Het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen over het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat?1
Deze zorgen zijn mij bekend.
Vanaf wanneer kunnen Renure-producten worden toegepast?
In het Nitraatcomité van 19 september jl. is positief geadviseerd over de door de Europese Commissie voorgestelde toelating van Renure-producten als kunstmestvervanger binnen de Europese Unie. Tot en met 8 januari konden de Raad en het Europees parlement nog bezwaar maken. Dit is niet gebeurd, zodat de Europese Commissie het voorstel zal vaststellen. Momenteel wordt er gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie. De internetconsultatie over dit voorstel is 8 december gesloten. Ik zal op korte termijn de concept regeling voor Renure ter notificatie aanbieden aan de Europese Commissie. De verwachting is dat de daadwerkelijke implementatie in de nationale regelgeving in het tweede kwartaal van 2026 zal plaatsvinden.
Deelt u de analyse dat ook de omschakeling naar Renure in bedrijfsprocessen tijd nodig heeft?
De analyse dat de omschakeling naar Renure in bedrijfsprocessen tijd nodig heeft deel ik. De in het antwoord op vraag 2 genoemde regeling voor Renure is in internetconsultatie geweest, waarmee de producenten kennis hebben kunnen nemen van de voorgenomen plannen en hiermee de eerste voorbereidingen kunnen gaan treffen.
Deelt u de analyse dat het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat, terwijl er nog geen Renure-producten kunnen worden toegepast, risico’s met zich meebrengt voor onder meer de bedrijfsprocessen van betrokken bedrijven?
Deze analyse deel ik. Om geen gat te laten vallen in de productie tussen het einde van de pilot en de daadwerkelijke toelating van Renure en de continuïteit binnen de keten te waarborgen heb ik voorzien in een overgangssituatie. Op 19 december jl. heb ik uw kamer hierover geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 636).
Bent u bereid de pilot mineralenconcentraat te verlengen tot Renure in de praktijk toepasbaar is?
Ja, zoals ik in mijn brief van 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 636) heb aangegeven heb ik voorzien in een overgangssituatie tussen de pilot mineralenconcentraat en de inwerkingtreding van de algemene Nederlandse regelgeving voor producenten en afnemers van Renure-meststoffen die in 2025 deelnamen aan de pilot. Hetzelfde geldt voor de pilot Kunstmestvrije Achterhoek uit het 7e actieprogramma.
Deze overgangssituatie geldt vanaf het einde van de bezwaarperiode van de Raad en het Europees parlement (8 januari) tot 6 weken na inwerkingtreding van de Renure-regeling, of – als dat eerder is – tot het moment dat de producent is geregistreerd of gecertificeerd. Daarbij gelden de voorwaarden en voorschriften van de eerdere pilots, de voorwaarden uit de aangepaste Nitraatrichtlijn én van de notificatieversie van de beoogde Renure-implementatieregeling.
Dit betekent dat al voor inwerkingtreding van de Renure-regeling mineralenconcentraat in lijn met het voorstel voor Renure, tot maximaal 80 kilogram stikstof per hectare mag worden gebruikt bovenop de norm voor stikstof uit dierlijke mest. Het mineralenconcentraat dat voor inwerkingtreding van de Renure-regeling wordt gebruikt telt daarbij mee voor de 80 kilogram Renure die per kalenderjaar en per hectare bovenop de gebruiksnorm dierlijke mest mag worden gebruikt, als de nationale regeling die uitvoering geeft aan de Europese Renuretoelating (de Renure-implementatieregeling) in werking is getreden. De producenten van mineralenconcentraat blijven tijdens de overgangsperiode mestcode 120 gebruiken voor het melden van het transport in rVDM.
De voornoemde deelnemers aan de pilots zijn nader geïnformeerd over de exacte voorwaarden.
Ernstig dierenleed bij transporten van honderdduizenden zieke en kwetsbare biggetjes naar Zuid-Europa |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Nieuwsuur gezien en de beelden die zijn gemaakt door Stichting Eyes on Animals, waarin transporten van zieke en kwetsbare biggetjes van Nederland naar Zuid-Europa zijn gevolgd – een lot dat jaarlijks honderdduizenden biggetjes moeten ondergaan alleen maar omdat het goedkoper is om de dieren daar te slachten?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze beelden?
De NVWA onderzoekt de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Wat vindt u ervan dat kwetsbare biggetjes met afwijkingen, zoals breuken, groeiproblemen, aangebeten oren of abcessen, vanwege economische belangen op jonge leeftijd op transport worden gezet naar slachthuizen in Kroatië, Italië en Spanje?
Het betreft hier biggen die door een bepaalde afwijking niet grootgebracht kunnen worden tot vleesvarken. Zolang deze biggen geschikt zijn voor het geplande transport, mogen ze naar een slachthuis vervoerd worden. Die transporten volgen vraag en aanbod. In Nederland is er weinig tot geen vraag naar dit soort biggen, die worden hier nauwelijks tot niet gegeten. Daarom gaan deze biggen naar slachthuizen in het buitenland, waar er wel vraag is naar deze dieren.
Bent u ermee bekend dat deze transporten 18 tot 24 uur duren, de zieke en kwetsbare biggetjes gedurende de hele reis in overvolle vrachtwagens verblijven en geen toegang hebben tot voedsel en geen of zeer beperkte toegang tot water?
Ik ben ermee bekend dat in de praktijk gespeende biggen, mits zwaarder dan 10 kg, 18 tot 24 uur vervoerd worden. Dergelijke lange transporten van varkens, waaronder ook biggen, zijn op basis van de EU-Transportverordening toegestaan. Alle biggen moeten geschikt zijn voor het voorgenomen transport. Na een transporttijd van 24 uur moeten ze worden uitgeladen op een controlepost waar ze eten, drinken en minimaal 24 uur rust krijgen. Daarna mogen ze opnieuw 24 uur getransporteerd worden. Deze cyclus mag volgens EU-verordening 2020/688 (diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de EU van landdieren) maximaal 20 dagen duren. Het is wettelijk verplicht dat biggen tijdens transport voortdurend toegang hebben tot water via een geschikt drinkwatersysteem. Tijdens het vervoer moeten alle biggen ten minste gelijktijdig kunnen gaan liggen en in hun natuurlijke houding kunnen staan. Varkenshouders, exploitanten van verzamelcentra en vervoerders zijn wettelijk verplicht deze regels na te leven. De NVWA houdt hier toezicht op.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de onderzoekers van Eyes on Animals hebben waargenomen dat biggetjes in de vrachtwagens wanhopig naar water zoeken, zoveel honger hebben dat ze het zaagsel eten en over elkaar heen lopen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben bekend met de inhoud van de publicaties van Eyes on Animals. Biggen horen tijdens het transport voortdurend de toegang te hebben tot water via drinkwatersystemen die voor hen toegankelijk zijn. Op de beelden is te zien dat de biggen niet goed uit het beschikbare drinksysteem lijken te kunnen drinken ondanks dat het systeem toegankelijk is voor de dieren. Het wroeten in en het eten van zaagsel is niet per definitie een indicator dat de biggen honger hebben. Dit past ook bij normaal, onderzoekend gedrag van varkens. Op sommige beelden is verder te zien dat biggen dicht op elkaar liggen. Voor een deel is dit natuurlijk gedrag van varkens. Aan de hand van de beelden kan onvoldoende vastgesteld worden of alle dieren gelijktijdig konden gaan liggen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af om te bepalen of nog extra maatregelen nodig zijn.
Bent u ermee bekend dat de voorzitter van de Productenorganisatie Varkenshouderij (POV) in reactie op de beelden liet weten «niets schokkends» te hebben gezien?
Ik heb de reactie van de voorzitter van de POV gezien.
Heeft u kennisgenomen dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) juist stelt dat op de beelden overtredingen te zien zijn, zoals dat varkens met grote abcessen in overvolle transportwagens worden getransporteerd, met het risico dat andere varkens op deze abcessen trappen of liggen, wat voor het dier zelf zeer pijnlijk is?
Ik heb kennisgenomen dat de NVWA stelt dat op de beelden biggen te zien zijn met ernstige navelbreuken die niet vervoerd hadden mogen worden. Het onderzoek naar de beelden loopt nog. De NVWA bekijkt hoe ze passend maatregelen kan nemen.
Hoe verklaart u dat de varkenssector zelf zegt niets schokkends op de beelden te zien en daarmee aangeeft dat de praktijken op deze beelden normaal zijn, terwijl de NVWA juist aangeeft dat er sprake is van overtredingen van de transportwetgeving?
Het is niet aan mij om de reactie van de sector te interpreteren.
Bent u bereid om de varkenssector te corrigeren en erop te wijzen dat er wel degelijk schokkende en onacceptabele praktijken te zien zijn op de beelden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van de sector dat zij zich aan de geldende wet- en regelgeving houdt. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Heeft u gezien dat de NVWA, vanwege gebrek aan capaciteit, de varkenssector zelf heeft gevraagd om een goede voorselectie te doen van de biggen die op transport worden gezet?
De sector is verantwoordelijk voor een zorgvuldige voorselectie van dieren voorafgaand aan deze transporten. Daarover heeft de NVWA met ondersteuning van mijn departement heldere afspraken gemaakt met verschillende brancheorganisaties, die zijn vastgelegd in het sectorprotocol transportwaardigheid. Ik verwacht dat de sector zich aan deze afspraken houdt. Waar dat niet gebeurt, grijpt de NVWA in. Bijvoorbeeld door een nieuwe voorselectie te eisen of door geen gezondheidscertificaat af te geven voor dieren die niet goed zijn voorgeselecteerd. Deze afspraken zijn niet gemaakt vanwege gebrek aan capaciteit bij de NVWA.
Vindt u dit een verstandig besluit, aangezien de sector zelf aangeeft van mening te zijn dat dit dierenleed niet schokkend is, en dit weinig vertrouwen schept dat zij zelf streng zullen toezien op dierenwelzijn?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Kunt u aangeven welke sancties of maatregelen de NVWA heeft opgelegd aan de transportbedrijven en varkenshouderijen naar aanleiding van de overtredingen die in beeld zijn gebracht door Eyes on Animals?
Het onderzoek van de NVWA loopt op dit moment nog dus kan ik niet vooruitlopen op mogelijke uitkomsten.
Hoe verklaart u dat ondanks het toezicht en de regelmatige berichtgeving over het structurele dierenleed bij diertransporten, ernstige overtredingen blijven plaatsvinden?
Zoals hierboven aangegeven, staat de huidige wet- en regelgeving lange transporten van levende dieren toe. Dit soort transporten zijn uitdagend voor de dieren die ze ondergaan. Bij het werken met levende dieren, kunnen zaken anders lopen dan van tevoren ingeschat. Ondernemers, zoals vervoerders, maar ook medewerkers bij verzamelcentra hebben daarbij de verantwoordelijkheid om – conform de regelgeving – met respect met dieren om te gaan en ervoor te zorgen dat pijn en onnodig lijden wordt voorkomen. De sector is dus aan zet om ervoor te zorgen dat dierenleed bij vervoer niet voorkomt. Tegelijkertijd houdt de NVWA risicogericht toezicht en grijpt in op het moment dat overtredingen worden vastgesteld.
Bent u bereid om de omvang van de varkenssector aan te passen op de toezichtcapaciteit van de NVWA, zodat de NVWA wel ordentelijk toezicht kan houden op het welzijn van dieren en daarmee kan voorkomen dat dit ernstige lijden blijft plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. De reden hiervoor staat in mijn antwoord op vraag 13.
Wat vindt u ervan dat Nederland actief een systeem in stand houdt waarin jonge dieren die ziek en kwetsbaar zijn honderden of zelfs duizenden kilometers worden vervoerd om te worden geslacht in andere landen omdat dit daar iets goedkoper is, met grote gevolgen voor het welzijn van de dieren zelf?
Lang transport van dieren – waaronder ook van deze biggen – is toegestaan volgens de Europese Transportverordening. Het betreft hier EU-regels waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. Wat Nederland doet, is zich bij de onderhandelingen over de herziening van de transportverordening inzetten conform het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112 nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat de Kamer de regering al jarenlang oproept om diertransporten drastisch in te perken, waaronder een verbod op transporten die langer dan zes uur duren, een forse daling van het aantal diertransporten, geen diertransporten naar landen buiten Europa, een verlaging van de maximumtemperatuur en een einde aan transporten op zee (Kamerstuk 36 755, nr. 31, Kamerstuk 28 286, nr. 1348, Kamerstuk 21 501-32, nr. 1605 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1507)?
Ja.
Klopt het dat het hoogst onzeker is dat de herziening van de Europese Transportverordening gaat voldoen aan de kaders die zijn gesteld door de Kamer, zoals verwoord in deze verschillende aangenomen moties, en dieren op transport naar verwachting ernstig zullen blijven lijden?
De onderhandelingen aangaande de herziening van de transportverordening zijn in volle gang. Het krachtenveld is echter zeer uitdagend, met een meerderheid van de lidstaten die vraagt om een versoepeling van de voorgestelde en soms zelfs de huidige regels. Ik zal dus zeer strategisch te werk moeten gaan, waarbij het inderdaad hoogst onzeker is dat de Nederlandse inzet integraal wordt overgenomen.
Bent u bereid om deze beelden persoonlijk aan de Europese Commissie en de landbouwministers van andere lidstaten te laten zien met daarbij de klemmende oproep om dergelijke transporten te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 17.
Deelt u de mening dat het de taak is van de Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn om maatregelen te treffen als blijkt dat dieren in de veehouderij structureel lijden en de huidige wetgeving en handhaving onvoldoende is om hier een einde aan te maken? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn van gehouden dieren ligt bij de houder van het dier. De wetgeving hierin is al duidelijk; dieren die je houdt, moet je met respect behandelen. Als dit niet gebeurt, is het in de eerste plaats aan de houders van dieren en de sector in zijn geheel om maatregelen te treffen om zich aan de wet te houden. Ik verwacht dit ook van de sector en spreek ze hierop aan waar nodig.
Wat gaat u zelf op de korte termijn doen om een einde te maken aan het lijden van deze biggetjes, aangezien we weten dat wachten op wetgeving vanuit de Europese Unie naar alle waarschijnlijkheid niet gaat leiden tot een fatsoenlijke bescherming van dieren en een einde aan dit structurele leed?
Zoals aangegeven op mijn antwoord op vraag 15 is lang transport van dieren toegestaan volgens de EU-Transportverordening. Het betreft hier Europese regels, waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. De Nederlandse inzet bij de herziening van de transportverordening is helder: alleen kort transport (<9 uur) voor kwetsbare dieren en slachtdieren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord.
De mogelijkheid niet langer heel Nederland aan te wijzen als kwetsbare zone in het kader van de Nitraatrichtlijn |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland ervoor heeft gekozen om geen specifieke kwetsbare zones aan te wijzen, maar het gehele grondgebied als kwetsbaar te beschouwen in het kader van de Nitraatrichtlijn?1
In lijn met de Nitraatrichtlijn heeft Nederland de keuze gemaakt om het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn (verder 7e actieprogramma) en voorgaande actieprogramma’s van toepassing te laten zijn op het gehele Nederlandse grondgebied. Daarom heeft Nederland geen kwetsbare zones aangewezen.
Kunt u bevestigen dat de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, zoals vastgelegd in het Actieprogramma Nitraatrichtlijn, enkel van toepassing zijn op kwetsbare zones?2
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. De verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn zijn in Nederland van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Artikel 3, vijfde lid, Nitraatrichtlijn geeft aan dat een lidstaat is ontheven van de verplichting kwetsbare zones aan te wijzen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Nitraatrichtlijn, als het zijn actieprogramma’s op zijn hele grondgebied van toepassing laat zijn.
Kunt u bevestigen dat ook de maximale hoeveelheid uit te rijden mest van 170 kilogram per hectare per jaar, zoals per 1 januari 2026 geldig vanwege de afschaffing van de derogatie, enkel van toepassing is op kwetsbare zones?
De norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar is opgenomen in bijlage III, onder 2, van de Nitraatrichtlijn. De verplichtingen opgenomen in bijlage III zijn volgens artikel 5, vierde lid, een verplicht onderdeel van actieprogramma’s. Afhankelijk van de keuze die een lidstaat heeft gemaakt over het grondgebied waarop een actieprogramma ziet, geldt de norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest.
Kunt u bevestigen dat Nederland de lijst van kwetsbare zones kan herzien, zodat niet langer het gehele grondgebied, maar slechts een deel daarvan als kwetsbare zone geldt?3
De Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten die een lijst van kwetsbare zones hanteren om die ten minste iedere vier jaar te herzien. Lidstaten die hun actieprogramma’s toepassen op het gehele grondgebied zijn ontheven van deze verplichting. Aangezien in Nederland actieprogramma’s van toepassing zijn op het gehele Nederlandse grondgebied is er geen lijst van kwetsbare zones die herzien kan worden. De motie Flach en Grinwis4 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. In lijn met de motie en conform het Hoofdlijnenakkoord is aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd om hierover te adviseren.
Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet. In voornoemde brief is aangegeven dat de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma voor het einde van het kerstreces aan uw Kamer zal worden gestuurd. Hierbij zal ook het voornoemde CDM advies gevoegd worden.
Kunt u bevestigen dat Nederland dit herzieningsbesluit eenzijdig kan nemen, dit enkel aan de Europese Commissie (EC) hoeft te melden en hiervoor dus geen toestemming nodig heeft van de EC?
Het is de bevoegdheid van een lidstaat om kwetsbare zones aan te wijzen of het actieprogramma op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing te laten zijn. In het geval dat Nederland overgaat tot het aanwijzen van kwetsbare zones, zal Nederland dit afdoende moeten onderbouwen en zal de Europese Commissie daarvan in kennis moeten worden gesteld. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn. Dat betekent overigens niet dat de Europese Commissie in die situatie geen rol heeft ten aanzien van een aanwijzing van kwetsbare zones. Indien een lidstaat een aanwijzing van kwetsbare zones onvoldoende kan onderbouwen, heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om vanwege niet naleving van de Nitraatrichtlijn een infractieprocedure te starten bij het Europees Hof van Justitie. In de loop van de tijd heeft het Europese Hof van Justitie in verschillende uitspraken lidstaten in het ongelijk gesteld vanwege het niet adequaat aanwijzen van kwetsbare zones conform de Nitraatrichtlijn. Dit heeft in de betreffende lidstaten geleid tot uitbreiding van het areaal aangewezen kwetsbare zones, dan wel aanwijzing van het gehele grondgebied.5
Kunt u bevestigen dat Nederland dus de mogelijkheid heeft om de strengere mestnormen die per 1 januari 2026 zullen gelden, evenals andere verplichtingen voortvloeiende uit de Nitraatrichtlijn, van toepassing te laten zijn op een kleiner grondgebied dan momenteel het geval is? Deelt u de mening dat dit de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk zou kunnen verlichten?
