de stand van de wetenschap, de klinische toepasbaarheid, de ethische en maatschappelijke implicaties en de mogelijke inbedding in het Nederlandse zorgstelsel integraal worden toegelicht?
Het artikel 'ING krijgt Russisch dochterbedrijf maar niet verkocht' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht dat het ING nog steeds niet lukt om van haar Russische bankactiviteiten af te komen?1
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de invoer van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich terug te trekken uit Rusland. Vertrekken uit Rusland is echter niet altijd eenvoudig. Het presidentieel decreet van september 2022, verbiedt buitenlandse bedrijven uit «onvriendelijke landen», waaronder de EU, hun activiteiten vrijelijk te verkopen. Bedrijven kunnen slechts op basis van een speciale vergunning van de Russische autoriteiten activiteiten verkopen. Voor verkoop van een bank is bovendien vereist dat de beoogde koper wordt goedgekeurd. In het onderhavige geval heeft ING bekendgemaakt dat de benodigde toestemmingen niet zijn verleend.
In hoeverre gaan de activiteiten en dienstverlening van ING momenteel door in Rusland, ondanks het voornemen de activiteiten in Rusland af te bouwen?
Wegens bedrijfsvertrouwelijkheid ga ik niet in op investeringen van private instellingen. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat ING eerder in persberichten heeft aangegeven dat zij sinds 2022 haar activiteiten in Rusland afbouwt en geen nieuwe zaken met Russische cliënten meer doet.
Waarom is de dienstverlening van ING in Rusland niet gestaakt, ondanks dat er geen overname kandidaat is gevonden?
Hoewel het kabinet bedrijven actief aanmoedigt om niet langer actief te zijn op de Russische markt, is het aan bedrijven zelf om te beoordelen wat de beste manier is om hiermee om te gaan. Daarbij geldt dat het staken van de dienstverlening niet altijd mogelijk is. Daarnaast is de vraag of het staken van de dienstverlening, bijvoorbeeld via liquidatie, wenselijk is. In dat geval zouden bezittingen namelijk ook in Russische handen kunnen komen, waarbij er mogelijk minder controle is op de bestemming van de bezittingen. Ik heb geen zicht op de specifieke afweging bij ING.
Waarom geeft u geen antwoord op de vraag of ING is doorgegaan met het financieren van de Russische staat na de illegale inval in Oekraïne in februari 2022? Bent u bereid deze vraag alsnog, in algemene zin, te beantwoorden zonder bedrijfsgevoelige informatie te delen?2
Zoals bij de beantwoording op vraag 2 aangegeven, kan ik geen uitspraken doen over de investeringen van private bedrijven. Wel heeft de Minister van Financiën verschillende keren contact gehad met ING over het voornemen van ING om haar dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Over de contacten kunnen verder geen inhoudelijke mededelingen worden gedaan.
De Minister van Financiën en ik zijn verder niet betrokken bij het voornemen van ING om uit Rusland te vertrekken of de activiteiten van het dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Zie ook de beantwoording van de Kamervragen die op 8 april 2026 zijn gesteld door het lid Van Eijk (VVD) over het bericht «ING ziet af van verkoop Russische dochter».
De vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk op de verpakking wordt vermeld?1
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking, namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct is?
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding, nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een grotendeels plantaardig product krijgen?
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde eiwittransitie?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten?
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken vanwege stijgende vleesprijzen?
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking zou moeten worden vermeld?
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen of misleidende etiketten?
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om dit te garanderen?
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?
Het bericht 'Nederlands grootste pensioenfonds stapt uit techbedrijf dat zaken doet met ICE' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het besluit van het grootste Nederlandse pensioenfonds (ABP) om zich terug te trekken uit Palantir vanwege zorgen over mensenrechten en ethisch verantwoord investeren?1
Deelt u de zorg dat afhankelijkheid van buitenlandse technologiebedrijven zoals Palantir de digitale soevereiniteit van Nederland kan ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten waar binnen de overheid de diensten en producten van Palantir worden gebruikt en waarvoor deze worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het gebruikmaken door Nederlandse (semi-)overheidsorganisaties van technologie van bedrijven zoals Palantir, waarover ernstige zorgen bestaan over betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen? En op welke gronden wordt dit beoordeeld?
Welke ethische kaders hanteert het kabinet bij de inkoop en inzet van data-analyse- en AI-systemen van commerciële partijen zoals Palantir, en hoe worden deze kaders in de praktijk toegepast en gehandhaafd?
Welke concrete waarborgen, zoals toezicht, impact assessments en transparantiemechanismen, worden ingezet om te voorkomen dat het gebruik van dergelijke technologie leidt tot discriminatie, profilering of schending van privacyrechten?
Bent u bereid om aanvullende richtlijnen of toetsingskaders te ontwikkelen voor samenwerking met technologiebedrijven die actief zijn in veiligheids- en surveillancedomeinen, die de digitale soevereiniteit ten goede komen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in navolging van het besluit van ABP, voortaan expliciet en vooraf te toetsen of samenwerkingen met technologiebedrijven zoals Palantir verenigbaar zijn met Nederlandse en Europese normen, en deze toets openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zou u deze vragen afzonderlijk van elkaar kunnen beantwoorden?
Heeft u kennisgenomen van het bericht «KLM-topvrouw pakt 30 procent meer salaris ondanks financiële problemen en interne onrust bij vliegmaatschappij: Rintel verdient 1,6 miljoen euro»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de opvatting dat terughoudendheid in de stijging van beloningen van de top gepast is bij ondernemingen waar de overheid een belang in heeft en die het, door financiële druk, hoge energieprijzen en operationele problemen moeilijk heeft, terwijl het verdienvermogen onder druk staat door de onrust in Oekraïne en het Midden-Oosten?
Ik acht het, zeker gezien de huidige uitdagingen bij KLM, van groot belang dat de onderneming terughoudend is met stijging van de (variabele) beloning. Daarnaast vind ik dat er een verkeerd signaal uitgaat van een ruime beloning voor bestuurders. De financiële positie van KLM staat namelijk onder druk en KLM wil de winstgevendheid verhogen. Dat betekent dat er op de kosten bespaard moet worden. Hoge variabele beloningen voor de top dragen hier niet aan bij.
Hoe verhoudt de toegenomen beloning zich met eventuele afspraken of verwachtingen die samenhangen met de uitlatingen van de Minister in 2025 en ook met de eerdere staatssteun aan KLM?
Het deelnemingenbeleid is duidelijk over het verwachte beleid bij deelnemingen rondom variabele beloningen. Een variabele beloning mag maximaal 20% van de vaste beloning zijn. De variabele beloning bij KLM ligt hier ruimschoots boven. Daarom heeft mijn voorganger in 2024 tegen het huidige beloningsbeleid gestemd en heb ik vorig jaar bezwaar geuit tegen de hoogte van de variabele beloning. De staat is echter als minderheidsaandeelhouder (5,9%) overstemd door andere aandeelhouders.
Op 18 april 2023 is het steunpakket aan KLM beëindigd.2 De financiële voorwaarden die zijn gesteld aan het verlenen van het steunpakket, waaronder de afspraken over beloningen, zijn op dat moment komen te vervallen.
Heeft u de intentie om, binnen de bestaande governance-structuur, invloed uit te oefenen op het beloningsbeleid van KLM en, zo ja, hoe?
De raad van commissarissen is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van het beloningsbeleid van de directie. Alleen een wijziging van het beloningsbeleid wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de algemene vergadering van aandeelhouders. In 2024 heb ik tegen het huidige beloningsbeleid gestemd, omdat het niet past binnen het deelnemingenbeleid van maximaal 20% variabele beloning ten opzichte van het vaste salaris. Omdat de Nederlandse staat slechts een minderheidsbelang van 5,9% heeft en de meerderheid van de aandeelhouders destijds vóór het voorstel heeft gestemd, is het beloningsbeleid ondanks ons bezwaar vastgesteld. Niettemin zal ik mij ook in de toekomst blijven uitspreken tegen dit beleid en het standpunt van de Nederlandse staat duidelijk onder de aandacht blijven brengen.
Bent u bereid om, naast het uitoefenen van druk als aandeelhouder, bij KLM en ook Air France-KLM aan te dringen op een gesprek om te benadrukken dat maatschappelijk draagvlak en voorbeeldgedrag van de top essentieel zijn voor het vertrouwen in het bedrijf en de staatsdeelname in het bedrijf?
Ik voer regelmatig gesprekken met de directies van zowel KLM als Air France-KLM, waarin ik het belang van passende beloningen benadruk. Gezien de huidige uitdagingen waar KLM mee te maken heeft, vind ik het belangrijk om hierover in gesprek te blijven.
Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van KLM op 23 april 2026 heb ik mijn bezwaar tegen de ruimere variabele beloningen over 2025 ook formeel kenbaar gemaakt.
Het nieuwsbericht 'Wees alert bij afkeuring eco-regeling' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Wees alert bij afkeuring eco-regeling», waarin staat dat er steeds meer zorgelijke signalen zijn dat eco-activiteiten voor het jaar 2025 worden afgekeurd terwijl de onderbouwing van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) minimaal is en dat een aantal boeren hierover recent een beschikking hebben gekregen van de RVO?1
Ja, dit bericht en de signalen zijn mij bekend.
