Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf pluimveehouders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»?1
Ja.
Hoe verhoudt het intrekken van jarenlang rechtmatig verleende natuurvergunningen zich tot het beginsel van rechtszekerheid?
Ik vind het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de burger tegen onzekerheid en willekeur veroorzaakt door de overheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat vergunningen in principe niet worden aangetast. Ik roep alle partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekking van vergunningen te voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat het rechtszekerheidsbeginsel van rechtszekerheid niet absoluut is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning, bijvoorbeeld als een rechterlijke uitspraak daartoe noopt. Het intrekken van een vergunning is een ingrijpend besluit en brengt onzekerheid met zich mee. Uiteraard is het belangrijk dat bij dergelijke besluiten een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Zo staat tegen een intrekking rechtsbescherming open, waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan die benodigde zorgvuldigheid heeft betracht.
Lopen naast deze vijf agrarische bedrijven ook bedrijven in andere sectoren risico op het intrekken van een geldige vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke bedrijven lopen dit risico?
Er zijn intrekkingsverzoeken gedaan in verschillende sectoren, waaronder de agrarische sector, industrie en de woningbouw. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd.
Acht u het wenselijk dat ondernemers die volledig volgens de geldende wet- en regelgeving hebben gehandeld, alsnog hun bedrijf dreigen te verliezen?
Nee, dat vind ik niet wenselijk en daarom roep ik betrokken partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Bent u van mening dat de overheid ondernemers moet beschermen wanneer zij hebben gehandeld op basis van door diezelfde overheid verleende vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven, vind ik het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Indien een verzoek tot intrekking wordt gedaan, geldt dat daar een (juridische) procedure voor bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Zoals gezegd is het daarom des te urgenter om het recent gepresenteerde maatregelenpakket juridisch te verankeren.
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid wanneer legaal verleende vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van vergunningen zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ten behoeve van het vertrouwen is het daarom van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en bij het doorlopen van een procedure grote zorgvuldigheid betrachten. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarom voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het eigendomsrecht zoals beschermd door Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op eigendom)?
In de Europese Unie geldt een recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Het eigendomsrecht is echter niet absoluut en kan dus, onder omstandigheden, aan beperkingen onderhevig zijn. Een beperking kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn. Het is niet aan mij om voor deze concrete gevallen te beoordelen of een eventuele beperking van het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
Vindt u dat het huidige vergunningenstelsel nog voldoende rechtszekerheid biedt als een ondernemer ondanks een geldige vergunning nooit zekerheid heeft dat deze in stand blijft?
Ondernemers moeten er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Zoals hiervoor aangegeven, is het beginsel van rechtszekerheid niet absoluut en zijn vergunningen niet onaantastbaar. Er kunnen zich situaties voordoen waardoor een vergunning toch wordt ingetrokken. Een rechterlijke uitspraak kan een reden zijn om daartoe te besluiten. Ik ben bij vraag 2 uitgebreider ingegaan op de onzekerheid die intrekkingen van vergunning met zich meebrengt. Zoals ik eerder heb aangegeven, roep ik partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om dit te voorkomen.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies om te voorkomen dat legaal opererende bedrijven door vergunningintrekkingen buiten hun schuld om worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb namens het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen gepresenteerd waarmee met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dit vanuit de overtuiging van het kabinet dat alle partijen hier, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles voor moeten zetten. Immers, zoals eerder aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Dit blijft in individuele gevallen echter een afweging van het bevoegde bestuursorgaan, waarbij alle belangen zullen worden gewogen. Tegen intrekkingsbesluiten staat in de regel rechtsbescherming open bij de bestuursrechter.
Welke waarborgen ziet u om te voorkomen dat vergunningverlening door de overheid feitelijk haar betekenis verliest doordat vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Zoals toegelicht, geldt dat indien een verzoek tot intrekking van de vergunning wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure is ingericht om tot een afgewogen besluit te komen. Dat is een belangrijke waarborg voor het systeem van vergunningverlening. Daarbij is belangrijk dat bij dergelijke besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Het kabinet zet vol in op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket. In oktober zal ik daarom een spoedwet en een programma van maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen.
Erkent u dat een overheid die eerst vergunningen verleent en vervolgens dezelfde vergunningen intrekt, het fundament van de rechtsstaat en het vertrouwen in de overheid ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat niet. Bij een rechtsstaat hoort namelijk ook dat gehoor wordt gegeven aan rechterlijke uitspraken, ook als die het intrekken van vergunningen tot gevolg hebben. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat een mogelijke intrekking van de vergunning zeer ingrijpende is voor een ondernemer. Daarom moeten de betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket.
Waar ligt volgens u de grens van de rechtszekerheid in Nederland als een ondernemer die volledig volgens de regels heeft geïnvesteerd, desondanks zijn vergunning en daarmee zijn bedrijf kan verliezen?
Bij vraag 2 ben ik ingegaan op de verhouding tussen het intrekken van vergunningen en het beginsel van rechtszekerheid.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)?1
Ja.
Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders of bedrijven zonder vergunning?
Ik heb begrepen dat deze vijf bedrijven geen PAS-melders zijn en in het bezit zijn van een natuurvergunning2.
Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Tegelijkertijd moet Nederland zich houden aan de geldende Europese regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Verplichtingen die daaruit voortvloeien kunnen op gespannen voet staan met het eigendomsrecht. Wanneer op gronden van die spanning verzoeken tot intrekking van de vergunning zich voordoen, bestaan de daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Voorop staat dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen, vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met het voornemen om hun vergunning in te trekken?
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
In algemene zin geldt een uitgebreide procedure voordat een voornemen tot een definitief besluit om vergunningen in te trekken wordt genomen. In een dergelijke procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen. De provincie heeft in haar statenmededeling ook aangegeven dat er in het traject van zienswijzen ruimte is om aanvullende of alternatieve plannen te bespreken met elkaar, en dat zij zien dat de communicatie richting de ondernemers beter had gekund. Ik heb daarbij aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk kwijt te raken?
Nee, die mening deel ik niet. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. Zoals aangegeven, is het van groot belang dat er alles aan wordt gedaan om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen bewezen nutteloze geldverspilling zijn?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af kunnen te wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarbij moeten alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals.
Ik deel de opvatting niet dat het maatregelen zoals aangekondigd op 26 juni niets zal doen voor vergunningverlening. Het is van belang dat de diverse maatregelen zo snel mogelijk juridisch geborgd worden. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets gaan doen voor de vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande vergunningen in te trekken?
De hier aan de orde zijnde intrekkingsverzoeken zijn in eerste instantie ook door de provincie afgewezen. Uit het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025 volgde evenwel dat dit onvoldoende juridisch gemotiveerd kon worden, en dat urgent een daling van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden noodzakelijk was. Als bevoegd gezag heeft Noord-Brabant hier met dit voornemen gevolg aan gegeven.
Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid alsnog ter discussie kan worden gesteld?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen geldig zijn en blijven. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning. Bij dergelijke situaties past een grote mate van zorgvuldigheid. Ik vind het daarnaast van groot belang dat alle betrokken partijen er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.
Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven zodra een procedure voldoende druk uitoefent?
Het proces over het voornemen om de vergunningen van de betreffende ondernemingen in te trekken is nog niet afgerond. Dit is een uitgebreide procedure waar niet lichtzinnig mee om wordt gegaan. In deze procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen, en is er ook ruimte om de aanvullende of alternatieve plannen van de ondernemers mee te wegen. Ik vind het belangrijk dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat daarbij een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij is het wel zo dat rechterlijke uitspraken geen drukmiddel zijn maar een belangrijk onderdeel van de Nederlandse rechtstaat.
Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels hebben voldaan?
Het is van belang dat het Rijk de kaders stelt waardoor ondernemers weten wat er van hen wordt verwacht. Juridische borging door duidelijke generieke emissiereductiedoelstellingen en aanvullende geborgde maatregelen in de zoneringsgebieden zijn daarmee cruciaal om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dat is dan ook de inzet van dit kabinet. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning over ondernemers die te maken krijgen met de gevolgen van het maatregelenpakket, zoals beschreven in de Kamerbrief met het maatregelenpakket.
Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig bij individuele ondernemers neerlegt?
Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, een bijdrage leveren aan de noodzakelijke stikstofreductie. Om intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen – en daarmee ook regie te pakken op de noodzakelijke reductie-opgave – is het noodzakelijk dat het maatregelenpakket zo snel mogelijk juridisch wordt geborgd. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken3. Ik deel die mening.
Met betrekking tot deze vijf pluimveebedrijven geldt dat de provincie Noord-Brabant zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond de betrokken Natura 2000-gebieden tot dit voornemen tot intrekking genoodzaakt heeft gezien. Tegelijkertijd doe ik hier nogmaals de oproep dat alle partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?
Provincies zijn als bevoegd gezagen verplicht om voorliggende intrekkingsverzoeken te beoordelen en om daarbij uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Als Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ben ik daarbij systeemverantwoordelijk en verantwoordelijk voor het bieden van duidelijke kaders waar ondernemingen aan dienen te voldoen en waar decentrale overheden vervolgens ook aan kunnen toetsen. Aan die verantwoordelijkheid geef ik onder andere invulling met het maatregelenpakket.
Ik heb ook aangegeven bij de beantwoording op Kamervragen van het lid Korevaar (2026Z16351), dat ik het belangrijk vind dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het IPO overleggen. Daarnaast heb ik met de provincie in Noord-Brabant overlegd over deze situatie en hen op het hart gedrukt een zorgvuldige procedure te voeren, waarin het «trappetje van Remkes» wordt meegenomen en waarin de betekenis van de spoedwet en het bijbehorende programma in de zienswijze periode wordt opgepakt. Als laatste zet ik erop in met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel heb ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, met de provincie Noord-Brabant gesproken. Ik heb in dat gesprek aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Zoals gesteld in antwoord vraag 15 zal ik hierover nog deze zomer ook met het IPO in overleg treden.
Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?
Het inzetten op gedwongen beëindiging is geen onderdeel van het kabinetsbeleid zoals ik dat op 26 juni jl. heb gepresenteerd. Zoals ik eerder heb aangegeven doe ik hier dan ook de oproep aan alle betrokken partijen om, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen aan te vechten?
Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water, gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende regelgeving voldoen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke factoren?
Ik vind het belangrijk dat het natuurbeleid gericht is op de daadwerkelijke staat van de natuur en ontwikkelingen daarin. Daarom vindt er ook veel natuurmonitoring plaats en wordt dit bovendien nog verder versterkt. Naast natuurmonitoring blijven modellen echter ook belangrijk, omdat modellen het mogelijk maken om onderbouwde uitspraken te doen over toekomstige ontwikkelingen. De combinatie van monitoringsgegevens en gegevens vanuit modellen zorgt voor een goede onderbouwing van het natuurbeleid.
Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de natuur?
Bij de beoordeling van de staat van de natuur, waar natuurkwaliteit een belangrijk onderdeel van is, wordt gekeken hoe de natuur er feitelijk voor staat. Hierop is een samenspel van factoren van invloed, waaronder de in de vraag genoemde factoren. In bijvoorbeeld de natuurdoelanalyses worden dergelijke factoren in beeld gebracht. Het is belangrijk om hier inzicht in te hebben omdat dit nodig is om de juiste maatregelen te treffen om verslechtering van de natuur tegen te gaan en waar nodig herstel te realiseren. Op dit moment is inzicht hierin vrijwel altijd voldoende om met de belangrijkste maatregelen aan de slag te kunnen en moeten. Om tot volledig doelbereik te komen, is in sommige gevallen meer kennis nodig. Daarom wordt bijvoorbeeld de natuurmonitoring in de komende jaren verbeterd en uitgebreid via het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM).
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken, terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming en naleving van alle geldende regels?
Het maatregelenpakket is noodzakelijk om vergunningverlening op gang te krijgen. Ik realiseer mij dat dit veel vraagt van boeren en andere ondernemers. Daarom is een essentieel onderdeel van het pakket dat het kabinet brede ondersteuning biedt aan ondernemers bij diverse ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»1 ?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat Nederland een gezond, betrouwbaar en goed investerings- en vestigingsklimaat moet hebben?
Ja.
Deelt u de opvatting dat ondernemers moeten kunnen vertrouwen op door de overheid verleende onherroepelijke vergunningen wanneer zij investeren in hun bedrijf?
Ja, ik vind het belangrijk dat ondernemers er in beginsel vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen waarin het eigendomsrecht op gespannen voet staat met andere verplichtingen. Wanneer een dergelijke spanning zich voordoet, bestaan daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Voor mij staat voorop dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welk signaal geeft het aan ondernemers en investeerders als een rechtmatig verleende onherroepelijke vergunning jaren later alsnog kan worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van de vergunning zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ik wil daarom vooral als belangrijk signaal geven dat het van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en dat wanneer een ondernemer wordt geconfronteerd met een dergelijk verzoek kan rekenen op een zorgvuldig proces om tot een afgewogen besluit te komen. Daarnaast voelt het kabinet grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke gevolgen heeft deze ontwikkeling volgens u voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
De onzekerheid die samengaat met de stikstofproblematiek en de handhavings- en intrekkingsverzoeken die daar onderdeel van uit maken, heeft negatieve gevolgen voor het investeringsklimaat. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid. Daarom is het van belang om het maatregelenpakket zoals aangekondigd op 26 juni jl. zo snel mogelijk in uitvoering te brengen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op ons investeringsklimaat. Daarbij komt dat bedrijven er al langer mee bekend zijn dat vergunningen voor diverse activiteiten op dit moment complex en lastig te verkrijgen zijn. Dit is een onderwerp dat ook in het rapport Wennink aan de orde is gesteld. Ook vanuit dat perspectief is uitvoering van het pakket van groot belang.
Hoe wilt u ondernemers nog stimuleren om te investeren in verduurzaming, innovatie en uitbreiding als zij geen zekerheid hebben dat hun vergunning behouden blijft?
Ondernemers moeten er in beginsel vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Het maatregelenpakket is er juist op gericht dat de vergunningverlening weer op gang komt. Een essentieel onderdeel van dat pakket is onder andere van brede ondersteuning van ondernemers bij stappen gericht op verduurzaming en innovatie, in het bijzonder binnen de agrarische sector, maar het pakket bevat ook ondersteunende maatregelen gericht op verduurzaming van de industrie en mobiliteit.
Bent u het ermee eens dat deze problematiek niet alleen de agrarische sector raakt, maar in beginsel ieder bedrijf met een omgevings- of natuurvergunning kan treffen? Zo nee, waarom niet?
Intrekkingsverzoeken komen niet alleen voor in de agrarische sector, maar ook in andere sectoren, zoals de industrie. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om uiteindelijk intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken2. Ik deel die mening.
Welke gevolgen verwacht u voor de financierbaarheid van bedrijven als banken en investeerders moeten rekenen met het risico dat vergunningen achteraf worden ingetrokken en waar baseert u dit op?
Banken en investeerders zijn bekend met de regelgeving en situatie rond Natura-2000 gebieden en de gronden waarop vergunningen kunnen worden verleend en welke eventuele risico’s er ontstaan indien er een verzoek tot intrekking van een vergunning van een specifiek bedrijf wordt gedaan. Zij betrekken deze informatie in hun financieringsbeslissingen. Ik verwacht dat het maatregelenpakket, waarmee we geleidelijk van stikstofslot zullen komen, een positief effect heeft op investeringsklimaat.
Welke economische schade verwacht u wanneer ondernemers noodzakelijke investeringen uitstellen vanwege afnemende rechts- en investeringszekerheid?
Het huidige stikstofslot leidt in algemene zin tot forse economische impact. Uit onderzoek van SEO en CE Delft bleek dat de verminderde vergunningverlening in de periode van 2024–2030 tot € 30,7 miljard aan bruto omzetverlies kan leiden. Verschillende onderwerpen, zoals de schade aan het vestigingsklimaat, konden daarbij niet worden becijferd. Het is voor de economie dus van eminent belang om de noodzakelijke maatregelen te nemen en daarom vindt het kabinet het van groot belang om het maatregelenpakket snel uit te voeren.
Acht u het wenselijk dat Nederland internationaal bekend komt te staan als een land waar legaal verleende onherroepelijke vergunningen achteraf kunnen worden ingetrokken? Zo nee, hoe gaat u dat voorkomen?
Alle betrokken partijen moeten, zeker met het gepresenteerde maatregelenpakket en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Daarnaast geldt in Nederland dat indien er een verzoek tot intrekking wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Daarmee wordt de rechtszekerheid geborgd. Daarnaast geldt dat het uitgebreide maatregelenpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd zal bijdragen aan een beter investeringsklimaat omdat Nederland daarmee weer van het stikstofslot zal komen.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de ambitie van het kabinet om Nederland aantrekkelijk te houden voor ondernemers en investeerders?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant over het voornemen om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken? Zo nee, waarom niet. Zo ja, kunt u ons zo snel mogelijk na dit overleg informeren?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Net als VNO-NCW heb ik ook bij de provincies benadrukt dat een zorgvuldige procedure essentieel is. Ook heb ik in gesprek met Noord-Brabant aangegeven dat ik verwacht dat zij geen onomkeerbare besluiten nemen, totdat het «trappetje van Remkes» is uitgelopen. Als laatste heb ik voorgesteld om nog deze zomer met alle provincies met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen over het gemotiveerd afwijzen van intrekkings- en handhavingsverzoeken
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Provincie wil vergunningen van vijf kippenboeren intrekken», waarbij de provincie Noord-Brabant de natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven wil intrekken?1
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen intrekking van natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven in Noord-Brabant naar aanleiding van de Mobilisation for the Environment (MOB)-procedure? Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkeling?
Dit voornemen is mij bekend. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. De provincie Noord-Brabant heeft zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak tot dit voornemen genoodzaakt gezien.
Anders dan de beeldvorming die vrijdag mogelijk uit de berichtgeving2 is ontstaan, ben ik van mening dat het stikstofpakket zoals gepresenteerd in de brief van 26 juni jl. in beginsel, ook in toekomstige situaties in Noord-Brabant, voldoende basis biedt om gemotiveerd handhavingsverzoeken af te wijzen. Alle betrokken partijen moeten, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Dit is waarom ik vol blijf inzetten op het zo snel mogelijk ook juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd, en waarom ik onder andere in oktober een spoedwet en een concept-programma met maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen. Met dit pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan verslechtering van de natuur aantoonbaar worden voorkomen. Ook duidelijke instructieregels nabij Natura 2000-gebieden in het kader van de zoneringsaanpak leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van intrekkings- en handhavingsverzoeken.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is om zonder doorlopend gesprek in een proces over een reductieplan van de veehouders over te gaan tot het voornemen een vergunning in te trekken? Is er sprake van behoorlijk bestuur? Is de provincie voldoende toegerust om dit proces te begeleiden?
Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben een voornemen aangekondigd om uiterlijk 1 oktober vijf ontwerpbesluiten te nemen waarin dit voornemen op bedrijfsniveau zal worden uitgewerkt en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Alternatieve plannen voor stikstofreductie zullen en moeten dan nog in de belangenafweging die gedeputeerde staten dienen te maken, worden meegenomen. De betreffende ondernemingen worden in dit proces ook in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het besluit van gedeputeerde staten zal uiteindelijk door de rechter moeten worden getoetst. In dat kader zal dan ook worden beoordeeld of de provincie zich daarbij heeft gehouden aan de juridische kaders, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is uiteindelijk aan de provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel vind ik het uitermate van belang dat de lijnen zoals beschreven in mijn Kamerbrief, namelijk mogelijkheden voor gebiedsprocessen waarin ondersteuning vanuit het trappetje van Remkes worden geboden, worden gevolgd. Te weten ondersteuning voor omschakelen, verplaatsen of vrijwillig beëindigen. Zo ook in Noord-Brabant.
Hoe beoordeelt u situaties waarin ondernemers aangeven een gezamenlijk stikstofreductieplan te hebben ingediend, maar men desondanks wordt geconfronteerd met een voorgenomen vergunningintrekking? Welke eisen stelt het Rijk aan een zorgvuldige beoordeling van dergelijke plannen?
Naast de casuïstiek in Noord-Brabant (vraag 3), is er mij momenteel geen andere situatie bekend waarbij er een gezamenlijk stikstofreductieplan is ingediend en waar men vervolgens met een voorgenomen vergunningenintrekking geconfronteerd is.
Kunt u toelichten wat hij concreet verstaat onder «perspectief voor jonge boeren» en hoe dat perspectief zich verhoudt tot situaties waarin jonge ondernemers, ondanks het indienen van een stikstofreductieplan, worden geconfronteerd met het vooruitzicht hun bedrijf te moeten beëindigen?
Ik vind het erg belangrijk dat er een duurzaam perspectief is voor de agrarische sector in Nederland. Dat is juist van belang voor jonge agrariërs. Dat is ook waar het pakket van maatregelen dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd ten volste op inzet. Ondersteuning van en voor de sector maakt daar terecht een essentieel onderdeel van uit.
Hoe verhoudt de beschreven situatie zich tot een gebiedsgerichte aanpak, waarin innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging worden gecombineerd ten einde de doelen voor een gebied te halen?
De aanpak die het kabinet heeft gepresenteerd, zet nadrukkelijk in op meerdere sporen. Ondersteuning gericht op innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging zijn essentiële onderdelen van het maatregelenpakket. De tijd die het stikstofpakket ondernemers biedt om om te schakelen, te innoveren, te verplaatsen of te beëindigen is daarbij ook van groot belang. Voor de zoneringsaanpak zet het kabinet ook in op specifiek flankerend beleid om boeren te ondersteunen om de beweging naar extensivering te kunnen maken. Voor de zoneringsaanpak zijn de lopende gebiedsprocessen van groot belang. Ik kijk bij de uitwerking van deze aanpak ook naar de aansluiting op lopende processen.
