| Ingediend | 8 april 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 21 april 2026 (na 13 dagen) |
| Indieners | Esther Ouwehand (PvdD), Christine Teunissen (PvdD), Joost Sneller (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
| Beantwoord door | David van Weel (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
| Onderwerpen | dieren landbouw |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z07353.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1692.html |
Ja.
Ja, dat kan ik bevestigen. Over de achtergrond van de cijfers zijn geen gegevens beschikbaar. Daarom doet de NVWA in 2026 onderzoek naar de achtergrond van deze cijfers, zoals de betrokken vervoerders en de herkomst van (een deel) van deze dieren.
Runderen
1.996
2.370
1.159
Varkens
13.572
13.625
9.754
Schapen
380
407
300
Geiten
331
311
272
Ja.
Ik kan bevestigen dat de dieren op de beelden niet geschikt voor het voorgenomen transport waren en niet naar het slachthuis vervoerd hadden mogen worden. De NVWA heeft daar ook boetes voor opgelegd. Op het moment dat de beelden genomen zijn, hadden de meeste dieren dringend medische zorg nodig.
De beelden vind ik verschrikkelijk en gaan me aan het hart. Dieren die ongeschikt zijn om te vervoeren, mogen niet worden aangeboden voor transport en dus ook niet vervoerd worden. Slachthuizen, transporteurs, handelaren, houders van verzamelcentra en veehouders zijn verplicht om te allen tijde met zorg voor het welzijn om te gaan met levende dieren. Ik verwacht ook dat men binnen de sector elkaar hier op aanspreekt.
Een veehouderijsysteem zorgt op zichzelf niet voor een slecht dierenwelzijn. Dieren kunnen op primaire bedrijven kreupelheid ontwikkelen of anderszins ziek worden en zij dienen daarvoor behandeld te worden. Daar waar specifieke aandoeningen (bedrijfsgebonden dierziekten) met regelmaat voorkomen is het van belang dat de sector hier aandacht voor heeft. Houders horen in overleg met bijvoorbeeld de dierenarts, klimaatadviseur, voerleverancier bezien welke aanpassingen op het bedrijf moeten worden doorgevoerd om dit te voorkomen. Voordat dieren op transport gaan, beoordeelt een houder of een dier dat behandeld is, in verband met kreupelheid of ziekte, voldoende hersteld is. Ook moet worden bekeken of de wachttijd van toegediende medicatie is verstreken en of transporteren verantwoord is voor het dier. De houder kan zich voor deze beoordeling ook laten bijstaan door de dierenarts.
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Ja
De beelden tonen herhaaldelijke overtredingen op vijf verzamelplaatsen, binnen een korte tijd. Dat kan inderdaad niet worden afgedaan als een incident. Tegelijkertijd kan ik op basis van deze vijf verzamelplaatsen ook niet alle verzamelplaatsen over één kam scheren. Iedere verzamelplaats moet beoordeeld worden op hetgeen daar daadwerkelijk plaatsvindt. En zoals ik al eerder aangaf zijn de beelden van de verzamelcentra waarop dieren worden geslagen en geschopt schokkend. Op deze manier mag nooit met dieren worden omgegaanl.
De gepubliceerde beelden gemaakt op de vijf verzamelcentra, geven inderdaad het beeld dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die structureel de wet niet naleeft. En als de toezichthouder dit dan ook nog concludeert, dan denk ik dat we te maken hebben met een deel van de sector dat steeds de ruimte opzoekt. Deze verzamelcentra beïnvloeden op negatieve wijze het beeld van de gehele sector. Het is wat mij betreft aan de gehele sector hierop te reflecteren en te laten zien dat dergelijke situaties onwenselijk zijn en dat dit verbeterd kan worden. Ik roep de sector dan ook op om stevige zelfreflectie toe te passen en te werken aan een zelfreinigend vermogen. Daarnaast ben ik voornemens om het beleid aan te scherpen, zoals het verhogen van boetes en het inzetten van cameratoezicht als tijdelijke maatregel. Hierover heb ik de Kamer op 16 april jl. geïnformeerd (Kamerstuk 2026Z08019).