Het 7e actieprogramma is van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Bij het vaststellen van een volgend actieprogramma kan Nederland de reikwijdte van het actieprogramma opnieuw wegen.
Klopt het dat u over een eventuele wijziging van de Nederlandse lijst met kwetsbare zones advies heeft gevraagd aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)?
Aan de CDM is advies gevraagd over de mogelijkheid om de actieprogramma’s onder Nitraatrichtlijn niet langer van toepassing te laten op het gehele Nederlandse grondgebied, maar enkel op kwetsbare zones. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4.
Kunt u dit advies per ommegaande aan de Kamer doen toekomen, indien dit antwoord bevestigend luidt?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid de Nederlandse lijst met kwetsbare zones zo spoedig mogelijk te herzien, om zo de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk te verlichten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit bewerkstelligen?
In de beantwoording van vraag 2 heb ik aangeven dat in Nederland op basis van de Nitraatrichtlijn de keuze is gemaakt om het actieprogramma van toepassing te laten zijn op het hele Nederlandse grondgebied. Er is derhalve geen lijst met kwetsbare zones.
Kunt u deze vragen, gezien het feit dat de nieuwe mestnormen per 1 januari 2026 ingaan, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één week beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
Nederlandse rol in Europese onderhandelingen over Nieuwe Genomische Technieken (NGT) en uitvoering van motie Kostic en motie Akerboom |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente artikel van IFOAM Organics Europe van 4 december 2025, waarin wordt gesteld dat het voorlopige politiek akkoord over de Europese regelgeving voor Nieuwe Genomische Technieken (NGT’s) «een groot risico vormt voor Europese voedselsoevereiniteit» en dat het akkoord belangrijke waarborgen voor patenten, traceerbaarheid en etikettering heeft uitgehold, waardoor boeren, veredelaars, consumenten en milieu onvoldoende worden beschermd?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel van IFOAM.
Bent u bekend met de Argos uitzending waaruit op basis van interne documenten is gebleken dat de Nederlandse regering zich niet heeft ingezet voor keuzevrijheid, transparantie, bescherming van kleine zaadveredelaars en het inperken van de macht van gentech-bedrijven en monopolisering?2
Ja, ik ben bekend met de uitzending van Argos over het NGT-voorstel.
Bent u bekend met het artikel uit De Groene van 9 september jongstleden waaruit blijkt dat de nieuwe Europese regelgeving «grote zaadconcerns nog meer macht zal geven en kleine veredelaars in de problemen zal brengen» en dat Nederlandse ministeries «een sleutelrol bij de lobby voor de versoepeling van gentech-regels» speelden?3
Ja, ik ben bekend met dit artikel uit de Groene.
Hoe heeft u de laatste voorstellen voor de nieuwe regelgeving onafhankelijk wetenschappelijk laten toetsen aan de eis van de Kamer uit 2023 middels de motie-Akerboom (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1590) om a) keuzevrijheid van eindconsumenten te garanderen, b) de biologische sector gentechvrij te houden en c) de macht van gentech-bedrijven en monopolisering tegen te gaan? Kunt u wetenschappelijke bronnen en bijbehorende conclusies meesturen?
Het huidige voorstel voldoet aan de toezeggingen die gedaan zijn aan de kamer. De motie Akerboom waar u naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Kamerfractie van de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat4. Wat het kabinet betreft moet keuzevrijheid worden geborgd door middel van transparante en objectieve informatievoorziening richting de consument. Echter, hoeft dit niet persé door een fysiek etiket op het levensmiddel. Ook voor (producten van) planten uit conventionele veredeling is er geen etiketteringsplicht, daarom zou verplichte etikettering van (producten van) categorie 1 NGT-planten die vergelijkbaar zijn aan (producten van) planten uit conventionele veredeling niet proportioneel zijn. Daarnaast zou het problematisch zijn voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het kabinet heeft zich tijdens het raadstraject volgens het BNC-fiche5 ingezet voor een duidelijke en bruikbare openbare EU-database die voldoende transparant is voor consumenten en gebruikers. Daarnaast heeft het kabinet in het BNC-fiche aangegeven de wens van de biologische sector te respecteren om vrij van NGT producten te blijven, het kabinet heeft recent een eerste verkenning laten uitvoeren naar mogelijke vermengingsroutes van NGT gewassen en biologische gewassen waaruit blijkt dat de scheiding tussen gangbaar en biologisch in veruit de meeste gevallen afdoende is om vermenging te voorkomen6. Ook heeft het kabinet in het BNC-fiche aangegeven dat het NGT voorstel een goede manier is om deze technieken toegankelijk te maken voor een brede groep veredelaars, juist ook voor het MKB.
Kunt u heel precies beschrijven op welke manier Nederland zich tijdens het hele proces voor de volgende onderdelen heeft ingezet in Europa, a) keuzevrijheid voor consumenten garanderen (inclusief consumentenlabeling), b) biologische sector gentechvrij houden, c) macht van gentech-bedrijven en monopolisering tegengaan en wat het resultaat daarvan is, en kunt u daar schriftelijke bewijsstukken van meesturen?
Ik heb mij tijdens het Raadsproces niet ingezet voor fysieke etikettering voor eindconsumenten, in het BNC-fiche is aangegeven dat het kabinet het voorstel van de Commissie voor een online openbare database voor categorie 1 NGT-planten steunt. Het kabinet heeft zich tijdens het raadstraject ingezet voor een duidelijke en bruikbare openbare EU-database die voldoende transparant is voor consumenten en gebruikers. Daarnaast is in het BNC-fiche aangegeven dat het kabinet de biologische sector vrij van NGTs wil houden. Het kabinet heeft respect voor de wens van de biologische sector om geen gebruik te maken van NGTs. Voor het kabinet is het van belang dat het landbouw- en voedselsysteem werkbaar moet blijven voor zowel de biologische sector als voor sectoren die wel gebruik willen maken van NGT-planten. Een professionele en particuliere gebruiker zou vrij moeten zijn om wel of niet te kiezen voor NGT-planten. Het kabinet is daarom tevreden met de genoemde maatregelen, zoals het etiketteren van uitgangsmateriaal, om voor in de keten de keuzevrijheid van de gebruiker, waaronder ook de biologische gebruiker, te garanderen. Met betrekking tot octrooien heb ik mij in de Raad ingezet conform de Kamerbrief over de uitvoering van de motie van de leden Hertzberger en Meulenkamp en de motie van het lid De Groot7 en mijn kamerbrief met de beantwoording van de vragen van de Eerste Kamerfractie van de PvdD over het Raadsmandaat8. Ik heb mij in de Raad ingezet om meer transparantie te bieden in het octrooilandschap van de plantenveredeling en om te voorkomen dat octrooirechten een blokkade vormen voor toegang tot genetische eigenschappen voor veredelaars. De technische onderhandelingen in de Raad en in de trilogen zijn vertrouwelijk, hier kan ik geen stukken over delen. Het resultaat is de compromistekst die nu voorligt. Dit compromis strookt met de inzet van het Nederlandse kabinet.
Kunt u een lijst geven van bedrijven (of hun belangenbehartigers) die u tijdens het hele traject van onderhandelingen over NGT’s heeft gesproken en een volledige opsomming geven van de input die u daaruit heeft overgenomen?
Op 14 oktober 2022 is een open stakeholder consultatie gehouden voor iedereen die geïnteresseerd was in de inzet van het kabinet op het door de Commissie aangekondigde NGT-voorstel. Hier waren vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, onderzoeksinstellingen, vertegenwoordigers van de biologische sector en milieuorganisaties bij aanwezig. Op 7 juli 2023 heb ik een stakeholderbijeenkomst georganiseerd ten behoeve van het BNC fiche, hierbij was de biologische sector vertegenwoordigd. Daarnaast sta ik altijd open om met iedereen in gesprek te gaan over het NGT dossier. Op deze wijze is gesproken met vertegenwoordigers van de biologische sector, en met vertegenwoordigers van de veredelingssector en biotechnologiesector. Het kabinet heeft van geen enkele partij input overgenomen, wel heeft het kabinet alle belangen meegewogen bij de appreciatie van het NGT-voorstel in het BNC-fiche.
Kunt u een lijst geven van maatschappelijke organisaties, biologische sector en consumentenorganisaties die u tijdens het hele traject van onderhandelingen over NGT’s heeft gesproken? Waarom heeft u fundamentele punten van hun zienswijzen niet overgenomen in het BCN fiche, maar wel vooral die van de biotechindustrie?
Het kabinet heeft gesproken met IUCN-NL, Natuur en Milieu, Natuur- en Milieufederatie Noord-Holland, Bionext, de Biowinkel vereniging, Biohuis en Demeter, Corporate Observatory Europe, NAJK, en MVO. Het kabinet heeft van geen enkele partij zienswijzen overgenomen, wel heeft het kabinet alle belangen meegewogen bij de appreciatie van het NGT-voorstel in het BNC-fiche.
Gezien de zorgen van burgers over de nieuwe wet, bent u bereid eerst te waarborgen dat het onmogelijk wordt dat bedrijven straks patenten kunnen vastleggen op planten die bewerkt zijn met nieuwe gentechnieken en op bepaalde essentiële eigenschappen van planten? Zo nee, waarom negeert u de wensen van burgers?4
Zoals beschreven in de brief over de uitvoering van de motie van de leden Hertzberger en Meulenkamp en de motie van het lid De Groot en mijn kamerbrief met de beantwoording van de vragen van de Eerste Kamerfractie van de PvdD over het Raadsmandaat, zijn de voorwaarden waar een octrooi op kan worden verkregen (en waarop niet) vastgelegd in het Europees Octrooi Verdrag (EOV). Het is niet mogelijk om de octrooieerbaarheid van planten of planteigenschappen via een EU-verordening te wijzigen, daarvoor is aanpassing van het EOV noodzakelijk. Het EOV is een internationaal verdrag dat alleen met instemming van alle 39 deelnemende landen kan worden gewijzigd. Dat wil niet zeggen dat het kabinet de zorgen van burgers over octrooien in de plantenveredeling niet serieus neemt. Ik heb mij in de Raad ingezet voor maatregelen die transparantie in het octrooilandschap binnen de veredeling vergroten voor veredelaars. Voor zover de regering met deze vraag wordt verzocht om octrooirechten op plantaardig materiaal te beperken, merk ik nogmaals op dat Europees Octrooibureau (EOB) sinds 1 juli 2017 al geen octrooien meer verleend voor planten of dieren die uitsluitend via een wezenlijk biologische werkwijze zijn verkregen. Bovendien geldt dat als een technisch kenmerk ook via traditionele veredeling kan worden verkregen, het octrooi enkel geldt voor de plant die via het beschermde technische proces is verkregen. Het EOB vereist hiervoor een disclaimer om de bescherming te beperken tot het technisch geproduceerde product en ziet hier streng op toe10.
Bent u bekend met het onderzoek uit Environmental Sciences Europe waarin wordt geconcludeerd dat het Europese voorstel ertoe leidt dat veel gewassen die genetisch bewerkt zijn niet langer hoeven te worden onderzocht op risico’s voordat ze geteeld en mogen worden verkocht, wat ingaat tegen het voorzorgsprincipe en gevaren met zich meebrengt?5
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Met het NGT-voorstel heeft de Europese Commissie twee categorieën van NGT-planten voorgesteld: categorie 1- NGT (NGT-1) en categorie 2- NGT (NGT-2). NGT-1 planten kunnen ook met conventionele veredeling of in de natuur tot stand komen, daarom is het risicoprofiel vergelijkbaar met dat van conventioneel veredelde planten. Het kabinet steunt de inzet dat NGT-1 planten daarom op dezelfde manier behandeld worden als conventioneel veredelde planten. Om de NGT-1 status te verkrijgen worden een NGT-plant door de bevoegde autoriteit beoordeeld op de equivalentie met conventioneel veredelde planten, daarmee wordt voldaan aan het voorzorgprincipe.
Waarom is er niet geluisterd naar zulke onafhankelijke onderzoeken en waarom is toegelaten dat de grens tussen NGT1 en NGT2 gewassen willekeurig en zonder een wetenschappelijke basis is gekozen? Bent u bereid om alsnog eerst zulke onderzoeken mee te nemen voordat u definitief besluit? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven in de beantwoording van de Eerste Kamervragen van de PvdD fractie en SP fractie over het Raadsmandaat12 zijn de equivalentiecriteria gebaseerd op wetenschappelijke literatuuranalyses van de Europese Commissie ondersteund door de wetenschappelijke opinie van de EFSA en wetenschappelijk werk van het Joint Research Centre. Daarnaast heeft de Nederlandse Commissie Genetische Modificatie (COGEM) in haar adviezen13 aangegeven dat planten verkregen met behulp van NGT-1 (cisgenese en mutagenese) qua veiligheid vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde gewassen.
Bent u bereid om alsnog eerst te waarborgen dat op het voedseletiket wordt vermeld of in een product ingrediënten zitten die met nieuwe gentechnologie bewerkt zijn? Zo nee, waarom negeert u de wens van de Kamer en burgers om transparantie naar consumenten toe te waarborgen?
In het BNC-fiche staat het standpunt van het kabinet beschreven. De inzet van het kabinet is gericht op het kunnen maken van onderscheid tussen planten die wel, en planten die niet vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde planten. Het uitgangspunt is dat categorie 1 NGT planten vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde planten, met dezelfde risico’s voor mens en milieu. Daarom acht kabinet het proportioneel om deze planten ook zoveel mogelijk op dezelfde manier te behandelen. Categorie 2 NGT producten blijven wel onder de etiketteringsregels voor GGO’s vallen. Dit standpunt gaat niet in tegen een wens van de Kamer. De motie Akerboom waar u in vraag 4 naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat. Dat is na te lezen in de handelingen van de Kamer.
Welke waarborgen zijn er dat biologische boeren en andere producenten die gentechvrij willen werken niet zelf verantwoordelijk worden gemaakt om vermenging te vermijden, maar bedrijven die gentech gebruiken?
Voor mijn antwoord verwijs ik u naar mijn beantwoording van de vragen van de fracties van de BBB, de Christen Unie, de PvdD en Groenlinks-PvdA over het BNC-fiche14. Hierin zijn de mogelijkheden om biologische ketens vrij te houden van NGT producten geschetst zoals deze in het NGT-voorstel zijn opgenomen. Er zal zorgvuldig worden gekeken of en zo ja welke aanvullende nationale maatregelen noodzakelijk en effectief zijn om producenten te ondersteunen om vermenging van NGT producten en NGT-vrije producten te vermijden. Vanwege de noodzaak om EU-verordeningen tijdig te implementeren en gelet op de terughoudendheid ten aanzien van nationale koppen heeft tijdige implementatie van de NGT-verordening prioriteit.
Aangezien studies concluderen dat de nieuwe regelgeving tot extra last en kosten voor de biologische sector kan leiden en dit niet rechtvaardig is, hoe gaat u dat precies uitsluiten?
Ik herken deze zorg van de biologische sector, maar het is mij niet duidelijk naar welke studies wordt verwezen. Het kabinet heeft een eerste verkenning laten uitvoeren naar mogelijke vermengingsroutes van NGT gewassen en biologische gewassen waaruit blijkt dat de scheiding tussen gangbaar en biologisch in veruit de meeste gevallen afdoende is om vermenging te voorkomen. Er zal zorgvuldig worden gekeken of en zo ja welke aanvullende nationale maatregelen noodzakelijk en effectief zijn om producenten te ondersteunen om vermenging van NGT producten en NGT-vrije producten te vermijden. Vanwege de noodzaak om EU-verordeningen tijdig te implementeren en gelet op de terughoudendheid ten aanzien van nationale koppen heeft tijdige implementatie van de NGT-verordening prioriteit.
Aangezien het Europese voorstel duidelijk ten nadele is van de pionier-veredelaars van de duurzame landbouw en keuzevrijheid voor de eindconsument en het tegengaan van de macht van gentech-bedrijven en monopolisering niet is gegarandeerd, bent u bereid om in lijn met de motie-Akerboom nog geen steun te verlenen aan definitieve vaststelling van NGT-wetgeving, totdat er duidelijke en bindende garanties zijn voor etikettering voor de eindconsument, traceerbaarheid en juridisch solide bescherming tegen ongewenste patentering? Zo nee, waarom niet?
Het huidige voorstel voldoet aan de toezeggingen die gedaan zijn aan de kamer. De motie Akerboom waar u naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat. Dat is na te lezen in de handelingen van de Kamer.
Weet u nog dat de Kamer in maart 2024 de motie-Kostić (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 89) heeft aangenomen waarin de regering wordt verzocht niet in te stemmen met het Europese Commissievoorstel voor NGT's voordat een volledig en onafhankelijk onderzoek naar de impact ervan – onder meer op kleine veredelaars, boeren en consumenten – is afgerond en meegewogen in beleid?
Ja ik ken deze motie en het kabinet heeft de uitvoering van deze motie schriftelijk met de kamer gedeeld15.
Aangezien het onderzoek dat in de motie-Kostić wordt gevraagd niet is uitgevoerd en meegewogen, bent u bereid om bij de aanstaande COREPER-vergadering in lijn met de motie-Kostić nog geen steun te verlenen aan definitieve vaststelling van NGT-wetgeving of zich te onthouden van stemmen, totdat het onderzoek is afgerond en meegewogen? Zo nee, waarom voert u deze belangrijke randvoorwaarde van de Kamer niet uit?
De uitvoering van de motie Kostić is schriftelijk met de kamer gedeeld. Voorafgaand aan de presentatie van het NGT-voorstel is door de Europese Commissie een uitgebreide impactanalyse16 uitgevoerd, waarbij ook de impact op boeren en veredelaars is onderzocht. De conclusie uit de impactanalyse is dat het Commissievoorstel een positief effect zal hebben op boeren en veredelaars.
Bent u op zijn minst bereid om iets meer tijd te nemen in de definitieve besluitvorming, zodat betrokkenen eerst het uiteindelijke compromis tussen Raad en het Europees Parlement goed kunnen bestuderen en zodat er tijd is om zienswijzen van Nederlandse stakeholders (zoals biologische boeren, veredelaars en consumenten) op het compromis goed mee te nemen in het definitieve oordeel van het kabinet? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om eerst met de biologische sector, kleine veredelaars en consumentenvertegenwoordigers in gesprek te gaan over de laatste versie van het Europese voorstel? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de compromistekst bestudeerd en gewogen aan de hand van het BNC-fiche, mijn gecommuniceerde inzet in Kamerbrieven, en de beantwoording van moties over het NGT-voorstel. Naar mijn oordeel ligt er een goed compromis voor dat strookt met de inzet van het kabinet. Ik zie het gebruik van NGTs in de plantenveredeling als een belangrijk gereedschap dat ik de plantaardige sector wil bieden om uitdagingen omtrent ziekten en plagen het hoofd te kunnen bieden. Daarom zie ik geen reden om meer tijd te nemen in de definitieve besluitvorming en aanvullend in gesprek te gaan met stakeholders.
