Klopt het dat u tijdens het tweeminutendebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid d.d. 16 april 2026 instemmend heeft gereageerd op een opmerking van het lid Rooderkerk waarin werd gesteld dat in de uitwerking 1.1 van de gedragscode staat dat de wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk gericht is op waarheidsvinding?1
Ja.
Heeft u daarbij gedoeld op de passage «De wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk is gericht op waarheidsvinding en dat hij daarom bij de presentatie van de aard en reikwijdte van zijn resultaten zo precies mogelijk dient te zijn. Hij zal dus niet liegen over zijn bevindingen of over daaraan verbonden onzekerheden. Zorgvuldigheid strekt zich ook uit tot het presenteren van twijfels en contra indicaties»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze passage niet voorkomt in de geldende Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, maar afkomstig is uit de oude Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) van de VSNU?2
Ja.
Klopt het dat in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (2018) expliciet is opgenomen dat de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) wordt ingetrokken?
Ja. Met de start van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (NGWI2018) is de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2014 (NGW2014) ingetrokken omdat duidelijk moet zijn welke code van toepassing is bij een eventuele klachtenprocedure. Om die reden is de NGW2014 van toepassing gebleven op voltooide onderzoeken voor de inwerkingtreding van de NGWI2018 en voor gestarte onderzoeksactiviteiten die bij de inwerkingtreding van de NGWI2018 nog niet waren voltooid.
Klopt het dat in de geldende versie van 2018 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» niet worden benoemd als normatief uitgangspunt en evenmin als zelfstandig kernbegrip worden gehanteerd?3
Ja. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 is opgebouwd langs vijf fundamentele principes: eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid en spreekt niet over normatieve uitgangspunten of kernbegrippen. Deze principes komen voor een groot deel overeen met de principes uit de NGW2014. In beide codes worden de principes verder uitgelegd, waarbij in de NGW2014 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» gebruikt zijn. In de NGWI2018 is gekozen voor andere woorden om de principes uit te werken.
Hoe reflecteert u op het feit dat de Kamer is geïnformeerd op basis van een passage die niet voorkomt in de geldende gedragscode wetenschappelijke integriteit?
Mijn reactie ging in de snelheid van het debat, het ging inderdaad ten onrechte over de vorige versie.
Indien door deze Kamervragen vast komt te staan dat de woorden objectiviteit en waarheidsvinding niet voor komen in de vigerende gedragscode van 2018, bent u dan bereid de motie alsnog «Oordeel Kamer» te geven?
Ik ben niet bereid om de motie Oordeel Kamer te geven. In de motie wordt gevraagd om invloed uit te oefenen op de inhoud van de NGWI, vanwege de onafhankelijkheid van deze code heb ik daar als Minister geen invloed op. De NGWI is een code die door instellingen uit het veld zelf wordt opgesteld. Zij zijn verantwoordelijk voor het creëren van een werkomgeving waarin wetenschappelijke integriteit is geborgd.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 11 mei 2026 te beantwoorden?
Ja.
De gedupeerde Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»»?1
Erkent u dat vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport duidelijke verwachtingen zijn gewekt bij Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) ten aanzien van de overgangsregeling naar GZ-psycholoog? Bent u van mening dat u heeft gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur richting zorgverleners die daarom met de K&J-opleiding is begonnen? Kunt u in uw beantwoording in het bijzonder ingaan op het vertrouwensbeginsel?
Bent u bereid om alsnog spoedig in overleg te treden met deze groep van ongeveer 1.000 K&J-psychologen die door het intrekken van het wetsvoorstel (financieel) gedupeerd is, om met hen tot een passende overgangsregeling te komen, zoals de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598) eerder al vroeg?
Waarom heeft u niet overwogen om de wijziging van de wet BIG te beperken tot het opnemen van de K&J-psycholoog, aangezien uit de analyse van KPMG bleek dat de kritiek op het wetsvoorstel zich vrijwel uitsluitend richtte op het samenvoegen van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut?2
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz?
Bent u het ermee eens dat het voor de overgang van 18– naar 18+ zeer wenselijk is dat K&J-psychologen via de BIG-registratie ook aan de slag kunnen als GZ-psycholoog? Erkent u dat dit bijdraagt aan betere kwaliteit van zorg?
Erkent u dat de overgangsregeling van 365 dagen die op dit moment geldt, tekortschiet voor een goede overgang? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat jongvolwassenen door het ontbreken van een goede overgangsregeling noodgedwongen opnieuw op een wachtlijst komen?
Deelt u de mening dat dit, in tegenstelling tot wat u eerder in Kamerbrieven stelde, juist een besparing kan opleveren in plaats van hogere kosten?
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen, in tegenstelling tot wat u eerder aangaf, juist leidt tot een méér flexibele arbeidsmarkt, aangezien zij vanwege ontbrekende regelgeving nu niet kunnen doorstromen naar functies waar de meeste tekorten zijn?
Erkent u vervolgens ook dat het gelijkschakelen van K&J-psychologen met GZ-psychologen kan leiden tot minder administratieve lastendruk?
Klopt het dat het mogelijk is om, zoals in de Twentse gemeenten blijkbaar het geval is, af te wijken van het Landelijk Kwaliteitsinstituut GGZ (LKS) dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn? Geldt dit dan uitsluitend voor de Jeugdwet (jeugd-ggz) of ook voor de Zorgverzekeringswet (volwassen-ggz)?
Het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid vormen?1
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279 van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici, de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden? (Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR) plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld)
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen te reserveren voor Nederlandse studenten?
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren, met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer te krijgen?
De Nederlandse inzet tijdens de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wie namens de Nederlandse regering aanwezig zullen zijn bij de aanstaande toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York en met welke inzet zij deelnemen?1
Nederland werd op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie werdt geleid door de ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening (high level) segment in de eerste week was Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in de hoedanigheid van Vice-Minister. De delegatie bestond verder uit vertegenwoordigers van het inisterie van Buitenlandse Zaken, vanuit het departement (Den Haag), de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève en Wenen alsook de ambassade in Washington.
De Nederlandse inzet is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Bent u het ermee eens dat, in tijden van hoogopgelopen spanningen, het opzeggen van wapenbeheersingsverdragen, uitbreiding van nucleaire arsenalen en agressieoorlogen door kernmachten, nucleaire ontwapening nóg belangrijker is geworden?
Zoals in voornoemde Kamerbrief (Kamerstuk 33 783, nr. 53) is beschreven, blijft een kernwapenvrije wereld het uiteindelijke doel van de NAVO en ook van Nederland. In deze veranderende wereld maakt het kabinet doorlopend een afweging tussen het streven naar een wereld zonder kernwapens en de veiligheidssituatie van het moment. Eenzijdige ontwapening door NAVO-bondgenoten maakt de wereld voor Nederland niet veiliger. Ontwapening is een complex proces van lange adem. Het bereiken van dit doel is van veel partijen afhankelijk en gekoppeld aan de mondiale veiligheidssituatie, waardoor het een proces met stapsgewijze, incrementele vooruitgang en soms – al dan niet tijdelijke – achteruitgang is.
Deelt u onze zorgen dat het NPV onder toenemende druk staat? Kunt u uw antwoord toelichten?
De bredere architectuur op het terrein van wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening staat inderdaad onder druk. Cruciale afspraken en verdragen lopen af of worden beëindigd en de bereidheid om de dialoog aan te gaan en multilaterale compromissen te zoeken is aan erosie onderhevig. Het Non-proliferatieverdrag (NPV) geniet echter nog steeds brede steun van de internationale gemeenschap. Alleen kernwapenbezitters India, Israël, Pakistan en Noord-Korea (in 2003 uitgetreden) en Zuid-Soedan zijn geen partij bij het NPV. Bovendien waren 190 van de 191 verdragspartijen bij de tiende Toetsingsconferentie in augustus 2022 bereid de slottekst te ondersteunen, ondanks aanzienlijke compromissen die alle landen hebben moeten accepteren. Enkel Rusland was destijds tegen.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor uitvoering van artikel 6 van het verdrag, dat staten verplicht nucleair te ontwapenen? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete stappen op dit punt worden voorgesteld?
Nederland blijft zich inzetten voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI van het NPV en heeft tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie benoemd dat kernwapens geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Het huidige tijdsgewricht vraagt echter om realisme ten aanzien van de ontwapeningsdoelen van het NPV. Het vertrouwen tussen kernwapenstaten is momenteel laag en dit beperkt op korte termijn het uitzicht op significante ontwapeningsstappen. Nederland hecht daarom waarde aan versterking van de non-proliferatiearchitectuur en maatregelen die de kans op gebruik van kernwapens verlagen. Hierbij valt onder meer te denken aan meer transparantie over nucleaire doctrines en uitbreidingen van arsenalen, vertrouwenwekkende maatregelen tussen kernwapenbezitters en het verder ontwikkelen van technieken om toekomstige reducties en ontwapening te monitoren en verifiëren.
Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 aangegeven, blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Bent u van mening dat zogenoemde moderniseringsprogramma’s voor kernwapens, die de levensduur van deze massavernietigingswapens decennia rekken, en ook het uitbreiden van kernwapenarsenalen haaks staan op artikel 6 van het NPV? Zo nee, waarom niet?
Al geruime tijd zijn de meeste kernwapenbezitters bezig met het moderniseren van hun kernwapenarsenalen. Deze moderniseringsprogramma’s staan op zichzelf niet haaks op artikel VI van het NPV en kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het blijvend garanderen van de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van deze wapens. Dit geldt in ieder geval voor de moderniseringsprogramma’s van de arsenalen van NAVO-bondgenoten Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Tegelijkertijd breidt China op ondoorzichtige wijze zijn kernwapenarsenaal uit en ontwikkelt Rusland nieuwe overbrengingsmiddelen die de strategische balans tussen kernwapenstaten ondermijnen.
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 is aangegeven heeft Nederland tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie onderstreept dat kernwapens, overeenkomstig artikel VI, geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Daarbij zijn kernwapenstaten opgeroepen om met prioriteit stappen te zetten op thema’s als risicoreductie en transparantie, zodat nucleair conflict voorkomen wordt en het onderlinge vertrouwen onder kernwapenbezitters zich kan herstellen, en daarmee inspanningen op het gebied van ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing weer plaats kunnen vinden. Tevens heeft Nederland China opgeroepen de rappe uitbreiding van het kernwapenarsenaal te herzien en zich voor wapenbeheersing in te spannen. Tot slot heeft Nederland de drie landen met de grootste kernwapenarsenalen – de Verenigde Staten, Rusland en China – opgeroepen een nieuwe strategische wapenbeheersingsovereenkomst overeen te komen, maar daar is wel een basis van onderling vertrouwen voor nodig.
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 en vraag 4 is aangegeven, is enig realisme waar het gaat om ontwapening in het huidig tijdsgewricht van belang.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen modernisering van kernwapens en uitbreiding van arsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen uitbreiding van kernwapenarsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe de meerderheid van lidstaten bij het NPV aankijkt tegen zogeheten nuclear sharing, waar Nederland in NAVO-verband aan deelneemt? Klopt het dat dit wordt gezien als niet in lijn met van het verdrag?
Sinds enkele jaren worden de zogeheten nuclear sharing arrangementsvan NAVO door bepaalde NPV verdragspartijen, in het bijzonder Rusland en China, bekritiseerd. Deze kritiek neemt toe, waarbij sommige landen stellen dat de NAVO-afspraken niet in lijn zouden zijn met het NPV. Deze NAVO-afspraken bestaan echter reeds decennia en zijn volledig in lijn met het NPV. Ze waren onderdeel van de onderhandelingen over het NPV en geen van de verdragspartijen heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de afspraken bij de ondertekening van het verdrag in 1968, de inwerkingtreding in 1970 of in de decennia daarna.
Bent u bereid om tijdens de toetsingsconferentie erop aan te dringen dat in het slotdocument stevige taal wordt opgenomen over de catastrofale gevolgen van inzet van kernwapens en daaraan te koppelen dat een kernoorlog nooit gevochten mag worden?
Nederland onderkent in algemene zin de verwoestende humanitaire en klimatologische gevolgen van kernwapens. Het valt echter niet met zekerheid vast te stellen dat het gebruik van kernwapens onder alle omstandigheden in strijd met het humanitair oorlogsrecht zou zijn, zoals werd opgemerkt in het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 1996 (Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons).
Deelt u de opvatting dat kernwapens, vanwege hun ongekende vernietigende kracht waarmee geen onderscheid gemaakt kan worden tussen burgers en militairen, niet in lijn met het oorlogsrecht ingezet kunnen worden? Zult u dit uitdragen tijdens de conferentie?
Zie antwoord vraag 9.
Is de Nederlandse delegatie voorstander van positieve woorden in het slotdocument over het verdrag inzake het verbod op kernwapens (Treaty on the Prohibition on Nuclear Weapons, TPNW), specifiek dat dit verdrag wordt verwelkomd en landen worden opgeroepen zich erbij aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet aangesloten bij het Verdrag inzake het verbod op kernwapens (TPNW) omdat het haaks staat op onze NAVO-verplichtingen. Daarnaast is Nederland van mening dat effectieve ontwapening alleen kansrijk is met betrokkenheid van kernwapenstaten en met robuuste verificatie. Nederland zet daarom in op versterking van het NPV-kader en praktische maatregelen die bijdragen aan risicoreductie, toekomstige reducties en ontwapening.