Bent u van mening dat reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging binnen een gebied voldoende moet worden meegewogen bij de beoordeling van aanvullende maatregelen voor de resterende bedrijven? Zo ja, hoe wordt dit geborgd?
Ja, reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging moet – ook vanuit proportionaliteitsoogpunt – worden meegewogen. Dit gebeurt ook al in de huidige praktijk. Binnen de context van intrekkingsverzoeken is dit geborgd doordat het juridische instrument van intrekking vanwege stikstofoverbelasting alleen mag (en blijkens jurisprudentie, in specifieke situaties, moet) worden toegepast wanneer sprake is van dreigende of geconstateerde verslechtering van de voor stikstof gevoelige natuurwaarden. Wanneer door vrijwillige bedrijfsbeëindiging of andere aanvullende maatregelen daar geen sprake meer van is, kunnen intrekkingsverzoeken ook gemotiveerd worden afgewezen. Het pakket aan maatregelen zoals gepresenteerd door het kabinet op 26 juni jl. is erop gericht om dat te bewerkstelligen.
Ziet u aanleiding om samen met provincies te bezien hoe juridische procedures kunnen worden gecombineerd met gebiedsprocessen, zodat ondernemers, natuurorganisaties en overheden gezamenlijk tot duurzame oplossingen kunnen komen?
Ik deel dat het van grote waarde is dat ondernemers, natuurorganisaties en overheden samen tot oplossingen komen en deze op breed draagvlak kunnen rekenen. Dit staat ook centraal bij de wijze waarop de samenhangende aanpak is vormgegeven en zal ook een belangrijk onderdeel blijven van de verdere uitwerking daarvan. De gebiedsprocessen bieden daar een waardevolle basis voor. Daarbij is het wel van belang dat de oplossingsrichtingen en voorziene maatregelen passen bij hetgeen nodig is, juist om in de toekomst zoveel mogelijke juridische procedures te voorkomen.
Ik vind het belangrijk dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het Interprovinciaal Overleg (IPO), maar ook met de provincie in Noord-Brabant in overleg treden, om zo met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Omdat ik een van de betroffen boeren heb bezocht in een van mijn eerste werkbezoeken, zal ik me ook bij hen in hun gebied verder laten informeren over hoe onze kabinetsaanpak past bij de aanpak die nu in het gebied plaatsvindt.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Provincie wil vergunningen van vijf kippenboeren intrekken», waarbij de provincie Noord-Brabant de natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven wil intrekken?1
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen intrekking van natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven in Noord-Brabant naar aanleiding van de Mobilisation for the Environment (MOB)-procedure? Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkeling?
Dit voornemen is mij bekend. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. De provincie Noord-Brabant heeft zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak tot dit voornemen genoodzaakt gezien.
Anders dan de beeldvorming die vrijdag mogelijk uit de berichtgeving2 is ontstaan, ben ik van mening dat het stikstofpakket zoals gepresenteerd in de brief van 26 juni jl. in beginsel, ook in toekomstige situaties in Noord-Brabant, voldoende basis biedt om gemotiveerd handhavingsverzoeken af te wijzen. Alle betrokken partijen moeten, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Dit is waarom ik vol blijf inzetten op het zo snel mogelijk ook juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd, en waarom ik onder andere in oktober een spoedwet en een concept-programma met maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen. Met dit pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan verslechtering van de natuur aantoonbaar worden voorkomen. Ook duidelijke instructieregels nabij Natura 2000-gebieden in het kader van de zoneringsaanpak leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van intrekkings- en handhavingsverzoeken.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is om zonder doorlopend gesprek in een proces over een reductieplan van de veehouders over te gaan tot het voornemen een vergunning in te trekken? Is er sprake van behoorlijk bestuur? Is de provincie voldoende toegerust om dit proces te begeleiden?
Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben een voornemen aangekondigd om uiterlijk 1 oktober vijf ontwerpbesluiten te nemen waarin dit voornemen op bedrijfsniveau zal worden uitgewerkt en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Alternatieve plannen voor stikstofreductie zullen en moeten dan nog in de belangenafweging die gedeputeerde staten dienen te maken, worden meegenomen. De betreffende ondernemingen worden in dit proces ook in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het besluit van gedeputeerde staten zal uiteindelijk door de rechter moeten worden getoetst. In dat kader zal dan ook worden beoordeeld of de provincie zich daarbij heeft gehouden aan de juridische kaders, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is uiteindelijk aan de provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel vind ik het uitermate van belang dat de lijnen zoals beschreven in mijn Kamerbrief, namelijk mogelijkheden voor gebiedsprocessen waarin ondersteuning vanuit het trappetje van Remkes worden geboden, worden gevolgd. Te weten ondersteuning voor omschakelen, verplaatsen of vrijwillig beëindigen. Zo ook in Noord-Brabant.
Hoe beoordeelt u situaties waarin ondernemers aangeven een gezamenlijk stikstofreductieplan te hebben ingediend, maar men desondanks wordt geconfronteerd met een voorgenomen vergunningintrekking? Welke eisen stelt het Rijk aan een zorgvuldige beoordeling van dergelijke plannen?
Naast de casuïstiek in Noord-Brabant (vraag 3), is er mij momenteel geen andere situatie bekend waarbij er een gezamenlijk stikstofreductieplan is ingediend en waar men vervolgens met een voorgenomen vergunningenintrekking geconfronteerd is.
Kunt u toelichten wat hij concreet verstaat onder «perspectief voor jonge boeren» en hoe dat perspectief zich verhoudt tot situaties waarin jonge ondernemers, ondanks het indienen van een stikstofreductieplan, worden geconfronteerd met het vooruitzicht hun bedrijf te moeten beëindigen?
Ik vind het erg belangrijk dat er een duurzaam perspectief is voor de agrarische sector in Nederland. Dat is juist van belang voor jonge agrariërs. Dat is ook waar het pakket van maatregelen dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd ten volste op inzet. Ondersteuning van en voor de sector maakt daar terecht een essentieel onderdeel van uit.
Hoe verhoudt de beschreven situatie zich tot een gebiedsgerichte aanpak, waarin innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging worden gecombineerd ten einde de doelen voor een gebied te halen?
De aanpak die het kabinet heeft gepresenteerd, zet nadrukkelijk in op meerdere sporen. Ondersteuning gericht op innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging zijn essentiële onderdelen van het maatregelenpakket. De tijd die het stikstofpakket ondernemers biedt om om te schakelen, te innoveren, te verplaatsen of te beëindigen is daarbij ook van groot belang. Voor de zoneringsaanpak zet het kabinet ook in op specifiek flankerend beleid om boeren te ondersteunen om de beweging naar extensivering te kunnen maken. Voor de zoneringsaanpak zijn de lopende gebiedsprocessen van groot belang. Ik kijk bij de uitwerking van deze aanpak ook naar de aansluiting op lopende processen.
Bent u van mening dat reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging binnen een gebied voldoende moet worden meegewogen bij de beoordeling van aanvullende maatregelen voor de resterende bedrijven? Zo ja, hoe wordt dit geborgd?
Ja, reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging moet – ook vanuit proportionaliteitsoogpunt – worden meegewogen. Dit gebeurt ook al in de huidige praktijk. Binnen de context van intrekkingsverzoeken is dit geborgd doordat het juridische instrument van intrekking vanwege stikstofoverbelasting alleen mag (en blijkens jurisprudentie, in specifieke situaties, moet) worden toegepast wanneer sprake is van dreigende of geconstateerde verslechtering van de voor stikstof gevoelige natuurwaarden. Wanneer door vrijwillige bedrijfsbeëindiging of andere aanvullende maatregelen daar geen sprake meer van is, kunnen intrekkingsverzoeken ook gemotiveerd worden afgewezen. Het pakket aan maatregelen zoals gepresenteerd door het kabinet op 26 juni jl. is erop gericht om dat te bewerkstelligen.
Ziet u aanleiding om samen met provincies te bezien hoe juridische procedures kunnen worden gecombineerd met gebiedsprocessen, zodat ondernemers, natuurorganisaties en overheden gezamenlijk tot duurzame oplossingen kunnen komen?
Ik deel dat het van grote waarde is dat ondernemers, natuurorganisaties en overheden samen tot oplossingen komen en deze op breed draagvlak kunnen rekenen. Dit staat ook centraal bij de wijze waarop de samenhangende aanpak is vormgegeven en zal ook een belangrijk onderdeel blijven van de verdere uitwerking daarvan. De gebiedsprocessen bieden daar een waardevolle basis voor. Daarbij is het wel van belang dat de oplossingsrichtingen en voorziene maatregelen passen bij hetgeen nodig is, juist om in de toekomst zoveel mogelijke juridische procedures te voorkomen.
Ik vind het belangrijk dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het Interprovinciaal Overleg (IPO), maar ook met de provincie in Noord-Brabant in overleg treden, om zo met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Omdat ik een van de betroffen boeren heb bezocht in een van mijn eerste werkbezoeken, zal ik me ook bij hen in hun gebied verder laten informeren over hoe onze kabinetsaanpak past bij de aanpak die nu in het gebied plaatsvindt.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)?1
Ja.
Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders of bedrijven zonder vergunning?
Ik heb begrepen dat deze vijf bedrijven geen PAS-melders zijn en in het bezit zijn van een natuurvergunning2.
Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Tegelijkertijd moet Nederland zich houden aan de geldende Europese regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Verplichtingen die daaruit voortvloeien kunnen op gespannen voet staan met het eigendomsrecht. Wanneer op gronden van die spanning verzoeken tot intrekking van de vergunning zich voordoen, bestaan de daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Voorop staat dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen, vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met het voornemen om hun vergunning in te trekken?
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
In algemene zin geldt een uitgebreide procedure voordat een voornemen tot een definitief besluit om vergunningen in te trekken wordt genomen. In een dergelijke procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen. De provincie heeft in haar statenmededeling ook aangegeven dat er in het traject van zienswijzen ruimte is om aanvullende of alternatieve plannen te bespreken met elkaar, en dat zij zien dat de communicatie richting de ondernemers beter had gekund. Ik heb daarbij aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk kwijt te raken?
Nee, die mening deel ik niet. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. Zoals aangegeven, is het van groot belang dat er alles aan wordt gedaan om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen bewezen nutteloze geldverspilling zijn?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af kunnen te wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarbij moeten alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals.
Ik deel de opvatting niet dat het maatregelen zoals aangekondigd op 26 juni niets zal doen voor vergunningverlening. Het is van belang dat de diverse maatregelen zo snel mogelijk juridisch geborgd worden. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets gaan doen voor de vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande vergunningen in te trekken?
De hier aan de orde zijnde intrekkingsverzoeken zijn in eerste instantie ook door de provincie afgewezen. Uit het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025 volgde evenwel dat dit onvoldoende juridisch gemotiveerd kon worden, en dat urgent een daling van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden noodzakelijk was. Als bevoegd gezag heeft Noord-Brabant hier met dit voornemen gevolg aan gegeven.
Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid alsnog ter discussie kan worden gesteld?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen geldig zijn en blijven. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning. Bij dergelijke situaties past een grote mate van zorgvuldigheid. Ik vind het daarnaast van groot belang dat alle betrokken partijen er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.
Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven zodra een procedure voldoende druk uitoefent?
Het proces over het voornemen om de vergunningen van de betreffende ondernemingen in te trekken is nog niet afgerond. Dit is een uitgebreide procedure waar niet lichtzinnig mee om wordt gegaan. In deze procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen, en is er ook ruimte om de aanvullende of alternatieve plannen van de ondernemers mee te wegen. Ik vind het belangrijk dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat daarbij een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij is het wel zo dat rechterlijke uitspraken geen drukmiddel zijn maar een belangrijk onderdeel van de Nederlandse rechtstaat.
Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels hebben voldaan?
Het is van belang dat het Rijk de kaders stelt waardoor ondernemers weten wat er van hen wordt verwacht. Juridische borging door duidelijke generieke emissiereductiedoelstellingen en aanvullende geborgde maatregelen in de zoneringsgebieden zijn daarmee cruciaal om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dat is dan ook de inzet van dit kabinet. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning over ondernemers die te maken krijgen met de gevolgen van het maatregelenpakket, zoals beschreven in de Kamerbrief met het maatregelenpakket.
Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig bij individuele ondernemers neerlegt?
Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, een bijdrage leveren aan de noodzakelijke stikstofreductie. Om intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen – en daarmee ook regie te pakken op de noodzakelijke reductie-opgave – is het noodzakelijk dat het maatregelenpakket zo snel mogelijk juridisch wordt geborgd. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken3. Ik deel die mening.
Met betrekking tot deze vijf pluimveebedrijven geldt dat de provincie Noord-Brabant zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond de betrokken Natura 2000-gebieden tot dit voornemen tot intrekking genoodzaakt heeft gezien. Tegelijkertijd doe ik hier nogmaals de oproep dat alle partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?
Provincies zijn als bevoegd gezagen verplicht om voorliggende intrekkingsverzoeken te beoordelen en om daarbij uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Als Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ben ik daarbij systeemverantwoordelijk en verantwoordelijk voor het bieden van duidelijke kaders waar ondernemingen aan dienen te voldoen en waar decentrale overheden vervolgens ook aan kunnen toetsen. Aan die verantwoordelijkheid geef ik onder andere invulling met het maatregelenpakket.
Ik heb ook aangegeven bij de beantwoording op Kamervragen van het lid Korevaar (2026Z16351), dat ik het belangrijk vind dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het IPO overleggen. Daarnaast heb ik met de provincie in Noord-Brabant overlegd over deze situatie en hen op het hart gedrukt een zorgvuldige procedure te voeren, waarin het «trappetje van Remkes» wordt meegenomen en waarin de betekenis van de spoedwet en het bijbehorende programma in de zienswijze periode wordt opgepakt. Als laatste zet ik erop in met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel heb ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, met de provincie Noord-Brabant gesproken. Ik heb in dat gesprek aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Zoals gesteld in antwoord vraag 15 zal ik hierover nog deze zomer ook met het IPO in overleg treden.
Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?
Het inzetten op gedwongen beëindiging is geen onderdeel van het kabinetsbeleid zoals ik dat op 26 juni jl. heb gepresenteerd. Zoals ik eerder heb aangegeven doe ik hier dan ook de oproep aan alle betrokken partijen om, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen aan te vechten?
Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water, gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende regelgeving voldoen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke factoren?
Ik vind het belangrijk dat het natuurbeleid gericht is op de daadwerkelijke staat van de natuur en ontwikkelingen daarin. Daarom vindt er ook veel natuurmonitoring plaats en wordt dit bovendien nog verder versterkt. Naast natuurmonitoring blijven modellen echter ook belangrijk, omdat modellen het mogelijk maken om onderbouwde uitspraken te doen over toekomstige ontwikkelingen. De combinatie van monitoringsgegevens en gegevens vanuit modellen zorgt voor een goede onderbouwing van het natuurbeleid.
Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de natuur?
Bij de beoordeling van de staat van de natuur, waar natuurkwaliteit een belangrijk onderdeel van is, wordt gekeken hoe de natuur er feitelijk voor staat. Hierop is een samenspel van factoren van invloed, waaronder de in de vraag genoemde factoren. In bijvoorbeeld de natuurdoelanalyses worden dergelijke factoren in beeld gebracht. Het is belangrijk om hier inzicht in te hebben omdat dit nodig is om de juiste maatregelen te treffen om verslechtering van de natuur tegen te gaan en waar nodig herstel te realiseren. Op dit moment is inzicht hierin vrijwel altijd voldoende om met de belangrijkste maatregelen aan de slag te kunnen en moeten. Om tot volledig doelbereik te komen, is in sommige gevallen meer kennis nodig. Daarom wordt bijvoorbeeld de natuurmonitoring in de komende jaren verbeterd en uitgebreid via het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM).
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken, terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming en naleving van alle geldende regels?
Het maatregelenpakket is noodzakelijk om vergunningverlening op gang te krijgen. Ik realiseer mij dat dit veel vraagt van boeren en andere ondernemers. Daarom is een essentieel onderdeel van het pakket dat het kabinet brede ondersteuning biedt aan ondernemers bij diverse ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf pluimveehouders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»?1
Ja.
Hoe verhoudt het intrekken van jarenlang rechtmatig verleende natuurvergunningen zich tot het beginsel van rechtszekerheid?
Ik vind het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de burger tegen onzekerheid en willekeur veroorzaakt door de overheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat vergunningen in principe niet worden aangetast. Ik roep alle partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekking van vergunningen te voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat het rechtszekerheidsbeginsel van rechtszekerheid niet absoluut is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning, bijvoorbeeld als een rechterlijke uitspraak daartoe noopt. Het intrekken van een vergunning is een ingrijpend besluit en brengt onzekerheid met zich mee. Uiteraard is het belangrijk dat bij dergelijke besluiten een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Zo staat tegen een intrekking rechtsbescherming open, waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan die benodigde zorgvuldigheid heeft betracht.
Lopen naast deze vijf agrarische bedrijven ook bedrijven in andere sectoren risico op het intrekken van een geldige vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke bedrijven lopen dit risico?
Er zijn intrekkingsverzoeken gedaan in verschillende sectoren, waaronder de agrarische sector, industrie en de woningbouw. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd.
Acht u het wenselijk dat ondernemers die volledig volgens de geldende wet- en regelgeving hebben gehandeld, alsnog hun bedrijf dreigen te verliezen?
Nee, dat vind ik niet wenselijk en daarom roep ik betrokken partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Bent u van mening dat de overheid ondernemers moet beschermen wanneer zij hebben gehandeld op basis van door diezelfde overheid verleende vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven, vind ik het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Indien een verzoek tot intrekking wordt gedaan, geldt dat daar een (juridische) procedure voor bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Zoals gezegd is het daarom des te urgenter om het recent gepresenteerde maatregelenpakket juridisch te verankeren.
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid wanneer legaal verleende vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van vergunningen zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ten behoeve van het vertrouwen is het daarom van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en bij het doorlopen van een procedure grote zorgvuldigheid betrachten. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarom voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het eigendomsrecht zoals beschermd door Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op eigendom)?
In de Europese Unie geldt een recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Het eigendomsrecht is echter niet absoluut en kan dus, onder omstandigheden, aan beperkingen onderhevig zijn. Een beperking kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn. Het is niet aan mij om voor deze concrete gevallen te beoordelen of een eventuele beperking van het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
Vindt u dat het huidige vergunningenstelsel nog voldoende rechtszekerheid biedt als een ondernemer ondanks een geldige vergunning nooit zekerheid heeft dat deze in stand blijft?
Ondernemers moeten er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Zoals hiervoor aangegeven, is het beginsel van rechtszekerheid niet absoluut en zijn vergunningen niet onaantastbaar. Er kunnen zich situaties voordoen waardoor een vergunning toch wordt ingetrokken. Een rechterlijke uitspraak kan een reden zijn om daartoe te besluiten. Ik ben bij vraag 2 uitgebreider ingegaan op de onzekerheid die intrekkingen van vergunning met zich meebrengt. Zoals ik eerder heb aangegeven, roep ik partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om dit te voorkomen.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies om te voorkomen dat legaal opererende bedrijven door vergunningintrekkingen buiten hun schuld om worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb namens het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen gepresenteerd waarmee met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dit vanuit de overtuiging van het kabinet dat alle partijen hier, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles voor moeten zetten. Immers, zoals eerder aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Dit blijft in individuele gevallen echter een afweging van het bevoegde bestuursorgaan, waarbij alle belangen zullen worden gewogen. Tegen intrekkingsbesluiten staat in de regel rechtsbescherming open bij de bestuursrechter.
Welke waarborgen ziet u om te voorkomen dat vergunningverlening door de overheid feitelijk haar betekenis verliest doordat vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Zoals toegelicht, geldt dat indien een verzoek tot intrekking van de vergunning wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure is ingericht om tot een afgewogen besluit te komen. Dat is een belangrijke waarborg voor het systeem van vergunningverlening. Daarbij is belangrijk dat bij dergelijke besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Het kabinet zet vol in op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket. In oktober zal ik daarom een spoedwet en een programma van maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen.
Erkent u dat een overheid die eerst vergunningen verleent en vervolgens dezelfde vergunningen intrekt, het fundament van de rechtsstaat en het vertrouwen in de overheid ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat niet. Bij een rechtsstaat hoort namelijk ook dat gehoor wordt gegeven aan rechterlijke uitspraken, ook als die het intrekken van vergunningen tot gevolg hebben. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat een mogelijke intrekking van de vergunning zeer ingrijpende is voor een ondernemer. Daarom moeten de betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket.
Waar ligt volgens u de grens van de rechtszekerheid in Nederland als een ondernemer die volledig volgens de regels heeft geïnvesteerd, desondanks zijn vergunning en daarmee zijn bedrijf kan verliezen?
Bij vraag 2 ben ik ingegaan op de verhouding tussen het intrekken van vergunningen en het beginsel van rechtszekerheid.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»1 ?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat Nederland een gezond, betrouwbaar en goed investerings- en vestigingsklimaat moet hebben?
Ja.
Deelt u de opvatting dat ondernemers moeten kunnen vertrouwen op door de overheid verleende onherroepelijke vergunningen wanneer zij investeren in hun bedrijf?