Kunt u de vragen één voor één met spoed beantwoorden, in ieder geval vóór de aanstaande COREPER-vergadering?
Ik heb uw vragen één voor één en met spoed beantwoord. Ik heb mijn uiterste best gedaan om de beantwoording van deze vragen voor de COREPER-vergadering van 19 december 2025 naar de Tweede Kamer te sturen.
Het bericht 'Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten» en van de recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:130) (ECLI:NL:RBNNE:2026:129)?1
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak grote gevolgen heeft voor de verhouding tussen omwonenden, agrariërs en de overheid?
Bent u voornemens om uitvoering te geven aan deze rechterlijke uitspraak? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u voornemens om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u het recht wat omwonenden op basis van deze uitspraak hebben om inzicht te krijgen in spuitgegevens praktisch en zorgvuldig vormgeven?
Hoe voorkomt u dat individuele boeren worden geconfronteerd met een opeenstapeling van verzoeken en discussies met afzonderlijke omwonenden over hun dagelijkse bedrijfsvoering?
Op welke wijze kan volgens u transparantie worden ingevuld, zonder dat dit leidt tot onwerkbare situaties voor agrariërs of tot een verdere verharding van de relatie tussen boer en omgeving?
Wat is volgens u de verwachte impact van deze uitspraak op de agrarische sector, in het bijzonder voor telers die werken met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen?
Deelt u de zorg dat het vrijgeven van spuitgegevens aan leken kan leiden tot onbegrip, onrust of onterechte conclusies over de veiligheid van middelen die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) zijn toegelaten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de informatie die op verzoek van omwonenden wordt verstrekt begrijpelijk, duidbaar en is voorzien van context, zodat deze niet leidt tot misinterpretatie of onrust?
Bent u bereid om samen met de sector, toezichthouders en gezondheidsinstanties te verkennen hoe deze informatie op een gestandaardiseerde en toegankelijke manier kan worden ontsloten?
Hoe borgt u dat de bescherming van de gezondheid van omwonenden hand in hand gaat met rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en vertrouwen voor boeren?
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Eieren |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Mag een boer aangeven op zijn doosje eieren dat zijn kippen niet met een mRNA-vaccin zijn gevaccineerd?
De uitvoer van Nederlandse honden naar Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hondenleverancier Four Winds K9 zichzelf heeft opgeheven nadat het bedrijf meerdere malen per brief is verzocht om inzage in de documenten over hun uitvoer naar Israël?1
Kunt u op basis van douanegegevens een overzicht geven van het aantal honden dat sinds 2020 vanuit Nederland naar Israël is uitgevoerd, uitgesplitst per jaar en per maand?
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor veterinaire certificering ten behoeve van de uitvoer van honden naar Israël in de afgelopen jaren zijn ingediend en hoeveel daarvan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn goedgekeurd, en op basis van welke veterinaire en administratieve toetsingscriteria deze certificering wordt verleend?
Kunt u de in vraag 2 en 3 genoemde aantallen uitsplitsen naar uitvoer door particuliere personen enerzijds en uitvoer door bedrijven of andere rechtspersonen anderzijds?
Beschikken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Douane over cijfers met betrekking tot veterinaire keuringen en afgegeven certificaten voor de uitvoer van honden naar Israël in 2025, en zo ja, kan de Kamer inzicht krijgen in deze gegevens, bij voorkeur uitgesplitst per maand?
Is bij de goedkeuring van uitvoer naar Israël beoordeeld of de honden kunnen worden ingezet voor militaire of repressieve doeleinden, en zo ja, hoe is deze risico-inschatting vastgelegd?
Acht u het wenselijk dat een bedrijf door zichzelf op te heffen feitelijk kan voorkomen dat er volledige duidelijkheid komt over mogelijke misstanden bij de uitvoer van honden?
Kunt u toelichten welke vormen van samenwerking de Nederlandse overheid, inclusief ministeries, uitvoeringsorganisaties of ambassades, heeft gehad met Four Winds K9 of aanverwante K9-bedrijven?
Bent u bekend met een LinkedIn-bericht van de Nederlandse ambassade in Costa Rica van 22 september 2024 waarin sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij of promotie van Four Winds K9 activiteiten, en kunt u toelichten wat de aard van deze betrokkenheid was?2
Heeft Nederland in de afgelopen tien jaar honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd aan buitenlandse overheden of veiligheidsdiensten, waaronder Israël? Zo ja, aan welke landen, om hoeveel honden ging het, en onder welke voorwaarden?
Welke mensenrechten- en eindgebruikerschecks zijn uitgevoerd bij het schenken of uitvoeren van honden aan buitenlandse veiligheidsdiensten, en hoe wordt gecontroleerd of deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Acht u de huidige wet- en regelgeving toereikend om te voorkomen dat vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden worden ingezet voor vormen van geweldgebruik die naar Nederlandse maatstaven als buitensporig of onrechtmatig zouden gelden, en zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Bent u bereid de Kamer te informeren over welke aanvullende maatregelen worden onderzocht om meer inzicht te krijgen in de uitvoer, het eindgebruik en de handhaving rondom vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden, en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Bent u bekend met publieke uitingen van Four Winds DiagNose UAE, waarin wordt gesteld dat in samenwerking met de Federal Customs Authority in korte tijd een volledige canine unit van 50 handlers en honden is opgezet in de Verenigde Arabische Emiraten?3
Kunt u toelichten of en in hoeverre de Nederlandse overheid op de hoogte was van deze activiteiten van het VAE-zusterbedrijf van Four Winds, en of hierover informatie is gedeeld tussen Nederlandse toezichthouders en buitenlandse autoriteiten?
Acht u het relevant dat een bedrijf dat in Nederland honden exporteerde naar Israël, via een zusterbedrijf actief is in de VAE in nauwe samenwerking met overheidsdiensten, en ziet u aanleiding om te onderzoeken of kennis, training of honden vanuit Nederland indirect zijn ingezet bij deze activiteiten?
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
De bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater |
|
André Flach (SGP) |
|
Tieman , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw» en de publicatie van het Compendium voor de Leefomgeving waarnaar wordt verwezen?1 2
Waarom wordt in de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater door stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater op het conto van de landbouw geschreven?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in de landelijke emissieregistratie en het Compendium voor de Leefomgeving verschil wordt gemaakt tussen de landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling enerzijds en stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Waarom is in de rapportage op grond van artikel 10 van de Nitraatrichtlijn wat betreft de uit- en afspoeling bij landbouwgronden geen verschil gemaakt tussen de directe bijdrage van bemesting enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?3
Is de Europese Commissie (EC) geïnformeerd over de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de daarin genoemde relatieve landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling?
Kunt u aangeven of de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming over en de afwijzing van de derogatie voor Nederland door de EC? Zo ja, welke?
Kunt u aangeven in hoeverre de normstelling voor Kaderrichtlijn Water (KRW)-waterlichamen door waterschappen en provincies is gebaseerd op bronnenanalyses?
Kunt u aangeven in hoeverre bij de KRW-normstelling onderscheid is gemaakt tussen de daadwerkelijke bijdrage van de landbouw via bemesting en erfafspoeling enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Is voor alle waterlichamen de nutriëntenbelasting van kwelwater en bodemleverantie verrekend in de nutriëntennormen?
Is het u bekend dat waterschappen en provincies verschillend omgaan met het al dan niet verrekenen van natuurlijke bronnen van nutriëntenbelasting in de normen, waardoor deze normen mogelijk strenger zijn dan nodig is? Hoe waardeert u dat?
Welk ander beleid en andere regelgeving wordt gebaseerd op de eerder genoemde emissiecijfers?
Kunt u aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de eigen regionale bronnenanalyses van waterschappen? In hoeverre is sprake van verschillen in de toewijzing van bronnen?
Acht u het verstandig om, gelet op de grote verschillen in waterkwaliteitsproblemen en de relatieve bijdrage van landbouwbemesting tussen de verschillende regio’s, in te zetten op het niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied op grond van de Nitraatrichtlijn dan wel het vaststellen van verschillende actieprogramma’s voor verschillende regio’s, inclusief eventuele derogaties passend bij de regionale waterkwaliteitsproblematiek?
Het bericht 'Nederlandse grensboeren halen doelen niet door vervuild water uit Duitsland: dit voelt wel oneerlijk' |
|
Hidde Heutink (PVV), Chris Jansen (PVV) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit artikel en wat vindt u hiervan?1
Kunt u aangeven waarom er niet eerder in Brussel aan de bel is getrokken over deze overduidelijke achterstelling van onze boeren ten opzichte van boeren uit Duitsland?
Is dit niet een overduidelijk voorbeeld dat onze boeren erin worden geluisd door idiote regels en daarmee bewust naar de afgrond worden geduwd? Zo nee, waarom niet?
Waarom draait Nederland op voor de vervuiling uit het buitenland en wat doet u om dit te stoppen?
Wanneer gaat u de Nederlandse Kaderrichtlijn Water (KRW)-normen versoepelen?
Valt het nog uit te leggen dat het water, één millimeter over de grens, schoner zou zijn, en in Nederland niet meer? Zo ja, hoe legt u dat dan uit aan al die boeren, tuinders en vissers die al jarenlang worden gepakt?
Snapt u dat we als Nederland op deze wijze nooit de KRW-doelen gaan halen?
De behandeling en het transport van zieke en kreupele ‘afgemolken’ koeien. |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de beelden gezien die door dierenrechtenorganisatie Ongehoord zijn gemaakt op vijf verschillende erkende verzamelcentra, waar een deel van de koeien en kalfjes naartoe wordt gebracht voordat zij worden afgevoerd naar het slachthuis?
Heeft u gezien dat op alle gefilmde locaties is waargenomen dat koeien en kalfjes worden geslagen en geschopt, zelfs als deze dieren ziek en kreupel zijn?
Heeft u gezien dat bijna 10 procent van alle erkende Nederlandse verzamelcentra voor koeien en kalfjes is gefilmd? Onderschrijft u dat dit niet kan worden afgedaan als een incident?
Wat vindt u van deze praktijken?
Kunt u bevestigen dat koeien in de melkveehouderij elk jaar zwanger worden gemaakt zodat ze melk blijven geven, het kalfje vrijwel direct na de geboorte wordt weggehaald en dat na een paar jaar, als de moederkoe minder melk begint de geven en daardoor economisch minder interessant wordt, deze wordt afgevoerd naar het slachthuis?
Kunt u bevestigen dat veel van deze zogeheten «afgemolken» melkkoeien te maken hebben met (ernstige) welzijnsproblemen zoals kreupelheid doordat één op de drie melkkoeien niet buitenkomt, maar hun hele leven op harde vloeren staat?1
Kunt u bevestigen dat veel van deze melkkoeien, ook als zij welzijnsproblemen hebben, alsnog worden afgevoerd naar het slachthuis zoals te zien is op de beelden, omdat ze dan nog iets van geld opleveren?
Kunt u bevestigen dat zo’n 25 procent van de melkkoeien niet rechtstreeks naar het slachthuis wordt vervoerd, maar eerst naar een verzamelcentrum wordt gebracht, daar in een andere vrachtwagen wordt geladen om vervolgens alsnog naar het slachthuis te worden vervoerd?
Bent u bekend met de Europese Transportverordening (Verordening (EG) nr. 1/2005) die voorschrijft dat gewonde, zwakke en zieke dieren niet mogen worden vervoerd, in het bijzonder wanneer zij «niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen»?
Kunt u bevestigen dat desondanks jaarlijks ongeveer 16.000 dieren op verzamelcentra worden gedood omdat ze te zwak, gewond of ziek zijn om verder te mogen worden vervoerd (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 8)?
Hoe verklaart u dat deze dieren op transport zijn gezet naar een verzamelcentrum?
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening?
Erkent u dat daarnaast veel koeien in verzamelcentra niet in staat zijn om pijnloos te bewegen, zoals koeien die praktisch op drie poten lopen, ernstig hinken, trekken met een of meerdere poten of nauwelijks meer kunnen lopen, zoals te zien is op de beelden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de richtlijn heeft dat zolang koeien met «verminderde» of «gebrekkige» mobiliteit op vier poten steunen, ze gewoon op transport mogen worden gezet omdat de kreupelheid «niet altijd' gepaard gaat met pijn?
Welke andere redenen kunt u bedenken waarom een koe ernstig zou hinken of met haar poten zou trekken, anders dan dat zij pijn ervaart?
Bent u bekend met de bevindingen van Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA dat «afgemolken» melkkoeien vaak lichte of ernstige gezondheidsafwijkingen hebben (zoals kreupelheid) en dat het risico groot is dat het lijden tijdens transport toeneemt?2
Bent u bekend met het recente onderzoek van Universiteit Utrecht, Wageningen University & Research en Cornell University over kreupelheid in melkkoeien waarin zij concluderen dat kreupelheid pijn veroorzaakt en een ernstig welzijnsprobleem is?3
Kunt u bevestigen dat melkkoeien met lichte of ernstige gezondheidsafwijkingen op transport worden gezet, wat volgens Buro leidt tot een groot risico dat het lijden hierdoor toeneemt?
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening die stelt dat gewonde, zwakke en zieke dieren niet mogen worden vervoerd en dat onnodig lijden moet worden voorkomen?
Bent u bekend met de bevindingen van Buro dat het herhaald in- en uitladen, verblijf op verzamelcentra en herhaald transport ongerief en lijden veroorzaakt?
Kunt u bevestigen dat het volgens de Transportverordening verboden is om dieren te vervoeren op een wijze die onnodig lijden veroorzaakt?
Kunt u bevestigen dat koeien herhaald worden in- en uitgeladen als ze via een verzamelcentrum worden getransporteerd, wat volgens Buro leidt tot een groot risico dat het lijden toeneemt?
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening?
Kunt u tevens bevestigen dat de Transportverordening bepaalt dat de duur van diertransporten zoveel mogelijk moet worden beperkt?
Kunt u bevestigen dat het gebruik van verzamelcentra voor binnenlandse slacht leidt tot onnodige vertraging en langere transporten?
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening?
Bij hoeveel van de 55 erkende verzamelcentra voor koeien en kalfjes heeft de NVWA de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar jaar, controles uitgevoerd? Hoeveel controles zijn er per verzamelcentrum uitgevoerd? Hoeveel dierenwelzijnsovertredingen zijn er geconstateerd, hoeveel waarschuwingen zijn er gegeven en hoeveel boetes zijn er opgelegd?
Kunt u bevestigen dat de Europese Transportverordening de ruimte biedt om het gebruik van verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht expliciet te verbieden in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het Landbouwbesluit |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Heijnen , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wiersma, roep uw BBB-collega tot de orde» inzake de wijziging van de regels voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling en de grote zorgen over de gevolgen voor de gewenste vruchtwisseling en kringlooplandbouw?1
Kunt u aangeven waarom u na het jarenlang functioneren van de werkafspraak uit 2014 met betrekking tot de beoordeling van vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling niet alleen gekozen hebt voor het vastleggen van de werkafspraak in het Landbouwbesluit, maar ook voor aanscherping van de voorwaarden?2
Komen de voorgestelde aanpassingen voort uit de wens om de landbouwvrijstelling te beperken, of liggen er andere redenen aan de wijziging ten grondslag?
In hoeverre is de wijziging in het Landbouwbesluit in overleg met sectorpartijen opgesteld?
Zijn de uitvoeringsgevolgen vooraf in kaart gebracht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hier meer inzicht in geven?
Is de veronderstelling juist dat het overgangsrecht ook voor mondelinge overeenkomsten geldt?
Is de veronderstelling juist dat zodra een teler zelf een niet uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen bij uitgebruikgeving geen beroep meer gedaan kan worden op de landbouwvrijstelling? Zo ja, wat betekent dit dan voor de maatschappelijk gewenste teelt van rustgewassen? Zo nee, kunt u precies aangeven welke ruimte er blijft voor eigen teelt van rustgewassen zonder bij uitgebruikgeving de landbouwvrijstelling te verliezen?
Hoe moeten telers aantonen dat het uit gebruik geven van de grond noodzakelijk is voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren?
Hoe waardeert u de analyse dat het vastgestelde besluit zal leiden tot aanzienlijke regeldruk? Dit omdat alle uitgebruikgevingen in het kader van vruchtwisseling schriftelijk vastgelegd moeten worden, terwijl dat eerder veel op basis van mondelinge afspraken werd gedaan, en de noodzakelijkheid voor bodemgesteldheid en plantgezondheid aangetoond moet worden?
Deelt u de analyse dat de gevolgen voor telers groot kunnen zijn, zeker ook bij bedrijfsoverdracht, omdat vanwege de economische druk sprake is van forse stijgingen van grondprijzen?
Hoe waardeert u de analyse dat de vastgelegde, aangescherpte voorwaarden negatieve gevolgen zullen hebben voor de gewenste vruchtwisseling, teelt van rustgewassen en kringlooplandbouw, omdat eerder sprake zal zijn van het verliezen van de landbouwvrijstelling bij uitgebruikgevingen?
Deelt u de analyse dat, gelet op de dynamiek in de landbouw en de veelzijdige vormen van samenwerking tussen telers, de aangescherpte voorwaarden in de praktijk voor veel onduidelijkheid zullen zorgen en mogelijk lastig werkbaar zullen blijken te zijn?
Bent u bereid het vastgestelde kader voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling in overleg met de sector te heroverwegen?
Nederlandse rol in Europese onderhandelingen over Nieuwe Genomische Technieken (NGT) en uitvoering van motie Kostic en motie Akerboom |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente artikel van IFOAM Organics Europe van 4 december 2025, waarin wordt gesteld dat het voorlopige politiek akkoord over de Europese regelgeving voor Nieuwe Genomische Technieken (NGT’s) «een groot risico vormt voor Europese voedselsoevereiniteit» en dat het akkoord belangrijke waarborgen voor patenten, traceerbaarheid en etikettering heeft uitgehold, waardoor boeren, veredelaars, consumenten en milieu onvoldoende worden beschermd?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel van IFOAM.
Bent u bekend met de Argos uitzending waaruit op basis van interne documenten is gebleken dat de Nederlandse regering zich niet heeft ingezet voor keuzevrijheid, transparantie, bescherming van kleine zaadveredelaars en het inperken van de macht van gentech-bedrijven en monopolisering?2
Ja, ik ben bekend met de uitzending van Argos over het NGT-voorstel.
