Op welke wetenschappelijke basis wordt de flyshoot-methode momenteel beoordeeld als aanvaardbaar vanuit het oogpunt van ecosysteembeheer en acht u die onderbouwing voldoende, gezien de schaal waarop deze methode inmiddels wordt toegepast?1
Om de visbestanden en het ecosysteem waar deze zich in bevinden te beschermen, zijn regels en beleid op Europees niveau vastgelegd in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (hierna: GVB). Het GVB streeft duurzaam gebruik van visserij en aquacultuur na om bijvoorbeeld overbevissing te voorkomen. De flyshoot, ook wel «Schotse zegen» genoemd, is een door de Europese Unie (hierna: EU) erkende visserijtechniek die binnen de kaders van het GVB valt. Het GVB streeft ecologische, economische en sociale duurzaamheid na.
Het vissen met de flyshoot-methode gebeurt door Nederlandse vissers seizoensmatig op de Noordzee en in Het Kanaal. De schaal waarop deze methode wordt toegepast, is begrensd in het Kanaal en de Noordzee. Het totale aantal Nederlandse schepen dat gebruik mag maken van de flyshoot-techniek in het Kanaal is beperkt tot 24. Daarnaast worden de visserijen in het Kanaal beheerd door middel van een visserij-inspanningsregeling op basis van KW-dagen. KW-dagen staat voor de periode of het aantal zeedagen (kW-dagen) dat er gevist mag worden. Op de Noordzee is flyshoot begrensd in (delen van) beschermde gebieden waar een verbod op bodemberoerende visserij geldt (momenteel gaat het om 7,2% van de Nederlandse Noordzee).
Deelt u de analyse dat flyshoot in zijn geïndustrialiseerde Nederlandse vorm met zware kabels en hoog motorvermogen wezenlijk verschilt van de oorspronkelijke, kleinschalige Deense snurrevaad-methode en wat betekent dat voor de ecologische beoordeling?
De flyshoot (afgekort SSC) is een andere techniek dan de Deense Zegen (afgekort SDN) en verschilt daarmee per definitie. De flyshoot wordt uitgevoerd met een motorvermogen dat ongeveer 1/3 minder is dan de boomkorvisserij waardoor de methode eerder een «gemiddeld motorvermogen» inzet bij de visserijactiviteit dan een «hoog motorvermogen» in vergelijking met de totale Nederlandse kottervisserij. Er zijn geen Nederlands gevlagde vissers actief met een Deense Zegen waardoor een vergelijking qua ecologische beoordeling op nationaal niveau geen meerwaarde heeft. Een eerdere internationale analyse over de verschillende bodemimpact tussen visserijtechnieken laat zien dat de impact van de beroering (dieper dan 2cm) per oppervlak bij flyshootvisserij fors minder is dan bij de conventionele boomkor.2
Hoe reflecteert u op de visserij die volgens het artikel niet mee willen werken aan het onderzoek van 4,8 miljoen euro naar de ecologische impact van flyshoot vissen?
Verschillende vertegenwoordigers van de visserij zijn betrokken geweest in het proces rondom de aanvraag vanuit de Nederlandse Wetenschapsagenda: «Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid». De raad van bestuur van NWO heeft op 10 juni jl. een besluit genomen over de aanvraag. Tot het besluit gecommuniceerd is, kan niet aangenomen worden dat het project doorgang vindt en of de visserij deelneemt.
Herkent u zich in de analyse dat het risico op overbevissing toeneemt door het uitblijven van onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen?
De suggestie dat onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen uitblijven herken ik niet. Er vindt onderzoek plaats naar de hoeveelheid vis die door de Europese visserijvloot wordt bevist vanuit de Datacollectie verordening, in Nederland uitgewerkt in de Wettelijke Onderzoektaken (WOT-05 Visserijonderzoek). Deze dataverzameling vindt ook plaats in de Schotse zegenvisserij en de doelsoorten van deze visserij worden in surveys zoals de International Bottom Trawl Survey (IBTS) bemonsterd. Er bestaan daardoor ook ICES-vangstadviezen voor verschillende doelsoorten die bevist worden in «flyshootvisserij». Als de informatie beschikbaar is kan er per vissoort beoordeeld worden of de visserijdruk hoger is dan de maximale duurzame opbrengst (MSY). Wanneer de visserijdruk langdurig boven MSY plaatsvindt neemt het risico op overbevissing toe.
Ik herken mij wel in een analyse dat de informatiedichtheid voor de verschillende soorten in Schotse zegenvisserij lager is dan bijvoorbeeld voor de soorten tong of schol en dat aanvullend onderzoek nodig is. Hiervoor heb ik via de Nederlandse Wetenschapsorganisatie een onderzoekscall uitgezet om meer kennis te verwerven over onbeschermde soorten. Dit ishet onderzoek dat in het artikel wordt aangehaald. Ik blijf mij inzetten voor het vergroten en versterken van onze kennisbasis, zodat de visserij ecologisch duurzamer kan opereren.
Tot slot worden er beheermaatregelen genomen ter bescherming van niet-gequoteerde soorten die door de flyshoot-visserij worden gevangen. Zo heeft Nederland in 2021 op verzoek van onze visserijsector het initiatief genomen om de maaswijdte aan te passen voor de visserij op pijlinktvis. In de visserij op inktvis was het tot vorig jaar oktober toegestaan met kuilen met een maaswijdte van minimaal 40 mm te vissen. Nu geldt er een minimale maaswijdte van 80 mm. Het vergroten van de maaswijdte draagt bij aan het verminderen van vangst van kleinere inktvisexemplaren en bijvangst van andere soorten.
Welk instrumentarium heeft u om deelname aan het onderzoek alsnog te bevorderen? Kunt u toezeggen dat instrumentarium in te zetten?
De beoordeling van het voorstel heeft nog niet plaatsgevonden. Van aanvullende inzet is daarom op dit moment geen sprake. De aanname dat de visserijsector ten algemene niet mee wil werken aan wetenschappelijk onderzoek is in mijn ogen niet juist. Zo zijn verschillende vissers betrokken bij verschillende onderzoeken, zoals het onderzoek naar de FloMo, Fully Documented Fisheries of andere onderzoeken zoals in de garnalenvisserij.
Hoe wordt de bijvangst van niet-doelsoorten bij flyshoot-schepen momenteel gemonitord en acht u die monitoring toereikend voor soorten waarvoor geen quota bestaan?
Vanuit de Europese controleverordening2 moeten alle vissers met een vaartuiglengte van 12 meter of meer tijdens de visreis hun (bij)vangsten en mogelijke discards registreren in het elektronisch logboek. De Nederlandse flyshoot-vaartuigen vallen binnen deze doelgroep. De verplichting geldt voor zowel gequoteerde als niet gequoteerde soorten. Bij de aanlanding wordt de totale omvang van de vangsten bepaald door een officiële weging. De resultaten van deze weging worden gebruikt voor het bepalen van de quotumbenutting.
De logboekgegevens worden door de NVWA geverifieerd door middel van kruiscontroles met het resultaat van de weging. Op basis van de controleverordening is een tolerantiewaarde toegestaan waarbij een overschrijding kan leiden tot een ernstige inbreuk en de toekenning van punten. Deze kruiscontrole stimuleert de correcte registratie in het elektronisch logboek. Naast de administratieve kruiscontroles ziet de NVWA door middel van risico-gebaseerde fysieke controles toe op de weging van visserijproducten en de tolerantiewaarden. Op basis van de herziene controleverordening zal het toezicht op de vangsten die onder de aanlandplicht vallen vanaf 10 januari 2028 voor een deel van de Nederlandse vloot worden aangevuld met sensor- en cameratoezicht (REM/CCTV). De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) monitort op wekelijkse basis de nationale benutting van de Nederlandse visquota. De monitoring voor soorten waar geen quota voor bestaat acht ik daarmee toereikend.
Hoe verhoudt het huidige vergunningenbeleid voor flyshoot zich tot de verplichting om te handelen op basis van het voorzorgsprincipe uit het Gemeenschappelijk Visserijbeleid? Bent u voornemens dit beleid aan te passen?
Nederland kent geen specifiek vergunningenbeleid voor de flyshootvisserij. Vissers die met flyshoot willen vissen moeten beschikken over een vismachtiging voor de vistuigcategorie TR, waartoe ook de flyshootvisserij behoort. Het aantal vismachtigingen dat voor de vistuigcategorie TR kan worden afgegeven is begrensd en gereguleerd via het meerjarenplan Noordzee en de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Vissers die deze visserij willen uitoefenen in het Kanaal moeten bovendien beschikken over een zogenaamde «kanaalvergunning». De afgifte van deze vismachtiging is primair gereguleerd via het meerjarenplan Westelijke wateren en verordening (EG) nr. 1954/2003 waarin het beheer van de visserijinspanning is gereguleerd. Het aantal kanaalvergunningen dat Nederland verstrekt is begrensd tot maximaal 24. Daarmee blijft Nederland binnen het Europees bepaalde visserijinspanningsniveau. Ik ben op dit moment niet voornemens om dit beleid aan te passen.
Kunt u in Europees verband pleiten voor uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen voor visserijmethoden met een vergelijkbare vangstkracht als de huidige Nederlandse flyshoot?
Op dit moment gelden er op basis van de Europese controleverordening al uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.
Welke andere concrete stappen gaat u nemen om overbevissing te voorkomen, te voorkomen dat we een herhaling krijgen van de situatie waar Nederland eerder mee te maken had omtrent de pulsvisserij en welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat de relatie met onze buurlanden constructief blijft?
Het behouden van gezonde vispopulaties is belangrijk voor de biodiversiteit en het functioneren van het mariene ecosysteem. Daarnaast zijn gezonde bestanden van belang voor vissers die nu én in de toekomst hun boterham willen verdienen. Om die reden ben ik in gesprek met de visserijsector over de toenemende interesse van Nederlandse vissers in niet-gequoteerde soorten en in het bijzonder over de relatie met buurlanden in het Kanaal.
Verder lopen er op dit moment verkennende gesprekken om te kijken naar het huidige beheer van ongequoteerde soorten. Deze gesprekken worden gevoerd door de Europese Commissie met het Verenigd Koningrijk, omdat deze bestanden doorgaans gedeeld beheerd worden. Zo wordt er gewerkt aan het bouwen van een goede wetenschappelijke kennis van diverse bestanden en zal vervolgens in kaart worden gebracht welke beheermogelijkheden er mogelijk zijn om overbevissing te voorkomen.
Ik zie geen overeenkomst of verband met de pulsvisserij.
In welke mate zorgt flyshoot-vissen voor bodemberoering in vergelijking met conventionele boomkor- en pulsvisserij?
Flyshoot-vissen heeft een andere vorm van bodemcontact dan de conventionele boomkor (met wekkerkettingen) of de pulskor. Flyshoot-vissen kan plaatsvinden over een groter oppervlak per trek dan een conventionele boomkor en beïnvloedt daardoor qua oppervlak meer van de bodem. De impact van de beroering per oppervlak is echter fors minder, omdat de bodempenetratie van flyshoot-vissen minder is dan bij de conventionele boomkor. Een eerdere analyse over de verschillende bodemimpact tussen vistuigtypen geeft dit ook aan (zie antwoord vraag 2).
Wat is de klimaatimpact van bodemberoering door de vormen van visserij in voorgaande vraag en in hoeverre wordt die impact meegenomen in de klimaatscenario’s en uitstootcijfers van deze sector?
De potentiële CO2-emissies van bodemberoering zijn onderzocht als deel van het bredere onderzoek naar CO2 uitstoot van de visserijsector. De Kamer is hierover geïnformeerd op 2 april jl. (Kamerstuk 32 813/29 675, nr. 1557).
Welke stappen zet u om de ecologische en klimaatimpact van bodemberoerende visserij te beperken?
Het kabinet zet zich in voor een toekomstbestendige en duurzame visserijsector.
Hiervoor wordt relevant onderzoek gefinancierd en stelt het kabinet regelmatig innovatieregelingen open. Ook zet het kabinet zich in voor de legalisering van beproefde duurzamere innovaties zoals de pulskor en het versimpelen van de wet- en regelgeving voor de introductie van nieuwe innovaties. Deze inzet is onder meer uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda Visie op Voedsel uit Zee en Grote Wateren, waarin concrete acties zijn opgenomen die bijdragen aan de verduurzaming, innovatie en toekomstbestendigheid van de visserijsector. Voor deze inzet heeft het kabinet meerdere middelen en instrumenten beschikbaar, zoals toegelicht in vraag 15.
Anderzijds streef ik ernaar om in 2030 15% van de Nederlandse Noordzee te vrijwaren van bodemberoerende visserij in beschermd natuurgebieden zoals afgesproken in het Noordzeeakkoord. Dit draagt bij aan het verminderen van de ecologische impact en komt voort uit wettelijke verplichtingen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Natuurherstelverordening.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen de reeds aangekondigde «energie-efficiëntieregeling visserij» van 25 miljoen euro zal bekostigen (Kamerstuk 36 933, nr. 1)?
Zoals in de Kamerbrieven «Acties weerbaarheid energieschok» en «Energie-efficiëntieregeling visserij en steunmaatregel conflict in het Midden-Oosten» (Kamerstuk 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795) aangegeven, zal het kabinet eind september een energie-efficiëntieregeling voor de visserijsector openstellen. Hiervoor wordt € 25 miljoen vrijgemaakt op de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden wie er in aanmerking komt, welke investeringen subsidiabel zijn en hoe deze middelen verdeeld worden. Over de details van de regeling zal ik de Kamer op een later moment informeren.
Wordt bij de toekenning van de verduurzamingssubsidie onderscheid gemaakt tussen investeringen die de vangstkracht verhogen en investeringen die de milieu-impact per gevangen kilo vis verlagen? Zo ja, hoe?
De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden welke investeringen subsidiabel zijn. Het verhogen van de vangstcapaciteit van vissersvaartuigen is uitgesloten onder de verordening die gebruikt wordt voor deze regeling, de visserijvrijstellingsverordening. Over de details van de regeling zal ik uw Kamer op een later moment informeren.
Kunt u bevestigen dat het ministerie in de periode 2025–2029 80 miljoen euro apart heeft gezet voor de verduurzaming van de vloot, bovenop eerdere middelen uit het klimaatfonds?
Voor het bevorderen van verduurzaming van de visserijsector heeft het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur verschillende middelen en instrumenten beschikbaar.
Zo is er o.a. in 2022 199 miljoen vanuit het Klimaatfonds beschikbaar gesteld voor de aanpassing en verdere verduurzaming van de visserij. Een deel van deze middelen is reeds ingezet voor subsidieregelingen, onderzoek en het Visserij Ontwikkel Plan (VOP).
Onder het kabinet Schoof 1 is er bij het Hoofdlijnenakkoord € 4,5 miljoen voor 2025 en onder het regeerprogramma € 50 miljoen voor de periode 2026–2033 beschikbaar gesteld om de visserij te ondersteunen in de doorontwikkeling naar een toekomstbestendige vloot. Deze middelen zullen deels worden ingezet voor verduurzaming.