Bent u voorstander van een Midden-Oosten vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet Nederland om dit te bespoedigen?
Nederland is voorstander van zones vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens. Voor het Midden-Oosten is dit in lijn met de resolutie die hierover werd aangenomen door de NPV Toetsingsconferentie in 1995. De instelling van dergelijke zones kan, zoals beschreven in het actieplan van de NPV Toetsingsconferentie in 2010, alleen plaatsvinden door middel van vrijwillige overeenkomsten tussen alle staten in de regio.
De regionale veiligheidssituatie noopt tot realisme over de haalbaarheid op korte termijn van een dergelijke zone in het Midden-Oosten. In de tussentijd moedigt Nederland alle belanghebbenden, en met name de staten in de regio, aan om deel te nemen aan overleggen om tot een inclusief en op consensus gebaseerd proces te komen voor de uitvoering van de resolutie uit 1995.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor meer transparantie over kernwapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke maatregelen wordt dan concreet aangedrongen en wat doet Nederland zelf voor extra transparantie?
Transparantie is belangrijk om onderling vertrouwen te verbeteren, nucleaire risico’s te verminderen en op den duur stappen te zetten op het gebied van ontwapening. Het verbeteren van transparantie is daarom een langdurige Nederlandse prioriteit binnen het NPV. Middels het cross-regionale Non-Proliferation and Disarmament Initiative (NPDI) dringt Nederland bijvoorbeeld aan op transparantie over nucleaire doctrines en arsenalen; versterkte nationale rapportage over NPV-implementatie; en interactieve dialogen over nationale implementatie, met name die van kernwapenstaten, tijdens verdragsbijeenkomsten.2 Tevens financiert Nederland samen met Canada een tweetal projecten van de onafhankelijke denktank British American Security Information Council (BASIC) – nl. de NPT Monitor en de Nuclear Transparency Inventory – die erop gericht zijn de implementatie van het NPV door verdragspartijen alsmede de transparantiepraktijken van kernwapenstaten te volgen. Tenslotte heeft Nederland zoals gebruikelijk een nationaal implementatierapport ingediend voorafgaand aan de Toetsingsconferentie.3
Kunt u nader toelichten wat de precieze plannen zijn in het kader van samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens? Waarom wordt hierover relatief weinig informatie gedeeld?
Op 2 maart jl. is uw Kamer op de hoogte gesteld van de beoogde samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire en conventionele afschrikking in Europa (Kamerstuk 33 279, nr. 40). Dit betreft een strategische dialoog ter versterking van de Europese dimensie van de Franse nucleaire doctrine. Het Kabinet beziet momenteel hoe deze samenwerking wordt ingevuld.
Gezien de aard van deze onderwerpen kan het Kabinet, conform de met de Kamer overeengekomen praktijk, weinig tot geen nadere details over de beoogde samenwerking met Frankrijk openbaar maken. Wanneer wenselijk en mogelijk, zal het kabinet uw Kamer op passende wijze op de hoogte houden van de ontwikkelingen.
Is uitgesloten dat samenwerking met Frankrijk het NPV schendt? Zo ja, hoe wordt dit uitgesloten? Kunt u toelichten hoe het NPV naar uw opvatting de samenwerking met Frankrijk begrenst?
Ja. De beoogde samenwerking met Frankrijk is niet in strijd met de verplichtingen van het NPV. Dit is voor zowel Nederland als Frankrijk een leidend principe. Op dit moment kunnen er geen aanvullende uitspraken worden gedaan over de beoogde samenwerking.
Heeft Nederland samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens toegezegd? Wat is de status van de gesprekken hierover? Indien het kabinet voornemens is samenwerking met Frankrijk op dit gebied toe te zeggen, wordt de Kamer daar, voorafgaande aan besluitvorming, over geïnformeerd en betrokken?
Zie antwoord vraag 14.
Wat is de status van nucleaire wapens van de Verenigde Staten op vliegbasis Volkel? Hoe verhoudt zich de aanwezigheid van nucleaire wapens op vliegbasis Volkel met het NPV?
Vanwege veiligheidsredenen en bondgenootschappelijke afspraken doet het kabinet geen mededelingen over aantallen of locaties van nucleaire wapens in Europa. Ten aanzien van de verhouding van de praktijk van nucleair sharing tot het NPV verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 8.
Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne geen zaken doet met Nederland, door 'te veel bureaucratie’ |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»?1
Ja.
Welke concrete regelgeving of procedures vormden volgens u de grootste knelpunten voor Fire Point om een productielijn in Nederland op te zetten en hoe werkt u eraan om deze knelpunten in de toekomst te voorkomen?
Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland. Er hebben dan ook geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Om deze reden is er niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken. Indien Oekraïense bedrijven zoals Fire Point de ambitie hebben om in Nederland te produceren staat het kabinet open om de mogelijkheden te verkennen, bijvoorbeeld door het betrekken van Nederlandse bedrijven en bestaande productiefaciliteiten.
Heeft Defensie na het besluit van Fire Point nog contact opgenomen met het bedrijf, en zo ja, welke concrete acties zijn ondernomen om alsnog (delen van) de productie naar Nederland te halen of een alternatieve samenwerking te realiseren?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van de berichtgeving. Dit gesprek heeft nog niet plaatsgevonden.
Hoe verhoudt de Nederlandse bureaucratische doorlooptijd zich tot die in Denemarken, waar Fire Point wél een fabriek voor raketbrandstof gaat bouwen, en welke lessen trekt het kabinet hieruit voor het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoeveel Oekraïense of andere buitenlandse defensiebedrijven hebben de afgelopen twee jaar interesse getoond in vestiging of productie in Nederland en bij hoeveel van deze bedrijven is dit niet doorgegaan vanwege bureaucratie?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Dit gebeurt niet alleen via coproductie. Het Ministerie van Defensie en EZK hebben, o.a. in samenwerking met de brancheorganisatie Nederlandse Industrie voor Defensie & Veiligheid (NIDV), verschillende handelsmissies naar Oekraïne georganiseerd met Nederlandse defensie bedrijven. Hieruit is een groot aantal samenwerkingsverbanden ontstaan tussen Nederlandse en Oekraïense bedrijven die verschillende vormen en intensiteiten kennen. Dit gaat van de levering, ontwikkeling en productie van systemen tot het gezamenlijk innoveren, moderniseren en onderhouden van systemen. Bedrijven willen zelf niet altijd over deze samenwerking in de openbaarheid treden en de contacten zijn soms alleen van bedrijf tot bedrijf in verband met commerciële vertrouwelijkheid. Het is dan ook onmogelijk te zeggen hoeveel bedrijven dit exact betreft, en of regelgeving een struikelblok heeft gevormd. Wel kunnen we bevestigen dat er met meerdere bedrijven en samenwerkingsverbanden gesprekken worden gevoerd over mogelijke productie in Nederland.
Wat zijn de ambities van het kabinet betreffende langeafstandswapens en hoe wilt u dit realiseren als een fabriek op Nederlands grondgebied niet lukt?
De krijgsmacht moet in staat zijn om te vechten en te winnen. Daarom wil Defensie beschikken over de capaciteit om moeilijk bereikbare militaire doelen van een tegenstander op grote afstand uit te schakelen. Voorbeelden hiervan zijn vijandelijke luchtverdedigings- en vuursteunsystemen, logistieke opslaglocaties en hoofdkwartieren. Deze wapens kunnen al in de eerste fase van een conflict essentiële capaciteiten van de tegenstander uitschakelen en leveren een belangrijke bijdrage aan de versterking van de gezamenlijke afschrikking en de verdediging. Daarom zet Defensie in op de versterking van deze capaciteit door de aanschaf van verschillende typen langeafstandsbewapening, de aanvulling van de inzetvoorraden munitie en het versterken van de Nederlandse en Europese productiecapaciteit.
Hiervoor maakt Defensie waar mogelijk gebruik van vraagbundeling met partnerlanden of verwerving via de NATO Supply and Procurement Agency (NSPA). Daarnaast worden via het Foreign Military Sales (FMS) proces verschillende kapitale munitie-artikelen verworven waarvoor op korte en middellange termijn geen Europese alternatieven beschikbaar zijn. De verkenning van coproductie van kapitale munitie loopt momenteel nog.
Indien antwoorden op één of meer vragen vertrouwelijk zijn, is het dan mogelijk om vertrouwelijk gebrieft te worden?
Dit is niet aan de orde.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Materieel van 3 juni 2026?
Ja.
De Panama Papers en de Nederlandse trustsector |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in het FD van 3 april1 en 8 april2 jl. over de trustsector?
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoe beoordeelt u de wijze waarop in de media het functioneren en de maatschappelijke waarde van de Nederlandse trustsector wordt weergegeven?
Een sterke financiële sector is van groot belang voor onze open economie en voor het verdienvermogen van Nederland. Ik vind het belangrijk dat Nederland aantrekkelijk is voor internationale ondernemingen: vanwege onze sterke economische fundamenten, hoogwaardige en betrouwbare financiële infrastructuur, duidelijke en voorspelbare regels en goed toezicht. De trustsector kan daarbij een legitieme en ondersteunde functie vervullen voor internationale bedrijven die in Nederland actief willen zijn, zonder zich direct volwaardig te vestigen. Ik vind het belangrijk dat de sector goed in staat is om deze rol te vullen en haar rol als poortwachter effectief vervult.
Tegelijkertijd moeten we oog houden voor de risico’s die met trustdienstverlening gepaard gaan. In het verleden zijn er signalen geweest, waaronder de Panama Papers, voor misbruik van trustdienstverlening om geldstromen te verhullen, belasting te ontwijken, dan wel belastingfraude te plegen. Ook de Nationale Risicoanalyse (NRA) Witwassen uit 2019 en de meeste recente versie uit 2023 onderstrepen de witwasrisico’s die samenhangen met trustdienstverlening.3 Dat vraagt om een zorgvuldige balans tussen het beperken van risico’s en het behouden van een aantrekkelijk klimaat voor bonafide internationale ondernemingen.
De afgelopen jaren is er veel nationale en internationale wet- en regelgeving gekomen die relevant is voor de trustsector, zowel op fiscaal terrein als op integriteitsterrein. Daarnaast zijn meerdere onderzoeken gedaan naar de risico’s en toekomst van de trustsector, met verschillende maatregelen als gevolg.4 In 2018 is de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) ingevoerd en is de oude Wet toezicht trustkantoren ingetrokken. De invoering van de Wtt 2018 volgde mede uit signalen van DNB in de periode van 2012 en 2025 dat trustkantoren de regelgeving onvoldoende naleefden en integriteitsrisico’s onvoldoende mitigeerden. Ook maatschappelijke en politieke aandacht naar aanleiding van de Panama Papers en het onderzoek van de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies, vormden aanleiding voor verdere regulering van trustdienstverlening.5 Verder is de Wtt 2018 aangescherpt om bepaalde onwenselijke dienstverlening te verbieden. In diezelfde periode zijn er fiscale maatregelen genomen om belastingontwijking tegen te gaan. Op dit laatste ga ik in de beantwoording van vraag 20 en 21 verder in. Uit gesprekken met de Nederlandse toezichthouder op trustkantoren, De Nederlandsche Bank (DNB), volgt dat dit tot verbeteringen heeft gezorgd in de professionalisering en de integriteit van de sector. Zo is de basis van de door trustkantoren genomen risicobeheersmaatregelen vaker op orde. Tegelijkertijd ziet DNB nog ruimte voor verbetering, bijvoorbeeld omdat er verschillen zijn in diepgang en kwaliteit van cliëntenonderzoek.6
Deelt u de opvatting dat het sterk afgenomen aantal trustkantoren (circa 80%) en doelvennootschappen (circa 50%) niet uitsluitend als een morele overwinning moet worden gepresenteerd, maar ook economische consequenties heeft?
Allereerst is het belangrijk om te benoemen dat ik de genoemde cijfers niet kan plaatsen. Het aantal trustkantoren is tussen 2010 en 2026 van 309 naar 106 afgenomen wat een reductie van circa 65% betekent.7 Het aantal doelvennootschappen is in de afgelopen 5 jaar met 31% afgenomen. Sinds 2013 is het aantal doelvennootschappen aan het afnemen.8
Het is lastig om in te schatten wat de economische consequenties zijn van deze afname van het aantal kantoren. Indien er enige economische consequenties zijn van een afname binnen de trustsector ten gevolge van fiscale en integriteitswetgeving dient dit ook afgezet te worden tegen de economische consequenties van belastingontwijking en witwassen. Zo heeft de Rijksoverheid inmiddels 33 miljoen teruggevorderd naar aanleiding van de Panama Papers.9 De in vraag 2 genoemde maatregelen die zijn getroffen hebben tot positieve resultaten geleid. Zo zijn de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties structureel lager.10 Daarnaast zijn, zoals eerder benoemd, de risicobeheersmaatregelen van trustkantoren ook verbeterd. Een schoon en betrouwbare financiële sector is belangrijk voor stabiele economische groei.