Ja, ik vind het belangrijk dat ondernemers er in beginsel vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen waarin het eigendomsrecht op gespannen voet staat met andere verplichtingen. Wanneer een dergelijke spanning zich voordoet, bestaan daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Voor mij staat voorop dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welk signaal geeft het aan ondernemers en investeerders als een rechtmatig verleende onherroepelijke vergunning jaren later alsnog kan worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van de vergunning zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ik wil daarom vooral als belangrijk signaal geven dat het van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en dat wanneer een ondernemer wordt geconfronteerd met een dergelijk verzoek kan rekenen op een zorgvuldig proces om tot een afgewogen besluit te komen. Daarnaast voelt het kabinet grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke gevolgen heeft deze ontwikkeling volgens u voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
De onzekerheid die samengaat met de stikstofproblematiek en de handhavings- en intrekkingsverzoeken die daar onderdeel van uit maken, heeft negatieve gevolgen voor het investeringsklimaat. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid. Daarom is het van belang om het maatregelenpakket zoals aangekondigd op 26 juni jl. zo snel mogelijk in uitvoering te brengen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op ons investeringsklimaat. Daarbij komt dat bedrijven er al langer mee bekend zijn dat vergunningen voor diverse activiteiten op dit moment complex en lastig te verkrijgen zijn. Dit is een onderwerp dat ook in het rapport Wennink aan de orde is gesteld. Ook vanuit dat perspectief is uitvoering van het pakket van groot belang.
Hoe wilt u ondernemers nog stimuleren om te investeren in verduurzaming, innovatie en uitbreiding als zij geen zekerheid hebben dat hun vergunning behouden blijft?
Ondernemers moeten er in beginsel vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Het maatregelenpakket is er juist op gericht dat de vergunningverlening weer op gang komt. Een essentieel onderdeel van dat pakket is onder andere van brede ondersteuning van ondernemers bij stappen gericht op verduurzaming en innovatie, in het bijzonder binnen de agrarische sector, maar het pakket bevat ook ondersteunende maatregelen gericht op verduurzaming van de industrie en mobiliteit.
Bent u het ermee eens dat deze problematiek niet alleen de agrarische sector raakt, maar in beginsel ieder bedrijf met een omgevings- of natuurvergunning kan treffen? Zo nee, waarom niet?
Intrekkingsverzoeken komen niet alleen voor in de agrarische sector, maar ook in andere sectoren, zoals de industrie. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om uiteindelijk intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken2. Ik deel die mening.
Welke gevolgen verwacht u voor de financierbaarheid van bedrijven als banken en investeerders moeten rekenen met het risico dat vergunningen achteraf worden ingetrokken en waar baseert u dit op?
Banken en investeerders zijn bekend met de regelgeving en situatie rond Natura-2000 gebieden en de gronden waarop vergunningen kunnen worden verleend en welke eventuele risico’s er ontstaan indien er een verzoek tot intrekking van een vergunning van een specifiek bedrijf wordt gedaan. Zij betrekken deze informatie in hun financieringsbeslissingen. Ik verwacht dat het maatregelenpakket, waarmee we geleidelijk van stikstofslot zullen komen, een positief effect heeft op investeringsklimaat.
Welke economische schade verwacht u wanneer ondernemers noodzakelijke investeringen uitstellen vanwege afnemende rechts- en investeringszekerheid?
Het huidige stikstofslot leidt in algemene zin tot forse economische impact. Uit onderzoek van SEO en CE Delft bleek dat de verminderde vergunningverlening in de periode van 2024–2030 tot € 30,7 miljard aan bruto omzetverlies kan leiden. Verschillende onderwerpen, zoals de schade aan het vestigingsklimaat, konden daarbij niet worden becijferd. Het is voor de economie dus van eminent belang om de noodzakelijke maatregelen te nemen en daarom vindt het kabinet het van groot belang om het maatregelenpakket snel uit te voeren.
Acht u het wenselijk dat Nederland internationaal bekend komt te staan als een land waar legaal verleende onherroepelijke vergunningen achteraf kunnen worden ingetrokken? Zo nee, hoe gaat u dat voorkomen?
Alle betrokken partijen moeten, zeker met het gepresenteerde maatregelenpakket en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Daarnaast geldt in Nederland dat indien er een verzoek tot intrekking wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Daarmee wordt de rechtszekerheid geborgd. Daarnaast geldt dat het uitgebreide maatregelenpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd zal bijdragen aan een beter investeringsklimaat omdat Nederland daarmee weer van het stikstofslot zal komen.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de ambitie van het kabinet om Nederland aantrekkelijk te houden voor ondernemers en investeerders?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant over het voornemen om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken? Zo nee, waarom niet. Zo ja, kunt u ons zo snel mogelijk na dit overleg informeren?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Net als VNO-NCW heb ik ook bij de provincies benadrukt dat een zorgvuldige procedure essentieel is. Ook heb ik in gesprek met Noord-Brabant aangegeven dat ik verwacht dat zij geen onomkeerbare besluiten nemen, totdat het «trappetje van Remkes» is uitgelopen. Als laatste heb ik voorgesteld om nog deze zomer met alle provincies met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen over het gemotiveerd afwijzen van intrekkings- en handhavingsverzoeken
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Structurele financiering voor dierenhulp bij rampen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de projectsubsidie vanuit de Ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), verleend aan Stichting Dieren in Rampen ten behoeve van de uitvoering van de motie-Wassenberg (Kamerstuk 29 517, nr. 218) en motie-Wassenberg c.s. (Kamerstuk 29 517, nr. 249), loopt tot april 2027?
Deelt u de mening dat wanneer dieren niet zijn meegenomen in crisisplannen en hulpverlening, dit aantoonbaar leidt tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld wanneer mensen weigeren te evacueren, terugkeren naar onveilige gebieden en extra risico’s nemen om hun dieren te redden?
Kunt u beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van vertraagde evacuaties en de vergrote druk op hulpdiensten die hieruit voortvloeit?
Deelt u de mening dat Stichting Dieren in Rampen een waardevolle bijdrage levert en kan blijven leveren aan het waarborgen en coördineren van professionele dierenhulp bij grootschalige incidenten, rampen en crises in nauwe aansluiting op de crisisbeheersing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe dierenhulporganisaties worden betrokken bij de concrete regionale uitwerking van een hoofddoelstelling van ons Landelijk Crisisplan Natuurbranden: het redden van mensen en dieren, inclusief de overweging van ontruiming en evacuatie?
Kunt u aangeven hoe, in navolging van het Landelijk Crisisplan Natuurbranden, ook in andere (nieuwe) relevante crisis- en weerbaarheidsplannen wordt geborgd dat dieren en dierenhulpverleners expliciet worden opgenomen? Wordt Stichting Dieren in Rampen hierbij actief uitgenodigd om input te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te komen met structurele en uitgebreidere financiering voor Stichting Dieren in Rampen, zodat opgebouwde kennis, infrastructuur en samenhang niet verloren gaan en de verdere integratie van dieren in de crisisstructuur kan worden voortgezet?
Bent u bereid het belang van dierenhulp als onderdeel van nationale weerbaarheid expliciet te erkennen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Het wettelijk kader voor dierentuinen bestaat uit de Europese dierentuinrichtlijn (Richtlijn 1999/22/EG), die in Nederland is geïmplementeerd in paragraaf 1 van hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren (Bhvd). De Europese richtlijn heeft als doelstelling de bescherming van wilde dieren en de instandhouding van de biodiversiteit. Iedere dierentuin in Nederland is vergunningplichtig. In artikel 4.10 van het Bhvd geldt als vergunningsvoorwaarde dat dierentuinen een bijdrage moeten leveren aan de instandhouding van diersoorten onder andere door middel van het deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving. In Nederland zijn geen regels voor populatiemanagement. Dat ligt bij de dierentuinen zelf en dit gebeurt veelal in internationaal verband. Buiten de publiekrechtelijke voorschriften kunnen dierentuinen ook onderling afspraken maken, bijvoorbeeld via de Europese brancheorganisatie voor dierentuinen, EAZA.
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Ja. Dierentuinen moeten continue de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van een individueel dier en het belang van de populatie als geheel in het kader van soortbehoud. In de praktijk betekent dit dat dierentuinen soms moeilijke keuzes moeten maken. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) geeft aan dat in de praktijk het welzijn van individuele dieren en het welzijn en de levensvatbaarheid van de groep en populatie als geheel zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging per soort, per groep en per situatie.
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
De mogelijkheden zijn afhankelijk van de diersoort en per situatie. Herplaatsing en aanpassing van groepssamenstellingen zijn hierbij twee van de mogelijkheden, maar zijn niet altijd mogelijk. Andere opties zijn tijdelijke of structurele scheiding, aanpassing van huisvesting, en het voorkomen of beperken van voortplanting via anticonceptie. Deze opties hebben ieder consequenties voor dierenwelzijn en diergezondheid. Samenwerking binnen de sector is belangrijk om de kansen op succesvolle herplaatsing te vergroten. Daarom is er ook veel sprake van internationale samenwerking.
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Binnen de Europese fok- en instandhoudingsprogramma's van EAZA, zogenoemde EEP's (EAZA Ex situ Programmes), houden dierentuinen rekening met beschikbare plekken voor nakomelingen in de toekomst. Elk EEP heeft een coördinator. Er wordt ook rekening gehouden met genetische diversiteit, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding en sociale groepsdynamiek van diersoorten. Toch is niet alles te plannen of te voorspellen. Vooraf weet je vaak niet hoeveel nakomelingen geboren zullen worden en ook weet je niet of de nakomelingen mannetjes of vrouwtjes zullen zijn, terwijl groepen vaak specifieke verhoudingen tussen mannen en vrouwen vereisen. Ook kan de groepsdynamiek veranderen waardoor het noodzakelijk kan zijn om dieren van elkaar te scheiden. Het is niet zomaar mogelijk om afgesplitste dieren te herplaatsen in bestaande groepen. Dit kan de dynamiek namelijk verstoren. Daarom is het onmogelijk om vooraf met zekerheid plekken voor alle dieren te regelen.
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Het behouden van een gezonde populatie kan een dierentuin niet alleen. Daarom is intensieve (internationale) samenwerking en het opdoen van meer kennis en innoveren belangrijk. Dierentuinen geven zelf aan dat onder andere data uitwisseling, verdere ontwikkeling van stamboeken en registratiesystemen, en meer kennis over de gevolgen van anticonceptie hierin een rol spelen.
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Dierentuinen vervullen een belangrijke rol in onze maatschappij en kunnen rekenen op een groot draagvlak. Uit onderzoek van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) blijkt dat de meerderheid van de Nederlanders (70%) positief tegenover dierentuinen staat. Slechts een klein deel (7%) heeft een afwijzende houding. Mensen vinden het fokken met bedreigde diersoorten en het (financieel) ondersteunen van programma’s die diersoorten beschermen en voorkomen dat diersoorten uitsterven de belangrijkste taken van een dierentuin.2
Mogelijke maatschappelijke kritiek speelt een rol in de terughoudendheid vanuit de sector om informatie rondom populatiebeheer te delen. Ik begrijp die zorgen. Toch is het belangrijk voor de toekomstbestendigheid van dierentuinen, dat ze zorgvuldige, transparante en navolgbare keuzes maken. Transparantie over de onderzochte alternatieven en context van het bredere doel kunnen hieraan bijdragen.
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Ja.
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen grotendeels voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen. Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Het doden van surplus dieren kan in sommige gevallen noodzakelijk zijn voor populatiemanagement, om vergrijzing binnen een populatie tegen te gaan en genetische variatie te behouden. De huidige kaders maken dit mogelijk.
Tegelijkertijd zie ik ook dat de huidige situatie maatschappelijk veel vragen en emoties oproept. Op dit moment werk ik maatregelen uit om uitvoering te geven aan de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). De Kamer wordt hierover vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector en een aantal stakeholders, zoals EAZA, de Europese dierentuinorganisatie die de instandhoudingsprogramma’s in dierentuinen coördineert. Uit deze gesprekken zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen die mee worden genomen in de uitvoering van de motie. Ook deze casus zal ik daarin meenemen.
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). Deze casus zal ik daarin meenemen.
Overheidscommunicatie over dierproeven en innovatieve proefdiervrije onderzoeksmethoden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Kent u de video «Waarom dierproeven nog nodig zijn» die sinds 28 mei 2026 op de website van de Rijksoverheid staat?1
Ja.
Wat was de aanleiding voor het maken van deze video en wat is het beoogde doel ervan?
In mijn brief van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr. 173) heb ik mijn beleid voor de transitie naar proefdiervrije innovatie (TPI) en dierproeven uiteengezet. Zoals ik in die brief heb aangegeven zijn er voor bepaalde onderzoeken nog steeds dierproeven nodig. Het is gebruikelijk dat de rijksoverheid in het kader van transparantie voorlichting geeft over beleid op verschillende terreinen. De video is onderdeel van de publieksvoorlichting van de rijksoverheid over dierproeven. Het doel van de video is transparante en zorgvuldige informatie over dierproeven en proefdieren te bieden voor een breed publiek.
Bent u ermee bekend dat dierproeven nog vaak worden gezien als «gouden standaard» en experts waarschuwen dat hierdoor de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden juist wordt geremd?2
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Ik gebruik die term zelf niet en deze wordt ook niet in de video gebruikt.
Bent u bekend met de overtuiging van uw voorganger(s) dat we af moeten van dierproeven als standaard en met zijn expliciete toezegging dat dierproeven niet meer als gouden standaard zouden worden neergezet in overheidscommunicatie en dat de nadelen van dierproeven daarin juist nadrukkelijk benoemd zouden worden (Kamerstuk 32 336, nr. 157)?
Ja, ik ben bekend met deze overtuiging en ik sta er ook achter om die bewoording niet te gebruiken. De video maakt inzichtelijk dat er nog dierproeven nodig zijn zolang nog niet voor alle vraagstukken gevalideerde en geaccepteerde dierproefvrije modellen beschikbaar zijn. De video belicht ook welke waarborgen er zijn voor het uitvoeren van dierproeven en verzorgen van de proefdieren. Het is ook mijn verantwoordelijkheid daar naar het brede publiek transparant over te zijn. De kern van mijn beleid is om in te blijven zetten op de opbouw van proefdiervrije innovatie en dierproeven uiteindelijk steeds meer overbodig te maken, zoals ik toelicht in mijn recente Kamerbrief TPI en dierproeven van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173). Ik communiceer ook heel geregeld over het TPI-beleid. Dat doe ik o.a. via de website van TPI, het TPI LinkedIn-account en andere communicatie voor burgers, zoals de vorig jaar georganiseerde Helpathon Proefdiervrij onderzoek.
Onderschrijft u dit? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf dit en ik refereer dan ook niet naar dierproeven als de «gouden standaard», maar ben wel transparant over het feit dat we in Nederland nog dierproeven doen en hoe we dat doen. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Hoe rijmt u deze video, waarin eenzijdig aandacht wordt besteed aan de vermeende noodzaak van dierproeven, zonder ook maar enige aandacht te besteden aan het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap en de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden, met deze toezegging?
De webpagina’s over dierproeven op rijksoverheid.nl bieden genuanceerde publieksinformatie over de kaders waarin dierproeven in Nederland gedaan mogen worden. De website licht ook toe welke bezwaren er zijn rondom de ethiek en de vertaalbaarheid van resultaten van dierproeven naar de mens. Ook is er informatie te vinden over proefdiervrije oplossingen met een verwijzing naar de website van het programma TPI. Deze website maakt inzichtelijk wat het TPI-beleid is en hoe ik dat samen met de TPI-partners uitvoer. Daar zijn onder andere voorbeelden te vinden van succesvolle proefdiervrije innovaties, een video over het doel van TPI en verslagen van de Labtours die we organiseren voor een breed publiek. De video «waarom dierproeven nog nodig zijn» is daarmee één van de communicatie-uitingen in een groter geheel. Ik ben van mening dat alle informatie tezamen een goed gebalanceerd beeld geeft van de huidige situatie en het beleid.
Bent u ermee bekend dat de Kamer heeft uitgesproken dat Nederland koploper moet worden als het gaat om baanbrekende technologieën zoals proefdiervrije, innovatieve medische ontwikkelingen en heeft verzocht om de ontwikkeling en toepassing van proefdiervrije methoden meer te stimuleren (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 53)?
Ja, daar ben ik mee bekend en dat is en blijft de kern van mijn beleid. In mijn brief van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173) heb ik uiteengezet hoe ik met mijn beleid werk aan die voorloperpositie en hoe Nederland daar bijvoorbeeld met het unieke groeifondsproject Ombion invulling aan geeft.
Deelt u de mening dat het bij een land dat koploper wil zijn in proefdiervrije innovaties niet past om eenzijdig te communiceren over de vermeende noodzaak van dierproeven, maar juist het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap zou moeten uitdragen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 ben ik van mening dat er sprake is van gebalanceerde en transparante communicatie en deel ik de mening niet dat er op rijksoverheid.nl eenzijdig gecommuniceerd wordt. Er is voor de transitie naar proefdiervrije innovatie een specifiek voor dat onderwerp ingerichte website en een apart LinkedIn-account om effectief over de transitie naar proefdiervrije innovatie te communiceren, zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om de video offline te halen of aan te passen zodat ook de nadelen van dierproeven worden benoemd, conform de toezegging van uw voorganger(s)? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat met deze video op transparante en genuanceerde wijze het brede publiek kennis kan nemen van hoe en waarom dierproeven gedaan worden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 staat de video niet op zichzelf, maar is deze geplaatst in een bredere context. Ik ben dan ook niet van plan de video offline te halen.
Ik hecht veel waarde aan goede communicatie en een volledig beeld van mijn beleid, zowel voor proefdiervrije innovatie als voor dierproeven. Naast mijn al bestaande publiekscommunicatie over TPI heb ik daarom opdracht gegeven om ook een video te laten maken over proefdiervrije innovatie. Deze video zal op rijksoverheid.nl worden geplaatst.
Bent u bereid om in plaats van de betreffende video in uw communicatie over dierproeven te focussen op het belang en de noodzaak van de transitie naar proefdiervrij onderzoek, wat kan leiden tot grote medische doorbraken en onder meer goedkoper, beter vertaalbaar en diervriendelijker is, en op de stappen die Nederland zet om dit te bereiken? Zo nee, waarom niet?
Zoals opgenomen in mijn antwoord op vraag 9 ben ik niet voornemens de video te verwijderen. Wel ben ik van mening dat gebalanceerde communicatie van belang is, waarbij dus ook het belang van de transitie naar proefdiervrije innovatie goed aan bod komt. Deze communicatie bestaat al en, samen met de partners van het TPI-partnerprogramma, wordt via de website van TPI en het daarbij behorende LinkedIn-account over het beleid voor de transitie naar proefdiervrij onderzoek, inclusief de ambities, initiatieven en doorbraken, gecommuniceerd. Aanvullend op deze informatie komt er op rijksoverheid.nl nog een video over proefdiervrije innovaties, zoals ook toegelicht in mijn beantwoording van vraag 9.
Welke andere concrete maatregelen en acties gaat u treffen om ervoor te zorgen dat Nederland koploper wordt in baanbrekende proefdiervrije technologieën?
Ik heb mijn inzet voor die voorloperpositie in mijn Kamerbrief TPI en dierproeven van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173) uiteengezet. Ik verwacht in september een transitieadvies van het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) te ontvangen. Ik verwacht dat dat rapport ook adviezen zal bevatten die helpen bij het verder aanjagen van de transitie en zal de Kamer te zijner tijd mijn appreciatie op dat advies doen toekomen.
Kunt u deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja, hierbij ontvangt u mijn reactie op uw vragen.
Het doden van een groep gezonde stokstaartjes door Diergaarde Blijdorp |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Diergaarde Blijdorp een groep gezonde stokstaartjes heeft gedood, omdat er volgens de dierentuin geen plek was voor deze dieren binnen de dierentuin en ook geen plek kon worden gevonden bij een andere dierentuin?1
Ja.
Bent u bekend met het zogenoemde «breed-and-cull-beleid» dat volgens Diergaarde Blijdorp wordt gehanteerd, waarbij stokstaartjes worden gefokt om vervolgens te worden gedood omdat er te veel van zouden zijn?
Ik ben ermee bekend dat er in Diergaarde Blijdorp stokstaartjes zijn gedood.
Wat vindt u hiervan?
Ik vind het belangrijk dat, gegeven de intrinsieke waarde van het dier, dierentuinen alleen in uiterste gevallen een gezond dier doden, waarbij die keuze op een zorgvuldige, transparante en navolgbare wijze wordt gemaakt. Het mag zeker geen dagelijkse praktijk zijn. Dit neem ik mee in de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) die vraagt om een plan van aanpak te ontwikkelen voor een einde aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen.
Erkent u dat het fokken van «overtollige» dieren om ze vervolgens te doden, omdat er geen plek voor is, de intrinsieke waarde van deze dieren ernstig schendt? Zo nee, waarom niet?
Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Dierentuinen moeten hierbij de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van het dier en het belang van de groep en soortbehoud. Omdat dierentuinen op deze verschillende niveaus opereren, moeten zij soms moeilijke keuzes maken. Ik verwacht van de Nederlandse dierentuinen dat zij zorgvuldige keuzes maken en niet zomaar met dieren fokken zonder na te denken over de consequenties. Daarom werk ik momenteel aan de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69).
Bij welke andere diersoorten hanteert Diergaarde Blijdorp een «breed-and-cull-beleid»?
De overheid registreert deze informatie niet. In het kader van de dierentuinvergunning zijn dierentuinen ook niet verplicht om dit te melden.
Welke andere Nederlandse dierentuinen hanteren een vergelijkbaar beleid en voor welke diersoorten?
Zie het antwoord op vraag 5.
Deelt u de opvatting dat wanneer iemand zo nodig wilde dieren wil fokken in gevangenschap, diegene ten minste de verantwoordelijkheid heeft om een plan te hebben voor hoe de nakomelingen kunnen worden verzorgd en gehuisvest en dat het doden van dieren omdat er geen plek voor is daar niet onder valt? Zo nee, waarom niet?
Ik wil dat dierentuinen vooraf stilstaan bij de consequenties van hun fokbeleid. Daarbij hoort ook het nadenken over huisvesting voor de nakomelingen en sociale structuur in de groep.
Kunt u bevestigen dat de Kamer heeft verzocht een einde te maken aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 69)?
De Kamer heeft verzocht om een plan van aanpak te ontwikkelen voor een einde aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen.
Wanneer gaat u dit plan naar de Kamer sturen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69).