Via verschillende maatregelen wordt ingezet op duurzame gedragsverandering. Uit de openbaar gemaakte informatie blijkt dat de NVWA na het constateren van overtredingen waarschuwingen geeft, boetes oplegt en deze boetes ook verhoogt. Het overtreden van de regels blijft niet zonder gevolgen. De NVWA heeft de afgelopen jaren bij slachthuizen, verzamelcentra en vervoerders verscherpt toezicht (VeTo) toegepast. Bij de constatering van zware overtredingen en bij een niet-naleving door notoire overtreders worden passende maatregelen opgelegd, zoals bijvoorbeeld het schorsen van een erkenning). De «one strike out»- en de «three strikes out» aanpak is hier onderdeel van.
Mijn inzet is om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waar een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt, van het primaire bedrijf, tijdens transport tot in het slachthuis. Hoe ik dat wil doen, heb ik uiteengezet in mijn brief aan de Tweede Kamer over de weg «Naar een beter dierenwelzijn in de veehouderij» van 16 april (Kamerstuk 2026Z08019).
Verzamelcentra die onder verscherpt toezicht staan, worden extra gecontroleerd gedurende een passende periode. Wanneer tijdens die periode wederom overtredingen worden geconstateerd, kunnen vergaande maatregelen worden genomen, waaronder schorsing of intrekking van de erkenning. Wanneer tijdens die periode geen overtredingen worden waargenomen, wordt het VeTo opgeheven. Daarna kan VeTo opnieuw toegepast worden volgens de procedure. Zie ook mijn antwoord op vraag 11.
De NVWA heeft sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid om bedrijven in het kader van bestuursrecht tijdelijk te sluiten wanneer het welzijn van de dieren in gevaar is. Permanent sluiten kan niet. In zijn algemeenheid gebruikt de NVWA de bevoegdheid om bedrijven tijdelijk te sluiten voornamelijk bij primaire bedrijven, omdat daar geen vergunning of erkenning is om te schorsen of in te trekken. Bij verzamelcentra wordt veelal gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om op grond van de Wet Dieren een erkenning te schorsen of in te trekken.Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect.
Door de rechtbank is het zelfstandig houdverbod in 2024 in (afgerond) 35 zaken als maatregel opgelegd, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. En in 2025 in (afgerond) 75 zaken, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. In het eerste kwartaal van 2026 is een houdverbod in 25 zaken als maatregel opgelegd: er is geen levenslang houdverbod opgelegd. Een uitsplitsing naar sector is in de voor de Rechtspraak beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken.
Voor 2024 was een houdverbod vaak als «onzelfstandige» maatregel gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. In de voor de Rechtspraak beschikbare informatie managementsystemen kan hierop niet gefilterd worden. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Het houdverbod is als maatregel vanaf 1 januari 2024 t/m 31 maart 2026 door de rechtbank in minder dan 10 zaken voorwaardelijk opgelegd. Een uitsplitsing specifiek naar veehouderij is in de beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Bij het opleggen van houdverboden in de veehouderij zijn er een aantal afwegingen die een rechter meeneemt in zijn of haar oordeel. Zo wordt de ernst, duur en karakter van de geconstateerde dierenmishandeling of -verwaarlozing gewogen en kan ook de kans op recidive meewegen in de beslissing om een houdverbod op te leggen. Dit is echter altijd aan de rechter om te bepalen.
Afgelopen jaren is 5 keer op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder a, van de Wet dieren de bestuursrechtelijke maatregel opgelegd tot gehele of gedeeltelijke sluiting van een bedrijf (primair bedrijf). De maatregel is in die gevallen opgelegd vanwege verschillende overtredingen op het gebied van zowel dierenwelzijn als diergezondheid. Het is goed om hierbij te benoemen dat op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder b, van de Wet dieren ook mogelijk is om een erkenning te schorsen of in te trekken. Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect bij bedrijven die een erkenning nodig hebben (zoals slachthuizen en erkende verzamelcentra). Deze maatregel, en dan met name de schorsing van de erkenning, is een modaliteit die met regelmaat wordt ingezet. Vanaf 2024 tot heden is 3 keer de erkenning van een slachthuis geschorst en is één keer de vergunning van een vervoerder geschorst.
Deze bestuursrechtelijke maatregelen worden overigens niet opgelegd voor overtreding van artikel 2.1 van de Wet dieren (dierenmishandeling). Indien sprake is van dierenmishandeling, dan wordt overgegaan op het strafrecht. Onlangs hebben medewerkers van een verzamelcentrum taakstraffen opgelegd gekregen voor het mishandelen van een koe.
