Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
Het onderzoek waaruit blijkt dat Nederlandse megatrawlers massaal natuurbeschermingswetten overtreden. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente onderzoek en campagne «Stop the Dirty Dozen»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat door megatrawlers duizenden uren in Europese mariene beschermde gebieden (MPAs) en Natura 2000-gebieden wordt gevist, terwijl ze daar vaak geen toestemming of vergunningen voor hebben? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat in sommige Natura 2000 (N2000)- en Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM)-gebieden wordt gevist. Dit is niet per definitie illegaal omdat niet in alle beschermde natuurgebieden visserijbeperkende maatregelen gelden. Als er in deze natuurgebieden visserijbeperkende maatregelen gelden is dit vaak voor bodemberoerende visserij en niet voor pelagische visserij. Voor de Nederlandse Noordzee zijn op dit moment alleen een aantal gebieden gesloten voor bodemberoerende visserij en niet voor pelagische visserij. Ik heb geen aanwijzingen dat de genoemde vaartuigen in Nederlandse beschermde gebieden onrechtmatig hebben gevist.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de twaalf onderzochte trawlers die worden genoemd in dit onderzoek direct of indirect zijn verbonden met twee Nederlandse bedrijven?
Ik heb kennisgenomen van de conclusies in het onderzoek. Binnen het genoemde onderzoek zijn er twee Nederlands gevlagde vaartuigen, deze vaartuigen beoefenen uitsluitend pelagische visserij.
Kunt u bevestigen dat deze praktijken in strijd met de geldende natuurbeschermingsregels zijn? Zo ja, welke actie heeft u ondernomen tegen de betreffende bedrijven? Zo nee, op welke bronnen baseert u zich dan?
Nee, ik kan dit niet bevestigen. Dit onderzoek gaat grotendeels over niet Nederlands gevlagde vaartuigen en over gebieden die zich niet bevinden binnen Nederlandse jurisdictie. Voor het toezicht, de controle en de handhaving zijn hiervoor in eerste instantie de desbetreffende vlag- of kuststaten verantwoordelijk. In de Nederlandse Noordzee (Nederlandse jurisdictie) gelden voor negen van de twaalf vaartuigen geen visserijbeperkende maatregelen omdat zij enkel pelagisch vissen. Uit de beschikbare data van de Nederlandse Voedsel-en Warenautoriteit (NVWA) blijken geen overtredingen van de genoemde vaartuigen in beschermde gebieden op de Nederlandse Noordzee.
Welke maatregelen worden getroffen tegen de genoemde bedrijven?
Er worden geen maatregelen genomen tegen de genoemde bedrijven. Wanneer overtredingen worden geconstateerd zal er worden gehandhaafd volgens het geldende interventiebeleid. In de Nederlandse situatie is de NVWA hier verantwoordelijk voor.
Hoe en hoe vaak wordt er momenteel gecontroleerd of trawlers zich houden aan hun quota’s en dat zij niet vissen in beschermde gebieden waar dit niet is toegestaan? Hoeveel handhavingscapaciteit is hiervoor precies beschikbaar?
Vissers moeten tijdens de visreis hun vangsten en mogelijke discards registreren in het elektronisch logboek. Bij de aanlanding wordt de totale omvang van de vangsten bepaald door een officiële weging. De resultaten van deze weging worden gebruikt voor het bepalen van de quotumbenutting. Naast de quotumbenutting wordt ook een kruiscontrole uitgevoerd op de gegevens in het logboek en het resultaat van de weging. Op basis van de Controleverordening2 is een tolerantiewaarde toegestaan van 10%, bij een overschrijding van 20% is er sprake van een ernstige inbreuk. De NVWA ziet door middel van regelmatige fysieke en administratieve controles toe op de weging van visserijproducten en de tolerantiewaarden. Daarnaast wordt op wekelijkse basis de nationale benutting van de Nederlandse visquota gemonitord door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De individuele vangstmogelijkheden van de trawlers worden op groepscontingent-niveau beheerd door de visserij producentenorganisatie. De benutting van deze groepscontingenten wordt in co-management met de visserij producentenorganisatie door RVO tweewekelijks gemonitord. Verder kan ik geen uitspraak doen over de specifieke handhavingscapaciteit bij trawlers, omdat dit onderdeel is van de risico-gebaseerde inzet van de NVWA.
Deelt u de opvatting dat de vispraktijken van deze megatrawlers te veel buiten het zicht van handhaving gebeuren en daardoor onvoldoende wordt opgetreden tegen natuurvernietiging door deze schepen? Zo nee, waarom niet en waarop baseert u dat?
Nee, ik deel deze opvatting niet. Er zijn geen indicaties vanuit de controle-instanties dat de vaartuigen waarnaar verwezen wordt overtredingen begaan in relatie tot beschermde natuurgebieden. Er wordt door verschillende controlemaatregelen effectief toezicht gehouden op visserijactiviteiten binnen en buiten beschermde gebieden met visserijbeperkingen.
Kunt u aangeven hoe vaak trawlers, verbonden aan Nederlandse bedrijven, visten zonder toestemming in beschermde gebieden of boven quota in de afgelopen vijf jaar? Welke sancties zijn daarbij opgelegd?
Zoals benoemd in vraag 4 kan ik niet bevestigen of er door trawlers in beschermde gebieden is gevist. Daarbij staan in het onderzoek niet overal bronvermeldingen waardoor ik de betrouwbaarheid en correctheid van het genoemde onderzoek niet kan vaststellen. Het onderzoek gaat grotendeels over niet Nederlands gevlagde vaartuigen en over gebieden die zich niet bevinden binnen Nederlandse jurisdictie. Op de Nederlandse Noordzee zijn op dit moment geen gevallen bekend waarbij een van de twaalf genoemde vaartuigen illegaal in beschermde gebieden heeft gevist.
De afgelopen vijf jaar is er drie keer boven de toegestane quota van een bepaalde soort gevist. Op het moment dat een quotum knellend lijkt te worden voor Nederlands gevlagde vaartuigen bekijkt RVO, in samenwerking met de producentenorganisaties van de visserij, of het mogelijk is om aanvullende vangstmogelijkheden bij te ruilen met andere lidstaten, het Verenigd Koninkrijk óf dat er een andere maatregel moet worden getroffen. Daarom wordt voornamelijk bij de afsluiting van het quotumjaar gekeken of het nationale quotum overschreden is en niet meer bijgeruild kan worden. In de gevallen waar dit niet mogelijk was, zijn in lijn met de Controleverordening deze hoeveelheden in mindering gebracht op de vangstmogelijkheden voor Nederland van het volgende jaar, al dan niet met een vermenigvuldigingsfactor waar van toepassing. Waar het ging om overschrijding op een bijvangstbestand, is deze in mindering gebracht op het quotum van de doelsoort met conversiefactor. Waarbij het geen Nederlandse vaartuigen betreft, is de betreffende vlagstaat verantwoordelijk voor het monitoren op quotaverbruik.
Bent u ermee bekend dat Europese mariene beschermde gebieden ook wel «Paper Parks» worden genoemd, omdat enige bescherming op papier is geregeld maar de gebieden in de praktijk nog steeds ernstig worden aangetast door onder meer de visserij? Onderschrijft u dit? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Ik ben met deze term bekend. Alle Europese lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor het nemen van instandhoudingsmaatregelen om hun ecologisch waardevolle gebieden te beschermen. De te nemen maatregelen zijn afhankelijk van het beschermingsregime. In niet alle beschermde gebieden gelden visserijbeperkende maatregelen, waardoor vissers in bepaalde beschermde gebieden mogen vissen. In het Nederlandse deel van de Noordzee neemt de Minister van LVVN in afstemming met mij maatregelen voor beschermde gebiedenmiddels beheerplannen en het treffen van visserijbeperkende maatregelen op basis van de artikel 11-procedure van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid conform het Noordzeeakkoord (NZA).
Welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat «Paper Parks» daadwerkelijk worden beschermd?
Zoals in antwoord 9 aangegeven, werkt de Minister van LVVN in afstemming met mij aan de bescherming van natuurgebieden door middel van uitvoering van het NZA. De NVWA handhaaft de aangewezen beschermde gebieden volgens het geldende interventiebeleid.
Onderschrijft u dat bodemberoerende visserij grote schade aanricht aan mariene ecosystemen doordat ze de zeebodem, en daarmee de leefgebieden van vele diersoorten, ernstig aantasten? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Het is bekend dat bodemberoerende visserij een grote drukfactor is voor het mariene bodemleven. Daarom neemt Nederland, op basis van wetenschappelijke onderbouwing, maatregelen ter bescherming van natuurwaarden om hiermee te voldoen aan internationale afspraken ten behoeve van de bescherming van onze natuur.
Hoe beoordeelt u de ecologische impact van bodemberoerende visserij op mariene ecosystemen met betrekking tot de grote hoeveelheid bijvangst van andere zeediersoorten die door deze netten wordt meegesleept en vaak ernstig gewond of dood worden teruggegooid? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Het is van belang dat de bijvangst bij visserij zo veel mogelijk te verminderen. Ik zet me enerzijds in voor innovatie van vistuigen om dit effect te verminderen en anderzijds voor legalisatie van reeds bewezen duurzamere vangsttechnieken zoals de pulskor. Het is van belang dat de bijvangst bij visserij zo veel mogelijk wordt beperkt. Ik zet me daarom in voor innovatie van vistuigen om dit effect te verminderen. Een goed voorbeeld van innovatie om bijvangst te verminderen is het EU LIFE project CIBBRiNA (Coordinated Development and Implementation of Best Practice in Bycatch Reduction in the North Atlantic, Baltic and Mediterranean Regions) om bijvangst van beschermde en bedreigde diersoorten te mitigeren. Daarnaast kijken we ook naar stappen om weer pulsvisserij mogelijk te maken. Ik baseer mij daarbij op de meest recente wetenschappelijke inzichten.
Bent u van mening dat ecologisch waardevolle gebieden moeten worden beschermd tegen verstoringen door de mens? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind het van belang dat we voldoen aan de internationale richtlijnen waar Nederland zich aan heeft gecommitteerd. De te nemen maatregelen dienen daarbij wetenschappelijk onderbouwd te zijn en zijn afhankelijk van het beschermingsregime van het natuurgebied.
Welke aanvullende maatregelen gaat u treffen om bodemberoerende visserij in ecologisch waardevolle gebieden op zee zo spoedig mogelijk te beëindigen?
Conform het NZA stelt het kabinet het beleidsdoel om in 2030 15% procent van het oppervlakte van de Nederlandse Noordzee te vrijwaren van bodemberoerende visserij. Momenteel is 7,2% van de Nederlandse Noordzee gevrijwaard van bodemberoerende visserij. Een voorstel om tot 13,8% bodembescherming te geraken heb ik ingediend bij de Europese Commissie conform de afspraken uit het NZA. In dit voorstel staan naast visserijbeperkende maatregelen ook een halfjaarlijkse beperking voor staandwantvisserij op de Bruine Bank en een verbod op alle vormen van visserij op een gedeelte van het KRM-gebied Friese Front. Op korte termijn zal de Minister van LVVN u informeren over de invulling van de resterende 1,2% bodembescherming in lijn met het verzoek van de vaste Kamercommissie van LVVN. Ik zal me samen met Minister LVVN ervoor inzetten dat in lijn met dat besluit maatregelen worden getroffen zodat in 2030 15% van de bodem van de Nederlandse Noordzee gevrijwaard is van bodemberoerende visserij.
Kunt u aangeven welke rol Nederland speelt binnen de Europese Unie (EU) bij het tegengaan van visserspraktijken, zoals vissen zonder toestemming in beschermde gebieden of boven quota?
Binnen de Europese Unie zijn de lidstaten onder andere verplicht om het overschrijden van quota of het illegaal vissen in beschermde gebieden nationaal te monitoren, te beheren en wanneer nodig te sanctioneren. Nederland geeft hier op basis van de Controleverordening uitvoering door nauwe monitoring van de benutting van de vangstmogelijkheden, door toezicht op afstand via het Vessel Monitoring System (VMS), door toezicht vanuit de lucht en vanaf zee. De Europese Commissie ziet toe op dat lidstaten hun controleverplichtingen onder het Gemeenschappelijk Visserijbeleid nakomen.