Deelt u de mening dat het moment van beschikken te laat is, gezien het feit dat de Gecombineerde opgave 2026 van de RVO op 1 maart reeds gestart is en vele duizenden boeren reeds de aanvraag hebben ingediend en op land bezig zijn met zaaien, planten en bemesten? Wat wilt u doen om het proces te versnellen?
Ik begrijp dat het voor boeren vervelend is als beschikkingen laat komen, juist in een periode waarin zij al volop bezig zijn met zaaien, planten en bemesten. Die onzekerheid wil ik net als RVO zoveel mogelijk beperken. RVO kon vanaf 10 maart 2026 beginnen met het definitief beschikken van de aanvragen en heeft nu 94% van de aanvragen uit 2025 beschikt.
Voor 2026 zetten we extra in op verdere versnelling. Daarbij blijft het uitgangspunt dat boeren tot 18 mei voor deze Gecombineerde Opgave hun aanvraag kunnen indienen.
Klopt het dat RVO voor de beoordeling van eco-activiteiten gebruik maakt van een algoritme? Klopt het ook dat dit voor de eerste keer is?
Voor de beoordeling van een aantal eco-activiteiten is in 2025 voor het eerst gebruik gemaakt van het Areaalmonitoringssysteem (AMS). Dat systeem combineert gegevens uit satellietbeelden en remote sensing en maakt een geautomatiseerde beoordeling van percelen aan de hand van een algoritme.
Is dit algoritme rijp voor gebruik in de praktijk, gezien de vele klachten? Indien niet, wanneer wel?
De inzet van het Areaalmonitoringssysteem (AMS) en de onderliggende algoritmes is gericht op het ondersteunen van de uitvoering en is gebaseerd op uitgebreide ontwikkeling, testen en validatie met historische en actuele gegevens. Met de bredere toepassing van AMS op de controle van eco-activiteten zijn ook kwaliteitscontroles geïmplementeerd om na te gaan of de AMS-controle voldoende functioneert. Tegelijkertijd blijft het systeem in ontwikkeling en wordt het continu gemonitord en waar nodig verbeterd. Gezien eerder geconstateerde niet-nalevingen door steekproeven in het veld liggen de huidige aantallen afwijzingen in lijn der verwachting.
Tijdens het groeiseizoen worden eco-activiteiten soms ingetrokken: de boer kiest dan bijvoorbeeld voor het inzaaien van een ander gewas; worden die wijzigingen door de RVO meegenomen in de beoordeling van de aanvraag?
Boeren moeten voor de eco-regeling gedurende de periode 15 mei tot en met 15 oktober hun aanvraag actueel houden. Dit betekent dat boeren die niet aan de voorwaarden van een eco-activiteit voldoen en dus het resultaat niet halen, deze zelf moeten terugtrekken uit de aanvraag. Wijzigingen die boeren aanbrengen worden meegenomen in de definitieve aanvraag op 15 oktober en de beoordeling daarvan door RVO.
Als het algoritme een eco-activiteit afwijst, kan een boer met eigen fotomateriaal dan alsnog bezwaar maken en aantonen dat de eco-activiteit wel is uitgevoerd?
Als boeren het niet eens zijn met de beoordeling van hun aanvraag door RVO kunnen zij bezwaar maken.
Telt dode bodembedekking, bijvoorbeeld een doodgevroren gewas, mee voor de berekening van het percentage bodembedekking, gegeven het feit dat voor bepaalde eco-activiteiten minimaal 80 procent bodembedekking door een gewas gedurende een bepaalde periode is vereist? Zo nee, waarom niet?
Voor de eco-activiteit Groenbedekking telt een doodgevroren gewas mee voor de bodembedekking. Dit staat ook expliciet in de subsidievoorwaarden. Het doodvriezen van het gewas is als mogelijkheid opgenomen voor het vernietigen van het gewas voorafgaand aan de volgende teelt. Het levende of doodgevroren gewas moet het perceel wel voor 80% bedekken.
Hoeveel procent van de aanvragen van de eco-regeling wordt namens de boer gedaan door een adviseur of andere tussenpersoon?
In 2025 is iets meer dan de helft van de Gecombineerde opgaves verstuurd door een gemachtigde. Het is mij niet bekend bij hoeveel procent van de aanvragen van de Eco-regeling een adviseur of bedrijfsaccountant is betrokken.
Deelt u de mening dat de eco-regeling in principe en eenvoudig door de boer zelf gedaan moet kunnen worden? Wat wilt u doen om dit te bevorderen?
Die mening deel ik. De norm dient wat mij betreft te zijn dat boeren zelfstandig de opgave kunnen doen. Hier is volop ondersteuning toe. Zo is er veel informatie beschikbaar over de activiteiten en werking van de eco-regeling. Ook zijn er in de aanvraag verwijzingen naar informatie die benodigd is. Hiernaast wordt er hard gewerkt om informatievoorziening uit te breiden met (meer) voorbeelden van hoe activiteiten uitgevoerd dienen te worden, informatie over de werking van de resultaatverplichting in de eco-regeling en het klantvriendelijker maken van de RVO dienstverlening. Ook zijn automatische meldingen en validaties ingebouwd om boeren te helpen. Ik ben mij ervan bewust dat de huidige Eco-regeling complex is. Stabiel en voorspelbaar beleid, vereenvoudiging van regels en investeringen in betere ICT ondersteuning zijn daarom blijvende aandachtspunten.
De sterk achterblijvende bouw van zorgwoningen voor ouderen |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw ouderenwoningen blijft fors achter»?1
Begrijpt u de terughoudendheid van de zorgaanbieders vanwege risicovollere investeringen door de aangekondigde aanpassing van de volledig pakket thuis (vpt) vergoeding? Zo nee, waarom niet?
Wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de aanpassing van de vpt-vergoeding?
Bent u bereid gezamenlijk met de woningcorporaties en zorgaanbieders tot een oplossing te komen om een structureel tekort aan passende woonzorgplekken voor ouderen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Ja.
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?
School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten, en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten. Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School & Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een veilig schoolklimaat.
Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente, school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie. Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit (afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen handelen.
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd. In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen uit te voeren.
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere – gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve) politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.
Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen zij een kwart miljoen euro.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.
De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse Preventie met Gezag Inspiratiedag.
Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep. In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten. Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad. Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang in de jaarlijkse monitor.
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Over deze laatste categorie spreekt het KEI.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort AJB).2
Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten, inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt. Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding. Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren, waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren, evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak van (jeugd)criminaliteit.
Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies, die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?
Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier. Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI. Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl. is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen betrokken organisaties.
Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen. Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?
Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden een onderdeel van zal uitmaken.
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?
Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel 35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.
Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.
Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat. In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk, best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP).
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.
Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging, ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online. Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht. Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen, waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie van geweld onder jongeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?
Hier streven wij naar.
Het bericht dat werkgevers in de zorg twijfelachtige certificaten blijven accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De zorg blijft twijfelachtige certificaten accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in de zorg nog steeds actief gezocht wordt naar potentiële werknemers met EVC-certificaten?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat er nog steeds actief wordt gezocht naar werknemers op basis van EVC-certificaten. De dringende oproep die ik samen met mijn collega bewindspersonen heb gedaan is gebaseerd op verschillende signalen en onderzoeken waaruit blijkt dat het huidige EVC-stelsel onvoldoende kwaliteitsborging kent en ruimte laat voor misbruik. Een EVC-certificaat biedt daarom op dit moment geen betrouwbare garantie voor de vereiste kennis en vaardigheden.
Hoe rijmt u de dringende oproep vanuit vier collega bewindspersonen om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten met het feit dat werkgevers in de zorg nog steeds actief zoeken naar kandidaten met deze certificaten?
Het kabinet begrijpt het belang van het erkennen van leer- en werkervaring in brede zin. Echter, in het geval van het erkennen van leer- en werkervaring op basis van EVC-certificaten is gebleken dat dit in de praktijk vaak een «papieren exercitie» is, waardoor de deur open wordt gezet voor fraude met deze certificaten. Dat is ook de aanleiding geweest voor onze dringende oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten. Tegelijkertijd is het EVC-stelsel privaat en kunnen werkgevers er daarom voor kiezen om hier toch gebruik van te maken. Maar het accepteren van een EVC-certificaat neemt de verantwoordelijkheid van partijen niet weg om zelf te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is. Werkgevers en onderwijsinstellingen blijven verantwoordelijk voor de inzet van deskundige medewerkers (in de zorg) en voor het verlenen van vrijstellingen. Dit is ook nadrukkelijk onderdeel van onze oproep geweest.
Wat vindt u ervan dat er hierdoor nog steeds personen zonder de vereiste kennis en ervaring toegang krijgen tot functies, opleidingen en voorzieningen waarvoor zij onvoldoende gekwalificeerd of bevoegd zijn?
Dat is zorgelijk. De geconstateerde fraudegevoeligheid in het EVC-stelsel maken dat EVC-certificaten geen betrouwbare weergave zijn van iemands competenties. Het is daarom onacceptabel dat personen hierdoor toegang krijgen tot functies of opleidingen waarvoor zij niet voldoende zijn gekwalificeerd. Dit onderstreept de noodzaak om gehoor te geven aan de oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten en te kijken naar andere mogelijkheden om leer- en werkervaring te erkennen. Ik benadruk nogmaals, als werkgevers ervoor kiezen om gebruik te blijven maken van EVC-certificaten, dan ontslaat dat hen niet van de verantwoordelijkheid om zelf te beoordelen dat hun personeel bekwaam en bevoegd is. De verantwoordelijkheid om te borgen dat (potentiële) werknemers over de kennis en vaardigheden beschikken om het werk uit te voeren blijft bij de werkgever.