Voor bijvoorbeeld het vervoeren van een rund dat niet geschikt is voor vervoer, wordt niet altijd artikel 2.1 van de Wet dieren ten laste gelegd. Ook het bestuursrecht biedt grondslagen om op te treden tegen overtredingen die worden geconstateerd rondom transport van dieren of verzamelplaatsen. Sancties hiervoor zoals het schorsen en intrekken van een erkenning of vergunning is ook gericht op het voorkomen van recidive. Vanaf 2023 heeft de NVWA vijfmaal de erkenning van een slachthuis geschorst en eenmaal ingetrokken. Ook is twee maal de erkenning van een verzamelcentrum geschorst en eenmaal ingetrokken.
Bij vervoerders is twee keer een last onder dwangsom opgelegd, twee keer een waarschuwing tot intrekken van het getuigschrift vakbekwaamheid verzonden en één keer een vervoersvergunning geschorst.
Op dit moment staan vijf verzamelcentra waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, onder verscherpt toezicht. Onderdeel van het verbeterplan dat deze verzamelcentra moesten opstellen, is de vrijwillige plaatsing van camera’s door de bedrijven.
Een primair bedrijf komt onder verscherpt toezicht wanneer voor het bedrijf in de afgelopen twee jaar bij vier afzonderlijke controles een rapport van bevindingen of proces verbaal is opgemaakt voor geconstateerde overtredingen. Een bedrijf kan direct onder verscherpt toezicht worden gesteld wanneer er veel en/of structurele problemen of één zeer ernstige tekortkoming op dierenwelzijn geconstateerd wordt tijdens een inspectie.
Vervoerders komen onder verscherpt toezicht wanneer een vervoerder in de afgelopen twee jaar vier ernstige overtredingen met betrekking tot dierenwelzijn heeft begaan. Slachthuizen komen direct onder verscherpt toezicht bij een zeer ernstige overtreding van het dierenwelzijn. Bij minder ernstige overtredingen zijn andere criteria van toepassing. Verzamelcentra komen onder verscherpt toezicht wanneer voor een verzamelcentrum in de afgelopen 24 maanden meer dan drie rapporten van bevindingen of processen verbaal opgemaakt zijn voor geconstateerde overtredingen.
Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: verscherpt toezicht, sancties vanuit bestuursrecht en/of strafrecht (boete, last onder dwangsom, taakstraf, (voorwaardelijke) gevangenisstraf) en het schorsen of intrekken van een vergunning of erkenning. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook direct overgegaan worden tot schorsen van een vergunning of erkenning. Dit wordt per geval bekeken.
In mijn antwoord op vraag 19 gaf ik aan dat bij zeer ernstige overtredingen ook direct kan worden overgegaan tot het schorsen van een erkenning. De NVWA heeft dat ook bij dit bewuste bedrijf overwogen. Uiteindelijk is bewust gekozen voor een andere aanpak, waarbij zowel via het strafrecht als het bestuursrecht gerichte maatregelen zijn genomen. Alle vijf bedrijven waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, heeft de NVWA onder verscherpt toezicht geplaatst. Deze verzamelcentra hebben allemaal een verbeterplan moeten opstellen waarmee zij de NVWA overtuigen hoe zij dierenwelzijn zullen borgen. Een concreet onderdeel van deze plannen is de vrijwillige plaatsing van camera’s door deze bedrijven, zodat verzamelcentra zelf controleren of iedereen op het verzamelcentrum zich aan het verbeterplan houdt. Tweewekelijks worden de beelden door NVWA-inspecteurs bekeken en gecontroleerd op overtredingen. Als overtredingen worden vastgesteld wordt handhavend opgetreden. Na 3 maanden wordt het verscherpt toezicht op basis van de resultaten beëindigd of verlengd.
Ja, die mening deel ik. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete.
Ja.
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 11, is mijn inzet om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waarin een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt. Ik ben van plan het wetsvoorstel verplicht cameratoezicht verder in procedure te brengen. Voor verzamelcentra is mijn voornemen om, in lijn met het advies van de AP, cameratoezicht als tijdelijke maatregel in te zetten na geconstateerde overtredingen. Daarmee kan verscherpt toezicht effectiever worden vormgegeven. Daarnaast verwacht ik van bedrijven dat zij de camerabeelden zelf benutten om het dierenwelzijn op hun bedrijf beter te borgen. De wet overtreden mag niet lonen en waar het dierenwelzijn ernstig in het gedrang is, moeten sancties afschrikwekkend genoeg zijn. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete. Om grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed te voorkomen is, aanvullend op betere naleving vanuit de sector, ook slim en effectief toezicht nodig. Ik weet dat de NVWA daarop inzet. Voor de zomer informeer ik de Kamer over mijn visie op toezicht en handhaving (Kamerstuk 2026Z08019).