Bent u bekend met het artikel uit De Groene van 9 september jongstleden waaruit blijkt dat de nieuwe Europese regelgeving «grote zaadconcerns nog meer macht zal geven en kleine veredelaars in de problemen zal brengen» en dat Nederlandse ministeries «een sleutelrol bij de lobby voor de versoepeling van gentech-regels» speelden?3
Ja, ik ben bekend met dit artikel uit de Groene.
Hoe heeft u de laatste voorstellen voor de nieuwe regelgeving onafhankelijk wetenschappelijk laten toetsen aan de eis van de Kamer uit 2023 middels de motie-Akerboom (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1590) om a) keuzevrijheid van eindconsumenten te garanderen, b) de biologische sector gentechvrij te houden en c) de macht van gentech-bedrijven en monopolisering tegen te gaan? Kunt u wetenschappelijke bronnen en bijbehorende conclusies meesturen?
Het huidige voorstel voldoet aan de toezeggingen die gedaan zijn aan de kamer. De motie Akerboom waar u naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Kamerfractie van de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat4. Wat het kabinet betreft moet keuzevrijheid worden geborgd door middel van transparante en objectieve informatievoorziening richting de consument. Echter, hoeft dit niet persé door een fysiek etiket op het levensmiddel. Ook voor (producten van) planten uit conventionele veredeling is er geen etiketteringsplicht, daarom zou verplichte etikettering van (producten van) categorie 1 NGT-planten die vergelijkbaar zijn aan (producten van) planten uit conventionele veredeling niet proportioneel zijn. Daarnaast zou het problematisch zijn voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het kabinet heeft zich tijdens het raadstraject volgens het BNC-fiche5 ingezet voor een duidelijke en bruikbare openbare EU-database die voldoende transparant is voor consumenten en gebruikers. Daarnaast heeft het kabinet in het BNC-fiche aangegeven de wens van de biologische sector te respecteren om vrij van NGT producten te blijven, het kabinet heeft recent een eerste verkenning laten uitvoeren naar mogelijke vermengingsroutes van NGT gewassen en biologische gewassen waaruit blijkt dat de scheiding tussen gangbaar en biologisch in veruit de meeste gevallen afdoende is om vermenging te voorkomen6. Ook heeft het kabinet in het BNC-fiche aangegeven dat het NGT voorstel een goede manier is om deze technieken toegankelijk te maken voor een brede groep veredelaars, juist ook voor het MKB.
Kunt u heel precies beschrijven op welke manier Nederland zich tijdens het hele proces voor de volgende onderdelen heeft ingezet in Europa, a) keuzevrijheid voor consumenten garanderen (inclusief consumentenlabeling), b) biologische sector gentechvrij houden, c) macht van gentech-bedrijven en monopolisering tegengaan en wat het resultaat daarvan is, en kunt u daar schriftelijke bewijsstukken van meesturen?
Ik heb mij tijdens het Raadsproces niet ingezet voor fysieke etikettering voor eindconsumenten, in het BNC-fiche is aangegeven dat het kabinet het voorstel van de Commissie voor een online openbare database voor categorie 1 NGT-planten steunt. Het kabinet heeft zich tijdens het raadstraject ingezet voor een duidelijke en bruikbare openbare EU-database die voldoende transparant is voor consumenten en gebruikers. Daarnaast is in het BNC-fiche aangegeven dat het kabinet de biologische sector vrij van NGTs wil houden. Het kabinet heeft respect voor de wens van de biologische sector om geen gebruik te maken van NGTs. Voor het kabinet is het van belang dat het landbouw- en voedselsysteem werkbaar moet blijven voor zowel de biologische sector als voor sectoren die wel gebruik willen maken van NGT-planten. Een professionele en particuliere gebruiker zou vrij moeten zijn om wel of niet te kiezen voor NGT-planten. Het kabinet is daarom tevreden met de genoemde maatregelen, zoals het etiketteren van uitgangsmateriaal, om voor in de keten de keuzevrijheid van de gebruiker, waaronder ook de biologische gebruiker, te garanderen. Met betrekking tot octrooien heb ik mij in de Raad ingezet conform de Kamerbrief over de uitvoering van de motie van de leden Hertzberger en Meulenkamp en de motie van het lid De Groot7 en mijn kamerbrief met de beantwoording van de vragen van de Eerste Kamerfractie van de PvdD over het Raadsmandaat8. Ik heb mij in de Raad ingezet om meer transparantie te bieden in het octrooilandschap van de plantenveredeling en om te voorkomen dat octrooirechten een blokkade vormen voor toegang tot genetische eigenschappen voor veredelaars. De technische onderhandelingen in de Raad en in de trilogen zijn vertrouwelijk, hier kan ik geen stukken over delen. Het resultaat is de compromistekst die nu voorligt. Dit compromis strookt met de inzet van het Nederlandse kabinet.
Kunt u een lijst geven van bedrijven (of hun belangenbehartigers) die u tijdens het hele traject van onderhandelingen over NGT’s heeft gesproken en een volledige opsomming geven van de input die u daaruit heeft overgenomen?
Op 14 oktober 2022 is een open stakeholder consultatie gehouden voor iedereen die geïnteresseerd was in de inzet van het kabinet op het door de Commissie aangekondigde NGT-voorstel. Hier waren vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, onderzoeksinstellingen, vertegenwoordigers van de biologische sector en milieuorganisaties bij aanwezig. Op 7 juli 2023 heb ik een stakeholderbijeenkomst georganiseerd ten behoeve van het BNC fiche, hierbij was de biologische sector vertegenwoordigd. Daarnaast sta ik altijd open om met iedereen in gesprek te gaan over het NGT dossier. Op deze wijze is gesproken met vertegenwoordigers van de biologische sector, en met vertegenwoordigers van de veredelingssector en biotechnologiesector. Het kabinet heeft van geen enkele partij input overgenomen, wel heeft het kabinet alle belangen meegewogen bij de appreciatie van het NGT-voorstel in het BNC-fiche.
Kunt u een lijst geven van maatschappelijke organisaties, biologische sector en consumentenorganisaties die u tijdens het hele traject van onderhandelingen over NGT’s heeft gesproken? Waarom heeft u fundamentele punten van hun zienswijzen niet overgenomen in het BCN fiche, maar wel vooral die van de biotechindustrie?
Het kabinet heeft gesproken met IUCN-NL, Natuur en Milieu, Natuur- en Milieufederatie Noord-Holland, Bionext, de Biowinkel vereniging, Biohuis en Demeter, Corporate Observatory Europe, NAJK, en MVO. Het kabinet heeft van geen enkele partij zienswijzen overgenomen, wel heeft het kabinet alle belangen meegewogen bij de appreciatie van het NGT-voorstel in het BNC-fiche.
Gezien de zorgen van burgers over de nieuwe wet, bent u bereid eerst te waarborgen dat het onmogelijk wordt dat bedrijven straks patenten kunnen vastleggen op planten die bewerkt zijn met nieuwe gentechnieken en op bepaalde essentiële eigenschappen van planten? Zo nee, waarom negeert u de wensen van burgers?4
Zoals beschreven in de brief over de uitvoering van de motie van de leden Hertzberger en Meulenkamp en de motie van het lid De Groot en mijn kamerbrief met de beantwoording van de vragen van de Eerste Kamerfractie van de PvdD over het Raadsmandaat, zijn de voorwaarden waar een octrooi op kan worden verkregen (en waarop niet) vastgelegd in het Europees Octrooi Verdrag (EOV). Het is niet mogelijk om de octrooieerbaarheid van planten of planteigenschappen via een EU-verordening te wijzigen, daarvoor is aanpassing van het EOV noodzakelijk. Het EOV is een internationaal verdrag dat alleen met instemming van alle 39 deelnemende landen kan worden gewijzigd. Dat wil niet zeggen dat het kabinet de zorgen van burgers over octrooien in de plantenveredeling niet serieus neemt. Ik heb mij in de Raad ingezet voor maatregelen die transparantie in het octrooilandschap binnen de veredeling vergroten voor veredelaars. Voor zover de regering met deze vraag wordt verzocht om octrooirechten op plantaardig materiaal te beperken, merk ik nogmaals op dat Europees Octrooibureau (EOB) sinds 1 juli 2017 al geen octrooien meer verleend voor planten of dieren die uitsluitend via een wezenlijk biologische werkwijze zijn verkregen. Bovendien geldt dat als een technisch kenmerk ook via traditionele veredeling kan worden verkregen, het octrooi enkel geldt voor de plant die via het beschermde technische proces is verkregen. Het EOB vereist hiervoor een disclaimer om de bescherming te beperken tot het technisch geproduceerde product en ziet hier streng op toe10.
Bent u bekend met het onderzoek uit Environmental Sciences Europe waarin wordt geconcludeerd dat het Europese voorstel ertoe leidt dat veel gewassen die genetisch bewerkt zijn niet langer hoeven te worden onderzocht op risico’s voordat ze geteeld en mogen worden verkocht, wat ingaat tegen het voorzorgsprincipe en gevaren met zich meebrengt?5
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Met het NGT-voorstel heeft de Europese Commissie twee categorieën van NGT-planten voorgesteld: categorie 1- NGT (NGT-1) en categorie 2- NGT (NGT-2). NGT-1 planten kunnen ook met conventionele veredeling of in de natuur tot stand komen, daarom is het risicoprofiel vergelijkbaar met dat van conventioneel veredelde planten. Het kabinet steunt de inzet dat NGT-1 planten daarom op dezelfde manier behandeld worden als conventioneel veredelde planten. Om de NGT-1 status te verkrijgen worden een NGT-plant door de bevoegde autoriteit beoordeeld op de equivalentie met conventioneel veredelde planten, daarmee wordt voldaan aan het voorzorgprincipe.
Waarom is er niet geluisterd naar zulke onafhankelijke onderzoeken en waarom is toegelaten dat de grens tussen NGT1 en NGT2 gewassen willekeurig en zonder een wetenschappelijke basis is gekozen? Bent u bereid om alsnog eerst zulke onderzoeken mee te nemen voordat u definitief besluit? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven in de beantwoording van de Eerste Kamervragen van de PvdD fractie en SP fractie over het Raadsmandaat12 zijn de equivalentiecriteria gebaseerd op wetenschappelijke literatuuranalyses van de Europese Commissie ondersteund door de wetenschappelijke opinie van de EFSA en wetenschappelijk werk van het Joint Research Centre. Daarnaast heeft de Nederlandse Commissie Genetische Modificatie (COGEM) in haar adviezen13 aangegeven dat planten verkregen met behulp van NGT-1 (cisgenese en mutagenese) qua veiligheid vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde gewassen.
Bent u bereid om alsnog eerst te waarborgen dat op het voedseletiket wordt vermeld of in een product ingrediënten zitten die met nieuwe gentechnologie bewerkt zijn? Zo nee, waarom negeert u de wens van de Kamer en burgers om transparantie naar consumenten toe te waarborgen?
In het BNC-fiche staat het standpunt van het kabinet beschreven. De inzet van het kabinet is gericht op het kunnen maken van onderscheid tussen planten die wel, en planten die niet vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde planten. Het uitgangspunt is dat categorie 1 NGT planten vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde planten, met dezelfde risico’s voor mens en milieu. Daarom acht kabinet het proportioneel om deze planten ook zoveel mogelijk op dezelfde manier te behandelen. Categorie 2 NGT producten blijven wel onder de etiketteringsregels voor GGO’s vallen. Dit standpunt gaat niet in tegen een wens van de Kamer. De motie Akerboom waar u in vraag 4 naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat. Dat is na te lezen in de handelingen van de Kamer.
Welke waarborgen zijn er dat biologische boeren en andere producenten die gentechvrij willen werken niet zelf verantwoordelijk worden gemaakt om vermenging te vermijden, maar bedrijven die gentech gebruiken?
Voor mijn antwoord verwijs ik u naar mijn beantwoording van de vragen van de fracties van de BBB, de Christen Unie, de PvdD en Groenlinks-PvdA over het BNC-fiche14. Hierin zijn de mogelijkheden om biologische ketens vrij te houden van NGT producten geschetst zoals deze in het NGT-voorstel zijn opgenomen. Er zal zorgvuldig worden gekeken of en zo ja welke aanvullende nationale maatregelen noodzakelijk en effectief zijn om producenten te ondersteunen om vermenging van NGT producten en NGT-vrije producten te vermijden. Vanwege de noodzaak om EU-verordeningen tijdig te implementeren en gelet op de terughoudendheid ten aanzien van nationale koppen heeft tijdige implementatie van de NGT-verordening prioriteit.
Aangezien studies concluderen dat de nieuwe regelgeving tot extra last en kosten voor de biologische sector kan leiden en dit niet rechtvaardig is, hoe gaat u dat precies uitsluiten?
Ik herken deze zorg van de biologische sector, maar het is mij niet duidelijk naar welke studies wordt verwezen. Het kabinet heeft een eerste verkenning laten uitvoeren naar mogelijke vermengingsroutes van NGT gewassen en biologische gewassen waaruit blijkt dat de scheiding tussen gangbaar en biologisch in veruit de meeste gevallen afdoende is om vermenging te voorkomen. Er zal zorgvuldig worden gekeken of en zo ja welke aanvullende nationale maatregelen noodzakelijk en effectief zijn om producenten te ondersteunen om vermenging van NGT producten en NGT-vrije producten te vermijden. Vanwege de noodzaak om EU-verordeningen tijdig te implementeren en gelet op de terughoudendheid ten aanzien van nationale koppen heeft tijdige implementatie van de NGT-verordening prioriteit.
Aangezien het Europese voorstel duidelijk ten nadele is van de pionier-veredelaars van de duurzame landbouw en keuzevrijheid voor de eindconsument en het tegengaan van de macht van gentech-bedrijven en monopolisering niet is gegarandeerd, bent u bereid om in lijn met de motie-Akerboom nog geen steun te verlenen aan definitieve vaststelling van NGT-wetgeving, totdat er duidelijke en bindende garanties zijn voor etikettering voor de eindconsument, traceerbaarheid en juridisch solide bescherming tegen ongewenste patentering? Zo nee, waarom niet?
Het huidige voorstel voldoet aan de toezeggingen die gedaan zijn aan de kamer. De motie Akerboom waar u naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat. Dat is na te lezen in de handelingen van de Kamer.
Weet u nog dat de Kamer in maart 2024 de motie-Kostić (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 89) heeft aangenomen waarin de regering wordt verzocht niet in te stemmen met het Europese Commissievoorstel voor NGT's voordat een volledig en onafhankelijk onderzoek naar de impact ervan – onder meer op kleine veredelaars, boeren en consumenten – is afgerond en meegewogen in beleid?
Ja ik ken deze motie en het kabinet heeft de uitvoering van deze motie schriftelijk met de kamer gedeeld15.
Aangezien het onderzoek dat in de motie-Kostić wordt gevraagd niet is uitgevoerd en meegewogen, bent u bereid om bij de aanstaande COREPER-vergadering in lijn met de motie-Kostić nog geen steun te verlenen aan definitieve vaststelling van NGT-wetgeving of zich te onthouden van stemmen, totdat het onderzoek is afgerond en meegewogen? Zo nee, waarom voert u deze belangrijke randvoorwaarde van de Kamer niet uit?
De uitvoering van de motie Kostić is schriftelijk met de kamer gedeeld. Voorafgaand aan de presentatie van het NGT-voorstel is door de Europese Commissie een uitgebreide impactanalyse16 uitgevoerd, waarbij ook de impact op boeren en veredelaars is onderzocht. De conclusie uit de impactanalyse is dat het Commissievoorstel een positief effect zal hebben op boeren en veredelaars.
Bent u op zijn minst bereid om iets meer tijd te nemen in de definitieve besluitvorming, zodat betrokkenen eerst het uiteindelijke compromis tussen Raad en het Europees Parlement goed kunnen bestuderen en zodat er tijd is om zienswijzen van Nederlandse stakeholders (zoals biologische boeren, veredelaars en consumenten) op het compromis goed mee te nemen in het definitieve oordeel van het kabinet? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om eerst met de biologische sector, kleine veredelaars en consumentenvertegenwoordigers in gesprek te gaan over de laatste versie van het Europese voorstel? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de compromistekst bestudeerd en gewogen aan de hand van het BNC-fiche, mijn gecommuniceerde inzet in Kamerbrieven, en de beantwoording van moties over het NGT-voorstel. Naar mijn oordeel ligt er een goed compromis voor dat strookt met de inzet van het kabinet. Ik zie het gebruik van NGTs in de plantenveredeling als een belangrijk gereedschap dat ik de plantaardige sector wil bieden om uitdagingen omtrent ziekten en plagen het hoofd te kunnen bieden. Daarom zie ik geen reden om meer tijd te nemen in de definitieve besluitvorming en aanvullend in gesprek te gaan met stakeholders.
Kunt u de vragen één voor één met spoed beantwoorden, in ieder geval vóór de aanstaande COREPER-vergadering?
Ik heb uw vragen één voor één en met spoed beantwoord. Ik heb mijn uiterste best gedaan om de beantwoording van deze vragen voor de COREPER-vergadering van 19 december 2025 naar de Tweede Kamer te sturen.
De tijdige aanbieding van het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u bij het plenaire debat over het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij hebt aangeven dat het verbod uiterlijk 15 december 2025 moet worden aangeboden aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V), om het per 1 januari 2026 in werking te kunnen laten treden?
Ja.
Kunt u uiterlijk maandagavond 15 december 2025 laten weten of u het verbod tijdig hebt aangeboden aan het Ministerie van J&V en daarmee hebt voldaan aan de uiterste aanbiedingsdatum?
Ja. Het verbod is tijdig aangeboden aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V). Hiermee is voldaan aan de uiterste aanbiedingsdatum.
Kunt u aangeven of u op koers ligt om het verbod per 1 januari 2026 in werking te laten treden, zoals u hebt toegezegd bij het debat?
Ja. De AMVB is inmiddels gepubliceerd in Staatsblad 2025, 4341.
Het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen over het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat?1
Deze zorgen zijn mij bekend.
Vanaf wanneer kunnen Renure-producten worden toegepast?
In het Nitraatcomité van 19 september jl. is positief geadviseerd over de door de Europese Commissie voorgestelde toelating van Renure-producten als kunstmestvervanger binnen de Europese Unie. Tot en met 8 januari konden de Raad en het Europees parlement nog bezwaar maken. Dit is niet gebeurd, zodat de Europese Commissie het voorstel zal vaststellen. Momenteel wordt er gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie. De internetconsultatie over dit voorstel is 8 december gesloten. Ik zal op korte termijn de concept regeling voor Renure ter notificatie aanbieden aan de Europese Commissie. De verwachting is dat de daadwerkelijke implementatie in de nationale regelgeving in het tweede kwartaal van 2026 zal plaatsvinden.