Zoals al aan de Tweede Kamer gemeld (Kamerstuk, 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795), zal ik eind september 2026 een energie-efficiëntieregeling voor de visserij openstellen, waarvoor € 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting.
Hoeveel procent van de kotters en andere vissersschepen verwacht u dat met deze nieuwe 25 miljoen euro bovenop de reeds gereserveerde 80 miljoen euro te kunnen verduurzamen?
Dit percentage is nog niet bekend. Het aantal vissersvaartuigen dat verduurzaamd zou kunnen worden onder de energie-efficiëntieregeling (€ 25 miljoen) is onder meer afhankelijk van het aantal aanvragen voor steun van de regeling, welke investeringen er onder de regeling subsidiabel zijn en hoe de middelen verdeeld worden.
Hoe wordt voorkomen dat deze middelen ten goede komen aan methoden die de visstand verder onder druk zetten?
Het kabinet hecht aan een toekomstbestendige visserij die vist binnen de draagkracht van het ecosysteem. Daarom is het belangrijk dat de regeling niet ten goede komt aan methoden die de visstand verder onder druk zetten. Dit wordt gewaarborgd in de regeling zelf, ook vanwege de voorwaarden uit het steunkader, waaronder het feit dat het niet-naleven van het GVB betekent dat men niet in aanmerking komt voor subsidie.
Is de Staatssecretaris bereid de subsidiecriteria zo in te richten dat vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode voorrang of een toeslag krijgen?
Met deze subsidieregeling wil ik mij voornamelijk richten op het verminderen van brandstofverbruik in de visserijsector. Ik wil iedere visser gelijke kansen bieden om hun vissersvaartuig te verduurzamen. Een voorrangspositie voor vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode draagt hier niet aan bij.
Welke ruimte ziet u om de verduurzamingssubsidies specifiek te benutten voor de overgang naar kleinschaligere en meer selectieve vismethoden, zoals handlijnvisserij en passieve visserij, als alternatief voor opschaling van de flyshoot?
Zoals ook te lezen is in de «Visie voedsel uit zee en grote wateren» (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624) streef ik naar een flexibele, innovatieve en ook diverse visserijsector. Het doel van deze energie-efficiëntieregeling is het brandstofverbruik van de visserijsector naar beneden te brengen. De overgang naar kleinschalige en meer selectieve vismethoden is niet de focus van deze regeling. Het stimuleren van innovatie, waaronder selectieve vangststechnieken, wordt ondersteund door andere regelingen, namelijk de innovatieregelingen voor de visserij.
De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Letschert , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Ja.
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Ja, dit bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken onder de wet op de dierproeven en staat daarmee ook onder toezicht van de NVWA.
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Ja, naar aanleiding van het KNAW advies «Gebruik van niet-humane primaten als proefdier. Nut en noodzaak?» uit 2014 (Kamerstuk 32 336, nr. 30) is met onderzoeksinstellingen overeengekomen dat onderzoek met niet-humane primaten (NHP) in Nederland bij voorkeur in het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) of met dieren afkomstig van het BPRC wordt uitgevoerd. In uitzonderlijke situaties waarbij het BPRC niet aan de vraag kan voldoen, zoals bij uitbraken van infectiezieken, kunnen onderzoekinstellingen dieren betrekken van andere gekwalificeerde leveranciers (Kamerstuk 32 336, nr. 44). Ik heb geen signalen ontvangen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen in de afgelopen jaren van deze afspraak zijn afgeweken.
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Ik kan me goed voorstellen dat er maatschappelijke verontwaardiging is over het verhandelen en gebruik van proefdieren en het gebruik van apen in het bijzonder. Ik ben er mee bekend dat de apen van deze handelaar worden verhandeld naar buitenlandse (hoofdzakelijk Europese) onderzoeksinstellingen waar zij kunnen worden ingezet voor proefdieronderzoek. Binnen de EU is deze praktijk alleen toegestaan als is voldaan aan stevige randvoorwaarden aan onderzoek met proefdieren en met niet-humane primaten in het bijzonder. Ik benoem hier richtlijn (2010/63/EU) die binnen de EU van toepassing is op proefdieronderzoek. Deze richtlijn bevat bepalingen voor onderzoek, fok, handel en verzorging van de dieren. Voor NHP onderzoek gelden er ten opzichte van onderzoek met andere diersoorten binnen deze richtlijn nog aanvullende eisen. Onderzoek met proefdieren is alleen toegestaan na een zorgvuldige afweging. Bij een aanvraag voor onderzoek met NHP moet er met een wetenschappelijke motivering aangetoond worden dat het doel van het onderzoek niet kan worden bereikt door het gebruik van een andere diersoort. Voor NHP (en tevens ook voor honden en katten) moet vanaf de geboorte een individueel levensloopdossier worden bijgehouden, zodat deze dieren de verzorging, huisvesting en behandeling kan worden geboden die op hun individuele behoeften en kenmerken zijn afgestemd. Op Europees niveau wordt er gerapporteerd over dierproeven in ALURES (Animal Use Reporting – EU System). ALURES bestaat uit twee delen, een deel niet-technische samenvattingen (NTS) en een deel met statistische data. De NTS geeft o.a. inzicht in het geplande onderzoek over een periode van 5 jaar, het verwachte benodigde aantal dieren en een inschatting van de mate van ongerief. Daarbij wijs ik erop dat binnen het dierproevendomein «ongerief» de aantasting van het dierenwelzijn betekent, en niet alleen «pijn». Daarmee wordt meer bedoeld dan alleen pijn. Ook zaken als stress, alleen-zijn, Ook zaken als angst en ziekte worden daarin meegerekend. De richtlijn classificeert «ongerief» in drie categorieën: licht, matig of ernstig. Dieren die zonder voorafgaande handeling onder verdoving gedood worden, worden geregistreerd als «terminaal onder anesthesie». De database met statistische data rapporteert per kalender jaar en geeft o.a. inzicht in het daadwerkelijk gebruikte aantal dieren en de mate van ongerief. Binnen beide omgevingen is het mogelijk om informatie verder uit te splitsen bijvoorbeeld op basis van land, diersoort en algemeen onderzoeksdoel.
Het exporteren van deze dieren naar landen buiten de EU is wettelijk gezien toegestaan. Wel wil ik hierover met betrokken partijen in gesprek om te bezien hoe transporten van apen ten behoeve van proefdieronderzoek naar derde landen tot een minimum kunnen worden beperkt.
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Dat dieren overlijden -in veel gevallen doormiddel van euthanasie- is helaas inherent aan proefdieronderzoek. Het is een confronterende waarheid die nu onlosmakelijk verbonden is met onderzoek voor medische vooruitgang en veiligheid voor mens dier en milieu. Op basis van NTS gegevens uit ALURES van 2022 tot en met 2025 is te zien dat er binnen de EU 553 projecten zijn ingediend waarin onderzoek met NHP is opgenomen. Veruit het meeste NHP-onderzoek wordt ingeschat op matig (79,4%) of mild (16,3%) ongerief. Onder de categorie ernstig ongerief valt 3,1% van het onderzoek. De laatste 1,2% valt onder terminaal onderzoek dat onder narcose plaatsvindt, waaruit de dieren niet meer ontwaken. Uit deze gegevens blijkt dat in totaal 70% van de NHP tijdens of na het onderzoek wordt gedood, bijvoorbeeld voor vervolgonderzoek op weefsels. De overige 30% wordt herplaatst of hergebruikt. Of proefdieren tijdens of na een proef overlijden hangt af van het soort onderzoek dat wordt gedaan. Dit wordt meegenomen in de toetsing vooraf en is onlosmakelijk verbonden met het doen van dierproeven.
Daar waar proefdieronderzoek nog absoluut onmisbaar is vind ik het belangrijk dat dit zeer zorgvuldig gebeurt conform ethische en wettelijke kaders. Daarnaast wil ik met grote vaart inzetten op de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties om zo proefdieronderzoek zoveel als mogelijk overbodig te maken.
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Ja, het betrof hier een specifieke tuberculose variant waarop vóór deze uitbraak niet standaard werd getest. Inmiddels is de procedure hierop aangepast. Door strikte eisen in omgang met proefapen is de uitbraak beperkt gebleven tot de dieren en zijn er geen mensen besmet geraakt.
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Daar ben ik mee bekend. Het bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken. Een verbod op de handel in apen als proefdieren is binnen de EU niet mogelijk omdat artikel 2 van de richtlijn lidstaten daar geen ruimte voor biedt.
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Ik ben blij met de ontwikkeling dat wetenschappelijke instellingen inzetten op proefdiervrije innovatie. Proefdieronderzoek is nog steeds nodig voor bepaald type onderzoek. Bijvoorbeeld voor complex onderzoek naar hersenziektes zoals dementie of infectiebestrijding zoals Covid.
Fokken met en handel in apen is toegestaan binnen de vergunning van dit bedrijf op basis van de Wet op de dierproeven. Daarbij vind ik het van belang dat de omvang van de fok van en handel in deze dieren proportioneel blijft in relatie tot de behoefte en noodzakelijkheid van onderzoek binnen de EU. Daarom ga ik zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4 met betrokkenen in gesprek om handel naar derde landen tot een minimum te beperken.
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben verantwoordelijk voor de Wet op de Dierproeven die gebaseerd is op de EU-richtlijn. Als het bedrijf voldoet aan de eisen uit die wet heb ik geen grondslag om in te grijpen. Een bedrijf of organisatie mag enkel proefdieren fokken of afleveren met een instellingsvergunning, daarmee staat de instelling ook onder toezicht van de NVWA. Een van de eisen is dat enkel bevoegd en bekwaam personeel met proefdieren mag werken.
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat proefdieren zo weinig mogelijk ongemak ervaren in hun leven. Transport is daarvoor niet bevorderlijk, maar soms echter onvermijdelijk om de juiste proefdieren op de juiste locatie voor onderzoek te krijgen. Ik ben blij dat er strikte Europese en internationale regels zijn die gezondheid en welzijn van de dieren borgen en verspreiding van ziekten voorkomen.
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Daartoe heb ik niet de mogelijkheid, omdat dit in strijd zou zijn met de richtlijn (2010/63/EU), zie ook mijn antwoord op vraag 7. Wel blijf ik mij onverminderd inzetten voor het waarborgen van het welzijn van proefdieren en de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is niet gelukt de vragen binnen de gestelde termijn van drie weken te beantwoorden, vanwege het nodigde uitzoekwerk en afstemming binnen het Ministerie van LVVN, het Ministerie van OCW en met de NVWA. Hierover heeft u op 11 mei een uitstelbrief ontvangen.
De vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk op de verpakking wordt vermeld?1
Ja.
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking, namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct is?
Nee, dat klopt niet. Bij deze zogenoemde plantaardig verrijkte levensmiddelen moet op de voorkant worden aangegeven dat ook plantaardige eiwitten zijn gebruikt. Per levensmiddel kan verschillen hoe dit wordt aangegeven. Op de achterzijde van de verpakking, in de ingrediëntenlijst, moet vervolgens worden aangegeven wat het percentage vleeseiwitten en plantaardige eiwitten is in desbetreffend levensmiddel.
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
N.v.t.
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding, nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een grotendeels plantaardig product krijgen?
Op dit moment wordt niet bij alle levensmiddelen op dezelfde manier aangegeven dat het uit verschillende eiwitbronnen bestaat. Desondanks voldoen deze levensmiddelen wel aan de huidige regelgeving. Zie voor de specifieke wettelijke voorschriften het antwoord op vraag 6. Op deze manier worden consumenten dus geïnformeerd over de aanwezigheid van plantaardige eiwitten in vleesproducten.
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Bij de etikettering van het levensmiddel moet, zowel op de voorkant als achterkant, worden gemeld als eiwitten van een andere oorsprong zijn toegevoegd (Verordening (EU) 1169/2011, Bijlage VI, Deel A, punt 5). Bijvoorbeeld kippeneiwit in een runderhamburger, maar ook kikkererwteneiwit in een hamburger van varkensvlees. Ook moet in ieder geval in de ingrediëntenlijst het percentage van de dierlijke en plantaardige eiwitten worden vermeld. Daarnaast moet bij de etikettering worden gemeld wanneer bestanddelen van een levensmiddel geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een ander ingrediënt (Verordening (EU) 1169/2011, Bijlage VI, Deel A, punt 4). Per casus zal de NVWA beoordelen of hieraan wordt voldaan.
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
De NVWA heeft de afgelopen 3 jaar geen specifiek toezicht gehouden op de etikettering van levensmiddelen waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt. De NVWA controleert steekproefsgewijs levensmiddelen om de voedselveiligheid in Nederland te waarborgen. Deze aanpak is risicogericht en kennis gedreven, wat betekent dat toezicht wordt ingezet waar de voedselveiligheidsrisico’s het grootst zijn.
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Er zijn door de NVWA geen overtredingen geconstateerd met betrekking tot etikettering van levensmiddelen waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt. Het is overigens ook niet verboden om plantaardige ingrediënten aan vleesbereidingen of vleesproducten toe te voegen. Op het moment dat sprake is van dergelijke toevoegingen, moet dat op de verpakking worden vermeld zodat de consument een geïnformeerde keuze kan maken.
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
N.v.t.
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde eiwittransitie?
Het kabinet deelt deze opvatting niet.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Het kabinet heeft een doelstelling om in 2030 een balans in de gemiddelde eiwitconsumptie te bereiken van 50% plantaardige eiwitten en 50% dierlijke eiwitten. Een meer plantaardig eetpatroon is goed voor onze gezondheid en het milieu. Voor de betaalbaarheid voor consument is dit ook gunstig, aangezien plantaardige producten veelal goedkoper zijn dan dierlijke producten. Ketenpartijen spelen een belangrijke rol in het realiseren van deze doelstelling. Het kabinet ziet dat met name supermarkten ook eigen ambities hebben geformuleerd ten aanzien van de eiwittransitie.
Het introduceren van met plantaardige eiwitten verrijkte vleesproducten is één van de manieren waarop bedrijven invulling geven aan het behalen van deze doelstellingen. Dat laat zien dat zij stappen zetten richting een meer plantaardig voedselaanbod. De keuze voor specifieke strategieën, evenals de wijze waarop hierover met consumenten wordt gecommuniceerd, ligt bij bedrijven zelf, met in achtneming van de geldende wet- en regelgeving. Van een door de overheid gestimuleerde aanpak waarbij dit onopgemerkt zou moeten gebeuren, is echter geen sprake. De keuze van de consument van producten die ook plantaardige eiwitten bevatten wordt juist gefaciliteerd door een transparante en expliciete vermelding hiervan op het etiket.
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten?
