Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius is rijksbreed verantwoordelijk voor het beheer en de doorontwikkeling van voorzieningen als DigiD. De verschillende leveranciers die hierbij zijn betrokken zijn geselecteerd via verschillende Europese aanbestedingen. Logius maakt hierbij gebruik van geldende regels rondom aanbestedingen en van rijksbrede kaders ten aanzien van digitalisering, zoals bijvoorbeeld het Rijkscloudbeleid.
Bij het vormgeven van deze aanbestedingen stond de ondersteuning van de continuïteit van de dienstverlening, digitale weerbaarheid en efficiënt gebruik van IT-diensten centraal.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters. Hiervoor is het van essentieel belang dat de overheidscloud klaar is om de continuïteit en veiligheid van Logius dienstverlening te waarborgen.
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius voert het beheer uit van deze overheidsvoorzieningen ten behoeve van andere overheidsdienstverleners. De normering voor risicomanagement en cybersecurity volgt uit de Cyberbeveiligingswet (Cbw).
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
De motie verzoekt het opstellen en uitrollen van een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid. Een rijksbreed dataclassificatiebeleid is reeds vastgesteld in het VIR-BI 2025. Daarbij geldt dat voor de zwaarste categorieën (Staatsgeheim, of Te Beschermen Belangen 1–3) het gebruik van publieke cloud niet toegestaan is. Wanneer voor de opslag en verwerking van dergelijk gerubriceerde data een externe leverancier wordt overwogen, moet deze leverancier voldoen aan de eisen van de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). De ABRO stelt onder andere eisen aan sleutelbeheer voor encryptie. Controle of de leverancier hieraan voldoet, bij zowel aanvang als tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gecontroleerd door het Nationaal Bureau Industrie Veiligheid (NBIV). De ABRO is in december 2025 goedgekeurd, organisaties krijgen twee jaar de tijd om de ABRO in te voeren, daarom verschilt de ingangsdatum per organisatie. Andere overheidsonderdelen en leveranciers die onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen, kunnen in de toekomst verplicht worden de ABRO te gebruiken.
Daarnaast stelt het huidige rijksbreed cloudbeleid dat de data bij gebruik van publieke clouddiensten moet worden verwerkt binnen de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), in landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, of in landen die anderszins voldoen aan de eisen van art. 46, AVG. De uit te voeren risicoanalyse, onderdeel van het beleid, geeft de organisatie ook inzichten in de vraag of het land van de cloudprovider via extraterritoriale wetgeving toegang kan krijgen tot de data. Daarnaast moeten er plannen ter schadebeperking worden overwogen. Dit is een vorm van het door u voorgestelde te implementeren localisatiebeleid.
Later dit jaar wordt het herziene rijksbrede cloudbeleid met uw Kamer gedeeld. De werking van het cloudbeleid wordt verbreed van de rijksdienst naar de Rijksoverheid. Ook is er in dit beleid meer aandacht voor geopolitieke risico’s in situaties waarin een leverancier (mede) onder een niet-Europese jurisdictie valt. Voor bepaalde toepassingen wordt het gebruik van dergelijke leveranciers of van de publieke cloud niet langer toegestaan. Op deze manier zijn wij voornemens om de motie uit te voeren.
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ontvangt de Kamer dit jaar het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026. Daarnaast stelt de Rijksoverheid voor gevoelige overheidsdata en processen beveiligingseisen verplicht op basis van de BIO2 via de Cyberbeveiligingswet (Cbw). Verder wordt het belang van «veilig inkopen» en de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging in toenemende mate erkend. De ABRO stelt eisen aan de veiligheid bij de leverancier. Waar uit de risicoanalyses blijkt dat het risico van statelijke actoren reëel is, bieden de BIO2, de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) en ABRO (de laatste twee in het kader van inkoop), middelen om de risico’s goed te beheren. Op basis van deze beleidskaders en wettelijke verplichtingen worden overheidsorganisaties geholpen bij het maximaal beschermen van data en beveiligingsmaatregelen. Aan de hand van deze kaders, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, kunnen organisaties zelf vaststellen hoe en waar zij data veilig kunnen opslaan en bewerken.
Daarnaast wordt op dit moment, in het kader van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, gewerkt aan de verkenning naar de realisatie van een soevereine overheidscloud. Dit zal hand in hand gaan met de verdere ontwikkeling van het daarmee samenhangende beleid.
De Rijksoverheid versterkt continu haar integrale weerbaarheid. Binnen dit verband, zoals toegelicht in deze brief, zijn de afgelopen jaren verschillende beveiligingskaders, -normen en wetten aangepast zoals VIR-BI2025, BIO2, de ABRO. Ook bereiden we ons voor op aankomende wetgeving zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de Cbw. De effectieve toepassing van deze wetten verhoogt de basisbeveiliging, zoals ook het beheer en opslag van data van overheidsorganisaties. Gezien het feit dat een deel van deze regelgeving pas recent is ingegaan of op korte termijn ingaat, en gelet op de nadere verwachte EU wet- en regelgeving op dit gebied, kies ik er vooralsnog voor nu geen aanvullend beleid te maken, maar eerst te bezien of de nieuwe wet- en regelgeving ook de beoogde verbetering van weerbaarheid bereikt.
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Op dit moment ligt dat besloten in de «Aanpak Vitaal». Deze wordt later dit jaar vervangen door de Wet weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). De betrokken vakministers bepalen welke overheidsvoorzieningen onder deze wet zullen vallen.
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen.
Het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni) stelt eisen aan aanbieders ten aanzien van de beveiliging van ICT-systemen. De later dit jaar van kracht wordende Cyberbeveiligingswet stelt eisen aan risico- en ketenmanagement. Daarmee zullen overheidsorganisaties die kritieke digitale overheidsvoorzieningen beheren, inzage moeten hebben in welke niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers in de keten een rol spelen. De mogelijke risico’s daarvan moeten worden beoordeeld en worden gemitigeerd of geaccepteerd.
Er bestaat geen centraal register van dergelijke leveranciers per kritieke overheidsvoorziening. Als reactie op het onderzoek «Van Kwetsbaar naar weerbaar», dat is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt door de Taskforce Continuïteit ICT Dienstverlening een pilot uitgevoerd voor het monitoren van belangrijke leveranciers voor de overheid.
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Een dergelijk overzicht is er niet. Het is in het kader van veiligheid ook niet wenselijk dat er een dergelijk overzicht komt. Dergelijke data op één plaats vastleggen zou namelijk een operationeel veiligheidsrisico vormen.