Bent u bereid om binnen de EU te pleiten voor betere bescherming van mariene beschermde gebieden en een stevige intensivering van handhaving tegen megatrawlers die ernstige natuurschade aanrichten en zich daarmee niet houden aan de Europese regels? Zo nee, waarom niet?
Niet alleen binnen de EU, maar ook internationaal zet ik mij samen met de Commissie in om deze ambitie te realiseren. In de internationale visserij beheer organisaties (RFMO's) pleiten zowel de Commissie als ik consequent om illegale, ongereguleerde en ongecontroleerde visserij te beëindigen. Het streven is om de strenge regels die binnen de EU zelf worden gehanteerd ook voor andere landen in te voeren. Het naleven van de bestaande wettelijke verplichtingen zou moeten leiden tot voldoende bescherming van natuurgebieden. Op het gebied van handhavings- en controlemaatregelen richt ik mij op de implementatie van de herziene Controleverordening. Daarbij zijn per 10 januari 2026 onder andere strengere regels gaan gelden voor de VMS systemen. Op deze manier zal nog effectiever toezicht gehouden kunnen worden op verboden visserijactiviteiten binnen beschermde gebieden. Voor de controles op zee blijf ik inzetten op Europese samenwerking middels de Joint Deployment Plans (JDPs) onder de coördinatie van het Europees Bureau voor Visserijcontrole (EFCA) om op die manier de beschikbare middelen en capaciteit zo efficiënt mogelijk in te zetten en het gelijk speelveld te bewaken.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Gezien de benodigde afstemming was ik genoodzaakt uitstel te vragen voor de gestelde termijn voor de beantwoording.
Het afbouwen van de afhankelijkheid van kunstmest en het versnellen van de inzet van RENURE |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel stikstofkunstmest (in tonnen Nitraat) Nederland jaarlijks importeert, welk aandeel daarvan direct of indirect afkomstig is uit de Golfregio en hoe de blokkade van de Straat van Hormuz de prijs van gangbare kunstmeststoffen op de Nederlandse markt heeft beïnvloed?
De hoeveelheid stikstofkunstmest die Nederland jaarlijks importeert varieert de afgelopen 10 jaar grofweg tussen de 150 en 300 kiloton en is met name bedoeld voor doorvoer naar andere landen. Deze import is niet goed in tonnen nitraat uit te drukken, omdat er diverse vormen van stikstof worden geïmporteerd. Deze stikstofkunstmest was niet afkomstig uit de Golfregio, maar werd in de afgelopen jaren met name vanuit Rusland en in mindere mate ook uit Algerije, China en Noorwegen geïmporteerd. In 2026 is tot dusver vooral uit Egypte en in mindere mate uit Noorwegen geïmporteerd.1
De grondstoffen die voor de productie van stikstofkunstmest in Nederland gebruikt worden (met name aardgas) kunnen mogelijk wel afkomstig zijn uit de Golfregio. Dit is echter niet goed te achterhalen.
De prijs van stikstofkunstmest in Europa2 is de afgelopen maanden met ongeveer 18–24% gestegen (m.u.v. ureum, dat met 48% steeg) ten opzichte van eind februari 2026 door de blokkade van de straat van Hormuz, maar ten dele ook door andere factoren.3 Door tijdelijke tekorten bij Indiase aanbestedingen steeg de ureumprijs eerder al.4 Ook het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en heffingen op Russische kunstmest zijn mogelijk van invloed. De prijs lijkt de afgelopen weken te zijn gestabiliseerd.5 Ten algemene valt te stellen dat de prijzen voor stikstofkunstmest op de Nederlandse markt op dit moment niet zo hoog zijn als in 2022/2023, na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne (€ 923/ton ten opzichte van de huidige € 519/ton).
Deelt u de inschatting van de brancheorganisatie Meststoffen Nederland dat er op dit moment geen tekorten zijn dankzij de Europese productiecapaciteit? Hoe beoordeelt u de houdbaarheid hiervan indien de Hormuz-blokkade voortduurt?
Ik deel deze inschatting, niet alleen vanwege de Europese productiecapaciteit maar ook vanwege de voorraden die veel boeren al hadden aangelegd. Deze inschatting wordt ook gedeeld door onder meer de toelichting van de Europese Commissie aan Lidstaten over de uitkomst van de besprekingen met experts in de Fertilisers Market Observatory https://agriculture.ec.Europa.eu/data-and-analysis/markets/overviews/market-observatories/fertilisers_en.
Indien de blokkade voortduurt kunnen de prijzen van aardgas en stikstofkunstmest verder stijgen. De prijs van stikstofkunstmest is direct gekoppeld aan die van aardgas. Mogelijk kan daarmee een situatie ontstaan waarin de productie in Nederland niet langer rendabel is, zoals in 2022 kort is voorgekomen.6 Hiervoor moeten de gasprijzen echter nog significant stijgen, ook ten opzichte van de wereldprijs van stikstofkunstmest uit andere landen. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 april 2026 heeft het kabinet uiteengezet wat de verwachting is ten aanzien van de gasprijs.7 Zoals daarin aangegeven is de impact op prijzen en leveringszekerheid in Nederland minder groot dan in 2022.
Deelt u de opvatting dat leveringszekerheid van kunstmest een strategisch belang is dat vraagt om het behoud van sterke Europese productiecapaciteit en ziet u in RENURE-technologie en circulaire mestverwerking een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw structureel minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen?
Ik deel de opvatting dat het borgen van Europese productiecapaciteit van strategisch belang is. Dit is ook de reden dat ik tijdens de Landbouw- en Visserijraad steun heb uitgesproken voor het in stand houden van het CBAM voor de kunstmestindustrieën, en één van de redenen voor een verhoging van de importheffingen op stikstofkunstmest uit Rusland en Belarus.8
Ik zie RENURE-technologie en circulaire mestverwerking daarbij als een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen. Op korte termijn (1 á 2 jaar) zal de productiecapaciteit van RENURE hiervoor echter onvoldoende zijn. Er is meer capaciteit voor circulaire mestverwerking nodig om de volatiliteit in de kunstmestmarkt te kunnen dempen. Daarbij is de problematiek rondom stikstofdepositie en de effecten daarvan op de vergunningverlening een belangrijke factor.
Welke concrete stappen zet u om de toepassing van RENURE (verwerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger) te versnellen zodat de Nederlandse landbouw minder afhankelijk wordt van geïmporteerde stikstofkunstmest?
Zoals vermeld in de brief van 8 april 20269 ligt de regelgeving voor de nationale implementatie van de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die het mogelijk maakt RENURE te gebruiken, voor notificatie voor in Brussel. De verwachting is dat rond de zomer van 2026 de regelgeving in werking treedt en dat dan gestart kan worden met het gebruik van RENURE-meststoffen boven op de norm dierlijke mest die geldt vanuit de Nitraatrichtlijn (80 kg stikstof per hectare extra boven op de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest).
Om de productie van RENURE op te schalen wordt ook gewerkt aan een subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven en voor grootschalige installaties voor mestverwaarding tot RENURE-producten. Het is daarbij van belang stappen te zetten in de stikstofproblematiek, zodat er voldoende ruimte ontstaat voor vergunning voor deze installaties. Het kabinet heeft daarnaast, zoals in de voornoemde brief op 20 april 2026 aan de Kamer gecommuniceerd extra middelen beschikbaar gesteld om de afhankelijkheid van energie en kunstmest in de land- en tuinbouwsector te verminderen.
In hoeverre heeft Nederland zich in Brussel ingezet voor snellere Europese erkenning van RENURE-producten als volwaardige kunstmestvervanger onder de EU Fertilising Products Regulation?
In 2024 is de Fertilising Products Regulation (FPR) reeds aangepast zodat (producten uit) verwerkte dierlijke mest, zoals RENURE, binnen de interne markt kunnen worden verhandeld. Deze aanpassing van de FPR is echter minder relevant voor de huidige Europese toelating van RENURE-meststoffen. De productietechnieken die met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn zijn toegestaan, zijn op dit moment met name geschikt voor productie en gebruik op de lokale markt en om diverse redenen niet interessant voor verhandeling op de interne Europese markt.
Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld de kosten die gepaard gaan met een voor de FPR verplichte CE-markering, en het feit dat RENURE-meststoffen, die voldoen aan de eisen van de FPR, tot dusver een relatief lage concentratie stikstof hebben ten opzichte van stikstofkunstmest. Dat maakt transport snel onrendabel. Bovendien is er voor de meeste producenten van bestaande RENURE-meststoffen in voldoende mate in Nederland een afzetmarkt te vinden.
Het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot' |
|
Inge van Dijk (CDA), Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het kennisgroep-standpunt van de Belastingdienst inzake gefaseerde bedrijfsoverdracht en het inbrengen van de onderneming in een BV?1
Ja.
Klopt het dat gefaseerde bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector vaak voorkomen en soms jaren kunnen duren?
Gefaseerde bedrijfsoverdrachten komen voor en kunnen meerdere jaren duren. Voor een bedrijfsoverdracht in de familiesfeer geldt onder voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Oorspronkelijk gold deze vrijstelling alleen in situaties dat de gehele onderneming in één keer werd overgedragen aan een kwalificerende overnemer of overnemers (bijvoorbeeld het kind of de kinderen van de ondernemer). De vrijstelling is in de loop van de tijd uitgebreid als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen. De vrijstelling kan vanaf eind 2000 ook worden toegepast als de gehele onderneming in fasen wordt overgedragen aan de kwalificerende overnemer of overnemers. Hiermee werd tegemoetgekomen aan de wens uit de praktijk een geleidelijke overgang van de onderneming naar de volgende generatie mogelijk te maken. De kwalificerende overnemers moeten hierbij de gehele onderneming voortzetten.
Klopt het dat de familievrijstelling in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) inhoudt dat geen overdrachtsbelasting wordt geheven bij de verkrijging van onroerende zaken als die onderdeel zijn van een onderneming, die binnen de familiekring wordt overgedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de rechtsvorm van de onderneming hierbij geen materieel verschil maakt, omdat de vrijstelling behouden blijft als na gefaseerde overdracht een subjectieve onderneming wordt ingebracht in een BV?
Volgens de wettekst van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer is de vrijstelling van toepassing als één of meer kwalificerende verkrijgers al dan niet in fasen de gehele onderneming verkrijgen en voortzetten. Het doel van de vrijstelling is om de overdracht van de onderneming tijdens het leven van de ondernemer te faciliteren zodat versnippering bij zijn overlijden wordt voorkomen. Een verkrijging krachtens erfrecht van (onroerende zaken die behoren tot) een onderneming is namelijk niet belast met overdrachtsbelasting, terwijl een andere verkrijging dat in beginsel wel is. Als kwalificerende verkrijgers zijn aangemerkt de kinderen, kleinkinderen, broers en zusters van de ondernemer, of hun echtgenoten. Een BV of een andere rechtspersoon behoort niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt.
In een beleidsbesluit is een goedkeuring opgenomen.2 Deze goedkeuring is geschreven voor de situatie van een voltooide overdracht van de onderneming van bijvoorbeeld een vader aan een zoon, waarbij de vrijstelling aldus in beginsel van toepassing is. Of de onderneming in één keer of in fasen aan de zoon is overgedragen maakt niet uit, zolang het resultaat is dat hij de gehele onderneming heeft. Wel geldt de eis dat de zoon de door hem verkregen onderneming voor wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel moet voortzetten (voortzettingsvereiste). De goedkeuring heeft hierop betrekking. Als de zoon de onderneming inbrengt in een BV waarvan hij alle aandelen houdt dan blijft de door de zoon genoten vrijstelling van toepassing. Er moet dus wel sprake zijn van een daadwerkelijke voorzetting voor wat de bedrijfsvoering betreft van de gehele onderneming, maar voor de toepassing van de vrijstelling is het dan geen probleem als deze gehele voorzetting door de BV wordt gedaan waarvan de zoon alle aandelen houdt.