Bent u bereid om intussen Diergaarde Blijdorp op te roepen per direct te stoppen met het fokken van stokstaartjes en het «breed-and-cull-beleid» meteen te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment acht ik het niet passend om specifiek en alleen Diergaarde Blijdorp op te roepen om hun beleid aan te passen. Ik roep alle dierentuinvergunningshouders in Nederland op om goed na te denken bij het maken van keuzes rondom het fokken en het doden van (surplus) dieren. In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector over dit onderwerp. Tijdens deze gesprekken is deze boodschap ook benadrukt.
De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake de Huis- en hobbydierenlijst |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de Huis- en hobbydierenlijst op 28 mei 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:210 t/m 219), waarin het CBb oordeelt dat voor meerdere diersoorten, waaronder de dromedaris, een nieuw besluit moet worden genomen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat het CBb heeft geoordeeld dat de toepassing van het domesticatiecriterium door de Minister te beperkt is geweest en dat voor onder andere de dromedaris, chinchilla en Russische dwerghamster, opnieuw een bestuurlijke afweging moet worden gemaakt?
Het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst heeft geadviseerd om zoogdiersoorten met populaties die zich in een vergevorderd stadium van het domesticatieproces bevinden op de huis- en hobbydierenlijst te plaatsen. Het CBb heeft geoordeeld dat het domesticatiecriterium gebruikt mag worden en deugdelijk is. Overigens oordeelde het CBb dat ik moet bezien of er aanleiding bestaat om de soorten dromedaris, jak, chinchilla, Russische dwerghamster en witstaartstekelvarken om bestuurlijke redenen toch op de lijst te plaatsen, ook al voldoen deze soorten niet aan het criterium van verregaande domesticatie. Ik ga deze bestuurlijke afweging zorgvuldig maken.
Erkent u dat deze uitspraak, waarin door de rechter is vastgesteld dat bij al zeker zes diersoorten ondeugdelijk gemotiveerde besluiten zijn genomen, laat zien dat bij het opstellen van de Huis- en hobbydierenlijst fouten zijn gemaakt in de beoordeling van diersoorten, in het bijzonder bij de toepassing van het domesticatiecriterium?
In de uitspraak over de huis- en hobbydierenlijst heeft het CBb geoordeeld dat de lijst op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen. Het CBb heeft de bezwaren over de onafhankelijkheid en deskundigheid van de adviescommissie en het adviescollege die hebben geadviseerd over de lijst verworpen. Het CBb heeft geoordeeld dat de systematiek die is gebruikt, wetenschappelijk verantwoord is en juist is toegepast. De manier van beoordelen is in overeenstemming met de eisen van het Europees recht.
Het CBb heeft geoordeeld dat het domesticatiecriterium gebruikt mag worden en deugdelijk is. Overigens oordeelde het CBb dat ik moet bezien of er aanleiding bestaat om de soorten dromedaris, jak, chinchilla, Russische dwerghamster en witstaartstekelvarken om bestuurlijke redenen toch op de lijst te plaatsen, ook al voldoen deze soorten niet aan het criterium van verregaande domesticatie. Daarnaast moet ik het zoönoserisico van de katoenrat opnieuw bezien. Voor zes andere soorten moet ik opnieuw een beslissing op bezwaar nemen. Alle andere besluiten over het plaatsen of niet plaatsen van soorten zijn in rechte vast komen te staan.
Verwacht u naar aanleiding van de uitspraak van het CBb, dat sprake is van 314 afzonderlijke besluiten waartegen individueel bezwaar en beroep openstaat, een groot aantal aanvullende bezwaar- en beroepsprocedures tegen andere besluiten om diersoorten niet aan te wijzen? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid van de huidige Huis- en hobbydierenlijst?
De uitspraak maakt duidelijk dat de beoordelingen van de diersoorten in rechte vaststaan, tegen deze beoordelingen is geen bezwaar en beroep meer mogelijk. Uitzonderingen hierop vormen de twaalf soorten waarover ik een nieuw besluit moet nemen.
Acht u het wenselijk en werkbaar dat deze uitspraak leidt tot een aanzienlijke extra belasting van rechtbanken en uitvoeringsorganisaties door nieuwe procedures over individuele diersoorten?
Nee, ik zie dit risico niet. Voor nadere toelichting verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt het oordeel van het CBb zich volgens u tot de eis uit het Andibel-arrest (ECLI:EU:C:2008:353) dat een positieflijst moet zijn gebaseerd op objectieve en proportionele criteria, nu blijkt dat voor meerdere soorten alsnog een aanvullende bestuurlijke (en dus specifiek niet wetenschappelijke) afweging nodig is om tot een besluit te komen?
Het CBb heeft geoordeeld dat de huis- en hobbydierenlijst is gebaseerd op objectieve en proportionele criteria. De systematiek van de lijst, alsmede het domesticatie-criterium zijn in lijn met het Andibel-arrest. Overigens oordeelde het CBb dat ik een aanvullende bestuurlijke afweging moet maken zoals toegelicht in antwoord op vraag 3. Deze afweging gaat over de toepassing van het criterium domesticatie. Ik bezie momenteel hoe ik deze afweging ga maken.
Deelt u de opvatting dat het problematisch is dat de strikt wetenschappelijke beoordelingssystematiek ertoe zou hebben geleid dat zelfs honden, katten en paarden niet op de lijst zouden zijn geplaatst en dat vervolgens via het domesticatiecriterium bestuurlijke uitzonderingen moesten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Het CBb heeft vastgesteld dat het domesticatie-criterium wetenschappelijk is onderbouwd en consequent is toegepast. Er hoefden dus geen bestuurlijke uitzonderingen gemaakt te worden om verregaand gedomesticeerde populaties van soorten op de lijst te plaatsen. Honden, katten en paarden staan op de huis- en hobbydierenlijst en mogen gehouden worden.
Hoe verklaart u de uitzonderingspositie die het damhert en edelhert innemen, nu uit de uitspraak van het CBb blijkt dat de bevoegdheid omtrent het aanwijzen van diersoorten als soorten die gehouden mogen worden niet discretionair van aard is?
Het damhert en edelhert zijn niet aangewezen. Mijn voorganger heeft besloten in een vrijstelling op grond van artikel 10.1, eerste lid, van de Wet dieren voor deze soorten te voorzien. Hetzelfde geldt voor het houden van de dromedaris voor productie, ook hiervoor is in een vrijstelling voorzien.
Bent u bereid opnieuw kritisch te kijken naar de uitwerking en juridische houdbaarheid van de Huis- en hobbydierenlijst, mede in het licht van deze uitspraak en de mogelijkheid van verdere procedures tegen individuele beslissingen?
De uitspraak van het CBb bevestigt dat de huis- en hobbydierenlijst juridisch houdbaar is. Ik ga niet opnieuw kijken naar de juridische houdbaarheid van deze lijst.
Ernstige bijtincidenten met honden en preventieve maatregelen rond hoog-risicohonden |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de aanval door een hond op een 7-jarige jongen in Hilversum, waarbij het slachtoffer ernstig gewond is geraakt?1
Dat heb ik, ik ben zeer geschokt door dit incident. Mijn gedachten gaan uit naar het slachtoffer en de familie.
Kunt u aangeven hoeveel ernstige bijtincidenten met honden de afgelopen vijf jaar bekend zijn en in hoeveel gevallen daarbij kinderen betrokken waren?
Hier zijn helaas geen cijfers van beschikbaar. Dat is de reden waarom het Landelijk Meldpunt Hondenbeten begin dit jaar gelanceerd is om beter inzicht te krijgen in de aard en omvang van de incidenten.
Welke ontwikkelingen ziet u in het aantal meldingen van ernstige bijtincidenten met honden?
Ik lees deze vraag zo dat u doelt op de meldingen die zijn binnengekomen bij het Landelijk Meldpunt Hondenbeten. Dit meldpunt is in januari 2026 gelanceerd. Een eerste analyse van de data wordt momenteel uitgevoerd. Dan krijg ik een eerste beeld van de meldingen, maar is het nog te vroeg om uitspraken te doen over ontwikkelingen in het aantal meldingen van ernstige incidenten. Ik verwacht de resultaten van deze analyse voor het eerstvolgende debat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven met de Kamer te delen.
Deelt u de opvatting dat verantwoord hondenbezit vraagt om duidelijke verantwoordelijkheid van eigenaren, zeker wanneer sprake is van honden met een verhoogd risico op agressief gedrag?
Die opvatting deel ik. In het rapport «The Safe Dog project» (2019) en uit internationaal onderzoek komen eigenaar-gerelateerde factoren naar voren als de belangrijkste risicofactor bij het ontstaan van bijtincidenten. Ik vind het dan ook belangrijk dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen als het om het houden van een huisdier gaat, en helemaal in het geval van honden die ernstig letsel kunnen veroorzaken.
Hoe beoordeelt u de werking van de huidige Nederlandse aanpak rond hoog-risicohonden en ernstige bijtincidenten?
In Nederland zijn adequate waarborgen ingesteld dat honden die ernstige incidenten veroorzaken niet zomaar terug de maatschappij in gaan. Als er sprake is van een ernstig incident waar de politie bij ingeschakeld is, wordt de hond in beslag genomen. Er volgt dan altijd een beoordeling van de hond en het incident. Op basis daarvan bepaalt de rechter wat er met de hond gebeurt. In ernstige gevallen kan worden besloten de hond in te laten slapen. Ook gemeenten hebben bevoegdheden om in te grijpen wanneer zich gevaarlijke situaties of bijtincidenten voordoen. Zij staan dicht bij de burger en kunnen daardoor inschatten wat in specifieke gevallen nodig is.
In hoeverre verschillen gemeentelijke beleidsregels en handhaving momenteel als het gaat om hoog-risicohonden en acht u deze verschillen wenselijk?
Een belangrijk deel van de bevoegdheden bij het opvolgen van bijtincidenten ligt bij de gemeenten. In de Model Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) is bijvoorbeeld de bevoegdheid opgenomen voor de burgemeester om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen in de openbare ruimte, dan wel op het eigen erf. Er kunnen daarnaast verschillen zijn in de mate waarin binnen gemeenten nadere beleidsregels zijn opgesteld rondom bijtincidenten. Sommige gemeenten hebben bijvoorbeeld een meldpunt opgezet, en/of aanvullende bevoegdheden rondom sancties na inbeslagname opgenomen. Ik kijk waar landelijke kaders eventuele ongewenste verschillen tussen gemeentelijk beleid weg kunnen nemen, zoals met de landelijke aanlijn- en muilkorfplicht. Daarnaast werk ik aan een bevoegdheid van burgermeesters om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen die ook buiten de gemeentegrenzen van toepassing is.
Welke mogelijkheden bestaan momenteel om eerder in te grijpen wanneer sprake is van signalen van gevaarlijk gedrag van honden of onverantwoord eigenaarschap?
Hier zijn verschillende mogelijkheden. Bij signalen van gevaarlijk gedrag heeft de burgemeester de bevoegdheid om een aanlijn- en muilkorfplicht of een last onder dwangsom op te leggen om erger te voorkomen. Ook kan lokaal een gedragstest of een verplichting worden opgelegd om een hondencursus te volgen, indien een gemeente dat heeft opgenomen in beleidsregels. Wanneer onverantwoord houderschap leidt tot verwaarlozing of mishandeling kan een houder via het strafrecht strafbaar worden gesteld of kunnen door het OM maatregelen worden opgelegd, zoals een houdverbod voor dieren, om de verwaarlozing aan te pakken. Het aanhitsen van honden is verboden en strafbaar. Wanneer mensen zorgen hebben over gevaarlijk gedrag van een hond in hun omgeving, en vinden dat er opvolging nodig is, kunnen ze daarvan melding doen bij de politie, of de gemeente.
Welke rol ziet u voor preventieve maatregelen, zoals gedragsbeoordelingen, trainingen voor eigenaren, socialisatie of aanvullende voorwaarden bij honden met een verhoogd risico?
Preventie maakt onderdeel uit van de maatregelen om bijtincidenten tegen te gaan. Ik werk aan een theoriecursus voor toekomstig hondeneigenaren, waarmee zij getraind worden in het veilig en verantwoord houden van honden. Ik deel de opvatting dat met name houders van honden die een verhoogd risico geven op het veroorzaken van een ernstig bijtincident een extra verantwoordelijkheid hebben. Om hier eventueel gericht actie op te kunnen ondernemen wordt op dit moment door een onderzoeksbureau gekeken naar de fysieke kenmerken, die in de literatuur geassocieerd worden met een verhoogd risico, en of deze kenmerken ook terugkomen in de Nederlandse populatie inbeslaggenomen honden.
Ook de bij het antwoord op vraag 6 genoemde landelijke aanlijn- en muilkorfplicht heeft een preventief karakter. Ik vind het belangrijk dat honden die deze maatregel opgelegd hebben gekregen in hun gemeente ook buiten gemeentegrenzen aangelijnd moeten blijven en een muilkorf moeten dragen.
Wordt momenteel voldoende ingezet op verantwoord fokken en voorlichting aan hondenbezitters om agressief gedrag zoveel mogelijk te voorkomen?
Er worden op verschillende fronten stappen gezet die zullen bijdragen aan het verantwoord fokken. Met de in vraag 8 genoemde cursus wordt beoogd dat alle hondeneigenaren straks de benodigde kennis hebben over het verantwoord en veilig houden van honden. Denk aan informatie over het veilig uitlaten van honden en hoe te handelen wanneer een incident plaatsvindt.
Voor honden fysieke kenmerken die worden geassocieerd met een verhoogd risico op een ernstig bijtincident is het daarnaast extra belangrijk dat er zorgvuldige fokkerij en goede socialisatie plaatsvindt, omdat dit ook belangrijke factoren zijn die het ontstaan van gevaarlijk gedrag beïnvloeden. Er zijn reeds verschillende nationale initiatieven die zich hiervoor inzetten, zoals Fairdog. Ook in EU-verband worden belangrijke stappen gezet voor betere fokkerijomstandigheden, zie de nieuwe EU-Verordening inzake welzijn en traceerbaarheid van honden en katten die recent is aangenomen en 2028 van toepassing wordt. In deze Verordening staan regels opgenomen die zien op geschikte huisvesting en leefomstandigheden, welzijn en traceerbaarheid. Deze regels gelden voor alle honden die worden gefokt in de EU, maar ook voor alle honden die van buiten de Unie worden geïmporteerd. Maar hoe dan ook: de belangrijkste verantwoordelijkheid ligt bij eigenaren zelf. Zeker bij dit soort honden moet je je van te voren afvragen of een hond past bij je leefomgeving en thuissituatie, en is het belangrijk dat je op zoek gaat naar een verantwoord gefokte hond.
Heeft u kennisgenomen van buitenlandse voorbeelden, zoals in Ierland, waar voor specifieke hoog-risicohonden aanvullende regels gelden zoals een muilkorf- en aanlijnplicht in de openbare ruimte?
Dat heb ik. Bij het uitwerken van beleid wordt literatuur en ervaringen die reeds zijn opgedaan in het buitenland meegenomen.
Welke lessen ziet u in dergelijke buitenlandse aanpakken voor Nederland waar het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten?
De contacten met andere lidstaten inzake hun aanpak van bijtincidenten zijn heel waardevol bij de uitwerking van de voorgestelde maatregelen in Nederland. Ik zie overeenkomsten bij (delen van) lidstaten als Duitsland en Zwitserland die al enige tijd ervaring hebben met een theoriecursus voor toekomstig hondeneigenaren. Ook kennen een aantal lidstaten voorwaarden voor het houden van aangewezen honden. We leren ook dat sommige ras specifieke maatregelen die men in het buitenland neemt, niet zorgen voor een afname in het aantal bijtincidenten zoals het verbieden van rassen.
In hoeverre acht u aanvullende landelijke kaders voor hoog-risicohonden, zoals duidelijke regels rond aanlijnen, muilkorven of verantwoordelijkheid van eigenaren, wenselijk of effectief?
Dat acht ik effectief, vandaar dat ik mij inzet voor een landelijk geldende aanlijn- en muilkorfplicht voor honden die hebben gebeten of zich gevaarlijk hebben gedragen, en een theoriecursus voor alle toekomstige hondeneigenaren.
Waar ziet u op dit moment de belangrijkste tekortkomingen in wet- en regelgeving of handhavingsmogelijkheden als het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten met honden?
Zoals aangegeven bij vraag 6 ligt een belangrijk deel van de handhavende bevoegdheid bij bijtincidenten bij gemeenten. Ik denk dat het goed is dat dit bij gemeenten ligt, omdat zij het beste kunnen inschatten wat er lokaal speelt en in specifieke gevallen nodig is. Dat kan niet op landelijk niveau. Ik zie echter wel op dit moment een praktische beperking, omdat de bevoegdheid om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen bij een hond die heeft gebeten of zich gevaarlijk gedraagt alleen geldt binnen de grenzen van een gemeente. Daarom werk ik aan de invoering van een wettelijke bevoegdheid voor burgemeesters om deze plicht op te leggen die vervolgens, voor de betreffende hond, in heel Nederland van toepassing is.
Om te bezien óf en waar er eventuele tekortkomingen zijn in wet- of regelgeving is echter een beter beeld van de aard en omvang van het probleem nodig. Het in januari gelanceerde Landelijk Meldpunt Hondenbeten is hiervoor ingericht.
De meldingen uit dit meldpunt worden alleen gebruikt voor analyse. Hoe meer bij het landelijk meldpunt wordt gemeld, hoe beter het beeld van de problematiek wordt. Ik roep dan ook iedereen op om gevaarlijke situaties of incidenten – naast melding bij de politie of gemeente voor meldingen die opvolging nodig hebben – te melden bij het landelijk meldpunt.
Welke mogelijkheden ziet u om deze tekortkomingen weg te nemen en de bescherming van omwonenden, voorbijgangers en in het bijzonder kinderen verder te versterken?
Zoals aangegeven bij vraag 13 is het van belang dat er eerst een beter beeld komt van de aard en omvang van het probleem. Ook noem ik de aangekondigde wettelijke bevoegdheid van burgermeesters om een landelijke aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen.
Uit die maatregel blijkt ook hoe belangrijk het is dat gemeenten samenwerken en informatie met elkaar delen. Met dit doel is een aantal jaar geleden in opdracht van LVVN het Landelijk Honden Dossier opgericht, waar gemeenten gratis gebruik van kunnen maken. In dit systeem kunnen gemeentelijke handhavers informatie met elkaar delen en inzien of een bepaalde hond een maatregel opgelegd heeft gekregen in een naburige gemeente. Ook het samenwerkingsverband DierVizier biedt gemeenten een platform waarin het uitwisselen van ervaringen op dit vlak mogelijk is.
Hoe beoordeelt u de huidige mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij fatale incidenten? Acht u het bestaande instrumentarium voldoende effectief en afschrikwekkend?
Het huidige systeem biedt verschillende mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij dodelijke incidenten. Vanuit het strafrecht kan een eigenaar worden bestraft wanneer hij of zij onvoldoende controle houdt over een gevaarlijke hond. Hiervoor kan bijvoorbeeld een geldboete of een gevangenisstraf van maximaal zes maanden worden opgelegd. Daarnaast zijn sinds 1 januari 2024 de mogelijkheden uitgebreid door wetgeving, waardoor in ernstige gevallen ook een zelfstandig houdverbod kan worden opgelegd. Dit betekent dat iemand tijdelijk of langdurig geen dieren meer mag houden. Vanuit het bestuursrecht kunnen gemeenten daarnaast maatregelen nemen, zoals het in beslag nemen van de hond.
Deelt u de opvatting dat van eigenaren van honden die een verhoogd risico vormen voor hun omgeving een grotere verantwoordelijkheid mag worden verwacht en dat daar waar nodig passende consequenties tegenover moeten staan wanneer die verantwoordelijkheid onvoldoende wordt genomen?
Die opvatting deel ik. Zie hiervoor het antwoord op vraag 15.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de aangekondigde maatregelen rondom hoog-risicohonden, waaronder het landelijk meldpunt, de ontwikkeling van een houdercursus en overige preventieve maatregelen?
De Kamer wordt hierover geïnformeerd in de Verzamelbrief Dieren buiten de Veehouderij, die u voor het Commissiedebat «dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 3 september ontvangt.
Welke resultaten zijn sinds de aankondiging van deze maatregelen bereikt en op welke wijze wordt gemonitord of deze daadwerkelijk bijdragen aan het terugdringen van ernstige bijtincidenten?
Dit zal worden meegenomen als onderdeel van de Verzamelbrief Dieren buiten de Veehouderij, die u voor het Commissiedebat «dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 3 september ontvangt.
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van mensen en in het bijzonder van kinderen altijd voorop moet staan bij beleid rond hoog-risicohonden?
Elk bijtincident is er één teveel. Het staat dan ook voorop dat veiligheid van mens én dier het primaire doel van beleid rond bijtincidenten is. Het terugdringen van bijtincidenten kan echter niet alleen met het opleggen van strengere maatregelen. Ik blijf benadrukken dat mensen zich goed moeten realiseren wat voor hond ze in huis halen.
Het beschermen van dieren tegen hitte |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u gemerkt dat het heet is in ons land, met temperaturen tot boven de 30 graden?
Het is de afgelopen weken inderdaad warm geweest in Nederland.
Kunt u bevestigen dat dit voor grote aantallen dieren in de veehouderij gevaarlijk warm is, aangezien veel dieren (zoals kippen, varkens en runderen) rond de 25 graden al last kunnen hebben van (ernstige) hittestress?
Als het warm weer is, wordt het risico op hittestress bij dieren groter. Het risico op het ontstaan van hittestress verschilt per situatie. De diersoort, de luchtvochtigheid, de temperatuur en getroffen managementmaatregelen spelen een rol.
De European Food and Safety Authority (EFSA) geeft aan dat bepaalde diersoorten en -categorieën, waaronder bepaalde categorieën varkens en runderen, een Upper Criticial Temperature (UCT, de temperatuur waarboven het dier significant meer gebruik moet maken van fysiologische processen om te voorkomen dat de lichaamstemperatuur stijgt tot boven de normaalwaarde) van 25 graden Celsius hebben. Hiermee is niet gezegd dat deze dieren boven deze temperatuur ook daadwerkelijk hittestress ervaren, maar wel dat het risico op het ervaren van hittestress vanaf die temperatuur toeneemt. Daarbij zijn ook bovengenoemde factoren die dit risico beïnvloeden van belang.
Onderschrijft u het belang van het voorkomen van hittestress bij dieren en het nemen van maatregelen om dieren beter te beschermen op hete dagen?
Dit belang onderschrijf ik inderdaad. Ik vind dat wij dieren goed moeten beschermen, ook tijdens warme dagen.
Bent u ermee bekend dat uit de wet volgt dat dieren in weilanden beschermd moeten worden tegen slechte weersomstandigheden, waaronder hitte, en dat Kamer heeft verzocht om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren landelijk te verplichten (Kamerstuk 28 286, nr. 1310)?
Ja, ik ben bekend met de motie en de nu reeds geldende verplichting in het Besluit houders van dieren (BhvD), waarin staat dat een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming moet worden geboden tegen onder meer slechte weersomstandigheden (artikel 1.6, derde lid, BhvD).
Hoe verklaart u dat veel dieren nog altijd geen beschutting hebben tegen hitte, ondanks allerlei (vrijblijvende) projecten en programma’s die zijn opgesteld om dit te stimuleren?
In de praktijk zien we dat veel houders de beschutting voor hun dieren op orde hebben, maar dat er ook een groep houders is die nog stappen moet zetten. Er zijn verschillende redenen waarom een deel van de houders hun dieren nog niet voldoende beschermt tegen de hitte. Sommige houders ervaren bijvoorbeeld beperkingen in het lokale ruimtelijke beleid. Ook kan het vinden van een praktisch werkbare schuilmogelijkheid complex zijn. Daarom zet ik samen met mede-overheden, toezichthouders en partijen uit het veld verschillende instrumenten in om de naleving verder te bevorderen. Dit is een combinatie van ondersteunende instrumenten, toezicht en handhaving. Vanaf dit jaar is er bijvoorbeeld stappenplan voor dierhouders en een wegwijzer voor gemeenten en provincies over beschutting in de weide beschikbaar. Daarnaast kunnen veehouders subsidie krijgen voor beschutting via de productieve investeringsregeling.
Bent u bereid om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren expliciet wettelijk te verplichten, conform de aangenomen motie? Zo nee, waarom niet?
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven in de verzamelbrief dierenwelzijn van 26 oktober 2023 (Kamerstuk 28 286, nr. 1315), ondersteunt de aangenomen motie het huidige beleid, waarbij in het Bhvd al is geregeld dat een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden. Deze norm is met een werkinstructie ingevuld via een open normen traject en de toezichthouders richten aan de hand hiervan het toezicht en de handhaving in.
Kunt u uitsluiten dat zich aankomende periode weer schrijnende situaties voordoen waarin varkens naar adem happen, kippen dicht op elkaar gepropt in oververhitte wagens zitten en transportwagens dagenlang stilstaan bij een slachthuis of rondjes moeten blijven rijden, totdat de dieren worden uitgeladen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van de sector dat zij ervoor zorgt dat dergelijke situaties zich niet voordoen. Maar, hoe graag ik dit ook zou willen, het volledig uitsluiten van dergelijke situaties kan ik niet. Er kan altijd sprake zijn van onvoorziene omstandigheden, overmacht of noodsituaties waarbij dergelijke zaken kunnen ontstaan. Uiteraard treedt de NVWA handhavend op waar vastgesteld wordt dat er sprake is van een overtreding.
Wat ik ook kan doen, is maatregelen nemen waardoor het risico op dergelijke situaties zoveel mogelijk verkleind wordt. Daarom voer ik de beleidsregel 30 graden in, die per 1 april 2027 van kracht zal zijn.
Klopt het dat u van de veehouderijsectoren verwacht dat zij maatregelen treffen om dieren tegen hitte te beschermen?
Dat klopt, dit verwacht ik inderdaad van de veehouderijsectoren.
Bent u ermee bekend dat toenmalig Staatssecretaris Van Dam er in 2017 al tegenaan liep dat de pluimveesector niet wilde meewerken met het beter beschermen van dieren tegen hitte (Kamerstuk 28 286, nr. 922)?
De pluimveesector heeft zich tot op heden nog niet willen aansluiten bij het Nationaal Plan voor veetransport bij extreme temperaturen. In dit plan geven overheid en bedrijfsleven aan wat ze doen om dierenwelzijn bij transport en slacht zo goed mogelijk te borgen bij extreme temperaturen. De pluimveesector heeft wel een eigen protocol waarin zij beschrijven hoe zij de dieren willen beschermen tegen extreme temperaturen.
Bent u ermee bekend dat de belangenbehartiger van de pluimveesector, Nepluvi, zich tevens jarenlang heeft verzet tegen vele maatregelen om dieren beter te beschermen tegen de hitte, zoals de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten naar 30 graden, maar ook de eerdere invoering van de maximumtemperatuur van 35 graden, omdat ze kippen ook boven een temperatuur van 35 graden Celsius op transport wilden blijven zetten?1
Sectorpartijen – waaronder ook Nepluvi – hebben inderdaad kenbaar gemaakt een verlaging van de maximumtransporttemperatuur naar 30 graden niet wenselijk te vinden vanwege uiteenlopende zorgen (Kamerstuk 28 286, nr. 1434, inclusief bijlagen). Ik vind echter dat we dieren beter moeten beschermen, ook tijdens warme dagen. Daarom heb ik besloten om de verlaging middels de beleidsregel 30 graden wel door te voeren, maar de inwerkingtreding tot 1 april 2027 uit te stellen om sectorpartijen de tijd te geven om voorbereidingen te treffen om de zorgen die ze hebben geuit, te kunnen borgen.
Kunt u bevestigen dat in 2019 bleek dat de afspraak om dieren bij 35 graden of warmer niet meer te vervoeren niet door iedereen werd nagekomen, omdat bijvoorbeeld de pluimveesector, die verreweg het grootste aantal dieren per jaar fokt en afvoert naar de slacht, gewoon door was blijven rijden bij temperaturen boven de 35 graden, hetgeen de aanleiding was voor de toenmalige Minister van Landbouw om de grens van 35 graden wettelijk te laten vastleggen?2
In 2019 zijn er een aantal transporten geweest waarbij er gereden werd met dieren boven de afgesproken maximumbuitentemperatuur van 35 graden Celsius. Daarna is de grens van 35 graden Celsius maximumbuitentemperatuur vastgelegd in een beleidsregel.
Kunt u bevestigen dat de noodzaak van het invoeren van de beleidsregel maximumtemperatuur diertransport, die in 2023 in consultatie werd gebracht, volgde uit het feit dat de vrijwillige aanpak via het Nationaal Plan voor veetransport bij extreme temperaturen «niet afdoende» heeft gewerkt, niet alle sectoren zich wilden aansluiten en het daarom «niet in de lijn der verwachting» ligt dat «vrijwillige afspraken dit keer wel werken»?3
Het wijzigen van de huidige beleidsregel, waarbij de maximumbuitentemperatuur voor diertransport wordt verlaagd van 35 naar 30 graden Celsius, komt voort uit voortschrijdend en wetenschappelijk inzicht (o.a. aan de hand van de rapporten van EFSA over dierenwelzijn tijdens transport van september 2022). Omdat een beleidsregel een effectieve methode is geweest om de temperatuur van 35 graden als maximale buitentemperatuur te laten gelden voor diertransport, is bij de verlaging van die temperatuur naar 30 graden opnieuw voor hetzelfde instrument gekozen.
Begrijpt u dat dit alles weinig vertrouwen schept dat bepaalde sectoren binnen de veehouderij zich dit keer wel tijdig zullen voorbereiden, zowel op hitte in de aankomende zomer, als op het verlagen van de maximumtemperatuur vóór de zomer van volgend jaar?
Verschillende sectoren hebben bezwaren geuit tegen het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransport naar 30 graden Celsius. Ik begrijp de zorgen die deze sectoren hebben voor praktische en logistieke problemen. Dat is precies de reden dat ik de beleidsregel volgend jaar in laat gaan, zodat de sectoren aankomende zomer zich voor kunnen bereiden. Hierover is regelmatig en goed contact met de verschillende sectorpartijen.
Heeft Nepluvi inmiddels concreet laten weten hoe zij de pluimveesector gaat voorbereiden op de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten? Zo ja, wat hebben zij toegezegd?
Mijn departement is hierover in gesprek met de verschillende sectorpartijen, waaronder Nepluvi.
Hebben de verschillende veehouderijsectoren, waaronder de pluimveesector, inmiddels concreet laten weten welke maatregelen zij gaan treffen om dieren deze zomer te beschermen tegen hitte?
Zie mijn antwoord op vraag 14. Verder nemen de verschillende veehouderijsectoren, conform hun sectorprotocollen, elke zomer maatregelen om hittestress bij dieren te voorkomen.
Kunt u bevestigen dat u, conform hetgeen u schreef in een Kamerbrief (Kamerstuk 28 286, nr. 1433), van de sector verwacht dat ze zich tijdig voorbereiden op het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransporten door bijvoorbeeld hun planningen voor de fok van nieuwe dieren tijdig aan te passen, zodat er meer ruimte is in de stallen in de zomer en zo kan worden voorkomen dat stallen overvol raken als dieren langere tijd niet afgevoerd kunnen worden naar het slachthuis?
Dit kan ik bevestigen. Het aanpassen van de planning voor de fok van nieuwe dieren is één van de mogelijke maatregelen die genomen kunnen worden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen mogelijk en ik verwacht van de sector dat zij zich middels een pakket aan dergelijke maatregelen voorbereiden op de verlaging van de maximumbuitentemperatuur voor diertransport. Tegelijkertijd kijk ik met de NVWA naar het verruimen van de mogelijkheden om vervroegd te slachten. Het is met de combinatie van maatregelen vanuit zowel de overheid als de sector dat wij ervoor gaan zorgen dat de verlaging van de maximum-temperatuur voor diertransport in goede banen wordt geleid.
Indien u dit nog niet gedaan hebt, bent u bereid om deze verwachting expliciet aan de veehouderijsectoren mede te delen, zodat later niet kan worden gesuggereerd dat zij onvoldoende tijd of mogelijkheden hebben gehad om zich aan te passen op de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten?
Daar ben ik zeker toe bereid en dit heb ik ook reeds gedaan. Ik zal deze verwachting ook blijven herhalen waar ik kan.
Kunt u aangeven hoe het, ondanks alle sectorprotocollen, kan dat dieren op hete dagen nog altijd langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten voor slachthuizen of rondjes moeten blijven rijden totdat ze worden «gelost»?
Het uitgangpunt moet zijn dat bedrijven op warme dagen de bedrijfsvoering en planning zo aanpassen, zodat dieren niet lang hoeven te wachten alvorens ze gelost worden. Ik verwacht dit van de sector en bij een flink aantal bedrijven gaat dit ook goed. Er zijn ook bedrijven die maatregelen nemen zoals overkappingen op de parkeerplaats en koeling in de losruimte. Helaas heeft niet ieder bedrijf deze mogelijkheid, bijvoorbeeld vanwege ruimtegebrek of stilstaande vergunningverlening. Daarnaast kan er altijd sprake zijn van onvoorziene omstandigheden of noodsituaties waarbij dergelijke situaties kunnen ontstaan. In die situaties waar het nog steeds fout gaat, treedt de NVWA handhavend op als een overtreding wordt geconstateerd. en neem ik zelf maatregelen door de maximumtemperatuur voor diertransport te verlagen.
Deelt u de conclusie dat ook hier blijkt dat een vrijwillige aanpak niet afdoende heeft gewerkt? Zo ja, bent u bereid om met niet-vrijblijvende maatregelen te komen om dieren deze hittestress te besparen? Zo nee, waarom niet?
Zoals mijn antwoord op vraag 18 laat zien, werkt de vrijwillige aanpak op sommige plekken wel, maar niet overal. Daarom heb ik besloten om de maximumtemperatuur voor diertransport te verlagen, om zo dieren beter te beschermen tegen hittestress.
Kunt u bevestigen dat dieren in het wild hitte proberen te vermijden door bijvoorbeeld afkoeling te zoeken, zoals varkens doen met modderbaden?
Ja, dat kan ik bevestigen. Zowel wilde als gedomesticeerde dieren hebben verschillende gedragingen om afkoeling te zoeken, zoals bijvoorbeeld zoeken naar schaduw, hijgen, zweten, ingraven en het nemen van waterbaden.
Deelt u de mening dat ook dieren in de veehouderij de mogelijkheid moeten hebben om hitte te vermijden en af te koelen, door bijvoorbeeld naar buiten te kunnen, met mogelijkheden tot modderbaden of stofbaden en beschutting en verkoeling onder bomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik op vraag 5 heb geantwoord, in het Besluit houders van dieren is al de verplichting opgenomen dat dieren die niet in een gebouw worden gehouden beschermd dienen te worden tegen slechte weersomstandigheden (artikel 1.6 lid 3 van het Besluit houders van dieren), en dient de luchtcirculatie, de temperatuur en de relatieve luchtvochtigheid in de omgeving van het dier niet schadelijk te zijn voor het dier (artikel 2.5, lid 4 van het Besluit houders van dieren). Aanvullend daarop is het voorkomen van hitte- en koudestress onderdeel van de concept-AMvB dierwaardige veehouderij.
Hoeveel capaciteit is er op dit moment beschikbaar bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om (extra) controles uit te voeren op warme dagen en de dierenwelzijnsregels te handhaven?
De NVWA maakt onderscheid in capaciteit voor inspecties op het transport van dieren en capaciteit voor inspecties op de primaire bedrijven.
Voor het transport van dieren heeft de NVWA op hittedagen (>27°) minimaal 6 inspecteurs beschikbaar voor het inspecteren van het transport van dieren. Dit aantal loopt op met het stijgen van de temperatuur. Bij een temperatuur van >35° zijn er tenminste 12 inspecteurs beschikbaar.
Voor het uitvoeren van hitte inspecties op primaire bedrijven heeft de NVWA – op basis van het huidige draaiboek Hitte – tijdens kantoortijden op hittedagen (>27°) minimaal 6 inspecteurs beschikbaar. Buiten kantoortijden zijn er maximaal 6 inspecteurs, 1 dierenarts en 2 deskundige piket medewerkers beschikbaar ten behoeve van de verwerking/weging van de hittemeldingen en het uitvoeren van inspecties.
Kunt u toezeggen dat er strikt zal worden gehandhaafd indien in deze hete periodes dieren onvoldoende beschuttingsmogelijkheden hebben, ze niet kunnen afkoelen in weilanden of stallen, op hete dagen op transport worden gezet of bij slachthuizen langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten?
De NVWA voert risicogericht toezicht uit, onder meer naar aanleiding van meldingen, uit in de diverse schakels in de keten. Hierbij wordt ook beoordeeld of dieren voldoende bescherming wordt geboden op hete dagen. Indien overtredingen worden vastgesteld, wordt op basis van het interventiebeleid handhavend opgetreden. De NVWA gebruikt hierbij ook innovatieve inspectiemethoden zoals drones. Dit past binnen mijn visie op toezicht die ik op 18 juni 2026 met de Kamer hebt gedeeld middels de brief Modern toezicht Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Kamerstuk 2026Z13726).
Kunt u deze vragen op korte termijn beantwoorden?
Ja.
Dierhouders die niet voldoen aan de zorgplicht voor de bescherming van hun dieren, maar wel vergoeding uitbetaald krijgen na wolvenaanvallen |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel en bijbehorende video van House of Animals waarin wordt bericht dat een paarden- en ponyhandelaar structureel niet aan de adviesnormen voldoet om zijn pony's te beschermen tegen wolven, maar wel 22.858 euro aan vergoedingen heeft uitbetaald gekregen na wolvenaanvallen?1
Ja.
Wat is uw reactie op de geconstateerde problemen in het artikel en de bijbehorende video?
Volgens het artikel zijn er bij deze houder problemen met de watervoorziening, de afvoer van kadavers en de bescherming tegen wolvenaanvallen. Hiervan is een melding gemaakt bij de toezichthouder. Voor het dierenwelzijn en de volksgezondheid is het van belang dat deze zaken op orde zijn.
Wat vindt u ervan dat er een dode pony in vergaande staat van ontbinding aan de rand van het veld van de ponyhouder is gevonden (en daarna in de sloot) met een dik touw om de enkel en dat de ponyhouder er niets van had gemerkt en er geen verklaring voor kan geven?
Ik vind dat een zorgwekkende situatie die veel vragen oproept. Dieren verdienen goede zorg en toezicht door de houder en in zo’n situatie mag verwacht worden dat een eigenaar verantwoordelijkheid neemt en duidelijkheid geeft.
Kunt u uitsluiten dat de pony daar dagenlang is gedumpt door de ponyhouder?
Nee.
Wat vindt u ervan dat naast het stoffelijk overschot van de pony hoge drinkbakken met te weinig water stonden, waardoor meerdere dorstige pony’s er niet bij konden?
Dit is een onacceptabele situatie. Dieren hebben toegang nodig tot een toereikende hoeveelheid drinkbaar water
Kunt u uitsluiten dat de ponyhouder pony's heeft gebruikt als lokaas? Zo ja, hoe precies?
House of Animals beschrijft in het artikel dat er een kadaver in de wei bij de pony’s is geconstateerd. Op basis van de beschikbare informatie kan niet worden vastgesteld dan wel worden uitgesloten of deze situatie is ontstaan met de intentie om wolven te lokken.
Is er onderzoek gedaan over het aangetroffen dierenleed en of de ponyhouder zich aan de wet heeft gehouden? Zo ja, door wie en wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar deze situatie?
De NVWA heeft inspecties uitgevoerd bij deze houder en daarbij overtredingen geconstateerd op het gebied van watervoorziening, afvoer van kadavers en het beschermen van dieren tegen roofdieren. Hiervoor zijn interventies opgelegd en tijdens de herinspectie waren deze onderdelen weer in orde.
Welke mogelijke sancties zijn er voor zo een ponyhouder?
De NVWA heeft diverse interventies tot haar beschikking. In het bestuursrecht kan de NVWA werken met mededelingen ter plaatse, officiële waarschuwingen, bestuurlijke boetes of bestuurlijke maatregelen. Daarnaast kan de NVWA indien nodig kiezen om een proces verbaal op te maken ten behoeve van een strafrechtelijk proces.
Klopt het dat de genoemde ponyhouder niet voldeed aan de adviesnormen voor bescherming van zijn dieren en toch vergoeding uitgekeerd kreeg na een wolvenaanval?
Ja.
Kunt u bevestigen dat ongeveer 75 procent van de wolvenaanvallen in Friesland bij alleen deze ponyhouder hebben plaatsgevonden?
Nee. Dit lijkt niet aannemelijk. Voor zover uit taxatierapporten die de Provincie Friesland, na een verzoek in het kader van de Wet open overheid openbaar heeft gemaakt, naar voren komt en volgens het artikel zijn er bij deze houder in de periode van 2021 tot en met 2025 16 schadecasussen geweest. Uit het overzicht van schademeldingen en de afhandeling hiervan op de BIJ12-websiteblijkt dat er 444 schadecasussen door wolven in Friesland in die periode waren.
Klopt het dat bij de genoemde wolfaanvallen in de dorpen Oudehorne en Nieuwhorne de dieren niet volgens de adviesnormen werden beschermd, maar toch vergoeding uitgekeerd werd (tussen 2024 en 2025)? Zo nee, hoe zit het dan?
Ja, de provincies vereisen geen preventieve maatregelen om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in schade.
Gaat u onderzoeken of ook in andere provincies het geval bestaat dat bij één enkele dierhouder, of een paar dierhouders, een overgroot deel van de wolvenaanvalmeldingen zijn gedaan? Kunt u de bevindingen met ons delen?
Nee. Het beleid voor tegemoetkomingen bij door wolven veroorzaakte schade is de bevoegdheid van provincies. Zij beheren ook de gegevens over tegemoetkomingen in schade. Navraag bij BIJ12 heeft aangetoond dat de organisatie geen uitspraak doet over individuele casussen.
Deelt u de mening dat in het kader van zorgplicht dierhouders in het algemeen verplicht zijn om hun dieren voldoende te beschermen tegen predatoren, zoals de wolf?
Ja. Op grond van artikel 1.6, derde lid, Besluit houders van dieren moeten dieren indien nodig beschermd worden tegen roofdieren, zoals wolven. Deze open norm is te beschouwen als basiseis die bij het houden van dieren in ieder geval in acht moet worden genomen.
Deelt u de mening dat dierhouders die hier niet aan voldoen geen vergoeding zouden mogen krijgen na een wolvenaanval? Zo nee, hoe legt u die beloning van slecht gedrag uit?
De provincies vereisen momenteel geen preventieve maatregelen om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming in de schade. In het Interprovinciaal Wolvenplan 2025 staat dat provincies hier vanaf volgend jaar verandering in kunnen brengen. Ik vind dit een goed streven, en ga hierover in gesprek met de provincies. Bij de beleidsregel die verduidelijkt hoe veehouders hun dieren kunnen beschermen tegen wolven werk daarom ik samen met de provincies om te kijken hoe we hier invulling aan kunnen geven.
Over welke instrumenten beschikt u om te controleren of dierhouders voldoen aan de zorgplicht? Wat heeft u nodig om deze instrumenten nog beter te kunnen benutten?
