Het door staatssecretaris Erkens ‘totaal wereldvreemd’ verklaren van bezorgde burgers die een rechtszaak aanspannen of een begrafenis voor een wolf organiseren |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken «De wereld staat in de fik, er is van alles aan de hand en tegelijkertijd zijn er mensen in ons land die begrafenissen organiseren voor wolf Bram. Totaal wereldvreemd.» en «De activistische ngo’s blokkeren al genoeg, maar ook nog procederen tegen regels die gevaarlijke wolvenaanvallen voorkomen is echt een stap verder. Dat er dan ook nog eens organisaties gaan procederen tegen het tijdstip waarop de probleemwolf is doodgeschoten, vind ik al helemaal onbegrijpelijk» van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in een interview aan de Telegraaf?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de Staatssecretaris bij het plenair debat over de wolf in Nederland op 1 september 2026 heeft aangegeven dat het hier gaat om een kabinetsstandpunt?
Ja.
Ziet u in dat dit soort uitspraken van een bewindspersoon namens het kabinet betrokken mensen die begrafenissen organiseren en mensen die het handelen van de overheid wettelijk getoetst willen zien, heeft gekwetst? Wat gaat u eraan doen om dat gevoel bij mensen weg te nemen?
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft tijdens het plenaire debat over de wolf in Nederland d.d. 1 september 2026 reeds verantwoording afgelegd over zijn uitspraken, mede door te benadrukken dat het kabinet niet tornt aan het recht van burgers om overheidsbeleid te laten toetsen door de rechter.
Heeft de Staatssecretaris u, dan wel de ministerraad, vooraf geïnformeerd over deze uitspraak en de bewoordingen die hij daarbij zou gebruiken? Zo ja, bent u overeengekomen dat het hierbij gaat om een kabinetsstandpunt? Zo nee, acht u het wenselijk dat bewindspersonen met dit soort boude uitspraken kabinetsstandpunten innemen?
Zie het antwoord op vraag 3 en 5.
Kunt u bevestigen dat, indien een Staatssecretaris een dergelijke kwalificatie namens het kabinet inneemt, dit betekent dat het kabinet als geheel verantwoordelijkheid draagt voor de exacte bewoordingen en de gevolgen van deze uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u het eens met de exacte kwalificatie «totaal wereldvreemd» die de Staatssecretaris heeft gebruikt?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u het met de kwalificatie eens bent, kunt u toelichten waarom het kabinet het organiseren van een begrafenis voor een wolf, dan wel het voeren van een juridische procedure om het handelen van de overheid wettelijk te toetsen, zou willen kwalificeren als «totaal wereldvreemd»?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u het met de kwalificatie eens bent, realiseert u zich dat u met deze uitspraak mensen die gebruik maken van de rechtsstaat wegzet en extra kwetsbaar maakt voor bedreigingen en geweld?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u het met de kwalificatie eens bent, realiseert u zich dat u mensen bang maakt om te procederen tegen de overheid en u daarmee de democratische rechtsstaat ondermijnt? Wat is uw reactie daarop?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u het niet eens bent met de kwalificatie, neemt u daar dan uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand van?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u afstand neemt van de kwalificatie, bent u bereid om de Staatssecretaris op te roepen om ook afstand te nemen van zijn uitspraken?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u het niet met de kwalificatie eens bent, kunt u bevestigen dat bewindspersonen zich niet dienen uit te spreken over mensen die het handelen van de overheid wettelijk getoetst willen zien?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om te bevestigen dat iedereen, ook bewindspersonen, zich moeten houden aan de wet, rechterlijke uitspraken en vergunningsvoorschriften, ook als het gaat om de wolf? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Zie antwoord vraag 17.
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Kamer u heeft verzocht om, waar spanningen zijn tussen de intensieve geitenhouderij, volksgezondheid en de bouw van betaalbare woningen, prioriteit te geven aan woningbouw én volksgezondheid boven de intensieve geitenhouderij?1
Ja.
Klopt het dat, zoals u in de Kamerbrief aangeeft, het maatregelenpakket met een landelijke afstandsnorm meer ontwikkelruimte biedt aan de intensieve geitenhouderij dan de huidige situatie met provinciale moratoria? Zo ja, waarom en hoeveel groei van de geitenhouderij verwacht u?2
Een afstandsnorm is een meer gerichte maatregel dan een moratorium. Een afstandsnorm grijpt in waar het risico is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden. Dat betekent dat er in gebieden waar het kan, meer ontwikkelruimte komt in vergelijking met de huidige situatie met moratoria. In gebieden dichtbij woonkernen wordt de ontwikkelruimte voor de geitenhouderij juist beperkt, ook in provincies waar nu geen moratorium geldt.
In de economische impactanalyse die als bijlage bij de Kamerbrief op 10 juli jl. is verstuurd3, is benadrukt dat de effecten voor de gehele geitensector zijn weergegeven, maar dat de impact voor individuele geitenbedrijven sterk verschilt afhankelijk van of zij onder de afstandsnorm vallen. In de impactanalyse is onder meer de verwachte groei van de sector gemodelleerd, op basis van historische gegevens. De onderzoekers gaan er daarbij van uit dat er pas vanaf 2035 ontwikkelruimte komt gezien de huidige beperkingen rondom vergunningverlening die volgen uit het stikstofbeleid. De onderzoekers komen uit op een groei (in absolute aantallen) van 3,3 bedrijven per jaar in heel Nederland en een gemiddelde groei van 51 geiten per bedrijf per jaar. Dit is een grofmazige berekening, gestoeld op diverse ruwe aannames ten behoeve van de snelheid van de analyse.
Kunt u bevestigen dat door het gezondheidsgevaar van geitenhouderijen de afstandsnorm ertoe leidt dat de geplande bouw van ruim 1.600 woningen niet door kan gaan en dat deze locaties naar verwachting ook op langere termijn ongeschikt zullen blijven voor de bouw van woningen, scholen, kinderdagverblijven en andere gevoelige functies?
Uit de ruimtelijke impactanalyse4 is gebleken dat naar schatting in totaal 1.527 woningen gepland zijn binnen de afstandsnorm van 500 meter. Het gaat hierbij naar schatting om 409 woningen met een harde planstatus en 1.118 woningen met een zachte planstatus. Voor woningen met een harde planstatus geldt dat zij niet geraakt worden door de afstandsnorm, omdat hun status onherroepelijk is. Voor de naar schatting 1.118 woningen met een zachte planstatus geldt dat moet worden onderzocht of het mogelijk is dat deze plannen met aanpassingen wel doorgang kunnen vinden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de lokale partijen die betrokken zijn bij deze plannen, zoals de gemeente, corporaties en marktpartijen. Daarbij kunnen partijen gebruik maken van maatregelen die zijn en worden genomen om de woningbouw te versnellen. Zo kan de lokale of regionale versnellingstafel worden benut om tot oplossingen te komen. Er kan daarom op dit moment niet met zekerheid worden gesteld hoeveel woningen definitief niet gebouwd kunnen worden. Of de locaties voor langere termijn ongeschikt zullen blijven, is de vraag. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken.
Kunt u aangeven hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen doordat geitenhouderijen een gevaar vormen voor de volksgezondheid en daarom de afstandsnorm moet worden ingevoerd?
We kunnen niet met zekerheid zeggen hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen, omdat binnen de afstandsnorm ook veel terreinen liggen die omwille van andere redenen niet beschikbaar zijn voor woningbouw. Het kabinet heeft hier geen nader onderzoek naar laten doen en beschikt daarom niet over die precieze gegevens.
Zoals het kabinet heeft aangegeven is het uitgangspunt dat uiteindelijk, door het inzetten op geborgde emissiereductie door maatregelen op bedrijfsniveau, de risico’s voor de volksgezondheid in de toekomst zoveel mogelijk worden geminimaliseerd. De afstandsnorm kan dan worden beëindigd. Grond wordt dus niet voorgoed ongeschikt voor woningbouw.
Gelet op het voorgaande, deelt u de conclusie dat in dit maatregelenpakket niet de woningbouw prioriteit heeft gekregen, maar het in stand houden van de intensieve geitenhouderij? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt maatregelen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Het beschermen van de volksgezondheid staat in de aanpak dus voorop. Waar er spanningen zijn tussen verschillende belangen heeft het kabinet, conform de wens van de Kamer, de volksgezondheid en woningbouw boven de intensieve geitenhouderij geprioriteerd. Op basis van een integrale afweging, waarbij veel belang is gehecht aan het effect op woningbouwplannen, en waarbij goed gekeken is naar het specifieke gezondheidsrisico op verschillende afstanden, heeft het kabinet gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter. Daarbij heeft het kabinet ook bepaald dat, hoewel op basis van de beschikbare informatie geen kwantitatieve relatie is vast te stellen tussen het aantal geiten en de emissie van het totaal aan bacteriën, endotoxinen en fijnstof, uitbreiding van geitenhouderijen binnen deze afstandsnorm uit voorzorg ook niet wordt toegestaan, in ieder geval zolang er geen effectieve maatregelen zijn die de emissies uit de stallen kunnen reduceren. Op deze manier wil het kabinet het invoeren van emissiebeperkende maatregelen ten behoeve van de gezondheid van omwonenden stimuleren.
Daarnaast gaat het kabinet aan de slag om voor prioritaire locaties te kijken wat er mogelijk is om de gezondheidsrisico’s terug te dringen. Welke maatregelen daarvoor mogelijk zijn, wordt in kaart gebracht; ook hierbij wil het kabinet volksgezondheid en woningbouw prioriteit geven indien zich spanningen voordoen waarbij dergelijke prioriteiten gesteld moeten en kunnen worden. Ook de inzet op emissiereductie door bedrijfsmaatregelen, het derde spoor van de kabinetsaanpak, is essentieel met name voor de volksgezondheid: dit spoor is erop gericht om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen (en indien mogelijk ook de afstandsnorm te kunnen beëindigen waardoor de mogelijkheden voor woningbouw niet meer belemmerd worden).
Het kabinet acht het niet mogelijk om te meten in hoeverre het ene belang ten opzichte van het andere belang profiteert.
Kunt u uitleggen hoe u met de nieuwe plannen de wens van de Kamer precies respecteert, en dus hoe precies de gezondheid van mensen en woningbouw meetbaar profiteert boven de geitenhouderij?3
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat er beleidsopties waren om maatregelen te nemen die beter zouden uitpakken voor zowel gezondheid als woningbouw, maar niet zo goed voor de geitenhouderij? Zo ja, waarom heeft u niet voor die opties gekozen, gezien de eerdergenoemde aangenomen motie? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het kabinet heeft een integrale afweging gemaakt aan de hand van het Gezondheidsraadadvies, aanvullende informatie van de VGO-onderzoekers en de uitgevoerde impactanalyse. De impactanalyse laat zien dat een afstandsnorm van 500 meter impact heeft op de woningbouw en geitenhouderijen. Een afstandsnorm van 1.000 meter zou een nog veel grotere impact hebben, óók op woningbouw, waardoor veel gebieden ruimtelijk op slot worden gezet. Gegeven het feit dat het gezondheidsrisico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is, acht het kabinet dat niet proportioneel.
Aangevuld met de prioritaire maatwerkaanpak en de inzet op emissiereducerende maatregelen om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen, acht het kabinet dit een evenwichtig pakket, waarvoor geen duidelijk alternatief beschikbaar is dat beter zou uitpakken voor gezondheid en woningbouw en ook proportioneel en maatschappelijk haalbaar is.
Heeft u gezien dat de Kamer van mening is dat het niet uit te leggen is dat mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland (Kamerstuk 29 683, nr. 320)?
Vindt u dit wel uit te leggen?
Waarom kiest het kabinet er dan toch voor om de woningbouw in te perken in plaats van de intensieve geitenhouderij in te krimpen?
Bent u van mening dat, met het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, risico's voor de volksgezondheid volledig worden weggenomen of tot een minimum worden beperkt? Zo ja, op welke wetenschappelijke informatie baseert u dat?
Nee, het invoeren van een afstandsnorm voorkomt alleen dat gezondheidsrisico’s toenemen door nieuwvestiging van geitenhouderijen in de directe omgeving van woonkernen en gevoelige bestemmingen, of vice versa. Het kabinet wil zich ook inzetten om het risico voor omwonenden in bestaande situaties te verminderen. Enerzijds zetten we in op mogelijke emissiereductie door technische maatregelen op bedrijfsniveau. Hiervoor is eerst meer kennis en onderzoek nodig. Anderzijds zetten we in op een maatwerkaanpak in prioritaire situaties, waar de risicogroep het grootst of de kwetsbaarheid van de omwonenden het hoogst is. Zoals aangegeven,8 wordt nog gewerkt aan de uitwerking daarvan.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke gezondheidskundige overwegingen het kabinet heeft gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, terwijl volgens de Gezondheidsraad de kans op longontsteking nog steeds gemiddeld negentien procent hoger ligt binnen een afstand van 1.000 meter ten opzichte van daarbuiten?
Het geschatte risico op longontsteking is het sterkst verhoogd op 0–500 meter van een geitenhouderij. Het risico is binnen die afstand 73% hoger (3,2% kans op longontsteking per jaar i.p.v. 1,9%). Het geschatte risico binnen de volledige straal van 1.000 meter is, volgens het VGO-III-onderzoek, weliswaar 19% verhoogd, maar uit de antwoorden van de VGO-onderzoekers op aanvullende vragen9 blijkt dat het risico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is. Het verhoogde risico binnen 0–1.000 meter is dus vooral te wijten aan het relatief sterke effect op korte woonafstand, binnen de straal van 500 meter.
Heeft het kabinet voorafgaand aan het vaststellen van het maatregelenpakket overleg gevoerd met de Gezondheidsraad over de keuze voor een afstandsnorm van 500 meter? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen voor het eerstvolgende debat over zoönosen en dierziekten?
Adviseert de Gezondheidsraad op dit moment een afstandsnorm van 500 meter, of houdt de Gezondheidsraad vast aan het advies om uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
Heeft de Gezondheidsraad naar aanleiding van de nadere VGO-analyses zijn eerdere oordeel gewijzigd? Zo nee, waarom wijkt u af van de het advies van deze belangrijke onafhankelijke adviesraad?
Welke gezondheidsrisico’s voor omwonenden blijven volgens het kabinet bestaan in de zone tussen 500 meter en 1.000 meter van een geitenhouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hoe verhoudt de keuze voor 500 meter zich tot het voorzorgsbeginsel, in het licht van het advies van de Gezondheidsraad dat adviseert uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
De Gezondheidsraad kijkt voor zijn adviezen primair naar het belang voor de volksgezondheid. Het kabinet stelt de volksgezondheid voorop, en weegt ook andere belangen mee, zoals impact op de woningbouwopgave. Het advies van de Gezondheidsraad in acht genomen hebbend, en het aanvullende gegeven dat het risico tussen 500–1.000 meter niet statistisch significant verhoogd is (zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 12), is het uiteindelijk aan het kabinet om te komen tot een zorgvuldig afgewogen maatregelenpakket dat in verhouding staat tot de verschillende belangen die meespelen. Dat sluit ook aan bij het advies van de Gezondheidsraad zelf: de raad benadrukt dat de vraag welke invulling van het voorzorgsbeginsel proportioneel is, welk gezondheidsrisico daarbij als acceptabel wordt beschouwd en hoe belangen van betrokkenen worden gewogen een politiek-bestuurlijke afweging is.
Kunt u aangeven waarom u een afstandsnorm van 1.000 meter «niet proportioneel» acht, in relatie tot de aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 29 683, nr. 320) die verzoekt om woningbouw én volksgezondheid te prioriteren boven de belangen van de intensieve geitenhouderij, gezien de motie nadrukkelijk de voorkeur gaf aan kiezen voor de beste keuze voor gezondheid én woningbouw en niet voor geitenhouderijen?
Zie de antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Kunt u bevestigen dat geitenhouders niet alleen maatregelen zullen moeten treffen om volksgezondheidsrisico's te verminderen, maar dat er ook andere opgaven voor deze sector zijn, zoals stikstof, mest, natuur, klimaat en dierenwelzijn?
Deelt u de mening dat ook in dit geval voorkomen moet worden dat wordt gestuurd op één deelprobleem, en dat in plaats daarvan de opgaven integraal moeten worden aangepakt?
Kunt u aangeven waarom het kabinet kiest voor een maatregel die één deelprobleem adresseert, terwijl de intensieve geitenhouderij tegelijkertijd voor bredere maatschappelijke opgaven staat?
Deelt u de mening dat het onwenselijk en oneerlijk is als geitenhouders de komende jaren fors moeten investeren in bepaalde emissiereducerende maatregelen in hun stal, terwijl dergelijke maatregelen mogelijk niet passen binnen een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Het is van meerwaarde om bij te nemen bedrijfsmaatregelen rekening te houden met de doelstelling voor een dierwaardige veehouderij. Het onderzoek van WUR naar emissiebeperkende maatregelen in de geitenhouderij richt zich op het zoeken naar effectieve maatregelen om de emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof te verlagen. Het uitgangspunt, op basis van het Gezondheidsraadadvies, is dat door het verlagen van deze emissies het risico op longontsteking bij omwonenden wordt verminderd. In de opdracht aan WUR is opgenomen dat voor de te onderzoeken maatregelen óók indicaties van mogelijke effecten op andere opgaven, waaronder de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij, in kaart zullen worden gebracht. Mochten er maatregelen uit het WUR-onderzoek komen die bewezen effectief zijn, dan kan dan ook het effect op dierwaardigheid (en de andere opgaven) worden meegewogen zodat een integrale afweging kan worden gemaakt.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat geitenhouders investeren in technische maatregelen die onverenigbaar zijn met een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Zie antwoord vraag 22.
Waarom kiest het kabinet ervoor om nu al voor te sorteren op het in de toekomst schrappen van de afstandsnorm, zonder dat is vastgesteld dat emissiebeperkende maatregelen effectief zijn? Hoe groot schat u de kans in dat dit werkelijkheid wordt en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Zoals bij elke regelgeving zijn wijzigingen niet permanent. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken. De inzet van het kabinet is om te komen tot zulke emissiereducerende bedrijfsmaatregelen, en daartoe wordt door Wageningen University & Research (WUR) meerjarig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Het is op voorhand niet te zeggen of er daadwerkelijk effectieve emissiereducerende maatregelen uit dit onderzoek voort zullen komen.
Bent u bereid om «bij de verdere uitwerking» niet alleen gemeenten en provincies te betrekken, maar ook gezondheidsexperts van de Gezondheidsraad en GGD’en? Hoe gaat u dat doen?
Het past niet bij de rol van de Gezondheidsraad als onafhankelijke, wetenschappelijke adviesraad om betrokken te zijn bij de verdere uitwerking van het beleid. GGD’en zijn op verschillende momenten in het proces reeds meegenomen. Het kabinet is voornemens om hen bij de verdere uitwerking van, onder andere, de prioritaire maatwerkaanpak te betrekken.
Kunt u een tijdspad geven van de wettelijke procedures (zoals een plan-milieueffectrapportage) die doorlopen worden voor invoering van de maatregel?
De invoering van de maatregel vergt een aanpassing van het Besluit activiteiten leefomgeving en/of het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gemiddeld duurt het traject inclusief plan-milieueffectrapportage 2,5 tot 3 jaar. In de stand van zakenbrief van het kabinet eind dit jaar kan een meer specifieke planning voor de procedure worden opgenomen.
Het kabinet vraagt gemeenten in de Kamerbrief om «de laatste inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen vooruitlopend op deze regelgeving», maar wat betekent dit concreet? Wordt daarin meegegeven dat de Kamer het belangrijk vindt dat de belangen van gezondheid en wonen samen boven de belangen van geitenhouderijen worden gesteld?
Het kabinet verzoekt gemeenten om bij nieuwe plannen rekening te houden met de voorgenomen afstandsnorm. Dat houdt in dat gemeenten in overweging nemen dat er bij nieuw te realiseren woningen of andere gevoelige bestemmingen voldoende afstand is tot bestaande geitenhouderijen. Daarnaast vragen we provincies en gemeenten ook om rekening te houden met de afstandsnorm bij vergunningverlening voor nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het commissiedebat «Zoönosen en dierziekten» van 9 september 2026?
De vragen worden voor het commissiedebat Zoönosen en dierziekten van 9 september beantwoord. In de beantwoording is een aantal vragen gebundeld, gezien de overlap en samenhang in de antwoorden.
Het structurele lijden van konijnen en nieuwe beelden van ernstige overtredingen in de Nederlandse vleeskonijnenhouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Was u zich beiden al bewust van de omstandigheden waaronder konijnen in de Nederlandse vleeskonijnenfokkerij worden gehouden? Kunt hier uiteenzetten hoe dieren moeten leven in de vleeskonijnenhouderij in ons land?
Ik ben op de hoogte van de algemene omstandigheden waarin konijnen leven in de houderijen. De omstandigheden waaronder konijnen worden gehouden, kunnen per houderij verschillen, maar ik ga er wel van uit dat houderijen minimaal voldoen aan de standaarden die zijn vastgelegd in de geldende wet- en regelgeving. Voor de standaarden in houderijen verwijs ik naar de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Deze wet- en regelgeving stelt minimumeisen aan huisvesting, verzorging en hantering van dieren, met als doel onnodig lijden te voorkomen. Voor konijnen zijn specifieke voorschriften opgenomen in het Besluit houders van dieren, waaronder eisen aan de ruimte, verlichting, verrijking en voer en water.
Heeft u de beelden bekeken die de afgelopen maanden op zestien verschillende konijnenhouderijen in Nederland zijn gemaakt, waarop te zien is op welke wijze konijnen op deze bedrijven uit hun kooien worden getrokken om afgevoerd te worden naar het slachthuis?1 2
Ja.
Heeft u gezien dat de konijnen op ruwe wijze aan hun oren en aan hun vacht worden opgetild en zeer ruw in transportkratten worden gegooid en geduwd?
Ja.
Heeft u gezien dat er ook gebruik wordt gemaakt van winkelwagentjes, die vol worden gegooid met konijnen, waarbij de dieren die onderin terecht zijn gekomen met hun pootjes op het raster van de winkelwagen zitten terwijl er een stapel van vier á vijf lagen konijnen bovenop ze wordt gegooid tot het winkelwagentje vol is, waardoor de dieren die onderin zitten worden geplet onder het gewicht van hun soortgenoten?
Ja.
Heeft u gezien dat er zelfs konijnen worden doodgeslagen tegen de grond?
Ja.
Wat vindt u van dit alles?
Wat te zien is op de beelden is verschrikkelijk en het gaat me aan het hart. Zo omgaan met dieren keur ik ten zeerste af en is onaanvaardbaar. We zien helaas vaker beelden van dieren die behandeld worden op een wijze die ons versteld doet staan. Als er geen toezichthouder in de buurt is, voelen sommigen zich kennelijk vrij op deze manier met dieren om te gaan. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.
Is dit de manier waarop in de Nederlandse veehouderij met dieren mag worden omgegaan? Zo nee, kunt u uitvoerig uiteenzetten welke overtredingen u hier allemaal ziet?
Dieren zijn meer dan een object of eigendom, het zijn levende wezens met een eigen waarde, los van de (gebruiks-)waarde die de mens eraan toekent. Deze intrinsieke waarde van dieren is vastgelegd in de Wet dieren en vormt dan ook het uitgangspunt van mijn beleid. We dienen met respect met dieren om te gaan, ze goed te behandelen en goede huisvesting en verzorging te bieden, van fok tot slacht.
Tijdens de verplaatsing van dieren moet letsel en lijden voorkomen worden en opwinding en stress tot een minimum worden beperkt. Ook moet de veiligheid van dieren worden gewaarborgd. Dit vereist een rustige en zorgvuldige manier van werken.
De NVWA heeft een grote hoeveelheid beeldmateriaal ontvangen. Het onderzoek loopt nog, dit betreft onder andere de beoordeling op authenticiteit. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met de dieren. Er worden dieren opgetild aan oren, vacht, poten en kop, dieren worden met te veel in een winkelwagen gestopt waardoor ze in de verdrukking komen. Ook is het verboden om konijnen te doden op de wijze zoals te zien is op de beelden.
Klopt het dat er op dit moment tussen de 25 en 30 vleeskonijnenhouderijen zijn in Nederland? Hoeveel zijn het er precies?
Op 1 april 2026 zijn 28 bedrijfsmatige houders van konijnen geregistreerd.
Hebt u gezien dat bij 16 Nederlandse konijnenhouderijen is gefilmd en dus bij (ruim) meer dan de helft van de bedrijven?
Ja, we hebben gezien dat bij 16 bedrijven is gefilmd. Er is een grote hoeveelheid aan beeldmateriaal.
Bent u ermee bekend dat in 2019 ook al beelden naar buiten kwamen over ernstig dierenleed in de Nederlandse konijnenhouderij, waarna toenmalig Minister Schouten aangaf dat zij begrijpt dat mensen hierdoor «geschokt, verdrietig en verontwaardigd zijn»?3
Ja, ik ben bekend met de reactie van toenmalig Minister Schouten op de beelden van toen.
Bent u ermee bekend dat vier jaar later opnieuw werd bevestigd dat konijnen in de veehouderij ernstig lijden, waarna toenmalig Minister Adema aangaf dit «verschrikkelijk» te vinden?4
Ja, ik ben bekend met de reactie van toenmalig Minister Adema op de beelden van toen.
Deelt u de mening dat er hierdoor niet kan worden gesproken over een incident, maar dat er sprake is van structureel en ernstig dierenleed en ernstige overtredingen in de konijnenhouderij? Zo nee, waarom niet?
De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Kunt u aangeven hoeveel controles sinds 2017 hebben plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, uitgesplitst naar jaar? Klopt het dat er in elk geval in 2024 en 2025 geen enkele controle van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, ondanks de eerdere misstanden die in 2019 en ook in 2023 nog zijn geopenbaard?
Op de konijnenhouderijen in Nederland zijn zowel in de periode 2015–2017 als 2021–2022 naleefmetingen uitgevoerd op de wijze waarop de dieren worden gehouden.
Bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/20225 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.
Omdat uit deze onaangekondigde inspecties bleek dat geen sprake is van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd.
Kunt u aangeven hoeveel controles op het laden van konijnen voor transport hebben plaatsgevonden sinds 2017, uitgesplitst naar jaar?
Vanaf 2017 hebben er geen controles op het laden van konijnen plaatsgevonden.
Hoe kan het dat aan burgers, maatschappelijke organisaties en volksvertegenwoordigers nu al jaren wordt verteld dat de NVWA risicogericht toezicht houdt, terwijl in een sector zoals de vleeskonijnenhouderij, waar de risico’s op ernstig dierenleed en ernstige overtredingen overduidelijk groot en bekend zijn, niet wordt gecontroleerd?
De NVWA richt het toezicht op de locaties en sectoren waar de risico’s het grootst zijn en waar meldingen en signalen aanleiding geven voor inspecties. Omdat uit de inspecties uit 2021/2022 bleek dat er geen sprake was van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd. In 2027 staat opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden.