Het kabinet waardeert het dat ketenpartijen actief bijdragen aan de eiwittransitie door het aandeel plantaardige eiwitten in producten te vergroten. Ketenpartijen spelen een belangrijke rol in het realiseren van deze ontwikkeling. Het is aan deze partijen zelf om te bepalen op welke wijze zij hier invulling aan geven, zolang zij opereren binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving. Daartoe behoort dus ook dat bij de etikettering van het levensmiddel moet worden gemeld als eiwitten van een andere oorsprong zijn toegevoegd, dat in ieder geval in de ingrediëntenlijst het percentage van de dierlijke en plantaardige eiwitten worden vermeld en dat bij de etikettering moet worden gemeld wanneer bestanddelen van een levensmiddel geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een ander ingrediënt.
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
De overheid heeft voor de eiwittransitie een duidelijke ambitie neergezet en ziet daarbij een belangrijke rol voor ketenpartijen, zoals supermarkten en producenten. Het kabinet waardeert het dat deze partijen hier actief mee aan de slag zijn en gaat hierover ook graag met hen in gesprek.
Er is echter geen sprake van directe of indirecte druk vanuit de overheid om producten op een specifieke, laat staan onopgemerkte, wijze aan te passen. Het is aan bedrijven zelf om te bepalen hoe zij invulling geven aan de eiwittransitie. Daarbij geldt dat zij zich moeten houden aan de geldende wet- en regelgeving.
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken vanwege stijgende vleesprijzen?
Het kabinet kan niet voor individuele supermarkten spreken over hun beweegredenen. In algemene zin geldt dat prijsontwikkelingen van grondstoffen, zoals vlees, van invloed kunnen zijn op productformuleringen. Tegelijkertijd spelen mogelijk ook andere overwegingen, zoals duurzaamheid en consumentenvraag. Het is aan bedrijven om hierin hun eigen afwegingen te maken, mits aan de wettelijke voorschriften wordt voldaan.
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Zie het antwoord op vraag 15.
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Het kabinet kan niet voor individuele levensmiddelenproducenten spreken over hun beweegredenen om levensmiddelen te maken met plantaardige ingrediënten.
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking zou moeten worden vermeld?
Het kabinet deelt uiteraard uw opvatting dat consumenten het recht hebben op volledige transparantie. Het kabinet is het er echter niet mee eens dat transparantie enkel wordt gegeven door vermelding van het percentage vlees op de voorkant van de verpakking. Bij deze zogenoemde plantaardig verrijkte levensmiddelen moet op de voorkant worden aangegeven dat ook plantaardige eiwitten zijn gebruikt. Per levensmiddel kan verschillen hoe dit wordt aangegeven. Op dit moment wordt het percentage vlees in een plantaardig verrijkt levensmiddel vermeld in de ingrediëntenlijst van het levensmiddel. Meestal bevindt deze zich aan de achterkant van het levensmiddel. Dit is conform de huidige wet- en regelgeving.
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Het kabinet volgt de Europese discussie rondom de vleesbenamingen nauwgezet. Afhankelijk van de uitkomst, beziet het kabinet of de huidige wet- en regelgeving volstaat, of dat het noodzakelijk en mogelijk is om aanpassingen te doen rondom het etiketteren van plantaardig verrijkte levensmiddelen ten behoeve van het bieden van voldoende transparantie.
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen of misleidende etiketten?
Het kabinet deelt deze opvatting. Het belangrijkste doel van Verordening (EU) nr. 1169/2011 over Voedselinformatie aan consumenten is het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming door eerlijke en duidelijke informatie over levensmiddelen. Door consumenten correct te informeren, kunnen zij goed doordachte keuzes maken en levensmiddelen veilig gebruiken. Het uitgangspunt voor voedselinformatie is dat het niet misleidend mag zijn (artikel 7, lid 1 Verordening (EU) nr. 1169/2011). Daarnaast moet de informatie nauwkeurig, duidelijk en gemakkelijk te begrijpen zijn voor de consumenten (artikel 7, lid 2 Verordening (EU) nr. 1169/2011).
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om dit te garanderen?
Het kabinet is van mening dat plantaardig verrijkte levensmiddelen niet per definitie misleidend zijn voor de consument. Zoals eerder aangegeven is het momenteel niet bij alle levensmiddelen even duidelijk dat het in dat geval gaat om een combinatie van dierlijke en plantaardige eiwitten. Het kabinet volgt de Europese discussie rondom de vleesbenamingen nauwgezet. Afhankelijk van de uitkomst, zal het kabinet zich de komende tijd inzetten om dit nader te onderzoeken en bezien of het nodig is om aanvullende regelgeving hiervoor op te stellen of dat de huidige regelgeving dit momenteel al voldoende dekt.
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Structurele financiering voor dierenhulp bij rampen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de projectsubsidie vanuit de Ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), verleend aan Stichting Dieren in Rampen ten behoeve van de uitvoering van de motie-Wassenberg (Kamerstuk 29 517, nr. 218) en motie-Wassenberg c.s. (Kamerstuk 29 517, nr. 249), loopt tot april 2027?
Deelt u de mening dat wanneer dieren niet zijn meegenomen in crisisplannen en hulpverlening, dit aantoonbaar leidt tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld wanneer mensen weigeren te evacueren, terugkeren naar onveilige gebieden en extra risico’s nemen om hun dieren te redden?
Kunt u beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van vertraagde evacuaties en de vergrote druk op hulpdiensten die hieruit voortvloeit?
Deelt u de mening dat Stichting Dieren in Rampen een waardevolle bijdrage levert en kan blijven leveren aan het waarborgen en coördineren van professionele dierenhulp bij grootschalige incidenten, rampen en crises in nauwe aansluiting op de crisisbeheersing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe dierenhulporganisaties worden betrokken bij de concrete regionale uitwerking van een hoofddoelstelling van ons Landelijk Crisisplan Natuurbranden: het redden van mensen en dieren, inclusief de overweging van ontruiming en evacuatie?
Kunt u aangeven hoe, in navolging van het Landelijk Crisisplan Natuurbranden, ook in andere (nieuwe) relevante crisis- en weerbaarheidsplannen wordt geborgd dat dieren en dierenhulpverleners expliciet worden opgenomen? Wordt Stichting Dieren in Rampen hierbij actief uitgenodigd om input te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te komen met structurele en uitgebreidere financiering voor Stichting Dieren in Rampen, zodat opgebouwde kennis, infrastructuur en samenhang niet verloren gaan en de verdere integratie van dieren in de crisisstructuur kan worden voortgezet?
Bent u bereid het belang van dierenhulp als onderdeel van nationale weerbaarheid expliciet te erkennen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Overheidscommunicatie over dierproeven en innovatieve proefdiervrije onderzoeksmethoden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Letschert , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de video «Waarom dierproeven nog nodig zijn» die sinds 28 mei 2026 op de website van de Rijksoverheid staat?1
Wat was de aanleiding voor het maken van deze video en wat is het beoogde doel ervan?
Bent u ermee bekend dat dierproeven nog vaak worden gezien als «gouden standaard» en experts waarschuwen dat hierdoor de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden juist wordt geremd?2
Bent u bekend met de overtuiging van uw voorganger(s) dat we af moeten van dierproeven als standaard en met zijn expliciete toezegging dat dierproeven niet meer als gouden standaard zouden worden neergezet in overheidscommunicatie en dat de nadelen van dierproeven daarin juist nadrukkelijk benoemd zouden worden (Kamerstuk 32 336, nr. 157)?
Onderschrijft u dit? Zo nee, waarom niet?
Hoe rijmt u deze video, waarin eenzijdig aandacht wordt besteed aan de vermeende noodzaak van dierproeven, zonder ook maar enige aandacht te besteden aan het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap en de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden, met deze toezegging?
Bent u ermee bekend dat de Kamer heeft uitgesproken dat Nederland koploper moet worden als het gaat om baanbrekende technologieën zoals proefdiervrije, innovatieve medische ontwikkelingen en heeft verzocht om de ontwikkeling en toepassing van proefdiervrije methoden meer te stimuleren (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 53)?
Deelt u de mening dat het bij een land dat koploper wil zijn in proefdiervrije innovaties niet past om eenzijdig te communiceren over de vermeende noodzaak van dierproeven, maar juist het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap zou moeten uitdragen?
Bent u bereid om de video offline te halen of aan te passen zodat ook de nadelen van dierproeven worden benoemd, conform de toezegging van uw voorganger(s)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in plaats van de betreffende video in uw communicatie over dierproeven te focussen op het belang en de noodzaak van de transitie naar proefdiervrij onderzoek, wat kan leiden tot grote medische doorbraken en onder meer goedkoper, beter vertaalbaar en diervriendelijker is, en op de stappen die Nederland zet om dit te bereiken? Zo nee, waarom niet?
Welke andere concrete maatregelen en acties gaat u treffen om ervoor te zorgen dat Nederland koploper wordt in baanbrekende proefdiervrije technologieën?
Kunt u deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het doden van een groep gezonde stokstaartjes door Diergaarde Blijdorp |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Diergaarde Blijdorp een groep gezonde stokstaartjes heeft gedood, omdat er volgens de dierentuin geen plek was voor deze dieren binnen de dierentuin en ook geen plek kon worden gevonden bij een andere dierentuin?1
Bent u bekend met het zogenoemde «breed-and-cull-beleid» dat volgens Diergaarde Blijdorp wordt gehanteerd, waarbij stokstaartjes worden gefokt om vervolgens te worden gedood omdat er te veel van zouden zijn?
Wat vindt u hiervan?
Erkent u dat het fokken van «overtollige» dieren om ze vervolgens te doden, omdat er geen plek voor is, de intrinsieke waarde van deze dieren ernstig schendt? Zo nee, waarom niet?
Bij welke andere diersoorten hanteert Diergaarde Blijdorp een «breed-and-cull-beleid»?
Welke andere Nederlandse dierentuinen hanteren een vergelijkbaar beleid en voor welke diersoorten?
Deelt u de opvatting dat wanneer iemand zo nodig wilde dieren wil fokken in gevangenschap, diegene ten minste de verantwoordelijkheid heeft om een plan te hebben voor hoe de nakomelingen kunnen worden verzorgd en gehuisvest en dat het doden van dieren omdat er geen plek voor is daar niet onder valt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat de Kamer heeft verzocht een einde te maken aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 69)?
Wanneer gaat u dit plan naar de Kamer sturen?
Bent u bereid om intussen Diergaarde Blijdorp op te roepen per direct te stoppen met het fokken van stokstaartjes en het «breed-and-cull-beleid» meteen te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Ernstige bijtincidenten met honden en preventieve maatregelen rond hoog-risicohonden |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de aanval door een hond op een 7-jarige jongen in Hilversum, waarbij het slachtoffer ernstig gewond is geraakt?1
Kunt u aangeven hoeveel ernstige bijtincidenten met honden de afgelopen vijf jaar bekend zijn en in hoeveel gevallen daarbij kinderen betrokken waren?
Welke ontwikkelingen ziet u in het aantal meldingen van ernstige bijtincidenten met honden?
Deelt u de opvatting dat verantwoord hondenbezit vraagt om duidelijke verantwoordelijkheid van eigenaren, zeker wanneer sprake is van honden met een verhoogd risico op agressief gedrag?
Hoe beoordeelt u de werking van de huidige Nederlandse aanpak rond hoog-risicohonden en ernstige bijtincidenten?
In hoeverre verschillen gemeentelijke beleidsregels en handhaving momenteel als het gaat om hoog-risicohonden en acht u deze verschillen wenselijk?
Welke mogelijkheden bestaan momenteel om eerder in te grijpen wanneer sprake is van signalen van gevaarlijk gedrag van honden of onverantwoord eigenaarschap?
Welke rol ziet u voor preventieve maatregelen, zoals gedragsbeoordelingen, trainingen voor eigenaren, socialisatie of aanvullende voorwaarden bij honden met een verhoogd risico?
Wordt momenteel voldoende ingezet op verantwoord fokken en voorlichting aan hondenbezitters om agressief gedrag zoveel mogelijk te voorkomen?
Heeft u kennisgenomen van buitenlandse voorbeelden, zoals in Ierland, waar voor specifieke hoog-risicohonden aanvullende regels gelden zoals een muilkorf- en aanlijnplicht in de openbare ruimte?
Welke lessen ziet u in dergelijke buitenlandse aanpakken voor Nederland waar het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten?
In hoeverre acht u aanvullende landelijke kaders voor hoog-risicohonden, zoals duidelijke regels rond aanlijnen, muilkorven of verantwoordelijkheid van eigenaren, wenselijk of effectief?
Waar ziet u op dit moment de belangrijkste tekortkomingen in wet- en regelgeving of handhavingsmogelijkheden als het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten met honden?
Welke mogelijkheden ziet u om deze tekortkomingen weg te nemen en de bescherming van omwonenden, voorbijgangers en in het bijzonder kinderen verder te versterken?
Hoe beoordeelt u de huidige mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij fatale incidenten? Acht u het bestaande instrumentarium voldoende effectief en afschrikwekkend?
Deelt u de opvatting dat van eigenaren van honden die een verhoogd risico vormen voor hun omgeving een grotere verantwoordelijkheid mag worden verwacht en dat daar waar nodig passende consequenties tegenover moeten staan wanneer die verantwoordelijkheid onvoldoende wordt genomen?
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de aangekondigde maatregelen rondom hoog-risicohonden, waaronder het landelijk meldpunt, de ontwikkeling van een houdercursus en overige preventieve maatregelen?
Welke resultaten zijn sinds de aankondiging van deze maatregelen bereikt en op welke wijze wordt gemonitord of deze daadwerkelijk bijdragen aan het terugdringen van ernstige bijtincidenten?
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van mensen en in het bijzonder van kinderen altijd voorop moet staan bij beleid rond hoog-risicohonden?
De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake de Huis- en hobbydierenlijst |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de Huis- en hobbydierenlijst op 28 mei 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:210 t/m 219), waarin het CBb oordeelt dat voor meerdere diersoorten, waaronder de dromedaris, een nieuw besluit moet worden genomen?
Hoe beoordeelt u het feit dat het CBb heeft geoordeeld dat de toepassing van het domesticatiecriterium door de Minister te beperkt is geweest en dat voor onder andere de dromedaris, chinchilla en Russische dwerghamster, opnieuw een bestuurlijke afweging moet worden gemaakt?
Erkent u dat deze uitspraak, waarin door de rechter is vastgesteld dat bij al zeker zes diersoorten ondeugdelijk gemotiveerde besluiten zijn genomen, laat zien dat bij het opstellen van de Huis- en hobbydierenlijst fouten zijn gemaakt in de beoordeling van diersoorten, in het bijzonder bij de toepassing van het domesticatiecriterium?
Verwacht u naar aanleiding van de uitspraak van het CBb, dat sprake is van 314 afzonderlijke besluiten waartegen individueel bezwaar en beroep openstaat, een groot aantal aanvullende bezwaar- en beroepsprocedures tegen andere besluiten om diersoorten niet aan te wijzen? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid van de huidige Huis- en hobbydierenlijst?