Bij een tussentijdse inbreng in geval van een gefaseerde overdracht kan er nog geen sprake zijn van voortzetting van de gehele onderneming omdat de bedrijfsoverdracht nog niet is voltooid.
Kunt u toelichten waarom op grond van het kennisgroepstandpunt de vrijstelling dan wel wordt teruggenomen als tijdens de gefaseerde overdracht de rechtsvorm wordt aangepast?
Zie antwoord vraag 4.
Wat maakt het volgens u materieel uit of iemand tijdens de gefaseerde bedrijfsoverdracht zijn onderneming in een BV laat overgaan, of daarna, omdat in beide situaties op enig moment enkel de rechtsvorm verandert, terwijl de materiële onderneming die onder de bedrijfsopvolgingsregeling is overgegaan juist blijft voortbestaan binnen de familiekring?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe past dit standpunt volgens u bij de bedoeling van de familievrijstelling?
Zoals ik hierboven heb weergegeven is de bedoeling van de familievrijstelling het voorkomen van versnippering bij overlijden, door overdracht tijdens het leven mogelijk te maken. Het standpunt betreft wetstoepassing en doet geen afbreuk aan deze bedoeling.
Bent u het ermee eens dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn waarom een ondernemer zijn subjectieve onderneming wil inbrengen in een BV, bijvoorbeeld bij investeringsplannen, uitbreiding of willen beperken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid?
Voor het wel of niet inbrengen van een onderneming in een rechtspersoon kunnen meerdere redenen aanwezig zijn. Naast de genoemde bedrijfseconomische voorbeelden kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van fiscale redenen of vermogensplanning. Het al dan niet inbrengen in een rechtspersoon is een keuze van de ondernemer.
Vindt u het terecht dat dit standpunt een ondernemer dwingt gedurende vele jaren persoonlijk risico te blijven dragen, terwijl dit mogelijk niet verstandig is vanuit het ondernemersperspectief?
Het staat een belastingplichtige vrij om te kiezen voor een rechtsvorm om een onderneming in te drijven en voor de wijze waarop een bedrijfsoverdracht is ingericht. Er bestaan hierbij in de praktijk vele varianten, waarbij iedere variant zijn eigen bedrijfseconomische, juridische en fiscale kenmerken en gevolgen heeft. De belastingheffing volgt in beginsel de juridische vormgeving. Daarnaast zijn aan vrijstellingen in de wet- en regelgeving voorwaarden verbonden. Het is aan de Belastingdienst om uitvoering te geven aan de geldende wet- en regelgeving. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegd en toegepast, kan een kennisgroep van de Belastingdienst hierover een standpunt innemen. De standpunten geven uitleg aan wet- en regelgeving in een specifiek geval en zijn bindend voor de inspecteurs. Daarmee dragen ze bij aan de eenheid van beleid en uitvoering van de wet- en regelgeving door de Belastingdienst. De standpunten van kennisgroepen worden gepubliceerd op een externe website3, zodat deze kenbaar zijn voor iedereen.
Waarom heeft de kennisgroep volgens u het standpunt ingenomen dat dit toch een andere behandeling vereist, en waar zien zij de verschillen en risico’s?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn volgens u de gevolgen van dit standpunt voor de agrarische praktijk?
Zoals gesteld bij de beantwoording op vragen 4, 5 en 6 geldt een BV of een andere rechtspersoon niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt. Het standpunt geeft uitleg aan wet- en regelgeving in deze situatie. Doordat de standpunten kenbaar zijn voor iedereen, kan de agrarische praktijk hier rekening mee houden. Hierbij geldt overigens dat deze vrijstelling niet beperkt is tot alleen agrarische ondernemingen.
Kunt u over dit standpunt in gesprek met de agrarische sector?
De Belastingdienst zal dit standpunt namens mij het agenderen bij het volgende overleg in het Platform Landbouw. Het Platform Landbouw is een periodiek overleg waarin LTO Nederland met de Belastingdienst in gesprek gaat over, onder andere, mogelijke (fiscale) knelpunten. Aan dit overleg nemen ook organisaties zoals bijvoorbeeld de Samenwerkende Registeraccountants- en administratieconsulenten (SRA) en de Vereniging van Accountants en Belastingadviesbureaus (VLB) deel. Ook het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur sluit hierbij aan. Daarnaast vindt conform de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) een evaluatie plaats van vrijstellingen overdrachtsbelasting in de ondernemingssfeer en vrijstellingen van technische aard. De vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zal hier deel van uitmaken. In dit onderzoek wordt de wetgeving op doeltreffendheid en doelmatigheid getoetst. Ook worden de knelpunten uit de praktijk meegenomen en bezien of deze kunnen worden weggenomen als uit de evaluatie blijkt dat dit noodzakelijk is. Deze resultaten verwachten we in de eerste helft van 2027 te presenteren aan uw Kamer.
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Overheidscommunicatie over dierproeven en innovatieve proefdiervrije onderzoeksmethoden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Kent u de video «Waarom dierproeven nog nodig zijn» die sinds 28 mei 2026 op de website van de Rijksoverheid staat?1
Wat was de aanleiding voor het maken van deze video en wat is het beoogde doel ervan?
Bent u ermee bekend dat dierproeven nog vaak worden gezien als «gouden standaard» en experts waarschuwen dat hierdoor de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden juist wordt geremd?2
Bent u bekend met de overtuiging van uw voorganger(s) dat we af moeten van dierproeven als standaard en met zijn expliciete toezegging dat dierproeven niet meer als gouden standaard zouden worden neergezet in overheidscommunicatie en dat de nadelen van dierproeven daarin juist nadrukkelijk benoemd zouden worden (Kamerstuk 32 336, nr. 157)?
Onderschrijft u dit? Zo nee, waarom niet?
Hoe rijmt u deze video, waarin eenzijdig aandacht wordt besteed aan de vermeende noodzaak van dierproeven, zonder ook maar enige aandacht te besteden aan het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap en de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden, met deze toezegging?
Bent u ermee bekend dat de Kamer heeft uitgesproken dat Nederland koploper moet worden als het gaat om baanbrekende technologieën zoals proefdiervrije, innovatieve medische ontwikkelingen en heeft verzocht om de ontwikkeling en toepassing van proefdiervrije methoden meer te stimuleren (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 53)?
Deelt u de mening dat het bij een land dat koploper wil zijn in proefdiervrije innovaties niet past om eenzijdig te communiceren over de vermeende noodzaak van dierproeven, maar juist het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap zou moeten uitdragen?
Bent u bereid om de video offline te halen of aan te passen zodat ook de nadelen van dierproeven worden benoemd, conform de toezegging van uw voorganger(s)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in plaats van de betreffende video in uw communicatie over dierproeven te focussen op het belang en de noodzaak van de transitie naar proefdiervrij onderzoek, wat kan leiden tot grote medische doorbraken en onder meer goedkoper, beter vertaalbaar en diervriendelijker is, en op de stappen die Nederland zet om dit te bereiken? Zo nee, waarom niet?
Welke andere concrete maatregelen en acties gaat u treffen om ervoor te zorgen dat Nederland koploper wordt in baanbrekende proefdiervrije technologieën?
Kunt u deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het doden van een groep gezonde stokstaartjes door Diergaarde Blijdorp |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Diergaarde Blijdorp een groep gezonde stokstaartjes heeft gedood, omdat er volgens de dierentuin geen plek was voor deze dieren binnen de dierentuin en ook geen plek kon worden gevonden bij een andere dierentuin?1
Bent u bekend met het zogenoemde «breed-and-cull-beleid» dat volgens Diergaarde Blijdorp wordt gehanteerd, waarbij stokstaartjes worden gefokt om vervolgens te worden gedood omdat er te veel van zouden zijn?
Wat vindt u hiervan?
Erkent u dat het fokken van «overtollige» dieren om ze vervolgens te doden, omdat er geen plek voor is, de intrinsieke waarde van deze dieren ernstig schendt? Zo nee, waarom niet?
Bij welke andere diersoorten hanteert Diergaarde Blijdorp een «breed-and-cull-beleid»?
Welke andere Nederlandse dierentuinen hanteren een vergelijkbaar beleid en voor welke diersoorten?
Deelt u de opvatting dat wanneer iemand zo nodig wilde dieren wil fokken in gevangenschap, diegene ten minste de verantwoordelijkheid heeft om een plan te hebben voor hoe de nakomelingen kunnen worden verzorgd en gehuisvest en dat het doden van dieren omdat er geen plek voor is daar niet onder valt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat de Kamer heeft verzocht een einde te maken aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 69)?
Wanneer gaat u dit plan naar de Kamer sturen?
Bent u bereid om intussen Diergaarde Blijdorp op te roepen per direct te stoppen met het fokken van stokstaartjes en het «breed-and-cull-beleid» meteen te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Ernstige bijtincidenten met honden en preventieve maatregelen rond hoog-risicohonden |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de aanval door een hond op een 7-jarige jongen in Hilversum, waarbij het slachtoffer ernstig gewond is geraakt?1
Kunt u aangeven hoeveel ernstige bijtincidenten met honden de afgelopen vijf jaar bekend zijn en in hoeveel gevallen daarbij kinderen betrokken waren?
Welke ontwikkelingen ziet u in het aantal meldingen van ernstige bijtincidenten met honden?
Deelt u de opvatting dat verantwoord hondenbezit vraagt om duidelijke verantwoordelijkheid van eigenaren, zeker wanneer sprake is van honden met een verhoogd risico op agressief gedrag?
Hoe beoordeelt u de werking van de huidige Nederlandse aanpak rond hoog-risicohonden en ernstige bijtincidenten?
In hoeverre verschillen gemeentelijke beleidsregels en handhaving momenteel als het gaat om hoog-risicohonden en acht u deze verschillen wenselijk?
Welke mogelijkheden bestaan momenteel om eerder in te grijpen wanneer sprake is van signalen van gevaarlijk gedrag van honden of onverantwoord eigenaarschap?
Welke rol ziet u voor preventieve maatregelen, zoals gedragsbeoordelingen, trainingen voor eigenaren, socialisatie of aanvullende voorwaarden bij honden met een verhoogd risico?
Wordt momenteel voldoende ingezet op verantwoord fokken en voorlichting aan hondenbezitters om agressief gedrag zoveel mogelijk te voorkomen?
Heeft u kennisgenomen van buitenlandse voorbeelden, zoals in Ierland, waar voor specifieke hoog-risicohonden aanvullende regels gelden zoals een muilkorf- en aanlijnplicht in de openbare ruimte?
Welke lessen ziet u in dergelijke buitenlandse aanpakken voor Nederland waar het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten?
In hoeverre acht u aanvullende landelijke kaders voor hoog-risicohonden, zoals duidelijke regels rond aanlijnen, muilkorven of verantwoordelijkheid van eigenaren, wenselijk of effectief?
Waar ziet u op dit moment de belangrijkste tekortkomingen in wet- en regelgeving of handhavingsmogelijkheden als het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten met honden?
Welke mogelijkheden ziet u om deze tekortkomingen weg te nemen en de bescherming van omwonenden, voorbijgangers en in het bijzonder kinderen verder te versterken?
Hoe beoordeelt u de huidige mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij fatale incidenten? Acht u het bestaande instrumentarium voldoende effectief en afschrikwekkend?
Deelt u de opvatting dat van eigenaren van honden die een verhoogd risico vormen voor hun omgeving een grotere verantwoordelijkheid mag worden verwacht en dat daar waar nodig passende consequenties tegenover moeten staan wanneer die verantwoordelijkheid onvoldoende wordt genomen?
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de aangekondigde maatregelen rondom hoog-risicohonden, waaronder het landelijk meldpunt, de ontwikkeling van een houdercursus en overige preventieve maatregelen?
Welke resultaten zijn sinds de aankondiging van deze maatregelen bereikt en op welke wijze wordt gemonitord of deze daadwerkelijk bijdragen aan het terugdringen van ernstige bijtincidenten?