Hoe verklaart u dat er, jaren nadat de eerste berichten van ernstig dierenleed in konijnenhouderijen naar buiten kwamen, nog steeds sprake is van structureel en ernstige dierenleed en ernstige overtredingen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 12.
De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten.
Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Hoelang duurt een cyclus van fok en geboorte van jonge konijnen tot aan het eindstadium van de vetmesterij op een gemiddeld vleeskonijnenbedrijf? Hoe veel van deze cycli vinden jaarlijks plaats en hoe vaak per jaar worden de vetgemeste konijnen op een gemiddeld bedrijf afgevoerd naar de slacht?
De draagtijd van een konijn bedraagt gemiddeld 31 dagen. De vleeskonijnen gaan rond 11 weken leeftijd naar de slacht. In het handboek van de sector van 2019–2020 staat dat moederkonijnen gemiddelde 6,8 worpen per jaar hebben. De gevraagde gegevens over het aantal keer per jaar dat de konijnen op een gemiddeld bedrijf naar de slacht worden afgevoerd, worden niet door de overheid bijgehouden.
Hoe geloofwaardig vindt u de reactie van één van de boeren, die bij RTL Nieuws namens de gehele vleeskonijnensector reageerde, dat ze echt geschrokken waren van de beelden, terwijl deze beelden ook op zijn eigen bedrijf waren gefilmd?
Op basis van het bericht over de beelden kan ik geen oordeel geven over de geloofwaardigheid van een individuele reactie van een houder.
Denkt u dat de betreffende boeren niet weten hoe de konijnen op hun eigen bedrijven uit hun kooien worden getrokken en in kratten worden gesmeten wanneer het tijd is om de vetgemeste dieren af te voeren naar de slacht? Liggen zij dan in bed als de konijnen op hun eigen bedrijf worden gevangen voor de slacht?
Ik kan geen oordeel vellen over de mate van betrokkenheid van specifieke konijnenhouders bij het vang- en laadproces. De konijnenhouder blijft hoe dan ook zelf verantwoordelijk voor het welzijn van de dieren op diens bedrijf en heeft zich aan de regels te houden. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.,
Deelt u het vermoeden dat de vleeskonijnenfokkers niet zozeer geschrokken zijn van wat er op de beelden te zien is, omdat dat hen wel bekend is, maar vooral van het feit dat deze beelden naar buiten zijn gekomen?
Op basis van de beschikbare informatie kan ik geen oordeel geven over de reacties van individuele konijnenhouders.
Denkt u dat een «stevig gesprek», dat de NVWA met de sector zegt te willen gaan voeren, een gepaste reactie is voor een sector die nu al verschillende keren via undercoverbeelden is ontmaskerd als een sector waarin dieren structureel ernstig lijden en waarin ernstige overtredingen worden begaan?
In het gesprek met de sector met LVVN en NVWA op 16 juli jl. is besproken dat de LTO in samenwerking met een onafhankelijke kwartiermaker een verbeterplan maakt dat uiterlijk in oktober door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Deelt u de mening dat een dergelijke sector geen uitvluchten meer mag krijgen door zelf met «verbeterplannen» te komen, maar dat de schandalige manier waarop in de vleeskonijnenhouderij met weerloze dieren wordt omgegaan stevig moet worden bestraft en serieuze consequenties moet hebben?
Ik deel de zorgen van de Kamer over de misstanden in de konijnenhouderijen en ik ben van mening dat er geen ruimte meer is voor vrijblijvendheid. De sector moet nu concrete stappen zetten om het vangen en laden van de konijnen te verbeteren en de NVWA zal waar nodig handhavend optreden.
Welke consequenties verbindt u aan het structurele lijden van konijnen in de vleeskonijnenhouderij en de ernstige overtredingen die keer op keer naar buiten komen voor de toekomst van deze sector in ons land?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u zich voorstellen dat veel burgers begrijpen dat er belastinggeld wordt gestoken in het uitkopen van veehouderijen en dat er subsidies worden verstrekt om de veehouderij te laten omschakelen naar een duurzamer en diervriendelijker landbouw, maar dat het indruist tegen hun rechtsgevoel als veehouderijbedrijven die zó met dieren omgaan en die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen ook doodleuk in aanmerking komen voor uitkoopregelingen en subsidies? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij deze zorgen van burgers voorstellen. Subsidieregelingen voor beëindiging van veehouderijen, zoals de Lbv-regelingen6 en de in voorbereiding zijnde Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) kennen een bepaling die het mogelijk maakt om bij ernstige overtredingen een aanvraag af te wijzen. Immers kunnen alleen ondernemingen die aan de normen van de Europese Unie voldoen, zoals ten aanzien van dierenwelzijn, voor subsidie in aanmerking komen. Als een veehouder niet aan deze normen voldoet en zijn activiteiten moet beëindigen wordt een aanvraag in elk geval afgewezen. Ook de overtreding van normen die niet gestoeld zijn op regelgeving van de Europese Unie kan reden zijn om een ondernemer uit te sluiten van deelname aan een beëindigingsregeling. In het bijzonder gaat het om overtredingen van de Meststoffenwet en om overtredingen van de regelgeving voor dierenwelzijn die zo ernstig zijn dat ze niet bestuursrechtelijk zijn afgedaan, maar dat ze in het strafrechtelijke spoor zijn beoordeeld. Genoemde regelingen bevatten een grondslag om in dergelijke gevallen de subsidieaanvraag af te kunnen wijzen. Bij de beoordeling wordt hierbij als criterium gehanteerd of een straf is opgelegd door het Openbaar Ministerie (strafbeschikking) of de strafrechter voor een strafbaar feit dat in een periode van vijf jaar voor de datum van subsidieaanvraag is begaan.
Gaat u ervoor zorgen dat bij veehouderijbedrijven die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen strikte handhaving en sanctionering wordt ingezet, in plaats van straffeloze beloning in de vorm van uitkoopregelingen of omschakelsubsidies op kosten van de belastingbetaler? Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe u dit aan gaat pakken? Zo nee, waarom vindt u het gerechtvaardigd om schaarse middelen uit het stikstoffonds op te maken aan bedrijven die ernstige overtredingen begaan en zo omgaan met dieren?
Zie mijn antwoord op vraag 12 en 24. In het geval van ernstige overtredingen of misdrijven wordt het opgemaakte proces-verbaal overgedragen aan het Openbaar Ministerie, dat zal besluiten over strafoplegging of vervolging.
Eerder heb ik uitgelegd welke voorwaarden subsidieregelingen bevatten om voor subsidie in aanmerkingen te komen en welke mogelijkheden er zijn om een ondernemer uit te sluiten bij (ernstige) overtredingen.
Deelt u de mening dat de schandalige manier waarop konijnen uit hun kooien werden gehaald en (via winkelwagentjes) in transportkratten werden gegooid en geduwd nooit meer voor mag komen? Zo nee, waarom vindt u dat de vleeskonijnensector ernstige overtredingen mag blijven begaan? Zo ja, hoe gaat u zorgen dat dit niet meer gebeurt?
Zie mijn antwoord op vraag 6. Ik deel dat het laden en doden van de konijnen op de videobeelden op een dieronwaardige manier gebeurt en keur dit af. Echter, zoals aangegeven loopt het onderzoek van de beelden nog.
De konijnenhouder is verantwoordelijk dat tijdens de verplaatsing van de dieren letsel en lijden voorkomen wordt en opwinding en stress tot een minimum wordt beperkt. Ook moet de veiligheid van dieren worden gewaarborgd. De konijnensector gaat een verbetertraject opzetten met een onafhankelijke kwartiermaker. Dit proces zal nauwlettend gevolgd worden.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Erkent u dat er in het huidige veehouderijsysteem voor konijnen sprake is van structureel lijden, ook als de veehouder zich aan alle regels houdt, omdat de tot nu toe toegestane manier van huisvesting totaal niet is aangepast aan de natuurlijke behoeften, het welzijn en de integriteit van deze dieren? Deelt u de mening dat er een einde moet komen aan dit structurele dierenleed?
De Wet dieren en het Besluit houders van dieren is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten en Europese richtlijnen, zoals Richtlijn 98/58/EG betreffende de bescherming van landbouwhuisdieren. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoeften van dieren, voor zover deze verenigbaar zijn met de economische en praktische haalbaarheid in de houderijen.
Of er sprake is van structureel lijden is niet te zeggen omdat de omstandigheden variëren per bedrijf. Wel is het van belang om te benadrukken dat de huidige wetgeving minimumeisen stelt, maar dat er ruimte is voor verbetering in het kader van het welzijn van de konijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek van onder andere de European Food Safety Authority (EFSA)1 blijkt dat konijnen behoeften hebben die in lijn liggen met hun natuurlijke gedrag.
Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. Nr. 1394), werk ik aan een AMvB voor een dierwaardige veehouderij. Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de stappen die hierop worden ondernomen en dat de concept-AMvB na de zomer aan het parlement zal worden voorgehangen. De focus ligt in de AMvB die reeds wordt opgesteld bij de grotere sectoren (varkens, runderen en pluimvee), maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken. Op het moment dat de AMvB voor de konijnensector wordt opgesteld zal nogmaals goed gekeken worden naar de gedragsbehoeftes en het natuurlijke gedrag van konijnen om zo tot passende nieuwe wetgeving te komen.
Hoeveel konijnen worden er in Nederland jaarlijks gefokt? Kunt u bevestigen dat uit schattingen blijkt dat rond de 350.000 konijnen per jaar niet levend de stallen uitkomen, omdat ze er sterven vanwege de slechte omstandigheden?5 Zo nee, om welke aantallen gaat het dan en waar baseert u dat op?
In totaal zijn in 2025 iets meer dan 246.000 konijnen gefokt (gespeende vleeskonijnen en voedsters). Cijfers over de sterfte van konijnen worden niet centraal geregistreerd.
Bent u ermee bekend dat de toenmalig landbouwminister in 2020 liet weten in gesprek te gaan met de konijnensector over het centraal registeren van het aantal konijnen dat sterft in de stallen en dat deze cijfers vanaf 2025 beschikbaar zouden komen?6 7
Ja, hier ben ik mee bekend; dit is de Zorgwijzer. De LTO konijnenhouderij is dit samen met Wageningen Economic Research (WEcR) gestart. Het is een centrale registratie van data die inzicht geeft in een aantal duurzaamheidsprestaties van de deelnemende bedrijven op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn, waaronder de sterftecijfers. De Zorgwijzer is reeds toegepast voor 2023 en 2024 en zal dit najaar worden ingezet om de sterftecijfers van 2025 en 2026 vast te stellen.
Kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De overheid beschikt niet over deze cijfers. De Zorgwijzer is een private tool en deelname van konijnenhouders is vrijwillig. Niet alle konijnenhouders nemen deel aan de Zorgwijzer en het is niet bekend of de totaalcijfers representatief zijn.
Hoe beoordeelt u het in termen van dierwaardigheid dat konijnen moeten leven in een kooi, zonder ruimte om te rennen, graven, schuilen of knagen, dag en nacht in een ammoniaklucht doorbrengend, waarbij de mannetjes die worden gehouden voor hun zaad in hun eentje in kooien zitten, net als (een groot deel van) de moederdieren op het moment dat zij geen jongen hebben?
Zie mijn antwoord op vraag 27.
Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht die in haar rapport de gedragsbehoeften van konijnen heeft gedefinieerd, waaronder exploreren, knagen, foerageren en scharrelen, het onderhouden van sociale banden, het vertonen van maternaal en nestgedrag, het vertonen van zooggedrag en het ontvangen van moederzorg voor jongen?8
Ja.
Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht dat konijnen zich moeten kunnen terugtrekken om agressie te vermijden, dat ze moeten beschikken over voldoende vlucht-, schuil- of uitwijkmogelijkheden, dat ze moeten kunnen liggen en rusten, dat ze zich moeten kunnen afzonderen van het nest voor moederdieren ter voorkoming van infanticide en verwonding van de jongen en dat ze moeten beschikken over voldoende ruimte voor beweging, zodat ze kunnen springen, huppelen en rennen?
Ja.
Onderschrijft u dat konijnen behoefte hebben aan eten en drinken van onbeperkt beschikbaar schoon water en van voldoende geschikt voer op een manier die aansluit bij de voorkeur van deze dieren?
Ja.
Onderschrijft u de analyse van Universiteit Utrecht dat vleeskonijnen in kleine kooien of hokken gevoelig zijn voor hittestress? Welke maatregelen worden op dit moment getroffen om deze dieren tegen de hitte te beschermen?
Ja, ik onderschrijf dat konijnen gevoelig zijn voor hittestress. Momenteel wordt bij hoge temperaturen de koeling ingeschakeld. Deze koeling kan worden uitgevoerd door de toepassing van PAD-cooling, mechanische koeling of grondbuizen.
Hebben de konijnenfokkers in hun fokprogramma’s rekening gehouden met minder dieren (lagere stalbezetting) in de zomermaanden omdat het risico op hittestress dan groot is?
Nee, zij maken enkel gebruik van verkoelingsmogelijkheden.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen u op korte termijn gaat treffen, en met welk tijdpad, om een einde te maken aan het ernstige en structurele dierenleed in de konijnenhouderij, inclusief handhaving en beëindiging van de bedrijven die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige overtredingen?
Zie mijn antwoord op vraag 21.
Het wegvallen van de zeehondenopvang in Lauwersoog |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de financiële problemen bij het Werelderfgoedcentrum Waddenzee (WEC) zijn ontstaan en waarom het niet is gelukt om met de provincie Groningen en de gemeente Het Hogeland tot een oplossing te komen?1
Ziet u ook een verantwoordelijkheid voor het Rijk bij het vinden van een oplossing voor de ontstane situatie?
Bent u bereid om hierover op korte termijn met de provincie Groningen, de gemeente Het Hogeland en andere betrokken partijen in gesprek te gaan?
Klopt het dat door het dreigende faillissement de komende maanden ongeveer 70 zeehonden, waaronder 35 pasgeboren pups, mogelijk niet kunnen worden opgevangen? Welke gevolgen verwacht u hiervan voor het dierenwelzijn?
Welke maatregelen worden op korte termijn genomen om ervoor te zorgen dat zieke, gewonde en verzwakte zeehonden ook tijdens dit pupseizoen kunnen worden opgevangen? Bent u bereid met spoed noodopvang te organiseren?
Welke rol kunnen andere zeehondenopvangcentra spelen bij het opvangen van deze dieren? Is er bij deze centra voldoende capaciteit, personeel en financiële ruimte om de opvang over te nemen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen zijn nodig?
Bent u bereid om op korte termijn met het WEC, andere opvangcentra en betrokken overheden in gesprek te gaan om de continuïteit van de zeehondenopvang te waarborgen, ook als het WEC daadwerkelijk failliet gaat?
Welke gevolgen heeft het mogelijke faillissement voor het lopende wetenschappelijke onderzoek naar zeehondenpopulaties en de gezondheid van de Waddenzee, waaronder het onderzoek naar het verdwijnen van jonge gewone zeehonden?
Hoe wordt voorkomen dat belangrijke onderzoeksgegevens, kennis en lopende onderzoeksprojecten verloren gaan? Welke mogelijkheden ziet u om deze onderzoeken voort te zetten, bijvoorbeeld in samenwerking met universiteiten en andere onderzoeksinstellingen?
Welke concrete stappen gaat u zetten om zowel de opvang van zeehonden tijdens het aankomende pupseizoen als de voortzetting van belangrijk wetenschappelijk onderzoek naar de Waddenzee veilig te stellen? Op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Bent u van mening dat de recente ontwikkelingen rondom de zeehondenopvang aanleiding geven om dit akkoord opnieuw tegen het licht te houden, gezien het feit dat het huidige Zeehondenakkoord uit 2020 stamt? Bent u bereid om samen met de betrokken partijen te onderzoeken of een actualisatie van het Zeehondenakkoord nodig is, zodat de opvang van zeehonden ook in de toekomst gewaarborgd blijft?
Verschillen in nitraatmetingen tussen Europese lidstaten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beantwoording van de vragen over mestbeleid van april 2024 (Kamerstuk 2024D15537), waarin is aangegeven dat de meetnetten van verschillende lidstaten niet één-op-één vergelijkbare resultaten opleveren?
Kunt u uiteenzetten welke verschillen er bestaan tussen de nitraatmetingen in Nederland en die in nabij gelegen landen, zoals Duitsland, België en Denemarken? Kunt u daarbij aangegeven op welke diepte wordt gemeten, hoe meetlocaties worden gekozen en wat de meetfrequentie is?
In hoeverre komen deze verschillen in meetmethoden voort uit nationale politieke keuzes?
Aan welke concrete eisen moeten meetnetten voldoen om volgens de Nitraatrichtlijn een representatief beeld te geven? Wie beoordeelt of de meetnetten van de verschillende lidstaten aan deze eisen voldoen?
Kunt u uitleggen hoe de Europese Commissie (EC) rekening houdt met deze verschillen bij de beoordeling van waterkwaliteit en mestbeleid van lidstaten?
Is onderzocht in welke mate de keuze voor een meetmethode invloed heeft op het aantal gerapporteerde overschrijdingen van de nitraatnorm? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Deelt u de opvatting dat verschillen in meetmethoden op zichzelf geen reden mogen zijn om Nederlandse boeren strengere maatregelen op te leggen dan boeren elders in Europa? Hoe wordt bij de onderbouwing van het Nederlandse mestbeleid gewaarborgd dat dit niet gebeurt?
Kunt u uiteenzetten welke ruimte Nederland heeft om de meetmethoden beter te laten aansluiten bij die van andere lidstaten? Welke mogelijkheden worden nog niet benut en waarom niet?
Kunt u uitleggen wat sinds de beantwoording van april 2024 is gedaan om de vergelijkbaarheid van nitraatmetingen tussen lidstaten te verbeteren? Bent u bereid hierover met de EC en de betrokken lidstaten afspraken te maken en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Mestbeleid?
Het door NS weigeren van een oproep om op dierendag geen dieren te eten, terwijl vleesreclames wel zijn toegestaan. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS weert campagne Wakker Dier op stations vanwege «te controversiële» boodschap»?1
Kunt u bevestigen dat deze «controversiële boodschap» een oproep betrof om op dierendag één dag geen dieren te eten? Vindt u dit geen censuur?
Kunt u bevestigen dat de NS een staatsdeelneming is met 100 procent eigenaarschap van de Nederlandse Staat en dat het uw eigen beleid is dat u verwacht dat de NS een voorbeeldrol vervult op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen?2, 3
Kunt u bevestigen dat de NS vleesreclames wel toestaat?
Hoe rijmt u dit met het besluit om deze oproep wel te weigeren?
Vindt u het niet verontrustend dat Wakker Dier naar de rechter moet stappen om af te dwingen dat de NS deze reclame niet mag weigeren?
Bent u bereid om met NS-directeur Wouter Koolmees in gesprek te treden om hem om opheldering te vragen over het (door de rechter gecorrigeerde) besluit om de reclame van Wakker Dier niet te plaatsen met verwijzing naar uw eigen beleid over wat u zelf van de NS verwacht? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om zelf ook uit te dragen dat het op dierendag beter is om eens een dagje geen dieren te eten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat minder vlees eten ook nog eens ontzettend goed is voor het klimaat, waarmee Wakker Dier met deze campagne het kabinet gratis en voor niets een dienst bewijst voor het halen van de eigen klimaatdoelen?
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 2 oktober 2026 beantwoorden?
Het door staatssecretaris Erkens ‘totaal wereldvreemd’ verklaren van bezorgde burgers die een rechtszaak aanspannen of een begrafenis voor een wolf organiseren |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken «De wereld staat in de fik, er is van alles aan de hand en tegelijkertijd zijn er mensen in ons land die begrafenissen organiseren voor wolf Bram. Totaal wereldvreemd.» en «De activistische ngo’s blokkeren al genoeg, maar ook nog procederen tegen regels die gevaarlijke wolvenaanvallen voorkomen is echt een stap verder. Dat er dan ook nog eens organisaties gaan procederen tegen het tijdstip waarop de probleemwolf is doodgeschoten, vind ik al helemaal onbegrijpelijk» van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in een interview aan de Telegraaf?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de Staatssecretaris bij het plenair debat over de wolf in Nederland op 1 september 2026 heeft aangegeven dat het hier gaat om een kabinetsstandpunt?
Ja.
Ziet u in dat dit soort uitspraken van een bewindspersoon namens het kabinet betrokken mensen die begrafenissen organiseren en mensen die het handelen van de overheid wettelijk getoetst willen zien, heeft gekwetst? Wat gaat u eraan doen om dat gevoel bij mensen weg te nemen?
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft tijdens het plenaire debat over de wolf in Nederland d.d. 1 september 2026 reeds verantwoording afgelegd over zijn uitspraken, mede door te benadrukken dat het kabinet niet tornt aan het recht van burgers om overheidsbeleid te laten toetsen door de rechter.
Heeft de Staatssecretaris u, dan wel de ministerraad, vooraf geïnformeerd over deze uitspraak en de bewoordingen die hij daarbij zou gebruiken? Zo ja, bent u overeengekomen dat het hierbij gaat om een kabinetsstandpunt? Zo nee, acht u het wenselijk dat bewindspersonen met dit soort boude uitspraken kabinetsstandpunten innemen?
Zie het antwoord op vraag 3 en 5.
Kunt u bevestigen dat, indien een Staatssecretaris een dergelijke kwalificatie namens het kabinet inneemt, dit betekent dat het kabinet als geheel verantwoordelijkheid draagt voor de exacte bewoordingen en de gevolgen van deze uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u het eens met de exacte kwalificatie «totaal wereldvreemd» die de Staatssecretaris heeft gebruikt?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u het met de kwalificatie eens bent, kunt u toelichten waarom het kabinet het organiseren van een begrafenis voor een wolf, dan wel het voeren van een juridische procedure om het handelen van de overheid wettelijk te toetsen, zou willen kwalificeren als «totaal wereldvreemd»?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u het met de kwalificatie eens bent, realiseert u zich dat u met deze uitspraak mensen die gebruik maken van de rechtsstaat wegzet en extra kwetsbaar maakt voor bedreigingen en geweld?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u het met de kwalificatie eens bent, realiseert u zich dat u mensen bang maakt om te procederen tegen de overheid en u daarmee de democratische rechtsstaat ondermijnt? Wat is uw reactie daarop?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u het niet eens bent met de kwalificatie, neemt u daar dan uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand van?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u afstand neemt van de kwalificatie, bent u bereid om de Staatssecretaris op te roepen om ook afstand te nemen van zijn uitspraken?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien u het niet met de kwalificatie eens bent, kunt u bevestigen dat bewindspersonen zich niet dienen uit te spreken over mensen die het handelen van de overheid wettelijk getoetst willen zien?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om te bevestigen dat iedereen, ook bewindspersonen, zich moeten houden aan de wet, rechterlijke uitspraken en vergunningsvoorschriften, ook als het gaat om de wolf? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Kamer u heeft verzocht om, waar spanningen zijn tussen de intensieve geitenhouderij, volksgezondheid en de bouw van betaalbare woningen, prioriteit te geven aan woningbouw én volksgezondheid boven de intensieve geitenhouderij?1
Ja.
Klopt het dat, zoals u in de Kamerbrief aangeeft, het maatregelenpakket met een landelijke afstandsnorm meer ontwikkelruimte biedt aan de intensieve geitenhouderij dan de huidige situatie met provinciale moratoria? Zo ja, waarom en hoeveel groei van de geitenhouderij verwacht u?2
Een afstandsnorm is een meer gerichte maatregel dan een moratorium. Een afstandsnorm grijpt in waar het risico is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden. Dat betekent dat er in gebieden waar het kan, meer ontwikkelruimte komt in vergelijking met de huidige situatie met moratoria. In gebieden dichtbij woonkernen wordt de ontwikkelruimte voor de geitenhouderij juist beperkt, ook in provincies waar nu geen moratorium geldt.
In de economische impactanalyse die als bijlage bij de Kamerbrief op 10 juli jl. is verstuurd3, is benadrukt dat de effecten voor de gehele geitensector zijn weergegeven, maar dat de impact voor individuele geitenbedrijven sterk verschilt afhankelijk van of zij onder de afstandsnorm vallen. In de impactanalyse is onder meer de verwachte groei van de sector gemodelleerd, op basis van historische gegevens. De onderzoekers gaan er daarbij van uit dat er pas vanaf 2035 ontwikkelruimte komt gezien de huidige beperkingen rondom vergunningverlening die volgen uit het stikstofbeleid. De onderzoekers komen uit op een groei (in absolute aantallen) van 3,3 bedrijven per jaar in heel Nederland en een gemiddelde groei van 51 geiten per bedrijf per jaar. Dit is een grofmazige berekening, gestoeld op diverse ruwe aannames ten behoeve van de snelheid van de analyse.
Kunt u bevestigen dat door het gezondheidsgevaar van geitenhouderijen de afstandsnorm ertoe leidt dat de geplande bouw van ruim 1.600 woningen niet door kan gaan en dat deze locaties naar verwachting ook op langere termijn ongeschikt zullen blijven voor de bouw van woningen, scholen, kinderdagverblijven en andere gevoelige functies?
Uit de ruimtelijke impactanalyse4 is gebleken dat naar schatting in totaal 1.527 woningen gepland zijn binnen de afstandsnorm van 500 meter. Het gaat hierbij naar schatting om 409 woningen met een harde planstatus en 1.118 woningen met een zachte planstatus. Voor woningen met een harde planstatus geldt dat zij niet geraakt worden door de afstandsnorm, omdat hun status onherroepelijk is. Voor de naar schatting 1.118 woningen met een zachte planstatus geldt dat moet worden onderzocht of het mogelijk is dat deze plannen met aanpassingen wel doorgang kunnen vinden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de lokale partijen die betrokken zijn bij deze plannen, zoals de gemeente, corporaties en marktpartijen. Daarbij kunnen partijen gebruik maken van maatregelen die zijn en worden genomen om de woningbouw te versnellen. Zo kan de lokale of regionale versnellingstafel worden benut om tot oplossingen te komen. Er kan daarom op dit moment niet met zekerheid worden gesteld hoeveel woningen definitief niet gebouwd kunnen worden. Of de locaties voor langere termijn ongeschikt zullen blijven, is de vraag. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken.
Kunt u aangeven hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen doordat geitenhouderijen een gevaar vormen voor de volksgezondheid en daarom de afstandsnorm moet worden ingevoerd?
We kunnen niet met zekerheid zeggen hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen, omdat binnen de afstandsnorm ook veel terreinen liggen die omwille van andere redenen niet beschikbaar zijn voor woningbouw. Het kabinet heeft hier geen nader onderzoek naar laten doen en beschikt daarom niet over die precieze gegevens.
Zoals het kabinet heeft aangegeven is het uitgangspunt dat uiteindelijk, door het inzetten op geborgde emissiereductie door maatregelen op bedrijfsniveau, de risico’s voor de volksgezondheid in de toekomst zoveel mogelijk worden geminimaliseerd. De afstandsnorm kan dan worden beëindigd. Grond wordt dus niet voorgoed ongeschikt voor woningbouw.