Acht u het wenselijk en werkbaar dat deze uitspraak leidt tot een aanzienlijke extra belasting van rechtbanken en uitvoeringsorganisaties door nieuwe procedures over individuele diersoorten?
Hoe verhoudt het oordeel van het CBb zich volgens u tot de eis uit het Andibel-arrest (ECLI:EU:C:2008:353) dat een positieflijst moet zijn gebaseerd op objectieve en proportionele criteria, nu blijkt dat voor meerdere soorten alsnog een aanvullende bestuurlijke (en dus specifiek niet wetenschappelijke) afweging nodig is om tot een besluit te komen?
Deelt u de opvatting dat het problematisch is dat de strikt wetenschappelijke beoordelingssystematiek ertoe zou hebben geleid dat zelfs honden, katten en paarden niet op de lijst zouden zijn geplaatst en dat vervolgens via het domesticatiecriterium bestuurlijke uitzonderingen moesten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u de uitzonderingspositie die het damhert en edelhert innemen, nu uit de uitspraak van het CBb blijkt dat de bevoegdheid omtrent het aanwijzen van diersoorten als soorten die gehouden mogen worden niet discretionair van aard is?
Bent u bereid opnieuw kritisch te kijken naar de uitwerking en juridische houdbaarheid van de Huis- en hobbydierenlijst, mede in het licht van deze uitspraak en de mogelijkheid van verdere procedures tegen individuele beslissingen?
Het beschermen van dieren tegen hitte |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u gemerkt dat het heet is in ons land, met temperaturen tot boven de 30 graden?
Kunt u bevestigen dat dit voor grote aantallen dieren in de veehouderij gevaarlijk warm is, aangezien veel dieren (zoals kippen, varkens en runderen) rond de 25 graden al last kunnen hebben van (ernstige) hittestress?
Onderschrijft u het belang van het voorkomen van hittestress bij dieren en het nemen van maatregelen om dieren beter te beschermen op hete dagen?
Bent u ermee bekend dat uit de wet volgt dat dieren in weilanden beschermd moeten worden tegen slechte weersomstandigheden, waaronder hitte, en dat Kamer heeft verzocht om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren landelijk te verplichten (Kamerstuk 28 286, nr. 1310)?
Hoe verklaart u dat veel dieren nog altijd geen beschutting hebben tegen hitte, ondanks allerlei (vrijblijvende) projecten en programma’s die zijn opgesteld om dit te stimuleren?
Bent u bereid om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren expliciet wettelijk te verplichten, conform de aangenomen motie? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat zich aankomende periode weer schrijnende situaties voordoen waarin varkens naar adem happen, kippen dicht op elkaar gepropt in oververhitte wagens zitten en transportwagens dagenlang stilstaan bij een slachthuis of rondjes moeten blijven rijden, totdat de dieren worden uitgeladen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat u van de veehouderijsectoren verwacht dat zij maatregelen treffen om dieren tegen hitte te beschermen?
Bent u ermee bekend dat toenmalig Staatssecretaris Van Dam er in 2017 al tegenaan liep dat de pluimveesector niet wilde meewerken met het beter beschermen van dieren tegen hitte (Kamerstuk 28 286, nr. 922)?
Bent u ermee bekend dat de belangenbehartiger van de pluimveesector, Nepluvi, zich tevens jarenlang heeft verzet tegen vele maatregelen om dieren beter te beschermen tegen de hitte, zoals de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten naar 30 graden, maar ook de eerdere invoering van de maximumtemperatuur van 35 graden, omdat ze kippen ook boven een temperatuur van 35 graden Celsius op transport wilden blijven zetten?1
Kunt u bevestigen dat in 2019 bleek dat de afspraak om dieren bij 35 graden of warmer niet meer te vervoeren niet door iedereen werd nagekomen, omdat bijvoorbeeld de pluimveesector, die verreweg het grootste aantal dieren per jaar fokt en afvoert naar de slacht, gewoon door was blijven rijden bij temperaturen boven de 35 graden, hetgeen de aanleiding was voor de toenmalige Minister van Landbouw om de grens van 35 graden wettelijk te laten vastleggen?2
Kunt u bevestigen dat de noodzaak van het invoeren van de beleidsregel maximumtemperatuur diertransport, die in 2023 in consultatie werd gebracht, volgde uit het feit dat de vrijwillige aanpak via het Nationaal Plan voor veetransport bij extreme temperaturen «niet afdoende» heeft gewerkt, niet alle sectoren zich wilden aansluiten en het daarom «niet in de lijn der verwachting» ligt dat «vrijwillige afspraken dit keer wel werken»?3
Begrijpt u dat dit alles weinig vertrouwen schept dat bepaalde sectoren binnen de veehouderij zich dit keer wel tijdig zullen voorbereiden, zowel op hitte in de aankomende zomer, als op het verlagen van de maximumtemperatuur vóór de zomer van volgend jaar?
Heeft Nepluvi inmiddels concreet laten weten hoe zij de pluimveesector gaat voorbereiden op de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten? Zo ja, wat hebben zij toegezegd?
Hebben de verschillende veehouderijsectoren, waaronder de pluimveesector, inmiddels concreet laten weten welke maatregelen zij gaan treffen om dieren deze zomer te beschermen tegen hitte?
Kunt u bevestigen dat u, conform hetgeen u schreef in een Kamerbrief (Kamerstuk 28 286, nr. 1433), van de sector verwacht dat ze zich tijdig voorbereiden op het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransporten door bijvoorbeeld hun planningen voor de fok van nieuwe dieren tijdig aan te passen, zodat er meer ruimte is in de stallen in de zomer en zo kan worden voorkomen dat stallen overvol raken als dieren langere tijd niet afgevoerd kunnen worden naar het slachthuis?
Indien u dit nog niet gedaan hebt, bent u bereid om deze verwachting expliciet aan de veehouderijsectoren mede te delen, zodat later niet kan worden gesuggereerd dat zij onvoldoende tijd of mogelijkheden hebben gehad om zich aan te passen op de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten?
Kunt u aangeven hoe het, ondanks alle sectorprotocollen, kan dat dieren op hete dagen nog altijd langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten voor slachthuizen of rondjes moeten blijven rijden totdat ze worden «gelost»?
Deelt u de conclusie dat ook hier blijkt dat een vrijwillige aanpak niet afdoende heeft gewerkt? Zo ja, bent u bereid om met niet-vrijblijvende maatregelen te komen om dieren deze hittestress te besparen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat dieren in het wild hitte proberen te vermijden door bijvoorbeeld afkoeling te zoeken, zoals varkens doen met modderbaden?
Deelt u de mening dat ook dieren in de veehouderij de mogelijkheid moeten hebben om hitte te vermijden en af te koelen, door bijvoorbeeld naar buiten te kunnen, met mogelijkheden tot modderbaden of stofbaden en beschutting en verkoeling onder bomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel capaciteit is er op dit moment beschikbaar bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om (extra) controles uit te voeren op warme dagen en de dierenwelzijnsregels te handhaven?
Kunt u toezeggen dat er strikt zal worden gehandhaafd indien in deze hete periodes dieren onvoldoende beschuttingsmogelijkheden hebben, ze niet kunnen afkoelen in weilanden of stallen, op hete dagen op transport worden gezet of bij slachthuizen langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten?
Kunt u deze vragen op korte termijn beantwoorden?
Dierhouders die niet voldoen aan de zorgplicht voor de bescherming van hun dieren, maar wel vergoeding uitbetaald krijgen na wolvenaanvallen |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel en bijbehorende video van House of Animals waarin wordt bericht dat een paarden- en ponyhandelaar structureel niet aan de adviesnormen voldoet om zijn pony's te beschermen tegen wolven, maar wel 22.858 euro aan vergoedingen heeft uitbetaald gekregen na wolvenaanvallen?1
Wat is uw reactie op de geconstateerde problemen in het artikel en de bijbehorende video?
Wat vindt u ervan dat er een dode pony in vergaande staat van ontbinding aan de rand van het veld van de ponyhouder is gevonden (en daarna in de sloot) met een dik touw om de enkel en dat de ponyhouder er niets van had gemerkt en er geen verklaring voor kan geven?
Kunt u uitsluiten dat de pony daar dagenlang is gedumpt door de ponyhouder?
Wat vindt u ervan dat naast het stoffelijk overschot van de pony hoge drinkbakken met te weinig water stonden, waardoor meerdere dorstige pony’s er niet bij konden?
Kunt u uitsluiten dat de ponyhouder pony's heeft gebruikt als lokaas? Zo ja, hoe precies?
Is er onderzoek gedaan over het aangetroffen dierenleed en of de ponyhouder zich aan de wet heeft gehouden? Zo ja, door wie en wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar deze situatie?
Welke mogelijke sancties zijn er voor zo een ponyhouder?
Klopt het dat de genoemde ponyhouder niet voldeed aan de adviesnormen voor bescherming van zijn dieren en toch vergoeding uitgekeerd kreeg na een wolvenaanval?
Kunt u bevestigen dat ongeveer 75 procent van de wolvenaanvallen in Friesland bij alleen deze ponyhouder hebben plaatsgevonden?
Klopt het dat bij de genoemde wolfaanvallen in de dorpen Oudehorne en Nieuwhorne de dieren niet volgens de adviesnormen werden beschermd, maar toch vergoeding uitgekeerd werd (tussen 2024 en 2025)? Zo nee, hoe zit het dan?
Gaat u onderzoeken of ook in andere provincies het geval bestaat dat bij één enkele dierhouder, of een paar dierhouders, een overgroot deel van de wolvenaanvalmeldingen zijn gedaan? Kunt u de bevindingen met ons delen?
Deelt u de mening dat in het kader van zorgplicht dierhouders in het algemeen verplicht zijn om hun dieren voldoende te beschermen tegen predatoren, zoals de wolf?
Deelt u de mening dat dierhouders die hier niet aan voldoen geen vergoeding zouden mogen krijgen na een wolvenaanval? Zo nee, hoe legt u die beloning van slecht gedrag uit?
Over welke instrumenten beschikt u om te controleren of dierhouders voldoen aan de zorgplicht? Wat heeft u nodig om deze instrumenten nog beter te kunnen benutten?
Hoe vaak wordt gecontroleerd bij dierenhouders? Hoe vaak is in de afgelopen vier jaar gecontroleerd bij een overduidelijk risicogeval als in het artikel genoemde ponyhouder uit Friesland en welke conclusies zijn daaruit gekomen?
Bent u het ermee eens dat onbeschermde dieren een makkelijke prooi zijn voor wolven en dit kan veroorzaken dat de wolf terugkeert naar dezelfde plek?
Bent u het ermee eens dat een wolf door nalatigheid van mensen in de bescherming van hun dieren, problematisch gedrag kan gaan vertonen zoals het wederkeren naar dezelfde plek? Wie draagt dan volgens u de verantwoordelijkheid voor de gevolgen daarvan?
Heeft u in kaart en wat gaat u eraan doen dat mensen on- of doelbewust hun dieren onbeschermd kunnen laten en vervolgens een hoge vergoeding kunnen krijgen voor (dodelijke) schade aan deze dieren?
Erkent u dat een systeem waarin verwaarlozing van dieren niet wordt aangepakt, met wolvenaanvallen als gevolg, potentieel dierhouders door middel van vergoedingen beloont voor het overtreden van de wet?
Bent u ermee bekend dat dieren zoals de shetlandpony, meer geld opleveren voor een dierhouder via een uitbetaling van een vergoeding na een wolvenaanval, dan door het dier op marktplaats (of via een andere wijze) te verkopen? Wat vindt u van deze mogelijk perverse prikkel?
Controleert u periodiek de waardetabel (die jaarlijks wordt opgesteld) op basis waarvan de hoogte van de vergoedingen wordt bepaald?
Gaat u dierhouders die niet voldoen aan de zorgplicht en zich niet aan de adviesnormen houden in de toekomst gericht strenger controleren? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, hoe gaat u dan handhaven dat er geen misbruik wordt gemaakt van de vergoedingsregeling?
Wat vindt u van wolvenaanvallen die mogelijk tot stand zijn gekomen door nalatigheid van dierhouders of zelfs door het uitlokken van de wolf? Bent u het met ons eens dat dat bij kan dragen aan een vertekend beeld van het daadwerkelijke gevaar dat de wolf vormt voor mens en dier?
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat dierhouders bekend worden met en zich gaan houden aan de adviesnormen en gaan voldoen aan de zorgplicht?
Zou u deze vragen binnen de gestelde termijn willen beantwoorden en tenminste alvorens het nog te plannen plenair debat over de wolf in Nederland?
Massasterfte van zwaluwen door pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de massasterfte van oeverzwaluwen bij de Haarrijnse Plas?1
Deelt u de zorg dat sterfte door pesticiden waarschijnlijk structureel wordt onderschat, omdat zieke dieren zich verstoppen, snel worden opgegeten door aaseters of niet toxicologisch onderzocht worden?
Wordt momenteel gemonitord hoeveel vogels en andere wilde dieren jaarlijks slachtoffer worden van pesticiden? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, bent u bereid om een landelijk monitoringsprogramma op te zetten voor pesticidevergiftiging bij wilde dieren, inclusief structureel toxicologisch onderzoek bij massasterfte?
Bent u bekend met het toxicologisch onderzoek van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat bij de gestorven oeverzwaluwen hoge concentraties gif zoals permethrine en tetramethrine op de veren en in hersenweefsel zijn aangetroffen?2
Wat vindt u ervan dat de twee pesticiden nu gelden als «relatief veilig voor vogels», maar toch gevaarlijk blijken te zijn?
Erkent u de conclusies van de wetenschappers dat deze bevindingen erop wijzen dat vogels ernstig ziek kunnen worden of sterven door blootstelling aan pesticiden via huidcontact of inhalatie, terwijl deze blootstellingsroutes momenteel niet standaard worden meegenomen in toelatingsprocedures voor bestrijdingsmiddelen? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich?
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige risicobeoordeling van pesticiden vooral uitgaat van opname via voedsel, terwijl onderzoekers nu expliciet waarschuwen dat blootstelling via veren, huid en luchtwegen mogelijk minstens zo schadelijk kan zijn?
Welke gevolgen hebben deze onderzoeksresultaten voor de bescherming van (bedreigde) vogelsoorten zoals de oeverzwaluw, waarvan populaties al onder druk staan door verlies van leefgebied, voedseltekorten en milieuvervuiling?
Heeft u gelezen dat de onderzoekers hopen dat de manier waarop pesticiden worden beoordeeld opnieuw onder de loep zal worden genomen en dat dit onderzoek aanleiding geeft om bij de toelating van pesticiden rekening te houden met meer scenario’s dan alleen blootstelling via voedsel?
Bent u bereid om het advies van de wetenschappers op te volgen? Zo ja, hoe en op welke termijn?