Kunt u uiteenzetten welke rol de trustsector speelt in:
De aard en omvang van de Nederlandse trustsector is eerder onderzocht in het rapport Toekomst van de trustsector van juli 2022.11 Hieruit bleek dat de trustsector naar schatting 1.750 banen opbrengst en 50 miljoen aan belastinginkomsten oplevert. In het rapport geeft SEO aan dat de sector bijdraagt aan een laagdrempelig vestigingsklimaat door een springplank te bieden voor bedrijven die in Nederland willen vestigen zonder direct een volwaardige zelfstandige onderneming te kunnen of willen oprichten. De sector faciliteert daarnaast internationale investeringsstromen door trustdienstverlening te verlenen aan internationale bedrijven met operationele structuren en daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in Nederland. De trustsector vervult tevens een rol als poortwachter bij de naleving van regelgeving gericht op het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering, evenals bij de naleving van sanctieregelgeving en (inter)nationale fiscale regels.
Ontwikkelingen in Europese en nationale fiscale en integriteitsregelgeving kunnen van invloed zijn op de mate waarin door internationale bedrijven gebruik maken van dienstverlening in Nederland. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijven die zich in Europa willen vestigen en daarbij Nederland als mogelijk vestigingsland overwegen. Voor dat laatste geldt overigens dat fiscale en integriteitsregelgeving niet de enige relevante factoren zijn.
Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoeksrapport «De toekomst van de trustsector» dat de eisen ten aanzien van transparantie en integriteit juist bijdragen aan de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland voor internationale partijen die hier waarde aan hechten. In dat kader vraagt het kabinet ook aandacht voor de recente publicatie van DNB waaruit blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is. 12 Uit de publicatie van DNB blijkt verder dat het aantal trustkantoren, met name die gerelateerd waren aan laagbelaste jurisdicties, halveerde sinds 2017 van circa 200 naar iets meer dan 100 in 2025. In dat verband refereert DNB ook aan de fiscale maatregelen die tegen belastingontwijking zijn genomen. Op basis van de «Monitoringsbrief van de effecten van de aanpak van belastingontwijking» volgt dat deze maatregelen effectief zijn.
Zo geldt er sinds 1 januari 2021 in Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. In de genoemde monitoringsbrief is beschreven dat de bronbelasting zeer effectief blijft in de bestrijding van rente- en royaltystromen naar laagbelastende jurisdicties. De cijfers bevestigen namelijk een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.
In hoeverre acht u het risico aanwezig dat negatieve beeldvorming en beleidsaanscherpingen ertoe leiden dat internationaal opererende bedrijven Nederland vermijden of verlaten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het functioneren van De Nederlandsche Bank als toezichthouder op de trustsector?
De Nederlandsche Bank (DNB) houdt als zelfstandig bestuursorgaan risicogebaseerd toezicht op trustkantoren ingevolge de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan het toezicht door DNB op trustkantoren of een negatief beeld te hebben van het functioneren van DNB als toezichthouder. Ik word jaarlijks geïnformeerd door DNB met de zbo-verantwoording en neem ook kennis van het jaarlijkse rapport Integriteitstoezicht in beeld.13 Daarnaast spreekt mijn ministerie met DNB over het toezicht op trustkantoren.
Op dit moment wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de zbo-taken door DNB geëvalueerd. Ik verwijs hiervoor naar de uitkomsten van deze evaluatie en mijn reactie hierop, die naar verwachting rond de zomer worden gepubliceerd.
Herkent u signalen uit de sector dat er sprake zou zijn van een disproportioneel strikte of zelfs vijandige toezichtshouding?
Deze signalen herken ik niet.
In de rapportage Integriteitstoezicht in beeld 2026 geeft DNB aan de dialoog met de sector meer op te zoeken. Ik herken dit beeld, omdat de branchevereniging van trustkantoren Holland Questor, in de reguliere gesprekken die mijn ministerie met hen voert, heeft aangegeven dat de relatie met DNB wat hen betreft verbeterd is ten opzichte van een aantal jaren geleden. Daarnaast zijn in november 2025 de Good Practices Wtt 2018 gepubliceerd14, die in samenspraak met de sector en na openbare consultatie tot stand zijn gekomen en praktische handvatten bieden voor de naleving van de Wtt 2018.15 Ik ben daarom van mening dat het contact tussen DNB en de sector proportioneel en professioneel is.
Zoals eerder gesteld is DNB onafhankelijk in de uitvoering van haar toezichttaken. Het uitgangspunt is dat toezicht risicogebaseerd plaatsvindt, zodat effectief wordt opgetreden waar de risico’s het grootst zijn. DNB zet de beschikbare toezichtcapaciteit daar in waar de integriteitsrisico’s het grootst zijn. De intensiteit van het toezicht neemt toe naarmate het materialiseren van risico’s grotere consequenties heeft voor het vertrouwen in de sector.16
De Wtt 2018 stelt wel meer eisen aan het cliëntonderzoek door trustkantoren. Deze eisen zijn noodzakelijk om de inherente risico’s van trustdienstverlening–zoals complexiteit en ondoorzichtigheid en de daarmee samenhangende gevoeligheid voor witwassen, verhulling van eigendom en zeggenschap, en belastingontwijking of -ontduiking–adequaat te mitigeren. Die maatregelen zijn wat mij betreft nodig om ervoor te zorgen dat de trustsector integer is. De hogere risico’s aan trustdienstverlening blijken onder meer uit de NRA Witwassen 202317 en de antiwitwasverordening18 waarin bepaalde aspecten gerelateerd aan trustdiensten verbonden worden met verhoogd risico’s.
Indien deze maatregelen er niet zijn, is de kans op witwassen groter, omdat het trustkantoor onvoldoende inzicht heeft in de vaak complexere structuur. De bovengenoemde maatregelen moeten partijen die gebruik zouden willen maken van het Nederlandse stelsel om bijvoorbeeld belastingfraude te plegen ontmoedigen. Uiteraard dient er een balans te zijn tussen de lasten voor trustkantoren en de effectiviteit van de maatregelen. Ik vind het, zoals eerder aangegeven, logisch dat trustdienstverlening, met de juiste maatregelen, kan plaatsvinden in Nederland om bijvoorbeeld internationale bedrijven die hier actief willen zijn de kans hiervoor te geven.
Met de inwerkingtreding van het nieuwe antiwitwaspakket van de Europese Commissie (AML-pakket) zal het verplicht toepassen van verscherpt cliëntenonderzoeksmaatregelen verplicht blijven voor de trustkantoren. Wel komt er meer ruimte voor een risicogebaseerde toepassing. Dit leidt in de praktijk tot lastenvermindering omdat het trustkantoor meer ruimte heeft om de risicogebaseerde benadering zelf in te vullen.
Hoe waarborgt u dat toezicht effectief is zonder het legitieme functioneren van de sector onnodig te belemmeren?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is naar uw inschatting de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland?
Het is voor mij niet mogelijk om een betrouwbare inschatting te geven van de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland. In integriteitstoezicht in beeld meldt DNB dat zij 44 signalen van trustdienstverlening zonder vergunning ontving in 2025, ten opzichte van 37 in 2024.19 Dit betreffen met name signalen die betrekking hebben op het «opknippen» van trustdienstverlening. Opknippen verwijst naar situaties waarbij een dienstverlener bepaalde diensten onderbrengt bij aparte aanbieders en zo onder de verplichtingen van de Wtt 2018 uit probeert te komen. Het opknippen van trustdienstverlening is niet toegestaan en DNB kan hierop handhaven.
Wanneer DNB een signaal ontvangt over mogelijke illegale trustdienstverlening beoordeelt zij eerst of het aannemelijk is dat sprake is van een overtreding. Indien dat het geval is, spreekt DNB de betreffende partij in beginsel eerst schriftelijk aan. In een groot deel van de gevallen leidt dit ertoe dat de overtreding wordt beëindigd zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig zijn. Indien DNB constateert dat de overtreding voortduurt of dermate ernstig is wordt een formeel handhavingstraject ingezet. Dit kan leiden tot bestuurlijke maatregelen, zoals het opleggen van een boete. In een uiterst geval kan door het Openbaar Ministerie vervolging worden ingesteld.
In 2024 ging DNB over tot 1 handhavingsmaatregel tegen illegale trustdienstverlening en in 2025 2 handhavingsmaatregelen.20 Het merendeel van de overige signalen is gesloten, onder andere doordat (1) er geen sprake bleek van illegale trustdienstverlening (bij circa 50% van de meldingen was dat het geval); (2) de overtreding, zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig waren, is beëindigd; en daarnaast (3) komt het regelmatig voor dat DNB meerdere signalen krijgt die op dezelfde dienstverlener betrekking hebben (dubbele meldingen).
DNB heeft binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC) verband21 in 2026 een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.22 De uitkomsten daarvan bieden naar verwachting meer inzicht zodat signalen in de praktijk beter kunnen worden herkend en opgevolgd. Dit kan leiden tot meer handhavingstrajecten.
Erkent en herkent u signalen dat illegale trustdienstverlening toeneemt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn naar uw mening de belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling, mede in relatie tot aangescherpte regelgeving zoals de Wtt 2018?
De Wtt 2018 heeft onder andere als doel om trustdienstverlening mogelijk te maken, maar met maatregelen om eventuele risico’s te beperken. De partijen die hun vergunning inleveren zijn in sommige gevallen partijen die het waarschijnlijk eerder ook al het minder nauw namen met de wet en nu tegen de lamp aanlopen. DNB geeft daarnaast aan dat de trustkantoren die deze partijen overnemen, achterblijven in het cliëntenonderzoek. Trustkantoren dienen diepgravender cliëntenonderzoek te doen vanwege de inherente hogere risico’s, daarnaast is bepaalde dienstverlening verboden. Dit kan inderdaad extra lasten met zich meebrengen voor het trustkantoor, en de klant. Trustkantoren leveren dan hun vergunning in en gaan illegaal te werk en de klanten gaan hierin mee. Dit zijn precies de partijen die we niet in ons stelsel willen hebben.
Wordt illegale trustdienstverlening naar uw oordeel voldoende bestreden? Zo nee, waar ziet u ruimte voor verbetering?
De aanpak van illegale trustdienstverlening vraagt om een gecombineerde inzet op zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gebied. Deze inzet wordt onder andere besproken in het samenwerkingsverband FEC, waar verschillende autoriteiten binnen de financiële sector samenwerken aan onder andere projecten die specifiek zijn gericht op de aanpak van illegale trustdienstverlening.
DNB handhaaft illegale trustdienstverlening bestuursrechtelijk. DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken. Ik vind illegale trustdienstverlening en daarmee het opknippen van trustdienstverlening onwenselijk. Om die reden wordt de boetecategorie voor het opknippen van trustdienstverlening verhoogd van een boetecategorie 2 naar een boetecategorie 3.23 Dit betekent dat de afschrikwekkende werking hiervan hoger is geworden, omdat het maximale boetebedrag dat DNB kan opleggen hoger is geworden.
Overigens is het ook zo dat er risico’s zijn die gepaard gaan met domicilieverlening: het verlenen van een postadres. In de volksmond worden bedrijven die gebruik maken van domicilieverleners ook wel brievenbusfirma’s genoemd. Partijen die een postadres aanbieden met beperkte secretariële werkzaamheden vallen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en niet onder de Wtt 2018. Zij worden ook in verband gebracht met illegale trustdienstverlening, omdat zij soms een rol hebben bij het opknippen van trustdienstverlening. De risico’s omtrent domicilieverlening zijn onder andere in de Amerfoortse villa zaak tot uiting gekomen, waar sprake was van fraude met postadressen.24 Om die reden heeft Nederland zich hard gemaakt om in het nieuwe Europese AML-pakket een registratieplicht voor domicilieverleners te introduceren, zodat er beter grip is op de partijen die een postadres aanbieden. Het AML-pakket is vanaf medio 2027 van kracht en dan geldt ook die verplichting. Bestuursrechtelijk kan dan beter opgetreden worden. Overigens dienen domicilieverleners nu ingevolge de Wwft al aan cliëntenonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden.
De strafrechtelijke handhaving van illegale trustdienstverlening geschiedt door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie, in samenspraak met de toezichthouder.25 Het OM is onafhankelijk en bepaalt wanneer zij over gaat tot strafrechtelijke vervolging.
Hoeveel signalen over mogelijke illegale trustdienstverlening worden jaarlijks afgegeven en in hoeverre worden deze opgevolgd?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat overwogen is om intensiever op te treden tegen illegale dienstverlening, maar dat hiervan is afgezien vanwege kostenoverwegingen? Zo ja, wat is uw oordeel daarover?
Zie antwoord vraag 12.
Wanneer wordt de evaluatie van de Wet toezicht trustkantoren 2018 afgerond?
Mijn voornemen is om de resultaten van de evaluatie evenals mijn reactie hierop voor de zomer naar de Kamer te zenden.