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Het streven is met name gericht op het vormgeven van het nieuwe aanbestedingstraject op basis van de aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV), zoals vermeld in de Kamerbrief van 4 juni jl.1 Deze aanbesteding ziet op het opnieuw aanbesteden van het beheer van het huidige platform. De ADV biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Zodra een nieuwe leverancier is geworven, zal er een overdracht moeten plaatsvinden. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. Hiervoor wordt een periode van 6–12 maanden gehanteerd.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters.
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Zoals hiervoor aangegeven biedt een ADV-aanbesteding meer mogelijkheden dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
Er is geen overzicht van keuzes die andere Europese landen maken voor het inrichten van hun digitale infrastructuur. In de «Verkenning naar de soevereine overheidscloud» in het kader van de NDS wordt een eerste set keuzes voor de vormgeving van een soevereine overheidscloud gepubliceerd. Deze wordt naar verwachting vóór het zomerreces nog aan uw Kamer verstuurd.
De Europese Commissie heeft recent het voorstel voor de Cloud and AI Development Act (CADA) gepubliceerd. Deze verwoordt de ambitie van de Commissie om te komen tot sterkere en uniforme eisen aan de soevereiniteit van door overheden gebruikte cloudoplossingen. Het Nederlandse beleid zal in de toekomst hier verder op afgestemd worden. De verwachting is dat overheden in lidstaten als gevolg van de CADA op een uniforme manier risicobeoordelingen maken voor het gebruik van public clouddiensten en gebruik zullen maken van passende, erkende soevereine clouddiensten. Een BNC-fiche over het wetsvoorstel voor de CADA wordt op korte termijn met de Tweede Kamer gedeeld.
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
In de genoemde Kamerbrief2 wordt gesteld dat deze conclusie gebaseerd is op een quickscan onderzoek naar de verschillen in technische, juridische en organisatorische aspecten van het dienstenaanbod van Nederlandse en Europese aanbieders van clouddiensten ten opzichte van de drie grootste aanbieders van buiten de EU. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd door KPMG.3 Dit onderzoek zag op de gehele markt voor clouddiensten en had geen specifieke focus op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur.
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
De ADV-aanbesteding biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor nationale veiligheid te beperken. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding onder de ADV.
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Onder een gelijkwaardig alternatief verstaat het kabinet andere Nederlandse en Europese IT-dienstverleners die in staat zijn om diensten te leveren die functioneel, kwalitatief en beveiligingstechnisch vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die Solvinity momenteel aan Logius levert, namelijk de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. Het gaat daarbij om aanbieders die aantoonbaar kunnen voldoen aan de eisen voor continuïteit, beveiliging, compliance en schaalbaarheid van de DigiD-dienstverlening.
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Criteria worden verwoord en van weging voorzien gedurende het proces om te gaan aanbesteden, bij het uitvragen van een behoefte naar de algehele markt en conform processen die voortvloeien uit diverse kaders (financieel, juridisch, technisch, etc.). Een opdrachtgever is hiervoor verantwoordelijk en zal daarbij ondersteund worden door een multidisciplinair team. Het wisselt dus per opdrachtgever en per opdracht welke criteria gehanteerd worden (dan wel hoe zwaar die wegen). De hele gedachte van een aanbestedingsproces is om de pluraliteit van de markt te benutten en een te grote afhankelijkheid te vermijden.
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven betreft de technische inrichting van DigiD maatwerk. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. In de overdrachtsperiode van 6–12 maanden kan een nieuwe contractant deze ervaring opbouwen.
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
In het geval van DigiD en andere Logius-voorzieningen verstaat het kabinet onder «soortgelijke» diensten het overnemen van de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal.
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
DigiD voldoet aan strenge eisen en regelgeving rondom veiligheid en privacy. Daarvoor worden verschillende vormen van toegangsbeveiliging en versleuteling toegepast.
Alle informatie over de werking van DigiD is terug te vinden op de website van Logius. Op de website is alle documentatie terug te vinden ten aanzien van het aansluiten op DigiD door afnemers, de functionele beschrijvingen van DigiD (inclusief verwerking persoonsgegevens), en de technische documentatie over de werking van DigiD.
U kunt de informatie terugvinden via de volgende link: https://www.logius.nl/onze-dienstverlening/toegang/digid/documentatie
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Op 21 mei jl. bent u middels een vertrouwelijke technische briefing geïnformeerd over de situatie bij Logius. Daarnaast biedt een aanbesteding via de ADV mogelijkheden om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken.
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Het, nog vast te stellen, herziene rijksbrede cloudbeleid scherpt de eis van een exitstrategie aan naar het hebben van een exitplan. Dat exitplan moet jaarlijks op actualiteit worden beoordeeld. Exitplannen zijn contractuele afspraken over de (geplande of plotselinge) afronding van een contract. Het is wel van belang dat hierin realistische afspraken worden opgenomen afhankelijk van de situatie en context van de specifieke voorziening.
De aanstaande Wet weerbaarheid kritieke entiteiten stelt eisen aan de weerbaarheid en continuïteit van de dienstverlening voor organisaties die daaronder vallen. Dit geldt eveneens als er geen gebruik van clouddiensten wordt gemaakt.
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast is – gezien de aanbestedingsverplichtingen waar overheidsorganisaties aan dienen te voldoen – zes maanden überhaupt een zeer korte termijn. Het herziene rijksbrede cloudbeleid geeft aan dat de Rijksoverheid organisaties beschikken over een exitplan waarin ook rekening wordt gehouden met het onverwacht niet-beschikbaar zijn van de gebruikte clouddienst. De organisatie moet een plan maken hoe de betrokken overheidsdienst binnen acceptabele termijn kan worden hersteld. De meeste migraties nemen meer tijd in beslag. Migratietermijnen kunnen vanuit technisch oogpunt jaren duren, afhankelijk van de type dienstverlening en kenmerken.
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Wat betreft de analyse van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) maakt het kabinet de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan een advies niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Wat betreft de bespreking in de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) geldt dat ook deze vertrouwelijk is en informatie bevat die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in de vertrouwelijke technische briefing van 10 juni jl. te worden geïnformeerd over de analyse en toetsing onder de Wet ongewenste zeggenschap Telecommunicatie die door BTI is verricht en met advies aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit is voorgelegd.
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Ja
Het bericht 'VS wil meer NAVO-landen kernwapens laten huisvesten, Oost-Europa dringt aan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de VS onderzoekt om meer NAVO-landen Amerikaanse kernwapens te laten stationeren?1
Het kabinet is niet bekend met een concreet Amerikaans voorstel en doet hier dus ook geen verdere uitspraken over.
Wel is het, in het kader van de versterking van de geloofwaardigheid, effectiviteit en veiligheid van de nucleaire en conventionele afschrikking van de NAVO, belangrijk om te benadrukken dat er sinds 2014 wordt gesproken over de versterking van deze afschrikking. Tijdens de NAVO Defence Ministers Meeting (DMM) van 18 juni jl. werd over de nucleaire dimensie gesproken in de zogenoemde Nuclear Planning Group (NPG). Na afloop ging een korte verklaring uit waarin bevestigd wordt dat NAVO blijft werken aan het versterken van de nucleaire afschrikkingsmissie om zijn veiligheidsbelangen te bereiken.2 Nadere details van deze bijeenkomst worden in het openbaar niet gedeeld.
Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Met welke landen is de VS hierover in overleg?
Het kabinet doet geen mededelingen over bilaterale gesprekken van de VS. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 1.
Klopt het dat President Trump in zijn eentje kan besluiten tot inzet van deze kernwapens? Zo ja, wat is de reactie van het kabinet daarop?
Besluitvorming over de nucleaire afschrikking van de NAVO vindt plaats in de NPG, de Nuclear Planning Group, en gebeurt op basis van consensus.3
We doen geen uitspraken over de details van besluitvorming over de inzet van nucleaire wapens binnen de NAVO. Dit heeft te maken met veiligheidsoverwegingen.
Kunt u bevestigen dat tactische kernwapens bedoeld zijn voor inzet in Europa? Zo ja, wat voor gevolgen heeft dat van eventuele offensieve en defensieve inzet in Europa? Zo nee, welk doel hebben deze kernwapens dan?
Het fundamentele doel van de nucleaire capaciteit van de NAVO is om de vrede te bewaren, dwang te voorkomen en agressie af te schrikken. Nucleaire wapens kunnen overal ter wereld worden ingezet. Het afschrikkingsbeleid van de NAVO is erop gericht dat kernwapens nooit hoeven worden ingezet.
In hoeverre is dit in lijn met het Non-Proliferatie Verdrag?
In meer algemene zin, en dus niet verbonden aan deze specifieke vraag, geldt dat de zogeheten nuclear sharing arrangements binnen de NAVO reeds decennia bestaan en volledig in lijn zijn met het Non-proliferatie Verdrag (NPV).4 Ze waren onderdeel van de onderhandelingen over het NPV en geen van de verdragspartijen heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de afspraken bij de ondertekening van het verdrag in 1968, de inwerkingtreding in 1970 of in de decennia daarna. Kernwapens op het grondgebied van NAVO-bondgenoten blijven te allen tijde onder de nationale controle van een kernwapenstaat.
Wat is de positie van het kabinet op dit mogelijke voorstel? Hoe verhoudt dit zich tot het nucleaire samenwerkingsprogramma met Frankrijk?
Zie ook het antwoord op vraag 1. Voor de samenwerking met Frankrijk verwijs ik u naar de brief d.d. 2 maart jl. (Kamerstuk 33 279-40).
Is het stationeren van extra kernwapens in Europese landen een bilaterale aangelegenheid of NAVO-beleid?
Juridisch bindende afspraken over eventuele stationering van kernwapens in een land bestaan uit een combinatie van bilaterale en multilaterale afspraken. Op grond van bondgenootschappelijke afspraken kunnen geen mededelingen worden gedaan over eventuele bilaterale of multilaterale overeenkomsten die verband houden met de kernwapentaak van Nederland in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging.
Wat is uw perspectief op het scenario waarin meer Europese landen Amerikaanse kernwapens stationeren, terwijl de ambitie is om militair minder afhankelijk te worden van Amerika?
De Amerikaanse nucleaire paraplu, waar de nuclear sharing arrangements een onderdeel van zijn, is een essentieel en onmisbaar onderdeel van NAVO’s afschrikking en verdediging. Het kabinet is van mening dat de versterking van NAVO’s nucleaire afschrikking essentieel is voor de veiligheid binnen het NAVO verdragsgebied. We doen geen uitspraken over de details van besluitvorming over de inzet van nucleaire wapens binnen de NAVO. Dit heeft te maken met veiligheidsoverwegingen.
Welke tegenmaatregelen verwacht het kabinet vanuit Rusland als de VS hiertoe over gaat? Wat betekent dit voor de veiligheid van Europa?
Zie het antwoord op vraag 1. Het kabinet is niet bekend met een concreet Amerikaans voorstel en doet hier dus ook geen verdere uitspraken over. Het nucleaire beleid van de NAVO is gericht op de afschrikking van Rusland.
Denkt u dat het stationeren van kernwapens dicht bij de Russische grens bijdraagt aan de-escalatie en een diplomatieke oplossing voor de oorlog in Oekraïne? Zo nee, wat gaat u daaraan doen? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid dit onderwerp te agenderen voor de aanstaande NAVO-top? Zo nee, waarom niet?
NAVO’s nucleaire afschrikking stond reeds op de agenda van de Defence Ministers Meeting(DMM) van 18 juni jl. Zie het antwoord op vraag 1.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan Debat over de Europese top op 16 juni?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht van 29 mei jl. «Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw»?1
Hoe beoordeelt u deze gebeurtenis?
Deelt u de opvatting dat iedereen in Nederland, ongeacht geloofsovertuiging, zich veilig moet kunnen voelen in en rondom zijn of haar gebedshuis en dat aanvallen op moskeeën onaanvaardbaar zijn?
Kunt u aangeven hoe de regering gereageerd heeft op deze aanslag? Is er contact geweest met het bestuur van de Mevlana-moskee?
Is er inmiddels meer bekend over de achtergrond en motieven van de daders?
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen vijf jaar moskeeën, kerken, synagogen en andere gebedshuizen doelwit zijn geweest van vernieling, intimidatie of andere strafbare feiten? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jaar, type incident en religieuze instelling?
Welke maatregelen bestaan momenteel om de veiligheid van gebedshuizen te vergroten en acht u deze maatregelen toereikend?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar dit incident en eventuele lessen die hieruit kunnen worden getrokken voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nederland?
Seksuele uitbuiting van minderjarigen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving vanaf 21 mei 2026 over een lopend politieonderzoek in het Duitse Neurenberg, waarbij de recherche een speciale onderzoekscommissie genaamd «EKO Kajal» heeft ingesteld naar aanleiding van signalen dat minderjarige meisjes – van wie het jongste bekende slachtoffer dertien jaar oud is – rondom het centraal station stelselmatig werden benaderd door een groep verdachten van voornamelijk Syrische, Noord-Afrikaanse en Pakistaanse afkomst, afhankelijk werden gemaakt van harddrugs zoals crystal meth en vervolgens seksueel werden uitgebuit?
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving, mede in het licht van de grootschalige zaken in Rotherham en Rochdale, waarbij de dadergroepen overwegend bestonden uit mannen van Pakistaanse afkomst en de slachtoffers overwegend autochtone Britse meisjes waren – en waarbij de officiële evaluatie (Jay Report, 2014) concludeerde dat autoriteiten jarenlang hebben gefaald doordat zij de etnische achtergrond van de dadergroepen niet durfden te benoemen – en deelt u de opvatting dat onderzocht moet worden in hoeverre bij dergelijke zaken sprake is van etnisch gemotiveerde selectie van slachtoffers?
Deelt u de opvatting dat zaken als Rotherham en Rochdale enerzijds, en de huidige zaak in Neurenberg anderzijds, een structureel patroon laten zien waarbij kwetsbare minderjarigen door georganiseerde groepen worden gerekruteerd, via alcohol, drugs of intimidatie in een positie van afhankelijkheid en onmacht worden gebracht en vervolgens stelselmatig seksueel worden misbruikt en uitgebuit – en dat dit patroon zich doorgaans buiten het directe zicht van politie, hulpverlening en lokale overheden afspeelt?
Beschikt u over signalen dat vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen – waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet – zich ook in Nederland voordoen? Zo ja, wat is hierover bekend? Zo nee, op basis waarvan concludeert u dat dergelijke signalen ontbreken, mede gelet op het feit dat de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in 2025 heeft gewaarschuwd voor infiltratie van criminele netwerken in zorginstellingen?
Worden in Nederland gegevens bijgehouden over de mate waarin minderjarige meisjes via drugs, schulden, afhankelijkheidsrelaties of andere vormen van dwang in seksuele uitbuiting terechtkomen? Zo ja, wat laten deze gegevens zien over de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet, en acht u dit aanvaardbaar?
Kunt u aangeven in hoeveel zaken van seksuele uitbuiting of verkrachting van minderjarigen de afgelopen vijf jaar sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband van meerdere daders, en in hoeveel zaken van een individuele dader?
In hoeverre beschikken politie, Openbaar Ministerie, gemeenten, jeugdzorginstellingen en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel over voldoende instrumenten om georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten vroegtijdig te herkennen en te ontmantelen, en welke knelpunten worden hierbij gesignaleerd?
Wordt in Nederland structureel onderzocht of bepaalde groepen minderjarige meisjes een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van deze vorm van uitbuiting – bijvoorbeeld meisjes uit instabiele gezinssituaties, de jeugdzorg of de gesloten jeugdhulp – en zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek?
Beschikt u over gegevens omtrent de nationaliteit, migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten die in Nederland betrokken zijn bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen? Zo ja, bent u bereid deze gegevens met de Kamer te delen? Zo nee, deelt u de opvatting dat het ontbreken van deze registratie – gelet op de uitdrukkelijke conclusie in het Britse Jay Report dat het niet benoemen van de achtergrond van dadergroepen het ingrijpen heeft vertraagd en slachtoffers heeft geschaad – zelf een beleidsrisico vormt dat correctie behoeft?
Indien gegevens over de achtergrond van daders bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen niet structureel worden verzameld of geanalyseerd, acht u het wenselijk hierin verandering te brengen, zodat beter inzicht ontstaat in de aard, omvang en achtergrond van deze ernstige vorm van criminaliteit en de aanpak daarop kan worden afgestemd?
Welke concrete lessen trekt u uit de zaken in Neurenberg, Rotherham, Rochdale en vergelijkbare buitenlandse onderzoeken, en ziet u aanleiding om de Nederlandse aanpak – inclusief het instrumentarium voor vroegherkenning, registratie en vervolging – tegen het licht te houden?
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van de aard en omvang van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen in Nederland, inclusief de wijze waarop politie, Openbaar Ministerie en hulpverlening dit monitoren en bestrijden, alsmede een beoordeling of het huidige instrumentarium toereikend is?
De Blauwe Haven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke handelingen en interventies heeft de korpsleiding vanaf juni 2024 verricht ten aanzien van De Blauwe Haven?
Welke informatie bevatte het eerste signaal dat de korpsleiding in juni 2024 bereikte, op basis waarvan werd dit signaal als ernstig aangemerkt en welke concrete gegevens ontbraken volgens de korpsleiding waardoor niet direct een onderzoek of interventie is gestart?
Hoeveel personen hebben zich gedurende het onderzoek gemeld als mogelijk slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag, aanranding of verkrachting binnen De Blauwe Haven, ongeacht of hun verklaring uiteindelijk formeel onderdeel is geworden van het onderzoek, en zijn er signalen ontvangen dat het aantal mogelijke slachtoffers aanzienlijk hoger ligt dan het aantal slachtoffers dat tot op heden publiekelijk bekend is gemaakt?
Hoe kan worden vastgesteld dat het onderzoek een volledig beeld heeft opgeleverd, terwijl de politie zelf erkent dat personen terughoudend waren om formeel te verklaren?
Erkent u dat medewerkers terughoudend kunnen zijn om melding te doen wanneer onderzoek plaatsvindt door een team dat onderdeel uitmaakt van dezelfde politieorganisatie als waartegen de meldingen zich richten? Zo ja, waarom is niet gekozen voor een volledig extern en onafhankelijk onderzoek?
Waarom kiest u voor de formulering dat het onderzoek zich «niet per definitie» heeft beperkt tot drie personen, in plaats van helder uiteen te zetten wat de feitelijke scope van het onderzoek is geweest?
Welke personen, functies, leidinggevenden, werkprocessen of cultuuraspecten binnen De Blauwe Haven zijn naast de drie disciplinaire onderzoeken onderzocht?
Klopt het dat binnen het onderzoek naar De Blauwe Haven aanvankelijk signalen bestonden die betrekking hadden op zeven mogelijke verdachten en dat deze signalen onder meer betrekking hadden op aanranding, verkrachting, discriminatie, seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie, bedreiging en fraude? Zo ja, hoe zijn deze signalen onderzocht en wat is de afdoening per categorie geweest?
Kunt u aangeven hoeveel signalen, meldingen, verklaringen en aangiften met betrekking tot aanranding, verkrachting, seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie, bedreiging, discriminatie en fraude gedurende het onderzoek zijn ontvangen, ongeacht of deze uiteindelijk formeel onderdeel zijn geworden van een disciplinair onderzoek?
Kunt u uitsluiten dat meldingen of signalen over mogelijk strafbare feiten binnen De Blauwe Haven uitsluitend disciplinair zijn afgehandeld zonder dat een beoordeling door het Openbaar Ministerie heeft plaatsgevonden? Zo nee, om hoeveel gevallen gaat het en welke feiten betroffen dit?
Acht u het handelen van de korpschef achteraf bezien volledig adequaat? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel? Zo nee, welke tekortkomingen constateert u?
Bent u bereid alsnog een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk extern meldpunt en onafhankelijke vertrouwenspersonen buiten de politiehiërarchie beschikbaar te stellen voor (oud-)medewerkers van De Blauwe Haven? Zo nee, waarom niet?
Waarom zijn een onafhankelijk extern meldpunt en onafhankelijke vertrouwenspersonen niet expliciet als aanvullende maatregel aangewezen indien medewerkers zich niet veilig genoeg voelden om via de reguliere politiekanalen te verklaren?
Klopt het dat meerdere vermeende slachtoffers in het kader van De Blauwe Haven gesprekken hebben gevoerd met vertegenwoordigers van de Nederlandse Politiebond (NPB) over het doen van aangifte? Zo ja, welke opvolging is hieraan gegeven?
Klopt het dat zogenoemde kluisverklaringen al bestonden of werden besproken voordat het LTIO-onderzoek formeel van start ging? Zo ja, wat was de aanleiding hiervoor en op welke wijze zijn deze verklaringen betrokken bij het onderzoek?
Zijn u signalen bekend dat medewerkers die melding wilden doen of een verklaring wilden afleggen zijn benaderd of geïntimideerd door verdachten, familieleden van verdachten of leidinggevenden? Zo ja, hoeveel van dergelijke signalen zijn ontvangen, wanneer heeft de korpsleiding hiervan kennisgenomen en welke maatregelen zijn naar aanleiding daarvan genomen?
Zijn u signalen bekend dat binnen De Blauwe Haven of aanverwante projecten werd gesproken over een zogenoemde «lijst» waarop medewerkers zouden staan die misstanden hadden gemeld of hierover vragen hadden gesteld? Zo ja, is onderzocht of een dergelijke lijst daadwerkelijk heeft bestaan en wat waren de bevindingen?
Kunt u aangeven of er binnen het onderzoek aanwijzingen zijn aangetroffen voor een cultuur van angst, terughoudendheid of vrees voor repercussies onder medewerkers die melding wilden doen van misstanden? Zo ja, welke conclusies zijn hieruit getrokken?
De campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal. |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal en kunt u aangeven welke publieke middelen direct of indirect beschikbaar zijn gesteld aan deze campagne, de betrokken organisaties en de uitvoering daarvan?1
Welke concrete, meetbare doelstellingen zijn aan deze campagne verbonden, op basis van welke wetenschappelijke inzichten is gekozen voor deze aanpak en hoe wordt vastgesteld of de campagne daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de mentale gezondheid van jongeren?
Kunt u aangeven hoeveel vergelijkbare campagnes op het gebied van mentale gezondheid de afgelopen vijf jaar met publieke middelen zijn ondersteund, wat deze hebben gekost en welke aantoonbare resultaten zij hebben opgeleverd?
Hoe wordt voorkomen dat belastinggeld vooral terechtkomt bij campagnes, workshops, ambassadeurs en overlegstructuren, terwijl jongeren met psychische problemen nog steeds te maken hebben met wachtlijsten en beperkte toegang tot passende hulp?
Kunt u aangeven hoeveel jongeren momenteel wachten op geestelijke gezondheidszorg en hoe de uitgaven aan bewustwordingscampagnes zich verhouden tot investeringen in daadwerkelijke behandeling en ondersteuning?
Welke afspraken zijn gemaakt voor situaties waarin tijdens dergelijke bijeenkomsten signalen naar voren komen van ernstige psychische problemen, suïcidaliteit, huiselijk geweld of kindermishandeling en hoe wordt geborgd dat deze jongeren snel passende hulp krijgen?
Deelt u de opvatting dat het bespreekbaar maken van mentale problemen waardevol kan zijn, maar nooit een vervanging mag worden voor tijdige professionele hulpverlening? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat jongeren na signalering ook daadwerkelijk hulp ontvangen?
Het doden van een groep gezonde stokstaartjes door Diergaarde Blijdorp |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Diergaarde Blijdorp een groep gezonde stokstaartjes heeft gedood, omdat er volgens de dierentuin geen plek was voor deze dieren binnen de dierentuin en ook geen plek kon worden gevonden bij een andere dierentuin?1
Bent u bekend met het zogenoemde «breed-and-cull-beleid» dat volgens Diergaarde Blijdorp wordt gehanteerd, waarbij stokstaartjes worden gefokt om vervolgens te worden gedood omdat er te veel van zouden zijn?
Wat vindt u hiervan?
Erkent u dat het fokken van «overtollige» dieren om ze vervolgens te doden, omdat er geen plek voor is, de intrinsieke waarde van deze dieren ernstig schendt? Zo nee, waarom niet?
Bij welke andere diersoorten hanteert Diergaarde Blijdorp een «breed-and-cull-beleid»?
Welke andere Nederlandse dierentuinen hanteren een vergelijkbaar beleid en voor welke diersoorten?
Deelt u de opvatting dat wanneer iemand zo nodig wilde dieren wil fokken in gevangenschap, diegene ten minste de verantwoordelijkheid heeft om een plan te hebben voor hoe de nakomelingen kunnen worden verzorgd en gehuisvest en dat het doden van dieren omdat er geen plek voor is daar niet onder valt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat de Kamer heeft verzocht een einde te maken aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 69)?
Wanneer gaat u dit plan naar de Kamer sturen?
Bent u bereid om intussen Diergaarde Blijdorp op te roepen per direct te stoppen met het fokken van stokstaartjes en het «breed-and-cull-beleid» meteen te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Een verkeerd uitgegeven DSJ-laptop |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven aan wie de verkeerde laptop is uitgegeven? Is dat aan de gedetineerde die zich in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) bevindt, of is die laptop verstrekt aan de gedetineerde buiten de EBI?
Kunt u specificeren welke informatie beschikbaar was op de verkeerd uitgegeven laptop?
Is er een link tussen de strafzaken van beide gedetineerden? Hebben beide gedetineerden dezelfde advocaat? Of is er een zakelijke relatie tussen beide advocaten?
Kunt u uitleg geven over de reguliere procedure waarbij de laptop automatisch wordt opgeschoond? Komt hier menselijk handelen aan te pas? Zo ja, wordt hier gecontroleerd welke medewerker hiervoor verantwoordelijk is?
Hoe is het mogelijk dat deze laptop verkeerd is uitgegeven?
Bent u voornemens de reguliere procedure aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat elk incident er één te veel is en onderzocht moet worden of het fysiek inzien van strafdossiers de norm moet zijn, nu ook al in januari jongstleden een kwetsbaarheid in deze laptops werd aangetroffen? Zo nee, dan in ieder geval wel voor gedetineerden in de EBI, daar zij een extra risico vormen?
De verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
Kunt u aangeven welk percentage van de bij het Openbaar Ministerie aangebrachte geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht uiteindelijk heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per delictscategorie en per jaar uitsplitsen?
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u voor geweldsdelicten tegen hulpverleners inzichtelijk maken wat in de afgelopen vijf jaar de gemiddelde strafeis van het Openbaar Ministerie was, wat de gemiddelde uiteindelijk opgelegde straf was en hoe groot de afwijking daartussen gemiddeld was, zowel in absolute zin als percentage van de strafeis?
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
Het artikel 'SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) niet langer wordt betrokken bij overleggen met het Ministerie van VWS over de verdere uitwerking van de budgetbekostiging van de spoedeisende hulp, terwijl de NVSHA eerder wel actief deelnam aan deze gesprekken? Zo ja, waarom is hiervoor gekozen?
Nee, dat klopt niet.
Begrijpt u dat het voor betrokken partijen onbetrouwbaar en onzorgvuldig kan overkomen wanneer een partij die vanaf het begin intensief betrokken was bij het traject en op basis van gemaakte afspraken heeft meegewerkt aan de eerste stap van budgetbekostiging, vervolgens niet langer mag meepraten over het vervolgtraject? Hoe verhoudt dit zich tot zorgvuldig bestuur en het belang van draagvlak in de sector?
Sinds 1 januari 2026 maken de spoedeisende hulpartsen (SEH-artsen), verenigd in de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA), onderdeel uit van de Federatie Medisch Specialisten (FMS). De FMS is de gesprekspartner van het kabinet en zij vertegenwoordigen hierin de medisch specialisten zoals de SEH-artsen. De FMS is volledig betrokken bij de uitwerking van de ontwikkelroute passende acute zorg in de regio. Het kabinet vindt het desalniettemin belangrijk dat de stem van de SEH-artsen bij de ontwikkelroute goed kan worden gehoord. In reactie op de motie van mevrouw Maeijer2 zal de Minister van VWS daarom binnenkort een gesprek voeren met de NVSHA en de FMS. Ze zal partijen verzoeken samen afspraken te maken zodat alle inbreng van partijen gehoord kan worden in de gesprekken over de ontwikkelroute. Het kabinet zal de Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek en het vervolg ervan.
Deelt u de zorgen van de NVSHA dat keuzes rondom differentiatie, concentratie of afschaling van spoedzorg grote gevolgen kunnen hebben voor de bereikbaarheid, kwaliteit en continuïteit van acute zorg in de regio, met name voor regionale ziekenhuizen?
Het kabinet begrijpt dat er zorgen kunnen zijn als het aanbod van acute zorg in de regio verandert. Acute zorg moet voor iedereen in Nederland tijdig, toegankelijk en van goede kwaliteit beschikbaar zijn, nu en in de toekomst. En om dat te waarborgen moeten in de regio keuzes gemaakt worden over de inrichting van de acute zorg. Regionaal moet scherper bekeken worden welke acute zorg waar nodig is, welke functies dichtbij moeten blijven en waar concentratie of differentiatie medisch en organisatorisch verstandig kan zijn. De ontwikkelroute passende acute zorg in de regio is daarom gericht op het ondersteunen van noodzakelijke veranderingen in de regionale inrichting van de acute zorg en het bieden van kaders hiervoor.
Kunt u uitsluiten dat het huidige traject uiteindelijk zal leiden tot verdere verschraling of afbouw van SEH-zorg in de regio?
Het kabinet staat voor een passend zorglandschap. Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners toegang hebben tot passende spoedzorg in de regio. Het doel van de ontwikkelroute is dat de acute zorg ook op langere termijn, toegankelijk, kwalitatief goed en doelmatig georganiseerd is.
Op welke wijze bent u voornemens uitvoering te geven aan de aangenomen motie-Vermeer2 waarin de regering wordt verzocht om bij alle vervolgstappen richting budgetbekostiging te werken aan een passende financiële positie van SEH’s in regionale ziekenhuizen?
In lijn met de motie van het lid Vermeer, vindt het kabinet dat binnen de budgetbekostiging ruimte moet zijn voor goede acute zorg die past, een passend regionaal aanbod van acute zorg en zekerheid dat SEH-zorg beschikbaar is. Een SEH staat nooit op zichzelf en is enerzijds onderdeel van een acute zorgketen (zoals de huisartsenspoedpost en de ambulancezorg) en anderzijds onderdeel van een ziekenhuis en daarmee van het passend aanbod van ziekenhuiszorg in de regio. Regionale ziekenhuizen vervullen daarin een belangrijke rol: zij bieden inwoners herkenbare, toegankelijke en vertrouwde ziekenhuiszorg dichtbij huis, en dragen daarmee bij aan continuïteit, nabijheid en samenhang in de zorg voor de regio. Met de invoering van budgetbekostiging voor de SEH in de eerste stap per 2027, wordt een deel van de SEH-opbrengsten minder afhankelijk van productie. Dat draagt bij aan meer financiële zekerheid voor ziekenhuizen. Tegelijk is dit niet het eindstation van budgetbekostiging. In de ontwikkelroute wordt voor de bekostiging bezien hoe deze het beste aan kan sluiten bij de beschikbaarheid en de verschillende functies die een SEH vervult in het regionale aanbod van acute zorg.
In hoeverre acht u het wenselijk dat de stem van SEH-artsen zelfstandig wordt gehoord, juist omdat bredere koepel- en belangenorganisaties ook andere en bredere belangen vertegenwoordigen dan uitsluitend de acute zorg?
Het kabinet vindt de betrokkenheid van partijen, zoals de zorgprofessionals, belangrijk bij de verdere uitwerking van de ontwikkelroute. Daarom zijn en worden hierover gesprekken met partijen gevoerd. SEH-artsen werken dagelijks binnen de SEH van een ziekenhuis en kunnen goed aangeven wat keuzes betekenen voor kwaliteit, toegankelijkheid, werkbaarheid en patiëntveiligheid. Het perspectief van de SEH-artsen vindt het kabinet daarom van belang. De Minister van VWS zal daarom binnenkort een gesprek voeren met de NVSHA en de FMS en de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan.
Bent u bereid om de NVSHA alsnog volwaardig te betrekken bij het vervolgtraject rond de budgetbekostiging en de toekomst van de acute zorg, juist vanwege hun praktijkervaring en inhoudelijke expertise op het gebied van spoedzorg en de acute zorgketen?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland' |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland»1 en met het onderliggende onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP), waaruit blijkt dat de fondsenwerving voor groeikapitaal in 2025 is gedaald tot € 32 miljoen, het laagste bedrag ooit gemeten, terwijl voor start-ups en buy-outs nog wél ruim kapitaal beschikbaar is?
Hoe verhoudt het opdrogen van juist het scale-upsegment zich tot de coalitieafspraak dat baanbrekende ondernemingen weer groot moeten kunnen worden in Nederland, en tot het feit dat het coalitieakkoord de grotere financieringsrondes van start- en scale-ups expliciet noemt als reden voor de Nationale Investeringsinstelling?
Deelt u de analyse dat hier geen sprake is van een kwaliteitsprobleem van Nederlandse bedrijven – gezien de slechts zes faillissementen en de aanhoudende interesse van buitenlandse investeerders – maar van een structureel tekort in de Nederlandse financieringsketen?
Hoe beoordeelt u, gelet op de waarschuwing in het rapport-Wennink dat scale-ups met een kapitaalbehoefte boven € 50 miljoen die financiering nauwelijks in Nederland kunnen vinden, het risico dat met de instap van buitenlandse investeerders hoofdkantoren, onderzoeksafdelingen, werkgelegenheid en daarmee verdienvermogen uit Nederland wegvloeien?
Welke concrete maatregelen neemt u om het door de NVP gesignaleerde gebrek aan exits (beursgangen en overnames) aan te pakken, bijvoorbeeld via de Europese kapitaalmarktunie, aantrekkelijkere beursnoteringen en het stimuleren van Nederlandse overnames van jonge innovatieve bedrijven?
Welke instrumenten krijgt de Nationale Investeringsinstelling om, conform de coalitieafspraak dat zij institutioneel kapitaal mobiliseert en op een schaal die aansluit bij het rapport-Wennink, het pensioenkapitaal (waarvan nu gemiddeld niet meer dan 0,1% naar start- en scale-ups gaat) daadwerkelijk los te trekken voor groeikapitaal, mede in het licht van initiatieven als het Scale-up Europe Fund en het Dutch Impact Growth Fund van Invest-NL?
In hoeverre verwacht u dat de aanhoudende geopolitieke onzekerheid de Nederlandse ambities op het gebied van groeikapitaal en innovatie-investeringen verder onder druk zet, en welke scenario’s of alternatieve plannen heeft u voor het geval de private investeringsbereidheid in het scale-upsegment structureel achterblijft?
Welke mogelijkheden ziet u om, gegeven de huidige budgettaire keuzes rondom het Toekomstfonds, de hefboomwerking van publieke investeringen voor het aantrekken van privaat groeikapitaal in stand te houden?
Tweerichtingsladen als oplossing van netcongestie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het project van Kia en Hyundai samen met Vattenfall om het voor particuliere klanten met een elektrische auto mogelijk te maken elektriciteit aan het net terug te leveren tijdens piekmomenten en daarmee geld te verdienen (tweerichtinngsladen)?1
Ja.
Bent u ermee bekend of andere automerken en/of elektriciteitsleveranciers een dergelijk aanbod ontwikkelen in Nederland?
Ja. In Nederland hebben Renault en We Drive Solar een dergelijk aanbod al ontwikkeld.
Is het elektriciteitsnet overal in Nederland klaar om tweerichtingsladen toe te staan? Zo nee, wat moet er gebeuren opdat het net wel tweerichtingsladen toestaat?
Ja, maar tot nu toe alleen voor vaste combinaties van auto, laadpaal en energieleverancier. Dit is conform de aansluitvoorwaarden zoals opgenomen in de Netcode Elektriciteit. Op dit moment ontbreken in de Netcode Elektriciteit nog de gestandaardiseerde afspraken die het mogelijk maken dat elk voertuig met elk laadpunt veilig en regulier aan het net mag terugleveren. Deze barrière is opgelost in 2029 als de netbeheerders de nieuwe Europese netcode voor teruglevering hebben geïmplementeerd. De verantwoordelijkheid voor het elektriciteitsnet ligt bij de netbeheerders.
Zult u ervoor zorgen dat de mogelijkheid tot tweerichtingsladen standaard is voorzien in alle nieuwe wijken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Over het beschikbaar stellen van laadinfrastructuur in nieuwe wijken beslissen regionale overheden. Vanuit het Rijk wordt via regelgeving gezorgd dat alle nieuwe laadpalen vanaf 2027 voldoen aan de nieuwste Europese eisen omtrent bidirectioneel laden. Daarbij is het van belang om te noemen dat op dit moment alleen vaste combinaties van laadpalen en voertuigen kunnen terugleveren aan het net. Door de verdere ontwikkeling van open standaarden op internationaal niveau wordt het richting 2030 mogelijk om met elke laadpaal en elk voertuig terug te leveren aan het net. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt daarom nu al intensief aan de ontwikkeling van internationale standaarden, bijvoorbeeld in samenwerking met de Europese Commissie. Verder hebben mensen thuis een eigen keuze in de laadpaal en energieleverancier die zij kiezen.
Welke andere maatregelen overweegt u om tweerichtingsladen aan te moedigen als deel van de oplossing voor netcongestie? Kan dit voorwaardelijk worden gemaakt bij de aanleg van nieuwe woonwijken of bedrijventerreinen?