Wat vindt u ervan dat volgens Trouw voor onder andere vacatures voor pedagogisch hulpverlener (voor uithuisgeplaatste jongeren) en jeugdzorgwerker EVC-certificaten nog steeds worden gebruikt terwijl deze medewerkers juist met kwetsbare jongeren werken?
De kwaliteit en veiligheid van kwetsbare jongeren die jeugdhulp ontvangen moeten zo goed als mogelijk worden gewaarborgd. Als er nog werkgevers en jeugdhulpaanbieders zijn die professionals werven op een EVC-certificaat, zonder te controleren of deze echt bekwaam en bevoegd zijn, dan is dat zorgwekkend. Onze brief van februari 2026 over fraude met EVC-certificaten, is gebaseerd op onderzoeken van het Openbaar Ministerie, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie van Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De dringende oproep om niet langer te vertrouwen op EVC-certificaten is gericht aan alle branches binnen de zorg, ook jeugdhulpaanbieders. Om de veiligheid, kwaliteit en integriteit van zorg te waarborgen is de inzet van werkgevers nodig en dienen zij zorgvuldig te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is om zorg te verlenen.
Hoe verhoudt het feit dat er jeugdzorgwerkers worden gezocht met EVC-certificaten zich tot het voornemen van Jeugdzorg Nederland om niet langer gebruik te maken van EVC-certificaten? Welke status heeft dit voornemen van de brancheorganisatie?
Uit afstemming met Jeugdzorg Nederland blijkt dat niet zonder meer is vast te stellen of het de leden van Jeugdzorg Nederland zijn die nog professionals met EVC-certificaten zoeken. Het standpunt van Jeugdzorg Nederland is dat zolang de kwaliteit van EVC-certificaten niet betrouwbaar getoetst kan worden, men zeer terughoudend moet zijn in het aannemen/inzetten van mensen met EVC-certificaten. Jeugdzorg Nederland heeft haar leden opgeroepen kandidaten en hun dossiers met werkervaring en opleiding grondig te controleren. Jeugdzorg Nederland blijft dit standpunt onderstrepen. Dat standpunt komt overeen met strekking van de brief die in februari dit jaar door mij en mijn collega bewindspersonen is verzonden aan veldpartijen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat kwaadwillenden middels deze certificaten dus nog steeds de mogelijkheid hebben om kwetsbare jongeren te ronselen voor criminele activiteiten?
Ik deel de zorgen over fraude en de signalen over het ronselen van kwetsbare jongeren binnen de jeugdhulp. Jongeren moeten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van jeugdzorg en de professionals die deze bieden. Het is onaanvaardbaar dat jongeren de dupe zijn van fraude met certificaten en niet de zorg krijgen die zij nodig hebben. Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan. De problematiek van fraude en zware georganiseerde criminaliteit gaat helaas veel verder dan het zorgdomein en vraagt een brede integrale aanpak. Zo werk ik structureel samen met andere departementen, toezichthouders, gemeenten en opsporingsdiensten. Onderdeel daarvan is de brief van mij en mijn collega bewindspersonen van februari dit jaar, waarin veldpartijen wordt opgeroepen terughoudend te zijn met de inzet van professionals op basis van EVC-certificaten.
Wat vindt u ervan dat verschillende zorgopleidingen nog steeds reclame maken voor deze vorm van diplomering?
Onderwijsinstellingen zijn door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in een brief op 19 juni 2025 geïnformeerd over het misbruik met EVC-certificaten in de «onderwijsroute». Examencommissies zijn er met de brief extra op gewezen om alleen een vrijstelling te verlenen als boven alle twijfel verheven is dat iemand geheel voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen. Dit laat onverlet dat laagdrempelig om- en bijscholen mogelijk moet blijven. Onderwijsinstellingen blijven de ruimte houden om zelf betrouwbare valideringstrajecten in te zetten gericht op het (h)erkennen van relevante eerder opgedane leer- en werkervaring en het bieden van maatwerktrajecten aan zij-instromers die aansluiten op wat zij al kennen en kunnen. Ik blijf in nauw overleg met de Minister van OCW over waar dit goed gaat en waar niet, waar we indien nodig passende maatregelen treffen.
Hoe wilt u uitvoering geven aan het amendement-Synhaeve/Wendel aangaande EVC fraude?
Middels het amendement Synhaeve/Wendel trek ik in 2026 elk geval 200.000 euro uit voor het vervolgonderzoek naar onvolkomenheden in de onderliggende dossiers behorend bij EVC-certificaten van professionals in de jeugdhulp. Momenteel ben ik in gesprek met onder andere de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd om tot afspraken te komen over de inzet van deze middelen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat werknemers zich gemakkelijk kunnen bij- of omscholen op een manier waarop dat wel vertrouwd is, nu u heeft opgeroepen om geen EVC-certificaten meer te accepteren en we tegelijkertijd zien dat verschillende werkgevers dit nog wel doen vanwege krapte op de arbeidsmarkt?
Ik vind het lovenswaardig om te zien hoe veldpartijen, zoals Jeugdzorg Nederland, Actiz, VGN en de Nederlandse GGZ zich hebben verbonden om de fraude aan te pakken en alternatieven te bedenken voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. Hierbij vind ik het van belang dat een eventueel alternatief geen ruimte laat voor fraude. Erkenning van werkervaring, competenties of vaardigheden is zowel voor onze zorgverleners als ook voor de werkgevers belangrijk. Hierbij gaat het dan om status, doorgroeimogelijkheden, salaris en ook behoud van mensen voor zorg en welzijn.
Ik zal veldpartijen faciliteren bij het vinden van betrouwbare alternatieven, bijvoorbeeld door goede voorbeelden aan te reiken. In het kader van het Transformatieplan Limburg wordt bijvoorbeeld ingezet op «bekwaam is inzetbaar». Hierbij wordt uitgegaan van skillsgerichte inzet en verschuift de focus van diploma-eis naar beheersing van de vaardigheden voor de taken waarvoor men wordt ingezet. De gemeente Nijmegen heeft in het aanbestedingsproces de diploma-eis losgelaten en zij hebben hiermee positieve resultaten voor wat betreft inzet en beschikbaarheid geboekt. In plaats van de diploma-eis is gekeken wat wettelijk vereist is en is de verantwoordelijkheid voor goede kwaliteit bij de opdrachtnemer gelegd. Die kan hierdoor taken toebedelen op basis van vakbekwaamheid in combinatie met de aard en zwaarte van de hulpvraag. De gemeente Nijmegen is nu een traject gestart om dit ook bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten onder de aandacht te brengen, met het doel dit verder uit te rollen. Ook heeft de overheid, met de landelijk beschikbare skillstaal Competent NL een mooi instrument ontwikkeld dat partijen op de arbeidsmarkt kan helpen om vak- en kennisvaardigheden eerder te herkennen. Onder leiding van VNO-NCW/MKB wordt daarnaast door sociale partners gewerkt aan afspraken over het valideren van skills. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt hiervan op de hoogte gehouden. Zoals ook door mijn voorgangers toegezegd zal ik in nauw contact blijven met het veld en meedenken met alternatieven.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De onbevredigende antwoorden op de mondelinge vragen over de taalgids op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen hoe het bedrag van 40.000 euro voor het maken van de taalgids is opgebouwd?1
Wat zijn de totale kosten die gemaakt zijn voor de productie en verspreiding van de taalgids, inclusief personeelskosten?
Hoeveel ambtenaren waren betrokken bij het produceren en verspreiden van de taalgids?
Wie heeft de opdracht gegeven tot het vervaardigen van de taalgids?
Is het maken van de taalgids onderwerp geweest van besluitvorming binnen het ministerie?
Is de taalgids reeds verspreid op het Ministerie van OCW of op andere ministeries?
Is de taalgids door een externe partij geschreven? Zo ja, welke?
Welke mensen of organisaties zijn geraadpleegd bij het schrijven van de taalgids?
Bestaat er een relatie tussen de taalgids en de Amerikaanse WOKE-ideologie?
Is de wens om zwart met een hoofdletter Z te schrijven ingegeven door het Amerikaanse WOKE-verlangen black met een hoofdletter B te schrijven?
Wat is de huidige status van de taalgids? Is de taalgids inmiddels ingetrokken of wordt het nog steeds gebruikt op het ministerie?
Welke initiatieven worden er op het gebied van discriminatie en racisme de komende periode nog meer uitgerold?
Zijn de portretten van de blanke Ministers op het ministerie nu inderdaad verwijderd?
Het vaststellen van de leeftijd van asielzoekers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zo bepaalt Nederland de leeftijd van asielzoekers» in NRC?1
Kunt u bevestigen dat de zogeheten «schouw» waarbij ambtenaren op basis van uiterlijke kenmerken zoals baardgroei, adamsappel en zithouding de leeftijd van asielzoekers trachten vast te stellen, in de praktijk leidt tot tegenstrijdige conclusies over dezelfde persoon?
Hoeveel van de circa vierduizend alleenstaande minderjarige vreemdelingen die zich jaarlijks melden, beschikken over geen enkel identiteitsdocument en in hoeveel gevallen wordt de opgegeven leeftijd simpelweg overgenomen zonder enige objectieve verificatie?