Deelt u de analyse dat ook de omschakeling naar Renure in bedrijfsprocessen tijd nodig heeft?
De analyse dat de omschakeling naar Renure in bedrijfsprocessen tijd nodig heeft deel ik. De in het antwoord op vraag 2 genoemde regeling voor Renure is in internetconsultatie geweest, waarmee de producenten kennis hebben kunnen nemen van de voorgenomen plannen en hiermee de eerste voorbereidingen kunnen gaan treffen.
Deelt u de analyse dat het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat, terwijl er nog geen Renure-producten kunnen worden toegepast, risico’s met zich meebrengt voor onder meer de bedrijfsprocessen van betrokken bedrijven?
Deze analyse deel ik. Om geen gat te laten vallen in de productie tussen het einde van de pilot en de daadwerkelijke toelating van Renure en de continuïteit binnen de keten te waarborgen heb ik voorzien in een overgangssituatie. Op 19 december jl. heb ik uw kamer hierover geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 636).
Bent u bereid de pilot mineralenconcentraat te verlengen tot Renure in de praktijk toepasbaar is?
Ja, zoals ik in mijn brief van 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 636) heb aangegeven heb ik voorzien in een overgangssituatie tussen de pilot mineralenconcentraat en de inwerkingtreding van de algemene Nederlandse regelgeving voor producenten en afnemers van Renure-meststoffen die in 2025 deelnamen aan de pilot. Hetzelfde geldt voor de pilot Kunstmestvrije Achterhoek uit het 7e actieprogramma.
Deze overgangssituatie geldt vanaf het einde van de bezwaarperiode van de Raad en het Europees parlement (8 januari) tot 6 weken na inwerkingtreding van de Renure-regeling, of – als dat eerder is – tot het moment dat de producent is geregistreerd of gecertificeerd. Daarbij gelden de voorwaarden en voorschriften van de eerdere pilots, de voorwaarden uit de aangepaste Nitraatrichtlijn én van de notificatieversie van de beoogde Renure-implementatieregeling.
Dit betekent dat al voor inwerkingtreding van de Renure-regeling mineralenconcentraat in lijn met het voorstel voor Renure, tot maximaal 80 kilogram stikstof per hectare mag worden gebruikt bovenop de norm voor stikstof uit dierlijke mest. Het mineralenconcentraat dat voor inwerkingtreding van de Renure-regeling wordt gebruikt telt daarbij mee voor de 80 kilogram Renure die per kalenderjaar en per hectare bovenop de gebruiksnorm dierlijke mest mag worden gebruikt, als de nationale regeling die uitvoering geeft aan de Europese Renuretoelating (de Renure-implementatieregeling) in werking is getreden. De producenten van mineralenconcentraat blijven tijdens de overgangsperiode mestcode 120 gebruiken voor het melden van het transport in rVDM.
De voornoemde deelnemers aan de pilots zijn nader geïnformeerd over de exacte voorwaarden.
De vogelgriep |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel van 26 november 2025, waarin wordt beschreven dat er in Europa nog nooit eerder zoveel wilde vogels besmet waren met vogelgriep?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoeveel pluimvee Nederland heeft en wat de precieze pluimveedichtheid is? Kunt u daarbij aangeven hoe zich dit verhoudt tot andere landen met een grote pluimveesector, zowel binnen als buiten Europa?
Er zijn in Nederland 2.154 locaties geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met een actief Uniek Bedrijfsnummer (UBN) voor gevogelte. In totaal staan daar 82.432.396 dieren geregistreerd (peildatum 1 november 2025). Bij deze cijfers zijn zowel commerciële als niet-commerciële houders inbegrepen. Bij deze cijfers is het goed om te realiseren dat een actief UBN niet automatisch betekent dat er ook daadwerkelijk dieren worden gehouden. Een UBN kan om meerdere redenen langere tijd leeg staan.
In vergelijking met veel andere landen heeft Nederland een relatief hoge pluimveedichtheid.
Acht u het verantwoord dat pluimvee in hoge dichtheden wordt gehouden, wetende dat dit het risico vergroot op het ontstaan en de verspreiding van hoog-pathogene vogelgriepvirussen?
Uit onderzoek blijkt dat in gebieden met een hoge bedrijfsdichtheid een verhoogd risico is op tussenbedrijfstransmissie. Het vorige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep het streven opgenomen naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in deze gebieden te verkennen. Ik laat momenteel een impactanalyse uitvoeren naar deze structuurmaatregelen. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) onderzoeken de economische impact op de pluimveesector. Andere experts, onder leiding van het RIVM, samen met Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), zullen vervolgens een inschatting maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid. Ik heb de totale impactanalyse nodig om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen. Daarbij is het uitgangspunt dat maatregelen geschikt, noodzakelijk en proportioneel zijn. Ik verwacht dat de impactanalyse in het eerste kwartaal van 2026 gereed is.
Wat zijn de concrete vervolgstappen die u overweegt te nemen gezien deze risicovolle situatie? Is het inkrimpen van de pluimveesector een maatregel die u overweegt te treffen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Worden er met andere landen gesprekken gevoerd over het wereldwijd inkrimpen van de pluimveesector?
Landen bepalen zelf hun landbouwbeleid. Er zijn internationale organisaties die zich met diergezondheid, voedselzekerheid, en One Health bezighouden. Zo is er bijvoorbeeld de Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH) die werkt aan het verbeteren van de gezondheid en het welzijn van dieren wereldwijd. WOAH, en daarmee alle aangesloten landen, streeft naar internationale solidariteit bij de beheersing van diergezondheidsrisico's, en werkt grensoverschrijdend aan het bevorderen van een «One Health»-aanpak. De Food and Agriculture Organisation (FAO) heeft als doel voedselzekerheid voor iedereen te bereiken en ervoor te zorgen dat mensen toegang hebben tot voldoende hoogwaardig voedsel. Bij FAO en WOAH wordt dus gestreefd naar een duurzame veehouderij, maar landen zijn vrij daar zelf hun eigen beleid in te maken.
Deelt u de mening dat het bevorderlijk is om het aantal pluimveebedrijven in waterrijke gebieden sterk te verminderen, gezien het feit dat veel pluimveebedrijven in waterrijke gebieden staan, waar veel watervogels leven die het hoog-pathogene virus meedragen?
Uit onderzoek blijkt dat in waterrijke gebieden een verhoogd risico is op insleep van vogelgriep op commerciële pluimveebedrijven vanuit besmette wilde vogels. Overigens doen de huidige uitbraken zich in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd. In het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat het vorige kabinet in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep een streven naar een verbod op nieuwvestiging en een verkenning naar een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in zowel waterrijke gebieden als pluimveedichte gebieden heeft opgenomen. In het antwoord op vraag 3 heb ik geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Gezien het feit dat in voorgaande jaren grote populaties wilde vogels gedecimeerd zijn door hoog-pathogene vogelgriepvarianten en virusexperts aangeven dat het subtype dat nu in allerlei varianten rondwaart niet meer uit te roeien is bij wilde vogels, hoe wilt u voorkomen dat er nieuwe subtypen in de pluimveehouderij ontstaan waarbij dit eveneens gebeurt?
De afgelopen jaren is het virus van eigenschappen veranderd. Waren het eerst vooral laagpathogene varianten die voorkwamen in de wilde vogels, nu zien we ook de hoogpathogene variant. Opmerkelijk genoeg zijn veel wilde vogels die nu besmet zijn, niet ziek geworden van deze variant. Het virus gedraagt zich dus erg onvoorspelbaar. Dit soort virussen muteert snel, maar het onderliggend mechanisme is niet bekend. Pluimveehouders en houders van andere vogelsoorten zetten zich in om hun dieren te vrijwaren van infectie. Helaas vinden er desondanks uitbraken plaats, niet alleen in Nederland maar ook in heel veel andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Polen, Spanje en België, en veel landen in Azië. In Nederland, en in andere EU-lidstaten worden besmette locaties zo snel mogelijk geruimd. Op die manier wordt voorkomen dat pluimvee op andere locaties worden besmet. Daarmee wordt ook de kans op mutaties verkleind. Nieuwe mutaties kunnen echter overal ontstaan, niet alleen in Nederland.
Acht u de eerder aangekondigde maatregelen (Kamerstuk 28 807, nr. 310 en Kamerstuk 28 807, nr. 311) nog steeds voldoende, gezien de recente ontwikkelingen?
Naar aanleiding van de uitbrakenreeks in de periode 2021–2023 heeft het vorige kabinet het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgesteld met een pakket maatregelen ter preventie van vogelgriepbesmettingen, ten behoeve van de volks- en diergezondheid. Een groot deel van deze maatregelen is uitgevoerd, maar een aantal maatregelen bijvoorbeeld op het gebied van vaccinatie van pluimvee en de structuurmaatregelen kennen een langere doorlooptijd.
Het verloop van de vogelgriepvirusbesmettingen vertoont in Nederland jaarlijks schommelingen in verspreiding en ernst. Dit jaar is helaas een sterke toename in het aantal uitbraken te zien, waaronder een groot aantal besmettingen bij wilde vogels. Ook in andere landen in Europa is er een sterke toename te zien. Het virus wordt ook verspreid tussen wilde vogels en dat maakt het handelingsperspectief bij die besmettingen beperkt. Bij uitbraken op pluimveelocaties is vrijwel nooit bekend hoe het virus in de stal is binnengekomen. We weten wel dat bioveiligheidsmaatregelen, zoals hygiënemaatregelen, goede afdichting van stallen en beheersing van knaagdieren, de kans op het binnenkrijgen van virus verkleint. Ik roep pluimveehouders opnieuw op om de bioveiligheidsmaatregelen zo goed mogelijk na te leven. Dit is de belangrijkste maatregel die houders kunnen nemen om de kans op een uitbraak te verkleinen. Ik blijf werken aan de uitwerking van de maatregelen uit het intensiveringsplan en blijf de situatie nauwgezet monitoren. Helaas zie ik geen aanvullende maatregelen bovenop de daarin genoemde acties op het gebied van humane gezondheid, wilde dieren en gehouden dieren.
Erkent u dat veel vogelpopulaties in een slechte staat van instandhouding zijn, ook vogelsoorten die gevoelig zijn voor vogelgriep? Deelt u de mening dat, boven op de huidige inspanningen, extra inspanningen nodig zijn om de effecten van de vogelgriep op deze soorten op te vangen? Bent u van plan om deze kwetsbare vogelpopulaties verdere bescherming te bieden? Zo ja, hoe?
Mijn voorganger heeft in 2023 door Sovon onderzoek laten uitvoeren naar de impact van vogelgriepuitbraken op populaties van wilde vogels, en welke mogelijkheden er zijn om deze uitbraken te voorkomen, of zo snel mogelijk te beheersen. Dit onderzoek is met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 36 200-XIV, nr. 120). Het onderzoeksrapport geeft een beeld van wat er bekend is over de impact van HPAI op populaties van wilde vogels in Nederland. Ook geeft het specifiek zicht op voor welke soorten er aanwijzingen zijn van verhoogde sterfte door vogelgriep, en welke vogelsoorten eigenschappen hebben die de soort kwetsbaar maken voor vogelgriep. In aanvulling op dit rapport is in 2024 een vervolgrapport opgesteld dat een nadere duiding geeft door te analyseren welke gevolgen een eventueel optredende vogelgriepsterfte kan hebben voor de landelijke staat van instandhouding van deze soorten2.
In lijn met de aanbevelingen uit de rapporten heeft mijn voorganger ingezet op het centreren van meldingen van dode vogels via een landelijke «vogelgriep app», en is er een leidraad opgesteld voor het opruimen van dode vogels (Kamerstuk 28 807, nr. 279). Een andere aanbeveling gaat in op het creëren van robuuste natuurgebieden, waarbij gedacht kan worden aan het creëren van rustgebieden, om de verspreiding van het virus te beperken. Deze en andere aanbevelingen zijn gedeeld met experts, terreinbeherende organisaties, faunabeheereenheden en provincies en meegenomen in de ontwikkeling van de aanpak van vogelgriep. De ontwikkeling van vogelgriep in wilde vogels wordt nauw gemonitord en zodra de situatie om aanvullende inzet vraagt zal ik in afstemming met betrokken organisaties nagaan hoe ik of de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) daaraan kan bijdragen. Het streven naar robuuste natuurgebieden maakt nadrukkelijk onderdeel deel uit van het beleid van de Staatssecretaris van LVVN.
Gezien het feit dat u in uw Kamerbrief van 1 december 2025 (Kamerstuk 28 807, nr. 311) spreekt over een verhoging van het risiconiveau voor mensen die voor hun werk met besmette dieren in aanraking komen, welke maatregelen, behalve monitoring, bent u bereid te nemen om dit risiconiveau niet verder te verhogen?
De duiding van het risico voor mensen die vanwege hun werkzaamheden in contact komen met besmette vogels is door de experts verhoogd van laag-gemiddeld naar gemiddeld. Deze multidisciplinaire expertgroep komt minstens twee keer per jaar samen om het risico van hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te beoordelen. Zij geven als verklaring voor deze verhoging van het risico dat door het hoge aantal besmettingen bij wilde vogels en bij pluimveehouderijen, de kans op blootstelling voor mensen die voor hun werk met (mogelijk) besmette dieren in aanraking komen nu hoger is dan eerder. Medewerkers die betrokken zijn bij de ruimingen krijgen een opleiding, goede instructies, persoonlijke beschermingsmiddelen en zijn gevaccineerd tegen de humane griepvariant. Bovendien is er tamiflu beschikbaar dat door de arbodienst wordt verzorgd. Hiermee wordt de kans op een humane besmetting verkleind.
Pluimveehouders kennen de risico’s ook, ze weten dat hun pluimvee besmet kan raken met vogelgriepvirus. Omdat ze een verdenking snel melden is in het algemeen het aantal besmette vogels nog klein, wat het risico laag houdt. De belangrijkste maatregel om humane infecties te voorkomen is het zo snel mogelijk elimineren van een besmettingshaard, vooral besmette pluimveebedrijven. Dat doet de NVWA uiterst snel en efficiënt, mede door het snelle melden door de pluimveehouder. Door bioveiligheidsmaatregelen strikt na te leven kan de kans op meer besmettingen van pluimvee worden verkleind.
Andere professionals zoals jagers en terreinbeheerders zijn geïnformeerd over de risico’s van vooral subklinisch besmette vogels. Ook zij kunnen met persoonlijke beschermingsmiddelen de kans dat ze besmet raken verkleinen. Voor zover bekend zijn er geen medewerkers, jagers of andere professionals besmet geraakt door hun werkzaamheden of activiteiten.
Daarnaast worden mensen die in nauw contact komen met vogels geadviseerd (jagers, medewerkers van de dierenambulance of anderen die dode wilde vogels ruimen) of verplicht (ruimingsploegen, specialistenteams) persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) te gebruiken.
De verwachting van deskundigen is dat de prevalentie in wilde vogels de komende tijd afneemt, wat verder bijdraagt aan de vermindering van het risico’s voor mensen. Dit zijn de maatregelen die ik neem, en kan nemen om het risico voor professionals niet verder te laten oplopen.
Ziet u in dat overdraagbaarheid naar de mens een potentieel nieuwe pandemie kan betekenen? In hoeverre heeft u maatregelen voorbereid om dit te voorkomen?
Virussen worden soms van dier op mens overgedragen. Als zo’n virus muteert, overdraagbaar wordt van mens op mens en mensen hebben geen weerstand tegen zo’n nieuwe variant dan kan dit, net zoals bij SARS-CoV-2, een pandemie veroorzaken. Dit zou volgens de experts ook bij vogelgriep kunnen gebeuren. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29 658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries daarnaast nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden?
Ja.
De mogelijkheid niet langer heel Nederland aan te wijzen als kwetsbare zone in het kader van de Nitraatrichtlijn |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland ervoor heeft gekozen om geen specifieke kwetsbare zones aan te wijzen, maar het gehele grondgebied als kwetsbaar te beschouwen in het kader van de Nitraatrichtlijn?1
In lijn met de Nitraatrichtlijn heeft Nederland de keuze gemaakt om het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn (verder 7e actieprogramma) en voorgaande actieprogramma’s van toepassing te laten zijn op het gehele Nederlandse grondgebied. Daarom heeft Nederland geen kwetsbare zones aangewezen.
Kunt u bevestigen dat de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, zoals vastgelegd in het Actieprogramma Nitraatrichtlijn, enkel van toepassing zijn op kwetsbare zones?2
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. De verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn zijn in Nederland van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Artikel 3, vijfde lid, Nitraatrichtlijn geeft aan dat een lidstaat is ontheven van de verplichting kwetsbare zones aan te wijzen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Nitraatrichtlijn, als het zijn actieprogramma’s op zijn hele grondgebied van toepassing laat zijn.
Kunt u bevestigen dat ook de maximale hoeveelheid uit te rijden mest van 170 kilogram per hectare per jaar, zoals per 1 januari 2026 geldig vanwege de afschaffing van de derogatie, enkel van toepassing is op kwetsbare zones?
De norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar is opgenomen in bijlage III, onder 2, van de Nitraatrichtlijn. De verplichtingen opgenomen in bijlage III zijn volgens artikel 5, vierde lid, een verplicht onderdeel van actieprogramma’s. Afhankelijk van de keuze die een lidstaat heeft gemaakt over het grondgebied waarop een actieprogramma ziet, geldt de norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest.
Kunt u bevestigen dat Nederland de lijst van kwetsbare zones kan herzien, zodat niet langer het gehele grondgebied, maar slechts een deel daarvan als kwetsbare zone geldt?3
De Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten die een lijst van kwetsbare zones hanteren om die ten minste iedere vier jaar te herzien. Lidstaten die hun actieprogramma’s toepassen op het gehele grondgebied zijn ontheven van deze verplichting. Aangezien in Nederland actieprogramma’s van toepassing zijn op het gehele Nederlandse grondgebied is er geen lijst van kwetsbare zones die herzien kan worden. De motie Flach en Grinwis4 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. In lijn met de motie en conform het Hoofdlijnenakkoord is aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd om hierover te adviseren.
Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet. In voornoemde brief is aangegeven dat de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma voor het einde van het kerstreces aan uw Kamer zal worden gestuurd. Hierbij zal ook het voornoemde CDM advies gevoegd worden.
Kunt u bevestigen dat Nederland dit herzieningsbesluit eenzijdig kan nemen, dit enkel aan de Europese Commissie (EC) hoeft te melden en hiervoor dus geen toestemming nodig heeft van de EC?