Indien blijkt dat strengere regelgeving leidt tot een verschuiving naar illegale dienstverlening, bent u bereid in overleg te treden met de sector om deze onbedoelde effecten te mitigeren?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe groot acht u de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering bij illegale trustdienstverlening?
Zowel legale als illegale trustdienstverlening levert risico’s op witwassen en terrorismefinanciering op. De Wtt 2018 heeft een breder doel dan alleen het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering en adresseert ook andere integriteitsrisico’s, zoals belastingontwijking en belastingfraude. Met de Wtt 2018 worden de genoemde risico’s gemitigeerd. Dat geldt niet of in mindere mate voor illegale trustdienstverlening, waarbij partijen zich onttrekken aan de verplichtingen uit de Wtt 2018. In de meest recente NRA Witwassen26 komt naar voren dat het opknippen van trustdienstverlening een van de 18 grootste witwasdreiging is.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar risicovolle adressen (motie Van Nispen3)?
De Staatssecretaris van Financiën zal u in de volgende stand- van-zakenbrief belastingdienst informeren over de uitkomsten.
Klopt het dat er een pilot loopt in Noord-Holland en wat zijn de eerste bevindingen?
Van 1 maart 2024 tot 1 maart 2025 liep er een pilot om de meerwaarde van de samenwerking tussen De Nederlandsche Bank (DNB) en het RIEC Amsterdam-Amstelland te verkennen. De pilot zag op de bredere samenwerking, waar trustdienstverlening een onderdeel vanuit maakte. Er is op fenomeenniveau kennis uitgewisseld waardoor RIEC Amsterdam-Amstelland een beter inzicht heeft verkregen in trustdienstverlening, de werkwijze van trustdienstverleners en de interventiemogelijkheden ten aanzien van (illegale) trustdienstverleners. Hierdoor is een wederzijds leerproces tot stand gekomen, dat als zeer waardevol wordt gezien.
Hoe weegt u de rol van de trustsector in het licht van internationale ontwikkelingen zoals BEPS, ATAD en de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben.
De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.28 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruikmaken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten – en het vervolg op de BEPS-rapporten – is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen.
Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde informeel-kapitaalstructuren). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgt Nederland daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.29 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Deelt u de analyse dat door deze internationale maatregelen de mogelijkheden voor belastingontwijking via Nederland sterk zijn beperkt?
Zie antwoord vraag 20.
Hoe voorkomt u dat aanvullende nationale maatregelen het Nederlandse vestigingsklimaat verder onder druk zetten?
In mijn Visie op de financiële sector 2025 geef ik aan dat duidelijke en voorspelbare wet- en regelgeving de sleutel is voor een sterk vestigingsklimaat. Dat betekent dat wet- en regelgeving in Nederland zoveel mogelijk overeen moet komen met wet- en regelgeving in andere Europese landen. Door te zorgen voor duidelijke, voorspelbare en proportionele wet- en regelgeving, houden we Nederland aantrekkelijk voor bonafide internationaal opererende bedrijven. Waar Europese regelgeving ruimte laat voor nationale keuzes, worden deze zorgvuldig gewogen.
Nieuwe Europese wet- en regelgeving wordt zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd. Het recente anti-witwaspakket (AML-pakket) is daarvan een concreet voorbeeld en draagt bij aan de verdere harmonisatie van de anti-witwasregels binnen Europa. Daarbij heb ik ook aandacht voor de kosten van toezicht en moeten regels uitvoerbaar en betaalbaar blijven voor zowel (financiële) instellingen als burgers en bedrijven. In dat kader loopt momenteel een internationale vergelijking naar de kosten van het financieel toezicht voor kleine en mobiele ondernemingen, waarvan de resultaten naar verwachting in de tweede helft van dit jaar worden gepubliceerd.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om Nederland aantrekkelijk te houden voor internationaal opererende bedrijven, mede gezien de geopolitieke en economische ontwikkelingen?
Zie antwoord vraag 22.
Het artikel 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland»?1?
Ja.
Hoe kwalificeert u het naar buiten treden van de Centrale Privacy Officer (CPO) van Logius in deze casus als het buiten de eigen rol treden door via media en procedures politieke druk uit te oefenen?
De berichtgeving in verschillende media is op persoonlijke titel gedaan en de mediaoptredens en de inhoud daarvan zijn niet afgestemd met het departement. Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Ten aanzien van de inhoud kan ik melden dat, zoals eerder is toegelicht aan uw Kamer, het niet mogelijk is om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening van Logius in gevaar komt. Een dergelijk traject is langdurig en vraagt een overdracht en een zorgvuldige voorbereiding en uitvoering. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 het besluit genomen dat Logius haar contract met Solvinity mag verlengen met twee jaar. De ondertekening van deze verlenging zal begin mei 2026 plaatsvinden. Op dit moment wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden Logius haar IT-fundament zo snel mogelijk opnieuw kan gaan aanbesteden. De Landsadvocaat is nauw bij dit proces betrokken. In juni zullen wij uw Kamer in meer detail informeren.
Welke formele interne escalatiekanalen stonden voor deze functionaris open, welke van deze kanalen zijn feitelijk benut en klopt de bewering dat toegang tot de bewindspersoon of de politieke leiding is geweigerd?
In het algemeen geldt dat voor het afgeven van een signaal of het doen van een melding over een vermoeden van een integriteitsschending of misstand de meldregeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties drie mogelijkheden beschrijft. In beginsel worden signalen of meldingen gedaan bij de direct leidinggevende van een medewerker. Een medewerker kan er ook voor kiezen een melding te doen bij het Meldpunt Integriteit. Tot slot kan een medewerker – desgewenst anoniem – een melding doen bij een vertrouwenspersoon. Meldingen worden vertrouwelijk in ontvangst genomen en behandeld. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het benutten van de genoemde kanalen of mogelijke acties die in individuele casuïstiek zijn genomen.
Is in deze casus formeel een melding gedaan op grond van de Wet bescherming klokkenluiders en, zo ja, onder welke kwalificatie of categorie is die melding gedaan?
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Kunt u aangeven of in deze casus onderzoek wordt gedaan naar mogelijke ongeoorloofde openbaarmaking van interne informatie en, zo nee, waarom niet? Indien daarvan wel sprake is, op basis van welke normen, procedures en mogelijke disciplinaire of strafrechtelijke kaders vindt dat onderzoek plaats?
Op dit moment wordt geen onderzoek gedaan. Het stuk waaruit geciteerd lijkt, is breder binnen het departement beschikbaar is. Het is niet duidelijk hoe de informatie openbaar is geworden. Er wordt aangifte gedaan van het vermoeden van een schending van de geheimhoudingsplicht. In artikel 9 van de Ambtenarenwet 2017 is vastgelegd dat ambtenaren verplicht zijn tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie, waarvan zij het geheime karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Een schending van deze verplichting kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. De aangifte is niet gericht tegen specifieke personen.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de voor ambtenaren geldende regels over contacten met de media, het in het artikel opgenomen citaat van een bron met jarenlange ervaring in de top van ministeries die volgens het artikel niet officieel met de media mocht spreken?2
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek. Onder andere de Gedragscode Integriteit Rijk geeft concrete kaders voor externe contacten en meningsuitingen. In algemene zin geldt dat van ambtenaren wordt verwacht dat zij zich in contacten met derden, zoals de media, horen te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. In de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren is hierover bepaald dat een ambtenaar in functionele contacten met derden, zich er rekenschap van moet geven dat hij als zodanig optreedt namens of ten behoeve van de Minister. Ambtenaren handelen of spreken niet voor zichzelf, maar met het oog op het door de Minister of ministerraad vastgesteld beleid. Een ambtenaar heeft overigens wel het recht op vrijheid van meningsuiting tenzij de goede vervulling van zijn functie of de het goede functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid is verzekerd (artikel 10 Ambtenarenwet 2017). Wanneer daar sprake van is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Deelt u de opvatting dat politiek wordt bedreven in de Tweede Kamer der Staten-Generaal en in het kabinet, en niet vanuit de ambtelijke organisatie via mediaoptredens en rechtszaken tegen de Staat?
In onze democratische rechtsstaat hebben ambtenaren een adviserende rol en besluit uiteindelijk de politiek. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Welke disciplinaire, integriteitsrechtelijke of rechtspositionele kaders gelden wanneer een ambtenaar vertrouwelijke of interne informatie gebruikt om lopende politieke besluitvorming publiekelijk te beïnvloeden?
Onder andere Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Ambtenarenwet 2017, de Cao Rijk en de Gedragscode Integriteit Rijk bieden onder meer integriteitsrechtelijke, rechtspositionele en disciplinaire kaders voor ambtenaren. Welke kaders van toepassing zijn en hoe deze worden ingezet, is afhankelijk van de omstandigheden in een specifieke zaak.
Acht u het, gelet op deze casus, verdedigbaar dat het kabinet de regie in dit dossier heeft, wanneer ambtenaren op deze wijze naar buiten treden, de Staat aanklagen en zich daarover ook openlijk uitlaten op sociale media?3
Verwezen wordt naar de antwoorden op vraag 6, 7, 8 en 10.
Is het kabinet bereid onomwonden uit te spreken dat ambtenaren mogen waarschuwen, adviseren en, waar de wet dat toestaat, melden, maar dat zij geen parallel politiek strijdtoneel via media en procedures mogen organiseren tegen het eigen kabinetsbeleid?
Rijksbreed wordt een werkklimaat bevorderd waarbij medewerkers op de werkvloer hun vragen en dilemma’s- bij collega’s en leidinggevenden kunnen uitspreken en samen met hen kunnen onderzoeken hoe hier het beste mee om te gaan. Het bieden van ruimte voor reflectie en dialoog op de werkvloer behoort volgens het kabinet niet alleen tot goed werkgeverschap, maar is juist ook noodzakelijk om als rijksdienst effectief te kunnen functioneren en de neutraliteit te behouden.
Na het ambtelijk advies besluit uiteindelijk de bewindspersoon. De politieke weging kan tot een ander besluit leiden dan ambtelijk werd geadviseerd. De bewindspersoon legt daarover verantwoording af aan het parlement. Vervolgens voeren ambtenaren uit wat politiek is besloten, ook als de politieke weging tot een ander besluit heeft geleid dan werd geadviseerd. Als de uitvoering van een politiek besluit onbedoelde gevolgen heeft, is het de taak van ambtenaren om die signalen terug te leggen bij de verantwoordelijk bewindspersoon zodat die het besluit kan heroverwegen. Ook dan besluit uiteindelijk de politiek.
Verder wordt verwezen naar het antwoord bij vraag 6.
Zou u de vragen afzonderlijk van elkaar willen beantwoorden?
Ja.
De nominatie van Iran en de verkiezing van China, Cuba, Nicaragua, Saudi-Arabië en Soedan tot commissies van de Verenigde Naties |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Klopt het dat de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (ECOSOC) op 8 april Iran heeft genomineerd voor de Commissie voor Programma en Coördinatie (CPC) en China, Cuba, Nicaragua, Saudi-Arabië en Soedan heeft verkozen tot lid van de Commissie voor Niet-Gouvernementele Organisaties? Klopt het dat Nederland deze besluiten heeft gesteund, of althans zich niet heeft gedistantieerd van de consensus? Welke overwegingen speelden hierbij een rol?
Het klopt dat Iran is genomineerd voor een verkiezing in de Commissie voor Programma en Coördinatie (CPC). Het is echter niet zo dat Nederland deze nominatie heeft gesteund. Iran’s nominatie volgt uit het feit dat landen in dit specifieke geval zichzelf mogen kandideren binnen hun eigen regionale kiesgroep. In het geval van Iran gaat het om de Asia Pacific Group (APG). Nederland maakt geen deel uit van deze specifieke kiesgroep en heeft derhalve geen invloed op voordrachten door de APG, die door de APG zelf zijn bekrachtigd.
Een steunvraag komt voor Nederland pas aan de orde bij de uiteindelijke verkiezingen voor de CPC, die plaatsvinden tijdens een nog nader te bepalen plenaire sessie van de Algemene Vergadering van de VN in het najaar. Hoewel het kabinet nooit publiekelijk uitspraken over stemposities bij geheime verkiezingen kan uw Kamer ervan uitgaan dat de kans nihil is dat het kabinet onder de huidige omstandigheden steun aan Iran zal geven in een VN-verkiezing.
Voor wat betreft de verkiezing voor het Comité voor Niet-Gouvernementele Organisaties (CNGO) hadden China, Cuba, Nicaragua, Saoedi-Arabië en Soedan zich kandidaat gesteld binnen hun eigen regionale kiesgroepen. Elke regionale groep bezet een vast aantal zetels in deze commissie. Wanneer het aantal kandidaten van een bepaalde kiesgroep gelijk is aan het aantal beschikbare zetels voor die betreffende kiesgroep (clean slate), worden landen bij acclamatie gekozen. Dat was het geval voor de bovengenoemde landen.
Indien echter meer landen uit een kiesgroep zich kandideren dan het aantal beschikbare zetels voor hun regionale groep, vindt er een stemming plaats. Stemgerechtigde VN-landen kunnen dan via een, in de regel geheime, stemming kiezen of er wel of geen steun voor een bepaalde kandidatuur wordt gegeven. Zo wist Belarus tijdens de stemming op 8 april geen zetel in het CNGO te bemachtigen omdat er een tegenkandidaat was. Ook Iran kreeg geen zetel in de Commissie voor de Status van Vrouwen (CSW) omdat er een tegenkandidaat werd verkozen.