Kunt u uiteenzetten waarom het röntgenonderzoek van het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) – de enige beschikbare methode met enige medisch-wetenschappelijke grondslag – slechts in een fractie van de gevallen wordt ingezet (142 keer in 2023, 157 in 2024, 42 in 2025), terwijl er jaarlijks duizenden ongedocumenteerde asielzoekers binnenkomen die beweren minderjarig te zijn?
Deelt u de mening dat het argument van «stralingsbelasting» als reden om röntgenonderzoek te beperken niet in verhouding staat tot de enorme financiële en maatschappelijke consequenties van het ten onrechte toekennen van een minderjarigenstatus, waaronder het recht op gezinshereniging en bescherming tegen uitzetting?
Welke consequenties verbindt u aan het feit dat asielzoekers zich in Italië en Griekenland bewust als meerderjarig laten registreren om sneller te kunnen doorreizen naar Noord-Europa, om zich vervolgens in Nederland als minderjarig te presenteren?
Bent u bereid röntgenonderzoek of een andere objectieve, medische leeftijdsbepaling verplicht te stellen voor iedere asielzoeker die zich zonder identiteitsdocumenten als minderjarige meldt?
Indien het antwoord op vraag zeven ontkennend luidt, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel de Nederlandse staat de afgelopen drie jaar heeft uitgegeven aan opvang, voogdij, rechtsbijstand en procedures voor personen die zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling hebben aangemeld maar achteraf meerderjarig bleken te zijn?
Indien de kosten volgens vraag negen niet worden bijgehouden, bent u bereid dit voortaan te registreren?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de mening dat het huidige systeem van leeftijdsbepaling een perverse prikkel vormt voor asielzoekers om over hun leeftijd te liegen en dat Nederland hierdoor fungeert als trekpleister voor oneigenlijk gebruik van de minderjarigenregeling?
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid de gehele systematiek van leeftijdsbepaling fundamenteel te herzien en daarbij het uitgangspunt te hanteren dat wie zijn identiteit en leeftijd niet kan aantonen, als meerderjarige wordt behandeld?
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Het bericht dat de Nederlandse politie een verdachte heeft gearresteerd in verband met explosies in Duitsland |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Dutch police arrest suspect linked to 2025 explosions in Germany1»? Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport «Between victimhood and offending» van de European insititute for crime prevention and control (HEUNI)2?
Bent u, met Europol, van mening dat het fenomeen geweld op bestelling een groeiend probleem is waarbij ook in Nederland kwetsbare jongeren worden geronseld? Deelt u de analyse van Europol dat hierbij ook sprake kan zijn van criminele uitbuiting? Hoeveel (minderjarige) Nederlandse plegers die over de grenzen heen actief zijn geweest, zijn er binnen deze taskforce inmiddels in beeld? Hoeveel zijn dat er in de afgelopen vier jaar, buiten deze taskforce om, in beeld geweest? Hoeveel van deze (minderjarige) plegers zijn tevens slachtoffer van criminele uitbuiting?
In hoeverre hebben de Nederlandse opsporingsdiensten voldoende zicht op criminele netwerken die kwetsbare jongeren ronselen en over landsgrenzen heen opereren? In hoeverre is er, naast de Europol-taskforce GRIMM, sprake van samenwerking tussen opsporingsdiensten in verschillende Europese landen om dit probleem het hoofd te bieden? Heeft u binnen het programma Preventie met Gezag, de ondermijningsaanpak en het programma Samen tegen Mensenhandel voldoende middelen om het fenomeen geweld op bestelling het hoofd te bieden? Zijn er aanvullende maatregelen nodig? Zo ja, welke?
Met welke online techbedrijven werkt Europol samen om zicht te krijgen op online ronselpraktijken en hoe zien deze programma’s eruit? Welke mogelijkheden ziet u om dergelijke techprogramma’s ook hier in Nederland uit te rollen? Ziet u hier mogelijkheden om mede ter uitvoering van de motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 VII, nr. 81) hier nader vorm aan te geven? Zo ja, welke?
Op welke wijze wordt er binnen de genoemde taskforce van Europol aandacht besteed aan de aanpak van criminele uitbuiting en de bescherming van slachtoffers, waaronder de toepassing van het non-punishmentbeginsel? Welke beschermingsmaatregelen worden binnen deze taskforce geboden? Is er daarnaast sprake van samenwerking met hulpinstanties over de grenzen heen, en zo ja, hoe ziet deze samenwerking eruit?
Kunt u aangeven op welke wijze het amendement aangaande de wettelijke verankering van het non-punishmentbeginsel3, in lijn met een aanbeveling van GRETA4, naar verwachting zal bijdragen aan het verminderen van de angst van slachtoffers om samen te werken met de politie? Op welke wijze gaat u, bijvoorbeeld binnen het programma Samen tegen Mensenhandel dat middels het regeerakkoord wordt voortgezet, er zorg voor dragen dat dit in de praktijk adequaat wordt toegepast? Ziet u op basis van het genoemde rapport best practises uit Scandinavië die we in Nederland zouden kunnen toepassen?
Op welke wijze past Nederland de lessen uit de uitspraak van het EHRM inzake V.C.L/A.N.5 waarin het Verenigd Koninkrijk werd veroordeeld voor het schenden van artikel 4 en 6 van het Handvest omdat een slachtoffer van criminele uitbuiting werd veroordeeld voor een drugsdelict terwijl signalen van uitbuiting onvoldoende werden opgevolgd? Komt het in Nederland bijvoorbeeld voor dat een slachtoffer van criminele uitbuiting eerst wordt veroordeeld voor een delict terwijl in een separate strafzaak duidelijk wordt dat er sprake is van slachtofferschap mensenhandel?
Bent u van mening dat jongeren die vastzitten in de criminaliteit, waaronder van geweld op bestelling, over adequate mogelijkheden beschikken om hulp te krijgen? Welke hulpmiddelen zijn er voor deze jongeren beschikbaar? Ziet u op basis van het genoemde rapport van Heuni6 best practises uit Scandinavië die in Nederland kunnen worden toegepast?
Energieschaarste |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Nederland grootste exporteur van diesel en kerosine – Schaarste «niet aan de orde»»1 en «Olieschaarste gaat pijn doen – Analisten waarschuwen: grote tekorten»?2
Ja.
Hoe kan het dat ambtenaren in een technische briefing3 de Kamer hebben verteld dat energieschaarste nog lang niet aan de orde is, maar dat twee dagen later energie-experts waarschuwen voor grote tekorten? Wie hebben gelijk?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke en objectieve toelichting gegeven op de oliemarkt en de olie-leveringszekerheid. Hierbij is aangegeven dat de aanvoer van kerosine naar Europa verstoord is en dat de aanvoer van diesel gedeeltelijk verstoord is.
Het kabinet houdt rekening met alle mogelijke scenario's, ook met scenario's van dreigende schaarste of tekorten. Deze zijn uiteengezet in de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok die aan de Kamer is gestuurd.4
Klopt het dat er volgens de ambtenaren in Nederland geen tekorten aan diesel en kerosine zullen ontstaan, omdat (1) Nederlandse raffinaderijen een overschot produceren, (2) Nederland de grootste netto-exporteur is en (3) de olie-import en -voorraden op orde zijn?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke toelichting gegeven op de Nederlandse raffinagesector en de omvang van de strategische voorraden. Er is aangegeven dat er geen acute fysieke tekorten zijn, niet dat er nooit tekorten kunnen ontstaan.
De EU is voor circa 23% van haar kerosinegebruik afhankelijk van import. Ongeveer 77% wordt gemaakt in raffinaderijen binnen de EU. Zolang er voldoende ruwe olie beschikbaar blijft kunnen raffinaderijen in de EU op gebruikelijk niveau blijven produceren. Daarnaast beschikken Nederland en andere EU-lidstaten over strategische olievoorraden.
Deze combinatie van Europese productie en strategische voorraden maakt dat bij een gelijkblijvende verstoring van de aanvoer nog geruime tijd in de vraag kan worden voorzien. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat de oliemarkt mondiaal is en dat prijsverschillen de handel naar, maar ook uit de EU kunnen stimuleren. De termijn van een Europese kerosinevoorraad van vijf maanden kan korter worden wanneer de Europese voorraden beperkt worden ingezet of wanneer marktpartijen de op de markt gezette strategische voorraden opkopen en verschepen naar andere delen van de wereld. Ook als Europese raffinaderijen minder ruwe aardolie beschikbaar hebben, of om andere redenen hun productie verlagen, neemt de aanbodverstoring toe.
Hoe valt dat te rijmen met de uitspraken van energie-expert Van den Beukel van «The Hague Centre for Strategic Studies»: «Wij maken heel veel olieproducten in onze raffinaderijen hier in Rotterdam. Dat maakt het probleem voor Nederland wellicht ietsjes minder. Maar de diesel of kerosine of het plasticproduct dat uit zo’n raffinaderij komt, gaat uiteindelijk naar de hoogste bieder. Dat kan Nederland zijn, maar niet noodzakelijk»?
De toelichting tijdens de technische briefing sluit aan bij de in de vraag geciteerde uitspraak van de heer Van den Beukel. Nederland beschikt over een sterke raffinagesector en produceert veel olieproducten, wat de positie van Nederland relatief gunstig maakt.