Het is de bevoegdheid van een lidstaat om kwetsbare zones aan te wijzen of het actieprogramma op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing te laten zijn. In het geval dat Nederland overgaat tot het aanwijzen van kwetsbare zones, zal Nederland dit afdoende moeten onderbouwen en zal de Europese Commissie daarvan in kennis moeten worden gesteld. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn. Dat betekent overigens niet dat de Europese Commissie in die situatie geen rol heeft ten aanzien van een aanwijzing van kwetsbare zones. Indien een lidstaat een aanwijzing van kwetsbare zones onvoldoende kan onderbouwen, heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om vanwege niet naleving van de Nitraatrichtlijn een infractieprocedure te starten bij het Europees Hof van Justitie. In de loop van de tijd heeft het Europese Hof van Justitie in verschillende uitspraken lidstaten in het ongelijk gesteld vanwege het niet adequaat aanwijzen van kwetsbare zones conform de Nitraatrichtlijn. Dit heeft in de betreffende lidstaten geleid tot uitbreiding van het areaal aangewezen kwetsbare zones, dan wel aanwijzing van het gehele grondgebied.5
Kunt u bevestigen dat Nederland dus de mogelijkheid heeft om de strengere mestnormen die per 1 januari 2026 zullen gelden, evenals andere verplichtingen voortvloeiende uit de Nitraatrichtlijn, van toepassing te laten zijn op een kleiner grondgebied dan momenteel het geval is? Deelt u de mening dat dit de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk zou kunnen verlichten?
Het 7e actieprogramma is van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Bij het vaststellen van een volgend actieprogramma kan Nederland de reikwijdte van het actieprogramma opnieuw wegen.
Klopt het dat u over een eventuele wijziging van de Nederlandse lijst met kwetsbare zones advies heeft gevraagd aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)?
Aan de CDM is advies gevraagd over de mogelijkheid om de actieprogramma’s onder Nitraatrichtlijn niet langer van toepassing te laten op het gehele Nederlandse grondgebied, maar enkel op kwetsbare zones. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4.
Kunt u dit advies per ommegaande aan de Kamer doen toekomen, indien dit antwoord bevestigend luidt?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid de Nederlandse lijst met kwetsbare zones zo spoedig mogelijk te herzien, om zo de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk te verlichten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit bewerkstelligen?
In de beantwoording van vraag 2 heb ik aangeven dat in Nederland op basis van de Nitraatrichtlijn de keuze is gemaakt om het actieprogramma van toepassing te laten zijn op het hele Nederlandse grondgebied. Er is derhalve geen lijst met kwetsbare zones.
Kunt u deze vragen, gezien het feit dat de nieuwe mestnormen per 1 januari 2026 ingaan, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één week beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
Het doodschieten van een wolf. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Wat ging er door u heen toen u kennisnam van het bericht van provincie Utrecht dat op de Utrechtse Heuvelrug een wolf is doodgeschoten?1
Van de provincie Utrecht heb ik vernomen dat de houder van de afschotvergunning voor probleemwolf GW3237m de provincie heeft geïnformeerd dat er een wolf is afgeschoten op de Utrechtse Heuvelrug, waarvan werd aangenomen dat het probleemwolf GW3237m was. Ik ben blij dat de provincie en houder van de afschotvergunning adequaat hebben kunnen optreden, omdat er grote zorgen leefden in de omgeving over deze probleemwolf.
Kunt u bevestigen dat de jager op het moment van schieten niet met zekerheid kon vaststellen of het om wolf Bram, het dier waarvoor een afschotvergunning is verleend, ging?
Of het hier de probleemwolf GW3237m betrof moest DNA-onderzoek uitwijzen. Op 12 december jongstleden werd bevestigd dat het hier inderdaad probleemwolf GW3237m betrof.
Kunt u bevestigen dat het verboden is om een beschermd dier te doden wanneer op het moment van schieten onduidelijk is of voor dat specifieke dier een afschotvergunning is afgegeven? Zo nee, hoe wordt dan voorkomen dat beschermde dieren onnodig worden gedood?
Het doden van een wolf is door de wijziging van de beschermingsstatus onder de Habitatrichtlijn in Nederland niet langer vergunningplichtig. Om het doden van een wolf weer vergunningplichtig te maken, is nodig dat het ontwerp-Besluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de bescherming van de wolf en goudjakhals van kracht wordt. De behandeling in uw Kamer van het voorgehangen ontwerpbesluit is evenwel nog niet afgerond, nu uw Kamer op 18 juni 2025 heeft verzocht ter zake geen onomkeerbare stappen te zetten (Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 295).
Het doden van een wolf kan in strijd zijn met de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is aan provincies om erop toe te zien en eventueel bij maatwerkvoorschrift te verzekeren dat binnen de kaders van de specifieke zorgplicht wordt gehandeld. Dit betekent dat alle zorgvuldigheid in acht moet worden genomen om te voorkomen dat een wolf wordt gedood waarvoor dat niet gerechtvaardigd is. Voor de volledigheid deel ik u mee dat de afschotvergunning betreffende wolf GW3237m is afgegeven onder het eerdere beschermingsregime voor wolven.
Welke sancties staan op het doden van beschermde wolven, waarvoor geen afschotvergunning is verleend?
Handelen in strijd met artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving – dat zijn grondslag vindt in artikel 4.3 van de Omgevingswet – kan een strafbaar feit opleveren op grond van artikel 1a, aanhef en onder 1°, van de Wet economische delicten. Als sprake is van opzettelijk handelen dan geldt het strafbaar feit als een misdrijf en kan een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Is geen sprake van opzet, dan geldt het strafbaar feit als een overtreding waarvoor hechtenis van ten hoogste een jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd. Verwezen wordt naar de artikelen 2 en 6 van de Wet economische delicten.
Kunt u bevestigen dat handhavend zal worden opgetreden, omdat op het moment van schieten onduidelijk was of voor de wolf een afschotvergunning is verleend? Zo nee, waarom niet?
Ik heb hierover navraag gedaan bij de provincie Utrecht. De provincie Utrecht geeft aan dat voor wolf GW3237m een afschotvergunning is verleend. De provincie Utrecht geeft aan dat er op dit moment geen aanleiding is tot handhaving.
Kunt u bevestigen dat tevens handhavend zal worden opgetreden als blijkt dat niet wolf Bram, maar een andere wolf is doodgeschoten? Zo nee, waarom niet en hoe rijmt dit met de wet?
Zie mijn antwoorden op de vragen 2 en 5.
Bent u bereid om provincie Gelderland per direct op te roepen om de afschotvergunning voor wolf Hubertus in te trekken om te voorkomen dat meer wolven worden doodgeschoten, terwijl blijkbaar niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het om het juiste dier gaat? Zo nee, waarom niet?
De bevoegdheid ligt hier bij gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, niet bij mij. Ik kan en ga mij niet mengen in de bevoegdheid van een ander bestuursorgaan. En ik doe er alles aan om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en om te verzekeren dat – als deze zich toch voordoen – er daadkrachtig kan worden opgetreden. Daar strekt ook het in het antwoord op vraag 3 genoemde ontwerpbesluit toe, dat voor de zomer 2025 bij de Tweede Kamer en de Eerste Kamer is voorgehangen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is helaas niet binnen één week gelukt.
Het artikel 'Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?»?1
Ja.
In het artikel wordt gesproken over een vaccin tegen het vogelgriepvirus voor kippen dat door de European Medicines Agency (EMA) is goedgekeurd, is dit goedgekeurde vaccin wellicht een «mRNA-vaccin»?
Het in het artikel genoemde vaccin is geen mRNA-vaccin, maar een vectorvaccin, INNOVAX-ND-AI, van MSD Animal Health. Dat is een vaccin dat na een beoordeling door het Europees Medicijnagentschap (EMA), door de Europese Commissie is toegelaten in de Europese Unie, voor gebruik bij kippen. Dit vaccin is door het EMA beoordeeld op werkzaamheid en veiligheid voor dier, mens en milieu.
Betreft dat misschien dit door de EMA goedgekeurde (mRNA-)vaccin, gezien het feit dat er wordt gesproken over één pluimveehouderij in Nederland die zijn kippen heeft gevaccineerd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waar worden de eieren van deze pluimveehouderij in Nederland verkocht? Kan de Nederlandse consument op de verpakking zien dat de kippen die deze eieren hebben gelegd met dit (mRNA-)vaccin zijn gevaccineerd? Zo nee, waarom wordt dit voor de Nederlandse consument (bewust?) verborgen gehouden?
De eieren worden sinds eind juli 2025 via de bestaande afzetkanalen op de markt gebracht. Er is geen noodzaak om te melden in welke winkels de producten liggen, aangezien de eieren van gevaccineerde hennen veilig zijn.
Vindt u het belangrijk dat consumenten goed kunnen worden geïnformeerd over het voedsel dat ze eten?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat, zeker als consumenten daar prijs op stellen, pluimveehouders, te allen tijde, vrij zijn om aan te geven, op hun pak eieren, of de eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo nee, waarom niet? Waarom mogen consumenten niet weten of eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo ja, hoe kijkt u aan tegen de volgende zin in het genoemde artikel: «Je wit niet, zegt hij, dat in andere landen eieren op de markt worden gebracht van kippen die «ongevaccineerd» zijn, als een soort keurmerk.?»; waarom zou men dat niet willen? Wat is erop tegen om consumenten, die dat graag willen weten, in staat te stellen te achterhalen of de eieren op hun bord wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Hoe gaat u deze consumenten beschermen en garanderen dat Nederlandse pluimveehouders, die dat willen, op hun doosje eieren wel degelijk kunnen (blijven) aangeven dat de eieren afkomstig zijn van (on)gevaccineerde kippen?
Consumenten eten al decennia eieren en vlees van gevaccineerde kippen. Kippen worden tegen veel ziekten gevaccineerd, ook met vergelijkbare vaccins. Voorbeelden van ziekten waartegen wordt gevaccineerd zijn infectieuze bronchitis, infectieuze bursitis, infectieuze larynhgotracheitis, Newcastle disease, Salmonella Enteritidis en coccidiose. Dit gebeurt met vaccins die op de markt zijn toegelaten na een beoordeling op werkzaamheid en veiligheid voor mens, dier en omgeving. De eieren en het vlees van gevaccineerde kippen zijn veilig voor humane consumptie. Op verpakkingen van eieren en vlees staat niet welke vaccins zijn toegediend. Dit geldt ook in het geval van de eieren en het vlees van de kippen uit de pilot. Ik wil u er ook op wijzen dat het Voedingscentrum Nederland informatie geeft over voedsel afkomstig van gevaccineerde dieren2.
Het door de Kamer geëiste verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij, dat de minister nog altijd niet heeft ondertekend, waardoor tijdige inwerkingtreding in gevaar komt. |
|
Joost Eerdmans (JA21), Sandra Beckerman (SP), Dion Graus (PVV), Laurens Dassen (Volt), Laura Bromet (GL), Anne-Marijke Podt (D66), Esther Ouwehand (PvdD), Pieter Grinwis (CU) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat u het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij nog altijd niet hebt ondertekend, zoals gemeld door RTL, waardoor het onzeker is of het verbod per 1 januari 2026 in werking zal treden, terwijl dit eerder wel is toegezegd?1
De stukken zijn gereed voor de laatste stappen in de besluitvorming. Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Gaat u alsnog uitvoering geven aan de heldere opdracht van de Kamer en ervoor zorgen dat het verbod per 1 januari 2026 in werking kan treden? Zo ja, wanneer gaat u het verbod tekenen?
Zoals ik in mijn brief aan de TK van 27 november 2025 heb geschreven (Kamerstuk 2025D48643), is het streven dat inwerkingtreding op 1 januari 2026 zal plaatsvinden. Hiervoor heb ik voortdurend de benodigde stappen gezet.
Kunt u deze vragen uiterlijk maandag 1 december 2025 beantwoorden?
Ja.
Het uitblijven van een verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom u tegen de wens van de Kamer in gaat door niet het verbod op de toegezegde datum naar de Kamer te sturen?1
Begin dit jaar is het ontwerpbesluit voor een verbod op het gebruik elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij ter notificatie aan de Europese Commissie voorgelegd. Gedurende de stand-still van 3 maanden heb ik geen opmerkingen van de Europese Commissie ontvangen, daarmee is de standstill-periode geëindigd.
Ik heb daarna advies bij de Afdeling advisering van Raad van State aangevraagd. De streefdatum van inwerkingtreding op 1 juli 2025 is helaas niet gehaald, omdat ik nog het advies van de Afdeling advisering van Raad van State afwachtte. Op 28 juli 205 is het advies van de Afdeling advisering openbaar gemaakt2.
Naar aanleiding van het ontvangen advies van de Raad van State heb ik vervolgens nog wijzigingen verwerkt in het ontwerpbesluit en de bijbehorende nota van toelichting. Dit proces heeft enige tijd in beslag genomen.
Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad voor akkoord worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Kunt u toelichten waarom er nog steeds geen wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd, ondanks de lang verstreken termijn van 1 juli 2025?
Er is geen wetsvoorstel dat naar de Kamer zal worden verstuurd. Het verbod wordt door middel van een algemene maatregel van bestuur vormgegeven. Het ontwerp van die AMvB is in het kader van de voorhang aan de Kamers voorgelegd. Voor de stappen die daarna hebben plaatsgevonden verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 1.
Zijn er op dit moment juridische bezwaren of beperkingen, bijvoorbeeld door de Europese Commissie of andere instanties die de publicatie vertragen? Zo ja, welke? Zo nee, kunt u toelichten op welke manier het verbod technisch of financieel niet uitvoerbaar is, gezien er verder geen reden is om de wens van de Kamer niet te honoreren?
Er zijn op dit moment geen juridische bezwaren of beperkingen die in de weg staan aan de bekendmaking van het verbod.
Kunt u de Kamer volledig informeren over de stand van zaken met betrekking tot het verbod?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Welke rol zal de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben bij toezicht op de naleving van het verbod zodra het van kracht is?
De NVWA is de bevoegde autoriteit voor het toezicht op het gebruik van elektrische veedrijfmiddelen.
Tegelijkertijd ligt de verantwoordelijkheid voor het naleven van wet- en regelgeving in de eerste plaats bij de bedrijven zelf. Voor het welzijn van de dieren is het cruciaal dat medewerkers die met dieren omgaan goed opgeleid zijn en zich bewust zijn van hoe menselijk handelen het dierenwelzijn kan beïnvloeden. Ik verwacht van de sectorpartijen dat zij in deze voorwaarden voorzien.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat overtredingen effectief kunnen worden bestraft en dat herhaling wordt voorkomen?
Omdat overtredingen op dit verbod fysiek en op heterdaad vastgesteld moeten worden, heeft de NVWA in haar handhaafbaarheid-, uitvoerbaarheid- en fraudebestendigheidstoets aangegeven dat dit verbod slechts beperkt handhaafbaar is. Daarbij komt dat bij het laden en lossen van dieren bij nationale transporten (waar deze wetswijziging betrekking op heeft), geen toezichthouder van de NVWA aanwezig is, omdat bedrijven niet verplicht zijn deze transporten aan de NVWA te melden. De NVWA heeft daardoor geen zicht op wanneer deze transporten plaatsvinden.
Welke alternatieven voor het gebruik voor stroomstoten, zoals diervriendelijke methoden, ondersteunt uw ministerie en hoe stimuleert u de sector om die alternatieven te implementeren?
Alternatieven voor het voortdrijven van dieren zijn onder meer opdrijframmelaars, drijfschotten, plastic zakken, vlaggen en stokken met plastic linten. Onderzoek van de Amerikaanse professor Temple Grandin heeft aangetoond dat ongewenst stilvallen van dieren zoveel mogelijk kan worden voorkomen, door logische looplijnen en het creëren van een rustige omgeving tijdens het laden. Dit omvat bijvoorbeeld ook het vermijden van afleidingen zoals reflecties, en het voorkomen van geluidsoverlast. Deze hulpmiddelen worden in de praktijk al gebruikt, naast het gangbare elektrische veedrijfmiddel en zijn binnen de sector reeds bekend.
Welke concrete afspraken zijn er gemaakt met transporteurs, veehouders en andere betrokkenen over de overgang naar alternatieven vóór de inwerkingtreding van het verbod?
Sinds 2021 hebben gesprekken met de sector plaatsgevonden over alternatieven voor het elektrisch veedrijfmiddel. Deze gesprekken hebben niet kunnen voorkomen dat nieuwe incidenten met onjuist gebruik van de elektrische veedrijfmiddel geconstateerd werden, die ook het nieuws haalden. Om die reden heeft mijn voorganger het verbod aangekondigd3. De totstandkoming van dit verbod, en het feit dat hieraan gewerkt werd, is al geruime tijd bekend binnen de sector en dit is ook meermaals in gesprekken met de sector langsgekomen. Van de sector verwacht ik dat zij zich actief zullen blijft inzetten om het gebruik van de eerder beschreven alternatieven te stimuleren.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken het wetsvoorstel naar de Kamer sturen voor behandeling?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken deze vragen beantwoorden?
Ja.
Het Trouw-artikel ‘Wat hebben Nederlandse landbouwbedrijven op een beurs in Rusland te zoeken? ‘Voedsel is een mensenrecht’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat meerdere Nederlandse landbouwbedrijven deelnemen aan een landbouwbeurs in Krasnodar en actief blijven op de Russische markt?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland op elke mogelijke manier zou moeten voorkomen dat Nederlandse bedrijven, direct of indirect, bijdragen aan de economische weerbaarheid van de Russische oorlogsmachine?
Het kabinet zet in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne in op het verder verhogen van de druk op Rusland. De sancties van de Europese Unie en G7-partners zijn erop gericht om de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk te belemmeren. Hierbij weegt het kabinet continu de impact van de sancties af tegen andere zwaarwegende belangen, waaronder het belang van mondiale voedselzekerheid.
Deelt u de mening dat de export van landbouwmachines de Russische landbouwsector versterkt en daarmee de weerbaarheid van het land vergroot?
Het kabinet deelt de mening dat de export van landbouwmachines in bepaalde gevallen kan bijdragen aan de economische weerbaarheid van Rusland. Dit risico moet voortdurend afgewogen worden tegen zwaarwegende humanitaire belangen zoals de mondiale voedselzekerheid. Het kabinet heeft in het verleden voorstellen gedaan om de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland te verbieden en blijft zich hier in lijn met de motie Teunissen2 voor inspannen.
Hoe duidt u het feit dat de export van landbouwmachines met bijna 10 miljoen is gestegen tussen 2021 en 2023?
De export van landbouwgerelateerde goederen naar Rusland is gestegen van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 193 miljoen in 2023. De export daalde in 2024 naar EUR 123 miljoen.3 Deze verzamelcategorie bevat naast landbouwmachines ook gewasbeschermingsmiddelen, diervaccins, meststoffen en machines voor de voedingsmiddelenindustrie.