De NVWA kan de huidige adviezen zoals op website van BIJ12 benutten bij de beoordeling of een houder voldoende beschermingsmaatregelen tegen wolven heeft getroffen. Deze preventiekit heeft echter geen juridische status en beschrijft niet in welke situaties bescherming nodig is. De komst van de hierboven genoemde beleidsregel zal de NVWA dus helpen om beter te kunnen beoordelen of houders hun dieren voldoende bescherming hebben geboden.
Hoe vaak wordt gecontroleerd bij dierenhouders? Hoe vaak is in de afgelopen vier jaar gecontroleerd bij een overduidelijk risicogeval als in het artikel genoemde ponyhouder uit Friesland en welke conclusies zijn daaruit gekomen?
In 2022 en 2023 heeft de NVWA geen inspecties uitgevoerd op de bescherming van gehouden dieren tegen wolven. Dit heeft er mee te maken dat de terugkomst van wolven naar Nederland een nieuwe ontwikkeling was, waar nog kennis over opgedaan moest worden en waar veehouders zich nog op moesten aanpassen. Eind 2024 heeft de NVWA één inspectie uitgevoerd en voor het eerst een officiële waarschuwing op dit onderwerp gegeven. In 2025 tot en met april 2026 zijn er 9 (her)inspecties uitgevoerd. In 5 gevallen is er een overtreding geconstateerd.
Bent u het ermee eens dat onbeschermde dieren een makkelijke prooi zijn voor wolven en dit kan veroorzaken dat de wolf terugkeert naar dezelfde plek?
Niet alle onbeschermde dieren zijn een reële prooi voor wolven. Het risico dat een gehouden dier wordt aangevallen door een wolf is afhankelijk van verschillende factoren. Wolven ontwikkelen ieder hun eigen voorkeuren en gedrag. Of een wolf terugkeert naar dezelfde plek na een aanval zal dus per situatie verschillen. Daarom is het belangrijk dat veehouders hun dieren goed beschermen, en geen kadavers laten liggen.
Bent u het ermee eens dat een wolf door nalatigheid van mensen in de bescherming van hun dieren, problematisch gedrag kan gaan vertonen zoals het wederkeren naar dezelfde plek? Wie draagt dan volgens u de verantwoordelijkheid voor de gevolgen daarvan?
De situatie die u beschrijft valt niet onder de definitie van een probleemwolf of probleemsituatie. Er is daarvan wel sprake indien een wolf bijvoorbeeld in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente twee keer in twee weken landbouwhuisdieren of niet voor het vlees of het fokken gehouden paarden of pony’s die zich bevinden in een goed afgesloten stal of die tegen aanvallen van wolven worden beschermd door een goed functionerend raster, heeft aangevallen en daarbij letsel heeft toegebracht. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 17 heb aangegeven, kan het voorkomen dat een wolf terugkeert naar dezelfde plek. Het blijft de verantwoordelijkheid van de houder om beschermingsmaatregelen te treffen wanneer dat nodig is.
Heeft u in kaart en wat gaat u eraan doen dat mensen on- of doelbewust hun dieren onbeschermd kunnen laten en vervolgens een hoge vergoeding kunnen krijgen voor (dodelijke) schade aan deze dieren?
Ik vind het belangrijk dat dierhouders hun dieren goed beschermen tegen aanvallen van wolven. Daarom steun ik via het landelijk initiatief veebescherming provinciale activiteiten om vee beter te beschermen. Het tegemoetkomen in de schade en het beleid om hieraan voorwaarden te verbinden, is een provinciale bevoegdheid. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 14 heb aangegeven, ga ik in gesprek met provincies over de tegemoetkomingen in schade en steun ik de mogelijkheid om vanaf volgend jaar voorwaarden te verbinden hieraan
Erkent u dat een systeem waarin verwaarlozing van dieren niet wordt aangepakt, met wolvenaanvallen als gevolg, potentieel dierhouders door middel van vergoedingen beloont voor het overtreden van de wet?
Houders die de wet overtreden moeten in geen enkel geval beloond worden. Bij tegemoetkomingen die provincies uitkeren na een wolvenaanval is echter geen sprake van een beloning, maar van een tegemoetkoming in de schade. Hiermee wordt aan (een deel van) de waarde van het dier en kosten voor bijvoorbeeld de dierenarts en het afvoeren van het kadaver tegemoetgekomen. Volgens het Interprovinciaal Wolvenplan kunnen de provincies vanaf volgend jaar voorwaarden stellen aan deze tegemoetkoming. Ik ga in overleg met de provincies over deze tegemoetkomingen en de beleidsregel die de open norm voor bescherming van vee tegen wolven invult. In de tussenliggende periode vindt er al toezicht en handhaving plaats in het kader van deze open norm en kunnen situaties waarbij sprake is van verwaarlozing al worden aangepakt.
Bent u ermee bekend dat dieren zoals de shetlandpony, meer geld opleveren voor een dierhouder via een uitbetaling van een vergoeding na een wolvenaanval, dan door het dier op marktplaats (of via een andere wijze) te verkopen? Wat vindt u van deze mogelijk perverse prikkel?
De taxatiewaarde van een gedood dier is bepalend voor de hoogte van de tegemoetkoming in schade. De taxateur gaat bij de waardebepaling van gedode dieren uit van de door BIJ12 vastgestelde tabellen met normwaarden. Hierin staan ook gestandaardiseerde gemiddelde marktwaarden voor paarden en pony’s. BIJ12 laat de tabellen met normwaarden periodiek actualiseren. In bijzondere gevallen kan (naar boven of naar beneden) afgeweken worden van de tabel, bijvoorbeeld bij een slechte conditie van het dier. Op deze manier vindt een realistische waardebepaling plaats. Er kan dus niet gesteld worden dat de verkoopwaarde van een shetlandpony per definitie lager is dan de tegemoetkoming in schade voor een dergelijke pony.
Controleert u periodiek de waardetabel (die jaarlijks wordt opgesteld) op basis waarvan de hoogte van de vergoedingen wordt bepaald?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 21.
Gaat u dierhouders die niet voldoen aan de zorgplicht en zich niet aan de adviesnormen houden in de toekomst gericht strenger controleren? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, hoe gaat u dan handhaven dat er geen misbruik wordt gemaakt van de vergoedingsregeling?
Ik werk momenteel aan een beleidsregel die verduidelijkt hoe deze beschermplicht eruit ziet. Daarmee kunnen we het toezicht en de handhaving verbeteren. Zoals ik hierboven al heb aangegeven, is het aan de provincies om het beleid voor tegemoetkomingen in schade zorgvuldig vorm te geven en erop toe te zien dat publieke gelden in dit kader worden ingezet voor de juiste doeleinden.
Wat vindt u van wolvenaanvallen die mogelijk tot stand zijn gekomen door nalatigheid van dierhouders of zelfs door het uitlokken van de wolf? Bent u het met ons eens dat dat bij kan dragen aan een vertekend beeld van het daadwerkelijke gevaar dat de wolf vormt voor mens en dier?
Situaties met regelmatige wolvenaanvallen waartegen een houder onvoldoende beschermingsmaatregelen neemt, moeten we zo veel mogelijk voorkomen. Ik kan het mij goed voorstellen dat deze situaties kunnen bijdragen aan zorgen van dierhouders in de omgeving over wolven. Daarom werk ik aan een beleidsregel die verduidelijkt wat er van dierhouders wordt verwacht.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat dierhouders bekend worden met en zich gaan houden aan de adviesnormen en gaan voldoen aan de zorgplicht?
Het treffen en in stand houden van effectieve wolfwerende maatregelen vraagt aanzienlijke inspanningen en de benodigde kennis en expertise van dierhouders. Daarom vind ik het belangrijk dat zij hierbij goed worden ondersteund. Vanuit het Rijk zijn middelen beschikbaar gesteld voor regionale initiatieven op het gebied van veebescherming en de betreffende provincies bieden subsidies en advies van wolvenconsulenten voor de aanschaf van wolfwerende maatregelen. Dierhouders maken in toenemende mate gebruik van deze ondersteuningsmogelijkheden. Dit blijkt onder meer uit het feit dat een aantal provincies de subsidieplafonds voor wolfwerende maatregelen meermaals hebben verhoogd. Verder wordt via het Landelijk Informatiepunt Wolven publieksinformatie gedeeld over wolven. Ik werk met provincies aan informatie over initiatieven omtrent veebescherming.
Zou u deze vragen binnen de gestelde termijn willen beantwoorden en tenminste alvorens het nog te plannen plenair debat over de wolf in Nederland?
Om uw vragen zorgvuldig te beantwoorden heb ik afstemming gezocht met de toezichthouders en BIJ12. Hierdoor was er meer tijd nodig dan de gestelde termijn.
Het besteden van miljoenen euro’s belastinggeld aan het uitkopen van een illegaal opererende varkenshouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dit is niet de bedoeling van ons belastinggeld», waaruit blijkt dat een van de grootste varkensbedrijven van Nederland, dat al jarenlang illegaal opereert, via de landelijke beëindigingsregeling aanspraak maakt op minstens vijf miljoen euro aan belastinggeld?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de betreffende varkenshouder jarenlang meer dieren heeft gehouden dan was toegestaan, niet voldeed aan geldende milieuregels en de omgevingsvergunning niet op orde had?2
De provincie (gedeputeerde staten) is doorgaans bevoegd gezag daar waar het gaat om het verlenen en handhaven van een natuurvergunning (omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit). De gemeente (het college van B&W) is doorgaans bevoegd gezag daar waar het gaat om een milieuvergunning (omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit).
Of en in welke mate de betreffende varkenshouder meer dieren heeft gehouden dan volgens de milieuvergunning van het college van B&W was toegestaan, niet voldeed aan geldende milieuregels en de omgevingsvergunning niet op orde had is dan ook ter beoordeling van de gemeente. Wel oordeelde de rechtbank Oost-Brabant in haar uitspraak van 17 oktober 2023 dat op de betreffende varkenshouderijlocatie meer dieren gehouden zijn «dan was toegelaten in de vergunning van 2008». Het betrof hier de milieuvergunning. Hoe lang deze situatie zich heeft voorgedaan kan uit de uitspraak niet worden opgemaakt.
Bent u ermee bekend dat de rechtbank Oost-Brabant in 2023 heeft geoordeeld dat het bedrijf al sinds 2004 illegaal opereerde?3
Ik ben bekend met de door de leden van de fractie van de PvdD aangehaalde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 oktober 2023.
Kunt u bevestigen dat dit bedrijf, ondanks jarenlange juridische procedures, handhavingsverzoeken en rechterlijke uitspraken over illegale bedrijfsvoering, alsnog aanspraak maakt op circa vijf miljoen euro aan belastinggeld? Hoe hoog is het exacte subsidiebedrag?
De betreffende varkenshouder heeft op 27 oktober 2023 op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (hierna: Lbv) een subsidieaanvraag ingediend. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) heeft bij de beoordeling vastgesteld dat de aanvraag aan alle subsidievoorwaarden voldeed. Als onderdeel van deze beoordeling heeft RVO bij bevoegde gezagen nagevraagd of de door de betreffende varkenshouder bij diens aanvraag aangeleverde milieu en natuurvergunning de vigerende vergunningen zijn. Zowel de betreffende gemeente als provincie hebben hierop bevestigend geantwoord. Op 1 juni 2024 is op deze aanvraag een positief besluit genomen. Over de hoogte van het toegekende subsidiebedrag kan ik vanuit privacyoverwegingen op dit moment geen mededelingen doen. Conform de vereisten uit de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (hierna: de Richtsnoeren)4 dient Nederland, nadat subsidievaststelling heeft plaatsgevonden en de uitvoering van de regeling is afgerond, van iedere subsidieontvanger de hoogte van het uitgekeerde subsidiebedrag te publiceren. Op dit moment is de uitvoering van de Lbv nog niet afgerond.
Onderschrijft u de noodzaak van een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van de 20 miljard euro aan belastinggeld die is vrijgemaakt voor het samenhangende pakket voor landbouw, natuur en stikstof?
Ja.
Hoe rijmt u het verstrekken van miljoenen euro’s subsidie aan een veehouderijbedrijf dat structureel milieuwetgeving overtreedt met een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van dit geld, terwijl de overheid in dergelijke gevallen ook kan handhaven, illegale situaties kan beëindigen en vergunningen kan intrekken?
De subsidieaanvraag van betreffende varkenshouder is door RVO beoordeeld aan de hand van de subsidievoorwaarden zoals deze in de Lbv zijn opgenomen. Daarbij is geoordeeld dat de aanvraag voldoet aan alle voorwaarden die de regeling stelt. De subsidieontvanger moet, om in aanmerking te komen voor subsidieverlening voldoen aan de subsidievoorwaarden. Op 1 juni 2024 heeft RVO aan de aanvrager de beschikking tot subsidieverlening gegeven. Dat betekent dat RVO heeft vastgesteld dat de betreffende varkenshouder aan de voorwaarden heeft voldaan voor subsidieverlening. De ondernemer heeft vervolgens twee voorschotten ontvangen maar nog geen verzoek tot subsidievaststelling gedaan.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is de provincie doorgaans bevoegd gezag daar waar het gaat om het verlenen van een natuurvergunning en de gemeente daar waar het gaat om een milieuvergunning. Het is vanuit deze bevoegdheden dat provincies en gemeenten de taak en verantwoordelijkheid hebben om te controleren of ondernemers zich aan de voorwaarden en vereisten van de aan hen verstrekte vergunning(en) houden en om handhavend op te treden, daar waar sprake is van een overtreding die ingrijpen noodzakelijk maakt.
Ten algemene zijn, naar het oordeel van het kabinet, beëindigingsregelingen zoals de Lbv zowel een doeltreffend als doelmatig instrument om, als onderdeel van een breed palet aan maatregelen, de emissie van stikstof te reduceren en daarmee bij te dragen aan noodzakelijk natuurherstel.
Bent u ermee bekend dat de gedeputeerde staten van Noord-Brabant in 2024 nog verklaarden dat aan dit bedrijf geen provinciale subsidies zou worden verleend vanwege structurele overtredingen van milieuregels?4
Ja.
Wat vindt u ervan dat er nu alsnog miljoenen euro’s aan belastinggeld dreigen te worden uitgekeerd aan precies die locaties waarvan de rechter heeft vastgesteld dat daar jarenlang illegaal is geopereerd?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is toegelicht heeft de betreffende varkenshouder aan de voorwaarden voor subsidieverlening voldaan en aan de vereisten voor het verstrekken van voorschotten. Er is nog geen sprake van subsidievaststelling.
Deelt u het inzicht dat iedere euro die wordt besteed aan het vrijwillig uitkopen van bedrijven die illegaal opereren, niet meer beschikbaar is voor andere noodzakelijke maatregelen voor de landbouwtransitie, stikstofreductie en natuurherstel?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is toegelicht voldeed de aanvraag aan de voorwaarden voor subsidieverlening en heeft subsidieverlening daarom op rechtmatige wijze plaatsgevonden.
Erkent u dat het efficiënt, rechtmatig en doelmatig besteden van belastinggeld binnen de stikstofaanpak ook betekent dat wordt gekeken of illegale bedrijfsvoering kan worden beëindigd door handhaving of het intrekken van vergunningen, in plaats van dat er miljoenen euro’s aan vrijwillige uitkoopsubsidies worden verstrekt aan dit soort bedrijven die de wet overtreden?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven is de gemeente bevoegd gezag als het gaat om het verlenen en handhaven van een milieuvergunning. Op grond van de Omgevingswet beschikt de gemeente over de bevoegdheid om maatregelen te nemen als wordt vastgesteld dat een ondernemer de voorwaarden die zijn verbonden aan een milieuvergunning overtreedt. De controle en handhaving van milieuvergunningen (en natuurvergunningen) is geen bevoegdheid van de Minister van LNNV.
Het kabinet heeft ten algemene de verantwoordelijkheid om publieke middelen doelmatig en rechtmatig te besteden, niet alleen binnen de stikstofaanpak. In beëindigingsregelingen zoals de Lbv zijn strikte subsidievoorwaarden en -vereisten opgenomen die waarborgen dat subsidies op rechtmatige wijze worden verleend. De Lbv-regelingen (Lbv, Lbv-plus, Lbv kleinere sectoren) hebben tot doel de stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden te reduceren door de definitieve en onherroepelijke beëindiging van de productie en productiecapaciteit op veehouderijlocaties. Door de afbakening van de doelgroepen en door de wijze waarop genoemde regelingen zijn vormgegeven wordt een blijvende, geborgde en daarmee doelmatige reductie van stikstofdepositie gerealiseerd.
Bent u bereid om de subsidietoekenning voor dit varkensbedrijf per direct op te schorten en in plaats daarvan met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de provincie en de omgevingsdienst te bezien of de illegale bedrijfsvoering via handhaving, het intrekken van vergunningen of andere maatregelen kan worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is toegelicht voldeed de aanvraag aan de voorwaarden voor subsidieverlening en heeft subsidieverlening op rechtmatige wijze plaatsgevonden. Er is dan ook geen aanleiding om de aan betreffende varkenshouder verleende subsidie in te trekken.
Bent u bereid om binnen de bredere landbouwaanpak ook te kijken naar alternatieve routes naast vrijwillige uitkoop, zoals striktere handhaving, het intrekken van vergunningen en het beëindigen van illegale situaties, om zo de efficiëntie, doelmatigheid en rechtvaardigheid van de besteding van belastinggeld te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 is de controle en handhaving van milieu en natuurvergunningen al staand beleid en beschikken provincies en gemeentes over de bevoegdheid om handelend op te treden daar waar illegale situaties worden vastgesteld.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn, maar in ieder geval voordat u de toegezegde aanpak voor landbouw, natuur en stikstof naar de Kamer stuurt, beantwoorden?
Voor beantwoording van de vragen was afstemming noodzakelijk met de provincie Noord-Brabant, de gemeente Land van Cuijk en met RVO. Hierdoor was beantwoording niet mogelijk binnen de gebruikelijke termijn. U bent hiervan op de hoogte gesteld per brief van 10 juni jongstleden.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «In tranen over dreigende boete voor alternatieve therapeuten: «Ik mag wel mensen blijven helpen maar dieren zijn nu dus taboe. Dat is toch bizar?»»1, waarin wordt beschreven dat diertherapeuten door handhaving van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) worden geconfronteerd met dreigende boetes tot 25.000 euro?
Kunt u aangeven hoeveel waarschuwingen, lastgevingen en boetes de NVWA in 2024 en 2025 heeft opgelegd aan diertherapeuten en op basis van welke typen handelingen deze sancties zijn opgelegd?
Kunt u toelichten op welke wettelijke grondslag de NVWA concludeert dat behandelingen door alternatieve diertherapeuten, zoals osteopathie en craniosacraal therapie bij paarden, worden aangemerkt als diergeneeskundige handelingen die uitsluitend door dierenartsen of daartoe bevoegde beroepsgroepen mogen worden uitgevoerd?
Deelt u de opvatting dat aanvullende therapieën, mits duidelijk afgebakend en uitgevoerd na of in afstemming met een diagnose door een dierenarts, een complementaire rol kunnen spelen bij het welzijn en herstel van dieren? Zo ja, hoe krijgt dit momenteel vorm in wet- en regelgeving?
Erkent u dat het ontbreken van een beschermd beroep voor de diertherapeuten zowel risico’s voor dierenwelzijn als onzekerheid voor goed opgeleide en zorgvuldig werkende therapeuten met zich meebrengt?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om opleidingen en kwaliteitseisen voor diertherapieën te toetsen en eventueel te erkennen, zodat onderscheid kan worden gemaakt tussen deskundige behandelaars en onbevoegde of onzorgvuldige aanbieders?
Bent u bereid om, in overleg met de NVWA, dierenartsen, diertherapeuten en sectororganisaties, te bezien of nadere verduidelijking of aanpassing van beleid nodig is om zowel dierenwelzijn als rechtszekerheid voor betrokken beroepsgroepen beter te borgen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Nadeelcompensatie voor de pulsvisserij |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraken van de Raad van State van 22 april 2026 over pulsvisserij en de gevolgen van het Europese Unie (EU)-verbod (ECLI:NL:RVS:2026:2040) (ECLI:NL:RVS:2026:2036) (ECLI:NL:RVS:2026:2038)?
Ja.
Hoe beoordeelt u het oordeel dat bij het intrekken van vergunningen voor pulsvisserij onvoldoende expliciet rekening is gehouden met de financiële gevolgen voor de betrokken vissers?
Ik betreur het feit dat de pulskorvisserij verboden is. Daarom zet ik me actief in voor het verhogen van het draagvlak voor deze bewezen duurzame visserijtechniek om deze hopelijk in de toekomst weer toegestaan te krijgen.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft geconcludeerd dat mijn ambtsvoorganger niet anders kon dan de pulsvergunning intrekken als gevolg van het Europese pulsverbod. Eventuele financiële gevolgen konden er niet toe leiden dat de vergunningen toch in stand bleven. Daarom was ook het oordeel van de ABRvS dat niet is gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel door bij de besluiten, waartegen nog beroep en hoger beroep liep, al een beslissing te nemen op de verzoeken tot nadeelcompensatie. In een geval als dit mag een bestuursorgaan beslissen om over de financiële gevolgen een nader besluit te nemen.
Klopt het dat vissers reeds eerder verzoeken tot nadeelcompensatie hebben ingediend die (deels) zijn afgewezen of nog niet zijn afgehandeld? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Dat klopt. Eerdere verzoeken om nadeelcompensatie zijn afgewezen. Destijds stond de rechtmatigheid van de intrekkingen nog niet definitief vast en was de schade onvoldoende onderbouwd. Gelet op de uitspraak van de ABRvS zal ik alle betrokken vissers in de gelegenheid stellen om (nogmaals) een verzoek tot nadeelcompensatie in te dienen.
Erkent u dat het verbod op pulsvisserij, voortvloeiend uit EU-regelgeving, heeft geleid tot substantiële economische schade voor Nederlandse vissers?
Ik betreur de misgelopen opbrengsten evenals de impact op het milieu als gevolg van het pulsverbod. Gebruik van het pulstuig leidde tot een significante vermindering in het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot. Het droeg daarmee bij aan een goed verdienmodel, een verduurzaming van de sector en reduceerde de impact op de zeebodem. Daarom zet ik mij ervoor in dat op termijn pulsvisserij weer mag plaatsvinden binnen het kader van de Europese regelgeving.
Welke criteria hanteert u momenteel bij de beoordeling van aanvragen voor nadeelcompensatie in deze sector?
Aan het verlenen van nadeelcompensatie zijn strikte voorwaarden verbonden. Deze zijn opgenomen in artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht en in de jurisprudentie over nadeelcompensatie. In het geval van de pulsvisserij acht ik de kans klein dat aan de voorwaarden voor nadeelcompensatie wordt voldaan.
Uit wetenschappelijk onderzoek1 blijkt dat de investeringen in pulstuig binnen twee tot drie jaar terugverdiend kunnen worden (afhankelijk van het vaartuig). Betrokken vissers hebben gemiddeld acht tot tien jaar gebruik kunnen maken van het pulstuig. Zij hebben de investeringen dus naar verwachting terugverdiend.
Daarnaast is het voor nadeelcompensatie noodzakelijk dat een besluit van een Nederlands bestuursorgaan de schade heeft veroorzaakt. In dit geval heeft de ABRvS geoordeeld dat de Minister niet anders kon dan de pulsvergunning intrekken als gevolg van de nieuwe Europese verordening die pulsvisserij verbood. De schadeoorzaak is dus niet zozeer het intrekken van de pulsvergunning, maar het Europese pulsverbod. Daarom verwacht ik niet verplicht te zijn om nadeelcompensatie te betalen.
Op welke termijn kunnen getroffen vissers duidelijkheid verwachten over hun individuele aanvragen voor schadevergoeding of nadeelcompensatie?
Ik zal (de gemachtigden van) de betrokken vissers benaderen met de vraag of zij (nogmaals) een verzoek tot nadeelcompensatie willen indienen. Ik zal met hen dan een termijn afspreken waarbinnen zij stukken kunnen aanleveren. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beoordeelt op basis van die stukken en geldend recht of de verzoeken gehonoreerd moeten worden. Mocht uit de aangedragen informatie blijken dat de beoordeling van de aanvragen ingewikkelder is dan nu voorzien, zal ik overwegen een adviescommissie in te stellen die hierover kan adviseren. Ik streef ernaar om binnen de daarvoor geldende beslistermijnen op de verzoeken om nadeelcompensatie te beslissen.
Aanvragen voor schadevergoeding lijken mij niet aan de orde nu de ABRvS heeft geoordeeld dat de besluiten tot intrekking van de pulsvergunningen rechtmatig genomen zijn. Alleen bij onrechtmatige besluitvorming zouden vissers in aanmerking kunnen komen voor schadevergoeding.
Hoe voorkomt u dat langdurige juridische procedures en onzekerheid leiden tot faillissementen of onomkeerbare schade bij de getroffen visserijbedrijven?
Ik zet mij ervoor in om de ingediende nadeelcompensatieverzoeken zorgvuldig en voortvarend te beoordelen en zal de uitkomsten van deze beoordeling zo snel mogelijk met de indieners delen.
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de visserijsector en de getroffen vissers om te komen tot een collectieve en rechtvaardige compensatieregeling?
In eerste instantie zal ik de ingediende nadeelcompensatieverzoeken door RVO laten beoordelen. Mocht er uit deze beoordeling volgen dat nadeelcompensatie op zijn plaats is dan zal ik hiervoor een passende compensatie geven. Indien dit een groot aantal vergelijkbare gevallen betreft, zal ik een beleidsregel opstellen op grond waarvan de compensatie wordt berekend. Ik zie geen ruimte om de betrokken vissers te compenseren anders of meer dan met een eventuele verplichte nadeelcompensatie.
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun gezinnen hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Ik begrijp dat het verbod voor veel vissers een hard gelag is geweest. Het staat alle betrokkenen vrij een claim op nadeelcompensatie in te dienen. Men kan daarbij uitleggen hoe het intrekken van de pulsvergunning tot schade heeft geleid. Hierbij moet ik wel benadrukken dat het niet aannemelijk is dat nadeelcompensatie wordt toegekend.
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun bemanningsleden hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Ik begrijp dat het verbod voor veel vissers een hard gelag is geweest. Het staat alle betrokkenen vrij een claim op nadeelcompensatie in te dienen. Men kan daarbij uitleggen hoe het intrekken van de pulsvergunning tot schade heeft geleid. Hierbij moet ik wel benadrukken dat het niet aannemelijk is dat nadeelcompensatie wordt toegekend.
Generieke vrijstelling tewerkstellingsvergunning (TWV) voor de zeevisserij |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de commerciële zeevisserij, in tegenstelling tot de koopvaardij en zeegaande waterbouw, geen gebruik kan maken van de generieke vrijstelling van de tewerkstellingsvergunning (TWV) zoals opgenomen in het Besluit uitvoering Wav 2022?
Ja.
Hoe beoordeelt u het verschil in behandeling tussen de zeevisserij en andere maritieme sectoren, terwijl zij vergelijkbare arbeid op zee verrichten?
De aard van de andere genoemde maritieme sectoren en de zeevisserij is niet volledig vergelijkbaar. De aard van deze maritieme sectoren is het vervoer van goederen en mensen of het uitvoeren van infrastructurele projecten, waarbij er over het algemeen minder aanknopingspunten zijn met Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt. In dergelijke gevallen ligt een vrijstelling meer voor de hand, gelet op één van doelstellingen van de Wet arbeid vreemdelingen, namelijk de bescherming van de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt en daarmee de belangen van de Nederlandse/EU werknemers. Daar waar er meer aanknopingspunten zijn, bijvoorbeeld bij zeeschepen die worden gebruikt als werktuig voor weg of waterbouw binnen Nederland, is een TWV wel vereist. De zeevisserij heeft tot doel het vangen en verwerken van vis, waarbij de zeevisserijschepen voor een groot deel een Nederlandse haven uitvaren en regelmatig terugkeren naar de haven voor het aanlanden van vis. In deze sector zijn er dus over het algemeen meer aanknopingspunten met Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt.
Deelt u de mening dat dit onderscheid leidt tot een structureel zwaardere toegangsdrempel tot arbeidskrachten van buiten de Europese Unie (EU) voor de zeevisserij?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is één van doelstellingen van de Wet arbeid vreemdelingen de bescherming van de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt en daarmee de belangen van de Nederlandse/EU werknemers. Werkgevers moeten dus eerst kijken of er Nederlands/Europees arbeidsaanbod is voordat zij kijken naar arbeidsmigranten uit derde landen.
Dit sluit aan bij de huidige bredere arbeidsmarktkrapte aanpak van het kabinet en het principe van gerichte arbeidsmigratie die zich richt op hoogproductieve sectoren en maatschappelijke uitdagingen. Dit zorgt voor prikkels bij werkgevers om, in plaats van naar arbeidsaanbod buiten de EU te kijken, arbeidstekorten eerst binnenlands in te vullen, arbeidsvoorwaarden- en arbeidsomstandigheden te verbeteren of arbeidsbesparende innovaties door te voeren.
In tegenstelling tot de andere maritieme sectoren, moeten eigenaren van zeevissersschepen een TWV (bij werkzaamheden korter dan drie maanden) of een GVVA (bij werkzaamheden langer dan drie maanden) aanvragen indien zij een werknemer met een nationaliteit van buiten de EU aannemen. UWV beoordeelt deze aanvragen aan de hand van een aantal voorwaarden, waaronder:
De toegangsdrempel voor arbeidskrachten van buiten de EU is daarmee voor de zeevisserij niet hoger dan voor zeeschepen die worden gebruikt als werktuig voor weg of waterbouw binnen Nederland. De reden hiervoor is hierboven beschreven.
Bent u bekend met signalen uit de sector dat aanvragen voor TWV's voor vissers regelmatig worden ontmoedigd of afgewezen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en wat is uw reactie daarop?
Ik heb dit nagevraagd bij het UWV. Het UWV herkent deze signalen niet. Uit de cijfers van het UWV blijkt dat het merendeel van de aanvragen positief is beoordeeld. Het UWV heeft hierbij gekeken naar afgegeven werkvergunningen op basis van twee regelingen:
Voor een tewerkstellingsvergunning voor de zeevisserij zijn er in:
Voor een GVVA voor de functie van:
Hoe verhoudt deze ongelijke behandeling zich tot het streven naar een gelijk speelveld binnen het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid?
De regulering van de toegang tot de arbeidsmarkt behoort niet tot één van de doelen van het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid. Conform artikel 79, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is het aan de lidstaten om te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen zij toelaten om daar arbeid te verrichten.
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige regelgeving met betrekking tot het aanvragen van een TWV bijdraagt aan bemanningstekorten in de Nederlandse zeevisserijsector?
De TWV-aanvraag via de Wav bevat een toets op de aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod in Nederland en in de EU. Doel hiervan is dat bedrijven eerst kijken naar Nederlands/Europees arbeidsaanbod alvorens te kijken naar arbeidsmigranten uit derde landen. TWV’s zorgen hiermee voor prikkels bij werkgevers om arbeidstekorten eerst binnenlands (of Europees) op te lossen, bijvoorbeeld door arbeidsomstandigheden en -voorwaarden te verbeteren (of arbeidsbesparende innovaties door te voeren). Dit sluit daarmee aan bij de bredere aanpak van arbeidsmarktkrapte. Wanneer prioriteit genietend aanbod niet beschikbaar is, is het bij arbeidstekorten mogelijk om een TWV te krijgen. De huidige regelgeving rond de aanvraag van TWV’s is daarmee geen oorzaak van arbeidsmarktkrapte. Dat blijkt ook uit de cijfers vanuit het UWV (zie antwoord op vraag 4).
Erkent u dat de instroom in maritieme opleidingen en het aantal beschikbare Nederlandse en EU-werknemers voor zeevisserij structureel afneemt? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De instroom en uitstroom van studenten in het maritiem onderwijs wordt jaarlijks gemonitord. De afgelopen periode was er sprake van een lichte afname van 1,7% van het aantal aanmeldingen. Dat past helaas in de neerwaartse trend van de instroom van studenten in het maritiem onderwijs. Wel was er sprake van een lichte toename van het aantal behaalde diploma’s van 3,7%. In eerste instantie geldt dat werkgevers zelf verantwoordelijk zijn voor de arbeidsvoorwaarden en – omstandigheden in de sector, zodat een sector aantrekkelijk blijft voor werknemers. Arbeidsmigratie kan bijdragen aan tijdelijke verlichting van tekorten.
Om de sector te promoten en het tij te keren wordt wel door diverse partijen gewerkt aan verschillende initiatieven. Behoud van Nederlandse gekwalificeerde zeevarenden, inclusief vissers, is van belang om de maritieme kennis, kunde en infrastructuur in Nederland te behouden. Dat vraagt inspanningen van reders, sociale partners en het maritiem onderwijs. Zo is er sprake van een nieuwe sectorbrede imagocampagne «Mpowered», en projecten als GaTochVaren! In het kader van NederlandMaritiemLand wordt uitvoering gegeven aan de Human Capital Agenda.
De visserijsector werkt tevens samen met de overheid om nieuwe aanwas van arbeidskrachten in de sector te krijgen. De sector werkt samen met SZW aan de totstandkoming van het Ontwikkelpad visserij. Wanneer dit gereed is vraagt de sector officiële erkenning door de Minister van SZW. Dan kunnen opleidingen in het Ontwikkelpad in aanmerking komen voor de SLIM-Scholingssubsidie. De SLIM-Scholingssubsidie is een tijdelijke regeling voor werkgevers om opleidingen te subsidiëren uit onder meer het Ontwikkelpad visserij om instroom, doorstroom en overstappen naar deze branche te stimuleren.
Vanuit de overheid wordt bijgedragen door o.a. de modernisering van de regelgeving voor de bemanningen; met aandacht voor opleiding en training van zeevarenden, meer ruimte voor herintreders en zij-instromers, en een betere uitwisseling van zeevarenden tussen de deelsectoren. Tevens wordt in overleg met sectorpartijen gewerkt aan een oplossing om ervoor te zorgen dat zeevarenden uit de lidstaten aanvullend kunnen worden opgeleid zodat zij aan boord van Nederlandse vissersvaartuigen kunnen worden ingezet. Tevens wordt de huidige overeenkomst met België over de wederzijdse erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen van vissers op onderdelen uitgebreid met als doel te komen tot meer uitwisseling van personeel.
Deelt u de analyse dat het voor de zeevisserij noodzakelijk is om – net als andere maritieme sectoren personeel van buiten de EU te kunnen aantrekken om operationeel te blijven?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord p[vraag 7. Naast de acties voor het behoud van de Nederlandse zeevarenden wordt met name gekeken naar opties om personeel afkomstig uit de EU in te kunnen zetten.
Waarom is er destijds voor gekozen om zeevissersschepen expliciet uit te sluiten van de schepelingendienst-vrijstelling?
In het Besluit uitvoering Wet buitenlandse arbeidskrachten van 1979 staat een vrijstelling voor de zeevaart, maar niet voor de zeevisserij. De nota van toelichting van dit besluit geeft geen expliciete toelichting over het uitsluiten van zeevissersschepen. De beslissing om de zeevisserij niet uit te sluiten van de tewerkstellingsplicht is in lijn met de rationale van de Wav zoals beschreven in het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken of de zeevisserij onder voorwaarden kan worden opgenomen in de generieke vrijstelling van de TWV, vergelijkbaar met de koopvaardij en waterbouw?
Ik ben bezig om met de verschillende stakeholders te kijken naar de vraag van de sector. Het arbeidsmigratiebeleid valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van SZW. Bij dit vraagstuk zijn verder verschillende ministeries, zoals bijvoorbeeld het Ministerie van IenW, de sociale partners in de sector, ILT, UWV en de NLA betrokken. Ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheden. Dit vraagstuk vergt een zorgvuldige afweging van verschillende belangen, waarbij ook naar andere mogelijke en bestaande oplossingen voor het bemanningstekort in deze sector zal worden gekeken, zoals beschreven in vraag 6 en 7. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomst van deze afwegingen.
Hoe beoordeelt u het voorstel om deze vrijstelling te koppelen aan registratie in het Nederlands Register van Vissersvaartuigen (NRV) om handhaafbaarheid te waarborgen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 10 wil ik niet vooruitlopen op de uitkomst van het nagaan van de verschillende mogelijkheden voor oplossingen van het bemanningstekort in de visserij. Ik kan dit voorstel daarom op dit moment (nog) niet beoordelen.
Ziet u mogelijkheden om via het NRV een duidelijke en controleerbare afbakening te creëren van de doelgroep voor een eventuele vrijstelling?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden bij de vragen 10 en 11. Ook deze vraag zal ik niet kunnen beantwoorden voor de eerder beschreven afwegingen zijn gemaakt.
Welke risico’s ziet u bij het invoeren van een dergelijke vrijstelling en hoe kunnen deze volgens u worden ondervangen?
Zoals ik bij het antwoord op vraag 10 heb aangegeven ben ik bezig met dit vraagstuk. Daarin zullen we ook de risico’s van een mogelijke vrijstelling onderzoeken.
Bent u bereid om, in overleg met de sector en uitvoeringsorganisaties zoals UWV en de Nederlansdse Arbeidsinspectie (NLA), te komen tot een voorstel voor gelijkschakeling van maritieme sectoren op dit punt?
Ik ben bezig om de vraag van de sector te bezien samen met de andere betrokkenen, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 10. Deze vraag vergt een zorgvuldige afweging, waarbij onder andere de hierboven genoemde initiatieven van de sector en overheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid een onderdeel zijn. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomst daarvan.
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over mogelijke beleidsaanpassingen of vervolgstappen?
Ik wil de Kamer na de zomer verder informeren. Een nadere invulling is onder meer afhankelijk van de capaciteit die hiervoor beschikbaar is bij betrokken stakeholders.
Op welke wetenschappelijke basis wordt de flyshoot-methode momenteel beoordeeld als aanvaardbaar vanuit het oogpunt van ecosysteembeheer en acht u die onderbouwing voldoende, gezien de schaal waarop deze methode inmiddels wordt toegepast?1
Om de visbestanden en het ecosysteem waar deze zich in bevinden te beschermen, zijn regels en beleid op Europees niveau vastgelegd in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (hierna: GVB). Het GVB streeft duurzaam gebruik van visserij en aquacultuur na om bijvoorbeeld overbevissing te voorkomen. De flyshoot, ook wel «Schotse zegen» genoemd, is een door de Europese Unie (hierna: EU) erkende visserijtechniek die binnen de kaders van het GVB valt. Het GVB streeft ecologische, economische en sociale duurzaamheid na.
Het vissen met de flyshoot-methode gebeurt door Nederlandse vissers seizoensmatig op de Noordzee en in Het Kanaal. De schaal waarop deze methode wordt toegepast, is begrensd in het Kanaal en de Noordzee. Het totale aantal Nederlandse schepen dat gebruik mag maken van de flyshoot-techniek in het Kanaal is beperkt tot 24. Daarnaast worden de visserijen in het Kanaal beheerd door middel van een visserij-inspanningsregeling op basis van KW-dagen. KW-dagen staat voor de periode of het aantal zeedagen (kW-dagen) dat er gevist mag worden. Op de Noordzee is flyshoot begrensd in (delen van) beschermde gebieden waar een verbod op bodemberoerende visserij geldt (momenteel gaat het om 7,2% van de Nederlandse Noordzee).
Deelt u de analyse dat flyshoot in zijn geïndustrialiseerde Nederlandse vorm met zware kabels en hoog motorvermogen wezenlijk verschilt van de oorspronkelijke, kleinschalige Deense snurrevaad-methode en wat betekent dat voor de ecologische beoordeling?
De flyshoot (afgekort SSC) is een andere techniek dan de Deense Zegen (afgekort SDN) en verschilt daarmee per definitie. De flyshoot wordt uitgevoerd met een motorvermogen dat ongeveer 1/3 minder is dan de boomkorvisserij waardoor de methode eerder een «gemiddeld motorvermogen» inzet bij de visserijactiviteit dan een «hoog motorvermogen» in vergelijking met de totale Nederlandse kottervisserij. Er zijn geen Nederlands gevlagde vissers actief met een Deense Zegen waardoor een vergelijking qua ecologische beoordeling op nationaal niveau geen meerwaarde heeft. Een eerdere internationale analyse over de verschillende bodemimpact tussen visserijtechnieken laat zien dat de impact van de beroering (dieper dan 2cm) per oppervlak bij flyshootvisserij fors minder is dan bij de conventionele boomkor.2
Hoe reflecteert u op de visserij die volgens het artikel niet mee willen werken aan het onderzoek van 4,8 miljoen euro naar de ecologische impact van flyshoot vissen?
Verschillende vertegenwoordigers van de visserij zijn betrokken geweest in het proces rondom de aanvraag vanuit de Nederlandse Wetenschapsagenda: «Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid». De raad van bestuur van NWO heeft op 10 juni jl. een besluit genomen over de aanvraag. Tot het besluit gecommuniceerd is, kan niet aangenomen worden dat het project doorgang vindt en of de visserij deelneemt.
Herkent u zich in de analyse dat het risico op overbevissing toeneemt door het uitblijven van onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen?
De suggestie dat onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen uitblijven herken ik niet. Er vindt onderzoek plaats naar de hoeveelheid vis die door de Europese visserijvloot wordt bevist vanuit de Datacollectie verordening, in Nederland uitgewerkt in de Wettelijke Onderzoektaken (WOT-05 Visserijonderzoek). Deze dataverzameling vindt ook plaats in de Schotse zegenvisserij en de doelsoorten van deze visserij worden in surveys zoals de International Bottom Trawl Survey (IBTS) bemonsterd. Er bestaan daardoor ook ICES-vangstadviezen voor verschillende doelsoorten die bevist worden in «flyshootvisserij». Als de informatie beschikbaar is kan er per vissoort beoordeeld worden of de visserijdruk hoger is dan de maximale duurzame opbrengst (MSY). Wanneer de visserijdruk langdurig boven MSY plaatsvindt neemt het risico op overbevissing toe.
Ik herken mij wel in een analyse dat de informatiedichtheid voor de verschillende soorten in Schotse zegenvisserij lager is dan bijvoorbeeld voor de soorten tong of schol en dat aanvullend onderzoek nodig is. Hiervoor heb ik via de Nederlandse Wetenschapsorganisatie een onderzoekscall uitgezet om meer kennis te verwerven over onbeschermde soorten. Dit ishet onderzoek dat in het artikel wordt aangehaald. Ik blijf mij inzetten voor het vergroten en versterken van onze kennisbasis, zodat de visserij ecologisch duurzamer kan opereren.
Tot slot worden er beheermaatregelen genomen ter bescherming van niet-gequoteerde soorten die door de flyshoot-visserij worden gevangen. Zo heeft Nederland in 2021 op verzoek van onze visserijsector het initiatief genomen om de maaswijdte aan te passen voor de visserij op pijlinktvis. In de visserij op inktvis was het tot vorig jaar oktober toegestaan met kuilen met een maaswijdte van minimaal 40 mm te vissen. Nu geldt er een minimale maaswijdte van 80 mm. Het vergroten van de maaswijdte draagt bij aan het verminderen van vangst van kleinere inktvisexemplaren en bijvangst van andere soorten.
Welk instrumentarium heeft u om deelname aan het onderzoek alsnog te bevorderen? Kunt u toezeggen dat instrumentarium in te zetten?
De beoordeling van het voorstel heeft nog niet plaatsgevonden. Van aanvullende inzet is daarom op dit moment geen sprake. De aanname dat de visserijsector ten algemene niet mee wil werken aan wetenschappelijk onderzoek is in mijn ogen niet juist. Zo zijn verschillende vissers betrokken bij verschillende onderzoeken, zoals het onderzoek naar de FloMo, Fully Documented Fisheries of andere onderzoeken zoals in de garnalenvisserij.
