Statushouders die worden geschoold om voor de klas te staan |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het programma Wereldburgers voor de Klas in Leiden, waarin statushouders met een buitenlandse onderwijsachtergrond versneld richting een functie in het Nederlandse onderwijs worden begeleid?1
Ja.
Welke concrete, onafhankelijke en toetsbare criteria hanteert u om te bepalen dat onderwijsbevoegdheden uit landen met fundamenteel andere onderwijssystemen, didactiek en waardenkaders gelijkwaardig zouden zijn aan Nederlandse lerarenopleidingen en wie draagt de verantwoordelijkheid wanneer deze aannames ten koste gaan van onderwijskwaliteit en leerlingontwikkeling?
Als een persoon met een buitenlandse onderwijsbevoegdheid les wil geven in Nederland moet deze een erkenning van de buitenlandse onderwijsbevoegdheid aanvragen. Er zijn verschillende voorwaarden die gesteld worden aan de erkenning van een buitenlandse bevoegdheid. Hierbij moet onder andere de aanvrager een lerarenopleiding hebben gevolgd, moet dat diploma een lesbevoegdheid geven in land van diplomering, moet het diploma eenzelfde lesbevoegdheid geven als de aangevraagde lesbevoegdheid, moet de gevolgde opleiding gericht zijn op de aangevraagde bevoegdheid en moet de opleiding minstens hetzelfde niveau zijn als het Nederlandse niveau van hoger onderwijs.
De erkenning van beroepskwalificaties (diploma’s) voor Nederlandse onderwijsberoepen op basis van diploma’s behaald in de EU en buiten de EU gebeurt door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). DUO beoordeelt de diploma’s/kwalificaties voor het verkrijgen van een onderwijsbevoegdheid. De Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs (NUFFIC) adviseert DUO in de beoordelingsprocedure van het buitenlandse diploma ten opzichte van Nederlandse diploma’s. De NUFFIC is het nationale expertisecentrum voor onderwijsvergelijking en voert waardering van de diploma’s uit.
Waarom ontbreekt een expliciete, afdwingbare eis dat deelnemers aan dit programma volledig voldoen aan Nederlandse kernwaarden waaronder gelijkwaardigheid van man en vrouw, vrijheid van meningsuiting en strikte scheiding van religie en onderwijs en waarom accepteert u daarmee een bewust risico voor de neutraliteit van het openbaar onderwijs?
Scholen hebben de wettelijke opdracht om actief burgerschap bij te brengen en sociale cohesie te bevorderen. Binnen deze wettelijke opdracht hebben scholen de verantwoordelijkheid om bevoegde en bekwame onderwijzers aan te nemen die de Nederlandse kernwaarden bijbrengen aan leerlingen. De inspectie houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke eis.
Hoe verklaart u dat programma’s als Wereldburgers voor de Klas, uitgevoerd door onder meer Stichting Wereldburger en DZB Leiden, onder de vlag van «lerarentekort» functioneren als integratie- en participatietrajecten, zonder overtuigend en openbaar bewijs dat zij leiden tot structurele kwaliteitsverbetering in het onderwijs?
Het doel van programma’s als Wereldburgers voor de Klas is om bevoegde leraren die in het land van herkomst werkzaam waren in het onderwijs voor te bereiden op een (onderwijsgevende) functie in het Nederlands onderwijs of ter voorbereiding op een lerarenopleiding. Veel van de deelnemers hebben al een in Nederland erkende lesbevoegdheid en een sterke gedrevenheid om het beroep opnieuw uit te oefenen. Het programma draagt bij aan de instroom van leraren en daarmee aan het tegengaan van het lerarentekort en aan de kwaliteit van het onderwijs. Het stimuleren van dergelijke programma’s is een onderdeel van de bredere aanpak van het lerarentekort, waarbij mensen met een onderwijsachtergrond uit het buitenland gefaseerd worden voorbereid op inzet in het Nederlandse onderwijs.
De inzet op taalontwikkeling, praktijkervaring en begeleiding is gericht op het borgen van onderwijskwaliteit en continuïteit. Op dit moment zien we positieve effecten op instroom, inzetbaarheid en behoud van personeel. Daarmee worden deze programma’s beschouwd als een aanvullend instrument binnen het overkoepelende lerarenbeleid en niet als vervanging van reguliere lerarenopleidingen.
Waarom blijft u vasthouden aan het inzetten van statushouders in het onderwijs als beleidsinstrument, terwijl dit geen structurele oplossing biedt voor het lerarentekort, falend beleid maskeert en ouders en leerlingen opzadelt met kwaliteitsverlies, communicatieproblemen, instabiliteit in de klas en onzekerheid over normen en neutraliteit in het onderwijs?
Zoals in het vorige antwoord aangegeven zien we positieve effecten op instroom, inzetbaarheid en behoud van personeel met dank aan dit soort programma’s. De inzet van statushouders en/of Oekraïense ontheemden is onderdeel van de bredere aanpak van het lerarentekort. In het jaar 2025 hebben scholen 237 aanvragen ingediend om statushouders en Oekraïense ontheemden met potentie om voor de klas te staan te begeleiden naar een functie in het Nederlands onderwijs. Inzet vindt plaats binnen bestaande kwaliteits- en bevoegdheidseisen, met aandacht voor taalvaardigheid en begeleiding, en is bedoeld om verantwoord om te gaan met schaarste in het onderwijs. Daarnaast is er een breed scala aan maatregelen vanuit dit kabinet om het lerarentekort aan te pakken.
Welke stappen zet u om per direct te stoppen met het faciliteren van onderwijsprogramma’s die statushouders richting structurele arbeid en langdurig verblijf leiden en hoe gaat u borgen dat het onderwijs niet langer wordt ingezet als verlengstuk van migratiebeleid maar zich weer richt op kwaliteit, veiligheid en Nederlandse belangen?
Er wordt ingezet op goed onderwijs voor alle leerlingen, met voldoende en goed opgeleide leraren. De aanpak van het lerarentekort vraagt dat we alle geschikte en bevoegde kandidaten benutten die aan de geldende kwaliteitseisen voldoen. Onderwijsprogramma’s worden ingezet vanuit onderwijskundige en arbeidsmarktmatige overwegingen en niet als migratiebeleid. Kwaliteit, veiligheid en professionaliteit in de klas staan daarbij altijd voorop.
De brief ' Stand van Zaken Aanpak Schaduwvloot' |
|
Jan Paternotte (D66), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Tieman , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat, gelet op de snel veranderende veiligheidssituatie, lopende vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen via de schaduwvloot, de in de brief genoemde urgentie zich niet verhoudt tot het voorgenomen tijdpad tot de zomer voor het indienen van aanvullende wetgeving?1
Betekent dit tijdpad dat daadwerkelijke inspectie, aanhouding of het dwingen tot uitwijken van schepen die onder een valse vlag varen in de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ) in de praktijk pas mogelijk zal zijn na inwerkingtreding van deze wetgeving?
Betekent dit tevens dat het handelingsperspectief ten aanzien van vermoedelijk vals gevlagde schepen zich tot die tijd beperkt tot het benaderen van schepen en het registreren daarvan in systemen als SafeSeaNet en Thetis?
Kan actievere fysieke handhaving van vals gevlagde schepen plaatsvinden zonder inwerkingtreding van aanvullende nationale wetgeving? Zo ja, op welke termijn verwacht u hiermee aan te kunnen vangen? Zo nee, waarin schiet de huidige juridische ruimte precies tekort?
Kan het aangekondigde wetgevingsproces worden versneld? Zo nee, waarom niet?
Waarin verschilt de Nederlandse opvatting hierover van die van bijvoorbeeld Frankrijk, dat – voor zover uit openbare bronnen blijkt – lijkt te hebben gehandeld zonder zich te baseren op aanvullende nationale wetgeving?
Betreft de door de u aangekondigde wetgeving nieuwe wetgeving of een aanvulling op bestaande (sanctie-)wetgeving?
Kan Nederland in de tussentijd (fysieke) ondersteuning leveren bij handhaving buiten de eigen EEZ, bijvoorbeeld in nabijgelegen MRS-gebieden (Mandatory Reporting of Ships) van bondgenoten, zoals in samenwerking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in het Kanaal?
Het bericht ‘Geef hbo’ers beurs om naar universiteit te gaan’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geef hbo’ers beurs om naar de universiteit te gaan»?1
Kunt u aangeven wat de reden is dat studenten die na een hbo-bachelor een wo-master willen doen geen extra jaar basisbeurs krijgen, maar die wel krijgen voor een hbo-master? Hoe volgt dit uit de onderwijswetgeving?
Kunt u hierbij ook ingaan op de in het artikel aangehaalde rechterlijke uitspraak en de overwegingen daarin?
Kunt u specifiek ingaan op de overweging van de rechter dat «niet duidelijk is waarom in artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000 bij de combinatie hbo-bachelor en hbo-master de lengte van de prestatiebeurs wél wordt vermeerderd en bij een wo-master niet. Ook is niet duidelijk of en waarom dit de bedoeling van de wetgever is geweest»?2
Is bekend hoeveel hbo-bachelors door deze situatie afzien van een wo-master terwijl ze dat misschien wel zouden willen?
Klopt het dat iemand met een wo-bachelor die daarna een hbo-master gaat doen wel een jaar extra basisbeurs krijgt en hoe komt dat?
Vindt u deze situatie gerechtvaardigd, aangezien een kernwaarde van het onderwijs juist is om studenten te stimuleren die verder willen leren en zich willen ontwikkelen?
Deelt u de mening dat deze situatie het hoger beroepsonderwijs onaantrekkelijker maakt omdat studenten in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt worden?
Wat zou ervoor nodig zijn om ervoor te zorgen dat studenten die na een hbo-bachelor een wo-master willen doen wel recht hebben op een extra jaar basisbeurs? En welke (financiële) consequenties heeft dit?
Welke stappen wilt u nemen om masteropleidingen in het algemeen toegankelijker te maken voor hbo-studenten?
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkingsvergunningen voor warmteprojecten |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkings- en lozingsvergunningen1 zijn voor warmteprojecten in het kader van de energietransitie die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben (TEO/WKO)?
Zijn warmteprojecten meegenomen in het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van een landelijke vergunning- of meldingsplicht?
Is de veronderstelling juist dat er nog relatief weinig kennis is over de daadwerkelijke effecten van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit en dat een actualiseringsplicht derhalve investeringsrisico’s met zich meebrengt?
Deelt u de analyse dat warmteprojecten, zeker wanneer sprake is van collectieve warmtenetten, pas van de grond kunnen komen als vooraf zeker is gesteld dat voor enkele decennia warmte geleverd kan worden en de investering terugverdiend kan worden?