Jaarlijks fluctueren de exportwaardes van deze subcategorieën. Daardoor is niet met zekerheid vast te stellen dat de stijging van de totale exportwaarde van landbouwgerelateerde goederen specifiek toe te schrijven is aan enkel landbouwmachines.4
Hoe beoordeelt u het morele argument van Nederlandse bedrijven dat «voedsel geen wapen mag zijn» richting Rusland, in het licht van recente cijfers van het Verenigde Naties World Food Program (WFP), waaruit blijkt dat als gevolg van de Russische oorlog inmiddels naar schatting vijf miljoen Oekraïners kampen met voedselonzekerheid?2
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat voedsel nooit als wapen mag worden ingezet en veroordeelt Russische aanvallen op de Oekraïense landbouwsector ten zeerste. De belangrijkste prioriteiten van het kabinet zijn het financieel ondersteunen van Oekraïne en het verder vergroten van de druk op Rusland. De druk op Rusland voert Nederland onder meer in Europees verband op door het instellen van sancties die gericht zijn op het zo veel mogelijk belemmeren van de Russische oorlogseconomie. Het kabinet weegt hierbij constant diverse belangen tegen elkaar af, zoals de impact van sancties op Rusland zelf en het belang van mondiale voedselzekerheid. Het kabinet blijft zich inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland. Nederland ondersteunt Oekraïne en andere landen middels ongeoormerkte bijdragen aan het World Food Programme.
Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de op 2 december jl. aangenomen gewijzigde motie van het lid Teunissen over het in kaart brengen van maatregelen om de activiteiten van Nederlandse en andere Europese agrobedrijven in Rusland aan banden te leggen.6
Heeft u in kaart gebracht of Nederlandse landbouwmachines en -technologie vallen binnen de sectoren waarvoor Rusland sterk afhankelijk is van Europa, zoals benoemd in de Europese Unie (EU)-lijst van exportverboden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nederlandse producenten van landbouwmachines en -technologie zijn gebonden aan specifiek de EU-brede sanctieverordeningen, zoals de EU verordening «betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren»7 en waarin de exportverboden naar Rusland worden beschreven. Deze verboden bevatten uitgebreide lijsten met goederen en technologie die niet mogen worden geëxporteerd naar Rusland, waaronder bijvoorbeeld tractoren en aanhangers. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om verder onderzoek te verrichten, maar blijft streven naar verdere maatregelen. Het kabinet blijft zich in het bijzonder inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige technologie naar Rusland.
Heeft u zicht op de wijze waarop Nederlandse bedrijven opereren op de Russische markt, bijvoorbeeld via lokale dochterondernemingen of distributeurs, en dat via deze constructies wordt bijdragen aan sanctie-ontwijking?
Nederlandse bedrijven zijn wereldwijd actief. In het geval dat bedrijven toch zaken doen met of actief zijn in landen waar sancties gelden, ook mogelijk door dochterondernemingen of distributeurs, is het essentieel dat zij zich aan de sanctieregelgeving houden. Op dit moment is het binnen de geldende sanctieregelgeving nog mogelijk voor (dochter-)ondernemingen van Europese bedrijven om in Rusland voor bepaalde zaken actief te zijn. Het kabinet neemt eventuele signalen over sanctieschending uiterst serieus. Er wordt in die gevallen onderzoek gedaan naar eventuele overtredingen van sanctieregelgeving door de daartoe bevoegde handhavende autoriteiten.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven in gesprek te gaan over de morele implicaties van hun aanwezigheid op de Russische markt en hen te verzoeken hun activiteiten te heroverwegen?
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven, ook in de agrosector, op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de intensivering van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich helemaal terug te trekken uit Rusland. Vanwege Russische tegenmaatregelen is dit niet altijd eenvoudig.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad op 9 december 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het risico van resistente schimmels door het gebruik van landbouwgif |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat het volgende week World Antimicrobial Awareness Week is, een week waarin aandacht wordt gevraagd voor antimicrobiële resistentie en voor het stimuleren van goede praktijken waarmee deze resistentie kan worden voorkomen?1
Ja. World Antimicrobial Awareness Week is een belangrijk jaarlijks (inter)nationaal moment om aandacht te vragen voor antimicrobiële resistentie, bij zowel betrokken professionals als bij burgers. In Nederland vonden verschillende activiteiten plaats, waarbij het belang is benadrukt van juist middelengebruik, preventie van infecties en versterking van monitoring en surveillance, om zo resistentie te voorkomen.
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Pointer (KRO-NCRV) van 2 november 2025 over resistente schimmels, in het bijzonder Aspergillus fumigatus, en de grote gevaren voor de volksgezondheid? Wat is uw reactie hierop?
Ja. In de strijd tegen resistente micro-organismen was aanvankelijk vooral aandacht voor infecties met bacteriën die ongevoelig zijn geworden voor antibiotica. Echter, ook bij andere soorten micro-organismen, zoals schimmels, kan resistentie tegen veelgebruikte antimicrobiële middelen ontstaan en zich verspreiden. Resistentie bij schimmels, in het bijzonder Aspergillus fumigatus, vormt een toenemend probleem en bedreigt de behandelbaarheid van schimmelinfecties bij mensen. Dit is een belangrijk argument om het beleid te verbreden naar het tegengaan van resistentie tegen alle soorten antimicrobiële middelen. In het Nederlands Actieplan voor het terugdringen van antimicrobiële resistentie 2024–20302 komt de verbreding van dit beleid terug en zijn acties opgenomen om resistentie tegen antimicrobiële middelen zoveel mogelijk tegen te gaan. De ontwikkeling van resistentie bij de schimmel Aspergillus fumigatus wordt nauwlettend in de gaten gehouden. Uw Kamer is daarover regelmatig geïnformeerd.3
Bent u ermee bekend dat het gebruik van dezelfde werkzame middelen in én de landbouw én geneesmiddelen (kruis)resistentie tot gevolg kan hebben, waarbij bijvoorbeeld schimmels resistent worden tegen de werkzame stof en de effectiviteit van geneesmiddelen daardoor sterk afneemt?
Ja. Het is bekend dat het gebruik van dezelfde werkzame stoffen in én de landbouw én in geneesmiddelen kruisresistentie tot gevolg kan hebben. Dit mechanisme is onderwerp van meerdere recente studies en beoordelingen van Europese instanties. Ook de Gezondheidsraad benoemt dit in het advies «resistentie ondermijnt de behandeling van schimmelinfecties» uit 2024. Over de aanbevelingen en hoe deze opgevolgd worden, is uw Kamer geïnformeerd.4
Afgelopen januari hebben vijf Europese agentschappen, waaronder de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA), een rapport gepubliceerd over de impact van het gebruik van azolen fungiciden buiten humaan gebruik op de ontwikkeling van azolenresistente Aspergillus spp (species).5 Het rapport geeft aan dat op basis van huidige kennis azolenresistente Aspergillus fumigatus vanuit het milieu op mensen kan worden overgedragen. Daarnaast draagt het niet-medische gebruik van azolen zeer waarschijnlijk bij aan het ontstaan van azolenresistentie bij deze schimmel. Het Ministerie van LVVN is in overleg met Wageningen University and Research (WUR) over de mogelijkheid van onderzoek naar alternatieve afvalbeheermethodes die de ontwikkeling en verspreiding van deze resistente schimmel kunnen beperken. Daarnaast heeft het RIVM een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de kruisresistentie in schimmelziekteverwekkers door duaal gebruik van fungiciden en niet-fungiciden. Uw Kamer is op 11 december jl. geïnformeerd over dit onderzoek.6
Bent u ermee bekend dat de Tweede Kamer al in 2014 een motie heeft aangenomen waarmee de regering werd opgeroepen om landbouwgif dat resistente schimmels kan veroorzaken van de markt te halen?2
Ja, de motie van het lid Ouwehand (PvdD) uit 2014 is bekend. In 2014 was er nog weinig bekend over de relatie tussen het gebruik van specifieke middelen met triazolen en het ontstaan van resistentie bij de schimmel Aspergillus fumigatus. Daarom is er destijds opvolging aan de motie gegeven door wetenschappelijk onderzoek uit te laten voeren om deze relatie nader te onderzoeken.8
Heeft u voldoende zicht op welke middelen er in landbouw (gaan) worden gebruikt, waarbij dit een risico is? Zo ja, kunt u een overzicht geven van deze middelen?
Kruisresistentie tussen werkzame stoffen die worden gebruikt in de landbouw en geneesmiddelen is geen onderdeel van de huidige risicobeoordeling van stoffen in de EU. Het is dan ook niet mogelijk om een volledig overzicht te geven. In het onderzoek van vijf Europese agentschappen naar kruisresistentie bij de schimmel Aspergillus fumigatus als gevolg van het gebruik van azolen in de landbouw als biocide en als diergeneesmiddel, is een eerste opzet gepresenteerd voor methodiekontwikkeling hoe in de stofbeoordeling kruisresistentie met geneesmiddelen kan worden meegenomen. Het kabinet vindt dit een belangrijke ontwikkeling en heeft dan ook aangedrongen bij de Europese Commissie om de methodiek verder te ontwikkelen.
Bent u ermee bekend dat de Europese Unie (EU) een middel met dezelfde werkzame stof als het beloftevolle geneesmiddel Olorofim op de nominatie heeft staan om te worden toegelaten als landbouwgif?
Nederland is beoordelend lidstaat van de werkzame stof ipflufenoquin met beoogd gebruik als gewasbeschermingsmiddel tegen schimmels. Het betreft een andere werkzame stof dan het geneesmiddel Olorofim, maar heeft wel een vergelijkbaar werkingsmechanisme. De stof ligt nog onder beoordeling en zal daarna een uitgebreid peer review proces, inclusief publieke consultatie, doorlopen bij de EFSA. EFSA stelt vervolgens een concluderend rapport op voor de Europese Commissie. Op basis van dit rapport maakt de Commissie een voorstel over het wel of niet goedkeuren van de werkzame stof en kan hierbij maatregelen voorstellen voor het reduceren van eventuele risico’s. Dit voorstel wordt vervolgens te zijner tijd ter stemming voorgelegd aan de lidstaten via het Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) over regelgeving voor gewasbescherming. Uw Kamer zal te zijner tijd worden geïnformeerd over het Nederlandse standpunt via de SCoPAFF brief.
Kunt u bevestigen dat u zich volgens het Nationaal Actieplan AMR 2024–2030 in de EU inzet om dergelijk gebruik te voorkomen en de werking van dit mogelijk levensreddend medicijn veilig te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ja, diverse acties in het actieplan zijn hierop gericht, zoals de inzet om vanuit Nederland in Europa en internationale fora aandacht te vragen voor de resistentieproblematiek bij schimmels en te bepleiten dat nieuw ontwikkelde schimmelwerende middelen uitsluitend worden gereserveerd voor gebruik als geneesmiddel voor mensen.
Welke stappen onderneemt Nederland binnen de EU en richting de Europese Commissie om de toelating van landbouwgif met deze stof te voorkomen?
Nederland brengt dit onderwerp onder de aandacht in verscheidene Europese gremia, waaronder SCoPAFF gewasbescherming. Nederland heeft naar aanleiding van het EU-rapport over kruisresistentie opgemerkt dat het exclusief reserveren van nieuw ontwikkelde antischimmelstoffen niet als aanbeveling was opgenomen. Nederland erkent daarbij wel dat het een wetenschappelijk rapport is, en dat dit een complexe politieke discussie op EU-niveau is. Nederland pleit voor het exclusief reserveren van antischimmelstoffen en benadrukt dat deze discussie Europees zo snel mogelijk gevoerd moet worden.
In de meest recente SCoPAFF-bijeenkomst over gewasbescherming heeft de Europese Commissie bovendien aangegeven dat zij een vervolgmandaat aan de EFSA overwegen voor de ontwikkeling van een beoordelingsmethode waarmee het risico van het gebruik van azool-fungiciden concreet kan worden ingeschat. Met een methode voor het toetsen van risico’s op kruisresistentie wordt het mogelijk om de discussie over het voorbehouden van antischimmelstoffen voor humaan gebruik voort te zetten.
Bent u van mening dat de maatregelen uit het Nationaal Actieplan voor het terugdringen van antimicrobiële resistentie 2024–2030 voldoende effectief en concreet zijn in het bestrijden van dergelijke dubbeltoepassing in landbouw en geneeskunde? Zo ja, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u dat?
De maatregelen uit het Nederlands Actieplan bieden belangrijke aangrijpingspunten voor het aanpakken en terugdringen van antimicrobiële resistentie. Het beteugelen van dit specifieke probleem is echter een grote uitdaging vanwege het grensoverschrijdende karakter. Dit vergt dat ook bij andere landen de bereidheid bestaat om dubbeltoepassing van antischimmelstoffen in de landbouw en geneeskunde te bestrijden. Nederland zet zich in om dit internationaal te agenderen.
Heeft u gezien dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) in Pointer stelt dat het binnen de huidige Europese wetgeving nauwelijks mogelijk is om toelatingen van antischimmelmiddelen te weigeren, ook wanneer nationale volksgezondheidsrisico’s evident zijn? Onderschrijft u dit? Wat vindt u hiervan?
Het Ctgb kwam aan het woord in een uitzending van het programma Focus van de NTR dat was gewijd aan «schadelijke schimmels» in 2025, waarbij werd gesteld dat er geen Europese wettelijke basis is om stoffen die ook voor humaan gebruik zijn ontwikkeld, niet toe te laten voor andere toepassingen. Het kabinet vindt het belangrijk dat een wettelijke basis er wel komt. Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vragen 7, 8 en 9 pleit Nederland voor de reservering van nieuwe antischimmelstoffen voor humaan gebruik in verschillende Europese gremia en is de inzet van Nederland om op Europees niveau te bezien wat de mogelijkheden zijn voor het meewegen van het risico van kruisresistentie bij de Europese goedkeuring van werkzame stoffen en bij de nationale toelating van biociden en gewasbeschermingsmiddelen.
Hoe verklaart u dat in Frankrijk zeer schadelijke pesticiden, die in de EU zijn toegelaten, wel op nationaal niveau werden verboden en dat een poging om het middel Acetamiprid weer toe te laten werd zelfs tegengehouden door de Franse Grondwettelijke Raad?3
In 2018 heeft Frankrijk een nationaal verbod voor acetamiprid ingevoerd vanwege risico’s voor bestuivers. In juli 2025 werd de wet «Duplomb», gericht op het wegnemen van belemmeringen voor het uitoefenen van de landbouw, door het Franse parlement aangenomen. Dit betekende onder andere een gelijkschakeling met een aantal EU-normen, en daarmee de herintroductie van het eerder nationaal verboden gewasbeschermingsmiddel acetamiprid. Een aantal politieke partijen had intussen het Constitutionele Hof gevraagd zich uit te spreken over de Wet Duplomb, waarbij het Hof oordeelde dat de wet in principe grondwettelijk was, behalve de herintroductie van acetamiprid (en een klein aantal andere bepalingen). Herintroductie van acetamiprid, op de voorgestelde manier, was niet in lijn met «Charte de l’Environnement», een Franse wetstekst (handvest) die het milieu moet beschermen. De Wet Duplomb, zonder de bepaling over de toelating van acetamiprid, is uiteindelijk door president Macron ondertekend en is daarmee van kracht geworden.
Heeft u gezien dat een petitie tegen de toelating van dit landbouwgif in een korte tijd miljoenen handtekeningen haalde in Frankrijk? Wat zegt dit volgens u over het maatschappelijke draagvlak voor wetgeving om burgers beter te beschermen tegen landbouwgif?
Ja. Deze petitie die in een korte tijd veel handtekeningen heeft gekregen, toont maatschappelijke betrokkenheid aan van een groep burgers die actief steun toont voor strengere wetgeving ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen, specifiek voor neonicotinoïden, in Frankrijk.
Hoe verklaart u dat Frankrijk dit soort middelen wel verbiedt, maar Nederland niet?
In Frankrijk is de «Charte de l'Environnement», een handvest ter bescherming van het milieu, opgenomen in de Franse Grondwet. Het Constitutionele Hof heeft vastgesteld dat de herintroductie van acetamiprid niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit handvest. In Nederland heeft het Ctgb de betreffende middelen beoordeeld en geconcludeerd dat ze voldoen aan de geldende wettelijke criteria.
Bent u bereid om in de World Antimicrobial Awareness Week met maatregelen te komen om de toelating van landbouwgif dat resistente schimmels kan veroorzaken te verbieden, en daarmee de gezondheid van Nederlanders te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet continueert de huidige inzet en zet zich zowel nationaal als Europees in om kruisresistentie te beperken. De inzet van het kabinet is dat protocollen en testrichtlijnen EU-breed worden toegepast in de risicobeoordeling. Gezien het feit dat stoffentoelating op EU-niveau wordt geregeld, is een EU-brede harmonisatie niet slechts wenselijk maar noodzakelijk om besluitvorming over beperkingen voor niet-medisch gebruik mogelijk te maken.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk gedurende de World Antimicrobial Awareness Week beantwoorden?
Nee, dit is helaas niet gelukt.
De rondrazende vogelgriep en de grote risico’s voor de volksgezondheid |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Bruijn , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Maakt u zich ook zorgen over het toenemende aantal uitbraken van vogelgriep en over het feit dat er sinds begin oktober zo’n 450.000 kippen en fazanten in de veehouderij zijn vergast?1
In de wilde vogelpopulatie in Nederland is een toename in besmettingen met hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te zien. Ondanks vele preventieve maatregelen is er sprake van een toenemend aantal besmettingen bij gehouden pluimvee. Op 10 november heeft de Deskundigengroep Dierziekten het risico op vogelgriep op pluimveebedrijven beoordeeld als «zeer hoog». Ik vind de situatie zeer zorgwekkend en blijf dit nauwgezet monitoren.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van virologen en hoogleraren die stellen dat «vogelgriep kan zorgen voor een nieuwe pandemie met de omvang van de coronacrisis», maar dan «dodelijker» en dat die pandemie op elk moment zou kunnen uitbreken?2,3
Ja.
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid, en met name de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om risico’s op een nieuwe pandemie zoveel mogelijk in te perken en daarmee de gezondheid van Nederlanders te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Het is een verantwoordelijkheid van de overheid om de volksgezondheid te beschermen en risico’s op het ontstaan en de verspreiding van infectieziekten zoveel mogelijk te beperken. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van VWS zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u bevestigen dat commissie-Bekedam al 3,5 jaar geleden adviseerde om de risico’s op zoönosen te beperken, maar dat veel van de belangrijkste aanbevelingen nog steeds niet zijn uitgevoerd?