Vindt u dat er daarbij ook beter gekeken moet worden naar hoe in de toelatingssystematiek en beoordelingssystematiek rekening gehouden wordt met mogelijke cumulatieve en synergistische effecten van pesticidencombinaties voor (wilde) dieren en mensen? Zo ja, hoe gaat u dat verwerken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) te verzoeken om op deze nieuwe bevindingen te reflecteren en te kijken wat kan worden gedaan om ervoor te zorgen dat blootstelling via huidcontact en inhalatie structureel wordt onderzocht, zodat volgens en andere wilde dieren beter worden beschermd tegen pesticiden?
Bent u bereid om bij het Ctgb en in Europees verband erop aan te dringen dat cumulatieve en synergistische effecten van pesticiden voor (wilde) dieren en mensen structureel mee moeten worden genomen in de toelating en herbeoordeling van stoffen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in Europees verband, ook in het kader van de gesprekken rondom de Omnibus Food and Feed Safety Simplification, te wijzen op deze wetenschappelijke bevindingen en te pleiten dat die bevindingen worden verwerkt in beleid om wilde dieren beter te beschermen tegen pesticiden (ook in het kader van Europese doelen voor biodiversiteit)?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om blootstelling van wilde dieren aan pesticiden terug te dringen?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Het besteden van miljoenen euro’s belastinggeld aan het uitkopen van een illegaal opererende varkenshouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dit is niet de bedoeling van ons belastinggeld», waaruit blijkt dat een van de grootste varkensbedrijven van Nederland, dat al jarenlang illegaal opereert, via de landelijke beëindigingsregeling aanspraak maakt op minstens vijf miljoen euro aan belastinggeld?1
Kunt u bevestigen dat de betreffende varkenshouder jarenlang meer dieren heeft gehouden dan was toegestaan, niet voldeed aan geldende milieuregels en de omgevingsvergunning niet op orde had?2
Bent u ermee bekend dat de rechtbank Oost-Brabant in 2023 heeft geoordeeld dat het bedrijf al sinds 2004 illegaal opereerde?3
Kunt u bevestigen dat dit bedrijf, ondanks jarenlange juridische procedures, handhavingsverzoeken en rechterlijke uitspraken over illegale bedrijfsvoering, alsnog aanspraak maakt op circa vijf miljoen euro aan belastinggeld? Hoe hoog is het exacte subsidiebedrag?
Onderschrijft u de noodzaak van een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van de 20 miljard euro aan belastinggeld die is vrijgemaakt voor het samenhangende pakket voor landbouw, natuur en stikstof?
Hoe rijmt u het verstrekken van miljoenen euro’s subsidie aan een veehouderijbedrijf dat structureel milieuwetgeving overtreedt met een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van dit geld, terwijl de overheid in dergelijke gevallen ook kan handhaven, illegale situaties kan beëindigen en vergunningen kan intrekken?
Bent u ermee bekend dat de gedeputeerde staten van Noord-Brabant in 2024 nog verklaarden dat aan dit bedrijf geen provinciale subsidies zou worden verleend vanwege structurele overtredingen van milieuregels?4
Wat vindt u ervan dat er nu alsnog miljoenen euro’s aan belastinggeld dreigen te worden uitgekeerd aan precies die locaties waarvan de rechter heeft vastgesteld dat daar jarenlang illegaal is geopereerd?
Deelt u het inzicht dat iedere euro die wordt besteed aan het vrijwillig uitkopen van bedrijven die illegaal opereren, niet meer beschikbaar is voor andere noodzakelijke maatregelen voor de landbouwtransitie, stikstofreductie en natuurherstel?
Erkent u dat het efficiënt, rechtmatig en doelmatig besteden van belastinggeld binnen de stikstofaanpak ook betekent dat wordt gekeken of illegale bedrijfsvoering kan worden beëindigd door handhaving of het intrekken van vergunningen, in plaats van dat er miljoenen euro’s aan vrijwillige uitkoopsubsidies worden verstrekt aan dit soort bedrijven die de wet overtreden?
Bent u bereid om de subsidietoekenning voor dit varkensbedrijf per direct op te schorten en in plaats daarvan met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de provincie en de omgevingsdienst te bezien of de illegale bedrijfsvoering via handhaving, het intrekken van vergunningen of andere maatregelen kan worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om binnen de bredere landbouwaanpak ook te kijken naar alternatieve routes naast vrijwillige uitkoop, zoals striktere handhaving, het intrekken van vergunningen en het beëindigen van illegale situaties, om zo de efficiëntie, doelmatigheid en rechtvaardigheid van de besteding van belastinggeld te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn, maar in ieder geval voordat u de toegezegde aanpak voor landbouw, natuur en stikstof naar de Kamer stuurt, beantwoorden?
Heeft u kennisgenomen van het artikel «In tranen over dreigende boete voor alternatieve therapeuten: «Ik mag wel mensen blijven helpen maar dieren zijn nu dus taboe. Dat is toch bizar?»»1, waarin wordt beschreven dat diertherapeuten door handhaving van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) worden geconfronteerd met dreigende boetes tot 25.000 euro?
Kunt u aangeven hoeveel waarschuwingen, lastgevingen en boetes de NVWA in 2024 en 2025 heeft opgelegd aan diertherapeuten en op basis van welke typen handelingen deze sancties zijn opgelegd?
Kunt u toelichten op welke wettelijke grondslag de NVWA concludeert dat behandelingen door alternatieve diertherapeuten, zoals osteopathie en craniosacraal therapie bij paarden, worden aangemerkt als diergeneeskundige handelingen die uitsluitend door dierenartsen of daartoe bevoegde beroepsgroepen mogen worden uitgevoerd?
Deelt u de opvatting dat aanvullende therapieën, mits duidelijk afgebakend en uitgevoerd na of in afstemming met een diagnose door een dierenarts, een complementaire rol kunnen spelen bij het welzijn en herstel van dieren? Zo ja, hoe krijgt dit momenteel vorm in wet- en regelgeving?
Erkent u dat het ontbreken van een beschermd beroep voor de diertherapeuten zowel risico’s voor dierenwelzijn als onzekerheid voor goed opgeleide en zorgvuldig werkende therapeuten met zich meebrengt?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om opleidingen en kwaliteitseisen voor diertherapieën te toetsen en eventueel te erkennen, zodat onderscheid kan worden gemaakt tussen deskundige behandelaars en onbevoegde of onzorgvuldige aanbieders?
Bent u bereid om, in overleg met de NVWA, dierenartsen, diertherapeuten en sectororganisaties, te bezien of nadere verduidelijking of aanpassing van beleid nodig is om zowel dierenwelzijn als rechtszekerheid voor betrokken beroepsgroepen beter te borgen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Nadeelcompensatie voor de pulsvisserij |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraken van de Raad van State van 22 april 2026 over pulsvisserij en de gevolgen van het Europese Unie (EU)-verbod (ECLI:NL:RVS:2026:2040) (ECLI:NL:RVS:2026:2036) (ECLI:NL:RVS:2026:2038)?
Hoe beoordeelt u het oordeel dat bij het intrekken van vergunningen voor pulsvisserij onvoldoende expliciet rekening is gehouden met de financiële gevolgen voor de betrokken vissers?
Klopt het dat vissers reeds eerder verzoeken tot nadeelcompensatie hebben ingediend die (deels) zijn afgewezen of nog niet zijn afgehandeld? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Erkent u dat het verbod op pulsvisserij, voortvloeiend uit EU-regelgeving, heeft geleid tot substantiële economische schade voor Nederlandse vissers?
Welke criteria hanteert u momenteel bij de beoordeling van aanvragen voor nadeelcompensatie in deze sector?
Op welke termijn kunnen getroffen vissers duidelijkheid verwachten over hun individuele aanvragen voor schadevergoeding of nadeelcompensatie?
Hoe voorkomt u dat langdurige juridische procedures en onzekerheid leiden tot faillissementen of onomkeerbare schade bij de getroffen visserijbedrijven?
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de visserijsector en de getroffen vissers om te komen tot een collectieve en rechtvaardige compensatieregeling?
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun gezinnen hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun bemanningsleden hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
De kostenverschuiving en de kosten voor de belastingbetaler van het Food and Feed Safety Simplification Omnibuspakket. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat het kabinet in het BNC-fiche over het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder heeft uitgesproken dat het kabinet wil voorkomen dat de voorstellen Europese en nationale doelen ondermijnen en het belangrijk vindt dat er geen risico’s zijn voor de bescherming van mens, dier en milieu, de naleving van internationale verplichtingen en nationale en Europese doelen (Kamerstuk 22 112, nr. 4261)?
Ja.
Bent u ermee bekend dat het kabinet in het BNC-fiche over het Omnibuspakket er al op wees en waarschuwde voor dat het pakket kan leiden tot een onevenredige verschuiving van kosten voor het monitoren het bedrijfsleven naar Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) en de lidstaten en dat het kabinet deze kostenverschuiving als zeer onwenselijk bestempelde?
Het Omnibuspakket heeft als doel regeldruk en administratieve lasten te verlichten en die ambitie deel ik. Eén van de vele voorstellen in de Omnibus is een voorstel Vo 1831/2003 aan te passen zodat diervoederadditieven, na het doorlopen van een uitgebreid toelatingsproces, voor onbepaalde tijd worden toegelaten. Dit specifieke voorstel doet niets af aan de verantwoordelijkheid die de producent draagt voor de veiligheid van hun product en de verantwoordelijkheid van de overheid om toezicht te houden op die veiligheid.
In het BNC-fiche heb ik uitsluitend met betrekking tot dit voorstel, dat specifiek over diervoederadditieven gaat, de zorg geuit dat het mogelijk kan leiden tot een kostenverschuiving van het bedrijfsleven naar overheden en EFSA, bijvoorbeeld voor een veiligheidsmonitoring. Of dit in de praktijk daadwerkelijk het geval zal zijn, moet nog blijken. Tegelijkertijd zie ik ook gunstige elementen. Doordat diervoederadditieven niet langer verplicht elke tien jaar een herbeoordeling hoeven te ondergaan, kan dit tijd en middelen besparen. Met name EFSA kan deze vrijgekomen capaciteit elders inzetten. Daarnaast krijgt EFSA ook extra bevoegdheden, zoals de mogelijkheid om dossiers rechtstreeks bij bedrijven op te vragen.
Op dit moment lopen de onderhandelingen over het Omnibuspakket nog in Brussel. In dat proces blijf ik dit specifieke punt nauwlettend volgen en waar nodig zal ik het onder de aandacht zal brengen bij de Commissie. Wel wil ik benadrukken dat dit voorstel slechts één van de vele voorstellen is uit het gehele Omnibuspakket en dat mijn waardering van, en toekomstige besluitvorming over, het pakket als geheel gebaseerd zal zijn op een gebalanceerde afweging van alle voorstellen in het pakket.
Bent u ermee bekend dat de EU-wetenschapstoets (Kamerstuk 2026D18869) aangeeft dat de voorstellen uit het Omnibuspakket niet zullen leiden tot vermindering van administratieve lasten, een gelijk speelveld, versnelde innovaties en toelatingen?
Ik ben bekend met dit Kamerstuk. Deze is expliciet toegespitst op gewasbeschermingsmiddelen.
Bent u ermee bekend dat dit volgens de wetenschappers resulteert in extra kosten voor de Nederlandse maatschappij door onder andere de verhoogde capaciteitseisen voor monitoring, controle, metingen en de kostenverschuiving die hierboven genoemd is?
De zienswijze op het wijzigingsvoorstel voor Vo 1831/2003 betreft diervoederadditieven, terwijl de EU-wetenschapstoets zich specifiek richt op gewasbeschermingsmiddelen. Zodoende hangen deze uitspraken niet met elkaar samen.
Aangezien het belangrijk is voor een goede besluitvorming dat de Kamer en het kabinet weten wat de (extra) kosten zullen zijn, bent u bereid om een zo volledig mogelijke inschatting te (laten) maken van de kosten die de voorliggende voorstellen in het Omnibuspakket met zich meebrengen voor de Nederlandse maatschappij en Nederlandse belastingbetaler? Kunt u dit vóór het plenaire debat over het Omnibuspakket met de Kamer delen?
In het BNC-fiche is benoemd dat er voor aantal voorstellen consequenties voor rijksoverheid en/of medeoverheden zijn voorzien. Zoals benoemd in de beantwoording van vraag 2, kunnen de voorstellen voor diervoederadditieven mogelijk tot zowel kostenbesparingen als extra kosten leiden. Enerzijds vervallen er werkzaamheden voor de herbeoordeling van diervoederadditieven, maar mogelijk komen er kosten bij voor de monitoring van de veiligheid van diervoederadditieven. Op dit moment lopen de onderhandelingen over het Omnibuspakket nog in Brussel. Het is daardoor niet mogelijk om definitief beeld te schetsen van de financiële consequenties.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden vóór het plenaire debat over het Omnibuspakket?
Ja.
Generieke vrijstelling tewerkstellingsvergunning (TWV) voor de zeevisserij |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de commerciële zeevisserij, in tegenstelling tot de koopvaardij en zeegaande waterbouw, geen gebruik kan maken van de generieke vrijstelling van de tewerkstellingsvergunning (TWV) zoals opgenomen in het Besluit uitvoering Wav 2022?
Hoe beoordeelt u het verschil in behandeling tussen de zeevisserij en andere maritieme sectoren, terwijl zij vergelijkbare arbeid op zee verrichten?
Deelt u de mening dat dit onderscheid leidt tot een structureel zwaardere toegangsdrempel tot arbeidskrachten van buiten de Europese Unie (EU) voor de zeevisserij?
Bent u bekend met signalen uit de sector dat aanvragen voor TWV's voor vissers regelmatig worden ontmoedigd of afgewezen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en wat is uw reactie daarop?
Hoe verhoudt deze ongelijke behandeling zich tot het streven naar een gelijk speelveld binnen het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid?
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige regelgeving met betrekking tot het aanvragen van een TWV bijdraagt aan bemanningstekorten in de Nederlandse zeevisserijsector?
Erkent u dat de instroom in maritieme opleidingen en het aantal beschikbare Nederlandse en EU-werknemers voor zeevisserij structureel afneemt? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Deelt u de analyse dat het voor de zeevisserij noodzakelijk is om – net als andere maritieme sectoren personeel van buiten de EU te kunnen aantrekken om operationeel te blijven?
Waarom is er destijds voor gekozen om zeevissersschepen expliciet uit te sluiten van de schepelingendienst-vrijstelling?
Bent u bereid te onderzoeken of de zeevisserij onder voorwaarden kan worden opgenomen in de generieke vrijstelling van de TWV, vergelijkbaar met de koopvaardij en waterbouw?
Hoe beoordeelt u het voorstel om deze vrijstelling te koppelen aan registratie in het Nederlands Register van Vissersvaartuigen (NRV) om handhaafbaarheid te waarborgen?
Ziet u mogelijkheden om via het NRV een duidelijke en controleerbare afbakening te creëren van de doelgroep voor een eventuele vrijstelling?