Gelet op het voorgaande, deelt u de conclusie dat in dit maatregelenpakket niet de woningbouw prioriteit heeft gekregen, maar het in stand houden van de intensieve geitenhouderij? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt maatregelen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Het beschermen van de volksgezondheid staat in de aanpak dus voorop. Waar er spanningen zijn tussen verschillende belangen heeft het kabinet, conform de wens van de Kamer, de volksgezondheid en woningbouw boven de intensieve geitenhouderij geprioriteerd. Op basis van een integrale afweging, waarbij veel belang is gehecht aan het effect op woningbouwplannen, en waarbij goed gekeken is naar het specifieke gezondheidsrisico op verschillende afstanden, heeft het kabinet gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter. Daarbij heeft het kabinet ook bepaald dat, hoewel op basis van de beschikbare informatie geen kwantitatieve relatie is vast te stellen tussen het aantal geiten en de emissie van het totaal aan bacteriën, endotoxinen en fijnstof, uitbreiding van geitenhouderijen binnen deze afstandsnorm uit voorzorg ook niet wordt toegestaan, in ieder geval zolang er geen effectieve maatregelen zijn die de emissies uit de stallen kunnen reduceren. Op deze manier wil het kabinet het invoeren van emissiebeperkende maatregelen ten behoeve van de gezondheid van omwonenden stimuleren.
Daarnaast gaat het kabinet aan de slag om voor prioritaire locaties te kijken wat er mogelijk is om de gezondheidsrisico’s terug te dringen. Welke maatregelen daarvoor mogelijk zijn, wordt in kaart gebracht; ook hierbij wil het kabinet volksgezondheid en woningbouw prioriteit geven indien zich spanningen voordoen waarbij dergelijke prioriteiten gesteld moeten en kunnen worden. Ook de inzet op emissiereductie door bedrijfsmaatregelen, het derde spoor van de kabinetsaanpak, is essentieel met name voor de volksgezondheid: dit spoor is erop gericht om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen (en indien mogelijk ook de afstandsnorm te kunnen beëindigen waardoor de mogelijkheden voor woningbouw niet meer belemmerd worden).
Het kabinet acht het niet mogelijk om te meten in hoeverre het ene belang ten opzichte van het andere belang profiteert.
Kunt u uitleggen hoe u met de nieuwe plannen de wens van de Kamer precies respecteert, en dus hoe precies de gezondheid van mensen en woningbouw meetbaar profiteert boven de geitenhouderij?3
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat er beleidsopties waren om maatregelen te nemen die beter zouden uitpakken voor zowel gezondheid als woningbouw, maar niet zo goed voor de geitenhouderij? Zo ja, waarom heeft u niet voor die opties gekozen, gezien de eerdergenoemde aangenomen motie? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het kabinet heeft een integrale afweging gemaakt aan de hand van het Gezondheidsraadadvies, aanvullende informatie van de VGO-onderzoekers en de uitgevoerde impactanalyse. De impactanalyse laat zien dat een afstandsnorm van 500 meter impact heeft op de woningbouw en geitenhouderijen. Een afstandsnorm van 1.000 meter zou een nog veel grotere impact hebben, óók op woningbouw, waardoor veel gebieden ruimtelijk op slot worden gezet. Gegeven het feit dat het gezondheidsrisico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is, acht het kabinet dat niet proportioneel.
Aangevuld met de prioritaire maatwerkaanpak en de inzet op emissiereducerende maatregelen om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen, acht het kabinet dit een evenwichtig pakket, waarvoor geen duidelijk alternatief beschikbaar is dat beter zou uitpakken voor gezondheid en woningbouw en ook proportioneel en maatschappelijk haalbaar is.
Heeft u gezien dat de Kamer van mening is dat het niet uit te leggen is dat mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland (Kamerstuk 29 683, nr. 320)?
Vindt u dit wel uit te leggen?
Waarom kiest het kabinet er dan toch voor om de woningbouw in te perken in plaats van de intensieve geitenhouderij in te krimpen?
Bent u van mening dat, met het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, risico's voor de volksgezondheid volledig worden weggenomen of tot een minimum worden beperkt? Zo ja, op welke wetenschappelijke informatie baseert u dat?
Nee, het invoeren van een afstandsnorm voorkomt alleen dat gezondheidsrisico’s toenemen door nieuwvestiging van geitenhouderijen in de directe omgeving van woonkernen en gevoelige bestemmingen, of vice versa. Het kabinet wil zich ook inzetten om het risico voor omwonenden in bestaande situaties te verminderen. Enerzijds zetten we in op mogelijke emissiereductie door technische maatregelen op bedrijfsniveau. Hiervoor is eerst meer kennis en onderzoek nodig. Anderzijds zetten we in op een maatwerkaanpak in prioritaire situaties, waar de risicogroep het grootst of de kwetsbaarheid van de omwonenden het hoogst is. Zoals aangegeven,8 wordt nog gewerkt aan de uitwerking daarvan.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke gezondheidskundige overwegingen het kabinet heeft gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, terwijl volgens de Gezondheidsraad de kans op longontsteking nog steeds gemiddeld negentien procent hoger ligt binnen een afstand van 1.000 meter ten opzichte van daarbuiten?
Het geschatte risico op longontsteking is het sterkst verhoogd op 0–500 meter van een geitenhouderij. Het risico is binnen die afstand 73% hoger (3,2% kans op longontsteking per jaar i.p.v. 1,9%). Het geschatte risico binnen de volledige straal van 1.000 meter is, volgens het VGO-III-onderzoek, weliswaar 19% verhoogd, maar uit de antwoorden van de VGO-onderzoekers op aanvullende vragen9 blijkt dat het risico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is. Het verhoogde risico binnen 0–1.000 meter is dus vooral te wijten aan het relatief sterke effect op korte woonafstand, binnen de straal van 500 meter.
Heeft het kabinet voorafgaand aan het vaststellen van het maatregelenpakket overleg gevoerd met de Gezondheidsraad over de keuze voor een afstandsnorm van 500 meter? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen voor het eerstvolgende debat over zoönosen en dierziekten?
Adviseert de Gezondheidsraad op dit moment een afstandsnorm van 500 meter, of houdt de Gezondheidsraad vast aan het advies om uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
Heeft de Gezondheidsraad naar aanleiding van de nadere VGO-analyses zijn eerdere oordeel gewijzigd? Zo nee, waarom wijkt u af van de het advies van deze belangrijke onafhankelijke adviesraad?
Welke gezondheidsrisico’s voor omwonenden blijven volgens het kabinet bestaan in de zone tussen 500 meter en 1.000 meter van een geitenhouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hoe verhoudt de keuze voor 500 meter zich tot het voorzorgsbeginsel, in het licht van het advies van de Gezondheidsraad dat adviseert uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
De Gezondheidsraad kijkt voor zijn adviezen primair naar het belang voor de volksgezondheid. Het kabinet stelt de volksgezondheid voorop, en weegt ook andere belangen mee, zoals impact op de woningbouwopgave. Het advies van de Gezondheidsraad in acht genomen hebbend, en het aanvullende gegeven dat het risico tussen 500–1.000 meter niet statistisch significant verhoogd is (zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 12), is het uiteindelijk aan het kabinet om te komen tot een zorgvuldig afgewogen maatregelenpakket dat in verhouding staat tot de verschillende belangen die meespelen. Dat sluit ook aan bij het advies van de Gezondheidsraad zelf: de raad benadrukt dat de vraag welke invulling van het voorzorgsbeginsel proportioneel is, welk gezondheidsrisico daarbij als acceptabel wordt beschouwd en hoe belangen van betrokkenen worden gewogen een politiek-bestuurlijke afweging is.
Kunt u aangeven waarom u een afstandsnorm van 1.000 meter «niet proportioneel» acht, in relatie tot de aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 29 683, nr. 320) die verzoekt om woningbouw én volksgezondheid te prioriteren boven de belangen van de intensieve geitenhouderij, gezien de motie nadrukkelijk de voorkeur gaf aan kiezen voor de beste keuze voor gezondheid én woningbouw en niet voor geitenhouderijen?
Zie de antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Kunt u bevestigen dat geitenhouders niet alleen maatregelen zullen moeten treffen om volksgezondheidsrisico's te verminderen, maar dat er ook andere opgaven voor deze sector zijn, zoals stikstof, mest, natuur, klimaat en dierenwelzijn?
Deelt u de mening dat ook in dit geval voorkomen moet worden dat wordt gestuurd op één deelprobleem, en dat in plaats daarvan de opgaven integraal moeten worden aangepakt?
Kunt u aangeven waarom het kabinet kiest voor een maatregel die één deelprobleem adresseert, terwijl de intensieve geitenhouderij tegelijkertijd voor bredere maatschappelijke opgaven staat?
Deelt u de mening dat het onwenselijk en oneerlijk is als geitenhouders de komende jaren fors moeten investeren in bepaalde emissiereducerende maatregelen in hun stal, terwijl dergelijke maatregelen mogelijk niet passen binnen een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Het is van meerwaarde om bij te nemen bedrijfsmaatregelen rekening te houden met de doelstelling voor een dierwaardige veehouderij. Het onderzoek van WUR naar emissiebeperkende maatregelen in de geitenhouderij richt zich op het zoeken naar effectieve maatregelen om de emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof te verlagen. Het uitgangspunt, op basis van het Gezondheidsraadadvies, is dat door het verlagen van deze emissies het risico op longontsteking bij omwonenden wordt verminderd. In de opdracht aan WUR is opgenomen dat voor de te onderzoeken maatregelen óók indicaties van mogelijke effecten op andere opgaven, waaronder de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij, in kaart zullen worden gebracht. Mochten er maatregelen uit het WUR-onderzoek komen die bewezen effectief zijn, dan kan dan ook het effect op dierwaardigheid (en de andere opgaven) worden meegewogen zodat een integrale afweging kan worden gemaakt.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat geitenhouders investeren in technische maatregelen die onverenigbaar zijn met een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Zie antwoord vraag 22.
Waarom kiest het kabinet ervoor om nu al voor te sorteren op het in de toekomst schrappen van de afstandsnorm, zonder dat is vastgesteld dat emissiebeperkende maatregelen effectief zijn? Hoe groot schat u de kans in dat dit werkelijkheid wordt en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Zoals bij elke regelgeving zijn wijzigingen niet permanent. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken. De inzet van het kabinet is om te komen tot zulke emissiereducerende bedrijfsmaatregelen, en daartoe wordt door Wageningen University & Research (WUR) meerjarig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Het is op voorhand niet te zeggen of er daadwerkelijk effectieve emissiereducerende maatregelen uit dit onderzoek voort zullen komen.
Bent u bereid om «bij de verdere uitwerking» niet alleen gemeenten en provincies te betrekken, maar ook gezondheidsexperts van de Gezondheidsraad en GGD’en? Hoe gaat u dat doen?
Het past niet bij de rol van de Gezondheidsraad als onafhankelijke, wetenschappelijke adviesraad om betrokken te zijn bij de verdere uitwerking van het beleid. GGD’en zijn op verschillende momenten in het proces reeds meegenomen. Het kabinet is voornemens om hen bij de verdere uitwerking van, onder andere, de prioritaire maatwerkaanpak te betrekken.
Kunt u een tijdspad geven van de wettelijke procedures (zoals een plan-milieueffectrapportage) die doorlopen worden voor invoering van de maatregel?
De invoering van de maatregel vergt een aanpassing van het Besluit activiteiten leefomgeving en/of het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gemiddeld duurt het traject inclusief plan-milieueffectrapportage 2,5 tot 3 jaar. In de stand van zakenbrief van het kabinet eind dit jaar kan een meer specifieke planning voor de procedure worden opgenomen.
Het kabinet vraagt gemeenten in de Kamerbrief om «de laatste inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen vooruitlopend op deze regelgeving», maar wat betekent dit concreet? Wordt daarin meegegeven dat de Kamer het belangrijk vindt dat de belangen van gezondheid en wonen samen boven de belangen van geitenhouderijen worden gesteld?
Het kabinet verzoekt gemeenten om bij nieuwe plannen rekening te houden met de voorgenomen afstandsnorm. Dat houdt in dat gemeenten in overweging nemen dat er bij nieuw te realiseren woningen of andere gevoelige bestemmingen voldoende afstand is tot bestaande geitenhouderijen. Daarnaast vragen we provincies en gemeenten ook om rekening te houden met de afstandsnorm bij vergunningverlening voor nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het commissiedebat «Zoönosen en dierziekten» van 9 september 2026?
De vragen worden voor het commissiedebat Zoönosen en dierziekten van 9 september beantwoord. In de beantwoording is een aantal vragen gebundeld, gezien de overlap en samenhang in de antwoorden.
De openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) is verlengd tot en met 27 januari 2027?1
Ja, van dat bericht heb ik kennisgenomen.
Op 22 juli jl. is de openstellingsperiode van de Sem verlengd tot en met 27 januari 2027 in plaats van de initiële einddatum van 29 juli 2026. In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd om vergunningverlening weer op gang te brengen. Een belangrijk onderdeel daarvan is het ondersteunen van boerenbedrijven bij het nemen van maatregelen die bijdragen aan het verminderen van emissies, waaronder extensivering. De Sem is één van de maatregelen waarmee het kabinet ondernemers ondersteunt. De verlenging van de openstelling van de Sem sluit daarmee aan bij de aanpak van het kabinet om weer ruimte te maken voor vergunningverlening en boeren te ondersteunen naar een toekomstbestendig bedrijf.
Klopt het dat zich tot op heden 42 melkveehouders hebben aangemeld voor de SEM? Zo ja, hoeveel kilogram fosfaatrechten vertegenwoordigen deze aanmeldingen?
Het klopt dat tot op heden 42 melkveehouders zich hebben aangemeld voor de Sem. Zie voor het aantal aanvragers dat zich heeft teruggetrokken en het aantal kilogram fosfaatrechten het antwoord op vraag 1 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Wat is de aanleiding geweest om de openstelling van de SEM te verlengen? In hoeverre houdt deze verlenging verband met de tot nu toe beperkte belangstelling voor de regeling?
Zie voor de aanleiding om de openstelling van de Sem te verlengen het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven welke signalen u uit de sector heeft ontvangen over de beperkte belangstelling voor de SEM?
De sector heeft aangegeven signalen te hebben gehad dat melkveehouders hebben gewacht op de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw» van 26 juni jl. Onder andere de voorgestelde koppeling van de bedrijfsspecifieke emissienormen voor melkveebedrijven aan fosfaatrechten geeft onzekerheid. De sector geeft aan dat dit onder andere leidt tot het willen behouden van dieren en fosfaatrechten. Daarnaast geeft de sector aan dat een rol speelt dat de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem lager is dan de huidige marktwaarde.
Houdt de beperkte belangstelling naar uw oordeel verband met de knelpunten waarover eerder schriftelijke vragen (Kamerstuk 2026Z15702) zijn gesteld, waaronder het gebruik van 2025 als referentiejaar, de voorwaarden ten aanzien van het graslandareaal en de hoogte van de vergoeding voor fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?
Zie voor het antwoord op deze vraag de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Verwacht u dat de verlenging van de openstelling zal leiden tot een substantiële toename van het aantal aanvragen? Waarop baseert u die verwachting?
In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd. Nu daar meer over bekend is, kunnen melkveehouders de aangekondigde maatregelen betrekken bij de toekomstplannen voor hun bedrijf. Ik verwacht dat er melkveehouders zullen zijn die de langere openstellingsperiode zullen gebruiken voor de keuze om al dan niet deel te nemen aan de Sem. Dit zijn individuele ondernemersbeslissingen. Het is niet in te schatten hoe groot de toename van het aantal aanvragen zal zijn. Het definitief aantal deelnemende veehouders zal na de sluiting van de openstelling bekend zijn.
Het wolven – en natuurbeleid |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat we in een biodiversiteitscrisis zitten (zie onder andere de gezamenlijke conclusies van het Intergouvernementeel Wetenschaps- en Beleidsplatform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC))? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het gaat inderdaad over het algemeen niet goed met natuur en biodiversiteit in Nederland. Dit blijkt, naast uit de rapporten van IPBES en IPCC, ook uit nationale rapportages zoals die van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en de elfde Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 472).1 We zien dat lokaal ook verbetering plaats vindt door natuurherstelmaatregelen, maar over het geheel bezien nemen bijzondere, van oorsprong hier voorkomende natuurwaarden nog steeds af. De natuur wordt daarmee steeds eenvormiger in plaats van (bio)diverser. De nationale rapportages voor Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn over de periode 2019–2024 laten zien dat slechts 6 van de 52 habitattypen (12%) en 20 van de 91 Habitatrichtlijnsoorten (22%) in gunstige staat zijn. De vogels laten een iets rooskleuriger beeld zien, maar daarvoor worden alleen aantallen en trends gerapporteerd en niet of die aantallen voldoende zijn.
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat wolven een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan herstel van natuur en biodiversiteit in Nederland en daarmee bijdragen aan een gezondere en veiligere toekomst voor de mens? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Een wolf is een groot roofdier en heeft een belangrijke sturende rol in het ecosysteem. Hij staat bovenaan in de voedselpiramide.
Bent u bereid om te werken aan initiatieven die meer bekendheid geven aan de positieve bijdrage van wolven voor Nederland? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Via het Landelijk Informatiepunt Wolven (LIW) wordt bekendheid gegeven aan de aanwezigheid van wolven in Nederland. Het LIW biedt feitelijke, actuele en toegankelijke informatie over wolven in Nederland en is een centrale plek waar iedereen terecht kan met vragen over wolven.
Kunt u bevestigen dat wetenschappers van onder andere het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) aangeven dat Nederland meer ruimte moet maken voor natuur?
Dit blijkt inderdaad uit onderzoek van PBL en ook uit bijvoorbeeld de hiervoor aangehaalde rapportage over soorten en habitattypen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR).2 Een belangrijke voorwaarde voor de duurzame instandhouding van VHR-beschermde natuur is voldoende ruimte. De natuurherstelverordening bevat bindende en tijdsgebonden verplichtingen en maakt de noodzaak voor meer ruimte voor natuur daarmee extra urgent.
Naast deze wettelijke verplichtingen toont onderzoek aan dat investeringen in natuur tal van maatschappelijke en economische voordelen hebben.
Hoeveel schapen houden we in Nederland en hoeveel worden er per jaar geslacht? Hoeveel daarvan is voor de export?
In 2025 was het gemiddeld aantal schapen in Nederland ongeveer 900.500 schapen. In dat jaar zijn ongeveer 481.000 slachtingen gemeld. Het is niet bekend hoeveel geslachte schapen bestemd waren voor de export.
Kunt u bevestigen dat Nederland het meest veedichte land is van Europa?
Ja.
Deelt u de opvatting dat daar iets aan moet veranderen en er zo meer ruimte moet komen voor natuur en in het wild levende dieren, zoals wolven? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de wettelijke verplichting om te zorgen voor de duurzame instandhouding van VHR-beschermde soorten en habitattypen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat daarvoor meer ruimte nodig is. Dat hoeft niet allemaal te worden ingevuld met gebieden met een exclusieve natuurfunctie; leefgebieden van veel soorten kunnen bijvoorbeeld goed samengaan met andere functies. De ruimtelijke inpassing van de Nederlandse natuurdoelen vraagt zorgvuldige afweging met andere ruimtelijke opgaven.
Kunt u met de Kamer delen met welke diersoorten het niet goed gaat, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om die negatieve trend aantoonbaar te keren en welke tijdlijn daarbij hoort, aangezien er een duidelijke opdracht vanuit de Kamer ligt (motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 21 501–08, nr. 942)) aan het kabinet om met maatregelen te komen om ervoor te zorgen dat de negatieve trend voor verschillende dierpopulaties zo snel mogelijk wordt gekeerd en dat er extra maatregelen worden getroffen om aan alle bestaande natuurafspraken te voldoen? Kunt u met de Kamer ook delen aan welke bestaande (Europese) afspraken rondom natuur het kabinet nog niet voldoet, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om hier alsnog aan te voldoen en welke tijdlijn daarbij hoort?
Zoals aangegeven in de meest recente rapportage van de VHR gaat het met een aanzienlijk deel van de Nederlandse beschermde soorten niet goed. Via verschillende instrumenten en programma’s wordt gewerkt aan populatieherstel (bijvoorbeeld Programma Natuur, Groen in en om de Stad, Basiskwaliteit Natuur). In het kader van de NHV worden aanvullende maatregelen ontwikkeld om de situatie te verbeteren. Voor diersoorten bevat de NHV een algemene verplichting om voor alle VHR-soorten voldoende leefgebied van voldoende kwaliteit te verzekeren. Daarnaast zijn er ook tijdgebonden kwantitatieve verplichtingen voor specifieke soortgroepen (boerenlandvogels, bosvogels, mariene soorten en bestuiverpopulaties). Het kabinet geeft invulling aan deze verplichtingen in het Natuurplan. Voor het voldoen aan de bestaande Europese afspraken rondom natuur heeft het kabinet extra maatregelen genomen met het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof (Kamerstuk II 2025–2026, 36 800 XIV, nr. 87).
Erkent u dat het belangrijk is dat we leren samenleven met de wolven en dat de overheid een cruciale rol speelt in het faciliteren daarvan? Zo nee, waarom niet?
De wolf is er nu eenmaal in Nederland, dus we moeten manieren vinden om daar op een goede manier mee om te gaan. Hierbij heb ik extra oog voor de veiligheid van inwoners in wolvengebieden. Via het LIW en nationale regelgeving geef ik invulling aan mijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het omgaan met wolven in Nederland.
Deelt u de opvatting dat samenleven met de wolf betekent dat wij mensen ons ook aanpassen aan de aanwezigheid van wolven in Nederland, zoals we ons ook aanpassen aan andere dieren (denk aan broedende vogels, zwanen met kleintjes, et cetera)? Welke wettelijke of bestuurlijke aanpassingen, bijvoorbeeld in ruimtelijke ordening of recreatiegedrag, gaat u in dat kader nemen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Deelt u de opvatting dat het uitbreiden van het natuurareaal en wegwerken van de versnippering van natuur in Nederland de kans kleiner zou maken op zogenaamde «probleemsituaties met een wolf»? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijk bronnen baseert u zich? Zo ja, bent u bereid zich daar meer voor in te zetten en wat gaat u concreet extra doen?
Het ligt in de verwachting dat een uitbreiding of ontsnippering van dat habitat ertoe leidt dat er in beginsel ruimte komt voor het bestaand aantal roedels wolven. Of het ook leidt tot een kleinere kans op probleemsituaties met wolven kan ik nu niet zeggen, er is geen onderzoek naar gedaan.
Voor zover het gaat om wolvenaanvallen op vee heeft Wageningen Environmental Research, zoals ik u in mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 484) heb gemeld, een ruimtelijke analyse uitgevoerd van de schade in Nederland. De onderzoekers concluderen dat het grootste deel van de aanvallen door gevestigde wolven vallen binnen beperkte gebieden die aangewezen zouden kunnen worden als preventiezones waar wolfwerende maatregelen nodig zijn. Momenteel bezie ik wat deze resultaten betekenen voor de invulling van de open norm uit het Besluit houders van dieren met een beleidsregel en voor andere beleidsdossiers. Dit wordt mede onderwerp van gesprek tijdens het Nationaal Wolvenberaad in december.
Erkent u dat de algemene maatregel van bestuur (AMvB) wel nieuwe beoordelingsregels introduceert voor de begrippen «probleemwolf» en «probleemsituatie met een wolf», maar niet concreet vastlegt welk handelingsprotocol geldt wanneer zich morgen een incident met een wolf voordoet? Zo nee, waarom niet?
Provincies zijn bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen voor een flora- en fauna-activiteit. De amvb vult de beoordelingsregels voor een flora- en fauna-activiteit voor handelingen met betrekking tot een wolf in afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) aan met specifieke regels voor het geval sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» (de nieuwe artikelen 8.74la en 8.74lb Bkl). Deze aanvullende beoordelingsregels zijn bedoeld om het bevoegd gezag specifieke handvatten te bieden voor de toetsing aan de vereisten voor vergunningverlening. Het is aan bevoegd gezag om hieraan invulling te geven in het kader van de daadwerkelijke vergunningverlening.
Worden onafhankelijke wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts gevraagd om advies bij verdere invulling van de AMvB en wordt dit advies leidend? Zo nee, waarom niet? Hoe ziet de tijdlijn voor het vervolgproces eruit?
De amvb behoeft geen verdere invulling en er is hiervoor daarom geen vervolgproces waar wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts bij worden betrokken. Wel moeten provincies, als bevoegd gezag, als zij bij de vergunningverlening gebruik maken van de mogelijkheden die de amvb biedt, gebruikmaken van het oordeel van wolvendeskundigen bij de vraag of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf». Provincies kunnen zelf bepalen welke deskundigheid er in specifieke gevallen nodig is en eventueel nadere eisen stellen aan de in te schakelen deskundige.
Kunt u per situatie aangeven welke landelijke scenario’s, draaiboeken of protocollen inmiddels gereed zijn voor situaties, zoals: een wolf nabij bebouwing, een wolf bij honden, een wolf bij goed beschermd vee, een wolf op of nabij een speelplek, een wolf die een mens verwondt? Wie gaat in zulke gevallen ter plaatse? Wie stelt de feiten vast? Wie duidt het gedrag van de wolf? Wie communiceert met omwonenden en wie neemt het besluit om op te schalen? Hoe wordt geborgd dat de betrokkenen geen jagersbelangen hebben?
Het opstellen van draaiboeken en protocollen, als ook het per geval vaststellen of er sprake is van een probleemsituatie of een probleemwolf is de bevoegdheid van gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen op welke manier het dit plaatsvindt.
Is het uitgangspunt om alles te doen om te voorkomen dat wolven moeten worden gedood en dat dus eerst alle alternatieven moeten zijn uitgeprobeerd? Zo nee, waarom wordt gemakzuchtig omgegaan met het doden van een prachtig dier dat recht heeft op ruimte in Nederland?
De Europese regelgeving bepaalt de algemene kaders van het Nederlandse wolvenbeleid. Het verlenen van een vergunning voor het doden, of vangen, van een wolf is binnen deze kaders mogelijk, wanneer aan bepaalde vereisten is voldaan. Het eerste vereiste is dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, het tweede vereiste is de aanwezigheid van een goede rechtvaardigingsgrond voor de handeling. Het derde vereiste is dat het ingrijpen geen afbreuk doet aan het streven om de wolf in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het bevoegd gezag toetst dus bij de beoordeling van een vergunningaanvraag onder meer of er geen minder ingrijpende alternatieve maatregelen dan het opzettelijk doden van de wolf zijn. Er wordt in de praktijk serieus omgegaan met deze voorwaarden en er wordt niet lichtzinnig omgegaan met het doden van wolven.
Klopt het dat door de gewijzigde beschermingsstatus verjaging of verstoring van wolven in bepaalde situaties zonder omgevingsvergunning kan plaatsvinden, maar dat daarbij nog steeds de specifieke zorgplicht geldt? Hoe voorkomt u dat deze wijziging in de praktijk wordt opgevat als een vrijbrief voor burgers, dierhouders of andere partijen om zelfstandig wolven te verjagen?