Het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is het belangrijkste advies geweest om te komen tot het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid. De aanbevelingen van de expertgroep zijn gewogen ten opzichte van al bestaande instrumenten en structuren, om zo te bepalen welke acties in het actieplan daadwerkelijk voor de versterking van het huidige zoönosenbeleid een plek moesten krijgen. Dit actieplan wordt uitgevoerd in de periode 2022–2026. Bij brief is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang. De uitvoering van het actieplan verloopt voortvarend. De aanbevelingen van de expertgroep zijn of worden daarmee grotendeels uitgevoerd. In januari 2026 ontvangt uw Kamer de volgende voortgangsrapportage.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat Nederland extra kwetsbaar is voor vogelgriep door de hoge dichtheid van (pluim)veehouderijen? Zo nee, waarom niet?4
Nederland heeft een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak. Nederland is daardoor kwetsbaar voor dierziekten, waaronder vogelgriep.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat de Nederlandse vee-industrie zelf een belangrijk risico vormt voor het ontstaan en verspreiden van zoönosen, vanwege het enorme aantal dieren dat op een klein oppervlak wordt gehouden en de hoge concentratie van stallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, heeft Nederland een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak, waardoor Nederland kwetsbaar is voor dierziekten, waaronder zoönosen.
Een hoge bedrijfsdichtheid draagt bij aan de kans op tussenbedrijfstransmissie.
Dat betekent dat een ziekteverwekker van een besmet bedrijf zich naar andere bedrijven kan verspreiden. Het kabinet zet in op het verminderen van de risico’s op uitbraken met en de verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers. Dit gebeurt onder meer door monitoring- en surveillanceprogramma’s en vaccinatie tegen bepaalde ziekteverwekkers, als ook door de beleidsmatige uitvoering van het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid en het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ook veehouders spannen zich in om dit risico te verkleinen. Zo zorgen bioveiligheidsmaatregelen bij veehouderijbedrijven voor vermindering van insleep van (zoönotische) ziekteverwekkers, en zijn houders alert; zij melden verdenkingen van een besmetting met een meldingsplichtige ziekte snel bij de NVWA. Op deze manier beperken we het risico voor de dier- en volksgezondheid.
Herinnert u zich dat de commissie-Bekedam nadrukkelijk adviseerde om het aantal veehouderijen en het aantal dieren in de veehouderij te beperken?
In het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is aangegeven dat om tot een reductie van het zoönoserisico te komen, de maximale bedrijfsdichtheid en de daarin gehuisveste dieren in een gebied zodanig moet zijn dat uitgebreide spreiding van zoönotische kiemen in zo’n situatie wordt voorkomen.
Kunt u bevestigen dat het toenmalige kabinet aankondigde te willen toewerken naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte en waterrijke gebieden en een verbod op uitbreiding in die risicogebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291)?
Het toenmalige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgenomen te streven naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveehouderijen in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en de mogelijkheden te verkennen voor een verbod op uitbreiding in deze gebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291).
Klopt het dat was aangekondigd dat er eerst een impactanalyse zou worden gedaan en dat deze eind 2023 naar de Kamer zou komen, maar dat deze er nog altijd niet is? Hoe verklaart u dit?
Ja, dat klopt. In het Intensiveringsplan preventie vogelgriep (Kamerstuk 28 807, nr. 291) is door het vorige kabinet opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) voeren een analyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. Het rapport hierover is nog niet definitief.
Op basis van het conceptrapport is RIVM gevraagd een inschatting te maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid.
RIVM zal deze vraag oppakken samen met experts van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR). Voor het analyseren van de impact is het van belang ook de scenario ’s en uitkomsten van het WSER-rapport mee te nemen. De plannen voor de impactanalyse op volks- en diergezondheid worden op dit moment uitgewerkt. Dit is een complex vraagstuk dat tijd vraagt. Ik vind het belangrijk dat deze analyse zorgvuldig wordt uitgevoerd. Dit soort structuurmaatregelen zijn immers ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse zal een zorgvuldige weging worden gemaakt op basis van proportionaliteit, geschiktheid en noodzaak.
Hoeveel pluimveebedrijven zijn er sinds het advies van de commissie-Bekedam nieuw gevestigd in pluimveedichte en waterrijke gebieden en hoeveel pluimveebedrijven zijn uitgebreid in deze gebieden?
Om een exact antwoord te geven op deze vraag, is informatie over verleende vergunningen voor nieuwvestiging of uitbreiding van pluimveebedrijven nodig. Ik beschik niet over een centrale database met dit soort informatie. Ik kan daarom geen antwoord geven op deze vraag.
Hoeveel kippen, eenden, fazanten, kalkoenen en andere dieren in de veehouderij zijn er sinds het advies van Bekedam vergast?
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van het aantal geruimde vogels sinds de publicatie van het rapport «Zoönosen in het Vizier» (6 juli 2021) tot en met 8 december 2025.
590.404
5.497.906
185.510
85.713
1.108.494
31.288
321.516
9.665
0
37.144
0
0
0
0
7.556
48.293
164.995
0
0
24.650
Op de website van de Rijksoverheid wordt een overzicht bijgehouden van alle uitbraken van vogelgriep en het aantal geruimde dieren.5
Deelt u het inzicht dat het uitblijven van maatregelen, in afwachting van een analyse over de impact voor de vee-industrie, heeft geleid tot extra dierenleed én vergrote risico’s voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil benadrukken dat veel maatregelen uit het Intensiveringsplan preventie vogelgriep al zijn uitgevoerd, of nu worden uitgevoerd, als aanvulling op het eerder bestaande preventie- en bestrijdingsbeleid. Dit doen we ter bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
De structuurmaatregelen die het vorige kabinet heeft opgenomen in het intensiveringsplan, betreffen maatregelen om het risico op en impact van uitbraken in de toekomst te beperken. De uitwerking hiervan vergt tijd, en deze maatregelen zullen naar verwachting ook pas op langere termijn effect sorteren.
In de impactanalyse die nu wordt uitgevoerd door experts, wordt zowel naar de impact op de sector als naar het effect op de volks- en diergezondheid gekeken. De uitkomsten van de impactanalyse zullen gebruikt worden bij de besluitvorming. In het antwoord op vraag 9 wordt het proces rondom de impactanalyse nader toegelicht.
De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid wordt periodiek beoordeeld door experts. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.6
Voor personen die beroepsmatig in contact komen met (mogelijk) besmette dieren, zowel wilde als gehouden dieren, wordt het risico als gemiddeld ingeschat. Dit is iets hoger dan in mei dit jaar, doordat er veel meer mensen worden blootgesteld door de vele uitbraken bij wilde en gehouden vogels op dit moment.
Deelt u de mening dat verder uitstel van deze maatregelen zeer ongewenst is, gezien de grote risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Om een besluit te kunnen nemen over deze maatregelen hebben we meer inzicht in de impact van deze maatregelen nodig. Het gaat om een ingrijpende maatregel waarvoor nieuwe wettelijke bevoegdheden en een gedegen onderbouwing nodig zijn. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.7
De huidige reeks aan uitbraken van vogelgriep doen zich overigens in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd.
Bent u ervan op de hoogte dat niet alleen de commissie-Bekedam maar ook het Europees Centrum voor Ziektepreventie en Ziektebestrijding (ECDC) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) hebben aanbevolen om de dichtheid van pluimvee en pluimveehouderijen te verlagen, zowel in waterrijke gebieden als daarbuiten? Wat heeft u met deze aanbeveling gedaan?5
Ja. De aanbevelingen die ECDC/EFSA doet in hun scientific opinion van 29 januari 2025 ondersteunen de structuurmaatregelen zoals geformuleerd in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Wanneer gaat u de maatregelen die in 2021 zijn geadviseerd en in 2023 zijn aangekondigd eindelijk doorvoeren?
De aanbevelingen uit het rapport «Zoönosen in het vizier» zijn gebruikt bij de totstandkoming van zowel het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid als het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen vogelgriep.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Ernstig dierenleed bij transporten van honderdduizenden zieke en kwetsbare biggetjes naar Zuid-Europa |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Nieuwsuur gezien en de beelden die zijn gemaakt door Stichting Eyes on Animals, waarin transporten van zieke en kwetsbare biggetjes van Nederland naar Zuid-Europa zijn gevolgd – een lot dat jaarlijks honderdduizenden biggetjes moeten ondergaan alleen maar omdat het goedkoper is om de dieren daar te slachten?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze beelden?
De NVWA onderzoekt de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Wat vindt u ervan dat kwetsbare biggetjes met afwijkingen, zoals breuken, groeiproblemen, aangebeten oren of abcessen, vanwege economische belangen op jonge leeftijd op transport worden gezet naar slachthuizen in Kroatië, Italië en Spanje?
Het betreft hier biggen die door een bepaalde afwijking niet grootgebracht kunnen worden tot vleesvarken. Zolang deze biggen geschikt zijn voor het geplande transport, mogen ze naar een slachthuis vervoerd worden. Die transporten volgen vraag en aanbod. In Nederland is er weinig tot geen vraag naar dit soort biggen, die worden hier nauwelijks tot niet gegeten. Daarom gaan deze biggen naar slachthuizen in het buitenland, waar er wel vraag is naar deze dieren.
Bent u ermee bekend dat deze transporten 18 tot 24 uur duren, de zieke en kwetsbare biggetjes gedurende de hele reis in overvolle vrachtwagens verblijven en geen toegang hebben tot voedsel en geen of zeer beperkte toegang tot water?
Ik ben ermee bekend dat in de praktijk gespeende biggen, mits zwaarder dan 10 kg, 18 tot 24 uur vervoerd worden. Dergelijke lange transporten van varkens, waaronder ook biggen, zijn op basis van de EU-Transportverordening toegestaan. Alle biggen moeten geschikt zijn voor het voorgenomen transport. Na een transporttijd van 24 uur moeten ze worden uitgeladen op een controlepost waar ze eten, drinken en minimaal 24 uur rust krijgen. Daarna mogen ze opnieuw 24 uur getransporteerd worden. Deze cyclus mag volgens EU-verordening 2020/688 (diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de EU van landdieren) maximaal 20 dagen duren. Het is wettelijk verplicht dat biggen tijdens transport voortdurend toegang hebben tot water via een geschikt drinkwatersysteem. Tijdens het vervoer moeten alle biggen ten minste gelijktijdig kunnen gaan liggen en in hun natuurlijke houding kunnen staan. Varkenshouders, exploitanten van verzamelcentra en vervoerders zijn wettelijk verplicht deze regels na te leven. De NVWA houdt hier toezicht op.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de onderzoekers van Eyes on Animals hebben waargenomen dat biggetjes in de vrachtwagens wanhopig naar water zoeken, zoveel honger hebben dat ze het zaagsel eten en over elkaar heen lopen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben bekend met de inhoud van de publicaties van Eyes on Animals. Biggen horen tijdens het transport voortdurend de toegang te hebben tot water via drinkwatersystemen die voor hen toegankelijk zijn. Op de beelden is te zien dat de biggen niet goed uit het beschikbare drinksysteem lijken te kunnen drinken ondanks dat het systeem toegankelijk is voor de dieren. Het wroeten in en het eten van zaagsel is niet per definitie een indicator dat de biggen honger hebben. Dit past ook bij normaal, onderzoekend gedrag van varkens. Op sommige beelden is verder te zien dat biggen dicht op elkaar liggen. Voor een deel is dit natuurlijk gedrag van varkens. Aan de hand van de beelden kan onvoldoende vastgesteld worden of alle dieren gelijktijdig konden gaan liggen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af om te bepalen of nog extra maatregelen nodig zijn.
Bent u ermee bekend dat de voorzitter van de Productenorganisatie Varkenshouderij (POV) in reactie op de beelden liet weten «niets schokkends» te hebben gezien?
Ik heb de reactie van de voorzitter van de POV gezien.
Heeft u kennisgenomen dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) juist stelt dat op de beelden overtredingen te zien zijn, zoals dat varkens met grote abcessen in overvolle transportwagens worden getransporteerd, met het risico dat andere varkens op deze abcessen trappen of liggen, wat voor het dier zelf zeer pijnlijk is?
Ik heb kennisgenomen dat de NVWA stelt dat op de beelden biggen te zien zijn met ernstige navelbreuken die niet vervoerd hadden mogen worden. Het onderzoek naar de beelden loopt nog. De NVWA bekijkt hoe ze passend maatregelen kan nemen.
Hoe verklaart u dat de varkenssector zelf zegt niets schokkends op de beelden te zien en daarmee aangeeft dat de praktijken op deze beelden normaal zijn, terwijl de NVWA juist aangeeft dat er sprake is van overtredingen van de transportwetgeving?
Het is niet aan mij om de reactie van de sector te interpreteren.
Bent u bereid om de varkenssector te corrigeren en erop te wijzen dat er wel degelijk schokkende en onacceptabele praktijken te zien zijn op de beelden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van de sector dat zij zich aan de geldende wet- en regelgeving houdt. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Heeft u gezien dat de NVWA, vanwege gebrek aan capaciteit, de varkenssector zelf heeft gevraagd om een goede voorselectie te doen van de biggen die op transport worden gezet?
De sector is verantwoordelijk voor een zorgvuldige voorselectie van dieren voorafgaand aan deze transporten. Daarover heeft de NVWA met ondersteuning van mijn departement heldere afspraken gemaakt met verschillende brancheorganisaties, die zijn vastgelegd in het sectorprotocol transportwaardigheid. Ik verwacht dat de sector zich aan deze afspraken houdt. Waar dat niet gebeurt, grijpt de NVWA in. Bijvoorbeeld door een nieuwe voorselectie te eisen of door geen gezondheidscertificaat af te geven voor dieren die niet goed zijn voorgeselecteerd. Deze afspraken zijn niet gemaakt vanwege gebrek aan capaciteit bij de NVWA.
Vindt u dit een verstandig besluit, aangezien de sector zelf aangeeft van mening te zijn dat dit dierenleed niet schokkend is, en dit weinig vertrouwen schept dat zij zelf streng zullen toezien op dierenwelzijn?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Kunt u aangeven welke sancties of maatregelen de NVWA heeft opgelegd aan de transportbedrijven en varkenshouderijen naar aanleiding van de overtredingen die in beeld zijn gebracht door Eyes on Animals?
Het onderzoek van de NVWA loopt op dit moment nog dus kan ik niet vooruitlopen op mogelijke uitkomsten.
Hoe verklaart u dat ondanks het toezicht en de regelmatige berichtgeving over het structurele dierenleed bij diertransporten, ernstige overtredingen blijven plaatsvinden?
Zoals hierboven aangegeven, staat de huidige wet- en regelgeving lange transporten van levende dieren toe. Dit soort transporten zijn uitdagend voor de dieren die ze ondergaan. Bij het werken met levende dieren, kunnen zaken anders lopen dan van tevoren ingeschat. Ondernemers, zoals vervoerders, maar ook medewerkers bij verzamelcentra hebben daarbij de verantwoordelijkheid om – conform de regelgeving – met respect met dieren om te gaan en ervoor te zorgen dat pijn en onnodig lijden wordt voorkomen. De sector is dus aan zet om ervoor te zorgen dat dierenleed bij vervoer niet voorkomt. Tegelijkertijd houdt de NVWA risicogericht toezicht en grijpt in op het moment dat overtredingen worden vastgesteld.
Bent u bereid om de omvang van de varkenssector aan te passen op de toezichtcapaciteit van de NVWA, zodat de NVWA wel ordentelijk toezicht kan houden op het welzijn van dieren en daarmee kan voorkomen dat dit ernstige lijden blijft plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. De reden hiervoor staat in mijn antwoord op vraag 13.
Wat vindt u ervan dat Nederland actief een systeem in stand houdt waarin jonge dieren die ziek en kwetsbaar zijn honderden of zelfs duizenden kilometers worden vervoerd om te worden geslacht in andere landen omdat dit daar iets goedkoper is, met grote gevolgen voor het welzijn van de dieren zelf?
Lang transport van dieren – waaronder ook van deze biggen – is toegestaan volgens de Europese Transportverordening. Het betreft hier EU-regels waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. Wat Nederland doet, is zich bij de onderhandelingen over de herziening van de transportverordening inzetten conform het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112 nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat de Kamer de regering al jarenlang oproept om diertransporten drastisch in te perken, waaronder een verbod op transporten die langer dan zes uur duren, een forse daling van het aantal diertransporten, geen diertransporten naar landen buiten Europa, een verlaging van de maximumtemperatuur en een einde aan transporten op zee (Kamerstuk 36 755, nr. 31, Kamerstuk 28 286, nr. 1348, Kamerstuk 21 501-32, nr. 1605 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1507)?
Ja.
Klopt het dat het hoogst onzeker is dat de herziening van de Europese Transportverordening gaat voldoen aan de kaders die zijn gesteld door de Kamer, zoals verwoord in deze verschillende aangenomen moties, en dieren op transport naar verwachting ernstig zullen blijven lijden?
De onderhandelingen aangaande de herziening van de transportverordening zijn in volle gang. Het krachtenveld is echter zeer uitdagend, met een meerderheid van de lidstaten die vraagt om een versoepeling van de voorgestelde en soms zelfs de huidige regels. Ik zal dus zeer strategisch te werk moeten gaan, waarbij het inderdaad hoogst onzeker is dat de Nederlandse inzet integraal wordt overgenomen.
Bent u bereid om deze beelden persoonlijk aan de Europese Commissie en de landbouwministers van andere lidstaten te laten zien met daarbij de klemmende oproep om dergelijke transporten te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 17.
Deelt u de mening dat het de taak is van de Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn om maatregelen te treffen als blijkt dat dieren in de veehouderij structureel lijden en de huidige wetgeving en handhaving onvoldoende is om hier een einde aan te maken? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn van gehouden dieren ligt bij de houder van het dier. De wetgeving hierin is al duidelijk; dieren die je houdt, moet je met respect behandelen. Als dit niet gebeurt, is het in de eerste plaats aan de houders van dieren en de sector in zijn geheel om maatregelen te treffen om zich aan de wet te houden. Ik verwacht dit ook van de sector en spreek ze hierop aan waar nodig.
Wat gaat u zelf op de korte termijn doen om een einde te maken aan het lijden van deze biggetjes, aangezien we weten dat wachten op wetgeving vanuit de Europese Unie naar alle waarschijnlijkheid niet gaat leiden tot een fatsoenlijke bescherming van dieren en een einde aan dit structurele leed?
Zoals aangegeven op mijn antwoord op vraag 15 is lang transport van dieren toegestaan volgens de EU-Transportverordening. Het betreft hier Europese regels, waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. De Nederlandse inzet bij de herziening van de transportverordening is helder: alleen kort transport (<9 uur) voor kwetsbare dieren en slachtdieren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord.