Het bericht ‘Zorgen in gemeente Zutphen over toegankelijkheid bevolkingsonderzoek’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Zorgen in gemeente Zutphen over toegankelijkheid bevolkingsonderzoek»?1
De toegankelijkheid en deelname aan de bevolkingsonderzoeken zijn belangrijke uitgangspunten in het medische preventiebeleid. Ik begrijp de oproep tot een screeningslocatie in de nabije omgeving en de zorgen van inwoners uit Zutphen. Tegelijkertijd, is het simpelweg niet mogelijk in alle gemeenten in Nederland een unit te plaatsen voor het bevolkingsonderzoek borstkanker.
Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) maakt voor het bevolkingsonderzoek gebruik van vaste en mobiele units («bussen»). Zoals ik in mijn beantwoording2 van de vragen van de leden Vliegenthart en Bushoff (beiden GL-PvdA) van 11 december 2025 heb toegelicht, zijn de bussen bedoeld om het bevolkingsonderzoek zo goed mogelijk bereikbaar te maken, vooral in regio’s waar geen vaste screeningsunit beschikbaar is. Er worden niet minder bussen ingezet, maar BVO NL zoekt continu naar de meest efficiënte inzet en routes van de bussen, waarbij ook rekening wordt gehouden met het beschikbare personeel. Voor sommige deelnemers komt het onderzoekscentrum daardoor misschien dichter bij huis te staan dan in vorige screeningsrondes, terwijl voor anderen de locatie iets verder weg kan zijn. Dat doet niet af aan het feit dat het voor genodigden zeker vervelend is als een onderzoekslocatie verder weg komt te staan, of vervangen wordt door een vaste locatie verderop, zoals nu in Deventer. Vanwege de aanhoudende personeelstekorten is het inzetten van meer mobiele units op dit moment geen optie.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat het aantal deelnemende vrouwen aan het bevolkingsonderzoek borstkanker aanzienlijk is afgenomen sinds vrouwen uit Zutphen hiervoor naar Deventer moeten?
Ik begrijp van BVO NL dat sprake lijkt van een daling in de gemeente Zutphen. Volgens het RIVM zijn de cijfers hierover echter niet eenduidig te interpreteren. Deelname verschilt sterk tussen wijken en fluctueert gedurende een kalenderjaar, ook in de maanden dat een mobiele unit daar staat. Het is daarom moeilijk te concluderen wat de invloed van de wijziging van een onderzoekslocatie is op de deelname. Temeer omdat de keuze tot deelname aan het bevolkingsonderzoek afhankelijk is van meerdere factoren dan alleen nabijheid.
Zoals in de meest recente monitorbrief3 is toegelicht, is de algehele deelnamegraad van het bevolkingsonderzoek borstkanker in 2024 licht gedaald ten opzichte van 2022, van 66,7% in 2022 naar 65,3% in 2024. Deze dalende landelijke trend baart mij zorgen.
Het is bekend dat (grote) verschillen bestaan tussen wijken en gebieden, waarbij de deelname lager is in wijken waar meer mensen wonen met een lager inkomen. Deze verschillen wil ik zoveel mogelijk terugdringen, door deelname in deze wijken te verbeteren. Daarom is het Project Toegankelijkheid van het RIVM opgezet. Dit bestaat uit een wijkgerichte aanpak waarbij voorlichting wordt gegeven in wijken waar de opkomst bij de bevolkingsonderzoeken laag is, zodat voorlichting laagdrempeliger en beter begrijpelijk is. Ook is begin 2026 een campagne van het RIVM in samenwerking met KWF en BVO NL gestart specifiek gericht op het bereiken van mensen met lage gezondheidsvaardigheden in postcodegebieden met structureel lage deelname.
Deelt u de mening dat bevolkingsonderzoek ontzettend belangrijk is voor vrouwen om borstkanker en het daardoor veroorzaakte leed te voorkomen, levens te redden en dat nabijheid van dat onderzoek daarin een belangrijke rol speelt?
Vanzelfsprekend deel ik de mening dat het bevolkingsonderzoek borstkanker ontzettend belangrijk is voor vrouwen. Dankzij dit onderzoek worden jaarlijks duizenden vrouwen met borstkanker opgespoord, en kunnen veel borstkanker-gerelateerde stergevallen voorkomen worden. Uit de jaarlijkse monitor2 blijkt dat in 2024 bij 6.303 vrouwen borstkanker is gedetecteerd. Daarnaast laten modelleringen zien dat met het bevolkingsonderzoek borstkanker ongeveer 1300 sterfgevallen per jaar worden voorkomen.4 Ik zie daarbij ook het belang van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van het screeningsaanbod. Daarom wordt ernaar gestreefd om de bevolkingsonderzoeken zo laagdrempelig en toegankelijk mogelijk aan te bieden. Dit betekent ook dat het bevolkingsonderzoek met de mobiele units zoveel mogelijk in de nabijheid van deelnemers wordt aangeboden. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk dat sommige deelnemers verder moeten reizen, omdat de schaarse personeelscapaciteit zo efficiënt mogelijk moet worden ingezet om de gehele doelgroep goed te kunnen bedienen.
Bent u bereid om de petitie vanuit Zutphen persoonlijk te ontvangen?
Ik ben altijd bereid te luisteren naar signalen en zorgen over het screeningsaanbod, en daar waar mogelijk iets aan te doen. Tegelijkertijd roept deze petitie op tot het terugplaatsen van een mobiele unit in Zutphen, en dat is niet aan mij als Staatssecretaris maar aan BVO NL, die als uitvoerende partij primair verantwoordelijk is voor de inzet van de mobiele units. Ik heb begrepen dat op 29 januari jl. de petitie is aangeboden aan BVO NL en dat een gesprek heeft plaatsgevonden met de aanbieders van de petitie. Ik ga ervan uit dat BVO NL dit signaal serieus meeneemt in de afwegingen om het bevolkingsonderzoek zo goed mogelijk te organiseren voor de gehele doelgroep.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat het weer mogelijk wordt om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek borstkanker in Zutphen zelf? Zo ja, hoe gaat u dit regelen? Zo nee, hoe bent u dan van plan om de dalende trend aan deelname te keren?
BVO NL weegt de inzet van de mobiele units continu en zorgvuldig af op basis van onder andere het uitnodigingsinterval, de reisafstand voor deelnemers en personele beschikbaarheid. Het doel hiervan is om steeds zo effectief mogelijk de schaarse capaciteit te benutten en de gehele doelgroep zo goed mogelijk te bedienen. Het is aan BVO NL om te beslissen waar de mobiele units precies ingezet worden.
Om ook in de toekomst een toegankelijk aanbod van bevolkingsonderzoeken te kunnen blijven bieden, is in samenwerking met het RIVM de ontwikkelagenda bevolkingsonderzoek opgesteld.5 In deze agenda zijn ambities en prioriteiten richting 2035 vastgelegd, waaronder het verlagen van drempels tot deelname. Toegankelijkheid vormt een centraal uitgangspunt van deze agenda. Daarnaast lopen er verschillende initiatieven om de informatievoorziening beter te laten aansluiten in postcodegebieden met een lage deelname, zoals genoemd in het antwoord op vraag 2. Het is belangrijk dat mensen een goedgeïnformeerde keuze kunnen maken over wel of geen deelname aan de bevolkingsonderzoeken, het blijft immers altijd een eigen keuze om al dan niet deel te nemen.
Het bericht dat bonden vrezen voor de toekomst van de DE-fabriek in Utrecht |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bonden vrezen voor toekomst van DE-fabriek in Utrecht»1 van maandag 26 januari 2026?
Ja.
Deelt u de zorgen van de vakbonden dan de aangekondigde overname kan zorgen voor een groter baanverlies bij de fabriek in Utrecht? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Of er reden is tot zorg over een groter baanverlies bij de fabriek in Utrecht is op basis van de verklaring van het bedrijf nog niet duidelijk.
Natuurlijk is het voor de werknemers van de fabriek moeilijk dat nog onzeker is wat de overname voor hen persoonlijk betekent en is begrijpelijk dat zij zich zorgen maken.
Welke stappen richting Keurig Dr Pepper (KDP) heeft u genomen sinds u heeft vernomen dat in de fabriek in Utrecht 84 van de 2.000 banen verdwijnen?
Dat is niet aan de orde. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever en Keurig Dr Pepper, na overname de nieuwe eigenaar, om met elkaar afspraken te maken over de gevolgen voor de werknemers die het betreft en een eventueel sociaal plan voor deze werknemers.
Heeft u sinds de aangekondigde overname van KDP gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van KDP over het voorbestaan van de fabriek in Utrecht? Zo ja, wat heeft u tijdens deze gesprekken besproken? Zo nee, waarom niet?
Het voeren van gesprekken over de plannen voor de fabriek is aan de nieuwe eigenaar en de vakbonden. Daar heb ik geen rol in.
Deelt u de stelling van de vakbonden dat sinds de overname cruciale vragen over de financiering en de gevolgen voor de locaties in Nederland onbeantwoord zijn gebleven? Zo ja, gaat u hierover met KDP in gesprek? Zo nee, waar baseert u dit op?
Bent u het ermee eens dat de DE-fabriek in Utrecht erg belangrijk is voor de werkgelegenheid in de regio? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De DE-fabriek in Utrecht zorgt met 2000 banen voor aanzienlijke werkgelegenheid in de regio. Toch is de regio daar niet in grote mate van afhankelijk. De arbeidsmarkt in de regio Midden-Utrecht is zeer krap met 5,5 keer zoveel vacatures als kortdurend werkzoekenden (bron: Regio in beeld van UWV d.d. 3 november 2025).
Bent u het ermee eens dat een buitenlandse overname van een Nederlandse fabriek niet zomaar mag leiden tot sluiting of groot baanverlies in deze fabriek? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de eigenaar – ook bij een buitenlandse overname – om te besluiten bedrijfsonderdelen wel of niet open te houden. Als de werkgever bij sluiting of verlies van arbeidsplaatsen werknemers wil ontslaan kan dat niet zomaar. De werkgever is gebonden aan de regels uit het ontslagrecht.
Wat doet u om de werkgelegenheid in de regio te bewaken?
Om er voor te zorgen dat werkgevers in de regio blijven is het belangrijk dat zij werknemers kunnen vinden voor hun vacatures. Bij de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn maatregelen genomen om de toeleiding van werkloos en met werkloosheid bedreigde werkzoekenden naar (ander) werk beter te organiseren.
Ziet u, net als bij de DE-fabriek in Utrecht, ook voor andere bedrijven in de regio het risico dat ze worden opgekocht door private equity en hun voortbestaan daardoor in gevaar kan komen?
Dat kan ik niet inschatten omdat bedrijfsovernames in het private domein plaatsvinden. De gesprekken daarover zijn doorgaans vertrouwelijk.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Conform uw verzoek zijn de vragen één voor één beantwoord.
Het bericht 'Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis», en de daarin geschetste ontwikkelingen in de drugssmokkel?1
Kunt u toelichten welke exacte kilo-cijfers de Douane in 2025 heeft gerapporteerd voor onderschepte cocaïne en cannabis, en hoe deze cijfers zich verhouden tot die van 2024 en 2023?
Kunt u aangeven welke achterliggende oorzaken u ziet voor de sterke toename van cannabisonderscheppingen in 2025, en in hoeverre de legalisatie van cannabis in landen als Canada, de Verenigde Staten en Thailand hieraan heeft bijgedragen?
Welke maatregelen neemt u in 2026 om de gesignaleerde toename van cannabissmokkel vanuit legaal producerende landen tegen te gaan, en hoe worden deze maatregelen afgestemd met de betrokken producentenlanden?
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste smokkelroutes die door de Douane en opsporingsdiensten zijn vastgesteld voor cocaïne en cannabis, en wat de belangrijkste veranderingen zijn ten opzichte van voorgaande jaren?
Welke internationale samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld met Canada, de Verenigde Staten, Thailand en EU-partners) zijn er momenteel gericht op het tegengaan van cannabis- en cocaïnesmokkel, en wat is het concrete effect van deze samenwerkingen tot nu toe?
In hoeverre duidt de daling van cocaïneonderscheppingen in 2025 volgens u op veranderingen in smokkelmethoden en -routes door criminele netwerken, en welke concrete aanwijzingen heeft u dat deze netwerken hun werkwijze hebben aangepast?
Welke nieuwe smokkelmethoden (zoals drop-offs op zee of het verbergen van drugs in reguliere handelsgoederen) zijn in 2025 door de Douane waargenomen, en welke risicoanalyse is daarop gemaakt?
Kunt u reageren op de constatering dat Nederland steeds vaker fungeert als doorvoerland naar Europa voor cannabis die legaal is geproduceerd in landen waar wietteelt is toegestaan en welke beleidsopties worden onderzocht om dit tegen te gaan?
Welke veranderingen in prioritering en strafmaat acht u noodzakelijk bij de aanpak van cannabissmokkel, gezien de lagere straffen en de mogelijke verschuiving van criminele netwerken van cocaïne naar cannabis?
Kunt u aangeven in hoeverre de daling van de onderschepte hoeveelheid cocaïne in 2025 (mede) het gevolg kan zijn van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel, en bestaat het risico dat er evenveel cocaïne Nederland binnenkomt maar deze minder vaak wordt onderschept?
De overname van containercapaciteit in de Rotterdamse haven naar aanleiding van een bericht in Hollands Welvaren van 23 januari 2026 |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Trump en Xi spelen Risk met de Rotterdamse haven – en wij willen niet meespelen» in Hollands Welvaren?1
Bent u op de hoogte van onderhandelingen tussen Amerikaanse- en Chinese bedrijven en overheid over de eigendomssituatie van Rotterdamse containerterminals?
Wat is de huidige stand van zaken rond de onderhandeling en mogelijke overname van de containerterminals in de Rotterdamse haven door buitenlandse partijen?
Welke rol speelt de Nederlandse overheid op dit moment bij het waarborgen van nationale en Europese economische belangen in de Rotterdamse haven?
Wat zijn de mogelijke economische risico’s voor Nederland bij een overname van de Rotterdamse containerterminals door Cosco, inclusief vetorecht?
Is er een risicoanalyse uitgevoerd over wat een dergelijke overname zou betekenen voor de Nederlandse economische weerbaarheid en veiligheid?
In hoeverre zijn er wettelijke instrumenten (zoals de Wet Vifo (Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames)), die kunnen worden ingezet om kritische haveninfrastructuur te beschermen en bent u bereid die toe te passen of de toepassing voor te bereiden?
Heeft u overleg met de Europese Commissie over de gevolgen van deze overname – en met deze deal mogelijke andere in Europa – en stappen die Nederland, al dan niet, in Europees verband kan zetten?
De militaire campagnes van Syrische regeringstroepen tegen Koerden |
|
Derk Boswijk (CDA), Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de militaire campagne door troepen van de Syrische overgangsregering tegen de Democratische Autonome Administratie van Noord- en Oost-Syrië en van de totale blokkade van de stad Kobani?1
Het kabinet is bekend met berichtgeving over de recente gevechten tussen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) in noordoost-Syrië en ook met de meldingen over beperkingen van toegang tot de stad Kobani. Door de gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in het noordoosten van Syrië, zijn sinds 6 januari 157.500 mensen ontheemd geraakt en is, met name in Kobani, de toegang tot onder meer water, voedsel en elektriciteit beperkt geweest.
Op 30 januari jl. tekenden de Syrische overgangsregering en de SDF een overeenkomst, waarin onder andere een permanent staakt-het-vuren is vastgelegd. Het kabinet verwelkomt deze ontwikkeling en stelt vast dat de situatie in noordoost-Syrië sindsdien relatief stabiel is.
Specifiek ten aanzien van Kobani beschikt het kabinet niet over indicaties dat er nu sprake is van een totale blokkade. Sinds 25 januari bereiken humanitaire konvooien van VN-organisaties, internationale- en lokale- ngo’s Kobani, Qamishli en Al-Hasakah via drie humanitaire corridors. Volgens de VN zijn op 25 januari en 2 februari jl. respectievelijk 24 en 23 vrachtwagens met hulpmiddelen in Kobani aangekomen. Het is wel van belang dat de hulp verder wordt opgeschaald; de beperkte humanitaire middelen en volatiele situatie zorgen er voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Kwalificeert het kabinet het volledig afsluiten van een bevolking van water, elektriciteit en internet als een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht verbiedt het uithongeren van burgers en het collectief straffen van de burgerbevolking. Het opzettelijk onthouden van essentiële goederen kan, afhankelijk van de context een ernstige schending van het humanitair oorlogsrecht vormen.
Het opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door deze voorzieningen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor overleving, waaronder het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen zoals voorzien in de Verdragen van Genève, is een oorlogsmisdrijf.
Voor een beoordeling of er sprake is van schending van het humanitair oorlogsrecht óf een oorlogsmisdrijf is het nodig alle feiten en omstandigheden te kennen. Het kabinet roept op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.
Op welke manier oefent het kabinet, eventueel in samenwerking met de Europese Unie (EU), druk uit op de Syrische regering om de blokkade van Kobani en de gewapende strijd tegen de Koerden onmiddellijk te stoppen?
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag één, stelt het kabinet op dit moment niet vast dat sprake is van een volledige blokkade. De beperkte humanitaire middelen en volatiele situatie zorgen er echter voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom bij de Syrische autoriteiten voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Hoe beoordeelt u de recente acties van de Syrische overgangsregering en de aan haar gelieerde milities ten aanzien van de Syrian Democratic Forces in Noord-Syrië?
Het kabinet heeft de recente ontwikkelingen tussen de Syrische overgangsregering en de SDF nauwgezet en met zorg gevolgd. Duidelijk is dat de twee partijen, na het tekenen van de overeenkomst van 10 maart 2025 waarin een inclusieve en duurzame integratie van de SDF en SDF-gebieden in de Syrische staat is overeengekomen, het niet eens konden worden over de praktische implementatie van deze overeenkomst op een aantal punten. Sinds die tijd is regelmatig sprake geweest van vijandelijkheden tussen de twee partijen. Op basis van de vele tegenstrijdige berichten en de moeilijkheden om berichtgeving te kunnen verifiëren, is het lastig om vast te stellen wie hierbij welke verantwoordelijkheid draagt. Uit berichtgeving komt het beeld naar voren dat sprake is van schendingen van het internationaal recht door beide partijen, waarvan ernst en schaal vooralsnog onduidelijk blijven, afgezien van niet geverifieerde berichten over individuele gevallen.
Maakt het kabinet zich zorgen over mogelijke slachtpartij tegen Koerden, na de gebeurtenissen in Suweida tegen Druzen en in de kustregio tegen Alawieten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn er geen indicaties dat sprake is van een reëel risico op systematisch of grootschalig geweld gericht op de Koerdische bevolking. In de eerste plaats omdat ook bij de recente gevechten in Aleppo en andere delen van noordoost Syrië hier geen sprake van is geweest. Anderzijds omdat van een gewapend conflict op dit moment geen sprake is en, sinds de overeenkomst van 30 januari jl., de eerste stappen worden gezet naar een duurzame en vreedzame oplossing en integratie van het noordoosten in de Syrische staat. Onderdeel hiervan is dat beide partijen zich hebben teruggetrokken van militaire posities en alleen sprake is van beperkte aanwezigheid van politie- en veiligheidsdiensten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Syrische overgangsregering in steden als Hasakeh en Qamishli.
Kan het kabinet bevestigen dat Turkije een actieve rol speelt bij de militaire campagne tegen de Koerden, onder meer door financiering en opleiding van de Syrische strijdkrachten en het gebruik van drones bij ernstige mensenrechtenschendingen, alsook het uitoefenen van diplomatieke druk?
In algemene zin is bekend dat de Syrische overgangsregering en Turkse autoriteiten nauwe banden met elkaar onderhouden. Zo sloten de twee landen in augustus 2025 een defensieovereenkomst, gericht op onder meer training en capaciteitsopbouw. Het kabinet heeft geen indicaties dat Turkije direct betrokken is geweest bij de gebeurtenissen in Aleppo van begin januari. Datzelfde geldt voor de gebeurtenissen in Noordoost-Syrië later die maand. Mediaberichten over Turkse droneaanvallen in Noordoost-Syrië kan het kabinet in dit kader niet bevestigen.
Is het kabinet ervan op de hoogte dat het Syrische leger jihadistische elementen, voormalige ISIS en Al Qaeda strijders bevat en er inmiddels voldoende bewijzen zijn dat onderdelen van het leger en aan Damascus gelieerde milities zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen? Zo nee, op welke manier vergaart het kabinet informatie over de situatie in Syrië?
Het kabinet is zich bewust van de achtergrond van verschillende groepen en individuen die actief zijn in Syrië en van zorgwekkende berichten over mensenrechtenschendingen, zoals bijvoorbeeld begaan in maart 2025 in Latakia en in juli 2025 in Sweida. Ten aanzien van het geweld in Latakia hebben zowel het nationale, Syrische onderzoeks-comité als de Commission of Inquiry (CoI) vastgesteld dat sprake is geweest van mensenrechtenschendingen door zowel groeperingen gelinkt aan voormalig president Assad, als van zijde van het leger van de Syrische overgangsautoriteiten en daaraan gelieerde gewapende groeperingen. Het nationale onderzoeks-comité heeft hierbij 563 verdachten vastgesteld. Sinds november lopen de eerste rechtszaken naar aanleiding van de bevindingen. De onderzoeken van een nationaal onderzoek comité en de CoI naar de gewelddadigheden in Sweida lopen op dit moment nog. Het kabinet volgt de ontwikkelingen ten aanzien van de onderzoeksuitkomsten en de opvolging van de aanbevelingen daaruit nauwgezet.
Erkent het kabinet de belangrijke rol die de Koerdische strijdkrachten hebben gespeeld bij het verslaan van ISIS en het ontmantelen van het IS kalifaat, en het bewaken van 9.000 IS gevangenen? Zo ja, voelt het kabinet dan ook de verplichting om nu de Koerden bij te staan?
Het kabinet erkent de belangrijke rol die de SDF heeft gespeeld in de strijd tegen IS en bij het beveiligen van detentiefaciliteiten. Deze inzet heeft bijgedragen aan de internationale veiligheid.
Het kabinet blijft zich inzetten voor een stabiel en veilig Syrië, waarin de rechten van alle Syrische gemeenschappen, waaronder die van de Koerden, geborgd zijn. Eveneens ondersteunt het kabinet de inclusieve, politieke transitie en integratie van de SDF en de SDF-gebieden in de Syrische staat, waartoe de SDF zich op 10 maart 2025 – en opnieuw op 30 januari jl. – heeft gecommitteerd.
Hoe beoordeelt het kabinet de veiligheidssituatie nu een aantal IS-gevangenissen zijn overgenomen door het Syrische leger en ook honderden IS-strijders lijken te zijn ontsnapt/bevrijd? Op welke manier vormt dit een veiligheidsrisico voor Nederland?
Het is bekend dat er individuen uit kampen en detentiefaciliteiten zijn ontsnapt waarin zich aan IS-gelieerde personen bevinden en dat een deel van hen inmiddels ook opnieuw opgepakt is. Gezien de onoverzichtelijke situatie in noordoost-Syrië en de grote hoeveelheid aan tegenstrijdige berichten kan er geen zekerheid gegeven worden over exacte aantallen.
Met alle betrokken nationale en internationale partners houdt het kabinet de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. In het bijzonder gaat het om de situatie in de opvangkampen en detentiecentra en welke gevolgen de recente gebeurtenissen kunnen hebben voor de nationale veiligheid. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op basis daarvan maatregelen te treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart.
Deelt het kabinet de mening dat het verankeren van autonomie, erkenning van culturele en politieke rechten in de nieuwe Syrische Grondwet voor Koerden en andere minderheden in Syrië essentieel zijn om vrede te bewaren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat duurzame vrede in Syrië alleen mogelijk is via een inclusieve politieke transitie waarin de rechten, veiligheid en vertegenwoordiging van alle Syrische gemeenschappen worden geborgd.
In de Koerdische regio Rojava worden de rechten van vrouwen gewaarborgd en is er in het bestuur en de rechtspraak sprake van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, welke concrete stappen neemt het kabinet om deze gelijkwaardigheid te beschermen?
Nederland zet zich wereldwijd in voor gendergelijkheid en vrouwenrechten, onder meer via het FOCUS-instrument en steun aan maatschappelijke organisaties. Deze inzet geldt ook voor Syrië, waarbij specifiek aandacht is voor de positie van vrouwen in conflict- en postconflictsituaties.
Welke invloed heeft het recente handelen van de Syrische autoriteiten op eventuele normalisatie van relaties tussen Syrië enerzijds, en Nederland en de EU anderzijds?
De mate waarin de Syrische overgangsautoriteiten hun beloften blijken na te komen ten aanzien van een inclusieve politieke transitie en borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, vormen een belangrijk onderdeel in de eventuele normalisatie van relaties.
Op welke manier levert het kabinet druk uit binnen de EU om de voorwaarden voor hulpgelden streng na te leven? En vindt het kabinet dat de voorwaarden op dit moment door het Syrische regime voldoende worden nageleefd?
In EU-verband onderstreept het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder2, dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen te worden en dat voorwaarden voor steun streng nageleefd moeten worden. Bij de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl. heeft het kabinet dit punt wederom uitgedragen.3 Ook blijft het essentieel dat financiële EU-steun gepaard gaat met adequate monitorings- en evaluatiemechanismen, iets waar het kabinet consequent voor pleit, ook ten aanzien van programmering in Syrië.
Op dit moment ziet het kabinet de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda presenteren die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden. Het kabinet verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president al-Sharaa getekende decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden het burgerschap toegekend zal worden.
Op basis hiervan concludeert het kabinet op dit moment dat de Syrische overgangsregering de vastgestelde voorwaarden ten aanzien van de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen voldoende naleeft. Tegelijkertijd blijft het kabinet het handelen van de Syrische overgangsregering nauwgezet monitoren, ook in het kader van EU-steun. Het gaat dan ook om belangrijke eerste stappen. Het kabinet benadrukt dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende aandacht en concrete uitvoering vergen. De ontwikkelingen op dit gebied worden dan ook nauwgezet gevolgd.
Op welke manier heeft u de aangenomen motie Piri uitgevoerd, die het kabinet verzocht in alle contacten met Syrische autoriteiten aan te blijven dringen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdaden en de bescherming van minderheden?2
Het kabinet heeft in bilaterale en multilaterale contacten consequent aangedrongen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdrijven en bescherming van alle Syrische gemeenschappen. Daarnaast ondersteunt Nederland actief VN-mechanismen die zich hierop richten, waaronder het OHCHR-landenkantoor in Damascus, de Commission of Inquiry (CoI) en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM). Ook zet Nederland zich gericht in op de bescherming van religieuze minderheden, waaronder in Syrië. via het beleidskader FOCUS binnen het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» (2026–2031)
In het licht van alle aanvallen tegen minderheden, waarom heeft u besloten om geen aanvullende middelen vrij te maken voor het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten, waar de aangenomen motie Piri c.s. om verzocht?3 Bent u bereid uw besluit te herzien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet maakt bij financiering afwegingen op basis van effectiviteit, complementariteit en aansluiting bij bestaande internationale mechanismen. Nederland levert reeds een substantiële bijdrage aan VN- en andere internationale onderzoeksmechanismen. Momenteel worden mogelijkheden verkend om de inzet verder te versterken, waarbij de focus ligt op het voortzetten en verdiepen van bestaande, langdurige partnerschappen, in het bijzonder met de VN-bewijzenbank IIIM, en niet op het aangaan van nieuwe partnerschappen met Ngo’s. Gezien de beperkte financiële ruimte is er, naast de lopende steun aan mensenrechtenorganisaties, op dit moment geen ruimte voor aanvullende Nederlandse financiële steun aan het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten. Het kabinet ziet daarom geen aanleiding het besluit te herzien.
Wat vindt u van het einde van de Amerikaanse steun aan de Koerden, na vijftien jaar bondgenootschap in de strijd tegen IS?
Het is aan de Verenigde Staten om hun buitenlands beleid vorm te geven. Het kabinet onderstreept het belang van internationale betrokkenheid bij stabiliteit in noordoost-Syrië en blijft hierover in gesprek met partners.
Heeft u in de afgelopen weken contact gehad met de Koerdische diaspora in Nederland en geluisterd naar hun zorgen? Zo nee, bent u bereid dat te doen?
Het ministerie onderhoudt doorlopend contact met Syrische gemeenschappen en diaspora in Nederland, waaronder vertegenwoordigers van de Koerdische gemeenschap. Het kabinet blijft bereid deze zorgen aan te horen en mee te nemen in beleidsvorming.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Grote gemeentes bezorgd over huisvesting vrijgekomen gevangenen' |
|
Fatihya Abdi (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arno Rutte (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van 58 wethouders uit 47 gemeenten over de concept-ministeriële regeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting? Herkent u hun zorg dat huisvesting voor mensen die uitstromen uit gevangenissen, opvanglocaties en jeugdzorginstellingen, straks geregeld moet worden door de gemeente waar die instelling staat?1
Herkent u het beeld dat het voor het herstel van mensen die uitstromen uit deze voorzieningen doorgaans goed is dat zij dit kunnen doen in de regio waar zij vandaan komen, omdat daar vaak het eigen sociale netwerk zit?
Hoe rijmt u het beleidsvoornemen om de huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren door de regio waar de instelling staat, in plaats van waar de uitstromers vandaan komen, met het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet en het Bestuurlijk akkoord Re-integratie van (ex-) gedetineerde burgers (paragraaf 5, lid 1)?2
Herinnert u zich dat het woonplaatsbeginsel er enkele jaren geleden juist is gekomen om duidelijkheid te geven over de verantwoordelijkheid van gemeenten, en problemen op te lossen? Hoe voorkomt u dat dit weer zorgt voor nieuwe problemen?
Kent u de fair shareafspraken die veel regio’s hebben gemaakt over de huisvesting van uitstromers op basis van het aantal uitstromers en het uitgangspunt «terugkeer naar herkomst binnen de regio»? Hoe kijkt u in dit verband naar het voorgenomen beleid, waardoor regio's opnieuw afspraken moeten maken? Hoe rijmt u dit met het feit dat huisvesting in de regio van herkomst het beste is, en ook altijd uitgangspunt van beleid is geweest?
Hoort u het signaal dat gemeenten afgeven ten aanzien van de druk die met dit beleidsvoornemen wordt gelegd op de toekomstige totstandkomingen van bovenregionale voorzieningen? Hoe voorkomt u dat er een nog grotere druk komt op regio's met veel voorzieningen met betrekking tot de uitstroom en huisvesting van bijzondere doelgroepen?
Klopt het dat van alle gedetineerden (circa 1.100 mensen) in de penitentiaire inrichting (PI) in regio Noordoost-Brabant (NOB) meer dan 90% bovenregionaal is? En dat dit zou betekenen dat deze regio komende jaren bijna 1.000 mensen extra zal moeten huisvesten? Hoe kijkt u naar het feit dat regio's met grotere bovenregionale voorzieningen extra hard worden geraakt door dit beleidsvoornemen, omdat zij nu een grote groep extra mensen zal moeten huisvesten?
Herkent u het beeld dat veel regio's met grote instellingen juist koploper zijn in het huisvesten van kwetsbare groepen? En dat juist deze regio’s een hoger percentage hanteren dan het Rijk vraagt (15%) ten aanzien van het toewijzen van sociale huurwoningen aan bijzondere doelgroepen, zoals de regio Noordoost-Brabant die 30% hanteert? Deelt u de verwachting dat, door een extra bovenregionale opgave voor deze regio’s, alle bijzondere doelgroepen langer moeten wachten op een woning? Deelt u onze mening dat het onwenselijk is dat juist regio's die vooroplopen in het aanpakken van dakloosheid en het helpen van mensen in kwetsbare posities, extra hard worden geraakt door dit voornemen? En dat er bovendien een prikkel verdwijnt voor andere regio's om ook een hoger toewijzingspercentage te hanteren?
Hoe voorkomt u dat door dit voornemen mensen uit kwetsbare groepen nog sneller dakloos raken?
Bent u bereid om dit artikel te herzien, zodat ook de uitvoering van het wetsvoorstel in lijn is met het woonplaatsbeginsel dat o.a. in de Jeugdwet is geformuleerd? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om bestuurlijk met de schrijvende gemeenten in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, voor de verdere behandeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting?
Ontvoeringen bij kerkdiensten in Nigeria |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen mensen ontvoerd bij kerkdiensten in Nigeria»?1
Wat is uw beeld van het motief van deze ontvoeringen? Waren de bandieten in Kaduna primair uit op losgeld of speelde religie hier ook een belangrijke rol? Worden de ontvoerders in verband gebracht met Boko Haram?
In hoeverre wordt in de bilaterale relatie met onze belangrijkste handelspartner in Afrika aandacht besteed aan de straffeloosheid van daders van geweld en intimidatie tegen christenen?
Nederland zet zich in bilateraal verband steevast in tegen straffeloosheid en voor de bescherming van religieuze minderheden in Nigeria en zal dat blijven doen. Deze zorgen zijn in 2025 meermaals overgebracht aan de Nigeriaanse overheid, onder meer tijdens de jaarlijkse bilaterale consultaties in november, in het gesprek tussen de Minister-President en de president van Nigeria in augustus en tijdens het bezoek van de mensenrechtenambassadeur aan Nigeria in mei. Ook in een recent bezoek van de Sahelgezant in januari 2026 werd hier met meerdere partners over gesproken. Nigeria geeft aan dat het werk maakt van de opsporing en vervolging van daders. Recente succesvolle acties van het leger tegen Boko Haram getuigen hiervan. Ook geeft het Nigeriaanse Nationale Centrum voor Antiterrorisme aan dat 5000 terroristen in voorarrest zitten, en rechtszaken in 84 procent van de gevallen tot veroordelingen leiden.
Ziet u mogelijkheden om daarbij expliciet te bevorderen dat de overheid, getroffen gemeenschappen en maatschappelijke organisaties in Nigeria de ruimte ervaren om een beroep te doen op Nederlandse ondersteuning en beschikbare middelen?
Nederland is een van de grootste donoren in Nigeria op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging en heeft tussen 2021 en 2025 op dit thema ruim EUR 7 miljoen ingezet in Nigeria. Middels interreligieuze dialoog en samenwerking zijn er binnen deze programmering duurzame resultaten behaald op gebied van conflictpreventie. Binnen het nieuwe FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» is voor de periode 2026–2.031 EUR 35 miljoen gereserveerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd. Dit instrument richt zich onder meer op Nigeria en heeft als doel de vrijheid van religie en levensovertuiging te versterken, religieuze minderheden te beschermen en lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen. Ook ondersteunt Nederland Nigeria in het beschermen van burgers en bestrijden van terrorisme met de Regional Stabilisation Facility (RSF), en via de EU Multinational Joint Task Force, beide actief in onder andere de Tsjaad-meer regio waar Boko Haram actief is. Nederland droeg tussen 2019 en 2.025 EUR 15,5 mln bij aan de RSF.
Hoe wordt Nederlandse steun (via multilaterale kanalen) aan Nigeria zodanig ingezet dat kwetsbare groepen beschermd worden en humanitaire hulp veilig kan worden geleverd, ook in gebieden waar terroristische groeperingen actief zijn?
Nederland ondersteunt humanitaire partnerorganisaties – VN-organisaties en fondsen, het Rode Kruis en de Rode Halve Maan, en de Dutch Relief Alliance – met meerjarige flexibele financiering. Dit geeft hen de ruimte om op een veilige manier middelen in te zetten waar en wanneer ze het meest nodig zijn. UNICEF, UNHCR en het Rode Kruis, in samenwerking met lokale hulpdiensten, waren onder meer betrokken bij het verlenen van humanitaire hulp na recente aanvallen in noord en centraal Nigeria.
Via de EU worden meerdere programma’s op conflictresolutie en -preventie in het midden en noordoosten en westen van het land gefinancierd ter waarde van EUR 150 miljoen tussen 2021–2027.3 Het verbeteren van toegang tot rechtspraak voor kwetsbare groepen is een van de pijlers. Daarnaast heeft de EU onlangs een bedrag van EUR 557 miljoen toegezegd aan humanitaire hulp voor West- en Centraal Afrika voor 2026, met noordwest-Nigeria als een van de focusregio’s.
Ziet u mogelijkheden om bij te dragen aan veilige terugkeer van getroffen gemeenschappen?
Zie antwoorden op vraag 4 en 5. Nederland draagt hieraan bij binnen de bestaande programma’s en humanitaire fondsen.
Deelt u de opvatting dat Nigeriaanse deelstaten voor hun veiligheid grotendeels afhankelijk zijn van federale inzet, en hoe beoordeelt u de gevolgen van deze centrale aansturing voor de effectieve aanpak van geweld en vervolging van christenen?
De Nigeriaanse veiligheidsdiensten zijn inderdaad centraal georganiseerd. Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de Nigeriaanse staatsinrichting. Nederland en andere EU-lidstaten ondersteunen Nigeria waar nodig en mogelijk bij de aanpak van geweld en vervolging van christenen.
De druk van expats op de woningmarkt |
|
Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Eindhovens Dagblad waarin valt te lezen dat op de particuliere woningmarkt expats meestal winnen van starters die hier zijn geboren en getogen, vanwege ruimere salarissen en fiscale voordelen?1
Kunt u per gemeente binnen de G4 en G40 aangeven wat het totale aandeel van expats is binnen de middenhuur en vrijesectorhuur? Kunt u daarbij aangeven welke definitie van expat wordt gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
Kunt u per gemeente binnen de G4 en G40 aangeven welk percentage van de jaarlijks vrijkomende middenhuurwoningen en vrijesectorhuurwoningen wordt verhuurd aan expats? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen heeft u momenteel tot uw beschikking om het gebruik van middenhuurwoningen, vrijesectorhuurwoningen en koopwoningen door expats te beperken, en bent u bereid aanvullende maatregelen te onderzoeken of voor te stellen om de positie van Nederlandse starters ten opzichte van expats te verbeteren?
Heeft u inzichtelijk welke effecten expats precies hebben op de hoogte van huizenprijzen (zowel huur, als koop) op korte en lange termijn, waaronder in regio’s zoals de regio Brainport Eindhoven en Groot Amsterdam? Zo ja, kunt u deze informatie met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te laten verrichten?
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
Het wegvallen van de toegang tot het digitale betalingsverkeer voor de coffeeshopsector. |
|
Joost Sneller (D66), Nathalie van Berkel (D66) |
|
Bruijn , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Paniek in de coffeeshop: kan de cannabis straks niet meer gepind?» en kunt u bevestigen dat het voor ondernemers in deze sector momenteel onmogelijk is geworden om bij een in Nederland gevestigde betaaldienstverlener een nieuw contract af te sluiten?1
Ik ben bekend met het artikel. Het is bekend dat het voor coffeeshops soms moeilijk is om deel te nemen aan het betalingsverkeer via pin en dat zij soms hiervoor worden afgewezen door betaaldienstverleners. Maar de betalingsverkeerketen bestaat uit meerdere partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat legitieme, belastingbetalende ondernemers zelfs bij minieme wijzigingen in hun bedrijfsvoering, zoals een noodzakelijke rechtsvormwijziging, hun bestaande bankrelatie verliezen en nergens anders terecht kunnen?
De afgelopen periode heb ik mij ervoor hard gemaakt om de toegang tot het betalingsverkeer voor ondernemers te verbeteren.2 In de casus uit het artikel gaat het om het opzeggen van bestaande pincontracten tussen coffeeshops en de betaaldienstverlener CCV. Het gaat niet om een bankrelatie. Volgens het artikel beëindigt CCV deze contracten omdat het aanbieden van pinbetalingen aan coffeeshops als te risicovol wordt aangemerkt. Ik heb geen signalen dat dit samenhangt met bijvoorbeeld een rechtsvormwijziging.
Het blijkt niet dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft. Op grond van de Wwft moeten poortwachters, waaronder betaaldienstverleners en banken, op individuele basis cliëntenonderzoek doen en een risicobeoordeling maken. Indien zij een witwasrisico constateren dan dienen zij mitigerende maatregelen te nemen. Hierbij mag er geen sprake zijn van categorale uitsluiting. Bepaalde sectoren mogen niet bij voorbaat worden uitgesloten vanwege een hoger risico. Dat betekent dat ook bonafide coffeeshops toegang moeten hebben tot het betalingsverkeer.
CCV stelt dat dit besluit een eigen afweging is. Het is bekend dat internationale bedrijven zoals Visa en Mastercard, via wier netwerken de pinbetalingen lopen, eigen voorwaarden stellen aan het gebruik van hun netwerken. Deze voorwaarden kunnen doorwerken in de wijze waarop betaaldienstverleners hun dienstverlening en risicobeleid inrichten.
Van de Betaalvereniging Nederland begrijp ik dat ondernemers in deze specifieke sector nog steeds keuzevrijheid ten aanzien van aanbieders van pincontracten hebben en dat het daarmee nog steeds mogelijk is om pinbetalingen aan te bieden. Ik ga desalniettemin in gesprek met Mastercard en Visa om duidelijkheid te krijgen over het probleem en kijken naar een oplossing.
Ziet u in deze beweging een bevestiging dat er sprake is van de facto categorale uitsluiting van een hele sector?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe rijmt u de ogenschijnlijke categorale uitsluiting met de wettelijke plicht van financiële instellingen om een individuele risico-afweging te maken op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals deze plicht eerder werd bevestigd door de Minister van Financiën?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten hoe het kan dat de situatie achteruit lijkt te gaan?
Coffeeshops hebben de afgelopen jaren problemen gehad om deel te (blijven) nemen aan het betalingsverkeer. Dit heeft verschillende oorzaken. Zoals hierboven aangegeven lijkt het niet zo te zijn dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft, waar bij eerdere signalen sprake van was. De oorzaak lijkt te liggen in de eigen voorwaarden van internationale ondernemingen in het betalingsverkeer. Met die ondernemingen ga ik in gesprek over hun beleid.
Erkent u dat de doelstellingen van de Wwft (het voorkomen van witwassen) juist worden ondermijnd wanneer een sector collectief uit de gereguleerde financiële infrastructuur wordt geduwd en volledig afhankelijk wordt van contant geld?
Het is niet in lijn met de doelstellingen van de Wwft dat een sector categoraal wordt uitgesloten. Ondernemers moeten toegang hebben tot het betalingsverkeer. Ik vind het niet wenselijk als bepaalde ondernemers en hun klanten uitsluitend afhankelijk zijn van contante betalingen.
Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid van ondernemers, personeel en de openbare orde als coffeeshops door deze, de facto, categorale uitsluiting van digitaal betalingsverkeer noodgedwongen grote hoeveelheden contant geld opslaan en daarmee een groter risico lopen op bijvoorbeeld overvallen?
Contant geld is een belangrijke terugvaloptie in het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het bekend dat een sterke afhankelijkheid van contante betalingen gepaard gaat met hogere veiligheidsrisico’s voor ondernemers. Het is niet wenselijk dat coffeeshops, of andere ondernemingen, worden gedwongen om uitsluitend of grotendeels met contant geld te werken doordat toegang tot digitaal betalingsverkeer ontbreekt.
Hoe kijkt u aan tegen de verschuiving naar buitenlandse betaaldienstverleners; deelt u de zorg dat hierdoor de grip op het toezicht (DNB) en de informatiepositie van opsporingsdiensten (FIU/FIOD) ernstig verslechtert door het mechanisme van Home State Control?
In de Europese Unie gelden in beginsel dezelfde regels voor betaaldienstverleners. Dit maakt dat het toezicht op betaaldienstverleners door Europese toezichthouders in de regel vergelijkbaar is. Ook de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) en Fiscale Inlichtingen en Opsporingen Dienst (FIOD) krijgen structureel informatie uit andere EU-lidstaten ten behoeve van het opsporen en beoordelen van grensoverschrijdende financiële criminaliteit. Ook DNB kan informatie uitwisselen met andere EU-toezichthouders op betaaldienstverleners.
Vindt u het acceptabel dat Nederlandse ondernemers voor hun basisvoorzieningen afhankelijk worden van buitenlandse partijen waar zij bij geschillen nauwelijks juridische bescherming of verweer hebben onder de Nederlandse wet?
Betaaldienstverleners die actief zijn op de Nederlandse markt, waaronder CCV, vallen onder het Europese en nationale toezichtskader voor het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het zo dat onderdelen van de betaalketen, met name de kaartnetwerken, internationaal zijn georganiseerd. Dit betekent dat Nederlandse ondernemers in de praktijk te maken kunnen krijgen met voorwaarden en besluiten die niet uitsluitend onder Nederlands recht vallen. Ik vind het belangrijk dat de betaalketen weerbaar blijft en daarom zet ik mij in voor het borgen van de vitale betaalinfrastructuur in Nederland. Daarbij kijken we ook kritisch naar afhankelijkheden van buitenlandse betaaldienstverleners en kijken we naar de verdere ontwikkeling van Europese betaaloplossingen die kunnen bijdragen aan een robuuster en diverser betalingsverkeer.
Bent u bereid om, in het kader van zijn systeemverantwoordelijkheid voor een inclusief betaalverkeer, met DNB in gesprek te gaan over een actiever handhavingsbeleid tegen het categorisch weigeren van klanten?
Er vindt regelmatig overleg plaats met DNB over dit onderwerp. Zo is er het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB), waar DNB en het ministerie regelmatig in gesprek gaan met aanbieders en afnemers van betaaldiensten over het categoraal beëindigen of beperken van klantrelaties. Hierin worden ook actuele ontwikkelingen met betrekking tot een inclusief betalingsverkeer besproken.
Ziet u het risico dat deze financiële uitsluiting de geloofwaardigheid en het succes van het Experiment Gesloten Coffeeshopketen ondermijnt, nu ook gecertificeerde ondernemers binnen dit experiment tegen muren aanlopen bij banken?
Het is wenselijk dat het Experiment Gesloten Coffeeshopketen wordt voortgezet. Daarin ligt ook een rol voor het betalingsverkeer. Indien deze ontwikkeling zich voortzet en meerdere coffeeshophouders raakt, kan dat effect hebben op het verloop van het experiment. Tot dusver zijn er geen signalen van deelnemende coffeeshophouders over (problemen als gevolg van) financiële uitsluitingen door banken of betaaldienstverleners en lijkt het in de casuïstiek te gaan om partijen die buiten het experiment vallen.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om te garanderen dat deze legaal opererende sector toegang behoudt tot het digitale betalingsverkeer nu de markt dit duidelijk laat afweten?
Ik ga in gesprek met Visa en Mastercard om deze casus te bespreken. Hierin zal ik ook de geldende juridische kaders toelichten en vragen om een proportionele, risico gebaseerde beoordeling. Het is belangrijk om te benadrukken dat het wietexperiment een expliciete en wettelijke basis heeft in de Wet experiment gesloten coffeeshopketen. Daarnaast volgt het gedoogbeleid voor coffeeshops uit een aanwijzing van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat het verkopen van cannabis onder strenge voorwaarden – zoals geen verkoop aan minderjarigen, geen harddrugs, het voorkomen van overlast en het hanteren van beperkte hoeveelheden – wordt gedoogd. Zolang coffeeshops binnen die kaders opereren, vindt geen strafrechtelijke handhaving plaats. Het is om die reden ook onwenselijk als coffeeshops worden afgesloten van betaaldienstverlening, waardoor pinbetalingen niet langer mogelijk zijn.
Kunt u deze vragen met de nodige spoed beantwoorden, aangezien de continuïteit van bedrijven en de veiligheid op straat hier direct door in het geding zijn?
De vragen zijn met de nodige spoed beantwoord.
Het bericht 'Wolven verdrijven Leidse derdeklassers uit bossen bij Dwingeloo: winterkamp geannuleerd' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wolven verdrijven Leidse derdeklassers uit bossen bij Dwingeloo: winterkamp geannuleerd»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het zeer onwenselijk is dat scholen hun onderwijs- en buitenschoolse activiteiten moeten aanpassen of annuleren vanwege de aanwezigheid en het gedrag van wolven?
Ik vind het inderdaad onwenselijk dat mensen zich genoodzaakt voelen om zich aan te passen aan de aanwezigheid van wolven in plaats van andersom. Daarom zet ik me via de Landelijke Aanpak Wolven in om incidenten met wolven tegen te gaan en adequaat ingrijpen mogelijk te maken en heb ik uw Kamer meermaals opgeroepen zo spoedig mogelijk in te stemmen met de bijbehorende AMvB.
Hoe beoordeelt u het feit dat scholen, ouders en leerlingen zich genoodzaakt voelen ingrijpende veiligheidsmaatregelen te nemen terwijl wolven in Nederland een beschermde status hebben?
De veiligheid van kinderen moet altijd gegarandeerd zijn. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij burgemeesters. Ik heb me, om te kunnen voldoen aan de Europese regelgeving en om lokale overheden meer mogelijkheden te geven om in te grijpen bij incidenten, ingezet om de beschermde status van wolven te verlagen. Helaas heeft de Kamer mij niet de ruimte gegeven de verlaagde status zo snel mogelijk in te voeren.
Klopt het dat provincies en terreinbeheerders weliswaar aangeven dat kamperen mogelijk is, maar dat de vereiste voorzorgsmaatregelen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn voor scholen?
Navraag bij de provincies heeft uitgewezen dat hierover geen advies is gegeven. Ook andere adviezen over eventuele voorzorgsmaatregelen zijn mij niet bekend.
Bent u van mening dat het huidige wolvenbeleid voldoende rekening houdt met de veiligheid van kinderen, recreanten en onderwijsinstellingen in gebieden waar wolven zich permanent vestigen? Kunt u het antwoord toelichten?
Nee. Het aantal wolven dat zich permanent gevestigd heeft in Nederland is in de afgelopen jaren toegenomen. Een toename van het aantal meldingen en incidenten is daarbij helaas onvermijdelijk gebleken. Ik heb gesproken met schaapherders die de wanhoop nabij zijn en met visueel beperkten wiens blindengeleidehond, en daarmee bewegingsvrijheid, ernstig bedreigd wordt. Daarnaast heb ik meerdere signalen ontvangen, bijvoorbeeld in de vorm van een brandbrief van Gelderse burgemeesters en eind januari een petitie uit de gemeente Barneveld, dat de situatie ernstig uit de hand dreigt te lopen. Om die reden had ik de AMvB in voorbereiding, om lokale overheden meer mogelijkheden te geven bij incidenten.
In hoeverre acht u het acceptabel dat langdurige onderwijs- en sporttradities, zoals schoolkampen en buitenactiviteiten, onder druk komen te staan door de aanwezigheid van wolven?
Ik acht dat onacceptabel.
Welke concrete maatregelen worden op dit moment genomen om te voorkomen dat wolven zich blijven ophouden in de nabijheid van dorpen, scholen en recreatiegebieden?
Om te voorkomen dat wolven zich blijvend ophouden in de buurt van mensen, wordt o.a. door het Landelijk Informatiepunt Wolven gecommuniceerd wat men kan doen als men een wolf ziet en dat wolven niet moeten worden gevoerd voeren.
Ook werk ik aan een ruimtelijke visie gericht op wolven in Nederland. Deze visie geeft antwoord op de vraag welke ruimte primair wenselijk is voor wolven (en welke niet), waarbij zowel rekening wordt gehouden met de ecologie van de soort als met maatschappelijk draagvlak. Deze ruimtelijke visie betreft een visie op landelijke schaal en dient met het oog op de bevoegdheidsverdeling dan ook als ondersteuning voor aan provincies en gemeenten bij het formuleren van hun ruimtelijk beleid en/of het nemen van ruimtelijke maatregelen. Door de visie vast te stellen in nauwe samenspraak met deze andere overheden, wordt mogelijk gemaakt dat deze werken aan verdere uitwerking in ruimtelijk beleid en ruimtelijke maatregelen. De visie wordt geschreven binnen het juridische kader van wat mogelijk is binnen de beschermde status van de wolf. De ruimtelijke visie wolf biedt plaats voor de verschillende opvattingen van de verschillende provincies en agrarische en ecologische experts. In deze visie worden de onvermijdelijke keuzes benoemd in situaties waarin dierhouderij, recreatie of ander intensief menselijk gebruik niet samengaat met de aanwezigheid van wolven. De ruimtelijke visie beschouwt hiertoe de ruimte bestemd voor wolven door de lens van de ecologie, landbouw, recreatie en veiligheid en plaatst deze verschillende perspectieven naast elkaar. De visie brengt belangrijke keuzes in kaart die aan de hand van de visie genomen kunnen worden.
Kunt u aangeven wat op dit moment de economische gevolgen zijn voor recreatiegebieden en toeristensector? Heeft u inzicht in de financiële schade van deze ondernemers? Kunt u het antwoord toelichten?
Als uitvoering van de motie-Van Campen/Eerdmans die de regering verzoekt zowel de directe economische impact van wolvenaanvallen, zoals sterfte van landbouwhuisdieren, als de indirecte impact, zoals op de recreatiesector, in kaart te brengen (Kamerstuk 33 576, nr. 426) wordt op dit moment door Wageningen Social & Economic research onderzoek uitgevoerd naar de economische gevolgen van de aanwezigheid van de wolf op de agrarische en toeristische sector. De uitkomsten van dit onderzoek worden voor de zomer opgeleverd.
Bent u of is het ministerie inmiddels in gesprek gegaan met de betreffende scholen, sectoren, ondernemers en bewoners?
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, ben ik reeds in gesprek geweest met groepen mensen die zich zorgen maken en hebben mij meerdere signalen bereikt over de ernst van de situatie.
Welke handelingsperspectieven kunnen scholen op korte termijn verwachten wanneer zij worden geconfronteerd met wolven in de directe omgeving van geplande activiteiten?
De VNG heeft het Handelingsperspectief voor burgemeesters gepubliceerd.2 Hierin staan de op dit moment geldende mogelijkheden beschreven voor burgemeesters om op te treden bij incidenten met wolven.
Wat zijn op dit moment de laatste cijfers rondom het aantal wolven(roedels) wat actief is in Nederland? Ziet u een verspreiding verder over Nederlandse provincies?
Het aantal wolvenleefgebieden in Nederland wordt geschat op 15 tot 16, bestaande uit 13 tot 14 roedels en twee solitaire wolven. Voor de verspreiding over Nederland verwijs ik u naar de website van BIJ12.3
Wanneer kan de Kamer inzicht krijgen in het nader onderzoek naar de staat van instandhouding voor de wolf?
In mijn brief over het onderzoek Staat van Instandhouding wolven in Nederland van 19 september 2025 (Kamerstuk 33 576, nr. 466) heb ik aangekondigd aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar de Staat van Instandhouding van wolven in Nederland, door een internationale deskundige onderzoekspartij. De opdracht hiertoe is verleend en de onderzoeker werkt hard aan een spoedige afronding, naar verwachting in Q2 van dit jaar.
Deelt u de mening dat de jonge zwervende wolven een groot risico vormen voor de verkeersveiligheid en dat het onwenselijk is het ingrijpen van een dierenarts om een wolf uit zijn lijden te verlossen kan leiden tot een tuchtzaak tegen de betreffende dierenarts? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Dieren in de natuur die zich verplaatsen over wegen, zoals wolven, vormen een risico voor de verkeersveiligheid. Ik vind het in het belang van het dierenwelzijn als een dierenarts een wolf uit zijn lijden verlost. Dit zou geen klacht bij het veterinair tuchtcollege moeten opleveren.
Een klacht bij het veterinair tuchtcollege kan worden ingediend tegen een dierenarts (of andere diergeneeskundige) als men twijfelt of aan de zorgplicht is voldaan. De zorgplicht staat beschreven in artikel 4.2 van de Wet dieren. De klacht kan worden ingediend door degene die als gevolg van het handelen rechtstreeks in zijn belang is getroffen of door de klachtambtenaar. Of de klacht ontvankelijk is bepaald het veterinair tuchtcollege. Ten aanzien van de vraag of een klacht wenselijk is of niet, geldt dat bij wet geregeld is wie een klacht mag indienen en op welke gronden. Het veterinair tuchtcollege beoordeelt inhoudelijk of de desbetreffende dierenarts in zijn of haar veterinair handelen juist gehandeld heeft of tekort is geschoten. Dit oordeel is aan het veterinair tuchtcollege.
Bent u bekend met de hernieuwde hulpvraag vanuit provincies en gemeenten die behoefte hebben aan een duidelijk handelingskader, zodat ze zonder risico voor rechtsvervolging kunnen optreden als de situatie uit de hand loopt?
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ik snap de zorgen die lokaal leven heel goed. Provincies en burgemeesters die te maken hebben met incidenten met wolven willen kunnen handelen als de veiligheid van mensen in het geding komt, en dat begrijp ik. Ook ik wil dat we zo snel mogelijk kunnen ingrijpen om confrontaties tussen mensen, dieren en probleemwolven te voorkomen en, als ze toch ontstaan, direct en daadkrachtig op te treden. In december 2024 ben ik daarom samen met provincies gestart met de Landelijke Aanpak Wolven (LAW). Sindsdien zijn er vorderingen gemaakt met verschillende onderdelen van de LAW waar ik u onlangs over heb geïnformeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 474). Onderdeel van de LAW was de AMvB die meer duidelijkheid had kunnen bieden voor het ingrijpen bij incidenten met wolven.
Het bericht 'Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten» en van de recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:130) (ECLI:NL:RBNNE:2026:129)?1
Ja, ik heb kennis genomen van de recente uitspraken.
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak grote gevolgen heeft voor de verhouding tussen omwonenden, agrariërs en de overheid?
De kern van de uitspraken is dat de Minister van LVVN op grond van artikel 67, eerste lid, van de Verordening gewasbeschermingsmiddelen (1107/2009) bevoegd en gehouden is om een professionele gebruiker te verzoeken informatie te verstrekken uit hun registers over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, indien een derde partij een verzoek tot inzage heeft ingediend. Derde partijen zijn in ieder geval drinkwaterindustrie, detailhandelaren en omwonenden. De uitspraken zorgen ervoor dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen (m.n. telers) vaker informatie zullen moeten verstrekken over dat gebruik aan partijen buiten de overheid.
Bent u voornemens om uitvoering te geven aan deze rechterlijke uitspraak? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voornemens om hoger beroep in te gaan stellen. Dit zal een pro-forma beroep zijn om de opties open te houden voor mijn ambtsopvolger om een keuze te maken aan de hand van een nader onderzoek naar de uitspraken en deze niet bij voorbaat te beperken. Een van de overwegingen daarbij is dat de uitleg van een Europese Verordening is voorbehouden aan het Europese Hof van de EU, dit ook met het oog op een gelijk speelveld tussen lidstaten.
Daarnaast ben ik voornemens om een voorlopige voorziening te vragen. Daarmee wordt voorkomen dat de opdracht van de rechtbank om alsnog te beslissen moet worden uitgevoerd, voordat op het hoger beroep is beslist.
Ik heb reeds een aantal verzoeken om toegang tot spuitgegevens ontvangen. Ik ga deze verzoeken, en de mogelijke verzoeken die nog volgen, aanhouden tot er juridische duidelijkheid is. De indieners van deze verzoeken stel ik hiervan op de hoogte.
Bent u voornemens om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe gaat u het recht wat omwonenden op basis van deze uitspraak hebben om inzicht te krijgen in spuitgegevens praktisch en zorgvuldig vormgeven?
Er zullen hier twee sporen uitgewerkt moeten worden. Een juridisch spoor voor de korte termijn en een beleidsmatig spoor voor de lange termijn. De precieze uitwerking voor de korte termijn ben ik nu aan het vormgeven. Het spoor voor de lange termijn laat ik over aan mijn ambtsopvolger.
Ik kan me goed kan voorstellen dat we uiteindelijk toegaan naar een ander systeem, dat veel meer inzicht geeft in de individuele toepassing door bedrijven. Zo’n systeem zou vergelijkbaar van opzet kunnen zijn zoals in de diergeneeskunde, waar het al heel gebruikelijk is dat toegepaste middelen worden verantwoord en geregistreerd.
Hoe voorkomt u dat individuele boeren worden geconfronteerd met een opeenstapeling van verzoeken en discussies met afzonderlijke omwonenden over hun dagelijkse bedrijfsvoering?
Mijn beleid is altijd gericht op het «goed nabuurschap». Hierbij stimuleren we professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen om in gesprek te gaan met hun omgeving. Goede gesprekken tussen buren zullen de frequentie van dit soort formele verzoeken via mijn ministerie tot een minimum beperken. Ook verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze kan volgens u transparantie worden ingevuld, zonder dat dit leidt tot onwerkbare situaties voor agrariërs of tot een verdere verharding van de relatie tussen boer en omgeving?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat is volgens u de verwachte impact van deze uitspraak op de agrarische sector, in het bijzonder voor telers die werken met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorg dat het vrijgeven van spuitgegevens aan leken kan leiden tot onbegrip, onrust of onterechte conclusies over de veiligheid van middelen die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) zijn toegelaten?
Het is van belang om deze gegevens in de juiste context te plaatsen. De professionele gebruiker kan dit het beste zelf doen, zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 6. Hoe dit gewaarborgd kan worden in het geval dat er verzoeken bij mijn ministerie ingediend worden, wordt onderdeel van het proces dat voor de lange termijn vormgegeven wordt zoals vermeld in het antwoord op vraag 5.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de informatie die op verzoek van omwonenden wordt verstrekt begrijpelijk, duidbaar en is voorzien van context, zodat deze niet leidt tot misinterpretatie of onrust?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om samen met de sector, toezichthouders en gezondheidsinstanties te verkennen hoe deze informatie op een gestandaardiseerde en toegankelijke manier kan worden ontsloten?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Hoe borgt u dat de bescherming van de gezondheid van omwonenden hand in hand gaat met rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en vertrouwen voor boeren?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Dit heb ik gedaan.
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Bruijn , Tieman |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht in de Linda 'Nicole (45) is door Long Covid al vier jaar niet thuis geweest: ik zie mijn kinderen een keer per week’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de ervaringen van mensen zoals Nicole (45), van wie het leven op zijn kop staat door post-covid of PAIS?1
Krijgen mensen met complexe Long Covid-problematiek voldoende ondersteuning /begeleiding om de juiste zorg te vinden?
Kunt u een update geven van de stand van zaken van biomedisch en klinisch onderzoek met financiering via ZonMw naar post-covid?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het Post-Covid Netwerk Nederland en hun werkzaamheden en financiering?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van stichting C-support en hun werkzaamheden en financiering?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de post-covid expertisecentra en hun werkzaamheden en financiering?
Is bekend hoeveel mensen met ernstige post-covidproblematiek langdurig zorg en ondersteuning nodig hebben, zoals zorg met verblijf? Zo nee, wilt u dit inzichtelijk maken?
Hoeveel plaatsen voor langdurige zorg met verblijf voor (jongere) mensen zijn er beschikbaar in Nederland en is dit voldoende? Kunnen mensen met post-covid hier ook gebruik van maken?
Welke mogelijkheden ziet u om plekken waar zorg met verblijf wordt aangeboden, zoals revalidatiecentra, logeerhuizen en hospices, te ondersteunen om mensen met post-covid beter te kunnen helpen?
Klopt het dat post-covid-expertisecentra door middel van een lotingsysteem mensen behandelen? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel mensen hierdoor wel en niet geholpen kunnen worden?
Zo ja, waarom is er voor een lotingssysteem gekozen? Waarom is er niet gekozen om de meest kwetsbare mensen eerst te behandelen?
Doucheverplichtingen voor minderjarigen bij sportverenigingen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ruzie tussen ouders en PSV Handbal escaleert: drie meisjes (11) uit club gezet», waarin drie minderjarige meisjes na een conflict over douchen bij de sportvereniging zijn geroyeerd?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Bent u bekend met de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland (MRWN), die namens de ouders heeft aangegeven dat binnen de betreffende sportvereniging sprake was van een doucheplicht voor minderjarige meisjes?
Ja, ik heb in het bericht gelezen over de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland.
Hoe beoordeelt u het feit dat in het huisreglement van de betreffende vereniging expliciet staat dat douchen na trainingen en wedstrijden verplicht is, terwijl de vereniging publiekelijk stelt dat van een doucheplicht geen sprake is?
Het is niet aan mij om een standpunt in te nemen over individuele zaken van sportverenigingen of beslissingen binnen een vereniging. Dat is aan verenigingen zelf. Daarbij is het aanbevelingswaardig dat sportverenigingen helder en consistent communiceren over hun reglement richting hun leden. Het is aan het bestuur van de vereniging om te bezien of de vastgelegde regels en de communicatie daarover voldoende op elkaar zijn afgestemd.
Kunt u aangeven of en onder welke voorwaarden sportverenigingen minderjarigen mogen verplichten zich uit te kleden en gezamenlijk te douchen, en hoe dit zich verhoudt tot het beleid rondom sociale veiligheid in de sport en het recht op lichamelijke integriteit van kinderen?
Sportverenigingen hebben de vrijheid om hier afspraken over te maken en dit vast te leggen in hun reglementen. Dat betekent dat zij leden in beginsel kunnen verplichten om na het sporten te douchen of zich op te frissen. NOC*NSF geeft aan dat douchen na trainingen en wedstrijden wordt gestimuleerd, onder meer vanuit hygiënisch oogpunt en ter bevordering van herstel en blessurepreventie.
Het is belangrijk dat sportverenigingen het beleid rondom sociale veiligheid zorgvuldig vormgeven, rekening houdend met persoonlijke grenzen, privacy en de ontwikkelingsfase van minderjarigen. In de praktijk gaan verenigingen in gesprek met leden, sporters en ouders, bieden ruimte voor maatwerk en maken alternatieven mogelijk. Diverse sportbonden adviseren en ondersteunen hun verenigingen daarbij, onder andere aan de hand van handreikingen en adviezen op hun websites.
Deelt u de opvatting dat het royeren van minderjarige sporters een zeer ingrijpende maatregel is?
Het is niet aan mij om een standpunt in te nemen over individuele zaken van sportverenigingen of beslissingen binnen een vereniging.
Bent u bereid te bezien of bestaande landelijke richtlijnen rondom Veilig Sporten voldoende duidelijk zijn over vrijwilligheid, maatwerk en ouderbetrokkenheid bij gevoelige kwesties zoals douchen door minderjarigen?
Het is aan verenigingen zelf om hun beleid te ontwikkelen en hierover reglementen te laten vaststellen door hun ledenvergadering. NOC*NSF voegt daaraan toe dat er geen landelijke, richtlijnen zijn die specifiek voorschrijven of en hoe sportverenigingen omgaan met het douchen door minderjarigen. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.
Het bericht dat de Rabobank als eerste grootbank de mogelijkheden voor aflossingsvrij lenen vergaand gaat inperken. |
|
Teun van Dijck (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strengere hypotheekvoorwaarden Rabobank: aflossingsvrij lenen ingeperkt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Rabobank deze maatregelen gaat nemen in relatie tot het feit dat bijna de helft (45 procent) van de totale hypotheekportefeuille in Nederland uit aflossingsvrije hypotheken bestaat?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. DNB en de AFM houden daar toezicht op. Het is niet aan mij om het beleid van een individuele bank of maatregelen van de onafhankelijke toezichthouders te beoordelen. Wel blijf ik met toezichthouders en aanbieders in gesprek over de impact van de aangekondigde maatregelen.
Rabobank maakte bekend dat de bank en haar dochteronderneming Obvion het beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken gaat aanscherpen. Rabobank heeft hierover de afgelopen jaren intensief overleg gehad met de toezichthouders.2 De Nederlandsche Bank (DNB) schrijft op haar website dat zij een verhoogd risico ziet bij aflossingsvrije hypotheken ten opzichte van aflossende hypotheken. DNB licht daarbij toe dat de terugbetaling van aflossingsvrije hypotheken meestal afhankelijk is van de waarde van de woning en dat er bij aflossingsvrije hypotheken onzekerheid is over toekomstige betaalbaarheid. DNB vindt het belangrijk dat instellingen deze extra risico’s adequaat beheersen.3 Ook de Autoriteit Financiële Markten (AFM) besteedt in haar toezicht aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken. Zij benadrukt dat het belangrijk is dat aanbieders klanten met een aflossingsvrije hypotheek zorgvuldig blijven behandelen en klanten niet onevenredig worden getroffen door maatregelen van instellingen om risico’s te beheersen.4
Welke gevolgen heeft dit voor bestaande klanten met een aflossingsvrije hypotheek, ook indien hun woonsituatie verandert?
Wat de gevolgen van de aanscherping in het beleid van Rabobank zijn voor individuele klanten, hangt af van de specifieke situatie. Ik maak uit de berichtgeving op dat de aanscherping van het beleid ziet op bestaande en nieuwe klanten die verhuizen, of bijvoorbeeld doorstromen naar een nieuwe woning, en daarmee een nieuwe hypotheek afsluiten. Ook bij herfinancieringen en verhogingen van bestaande hypotheken, gaat per mei het nieuwe beleid gelden. Bestaande klanten die niets wijzigen aan hun hypotheek, worden hier volgens Rabobank niet door geraakt. Rabobank meldt dat in bijzondere situaties, zoals bij overlijden of klanten die uit elkaar gaan, er indien nodig samen met klanten naar passende oplossingen gekeken.
Bent u het eens met het standpunt dat de hypotheekrente veel te hoog is in Nederland (inmiddels boven de vier procent) en dat de woningmarkt met het aanscherpen van hypotheekregels alleen maar verder op slot raakt? Zo nee, waarom niet?
Ik volg de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt nauwgezet en blijf daarover in gesprek met aanbieders van hypothecair krediet en de toezichthouders. Als gevolg van een bredere stijging van marktrentes is het gemiddelde rentepercentage van door banken aangeboden hypothecaire kredieten voor huishoudens sinds medio 2022 stijgende. Wat het specifieke rentepercentage is dat aan consumenten gerekend wordt, hangt onder andere af van de aanbieder en de door de consument gekozen rentevastperiode. In Europees vergelijkend perspectief zijn er EU-lidstaten waar de gemiddelde hypotheekrente hoger is en lidstaten waar deze lager is dan in Nederland.
De gemiddelde hypotheekrente of rente over nieuwe hypothecaire kredieten geven een beperkt beeld van de daadwerkelijke woonlasten van consumenten. Uit data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt bijvoorbeeld dat het percentage van het inkomen dat Nederlandse huishoudens aan hypotheeklasten kwijt zijn, de afgelopen jaren is gedaald.5 Recente data laten bovendien zien dat het aantal transacties van bestaande koopwoningen stijgende is.6
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat grootbanken de hypotheekrente verlagen en de hypotheekvoorwaarden versoepelen in plaats van verder blijven aanscherpen? Bent u bereid om op zijn minst met grootbanken in gesprek te gaan hierover?
Zie antwoord vraag 4.
De rechtspositie van reservisten |
|
Judith Buhler (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Financieele Dagblad waarin gepleit wordt dat de rechtspositie van reservisten, en die van hun werkgever, beter moet worden beschermd?1
Ja.
Deelt u de analyse uit het genoemde artikel dat de huidige rechtspositie van reservisten, met name bij langdurige inzet of bij letsel, onduidelijk is en te veel afhankelijk is van individuele afspraken of cao-bepalingen? Zo nee, waarom niet?
In het arbeidsrecht geldt in beginsel het uitgangspunt dat werkgever en werknemer afspraken maken over de inzet als reservist bij Defensie. Gelet op de rol van de reservist tot nu toe waren die afspraken meestal afdoende. De rol en inzet van de reservist wordt echter wezenlijk groter en verandert van karakter. Dat vraagt om meer duidelijkheid over de rechten en plichten van de reservist, van de civiele werkgever en van Defensie als militaire werkgever. Daarom tref ik met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en werkgevers- en werknemersorganisaties voorbereidingen voor het waar nodig wettelijk verankeren van aanpassingen in de (civiele) rechtspositie van de reservist.
Kunt u toelichten hoe de huidige juridische kaders zijn vormgegeven rondom inzet, verlof, loondoorbetaling en aansprakelijkheid van reservisten?
De huidige juridische kaders zijn neergelegd in het (militair) ambtenarenrecht en het arbeidsrecht: primair in de Wet Ambtenaren Defensie en boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Bent u het met arbeidsrechtspecialist Nataschja Hummel eens dat reservisten in feite «twee werkgevers» hebben en dat dit zonder heldere wetgeving voor onduidelijkheid en risico’s zorgt, zowel voor de werknemer als de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat reservisten veelal twee werkgevers zullen hebben waarbij de civiele werkgever de primaire werkgever is en dat dit tot onduidelijkheid kan leiden. Daarom worden de in het artikel genoemde punten meegenomen in het onderzoek naar de rechtspositie van reservisten. Uitgangspunt daarbij is het zo veel als mogelijk wegnemen van onduidelijkheden en risico’s.
Acht u de huidige kostenvergoeding, van € 55 per dag bij langdurige inzet van een reservist, toereikend en eerlijk ten opzichte van werkgevers die loyaal meewerken aan nationale veiligheid?
Ik acht de huidige onkostenvergoeding niet meer passend. Om die reden heb ik recentelijk de regeling tegemoetkoming werkgeversbijdrage onderzocht waardoor deze regeling nu herzien wordt.
Kunt u aangeven hoeveel werkgevers momenteel gebruikmaken van cao-bepalingen of eigen beleid ten behoeve van reservistenverlof?
Er zijn momenteel circa 50 organisaties (bedrijfsleven, universiteiten en hogescholen, overheden) die een cao-bepaling of eigen beleid hebben over reservistenverlof.
In hoeverre wordt de inzet van reservisten momenteel belemmerd door juridische onduidelijkheid of terughoudendheid van werkgevers?
In de contacten met andere werkgevers bemerkt Defensie over het algemeen nauwelijks terughoudendheid. Het relatienetwerk groeit gestaag. Soms hebben werkgevers inhoudelijke vragen over bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid van reservisten of loondoorbetaling bij ziekte. Eenduidige communicatie helpt dan om onduidelijkheid weg te nemen. Defensie merkt veel begrip bij partners en bereidheid om bij te dragen aan de groei en inzet van het reservistenbestand.
Onderzoeken laten zien dat bij individuele (aspirant-)reservisten juridische onduidelijkheid soms reden is om af te zien van een sollicitatie als reservist of om Defensie voortijdig te verlaten. Ook deze inzichten worden meegenomen bij de verbetering van de rechtspositie.
Kunt u een overzicht geven van welke wet- en regelgeving volgens u belemmerend kan zijn voor werkgevers om met hun werknemers af te spreken dat zij naast hun werk reservist kunnen worden?
Op dit moment breng ik in samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in kaart hoe de verschillende juridische stelsels zich tot elkaar verhouden, met name waar het gaat om de rechten en plichten van de civiele werkgever, de reservist en Defensie. Welke wet- en regelgeving belemmerend kan zijn voor werkgevers wordt daarbij meegenomen. Zodra dit compleet is ondersteun ik het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met een eventuele wetswijziging richting uw Kamer. Ook wordt onderzoek gedaan naar het eventueel ontbreken van wettelijke voorzieningen. Zo is er momenteel geen wettelijke ontslagbescherming voor reservisten. Daarnaast bestaat er geen afzonderlijk wettelijk recht op een uitkering bij arbeidsongeschiktheid die ontstaat tijdens inzet als reservist. Het ontbreken van dergelijke voorzieningen kan in de praktijk gevolgen hebben voor de wijze waarop risico’s, zoals arbeidsongeschiktheid, worden verdeeld tussen de betrokken partijen.
Uw Kamer wordt voor de zomer verder geïnformeerd over de aanpassing van wet- en regelgeving met het oog op de rechtspositie van reservisten, conform toezegging van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Kunt u inzichtelijk maken hoe andere NAVO-landen de inzet en bescherming van reservisten juridisch hebben verankerd en wat Nederland daarvan kan leren?
De NAVO heeft in oktober vorig jaar beleid voor reservisten vastgesteld. Ook het NAVO-beleid weerspiegelt dat reservisten een cruciale rol spelen in de groei van de militaire capaciteit en daarnaast ook specialistische (niche) kennis inbrengen. Ook wordt benadrukt dat reservisten als geen ander de brug slaan naar de civiele maatschappij en bijdragen aan sociale weerbaarheid. De juridische bescherming van reservisten is bij vrijwel alle NAVO-landen een onderwerp in ontwikkeling. Binnen het NAVO-Comité over reservisten worden ervaringen uitgewisseld. Recent heb ik hierover met de voorzitter van de NATO Committee on Reserves gesproken en afgestemd.
Wat is uw mening met betrekking tot het pleidooi om de rechtspositie van reservisten wettelijk vast te leggen, in plaats van over te laten aan cao-afspraken?
Zoals hiervoor is toegelicht worden er op dit moment voorbereidingen getroffen om de rechtspositie van reservisten te verbeteren. Uw Kamer wordt daarover in de eerste helft van dit jaar nader geïnformeerd zoals toegezegd tijdens het Commissiedebat Arbeidsmarktbeleid en Arbeidsmarktdiscriminatie van 24 september 2025 en bij brief van 17 december 20252. Daarbij zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingaan op de vraag of de rechtspositie van reservisten verduidelijking dan wel versterking behoeft door middel van nieuwe wettelijke regels. Dat neemt niet weg dat werkgevers- en werknemersverenigingen vrij zijn bovenwettelijke afspraken in een CAO op te nemen.
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe internationale Oxfam-rapport «Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power» en het nationale onderzoek van Oxfam Novib «Rijker dan ooit, machtiger dan ooit. De politieke invloed van de rijken in Nederland»?
Ja.
Wat vindt u ervan dat wereldwijd het gezamenlijke vermogen van miljardairs inmiddels is gestegen tot 18,3 biljoen dollar, terwijl tegelijkertijd bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft?
Het is schrijnend dat bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft.
Wat vindt u ervan dat de tein procent rijkste huishoudens meer dan de helft (56 procent) van het vermogen bezitten, terwijl de armste helft van het land maar twee procent van het vermogen bezit? Wat vindt u ervan dat in Nederland de rijkste 500 personen circa negen procent van het totale huishoudvermogen bezitten, terwijl zij slechts 0,003 procent van de bevolking uitmaken?
Vermogen is per definitie scheef verdeeld, veel schever dan inkomen. Dat is overal ter wereld zo en een logisch gevolg van het feit dat anders dan inkomen, vermogen gedurende de levensloop van mensen wordt opgebouwd. Het IBO Vermogensverdeling dat op 8 juli 2022 naar de Tweede Kamer is gestuurd, laat zien 40% van de scheefheid in de vermogensverdeling hiermee verklaard wordt. De inkomensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien laag en stabiel en volgens het CBS is de vermogensongelijkheid in Nederland in de periode 2011-2024 gedaald. In 2024 bedroeg de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid in Nederland 0,73 en in 2011 was dit 0,78. Verder geldt dat de vermogensongelijkheid in Nederland kleiner is als het collectief opgebouwde pensioenvermogen wordt meegenomen. Ook is de vermogensongelijkheid in Nederland internationaal gezien niet opvallend. Zo hebben vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden een veel grotere vermogensongelijkheid dan Nederland. Dat laten cijfers van het World Inequality Lab ook zien. Ten slotte geldt dat Nederland een internationaal gezien uitgebreide collectieve voorzieningen heeft zoals een goed functionerend vangnet voor mensen die dat nodig hebben, een toegankelijk zorgstelsel en een adequaat minimumloon.
In het IBO-Vermogensverdeling wordt ook aangegeven dat een zekere mate van vermogensongelijkheid een kenmerk is van een gezonde, concurrerende economie. Dit biedt prikkels om ondernemingen te starten of te investeren in ondernemingen wat goed is voor de economische dynamiek. Ondernemen, investeren en beleggen brengt risico met zich mee en waarbij het vermogen van sommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudens afneemt. Ten slotte wordt aangegeven dat er economisch gezien geen optimaal getal voor vermogen of de vermogensverdeling valt te geven.
Deelt u de zorg dat deze mate van vermogensconcentratie kan leiden tot onevenredige politieke invloed van een zeer kleine groep burgers? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat vermogende Nederlanders meer invloed hebben op de democratische besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Oxfam Novib trekt de conclusies van Oxfam ten aanzien van de rijksten ter wereld en de politieke ontwikkelingen in de VS direct door naar de situatie in Nederland. Dit is te kort door de bocht. Allereerst is de vermogensongelijkheid in Nederland gedaald in de periode 2011–2024 en de vermogensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien niet opvallend. Ten tweede betalen ook de zeer vermogenden net als andere personen en huishoudens in Nederland progressieve belasting over hun arbeids- en pensioeninkomen in box 1 (plus het eigenwoningforfait over hun eigen huis) en belasting over hun vermogen in box 2 respectievelijk box 3 van de inkomstenbelasting. Ten derde zijn er geen aanwijzingen dat de politieke invloed van zeer vermogenden in Nederland de laatste jaren is toegenomen. In onze democratie geldt de belofte dat elke stem telt, ongeacht bijvoorbeeld achtergrond, woonplaats of vermogen, en dat er oog is voor de verschillende belangen bij democratische besluitvorming. Dat vermogen zou leiden tot meer invloed op democratische besluitvorming is in dat kader onwenselijk. Onze democratie kent dan ook meerdere waarborgen om evenwichtige democratische besluitvorming te bevorderen, zoals de regels omtrent giften aan politieke partijen waarbij een maximumbedrag geldt, zoals toegelicht onder antwoord 5 en antwoord 9. Het kabinet neemt daarnaast meerdere maatregelen, zoals toegelicht onder antwoord 6 en antwoord 10, die onder meer bijdragen aan transparantie van invloed in democratische besluitvormingsprocessen.
Hoe kijkt u aan tegen de bevinding dat in het verkiezingsjaar 2025 elf (voormalige) Quote-500-leden of hun bedrijven verantwoordelijk waren voor 20 procent van alle grote giften aan politieke partijen?
Op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) is het elke Nederlander toegestaan om per jaar in totaal ten hoogste € 100.000,– te doneren aan een politieke partij (art. 29b Wfpp). Dit geldt ook voor personen die genoemd worden in de Quote-500 en hun bedrijven. Het is belangrijk dat het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling en ongewenste financiële beïnvloeding wordt voorkomen. Tegelijkertijd is het voor politieke partijen ook belangrijk dat hen ruimte wordt gelaten om fondsen te werven ten behoeve van bijvoorbeeld campagne-uitgaven. Fondsen werven is ook een vorm van politieke participatie. Dit vergt een zeker evenwicht. Daarom is er een giftenmaximum vastgesteld op 100.000 euro.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming te voorkomen?
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om een gelijk speelveld te creëren voor alle soorten belangen en om evenwichtige politieke besluitvorming te bevorderen. Zo gelden er regels om giften aan politieke partijen transparant te maken: substantiële giften moeten worden gemeld en er geldt een giftenmaximum van 100.000 euro dat gedoneerd kan worden. Verder werkt het kabinet aan het vergroten van de transparantie van belangenbehartiging door middel van de openbare agenda’s van bewindspersonen en de advies- en consultatieparagrafen in memories van toelichting bij nieuwe wetgeving. In de gedragscode integriteit bewindspersonen staat dat Ministers en Staatssecretarissen in hun contacten met derden transparantie nastreven. De Europese verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclames is inmiddels ook in werking getreden, waarmee transparantie-eisen worden gesteld aan politieke reclames. Tot slot wordt binnen Europa nog onderhandeld over de transparantierichtlijn uit het Defence of Democracy Package, die erop gericht is om belangenvertegenwoordigingsactiviteiten namens derde landen transparant te maken.
Zijn deze maatregelen volgens u voldoende? Zo ja, kunt u dat toelichten?
In samenhang zorgen deze maatregelen ervoor dat belangenvertegenwoordiging transparant is, politieke besluitvorming evenwichtig en onevenredige invloed op beleid wordt beperkt. Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat belangenvertegenwoordiging tweerichtingsverkeer is: dit gaat niet alleen over de inrichting van publieke besluitvormingsprocessen, maar ook over het gedrag van individuen (belanghebbenden en overheidsfunctionarissen). Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen om met alle belanghebbenden en betrokkenen te spreken alvorens zij een besluit nemen. En belangenvertegenwoordigers zouden transparant moeten zijn over de belangen die zij vertegenwoordigen, ten bate van besluitvorming in het algemeen belang.
Welke aanvullende maatregelen zijn wat u betreft mogelijk om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming tegen te gaan?
Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden al diverse maatregelen die onevenredige invloed beogen te voorkomen. Ik zie geen noodzaak tot aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat het verlagen van het toegestane maximum aan giften en een verbod op donaties van rechtspersonen bijdragen aan het beperken van de invloed op politieke besluitvorming door vermogende individuen en bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Bij de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp heeft de Kamer een amendement over het uitsluitend toestaan van giften van natuurlijke personen verworpen. Er bestond destijds onvoldoende politiek draagvlak voor een dergelijke maatregel.1 Om deze reden is in het bij uw Kamer aanhangige voorstel van wet houdende de Wet op de politieke partijen geen voorstel van deze strekking opgenomen. Uit het door uw Kamer uitgebrachte verslag blijkt evenwel dat er in uw Kamer ook fracties zijn die op dit punt een extra stap zouden willen zetten. Mocht ertoe worden besloten dat politieke partijen geen giften van rechtspersonen mogen aannemen, dan heeft dit uiteraard wel als consequentie dat politieke partijen daardoor minder eigen inkomsten zullen kunnen vergaren.
Het giftenmaximum is pas recent in de regelgeving voor de financiering van politieke partijen opgenomen.2 Ook het verlagen van het toegestane maximum aan giften heeft als gevolg dat de financiële speelruimte van politieke partijen wordt beperkt. De regering acht het van belang om proportionele maatregelen te treffen ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding van politieke partijen, maar wil politieke partijen en burgers niet overmatig beperken in hun mogelijkheden tot het geven van giften. Volgens de regering is met het huidig wettelijk kader een balans gevonden tussen toezicht en controle enerzijds en de vrijheid van vereniging anderzijds.
Deelt u de mening dat een lobbyregister van belang is om de transparantie te vergroten en om daarmee te voorkomen dat vermogende individuen en bedrijven eenvoudiger toegang hebben tot de politieke besluitvorming dan minder vermogende personen? Zo nee, waarom niet?
Een lobbyregister kan helpen om inzichtelijk te maken wie waarover met beleidsmakers praat en wat vervolgens met hun inbreng is gedaan in het besluitvormingsproces. Zo kan een register inzicht geven in het speelveld van alle belangen, transparantie bevorderen en verantwoording mogelijk maken over de weging van alle inbreng. Een lobbyregister is evenwel geen panacee. In maart 2025 nam de Kamer de motie Dassen/Van Waveren aan die het kabinet verzoekt om zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel tot een lobbyregister naar Iers model naar de Kamer te sturen, zodat dit uiterlijk 1 september 2026 in werking kan treden (Kamerstukken II 2024/25, 28 844, nr. 293). Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de uitvoering van de motie aan het volgende kabinet laat.
Deelt u de mening dat mondiale politieke ontwikkelingen, waaronder het beleid van de Verenigde Staten, internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing onder druk zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen onderneemt u om tegenwicht te bieden aan deze ontwikkelingen?
De recente mondiale politieke ontwikkelingen hebben internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing inderdaad niet makkelijker gemaakt. Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat internationale samenwerking binnen de OESO en EU onverminderd wordt doorgezet. Dit geldt voor bestaande afspraken en onderhandelingen over nieuwe afspraken. Nederland zal zich altijd blijven inzetten voor internationale samenwerking. Zo was de Nederlandse inzet in de recente onderhandelingen in het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) en het zogenoemde «Side-by-Side-pakket» erop gericht om de oorspronkelijke doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen. Die doelstellingen zijn het stellen van een ondergrens aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen naar jurisdicties die weinig belasting heffen.3 Op 5 januari is in het OESO Inclusive Framework een akkoord bereikt over het Side-by-Side-pakket, waarmee de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen overeind kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband.4
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels ondermijnen?
Ik ben het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid in de wereld vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels kan ondermijnen. Daarom is hier aandacht voor in internationale gremia als de G20 en bij de OESO. Nederland stelt zich actief in alle internationale gremia in zowel de agendering als de gesprekken over de aanpak van belastingontwijking en ongelijkheid.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de Nederlandse inzet binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken, waaronder de implementatie en aanscherping van de internationale minimumbelasting, en aangeven welke aanvullende stappen Nederland bereid is te zetten om zijn rol als doorstroomland verder af te bouwen?
Voor een actuele stand van zaken van de Nederlandse inzet binnen de lopende trajecten binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken verwijs ik naar mijn brief van 15 december 2025 over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.5 In het bijzonder heb ik uw Kamer daarnaast recent geïnformeerd over het akkoord van het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting voor multinationale ondernemingen (Pijler 2) in de vorm van het zogenoemde «Side-by-Side-pakket», inclusief de Nederlandse inzet en appreciatie.6 De Nederlandse inzet was, zoals hierboven ook benoemd, erop gericht om de doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen en afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt. Er zijn de afgelopen jaren al veel stappen genomen om geldstromen via Nederland naar laagbelastende jurisdicties te voorkomen. Op dit moment werkt de Europese Commissie aan een hernieuwd initiatief om de Richtlijn tegengaan fiscaal misbruik lege vennootschappen (Unshell) om te vormen. Het kabinet heeft de voorkeur om daarop te wachten. Het uiteindelijk effectief aanpakken van doorstroomvennootschappen is immers enkel mogelijk via een EU(of bredere)-aanpak
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Ernstige verwondingen, ontbrekende registratie en risico’s bij de inzet van politiehonden. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten?1 Wat is uw reactie op deze beelden?
Heeft u er kennis van genomen dat een student van de Radboud Universiteit, nadat deze door een politiehond werd gebeten, twee weken in het ziekenhuis heeft gelegen, vijf keer is geopereerd, vijf maanden heeft moeten herstellen, en levenslang is misvormd?2 Wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat het vooraf nooit met zekerheid is in te schatten hoe een hond in een hoogstressvolle situatie reageert, wie wordt gebeten, en welke verwondingen daarbij worden toegebracht?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen jaren herhaaldelijk is gebleken dat politiehonden in stressvolle situaties onvoorspelbaar gedrag vertonen, wat leidt tot onbedoelde bijtincidenten en (ernstige) verwondingen?
Deelt u de mening dat het inzetten van politiehonden daarmee kan worden aangemerkt als een zeer zwaar en onvoorspelbaar geweldsmiddel? Zo nee, waarom niet?
Acht u het verantwoord om een geweldsmiddel in te zetten waarbij er een hoge onzekerheid is hoeveel schade er wordt aangericht en aan wie? Zo ja, waarom?
Herinnert u zich dat u in eerdere in antwoorden op Kamervragen hebt aangegeven dat de politie niet registreert hoeveel politiemedewerkers, arrestanten of omstanders gewond raken bij de inzet van politiehonden?3
Kunt u bevestigen dat werkgevers op basis van artikel 9, lid 1 en 2, van de Arbeidsomstandighedenwet een lijst moeten bijhouden van arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel, ziekenhuisopname of verzuim van meer van drie werkdagen? Kunt u bevestigen dat deze verplichting ook voor de politie geldt?
Kunt u de Tweede Kamer een overzicht verschaffen van de bijtincidenten met politiehonden in de afgelopen vijf jaar die hebben geleid tot de dood, blijvend letsel, een ziekenhuisopname of verzuim van meer dan drie werkdagen? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur onlangs een landelijk meldpunt tegen hondenbeten heeft gelanceerd, met als doel inzicht te krijgen in hoeveel en wat voor bijtincidenten per jaar plaatsvinden?
Deelt u de mening dat inzicht in het totale aantal bijtincidenten door politiehonden relevant is om een volledig beeld te krijgen van hondenbeten en om de proportionaliteit van de inzet van politiehonden te kunnen beoordelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de politie te verzoeken om deze gegevens voortaan structureel te registreren? Bent u bereid om deze gegevens periodiek met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Bent u zich ervan bewust dat de inzet van politiehonden daarnaast ook nog eens grote welzijnsrisico’s voor de honden zelf met zich meebrengt, zoals extreme stress en verwondingen die zelfs kunnen leiden tot de dood?4
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het buiten beeld blijven van bijtincidenten door politiehonden bij het Landelijk Meldpunt tegen hondenbeten. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten? Wat is uw reactie op deze beelden?1
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) als doel heeft gesteld om het aantal hondenbeten te verminderen, omdat deze «heftig» zijn en «grote gevolgen hebben voor zowel het slachtoffer als betrokkenen»?2
Bent u ervan op de hoogte dat hondenbeten door politiehonden tot dusverre niet worden geregistreerd, ondanks de grote gevolgen voor betrokkenen?3
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van LVVN graag inzicht wil krijgen in de omvang van het probleem van hondenbeten en daarom vorige week een landelijk meldpunt heeft gelanceerd?
Kunt u aangeven of het aantal hondenbeten door politiehonden expliciet wordt meegenomen in dit landelijke meldpunt tegen hondenbeten? Indien dit niet het geval is, bent u dan bereid om de politie op te roepen om deze gegevens alsnog bij te houden en te delen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat politiehonden tijdens hun inzet geregeld worden geconfronteerd met stressvolle en gevaarlijke situaties, waarbij het niet te voorkomen is dat geweld tegen de honden wordt gebruikt, ze gewond raken, pijn lijden of zelfs komen te overlijden?
Kunt u bevestigen dat het voorzien van een comfortabele en veilige omgeving voor dieren, het zorgen voor een goede gezondheid en het voorkomen van pijn een belangrijk onderdeel is van de Wet dieren?
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?