Het klopt dat het enkel verstoren van wolven niet langer vergunningplichtig is nu de wolf is toegevoegd aan bijlage IX bij artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Wel valt verstoring onder de specifieke zorgplicht, die is geregeld in artikel 11.27 van het Bal. Provincies zijn voor de specifieke zorgplicht het bevoegd gezag. Die zorgplicht houdt kort gezegd in dat van de initiatiefnemer van een activiteit die nadelige gevolgen kan hebben voor een soort, wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen daadwerkelijk nadelige gevolgen kan hebben en ook hoe hij die gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen. Het uitgangspunt van deze specifieke zorgplicht is ook dat handelingen met mogelijk nadelige gevolgen voor in het wild levende planten en dieren achterwege worden gelaten. Dit betekent dat verstoring op een zorgvuldige manier moet gebeuren om nadelige gevolgen voor in dit geval de wolvenpopulatie te voorkomen. Provincies kunnen daarover maatwerkregels stellen of in individuele gevallen maatwerkvoorschriften geven, om duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop bij het verstoren van wolven aan de zorgplicht invulling kan worden gegeven (artikelen 11.29 en 11.31 van het Bal). In de praktijk zal de verstoring vaak gebeuren door gespecialiseerde eenheden die in opdracht van de provincie werken. Hiermee is gewaarborgd dat er geen sprake kan zijn van een vrijbrief en dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met het verjagen van wolven.
Welke middelen zijn volgens u toegestaan om wolven te verjagen? Wie mag die middelen inzetten? Onder wiens verantwoordelijkheid gebeurt dat? Wie handhaaft en wanneer komt er een landelijk protocol voor zorgvuldige en deskundige aversieve conditionering?
De toegestane middelen zijn niet gespecificeerd en er is, mits het legaal toegestane middelen betreft, geen beperking aan diegenen die deze middelen mogen gebruiken. Er wordt in de praktijk van uitgegaan dat alle legale middelen zijn toegestaan, mits deze niet dodelijk zijn en geen inbreuk maken op de staat van instandhouding, waaronder middelen die geluid- en lichtsignalen verspreiden. Het bevoegd gezag kan, desgewenst met behulp van een wolvendeskundige, bepalen welke middelen in welke situatie en op welke ingezet kunnen worden. Het verjagen en verstoren van de wolf valt daarnaast onder de specifieke zorgplicht die is geregeld in artikel 11.27 van het Bal. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 16.
Kunt u zich herinneren dat de Raad van State erop heeft gewezen dat de rol, onafhankelijkheid en expertise van de wolvendeskundige onvoldoende duidelijk waren uitgewerkt? Kunt u aangeven aan welke harde criteria een onafhankelijke wolvendeskundige moet voldoen? Hoe belangenverstrengeling met bijvoorbeeld jagers en agrarische sector wordt uitgesloten en of provincies verplicht worden gebruik te maken van een landelijk deskundigenteam?
In het advies is de Afdeling advisering van de Raad van State inderdaad ingegaan op de door het bevoegd gezag bij de beoordeling van vergunningaanvragen te betrekken wolvendeskundige. In de nota van toelichting ben ik daarom nader ingegaan op de rol van deze wolvendeskundige bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag. Een wolvendeskundige heeft expertise op het gebied van wolvengedrag, wetgeving of sociale impact en heeft daarom kennis over de interactie tussen wolven en hun leefomgeving, hoe een roedel functioneert, migreert of jaagt. Vanuit zijn expertise kan hij bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Zijn deskundigheid kan blijken uit kennis en ervaring op een specifiek onderwerp over de wolf door wetenschappelijke publicaties of breed erkende meerjarige professionele ervaring. Het is aan het bevoegd gezag om een deskundige te kiezen en eventueel nadere eisen te stellen aan de in te schakelen deskundige. Hierbij is het van belang dat de onafhankelijkheid en expertise van de geraadpleegde wolvendeskundige maatschappelijk niet ter discussie staat. De deskundige zal bijvoorbeeld zelf geen direct belang mogen hebben bij het doden of vangen van wolven en geen deel mogen uitmaken van een actiegroep of een organisatie waarvan de maatschappelijke integriteit rond de positie van de wolf ter discussie staat. Er kan voor een deskundige uit het nog op te richten Landelijk Deskundigenteam Wolven worden gekozen, dit is niet verplicht.
Wanneer is duidelijk hoe dit deskundigenteam wordt samengesteld, welk mandaat het krijgt, hoe het wordt gefinancierd en binnen welke termijn het na een incident ter plaatse kan zijn?
De provincies hebben het voortouw bij de inrichting van dit team. Om provincies hierbij te helpen, ondersteun ik bij de oprichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven, dat zal bestaan uit deskundigen met brede expertise, waaronder deskundigheid over wolvengedrag, juridische kennis en diergeneeskundige deskundigheid. Het doel van dit Landelijk Deskundigenteam is de bevoegde overheden van duiding en onafhankelijk advies te voorzien bij incidenten. Naar verwachting is dit team op voor het eind van het jaar operationeel.
Bent u bereid om in lijn met de aangenomen motie-Podt/Kostic (Kamerstuk 33 576, nr. 438) een instructie mee te geven aan provincies om bij de oprichting van het landelijk deskundigenteam mee te nemen in het advies van de kwartiermaker dat dit team multidisciplinair moet zijn en de aanstelling van leden niet gebaseerd mag zijn op politieke voorkeuren, maar gebaseerd moet zijn op objectieve profielen van deskundigheid en ervaring en om te zoeken naar een organisatorische structuur die de onafhankelijkheid van het team waarborgt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik u in mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 484) heb gemeld, hebben de provincies het voortouw bij de inrichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven. Hierbij wordt rekening gehouden met deskundigheid en objectiviteit van de leden. Het past niet bij de bevoegdheidsverdeling tussen Rijk en provincies om hier een instructie over mee te geven.
Kunt u bevestigen dat de Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat in de toelichting een overtuigende motivering ontbreekt waarom een vergunning op voorhand binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan een individuele vergunning voor afschot van een «probleemwolf» en dat de Afdeling ook opmerkt dat ook met een individuele vergunning snel en adequaat kan worden opgetreden?
Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025/26, 33 576, nr. 486) heb aangegeven, heeft de Raad van State in haar advies van 20 mei jl. aangegeven de toelichting van de meerwaarde van deze vergunning op voorhand nog niet overtuigend te vinden en geadviseerd nader te motiveren waarom dit een passend instrument is voor de aanpak van ernstige incidenten, hoe dit instrument kan dienen om snelheidswinst te behalen ten opzichte van de individuele vergunningen, en hoe het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling moet worden geduid. Naar aanleiding van dit advies heb ik de nota van toelichting daarom aangevuld en heb ik daarnaast de bepaling over feitelijke vaststelling gewijzigd.
Waarom houdt u vast aan de mogelijkheid van een vergunning op voorhand voor het doden van wolven die in toekomstige situaties mensen letsel toebrengen, terwijl de Raad van State dus vragen heeft bij de meerwaarde, snelheid, rechtsbescherming en juridische duiding van dit instrument?
Als een mens door een wolf is aangevallen en er daarbij ook letsel is toegebracht, is er sprake van een zeer ernstige situatie met grote maatschappelijke onrust tot gevolg. In zo’n situatie moet er snel kunnen worden gehandeld en moet worden voorkomen dat op dat moment nog een volledige vergunningprocedure moet worden doorlopen. Daarom vind ik het van belang dat het voor deze meest ernstige situatie van agressie mogelijk is om vooraf een vergunning te verlenen voor het doden van een wolf. Als voor deze situaties op voorhand al een vergunning is verleend, ligt deze vergunning als het ware al op de plank en kan snel worden ingezet. Gelet op de vragen van de Raad van State heb ik de nota van toelichting op dit punt aangevuld, waarbij nader is ingegaan op de passendheid, wenselijkheid en meerwaarde van het instrument van de vergunning op voorhand voor toekomstige situaties, en op de specifieke waarborgen die zijn verbonden aan deze vergunning. Daarnaast heb ik naar aanleiding van de vragen van de Raad van State over het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling – zoals ook toegelicht in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025/26, 33 576, nr. 486) – de bepaling over deze feitelijke vaststelling gewijzigd in een advies- en informatieplicht waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Dat voorschrift houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning in het specifieke geval – waarbij het bevoegd gezag een deskundige raadpleegt – en vervolgens het bevoegd gezag moet informeren over de wijze waarop hij bij het gebruik van de vergunning gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag en de wolvendeskundige. Met deze wijziging worden onduidelijkheden over het rechtskarakter voorkomen en blijft de snelheid van het proces behouden. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Kunt u alsnog een onderbouwde argumentatie geven waarom een vergunning op voorhand binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan een individuele vergunning voor afschot van een wolf? Kunt u daarbij concreet aangeven hoeveel sneller de vergunning op voorhand in de praktijk zou werken dan een individuele vergunning? Kunt u aangeven welke extra risico's op fouten daar tegenover staan?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 22 heb aangegeven, is er als een mens door een wolf is aangevallen en daarbij ook letsel is toegebracht, sprake van een zeer ernstige situatie met grote maatschappelijke onrust tot gevolg. In zo’n geval moet er snel kunnen worden ingegrepen. Het kan dan immers noodzakelijk zijn om direct in te grijpen om te voorkomen dat de situatie zich herhaalt of dat het gevaarlijke gedrag wordt overgenomen door andere wolven van dezelfde roedel, wat mogelijk tot grootschaliger ingrijpen met voor de populatie grotere gevolgen zou kunnen noodzaken. Bij deze incidentele gevallen gaat het daarnaast om de meest ernstige situaties van agressie van een wolf naar een mens, waarbij het belang van leven en gezondheid van mensen zwaar weegt. Artikel 8.74lb, tweede lid, van het Bkl maakt het mogelijk dat er voor deze meest ernstige situatie van agressie op voorhand een vergunning is verleend, zodat deze op de plank ligt als zo’n situatie zich voordoet en er niet nog een volledige vergunningprocedure doorlopen moet worden.
Omdat het gaat om een vergunning voor toekomstige situaties, waarbij op het moment van vergunningverlening nog onduidelijk is welke wolf het betreft, wordt aan deze vergunning een advies- en informatieplicht verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie (zie ook mijn antwoord op vraag 22).
Aangezien de Raad van State zich afvraagt of de combinatie van het verlenen van de vergunning op voorhand en het later «activeren» daarvan niet averechts kan werken, doordat op twee momenten juridische procedures kunnen ontstaan, onderschrijft u dit risico, en zo ja, hoe weegt u dit risico af tegen de beoogde snelheidswinst?
Nee. Zoals ik mijn antwoorden op de vragen 22 en 23 heb toegelicht, is de bepaling over de feitelijke vaststelling naar aanleiding van het advies van de Raad van State gewijzigd. In deze antwoorden heb ik toegelicht dat dit gewijzigde voorschrift is vormgegeven in een advies- en informatieplicht. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Aangezien de Raad van State het een tekortkoming noemt dat het kabinet geen duidelijkheid geeft over het rechtskarakter van de vaststelling dat een wolf letsel aan een mens heeft toegebracht, kwalificeert u deze vaststelling als een zelfstandig appellabel besluit, als een bestuurlijk rechtsoordeel of als een louter feitelijke handeling en welke rechtsmiddelen staan in elk van die gevallen open voor belanghebbenden?
Zie mijn antwoorden op de vragen 22, 23 en 24.
Hoe waarborgt u dat ook bij gebruik van een koepelvergunning steeds een individuele, feitelijke en ecologische beoordeling plaatsvindt, inclusief toetsing aan niet-dodelijke alternatieven en de staat van instandhouding? Kunt u toelichten of en hoe u hier wetenschappers bij gaat betrekken?
Het gaat om een vergunning op voorhand voor toekomstige situaties. Bij de verlening van deze vergunning is het bewijsvermoeden van overeenkomstige toepassing, waardoor het bevoegd gezag bij de beoordeling in beginsel kan uitsluiten dat er minder ingrijpende alternatieve maatregelen beschikbaar zijn en ervan uit kan gaan dat er een rechtvaardigingsgrond is. Ook kan op het moment van verlening worden getoetst of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding. Gelet op het feit dat het hier om zeer incidentele gevallen gaat, want gekoppeld aan de meest ernstige situatie van agressie en bovendien in een context van een nog steeds groeiende populatie, zal een negatief effect op de populatie naar verwachting kunnen worden uitgesloten. Daarnaast moet ook het van hogere orde zijnde universele recht op leven en verbod van foltering (artikelen 2 en 3 van het EVRM en artikel 2 van het Handvest grondrechten van de Europese Unie) in de afweging bij de verlening van deze vergunning worden betrokken. Deze grondrechten vragen de overheid immers om actief invulling te geven aan het voorkomen van inbreuken op deze rechten en in te grijpen en zich in te spannen om het leven en welzijn van ingezetenen te beschermen als er een acuut risico dreigt voor dat leven of het oplopen van verwondingen.
Omdat op het moment van vergunningverlening nog niet is vastgesteld om welke wolf het gaat, is het van belang dat extra wordt geborgd dat deze vergunning alleen wordt gebruikt in die situatie waarvoor de vergunning is bedoeld. Daartoe is in de amvb geregeld dat aan zo’n vergunning een advies- en informatieplicht is verbonden. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 22 en 23.
Bent u bereid provincies te verzoeken geen koepelvergunning te verlenen of te gebruiken zolang de juridische houdbaarheid, rechtsbescherming, onafhankelijke deskundigheid en provinciale uitvoering niet aantoonbaar zijn geborgd? Zo nee, waarom niet?
Het is aan gedeputeerde staten als bevoegd gezag om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om een vergunning op voorhand te verlenen. Ik verzoek hen juist om van deze mogelijkheid gebruik te maken.
Bent u bereid om begrippen als «verstoring», «aversieve conditionering», «pogingen», «hetzelfde gebied» en «geïnteresseerd lijkt» alsnog nader te duiden in een ministeriële regeling, beleidsregel of werkinstructie voor wolvendeskundigen en bevoegde gezagen, om eenduidige toepassing tussen provincies te waarborgen en misbruik of rechtsonzekerheid te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Hoe borgt u dan een eerlijke bescherming van de wolven?
Het is aan gedeputeerde staten als bevoegd gezag om een nadere invulling te geven aan deze begrippen. Ik zie geen reden om deze begrippen nader in te vullen.
Kunt u aangeven of het klopt dat nog steeds in meerderheid van gevallen van aanvallen op landbouwdieren blijkt dat boeren hun dieren onvoldoende tot niet hadden beschermd? Hoeveel aanvallen waren er op landbouwdieren afgelopen jaren en in hoeveel gevallen hadden de boeren onvoldoende of geen maatregelen genomen om hun dieren te beschermen? Kunt u de cijfers daarover per jaar (in de afgelopen vier jaar) met de Kamer delen?
Op basis van de beschikbare gegevens van BIJ12 over schademeldingen in het kader van aanvallen op landbouwdieren door wolven blijkt dat in een aanzienlijk deel van de gevallen sprake was van beschermingsmaatregelen die niet in overeenstemming waren met de provinciale adviesnormen. De exacte cijfers per jaar (2022–2025) zijn hieronder weergegeven.3
JAAR
TOTAAL AANTAL SCHADEMELDINGEN1
AANTAL GEVALLEN MET ONVOLDOENDE OF GEEN BESCHERMING
PERCENTAGE ONVOLDOENDE BESCHERMING
2022
312
308
99%
2023
427
418
98%
2024
804
773
96%
20252
1.121
1.040
92%
Het totaal aantal aanvallen betreft alleen de gevallen waarbij een schadeclaim is ingediend en waarbij de schade (vermoedelijk) is veroorzaakt door een wolf.
Deze getallen wijken af van de BIJ12 jaarrapportage wolf 20253. Dit komt omdat er ten tijde van de publicatie van de jaarrapportage nog 13 meldingen in behandeling waren.
Kunt u ook delen hoeveel geld elk jaar is gegeven aan dierhouders ter compensatie voor wolvenaanvallen?
Uit informatie van BIJ12 blijkt dat de provincies de afgelopen jaren de volgende tegemoetkoming in de wolvenschade hebben uitgekeerd:4
2022: € 300.708,00
2023: € 366.818,00
2024: € 928.382,00
2025: € 1.551.602,00
Wordt er op deze zorgplicht van dierhouders gehandhaafd? Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Hoe en hoe vaak wordt dan gecontroleerd en door wie? Kunt u in details schetsen hoe dat precies in praktijk gaat?
De NVWA behandelt jaarlijks een groot aantal meldingen over dierenwelzijn. Meldingen van onvoldoende bescherming van vee tegen wolven vallen daar ook onder. Er is geen specifieke capaciteit toebedeeld aan inspecties over bescherming tegen wolven. Meldingen over onvoldoende bescherming tegen roofdieren worden beoordeeld en risicogericht opgepakt. Er wordt daarvoor gekeken hoeveel aanvallen er hebben plaatsgevonden, in welk gebied deze hebben plaatsgevonden en welke maatregelen de houder lijkt te hebben genomen.
De NVWA richt haar toezicht nu op situaties waarbij duidelijk sprake is van een exces. Dit in afwachting van de nadere invulling van de norm voor bescherming tegen wolven. In geval van een exces wordt er een fysieke inspectie uitgevoerd door een inspecteur dierenwelzijn. Er wordt gekeken welke dieren aanwezig zijn, in welk gebied ze staan en op welke manier bescherming wordt geboden tegen wolven. De NVWA benut hierbij de fauna preventiekit van BIJ12. Indien een overtreding wordt geconstateerd, volgt een interventie en een herinspectie.
Hoe vaak zijn in afgelopen vier jaar straffen/boetes opgelegd aan boeren die hun landbouwdieren niet volgens richtlijnen van experts hebben beschermd met wolfwerendemaatregelen en dus niet aan hun zorgplicht hebben voldaan? Wat waren dan de straffen/boetes precies?
In 2022 en 2023 heeft de NVWA geen inspecties uitgevoerd op de bescherming van gehouden dieren tegen wolven. Dit heeft er mee te maken dat de terugkomst van wolven naar Nederland een nieuwe ontwikkeling was, waar nog kennis over opgedaan moest worden en waar veehouders zich nog op moesten aanpassen. Eind 2024 heeft de NVWA één inspectie uitgevoerd en voor het eerst een officiële waarschuwing op dit onderwerp gegeven. In 2025 tot en met juni 2026 zijn er 8 inspecties uitgevoerd. In 6 gevallen is er een overtreding geconstateerd en een officiële waarschuwing gegeven. Ook zijn er 3 herinspecties uitgevoerd. Bij deze herinspecties bleek de situatie op orde.
Met welke extra maatregelen gaat u ervoor zorgen dat dierhouders hun dieren eindelijk volgens adviezen van experts gaan beschermen en dus aan hun zorgplicht voldoen?
Dierhouders zijn verantwoordelijk voor het beschermen van hun dieren tegen roofdieren, waaronder wolven. Om deze verplichting concreter te maken, wordt gewerkt aan een beleidsregel. Deze zal helderheid bieden over de verwachtingen en normen voor veebescherming. Dit draagt bij aan een effectiever toezicht en handhaving. Daarnaast zetten overheden in op het ondersteunen van dierhouders bij het treffen van adequate wolfwerende maatregelen. Dit vergt namelijk aanzienlijke inspanningen, specifieke kennis en expertise. Om dierhouders hierbij te ondersteunen, zijn de volgende maatregelen genomen:
Er zijn diverse initiatieven gestart of in ontwikkeling, zoals de Drentse praktijkproef met mobiele wolfwerende rasters. Deze initiatieven dragen bij aan kennisontwikkeling en praktische toepassing van beschermingsmaatregelen. Uit de huidige ontwikkelingen blijkt dat dierhouders in toenemende mate gebruikmaken van de beschikbare ondersteuningsmogelijkheden. Dit onderstreept het belang van deze regelingen en initiatieven voor de praktijk.
Wanneer wordt het uitkeren van een schadevergoeding strikt gekoppeld aan naleving van de preventienorm door dierenhouders? Kunt u een concrete tijdlijn schetsen? Zo nee, waarom niet?
Het uitkeren van tegemoetkomingen bij schade door wolven is een provinciale bevoegdheid. De provincies bepalen zelf de voorwaarden en vereisen momenteel geen preventieve maatregelen om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming in de schade. Het is aan provincies om te bepalen wanneer er wat hen betreft voldoende praktische en doelmatige mogelijkheden tot ingrijpen zijn die het opportuun maken om preventieve maatregelen als voorwaarde te stellen.
Kunt u delen hoe de gesprekken met de provincies zijn verlopen over de rapporten die ten gevolge van de aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33 576, nr. 436) zijn opgesteld? Welke concrete afspraken zijn er gemaakt? Was er ondersteuning van het ministerie gewenst vanuit de provincies voor Europese aanvragen en is die ondersteuning geboden? Zo ja, kunt u aangeven hoe vaak dit is voorgekomen?
De rapporten zijn met de provincies gedeeld en besproken. Daarbij is afgesproken dat provincies bezien hoe de uitkomsten kunnen worden betrokken bij hun subsidieregelingen. Ook is aangeboden provincies te ondersteunen bij aanvragen voor Europese fondsen. Van dit aanbod is tot op heden geen gebruik gemaakt. Wel wordt op initiatief van LVVN en Gelderland gekeken of deelname aan het Europese LIFE-project «Wild Wolf» haalbaar is. De provincies Drenthe, Noord-Brabant en Groningen hebben aangegeven ook interesse te hebben in deelname.
Welke rol van het ministerie is vastgelegd wat betreft de suggesties en conclusies uit de rapporten? Kunt u een overzicht geven welke conclusies en suggesties uit de rapporten zijn overgenomen en welke niet en uitleggen waarom wel en niet?
Provincies zijn verantwoordelijk voor de subsidieregelingen voor wolfwerende maatregelen. Het ministerie verkent de aanvullende inzet van rijksregelingen binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en kan provincies ondersteunen bij Europese aanvragen. De aanbevelingen om bestaande regelingen toegankelijker en eenvoudiger te maken, het verhoogde de-minimisplafond te benutten en Europese financieringsmogelijkheden nader te onderzoeken, worden onderschreven. Provincies bepalen zelf of en hoe zij hun regelingen aanpassen. Voor LIFE en Horizon Europa zijn samenwerkingsprojecten en een langdurige voorbereiding vereist. Het EFRO biedt binnen de huidige programmaperiode weinig financiële ruimte. Deze mogelijkheden zijn daarom tot op heden niet omgezet in afzonderlijke landelijke subsidieregelingen.
Kunt u per jaar aangeven hoeveel geld er afgelopen vier jaar is besteed aan maatregelen die helpen bij het leren samenleven met de wolf en het voorkomen van mens-wolfconflicten en ook waar dat geld precies aan is besteed?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, biedt het LIW feitelijke, actuele en toegankelijke informatie over wolven in Nederland. Specifieke gegevens over maatregelen die helpen bij het leren samenleven met de wolf worden niet structureel bijgehouden. In 2025 en 2026 is er € 2.653.000
besteed aan het LIW.
Kunt u een overzicht geven hoeveel geld er binnen het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), het Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en Horizon Europa beschikbaar is en hoeveel er in de afgelopen jaren (per jaar) in Nederland is benut, specifiek óók voor preventie van wolf-mensconflicten en betere bescherming van landbouwdieren door veehouders, ook per provincie?1
De gevraagde informatie is niet op dit detailniveau beschikbaar. Europese fondsen registreren uitgaven naar programma en projectdoel en niet afzonderlijk als preventie van mens-wolfconflicten of bescherming van landbouwdieren. Daardoor kan de Nederlandse benutting niet per jaar en provincie worden uitgesplitst. Uit de uitgevoerde verkenning blijkt dat binnen Horizon Europa maximaal € 37 miljoen beschikbaar was voor relevante oproepen en binnen LIFE maximaal € 3,5 miljoen per project, hier is door Nederland nog geen gebruik van gemaakt. Binnen het GLB is voor de regeling Productieve investeringen Groen-Blauw en dierenwelzijn voor 2023–2028 in totaal € 50 miljoen beschikbaar, in ieder geval Gelderland heeft hier een subsidiemogelijkheid voor gerealiseerd. EFRO biedt binnen de huidige programmaperiode naar verwachting weinig ruimte. Provincies maken voor wolfwerende maatregelen vooralsnog beperkt gebruik van Europese fondsen; wel worden dus rijksmiddelen en provinciale middelen ingezet, zie ook mijn antwoord op vraag 33.
Kunt u aangeven of uw verkenning naar aanleiding van aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33 576, nr. 436) ertoe heeft geleid dat meer houders van landbouwdieren hun dieren beter en volgens officiële instructies zijn gaan beschermen? Wat heeft het kabinet precies gedaan in het licht van de motie en wat waren de resultaten?
Dit verband kan niet causaal worden vastgesteld. Het aantal dierhouders dat maatregelen treft, wordt niet landelijk op uniforme wijze geregistreerd. Ter uitvoering van de motie heeft het kabinet de provinciale subsidieregelingen en de Europese financieringsmogelijkheden laten onderzoeken, de uitkomsten met provincies gedeeld en ondersteuning bij Europese aanvragen aangeboden. Uit het onderzoek blijkt dat acht provincies begin 2025 een subsidieregeling hadden en dat in meerdere provincies budgetten zijn verhoogd of regelingen zijn vereenvoudigd. Dit wijst op een toenemend gebruik van wolfwerende maatregelen, maar maakt niet inzichtelijk welk deel daarvan rechtstreeks het gevolg is van de motie.
Kunt u delen wat provincies hebben gedaan met uw oproep naar aanleiding van de aangenomen motie-Kostic/Graus (Kamerstuk 33 576, nr. 437) om een tijdelijk stop in te stellen op beheer van en jacht op de belangrijkste prooien van de wolf?
Er is tot op heden door de provincies geen vervolg gegeven aan deze oproep, want er zijn momenteel bij de provincies geen aanwijzingen dat er sprake is van een tekort aan voedsel voor wolven in de leefgebieden. Daarnaast is het beheer van grote hoefdieren in deze gebieden vaak een onderdeel van een breder beleid, zoals het voorkomen van aanrijdingen en biodiversiteitsherstel door graasdrukvermindering. De impact van wolven op de populatie is niet voldoende om die doelstellingen te bereiken.
Bent u bereid deze oproep opnieuw te doen aan de provincies en daar afspraken over te maken, gezien uw leidende rol in het wolvenbeleid? Zo nee, waarom drukt u dan onder het mom van «spoed» wel een AMvB zonder een debat door de Kamer, maar weigert u ervoor te zorgen dat de meest basale, belangrijke maatregelen die wolf-mensconflicten kunnen voorkomen (zoals het stoppen van jagen in bepaalde gebieden) worden genomen?
De oproep is bekend bij de provincies. Het is aan hen als bevoegd gezag om te besluiten over de invulling van het natuurbeleid. Zie ook mijn antwoord op vraag 40.
Kunt u een overzicht geven van extra maatregelen die het kabinet heeft getroffen of nog gaat treffen (met tijdlijn) in het kader van preventie van conflicten tussen mensen en wolven en het leren samenleven met wolven, zoals (maar niet uitsluitend) goede en wijdverspreide en makkelijk toegankelijke voorlichting over wat wel/niet te doen en het afsluiten van natuurgebieden?
Via het LIW, het landelijk initiatief veebescherming en de amvb zet me ik in om informatie beschikbaar te stellen en preventieve maatregelen mogelijk te maken en te ondersteunen waarmee incidenten met wolven kunnen worden voorkomen. Zie in dit verband ook mijn antwoord op de vragen 3 en 37.
Is er met onafhankelijke wolvenexperts en wetenschappers gesproken over welke maatregelen het beste getroffen zouden kunnen worden voor het faciliteren van samenleven met wolven? Welke van die maatrgelen zijn wel en niet overgenomen?
Het LIW en BIJ12 maken bij hun informatievoorziening gebruik van wetenschappelijke informatie en praktijkervaringen. Er wordt niet bijgehouden welke informatie wel en niet wordt overgenomen.
Kunt u aangeven welke juridische risico’s werden bedoeld in de beslisnota over de AMvB (Kamerstuk 2026D20155) in de zin: «De conclusie is dat er sowieso juridische risico's zitten aan de figuur van de vergunning op voorhand»? Wie heeft deze risico-inschatting gemaakt en op basis van welke analyse? Waarom is deze passage niet, of niet in vergelijkbaar expliciete bewoordingen teruggekomen in de Kamerbrief van 24 april 2026 (Kamerstuk 33 576, nr. 480) zelf?
In de Kamerbrief van 24 april jl. heb ik aangegeven dat ik verschillende varianten van de vergunning op voorhand voor toekomstige situatie heb verkend en dat juridische risico’s in dit verband niet zijn uit te sluiten. De juridische risico’s waarover het in de bijbehorende beslisnota ging, zagen op de juridische houdbaarheid van een dergelijke op voorhand verleende vergunning, waarbij onder meer onzekerheid over de staat van instandhouding van de wolf, toetsing van de situatie in het individuele geval en vraagstukken over rechtsbescherming een rol spelen. Juristen van mijn ministerie hebben over deze varianten een risico-inschatting gemaakt en deze is ook onderschreven door de Landsadvocaat. Met de vormgeving van de vergunning op voorhand met aanvullende waarborgen zoals deze nu in de amvb is opgenomen zijn de risico’s zoveel mogelijk beperkt. Zekerheidshalve heb ik – zoals ook in die brief genoemd – het ontwerpbesluit opnieuw aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025–2026, 33 576, nr. 484) en ook in mijn antwoord op uw vragen 21, 22 en 23 heb toegelicht, heb ik vervolgens naar aanleiding van dat advies de toelichting nog aangevuld en het aan die vergunning verbonden voorschrift gewijzigd.
Bent u bereid in het kader van Artikel 68 van de Grondwet de volledige beslisnota, inclusief de hier geciteerde passage, ongeschoond openbaar te maken? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt dat zich tot Artikel 68 van de Grondwet?
De beslisnota is, op persoonsgegevens na, reeds volledig openbaar.
Kunt u uitleggen hoe een systeem van vooraf verleende vergunningen, die later moeten worden «geactiveerd» na vaststelling dat de juiste wolf is betrokken, praktisch uitvoerbaar is als het kabinet zelf erkent dat die identificatie in veel gevallen onmogelijk is? Welke concrete identificatiemethode (bijvoorbeeld DNA-onderzoek of camerabeelden) wordt bij activering van een vergunning op voorhand als minimaal vereist beschouwd, door welke onafhankelijke actoren wordt dat uitgevoerd en binnen welke termijn moet deze beschikbaar zijn voordat tot doden wordt overgegaan?
Aan de vergunning op voorhand is een advies- en informatieplicht verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij in een concrete situatie daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie (artikel 8.74sa Bkl).
De adviesverplichting houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning voor het doden van de wolf in kwestie. Het bevoegd gezag geeft dit advies na raadpleging van een wolvendeskundige. In het advies gaat het bevoegd gezag in op vraag of het hier daadwerkelijk om de wolf gaat die letsel heeft toegebracht. Er is geen vereiste identificatiemethode of -termijn vastgelegd en er kan altijd een mate van onzekerheid bestaan bij identificatie ten tijde van spoed. Omdat er sprake is van letsel zal er waarschijnlijk DNA van de wolf aanwezig zijn, zodat hierbij DNA-onderzoek kan worden verricht. Het advies kan ook gaan over de verificatie van uiterlijke of gedragskenmerken van de wolf. Na ontvangst van dit advies moet de vergunninghouder het bevoegd gezag informeren over de wijze waarop hij in dat individuele geval gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag (de informatieplicht).
Wat gebeurt er als bij twijfel over de identiteit van de wolf toch tot afschot wordt overgegaan en achteraf blijkt dat de verkeerde wolf is gedood? Welke juridische en beleidsmatige consequenties heeft dat en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Zoals ik in onder meer mijn antwoord op vraag 46 heb aangegeven, is aan de vergunning op voorhand een voorschrift bestaande uit een adviesverplichting in combinatie met een informatieplicht verbonden, waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Het voorschrift verzekert dat het bevoegd gezag voor elk concreet geval waarbij daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de vergunning op voorhand, na raadpleging van een wolvendeskundige, heeft kunnen adviseren en daarmee toezicht kan uitoefenen. Er kan altijd een mate van onzekerheid bestaan bij identificatie ten tijde van spoed. Als er twijfel is over de identiteit van de wolf in kwestie, zal het bevoegd daaraan in het advies aandacht besteden. De vergunninghouder zal bevoegd gezag vervolgens moeten informeren over de wijze waarop hij gevolg geeft aan het advies. Indien nodig kan het bevoegd gezag, als de vergunninghouder bijvoorbeeld in afwijking van het advies wil handelen, handhavend optreden, met bijvoorbeeld een last onder bestuursdwang.
Provincies zijn voor de vergunningverlening het bevoegd gezag en hebben daarmee ook de verantwoordelijkheid voor bestuursrechtelijke handhaving. Het handelen in strijd met de voorschriften van een vergunning is ook strafbaar op grond van de Wet op de economische delicten. Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving. Dit geldt overigens niet specifiek voor de vergunning op voorhand voor elke vergunning voor flora- en fauna-activiteit met betrekking tot een wolf.
Het grootste deel van de aanvallen door gevestigde wolven valt binnen beperkte gebieden, zo blijkt uit de ruimtelijke analyse van Wageningen Environmental Research. We onderzoeken in het kader van het vaststellen van de Beleidsregel ter invulling van de open norm de mogelijkheid om die gebieden aan te wijzen als preventiezones waar wolfwerende maatregelen noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren tijdens mijn werkbezoek aan Nedersaksen: er zijn roedels wolven die schuw zijn en geen overlast veroorzaken en ook roedels die dat wel doen. We moeten ons richten op de roedels die overlast veroorzaken. Met beheer en met schuw maken. Dan zou het aantal incidenten ook omlaag kunnen gaan.
Erkent u dat een onbekende staat van instandhouding, gelet op vaste Europese rechtspraak (waaronder ECLI:EU:C:2019:851), een verhoogde motiveringsplicht en een voorzorgsbenadering met zich meebrengt bij elk voornemen tot versnelde of verruimde vergunningverlening voor het doden van wolven? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik deel het uitgangspunt dat er gelet op de onbekende staat van instandhouding vanuit voorzorg moet worden uitgegaan van een ongunstige staat van instandhouding en er gelet op vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie alleen in uitzonderlijke situaties kan worden overgegaan tot het aan de natuur onttrekken van wolven door doden of vangen. Dat uitgangspunt is ook gehanteerd bij de in de amvb opgenomen specifieke beoordelingsregels. Ik vind het van belang dat er een brede afweging van belangen plaatsvindt, waarbij het recht op leven prevaleert.
Op welke datum wordt het in uw brief (Kamerstuk 33 576, nr. 480) aangekondigde aanvullende Staat van Instandhouding (SvI)-onderzoek aan de Kamer toegezonden? Bent u, zolang dit onderzoek nog niet beschikbaar is, bereid de onderdelen van de AMvB die zien op versnelde vergunningverlening niet toe te passen? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik zal uw Kamer voor het eind van het jaar het onderzoeksrapport toesturen. De amvb is op 11 juli jl. in werking getreden. De invulling van de specifieke beoordelingsregels is zodanig dat is verzekerd dat het onttrekken van wolven aan de natuur in een situatie dat de soort nog niet in een gunstige staat van instandhouding verkeert overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt beperkt tot uitzonderlijke situaties, namelijk de meest ernstige gevallen van agressie, en met waarborgen is omgeven.
Aangezien de wolvenpopulatie tussen vergunningverlening en daadwerkelijk gebruik (mogelijk jaren later) kan zijn afgenomen en de staat van instandhouding nu al als ongunstig geldt, op welk momenten vindt toets aan de staat van instandhouding plaats en kan het bevoegd gezag een vergunning intrekken als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding geeft? Zo nee waarom niet? Is bevoegd gezag daartoe verplicht als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding geeft? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik heb de afgelopen periode aanpassingen aan de amvb gedaan om deze juridisch houdbaar te maken, waaronder het goed verwerken van het laatste advies van de Raad van State. Zoals ook toegelicht in de nota van toelichting is daarbij rekening gehouden met de staat van instandhouding van wolven in Nederland.De toets over de vraag of het ingrijpen afbreuk doet aan het streven om de wolf in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat te laten voortbestaan vindt plaats bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag.
Het bevoegd gezag kan de vergunning intrekken, of de voorschriften van een vergunning wijzigen, als er sprake is van een situatie die ertoe had geleid dat de aanvraag op dat moment geweigerd had kunnen worden (artikel 8.97 van het Bkl). Daarvan zou sprake kunnen zijn als de toets aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding een andere uitkomst zou hebben. Het bevoegd gezag is hiertoe niet verplicht.
Hoe beoordeelt u het risico dat het wettelijk vermoeden dat in een «probleemsituatie» geen minder schadelijke alternatieven bestaan en een rechtvaardigingsgrond voor ingrijpen aanwezig is, de bewijslast in bezwaar- en beroepsprocedures feitelijk verschuift van het bevoegd gezag naar degene die het vermoeden wil weerleggen, zoals natuurorganisaties?
Deze specifieke regels vinden hun rechtvaardiging in het bijzondere karakter van wolven, waardoor deze als zij gewend zijn geraakt aan mensen en mensen niet langer ontwijken, daadwerkelijk een gevaar kunnen vormen voor de mens. Tevens zijn zij als grote roofdieren een bedreiging voor door de mens gehouden dieren. Bij incidenten met een wolf die daadwerkelijk een gevaar vormt voor mensen en gehouden dieren en bij wolven die die een probleem kunnen gaan vormen moet snel en adequaat kunnen worden opgetreden. Het gaat bij deze zogenaamde «probleemwolven» en «probleemsituaties met een wolf» om nauwkeurig in het tweede en derde lid van artikel 8.74la van het Bkl omschreven gevallen. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituaties met een wolf» wordt ook in alle gevallen een wolvendeskundige geraadpleegd. Het gaat hier om een wettelijk bewijsvermoeden, waarbij ruimte is voor tegenbewijs en ook voor een nadere afweging van het bevoegd gezag in een concreet geval.
Hoe verhoudt dit risico zich tot vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder de Finse wolvenzaak (ECLI:EU:C:2019:851), waarin is bepaald dat de bewijslast voor het ontbreken van alternatieven bij het bevoegd gezag zelf ligt?
Het bevoegd gezag kan gebruik maken van het wettelijk bewijsvermoeden, waarbij de specifieke beoordelingsregels zo zijn vormgegeven dat alleen als sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» zoals nauwkeurig is omschreven in artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl, wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn.
Welke concrete, verifieerbare gegevens moeten zijn vastgelegd voordat een beroep op dit bewijsvermoeden gerechtvaardigd is en bent u bereid dit als toetsbare voorwaarde in de AMvB of de onderliggende beleidsregel vast te leggen?
De specifieke beoordelingsregels zijn zo vormgegeven dat als sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» zoals nauwkeurig is omschreven in artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl, wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn en er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Alleen als aan de hier omschreven situatie wordt voldaan kan met gebruikmaking van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl een omgevingsvergunning voor het (tijdelijk) vangen of doden worden verleend. Bij de omschrijving van de omstandigheden waaronder de wolf kan worden beschouwd als een «probleemwolf», is verzekerd dat het in alle gevallen om de meest ernstige situaties gaat, namelijk situaties van gebleken agressie van een wolf tegen mensen of gehouden, goed beschermde dieren. En bij de lichtere categorie van een «probleemsituatie met een wolf» is geregeld dat de specifieke beoordelingsregels alleen van toepassing zijn bij het slechts voor korte duur uit de natuur halen van wolven, met het oog op monitoring of verplaatsing. Naar mijn idee is dit voldoende concreet in artikel 8.74la van het Bkl opgenomen.
Hoe waarborgt u dat het wettelijke vermoeden niet ertoe leidt dat de escalatieladder uit de interventierichtlijnen in de praktijk wordt overgeslagen of onvoldoende wordt gedocumenteerd, terwijl juist het bevoegd gezag moet aantonen dat minder schadelijke alternatieven daadwerkelijk zijn benut of onderzocht?
Het is aan provincies als bevoegd gezag om te bepalen op welke manier de provinciale interventierichtlijnen worden toegepast. Deze richtlijnen vormen geen verplichting voor provincies. Bij het beoordelen of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» waaraan het bewijsvermoeden van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl is verbonden, betrekt het bevoegd gezag altijd het oordeel van een wolvendeskundige. Een deskundige kan vanuit zijn expertise bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Hiermee is geborgd dat er in de betreffende situatie daadwerkelijk sprake is van een probleemwolf als bedoeld in dat artikel waarbij wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn.
Deelt u de constatering dat het criterium voor een «probleemsituatie» met een wolf dat deze «ten minste twee keer getolereerd heeft dat mensen naderen tot minder dan 30 meter» mede afhankelijk is van menselijk gedrag waar de wolf geen controle over heeft en dat natuurlijk, niet-agressief gedrag van de wolf daardoor tot een probleemkwalificatie kan leiden, terwijl de aanleiding (mede) in menselijk gedrag ligt? Denk aan de wolven die voortdurend wordt opgezocht door recreanten en fotografen en wordt gevoerd met pannenkoeken?2 3 Wat gaat u doen om te voorkomen dat wolven op deze manier worden bestraft voor verkeerd gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet en met welke wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik vind het van groot belang dat mensen zo veel mogelijk afstand houden tot wolven. Maar het kan desondanks voorkomen dat mensen en wolven elkaar tegenkomen. Dit kan leiden tot probleemsituaties. Ik keur het lokken of bewust benaderen van wolven af. Via het LIW wordt informatie verstrekt hoe het publiek met deze situatie om moet gaan. Het is aan provincies en gemeenten als bevoegd gezag, met ondersteuning van een deskundige, om in specifieke situaties te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een probleemsituatie.
Welke maatregelen zijn genomen of worden genomen om te voorkomen dat mensen die tegenstander zijn van de aanwezigheid van wolven doelbewust dicht bij een wolf gaan staan, een wolf benaderen of een wolf lokken om zo een «probleemsituatie» in de zin van dit artikel te creëren? Kunt u dit uitgebreid toelichten en aangeven hoe de maatregelen zijn afgestemd met wetenschappers en onafhankelijke wolvenexperts?
Zoals ik mijn antwoord op vraag 55 heb aangegeven, keur ik het lokken of bewust benaderen van wolven af. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat mensen bewust «probleemsituaties» uitlokken.
Bent u bereid dit criterium te schrappen of te herformuleren zodat uitsluitend gedrag van de wolven zelf, en niet het verkeerde gedrag van de mens, bepalend is voor de kwalificatie en dus om te voorkomen dat wolven onnodig worden bestraft voor verkeerd gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 49 heb aangegeven, is de amvb op 11 juli jl. in werking getreden en zie ik geen aanleiding om hier aanpassingen aan te doen.
U heeft tegen een aangenomen motie van de Kamer de AMvB zonder debat met de Kamer definitief vastgesteld, maar was daarvoor de definitieve, na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 20 mei 2026, aangepaste tekst van het ontwerpbesluit met nader rapport aan de Kamer toegezonden (los van uw brieven) en was de door de vaste commissie voor LVVN gevraagde reactie op de notitie van Werkgroep Wolf Leusden van 12 mei 2026 daarvoor verzonden? Klopt het dat vragen vanuit de Eerste Kamer nog niet waren beantwoord, voordat u de AMvB definitief had gemaakt? Kunt u een precieze tijdlijn delen?
In mijn beantwoording van vragen van uw Kamer op 6 juli jl. (Kamerstukken II 2025–2026, 33 576, nr. 512) heb ik aangegeven dat ik uw Kamer inzicht heb gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, dat ik uw Kamer heb gewezen op het belang van spoedige vaststelling van het besluit en dat het afwachten van een oordeel van uw Kamer geen vereiste is in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit.
Een reactie op de twee brieven van de Werkgroep Wolf Leusden (Kamerstukken II 2025–2026, 2026Z09907/2026D23750 en 2026Z14671/2026D34934) heeft uw Kamer op 27 augustus ontvangen in mijn brief over de ontwikkelingen in het wolvenbeleid (Kamerstuk II 2025–2026, nr. 2026Z17340).
Op 6 juli jl. heb ik de Eerste Kamer de beantwoording toegestuurd van nadere vragen over wijziging Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) toegestuurd (Kamerstukken I 2025–2026, 33 118, HH). De amvb is op 10 juli jl. gepubliceerd en op 11 juli jl. in werking getreden.
Wie gaat toezicht houden, monitoren en handhaven op correcte en tijdige uitvoering van de wet en Europese afspraken rondom wolven? Hoe wordt dit precies gecontroleerd? Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Is er extra capaciteit door dit kabinet vrijgemaakt hiervoor en zo ja, hoeveel en voor wat precies?
Provincies zijn het bevoegd gezag voor het uitvoeren van en controleren van het wolvenbeleid. In het Wolvenplan 2025 hebben provincies hun gezamenlijke beleid vastgelegd. Daarnaast zijn er verschillende provincies die aanvullend beleid hebben geformuleerd. Het is mij niet bekend hoe elke provincie de controle uitvoert en welke capaciteit hiervoor wordt ingezet, omdat er geen centrale registratie plaatsvindt van de provinciale inzet. Het kabinet heeft geen extra capaciteit vrijgemaakt voor controle van het wolvenbeleid.
Kunt u deze vragen één voor één voor het debat over de wolf beantwoorden?
Ja.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Provincie wil vergunningen van vijf kippenboeren intrekken», waarbij de provincie Noord-Brabant de natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven wil intrekken?1
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen intrekking van natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven in Noord-Brabant naar aanleiding van de Mobilisation for the Environment (MOB)-procedure? Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkeling?
Dit voornemen is mij bekend. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. De provincie Noord-Brabant heeft zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak tot dit voornemen genoodzaakt gezien.
Anders dan de beeldvorming die vrijdag mogelijk uit de berichtgeving2 is ontstaan, ben ik van mening dat het stikstofpakket zoals gepresenteerd in de brief van 26 juni jl. in beginsel, ook in toekomstige situaties in Noord-Brabant, voldoende basis biedt om gemotiveerd handhavingsverzoeken af te wijzen. Alle betrokken partijen moeten, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Dit is waarom ik vol blijf inzetten op het zo snel mogelijk ook juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd, en waarom ik onder andere in oktober een spoedwet en een concept-programma met maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen. Met dit pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan verslechtering van de natuur aantoonbaar worden voorkomen. Ook duidelijke instructieregels nabij Natura 2000-gebieden in het kader van de zoneringsaanpak leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van intrekkings- en handhavingsverzoeken.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is om zonder doorlopend gesprek in een proces over een reductieplan van de veehouders over te gaan tot het voornemen een vergunning in te trekken? Is er sprake van behoorlijk bestuur? Is de provincie voldoende toegerust om dit proces te begeleiden?
Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben een voornemen aangekondigd om uiterlijk 1 oktober vijf ontwerpbesluiten te nemen waarin dit voornemen op bedrijfsniveau zal worden uitgewerkt en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Alternatieve plannen voor stikstofreductie zullen en moeten dan nog in de belangenafweging die gedeputeerde staten dienen te maken, worden meegenomen. De betreffende ondernemingen worden in dit proces ook in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het besluit van gedeputeerde staten zal uiteindelijk door de rechter moeten worden getoetst. In dat kader zal dan ook worden beoordeeld of de provincie zich daarbij heeft gehouden aan de juridische kaders, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is uiteindelijk aan de provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel vind ik het uitermate van belang dat de lijnen zoals beschreven in mijn Kamerbrief, namelijk mogelijkheden voor gebiedsprocessen waarin ondersteuning vanuit het trappetje van Remkes worden geboden, worden gevolgd. Te weten ondersteuning voor omschakelen, verplaatsen of vrijwillig beëindigen. Zo ook in Noord-Brabant.
Hoe beoordeelt u situaties waarin ondernemers aangeven een gezamenlijk stikstofreductieplan te hebben ingediend, maar men desondanks wordt geconfronteerd met een voorgenomen vergunningintrekking? Welke eisen stelt het Rijk aan een zorgvuldige beoordeling van dergelijke plannen?
Naast de casuïstiek in Noord-Brabant (vraag 3), is er mij momenteel geen andere situatie bekend waarbij er een gezamenlijk stikstofreductieplan is ingediend en waar men vervolgens met een voorgenomen vergunningenintrekking geconfronteerd is.
Kunt u toelichten wat hij concreet verstaat onder «perspectief voor jonge boeren» en hoe dat perspectief zich verhoudt tot situaties waarin jonge ondernemers, ondanks het indienen van een stikstofreductieplan, worden geconfronteerd met het vooruitzicht hun bedrijf te moeten beëindigen?
Ik vind het erg belangrijk dat er een duurzaam perspectief is voor de agrarische sector in Nederland. Dat is juist van belang voor jonge agrariërs. Dat is ook waar het pakket van maatregelen dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd ten volste op inzet. Ondersteuning van en voor de sector maakt daar terecht een essentieel onderdeel van uit.
Hoe verhoudt de beschreven situatie zich tot een gebiedsgerichte aanpak, waarin innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging worden gecombineerd ten einde de doelen voor een gebied te halen?
De aanpak die het kabinet heeft gepresenteerd, zet nadrukkelijk in op meerdere sporen. Ondersteuning gericht op innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging zijn essentiële onderdelen van het maatregelenpakket. De tijd die het stikstofpakket ondernemers biedt om om te schakelen, te innoveren, te verplaatsen of te beëindigen is daarbij ook van groot belang. Voor de zoneringsaanpak zet het kabinet ook in op specifiek flankerend beleid om boeren te ondersteunen om de beweging naar extensivering te kunnen maken. Voor de zoneringsaanpak zijn de lopende gebiedsprocessen van groot belang. Ik kijk bij de uitwerking van deze aanpak ook naar de aansluiting op lopende processen.
Bent u van mening dat reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging binnen een gebied voldoende moet worden meegewogen bij de beoordeling van aanvullende maatregelen voor de resterende bedrijven? Zo ja, hoe wordt dit geborgd?
Ja, reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging moet – ook vanuit proportionaliteitsoogpunt – worden meegewogen. Dit gebeurt ook al in de huidige praktijk. Binnen de context van intrekkingsverzoeken is dit geborgd doordat het juridische instrument van intrekking vanwege stikstofoverbelasting alleen mag (en blijkens jurisprudentie, in specifieke situaties, moet) worden toegepast wanneer sprake is van dreigende of geconstateerde verslechtering van de voor stikstof gevoelige natuurwaarden. Wanneer door vrijwillige bedrijfsbeëindiging of andere aanvullende maatregelen daar geen sprake meer van is, kunnen intrekkingsverzoeken ook gemotiveerd worden afgewezen. Het pakket aan maatregelen zoals gepresenteerd door het kabinet op 26 juni jl. is erop gericht om dat te bewerkstelligen.
Ziet u aanleiding om samen met provincies te bezien hoe juridische procedures kunnen worden gecombineerd met gebiedsprocessen, zodat ondernemers, natuurorganisaties en overheden gezamenlijk tot duurzame oplossingen kunnen komen?
Ik deel dat het van grote waarde is dat ondernemers, natuurorganisaties en overheden samen tot oplossingen komen en deze op breed draagvlak kunnen rekenen. Dit staat ook centraal bij de wijze waarop de samenhangende aanpak is vormgegeven en zal ook een belangrijk onderdeel blijven van de verdere uitwerking daarvan. De gebiedsprocessen bieden daar een waardevolle basis voor. Daarbij is het wel van belang dat de oplossingsrichtingen en voorziene maatregelen passen bij hetgeen nodig is, juist om in de toekomst zoveel mogelijke juridische procedures te voorkomen.
Ik vind het belangrijk dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het Interprovinciaal Overleg (IPO), maar ook met de provincie in Noord-Brabant in overleg treden, om zo met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Omdat ik een van de betroffen boeren heb bezocht in een van mijn eerste werkbezoeken, zal ik me ook bij hen in hun gebied verder laten informeren over hoe onze kabinetsaanpak past bij de aanpak die nu in het gebied plaatsvindt.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)?1
Ja.
Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders of bedrijven zonder vergunning?
Ik heb begrepen dat deze vijf bedrijven geen PAS-melders zijn en in het bezit zijn van een natuurvergunning2.
Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Tegelijkertijd moet Nederland zich houden aan de geldende Europese regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Verplichtingen die daaruit voortvloeien kunnen op gespannen voet staan met het eigendomsrecht. Wanneer op gronden van die spanning verzoeken tot intrekking van de vergunning zich voordoen, bestaan de daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Voorop staat dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen, vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met het voornemen om hun vergunning in te trekken?
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
In algemene zin geldt een uitgebreide procedure voordat een voornemen tot een definitief besluit om vergunningen in te trekken wordt genomen. In een dergelijke procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen. De provincie heeft in haar statenmededeling ook aangegeven dat er in het traject van zienswijzen ruimte is om aanvullende of alternatieve plannen te bespreken met elkaar, en dat zij zien dat de communicatie richting de ondernemers beter had gekund. Ik heb daarbij aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk kwijt te raken?
Nee, die mening deel ik niet. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. Zoals aangegeven, is het van groot belang dat er alles aan wordt gedaan om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen bewezen nutteloze geldverspilling zijn?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af kunnen te wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarbij moeten alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals.
Ik deel de opvatting niet dat het maatregelen zoals aangekondigd op 26 juni niets zal doen voor vergunningverlening. Het is van belang dat de diverse maatregelen zo snel mogelijk juridisch geborgd worden. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets gaan doen voor de vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande vergunningen in te trekken?
De hier aan de orde zijnde intrekkingsverzoeken zijn in eerste instantie ook door de provincie afgewezen. Uit het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025 volgde evenwel dat dit onvoldoende juridisch gemotiveerd kon worden, en dat urgent een daling van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden noodzakelijk was. Als bevoegd gezag heeft Noord-Brabant hier met dit voornemen gevolg aan gegeven.
Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid alsnog ter discussie kan worden gesteld?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen geldig zijn en blijven. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning. Bij dergelijke situaties past een grote mate van zorgvuldigheid. Ik vind het daarnaast van groot belang dat alle betrokken partijen er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.
Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven zodra een procedure voldoende druk uitoefent?
Het proces over het voornemen om de vergunningen van de betreffende ondernemingen in te trekken is nog niet afgerond. Dit is een uitgebreide procedure waar niet lichtzinnig mee om wordt gegaan. In deze procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen, en is er ook ruimte om de aanvullende of alternatieve plannen van de ondernemers mee te wegen. Ik vind het belangrijk dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat daarbij een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij is het wel zo dat rechterlijke uitspraken geen drukmiddel zijn maar een belangrijk onderdeel van de Nederlandse rechtstaat.
Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels hebben voldaan?
Het is van belang dat het Rijk de kaders stelt waardoor ondernemers weten wat er van hen wordt verwacht. Juridische borging door duidelijke generieke emissiereductiedoelstellingen en aanvullende geborgde maatregelen in de zoneringsgebieden zijn daarmee cruciaal om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dat is dan ook de inzet van dit kabinet. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning over ondernemers die te maken krijgen met de gevolgen van het maatregelenpakket, zoals beschreven in de Kamerbrief met het maatregelenpakket.
Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig bij individuele ondernemers neerlegt?
Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, een bijdrage leveren aan de noodzakelijke stikstofreductie. Om intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen – en daarmee ook regie te pakken op de noodzakelijke reductie-opgave – is het noodzakelijk dat het maatregelenpakket zo snel mogelijk juridisch wordt geborgd. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken3. Ik deel die mening.
Met betrekking tot deze vijf pluimveebedrijven geldt dat de provincie Noord-Brabant zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond de betrokken Natura 2000-gebieden tot dit voornemen tot intrekking genoodzaakt heeft gezien. Tegelijkertijd doe ik hier nogmaals de oproep dat alle partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?
Provincies zijn als bevoegd gezagen verplicht om voorliggende intrekkingsverzoeken te beoordelen en om daarbij uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Als Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ben ik daarbij systeemverantwoordelijk en verantwoordelijk voor het bieden van duidelijke kaders waar ondernemingen aan dienen te voldoen en waar decentrale overheden vervolgens ook aan kunnen toetsen. Aan die verantwoordelijkheid geef ik onder andere invulling met het maatregelenpakket.
Ik heb ook aangegeven bij de beantwoording op Kamervragen van het lid Korevaar (2026Z16351), dat ik het belangrijk vind dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het IPO overleggen. Daarnaast heb ik met de provincie in Noord-Brabant overlegd over deze situatie en hen op het hart gedrukt een zorgvuldige procedure te voeren, waarin het «trappetje van Remkes» wordt meegenomen en waarin de betekenis van de spoedwet en het bijbehorende programma in de zienswijze periode wordt opgepakt. Als laatste zet ik erop in met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel heb ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, met de provincie Noord-Brabant gesproken. Ik heb in dat gesprek aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Zoals gesteld in antwoord vraag 15 zal ik hierover nog deze zomer ook met het IPO in overleg treden.
Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?
Het inzetten op gedwongen beëindiging is geen onderdeel van het kabinetsbeleid zoals ik dat op 26 juni jl. heb gepresenteerd. Zoals ik eerder heb aangegeven doe ik hier dan ook de oproep aan alle betrokken partijen om, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen aan te vechten?
Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water, gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende regelgeving voldoen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke factoren?
Ik vind het belangrijk dat het natuurbeleid gericht is op de daadwerkelijke staat van de natuur en ontwikkelingen daarin. Daarom vindt er ook veel natuurmonitoring plaats en wordt dit bovendien nog verder versterkt. Naast natuurmonitoring blijven modellen echter ook belangrijk, omdat modellen het mogelijk maken om onderbouwde uitspraken te doen over toekomstige ontwikkelingen. De combinatie van monitoringsgegevens en gegevens vanuit modellen zorgt voor een goede onderbouwing van het natuurbeleid.
Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de natuur?
Bij de beoordeling van de staat van de natuur, waar natuurkwaliteit een belangrijk onderdeel van is, wordt gekeken hoe de natuur er feitelijk voor staat. Hierop is een samenspel van factoren van invloed, waaronder de in de vraag genoemde factoren. In bijvoorbeeld de natuurdoelanalyses worden dergelijke factoren in beeld gebracht. Het is belangrijk om hier inzicht in te hebben omdat dit nodig is om de juiste maatregelen te treffen om verslechtering van de natuur tegen te gaan en waar nodig herstel te realiseren. Op dit moment is inzicht hierin vrijwel altijd voldoende om met de belangrijkste maatregelen aan de slag te kunnen en moeten. Om tot volledig doelbereik te komen, is in sommige gevallen meer kennis nodig. Daarom wordt bijvoorbeeld de natuurmonitoring in de komende jaren verbeterd en uitgebreid via het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM).
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken, terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming en naleving van alle geldende regels?
Het maatregelenpakket is noodzakelijk om vergunningverlening op gang te krijgen. Ik realiseer mij dat dit veel vraagt van boeren en andere ondernemers. Daarom is een essentieel onderdeel van het pakket dat het kabinet brede ondersteuning biedt aan ondernemers bij diverse ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf pluimveehouders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»?1
Ja.
Hoe verhoudt het intrekken van jarenlang rechtmatig verleende natuurvergunningen zich tot het beginsel van rechtszekerheid?
Ik vind het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de burger tegen onzekerheid en willekeur veroorzaakt door de overheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat vergunningen in principe niet worden aangetast. Ik roep alle partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekking van vergunningen te voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat het rechtszekerheidsbeginsel van rechtszekerheid niet absoluut is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning, bijvoorbeeld als een rechterlijke uitspraak daartoe noopt. Het intrekken van een vergunning is een ingrijpend besluit en brengt onzekerheid met zich mee. Uiteraard is het belangrijk dat bij dergelijke besluiten een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Zo staat tegen een intrekking rechtsbescherming open, waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan die benodigde zorgvuldigheid heeft betracht.
Lopen naast deze vijf agrarische bedrijven ook bedrijven in andere sectoren risico op het intrekken van een geldige vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke bedrijven lopen dit risico?
Er zijn intrekkingsverzoeken gedaan in verschillende sectoren, waaronder de agrarische sector, industrie en de woningbouw. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd.
Acht u het wenselijk dat ondernemers die volledig volgens de geldende wet- en regelgeving hebben gehandeld, alsnog hun bedrijf dreigen te verliezen?
Nee, dat vind ik niet wenselijk en daarom roep ik betrokken partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Bent u van mening dat de overheid ondernemers moet beschermen wanneer zij hebben gehandeld op basis van door diezelfde overheid verleende vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven, vind ik het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Indien een verzoek tot intrekking wordt gedaan, geldt dat daar een (juridische) procedure voor bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Zoals gezegd is het daarom des te urgenter om het recent gepresenteerde maatregelenpakket juridisch te verankeren.
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid wanneer legaal verleende vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van vergunningen zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ten behoeve van het vertrouwen is het daarom van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en bij het doorlopen van een procedure grote zorgvuldigheid betrachten. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarom voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het eigendomsrecht zoals beschermd door Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op eigendom)?
In de Europese Unie geldt een recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Het eigendomsrecht is echter niet absoluut en kan dus, onder omstandigheden, aan beperkingen onderhevig zijn. Een beperking kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn. Het is niet aan mij om voor deze concrete gevallen te beoordelen of een eventuele beperking van het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
Vindt u dat het huidige vergunningenstelsel nog voldoende rechtszekerheid biedt als een ondernemer ondanks een geldige vergunning nooit zekerheid heeft dat deze in stand blijft?
Ondernemers moeten er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Zoals hiervoor aangegeven, is het beginsel van rechtszekerheid niet absoluut en zijn vergunningen niet onaantastbaar. Er kunnen zich situaties voordoen waardoor een vergunning toch wordt ingetrokken. Een rechterlijke uitspraak kan een reden zijn om daartoe te besluiten. Ik ben bij vraag 2 uitgebreider ingegaan op de onzekerheid die intrekkingen van vergunning met zich meebrengt. Zoals ik eerder heb aangegeven, roep ik partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om dit te voorkomen.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies om te voorkomen dat legaal opererende bedrijven door vergunningintrekkingen buiten hun schuld om worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb namens het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen gepresenteerd waarmee met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dit vanuit de overtuiging van het kabinet dat alle partijen hier, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles voor moeten zetten. Immers, zoals eerder aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Dit blijft in individuele gevallen echter een afweging van het bevoegde bestuursorgaan, waarbij alle belangen zullen worden gewogen. Tegen intrekkingsbesluiten staat in de regel rechtsbescherming open bij de bestuursrechter.
Welke waarborgen ziet u om te voorkomen dat vergunningverlening door de overheid feitelijk haar betekenis verliest doordat vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Zoals toegelicht, geldt dat indien een verzoek tot intrekking van de vergunning wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure is ingericht om tot een afgewogen besluit te komen. Dat is een belangrijke waarborg voor het systeem van vergunningverlening. Daarbij is belangrijk dat bij dergelijke besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Het kabinet zet vol in op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket. In oktober zal ik daarom een spoedwet en een programma van maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen.
Erkent u dat een overheid die eerst vergunningen verleent en vervolgens dezelfde vergunningen intrekt, het fundament van de rechtsstaat en het vertrouwen in de overheid ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat niet. Bij een rechtsstaat hoort namelijk ook dat gehoor wordt gegeven aan rechterlijke uitspraken, ook als die het intrekken van vergunningen tot gevolg hebben. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat een mogelijke intrekking van de vergunning zeer ingrijpende is voor een ondernemer. Daarom moeten de betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket.
Waar ligt volgens u de grens van de rechtszekerheid in Nederland als een ondernemer die volledig volgens de regels heeft geïnvesteerd, desondanks zijn vergunning en daarmee zijn bedrijf kan verliezen?
Bij vraag 2 ben ik ingegaan op de verhouding tussen het intrekken van vergunningen en het beginsel van rechtszekerheid.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»1 ?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat Nederland een gezond, betrouwbaar en goed investerings- en vestigingsklimaat moet hebben?
Ja.
Deelt u de opvatting dat ondernemers moeten kunnen vertrouwen op door de overheid verleende onherroepelijke vergunningen wanneer zij investeren in hun bedrijf?
Ja, ik vind het belangrijk dat ondernemers er in beginsel vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen waarin het eigendomsrecht op gespannen voet staat met andere verplichtingen. Wanneer een dergelijke spanning zich voordoet, bestaan daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Voor mij staat voorop dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welk signaal geeft het aan ondernemers en investeerders als een rechtmatig verleende onherroepelijke vergunning jaren later alsnog kan worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van de vergunning zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ik wil daarom vooral als belangrijk signaal geven dat het van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en dat wanneer een ondernemer wordt geconfronteerd met een dergelijk verzoek kan rekenen op een zorgvuldig proces om tot een afgewogen besluit te komen. Daarnaast voelt het kabinet grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke gevolgen heeft deze ontwikkeling volgens u voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
De onzekerheid die samengaat met de stikstofproblematiek en de handhavings- en intrekkingsverzoeken die daar onderdeel van uit maken, heeft negatieve gevolgen voor het investeringsklimaat. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid. Daarom is het van belang om het maatregelenpakket zoals aangekondigd op 26 juni jl. zo snel mogelijk in uitvoering te brengen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op ons investeringsklimaat. Daarbij komt dat bedrijven er al langer mee bekend zijn dat vergunningen voor diverse activiteiten op dit moment complex en lastig te verkrijgen zijn. Dit is een onderwerp dat ook in het rapport Wennink aan de orde is gesteld. Ook vanuit dat perspectief is uitvoering van het pakket van groot belang.
Hoe wilt u ondernemers nog stimuleren om te investeren in verduurzaming, innovatie en uitbreiding als zij geen zekerheid hebben dat hun vergunning behouden blijft?
Ondernemers moeten er in beginsel vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Het maatregelenpakket is er juist op gericht dat de vergunningverlening weer op gang komt. Een essentieel onderdeel van dat pakket is onder andere van brede ondersteuning van ondernemers bij stappen gericht op verduurzaming en innovatie, in het bijzonder binnen de agrarische sector, maar het pakket bevat ook ondersteunende maatregelen gericht op verduurzaming van de industrie en mobiliteit.
Bent u het ermee eens dat deze problematiek niet alleen de agrarische sector raakt, maar in beginsel ieder bedrijf met een omgevings- of natuurvergunning kan treffen? Zo nee, waarom niet?
Intrekkingsverzoeken komen niet alleen voor in de agrarische sector, maar ook in andere sectoren, zoals de industrie. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om uiteindelijk intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken2. Ik deel die mening.
Welke gevolgen verwacht u voor de financierbaarheid van bedrijven als banken en investeerders moeten rekenen met het risico dat vergunningen achteraf worden ingetrokken en waar baseert u dit op?
Banken en investeerders zijn bekend met de regelgeving en situatie rond Natura-2000 gebieden en de gronden waarop vergunningen kunnen worden verleend en welke eventuele risico’s er ontstaan indien er een verzoek tot intrekking van een vergunning van een specifiek bedrijf wordt gedaan. Zij betrekken deze informatie in hun financieringsbeslissingen. Ik verwacht dat het maatregelenpakket, waarmee we geleidelijk van stikstofslot zullen komen, een positief effect heeft op investeringsklimaat.
Welke economische schade verwacht u wanneer ondernemers noodzakelijke investeringen uitstellen vanwege afnemende rechts- en investeringszekerheid?
Het huidige stikstofslot leidt in algemene zin tot forse economische impact. Uit onderzoek van SEO en CE Delft bleek dat de verminderde vergunningverlening in de periode van 2024–2030 tot € 30,7 miljard aan bruto omzetverlies kan leiden. Verschillende onderwerpen, zoals de schade aan het vestigingsklimaat, konden daarbij niet worden becijferd. Het is voor de economie dus van eminent belang om de noodzakelijke maatregelen te nemen en daarom vindt het kabinet het van groot belang om het maatregelenpakket snel uit te voeren.
Acht u het wenselijk dat Nederland internationaal bekend komt te staan als een land waar legaal verleende onherroepelijke vergunningen achteraf kunnen worden ingetrokken? Zo nee, hoe gaat u dat voorkomen?
Alle betrokken partijen moeten, zeker met het gepresenteerde maatregelenpakket en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Daarnaast geldt in Nederland dat indien er een verzoek tot intrekking wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Daarmee wordt de rechtszekerheid geborgd. Daarnaast geldt dat het uitgebreide maatregelenpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd zal bijdragen aan een beter investeringsklimaat omdat Nederland daarmee weer van het stikstofslot zal komen.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de ambitie van het kabinet om Nederland aantrekkelijk te houden voor ondernemers en investeerders?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant over het voornemen om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken? Zo nee, waarom niet. Zo ja, kunt u ons zo snel mogelijk na dit overleg informeren?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Net als VNO-NCW heb ik ook bij de provincies benadrukt dat een zorgvuldige procedure essentieel is. Ook heb ik in gesprek met Noord-Brabant aangegeven dat ik verwacht dat zij geen onomkeerbare besluiten nemen, totdat het «trappetje van Remkes» is uitgelopen. Als laatste heb ik voorgesteld om nog deze zomer met alle provincies met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen over het gemotiveerd afwijzen van intrekkings- en handhavingsverzoeken
De klimaatimpact van de veehouderij en de kabinetsaanpak |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens de meest recente Klimaat- en Energieverkenning (KEV) nog circa 24 megaton CO₂-reductie nodig is om de klimaatdoelen voor 2030 te halen?
Volgens de Klimaat- en Energieverkenning 2025 (KEV25) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is nog 22 megaton CO2-eq. aanvullende broeikasgasreductie nodig om het wettelijke klimaatdoel van 55% broeikasgasreductie in 2030 ten opzichte van 1990 met 95% zekerheid te halen. In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030, zie ook antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven hoeveel de landbouwsector en specifiek de veehouderij uitstoot in CO₂-equivalenten volgens de meest recente cijfers? Welk aandeel is dit van de totale uitstoot in Nederland?
Volgens de KEV25 kwamen de broeikasgasemissies van de landbouw in 2024 uit op 24,8 megaton CO2-eq. Hiervan kwam 17,8 megaton CO2-eq. door de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw. De overige emissies kwamen door energieverbruik, met name afkomstig van de glastuinbouw. Dit komt neer op een aandeel van 17,1% van de landbouw en 12,3% specifiek van de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw, van de totale uitstoot (145 megaton CO2-eq.) in Nederland.
Hoeveel van de nog benodigde reductiedoelstelling van 24 megaton gaat u toerekenen aan de landbouw- en veehouderijsector?
In 2022 zijn voor alle klimaatsectoren indicatieve sectordoelen gesteld1. In de voorjaarsbesluitvorming 20232 is de indicatieve restemissie van de landbouw aangescherpt met 1 Mton CO2-eq. extra reductie in de glastuinbouw. De landbouwsector heeft hierdoor een indicatief sectordoel (restemissiedoel) van 17,9 megaton CO2-eq. in 2030. Dit is uitgesplitst in een bijdrage van de veehouderij en akkerbouw van 13,6 megaton CO2-eq. en een bijdrage van de glastuinbouw van 4,3 megaton CO2-eq. in 2030. Volgens de KEV25 is het gat tot het doelbereik voor de landbouw nog 4 megaton CO2-eq., waarvan 2,5 megaton CO2-eq. voor de veehouderij en akkerbouw.
Kunt u aangeven hoeveel broeikasgasreductie het kabinet op dit moment concreet verwacht te realiseren in de veehouderij richting 2030 en 2035, uitgesplitst naar maatregelen en in megatonnen CO₂-equivalenten, gezien het voornemen om pas vanaf 2035 doelsturing in te voeren?
In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030. Het kabinet heeft op 26 juni jl. het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd.3 De maatregelen die hierin zijn genomen zullen vanwege de doorlooptijd nog niet kunnen worden meegenomen in de ramingen in de KEV26. In september 2026 volgt wel een reflectie van het PBL op dit maatregelenpakket, waarin ook de klimaateffecten worden meegenomen.
Staat de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton nog steeds overeind, of gelden er op dit moment andere doelstellingen, aangezien in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelstellingen worden genoemd voor landbouw en veehouderij?
Na het Klimaatakkoord uit 2019 zijn zowel de wettelijke doelen (via wijziging van de Klimaatwet) als het bijbehorende beleid aangescherpt. Het kabinet stuurt voor de klimaatopgave primair op de indicatieve sectordoelen (restemissiedoelen), waaronder het eerdergenoemde restemissiedoel van 17,9 megaton CO2-eq. voor de landbouw. Daarnaast heeft Nederland zich gecommitteerd aan de Global Methane Pledge. Dit houdt in dat Nederland zich inzet voor 30% reductie van methaan in 2030 ten opzichte van 2020.
Wordt de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton vanuit de veehouderij gehaald, en zo nee, waarom en welke reductie resteert?
Zie hiervoor het antwoord op de vragen 3 en 5.
Kunt u toelichten waarom in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor de landbouw en veehouderij in megatonnen zijn opgenomen, terwijl deze sector een substantiële bijdrage levert aan de nationale uitstoot?
In het Klimaatplan, dat eens in de vijf jaar wordt vastgesteld, is een meerjarige beleidsagenda opgenomen en wordt het transitiepad geschetst voor de lange termijn. Het Klimaatplan bevat geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor sectoren na 2030, ook niet voor andere sectoren dan de landbouw. De meerjarige beleidsagenda wordt in de jaarlijkse klimaatcyclus gebruikt voor de budgettaire besluitvorming over concrete klimaatmaatregelen. De meerjarige beleidsagenda is in de Klimaat- en Energienota 2025 geactualiseerd.4
Deelt u de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen en dat aanvullend beleid noodzakelijk is dat op korte termijn emissiereductie oplevert? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bereidt u specifiek voor de veehouderij voor?
Het PBL stelt in de KEV25 dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen. Na het verschijnen van de KEV25 heeft het kabinet maatregelen voor de landbouwsector aangekondigd in het kader van het pakket voor landbouw, natuur en stikstof. Onderdeel van dit pakket zijn de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Hiermee zet het kabinet in op reductie van broeikasgassen in de veehouderij. Daarnaast zijn er ook andere maatregelen aangekondigd die naar verwachting effect hebben op de reductie van de broeikasgassenuitstoot in de landbouw, zoals de vrijwillige beëindigingsregeling, de afroming van productierechten en grondgebondenheid. Conform het coalitieakkoord neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te halen. Het kabinet wil aansluiten bij de Europese aanpak en kijkt hiervoor ook naar de voorstellen van de Europese Commissie voor het 2040-maatregelenpakket die later dit jaar worden verwacht.
Kunt u aangeven hoeveel CO₂-reductie wordt verwacht als gevolg van het stikstofbeleid? Wat betekent dit voor de zekerheid waarmee klimaatdoelen gehaald kunnen worden?
Het PBL presenteert in september een reflectie op het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Het klimaateffect van het pakket zal in deze reflectie ook worden doorgerekend.
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate de omvang van de veestapel onderdeel is van het klimaatbeleid, gegeven dat het PBL aangeeft dat deze voor een groot deel bepalend is voor de broeikasgasemissies? Welke concrete beleidskeuzes en doelstellingen hanteert het kabinet op dit punt?
Het kabinet stuurt in het klimaatbeleid op de eerdergenoemde sectorale restemissiedoelen. Voor de veehouderij is er vanuit de Ministeriële Taskforce voor landbouw, natuur en stikstof een reeks aan maatregelen aangekondigd, waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u toelichten wat u verstaat onder «een stevige aanpak [.] om invulling te geven aan het sectordoel van de veehouderij en mestaanwending in de akkerbouw» zoals genoemd in het Klimaatplan 2025–2025 (p. 43), en welke concrete maatregelen daar op dit moment onder vallen?
Zoals genoemd heeft het kabinet onlangs het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd. Deze maatregelen zullen ook een bijdrage leveren aan de klimaatdoelen voor de landbouw. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8. Conform het coalitieakkoord neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te halen.
Kunt u per maatregel aangeven wat het verwachte reductiepotentieel is, binnen welke termijn deze gerealiseerd wordt en hoe zeker deze reductie is (bijvoorbeeld op basis van gevalideerde praktijkdata)?
In september 2026 wordt de doorrekening van PBL voor het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof verwacht. Hierbij wordt ook gekeken naar de effecten voor klimaat.
In hoeverre leunt het huidige beleid op technologische innovaties, zoals emissiearme stalsystemen en managementmaatregelen? Hoe beoordeelt u de risico’s dat deze innovaties onvoldoende of te laat leveren?
De aanpak bestaat uit verschillende soorten maatregelen en leunt niet alleen op technologische innovaties. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Voor het behalen van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen is het van belang dat de veehouder voldoende maatregelen tot zijn beschikking heeft om het bedrijfsspecifieke emissiedoel te halen. Daarom wordt het doel ook bepaald op basis van technisch reductiepotentieel. De borging van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen wordt verder uitgewerkt om te zorgen dat ingezette maatregelen ook tot daadwerkelijke reductie zullen leiden.
Klopt het dat het kabinet voornemens is doelsturing pas vanaf 2035 in te voeren, waarbij agrariërs afrekenbare emissiedoelen krijgen? Waarom wordt deze systematiek niet al vóór 2030 ingevoerd, gezien de urgentie van de klimaatopgave?
Doelsturing en het invoeren van afrekenbare emissienormen vraagt om een uitvoerige systeemwijziging die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. De periode richting 2035 geeft agrarische bedrijven tevens de ruimte om zorgvuldige keuzes te maken over de toekomst van hun bedrijf waarna ze moeten voldoen aan de individuele bedrijfsnormen. Het is daarbij cruciaal om ondernemers te ondersteunen met het maken van deze keuzes en in het nemen van maatregelen om in 2035 voldoen aan de geldende normen. Voor ammoniak geldt bovendien in 2030 een sectorale streefwaarde waardoor er naar verwachting al sprake zal zijn van reductie voor 2030. Het kabinet verkent de mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme in 2030.
Hoe verhoudt het uitstellen van doelsturing tot na 2030 zich tot de noodzaak om op korte termijn substantiële emissiereducties te realiseren?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 14. Er geldt voor ammoniak een sectorale streefwaarde voor 2030 en het kabinet verkent mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme. Daarnaast zet het kabinet voordat de normen afrekenbaar worden al in op emissiereducerende maatregelen door bijvoorbeeld managementmaatregelen te stimuleren. Naast de inzet op doelsturing, heeft het kabinet andere maatregelen aangekondigd in het onlangs verschenen maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Welke alternatieve instrumenten zet het kabinet vóór 2030 in om daadwerkelijk afdwingbare emissiereductie in de veehouderij te realiseren?
Zie antwoord op vraag 15.
Kunt u toelichten waarom het kabinet stelt dat emissies uit de veehouderij in 2050 niet tot nul kunnen worden teruggebracht, en in hoeverre deze aanname invloed heeft op de ambitie en inzet richting 2030?
De emissies uit de veehouderij worden in 2050 niet tot nul teruggebracht vanwege de biologische processen die met deze emissies gepaard gaan. Met de huidige inzichten kunnen deze biologische processen van met name (melk)vee en mesttoediening niet volledig emissievrij worden. De (melk)veehouderij en mesttoediening zal ook in 2050 nog in Nederland plaatsvinden, waardoor deze sector niet geheel naar nul emissie zal gaan. Deze stelling doet niets af aan de ambitie en inzet richting het klimaatdoel van 2030.
Hoe groot acht u de resterende emissies uit de landbouwsector in 2030, en in hoeverre rekent u op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie om deze te neutraliseren?
Zie antwoord op vraag 2. De indicatieve sectordoelen voor 2030 tellen op tot het wettelijke netto reductiedoel van 55% ten opzichte van 1990. Het kabinet stuurt op doelbereik in de sectoren en rekent voor 2030 niet op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie voor het indicatieve sectordoel voor de landbouw. Voor realisatie van het indicatieve sectordoel voor het landgebruik in 2030 wordt echter wel gerekend op een toename van koolstofverwijdering in bossen en minerale bodems, naast emissiereductie uit organische veenbodems.
Acht u het wenselijk om in te zetten op compensatie van landbouwemissies, in plaats van maximale reductie aan de bron? Kunt u dit toelichten?
Een van de uitgangspunten uit de Routekaart Koolstofverwijdering5 is dat het reduceren van broeikasgasemissies voorop blijft staan. Hiermee wordt de afhankelijkheid van koolstofverwijdering voor compensatie richting klimaatneutraliteit in 2050 geminimaliseerd. Voor de landbouwsector, evenals voor andere klimaatsectoren, betekent dit concreet dat emissiereductie aan de bron plaatsvindt waar dit mogelijk en haalbaar is. Onvermijdelijke of zeer moeilijk te reduceren emissies worden op duurzame wijze gecompenseerd door de inzet van koolstofverwijdering.