Klopt het dat het CPC zich onder andere buigt over thema’s als gendergelijkheid, mensenrechten en voorkomen van terrorisme? Acht Nederland het passend en geloofwaardig dat Iran als onderdeel van de CPC programma’s over dergelijke en andere thema’s gaat beoordelen? Zo, waarom?
De CPC is een orgaan dat advies uitbrengt over de coördinatie, planning en evaluatie van VN-programma’s. De commissie geeft advies over budgettering en evalueert plannen, onder andere met het oog op het voorkomen van dubbel werk in het bredere VN-systeem. Inhoudelijke adviezen specifiek op het gebied van bijv. gendergelijkheid, mensenrechten en het voorkomen van terrorisme volgen uit andere VN-organen zoals respectievelijk de Mensenrechtenraad of het Mensenrechtencomité, UN Women of het VN Antiterrorismecomité.
In algemene zin wil Nederland dat landen met een democratische rechtsstaat, die de internationale rechtsorde steunen en het VN-Handvest respecteren, goed vertegenwoordigd zijn in VN-organen. De VN is evenwel een afspiegeling van alle 193 lidstaten en Nederland kan niet altijd voorkomen dat landen zich nomineren of worden verkozen die niet aan die standaarden voldoen. Dat geldt zeker voor de nominatie van Iran. Iran is daarmee overigens nog niet verkozen tot de CPC; en het is de verwachting dat meerdere VN-lidstaten in het bepalen van hun stempositie het Iraanse track record op mensenrechten kritisch zullen meewegen.
Klopt het dat meer dan zeventig maatschappelijke organisaties van tevoren regionale groepen hebben opgeroepen om meer kandidaten aan te leveren voor lidmaatschap van de Commissie over NGO’s?1 Is er opvolging gegeven aan deze oproep? Zo ja, op welke manier?
Ja, het kabinet is bekend met deze oproep. Competitieve verkiezingen binnen de VN zijn van belang, zeker als het betekent dat landen die de democratische rechtstaat en de internationale rechtsorde respecteren hierdoor meer kans hebben om verkozen te worden. Nederland maakt echter alleen deel uit van de Western European and Other States Group (WEOG) en heeft geen invloed op de voordrachten van andere regionale groepen. Andersom geldt dit ook: landen uit andere regionale groepen hebben geen invloed op de vraag of Nederland zich kandideert voor een verkiezing of niet.
Hoe beoordeelt u dat landen waarin het maatschappelijk middenveld onder druk staat, via de Commissie mogen bepalen welke maatschappelijke organisaties toegang krijgen tot de Verenigde Naties? Kunt u toelichten waarom u lidmaatschap van dergelijke landen passend vindt en waarom u er bijvoorbeeld vertrouwen in heeft dat deze landen niet tegen de accreditatie van legitieme NGO’s zullen stemmen?
Het is in het algemeen onwenselijk dat landen waarin het maatschappelijk middenveld onder druk staat mede kunnen bepalen welke NGO’s waarnemersstatus krijgen binnen de VN. Het kabinet acht het in het verlengde hiervan onwenselijk dat de regels binnen het Comité voor Niet-Gouvernementele Organisaties (CNGO) worden gebruikt om VN-accreditatie van organisaties te vertragen. Het komt voor dat NGO’s door deze werkwijze lang moeten wachten op hun toegang of helemaal geen accreditatie kunnen ontvangen. Nederland heeft geen zitting in de commissie, maar maakt zich binnen de VN hard voor betere toegang van het maatschappelijk middenveld en efficiëntere en transparantere procedures, onder meer binnen het VN80-hervormingsinitiatief.
Klopt het dat de Verenigde Staten zich van de besluiten hebben gedistantieerd?2 Waarom heeft Nederland hier niet voor gekozen?
De VS heeft zich, als enige land, op 8 april middels een explanation of position uitgesproken over de nominatie van Iran voor de CPC en de verkiezing van landen in het CNGO. Een dergelijke uitspraak heeft geen gevolgen voor de nominatie of verkiezing van landen. Daarom, en omdat het hier een nominatie en een clean slate betrof, zagen andere landen, waaronder Nederland, geen toegevoegde waarde in een explanation of position.
Een explanation of position is in het algemeen een minder gebruikelijk instrument bij kandidaturen, zeker als er sprake is van een clean slate of nominatie en omdat stemmingen geheim zijn. Zoals veel landen binnen de VN, doet Nederland dit alleen in gezamenlijkheid: in overeenstemming met een brede groep gelijkgezinde en/of Europese landen. Zie ook het antwoord op vraag 1 en vraag 7.
Bij een stemming, zoals voor CPC in het najaar, weegt Nederland zaken als het respecteren van mensenrechten en de internationale rechtsorde sterk mee in de stembepaling.
Kunt u in algemene zin schetsen hoe Nederland zich verhoudt tot de deelname van landen die structureel mensenrechten schenden aan commissies die zich bezighouden met het bevorderen van mensenrechten, mede in het licht van Artikel 90 Grondwet? Bent u het eens dat deelname van dergelijke landen niet passend is en bijdraagt aan erosie van de internationale rechtsorde, waar de Verenigde Naties één van de belangrijkste organisaties van is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het onwenselijk en niet passend dat landen die structureel mensenrechten schenden zitting nemen in organen die juist mensenrechten moeten verdedigen. Nederland houdt in zijn stemposities daarom altijd in zeer sterke mate rekening met het track record van landen op het gebied van mensenrechten.
Desalniettemin kan niet altijd worden voorkomen dat landen verkozen worden in VN-commissies. Bovendien heeft elke VN-lidstaat het recht zich kandidaat te stellen. De VN is, onder andere door het systeem van regionale groepen, een afspiegeling van de wereld. Aan het brede lidmaatschapsprincipe wil het kabinet niet tornen. Ook gebruikt Nederland de verkiezing van landen in bepaalde mensenrechtengremia om hen (extra) te wijzen op de verwachtingen die horen bij een dergelijk lidmaatschap.
Kunt u aangeven op welke momenten Nederland zich in het verleden heeft uitgesproken tegen deelname van landen die structureel mensenrechten schenden aan dergelijke commissies?
Het komt incidenteel voor dat Nederland in samenspraak met gelijkgezinde landen een verklaring van de stempositie heeft uitgesproken. Nederland heeft bijvoorbeeld met internationale partners uitgesproken dat het onwenselijk zou zijn dat Rusland opnieuw zou toetreden tot de Mensenrechtenraad nadat het is geschorst in 2022. Nederland heeft dit ook actief bij andere landen onder de aandacht gebracht, gelet op de voortdurende agressie van Rusland tegen Oekraïne en de repressie en mensenrechtenschendingen in Rusland zelf.
Meent u dat extra inzet vanuit Nederland, eventueel met gelijkgezinde landen, nodig is om te voorkomen dat landen die structureel mensenrechten schenden steeds worden verkozen voor commissies die zich bezighouden met mensenrechtengerelateerde onderwerpen? Zo ja, welke inzet kunt u toezeggen? Zo nee, waarom niet?
Kandidaturen van landen in deze commissies zijn lang niet altijd succesvol. Zo wordt via stemmingen regelmatig voorkomen dat Rusland en Belarus in dergelijke commissies plaatsnemen en heeft Iran tijdens de ECOSOC-stemmingen van 8 april geen enkele zetel behaald, waaronder in het voorbeeld van de Commissie voor de Status van Vrouwen. Ook gebeurt het dat landen zich terugtrekken als er te weinig steun voor hun kandidatuur lijkt te zijn. Zo heeft Iran zich in april jl. ook teruggetrokken voor de verkiezing van de Uitvoerende Raad van het Wereldvoedselprogramma.
De inzet van het kabinet is er met name erop gericht om de invloed van Nederland binnen de VN te vergroten om zo de Nederlands belangen, onder meer op het gebied van de internationale rechtsorde, veiligheid en stabiliteit en mensenrechten, te blijven dienen. Hierbij hoort ook het belang dat landen verkozen worden in VN-commissies die deze fundamenten onderschrijven. Het kabinet zegt graag toe dat Nederland dit onderwerp in samenspraak met andere landen, en expliciet in EU-verband, blijft opbrengen.
De rechtelijke uitspraak dat X (Twitter) volledige inzage moet geven in persoonsgegevens |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 april 2026 in de zaak tussen X (Twitter) en een individu om inzage te mogen krijgen in de gegevens die het bedrijf van hem bijhoudt?1
Wat is uw reactie op deze uitspraak en de gevolgen die het heeft voor de interpretatie van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zowel nationaal als in Europees verband?
Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen om een onafhankelijke analyse uit te voeren naar de gevolgen van de uitspraak voor de interpretatie, handhaving en uitoefening van het inzagerecht voor individuele gebruikers?
Bent u op de hoogte van meer (soortgelijke) rechtszaken die tegen grote techbedrijven als X (Twitter) lopen? Welke gevolgen heeft de uitspraak op deze lopende zaken?
Hoe wordt er op toegezien dat X (Twitter) de uitspraak van de rechter naar behoren uitvoert en (nagenoeg) volledige inzage geeft in de persoonsgegevens van de gebruiker, gezien het feit dat deze partij eerder al weigerde dit te doen?
Bent u op de hoogte dat X (Twitter) in deze zaak meermaals heeft geprobeerd om de andere partij een spreekverbod op te leggen? Erkent u dat deze handelingen vanuit een groot internationaal techbedrijf intimiderend is tegenover één individu?
Biedt de richtlijn tegen Strategic Lawsuit Against Public Participation (anti-SLAPP-richtlijn) genoeg bescherming tegen individuen die een zaak aanspannen richting grote internationale techbedrijven zoals X (Twitter)? Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen om individuen die procederen tegen dit soort bedrijven te beschermen?
Bent u bekend met de afwijzing van een handhavingsverzoek van de betrokken individu bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM), mede omdat er al een civiele zaak loopt?2 Kunt u er in samenwerking met de ACM op toezien dat handhavingsverzoeken en civiele zaken elkaar in het vervolg niet meer uitsluiten?
Welke gevolgen heeft het als X (Twitter) niet voldoet aan deze uitspraak? Kan het bedrijf worden gesanctioneerd of alsnog tot openheid gedwongen worden?
Zijn de huidige boetemogelijkheden voor het niet naleven van de AVG volgens u voldoende effectief? Bent u bereid te onderzoeken of er aanvullende handhavingsmogelijkheden, zoals het persoonlijk aansprakelijk maken van bestuurders zoals in andere EU-landen,3 wenselijk zijn voor bedrijven die stelselmatig de wet niet naleven?
Erkent u dat, na deze historische uitspraak, elke gebruiker het recht heeft om (nagenoeg) volledige inzage te verkrijgen in de gegevens die X (Twitter) over hem of haar bijhoudt? Voor welke andere (soorten) bedrijven zet deze uitspraak een precedent?
Bent u het met de indieners eens dat de toegang tot het inzagerecht voor alle gebruikers toegankelijk moet zijn en uitgeoefend kan worden, ongeacht juridische kennis en middelen?
Hoe kan de rechtspositie van individuele gebruikers versterkt worden om zich met gemak te beroepen op het inzagerecht richting grote techbedrijven? Welke maatregelen kunt u hiertoe nemen?
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor een eensgezinde uitleg van het inzagerecht van de AVG conform de rechtelijke uitspraak, en de Nederlandse interpretatie te erkennen als norm binnen alle EU-lidstaten?
Bent u het met de indieners eens dat grote techbedrijven zoals X (Twitter) zouden moeten meebetalen aan de handhaving van de wetgeving die zij overtreedt, zoals het geval is onder de Digital Services Act, maar nog niet het geval is onder de AVG?
Hoeveel belastinggeld betaalt X (Twitter) momenteel in Nederland?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten?1
Kunt u aangeven hoeveel situaties bij u bekend zijn van kleine scholen die per schooljaar 2026–2027 gaan sluiten?
Deelt u de constatering dat de aanwezigheid van de school van groot belang is voor de vitaliteit van de lokale gemeenschap en dat met het al dan niet voortbestaan vaak ook andere kernfuncties in de gemeenschap gemoeid zijn?
Welke inspanning levert u in het kader van de inzet voor vitale regio’s en de leefbaarheid van het platteland om zoveel mogelijk te voorkomen dat scholen sluiten? Bent u bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de PO-Raad te overleggen hoe het voortbestaan van kleine scholen door beleid en wetgeving extra ondersteund kan worden?
Vindt u het acceptabel dat besturen een voornemen tot sluiting slechts enkele maanden voor de zomervakantie bekendmaken? Welke wettelijke waarborgen zijn er om te waarborgen dat sprake is van een redelijke termijn en in hoeverre zijn extra waarborgen nodig, bijvoorbeeld in de regeling van termijnen voor de medezeggenschap?