Welke risico’s ziet u bij het invoeren van een dergelijke vrijstelling en hoe kunnen deze volgens u worden ondervangen?
Bent u bereid om, in overleg met de sector en uitvoeringsorganisaties zoals UWV en de Nederlansdse Arbeidsinspectie (NLA), te komen tot een voorstel voor gelijkschakeling van maritieme sectoren op dit punt?
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over mogelijke beleidsaanpassingen of vervolgstappen?
Op welke wetenschappelijke basis wordt de flyshoot-methode momenteel beoordeeld als aanvaardbaar vanuit het oogpunt van ecosysteembeheer en acht u die onderbouwing voldoende, gezien de schaal waarop deze methode inmiddels wordt toegepast?1
Om de visbestanden en het ecosysteem waar deze zich in bevinden te beschermen, zijn regels en beleid op Europees niveau vastgelegd in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (hierna: GVB). Het GVB streeft duurzaam gebruik van visserij en aquacultuur na om bijvoorbeeld overbevissing te voorkomen. De flyshoot, ook wel «Schotse zegen» genoemd, is een door de Europese Unie (hierna: EU) erkende visserijtechniek die binnen de kaders van het GVB valt. Het GVB streeft ecologische, economische en sociale duurzaamheid na.
Het vissen met de flyshoot-methode gebeurt door Nederlandse vissers seizoensmatig op de Noordzee en in Het Kanaal. De schaal waarop deze methode wordt toegepast, is begrensd in het Kanaal en de Noordzee. Het totale aantal Nederlandse schepen dat gebruik mag maken van de flyshoot-techniek in het Kanaal is beperkt tot 24. Daarnaast worden de visserijen in het Kanaal beheerd door middel van een visserij-inspanningsregeling op basis van KW-dagen. KW-dagen staat voor de periode of het aantal zeedagen (kW-dagen) dat er gevist mag worden. Op de Noordzee is flyshoot begrensd in (delen van) beschermde gebieden waar een verbod op bodemberoerende visserij geldt (momenteel gaat het om 7,2% van de Nederlandse Noordzee).
Deelt u de analyse dat flyshoot in zijn geïndustrialiseerde Nederlandse vorm met zware kabels en hoog motorvermogen wezenlijk verschilt van de oorspronkelijke, kleinschalige Deense snurrevaad-methode en wat betekent dat voor de ecologische beoordeling?
De flyshoot (afgekort SSC) is een andere techniek dan de Deense Zegen (afgekort SDN) en verschilt daarmee per definitie. De flyshoot wordt uitgevoerd met een motorvermogen dat ongeveer 1/3 minder is dan de boomkorvisserij waardoor de methode eerder een «gemiddeld motorvermogen» inzet bij de visserijactiviteit dan een «hoog motorvermogen» in vergelijking met de totale Nederlandse kottervisserij. Er zijn geen Nederlands gevlagde vissers actief met een Deense Zegen waardoor een vergelijking qua ecologische beoordeling op nationaal niveau geen meerwaarde heeft. Een eerdere internationale analyse over de verschillende bodemimpact tussen visserijtechnieken laat zien dat de impact van de beroering (dieper dan 2cm) per oppervlak bij flyshootvisserij fors minder is dan bij de conventionele boomkor.2
Hoe reflecteert u op de visserij die volgens het artikel niet mee willen werken aan het onderzoek van 4,8 miljoen euro naar de ecologische impact van flyshoot vissen?
Verschillende vertegenwoordigers van de visserij zijn betrokken geweest in het proces rondom de aanvraag vanuit de Nederlandse Wetenschapsagenda: «Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid». De raad van bestuur van NWO heeft op 10 juni jl. een besluit genomen over de aanvraag. Tot het besluit gecommuniceerd is, kan niet aangenomen worden dat het project doorgang vindt en of de visserij deelneemt.
Herkent u zich in de analyse dat het risico op overbevissing toeneemt door het uitblijven van onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen?
De suggestie dat onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen uitblijven herken ik niet. Er vindt onderzoek plaats naar de hoeveelheid vis die door de Europese visserijvloot wordt bevist vanuit de Datacollectie verordening, in Nederland uitgewerkt in de Wettelijke Onderzoektaken (WOT-05 Visserijonderzoek). Deze dataverzameling vindt ook plaats in de Schotse zegenvisserij en de doelsoorten van deze visserij worden in surveys zoals de International Bottom Trawl Survey (IBTS) bemonsterd. Er bestaan daardoor ook ICES-vangstadviezen voor verschillende doelsoorten die bevist worden in «flyshootvisserij». Als de informatie beschikbaar is kan er per vissoort beoordeeld worden of de visserijdruk hoger is dan de maximale duurzame opbrengst (MSY). Wanneer de visserijdruk langdurig boven MSY plaatsvindt neemt het risico op overbevissing toe.
Ik herken mij wel in een analyse dat de informatiedichtheid voor de verschillende soorten in Schotse zegenvisserij lager is dan bijvoorbeeld voor de soorten tong of schol en dat aanvullend onderzoek nodig is. Hiervoor heb ik via de Nederlandse Wetenschapsorganisatie een onderzoekscall uitgezet om meer kennis te verwerven over onbeschermde soorten. Dit ishet onderzoek dat in het artikel wordt aangehaald. Ik blijf mij inzetten voor het vergroten en versterken van onze kennisbasis, zodat de visserij ecologisch duurzamer kan opereren.
Tot slot worden er beheermaatregelen genomen ter bescherming van niet-gequoteerde soorten die door de flyshoot-visserij worden gevangen. Zo heeft Nederland in 2021 op verzoek van onze visserijsector het initiatief genomen om de maaswijdte aan te passen voor de visserij op pijlinktvis. In de visserij op inktvis was het tot vorig jaar oktober toegestaan met kuilen met een maaswijdte van minimaal 40 mm te vissen. Nu geldt er een minimale maaswijdte van 80 mm. Het vergroten van de maaswijdte draagt bij aan het verminderen van vangst van kleinere inktvisexemplaren en bijvangst van andere soorten.
Welk instrumentarium heeft u om deelname aan het onderzoek alsnog te bevorderen? Kunt u toezeggen dat instrumentarium in te zetten?
De beoordeling van het voorstel heeft nog niet plaatsgevonden. Van aanvullende inzet is daarom op dit moment geen sprake. De aanname dat de visserijsector ten algemene niet mee wil werken aan wetenschappelijk onderzoek is in mijn ogen niet juist. Zo zijn verschillende vissers betrokken bij verschillende onderzoeken, zoals het onderzoek naar de FloMo, Fully Documented Fisheries of andere onderzoeken zoals in de garnalenvisserij.
Hoe wordt de bijvangst van niet-doelsoorten bij flyshoot-schepen momenteel gemonitord en acht u die monitoring toereikend voor soorten waarvoor geen quota bestaan?
Vanuit de Europese controleverordening2 moeten alle vissers met een vaartuiglengte van 12 meter of meer tijdens de visreis hun (bij)vangsten en mogelijke discards registreren in het elektronisch logboek. De Nederlandse flyshoot-vaartuigen vallen binnen deze doelgroep. De verplichting geldt voor zowel gequoteerde als niet gequoteerde soorten. Bij de aanlanding wordt de totale omvang van de vangsten bepaald door een officiële weging. De resultaten van deze weging worden gebruikt voor het bepalen van de quotumbenutting.
De logboekgegevens worden door de NVWA geverifieerd door middel van kruiscontroles met het resultaat van de weging. Op basis van de controleverordening is een tolerantiewaarde toegestaan waarbij een overschrijding kan leiden tot een ernstige inbreuk en de toekenning van punten. Deze kruiscontrole stimuleert de correcte registratie in het elektronisch logboek. Naast de administratieve kruiscontroles ziet de NVWA door middel van risico-gebaseerde fysieke controles toe op de weging van visserijproducten en de tolerantiewaarden. Op basis van de herziene controleverordening zal het toezicht op de vangsten die onder de aanlandplicht vallen vanaf 10 januari 2028 voor een deel van de Nederlandse vloot worden aangevuld met sensor- en cameratoezicht (REM/CCTV). De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) monitort op wekelijkse basis de nationale benutting van de Nederlandse visquota. De monitoring voor soorten waar geen quota voor bestaat acht ik daarmee toereikend.
Hoe verhoudt het huidige vergunningenbeleid voor flyshoot zich tot de verplichting om te handelen op basis van het voorzorgsprincipe uit het Gemeenschappelijk Visserijbeleid? Bent u voornemens dit beleid aan te passen?
Nederland kent geen specifiek vergunningenbeleid voor de flyshootvisserij. Vissers die met flyshoot willen vissen moeten beschikken over een vismachtiging voor de vistuigcategorie TR, waartoe ook de flyshootvisserij behoort. Het aantal vismachtigingen dat voor de vistuigcategorie TR kan worden afgegeven is begrensd en gereguleerd via het meerjarenplan Noordzee en de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Vissers die deze visserij willen uitoefenen in het Kanaal moeten bovendien beschikken over een zogenaamde «kanaalvergunning». De afgifte van deze vismachtiging is primair gereguleerd via het meerjarenplan Westelijke wateren en verordening (EG) nr. 1954/2003 waarin het beheer van de visserijinspanning is gereguleerd. Het aantal kanaalvergunningen dat Nederland verstrekt is begrensd tot maximaal 24. Daarmee blijft Nederland binnen het Europees bepaalde visserijinspanningsniveau. Ik ben op dit moment niet voornemens om dit beleid aan te passen.
Kunt u in Europees verband pleiten voor uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen voor visserijmethoden met een vergelijkbare vangstkracht als de huidige Nederlandse flyshoot?
Op dit moment gelden er op basis van de Europese controleverordening al uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.
Welke andere concrete stappen gaat u nemen om overbevissing te voorkomen, te voorkomen dat we een herhaling krijgen van de situatie waar Nederland eerder mee te maken had omtrent de pulsvisserij en welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat de relatie met onze buurlanden constructief blijft?
Het behouden van gezonde vispopulaties is belangrijk voor de biodiversiteit en het functioneren van het mariene ecosysteem. Daarnaast zijn gezonde bestanden van belang voor vissers die nu én in de toekomst hun boterham willen verdienen. Om die reden ben ik in gesprek met de visserijsector over de toenemende interesse van Nederlandse vissers in niet-gequoteerde soorten en in het bijzonder over de relatie met buurlanden in het Kanaal.
Verder lopen er op dit moment verkennende gesprekken om te kijken naar het huidige beheer van ongequoteerde soorten. Deze gesprekken worden gevoerd door de Europese Commissie met het Verenigd Koningrijk, omdat deze bestanden doorgaans gedeeld beheerd worden. Zo wordt er gewerkt aan het bouwen van een goede wetenschappelijke kennis van diverse bestanden en zal vervolgens in kaart worden gebracht welke beheermogelijkheden er mogelijk zijn om overbevissing te voorkomen.
Ik zie geen overeenkomst of verband met de pulsvisserij.
In welke mate zorgt flyshoot-vissen voor bodemberoering in vergelijking met conventionele boomkor- en pulsvisserij?
Flyshoot-vissen heeft een andere vorm van bodemcontact dan de conventionele boomkor (met wekkerkettingen) of de pulskor. Flyshoot-vissen kan plaatsvinden over een groter oppervlak per trek dan een conventionele boomkor en beïnvloedt daardoor qua oppervlak meer van de bodem. De impact van de beroering per oppervlak is echter fors minder, omdat de bodempenetratie van flyshoot-vissen minder is dan bij de conventionele boomkor. Een eerdere analyse over de verschillende bodemimpact tussen vistuigtypen geeft dit ook aan (zie antwoord vraag 2).
Wat is de klimaatimpact van bodemberoering door de vormen van visserij in voorgaande vraag en in hoeverre wordt die impact meegenomen in de klimaatscenario’s en uitstootcijfers van deze sector?
De potentiële CO2-emissies van bodemberoering zijn onderzocht als deel van het bredere onderzoek naar CO2 uitstoot van de visserijsector. De Kamer is hierover geïnformeerd op 2 april jl. (Kamerstuk 32 813/29 675, nr. 1557).
Welke stappen zet u om de ecologische en klimaatimpact van bodemberoerende visserij te beperken?
Het kabinet zet zich in voor een toekomstbestendige en duurzame visserijsector.
Hiervoor wordt relevant onderzoek gefinancierd en stelt het kabinet regelmatig innovatieregelingen open. Ook zet het kabinet zich in voor de legalisering van beproefde duurzamere innovaties zoals de pulskor en het versimpelen van de wet- en regelgeving voor de introductie van nieuwe innovaties. Deze inzet is onder meer uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda Visie op Voedsel uit Zee en Grote Wateren, waarin concrete acties zijn opgenomen die bijdragen aan de verduurzaming, innovatie en toekomstbestendigheid van de visserijsector. Voor deze inzet heeft het kabinet meerdere middelen en instrumenten beschikbaar, zoals toegelicht in vraag 15.
Anderzijds streef ik ernaar om in 2030 15% van de Nederlandse Noordzee te vrijwaren van bodemberoerende visserij in beschermd natuurgebieden zoals afgesproken in het Noordzeeakkoord. Dit draagt bij aan het verminderen van de ecologische impact en komt voort uit wettelijke verplichtingen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Natuurherstelverordening.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen de reeds aangekondigde «energie-efficiëntieregeling visserij» van 25 miljoen euro zal bekostigen (Kamerstuk 36 933, nr. 1)?
Zoals in de Kamerbrieven «Acties weerbaarheid energieschok» en «Energie-efficiëntieregeling visserij en steunmaatregel conflict in het Midden-Oosten» (Kamerstuk 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795) aangegeven, zal het kabinet eind september een energie-efficiëntieregeling voor de visserijsector openstellen. Hiervoor wordt € 25 miljoen vrijgemaakt op de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden wie er in aanmerking komt, welke investeringen subsidiabel zijn en hoe deze middelen verdeeld worden. Over de details van de regeling zal ik de Kamer op een later moment informeren.
Wordt bij de toekenning van de verduurzamingssubsidie onderscheid gemaakt tussen investeringen die de vangstkracht verhogen en investeringen die de milieu-impact per gevangen kilo vis verlagen? Zo ja, hoe?
De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden welke investeringen subsidiabel zijn. Het verhogen van de vangstcapaciteit van vissersvaartuigen is uitgesloten onder de verordening die gebruikt wordt voor deze regeling, de visserijvrijstellingsverordening. Over de details van de regeling zal ik uw Kamer op een later moment informeren.
Kunt u bevestigen dat het ministerie in de periode 2025–2029 80 miljoen euro apart heeft gezet voor de verduurzaming van de vloot, bovenop eerdere middelen uit het klimaatfonds?
Voor het bevorderen van verduurzaming van de visserijsector heeft het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur verschillende middelen en instrumenten beschikbaar.
Zo is er o.a. in 2022 199 miljoen vanuit het Klimaatfonds beschikbaar gesteld voor de aanpassing en verdere verduurzaming van de visserij. Een deel van deze middelen is reeds ingezet voor subsidieregelingen, onderzoek en het Visserij Ontwikkel Plan (VOP).