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van mensen en in het bijzonder van kinderen altijd voorop moet staan bij beleid rond hoog-risicohonden?
De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake de Huis- en hobbydierenlijst |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de Huis- en hobbydierenlijst op 28 mei 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:210 t/m 219), waarin het CBb oordeelt dat voor meerdere diersoorten, waaronder de dromedaris, een nieuw besluit moet worden genomen?
Hoe beoordeelt u het feit dat het CBb heeft geoordeeld dat de toepassing van het domesticatiecriterium door de Minister te beperkt is geweest en dat voor onder andere de dromedaris, chinchilla en Russische dwerghamster, opnieuw een bestuurlijke afweging moet worden gemaakt?
Erkent u dat deze uitspraak, waarin door de rechter is vastgesteld dat bij al zeker zes diersoorten ondeugdelijk gemotiveerde besluiten zijn genomen, laat zien dat bij het opstellen van de Huis- en hobbydierenlijst fouten zijn gemaakt in de beoordeling van diersoorten, in het bijzonder bij de toepassing van het domesticatiecriterium?
Verwacht u naar aanleiding van de uitspraak van het CBb, dat sprake is van 314 afzonderlijke besluiten waartegen individueel bezwaar en beroep openstaat, een groot aantal aanvullende bezwaar- en beroepsprocedures tegen andere besluiten om diersoorten niet aan te wijzen? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid van de huidige Huis- en hobbydierenlijst?
Acht u het wenselijk en werkbaar dat deze uitspraak leidt tot een aanzienlijke extra belasting van rechtbanken en uitvoeringsorganisaties door nieuwe procedures over individuele diersoorten?
Hoe verhoudt het oordeel van het CBb zich volgens u tot de eis uit het Andibel-arrest (ECLI:EU:C:2008:353) dat een positieflijst moet zijn gebaseerd op objectieve en proportionele criteria, nu blijkt dat voor meerdere soorten alsnog een aanvullende bestuurlijke (en dus specifiek niet wetenschappelijke) afweging nodig is om tot een besluit te komen?
Deelt u de opvatting dat het problematisch is dat de strikt wetenschappelijke beoordelingssystematiek ertoe zou hebben geleid dat zelfs honden, katten en paarden niet op de lijst zouden zijn geplaatst en dat vervolgens via het domesticatiecriterium bestuurlijke uitzonderingen moesten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u de uitzonderingspositie die het damhert en edelhert innemen, nu uit de uitspraak van het CBb blijkt dat de bevoegdheid omtrent het aanwijzen van diersoorten als soorten die gehouden mogen worden niet discretionair van aard is?
Bent u bereid opnieuw kritisch te kijken naar de uitwerking en juridische houdbaarheid van de Huis- en hobbydierenlijst, mede in het licht van deze uitspraak en de mogelijkheid van verdere procedures tegen individuele beslissingen?
Het beschermen van dieren tegen hitte |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u gemerkt dat het heet is in ons land, met temperaturen tot boven de 30 graden?
Kunt u bevestigen dat dit voor grote aantallen dieren in de veehouderij gevaarlijk warm is, aangezien veel dieren (zoals kippen, varkens en runderen) rond de 25 graden al last kunnen hebben van (ernstige) hittestress?
Onderschrijft u het belang van het voorkomen van hittestress bij dieren en het nemen van maatregelen om dieren beter te beschermen op hete dagen?
Bent u ermee bekend dat uit de wet volgt dat dieren in weilanden beschermd moeten worden tegen slechte weersomstandigheden, waaronder hitte, en dat Kamer heeft verzocht om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren landelijk te verplichten (Kamerstuk 28 286, nr. 1310)?
Hoe verklaart u dat veel dieren nog altijd geen beschutting hebben tegen hitte, ondanks allerlei (vrijblijvende) projecten en programma’s die zijn opgesteld om dit te stimuleren?
Bent u bereid om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren expliciet wettelijk te verplichten, conform de aangenomen motie? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat zich aankomende periode weer schrijnende situaties voordoen waarin varkens naar adem happen, kippen dicht op elkaar gepropt in oververhitte wagens zitten en transportwagens dagenlang stilstaan bij een slachthuis of rondjes moeten blijven rijden, totdat de dieren worden uitgeladen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat u van de veehouderijsectoren verwacht dat zij maatregelen treffen om dieren tegen hitte te beschermen?
Bent u ermee bekend dat toenmalig Staatssecretaris Van Dam er in 2017 al tegenaan liep dat de pluimveesector niet wilde meewerken met het beter beschermen van dieren tegen hitte (Kamerstuk 28 286, nr. 922)?
Bent u ermee bekend dat de belangenbehartiger van de pluimveesector, Nepluvi, zich tevens jarenlang heeft verzet tegen vele maatregelen om dieren beter te beschermen tegen de hitte, zoals de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten naar 30 graden, maar ook de eerdere invoering van de maximumtemperatuur van 35 graden, omdat ze kippen ook boven een temperatuur van 35 graden Celsius op transport wilden blijven zetten?1
Kunt u bevestigen dat in 2019 bleek dat de afspraak om dieren bij 35 graden of warmer niet meer te vervoeren niet door iedereen werd nagekomen, omdat bijvoorbeeld de pluimveesector, die verreweg het grootste aantal dieren per jaar fokt en afvoert naar de slacht, gewoon door was blijven rijden bij temperaturen boven de 35 graden, hetgeen de aanleiding was voor de toenmalige Minister van Landbouw om de grens van 35 graden wettelijk te laten vastleggen?2
Kunt u bevestigen dat de noodzaak van het invoeren van de beleidsregel maximumtemperatuur diertransport, die in 2023 in consultatie werd gebracht, volgde uit het feit dat de vrijwillige aanpak via het Nationaal Plan voor veetransport bij extreme temperaturen «niet afdoende» heeft gewerkt, niet alle sectoren zich wilden aansluiten en het daarom «niet in de lijn der verwachting» ligt dat «vrijwillige afspraken dit keer wel werken»?3
Begrijpt u dat dit alles weinig vertrouwen schept dat bepaalde sectoren binnen de veehouderij zich dit keer wel tijdig zullen voorbereiden, zowel op hitte in de aankomende zomer, als op het verlagen van de maximumtemperatuur vóór de zomer van volgend jaar?
Heeft Nepluvi inmiddels concreet laten weten hoe zij de pluimveesector gaat voorbereiden op de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten? Zo ja, wat hebben zij toegezegd?
Hebben de verschillende veehouderijsectoren, waaronder de pluimveesector, inmiddels concreet laten weten welke maatregelen zij gaan treffen om dieren deze zomer te beschermen tegen hitte?
Kunt u bevestigen dat u, conform hetgeen u schreef in een Kamerbrief (Kamerstuk 28 286, nr. 1433), van de sector verwacht dat ze zich tijdig voorbereiden op het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransporten door bijvoorbeeld hun planningen voor de fok van nieuwe dieren tijdig aan te passen, zodat er meer ruimte is in de stallen in de zomer en zo kan worden voorkomen dat stallen overvol raken als dieren langere tijd niet afgevoerd kunnen worden naar het slachthuis?
Indien u dit nog niet gedaan hebt, bent u bereid om deze verwachting expliciet aan de veehouderijsectoren mede te delen, zodat later niet kan worden gesuggereerd dat zij onvoldoende tijd of mogelijkheden hebben gehad om zich aan te passen op de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten?
Kunt u aangeven hoe het, ondanks alle sectorprotocollen, kan dat dieren op hete dagen nog altijd langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten voor slachthuizen of rondjes moeten blijven rijden totdat ze worden «gelost»?
Deelt u de conclusie dat ook hier blijkt dat een vrijwillige aanpak niet afdoende heeft gewerkt? Zo ja, bent u bereid om met niet-vrijblijvende maatregelen te komen om dieren deze hittestress te besparen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat dieren in het wild hitte proberen te vermijden door bijvoorbeeld afkoeling te zoeken, zoals varkens doen met modderbaden?
Deelt u de mening dat ook dieren in de veehouderij de mogelijkheid moeten hebben om hitte te vermijden en af te koelen, door bijvoorbeeld naar buiten te kunnen, met mogelijkheden tot modderbaden of stofbaden en beschutting en verkoeling onder bomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel capaciteit is er op dit moment beschikbaar bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om (extra) controles uit te voeren op warme dagen en de dierenwelzijnsregels te handhaven?
Kunt u toezeggen dat er strikt zal worden gehandhaafd indien in deze hete periodes dieren onvoldoende beschuttingsmogelijkheden hebben, ze niet kunnen afkoelen in weilanden of stallen, op hete dagen op transport worden gezet of bij slachthuizen langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten?
Kunt u deze vragen op korte termijn beantwoorden?
Dierhouders die niet voldoen aan de zorgplicht voor de bescherming van hun dieren, maar wel vergoeding uitbetaald krijgen na wolvenaanvallen |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel en bijbehorende video van House of Animals waarin wordt bericht dat een paarden- en ponyhandelaar structureel niet aan de adviesnormen voldoet om zijn pony's te beschermen tegen wolven, maar wel 22.858 euro aan vergoedingen heeft uitbetaald gekregen na wolvenaanvallen?1
Wat is uw reactie op de geconstateerde problemen in het artikel en de bijbehorende video?
Wat vindt u ervan dat er een dode pony in vergaande staat van ontbinding aan de rand van het veld van de ponyhouder is gevonden (en daarna in de sloot) met een dik touw om de enkel en dat de ponyhouder er niets van had gemerkt en er geen verklaring voor kan geven?
Kunt u uitsluiten dat de pony daar dagenlang is gedumpt door de ponyhouder?
Wat vindt u ervan dat naast het stoffelijk overschot van de pony hoge drinkbakken met te weinig water stonden, waardoor meerdere dorstige pony’s er niet bij konden?
Kunt u uitsluiten dat de ponyhouder pony's heeft gebruikt als lokaas? Zo ja, hoe precies?
Is er onderzoek gedaan over het aangetroffen dierenleed en of de ponyhouder zich aan de wet heeft gehouden? Zo ja, door wie en wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar deze situatie?
Welke mogelijke sancties zijn er voor zo een ponyhouder?
Klopt het dat de genoemde ponyhouder niet voldeed aan de adviesnormen voor bescherming van zijn dieren en toch vergoeding uitgekeerd kreeg na een wolvenaanval?
Kunt u bevestigen dat ongeveer 75 procent van de wolvenaanvallen in Friesland bij alleen deze ponyhouder hebben plaatsgevonden?
Klopt het dat bij de genoemde wolfaanvallen in de dorpen Oudehorne en Nieuwhorne de dieren niet volgens de adviesnormen werden beschermd, maar toch vergoeding uitgekeerd werd (tussen 2024 en 2025)? Zo nee, hoe zit het dan?
Gaat u onderzoeken of ook in andere provincies het geval bestaat dat bij één enkele dierhouder, of een paar dierhouders, een overgroot deel van de wolvenaanvalmeldingen zijn gedaan? Kunt u de bevindingen met ons delen?
Deelt u de mening dat in het kader van zorgplicht dierhouders in het algemeen verplicht zijn om hun dieren voldoende te beschermen tegen predatoren, zoals de wolf?
Deelt u de mening dat dierhouders die hier niet aan voldoen geen vergoeding zouden mogen krijgen na een wolvenaanval? Zo nee, hoe legt u die beloning van slecht gedrag uit?
Over welke instrumenten beschikt u om te controleren of dierhouders voldoen aan de zorgplicht? Wat heeft u nodig om deze instrumenten nog beter te kunnen benutten?
Hoe vaak wordt gecontroleerd bij dierenhouders? Hoe vaak is in de afgelopen vier jaar gecontroleerd bij een overduidelijk risicogeval als in het artikel genoemde ponyhouder uit Friesland en welke conclusies zijn daaruit gekomen?
Bent u het ermee eens dat onbeschermde dieren een makkelijke prooi zijn voor wolven en dit kan veroorzaken dat de wolf terugkeert naar dezelfde plek?
Bent u het ermee eens dat een wolf door nalatigheid van mensen in de bescherming van hun dieren, problematisch gedrag kan gaan vertonen zoals het wederkeren naar dezelfde plek? Wie draagt dan volgens u de verantwoordelijkheid voor de gevolgen daarvan?
Heeft u in kaart en wat gaat u eraan doen dat mensen on- of doelbewust hun dieren onbeschermd kunnen laten en vervolgens een hoge vergoeding kunnen krijgen voor (dodelijke) schade aan deze dieren?
Erkent u dat een systeem waarin verwaarlozing van dieren niet wordt aangepakt, met wolvenaanvallen als gevolg, potentieel dierhouders door middel van vergoedingen beloont voor het overtreden van de wet?
Bent u ermee bekend dat dieren zoals de shetlandpony, meer geld opleveren voor een dierhouder via een uitbetaling van een vergoeding na een wolvenaanval, dan door het dier op marktplaats (of via een andere wijze) te verkopen? Wat vindt u van deze mogelijk perverse prikkel?
Controleert u periodiek de waardetabel (die jaarlijks wordt opgesteld) op basis waarvan de hoogte van de vergoedingen wordt bepaald?
Gaat u dierhouders die niet voldoen aan de zorgplicht en zich niet aan de adviesnormen houden in de toekomst gericht strenger controleren? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, hoe gaat u dan handhaven dat er geen misbruik wordt gemaakt van de vergoedingsregeling?
Wat vindt u van wolvenaanvallen die mogelijk tot stand zijn gekomen door nalatigheid van dierhouders of zelfs door het uitlokken van de wolf? Bent u het met ons eens dat dat bij kan dragen aan een vertekend beeld van het daadwerkelijke gevaar dat de wolf vormt voor mens en dier?
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat dierhouders bekend worden met en zich gaan houden aan de adviesnormen en gaan voldoen aan de zorgplicht?
Zou u deze vragen binnen de gestelde termijn willen beantwoorden en tenminste alvorens het nog te plannen plenair debat over de wolf in Nederland?
Massasterfte van zwaluwen door pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de massasterfte van oeverzwaluwen bij de Haarrijnse Plas?1
Deelt u de zorg dat sterfte door pesticiden waarschijnlijk structureel wordt onderschat, omdat zieke dieren zich verstoppen, snel worden opgegeten door aaseters of niet toxicologisch onderzocht worden?
Wordt momenteel gemonitord hoeveel vogels en andere wilde dieren jaarlijks slachtoffer worden van pesticiden? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, bent u bereid om een landelijk monitoringsprogramma op te zetten voor pesticidevergiftiging bij wilde dieren, inclusief structureel toxicologisch onderzoek bij massasterfte?
Bent u bekend met het toxicologisch onderzoek van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat bij de gestorven oeverzwaluwen hoge concentraties gif zoals permethrine en tetramethrine op de veren en in hersenweefsel zijn aangetroffen?2
Wat vindt u ervan dat de twee pesticiden nu gelden als «relatief veilig voor vogels», maar toch gevaarlijk blijken te zijn?
Erkent u de conclusies van de wetenschappers dat deze bevindingen erop wijzen dat vogels ernstig ziek kunnen worden of sterven door blootstelling aan pesticiden via huidcontact of inhalatie, terwijl deze blootstellingsroutes momenteel niet standaard worden meegenomen in toelatingsprocedures voor bestrijdingsmiddelen? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich?
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige risicobeoordeling van pesticiden vooral uitgaat van opname via voedsel, terwijl onderzoekers nu expliciet waarschuwen dat blootstelling via veren, huid en luchtwegen mogelijk minstens zo schadelijk kan zijn?
Welke gevolgen hebben deze onderzoeksresultaten voor de bescherming van (bedreigde) vogelsoorten zoals de oeverzwaluw, waarvan populaties al onder druk staan door verlies van leefgebied, voedseltekorten en milieuvervuiling?
Heeft u gelezen dat de onderzoekers hopen dat de manier waarop pesticiden worden beoordeeld opnieuw onder de loep zal worden genomen en dat dit onderzoek aanleiding geeft om bij de toelating van pesticiden rekening te houden met meer scenario’s dan alleen blootstelling via voedsel?
Bent u bereid om het advies van de wetenschappers op te volgen? Zo ja, hoe en op welke termijn?
Vindt u dat er daarbij ook beter gekeken moet worden naar hoe in de toelatingssystematiek en beoordelingssystematiek rekening gehouden wordt met mogelijke cumulatieve en synergistische effecten van pesticidencombinaties voor (wilde) dieren en mensen? Zo ja, hoe gaat u dat verwerken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) te verzoeken om op deze nieuwe bevindingen te reflecteren en te kijken wat kan worden gedaan om ervoor te zorgen dat blootstelling via huidcontact en inhalatie structureel wordt onderzocht, zodat volgens en andere wilde dieren beter worden beschermd tegen pesticiden?
Bent u bereid om bij het Ctgb en in Europees verband erop aan te dringen dat cumulatieve en synergistische effecten van pesticiden voor (wilde) dieren en mensen structureel mee moeten worden genomen in de toelating en herbeoordeling van stoffen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in Europees verband, ook in het kader van de gesprekken rondom de Omnibus Food and Feed Safety Simplification, te wijzen op deze wetenschappelijke bevindingen en te pleiten dat die bevindingen worden verwerkt in beleid om wilde dieren beter te beschermen tegen pesticiden (ook in het kader van Europese doelen voor biodiversiteit)?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om blootstelling van wilde dieren aan pesticiden terug te dringen?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Het besteden van miljoenen euro’s belastinggeld aan het uitkopen van een illegaal opererende varkenshouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dit is niet de bedoeling van ons belastinggeld», waaruit blijkt dat een van de grootste varkensbedrijven van Nederland, dat al jarenlang illegaal opereert, via de landelijke beëindigingsregeling aanspraak maakt op minstens vijf miljoen euro aan belastinggeld?1
Kunt u bevestigen dat de betreffende varkenshouder jarenlang meer dieren heeft gehouden dan was toegestaan, niet voldeed aan geldende milieuregels en de omgevingsvergunning niet op orde had?2
Bent u ermee bekend dat de rechtbank Oost-Brabant in 2023 heeft geoordeeld dat het bedrijf al sinds 2004 illegaal opereerde?3
Kunt u bevestigen dat dit bedrijf, ondanks jarenlange juridische procedures, handhavingsverzoeken en rechterlijke uitspraken over illegale bedrijfsvoering, alsnog aanspraak maakt op circa vijf miljoen euro aan belastinggeld? Hoe hoog is het exacte subsidiebedrag?
Onderschrijft u de noodzaak van een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van de 20 miljard euro aan belastinggeld die is vrijgemaakt voor het samenhangende pakket voor landbouw, natuur en stikstof?
Hoe rijmt u het verstrekken van miljoenen euro’s subsidie aan een veehouderijbedrijf dat structureel milieuwetgeving overtreedt met een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van dit geld, terwijl de overheid in dergelijke gevallen ook kan handhaven, illegale situaties kan beëindigen en vergunningen kan intrekken?
Bent u ermee bekend dat de gedeputeerde staten van Noord-Brabant in 2024 nog verklaarden dat aan dit bedrijf geen provinciale subsidies zou worden verleend vanwege structurele overtredingen van milieuregels?4
Wat vindt u ervan dat er nu alsnog miljoenen euro’s aan belastinggeld dreigen te worden uitgekeerd aan precies die locaties waarvan de rechter heeft vastgesteld dat daar jarenlang illegaal is geopereerd?
Deelt u het inzicht dat iedere euro die wordt besteed aan het vrijwillig uitkopen van bedrijven die illegaal opereren, niet meer beschikbaar is voor andere noodzakelijke maatregelen voor de landbouwtransitie, stikstofreductie en natuurherstel?
Erkent u dat het efficiënt, rechtmatig en doelmatig besteden van belastinggeld binnen de stikstofaanpak ook betekent dat wordt gekeken of illegale bedrijfsvoering kan worden beëindigd door handhaving of het intrekken van vergunningen, in plaats van dat er miljoenen euro’s aan vrijwillige uitkoopsubsidies worden verstrekt aan dit soort bedrijven die de wet overtreden?
Bent u bereid om de subsidietoekenning voor dit varkensbedrijf per direct op te schorten en in plaats daarvan met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de provincie en de omgevingsdienst te bezien of de illegale bedrijfsvoering via handhaving, het intrekken van vergunningen of andere maatregelen kan worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om binnen de bredere landbouwaanpak ook te kijken naar alternatieve routes naast vrijwillige uitkoop, zoals striktere handhaving, het intrekken van vergunningen en het beëindigen van illegale situaties, om zo de efficiëntie, doelmatigheid en rechtvaardigheid van de besteding van belastinggeld te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn, maar in ieder geval voordat u de toegezegde aanpak voor landbouw, natuur en stikstof naar de Kamer stuurt, beantwoorden?
Heeft u kennisgenomen van het artikel «In tranen over dreigende boete voor alternatieve therapeuten: «Ik mag wel mensen blijven helpen maar dieren zijn nu dus taboe. Dat is toch bizar?»»1, waarin wordt beschreven dat diertherapeuten door handhaving van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) worden geconfronteerd met dreigende boetes tot 25.000 euro?
Kunt u aangeven hoeveel waarschuwingen, lastgevingen en boetes de NVWA in 2024 en 2025 heeft opgelegd aan diertherapeuten en op basis van welke typen handelingen deze sancties zijn opgelegd?
Kunt u toelichten op welke wettelijke grondslag de NVWA concludeert dat behandelingen door alternatieve diertherapeuten, zoals osteopathie en craniosacraal therapie bij paarden, worden aangemerkt als diergeneeskundige handelingen die uitsluitend door dierenartsen of daartoe bevoegde beroepsgroepen mogen worden uitgevoerd?
Deelt u de opvatting dat aanvullende therapieën, mits duidelijk afgebakend en uitgevoerd na of in afstemming met een diagnose door een dierenarts, een complementaire rol kunnen spelen bij het welzijn en herstel van dieren? Zo ja, hoe krijgt dit momenteel vorm in wet- en regelgeving?
Erkent u dat het ontbreken van een beschermd beroep voor de diertherapeuten zowel risico’s voor dierenwelzijn als onzekerheid voor goed opgeleide en zorgvuldig werkende therapeuten met zich meebrengt?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om opleidingen en kwaliteitseisen voor diertherapieën te toetsen en eventueel te erkennen, zodat onderscheid kan worden gemaakt tussen deskundige behandelaars en onbevoegde of onzorgvuldige aanbieders?
Bent u bereid om, in overleg met de NVWA, dierenartsen, diertherapeuten en sectororganisaties, te bezien of nadere verduidelijking of aanpassing van beleid nodig is om zowel dierenwelzijn als rechtszekerheid voor betrokken beroepsgroepen beter te borgen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De kostenverschuiving en de kosten voor de belastingbetaler van het Food and Feed Safety Simplification Omnibuspakket. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat het kabinet in het BNC-fiche over het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder heeft uitgesproken dat het kabinet wil voorkomen dat de voorstellen Europese en nationale doelen ondermijnen en het belangrijk vindt dat er geen risico’s zijn voor de bescherming van mens, dier en milieu, de naleving van internationale verplichtingen en nationale en Europese doelen (Kamerstuk 22 112, nr. 4261)?
Ja.
Bent u ermee bekend dat het kabinet in het BNC-fiche over het Omnibuspakket er al op wees en waarschuwde voor dat het pakket kan leiden tot een onevenredige verschuiving van kosten voor het monitoren het bedrijfsleven naar Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) en de lidstaten en dat het kabinet deze kostenverschuiving als zeer onwenselijk bestempelde?
Het Omnibuspakket heeft als doel regeldruk en administratieve lasten te verlichten en die ambitie deel ik. Eén van de vele voorstellen in de Omnibus is een voorstel Vo 1831/2003 aan te passen zodat diervoederadditieven, na het doorlopen van een uitgebreid toelatingsproces, voor onbepaalde tijd worden toegelaten. Dit specifieke voorstel doet niets af aan de verantwoordelijkheid die de producent draagt voor de veiligheid van hun product en de verantwoordelijkheid van de overheid om toezicht te houden op die veiligheid.
In het BNC-fiche heb ik uitsluitend met betrekking tot dit voorstel, dat specifiek over diervoederadditieven gaat, de zorg geuit dat het mogelijk kan leiden tot een kostenverschuiving van het bedrijfsleven naar overheden en EFSA, bijvoorbeeld voor een veiligheidsmonitoring. Of dit in de praktijk daadwerkelijk het geval zal zijn, moet nog blijken. Tegelijkertijd zie ik ook gunstige elementen. Doordat diervoederadditieven niet langer verplicht elke tien jaar een herbeoordeling hoeven te ondergaan, kan dit tijd en middelen besparen. Met name EFSA kan deze vrijgekomen capaciteit elders inzetten. Daarnaast krijgt EFSA ook extra bevoegdheden, zoals de mogelijkheid om dossiers rechtstreeks bij bedrijven op te vragen.
Op dit moment lopen de onderhandelingen over het Omnibuspakket nog in Brussel. In dat proces blijf ik dit specifieke punt nauwlettend volgen en waar nodig zal ik het onder de aandacht zal brengen bij de Commissie. Wel wil ik benadrukken dat dit voorstel slechts één van de vele voorstellen is uit het gehele Omnibuspakket en dat mijn waardering van, en toekomstige besluitvorming over, het pakket als geheel gebaseerd zal zijn op een gebalanceerde afweging van alle voorstellen in het pakket.
Bent u ermee bekend dat de EU-wetenschapstoets (Kamerstuk 2026D18869) aangeeft dat de voorstellen uit het Omnibuspakket niet zullen leiden tot vermindering van administratieve lasten, een gelijk speelveld, versnelde innovaties en toelatingen?
Ik ben bekend met dit Kamerstuk. Deze is expliciet toegespitst op gewasbeschermingsmiddelen.
Bent u ermee bekend dat dit volgens de wetenschappers resulteert in extra kosten voor de Nederlandse maatschappij door onder andere de verhoogde capaciteitseisen voor monitoring, controle, metingen en de kostenverschuiving die hierboven genoemd is?
De zienswijze op het wijzigingsvoorstel voor Vo 1831/2003 betreft diervoederadditieven, terwijl de EU-wetenschapstoets zich specifiek richt op gewasbeschermingsmiddelen. Zodoende hangen deze uitspraken niet met elkaar samen.
Aangezien het belangrijk is voor een goede besluitvorming dat de Kamer en het kabinet weten wat de (extra) kosten zullen zijn, bent u bereid om een zo volledig mogelijke inschatting te (laten) maken van de kosten die de voorliggende voorstellen in het Omnibuspakket met zich meebrengen voor de Nederlandse maatschappij en Nederlandse belastingbetaler? Kunt u dit vóór het plenaire debat over het Omnibuspakket met de Kamer delen?
In het BNC-fiche is benoemd dat er voor aantal voorstellen consequenties voor rijksoverheid en/of medeoverheden zijn voorzien. Zoals benoemd in de beantwoording van vraag 2, kunnen de voorstellen voor diervoederadditieven mogelijk tot zowel kostenbesparingen als extra kosten leiden. Enerzijds vervallen er werkzaamheden voor de herbeoordeling van diervoederadditieven, maar mogelijk komen er kosten bij voor de monitoring van de veiligheid van diervoederadditieven. Op dit moment lopen de onderhandelingen over het Omnibuspakket nog in Brussel. Het is daardoor niet mogelijk om definitief beeld te schetsen van de financiële consequenties.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden vóór het plenaire debat over het Omnibuspakket?
Ja.
Nadeelcompensatie voor de pulsvisserij |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraken van de Raad van State van 22 april 2026 over pulsvisserij en de gevolgen van het Europese Unie (EU)-verbod (ECLI:NL:RVS:2026:2040) (ECLI:NL:RVS:2026:2036) (ECLI:NL:RVS:2026:2038)?
Hoe beoordeelt u het oordeel dat bij het intrekken van vergunningen voor pulsvisserij onvoldoende expliciet rekening is gehouden met de financiële gevolgen voor de betrokken vissers?
Klopt het dat vissers reeds eerder verzoeken tot nadeelcompensatie hebben ingediend die (deels) zijn afgewezen of nog niet zijn afgehandeld? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Erkent u dat het verbod op pulsvisserij, voortvloeiend uit EU-regelgeving, heeft geleid tot substantiële economische schade voor Nederlandse vissers?
Welke criteria hanteert u momenteel bij de beoordeling van aanvragen voor nadeelcompensatie in deze sector?
Op welke termijn kunnen getroffen vissers duidelijkheid verwachten over hun individuele aanvragen voor schadevergoeding of nadeelcompensatie?
Hoe voorkomt u dat langdurige juridische procedures en onzekerheid leiden tot faillissementen of onomkeerbare schade bij de getroffen visserijbedrijven?
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de visserijsector en de getroffen vissers om te komen tot een collectieve en rechtvaardige compensatieregeling?
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun gezinnen hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun bemanningsleden hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Generieke vrijstelling tewerkstellingsvergunning (TWV) voor de zeevisserij |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de commerciële zeevisserij, in tegenstelling tot de koopvaardij en zeegaande waterbouw, geen gebruik kan maken van de generieke vrijstelling van de tewerkstellingsvergunning (TWV) zoals opgenomen in het Besluit uitvoering Wav 2022?
Hoe beoordeelt u het verschil in behandeling tussen de zeevisserij en andere maritieme sectoren, terwijl zij vergelijkbare arbeid op zee verrichten?
Deelt u de mening dat dit onderscheid leidt tot een structureel zwaardere toegangsdrempel tot arbeidskrachten van buiten de Europese Unie (EU) voor de zeevisserij?
Bent u bekend met signalen uit de sector dat aanvragen voor TWV's voor vissers regelmatig worden ontmoedigd of afgewezen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en wat is uw reactie daarop?
Hoe verhoudt deze ongelijke behandeling zich tot het streven naar een gelijk speelveld binnen het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid?
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige regelgeving met betrekking tot het aanvragen van een TWV bijdraagt aan bemanningstekorten in de Nederlandse zeevisserijsector?
Erkent u dat de instroom in maritieme opleidingen en het aantal beschikbare Nederlandse en EU-werknemers voor zeevisserij structureel afneemt? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Deelt u de analyse dat het voor de zeevisserij noodzakelijk is om – net als andere maritieme sectoren personeel van buiten de EU te kunnen aantrekken om operationeel te blijven?
Waarom is er destijds voor gekozen om zeevissersschepen expliciet uit te sluiten van de schepelingendienst-vrijstelling?
Bent u bereid te onderzoeken of de zeevisserij onder voorwaarden kan worden opgenomen in de generieke vrijstelling van de TWV, vergelijkbaar met de koopvaardij en waterbouw?
Hoe beoordeelt u het voorstel om deze vrijstelling te koppelen aan registratie in het Nederlands Register van Vissersvaartuigen (NRV) om handhaafbaarheid te waarborgen?
Ziet u mogelijkheden om via het NRV een duidelijke en controleerbare afbakening te creëren van de doelgroep voor een eventuele vrijstelling?
Welke risico’s ziet u bij het invoeren van een dergelijke vrijstelling en hoe kunnen deze volgens u worden ondervangen?
Bent u bereid om, in overleg met de sector en uitvoeringsorganisaties zoals UWV en de Nederlansdse Arbeidsinspectie (NLA), te komen tot een voorstel voor gelijkschakeling van maritieme sectoren op dit punt?
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over mogelijke beleidsaanpassingen of vervolgstappen?
Op welke wetenschappelijke basis wordt de flyshoot-methode momenteel beoordeeld als aanvaardbaar vanuit het oogpunt van ecosysteembeheer en acht u die onderbouwing voldoende, gezien de schaal waarop deze methode inmiddels wordt toegepast?1
Deelt u de analyse dat flyshoot in zijn geïndustrialiseerde Nederlandse vorm met zware kabels en hoog motorvermogen wezenlijk verschilt van de oorspronkelijke, kleinschalige Deense snurrevaad-methode en wat betekent dat voor de ecologische beoordeling?
Hoe reflecteert u op de visserij die volgens het artikel niet mee willen werken aan het onderzoek van 4,8 miljoen euro naar de ecologische impact van flyshoot vissen?
Herkent u zich in de analyse dat het risico op overbevissing toeneemt door het uitblijven van onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen?
Welk instrumentarium heeft u om deelname aan het onderzoek alsnog te bevorderen? Kunt u toezeggen dat instrumentarium in te zetten?
Hoe wordt de bijvangst van niet-doelsoorten bij flyshoot-schepen momenteel gemonitord en acht u die monitoring toereikend voor soorten waarvoor geen quota bestaan?
Hoe verhoudt het huidige vergunningenbeleid voor flyshoot zich tot de verplichting om te handelen op basis van het voorzorgsprincipe uit het Gemeenschappelijk Visserijbeleid? Bent u voornemens dit beleid aan te passen?
Kunt u in Europees verband pleiten voor uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen voor visserijmethoden met een vergelijkbare vangstkracht als de huidige Nederlandse flyshoot?
Welke andere concrete stappen gaat u nemen om overbevissing te voorkomen, te voorkomen dat we een herhaling krijgen van de situatie waar Nederland eerder mee te maken had omtrent de pulsvisserij en welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat de relatie met onze buurlanden constructief blijft?
In welke mate zorgt flyshoot-vissen voor bodemberoering in vergelijking met conventionele boomkor- en pulsvisserij?
Wat is de klimaatimpact van bodemberoering door de vormen van visserij in voorgaande vraag en in hoeverre wordt die impact meegenomen in de klimaatscenario’s en uitstootcijfers van deze sector?
Welke stappen zet u om de ecologische en klimaatimpact van bodemberoerende visserij te beperken?
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen de reeds aangekondigde «energie-efficiëntieregeling visserij» van 25 miljoen euro zal bekostigen (Kamerstuk 36 933, nr. 1)?
Wordt bij de toekenning van de verduurzamingssubsidie onderscheid gemaakt tussen investeringen die de vangstkracht verhogen en investeringen die de milieu-impact per gevangen kilo vis verlagen? Zo ja, hoe?
Kunt u bevestigen dat het ministerie in de periode 2025–2029 80 miljoen euro apart heeft gezet voor de verduurzaming van de vloot, bovenop eerdere middelen uit het klimaatfonds?
Hoeveel procent van de kotters en andere vissersschepen verwacht u dat met deze nieuwe 25 miljoen euro bovenop de reeds gereserveerde 80 miljoen euro te kunnen verduurzamen?
Hoe wordt voorkomen dat deze middelen ten goede komen aan methoden die de visstand verder onder druk zetten?
Is de Staatssecretaris bereid de subsidiecriteria zo in te richten dat vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode voorrang of een toeslag krijgen?
Welke ruimte ziet u om de verduurzamingssubsidies specifiek te benutten voor de overgang naar kleinschaligere en meer selectieve vismethoden, zoals handlijnvisserij en passieve visserij, als alternatief voor opschaling van de flyshoot?
Het afbouwen van de afhankelijkheid van kunstmest en het versnellen van de inzet van RENURE |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel stikstofkunstmest (in tonnen Nitraat) Nederland jaarlijks importeert, welk aandeel daarvan direct of indirect afkomstig is uit de Golfregio en hoe de blokkade van de Straat van Hormuz de prijs van gangbare kunstmeststoffen op de Nederlandse markt heeft beïnvloed?
De hoeveelheid stikstofkunstmest die Nederland jaarlijks importeert varieert de afgelopen 10 jaar grofweg tussen de 150 en 300 kiloton en is met name bedoeld voor doorvoer naar andere landen. Deze import is niet goed in tonnen nitraat uit te drukken, omdat er diverse vormen van stikstof worden geïmporteerd. Deze stikstofkunstmest was niet afkomstig uit de Golfregio, maar werd in de afgelopen jaren met name vanuit Rusland en in mindere mate ook uit Algerije, China en Noorwegen geïmporteerd. In 2026 is tot dusver vooral uit Egypte en in mindere mate uit Noorwegen geïmporteerd.1
De grondstoffen die voor de productie van stikstofkunstmest in Nederland gebruikt worden (met name aardgas) kunnen mogelijk wel afkomstig zijn uit de Golfregio. Dit is echter niet goed te achterhalen.