Hoe wordt de bijvangst van niet-doelsoorten bij flyshoot-schepen momenteel gemonitord en acht u die monitoring toereikend voor soorten waarvoor geen quota bestaan?
Vanuit de Europese controleverordening2 moeten alle vissers met een vaartuiglengte van 12 meter of meer tijdens de visreis hun (bij)vangsten en mogelijke discards registreren in het elektronisch logboek. De Nederlandse flyshoot-vaartuigen vallen binnen deze doelgroep. De verplichting geldt voor zowel gequoteerde als niet gequoteerde soorten. Bij de aanlanding wordt de totale omvang van de vangsten bepaald door een officiële weging. De resultaten van deze weging worden gebruikt voor het bepalen van de quotumbenutting.
De logboekgegevens worden door de NVWA geverifieerd door middel van kruiscontroles met het resultaat van de weging. Op basis van de controleverordening is een tolerantiewaarde toegestaan waarbij een overschrijding kan leiden tot een ernstige inbreuk en de toekenning van punten. Deze kruiscontrole stimuleert de correcte registratie in het elektronisch logboek. Naast de administratieve kruiscontroles ziet de NVWA door middel van risico-gebaseerde fysieke controles toe op de weging van visserijproducten en de tolerantiewaarden. Op basis van de herziene controleverordening zal het toezicht op de vangsten die onder de aanlandplicht vallen vanaf 10 januari 2028 voor een deel van de Nederlandse vloot worden aangevuld met sensor- en cameratoezicht (REM/CCTV). De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) monitort op wekelijkse basis de nationale benutting van de Nederlandse visquota. De monitoring voor soorten waar geen quota voor bestaat acht ik daarmee toereikend.
Hoe verhoudt het huidige vergunningenbeleid voor flyshoot zich tot de verplichting om te handelen op basis van het voorzorgsprincipe uit het Gemeenschappelijk Visserijbeleid? Bent u voornemens dit beleid aan te passen?
Nederland kent geen specifiek vergunningenbeleid voor de flyshootvisserij. Vissers die met flyshoot willen vissen moeten beschikken over een vismachtiging voor de vistuigcategorie TR, waartoe ook de flyshootvisserij behoort. Het aantal vismachtigingen dat voor de vistuigcategorie TR kan worden afgegeven is begrensd en gereguleerd via het meerjarenplan Noordzee en de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Vissers die deze visserij willen uitoefenen in het Kanaal moeten bovendien beschikken over een zogenaamde «kanaalvergunning». De afgifte van deze vismachtiging is primair gereguleerd via het meerjarenplan Westelijke wateren en verordening (EG) nr. 1954/2003 waarin het beheer van de visserijinspanning is gereguleerd. Het aantal kanaalvergunningen dat Nederland verstrekt is begrensd tot maximaal 24. Daarmee blijft Nederland binnen het Europees bepaalde visserijinspanningsniveau. Ik ben op dit moment niet voornemens om dit beleid aan te passen.
Kunt u in Europees verband pleiten voor uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen voor visserijmethoden met een vergelijkbare vangstkracht als de huidige Nederlandse flyshoot?
Op dit moment gelden er op basis van de Europese controleverordening al uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.
Welke andere concrete stappen gaat u nemen om overbevissing te voorkomen, te voorkomen dat we een herhaling krijgen van de situatie waar Nederland eerder mee te maken had omtrent de pulsvisserij en welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat de relatie met onze buurlanden constructief blijft?
Het behouden van gezonde vispopulaties is belangrijk voor de biodiversiteit en het functioneren van het mariene ecosysteem. Daarnaast zijn gezonde bestanden van belang voor vissers die nu én in de toekomst hun boterham willen verdienen. Om die reden ben ik in gesprek met de visserijsector over de toenemende interesse van Nederlandse vissers in niet-gequoteerde soorten en in het bijzonder over de relatie met buurlanden in het Kanaal.
Verder lopen er op dit moment verkennende gesprekken om te kijken naar het huidige beheer van ongequoteerde soorten. Deze gesprekken worden gevoerd door de Europese Commissie met het Verenigd Koningrijk, omdat deze bestanden doorgaans gedeeld beheerd worden. Zo wordt er gewerkt aan het bouwen van een goede wetenschappelijke kennis van diverse bestanden en zal vervolgens in kaart worden gebracht welke beheermogelijkheden er mogelijk zijn om overbevissing te voorkomen.
Ik zie geen overeenkomst of verband met de pulsvisserij.
In welke mate zorgt flyshoot-vissen voor bodemberoering in vergelijking met conventionele boomkor- en pulsvisserij?
Flyshoot-vissen heeft een andere vorm van bodemcontact dan de conventionele boomkor (met wekkerkettingen) of de pulskor. Flyshoot-vissen kan plaatsvinden over een groter oppervlak per trek dan een conventionele boomkor en beïnvloedt daardoor qua oppervlak meer van de bodem. De impact van de beroering per oppervlak is echter fors minder, omdat de bodempenetratie van flyshoot-vissen minder is dan bij de conventionele boomkor. Een eerdere analyse over de verschillende bodemimpact tussen vistuigtypen geeft dit ook aan (zie antwoord vraag 2).
Wat is de klimaatimpact van bodemberoering door de vormen van visserij in voorgaande vraag en in hoeverre wordt die impact meegenomen in de klimaatscenario’s en uitstootcijfers van deze sector?
De potentiële CO2-emissies van bodemberoering zijn onderzocht als deel van het bredere onderzoek naar CO2 uitstoot van de visserijsector. De Kamer is hierover geïnformeerd op 2 april jl. (Kamerstuk 32 813/29 675, nr. 1557).
Welke stappen zet u om de ecologische en klimaatimpact van bodemberoerende visserij te beperken?
Het kabinet zet zich in voor een toekomstbestendige en duurzame visserijsector.
Hiervoor wordt relevant onderzoek gefinancierd en stelt het kabinet regelmatig innovatieregelingen open. Ook zet het kabinet zich in voor de legalisering van beproefde duurzamere innovaties zoals de pulskor en het versimpelen van de wet- en regelgeving voor de introductie van nieuwe innovaties. Deze inzet is onder meer uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda Visie op Voedsel uit Zee en Grote Wateren, waarin concrete acties zijn opgenomen die bijdragen aan de verduurzaming, innovatie en toekomstbestendigheid van de visserijsector. Voor deze inzet heeft het kabinet meerdere middelen en instrumenten beschikbaar, zoals toegelicht in vraag 15.
Anderzijds streef ik ernaar om in 2030 15% van de Nederlandse Noordzee te vrijwaren van bodemberoerende visserij in beschermd natuurgebieden zoals afgesproken in het Noordzeeakkoord. Dit draagt bij aan het verminderen van de ecologische impact en komt voort uit wettelijke verplichtingen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Natuurherstelverordening.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen de reeds aangekondigde «energie-efficiëntieregeling visserij» van 25 miljoen euro zal bekostigen (Kamerstuk 36 933, nr. 1)?
Zoals in de Kamerbrieven «Acties weerbaarheid energieschok» en «Energie-efficiëntieregeling visserij en steunmaatregel conflict in het Midden-Oosten» (Kamerstuk 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795) aangegeven, zal het kabinet eind september een energie-efficiëntieregeling voor de visserijsector openstellen. Hiervoor wordt € 25 miljoen vrijgemaakt op de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden wie er in aanmerking komt, welke investeringen subsidiabel zijn en hoe deze middelen verdeeld worden. Over de details van de regeling zal ik de Kamer op een later moment informeren.
Wordt bij de toekenning van de verduurzamingssubsidie onderscheid gemaakt tussen investeringen die de vangstkracht verhogen en investeringen die de milieu-impact per gevangen kilo vis verlagen? Zo ja, hoe?
De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden welke investeringen subsidiabel zijn. Het verhogen van de vangstcapaciteit van vissersvaartuigen is uitgesloten onder de verordening die gebruikt wordt voor deze regeling, de visserijvrijstellingsverordening. Over de details van de regeling zal ik uw Kamer op een later moment informeren.
Kunt u bevestigen dat het ministerie in de periode 2025–2029 80 miljoen euro apart heeft gezet voor de verduurzaming van de vloot, bovenop eerdere middelen uit het klimaatfonds?
Voor het bevorderen van verduurzaming van de visserijsector heeft het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur verschillende middelen en instrumenten beschikbaar.
Zo is er o.a. in 2022 199 miljoen vanuit het Klimaatfonds beschikbaar gesteld voor de aanpassing en verdere verduurzaming van de visserij. Een deel van deze middelen is reeds ingezet voor subsidieregelingen, onderzoek en het Visserij Ontwikkel Plan (VOP).
Onder het kabinet Schoof 1 is er bij het Hoofdlijnenakkoord € 4,5 miljoen voor 2025 en onder het regeerprogramma € 50 miljoen voor de periode 2026–2033 beschikbaar gesteld om de visserij te ondersteunen in de doorontwikkeling naar een toekomstbestendige vloot. Deze middelen zullen deels worden ingezet voor verduurzaming.
Zoals al aan de Tweede Kamer gemeld (Kamerstuk, 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795), zal ik eind september 2026 een energie-efficiëntieregeling voor de visserij openstellen, waarvoor € 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting.
Hoeveel procent van de kotters en andere vissersschepen verwacht u dat met deze nieuwe 25 miljoen euro bovenop de reeds gereserveerde 80 miljoen euro te kunnen verduurzamen?
Dit percentage is nog niet bekend. Het aantal vissersvaartuigen dat verduurzaamd zou kunnen worden onder de energie-efficiëntieregeling (€ 25 miljoen) is onder meer afhankelijk van het aantal aanvragen voor steun van de regeling, welke investeringen er onder de regeling subsidiabel zijn en hoe de middelen verdeeld worden.
Hoe wordt voorkomen dat deze middelen ten goede komen aan methoden die de visstand verder onder druk zetten?
Het kabinet hecht aan een toekomstbestendige visserij die vist binnen de draagkracht van het ecosysteem. Daarom is het belangrijk dat de regeling niet ten goede komt aan methoden die de visstand verder onder druk zetten. Dit wordt gewaarborgd in de regeling zelf, ook vanwege de voorwaarden uit het steunkader, waaronder het feit dat het niet-naleven van het GVB betekent dat men niet in aanmerking komt voor subsidie.
Is de Staatssecretaris bereid de subsidiecriteria zo in te richten dat vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode voorrang of een toeslag krijgen?
Met deze subsidieregeling wil ik mij voornamelijk richten op het verminderen van brandstofverbruik in de visserijsector. Ik wil iedere visser gelijke kansen bieden om hun vissersvaartuig te verduurzamen. Een voorrangspositie voor vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode draagt hier niet aan bij.
Welke ruimte ziet u om de verduurzamingssubsidies specifiek te benutten voor de overgang naar kleinschaligere en meer selectieve vismethoden, zoals handlijnvisserij en passieve visserij, als alternatief voor opschaling van de flyshoot?
Zoals ook te lezen is in de «Visie voedsel uit zee en grote wateren» (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624) streef ik naar een flexibele, innovatieve en ook diverse visserijsector. Het doel van deze energie-efficiëntieregeling is het brandstofverbruik van de visserijsector naar beneden te brengen. De overgang naar kleinschalige en meer selectieve vismethoden is niet de focus van deze regeling. Het stimuleren van innovatie, waaronder selectieve vangststechnieken, wordt ondersteund door andere regelingen, namelijk de innovatieregelingen voor de visserij.
Het herhaald niet naleven van afspraken door het Dolfinarium. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium een belangrijke afspraak over het aanpassen van dierverblijven niet is nagekomen, waardoor zeeleeuwen nog steeds in kleine en ondiepe verblijven worden gehouden?1, 2
Kunt u bevestigen dat deze afspraken zijn gemaakt naar aanleiding van een rapport waarin werd vastgesteld dat meerdere verblijven niet voldoen aan de geldende dierenwelzijnsnormen en dat het Dolfinarium vijf jaar de tijd heeft gehad om de verblijven in lijn met deze minimale normen te brengen?3
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Minister Adema het in juni 2024 «kwalijk» noemde toen bleek dat het Dolfinarium zich toen ook al niet aan afspraken hield?4
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Staatssecretaris Rummenie het een jaar later opnieuw «kwalijk» noemde toen opnieuw bleek dat het Dolfinarium afspraken schond?5
Wat vindt u ervan dat het Dolfinarium wederom gemaakte afspraken niet nakomt?
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een patroon van structurele niet-naleving van afspraken en normen door het Dolfinarium? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium niet alleen afspraken schendt, maar daarnaast ook nog jarenlang heeft geweigerd om transparantie te verschaffen en definitief af te zien van de mogelijke verkoop van acht dolfijnen aan een Chinees pretpark, ondanks dat de Kamer zich hier duidelijk tegen uit had gesproken (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 73)?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium ook nog eens uit de Europese branchevereniging voor zeezoogdieren is gezet, omdat ze niet voldoen aan de geldende standaarden?6
Kunt u bevestigen dat wanneer reguliere handhaving niet werkt en de dierentuinvergunning voortdurend wordt overtreden, het mogelijk is om een dierentuin (gedeeltelijk) te sluiten?7
Wanneer is voor u deze grens bereikt?
Deelt u de mening dat er weinig tot geen educatieve waarde gepaard gaat met het houden van dolfijnen in kleine betonnen bakken in gevangenschap, die daar rondjes moeten zwemmen terwijl ze lijden aan chronische stress? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat steeds meer landen, zoals Canada, India, Kroatië en Vlaanderen hebben besloten dat het houden van dolfijnen in gevangenschap moet stoppen?
Bent u bereid om zich bij deze landen aan te sluiten door een einde te maken aan het houden van dolfijnen in gevangenschap? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om het Dolfinarium af te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Letschert , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Ja.
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Ja, dit bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken onder de wet op de dierproeven en staat daarmee ook onder toezicht van de NVWA.
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Ja, naar aanleiding van het KNAW advies «Gebruik van niet-humane primaten als proefdier. Nut en noodzaak?» uit 2014 (Kamerstuk 32 336, nr. 30) is met onderzoeksinstellingen overeengekomen dat onderzoek met niet-humane primaten (NHP) in Nederland bij voorkeur in het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) of met dieren afkomstig van het BPRC wordt uitgevoerd. In uitzonderlijke situaties waarbij het BPRC niet aan de vraag kan voldoen, zoals bij uitbraken van infectiezieken, kunnen onderzoekinstellingen dieren betrekken van andere gekwalificeerde leveranciers (Kamerstuk 32 336, nr. 44). Ik heb geen signalen ontvangen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen in de afgelopen jaren van deze afspraak zijn afgeweken.
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Ik kan me goed voorstellen dat er maatschappelijke verontwaardiging is over het verhandelen en gebruik van proefdieren en het gebruik van apen in het bijzonder. Ik ben er mee bekend dat de apen van deze handelaar worden verhandeld naar buitenlandse (hoofdzakelijk Europese) onderzoeksinstellingen waar zij kunnen worden ingezet voor proefdieronderzoek. Binnen de EU is deze praktijk alleen toegestaan als is voldaan aan stevige randvoorwaarden aan onderzoek met proefdieren en met niet-humane primaten in het bijzonder. Ik benoem hier richtlijn (2010/63/EU) die binnen de EU van toepassing is op proefdieronderzoek. Deze richtlijn bevat bepalingen voor onderzoek, fok, handel en verzorging van de dieren. Voor NHP onderzoek gelden er ten opzichte van onderzoek met andere diersoorten binnen deze richtlijn nog aanvullende eisen. Onderzoek met proefdieren is alleen toegestaan na een zorgvuldige afweging. Bij een aanvraag voor onderzoek met NHP moet er met een wetenschappelijke motivering aangetoond worden dat het doel van het onderzoek niet kan worden bereikt door het gebruik van een andere diersoort. Voor NHP (en tevens ook voor honden en katten) moet vanaf de geboorte een individueel levensloopdossier worden bijgehouden, zodat deze dieren de verzorging, huisvesting en behandeling kan worden geboden die op hun individuele behoeften en kenmerken zijn afgestemd. Op Europees niveau wordt er gerapporteerd over dierproeven in ALURES (Animal Use Reporting – EU System). ALURES bestaat uit twee delen, een deel niet-technische samenvattingen (NTS) en een deel met statistische data. De NTS geeft o.a. inzicht in het geplande onderzoek over een periode van 5 jaar, het verwachte benodigde aantal dieren en een inschatting van de mate van ongerief. Daarbij wijs ik erop dat binnen het dierproevendomein «ongerief» de aantasting van het dierenwelzijn betekent, en niet alleen «pijn». Daarmee wordt meer bedoeld dan alleen pijn. Ook zaken als stress, alleen-zijn, Ook zaken als angst en ziekte worden daarin meegerekend. De richtlijn classificeert «ongerief» in drie categorieën: licht, matig of ernstig. Dieren die zonder voorafgaande handeling onder verdoving gedood worden, worden geregistreerd als «terminaal onder anesthesie». De database met statistische data rapporteert per kalender jaar en geeft o.a. inzicht in het daadwerkelijk gebruikte aantal dieren en de mate van ongerief. Binnen beide omgevingen is het mogelijk om informatie verder uit te splitsen bijvoorbeeld op basis van land, diersoort en algemeen onderzoeksdoel.
Het exporteren van deze dieren naar landen buiten de EU is wettelijk gezien toegestaan. Wel wil ik hierover met betrokken partijen in gesprek om te bezien hoe transporten van apen ten behoeve van proefdieronderzoek naar derde landen tot een minimum kunnen worden beperkt.
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Dat dieren overlijden -in veel gevallen doormiddel van euthanasie- is helaas inherent aan proefdieronderzoek. Het is een confronterende waarheid die nu onlosmakelijk verbonden is met onderzoek voor medische vooruitgang en veiligheid voor mens dier en milieu. Op basis van NTS gegevens uit ALURES van 2022 tot en met 2025 is te zien dat er binnen de EU 553 projecten zijn ingediend waarin onderzoek met NHP is opgenomen. Veruit het meeste NHP-onderzoek wordt ingeschat op matig (79,4%) of mild (16,3%) ongerief. Onder de categorie ernstig ongerief valt 3,1% van het onderzoek. De laatste 1,2% valt onder terminaal onderzoek dat onder narcose plaatsvindt, waaruit de dieren niet meer ontwaken. Uit deze gegevens blijkt dat in totaal 70% van de NHP tijdens of na het onderzoek wordt gedood, bijvoorbeeld voor vervolgonderzoek op weefsels. De overige 30% wordt herplaatst of hergebruikt. Of proefdieren tijdens of na een proef overlijden hangt af van het soort onderzoek dat wordt gedaan. Dit wordt meegenomen in de toetsing vooraf en is onlosmakelijk verbonden met het doen van dierproeven.
Daar waar proefdieronderzoek nog absoluut onmisbaar is vind ik het belangrijk dat dit zeer zorgvuldig gebeurt conform ethische en wettelijke kaders. Daarnaast wil ik met grote vaart inzetten op de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties om zo proefdieronderzoek zoveel als mogelijk overbodig te maken.
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Ja, het betrof hier een specifieke tuberculose variant waarop vóór deze uitbraak niet standaard werd getest. Inmiddels is de procedure hierop aangepast. Door strikte eisen in omgang met proefapen is de uitbraak beperkt gebleven tot de dieren en zijn er geen mensen besmet geraakt.
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Daar ben ik mee bekend. Het bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken. Een verbod op de handel in apen als proefdieren is binnen de EU niet mogelijk omdat artikel 2 van de richtlijn lidstaten daar geen ruimte voor biedt.
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Ik ben blij met de ontwikkeling dat wetenschappelijke instellingen inzetten op proefdiervrije innovatie. Proefdieronderzoek is nog steeds nodig voor bepaald type onderzoek. Bijvoorbeeld voor complex onderzoek naar hersenziektes zoals dementie of infectiebestrijding zoals Covid.
Fokken met en handel in apen is toegestaan binnen de vergunning van dit bedrijf op basis van de Wet op de dierproeven. Daarbij vind ik het van belang dat de omvang van de fok van en handel in deze dieren proportioneel blijft in relatie tot de behoefte en noodzakelijkheid van onderzoek binnen de EU. Daarom ga ik zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4 met betrokkenen in gesprek om handel naar derde landen tot een minimum te beperken.
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben verantwoordelijk voor de Wet op de Dierproeven die gebaseerd is op de EU-richtlijn. Als het bedrijf voldoet aan de eisen uit die wet heb ik geen grondslag om in te grijpen. Een bedrijf of organisatie mag enkel proefdieren fokken of afleveren met een instellingsvergunning, daarmee staat de instelling ook onder toezicht van de NVWA. Een van de eisen is dat enkel bevoegd en bekwaam personeel met proefdieren mag werken.
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat proefdieren zo weinig mogelijk ongemak ervaren in hun leven. Transport is daarvoor niet bevorderlijk, maar soms echter onvermijdelijk om de juiste proefdieren op de juiste locatie voor onderzoek te krijgen. Ik ben blij dat er strikte Europese en internationale regels zijn die gezondheid en welzijn van de dieren borgen en verspreiding van ziekten voorkomen.
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Daartoe heb ik niet de mogelijkheid, omdat dit in strijd zou zijn met de richtlijn (2010/63/EU), zie ook mijn antwoord op vraag 7. Wel blijf ik mij onverminderd inzetten voor het waarborgen van het welzijn van proefdieren en de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is niet gelukt de vragen binnen de gestelde termijn van drie weken te beantwoorden, vanwege het nodigde uitzoekwerk en afstemming binnen het Ministerie van LVVN, het Ministerie van OCW en met de NVWA. Hierover heeft u op 11 mei een uitstelbrief ontvangen.