Onder het kabinet Schoof 1 is er bij het Hoofdlijnenakkoord € 4,5 miljoen voor 2025 en onder het regeerprogramma € 50 miljoen voor de periode 2026–2033 beschikbaar gesteld om de visserij te ondersteunen in de doorontwikkeling naar een toekomstbestendige vloot. Deze middelen zullen deels worden ingezet voor verduurzaming.
Zoals al aan de Tweede Kamer gemeld (Kamerstuk, 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795), zal ik eind september 2026 een energie-efficiëntieregeling voor de visserij openstellen, waarvoor € 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting.
Hoeveel procent van de kotters en andere vissersschepen verwacht u dat met deze nieuwe 25 miljoen euro bovenop de reeds gereserveerde 80 miljoen euro te kunnen verduurzamen?
Dit percentage is nog niet bekend. Het aantal vissersvaartuigen dat verduurzaamd zou kunnen worden onder de energie-efficiëntieregeling (€ 25 miljoen) is onder meer afhankelijk van het aantal aanvragen voor steun van de regeling, welke investeringen er onder de regeling subsidiabel zijn en hoe de middelen verdeeld worden.
Hoe wordt voorkomen dat deze middelen ten goede komen aan methoden die de visstand verder onder druk zetten?
Het kabinet hecht aan een toekomstbestendige visserij die vist binnen de draagkracht van het ecosysteem. Daarom is het belangrijk dat de regeling niet ten goede komt aan methoden die de visstand verder onder druk zetten. Dit wordt gewaarborgd in de regeling zelf, ook vanwege de voorwaarden uit het steunkader, waaronder het feit dat het niet-naleven van het GVB betekent dat men niet in aanmerking komt voor subsidie.
Is de Staatssecretaris bereid de subsidiecriteria zo in te richten dat vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode voorrang of een toeslag krijgen?
Met deze subsidieregeling wil ik mij voornamelijk richten op het verminderen van brandstofverbruik in de visserijsector. Ik wil iedere visser gelijke kansen bieden om hun vissersvaartuig te verduurzamen. Een voorrangspositie voor vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode draagt hier niet aan bij.
Welke ruimte ziet u om de verduurzamingssubsidies specifiek te benutten voor de overgang naar kleinschaligere en meer selectieve vismethoden, zoals handlijnvisserij en passieve visserij, als alternatief voor opschaling van de flyshoot?
Zoals ook te lezen is in de «Visie voedsel uit zee en grote wateren» (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624) streef ik naar een flexibele, innovatieve en ook diverse visserijsector. Het doel van deze energie-efficiëntieregeling is het brandstofverbruik van de visserijsector naar beneden te brengen. De overgang naar kleinschalige en meer selectieve vismethoden is niet de focus van deze regeling. Het stimuleren van innovatie, waaronder selectieve vangststechnieken, wordt ondersteund door andere regelingen, namelijk de innovatieregelingen voor de visserij.
Het afbouwen van de afhankelijkheid van kunstmest en het versnellen van de inzet van RENURE |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel stikstofkunstmest (in tonnen Nitraat) Nederland jaarlijks importeert, welk aandeel daarvan direct of indirect afkomstig is uit de Golfregio en hoe de blokkade van de Straat van Hormuz de prijs van gangbare kunstmeststoffen op de Nederlandse markt heeft beïnvloed?
De hoeveelheid stikstofkunstmest die Nederland jaarlijks importeert varieert de afgelopen 10 jaar grofweg tussen de 150 en 300 kiloton en is met name bedoeld voor doorvoer naar andere landen. Deze import is niet goed in tonnen nitraat uit te drukken, omdat er diverse vormen van stikstof worden geïmporteerd. Deze stikstofkunstmest was niet afkomstig uit de Golfregio, maar werd in de afgelopen jaren met name vanuit Rusland en in mindere mate ook uit Algerije, China en Noorwegen geïmporteerd. In 2026 is tot dusver vooral uit Egypte en in mindere mate uit Noorwegen geïmporteerd.1
De grondstoffen die voor de productie van stikstofkunstmest in Nederland gebruikt worden (met name aardgas) kunnen mogelijk wel afkomstig zijn uit de Golfregio. Dit is echter niet goed te achterhalen.
De prijs van stikstofkunstmest in Europa2 is de afgelopen maanden met ongeveer 18–24% gestegen (m.u.v. ureum, dat met 48% steeg) ten opzichte van eind februari 2026 door de blokkade van de straat van Hormuz, maar ten dele ook door andere factoren.3 Door tijdelijke tekorten bij Indiase aanbestedingen steeg de ureumprijs eerder al.4 Ook het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en heffingen op Russische kunstmest zijn mogelijk van invloed. De prijs lijkt de afgelopen weken te zijn gestabiliseerd.5 Ten algemene valt te stellen dat de prijzen voor stikstofkunstmest op de Nederlandse markt op dit moment niet zo hoog zijn als in 2022/2023, na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne (€ 923/ton ten opzichte van de huidige € 519/ton).
Deelt u de inschatting van de brancheorganisatie Meststoffen Nederland dat er op dit moment geen tekorten zijn dankzij de Europese productiecapaciteit? Hoe beoordeelt u de houdbaarheid hiervan indien de Hormuz-blokkade voortduurt?
Ik deel deze inschatting, niet alleen vanwege de Europese productiecapaciteit maar ook vanwege de voorraden die veel boeren al hadden aangelegd. Deze inschatting wordt ook gedeeld door onder meer de toelichting van de Europese Commissie aan Lidstaten over de uitkomst van de besprekingen met experts in de Fertilisers Market Observatory https://agriculture.ec.Europa.eu/data-and-analysis/markets/overviews/market-observatories/fertilisers_en.
Indien de blokkade voortduurt kunnen de prijzen van aardgas en stikstofkunstmest verder stijgen. De prijs van stikstofkunstmest is direct gekoppeld aan die van aardgas. Mogelijk kan daarmee een situatie ontstaan waarin de productie in Nederland niet langer rendabel is, zoals in 2022 kort is voorgekomen.6 Hiervoor moeten de gasprijzen echter nog significant stijgen, ook ten opzichte van de wereldprijs van stikstofkunstmest uit andere landen. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 april 2026 heeft het kabinet uiteengezet wat de verwachting is ten aanzien van de gasprijs.7 Zoals daarin aangegeven is de impact op prijzen en leveringszekerheid in Nederland minder groot dan in 2022.
Deelt u de opvatting dat leveringszekerheid van kunstmest een strategisch belang is dat vraagt om het behoud van sterke Europese productiecapaciteit en ziet u in RENURE-technologie en circulaire mestverwerking een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw structureel minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen?
Ik deel de opvatting dat het borgen van Europese productiecapaciteit van strategisch belang is. Dit is ook de reden dat ik tijdens de Landbouw- en Visserijraad steun heb uitgesproken voor het in stand houden van het CBAM voor de kunstmestindustrieën, en één van de redenen voor een verhoging van de importheffingen op stikstofkunstmest uit Rusland en Belarus.8
Ik zie RENURE-technologie en circulaire mestverwerking daarbij als een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen. Op korte termijn (1 á 2 jaar) zal de productiecapaciteit van RENURE hiervoor echter onvoldoende zijn. Er is meer capaciteit voor circulaire mestverwerking nodig om de volatiliteit in de kunstmestmarkt te kunnen dempen. Daarbij is de problematiek rondom stikstofdepositie en de effecten daarvan op de vergunningverlening een belangrijke factor.
Welke concrete stappen zet u om de toepassing van RENURE (verwerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger) te versnellen zodat de Nederlandse landbouw minder afhankelijk wordt van geïmporteerde stikstofkunstmest?
Zoals vermeld in de brief van 8 april 20269 ligt de regelgeving voor de nationale implementatie van de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die het mogelijk maakt RENURE te gebruiken, voor notificatie voor in Brussel. De verwachting is dat rond de zomer van 2026 de regelgeving in werking treedt en dat dan gestart kan worden met het gebruik van RENURE-meststoffen boven op de norm dierlijke mest die geldt vanuit de Nitraatrichtlijn (80 kg stikstof per hectare extra boven op de norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest).
Om de productie van RENURE op te schalen wordt ook gewerkt aan een subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven en voor grootschalige installaties voor mestverwaarding tot RENURE-producten. Het is daarbij van belang stappen te zetten in de stikstofproblematiek, zodat er voldoende ruimte ontstaat voor vergunning voor deze installaties. Het kabinet heeft daarnaast, zoals in de voornoemde brief op 20 april 2026 aan de Kamer gecommuniceerd extra middelen beschikbaar gesteld om de afhankelijkheid van energie en kunstmest in de land- en tuinbouwsector te verminderen.
In hoeverre heeft Nederland zich in Brussel ingezet voor snellere Europese erkenning van RENURE-producten als volwaardige kunstmestvervanger onder de EU Fertilising Products Regulation?
In 2024 is de Fertilising Products Regulation (FPR) reeds aangepast zodat (producten uit) verwerkte dierlijke mest, zoals RENURE, binnen de interne markt kunnen worden verhandeld. Deze aanpassing van de FPR is echter minder relevant voor de huidige Europese toelating van RENURE-meststoffen. De productietechnieken die met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn zijn toegestaan, zijn op dit moment met name geschikt voor productie en gebruik op de lokale markt en om diverse redenen niet interessant voor verhandeling op de interne Europese markt.
Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld de kosten die gepaard gaan met een voor de FPR verplichte CE-markering, en het feit dat RENURE-meststoffen, die voldoen aan de eisen van de FPR, tot dusver een relatief lage concentratie stikstof hebben ten opzichte van stikstofkunstmest. Dat maakt transport snel onrendabel. Bovendien is er voor de meeste producenten van bestaande RENURE-meststoffen in voldoende mate in Nederland een afzetmarkt te vinden.
Het herhaald niet naleven van afspraken door het Dolfinarium. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium een belangrijke afspraak over het aanpassen van dierverblijven niet is nagekomen, waardoor zeeleeuwen nog steeds in kleine en ondiepe verblijven worden gehouden?1, 2
Kunt u bevestigen dat deze afspraken zijn gemaakt naar aanleiding van een rapport waarin werd vastgesteld dat meerdere verblijven niet voldoen aan de geldende dierenwelzijnsnormen en dat het Dolfinarium vijf jaar de tijd heeft gehad om de verblijven in lijn met deze minimale normen te brengen?3
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Minister Adema het in juni 2024 «kwalijk» noemde toen bleek dat het Dolfinarium zich toen ook al niet aan afspraken hield?4
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Staatssecretaris Rummenie het een jaar later opnieuw «kwalijk» noemde toen opnieuw bleek dat het Dolfinarium afspraken schond?5
Wat vindt u ervan dat het Dolfinarium wederom gemaakte afspraken niet nakomt?
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een patroon van structurele niet-naleving van afspraken en normen door het Dolfinarium? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium niet alleen afspraken schendt, maar daarnaast ook nog jarenlang heeft geweigerd om transparantie te verschaffen en definitief af te zien van de mogelijke verkoop van acht dolfijnen aan een Chinees pretpark, ondanks dat de Kamer zich hier duidelijk tegen uit had gesproken (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 73)?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium ook nog eens uit de Europese branchevereniging voor zeezoogdieren is gezet, omdat ze niet voldoen aan de geldende standaarden?6
Kunt u bevestigen dat wanneer reguliere handhaving niet werkt en de dierentuinvergunning voortdurend wordt overtreden, het mogelijk is om een dierentuin (gedeeltelijk) te sluiten?7
Wanneer is voor u deze grens bereikt?
Deelt u de mening dat er weinig tot geen educatieve waarde gepaard gaat met het houden van dolfijnen in kleine betonnen bakken in gevangenschap, die daar rondjes moeten zwemmen terwijl ze lijden aan chronische stress? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat steeds meer landen, zoals Canada, India, Kroatië en Vlaanderen hebben besloten dat het houden van dolfijnen in gevangenschap moet stoppen?
Bent u bereid om zich bij deze landen aan te sluiten door een einde te maken aan het houden van dolfijnen in gevangenschap? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om het Dolfinarium af te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de “slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen” |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de «slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen»?1
Ja.
Erkent u de zorg dat import uit onder andere China, Oekraïne en Mercosur-landen plaatsvindt onder lagere normen op het gebied van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid?
De Europese Unie kan onder het multilaterale kader van de Wereldhandels Organisatie (WTO) bij import eisen stellen aan het product op het gebied van voedselveiligheid en etikettering. Geïmporteerde producten moeten altijd voldoen aan dezelfde Europese eisen voor voedselveiligheid als binnen de EU geproduceerd voedsel.
Productiestandaarden komen onder meer voort uit sociaaleconomische, landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van een land. Elk land kent daardoor zijn eigen productiestandaarden, en verschillen in productiestandaarden zijn onvermijdelijk. Daarbij geldt ook dat andere standaarden niet per definitie slechter zijn. Daarnaast geldt dat productiestandaarden onder het zogenoemde right to regulate van derde landen vallen. Een recht waar de EU zelf ook niet lichtvoetig mee om gaat.
Aangezien productiestandaarden onder dit zogenoemd recht om te reguleren van een land vallen, kan de EU slechts in beperkte mate haar productiestandaarden als dierenwelzijns- en milieu-eisen opleggen aan derde landen. Regelgeving over productiestandaarden inzake milieu of dierenwelzijn op geïmporteerde producten moet bijvoorbeeld in lijn zijn met relevante WTO-regels, zoals ook geconcludeerd door de Commissie in 2022 in haar rapport «Toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten» (COM(2022)226). In de Visie Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Dit moet wel gebeuren in overeenstemming met de internationale (handels)regels. Het kabinet heeft in het BNC-fiche mb.t. de visie aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen.2 Inmiddels is een deel van de voorstellen gepresenteerd.
Daarnaast kan via handelsverdragen bilateraal afgesproken worden dat enkel producten die aan Europese productiestandaarden voldoen gebruik kunnen maken van lagere importtarieven. In het Associatieakkoord/Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met Oekraïne zijn bijvoorbeeld afspraken opgenomen waarin Oekraïne zich verplicht heeft de Europese Sanitaire- en Fytosanitaire (SPS)-regelgeving, inclusief dierenwelzijnsregelgeving, over te nemen en te implementeren. Daarmee worden deze normen gelijkgetrokken met die van de EU.
Klopt het dat Nederland op verschillende punten strengere eisen hanteert of ontwikkelt dan het Europese beleid voorschrijft?