De prijs van stikstofkunstmest in Europa2 is de afgelopen maanden met ongeveer 18–24% gestegen (m.u.v. ureum, dat met 48% steeg) ten opzichte van eind februari 2026 door de blokkade van de straat van Hormuz, maar ten dele ook door andere factoren.3 Door tijdelijke tekorten bij Indiase aanbestedingen steeg de ureumprijs eerder al.4 Ook het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en heffingen op Russische kunstmest zijn mogelijk van invloed. De prijs lijkt de afgelopen weken te zijn gestabiliseerd.5 Ten algemene valt te stellen dat de prijzen voor stikstofkunstmest op de Nederlandse markt op dit moment niet zo hoog zijn als in 2022/2023, na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne (€ 923/ton ten opzichte van de huidige € 519/ton).
Deelt u de inschatting van de brancheorganisatie Meststoffen Nederland dat er op dit moment geen tekorten zijn dankzij de Europese productiecapaciteit? Hoe beoordeelt u de houdbaarheid hiervan indien de Hormuz-blokkade voortduurt?
Ik deel deze inschatting, niet alleen vanwege de Europese productiecapaciteit maar ook vanwege de voorraden die veel boeren al hadden aangelegd. Deze inschatting wordt ook gedeeld door onder meer de toelichting van de Europese Commissie aan Lidstaten over de uitkomst van de besprekingen met experts in de Fertilisers Market Observatory https://agriculture.ec.Europa.eu/data-and-analysis/markets/overviews/market-observatories/fertilisers_en.
Indien de blokkade voortduurt kunnen de prijzen van aardgas en stikstofkunstmest verder stijgen. De prijs van stikstofkunstmest is direct gekoppeld aan die van aardgas. Mogelijk kan daarmee een situatie ontstaan waarin de productie in Nederland niet langer rendabel is, zoals in 2022 kort is voorgekomen.6 Hiervoor moeten de gasprijzen echter nog significant stijgen, ook ten opzichte van de wereldprijs van stikstofkunstmest uit andere landen. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 april 2026 heeft het kabinet uiteengezet wat de verwachting is ten aanzien van de gasprijs.7 Zoals daarin aangegeven is de impact op prijzen en leveringszekerheid in Nederland minder groot dan in 2022.
Deelt u de opvatting dat leveringszekerheid van kunstmest een strategisch belang is dat vraagt om het behoud van sterke Europese productiecapaciteit en ziet u in RENURE-technologie en circulaire mestverwerking een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw structureel minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen?
Ik deel de opvatting dat het borgen van Europese productiecapaciteit van strategisch belang is. Dit is ook de reden dat ik tijdens de Landbouw- en Visserijraad steun heb uitgesproken voor het in stand houden van het CBAM voor de kunstmestindustrieën, en één van de redenen voor een verhoging van de importheffingen op stikstofkunstmest uit Rusland en Belarus.8
Ik zie RENURE-technologie en circulaire mestverwerking daarbij als een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen. Op korte termijn (1 á 2 jaar) zal de productiecapaciteit van RENURE hiervoor echter onvoldoende zijn. Er is meer capaciteit voor circulaire mestverwerking nodig om de volatiliteit in de kunstmestmarkt te kunnen dempen. Daarbij is de problematiek rondom stikstofdepositie en de effecten daarvan op de vergunningverlening een belangrijke factor.
Welke concrete stappen zet u om de toepassing van RENURE (verwerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger) te versnellen zodat de Nederlandse landbouw minder afhankelijk wordt van geïmporteerde stikstofkunstmest?
Zoals vermeld in de brief van 8 april 20269 ligt de regelgeving voor de nationale implementatie van de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die het mogelijk maakt RENURE te gebruiken, voor notificatie voor in Brussel. De verwachting is dat rond de zomer van 2026 de regelgeving in werking treedt en dat dan gestart kan worden met het gebruik van RENURE-meststoffen boven op de norm dierlijke mest die geldt vanuit de Nitraatrichtlijn (80 kg stikstof per hectare extra boven op de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest).
Om de productie van RENURE op te schalen wordt ook gewerkt aan een subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven en voor grootschalige installaties voor mestverwaarding tot RENURE-producten. Het is daarbij van belang stappen te zetten in de stikstofproblematiek, zodat er voldoende ruimte ontstaat voor vergunning voor deze installaties. Het kabinet heeft daarnaast, zoals in de voornoemde brief op 20 april 2026 aan de Kamer gecommuniceerd extra middelen beschikbaar gesteld om de afhankelijkheid van energie en kunstmest in de land- en tuinbouwsector te verminderen.
In hoeverre heeft Nederland zich in Brussel ingezet voor snellere Europese erkenning van RENURE-producten als volwaardige kunstmestvervanger onder de EU Fertilising Products Regulation?
In 2024 is de Fertilising Products Regulation (FPR) reeds aangepast zodat (producten uit) verwerkte dierlijke mest, zoals RENURE, binnen de interne markt kunnen worden verhandeld. Deze aanpassing van de FPR is echter minder relevant voor de huidige Europese toelating van RENURE-meststoffen. De productietechnieken die met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn zijn toegestaan, zijn op dit moment met name geschikt voor productie en gebruik op de lokale markt en om diverse redenen niet interessant voor verhandeling op de interne Europese markt.
Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld de kosten die gepaard gaan met een voor de FPR verplichte CE-markering, en het feit dat RENURE-meststoffen, die voldoen aan de eisen van de FPR, tot dusver een relatief lage concentratie stikstof hebben ten opzichte van stikstofkunstmest. Dat maakt transport snel onrendabel. Bovendien is er voor de meeste producenten van bestaande RENURE-meststoffen in voldoende mate in Nederland een afzetmarkt te vinden.
Het herhaald niet naleven van afspraken door het Dolfinarium. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium een belangrijke afspraak over het aanpassen van dierverblijven niet is nagekomen, waardoor zeeleeuwen nog steeds in kleine en ondiepe verblijven worden gehouden?1, 2
Kunt u bevestigen dat deze afspraken zijn gemaakt naar aanleiding van een rapport waarin werd vastgesteld dat meerdere verblijven niet voldoen aan de geldende dierenwelzijnsnormen en dat het Dolfinarium vijf jaar de tijd heeft gehad om de verblijven in lijn met deze minimale normen te brengen?3
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Minister Adema het in juni 2024 «kwalijk» noemde toen bleek dat het Dolfinarium zich toen ook al niet aan afspraken hield?4
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Staatssecretaris Rummenie het een jaar later opnieuw «kwalijk» noemde toen opnieuw bleek dat het Dolfinarium afspraken schond?5
Wat vindt u ervan dat het Dolfinarium wederom gemaakte afspraken niet nakomt?
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een patroon van structurele niet-naleving van afspraken en normen door het Dolfinarium? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium niet alleen afspraken schendt, maar daarnaast ook nog jarenlang heeft geweigerd om transparantie te verschaffen en definitief af te zien van de mogelijke verkoop van acht dolfijnen aan een Chinees pretpark, ondanks dat de Kamer zich hier duidelijk tegen uit had gesproken (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 73)?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium ook nog eens uit de Europese branchevereniging voor zeezoogdieren is gezet, omdat ze niet voldoen aan de geldende standaarden?6
Kunt u bevestigen dat wanneer reguliere handhaving niet werkt en de dierentuinvergunning voortdurend wordt overtreden, het mogelijk is om een dierentuin (gedeeltelijk) te sluiten?7
Wanneer is voor u deze grens bereikt?
Deelt u de mening dat er weinig tot geen educatieve waarde gepaard gaat met het houden van dolfijnen in kleine betonnen bakken in gevangenschap, die daar rondjes moeten zwemmen terwijl ze lijden aan chronische stress? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat steeds meer landen, zoals Canada, India, Kroatië en Vlaanderen hebben besloten dat het houden van dolfijnen in gevangenschap moet stoppen?
Bent u bereid om zich bij deze landen aan te sluiten door een einde te maken aan het houden van dolfijnen in gevangenschap? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om het Dolfinarium af te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de “slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen” |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de «slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen»?1
Ja.
Erkent u de zorg dat import uit onder andere China, Oekraïne en Mercosur-landen plaatsvindt onder lagere normen op het gebied van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid?
De Europese Unie kan onder het multilaterale kader van de Wereldhandels Organisatie (WTO) bij import eisen stellen aan het product op het gebied van voedselveiligheid en etikettering. Geïmporteerde producten moeten altijd voldoen aan dezelfde Europese eisen voor voedselveiligheid als binnen de EU geproduceerd voedsel.
Productiestandaarden komen onder meer voort uit sociaaleconomische, landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van een land. Elk land kent daardoor zijn eigen productiestandaarden, en verschillen in productiestandaarden zijn onvermijdelijk. Daarbij geldt ook dat andere standaarden niet per definitie slechter zijn. Daarnaast geldt dat productiestandaarden onder het zogenoemde right to regulate van derde landen vallen. Een recht waar de EU zelf ook niet lichtvoetig mee om gaat.
Aangezien productiestandaarden onder dit zogenoemd recht om te reguleren van een land vallen, kan de EU slechts in beperkte mate haar productiestandaarden als dierenwelzijns- en milieu-eisen opleggen aan derde landen. Regelgeving over productiestandaarden inzake milieu of dierenwelzijn op geïmporteerde producten moet bijvoorbeeld in lijn zijn met relevante WTO-regels, zoals ook geconcludeerd door de Commissie in 2022 in haar rapport «Toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten» (COM(2022)226). In de Visie Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Dit moet wel gebeuren in overeenstemming met de internationale (handels)regels. Het kabinet heeft in het BNC-fiche mb.t. de visie aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen.2 Inmiddels is een deel van de voorstellen gepresenteerd.
Daarnaast kan via handelsverdragen bilateraal afgesproken worden dat enkel producten die aan Europese productiestandaarden voldoen gebruik kunnen maken van lagere importtarieven. In het Associatieakkoord/Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met Oekraïne zijn bijvoorbeeld afspraken opgenomen waarin Oekraïne zich verplicht heeft de Europese Sanitaire- en Fytosanitaire (SPS)-regelgeving, inclusief dierenwelzijnsregelgeving, over te nemen en te implementeren. Daarmee worden deze normen gelijkgetrokken met die van de EU.
Klopt het dat Nederland op verschillende punten strengere eisen hanteert of ontwikkelt dan het Europese beleid voorschrijft?
Ja, het klopt dat Nederland op onderdelen verder gaat of sneller beweegt dan het huidige Europese minimumniveau. Tegelijk is het kabinetsuitgangspunt dat een gelijk speelveld belangrijk is en dat onnodige nationale koppen op Europees beleid moeten worden vermeden. Het kabinet onderschrijft het belang van goede dierenwelzijnswetgeving op EU-niveau. Juist voor de concurrentiepositie van Nederlandse veehouders is het van belang dat dergelijke wetgeving zo veel mogelijk op Europees niveau wordt geregeld. Voor dierwaardige veehouderij geldt dat het kabinet hier uitvoering geeft aan een wettelijke opdracht uit artikel 2.3a «Dierwaardige Veehouderij» van de Wet dieren.
Welke concrete maatregelen neemt u om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en ten opzichte van derde landen?
Op het gebied van het EU-concurrentievermogen zet het kabinet in op een gelijk speelveld op de interne markt als een eerlijk mondiaal speelveld, waarin bedrijven en niet (lid)staten met elkaar concurreren. Voor landbouw- en voedselproducten zet Nederland zich via de EU in op het ontwikkelen en verbeteren van productiestandaarden. Dat kan multilateraal (bv bij de Wereldhandels Organisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid) en bilateraal (in handelsverdragen). Verder kan EU, onder bepaalde voorwaarden, autonome maatregelen treffen.