Het bijeenbrengen van dieren op verzamelcentra brengt verschillende risico’s voor het dierenwelzijn met zich mee. Dit onderkent ook de EFSA in de rapporten over de effecten van diertransport van 2022, en voor melkrunderen bestemd voor de slacht heeft Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek van de NVWA (bureau) deze risicofactoren verder in kaart gebracht. Dat deze risicofactoren er zijn, zegt nog niet dat er een structureel probleem voor het dierenwelzijn bestaat. Een goede beoordeling van dieren voorafgaand aan het transport om te beoordelen of zij het geplande transport kunnen doorstaan, is essentieel. Sinds 2021 hanteert de NVWA de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer. Er zijn richtsnoeren voor varkens, paarden en volwassen runderen (Kamerstuk 28 286, nr. 1216). Deze richtsnoeren zijn opgesteld door een aantal NGO’s en Europese brancheorganisaties en bevatten criteria, op basis waarvan vastgesteld kan worden of een dier met een specifieke aandoening wel of niet geschikt is voor het voorgenomen transport. Het uniform beoordelingsprotocol voor melkvee waar op dit moment door de NVWA aan gewerkt wordt, is hier een verdere uitwerking op. Ook is – vanuit de sector – een gids voor goede praktijken in wording. Deze gids wordt nog beoordeeld door mijn departement en de NVWA en zal naar verwachting ook ondersteunend zijn bij de beoordeling van vervoersgeschiktheid van melkkoeien.
Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Via het toezicht wordt risicogericht gecontroleerd of ondernemers zich aan wet- en regelgeving houden. En als overtredingen worden geconstateerd moeten maatregelen er voor zorgen dat de naleving en daarmee het dierenwelzijn wordt bevorderd. Zoals al eerder aangegeven is het aan de houders van dieren om het dierenwelzijn te allen tijden te borgen.
De Europese Transportverordening biedt ruimte voor lidstaten om strengere eisen aan diertransport te stellen voor transporten die geheel op het eigen grondgebied plaatsvinden. Dit geldt dus alleen voor eisen aan diertransport en niet voor eisen aan slacht.
Ik ben niet bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden. Het verbieden van het gebruik van verzamelcentra voor nationaal transport lost niet het probleem van het vervoer van niet-transportwaardige dieren op. Door nationaal gebruik te verbieden, bewerkstellig ik ten eerste mogelijk dat dieren die normaal gesproken in Nederland zouden blijven, dan juist naar het buitenland getransporteerd worden en zo mogelijk nog langer onderweg zijn.
Een tweede mogelijk negatief neveneffect kan zijn dat een veehouder dieren die hij af wil voeren – bijvoorbeeld omdat ze minder productief geworden zijn om welke reden dan ook – op zal sparen. Tot er genoeg zijn om een (kleine) veewagen te vullen. Dieren blijven dan langer op de veehouderij, terwijl voor deze einde-carrière-dieren eerder afvoeren juist beter is. Een derde mogelijk negatief neveneffect is dat handelaren dan dieren vaker gaan verzamelen op de wagen – wat beperkt mogelijk is volgens Europese wet- en regelgeving – waardoor dieren ook mogelijk langer op de veewagen door moeten brengen dan wanneer ze via een verzamelcentrum naar de eindbestemming gaan. Een laatste mogelijkheid is dat dieren dan vaker verzameld worden op plaatsen waar dat niet is toegestaan en op deze manier aan het toezicht worden onttrokken.
Het is echt aan de bedrijven in de vleesketen zelf om te voorkomen dat niet transportwaardige dieren nog op transport gaan. Vervoerders moeten alleen dieren inladen die geschikt zijn voor transport en veehouders moeten ervoor zorgen dat zij dieren die niet transportwaardig zijn ook niet aanbieden voor transport. Dit laatste kan gedaan worden door tijdig te besluiten dat een dier het bedrijf moet verlaten, en als dit niet tijdig is voorzien, het dier op het bedrijf te laten euthanaseren.
Jazeker.