Deelt u de analyse dat een actualiseringsplicht met een frequentie van bijvoorbeeld tien jaar2 de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten dusdanig aantast dat de investeringsbereidheid zal dalen en dat maatschappelijk gewenste warmteprojecten moeilijker van de grond zullen komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe waardeert u deze impact in het licht van de energie- en warmtetransitie?
Deelt u de mening dat warmteprojecten, ook bij de uitwerking van genoemde regelgeving, in principe gezien moeten worden als projecten van hoger openbaar belang3, gelet op de bijdrage aan de doelen voor hernieuwbare energie (REDIII) en klimaat en het belang van leveringszekerheid richting eindgebruikers?
Hoe kunnen bedrijven en huishoudens verzekerd blijven van de levering van hun duurzame warmte(netten), als de daarvoor benodigde watervergunning bij een actualisering ingeperkt en/of ingetrokken wordt in geval van een mogelijk negatief effect op de waterkwaliteit ter plekke?
Is de veronderstelling juist dat de Kaderrichtlijn Water ruimte biedt om een actualiseringsverplichting zodanig in te vullen dat deze niet generiek geldt, maar alleen van toepassing wordt voor risicovolle activiteiten en zo dicht mogelijk blijft bij de huidige verplichting op basis van artikel 5.38 van de Omgevingswet?
Bent u voornemens de voorgenomen actualiseringsplicht en aanverwante wijzigingen zodanig in te vullen dat deze gericht wordt op risicovolle activiteiten dan wel dat een uitzonderingspositie gecreëerd wordt voor warmteprojecten, en dat de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten niet onnodig aangetast wordt? Zo nee, waarom niet?
De juridische status, werking en het gebruik van de webmodule beoordeling arbeidsrelaties voor zzp’ers |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u tijdens het commissiedebat Zzp van 18 december 2025 heeft gesteld dat de webmodule «in lijn is gebracht met wet- en regelgeving en ook met geldende jurisprudentie» en dat daarin rekening wordt gehouden met alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest, inclusief extern ondernemerschap?
Op welke concrete jurisprudentie baseert u de stelling dat de webmodule in lijn is met geldende jurisprudentie?
Op welke wijze past de webmodule de door de Hoge Raad voorgeschreven holistische weging van alle relevante gezichtspunten bij de kwalificatie van arbeidsrelaties toe?
Klopt het dat de webmodule geen expliciete vragen bevat over elementen van extern ondernemerschap, zoals het werken voor meerdere opdrachtgevers, acquisitie en het dragen van ondernemersrisico?
Kunt u de puntentoekenning en wegingssystematiek van de webmodule volledig inzichtelijk maken, inclusief de juridische en beleidsmatige onderbouwing van de aan die systematiek ten grondslag liggende keuzes?
Kunt u bevestigen dat de webmodule binnen de Rijksoverheid en andere overheidsorganisaties wordt gebruikt bij de inhuur van zzp’ers?
Hoe verhoudt het gebruik van de webmodule bij de inhuur van zzp’ers door overheidsorganisaties zich tot uw uitspraak in het commissiedebat van 18 december 2025 dat de webmodule een indicatief hulpmiddel is en geen juridisch bindend karakter heeft?
Kunt u bevestigen dat de Belastingdienst de webmodule gebruikt ter ondersteuning van standpunten in (voor)overleg of handhavingscontexten?
Hoe verhoudt het gebruik van de webmodule door de Belastingdienst zich tot het uitgangspunt dat aan de webmodule geen rechten kunnen worden ontleend en dat deze geen juridisch bindend instrument is?
Bent u bekend met eventuele interne juridische adviezen, signalen of aandachtspunten binnen uw ministerie, de Belastingdienst of andere betrokken uitvoeringsorganisaties waarin wordt gewezen op mogelijke spanning tussen de webmodule en recente jurisprudentie over de kwalificatie van arbeidsrelaties?
Op welke wijze zijn dergelijke signalen, indien aanwezig, betrokken bij de ontwikkeling en het gebruik van de webmodule?
De misstanden en uitbuiting van Nederlandse jongeren in Franse gastgezinnen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikelen in de Telegraaf en Dagblad van het Noorden over de misstanden bij Franse gastgezinnen waar Nederlandse jongeren via jeugdzorgbedrijf Tjeenz en onderaannemer Force en Soi werden geplaatst? Wat is uw reactie op dit artikel waaruit blijkt dat Nederlandse jongeren feitelijk werden uitgebuit in plaats van dat zij hulp kregen voor hun problemen?1, 2
Is bekend hoeveel jongeren momenteel in het buitenland zitten via soortgelijke trajecten? Kunt u garanderen dat al deze jongeren nu veilig zijn?
Wie is er volgens u verantwoordelijk voor het toezicht op leefomstandigheden en kwaliteit van hulp, op het moment dat een jongere in het buitenland wordt geplaatst? Hoe wordt het toezicht vormgegeven en hoe wordt de kwaliteit van de geboden hulp getoetst? Wie is er bevoegd om in te grijpen bij misstanden? Wat is de rol van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bij jeugdhulp in het buitenland?
Hebt u ook gelezen dat dat deze jongeren stiekem eten aten dat voor dieren was bedoeld, geen wc tot hun beschikking hadden in de nacht, werden opgesloten, rotklussen moesten doen en werden vernederd? Hoe kan het dat deze ernstige misstanden niet eerder ergens zijn opgepakt door de verantwoordelijke organisaties of anderen?
Kunt u verklaren waarom er niet eerder is ingegrepen bij Force en Soi? Waar is dit misgegaan? Zijn er de afgelopen jaren signalen binnen gekomen bij gemeenten, hulporganisaties en de Franse of Nederlandse Inspectie? Zo ja, wat is er gedaan met deze signalen?
Klopt het dat de IGJ formeel geen rol heeft bij jeugdhulp in het buitenland, maar de toezichthouder in het betreffende land? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Wat is precies de status van het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod dat door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Platform aanbieders in het buitenland en de IGJ is opgesteld? Klopt het dat er ook aanbieders die geen lid zijn van dit platform kinderen in het buitenland mogen plaatsen?
Deelt u de mening dat het afsprakenkader op geen enkele wijze aandacht heeft voor de rechtspositie en rechtsbescherming van jongeren? Hoe verklaart u het dat hier zo weinig aandacht voor is, en er zo weinig geleerd lijkt te zijn van de vele rapporten die de schadelijke gevolgen van repressie en afzondering duidelijk maken?
Wordt aan jongeren die in het buitenland worden geplaatst expliciet kenbaar gemaakt dat ze recht hebben op een vertrouwenspersoon? Zo nee, hoe rijmt dit met de Jeugdwet en Kinderrechten?
Deelt u de mening dat deze misstanden vragen om aanpassing van het afsprakenkader om de positie van kinderen te beschermen? Maar ook om beter toezicht? Zo ja, gaat u dit oppakken met de VNG en de IGJ?
Het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden |
|
Laura Bromet (GL), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de onrust die het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden heeft veroorzaakt?
Wat was de directe noodzaak om de beschermingsnorm voor de Waddeneilanden te verlagen en terug te komen op eerdere afspraken?
Wat was de reactie van de bestuurders op de Waddeneilanden, waar u in uw brief van 27 januari over schrijft?1
Kunt u de inbreng van de Waddeneilanden in de opgestelde veiligheidsstrategieën delen met de Kamer en aangeven hoe deze is verwerkt?
Deelt u de mening dat de Waddeneilanden in veel opzichten afwijken van het vaste land en dat dit feit een afwijking van een uniforme landelijke systematiek zou rechtvaardigen?
Kunt u omschrijven hoe volgens u een rampscenario met zeer hoog water en dijkdoorbraken op de Waddeneilanden er voor de bewoners praktisch uit zou zien, als de uniforme landelijke systematiek consequent wordt toegepast? Kunt u daarbij ingaan op wat «schuilmogelijkheden», inhouden en die nu de basis zijn voor de veiligheidsstrategie?
Kunt u eenzelfde scenario omschrijven voor evacuatie na de storm en de situatie enkele dagen tot weken later?
Deelt u de mening dat het evacueren van woningen in overstromende uiterwaarden, hoe vervelend ook, moeilijk vergelijkbaar is met overstromende Waddeneilanden? Of is dit volgens u hetzelfde?
Hoeveel geld wordt bespaard met het afwaarderen van de veiligheid van Schiermonnikoog en wat zijn de realistische maatschappelijke kosten van een dijkdoorbraak?
Wie moet betalen bij schade door het falen van een primaire waterkering?
Waarom is eerst het beschermingsniveau verlaagd, terwijl volgens u de eilandsituatie het van groot belang maakt de specifieke veiligheidsstrategie nader uit te werken? Is dat niet de verkeerde volgorde? Kunt u zich voorstellen dat eilanders hiermee het gevoel krijgen dat hun veiligheid op de tweede plaats komt?
Klopt het dat met het verlagen van het vereiste beschermingsniveau de levensduur van de versterking niet fysiek wordt vergroot maar slechts administratief, omdat eerder falen bij een lagere norm eerder acceptabel is geworden? Kunt u zich voorstellen dat eilandbewoners dit cynisch vinden?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Wadden op 12 februari 2026?
Het bericht 'In de trein zocht Inga wanhopig naar een wc, toen knapte haar stoma: 'Overal waren rode lampjes'' |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In de trein zocht Inga wanhopig naar een wc, toen knapte haar stoma: «Overal waren rode lampjes»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de in het artikel beschreven ervaring van mevrouw Swane, die als stomagebruiker tijdens een treinreis dringend behoefte had aan een toilet maar geen toegang had doordat alle toiletten waren afgesloten, met als gevolg een gescheurde stoma, zeer schrijnend en mogelijk mensonterend is en dat dergelijke situaties te allen tijde voorkomen zouden moeten worden, zowel voor haar als voor andere reizigers?
Deze situatie is uiteraard zeer schrijnend en betreurenswaardig. Ook NS betreurt dit voorval ten zeerste. NS heeft inmiddels contact opgenomen met deze reiziger. Het contact verloopt, zo heb ik van NS vernomen, op een constructieve wijze.
Het is van groot belang dat reizigers betrouwbaar en comfortabel kunnen reizen. Dat houdt in dat ook NS zich conform artikel 49 van de hoofdrailnet-concessie 2025–2033 moet inspannen dat alle treinstellen op het hoofdrailnet voorzien zijn van één functionerend toilet en als er een defect is dat deze binnen een redelijk termijn wordt verholpen. Daar zie ik, als concessieverlener, op toe.
Kunt u toelichten waarom zich situaties voordoen waarin alle toiletten in een trein zijn afgesloten, terwijl er tegelijkertijd geen conducteur aanwezig is die toegang kan verlenen? Acht u deze combinatie wenselijk?
NS hecht veel waarde aan het bieden van toiletfaciliteiten aan reizigers tijdens hun treinreis.
In uitzonderlijke situaties kan het voorkomen dat alle toiletten in een treindienst tijdelijk defect zijn. Hoewel NS ernaar streeft dit te voorkomen, kan het niet volledig worden uitgesloten. Als dit gebeurt, probeert NS een trein binnen redelijke termijn naar een onderhoudslocatie te sturen. Dit specifieke defect vond plaats gedurende het winterweer. Door het winterweer had NS beperkt of soms geen mogelijkheden om materieel naar onderhoudslocaties toe te laten gaan.
Indien een dergelijke situatie zich voordoet, waarom wordt er dan niet voor gekozen om de betreffende treincombinatie buiten dienst te stellen en te vervangen door materieel waarin ten minste één toegankelijk toilet beschikbaar is?
Zie antwoord bij vraag 2. NS streeft ernaar dat er in elke trein een werkend toilet is. Als een defect optreedt dan zal NS zich inspannen om dit binnen redelijke termijn te verhelpen. Deze situatie is, zoals hierboven beschreven, voorgevallen tijdens het winterweer. NS had daardoor beperktere mogelijkheden om het materieel naar de onderhoudslocaties toe te laten gaan.
Waarom is het, zoals NS in een reactie op het artikel aangeeft, op dit moment niet mogelijk om reizigers voorafgaand aan vertrek te informeren over de beschikbaarheid en toegankelijkheid van toiletten in een trein?
Op dit moment is er geen koppeling tussen de (automatische) informatiesystemen ten behoeve van de dienstregeling – zoals zichtbaar op de app, perronborden of de displays in de trein – en het beschikbaar zijn van bepaalde faciliteiten op de trein, zoals toiletten. Defecten worden wel in een ander systeem geregistreerd, om zo het reparatieproces op te starten. Het ontbreken van een dergelijke koppeling, maakt het weergeven op de informatiesystemen daarom op dit moment niet mogelijk om reizigers voorafgaand aan vertrek te informeren over de beschikbaarheid van toiletten.
Hoe verhoudt dit zich tot het feit dat via omroepsystemen en reisinformatie wél berichten kunnen worden gedeeld over onder andere de volgende halte, vertragingen, overstapmogelijkheden en algemene serviceberichten?
Het omroepen op elk station waar een trein zonder werkend toilet stopt, is praktisch moeilijk uitvoerbaar en het opnemen van defecte toiletten in de reisinformatie is niet mogelijk vanwege het ontbreken van een koppeling tussen verschillende systemen, zoals toegelicht bij de beantwoording van vraag 5.
Bent u ermee bekend dat vergelijkbare problemen zich ook buiten treinen en stations voordoen, en mensen met een medische noodzaak voor toiletgebruik en die houder zijn van een toiletpas, bijv. in winkels toegang kunnen krijgen tot privétoiletten bij hoge nood? Waarom dan niet in de trein?
In de trein zijn er geen privétoiletten voor het personeel.
Deelt u de mening dat voor reizigers in het openbaar vervoer een minimaal serviceniveau zou moeten worden geborgd, waaronder in ieder geval de beschikbaarheid van een minimumaantal toegankelijke toiletten en waterpunten per trein, met bijzondere aandacht voor mensen met een medische aandoening die extra afhankelijk zijn van deze voorzieningen?
In artikel 49 van de hoofdrailnet-concessie zijn de minimale eisen aan comfort van de materieelvloot neergelegd. Als concessieverlener zie ik toe op de naleving van de concessie-afspraken.
Deelt u de mening dat ervaringen zoals die van mevrouw Swane, en de bredere bekendheid van het risico dat toiletten in treinen niet beschikbaar zijn, ertoe kunnen leiden dat mensen afzien van reizen per trein, waardoor hun mobiliteit wordt beperkt en zij in sommige gevallen sociaal geïsoleerd raken?
NS spant zich in dat treinstellen op het hoofdrailnet voorzien zijn van één functionerend toilet en als er een defect is dat deze binnen een redelijke termijn wordt verholpen. Het kan echter gebeuren dat toiletten of waterpunten defect zijn. Ik begrijp dat dit voor mensen met een beperking nog vervelender kan zijn en dat zij onzekerheid als een extra drempel kunnen ervaren. Dat moet tot een minimum worden beperkt.
Welke concrete maatregelen bent u voornemens te nemen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen en om te waarborgen dat het minimaal noodzakelijke serviceniveau voor toiletvoorzieningen in treinen daadwerkelijk wordt geborgd en te allen tijde wordt gehaald, in het bijzonder voor reizigers met een medische noodzaak?
Zie beantwoording van vraag 2, dit voorval is zeer schrijnend. Met de afspraken van de concessie tracht ik een minimaal voorzieningsniveau te borgen, daar zie ik op toe.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitvoering van de eventueel te nemen maatregelen, en zo ja, op welke wijze en wanneer?
Gelet op de voorgaande overwegingen zie ik – hoe schrijnend deze situatie voor betrokkene ook is – geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen.
Het rapport waarin de Britse inlichtingendienst stelt dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen raken aan nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk |
|
Christine Teunissen (PvdD), Kati Piri (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport waarin de Britse inlichtingendienst waarschuwen dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen de nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengen, en hoe beoordeelt u de relevantie van deze conclusies voor Nederland en Europa?1, 2, 3
Herkent u de analyse dat klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps niet alleen milieuproblemen zijn, maar ook harde veiligheidsrisico’s, onder meer via voedsel- en wateronzekerheid, energiezekerheid, migratie, geopolitieke spanningen en toegenomen conflict? Kunt u dit toelichten?
In welke mate bekijkt het Rijk vandaag milieu-, klimaat-, en natuurrisico’s als veiligheidskwesties? Hoe vindt hierover afstemming plaats met Europese partners?
Heeft de Rijksoverheid beschikking over een gelijkaardige risicoanalyse voor Nederland? Zo ja, kunt u deze analyse, al dan niet vertrouwelijk, met de Tweede Kamer delen?
Zo nee, is er een Nederlandse overheidsdienst die een structurele risicoanalyse maakt van de impact van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen op de nationale veiligheid van Nederland? Indien niet, staat een dergelijke risicoanalyse op de planning?
Indien het niet op de planning staat, kunt u alsnog de Kamer voor de zomer een rapportage bezorgen over de veiligheidsrisico’s ten gevolge van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen voor Nederland?
Zijn de Nederlandse Krijgsmacht, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) zich bewust van de risico’s die de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen voor de fysieke veiligheid van Nederland en de Nederlanders, onder andere door de verwachtte toename aan internationale conflicten en destabilisering van gemeenschappen wereldwijd die de voedingsbodem voor terrorisme kunnen vergroten? Zo ja, hoe bereiden ze zich op die risico’s voor en acht het kabinet deze voorbereiding voldoende?
Kunt u uiteenzetten hoe u structureel en systematisch gaat waarborgen dat de risico’s van klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps voor de nationale veiligheid en welvaart daadwerkelijk worden meegewogen in alle relevante beleidsprocessen?
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van toename aan besmettelijke ziektes in Nederland en pandemieën die naar Nederland kunnen overwaaien? Zo ja, hoe bereid het Nederlandse zorgsysteem zich hierop voor?
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van lagere opbrengsten in de landbouw, een lager wereldwijd aanbod aan voedsel en bijgevolg stijgende voedingsprijzen? Zo ja, hoe bereid het Rijk zich hierop voor om zo de langetermijnvoedselzekerheid van Nederland te garanderen zonder beroep te doen op vernietigende landbouwmethoden die het probleem juist verergeren?
Deelt u de conclusie dat deze veiligheidsbedreiging potentieel de Nederlandse welvaart kunnen ondermijnen?
Herkent u de vaststelling dat er een realistische mogelijkheid is dat bepaalde wereldwijde ecosystemen zoals koraalriffen en boreale wouden reeds vanaf 2030 kunnen instorten met alle daaruit volgende veiligheidsrisico’s voor de wereld en dus ook voor Nederland? Welke nationale, Europese en internationale noodmaatregelen zijn nog mogelijk om dit te voorkomen?
Hoe zal Nederland gezien de huidige ontrafeling van de internationale orde ertoe bijdragen dat de gevolgen van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen niet nog meer leidt tot een vijandige wereld waarin enkel het recht van de sterkste geldt? Hoe zal Nederland er juist toe bijdragen dat landen zich maximaal verenigen om deze uitdagingen samen aan te gaan en bij een toegenomen druk op beperkte hulpmiddelen vrede te waarborgen?
Hoe gaat u de samenleving, inclusief lagere overheden en burgers, transparant informeren over de conclusies van dergelijke analyses, zodat tijdig kan worden geïnvesteerd in zowel drastische emissiereductie en natuurherstel als in rechtvaardige adaptatie en weerbaarheid?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het bericht 'Jongeren vatbaar voor ‘snel geld’' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»», waarin wordt beschreven hoe jongeren via sociale media worden geronseld voor criminele activiteiten?1
Deelt u de zorg dat met name kwetsbare jongeren, waaronder jongeren die al in beeld zijn of zouden moeten zijn bij jeugdzorg of wijkteams, extra vatbaar zijn voor deze vorm van online ronseling?
In hoeverre heeft u gezamenlijk zicht op de omvang van online ronseling van minderjarigen voor criminele activiteiten?
Klopt het dat jongeren vaak beginnen met ogenschijnlijk kleine en laagdrempelige klusjes, maar vervolgens via druk, chantage en intimidatie worden vastgezet in zwaardere criminaliteit?
In hoeverre is het huidige jeugdzorgstelsel zó ingericht dat signalen van criminele verleiding, online ronseling en normvervaging bij jongeren structureel en tijdig worden opgepikt en welke randvoorwaarden (zoals informatie-uitwisseling, capaciteit en expertise) spelen daarbij een rol?
In hoeverre worden jeugdzorgprofessionals en andere betrokken hulpverleners structureel geschoold in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en online ronseling van jongeren en in hoeverre wordt daarbij aangesloten bij bestaande expertise en werkwijzen, zoals die zijn ontwikkeld in de aanpak van loverboys en mensenhandel?
Hoe is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd tussen politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk wanneer signalen bestaan dat jongeren online worden benaderd voor criminele activiteiten en waar worden in de praktijk knelpunten ervaren?
Acht u de huidige strafrechtelijke mogelijkheden en handhavingsinstrumenten voldoende effectief om ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten op te sporen en hard aan te pakken? Zo nee, waar schieten deze volgens u tekort?
Hoe wordt voorkomen dat geronselde minderjarigen primair repressief worden benaderd, terwijl onderliggende problematiek zoals armoede, schulden, gezinsproblematiek of perspectiefloosheid onbehandeld blijft?
Acht u het wenselijk om preventieve campagnes en opsporingsmethoden, zoals het inzetten van (digitale) lokmiddelen door politie en gemeenten, landelijk te versterken en structureel te maken?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wet- en regelgeving binnen zowel het strafrecht als de jeugdzorg voldoende ruimte biedt voor vroegtijdig ingrijpen en de Kamer hierover te informeren?
De rechterlijke uitspraak aangaande bescherming van Bonaire tegen klimaatverandering |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter en de overweging dat de Nederlandse Staat niet voldoende heeft beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering voor de inwoners van Bonaire? Wat is uw reactie op de uitspraak?1
Ja. Voor een eerste reactie wordt verwezen naar de brief die hierover is verzonden door de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG), de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Staatssecretaris Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) op 2 februari 20262.
Kunt u bevestigen dat de Staat niet in beroep zal gaan tegen de gedane uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zal moeten besluiten over het al dan niet instellen van hoger beroep. Hiervoor geldt een termijn van drie maanden vanaf de datum van het vonnis.
Kunt u aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de motie van de leden Ceder en Wuite over in kaart brengen wat nodig is aan klimaatadaptieve maatregelen voor de BES-eilanden (Kamerstuk 36 200 IV, nr. 18) waarin de regering werd verzocht om samen met lokale autoriteiten in kaart te brengen welke klimaatadaptieve maatregelen noodzakelijk zijn?
Sinds 2023 wordt op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) gewerkt aan klimaatplannen in opdracht van de Openbare Lichamen met ondersteuning van het Rijk. Hierin zijn maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren. Dit proces heeft meer tijd gekost dan vooraf ingeschat was, maar inmiddels staat de oplevering van deze plannen gepland voor de komende maanden3. Overigens zijn in de afgelopen jaren met ondersteuning van het Rijk reeds maatregelen getroffen die bijdragen aan de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Hierbij gaat het bijvoorbeeld op Bonaire om regenwaterbeheer en op Saba om de bouw van een orkaanbestendige haven. Op Sint Eustatius loopt de aanpak van loslopend vee zodat vegetatie weer een kans krijgt om te groeien, er minder erosie optreedt en er meer water wordt vastgehouden in de bodem. Herbebossingsprojecten zijn belangrijk om meer schaduw te creëren, en ook hiervoor is het een randvoorwaarde dat de graasdrukte door loslopende geiten wordt verminderd.
Op welke wijze garandeert de Rijksoverheid dat inwoners van alle Nederlandse gemeenten, inclusief die buiten Europees Nederland zoals Bonaire, gelijke bescherming genieten tegen de gevolgen van klimaatverandering en evenredig wordt ingezet op klimaatadaptatie? Hoe reflecteert u op de constatering van de rechtbank dat de inwoners van Bonaire hierbij zonder goede reden anders behandeld worden dan de inwoners van Europees Nederland?
Sinds 2010 is er in Caribisch Nederland ingezet op tal van onderzoeken en maatregelen in de sfeer van natuurbehoud, ruimtelijke ordening, tegengaan van erosie en het verbeteren van basisvoorzieningen zoals drink- en afvalwater. Dit heeft allemaal een relatie met klimaatadaptatie. Sinds 2023 wordt daarnaast ook inzet gepleegd in planvorming ten behoeve van klimaatadaptatie. Naast de eilandelijke klimaatplannen (zie vraag 3), wordt er gewerkt aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
De rechtbank is inderdaad van oordeel dat de inwoners van Bonaire bij (de snelheid van) het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. Tegelijk constateert de rechtbank dat er vanuit de Staat sinds 2023 concrete stappen zijn gezet om tot een coherent en integraal klimaatbeleid voor Caribisch Nederland te komen en dat die ondernomen stappen passend lijken. Dit kabinet zal besluiten in hoeverre de bestaande klimaatmaatregelen en ondersteuning geïntensiveerd moeten worden en wat nodig is om uitvoering te geven aan de klimaatplannen. De wijze waarop vraagt nog een nadere en zorgvuldige bestudering van het vonnis.
Klopt het dat er voor Bonaire geen vergelijkbare programma’s zijn ontwikkeld zoals er voor Europees Nederland wel zijn ontwikkeld (Deltaprogramma, klimaatadaptatiestrategie)? Wat is de verklaring waarom dit niet reeds is ontwikkeld? Wat is er in de afgelopen jaren wel gebeurd om Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland c.q. het Caribisch deel van ons Koninkrijk) te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering dan wel in te zetten op klimaatadaptatie? In hoeverre zijn deze plannen vergelijkbaar met de programma’s en maatregelen die in Europees Nederland worden uitgevoerd?
Voor Caribisch Nederland zijn specifieke programma’s ontwikkeld op basis van BES wet- en regelgeving en beleid, zoals het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) en het Ruimtelijke ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voldoende is en constateert dat voor het NMBP momenteel geen vervolgbudget is. Sinds 2023 wordt aan eilandelijke klimaatplannen gewerkt (zie vraag 3) en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van zal uitmaken (zie vraag 4).
Welke acties gaat u ondernemen c.q. in gang zetten om een antwoord te bieden op de uitspraak en werk te maken van een échte klimaatadaptatiestrategie voor Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland)? Kunt u een tijdlijn geven hoe de uitspraak opgevolgd wordt, enerzijds om binnen 18 maanden te komen tot wettelijke bindende doelen en anderzijds om voor 2030 een uitgewerkt plan voor Bonaire te hebben?
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat hieraan uitvoering moet worden gegeven. Het vonnis vergt nadere en zorgvuldige bestudering. U wordt apart geïnformeerd over de precieze invulling hiervan inclusief de tijdlijn.
Op welke wijze betrekt de Rijksoverheid de lokale bevolking van Bonaire bij de ontwikkeling, implementatie en monitoring van klimaatbeschermingsmaatregelen?
De eilandelijke klimaatplannen, zoals hierboven beschreven in antwoord op vraag 3, worden – met ondersteuning van het Rijk – opgesteld met brede maatschappelijk consultatie en kennen een eigen lokaal participatietraject. De Nationale Klimaatadaptatiestrategie kent een eigen participatietraject, om de bevolking van Caribisch Nederland mee te nemen en te informeren. Hiervoor wordt een passend participatietraject ontwikkeld, waar in elk geval voorzien zal worden in vertalingen in het Papiaments en Engels, evenals advertenties in lokale media.
Het conceptakkoord met Tata Steel en de vraagtekens bij de daadwerkelijke klimaatwinst van de miljarden staatssubsidie |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waarin experts grote vraagtekens plaatsen bij de klimaatwinst van de twee miljard euro subsidie aan Tata Steel, en hoe beoordeelt u deze kritiek?1
Deelt u de zorg van experts dat de deal weliswaar tot minder CO2-uitstoot binnen Nederland leidt, maar dat een deel van die uitstoot wordt verplaatst naar het buitenland? Kunt u dit toelichten?
Kunt u de berekeningen delen die aantonen hoeveel CO2-reductie de subsidiëring van Tata Steel daadwerkelijk wereldwijd oplevert, rekening houdend met uitstoot die buiten Nederland plaatsvindt?
Herkent u de analyse dat de overstap van kolen naar aardgas problematisch is vanwege de verwachte toename van Amerikaans schaliegas op de Europese markt, waarbij veel methaan weglekt dat 25 keer zo sterk is als CO2? Hoe weegt u dit mee in uw beoordeling van de klimaatwinst?
Waarom worden er geen eisen gesteld aan de herkomst van het gas dat Tata Steel zal gebruiken? Bent u bereid alsnog dergelijke eisen op te nemen in de definitieve afspraken om te voorkomen dat wordt overgestapt op zeer vervuilend schaliegas?
Deelt u de mening van methaanexpert Thomas Röckmann dat het niet verstandig is om twee miljard belastinggeld te investeren zonder goed te monitoren hoe groot de methaanlekkages zijn bij het gas dat Tata gebruikt? Zo ja, hoe gaat u deze monitoring waarborgen?
Hoe beoordeelt u de realistische haalbaarheid van de geplande overstap naar groen gas rond 2035, gezien de huidige markt voor groen gas lang niet groot genoeg is en Tata 1,5 keer zoveel nodig heeft als wat er nu in heel Nederland beschikbaar is?
Welke garanties zijn er dat Tata Steel bij tekorten en hoge prijzen op de groengas-markt niet langer afhankelijk blijft van aardgas dan gepland? Hoe worden deze garanties contractueel vastgelegd?
Deelt u de analyse van hoogleraar Vollebergh dat het gebruik van gas op lange termijn niet houdbaar is en het verstandiger zou zijn om direct te investeren in elektrificatie in plaats van eerst miljarden te investeren in een tussenfase met gas?
Kunt u uiteenzetten waarom bij dit soort afspraken alleen wordt gekeken naar uitstoot op Nederlandse bodem en niet naar de wereldwijde klimaatimpact, terwijl CO2 niet bij landsgrenzen ophoudt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, maar wel nog worden geïmporteerd |
|
Ines Kostić (PvdD), Renate den Hollander (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2021 een motie van de Partij voor de Dieren (PvdD), VVD en CDA heeft aangenomen (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 64) waarmee de regering wordt verzocht om te onderzoeken hoe de handel in en import van doorgefokte gezelschapsdieren, zoals dieren met extreem korte snuiten, verboden kan worden?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2024 opnieuw een motie heeft aangenomen, ditmaal van de PVV en PvdD (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36), waarmee de regering wordt verzocht om een handel- en houdverbod in te stellen voor dieren die niet mogen worden gefokt in Nederland?
Ja, deze motie is aangenomen met de interpretatie dat het houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten kan worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar (Begrotingsbehandeling LVVN 2025, 17 oktober 2024, Vergaderjaar 2024–2025, nr. 15, item 8).
Erkent u dat honden en katten met schadelijke uiterlijke kenmerken, zoals extreme kortsnuitigheid, hun hele leven lang vermijdbaar en ondraaglijk lijden, zoals ook opnieuw wordt bevestigd in de recente uitzending van EenVandaag?1
Ja, dit erken ik.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman dat circa 60 procent van het werk van dierenartsen te maken heeft met genetische of uiterlijke rasgebonden kenmerken, en dat dit dierenleed grotendeels voorkomen had kunnen worden als deze dieren niet zo waren doorgefokt? Onderschrijft u deze uitspraak? Wat vindt u hiervan?2
Ja, ik heb kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman. Ik kan deze uitspraak zelf niet onderschrijven vanwege het ontbreken van verifieerbare cijfers, maar uiteraard vind ik dat dierenleed daar waar mogelijk voorkomen moet worden. Hier ligt dus een grote verantwoordelijkheid voor fokkers.
Bent u ervan bewust dat schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder kortsnuitigheid, extreem kleine lichaamsbouw, kaalheid en afwijkingen aan de staart, gepaard gaan met verhoogde dierenartskosten gedurende het hele leven van deze dieren?
Ik ben me ervan bewust dat dieren met schadelijke uiterlijke kenmerken in veel gevallen meer (specialistische) diergeneeskundige zorg nodig hebben dan dieren zonder deze kenmerken. Daarom worden mensen hier op gewezen, onder andere met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»3.
Deelt u de analyse dat een houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, kan leiden tot een substantiële daling van dierenartskosten voor eigenaren? Zo nee, waarom niet?
Een houd- en handelsverbod kan alleen worden opgesteld voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar zijn. Een houd- en handelsverbod kan dus lang niet alle erfelijke ziekten en afwijkingen omvatten. Ik verwacht dat een houd- en handelsverbod bij kan dragen aan een daling van dierenartskosten, omdat het voorkomt dat mensen dieren met die kenmerken aanschaffen. Het risico op hoge dierenartskosten wordt echter pas echt verkleind wanneer mensen kiezen voor een verantwoord gefokte hond of kat. Om mensen te helpen om de juiste keuze te maken en om verantwoorde fokkerij te stimuleren, ontvangen het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG), Stichting Fairdog en het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) van de Universiteit Utrecht subsidie. Daarnaast is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt, de zogenaamde fokscreening. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zullen gedeeld worden met de Kamer.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat honden en katten die in Nederland niet meer mogen worden gefokt, wel nog steeds vanuit het buitenland naar Nederland worden geïmporteerd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik, deze dieren mogen in Nederland niet meer worden gefokt omdat hun welzijn en integriteit onnodig worden aangetast. Ik vind dat mensen hier een grote verantwoordelijkheid hebben om voor een gezond dier, zonder schadelijke kenmerken te kiezen. Met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»4 worden mensen bewust gemaakt van de gevolgen van schadelijke kenmerken bij gezelschapsdieren én worden mensen geholpen om de juiste keuze te maken voor een gezond huisdier van een betrouwbare fokker. Voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, en waarvoor een houdverbod goed kan worden onderbouwd en goed handhaafbaar is, voer ik een houdverbod in. Ik ben dan ook blij dat het houdverbod voor katten met vouworen en voor naaktkatten op 1 januari 2026 in werking is getreden en dat het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde onderzoek doet naar de schedelontwikkeling van kortsnuitige puppy’s5. Aan de hand van de resultaten van de risico-inventarisatie van het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA zal ik kijken voor welke aanvullende schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten een houdverbod ingevoerd kan en moet worden.
Daarnaast ziet het er naar uit dat vaststelling van de EU-verordening welzijn en traceerbaarheid van honden en katten nabij is. Deze toekomstige verordening bevat verboden ten aanzien van het fokken met en tentoonstellen van honden en katten met (nog nader aan te wijzen) schadelijke kenmerken. Ook mogen honden en katten uit derde landen onder deze verordening alleen binnen de EU worden verhandeld wanneer ze zijn gefokt en gehouden volgens voorwaarden die overeenkomen met de voorschriften uit de EU-verordening.
Kunt u aangeven wat de reden is voor het door u aangekondigde aanvullende onderzoek naar pups van kortsnuitige honden? Deelt u de mening dat dit onderzoek niet moet leiden tot uitstel van het houd- en handelsverbod met ten minste twee tot drie jaar, waardoor vermijdbaar dierenleed van deze talloze (geïmporteerde) honden voortduurt? Zo nee, waarom niet?3
Zoals in de verzamelbrief welzijn dieren buiten de veehouderij – overig (Kamerstuk 28 286, nr. 1397) en in de Kamerbrief van 28 januari 2026 (Kamerstuk 28 286, nr. 1416) is aangegeven is een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden ingewikkeld. Dit komt omdat niet alle kortsnuitige honden lijden als gevolg van deze kenmerken én omdat er momenteel geen kenmerk is waaraan extreem kortsnuitige honden jonger dan 1 jaar oud aan herkend kunnen worden. Het onderzoek dat het EGD doet naar de voorspellende waarde van uiterlijke- en DNA-kenmerken bij kortsnuitige pups beoogt dit kennishiaat op te vullen. Er is dus zeker geen sprake van uitstel, maar een noodzakelijk onderzoek om een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden te kunnen realiseren. Een houdverbod kan immers alleen worden opgesteld voor een kenmerk dat bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, op iedere leeftijd objectief vast te stellen is én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar is. Het onderzoek is in december 2025 gestart en zal twee jaar duren. Deze tijd is nodig omdat de puppy’s die nu worden geworven over een jaar weer moeten worden opgemeten, waarna de data geanalyseerd kan worden. Ik verwacht de resultaten van het onderzoek in het eerste kwartaal van 2028, die ik dan direct met de Tweede Kamer zal delen. Als uit het onderzoek blijkt dat er een of meerdere geschikte kenmerken zijn waarop een houdverbod kan worden gebaseerd, zal hiervoor een houdverbod worden ingevoerd.
Hoe kijkt u aan tegen een handelsverbod waarbij bij de import van pups verplicht meetformulieren van de ouderdieren moeten worden overlegd, zodat alleen pups worden geïmporteerd waarvan beide ouderdieren aantoonbaar voldoen aan de geldende fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving? Heeft u deze optie onderzocht? Zo ja, kunt u de inzichten hierover naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Deze optie is onderzocht. Het meetformulier voor kortsnuitige honden is echter alleen in Nederland bekend. Het meetformulier is bovendien geen officieel document en de reu is vrijwel nooit aanwezig bij de pups. Dit laat zeer veel ruimte voor misleiding door fokkers en handelaren. Het is voor een koper of importeur niet betrouwbaar na te gaan of beide ouderdieren voldoen aan de fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving. De conclusie is dan ook dat het echt noodzakelijk is om aan de hand van de pup zelf te kunnen vaststellen of het dier geïmporteerd mag worden of niet.
Een handelsverbod is bovendien niet de meest geschikte optie om de aanschaf van gezelschapsdieren met schadelijke kenmerken tegen te gaan. Voor een rechtmatige beperking van het vrij verkeer van goederen moet vanuit het EU-recht worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, geschiktheid en proportionaliteit. Een handelsverbod is zeer moeilijk handhaafbaar vanwege de open grenzen binnen de EU en omdat veel kenmerken niet eenvoudig vast te stellen zijn (Kamerbrief van 14 april 2022, Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit maakt dat er kan worden getwijfeld aan de geschiktheid van een handelsverbod voor doorgefokte gezelschapsdieren. Daarom is ervoor gekozen om een houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten in te voeren. Dit verbod kan goed worden onderbouwd en is goed handhaafbaar, omdat deze kenmerken bij ieder individueel dier voor lijden zorgen, op iedere leeftijd objectief vast te stellen zijn en omdat er enkel hoeft te worden vastgesteld dat het dier gehouden wordt. Zoals eerder aangegeven kan het houdverbod worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar.
Bent u bereid om vooruitlopend op bredere regelgeving een houd- en handelsverbod in te stellen voor schadelijke uiterlijke kenmerken die wel al zichtbaar zijn op een leeftijd van circa 7 tot 15 weken, zoals kaalheid bij honden, extreem korte poten of afwezigheid van een functionele staart, gezien de grote gevolgen van deze kenmerken voor het welzijn en de levenskwaliteit van de dieren? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de interpretatie van de motie Graus en Kostić (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36) is aangegeven kan het houdverbod, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar, worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken. Voor de benodigde onderbouwing wacht ik op de resultaten van de risico-inventarisatie die het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA uitvoert. Aan de hand hiervan kan worden bepaald welke kenmerken nog meer in aanmerking komen voor een houdverbod, of voor maatregelen ten aanzien van de fokkerij en deelname aan wedstrijden, tentoonstellingen en keuringen. Hierbij is het van belang dat een houdverbod alleen kan worden ingevoerd voor kenmerken die objectief bij het individuele dier vast te stellen zijn en waarvan voldoende wetenschappelijk onderbouwd kan worden dat ieder dier met dat kenmerk hieronder lijdt.
Klopt het dat het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA een onderzoek heeft uitgevoerd naar welke uiterlijke kenmerken lijden veroorzaken bij individuele dieren (Kamerstuk 28 286, nr. 1324 en Kamerstuk 28 286, nr. 1397)? Wanneer gaat u dit onderzoek naar de Kamer sturen, aangezien eerder werd aangegeven dat dit eind 2024 en vervolgens na de zomer van 2025 zou gebeuren?
Het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA legt momenteel de laatste hand aan de risico-inventarisatie van schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten. Helaas duurt het onderzoek langer dan voorzien. Zodra het definitieve rapport is opgeleverd, zal dit met de Kamer gedeeld worden.
Kunt u aangeven wat de status is van de invulling van artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren in de context van overige schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder criteria voor kortsnuitige katten, lichaamsformaat, (onwenselijke) staartlengte en ontbrekende haarbedekking?
Ik vind het uiteraard belangrijk dat dieren gezond gefokt worden en niet lijden onder schadelijke erfelijke kenmerken en erfelijke ziekten. Ik ben dan ook blij dat er een beleidsregel voor het fokken met kortsnuitige honden is. Het is echter niet doenlijk om voor alle kenmerken en ziektes een dergelijke beleidsregel te maken. Daarom is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt. Er is eerst ingezet op het ontwikkelen van een systeem voor honden, wanneer dit succesvol is zal verder worden gekeken naar een systeem voor katten. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zal ik delen met de Kamer.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
De aanhoudende problemen met zwerfstroom bij veehouderijbedrijven |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanhoudende problemen met zwerfstroom bij onder meer veehouderijbedrijven1?
Kunt u in afstemming met onder meer provincies, gemeenten en sectororganisaties aangeven in hoeverre in andere regio’s in het land bij veehouderijbedrijven ook problemen ervaren worden die mogelijk in verband staan met zwerfstroom?
Deelt u de mening dat het vanwege de toenemende elektrificatie goed is om tijdig onderzoek te doen naar mogelijke risico’s van zwerfstroom en de mogelijkheden om dit te voorkomen?
Waarom is door de provincie Zuid-Holland gevraagd multidisciplinair onderzoek naar de zwerfstroomproblematiek geweigerd2, terwijl verschillende experts wijzen op de mogelijkheid van bedrijfsoverstijgende oorzaken3, 4?
Bent u alsnog bereid het gevraagde multidisciplinaire onderzoek op te pakken?
Gecorrigeerde temperatuurreeksen van het KNMI |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Klimaatcritici krijgen gelijk van KNMI: 7 extra hittegolven sinds 1900»1 en «KNMI publiceert verbeterde homogene temperatuurreeksen»?2
Ja.
Hoe reageert u op de correctie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dat er tussen 1900 en 1950 niet zeven, maar veertien hittegolven zijn geweest – oftewel twee keer zoveel?
Het is een goede zaak dat het KNMI verbeterde homogene temperatuurreeksen heeft gepubliceerd3. Het is van belang accurate informatie te hebben en nieuwe inzichten hierin voortdurend mee te nemen. Deze nieuwe reeksen leveren voor de belangrijkste klimaatcijfers geen ander resultaat dan de eerder gepubliceerde reeksen. Sinds 1901 is de gemiddelde jaartemperatuur met ongeveer 2 graden gestegen.
Vooral op losse warme zomerdagen zijn er wel verschillen in de reeksen. Dit heeft ook invloed op het aantal getelde hittegolven. Deze tellingen zijn heel gevoelig voor kleine veranderingen en daarmee veel meer onzeker. Het aanpassen van de maximumtemperatuur op slechts één dag van 29,9 graden naar 30,0 graden of andersom, kan uitmaken of er een hittegolf wordt geteld.
In de ruwe metingen van De Bilt zijn sinds 1901 in totaal 46 hittegolven geteld. In de eerste homogene temperatuurreeksen uit 2016 waren dat er 32. In de verbeterde homogene temperatuurreeksen zijn het er 39. Ruim 40 procent van alle hittegolven is opgetreden na het jaar 2000. Daarmee is de klimaattrend hetzelfde: er komen tegenwoordig veel meer hittegolven voor.
Wat vindt u ervan dat klimaatcritici, zoals in dit geval stichting Clintel, jarenlang zijn weggezet als «klimaatontkenners», terwijl hun inhoudelijke kritiek nu juist correct blijkt te zijn?
Het KNMI heeft kennisgenomen van kritische publicaties in de wetenschappelijke literatuur (bijv. Dijkstra et al., 2022) op de eerste homogenisatie. De kritiek richtte zich op methodologische keuzes en de gevoeligheid van de uitkomsten daarvoor. Onderbouwde kritiekpunten en aanbevelingen zijn nauwgezet bestudeerd. In meerdere gevallen zijn deze geaccepteerd en overgenomen bij de ontwikkeling van een verbeterde, robuustere methodologie. Dat heeft daarmee mede geleid tot het resultaat van de verbeterde homogene temperatuurreeksen. De nieuwe uitkomsten sluiten meer aan bij de verwachtingen van critici, zoals Clintel, over het aantal hittegolven voor 1950. Ook de nieuwe temperatuurreeksen laten duidelijke en consistente klimaattrends zien. De homogenisatie zegt niets over de oorzaken van klimaatverandering, zoals menselijk invloed, die door klimaatsceptici wordt betwijfeld, afwezen of ontkend.
Hoe kan het dat het KNMI nu pas de temperatuurreeksen corrigeert, terwijl de discussie over het aantal hittegolven al vanaf 2016 loopt? Heeft het KNMI werkelijk tien jaar nodig gehad om dit te onderzoeken?
Het KNMI voert doorlopend onderzoek uit naar historische temperatuurmetingen en mogelijkheden om deze beter vergelijkbaar te maken met moderne metingen. Hierover zijn in de periode 2016–2026 wetenschappelijke publicaties verschenen in o.a. 2019, 2022, 2023 en 2026. Dit heeft uiteindelijk in samenhang geleid tot de verbeterde homogene temperatuurreeksen.
Is het mogelijk dat er meer fouten of onnauwkeurigheden in historische temperatuurreeksen zitten? Bent u ertoe bereid dit te (laten) onderzoeken?
Het vergelijkbaar maken van historische metingen met moderne metingen brengt altijd enige onzekerheid met zich mee. In het wetenschappelijk rapport dat het KNMI dit jaar heeft uitgebracht zijn deze onzekerheden inzichtelijk gemaakt. Het valt niet uit te sluiten dat toekomstig onderzoek ertoe leidt dat het vergelijkbaar maken van temperatuurreeksen nog nader verfijnd kan worden. Het KNMI voert zelf doorlopend onderzoek uit naar historische temperatuurmetingen, het kabinet ziet geen reden om dit verder te laten onderzoeken.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle genomen of voorgenomen klimaatmaatregelen die direct of indirect, geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op de oude, incorrecte temperatuurreeksen – en deze maatregelen vervolgens direct intrekken?
Het kabinet ziet geen aanleiding om een dergelijk overzicht van klimaatmaatregelen te maken omdat zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven de onderbouwing van die maatregelen niet door de correctie van de temperatuurreeksen verandert.
Overlast rond islamitische school Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het structurele en escalerende intimiderende gedrag van moslimjongeren van het islamitische Cornelius Haga Lyceum in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer? Wat vindt u hiervan?1
De situatie is mij bekend. Ik vind het heel vervelend dat de wijkbewoners rondom het Cornelius Haga Lyceum zoveel overlast ervaren van de school. Leerlingen horen zich te gedragen, niet alleen binnen de muren van hun school, maar ook daarbuiten. En net zoals alle leerlingen en leraren in ons land zich iedere dag weer veilig moeten voelen op hun school, moet dat ook gelden voor de omwonenden in hun eigen leefomgeving.
De verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde, de veiligheid en het bieden van passende onderwijshuisvesting ligt bij de gemeente. Hierin is geen rol weggelegd voor mijn ministerie. Wel is er op ambtelijk niveau nauw contact met de gemeente Amsterdam. De gemeente heeft eerder al de nodige maatregelen getroffen om de overlast te beteugelen.2 Zo wordt er extra gesurveilleerd rondom de school (zowel door de politie als door straatcoaches), is jongerenwerk binnen en buiten de school aanwezig om met jongeren in gesprek te gaan en wordt ook de schoolleiding betrokken bij het optreden tegen de groep overlastgevende jongeren. Deze maatregelen worden gecontinueerd. Mijn beeld is dat de gemeente en haar samenwerkingspartners alles op alles zetten om de overlast te beperken.
Deelt u de mening dat de situatie waarbij omwonenden dagelijks worden geconfronteerd met vernielingen, bedreigingen, grove scheldpartijen, het doelbewust blokkeren van toegang tot woningen door groepen moslimjongeren en het systematisch onveilig maken van de openbare ruimte in Nederland totaal onacceptabel is en niet in Nederland thuishoort? Zo ja, wat gaat u hieraan doen, zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat hier sprake is van normverwerping en groepsintimidatie door aanhangers van een islamitische cultuur die ons structureel ondermijnt?
De berichten in de media doen vermoeden dat hier sprake is van grensoverschrijdend gedrag en groepsintimidatie door middelbare scholieren. Dit ondermijnt het gevoel van veiligheid dat de wijkbewoners ervaren. Dat vind ik zeer onwenselijk.
Deelt u onze mening dat de islam niet bij Nederland hoort? Zo nee, waarom niet?
Nee. In Nederland geldt vrijheid van godsdienst.
Bent u bereid alle islamitische scholen te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik heb de intentie noch de bevoegdheid om zonder wettelijke grondslag willekeurige groepen scholen te sluiten.
Bent u bereid om eindelijk hard in te grijpen door de daders hard te straffen en waar mogelijk te denaturaliseren en uit ons land te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Wanneer er sprake is van strafbare feiten, is het aan de rechter om hierover te oordelen. Ik ben niet bevoegd om dergelijke strafmaatregelen te treffen.
Deelt u de diepe zorgen van de buurtbewoners dat het Cornelius Haga Lyceum en zijn leerlingen inmiddels bezig lijken met het «oprichten van een eigen islamitische staat» binnen de Amsterdamse wijk Bos en Lommer en bent u bereid te erkennen dat de aanhoudende intimidatie, de grove scheldpartijen en de systematische onveiligheid het directe gevolg zijn van een barbaarse ideologie gestoeld op de leer van Mohammed die gericht is op onze onderwerping en vernedering en bovendien de Westerse en Nederlandse normen en waarden en het gezag structureel verwerpt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen van de buurtbewoners over de overlast die zij ervaren. Mijn departement staat in contact met de gemeente Amsterdam en zal de situatie blijven volgen.
Het bericht 'Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam' en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties. |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam»1 en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties?2
Kunt u op elk van de geuite zorgen door de advocaat van de maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Advocates for the Future, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak reageren met een gedegen onderbouwing?3
Kunt u aangeven welke vergunningen precies wanneer zijn verleend en aan wie, welke onderdelen nog wijzigbaar waren in 2024–2025, en kunt u de volledige tijdlijn inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten delen met de Kamer?
Klopt het dat de regering het ontwerpbesluit waarin het mogelijk werd gemaakt om hyperscale datacenters landelijk te verbieden in 2022 is gepresenteerd en dat al op 16 februari 2022 een voorlopig besluit werd genomen om de vestiging van hyperscale datacenters tijdelijk te blokkeren totdat nieuwe nationale criteria en regels zouden worden vastgesteld? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Kunt u bevestigen dat het gebruikelijk is om bij ruimtelijke besluiten ook «voorzienbare ontwikkelingen» en dus verwachte toekomstige wetgeving en beleid mee te wegen in de besluitvorming?
Was het juridisch ook mogelijk geweest om bij de vergunningsverlening rondom de hyperscale datacenter in Amsterdam de «voorzienbare ontwikkeling» van een komend landelijk verbod mee te wegen in de besluitvorming rondom (een van de) vergunningen? Welke mogelijke juridische ruimte zit daar in theorie?
Wat zijn de verwachte kosten in termen van energieverbruik (bijvoorbeeld equivalent aan het stroomverbruik van alle huishoudens in Haarlem), ruimtebeslag (inclusief hoogbouw van 85 meter in het havengebied), watergebruik, CO2-uitstoot en netcapaciteit voor dit project? Ten koste van welke andere belangrijke zaken gaat dit, bijvoorbeeld duurzame energieopwekking, natuur, woningbouw of klimaatadaptatie, (of iets anders)?
Hoeveel windturbines zouden in theorie nodig zijn om zo’n hyperscale datacenter te laten draaien?
Gaat dit project zorgen voor minder beschikbare ruimte en energiecapaciteit voor fundamentele zaken als woningen, zorgvoorzieningen, scholen, etc? Zo nee, hoe onderbouwt u dat? Zo ja, hoe verantwoordt u dan de keuze voor de hyperscale datacenter boven de andere zaken die gelden als van groot maatschappelijk belang?
Hoe rijmt het toelaten van zo’n energieslurpend hyperscale datacenter met al bestaande grote problemen rondom woningnood, netcongestie, hoge energieprijzen en de energietransitie?
Zijn deze problemen ooit ergens in de besluitvorming bewust meegewogen? Zo ja, hoe precies en wanneer? Zo nee, waarom niet en vindt u ook dat dat wel zou moeten gebeuren?
Is de impact op ruimte en energie voor woningen, zorgvoorzieningen, scholen, verzorgingshuizen, en andere zaken van groot maatschappelijk belang ergens in de besluitvorming rondom de hyperscale datacenter meegewogen? Zo ja, kunt u de uitgebreid schetsen wat precies is afgewogen en wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u het met ons eens dat zo’n expliciete weging wel zou moeten worden gemaakt en verankerd in beleid?
Waar en wanneer is precies het besluit genomen dat in de situatie van netcongestie een Amerikaanse hyperscale voorrang zou mogen krijgen boven bijvoorbeeld woningen?
In hoeverre acht u dit project verenigbaar met strategische energie- en grondstoffenonafhankelijkheid, gelet op de verspilling van schaarse energie en ruimte die ten koste gaat van nationale prioriteiten zoals de energietransitie, klimaataanpak en circulariteit?
Voor welke specifieke doeleinden wordt het datacenter door Microsoft gebruikt, welke soorten data worden er verwerkt en opgeslagen, en in hoeverre draagt dit bij aan de strategische digitale autonomie van Nederland en de EU, of juist aan verdere afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Kunt u dat met verwijzing naar expertbronnen onderbouwen?
Eerder bleek dat Microsoft datacenters in Nederland worden gebruikt door het Israëlische leger dat daar tientallen miljoenen uren aan opnamen van telefoongesprekken van Palestijnen opslaat, dus zou het kunnen dat de nieuwe hyperscale daarvoor ook wordt gebruikt?4 Kunt u dat met zekerheid uitsluiten? Zo nee, wat vindt u dan van die situatie ook in het kader van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor bescherming van mensenrechten? Bent u bereid om hierover iets op te nemen in uw beleid rondom datacenters?
In hoeverre acht de regering dit project verenigbaar met strategische digitale autonomie en digitale veiligheid, mede gezien de afhankelijkheid van een Amerikaans techbedrijf voor kritieke infrastructuur en overheidsdata?
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaf tijdens het vragenuur van dinsdag 27 januari 2026 aan dat ze niet ziet hoe deze casus raakt aan strategische autonomie. Staat de regering hier nog steeds zo in, en zo ja, kunt u de stelling dat de casus niets te maken heeft met strategische autonomie dan onderbouwen met verwijzingen naar onafhankelijk onderzoeken en experts?
Erkent u dat dit project, gecombineerd met het hosten van overheidsdata zoals van de Belastingdienst bij Microsoft, de strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt door o.a. de VS-data-toegang via de Amerikaanse CLOUD Act?
Kunt u de juridische adviezen delen over welke mogelijkheden er waren (en zijn) voor herroeping of aanpassing van de vergunning(en), gezien bijvoorbeeld de problemen rond netcongestie en het groot maatschappelijk belang van onze digitale veiligheid en wonen?
Als die juridische adviezen nog nergens zijn opgevraagd, bent u bereid om alsnog om extra juridisch advies te vragen, met het doel te verkennen of ergens nog ruimte is om de komst van de hyperscale datacenter tegen te houden, gezien de langdurige negatieve impact op andere zaken van groot maatschappelijk belang, zoals onze strategische autonomie en wonen?
Bent u bereid om met de advocaten van Advocates for the Future en maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak in gesprek te gaan over de casus en over de lessen die we hieruit moeten trekken en om hierover op korte termijn aan de Tweede Kamer per brief terug te koppelen?5 Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat als de vergunningsaanvraag voor deze drie torens vandaag gedaan zou worden, deze buiten het landelijk verbod zou vallen gezien de huidige regels over bijvoorbeeld hoeveelheid hectare, en zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Erkent u dat het opsplitsen van één datacenter in meerdere gebouwen met elk een afzonderlijk aansluitvermogen ertoe leidt dat de bedoeling van het hyperscale-verbod wordt ondergraven, terwijl de feitelijke maatschappelijke impact gelijk blijft? Zo nee, waar baseert u dat op?
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de regelgeving rondom het verbod, en te verkennen of er aanscherpingen nodig zijn gezien de maatschappelijke onrust en andere grote maatschappelijke belangen die om ruimte en energie vragen?
Welke andere lessen trekt u uit deze gang van zaken voor de toekomst?
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en binnen twee weken, gezien de urgentie van de situatie?
Kunstsubsidies |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het diversiteits- en inclusiebeleid van gesubsidieerde musea, waaronder het Stedelijk Museum Amsterdam, en de wijze waarop dit beleid doorwerkt in het aankoopbeleid van museale collecties?
Ik ben bekend met de inzet op het gebied van diversiteit en inclusie door musea die subsidie van het Ministerie van OCW ontvangen. Deze instellingen rapporteren aan het ministerie over de uitgevoerde activiteiten en de voor de collectie verworven objecten in het jaarverslag. Hierin wordt ook een reflectie op de inzet in het kader van de Code Diversiteit & Inclusie opgenomen. Ook andere musea nemen vaak een reflectie over diversiteit en inclusie op in het jaarverslag, zo ook het Stedelijk Museum Amsterdam. Deze jaarverslagen worden doorgaans online gepubliceerd.
Deelt u de opvatting dat kunstsubsidies nooit mogen leiden tot (directe of indirecte) uitsluiting van kunstenaars op basis van persoonskenmerken zoals huidskleur, afkomst of seksuele geaardheid?
In Nederland geldt artikel 1 van de Grondwet, dat het gelijkheidsbeginsel verankert, en is discriminatie verboden. Op basis van wettelijke kaders mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan.
Is het u bekend dat binnen de culturele sector de perceptie bestaat dat het niet actief voeren van diversiteitsbeleid kan leiden tot een lagere subsidiebeoordeling? Acht u deze perceptie wenselijk?
Culturele organisaties die voor de periode 2025–2028 subsidie in het kader van de Culturele basisinfrastructuur aanvroegen werd gevraagd de Code Diversiteit & Inclusie (net als de Governance Code Cultuur en de Fair Practice Code) te onderschrijven. Daarbij is gemeld dat het aan instellingen zelf is om te bepalen welke doelstellingen zij hebben om de code (al dan niet verder) te implementeren en hoe zij die doelstellingen willen bereiken. Het culturele veld is op verschillende manieren geïnformeerd over de periode 2025–2028. Onder andere door middel van de website cultuursubsidie.nl, de kamerbrief Uitgangspunten Cultuursubsidies 2025–2028 en uiteraard door het publiceren van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2025–2028. De omgang met en status van de codes is hierbij geduid. Overigens is de code door de sector zelf en op eigen initiatief opgesteld en uitgewerkt.
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat «diversiteit en inclusie» een formeel beoordelingscriterium is bij subsidies die via de Raad voor Cultuur en het Mondriaan Fonds worden toegekend?
Zoals gezegd onder vraag 3 is aan instellingen voor de periode 2025–2028 van de Culturele basisinfrastructuur gevraagd de codes te onderschrijven en uit te leggen hoe zij deze toepassen. Het Mondriaan Fonds vroeg instellingen ook om de codes te onderschrijven. Zowel voor de subsidies die door de Raad voor Cultuur als het Mondriaan Fonds zijn beoordeeld geldt dat organisaties vrij zijn in de keuzes die zij maken in het vertalen van de principes uit de Code Diversiteit & Inclusie naar een eigen visie, doelen en bijpassende acties.
De Raad voor Cultuur heeft subsidieaanvragen beoordeeld aan de hand van de volgende set beoordelingscriteria: de artistieke en/of inhoudelijke kwaliteit, maatschappelijke betekenis, toegankelijkheid, bedrijfsmatige gezondheid en geografische spreiding van de instelling. Hierbij heeft de Raad voor Cultuur onder twee beoordelingscriteria specifiek naar de toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie gekeken, namelijk onder «maatschappelijke betekenis» (voor wat betreft de aspecten «Programma», «Partners» en «Personeel») en «toegankelijkheid» (voor wat betreft het aspect «Publiek»). Voor het Mondriaan Fonds geldt dat diversiteit en inclusie geen inhoudelijk beoordelingscriterium is bij de subsidies die worden toegekend aan musea. De manier waarop musea invulling geven aan het toepassen van de code Diversiteit & Inclusie wordt niet beoordeeld en heeft geen invloed op het al dan niet toekennen van de subsidie. Alleen voor de meerjarenregeling Programma’s Kunstpodia is naar het totale beleid dat kunstpodia op de drie geldende codes hebben gekeken, als een van de beoordelingscriteria. Dit omdat binnen deze regeling subsidie wordt toegekend voor de exploitatie en programma van de instelling als geheel en niet alleen voor een los project.
Indien ja, kunt u exact aangeven welk gewicht dit criterium heeft ten opzichte van artistieke kwaliteit in de beoordelingssystematiek (bijvoorbeeld in punten, wegingsfactoren of drempelcriteria)?
Voor de periode 2025–2028 heeft de Raad voor Cultuur de aanvragen van instellingen beoordeeld aan de hand van vijf samenhangende beoordelingscriteria. Onder twee beoordelingscriteria is specifiek naar de toepassing van de code Diversiteit & Inclusie gekeken. Het criterium «toegankelijkheid» werd onder andere beoordeeld aan de hand van landelijke spreiding, digitale beschikbaarheid van het aanbod en een goed prijsbeleid. Daarbij is o.a. het aspect «Publiek» van de code meegewogen. Als onderdeel van het criterium «maatschappelijke betekenis» werd beoordeeld in hoeverre de artistieke of inhoudelijke activiteiten van de instelling bijdragen aan maatschappelijke vraagstukken of aan andere maatschappelijke sectoren en in hoeverre de instelling regionaal of lokaal geworteld is. Ten aanzien van de Code Diversiteit & Inclusie is binnen dit criterium meegewogen hoe instellingen deze code naleven met betrekking tot de aspecten «Programma» en «Partners» (voor zover betrekking hebbend op de artistieke of inhoudelijke activiteiten) uit deze code. Ook het aspect «Personeel» uit de Code Diversiteit & Inclusie is in het kader van dit criterium meegewogen.
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat subsidieaanvragen zonder expliciete doelstellingen op het gebied van diversiteit en inclusie structureel lager worden beoordeeld dan aanvragen die deze wel bevatten?
Nee. Zoals bij vraag 4 aangegeven heeft de Raad voor Cultuur op basis van een geheel aan beoordelingscriteria een afweging gemaakt, waar het toepassen van de Code Diversiteit & Inclusie één onderdeel van was.
Indien nee, kunt u de beoordelingsrichtlijnen overleggen waaruit dit blijkt?
De beoordelingsrichtlijnen zijn vastgelegd in de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2025–2028 en toegelicht in de kamerbrief Uitgangspunten Cultuursubsidies 2025–2028. De Raad voor Cultuur heeft de richtlijnen verder uitgewerkt in het Beoordelingskader BIS 2025–2028 en toegepast zoals gerapporteerd in het Advies Culturele basisinfrastructuur 2025–2028.
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat instellingen die expliciet stellen uitsluitend artistieke kwaliteit als leidend criterium te hanteren, zonder aanvullende maatschappelijke doelstellingen, geen verhoogd risico lopen op afwijzing of korting?
Zoals bij vraag 5 beantwoord heeft de Raad voor Cultuur op basis van een geheel aan beoordelingscriteria een afweging gemaakt, waar artistieke en/of inhoudelijke kwaliteit één onderdeel van was. Naast dit criterium is gekeken naar de maatschappelijke betekenis, toegankelijkheid, bedrijfsmatige gezondheid en geografische spreiding van de instelling. De beoordeling sluit hiermee aan op de doelstellingen van het cultuurbeleid zoals die zijn vastgelegd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Indien u dit niet kunt bevestigen: erkent u dan dat er sprake is van indirecte beleidssturing vanuit de overheid op artistieke keuzes van musea?
Nee. Musea die op grond van de Erfgoedwet zijn belast met zorg voor de Rijkscollectie, ontvangen van het Ministerie van OCW subsidie voor het beheer van de collectie en het organiseren van publieksactiviteiten. Deze subsidie wordt ambtshalve – zonder advies van de Raad voor Cultuur – verstrekt op grond van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiering museale instellingen. In deze regeling is, in lijn met de regeling van de Culturele basisinfrastructuur, als voorwaarde gesteld dat de instelling in zijn activiteitenplan voor de periode 2025–2028 de Code Diversiteit & Inclusie onderschrijft.
Acht u het verenigbaar met de publieke taak van musea dat zij in hun aankoopbeleid expliciete prioriteiten communiceren die gebaseerd zijn op identiteitskenmerken van kunstenaars?
Ik vind het van belang dat de collecties van musea voor zover mogelijk een afspiegeling zijn van Nederland, nu en in het verleden. Het is aan het museum om te besluiten welke objecten worden verworven. Musea kunnen daarbij besluiten om werken van bepaalde kunstenaars of genres te verwerven, omdat deze werken nu nog niet vertegenwoordigd zijn in de collectie. Dit gebeurt veelal op basis van een collectieplan, waarin het museum artistiek inhoudelijke en/of maatschappelijke aandachtsgebieden en lacunes in de collectie identificeert.
Acht u het verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel dat musea in subsidieaanvragen kwantitatieve doelen formuleren voor aankopen op basis van kenmerken van kunstenaars, zoals afkomst of gender?
Ik ben niet bekend met kwantitatieve doelen bij het aankoopbeleid van musea. Het is aan musea om te besluiten over aankopen voor de collectie.
Kunt u uitsluiten, ja of nee, dat dergelijke kwantitatieve doelen in de praktijk functioneren als de facto quota, ondanks het ontbreken van die term in beleidsdocumenten?
Zoals bij vraag 9 beantwoord, is het aan musea om te besluiten over aankopen voor de collectie. Vanuit het ministerie worden er geen quota gehanteerd.
Bent u bereid alle beoordelingskaders, handreikingen en interne richtlijnen die subsidiecommissies gebruiken bij de beoordeling van diversiteit en inclusie openbaar te maken?
Zowel de beoordelingskaders als de toegelichte adviezen van de Raad voor Cultuur en de beoordelingskaders van de rijkscultuurfondsen zijn openbaar. Deze documenten maken duidelijk op welke manier de toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie is meegenomen bij de beoordeling van subsidieaanvragen.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige subsidiekader voldoende waarborgen bevat om ideologische eenzijdigheid bij gesubsidieerde culturele instellingen te voorkomen?
Nee, hier zie ik geen aanleiding voor. De beoordelingsprocessen van de Raad voor Cultuur en de rijkscultuurfondsen bevatten gezien de mix aan beoordelingscriteria voldoende waarborgen om ervoor te zorgen dat de sector in de periode 2025–2028 ruimte geeft aan verschillende stemmen.
Hoe ziet u uw rol als Minister in het bewaken van pluriformiteit in de kunstsector, zowel inhoudelijk als institutioneel?
De Wet op het specifiek cultuurbeleid bevat meerdere doelen. Eén van de doelen is om cultuuruitingen sociaal en geografisch te spreiden. Een ander doel is om de verscheidenheid van culturele uitingen in stand te houden. Het toepassen van de door de sector opgestelde Code Diversiteit & Inclusie draagt wat mij betreft bij aan het realiseren van de verschillende doelen van het cultuurbeleid. Ik vind het belangrijk dat mijn beleid bijdraagt aan het vergroten van de sociale en geografische spreiding, zodat er ruimte is voor meerstemmigheid en zoveel mogelijk mensen van cultuur kunnen genieten.
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de effecten van diversiteitscriteria op artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de gesubsidieerde cultuursector?
Nee, hier zie ik geen aanleiding voor. Zoals bij vraag 12 beantwoord bevat het beoordelingsproces door de Raad voor Cultuur en de rijkscultuurfondsen voldoende waarborgen om ervoor te zorgen dat de artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de sector behouden blijven.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de overheid informatie achterhoudt voor de toeslagenouders |
|
Elmar Vlottes (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toeslagenouders opnieuw slachtoffer: overheid houdt informatie voor hen achter en overtreedt zo de wet»?1
Hoe beoordeelt u de werkwijze van de Dienst Toeslagen om doelbewust informatie niet te verstrekken, terwijl de ouders daar in voorkomende gevallen wél recht op hadden?
Hoe beoordeelt u de uitspraak: «inzet is altijd geweest te voldoen aan wettelijke verplichtingen». Met de inhoud van het memo waaruit blijkt dat doelbewust de strijdigheid met de wet wordt aanvaard én ook wordt erkend dat de werkwijze niet houdbaar is in beroep? Bent u het ermee eens dat deze uitspraak haaks staat op de inhoud van het memo?
Heeft u inzichtelijk om welke dossiers het gaat en wat de gevolgen zijn en zijn geweest van het achterhouden van informatie voor de ouders? Wat gaat u eraan doen om deze ouders alsnog inzage te geven in het volledige dossier?
Bent u het ermee eens dat het een grove schande is om doelbewust informatie achter te houden en de toeslagenouders daarmee nog verder te duperen? Zo nee, hoe denkt u het vertrouwen van de toeslagenouders nog te herstellen als zij keer op keer geconfronteerd worden met wantrouwen en tegenwerking?
De gezamenlijke verklaring van 11 landen inzake UNRWA van 28 januari. |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gezamenlijke verklaring van 28 januari j.l. van de Ministers van Buitenlandse Zaken van België, Canada, Denemarken, Frankrijk, IJsland, Ierland, Japan, Noorwegen, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk waarin zij krachtig de sloop door de Israëlische autoriteiten van het hoofdkwartier van het UNRWA veroordelen?
Ja.
Is Nederland benaderd voor deze gezamenlijke verklaring? Zo ja, waarom is besloten hier niet onder te staan?
Nederland is, samen met een brede groep landen, benaderd om de gezamenlijke verklaring zoals opgesteld door Frankrijk en het VK te medeondertekenen. Gelet op het besluit van het kabinet om de sloop nationaal te veroordelen (zie Kamerbrief 26 150, nr. 242 van 26 januari jl.) was de positie van Nederland duidelijk. Ook heeft de Adviescommissie van UNRWA, waar Nederland lid van is, op 26 januari de sloop veroordeeld en Israël gewezen op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen.1
Overweegt u deze verklaring alsnog te steunen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de verklaring is reeds gepubliceerd. Zoals bekend heeft Nederland de sloop al veroordeeld.
Heeft u, afgezien van in uw brief aan de Kamer van 26 januari, publiekelijk de sloop van het UNRWA-hoofdkantoor stevig veroordeeld? Zo ja, via welke kanalen? Zo nee, waarom niet?
De adviescommissie van UNRWA heeft op 26 januari eveneens een veroordeling gepubliceerd. Nederland heeft deze als lid van de adviescommissie gesteund.
Heeft u na 20 januari hierover gecommuniceerd met de Israëlische autoriteiten? Wat is gecommuniceerd?
In contacten met de Israëlische overheid is de sloop van het UNRWA gebouw direct opgebracht waarbij is benadrukt dat dit VN-terrein betreft, met verwijzing naar de onschendbaarheid van deze gebouwen en terreinen.
Herinnert u zich de aangenomen motie Kröger c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 37) die de regering vraagt om stevig steun uit te spreken voor het werk en het mandaat van UNRWA en stelt dat Nederland pal moet staan voor VN- en hulporganisaties nu deze worden gecriminaliseerd? Vindt u dat u in lijn met deze motie handelt? Zo ja, hoe?
Het kabinet is bekend met de aangenomen motie en heeft bij de appreciatie aangegeven dat Nederland UNRWA steunt en dit zal blijven doen conform het amendement Stoffer/Eerdmans (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 50). We wegen bij het al dan niet doen van publieke uitspraken altijd zorgvuldig af waar dat wel helpt en waar niet. Tegelijkertijd heeft het kabinet ook meermaals het belang van volledige implementatie van het Colonna rapport over neutraliteit, waaronder dat van het lesmateriaal, en integriteit binnen UNRWA benoemd. Daarnaast sprak het kabinet eerder zorgen uit over de afhankelijkheid van UNRWA voor het leveren van humanitaire hulp in Gaza, vandaar dat Nederland blijft inzetten op diversificatie van die hulp.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.