Hoe borgt u dat Nederland voldoet aan de verplichtingen onder de Europese Effort Sharing Regulation (ESR), waarin landbouwemissies zijn inbegrepen, indien aanvullende nationale maatregelen uitblijven?
De KEV25 raamt dat het heel erg waarschijnlijk is (meer dan 95% kans) dat Nederland zijn verplichtingen nakomt onder de ESR. De ESR beslaat naast landbouw ook uit emissies uit mobiliteit (excl. luchtvaart), gebouwde omgeving, kleine industrie en afval.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn als Nederland zijn ESR-doelen niet haalt, zowel financieel als juridisch?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 20, ligt Nederland op koers om het ESR-doel voor 2030 te halen. Een lidstaat die niet voldoende reductie behaalt binnen de ESR, kan verschillende flexibiliteiten uit de verordening inzetten om alsnog aan de ESR-verplichting te kunnen voldoen. Hier gaat het onder andere om compensatie tussen verschillende jaren of het kopen van emissieruimte van andere lidstaten. Indien na inzet van deze flexibiliteiten alsnog niet voldaan wordt aan de verplichting, treedt de boeteclausule van de ESR-verordening in werking. De lidstaat moet in latere jaren dan meer emissies reduceren. Haalt een land de doelen structureel niet, dan heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om een inbreukprocedure te starten bij het EU-Hof, wat kan leiden tot geldboetes voor de overheid.
Kunt u reflecteren op de bredere klimaatimpact van het in stand houden van de huidige omvang van de veehouderij, mede in relatie tot beleidskeuzes rond bijvoorbeeld groen gas? In hoeverre worden hier ook scope-2 en -3 effecten meegenomen?
Het kabinet stuurt voor de klimaatdoelen op emissiereductie van broeikasgassen. De inzet op groen gas is hier onderdeel van. De omvang van de veehouderij is geen doel op zich, maar kan wel een resultante zijn van het gevoerde beleid. Scope-2 en scope-3 effecten vormen geen onderdeel van de doelen, maar kunnen wel worden meegewogen in de besluitvorming.
Welke concrete stappen is het kabinet bereid op korte termijn te zetten om de uitstoot van de veehouderij daadwerkelijk en substantieel te reduceren, en wanneer kan de Kamer hierover uitgewerkte voorstellen verwachten?
Het kabinet zal de komende tijd uitgewerkte voorstellen uit het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof aan de Kamer doen toekomen. Zie verder ook het antwoord op vraag 8.
Deelt u de opvatting dat het huidige beleid onvoldoende concreet, onvoldoende afdwingbaar en onvoldoende ambitieus is om de klimaatdoelen te halen? Zo nee, waarop baseert u dat?
Volgens de KEV25 zijn er aanvullende maatregelen nodig om de klimaatdoelen te realiseren. Met het gepresenteerde maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof beoogt het kabinet een forse stap te zetten richting het vlottrekken van vergunningverlening. Maatregelen uit dit maatregelenpakket kennen ook een emissie-reducerend effect op klimaat. In september komt het PBL met een reflectie op dit maatregelenpakket, waarin ook wordt gekeken naar het klimaateffect. Daarnaast volgt met Prinsjesdag de KEV26 met nieuwe ramingen van het PBL. Conform het coalitieakkoord zal het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen nemen om de klimaatdoelen te halen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk, onderbouwd en op tijd beantwoorden?
Ja.
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Zie antwoord vraag 17.
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Ja.
Het structurele lijden van konijnen en nieuwe beelden van ernstige overtredingen in de Nederlandse vleeskonijnenhouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Was u zich beiden al bewust van de omstandigheden waaronder konijnen in de Nederlandse vleeskonijnenfokkerij worden gehouden? Kunt hier uiteenzetten hoe dieren moeten leven in de vleeskonijnenhouderij in ons land?
Ik ben op de hoogte van de algemene omstandigheden waarin konijnen leven in de houderijen. De omstandigheden waaronder konijnen worden gehouden, kunnen per houderij verschillen, maar ik ga er wel van uit dat houderijen minimaal voldoen aan de standaarden die zijn vastgelegd in de geldende wet- en regelgeving. Voor de standaarden in houderijen verwijs ik naar de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Deze wet- en regelgeving stelt minimumeisen aan huisvesting, verzorging en hantering van dieren, met als doel onnodig lijden te voorkomen. Voor konijnen zijn specifieke voorschriften opgenomen in het Besluit houders van dieren, waaronder eisen aan de ruimte, verlichting, verrijking en voer en water.
Heeft u de beelden bekeken die de afgelopen maanden op zestien verschillende konijnenhouderijen in Nederland zijn gemaakt, waarop te zien is op welke wijze konijnen op deze bedrijven uit hun kooien worden getrokken om afgevoerd te worden naar het slachthuis?1 2
Ja.
Heeft u gezien dat de konijnen op ruwe wijze aan hun oren en aan hun vacht worden opgetild en zeer ruw in transportkratten worden gegooid en geduwd?
Ja.
Heeft u gezien dat er ook gebruik wordt gemaakt van winkelwagentjes, die vol worden gegooid met konijnen, waarbij de dieren die onderin terecht zijn gekomen met hun pootjes op het raster van de winkelwagen zitten terwijl er een stapel van vier á vijf lagen konijnen bovenop ze wordt gegooid tot het winkelwagentje vol is, waardoor de dieren die onderin zitten worden geplet onder het gewicht van hun soortgenoten?
Ja.
Heeft u gezien dat er zelfs konijnen worden doodgeslagen tegen de grond?
Ja.
Wat vindt u van dit alles?
Wat te zien is op de beelden is verschrikkelijk en het gaat me aan het hart. Zo omgaan met dieren keur ik ten zeerste af en is onaanvaardbaar. We zien helaas vaker beelden van dieren die behandeld worden op een wijze die ons versteld doet staan. Als er geen toezichthouder in de buurt is, voelen sommigen zich kennelijk vrij op deze manier met dieren om te gaan. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.
Is dit de manier waarop in de Nederlandse veehouderij met dieren mag worden omgegaan? Zo nee, kunt u uitvoerig uiteenzetten welke overtredingen u hier allemaal ziet?
Dieren zijn meer dan een object of eigendom, het zijn levende wezens met een eigen waarde, los van de (gebruiks-)waarde die de mens eraan toekent. Deze intrinsieke waarde van dieren is vastgelegd in de Wet dieren en vormt dan ook het uitgangspunt van mijn beleid. We dienen met respect met dieren om te gaan, ze goed te behandelen en goede huisvesting en verzorging te bieden, van fok tot slacht.
Tijdens de verplaatsing van dieren moet letsel en lijden voorkomen worden en opwinding en stress tot een minimum worden beperkt. Ook moet de veiligheid van dieren worden gewaarborgd. Dit vereist een rustige en zorgvuldige manier van werken.
De NVWA heeft een grote hoeveelheid beeldmateriaal ontvangen. Het onderzoek loopt nog, dit betreft onder andere de beoordeling op authenticiteit. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met de dieren. Er worden dieren opgetild aan oren, vacht, poten en kop, dieren worden met te veel in een winkelwagen gestopt waardoor ze in de verdrukking komen. Ook is het verboden om konijnen te doden op de wijze zoals te zien is op de beelden.
Klopt het dat er op dit moment tussen de 25 en 30 vleeskonijnenhouderijen zijn in Nederland? Hoeveel zijn het er precies?
Op 1 april 2026 zijn 28 bedrijfsmatige houders van konijnen geregistreerd.
Hebt u gezien dat bij 16 Nederlandse konijnenhouderijen is gefilmd en dus bij (ruim) meer dan de helft van de bedrijven?
Ja, we hebben gezien dat bij 16 bedrijven is gefilmd. Er is een grote hoeveelheid aan beeldmateriaal.
Bent u ermee bekend dat in 2019 ook al beelden naar buiten kwamen over ernstig dierenleed in de Nederlandse konijnenhouderij, waarna toenmalig Minister Schouten aangaf dat zij begrijpt dat mensen hierdoor «geschokt, verdrietig en verontwaardigd zijn»?3
Ja, ik ben bekend met de reactie van toenmalig Minister Schouten op de beelden van toen.
Bent u ermee bekend dat vier jaar later opnieuw werd bevestigd dat konijnen in de veehouderij ernstig lijden, waarna toenmalig Minister Adema aangaf dit «verschrikkelijk» te vinden?4
Ja, ik ben bekend met de reactie van toenmalig Minister Adema op de beelden van toen.
Deelt u de mening dat er hierdoor niet kan worden gesproken over een incident, maar dat er sprake is van structureel en ernstig dierenleed en ernstige overtredingen in de konijnenhouderij? Zo nee, waarom niet?
De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Kunt u aangeven hoeveel controles sinds 2017 hebben plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, uitgesplitst naar jaar? Klopt het dat er in elk geval in 2024 en 2025 geen enkele controle van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, ondanks de eerdere misstanden die in 2019 en ook in 2023 nog zijn geopenbaard?
Op de konijnenhouderijen in Nederland zijn zowel in de periode 2015–2017 als 2021–2022 naleefmetingen uitgevoerd op de wijze waarop de dieren worden gehouden.
Bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/20225 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.
Omdat uit deze onaangekondigde inspecties bleek dat geen sprake is van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd.
Kunt u aangeven hoeveel controles op het laden van konijnen voor transport hebben plaatsgevonden sinds 2017, uitgesplitst naar jaar?
Vanaf 2017 hebben er geen controles op het laden van konijnen plaatsgevonden.
Hoe kan het dat aan burgers, maatschappelijke organisaties en volksvertegenwoordigers nu al jaren wordt verteld dat de NVWA risicogericht toezicht houdt, terwijl in een sector zoals de vleeskonijnenhouderij, waar de risico’s op ernstig dierenleed en ernstige overtredingen overduidelijk groot en bekend zijn, niet wordt gecontroleerd?
De NVWA richt het toezicht op de locaties en sectoren waar de risico’s het grootst zijn en waar meldingen en signalen aanleiding geven voor inspecties. Omdat uit de inspecties uit 2021/2022 bleek dat er geen sprake was van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd. In 2027 staat opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden.
Hoe verklaart u dat er, jaren nadat de eerste berichten van ernstig dierenleed in konijnenhouderijen naar buiten kwamen, nog steeds sprake is van structureel en ernstige dierenleed en ernstige overtredingen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 12.
De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten.
Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Hoelang duurt een cyclus van fok en geboorte van jonge konijnen tot aan het eindstadium van de vetmesterij op een gemiddeld vleeskonijnenbedrijf? Hoe veel van deze cycli vinden jaarlijks plaats en hoe vaak per jaar worden de vetgemeste konijnen op een gemiddeld bedrijf afgevoerd naar de slacht?
De draagtijd van een konijn bedraagt gemiddeld 31 dagen. De vleeskonijnen gaan rond 11 weken leeftijd naar de slacht. In het handboek van de sector van 2019–2020 staat dat moederkonijnen gemiddelde 6,8 worpen per jaar hebben. De gevraagde gegevens over het aantal keer per jaar dat de konijnen op een gemiddeld bedrijf naar de slacht worden afgevoerd, worden niet door de overheid bijgehouden.
Hoe geloofwaardig vindt u de reactie van één van de boeren, die bij RTL Nieuws namens de gehele vleeskonijnensector reageerde, dat ze echt geschrokken waren van de beelden, terwijl deze beelden ook op zijn eigen bedrijf waren gefilmd?
Op basis van het bericht over de beelden kan ik geen oordeel geven over de geloofwaardigheid van een individuele reactie van een houder.
Denkt u dat de betreffende boeren niet weten hoe de konijnen op hun eigen bedrijven uit hun kooien worden getrokken en in kratten worden gesmeten wanneer het tijd is om de vetgemeste dieren af te voeren naar de slacht? Liggen zij dan in bed als de konijnen op hun eigen bedrijf worden gevangen voor de slacht?
Ik kan geen oordeel vellen over de mate van betrokkenheid van specifieke konijnenhouders bij het vang- en laadproces. De konijnenhouder blijft hoe dan ook zelf verantwoordelijk voor het welzijn van de dieren op diens bedrijf en heeft zich aan de regels te houden. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.,
Deelt u het vermoeden dat de vleeskonijnenfokkers niet zozeer geschrokken zijn van wat er op de beelden te zien is, omdat dat hen wel bekend is, maar vooral van het feit dat deze beelden naar buiten zijn gekomen?
Op basis van de beschikbare informatie kan ik geen oordeel geven over de reacties van individuele konijnenhouders.
Denkt u dat een «stevig gesprek», dat de NVWA met de sector zegt te willen gaan voeren, een gepaste reactie is voor een sector die nu al verschillende keren via undercoverbeelden is ontmaskerd als een sector waarin dieren structureel ernstig lijden en waarin ernstige overtredingen worden begaan?
In het gesprek met de sector met LVVN en NVWA op 16 juli jl. is besproken dat de LTO in samenwerking met een onafhankelijke kwartiermaker een verbeterplan maakt dat uiterlijk in oktober door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Deelt u de mening dat een dergelijke sector geen uitvluchten meer mag krijgen door zelf met «verbeterplannen» te komen, maar dat de schandalige manier waarop in de vleeskonijnenhouderij met weerloze dieren wordt omgegaan stevig moet worden bestraft en serieuze consequenties moet hebben?
Ik deel de zorgen van de Kamer over de misstanden in de konijnenhouderijen en ik ben van mening dat er geen ruimte meer is voor vrijblijvendheid. De sector moet nu concrete stappen zetten om het vangen en laden van de konijnen te verbeteren en de NVWA zal waar nodig handhavend optreden.
Welke consequenties verbindt u aan het structurele lijden van konijnen in de vleeskonijnenhouderij en de ernstige overtredingen die keer op keer naar buiten komen voor de toekomst van deze sector in ons land?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u zich voorstellen dat veel burgers begrijpen dat er belastinggeld wordt gestoken in het uitkopen van veehouderijen en dat er subsidies worden verstrekt om de veehouderij te laten omschakelen naar een duurzamer en diervriendelijker landbouw, maar dat het indruist tegen hun rechtsgevoel als veehouderijbedrijven die zó met dieren omgaan en die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen ook doodleuk in aanmerking komen voor uitkoopregelingen en subsidies? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij deze zorgen van burgers voorstellen. Subsidieregelingen voor beëindiging van veehouderijen, zoals de Lbv-regelingen6 en de in voorbereiding zijnde Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) kennen een bepaling die het mogelijk maakt om bij ernstige overtredingen een aanvraag af te wijzen. Immers kunnen alleen ondernemingen die aan de normen van de Europese Unie voldoen, zoals ten aanzien van dierenwelzijn, voor subsidie in aanmerking komen. Als een veehouder niet aan deze normen voldoet en zijn activiteiten moet beëindigen wordt een aanvraag in elk geval afgewezen. Ook de overtreding van normen die niet gestoeld zijn op regelgeving van de Europese Unie kan reden zijn om een ondernemer uit te sluiten van deelname aan een beëindigingsregeling. In het bijzonder gaat het om overtredingen van de Meststoffenwet en om overtredingen van de regelgeving voor dierenwelzijn die zo ernstig zijn dat ze niet bestuursrechtelijk zijn afgedaan, maar dat ze in het strafrechtelijke spoor zijn beoordeeld. Genoemde regelingen bevatten een grondslag om in dergelijke gevallen de subsidieaanvraag af te kunnen wijzen. Bij de beoordeling wordt hierbij als criterium gehanteerd of een straf is opgelegd door het Openbaar Ministerie (strafbeschikking) of de strafrechter voor een strafbaar feit dat in een periode van vijf jaar voor de datum van subsidieaanvraag is begaan.
Gaat u ervoor zorgen dat bij veehouderijbedrijven die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen strikte handhaving en sanctionering wordt ingezet, in plaats van straffeloze beloning in de vorm van uitkoopregelingen of omschakelsubsidies op kosten van de belastingbetaler? Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe u dit aan gaat pakken? Zo nee, waarom vindt u het gerechtvaardigd om schaarse middelen uit het stikstoffonds op te maken aan bedrijven die ernstige overtredingen begaan en zo omgaan met dieren?
Zie mijn antwoord op vraag 12 en 24. In het geval van ernstige overtredingen of misdrijven wordt het opgemaakte proces-verbaal overgedragen aan het Openbaar Ministerie, dat zal besluiten over strafoplegging of vervolging.
Eerder heb ik uitgelegd welke voorwaarden subsidieregelingen bevatten om voor subsidie in aanmerkingen te komen en welke mogelijkheden er zijn om een ondernemer uit te sluiten bij (ernstige) overtredingen.
Deelt u de mening dat de schandalige manier waarop konijnen uit hun kooien werden gehaald en (via winkelwagentjes) in transportkratten werden gegooid en geduwd nooit meer voor mag komen? Zo nee, waarom vindt u dat de vleeskonijnensector ernstige overtredingen mag blijven begaan? Zo ja, hoe gaat u zorgen dat dit niet meer gebeurt?
Zie mijn antwoord op vraag 6. Ik deel dat het laden en doden van de konijnen op de videobeelden op een dieronwaardige manier gebeurt en keur dit af. Echter, zoals aangegeven loopt het onderzoek van de beelden nog.
De konijnenhouder is verantwoordelijk dat tijdens de verplaatsing van de dieren letsel en lijden voorkomen wordt en opwinding en stress tot een minimum wordt beperkt. Ook moet de veiligheid van dieren worden gewaarborgd. De konijnensector gaat een verbetertraject opzetten met een onafhankelijke kwartiermaker. Dit proces zal nauwlettend gevolgd worden.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Erkent u dat er in het huidige veehouderijsysteem voor konijnen sprake is van structureel lijden, ook als de veehouder zich aan alle regels houdt, omdat de tot nu toe toegestane manier van huisvesting totaal niet is aangepast aan de natuurlijke behoeften, het welzijn en de integriteit van deze dieren? Deelt u de mening dat er een einde moet komen aan dit structurele dierenleed?
De Wet dieren en het Besluit houders van dieren is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten en Europese richtlijnen, zoals Richtlijn 98/58/EG betreffende de bescherming van landbouwhuisdieren. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoeften van dieren, voor zover deze verenigbaar zijn met de economische en praktische haalbaarheid in de houderijen.
Of er sprake is van structureel lijden is niet te zeggen omdat de omstandigheden variëren per bedrijf. Wel is het van belang om te benadrukken dat de huidige wetgeving minimumeisen stelt, maar dat er ruimte is voor verbetering in het kader van het welzijn van de konijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek van onder andere de European Food Safety Authority (EFSA)1 blijkt dat konijnen behoeften hebben die in lijn liggen met hun natuurlijke gedrag.
Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. Nr. 1394), werk ik aan een AMvB voor een dierwaardige veehouderij. Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de stappen die hierop worden ondernomen en dat de concept-AMvB na de zomer aan het parlement zal worden voorgehangen. De focus ligt in de AMvB die reeds wordt opgesteld bij de grotere sectoren (varkens, runderen en pluimvee), maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken. Op het moment dat de AMvB voor de konijnensector wordt opgesteld zal nogmaals goed gekeken worden naar de gedragsbehoeftes en het natuurlijke gedrag van konijnen om zo tot passende nieuwe wetgeving te komen.
Hoeveel konijnen worden er in Nederland jaarlijks gefokt? Kunt u bevestigen dat uit schattingen blijkt dat rond de 350.000 konijnen per jaar niet levend de stallen uitkomen, omdat ze er sterven vanwege de slechte omstandigheden?5 Zo nee, om welke aantallen gaat het dan en waar baseert u dat op?
In totaal zijn in 2025 iets meer dan 246.000 konijnen gefokt (gespeende vleeskonijnen en voedsters). Cijfers over de sterfte van konijnen worden niet centraal geregistreerd.
Bent u ermee bekend dat de toenmalig landbouwminister in 2020 liet weten in gesprek te gaan met de konijnensector over het centraal registeren van het aantal konijnen dat sterft in de stallen en dat deze cijfers vanaf 2025 beschikbaar zouden komen?6 7
Ja, hier ben ik mee bekend; dit is de Zorgwijzer. De LTO konijnenhouderij is dit samen met Wageningen Economic Research (WEcR) gestart. Het is een centrale registratie van data die inzicht geeft in een aantal duurzaamheidsprestaties van de deelnemende bedrijven op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn, waaronder de sterftecijfers. De Zorgwijzer is reeds toegepast voor 2023 en 2024 en zal dit najaar worden ingezet om de sterftecijfers van 2025 en 2026 vast te stellen.
Kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De overheid beschikt niet over deze cijfers. De Zorgwijzer is een private tool en deelname van konijnenhouders is vrijwillig. Niet alle konijnenhouders nemen deel aan de Zorgwijzer en het is niet bekend of de totaalcijfers representatief zijn.
Hoe beoordeelt u het in termen van dierwaardigheid dat konijnen moeten leven in een kooi, zonder ruimte om te rennen, graven, schuilen of knagen, dag en nacht in een ammoniaklucht doorbrengend, waarbij de mannetjes die worden gehouden voor hun zaad in hun eentje in kooien zitten, net als (een groot deel van) de moederdieren op het moment dat zij geen jongen hebben?
Zie mijn antwoord op vraag 27.
Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht die in haar rapport de gedragsbehoeften van konijnen heeft gedefinieerd, waaronder exploreren, knagen, foerageren en scharrelen, het onderhouden van sociale banden, het vertonen van maternaal en nestgedrag, het vertonen van zooggedrag en het ontvangen van moederzorg voor jongen?8
Ja.
Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht dat konijnen zich moeten kunnen terugtrekken om agressie te vermijden, dat ze moeten beschikken over voldoende vlucht-, schuil- of uitwijkmogelijkheden, dat ze moeten kunnen liggen en rusten, dat ze zich moeten kunnen afzonderen van het nest voor moederdieren ter voorkoming van infanticide en verwonding van de jongen en dat ze moeten beschikken over voldoende ruimte voor beweging, zodat ze kunnen springen, huppelen en rennen?
Ja.
Onderschrijft u dat konijnen behoefte hebben aan eten en drinken van onbeperkt beschikbaar schoon water en van voldoende geschikt voer op een manier die aansluit bij de voorkeur van deze dieren?
Ja.
Onderschrijft u de analyse van Universiteit Utrecht dat vleeskonijnen in kleine kooien of hokken gevoelig zijn voor hittestress? Welke maatregelen worden op dit moment getroffen om deze dieren tegen de hitte te beschermen?
Ja, ik onderschrijf dat konijnen gevoelig zijn voor hittestress. Momenteel wordt bij hoge temperaturen de koeling ingeschakeld. Deze koeling kan worden uitgevoerd door de toepassing van PAD-cooling, mechanische koeling of grondbuizen.
Hebben de konijnenfokkers in hun fokprogramma’s rekening gehouden met minder dieren (lagere stalbezetting) in de zomermaanden omdat het risico op hittestress dan groot is?
Nee, zij maken enkel gebruik van verkoelingsmogelijkheden.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen u op korte termijn gaat treffen, en met welk tijdpad, om een einde te maken aan het ernstige en structurele dierenleed in de konijnenhouderij, inclusief handhaving en beëindiging van de bedrijven die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige overtredingen?
Zie mijn antwoord op vraag 21.
Het bericht “Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers” |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Wat is er sinds de eerdere beelden van misstanden in de konijnenfokkerij in 2019 en 2023 concreet gedaan om dit soort mishandelingen te voorkomen en stevig in te grijpen bij bedrijven waar dit plaatsvindt? Welke concrete straffen zijn er destijds opgelegd aan bedrijven en medewerkers?1
De beelden zijn schokkend en op deze manier mag nooit met dieren omgegaan worden. De houder van de dieren draagt te allen tijde verantwoordelijk voor mishandeling of ander dierenleed dat wordt veroorzaakt en dient dit te voorkomen.
Bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/20222 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.
Welke concrete afspraken zijn er naar aanleiding van eerdere misstanden met de sector gemaakt?
De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit plan bevat een viertal onderdelen op het gebied van huisvesting die bijdragen aan het verbeteren van dierenwelzijn voor alle konijnen gehouden voor productie, namelijk: I. (stal)klimaat en calamiteiten, II. omgevingsverrijking, III. comfort voor opfokvoedsters en IV. leefruimte voor zowel vleeskonijnen als voedsters. Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten. Eind 2025 dient elke konijnenhouder minimaal de helft van het totaal aantal punten behaald te hebben. De borging hiervan verloopt via het private kwaliteitssysteem.
Hoe is het mogelijk dat Animal Rights constateert dat deze misstanden nu weer bij álle zestien gefilmde fokkers plaatsvinden?
Ik constateer dat sommigen zich kennelijk vrij voelen om op deze manier met dieren om te gaan als er geen toezichthouder in de buurt is. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.
Momenteel is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Daarnaast werk ik, zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. Nr. 1394), aan een AMvB voor een dierwaardige veehouderij die na de zomer aan het parlement zal worden voorgehangen. De focus in de AMvB die reeds wordt opgesteld ligt bij de grotere sectoren (varkens, runderen en pluimvee), maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken.
Zou u, gezien de schaal en het steeds opnieuw terugkeren van deze misstanden nog spreken van incidenten of gaat het hier over structurele misstanden in een sector waar maar weinig lijkt te verbeteren?
De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Welke stappen zijn er inmiddels genomen naar aanleiding van deze beelden?
Zie het antwoord op uw derde vraag. De harde schijf met beelden is overgedragen aan de NVWA. Het gaat om een grote hoeveelheid beeldmateriaal.
Daarnaast heeft een gesprek met LVVN, NVWA en de konijnensector plaatsgevonden op 16 juli jl. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt hoe de sector LVVN en de NVWA op de hoogte houdt over de voortgang van het verbetertraject. Zo is onder andere afgesproken dat het door een onafhankelijke kwartiermaker en de sector te maken verbeterplan uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind van dit jaar informeren.
Klopt het dat in Vlaanderen bij soortgelijke misstanden veel steviger is ingegrepen? Waarom is dit en wat is er in Nederland meer mogelijk?
De Vlaamse autoriteit geeft aan dat dit om een specifiek geval in 2023 gaat. Animal Rights heeft daar een konijnenhouderij gefilmd. Naar aanleiding hiervan heeft een inspectie door de Vlaamse autoriteit plaatsgevonden. Tijdens de inspectie is een aantal overtredingen van de in Vlaanderen geldende regelgeving vastgesteld, het zogenoemde «Besluit van de Vlaamse regering van 19 december 2020 betreffende het welzijn van konijnen in fokkerijen». Voor deze overtredingen is een proces verbaal opgemaakt. De rechter heeft hier toen vrij streng op geoordeeld, aldus de Vlaamse autoriteit. De twee zaakvoerders kregen elk afzonderlijk een boete van 8.000 euro, waarvan 6.000 euro met uitstel. Hun vennootschap moest 20.000 euro betalen, waarvan 8.000 euro met uitstel.
In Nederland kan de NVWA zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk optreden met het daarbij behorende instrumentarium.