Tegelijkertijd opereren raffinaderijen op volle capaciteit binnen een open en transparante, internationale markt waarin een olieproduct vrijelijk kan worden verplaatst naar waar de vraag en prijs het hoogst zijn. Dit betekent dat productie in Nederland niet automatisch leidt tot beschikbaarheid voor de Nederlandse markt.
Hoe reageert u op de uitspraak van energie-expert Van Geuns van kennisinstituut «The Hague Centre for Strategic Studies» die de woorden van de ambtenaren als volgt kwalificeert: «Heel bijzonder. Het klinkt als: ga maar slapen, we hebben het goed. Maar Nederland is geen eiland»?
Het kabinet herkent zich niet in de geschetste kwalificatie en bereidt zich voor op alle scenario's, zoals ook blijkt uit de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok.5 Daarbij is een bandbreedte gehanteerd van beperktere impact tot zeer zware impact op de wereld- en de Nederlandse economie. Kort samengevat wordt de impact op het energieaanbod, de economie en op huishoudens en bedrijven uiteengezet. De scenario's geven de gemene deler van publicaties van onder andere het Internationaal Energie Agentschap (IEA), De Nederlandsche Bank (DNB), het Centraal Planbureau (CPB), de Europese Centrale Bank (ECB), de OESO en het IMF.
Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario's, onder andere door breed maatregelen te inventariseren en uit te werken om bedrijven en huishoudens te ondersteunen en neemt hiervoor signalen uit de samenleving en het bedrijfsleven mee.
Kunt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Voor beantwoording van deze vragen is de gebruikelijke termijn van drie weken aangehouden.
Het bericht 'Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: ‘Lopen blijvende schade op’' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van EenVandaag «Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: «lopen blijvende schade op»»?1
Bent u het eens met de verpleegkundige en arts dat de schepen geen geschikte plek zijn voor kinderen?
Hoe is het überhaupt mogelijk geweest om kinderen op deze locaties te plaatsen waar zij verblijven in kamers zonder ramen en zij zonder hun ouders slapen? Is dit in het belang van het kind, zoals omschreven in artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag?
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Is het uitlegbaar dat kinderen onnodige mentale problematiek oplopen en zelfs permanente schade kunnen oplopen door langere tijd opgevangen te worden op de boot?
Op welke manier werkt u eraan om kinderen zo snel mogelijk van deze boten te halen en in geschiktere locaties op te vangen waar zij de nodige zorg kunnen krijgen?
Hoe strookt deze gang van zaken met aangenomen motie Westerveld (Kamerstuk 19 637, nr. 3515)? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Worden er extra maatregelen getroffen om infectieziekten tegen te gaan op de boot? Is de locatie geschikt voor kwetsbare groepen? Waarom verblijven zij nu wel op deze boot?
Waarom worden zwangere vrouwen op deze boten geplaatst tegen medisch advies in?
Hoe kan het dat er na de brandbrief vanuit artsen die werkzaam zijn op het schip geen maatregelen zijn getroffen? Is er iets veranderd nadat zij deze brief schreven?
Wat zijn de gevolgen voor de samenleving als potentiële burgers van ons land allerlei mentale problemen oplopen op deze asielboten?
Het bericht ‘Waakhond fileert Haagse ontkenning: ’Hamas had wel degelijk vinger in de pap bij hulporganisaties’ |
|
Annelotte Lammers (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van NGO Monitor, «Analysis: How the Dutch Government is Evading Accountability for its Humanitarian Assistance Funding»?1, 2
Welke maatregelen heeft het kabinet genomen, gelet op het jaarverslag van 2016 van het Palestinian Centre for Human Rights (PCHR), dat datzelfde jaar Nederlandse overheidsfinanciering ontving en waarin werd gesteld dat in Gaza «internationale organisaties werden lastiggevallen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Hamas)», organisaties «vaak concessies deden om hun werk te kunnen voortzetten», een «verbod gold op onderzoeksactiviteiten zonder toestemming van het ministerie» en dossiers «zonder wettelijke grondslag werden gecontroleerd», om te voorkomen dat door Nederland gefinancierde organisaties concessies doen aan Hamas of afhankelijk worden van goedkeuring door Hamas-ministeries?
Kunt u gedetailleerd beschrijven welke due diligence-procedures momenteel gelden om te waarborgen dat door de Nederlandse overheid gefinancierde projecten en NGO’s niet, direct of indirect, worden misbruikt door terroristische organisaties?
Is het kabinet, gelet op het rapport van NGO Monitor waarin wordt gewezen op infiltratie van Hamas in het Ministerie van Sociale Ontwikkeling (MoSD) in Gaza, bereid toekomstige financiering, inclusief via aangepaste contractvoorwaarden, afhankelijk te maken van het uitsluiten van het MoSD uit de uitvoering van projecten, waaronder het verstrekken van begunstigdenlijsten voor financiële steun? Zo nee, waarom niet?
Was het kabinet ervan op de hoogte dat Oxfam Novib, lid van de door Nederland gefinancierde Dutch Relief Alliance (DRA), nog steeds samenwerkt met de Union of Agricultural Work Committees (UAWC), een organisatie waarvan Nederland de financiering eerder stopzette na een audit waaruit bleek dat 34 medewerkers banden hadden met de terroristische organisatie PFLP, waaronder 12 in leidinggevende posities, en dat Nederlands geld werd gebruikt voor salarissen van twee medewerkers die betrokken waren bij de moord op Rina Shnerb in 2019?
Acht het kabinet het acceptabel dat Oxfam Novib nog steeds samenwerkt met UAWC? Zo ja, waarom?
Indien het kabinet dit onacceptabel acht, welke gevolgen heeft dit voor de financiering van Oxfam Novib en voor organisaties binnen de Dutch Relief Alliance?
Op 17 maart 2026 stelde u dat het kabinet vertrouwen heeft in de neutraliteit en onafhankelijkheid van partnerorganisaties, blijft u bij dit standpunt in het licht van de bovenstaande informatie? Zo ja, waarom?
Bent u het, gelet op bovenstaande informatie, eens met de stelling dat het onjuist is dat «geen aanwijzingen bestaan dat Nederlandse of Europese middelen bij onbedoelde bestemmingen zijn terechtgekomen»? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid alle steun aan organisaties waar Hamas direct of indirect zeggenschap over heeft of op enige andere wijze invloed uitoefent, op te schorten?
Heeft u kennisgenomen van het bericht waaruit blijkt dat dieren structureel en ernstig lijden op erkende verzamelplaatsen waar (een deel van de) dieren uit de veehouderij naartoe worden gebracht voordat zij worden afgevoerd naar het slachthuis?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat jaarlijks meer dan 10.000 dieren op verzamelcentra dood worden aangetroffen, omdat zij aan hun verwondingen zijn overleden of worden gedood omdat ze te ziek, te zwak of gewond zijn om verder te mogen worden vervoerd?
Ja, dat kan ik bevestigen. Over de achtergrond van de cijfers zijn geen gegevens beschikbaar. Daarom doet de NVWA in 2026 onderzoek naar de achtergrond van deze cijfers, zoals de betrokken vervoerders en de herkomst van (een deel) van deze dieren.
Runderen
1.996
2.370
1.159
Varkens
13.572
13.625
9.754
Schapen
380
407
300
Geiten
331
311
272
Heeft u de beelden gezien van de staat waarin dieren die via verzamelplaatsen zijn getransporteerd in het slachthuis worden aangetroffen? Heeft u gezien dat deze dieren kampen met ernstige kreupelheid, ziektes, open wonden, graatmager zijn of zelfs lichaamsdelen missen?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze dieren dringend medische zorg nodig hadden, maar dat zij in plaats daarvan op transport zijn gezet naar het slachthuis, omdat ze dan nog geld opleveren?
Ik kan bevestigen dat de dieren op de beelden niet geschikt voor het voorgenomen transport waren en niet naar het slachthuis vervoerd hadden mogen worden. De NVWA heeft daar ook boetes voor opgelegd. Op het moment dat de beelden genomen zijn, hadden de meeste dieren dringend medische zorg nodig.
Wat vindt u van dit alles?
De beelden vind ik verschrikkelijk en gaan me aan het hart. Dieren die ongeschikt zijn om te vervoeren, mogen niet worden aangeboden voor transport en dus ook niet vervoerd worden. Slachthuizen, transporteurs, handelaren, houders van verzamelcentra en veehouders zijn verplicht om te allen tijde met zorg voor het welzijn om te gaan met levende dieren. Ik verwacht ook dat men binnen de sector elkaar hier op aanspreekt.
Hoe kan het volgens u dat dieren, nadat zij een aantal maanden of jaren in de huidige veehouderij hebben moeten doorbrengen, er zo erbarmelijk aan toe zijn?
Een veehouderijsysteem zorgt op zichzelf niet voor een slecht dierenwelzijn. Dieren kunnen op primaire bedrijven kreupelheid ontwikkelen of anderszins ziek worden en zij dienen daarvoor behandeld te worden. Daar waar specifieke aandoeningen (bedrijfsgebonden dierziekten) met regelmaat voorkomen is het van belang dat de sector hier aandacht voor heeft. Houders horen in overleg met bijvoorbeeld de dierenarts, klimaatadviseur, voerleverancier bezien welke aanpassingen op het bedrijf moeten worden doorgevoerd om dit te voorkomen. Voordat dieren op transport gaan, beoordeelt een houder of een dier dat behandeld is, in verband met kreupelheid of ziekte, voldoende hersteld is. Ook moet worden bekeken of de wachttijd van toegediende medicatie is verstreken en of transporteren verantwoord is voor het dier. De houder kan zich voor deze beoordeling ook laten bijstaan door de dierenarts.
Deelt u de conclusie dat dit soort verwondingen doorgaans niet op één dag ontstaan, maar het gevolg zijn van een (stal)systeem waarin dieren structureel worden gefokt en gehouden in dieronwaardige, ongezonde en onnatuurlijke omstandigheden?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Heeft u kennisgenomen van de eerdere beelden van vijf verschillende erkende verzamelplaatsen, waarop te zien was dat op alle locaties is waargenomen dat koeien en kalfjes worden geslagen en geschopt, ook wanneer zij ziek en kreupel waren (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
Ja
Onderschrijft u dat dit niet kan worden afgedaan als een incident?
De beelden tonen herhaaldelijke overtredingen op vijf verzamelplaatsen, binnen een korte tijd. Dat kan inderdaad niet worden afgedaan als een incident. Tegelijkertijd kan ik op basis van deze vijf verzamelplaatsen ook niet alle verzamelplaatsen over één kam scheren. Iedere verzamelplaats moet beoordeeld worden op hetgeen daar daadwerkelijk plaatsvindt. En zoals ik al eerder aangaf zijn de beelden van de verzamelcentra waarop dieren worden geslagen en geschopt schokkend. Op deze manier mag nooit met dieren worden omgegaanl.
Onderschrijft u de uitspraak van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die «structureel de wet niet naleeft en steeds de ruimte opzoekt»? Zo nee, waarom niet?3
De gepubliceerde beelden gemaakt op de vijf verzamelcentra, geven inderdaad het beeld dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die structureel de wet niet naleeft. En als de toezichthouder dit dan ook nog concludeert, dan denk ik dat we te maken hebben met een deel van de sector dat steeds de ruimte opzoekt. Deze verzamelcentra beïnvloeden op negatieve wijze het beeld van de gehele sector. Het is wat mij betreft aan de gehele sector hierop te reflecteren en te laten zien dat dergelijke situaties onwenselijk zijn en dat dit verbeterd kan worden. Ik roep de sector dan ook op om stevige zelfreflectie toe te passen en te werken aan een zelfreinigend vermogen. Daarnaast ben ik voornemens om het beleid aan te scherpen, zoals het verhogen van boetes en het inzetten van cameratoezicht als tijdelijke maatregel. Hierover heb ik de Kamer op 16 april jl. geïnformeerd (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat uit de inspectierapporten blijkt dat sommige handelaren tientallen keren worden betrapt op het overtreden van de regels, maar gewoon door kunnen gaan?
Via verschillende maatregelen wordt ingezet op duurzame gedragsverandering. Uit de openbaar gemaakte informatie blijkt dat de NVWA na het constateren van overtredingen waarschuwingen geeft, boetes oplegt en deze boetes ook verhoogt. Het overtreden van de regels blijft niet zonder gevolgen. De NVWA heeft de afgelopen jaren bij slachthuizen, verzamelcentra en vervoerders verscherpt toezicht (VeTo) toegepast. Bij de constatering van zware overtredingen en bij een niet-naleving door notoire overtreders worden passende maatregelen opgelegd, zoals bijvoorbeeld het schorsen van een erkenning). De «one strike out»- en de «three strikes out» aanpak is hier onderdeel van.
Mijn inzet is om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waar een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt, van het primaire bedrijf, tijdens transport tot in het slachthuis. Hoe ik dat wil doen, heb ik uiteengezet in mijn brief aan de Tweede Kamer over de weg «Naar een beter dierenwelzijn in de veehouderij» van 16 april (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat een verzamelplaats die onder verscherpt toezicht staat opnieuw ernstige overtredingen kan begaan, zonder consequenties?
Verzamelcentra die onder verscherpt toezicht staan, worden extra gecontroleerd gedurende een passende periode. Wanneer tijdens die periode wederom overtredingen worden geconstateerd, kunnen vergaande maatregelen worden genomen, waaronder schorsing of intrekking van de erkenning. Wanneer tijdens die periode geen overtredingen worden waargenomen, wordt het VeTo opgeheven. Daarna kan VeTo opnieuw toegepast worden volgens de procedure. Zie ook mijn antwoord op vraag 11.
Kunt u bevestigen dat de NVWA sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid heeft om bedrijven (permanent) te sluiten wanneer het welzijn van dieren in gevaar is (artikel 5.12 van de Wet dieren)? Kunt u aangeven waarom dit in gevallen zoals die genoemd in het artikel niet gebeurt?
De NVWA heeft sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid om bedrijven in het kader van bestuursrecht tijdelijk te sluiten wanneer het welzijn van de dieren in gevaar is. Permanent sluiten kan niet. In zijn algemeenheid gebruikt de NVWA de bevoegdheid om bedrijven tijdelijk te sluiten voornamelijk bij primaire bedrijven, omdat daar geen vergunning of erkenning is om te schorsen of in te trekken. Bij verzamelcentra wordt veelal gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om op grond van de Wet Dieren een erkenning te schorsen of in te trekken.Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect.
Hoe vaak is het houdverbod de afgelopen twee jaar opgelegd, hoe vaak sinds de intrinsieke waarde van het dier is vastgelegd in de Wet dieren in 2013 en hoe vaak werd dit gedaan per categorie bedrijf (in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op een veeverzamelplaats) als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal veroordelingen voor ernstige dierenmishandeling?
Door de rechtbank is het zelfstandig houdverbod in 2024 in (afgerond) 35 zaken als maatregel opgelegd, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. En in 2025 in (afgerond) 75 zaken, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. In het eerste kwartaal van 2026 is een houdverbod in 25 zaken als maatregel opgelegd: er is geen levenslang houdverbod opgelegd. Een uitsplitsing naar sector is in de voor de Rechtspraak beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken.
Voor 2024 was een houdverbod vaak als «onzelfstandige» maatregel gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. In de voor de Rechtspraak beschikbare informatie managementsystemen kan hierop niet gefilterd worden. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Wordt het houdverbod ook voorwaardelijk opgelegd? Zo ja, hoe vaak en hoe vaak specifiek in de veehouderij?
Het houdverbod is als maatregel vanaf 1 januari 2024 t/m 31 maart 2026 door de rechtbank in minder dan 10 zaken voorwaardelijk opgelegd. Een uitsplitsing specifiek naar veehouderij is in de beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Valt er iets te zeggen over de afwegingen bij het wel of niet opleggen van houdverboden in de veehouderij?
Bij het opleggen van houdverboden in de veehouderij zijn er een aantal afwegingen die een rechter meeneemt in zijn of haar oordeel. Zo wordt de ernst, duur en karakter van de geconstateerde dierenmishandeling of -verwaarlozing gewogen en kan ook de kans op recidive meewegen in de beslissing om een houdverbod op te leggen. Dit is echter altijd aan de rechter om te bepalen.
Hoe vaak is er de afgelopen twee jaar sprake geweest van een (tijdelijke) stillegging van bedrijven in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal geconstateerde mishandelingen? Kunt u een uitsplitsing maken per categorie bedrijf?
Afgelopen jaren is 5 keer op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder a, van de Wet dieren de bestuursrechtelijke maatregel opgelegd tot gehele of gedeeltelijke sluiting van een bedrijf (primair bedrijf). De maatregel is in die gevallen opgelegd vanwege verschillende overtredingen op het gebied van zowel dierenwelzijn als diergezondheid. Het is goed om hierbij te benoemen dat op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder b, van de Wet dieren ook mogelijk is om een erkenning te schorsen of in te trekken. Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect bij bedrijven die een erkenning nodig hebben (zoals slachthuizen en erkende verzamelcentra). Deze maatregel, en dan met name de schorsing van de erkenning, is een modaliteit die met regelmaat wordt ingezet. Vanaf 2024 tot heden is 3 keer de erkenning van een slachthuis geschorst en is één keer de vergunning van een vervoerder geschorst.
Deze bestuursrechtelijke maatregelen worden overigens niet opgelegd voor overtreding van artikel 2.1 van de Wet dieren (dierenmishandeling). Indien sprake is van dierenmishandeling, dan wordt overgegaan op het strafrecht. Onlangs hebben medewerkers van een verzamelcentrum taakstraffen opgelegd gekregen voor het mishandelen van een koe.
Welke andere sancties zijn er opgelegd als gevolg van dierenmishandeling, die specifiek zijn gericht op het voorkomen van recidive? Welke sancties zijn daarbij specifiek gebruikt in het veetransport en op veeverzamelplaatsen, waar houdverboden vaak niet aan de orde zijn? Kunt u deze sancties kwantificeren?
Voor bijvoorbeeld het vervoeren van een rund dat niet geschikt is voor vervoer, wordt niet altijd artikel 2.1 van de Wet dieren ten laste gelegd. Ook het bestuursrecht biedt grondslagen om op te treden tegen overtredingen die worden geconstateerd rondom transport van dieren of verzamelplaatsen. Sancties hiervoor zoals het schorsen en intrekken van een erkenning of vergunning is ook gericht op het voorkomen van recidive. Vanaf 2023 heeft de NVWA vijfmaal de erkenning van een slachthuis geschorst en eenmaal ingetrokken. Ook is twee maal de erkenning van een verzamelcentrum geschorst en eenmaal ingetrokken.
Bij vervoerders is twee keer een last onder dwangsom opgelegd, twee keer een waarschuwing tot intrekken van het getuigschrift vakbekwaamheid verzonden en één keer een vervoersvergunning geschorst.
Op dit moment staan vijf verzamelcentra waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, onder verscherpt toezicht. Onderdeel van het verbeterplan dat deze verzamelcentra moesten opstellen, is de vrijwillige plaatsing van camera’s door de bedrijven.
Wordt er, na een veroordeling voor dierenmishandeling in de veehouderij, veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen standaard verscherpt toezicht door de NVWA ingesteld? Zo nee, wanneer gebeurt dit wel/niet?
Een primair bedrijf komt onder verscherpt toezicht wanneer voor het bedrijf in de afgelopen twee jaar bij vier afzonderlijke controles een rapport van bevindingen of proces verbaal is opgemaakt voor geconstateerde overtredingen. Een bedrijf kan direct onder verscherpt toezicht worden gesteld wanneer er veel en/of structurele problemen of één zeer ernstige tekortkoming op dierenwelzijn geconstateerd wordt tijdens een inspectie.
Vervoerders komen onder verscherpt toezicht wanneer een vervoerder in de afgelopen twee jaar vier ernstige overtredingen met betrekking tot dierenwelzijn heeft begaan. Slachthuizen komen direct onder verscherpt toezicht bij een zeer ernstige overtreding van het dierenwelzijn. Bij minder ernstige overtredingen zijn andere criteria van toepassing. Verzamelcentra komen onder verscherpt toezicht wanneer voor een verzamelcentrum in de afgelopen 24 maanden meer dan drie rapporten van bevindingen of processen verbaal opgemaakt zijn voor geconstateerde overtredingen.
Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: verscherpt toezicht, sancties vanuit bestuursrecht en/of strafrecht (boete, last onder dwangsom, taakstraf, (voorwaardelijke) gevangenisstraf) en het schorsen of intrekken van een vergunning of erkenning. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook direct overgegaan worden tot schorsen van een vergunning of erkenning. Dit wordt per geval bekeken.
Is het gebruikelijk dat, in gevallen, zoals in het NRC wordt genoemd, waarin sprake is van dierenmishandeling «met een sadistisch karakter», de werkzaamheden van de veroordeelden gewoon door kunnen gaan?4
In mijn antwoord op vraag 19 gaf ik aan dat bij zeer ernstige overtredingen ook direct kan worden overgegaan tot het schorsen van een erkenning. De NVWA heeft dat ook bij dit bewuste bedrijf overwogen. Uiteindelijk is bewust gekozen voor een andere aanpak, waarbij zowel via het strafrecht als het bestuursrecht gerichte maatregelen zijn genomen. Alle vijf bedrijven waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, heeft de NVWA onder verscherpt toezicht geplaatst. Deze verzamelcentra hebben allemaal een verbeterplan moeten opstellen waarmee zij de NVWA overtuigen hoe zij dierenwelzijn zullen borgen. Een concreet onderdeel van deze plannen is de vrijwillige plaatsing van camera’s door deze bedrijven, zodat verzamelcentra zelf controleren of iedereen op het verzamelcentrum zich aan het verbeterplan houdt. Tweewekelijks worden de beelden door NVWA-inspecteurs bekeken en gecontroleerd op overtredingen. Als overtredingen worden vastgesteld wordt handhavend opgetreden. Na 3 maanden wordt het verscherpt toezicht op basis van de resultaten beëindigd of verlengd.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat we sancties zo inrichten dat mensen die zich eerder schuldig hebben gemaakt aan dierenmishandeling niet de kans krijgen dit te herhalen?
Ja, die mening deel ik. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete.
Vindt u dat de huidige mogelijkheden om recidive bij dierenmishandeling in veeteelt, veetransport, slachterij en veeverzamelplaatsen te voorkomen (het houdverbod en andere maatregelen zoals stillegging en verscherpt toezicht) voldoende zijn en voldoende (kunnen) worden ingezet? Zo nee, welke extra stappen kunnen er worden gezet?
Ja.
Welke andere maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat handelaren blijven wegkomen met grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed?
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 11, is mijn inzet om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waarin een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt. Ik ben van plan het wetsvoorstel verplicht cameratoezicht verder in procedure te brengen. Voor verzamelcentra is mijn voornemen om, in lijn met het advies van de AP, cameratoezicht als tijdelijke maatregel in te zetten na geconstateerde overtredingen. Daarmee kan verscherpt toezicht effectiever worden vormgegeven. Daarnaast verwacht ik van bedrijven dat zij de camerabeelden zelf benutten om het dierenwelzijn op hun bedrijf beter te borgen. De wet overtreden mag niet lonen en waar het dierenwelzijn ernstig in het gedrang is, moeten sancties afschrikwekkend genoeg zijn. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete. Om grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed te voorkomen is, aanvullend op betere naleving vanuit de sector, ook slim en effectief toezicht nodig. Ik weet dat de NVWA daarop inzet. Voor de zomer informeer ik de Kamer over mijn visie op toezicht en handhaving (Kamerstuk 2026Z08019).
Onderschrijft u dat verzamelcentra een structureel probleem vormen voor dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Het bijeenbrengen van dieren op verzamelcentra brengt verschillende risico’s voor het dierenwelzijn met zich mee. Dit onderkent ook de EFSA in de rapporten over de effecten van diertransport van 2022, en voor melkrunderen bestemd voor de slacht heeft Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek van de NVWA (bureau) deze risicofactoren verder in kaart gebracht. Dat deze risicofactoren er zijn, zegt nog niet dat er een structureel probleem voor het dierenwelzijn bestaat. Een goede beoordeling van dieren voorafgaand aan het transport om te beoordelen of zij het geplande transport kunnen doorstaan, is essentieel. Sinds 2021 hanteert de NVWA de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer. Er zijn richtsnoeren voor varkens, paarden en volwassen runderen (Kamerstuk 28 286, nr. 1216). Deze richtsnoeren zijn opgesteld door een aantal NGO’s en Europese brancheorganisaties en bevatten criteria, op basis waarvan vastgesteld kan worden of een dier met een specifieke aandoening wel of niet geschikt is voor het voorgenomen transport. Het uniform beoordelingsprotocol voor melkvee waar op dit moment door de NVWA aan gewerkt wordt, is hier een verdere uitwerking op. Ook is – vanuit de sector – een gids voor goede praktijken in wording. Deze gids wordt nog beoordeeld door mijn departement en de NVWA en zal naar verwachting ook ondersteunend zijn bij de beoordeling van vervoersgeschiktheid van melkkoeien.
Onderschrijft u dat het huidige veehouderijsysteem ernstig en structureel lijden van dieren veroorzaakt dat ook met betere handhaving niet kan worden opgelost en dat daarom ook (fundamentele) verandering van het systeem zelf nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Via het toezicht wordt risicogericht gecontroleerd of ondernemers zich aan wet- en regelgeving houden. En als overtredingen worden geconstateerd moeten maatregelen er voor zorgen dat de naleving en daarmee het dierenwelzijn wordt bevorderd. Zoals al eerder aangegeven is het aan de houders van dieren om het dierenwelzijn te allen tijden te borgen.
Kunt u bevestigen dat de Europese Transportverordening ruimte biedt voor lidstaten om strengere maatregelen te nemen ter verbetering van het welzijn van dieren voor binnenlands transport en slacht (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
De Europese Transportverordening biedt ruimte voor lidstaten om strengere eisen aan diertransport te stellen voor transporten die geheel op het eigen grondgebied plaatsvinden. Dit geldt dus alleen voor eisen aan diertransport en niet voor eisen aan slacht.
Bent u bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden. Het verbieden van het gebruik van verzamelcentra voor nationaal transport lost niet het probleem van het vervoer van niet-transportwaardige dieren op. Door nationaal gebruik te verbieden, bewerkstellig ik ten eerste mogelijk dat dieren die normaal gesproken in Nederland zouden blijven, dan juist naar het buitenland getransporteerd worden en zo mogelijk nog langer onderweg zijn.
Een tweede mogelijk negatief neveneffect kan zijn dat een veehouder dieren die hij af wil voeren – bijvoorbeeld omdat ze minder productief geworden zijn om welke reden dan ook – op zal sparen. Tot er genoeg zijn om een (kleine) veewagen te vullen. Dieren blijven dan langer op de veehouderij, terwijl voor deze einde-carrière-dieren eerder afvoeren juist beter is. Een derde mogelijk negatief neveneffect is dat handelaren dan dieren vaker gaan verzamelen op de wagen – wat beperkt mogelijk is volgens Europese wet- en regelgeving – waardoor dieren ook mogelijk langer op de veewagen door moeten brengen dan wanneer ze via een verzamelcentrum naar de eindbestemming gaan. Een laatste mogelijkheid is dat dieren dan vaker verzameld worden op plaatsen waar dat niet is toegestaan en op deze manier aan het toezicht worden onttrokken.
Het is echt aan de bedrijven in de vleesketen zelf om te voorkomen dat niet transportwaardige dieren nog op transport gaan. Vervoerders moeten alleen dieren inladen die geschikt zijn voor transport en veehouders moeten ervoor zorgen dat zij dieren die niet transportwaardig zijn ook niet aanbieden voor transport. Dit laatste kan gedaan worden door tijdig te besluiten dat een dier het bedrijf moet verlaten, en als dit niet tijdig is voorzien, het dier op het bedrijf te laten euthanaseren.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en de NVWA van 23 april?