Ja, het klopt dat Nederland op onderdelen verder gaat of sneller beweegt dan het huidige Europese minimumniveau. Tegelijk is het kabinetsuitgangspunt dat een gelijk speelveld belangrijk is en dat onnodige nationale koppen op Europees beleid moeten worden vermeden. Het kabinet onderschrijft het belang van goede dierenwelzijnswetgeving op EU-niveau. Juist voor de concurrentiepositie van Nederlandse veehouders is het van belang dat dergelijke wetgeving zo veel mogelijk op Europees niveau wordt geregeld. Voor dierwaardige veehouderij geldt dat het kabinet hier uitvoering geeft aan een wettelijke opdracht uit artikel 2.3a «Dierwaardige Veehouderij» van de Wet dieren.
Welke concrete maatregelen neemt u om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en ten opzichte van derde landen?
Op het gebied van het EU-concurrentievermogen zet het kabinet in op een gelijk speelveld op de interne markt als een eerlijk mondiaal speelveld, waarin bedrijven en niet (lid)staten met elkaar concurreren. Voor landbouw- en voedselproducten zet Nederland zich via de EU in op het ontwikkelen en verbeteren van productiestandaarden. Dat kan multilateraal (bv bij de Wereldhandels Organisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid) en bilateraal (in handelsverdragen). Verder kan EU, onder bepaalde voorwaarden, autonome maatregelen treffen.
Bent u bereid om nationale koppen op Europees beleid te beperken, zodat Nederlandse pluimveehouders concurrerend kunnen blijven binnen de interne markt?
De ambitie van het kabinet blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Daarbij geldt wel dat het kabinet voor dierwaardige veehouderij uitvoering moet geven aan de wettelijke opdracht uit de Wet dieren vanuit een ruime kamermeerderheid. Binnen die opdracht blijft het kabinet oog houden voor regeldruk, uitvoerbaarheid, verdienvermogen en het gelijk speelveld.
Erkent u dat voedselproductie een strategisch belang heeft voor Nederland en Europa in het licht van toenemende geopolitieke spanningen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Hoe weegt u het risico dat Nederland in toenemende mate afhankelijk wordt van import uit derde landen?
Het veiligstellen van de voedselzekerheid op de langere termijn, ook in relatie tot strategische afhankelijkheden van het buitenland, is voor het kabinet reden om een strategische agenda voor de voedselzekerheid op te stellen om kwetsbaarheden te adresseren. Ik zal de Tweede Kamer voor de zomer informeren over de bouwstenen en de aanpak om te komen tot deze strategische agenda.
Hoe beoordeelt u het risico dat de nationale zelfvoorzieningsgraad van pluimveevlees daalt tot circa 60 procent bij invoering van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij?
Het kabinet herkent dat ingrijpende nationale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor productievolume, kosten, concurrentiepositie en nationale zelfvoorzieningsgraad. Eerdere analyses van Wageningen University & Research laten zien dat nationaal beleid, en specifiek de AMvB dierwaardige veehouderij, grote invloed kan hebben op de veehouderij en dat forse aanpassingen in de pluimveehouderij mogelijk zijn. Tegelijk geldt dat de precieze ontwikkeling van de zelfvoorzieningsgraad afhankelijk is van de uiteindelijke invulling, het tempo van invoering, marktontwikkelingen, innovatie en handelsstromen. Het kabinet verbindt zich daarom niet aan één sectorschatting, maar laat de ontwikkeling wel volgen, juist ook via monitoring van marktontwikkelingen en randvoorwaarden.
Bent u bereid zich in te zetten voor het borgen van een nationale zelfvoorzieningsgraad van ten minste 100 procent alvorens aanvullende maatregelen te nemen?
Het kabinet acht voedselproductie en leveringszekerheid van groot belang, maar een vaste norm van 100% nationale zelfvoorzieningsgraad is geen op zichzelf staand doel. Daarbij is Nederland onderdeel van de EU en is er een gemeenschappelijk landbouwbeleid en vrij verkeer van goederen op de Europese interne markt. Het kabinet stuurt daarom op een bredere afweging, waarin voedselzekerheid, strategische weerbaarheid, dierenwelzijn, uitvoerbaarheid en verdienvermogen samen worden bezien. Overigens was de zelfvoorzieningsgraad van Nederlands pluimveevlees in 2024 152%.
Bent u bekend met het rapport van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat de kosten op boerderijniveau voor de pluimveehouderij met circa € 0,23 per kilogram (ruim 19 procent ten opzichte van € 1,20) stijgen?2, 3
Ja, ik ben bekend met het rapport en de financiële doorrekeningen van de plannen van aanpak van de sectoren en Dierenbescherming die daarin zijn opgenomen.
Hoe verhoudt deze kostenstijging zich tot de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders ten opzichte van landen als Duitsland en Polen, waar dergelijke lasten niet gelden?
Een kostenstijging als gevolg van nationale maatregelen kan de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders onder druk zetten wanneer die kosten niet in gelijke mate optreden in andere lidstaten. Juist daarom heeft het kabinet steeds benadrukt dat bij dierenwelzijnsverbeteringen een gelijk speelveld binnen de Europese Unie van groot belang is. Tegelijk hangt de feitelijke impact op de concurrentiepositie af van de uiteindelijke invulling van de maatregelen, het invoeringstempo, de mogelijkheden voor innovatie en marktwaardering, en van ontwikkelingen in andere lidstaten. Het kabinet betrekt deze aspecten nadrukkelijk bij de verdere uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij. Daarbij ben ik ook bereid om met onze buurlanden op te trekken om tot gezamenlijke standaarden en keurmerken rondom dierwaardigheid te komen (specifiek Duitsland en België).
Hoe acht u het mogelijk dat Nederlandse pluimveehouders kunnen blijven concurreren op een Europees speelveld, indien deze kostenstijging zich voordoet?
Bij het komen tot maatregelen in de ontwerp AMvB heeft overleg en afstemming plaatsgevonden met sector en Dierenbescherming. Daarbij is gekeken naar de door deze partijen opgestelde plannen van aanpak voor het verhogen van dierenwelzijn in de pluimveesector, naar wetenschappelijke onderbouwing en naar de handhaafbaarheid van voorgenomen maatregelen. Ook is een economische impactanalyse gemaakt. Er is op grond daarvan gekozen voor een stapsgewijze aanpak tot 2040 zodat enerzijds duidelijk is welke stip er op de horizon staat en er tevens voldoende tijd is om daar naar toe te kunnen werken. Daarbij zet het kabinet zich actief in voor de marktcreatie voor deze producten in binnen- en buitenland, waarbij Nederlandse producten kwalitatief aan de beste standaarden voldoen. Intussen heeft de Europese Commissie aangekondigd te zullen komen met een herziening van de Europese dierenwelzijnsregelgeving waarmee naar verwachting ook in Europees verband zal worden gekomen tot hogere dierenwelzijnsstandaarden en er daarmee binnen de EU een gelijk speelveld blijft bestaan.
Bent u bereid om in overleg met de sector te kijken of dierenwelzijnsverbeteringen kunnen worden gerealiseerd via maatregelen die geen negatieve impact hebben op de zelfvoorzieningsgraad en concurrentiepositie, bijvoorbeeld door sturing op basis van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), als alternatief voor onderdelen van de AMvB dierwaardige veehouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Letschert , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Ja.
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Ja, dit bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken onder de wet op de dierproeven en staat daarmee ook onder toezicht van de NVWA.
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Ja, naar aanleiding van het KNAW advies «Gebruik van niet-humane primaten als proefdier. Nut en noodzaak?» uit 2014 (Kamerstuk 32 336, nr. 30) is met onderzoeksinstellingen overeengekomen dat onderzoek met niet-humane primaten (NHP) in Nederland bij voorkeur in het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) of met dieren afkomstig van het BPRC wordt uitgevoerd. In uitzonderlijke situaties waarbij het BPRC niet aan de vraag kan voldoen, zoals bij uitbraken van infectiezieken, kunnen onderzoekinstellingen dieren betrekken van andere gekwalificeerde leveranciers (Kamerstuk 32 336, nr. 44). Ik heb geen signalen ontvangen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen in de afgelopen jaren van deze afspraak zijn afgeweken.
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Ik kan me goed voorstellen dat er maatschappelijke verontwaardiging is over het verhandelen en gebruik van proefdieren en het gebruik van apen in het bijzonder. Ik ben er mee bekend dat de apen van deze handelaar worden verhandeld naar buitenlandse (hoofdzakelijk Europese) onderzoeksinstellingen waar zij kunnen worden ingezet voor proefdieronderzoek. Binnen de EU is deze praktijk alleen toegestaan als is voldaan aan stevige randvoorwaarden aan onderzoek met proefdieren en met niet-humane primaten in het bijzonder. Ik benoem hier richtlijn (2010/63/EU) die binnen de EU van toepassing is op proefdieronderzoek. Deze richtlijn bevat bepalingen voor onderzoek, fok, handel en verzorging van de dieren. Voor NHP onderzoek gelden er ten opzichte van onderzoek met andere diersoorten binnen deze richtlijn nog aanvullende eisen. Onderzoek met proefdieren is alleen toegestaan na een zorgvuldige afweging. Bij een aanvraag voor onderzoek met NHP moet er met een wetenschappelijke motivering aangetoond worden dat het doel van het onderzoek niet kan worden bereikt door het gebruik van een andere diersoort. Voor NHP (en tevens ook voor honden en katten) moet vanaf de geboorte een individueel levensloopdossier worden bijgehouden, zodat deze dieren de verzorging, huisvesting en behandeling kan worden geboden die op hun individuele behoeften en kenmerken zijn afgestemd. Op Europees niveau wordt er gerapporteerd over dierproeven in ALURES (Animal Use Reporting – EU System). ALURES bestaat uit twee delen, een deel niet-technische samenvattingen (NTS) en een deel met statistische data. De NTS geeft o.a. inzicht in het geplande onderzoek over een periode van 5 jaar, het verwachte benodigde aantal dieren en een inschatting van de mate van ongerief. Daarbij wijs ik erop dat binnen het dierproevendomein «ongerief» de aantasting van het dierenwelzijn betekent, en niet alleen «pijn». Daarmee wordt meer bedoeld dan alleen pijn. Ook zaken als stress, alleen-zijn, Ook zaken als angst en ziekte worden daarin meegerekend. De richtlijn classificeert «ongerief» in drie categorieën: licht, matig of ernstig. Dieren die zonder voorafgaande handeling onder verdoving gedood worden, worden geregistreerd als «terminaal onder anesthesie». De database met statistische data rapporteert per kalender jaar en geeft o.a. inzicht in het daadwerkelijk gebruikte aantal dieren en de mate van ongerief. Binnen beide omgevingen is het mogelijk om informatie verder uit te splitsen bijvoorbeeld op basis van land, diersoort en algemeen onderzoeksdoel.
Het exporteren van deze dieren naar landen buiten de EU is wettelijk gezien toegestaan. Wel wil ik hierover met betrokken partijen in gesprek om te bezien hoe transporten van apen ten behoeve van proefdieronderzoek naar derde landen tot een minimum kunnen worden beperkt.
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Dat dieren overlijden -in veel gevallen doormiddel van euthanasie- is helaas inherent aan proefdieronderzoek. Het is een confronterende waarheid die nu onlosmakelijk verbonden is met onderzoek voor medische vooruitgang en veiligheid voor mens dier en milieu. Op basis van NTS gegevens uit ALURES van 2022 tot en met 2025 is te zien dat er binnen de EU 553 projecten zijn ingediend waarin onderzoek met NHP is opgenomen. Veruit het meeste NHP-onderzoek wordt ingeschat op matig (79,4%) of mild (16,3%) ongerief. Onder de categorie ernstig ongerief valt 3,1% van het onderzoek. De laatste 1,2% valt onder terminaal onderzoek dat onder narcose plaatsvindt, waaruit de dieren niet meer ontwaken. Uit deze gegevens blijkt dat in totaal 70% van de NHP tijdens of na het onderzoek wordt gedood, bijvoorbeeld voor vervolgonderzoek op weefsels. De overige 30% wordt herplaatst of hergebruikt. Of proefdieren tijdens of na een proef overlijden hangt af van het soort onderzoek dat wordt gedaan. Dit wordt meegenomen in de toetsing vooraf en is onlosmakelijk verbonden met het doen van dierproeven.
Daar waar proefdieronderzoek nog absoluut onmisbaar is vind ik het belangrijk dat dit zeer zorgvuldig gebeurt conform ethische en wettelijke kaders. Daarnaast wil ik met grote vaart inzetten op de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties om zo proefdieronderzoek zoveel als mogelijk overbodig te maken.
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Ja, het betrof hier een specifieke tuberculose variant waarop vóór deze uitbraak niet standaard werd getest. Inmiddels is de procedure hierop aangepast. Door strikte eisen in omgang met proefapen is de uitbraak beperkt gebleven tot de dieren en zijn er geen mensen besmet geraakt.
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Daar ben ik mee bekend. Het bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken. Een verbod op de handel in apen als proefdieren is binnen de EU niet mogelijk omdat artikel 2 van de richtlijn lidstaten daar geen ruimte voor biedt.
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Ik ben blij met de ontwikkeling dat wetenschappelijke instellingen inzetten op proefdiervrije innovatie. Proefdieronderzoek is nog steeds nodig voor bepaald type onderzoek. Bijvoorbeeld voor complex onderzoek naar hersenziektes zoals dementie of infectiebestrijding zoals Covid.
Fokken met en handel in apen is toegestaan binnen de vergunning van dit bedrijf op basis van de Wet op de dierproeven. Daarbij vind ik het van belang dat de omvang van de fok van en handel in deze dieren proportioneel blijft in relatie tot de behoefte en noodzakelijkheid van onderzoek binnen de EU. Daarom ga ik zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4 met betrokkenen in gesprek om handel naar derde landen tot een minimum te beperken.
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben verantwoordelijk voor de Wet op de Dierproeven die gebaseerd is op de EU-richtlijn. Als het bedrijf voldoet aan de eisen uit die wet heb ik geen grondslag om in te grijpen. Een bedrijf of organisatie mag enkel proefdieren fokken of afleveren met een instellingsvergunning, daarmee staat de instelling ook onder toezicht van de NVWA. Een van de eisen is dat enkel bevoegd en bekwaam personeel met proefdieren mag werken.
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat proefdieren zo weinig mogelijk ongemak ervaren in hun leven. Transport is daarvoor niet bevorderlijk, maar soms echter onvermijdelijk om de juiste proefdieren op de juiste locatie voor onderzoek te krijgen. Ik ben blij dat er strikte Europese en internationale regels zijn die gezondheid en welzijn van de dieren borgen en verspreiding van ziekten voorkomen.
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Daartoe heb ik niet de mogelijkheid, omdat dit in strijd zou zijn met de richtlijn (2010/63/EU), zie ook mijn antwoord op vraag 7. Wel blijf ik mij onverminderd inzetten voor het waarborgen van het welzijn van proefdieren en de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is niet gelukt de vragen binnen de gestelde termijn van drie weken te beantwoorden, vanwege het nodigde uitzoekwerk en afstemming binnen het Ministerie van LVVN, het Ministerie van OCW en met de NVWA. Hierover heeft u op 11 mei een uitstelbrief ontvangen.