Bent u bereid om nationale koppen op Europees beleid te beperken, zodat Nederlandse pluimveehouders concurrerend kunnen blijven binnen de interne markt?
De ambitie van het kabinet blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Daarbij geldt wel dat het kabinet voor dierwaardige veehouderij uitvoering moet geven aan de wettelijke opdracht uit de Wet dieren vanuit een ruime kamermeerderheid. Binnen die opdracht blijft het kabinet oog houden voor regeldruk, uitvoerbaarheid, verdienvermogen en het gelijk speelveld.
Erkent u dat voedselproductie een strategisch belang heeft voor Nederland en Europa in het licht van toenemende geopolitieke spanningen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Hoe weegt u het risico dat Nederland in toenemende mate afhankelijk wordt van import uit derde landen?
Het veiligstellen van de voedselzekerheid op de langere termijn, ook in relatie tot strategische afhankelijkheden van het buitenland, is voor het kabinet reden om een strategische agenda voor de voedselzekerheid op te stellen om kwetsbaarheden te adresseren. Ik zal de Tweede Kamer voor de zomer informeren over de bouwstenen en de aanpak om te komen tot deze strategische agenda.
Hoe beoordeelt u het risico dat de nationale zelfvoorzieningsgraad van pluimveevlees daalt tot circa 60 procent bij invoering van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij?
Het kabinet herkent dat ingrijpende nationale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor productievolume, kosten, concurrentiepositie en nationale zelfvoorzieningsgraad. Eerdere analyses van Wageningen University & Research laten zien dat nationaal beleid, en specifiek de AMvB dierwaardige veehouderij, grote invloed kan hebben op de veehouderij en dat forse aanpassingen in de pluimveehouderij mogelijk zijn. Tegelijk geldt dat de precieze ontwikkeling van de zelfvoorzieningsgraad afhankelijk is van de uiteindelijke invulling, het tempo van invoering, marktontwikkelingen, innovatie en handelsstromen. Het kabinet verbindt zich daarom niet aan één sectorschatting, maar laat de ontwikkeling wel volgen, juist ook via monitoring van marktontwikkelingen en randvoorwaarden.
Bent u bereid zich in te zetten voor het borgen van een nationale zelfvoorzieningsgraad van ten minste 100 procent alvorens aanvullende maatregelen te nemen?
Het kabinet acht voedselproductie en leveringszekerheid van groot belang, maar een vaste norm van 100% nationale zelfvoorzieningsgraad is geen op zichzelf staand doel. Daarbij is Nederland onderdeel van de EU en is er een gemeenschappelijk landbouwbeleid en vrij verkeer van goederen op de Europese interne markt. Het kabinet stuurt daarom op een bredere afweging, waarin voedselzekerheid, strategische weerbaarheid, dierenwelzijn, uitvoerbaarheid en verdienvermogen samen worden bezien. Overigens was de zelfvoorzieningsgraad van Nederlands pluimveevlees in 2024 152%.
Bent u bekend met het rapport van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat de kosten op boerderijniveau voor de pluimveehouderij met circa € 0,23 per kilogram (ruim 19 procent ten opzichte van € 1,20) stijgen?2, 3
Ja, ik ben bekend met het rapport en de financiële doorrekeningen van de plannen van aanpak van de sectoren en Dierenbescherming die daarin zijn opgenomen.
Hoe verhoudt deze kostenstijging zich tot de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders ten opzichte van landen als Duitsland en Polen, waar dergelijke lasten niet gelden?
Een kostenstijging als gevolg van nationale maatregelen kan de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders onder druk zetten wanneer die kosten niet in gelijke mate optreden in andere lidstaten. Juist daarom heeft het kabinet steeds benadrukt dat bij dierenwelzijnsverbeteringen een gelijk speelveld binnen de Europese Unie van groot belang is. Tegelijk hangt de feitelijke impact op de concurrentiepositie af van de uiteindelijke invulling van de maatregelen, het invoeringstempo, de mogelijkheden voor innovatie en marktwaardering, en van ontwikkelingen in andere lidstaten. Het kabinet betrekt deze aspecten nadrukkelijk bij de verdere uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij. Daarbij ben ik ook bereid om met onze buurlanden op te trekken om tot gezamenlijke standaarden en keurmerken rondom dierwaardigheid te komen (specifiek Duitsland en België).
Hoe acht u het mogelijk dat Nederlandse pluimveehouders kunnen blijven concurreren op een Europees speelveld, indien deze kostenstijging zich voordoet?
Bij het komen tot maatregelen in de ontwerp AMvB heeft overleg en afstemming plaatsgevonden met sector en Dierenbescherming. Daarbij is gekeken naar de door deze partijen opgestelde plannen van aanpak voor het verhogen van dierenwelzijn in de pluimveesector, naar wetenschappelijke onderbouwing en naar de handhaafbaarheid van voorgenomen maatregelen. Ook is een economische impactanalyse gemaakt. Er is op grond daarvan gekozen voor een stapsgewijze aanpak tot 2040 zodat enerzijds duidelijk is welke stip er op de horizon staat en er tevens voldoende tijd is om daar naar toe te kunnen werken. Daarbij zet het kabinet zich actief in voor de marktcreatie voor deze producten in binnen- en buitenland, waarbij Nederlandse producten kwalitatief aan de beste standaarden voldoen. Intussen heeft de Europese Commissie aangekondigd te zullen komen met een herziening van de Europese dierenwelzijnsregelgeving waarmee naar verwachting ook in Europees verband zal worden gekomen tot hogere dierenwelzijnsstandaarden en er daarmee binnen de EU een gelijk speelveld blijft bestaan.
Bent u bereid om in overleg met de sector te kijken of dierenwelzijnsverbeteringen kunnen worden gerealiseerd via maatregelen die geen negatieve impact hebben op de zelfvoorzieningsgraad en concurrentiepositie, bijvoorbeeld door sturing op basis van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), als alternatief voor onderdelen van de AMvB dierwaardige veehouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
De vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk op de verpakking wordt vermeld?1
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking, namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct is?
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding, nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een grotendeels plantaardig product krijgen?
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde eiwittransitie?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten?
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken vanwege stijgende vleesprijzen?
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking zou moeten worden vermeld?
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen of misleidende etiketten?
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om dit te garanderen?
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?
Het nieuwsbericht 'Wees alert bij afkeuring eco-regeling' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Wees alert bij afkeuring eco-regeling», waarin staat dat er steeds meer zorgelijke signalen zijn dat eco-activiteiten voor het jaar 2025 worden afgekeurd terwijl de onderbouwing van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) minimaal is en dat een aantal boeren hierover recent een beschikking hebben gekregen van de RVO?1
Ja, dit bericht en de signalen zijn mij bekend.
Deelt u de mening dat het moment van beschikken te laat is, gezien het feit dat de Gecombineerde opgave 2026 van de RVO op 1 maart reeds gestart is en vele duizenden boeren reeds de aanvraag hebben ingediend en op land bezig zijn met zaaien, planten en bemesten? Wat wilt u doen om het proces te versnellen?
Ik begrijp dat het voor boeren vervelend is als beschikkingen laat komen, juist in een periode waarin zij al volop bezig zijn met zaaien, planten en bemesten. Die onzekerheid wil ik net als RVO zoveel mogelijk beperken. RVO kon vanaf 10 maart 2026 beginnen met het definitief beschikken van de aanvragen en heeft nu 94% van de aanvragen uit 2025 beschikt.
Voor 2026 zetten we extra in op verdere versnelling. Daarbij blijft het uitgangspunt dat boeren tot 18 mei voor deze Gecombineerde Opgave hun aanvraag kunnen indienen.
Klopt het dat RVO voor de beoordeling van eco-activiteiten gebruik maakt van een algoritme? Klopt het ook dat dit voor de eerste keer is?
Voor de beoordeling van een aantal eco-activiteiten is in 2025 voor het eerst gebruik gemaakt van het Areaalmonitoringssysteem (AMS). Dat systeem combineert gegevens uit satellietbeelden en remote sensing en maakt een geautomatiseerde beoordeling van percelen aan de hand van een algoritme.
Is dit algoritme rijp voor gebruik in de praktijk, gezien de vele klachten? Indien niet, wanneer wel?
De inzet van het Areaalmonitoringssysteem (AMS) en de onderliggende algoritmes is gericht op het ondersteunen van de uitvoering en is gebaseerd op uitgebreide ontwikkeling, testen en validatie met historische en actuele gegevens. Met de bredere toepassing van AMS op de controle van eco-activiteten zijn ook kwaliteitscontroles geïmplementeerd om na te gaan of de AMS-controle voldoende functioneert. Tegelijkertijd blijft het systeem in ontwikkeling en wordt het continu gemonitord en waar nodig verbeterd. Gezien eerder geconstateerde niet-nalevingen door steekproeven in het veld liggen de huidige aantallen afwijzingen in lijn der verwachting.
Tijdens het groeiseizoen worden eco-activiteiten soms ingetrokken: de boer kiest dan bijvoorbeeld voor het inzaaien van een ander gewas; worden die wijzigingen door de RVO meegenomen in de beoordeling van de aanvraag?
Boeren moeten voor de eco-regeling gedurende de periode 15 mei tot en met 15 oktober hun aanvraag actueel houden. Dit betekent dat boeren die niet aan de voorwaarden van een eco-activiteit voldoen en dus het resultaat niet halen, deze zelf moeten terugtrekken uit de aanvraag. Wijzigingen die boeren aanbrengen worden meegenomen in de definitieve aanvraag op 15 oktober en de beoordeling daarvan door RVO.
Als het algoritme een eco-activiteit afwijst, kan een boer met eigen fotomateriaal dan alsnog bezwaar maken en aantonen dat de eco-activiteit wel is uitgevoerd?
Als boeren het niet eens zijn met de beoordeling van hun aanvraag door RVO kunnen zij bezwaar maken.
Telt dode bodembedekking, bijvoorbeeld een doodgevroren gewas, mee voor de berekening van het percentage bodembedekking, gegeven het feit dat voor bepaalde eco-activiteiten minimaal 80 procent bodembedekking door een gewas gedurende een bepaalde periode is vereist? Zo nee, waarom niet?
Voor de eco-activiteit Groenbedekking telt een doodgevroren gewas mee voor de bodembedekking. Dit staat ook expliciet in de subsidievoorwaarden. Het doodvriezen van het gewas is als mogelijkheid opgenomen voor het vernietigen van het gewas voorafgaand aan de volgende teelt. Het levende of doodgevroren gewas moet het perceel wel voor 80% bedekken.
Hoeveel procent van de aanvragen van de eco-regeling wordt namens de boer gedaan door een adviseur of andere tussenpersoon?
In 2025 is iets meer dan de helft van de Gecombineerde opgaves verstuurd door een gemachtigde. Het is mij niet bekend bij hoeveel procent van de aanvragen van de Eco-regeling een adviseur of bedrijfsaccountant is betrokken.
Deelt u de mening dat de eco-regeling in principe en eenvoudig door de boer zelf gedaan moet kunnen worden? Wat wilt u doen om dit te bevorderen?
Die mening deel ik. De norm dient wat mij betreft te zijn dat boeren zelfstandig de opgave kunnen doen. Hier is volop ondersteuning toe. Zo is er veel informatie beschikbaar over de activiteiten en werking van de eco-regeling. Ook zijn er in de aanvraag verwijzingen naar informatie die benodigd is. Hiernaast wordt er hard gewerkt om informatievoorziening uit te breiden met (meer) voorbeelden van hoe activiteiten uitgevoerd dienen te worden, informatie over de werking van de resultaatverplichting in de eco-regeling en het klantvriendelijker maken van de RVO dienstverlening. Ook zijn automatische meldingen en validaties ingebouwd om boeren te helpen. Ik ben mij ervan bewust dat de huidige Eco-regeling complex is. Stabiel en voorspelbaar beleid, vereenvoudiging van regels en investeringen in betere ICT ondersteuning zijn daarom blijvende aandachtspunten.
De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?