Welke conclusies trekt u uit deze beelden ten aanzien van de noodzaak tot veel strenger optreden, nut en noodzaak van afspraken met deze sector als het blijkbaar steeds op deze schaal misgaat en de toekomst van deze sector in Nederland?
De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het verbeterplan dat door de sector en de onafhankelijke kwartiermaker uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden willen realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind dit jaar informeren.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Fosfaatrechten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoeveel aanvragen zijn sinds de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) ontvangen en op hoeveel fosfaatrechten hebben deze aanvragen betrekking? Hoe beoordeelt u de belangstelling voor de regeling tot nu toe?
Sinds de start van de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) op 1 juni 2026 zijn tot nu toe 42 aanvragen ingediend. Deze aanvragen hebben betrekking op 598 melkkoeien en 24.287,21 fosfaatrechten. Daarnaast hebben zich tot op heden 8 aanvragers teruggetrokken, met 128,2 koeien en 5058,47 fosfaatrechten. Dat betekent dat op dit moment, minus de intrekkingen, 34 aanvragen actueel zijn, waarvan 33 aanvragen zijn toegewezen en bij één aanvrager op aanvullende informatie wordt gewacht. In totaal nemen deze 33 aanvragers met 459,81 koeien en 19.288,74 fosfaatrechten deel. In relatie tot het beschikbare budget is de belangstelling op dit moment nog beperkt.
Heeft u signalen ontvangen dat het gebruik van 2025 als referentiejaar van invloed is op de deelnamebereidheid van melkveehouders, bijvoorbeeld doordat de actuele bedrijfsomvang afwijkt van de bedrijfsomvang waarop de regeling is gebaseerd?
Hierover heb ik geen signalen ontvangen.
Heeft u signalen ontvangen dat het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden gevolgen heeft voor de mogelijkheden van melkveehouders om deel te nemen aan de regeling, bijvoorbeeld bij bedrijven die hun bouwplan hebben aangepast sinds het wegvallen van de derogatie?
Ik heb vragen ontvangen van potentiële deelnemers hoe wordt omgegaan met het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden. Indien melkveehouders in 2026 minder grasland hebben dan in 2025, dienen zij uiterlijk op 15 mei 2027 de oppervlakte terug te brengen naar de oppervlakte van 2025. Op die manier kunnen melkveehouders het grondgebruik nog wijzigen en worden melkveehouders die in 2026 een lager graslandareaal hebben dan in 2025 niet uitgesloten van deelname aan de Sem.
Heeft u signalen ontvangen dat het verschil tussen de vergoeding van 110 euro per kilogram fosfaatrecht binnen de Sem en de huidige marktwaarde van fosfaatrechten van invloed is op de belangstelling voor de regeling?
Ik herken dat de prijs per fosfaatrecht in de Sem lager ligt dan de huidige marktwaarde. Gezien het Europese steunkader waaronder de Sem is goedgekeurd, moet worden uitgegaan van een gemiddelde verkoopprijs over een langere periode. De prijs van € 110 is vastgesteld op basis van de gemiddelde verkoopprijs van fosfaatrechten over de afgelopen drie jaar. De huidige marktprijzen van fosfaatrechten kunnen gelet op het Europese steunkader geen invloed hebben op de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem. Het verschil tussen de marktwaarde en de vergoeding in de Sem kan zeker van invloed zijn op de belangstelling voor de regeling. Tegelijkertijd krijgt een melkveehouder die deelneemt aan de Sem, naast een vergoeding voor de doorgehaalde fosfaatrechten, ook compensatie voor de inkomstenderving per verminderde melkkoe.
Het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omvang van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden? Hoe beoordeelt u de huidige situatie?
Ja, ik ben hiermee bekend. Het veel voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden, vind ik zorgelijk.
Deelt u de opvatting dat het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken niet alleen van belang is voor het dierenwelzijn, maar ook kan bijdragen aan lagere dierenartskosten voor huisdiereigenaren?
Ja, die deel ik. Dierenartsen gaven tijdens het rondetafelgesprek «toekomst van de diergeneeskundige zorg» van september 2025 het signaal dat een groot deel van de dierenartsbezoeken voor honden gerelateerd is aan schadelijke erfelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke ziekten. Door het stimuleren van verantwoord fokken van huisdieren kunnen erfelijke ziektes en schadelijke uiterlijke kenmerken voorkomen worden, waardoor voor de eigenaren de dierenartskosten (voor de in Nederland gefokte honden) kunnen afnemen.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om het fokken met schadelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke aandoeningen verder terug te dringen? Acht u deze maatregelen voldoende om de gewenste omslag daadwerkelijk te realiseren?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij fokbeslissingen niet alleen wordt gekeken naar uiterlijke kenmerken, maar juist ook naar gezondheidsgegevens, genetische informatie, inteeltcoëfficiënten, gedrag en overige veterinaire informatie?
Ik heb begrepen dat voor de juiste fokbeslissingen al deze aspecten een rol spelen. Dit blijkt ook uit wetenschappelijke informatie.
Welke rol ziet u voor onafhankelijke veterinaire screening van fokdieren bij het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
Bent u bekend met de stichting Fair2Breed (voorheen FairDog) en de door het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken?
Ik ben bekend met stichting Fair2Breed (voorheen FairDog). Zij ontwikkelen een certificeringssysteem voor een gezonde hond. Daarnaast heeft mijn voorganger het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) een subsidie verstrekt om een systematiek te ontwikkelen voor verantwoord fokken met honden. Als u doelt op deze systematiek dan ben ik daar inderdaad ook bekend mee.
Klopt het dat uw ministerie eerder een opstartsubsidie heeft verstrekt aan FairDog/Fair2Breed om deze systematiek verder te ontwikkelen? Welke resultaten zijn met deze subsidie bereikt?
Indien u doelt op de in de vraag 6 genoemde systematiek voor verantwoord fokken van het EGD, dan klopt het niet. Dit is een apart traject dat los staat van hetgeen dat is ontwikkeld door Fair2Breed. Ik heb een opstartsubsidie gegeven aan Fair2Breed om een privaat certificeringstraject voor het fokken van gezonde honden te ontwikkelen. Hierin staan zaken waar de fokker aan moet voldoen om uiteindelijk een door Fair2Breed gecertificeerde hond te krijgen. Ook wordt er een website ontwikkeld waar een toekomstige eigenaar straks een gezond gefokte pup kan vinden. Voor deze certificering heeft Fair2Breed nu werkprotocollen op het gebied van socialisatie en gezondheid voor pups ontwikkeld. Ook zijn contacten met partners gelegd voor het verwerken van DNA en het opslaan van de informatie in een database. DNA is belangrijk voor de screening op ziekten en voor een goede match van teef en reu.
Bent u bekend met de ambities van Stichting Fair2Breed om de ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken landelijk uit te rollen? Op welke wijze beziet u de mogelijke bijdrage van dit initiatief aan het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren?
Ik ben hiermee bekend. Er zijn meerdere initiatieven in de markt waarmee fokkers zich ervan kunnen verzekeren dat er met een gezond dier wordt gefokt en ik vind dit een mooie ontwikkeling. Een gezondheidscertificaat als dat van Fair2Breed (zoals benoemd in vraag 7) kan toekomstige eigenaren garantie geven dat er naar beste weten is gefokt en zou mensen kunnen helpen om de juiste keuze te maken voor een gezond gefokte hond. In die zin zou dit een bijdrage kunnen leveren om erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren in Nederland terug te dringen.
Op basis van welke criteria beoordeelt u een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed? Welke aspecten, zoals effectiviteit, wetenschappelijke onderbouwing, uitvoerbaarheid en borging van publieke middelen, zijn daarbij leidend?
Ik beoordeel een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed zoals alle aanvragen van subsidie, met een vastgesteld format. Waarbij ik vooral zal kijken hoe de aanvraag aansluit bij mijn beleid en of het een taak van de overheid is om hierin te voorzien. Daarnaast zullen de overige door u genoemde aspecten worden meegenomen.
Deelt u de opvatting dat initiatieven die aantoonbaar bijdragen aan gezondere fokkerij, vermindering van erfelijke aandoeningen en lagere veterinaire zorgkosten serieus moeten worden beoordeeld, ongeacht uit welke organisatie deze afkomstig zijn?
Ik ben van mening dat alle initiatieven serieus beoordeeld moeten worden.
Hoe verhoudt een eventuele landelijke uitrol van een dergelijk systeem zich volgens u tot artikel 3.4 van de Wet dieren, het Dierendagakkoord en de voorgenomen Europese Verordening inzake het welzijn en de traceerbaarheid van honden en katten?
Zoals aangegeven bij vraag 8 kan een dergelijk certificeringssysteem – mits goed uitgevoerd – als wegwijzer dienen voor mensen om een verantwoorde keuze te maken voor een gezond gefokte hond. Dat sluit aan bij de oproep om erfelijke ziektes en aandoeningen te voorkomen uit het Dierendagakkoord, en de intentie van Art 3.4 van het Besluit houders van dieren. Met de EU-Verordening komen er vereisten ten aanzien van fokkerij voor alle honden en katten die in Europa op de markt worden gebracht. Ik ga hier in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober nader op in.
Bent u bereid de Kamer voor het einde van dit jaar te informeren over uw beoordeling van Fair2Breed en de wijze waarop u de verdere verbetering van de gezondheid van gezelschapsdieren wilt stimuleren?
Ja, ik heb in augustus een gesprek met Stichting Fair2breed. Ik zal de Kamer voor het einde van het jaar informeren over de uitkomst van dit gesprek.
Het bericht dat naar verluidt minimaal 41 wolven in Nederland zijn gestroopt |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recent verschenen onderzoek van EcoJust en Humane World for Animals Terug in het vizier: Wolvenstroperij in Nederland?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoeksresultaat dat tussen oktober 2021 en maart 2026 naar verluidt minimaal 41 wolven zijn gestroopt en waarschijnlijk nog veel meer? Voelt u een verantwoordelijkheid om met maatregelen te komen? Zo nee, waarom niet?
Stroperij is een bekend fenomeen dat van tijd tot tijd op verschillende locaties de kop opsteekt. Uit navraag bij BIJ12 en politie is niet gebleken dat er sprake is van een opvallende situatie rond verdwenen wolven.
Hoeveel capaciteit wordt er vrijgemaakt bij het Openbaar Ministerie om de gegevens verder te onderzoeken?
Er is geen concreet cijfer te plakken op de capaciteit die hiervoor wordt vrijgemaakt. In algemeenheid wordt de inzet en prioritering van capaciteit met betrekking tot de strafrechtelijke aanpak van stroperij bepaald aan de hand van – onder andere – de concrete feiten en omstandigheden, de bewijsbaarheid, de opsporingsmogelijkheden en de beschikbare capaciteit. Serieuze signalen over mogelijke stroperij worden zorgvuldig beoordeeld en, waar daartoe voldoende aanleiding bestaat, strafrechtelijk opgevolgd.
Kunt u nog eens expliciteren wat u vindt van het illegaal afschieten van wolven?
Het illegaal afschieten van alle beschermde diersoorten keur ik ten zeerste af. Het betreft een strafbaar feit waartegen streng moet worden opgetreden.
Wat vindt u ervan dat mensen pogingen van wolfvergiftiging hebben geregistreerd? Wat vindt u ervan dat mensen hebben geregistreerd dat kadavers worden weggewerkt door ze te begraven, in mestkelders te dumpen, te verbranden of in water te dompelen, en dit in Facebookgroepen wordt besproken?
Wanneer er sprake is van het waarnemen van illegale activiteiten, dan kunnen getuigen hiervan aangifte doen bij de bevoegde instanties. De positie van de getuige is wettelijk geregeld en beschermd. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via Meld Misdaad Anoniem melding te doen van strafbare feiten.2
Kunt u erkennen dat georganiseerde vervolging van wolven in Nederland een probleem is? Zo nee, waarom niet? Welke verklaring heeft u dan ervoor dat tijdens de onderzoeksperiode 38 van de in Nederland genetisch bevestigde wolven zonder verklaring uit de monitoringsgegevens zijn verdwenen?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat er sprake is van georganiseerde vervolging van wolven in Nederland. Wolven kunnen om meerdere redenen van de radar verdwijnen. Bijvoorbeeld doordat ze over de grens naar andere landen trekken of doordat ze zich schuilhouden en daardoor niet zichtbaar zijn voor mensen.
Vindt u het wenselijk dat groepen plattelandsbewoners, waaronder boeren en jagers, ’s nachts patrouilles uitvoeren om wolven op te sporen en te achtervolgen, waarbij ze worden geholpen door realtime waarschuwingen die stichting No Wolves Benelux en GeenWolf online verspreiden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Ik vind het zeer onwenselijk als mensen actief contact zoeken met wolven. Het is belangrijk dat wolven met rust worden gelaten zodat zij hun schuwheid behouden. Via voorlichting, onder meer door het Landelijk Informatiepunt Wolven, worden mensen opgeroepen wolven met rust te laten.
Bent u op de hoogte van de schokkende beelden van dode en opgejaagde wolven die worden gedeeld op social media, zoals de anti-wolf campagneposter gepubliceerd door Stichting Annemieke, die ook als paginagrote advertentie in de Telegraaf verscheen? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?2 3
Ja. Het heeft niet mijn voorkeur, maar het mag. Ik wil de polarisatie tegengaan door stevig landelijk beleid. Daarom wil ik de regie nemen en een Nationaal Wolvenberaad organiseren om daar met betrokkenen het goede gesprek te voeren over wolven in Nederland.
Bent u ervan op de hoogte dat waarschuwingen over waarnemingen van wolven kunnen worden geïnterpreteerd door mensen als aansporing om op wolven te jagen? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Waarnemingen van wolven spelen een belangrijke rol in de monitoring van de soort en bij het voorkomen van incidenten. Dat deze waarnemingen op een andere manier geïnterpreteerd worden, valt niet uit te sluiten. Dit vormt voor mij geen reden om op te treden.
Ziet u in dat het niet nemen van maatregelen voor voldoende bescherming van de wolf indirect ervoor zorgt dat het aantrekkelijker en gemakkelijker is voor wolvenvervolgers om op jacht te gaan, omdat er sprake is van een beleidssignaaleffect? Zo nee, waarom niet?
Wolven zijn een nationaal beschermde soort waarvoor beschermingsmaatregelen moeten worden genomen door het bevoegd gezag. Ik ben ervan overtuigd dat er voldoende maatregelen worden genomen door het bevoegde gezag en zie geen reden voor een ongewenst beleidssignaaleffect.
Bent u het eens dat Landbouw- en Tuinbouworganisatie (LTO)-voorman Wim Brouwer, die begrip uit voor wolvenstroperij in een interview met de Barneveldse Krant, dit beleidssignaaleffect bevestigt?4 Zo nee, waarom niet?
Stroperij is een strafbaar feit. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Kunt u in ieder geval bevestigen dat u geen enkel begrip hebt voor eventuele wolvenstroperij onder geen enkel beding en dat wolvenstroperij hard moet worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Ik keur stroperij ten zeerste af. Het betreft een strafbaar feit waartegen streng moet worden opgetreden.
Welke maatregelen treft u om het draagvlak ten aanzien van de aanwezigheid van wolven, bijvoorbeeld met informatiecampagnes rondom de positieve kanten van de aanwezigheid van de wolf, te vergroten?
Via het Landelijk Informatiepunt Wolven, dat vanuit mijn ministerie wordt ondersteund, wordt informatie verstrekt over de aanwezigheid van wolven en hoe mensen daarmee om kunnen gaan. Deze informatie draagt bij aan het draagvlak ten aanzien van de aanwezigheid van wolven.
Kunt u ingaan op elk van de acht aanbevelingen van het onderzoek van EcoJust en Humane World for Animals? Welke gaat u doorvoeren en hoe? Welke niet en waarom? Kunt u dit onderbouwen?
Advies «Erken de omvang van de wolvenvervolging en kom in actie.».
Zoals hierboven aangegeven, wordt er voldoende inzet gepleegd en zie ik geen reden om hier extra op in te zetten.
Advies «Herstel de natuurhandhavingscapaciteit in het buitengebied.».
Zoals hierboven aangegeven is er geen reden om de handhavingscapaciteit te vergroten.
Advies «Richt het Landelijk Deskundigenteam Wolf zonder verder uitstel op.».
Provincies zijn bezig dit team in te richten. Naar verwachting zal het team in 2027 operationeel zijn.
Advies «Verhoog de financiering aan provincies voor de bescherming van vee.» en
Advies «Zorg voor structurele financiering van initiatieven die wolfwerende rasters ondersteunen.».
Via het landelijk initiatief veebescherming ondersteun ik de provinciale initiatieven voor de bescherming van vee, waaronder het gebruik van wolfwerende rasters.
Advies «Initieer een oprechte, blijvende dialoog met de getroffen plattelandsgemeenschappen.»
Ik organiseer in december een eerste Nationaal Wolvenberaad. Dit is bedoeld om het gesprek aan te gaan met betrokkenen over wolven in Nederland en de samenwerking te versterken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid.
Advies «Erken dat het verzwakken van de bescherming van wolven het risico op vervolging vergroot.»
Wolven zijn een nationaal beschermde soort. Ik zie geen reden voor een groter risico op vervolging door deze beschermingsstatus. Illegale vervolging van wolven is strafbaar.
Advies «Ontwikkel een langetermijnvisie op landgebruik die ruimte maakt voor het samenleven met de wolf.»
In 2025 is vanuit LVVN gestart met het verkennen van de mogelijkheden voor ruimtelijk beleid ten aanzien van wolven. Ik heb vastgesteld dat een aantal belangrijke bouwstenen waarop ruimtelijke keuzes gebaseerd dienen te worden, nog in ontwikkeling is. Begin 2027 verwacht ik beter zicht te hebben op wanneer deze bouwstenen gereed zullen zijn.
Kunt u uitleggen waarom adviezen uit het verleden, zoals van de Wolvencommissie Gelderland5, Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA)6, Landelijk Overleg Wolf7 en experts8 niet worden opgevolgd? Bent u alsnog bereid om deze adviezen uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Over de opvolging van het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden heeft mijn ambstvoorganger uw Kamer geïnformeerd (Kamerstukken II 2023/24, 33 576, nr. 376). De adviezen van de Wolvencommissie Gelderland en van het Landelijk Overleg Wolf zijn niet gericht aan mijn ministerie. Het is aan de betreffende bevoegde overheden om te besluiten over opvolging van deze adviezen. Daarbij zijn de adviezen niet bindend en ben ik verantwoordelijk voor het beleid.
Bent u bereid om zo snel mogelijk te onderzoeken hoe strenger en steviger op wolvenvervolging kan worden gehandhaafd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u in kaart brengen welke middelen u hiervoor vrijmaakt?
Zoals hierboven aangegeven, is er voldoende handhaving en is er voor mij geen aanleiding om de handhaving uit te breiden.
Bent u nu wel bereid om een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de huidige status van genetisch geïdentificeerde wolven in Nederland? Kan daarbij worden vastgesteld welke doodsoorzaken zijn geconstateerd en, indien onbekend, welke oorzaken het meest waarschijnlijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden om hier onderzoek naar te doen. Doodsoorzaken van wolven worden in opdracht van BIJ12 onderzocht bij het Dutch Wildlife Health Centre in Utrecht in samenwerking met Wageningen Environmental Research. De uitkomsten van dit onderzoek worden gedeeld met BIJ12 en de provincies. BIJ12 publiceert een overzicht van aangereden of dood gevonden wolven op haar website.10
Bent u nu wel bereid om aanvullende maatregelen te treffen, zoals betere bescherming van ecologen, strengere handhaving tegen bedreigingen en actieve signalering van intimidatie binnen de natuurbeschermingssector? Zo nee, waarom niet?
Ik zie hier geen reden toe. In geval van intimidatie of bedreiging kan eenieder, ongeacht diens achtergrond of functie, te allen tijde aangifte doen. Uit de registratiesystemen van de politie is niet op te maken of er aangiftes zijn gedaan of signalen bekend zijn van bedreigingen aan het adres van ecologen of natuurbeschermers die zich uitspreken over wolven. In die systemen wordt niet systematisch vastgelegd of een betrokkene ecoloog of natuurbeschermer is.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Structurele financiering voor dierenhulp bij rampen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de projectsubsidie vanuit de Ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), verleend aan Stichting Dieren in Rampen ten behoeve van de uitvoering van de motie-Wassenberg (Kamerstuk 29 517, nr. 218) en motie-Wassenberg c.s. (Kamerstuk 29 517, nr. 249), loopt tot april 2027?
Deelt u de mening dat wanneer dieren niet zijn meegenomen in crisisplannen en hulpverlening, dit aantoonbaar leidt tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld wanneer mensen weigeren te evacueren, terugkeren naar onveilige gebieden en extra risico’s nemen om hun dieren te redden?
Kunt u beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van vertraagde evacuaties en de vergrote druk op hulpdiensten die hieruit voortvloeit?
Deelt u de mening dat Stichting Dieren in Rampen een waardevolle bijdrage levert en kan blijven leveren aan het waarborgen en coördineren van professionele dierenhulp bij grootschalige incidenten, rampen en crises in nauwe aansluiting op de crisisbeheersing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe dierenhulporganisaties worden betrokken bij de concrete regionale uitwerking van een hoofddoelstelling van ons Landelijk Crisisplan Natuurbranden: het redden van mensen en dieren, inclusief de overweging van ontruiming en evacuatie?
Kunt u aangeven hoe, in navolging van het Landelijk Crisisplan Natuurbranden, ook in andere (nieuwe) relevante crisis- en weerbaarheidsplannen wordt geborgd dat dieren en dierenhulpverleners expliciet worden opgenomen? Wordt Stichting Dieren in Rampen hierbij actief uitgenodigd om input te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te komen met structurele en uitgebreidere financiering voor Stichting Dieren in Rampen, zodat opgebouwde kennis, infrastructuur en samenhang niet verloren gaan en de verdere integratie van dieren in de crisisstructuur kan worden voortgezet?
Bent u bereid het belang van dierenhulp als onderdeel van nationale weerbaarheid expliciet te erkennen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Het wettelijk kader voor dierentuinen bestaat uit de Europese dierentuinrichtlijn (Richtlijn 1999/22/EG), die in Nederland is geïmplementeerd in paragraaf 1 van hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren (Bhvd). De Europese richtlijn heeft als doelstelling de bescherming van wilde dieren en de instandhouding van de biodiversiteit. Iedere dierentuin in Nederland is vergunningplichtig. In artikel 4.10 van het Bhvd geldt als vergunningsvoorwaarde dat dierentuinen een bijdrage moeten leveren aan de instandhouding van diersoorten onder andere door middel van het deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving. In Nederland zijn geen regels voor populatiemanagement. Dat ligt bij de dierentuinen zelf en dit gebeurt veelal in internationaal verband. Buiten de publiekrechtelijke voorschriften kunnen dierentuinen ook onderling afspraken maken, bijvoorbeeld via de Europese brancheorganisatie voor dierentuinen, EAZA.
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Ja. Dierentuinen moeten continue de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van een individueel dier en het belang van de populatie als geheel in het kader van soortbehoud. In de praktijk betekent dit dat dierentuinen soms moeilijke keuzes moeten maken. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) geeft aan dat in de praktijk het welzijn van individuele dieren en het welzijn en de levensvatbaarheid van de groep en populatie als geheel zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging per soort, per groep en per situatie.
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
De mogelijkheden zijn afhankelijk van de diersoort en per situatie. Herplaatsing en aanpassing van groepssamenstellingen zijn hierbij twee van de mogelijkheden, maar zijn niet altijd mogelijk. Andere opties zijn tijdelijke of structurele scheiding, aanpassing van huisvesting, en het voorkomen of beperken van voortplanting via anticonceptie. Deze opties hebben ieder consequenties voor dierenwelzijn en diergezondheid. Samenwerking binnen de sector is belangrijk om de kansen op succesvolle herplaatsing te vergroten. Daarom is er ook veel sprake van internationale samenwerking.
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Binnen de Europese fok- en instandhoudingsprogramma's van EAZA, zogenoemde EEP's (EAZA Ex situ Programmes), houden dierentuinen rekening met beschikbare plekken voor nakomelingen in de toekomst. Elk EEP heeft een coördinator. Er wordt ook rekening gehouden met genetische diversiteit, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding en sociale groepsdynamiek van diersoorten. Toch is niet alles te plannen of te voorspellen. Vooraf weet je vaak niet hoeveel nakomelingen geboren zullen worden en ook weet je niet of de nakomelingen mannetjes of vrouwtjes zullen zijn, terwijl groepen vaak specifieke verhoudingen tussen mannen en vrouwen vereisen. Ook kan de groepsdynamiek veranderen waardoor het noodzakelijk kan zijn om dieren van elkaar te scheiden. Het is niet zomaar mogelijk om afgesplitste dieren te herplaatsen in bestaande groepen. Dit kan de dynamiek namelijk verstoren. Daarom is het onmogelijk om vooraf met zekerheid plekken voor alle dieren te regelen.
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Het behouden van een gezonde populatie kan een dierentuin niet alleen. Daarom is intensieve (internationale) samenwerking en het opdoen van meer kennis en innoveren belangrijk. Dierentuinen geven zelf aan dat onder andere data uitwisseling, verdere ontwikkeling van stamboeken en registratiesystemen, en meer kennis over de gevolgen van anticonceptie hierin een rol spelen.
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Dierentuinen vervullen een belangrijke rol in onze maatschappij en kunnen rekenen op een groot draagvlak. Uit onderzoek van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) blijkt dat de meerderheid van de Nederlanders (70%) positief tegenover dierentuinen staat. Slechts een klein deel (7%) heeft een afwijzende houding. Mensen vinden het fokken met bedreigde diersoorten en het (financieel) ondersteunen van programma’s die diersoorten beschermen en voorkomen dat diersoorten uitsterven de belangrijkste taken van een dierentuin.2
Mogelijke maatschappelijke kritiek speelt een rol in de terughoudendheid vanuit de sector om informatie rondom populatiebeheer te delen. Ik begrijp die zorgen. Toch is het belangrijk voor de toekomstbestendigheid van dierentuinen, dat ze zorgvuldige, transparante en navolgbare keuzes maken. Transparantie over de onderzochte alternatieven en context van het bredere doel kunnen hieraan bijdragen.
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Ja.
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen grotendeels voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen. Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Het doden van surplus dieren kan in sommige gevallen noodzakelijk zijn voor populatiemanagement, om vergrijzing binnen een populatie tegen te gaan en genetische variatie te behouden. De huidige kaders maken dit mogelijk.
Tegelijkertijd zie ik ook dat de huidige situatie maatschappelijk veel vragen en emoties oproept. Op dit moment werk ik maatregelen uit om uitvoering te geven aan de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). De Kamer wordt hierover vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector en een aantal stakeholders, zoals EAZA, de Europese dierentuinorganisatie die de instandhoudingsprogramma’s in dierentuinen coördineert. Uit deze gesprekken zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen die mee worden genomen in de uitvoering van de motie. Ook deze casus zal ik daarin meenemen.
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). Deze casus zal ik daarin meenemen.