Wat vindt u ervan dat de berekening van de verwachte leerlingengroei zodanig ingewikkeld is dat deze zelfs voor de rechter moeilijk vast te stellen valt?2 Welke mogelijkheden tot verduidelijking ziet u ten dienste van de praktijk in gemeenten?
Onderkent u dat de bouw van nieuwe woningen een wezenlijke factor kan zijn die het voortbestaan van een school mogelijk zou kunnen maken indien een of enkele jaren extra respijt zou bestaan in de berekening? Bent u bereid te verkennen hoe hiermee, mogelijk op vergelijkbare wijze als bij de discretionaire bevoegdheid voor scholen onder de 23 leerlingen, beter rekening gehouden kan worden gelet op de woningbouwopgave die op veel plaatsen in het land aan de orde is?
Bent u bereid om te onderzoeken hoe beleid en wetgeving nieuwe rechtspersonen die een kleine school willen overnemen beter kunnen ondersteunen indien dat initiatief voldoende kansrijk is? Op welke wijze kan hierbij gebruik gemaakt worden van eerdere ervaringen, zoals de overname van de basisschool in Griendtsveen?
De opleiding en BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»?1
Hoe kan de BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) bijdragen aan het tekort dat er is aan GZ-psychologen?
Hoe kan het dat u stelt dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen leidt tot hogere zorgkosten door een hogere inschaling, terwijl uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als GZ-psychologen?
Klopt het dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn voor jongeren van 18 jaar en ouder, en daardoor in de praktijk deze groep niet zelfstandig kunnen behandelen?
Erkent u dat de overgangsregeling van maximaal 365 dagen slechts een tijdelijke oplossing biedt, waarna alsnog een behandelonderbreking optreedt en cliënten opnieuw een intake en behandeling moeten starten, met onnodige belasting en inefficiëntie tot gevolg?
Hoe doelmatig acht u het dat K&J-psychologen zich kunnen omscholen tot GZ-psycholoog met publieke opleidingsmiddelen van 54.000 euro, per opleidingsplek, terwijl zij reeds een opleiding hebben gevolgd die volgens veldpartijen en de hoofdopleiders van de GZ-opleiding als gelijkwaardig wordt beschouwd?
Herkent u het signaal uit het artikel dat selectiecommissies kandidaten voor de reguliere GZ-opleiding weigeren omdat de kandidaten met een K&J-opleiding overgekwalificeerd zijn?
Heeft u overwogen om deze groep K&J-psychologen in te zetten als volwaardig GZ-psycholoog en tegelijkertijd het aantal opleidingsplaatsen tijdelijk te verlagen, hetgeen kan leiden tot een bezuiniging van minstens 54 miljoen euro in de komende 10 jaar (54.000 x +/- 1.000)? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Kunt u toelichten waarom de uitvoering van de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598), waarin wordt opgeroepen om met het veld te spreken over een oplossing voor deze groep, in de praktijk niet heeft geleid tot een gesprek over de meer dan 1.000 gedupeerde K&J-psychologen, maar zich heeft gericht op de toekomstige positionering van K&J-psychologen? Waarom zijn K&J-psychologen zelf niet uitgenodigd voor het rondetafelgesprek van 4 februari 2026, terwijl de motie juist oproept om met hen in gesprek te gaan?
Hoe verhoudt de stelling dat een BIG-registratie niet noodzakelijk is voor patiëntveiligheid zich tot het feit dat binnen de GGZ het regiebehandelaarschap bij complexere problematiek en bij jongeren van 18 jaar en ouder juist is voorbehouden aan BIG-geregistreerde professionals, precies waar de K&J-psychologen werkzaam zijn?
Het bericht 'Kinderen weggehaald uit gezinshuis waar vuurwapens werden gevonden. ‘Dit verdient niet de schoonheidsprijs’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kinderen maandenlang verbleven in een Fries gezinshuis waar vuurwapens, munitie en zelfs materiaal in verband met ricine zijn aangetroffen, en beseft u hoe ontluisterend dit is voor het vertrouwen in de jeugdzorg?1
Hoe kan het in vredesnaam dat kinderen die door de overheid uit hun thuissituatie zijn gehaald zogenaamd voor hun veiligheid, vervolgens terechtkomen in een gezinshuis van een potentiële terrorist en waar zulke levensgevaarlijke spullen aanwezig blijken te zijn? Welke screening heeft bijvoorbeeld ooit plaatsgevonden op dit gezinshuis, op de gezinshuisouders en op hun directe leefomgeving, en hoe kan het dat die screening kennelijk totaal onvoldoende was?
Waarom zijn deze kinderen niet onmiddellijk weggehaald na de inval van 11 juni 2025, maar hebben zij nog maanden in deze onaanvaardbare situatie moeten verblijven? Wie nam dat besluit, op basis waarvan, en acht u dat besluit achteraf nog steeds verdedigbaar? Welke instanties waren bijvoorbeeld op welk moment op de hoogte van de inval, de aangetroffen wapens en de verdere veiligheidsrisico’s, en wie heeft vervolgens nagelaten om direct in te grijpen?
Hoeveel andere gezinshuizen, pleeggezinnen of vergelijkbare jeugdhulplocaties zijn de afgelopen vijf jaar in beeld geweest wegens wapens, geweld, extremisme, criminaliteit, terrorisme of andere acute veiligheidsrisico’s? Kunt u daarvan een volledig overzicht naar de Kamer sturen? Indien registratie ontbreekt, bent u bereid ervoor te zorgen dat een registratiesysteem landelijk wordt ingesteld, zodat de Kamer helder inzicht krijgt?
Welke directe maatregelen gaat u nu nemen om te voorkomen dat kinderen elders in Nederland op dit moment nog in een vergelijkbaar onveilige jeugdhulpsetting verblijven en bent u bereid alle gezinshuizen in Nederland versneld door te lichten op veiligheid, antecedenten, wapenbezit, criminele contacten en signalen van radicalisering of extremisme, en de Kamer vóór het zomerreces over de uitkomsten te informeren?
Kunt u zich indenken hoe de ouders van deze uithuisgeplaatste kinderen zich moeten voelen nu blijkt dat hun kinderen in een gezinshuis met vuurwapens, munitie en ricine-gerelateerd materiaal verbleven? Zo ja, begrijpt u dat dit ook bij andere ouders van uit huis geplaatste kinderen leidt tot diep wantrouwen, angst en onzekerheid over de veiligheid van hun kind? En wat gaat u concreet doen om dat wantrouwen en die onzekerheid weg te nemen?
Buitenproportionele eisen voor vrijwilligers in de traditionele scheepvaart |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, in aanvulling op uw eerdere beantwoording van schriftelijke vragen op hetzelfde onderwerp, een nadere duiding geven van de kosten die gepaard gaan met de vereiste van het bezig van het kwalificatiecertificaat schipper? Kunt u in ieder geval ingaan op welke kosten gepaard gaan met een verplichte tweejaarlijkse medische keuring?1
De kosten voor het behalen van het algemene kwalificatiecertificaat schipper zijn afhankelijk van de route die gekozen wordt om dit certificaat te behalen. Deze routes zijn vastgesteld in de Richtlijn beroepskwalificaties voor de binnenvaart. De opleiding tot schipper is een opleiding op MBO-3 niveau. De kosten voor een MBO-opleiding zijn op dit moment € 1.458,– per jaar. Daarbij komen nog de overige kosten voor bijvoorbeeld studiemateriaal, het aanvragen van een certificaat en de medische keuring.
Het is ook mogelijk het certificaat te behalen via het afleggen van examens bij het CBR. Welke route dan gevolgd kan worden is afhankelijk van de reeds aanwezige werkervaring. Ook gelden dan verschillende eisen voor wat betreft de te behalen vaartijd en opleidingsduur. Wanneer alleen gekeken wordt naar de kosten voor de examens schipper bij het CBR, dan komen deze in totaal op ongeveer € 1.200,–. Wordt bijvoorbeeld een traject gevolgd via een beroepsbegeleidende leerweg, dan zijn de kosten voor de opleiding daarnaast € 735,– per jaar. Ook hier moet rekening worden gehouden met de extra kosten, zoals hiervoor genoemd.
In alle gevallen geldt, dat er een aanzienlijk grotere tijdsinvestering gevraagd wordt voor het behalen van het algemene kwalificatiecertificaat schipper dan voor het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten, hetgeen ook effect heeft op de kosten. De vereiste vaartijd voor het kwalificatiecertificaat schipper ligt tussen de 180 en 540 dagen, afhankelijk van de gekozen route en de reeds opgedane werkervaring. Dit is aanzienlijk meer dan de 30 dagen, die vereist zijn voor het behalen van het kwalificatiecertificaat voor de schipper van open rondvaartboten.
Het maximale tarief voor een medische keuring in de binnenvaart is vastgesteld in de Regeling tarieven transportsectoren en is op dit moment € 175,–. In de praktijk worden deze keuringen aangeboden vanaf € 80,–.
Kunt u aangeven welke punten in de genoemde gesprekken met de vertegenwoordiging van de Enterse Zompen en het praambedrijf in Leeuwarden naar voren gebracht zijn, en hoe hier vervolgens opvolging aan gegeven is?
In de aanloop naar de vaststelling van de eisen aan het kwalificatiecertificaat voor de open rondvaartboten zijn meerdere gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers uit deze sector. Deze gesprekken hebben er met name toe geleid, dat de eisen nog meer werden afgestemd op het feit dat in deze sector veel vrijwilligers werkzaam zijn.
Tijdens het gesprek met de vertegenwoordiging van de Enterse zompen werd onder andere naar voren gebracht, dat de schippers intern al werden opgeleid en inmiddels veel ervaring hadden. Dit bleek voor veel organisaties te gelden, die met vrijwilligers werken. Bij de eisen voor het behalen van het kwalificatiecertificaat open rondvaartboot is mede hierom bepaald, dat organisaties zelf een opleidingsplan bij het CBR ter goedkeuring kunnen indienen en de opleiding en de eerste twee praktijktoetsen kunnen verzorgen. Voorts is voor bestaande bewezen ervaren schippers een overgangsregeling opgenomen: zij mogen direct de derde praktijktoets afleggen en hoeven ook het theoretisch examen niet af te leggen.
Klopt het dat in de Richtlijn (EU) 2017/2397 is bepaald dat lidstaten personen die uitsluitend actief zijn op nationale binnenwateren, die niet in verbinding staan met het vaarwegennet van een andere lidstaat, kunnen vrijstellen van de in de richtlijn opgenomen verplichtingen? Kunt u aangeven of is overwogen om van deze mogelijkheid gebruik te maken? En indien ja, waarom hier niet toe besloten is?
Het klopt het dat in de Richtlijn (EU) 2017/2397 is bepaald dat lidstaten personen die uitsluitend actief zijn op nationale binnenwateren, die niet in verbinding staan met het vaarwegennet van een andere lidstaat, kunnen vrijstellen van de in de richtlijn opgenomen verplichtingen en van die mogelijkheid is wel degelijk gebruik gemaakt. De richtlijn stelt daarbij echter tevens de eis dat het vervangende certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het Klein Vaarbewijs, dat te behalen is met het uitsluitend afleggen van een theoretisch examen, biedt voor het bedrijfsmatig vervoeren van meer dan 12 personen dit vereiste veiligheidsniveau niet. Daarom is voor schippers van open rondvaartboten gebruik gemaakt van genoemde vrijstellingsmogelijkheid, door het ontwikkelen van het speciaal op deze sector afgestemde certificaat. Voor dit certificaat gelden aanzienlijk minder zware eisen, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau wordt geboden, afgestemd op deze sector. Het accent ligt sterk op ervaring in de praktijk. Er hoeft slechts één theoretisch examen te worden afgelegd, dat gericht is op kennis van verkeersregels en -tekens.
Klopt het dat binnen dezelfde richtlijn de mogelijkheid wordt geboden om een kwalificatiecertificaat af te geven onder afwijkende voorwaarden, mits daarmee een afdoende veiligheidsniveau wordt gewaarborgd? Kunt u aangeven of is overwogen om van deze mogelijkheid gebruik te maken? En indien ja, waarom hier niet toe besloten is?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven is met het speciaal voor de open rondvaartsector ontwikkelde kwalificatiecertificaat gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De eisen voor het behalen van dit kwalificatiecertificaat open rondvaartboten zijn aanzienlijk lichter dan voor het behalen van het algemene Kwalificatiecertificaat schipper, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau wordt geboden, waar de passagiers aan boord van deze schepen op kunnen vertrouwen.
Bent u het ermee eens dat met een combinatie van een Klein Vaarbewijs en een intern verzwaarde praktijkopleiding een passend veiligheidsniveau gewaarborgd kan worden?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 stelt de richtlijn de eis, dat het af te geven vervangende certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het af te geven certificaat zou in dit voorstel het Klein Vaarbewijs zijn en dat biedt voor het vervoer van meer dan 12 passagiers een onvoldoende veiligheidsniveau. De resultaten van een intern verzwaarde opleiding maken geen onderdeel uit van het Klein Vaarbewijs en op een interne opleiding wordt geen toezicht gehouden.
Ik ben dan ook van mening dat met een Klein Vaarbewijs en een intern verzwaarde opleiding niet wordt voldaan aan de eisen van de richtlijn. Misschien nog belangrijker dan dat is, dat in de regelgeving dan onvoldoende gegarandeerd wordt dat de veiligheid van de passagiers op deze passagiersschepen wordt gewaarborgd. Dit is iets waar passagiers op moeten kunnen rekenen, zoals ook door de Onderzoeksraad voor Veiligheid is benoemd in hun rapporten naar aanleiding van de ongevallen op de Nieuwe Maas en in het Schuitengat.
Tot slot vind ik het belangrijk dat er in de praktijk wordt getoetst of het vereiste veiligheidsniveau door de schipper bereikt wordt. Daarom ligt het accent bij het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten sterk op praktijkervaring en het toetsen ervan. Dit ontbreekt volledig bij het Klein Vaarbewijs en kan bij een interne opleiding niet worden gecontroleerd.
De aanstaande Toetsingsconferentie van het NPV in New York |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welk niveau is Nederland vertegenwoordigd bij de aanstaande Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York van 27 april tot 22 mei?
Nederland is tijdens de 11e Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) van 27 april tot en met 22 mei 2026 op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie wordt geleid door onze ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening/high level segment in de eerste week is Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die zich in het buitenland onder de titel van Vice-Minister mag presenteren. De delegatie bestaat verder uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken vanuit Den Haag, de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève, Wenen en de ambassade in Washington, met specifieke verantwoordelijkheden voor de verschillende onderdelen van het Non Proliferatie Verdrag (ontwapening, non proliferatie, vreedzaam gebruik).
Kunt u de Nederlandse inzet voor de Toetsingsconferentie delen met de Tweede Kamer, zoals is gedaan voor de vorige Toetsingsconferenties in 2015 en 2022 (Kamerstuk 33 783, nr. 48)?
Ja. Hiertoe verwijs ik u naar de Nederlandse inzet zoals is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Is de naleving van het NPV in letter en geest nog steeds kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja. De naleving van het NPV in letter en geest is en blijft kabinetsbeleid.
In de Kamerbrief van 17 april 2026 wordt het NPV expliciet beschreven als de hoeksteen van de mondiale veiligheid op het gebied van nucleaire wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening. Het kabinet benadrukt daarin dat de drie pijlers van het NPV als gelijkwaardig en onderling verbonden worden beschouwd en dat Nederland zich inzet voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI. Nederland houdt zich onverminderd aan de verplichtingen uit het NPV en andere relevante verdragen en afspraken. Tegelijk blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van de Toetsingsconferentie?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord. Daarbij verwijs ik naar de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» van 17 april 2026 (Kamerstuk 33 783, nr. 53), waarin de Nederlandse inzet en beleidslijn uitgebreid zijn toegelicht.
Het afbouwen van de afhankelijkheid van kunstmest en het versnellen van de inzet van RENURE |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel stikstofkunstmest (in tonnen Nitraat) Nederland jaarlijks importeert, welk aandeel daarvan direct of indirect afkomstig is uit de Golfregio en hoe de blokkade van de Straat van Hormuz de prijs van gangbare kunstmeststoffen op de Nederlandse markt heeft beïnvloed?
De hoeveelheid stikstofkunstmest die Nederland jaarlijks importeert varieert de afgelopen 10 jaar grofweg tussen de 150 en 300 kiloton en is met name bedoeld voor doorvoer naar andere landen. Deze import is niet goed in tonnen nitraat uit te drukken, omdat er diverse vormen van stikstof worden geïmporteerd. Deze stikstofkunstmest was niet afkomstig uit de Golfregio, maar werd in de afgelopen jaren met name vanuit Rusland en in mindere mate ook uit Algerije, China en Noorwegen geïmporteerd. In 2026 is tot dusver vooral uit Egypte en in mindere mate uit Noorwegen geïmporteerd.1
De grondstoffen die voor de productie van stikstofkunstmest in Nederland gebruikt worden (met name aardgas) kunnen mogelijk wel afkomstig zijn uit de Golfregio. Dit is echter niet goed te achterhalen.
De prijs van stikstofkunstmest in Europa2 is de afgelopen maanden met ongeveer 18–24% gestegen (m.u.v. ureum, dat met 48% steeg) ten opzichte van eind februari 2026 door de blokkade van de straat van Hormuz, maar ten dele ook door andere factoren.3 Door tijdelijke tekorten bij Indiase aanbestedingen steeg de ureumprijs eerder al.4 Ook het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en heffingen op Russische kunstmest zijn mogelijk van invloed. De prijs lijkt de afgelopen weken te zijn gestabiliseerd.5 Ten algemene valt te stellen dat de prijzen voor stikstofkunstmest op de Nederlandse markt op dit moment niet zo hoog zijn als in 2022/2023, na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne (€ 923/ton ten opzichte van de huidige € 519/ton).
Deelt u de inschatting van de brancheorganisatie Meststoffen Nederland dat er op dit moment geen tekorten zijn dankzij de Europese productiecapaciteit? Hoe beoordeelt u de houdbaarheid hiervan indien de Hormuz-blokkade voortduurt?
Ik deel deze inschatting, niet alleen vanwege de Europese productiecapaciteit maar ook vanwege de voorraden die veel boeren al hadden aangelegd. Deze inschatting wordt ook gedeeld door onder meer de toelichting van de Europese Commissie aan Lidstaten over de uitkomst van de besprekingen met experts in de Fertilisers Market Observatory https://agriculture.ec.Europa.eu/data-and-analysis/markets/overviews/market-observatories/fertilisers_en.
Indien de blokkade voortduurt kunnen de prijzen van aardgas en stikstofkunstmest verder stijgen. De prijs van stikstofkunstmest is direct gekoppeld aan die van aardgas. Mogelijk kan daarmee een situatie ontstaan waarin de productie in Nederland niet langer rendabel is, zoals in 2022 kort is voorgekomen.6 Hiervoor moeten de gasprijzen echter nog significant stijgen, ook ten opzichte van de wereldprijs van stikstofkunstmest uit andere landen. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 april 2026 heeft het kabinet uiteengezet wat de verwachting is ten aanzien van de gasprijs.7 Zoals daarin aangegeven is de impact op prijzen en leveringszekerheid in Nederland minder groot dan in 2022.
Deelt u de opvatting dat leveringszekerheid van kunstmest een strategisch belang is dat vraagt om het behoud van sterke Europese productiecapaciteit en ziet u in RENURE-technologie en circulaire mestverwerking een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw structureel minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen?
Ik deel de opvatting dat het borgen van Europese productiecapaciteit van strategisch belang is. Dit is ook de reden dat ik tijdens de Landbouw- en Visserijraad steun heb uitgesproken voor het in stand houden van het CBAM voor de kunstmestindustrieën, en één van de redenen voor een verhoging van de importheffingen op stikstofkunstmest uit Rusland en Belarus.8
Ik zie RENURE-technologie en circulaire mestverwerking daarbij als een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen. Op korte termijn (1 á 2 jaar) zal de productiecapaciteit van RENURE hiervoor echter onvoldoende zijn. Er is meer capaciteit voor circulaire mestverwerking nodig om de volatiliteit in de kunstmestmarkt te kunnen dempen. Daarbij is de problematiek rondom stikstofdepositie en de effecten daarvan op de vergunningverlening een belangrijke factor.
Welke concrete stappen zet u om de toepassing van RENURE (verwerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger) te versnellen zodat de Nederlandse landbouw minder afhankelijk wordt van geïmporteerde stikstofkunstmest?
Zoals vermeld in de brief van 8 april 20269 ligt de regelgeving voor de nationale implementatie van de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die het mogelijk maakt RENURE te gebruiken, voor notificatie voor in Brussel. De verwachting is dat rond de zomer van 2026 de regelgeving in werking treedt en dat dan gestart kan worden met het gebruik van RENURE-meststoffen boven op de norm dierlijke mest die geldt vanuit de Nitraatrichtlijn (80 kg stikstof per hectare extra boven op de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest).
Om de productie van RENURE op te schalen wordt ook gewerkt aan een subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven en voor grootschalige installaties voor mestverwaarding tot RENURE-producten. Het is daarbij van belang stappen te zetten in de stikstofproblematiek, zodat er voldoende ruimte ontstaat voor vergunning voor deze installaties. Het kabinet heeft daarnaast, zoals in de voornoemde brief op 20 april 2026 aan de Kamer gecommuniceerd extra middelen beschikbaar gesteld om de afhankelijkheid van energie en kunstmest in de land- en tuinbouwsector te verminderen.
In hoeverre heeft Nederland zich in Brussel ingezet voor snellere Europese erkenning van RENURE-producten als volwaardige kunstmestvervanger onder de EU Fertilising Products Regulation?
In 2024 is de Fertilising Products Regulation (FPR) reeds aangepast zodat (producten uit) verwerkte dierlijke mest, zoals RENURE, binnen de interne markt kunnen worden verhandeld. Deze aanpassing van de FPR is echter minder relevant voor de huidige Europese toelating van RENURE-meststoffen. De productietechnieken die met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn zijn toegestaan, zijn op dit moment met name geschikt voor productie en gebruik op de lokale markt en om diverse redenen niet interessant voor verhandeling op de interne Europese markt.
Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld de kosten die gepaard gaan met een voor de FPR verplichte CE-markering, en het feit dat RENURE-meststoffen, die voldoen aan de eisen van de FPR, tot dusver een relatief lage concentratie stikstof hebben ten opzichte van stikstofkunstmest. Dat maakt transport snel onrendabel. Bovendien is er voor de meeste producenten van bestaande RENURE-meststoffen in voldoende mate in Nederland een afzetmarkt te vinden.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De Raad van State spreekt van een «Tirannie van het hedendaagse» en benadrukt noodzaak van langetermijnbeleid»?1
Deelt u de mening dat de belangen van toekomstige generaties vaak onvoldoende zijn gewaarborgd bij de totstandkoming van beleid?
Kunt u uiteenzetten hoe de belangen van toekomstige generaties momenteel worden meegewogen bij de totstandkoming van nationaal beleid?
Kunt u uiteenzetten welke onafhankelijke instanties de Rijksoverheid momenteel adviseren over de gevolgen van beleid voor toekomstige generaties?
In hoeverre is de generatietoets zoals voorgesteld in de motie-Segers/Jetten (Kamerstuk 35 300, nr. 24) inmiddels structureel onderdeel van het beleidsproces van de Rijksoverheid?
Bent u bereid het aanstellen van een Nationale ombudsman voor toekomstige generaties te verkennen?
Hoe beoordeelt u de plannen van de Europese Commissie voor een Strategy of Intergenerational Fairness?2
Bent u bereid om naar aanleiding van het plan van de Commissie ook een Nederlandse intergenerationele rechtvaardigheidsstrategie te ontwikkelen?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel?1
Kunt u zich herinneren dat in het plenaire debat van 11 februari 2026, in reactie op vragen van het lid Heutink over het driesporenbeleid, u heeft geantwoord dat er, totdat de processen van die drie sporen zijn doorlopen, er niets zou gebeuren? Zo nee, wat heeft u dan wel gezegd?
Klopt het dat er na afronding van spoor twee al een handtekening door de koper en verkoper gezet zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Als blijkt dat er na afronding van spoor twee al een handtekening gezet zou kunnen worden, hoe kunt u dan zeggen dat er totdat de drie sporen zijn doorlopen er niets zou gebeuren?
Bestaat er een mogelijkheid dat u in uw reactie geantwoord heeft vanuit de context? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten en de context delen met de Kamer? Zo nee, waar komt dit antwoord dan vandaan?
Deelt u de mening dat u de Kamer destijds gerust heeft gesteld door te stellen dat er niets zou gebeuren, en er dus ook geen handtekening zou worden gezet, totdat de drie sporen zijn afgerond? Deelt u deze mening, nu u dit artikel leest, nog steeds? Zo ja, waarom? Zo nee, wat was dan de mening van het kabinet ten tijde van het debat geweest?
Uit welke wet blijkt dat het treffen van mitigerende maatregelen randvoorwaardelijk is om tot koop en verkoop door partijen over te gaan? Graag een uitgebreide toelichting.
Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te zetten en dus geen goedkeuring te verlenen inzake de overname van Solvinity door Kyndril voordat alle feiten op tafel liggen en voordat de Kamer hier een uitspraak over heeft gedaan?
Kunt u garanderen dat deze klokkenluider beschermd wordt en op geen enkele wijze benadeeld wordt en nu en in de toekomst op een veilige plek zijn werk kan verrichten?
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering van de directeur van Fire Point dat de Nederlandse vergunningsprocedures aanvoelen als «rennen met een loodzware rugzak», mede in het licht van de toezegging van de Minister-President om flink te investeren in de gezamenlijke productie van drones?
Wij herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Dit doen we onder andere door het organiseren van handelsmissies, het verwerven bij de Oekraïense defensie industrie en het scheppen van de randvoorwaarden voor succesvolle samenwerking tussen Oekraïense en Nederlandse bedrijven. Nederland neemt om deze reden actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Herkent u (de Minister van Defensie) het beeld dat bureaucratie een belemmering vormt voor de vestiging en opschaling van de defensie-industrie in Nederland? Is dit een knelpunt dat specifiek speelt bij de productie van drones en aanvalswapens, of herkent u dit bij de defensie-industrie in den brede?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden. Voor concrete interventies wordt gewacht op de uitkomsten van de economische beleidsanalyse (EBA).
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren door knelpunten te adresseren. Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.2 Daarnaast werken we samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de gehele defensie-industrie.
Welke stappen onderneemt u om defensie-innovatiebedrijven uit landen als Oekraïne, die onder oorlogsomstandigheden een ongekend innovatietempo hebben ontwikkeld, te laten aansluiten op het Nederlandse defensie-ecosysteem zonder dat zij vastlopen in vergunningsstelsels die op vredestijd zijn ingericht?
Om te leren van Oekraïense innovaties werkt Defensie aan coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven (Build With Ukraine). Hiermee wil het kabinet de industriesamenwerking met Oekraïne versterken. De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke concrete stappen heeft u sinds uw aantreden gezet om vergunningsprocedures voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland te versnellen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de doorlooptijd van vergunningen voor de productie van drones?
Het verminderen van regeldruk en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland zijn belangrijk onderwerpen in het coalitieakkoord. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.3 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het doel is om generiek tot verbeteringen te komen, er bestaan geen specifieke initiatieven voor de defensie-industrie.
Het kan per project verschillen of een vergunning nodig is voor militaire productie en zo ja, hoe lang een procedure duurt. Dit is onder andere afhankelijk van de locatie en de complexiteit van het project. Zeker als er gevaarlijke stoffen, milieubelastende behandelingen en/of de assemblage van munitie worden voorzien zijn de vergunningprocedures in Nederland complexer. Daarom staat Defensie in goed overleg met decentrale overheden om te onderzoeken hoe militaire productie zo snel mogelijk van start kan gaan, bijvoorbeeld via een eventuele gedoogconstructie. Uiteindelijk is het aan decentrale overheden als bevoegd gezag om hierover te besluiten.
Lopen er op dit moment initiatieven om het vestigingsklimaat voor defensie-innovatiebedrijven in Nederland gericht te verbeteren? Zo ja, welke zijn dat en op welke termijn verwacht u daar resultaat van?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe verloopt de afstemming tussen de Ministeries van Defensie en van Economische Zaken en Klimaat over het wegnemen van knelpunten voor de defensie-industrie? Welk departement heeft hierbij de regie?
De ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat werken doorlopend met elkaar samen, ook in afstemming met brancheverenigingen en koepelorganisaties, bijvoorbeeld op het gebied van het wegnemen van knelpunten voor de opschaling van de defensie-industrie. Zo hebben de ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat gezamenlijk de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 geschreven.4
Het specifieke deelonderwerp bepaalt welk ministerie de regie heeft en welk ministerie daarbij ondersteunend is.
Bent u bereid om, naar Deens voorbeeld, een versnelde vergunningprocedure in te richten specifiek voor defensie-innovatiebedrijven die willen produceren in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoe voorkomt u dat Nederland achter landen als Denemarken aanloopt als vestigingsland voor defensie-innovatie, gegeven het feit dat Denemarken bewust regelgeving heeft aangepast aan de urgentie van de huidige veiligheidssituatie?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de beperkte beschikbare ruimte en de grote druk op de fysieke leefomgeving. Een voorbeeld hiervan is het eerste coproductieproject tussen VDL en het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe staat het met de operationalisering van het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?
Het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), dat is aangekondigd in het coalitieakkoord, gaat zich richten op het realiseren van technologische doorbraken voor maatschappelijke vraagstukken. NADI gaat werken met challenge-based programma’s waar parallel verschillende technologische oplossingen voor een probleem worden verkend. Dit kunnen zowel dual-use als civiele programma’s zijn. Voorafgaand aan de zomer zal ik uw Kamer informeren over de stappen die nodig zijn om NADI te realiseren.
Kunt u een tijdlijn geven voor de oprichting van de Nederlandse Defensie Innovatie Autoriteit naar het voorbeeld van het Amerikaanse Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA)?
In de aankomende Defensienota, die voor de zomer met uw Kamer zal worden gedeeld, zal meer bekendgemaakt worden over de oprichting van een Nederlandse autoriteit voor defensie-innovatie en opschaling.
Bent u bereid om een concreet plan van aanpak met de Kamer te delen waarin de knelpunten voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland worden geïnventariseerd en weggenomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Om randvoorwaarden voor versnelling voor de gehele defensie-industrie te creëren, zal het kabinet de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie concretiseren, conform de motie van het lid Van Lanschot c.s. over de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie herzien. We zullen dit meenemen in de uitwerking hiervan, welke in Q3 2026 met uw Kamer wordt gedeeld.
Het herhaald niet naleven van afspraken door het Dolfinarium. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium een belangrijke afspraak over het aanpassen van dierverblijven niet is nagekomen, waardoor zeeleeuwen nog steeds in kleine en ondiepe verblijven worden gehouden?1, 2
Kunt u bevestigen dat deze afspraken zijn gemaakt naar aanleiding van een rapport waarin werd vastgesteld dat meerdere verblijven niet voldoen aan de geldende dierenwelzijnsnormen en dat het Dolfinarium vijf jaar de tijd heeft gehad om de verblijven in lijn met deze minimale normen te brengen?3
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Minister Adema het in juni 2024 «kwalijk» noemde toen bleek dat het Dolfinarium zich toen ook al niet aan afspraken hield?4
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Staatssecretaris Rummenie het een jaar later opnieuw «kwalijk» noemde toen opnieuw bleek dat het Dolfinarium afspraken schond?5
Wat vindt u ervan dat het Dolfinarium wederom gemaakte afspraken niet nakomt?
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een patroon van structurele niet-naleving van afspraken en normen door het Dolfinarium? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium niet alleen afspraken schendt, maar daarnaast ook nog jarenlang heeft geweigerd om transparantie te verschaffen en definitief af te zien van de mogelijke verkoop van acht dolfijnen aan een Chinees pretpark, ondanks dat de Kamer zich hier duidelijk tegen uit had gesproken (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 73)?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium ook nog eens uit de Europese branchevereniging voor zeezoogdieren is gezet, omdat ze niet voldoen aan de geldende standaarden?6
Kunt u bevestigen dat wanneer reguliere handhaving niet werkt en de dierentuinvergunning voortdurend wordt overtreden, het mogelijk is om een dierentuin (gedeeltelijk) te sluiten?7
Wanneer is voor u deze grens bereikt?
Deelt u de mening dat er weinig tot geen educatieve waarde gepaard gaat met het houden van dolfijnen in kleine betonnen bakken in gevangenschap, die daar rondjes moeten zwemmen terwijl ze lijden aan chronische stress? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat steeds meer landen, zoals Canada, India, Kroatië en Vlaanderen hebben besloten dat het houden van dolfijnen in gevangenschap moet stoppen?
Bent u bereid om zich bij deze landen aan te sluiten door een einde te maken aan het houden van dolfijnen in gevangenschap? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om het Dolfinarium af te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, ‘te veel bureaucratie’’ |
|
Claire Martens-America (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Derk Boswijk (CDA), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het cruciaal is voor de Nederlandse veiligheid én voor onze economische groei dat wij koplopers op het gebied van defensietechnologie, zoals de Oekraïense drone-industrie, faciliteren om zich in Nederland te vestigen?
Ja.
In hoeverre belemmert de huidige Nederlandse terughoudendheid bij de productie van aanvalswapens en -munitie volgens u de samenwerking met innovatieve Oekraïense partners?
Nederland sluit niks uit op het gebied van productie van militair materieel, zolang dit in lijn is met nationale regelgeving en internationale verdragen en past binnen de fysieke leefomgeving. Zo verkent het Ministerie van Defensie op dit moment de mogelijkheden voor coproductie van kapitale en drone- munitieproductie in Nederland. Het kabinet zet dit met prioriteit voort en streeft ernaar munitieproductie binnen drie jaar te realiseren, afhankelijk van factoren die buiten de invloedssfeer van Defensie liggen, zoals vergunningverlening.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe beoordeelt u het feit dat dit bedrijf de Nederlandse bureaucratie omschrijft als «rennen met een loodzware rugzak»?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden.
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren.2 Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.3 Daarnaast werken we hieraan samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de defensie-industrie.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de directeur van Fire Point dat hij in Oekraïne in twee dagen een nieuwe productielijn opzet, terwijl hij in Europa (en Nederland) veel te veel tijd kwijt is aan papierwerk?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de analyse van de Oekraïense inspecteur-generaal Myronenko dat traditionele militaire bureaucratie «de grootste vijand van innovatie» is?
De oorlog in Oekraine laat het sterk toegenomen belang van kortere innovatiecycli zien die zich rechtstreeks vertalen in inzetbare gevechtscapaciteiten. Het is daarom zaak om de vereiste zorgvuldigheid bij verwervingsprocedures te betrachten en tegelijkertijd ruimte in te bouwen voor flexibiliteit en, conform de doelstellingen van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII), het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.4 Zie hiervoor het antwoord onder vraag 14.
Kunt u specifiek toelichten welke Nederlandse of Europese regels en vergunningsplichten (zoals op het gebied van exportcontrole, milieu of ruimtelijke ordening) in dit concrete geval de grootste hindernis vormden voor de vestiging van deze dronebouwer?
Nee. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland.
Is er vanuit de Ministeries van Defensie of Economische Zaken en Klimaat direct contact geweest met Fire Point om de specifieke knelpunten te achterhalen? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden tussen Fire Point en het Ministerie van Defensie of Economische Zaken en Klimaat over mogelijke productie in Nederland omdat de producent deze interesse niet kenbaar heeft gemaakt. Om deze reden is er ook niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek, zie het antwoord op vraag 9 en 10.
Zijn er na de afwijzing door Fire Point nog extra pogingen ondernomen vanuit de overheid of regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) om het bedrijf alsnog te faciliteren in Nederland?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven. Nederland verwelkomt alle initiatieven in het kader van Build with Ukraine en gaat graag met producenten in gesprek over mogelijkheden voor samenwerking met Nederlandse bedrijven, waarbij gezamenlijk wordt verkend hoe productie in Nederland vorm kan krijgen.
Bent u bereid om alsnog proactief het gesprek aan te gaan met Fire Point om te bezien of en op welke manier bureaucratische belemmeringen weggenomen kunnen worden, zodat vestiging in Nederland alsnog mogelijk wordt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is uw reactie op het feit dat Denemarken volgens de dronebouwer wel bereid was om regels «overboord te gooien» om snel zakendoen mogelijk te maken?
Op 2 september 2025 maakte Denemarken bekend dat Fire Point zich in Denemarken vestigt om vaste raketbrandstof te produceren. De Deense regering maakt gebruik van een recent ingevoerde wet die de mogelijkheid biedt om nationale defensie- of crisisgerelateerde projecten versneld door te voeren.
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke lessen trekt u uit de Deense aanpak om het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven concurrerender te maken?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.5 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Bent u bereid om, gezien de noodzaak tot economische groei en versterking van de defensiesector, de vergunningsprocedures voor de defensie-industrie drastisch te versnellen? Bent u bereid om bij de aankomende Vereenvoudigingswet hiervoor concrete vereenvoudigingen door te voeren?
Zie antwoord vraag 12.
Welke (verdere) concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat (militaire) innovaties worden vertraagd, terwijl deze essentieel zijn voor het overleven van onze bondgenoten en onze eigen veiligheid?
Het belang van innovatie voor de slagkracht van onze krijgsmacht is één van de kernideeën achter de D-SII, waarin meerdere maatregelen worden aangekondigd om het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.6 Defensie zet daarbij in op nieuwe vormen van samenwerking met kennisinstellingen, zoals TNO, NLR en Marin, om de nieuwste kennis sneller naar een hoger Technology Readiness Level te brengen, onder meer via constructies zoals scientists on the job. Daarnaast worden nieuwe financieringsinstrumenten gerealiseerd, zoals het SecFund, en wordt private financiering gemobiliseerd om innovatieve bedrijven te stimuleren.
Ook maken we werk van een steeds meer innovatiegericht inkoopproces via het SDIR kader, waarbij ruimte is voor experimenten en het opschalen van bewezen innovaties.7 Verder wordt gewerkt aan een nauwere samenwerking met Oekraïne op het gebied van kennisopbouw en -uitwisseling. Tot slot zal de oprichting van een defensie innovatie autoriteit bijdragen aan het versneld opschalen en implementeren van succesvolle innovaties binnen de krijgsmacht.
Kunt u de Kamer informeren over de huidige status van de gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven en de resultaten die tot nu toe zijn geboekt?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Om deze reden nemen we actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee de coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven mogelijk gemaakt wordt. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend. Op 16 april jl. is hier een belangrijke volgende stap in gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne.
We zoeken actief naar volgende projecten die de industriesamenwerking met Oekraine verder versterken en verwelkomen aanvullende initiatieven voor gezamenlijke productie in Nederland. Over de status van lopende gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven kan geen uitspraak gedaan worden in het kader van commerciële vertrouwelijkheid.