Jazeker.
Het bericht 'Kanye West mag Verenigd Koninkrijk niet in' |
|
Mirjam Bikker (CU), Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Verenigd Koninkrijk (VK) Kanye West (Ye) de toegang heeft geweigerd vanwege herhaaldelijke antisemitische uitlatingen en verheerlijking van Hitler?1
Bent u bekend met het feit dat deze artiest in juni een optreden in Nederland gepland heeft?
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke mogelijkheden u hebt om een buitenlandse artiest de toegang te weigeren of aanvullende voorwaarden te stellen, wanneer sprake is geweest van ernstige haatdragende of extremistische uitingen?
Bent u voornemens om in dit specifieke geval, in navolging van het VK, van deze mogelijkheden gebruik te maken en West de toegang tot Nederland te weigeren?
Zo nee, kunt u toelichten hoe het Nederlandse toetsingskader op dit punt verschilt van dat van het VK, en kunt u toelichten waarom het VK in dit geval wel tot weigering is overgegaan?
Is er voorafgaand aan het aangekondigde optreden in Arnhem contact geweest tussen het Rijk, de gemeente Arnhem, politie of andere betrokken instanties over mogelijke veiligheidsrisico’s of maatschappelijke spanningen rond dit concert?
Hoe weegt u in dit soort gevallen de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid tegenover de verantwoordelijkheid van de overheid om haatzaaien en normalisering van extremisme tegen te gaan?
Bent u bereid te bezien of het huidige juridische instrumentarium voldoende is om op te treden tegen de komst van personen die door hun gedrag of uitingen bijdragen aan antisemitisme of extremistische ideologieën, en zo nodig verbeteringen te verkennen?
Het artikel 'Wereldeconomie op de rand van afgrond door blokkade Hormuz: bijna 9 miljoen vaten per dag te weinig' |
|
Bart Bikkers (VVD), Alisha Müller (VVD) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht en hoe beoordeelt u de geschetste situatie?1
Ja
Het kabinet deelt de zorgen met betrekking tot de economische gevolgen van de verstoringen in wereldwijde energiestromen. De internationale oliemarkt staat als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten onder grote druk. De verstoring van de doorvoer via de Straat van Hormuz heeft directe gevolgen voor de beschikbaarheid en prijsvorming van ruwe olie en olieproducten. Tegen deze achtergrond heeft het kabinet besloten op te schalen naar fase 1 («alertering») van het Landelijk Crisisplan Olie. Deze fase stelt het kabinet in staat om de situatie intensiever te volgen en tijdig voorbereid te zijn op een mogelijke verdere verslechtering. De situatie wordt constant en nauwlettend gemonitord en we blijven in contact met marktpartijen, het Internationaal Energie Agentschap, de Europese Commissie en andere lidstaten voor afstemming.
Met welke concrete scenario’s houdt het kabinet momenteel rekening, aangezien het kabinet werkt aan scenario’s en maatregelen in het kader van een mogelijke energiecrisis?
Het kabinet bereidt zich goed voor, getuige de scenario's zoals geschetst in de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok.2 Deze variëren van een situatie met beperkte impact tot een scenario met ernstige verstoringen en fysieke tekorten van olie en gas.
De scenario's geven inzicht in de mogelijke gevolgen voor het energieaanbod, de economie en voor huishoudens en bedrijven en zijn gebaseerd op analyses van het Internationaal Energie Agentschap (IEA), De Nederlandsche Bank (DNB), het Centraal Planbureau (CPB), de Europese Centrale Bank (ECB), de OESO en het IMF.
Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario's, onder andere door breed maatregelen te inventariseren en uit te werken om bedrijven en huishoudens te ondersteunen en neemt hiervoor signalen uit de samenleving en uit het bedrijfsleven mee.
Deelt u de zorg van verschillende energie experts dat Nederland en Europa mogelijk op korte termijn (april/mei) met fysieke tekorten aan diesel en kerosine te maken kunnen krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet begrijpt de zorgen van energie-experts en houdt rekening met mogelijke verstoringen en de economische gevolgen daarvan. Op dit moment voorzien we, ondanks de verstoring, nog geen acuut probleem voor de leveringszekerheid van olie of olieproducten. Maar, hoe langer het conflict duurt en hoe meer energie-infrastructuur beschadigd raakt, hoe groter de impact op de prijzen en de leveringszekerheid.
Ter context, de EU is voor circa 23% van haar kerosinegebruik afhankelijk van import. Ongeveer 77% wordt gemaakt in raffinaderijen binnen de EU. Zolang voldoende ruwe olie beschikbaar blijft, kunnen raffinaderijen in de EU op gebruikelijk niveau blijven produceren. Daarnaast beschikken Nederland en andere EU-lidstaten over strategische olievoorraden. Dit dempt het onmiddellijke effect, maar is op de middellange termijn een zorg.
Bovendien is de oliemarkt mondiaal en kunnen de prijsverschillen de handel naar, maar ook uit de EU stimuleren.
Hoe bereidt u zich voor op mogelijke fysieke tekorten aan diesel en kerosine? Worden er mitigerende maatregelen bedacht voor verschillende sectoren?
Nederland en Europa beschikken over relatief grote strategische olievoorraden. Bij een gelijkblijvende verstoring van de aanvoer kunnen we met deze voorraden nog maanden vooruit. In het kader van de collectieve actie, aangekondigd door het Internationaal Energie Agentschap op 11 maart, bereidt Nederland zich voor op de inzet van een deel van deze voorraden.
Tegelijkertijd bereidt het kabinet zich voor op verschillende scenario's, inclusief situaties met dreigende schaarste of tekorten. Voor een specifieke crisis op het gebied van schaarste van olie en/of olieproducten ligt het Landelijk Crisisplan Olie (LCP-O)3 klaar. Dit plan is onderdeel van de nationale crisisbeheersingsstructuur en vastgesteld door de Tweede Kamer.4 In dit plan zijn maatregelen per escalatiefase uitgewerkt, waarbij alle relevante publieke en private actoren worden betrokken. Momenteel bevindt Nederland zich in fase 1 (alertering), waarmee de voorbereiding en coördinatie worden geïntensiveerd. Bij verdere verslechtering van de situatie kan worden opgeschaald naar fase 2 (vroegtijdige waarschuwing), fase 3 (alarmering) en uiteindelijk fase 4 (afkondiging van een oliecrisis of noodsituatie).
In de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok is een inventarisatie van mogelijke maatregelen voor een energieschok gedaan. In bijlage 2 van die brief is uiteengezet wat de sectorale doorwerking van de energieschok is.
Welke maatregelen kunt u treffen om de leveringszekerheid van diesel en kerosine te vergroten? Kan de aanvoer hiervan via alternatieve routes of bronnen worden vergroot?
Alternatieve routes of bronnen voor kerosine en diesel zijn op dit moment beperkt. Het aanbod van kerosine in de twee regio's waarvan Europa afhankelijk is, het Midden-Oosten en Azië, is op dit moment verstoord. Hetzelfde geldt, in mindere mate, voor diesel, waarvan het aanbod voor Europa gedeeltelijk verstoord is. De hogere prijzen in Europa trekken wel kerosinevolumes aan ten koste van Azië, maar dit is beperkt. Dieselvolumes worden in grotere mate uit de VS en Azië gehaald in plaats van het Midden-Oosten.
Met de opschaling naar fase 1 van het LCP-O onderstreept het kabinet dat het de ernst van de ontwikkelingen onderkent en zich voorbereidt op mogelijke verdere verstoringen. Op dit moment is er geen sprake van acute tekorten of directe ingrepen in de markt. Het kabinet monitort de ontwikkelingen continu en is voorbereid om, als de situatie daartoe aanleiding geeft, tijdig over te gaan tot verdere opschaling van het crisisniveau.
Wat zouden de economische gevolgen zijn van dergelijke tekorten, in het bijzonder voor de Nederlandse economie en voor de transport- en luchtvaartsector (zowel civiel als militair)?
In de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok is uiteengezet wat de economische gevolgen zijn van alle mogelijke scenario's van de energieschok voor de Nederlandse economie, maar ook voor specifiek de transport- en luchtvaartsector5.
Is er een mogelijkheid voor Nederlandse raffinaderijen om hun productie van kerosine te vergroten?
Momenteel draaien de raffinaderijen op gebruikelijk niveau. Er is aangegeven dat er tot eind juni geen tekort aan ruwe olie wordt verwacht om kerosine te maken. Raffinaderijen zullen altijd een mix maken van olieproducten en zullen niet overgaan op het produceren van slechts één product. Ongeveer 10% van de productie in Nederlandse raffinaderijen is kerosine. Als de prijsprikkels zodanig zijn dat het loont om meer kerosine te produceren dan zullen raffinaderijen daarvoor optimaliseren, maar dat is in de praktijk beperkt. Daarbij moet wel gezegd worden dat de flexibiliteit van raffinaderijen om van product te wijzigen naar schatting enkele procenten is, wat zou betekenen dat productie van kerosine in Nederlandse raffinaderijen zou kunnen stijgen met enkele procenten. Daarnaast is de ruimte voor optimaliseren zeer afhankelijk van de opzet van de raffinaderij en het type ruwe olie dat beschikbaar is; lichtere ruwe olie geeft bijvoorbeeld meer kerosine dan zwaardere ruwe olie.