In de routekaart bidirectioneel laden, die voor de zomer naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, identificeer ik meerdere uitdagingen en oplossingsrichtingen om bidirectioneel laden op te schalen. Aanvullend op wat ik noem onder vraag 4, werk ik ook aan het verbeteren van de businesscase voor bedrijven om te investeren in bidirectioneel laden. Een aspect waar bij bidirectioneel laden nader naar moet worden gekeken betreft de dubbele energiebelasting die in sommige gevallen van bidirectioneel laden kan optreden. Hiervoor is het ten eerste van belang om meer ervaringen met geavanceerde meetinrichtingen te verkrijgen. Ten tweede wil dit kabinet beter inzicht krijgen in de effecten van dubbele energiebelasting. Op het moment dat het wegnemen van dubbele energiebelasting technisch mogelijk zou worden kan dat inzicht worden gebruikt om te beoordelen of de baten van het wegnemen van dubbele energiebelasting zouden opwegen tegen de lasten voor huishoudens, bedrijven en energieleveranciers en een eventuele toename van de uitvoeringscomplexiteit. Het kabinet zal de Kamer op de hoogte houden van de voortgang en nieuwe inzichten omtrent deze verkenning. Daarnaast start vanaf 2027 een opschalingsprogramma bidirectioneel laden waarbij de uitrol van bidirectionele laadinfrastructuur centraal staat.
Ten aanzien van vraag twee geldt dat bidirectioneel laden pas op termijn via Europese regelgeving voorwaardelijk wordt (zie vraag2. Op dit moment kunnen slechts enkele combinaties bidirectioneel laden. Ook hebben consumenten thuis vrije keuze in hun laadpaal en voertuig.
Verder wordt voor de oplossing van netcongestie een techniekneutrale aanpak gehanteerd. Vanuit het net bezien is namelijk geen voorkeur voor een bepaalde techniek die flexibiliteit levert, het gaat om het flexibel vermogen. Hiervoor maakt een netbeheerder afwegingen over de specifieke behoefte van het net in de locatie en tijd. Tweerichtingsladen kan daar, net als andere apparaten met flexibel vermogen, aan bijdragen. Tegelijkertijd wordt in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie onder andere gewerkt aan proposities voor vergoeding voor het leveren van flexibel vermogen.
Hoe beoordeelt u de contractvorm waarbij de koper van een bepaald automerk vasthangt aan één specifieke elektriciteitsleverancier?
Tot de verdere ontwikkeling van de open standaarden (verwachting 2030) is de huidige contractvorm met een vaste combinatie van automerk en elektriciteitsleverancier de eerste stap voor de introductie van tweerichtingsladen. Voor opschaling van tweerichtingsladen is het noodzakelijk dat consumenten keuzevrijheid hebben. Om te voorkomen dat consumenten vast zitten aan één combinatie, werkt IenW in internationaal verband aan de verdere ontwikkeling van open standaarden en aan uniforme afspraken over de implementatie van de standaarden. Dit is de basis voor het combineren van verschillende laadpunten, voertuigen en energiecontracten. Het Ministerie van IenW vraagt continue aandacht voor de uniforme implementatie van standaarden bij de Europese Commissie en de Verenigde Naties en draagt actief bij aan de ontwikkeling van de open standaarden. Met internationale afspraken over de implementatie van standaarden krijgen consumenten naar verwachting vanaf 2030 keuzevrijheid in hun automerk en elektriciteitsleverancier om terug te leveren aan het net.
Is er bij dergelijke contractvormen een risico van marktconcentratie waarbij de leverancier vervolgens de prijzen voor de klant kan verhogen aangezien klanten omwille van automerk niet meer van leverancier kunnen veranderen willen ze nog toegang hebben tot tweerichtingsladen?
Ja. Vandaar dat wordt gewerkt aan het opstellen en implementeren van open standaarden (zie vraag hiervoor).
Hoe kunt u borgen dat klanten ondanks hun autokeuze toch nog een vrije keuze hebben van elektriciteitsleverancier met behoud van de mogelijkheid tot tweerichtingsladen?
Om te voorkomen dat consumenten vast zitten aan één combinatie van automerk en elektriciteitsleverancier, werkt IenW in internationaal verband aan de verdere ontwikkeling van open standaarden en aan uniforme afspraken over de implementatie van de standaarden. Dit is de basis voor het combineren van verschillende voertuigen, laadpunten en energiecontracten. Met internationale afspraken over de implementatie van standaarden krijgen consumenten naar verwachting vanaf 2030 keuzevrijheid in hun automerk en elektriciteitsleverancier om terug te leveren aan het net.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Ja.
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Dit klopt. Zoals gemeld in de Kamerbrief over Digitale Autonomie die uw Kamer 11 juni 2026 heeft ontvangen, is de Belastingdienst recent door een ethisch hacker gewezen op het gebruik van Adobe Analytics op de websites van de Belastingdienst, waarbij gegevens zonder toestemming werden doorgezonden naar Adobe. De Belastingdienst heeft deze functionaliteit direct uitgezet toen bleek dat dit inderdaad het geval was.
De Belastingdienst heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geïnformeerd en een datalek gemeld. Ik betreur dat dit is gebeurd en ik ben dankbaar dat deze ethisch hacker de Belastingdienst hierop heeft gewezen. Er is contact geweest om te bedanken voor het melden van de kwetsbaarheid. Ook heeft een aanvullend inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. De Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen ontvangen graag signalen over beveiliging en privacy via het beschikbare responsible disclosure proces (ook wel Coordinated Vulnerability Disclosure genoemd), zodat deze continu op een hoger plan kunnen worden gebracht. Daarnaast geven we prioriteit aan de verkenning of er op andere plekken binnen de Belastingdienst, Toeslagen of Douane sprake is van vergelijkbare onzorgvuldigheden bij het gebruik van de analyticstooling. De uitkomsten hiervan deel ik met uw Kamer in de eerstvolgende stand-van-zakenbrief.
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
De Belastingdienst gebruikte Adobe Analytics voor het meten van gebruik, navigatie en prestaties van de digitale dienstverlening, om die voor burgers en bedrijven te verbeteren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de functie om analyticsgegevens naar Adobe te sturen per 5 juni 2026 uitgezet. Dat betekent dat er op dit moment niets verzonden wordt aan Adobe. In de tabel in bijlage 1 staat aangegeven welke gegevens gedeeld werden met Adobe op het moment van uitzetten van de functie.2
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Zoals hierboven aangegeven, staat de functie om analyticsgegevens met Adobe te delen uit. Voordat deze functie was uitgezet werd een identifier gebruikt en werden tracking-cookies geplaatst bij de eindgebruikers voor twee jaar.
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
De functie om analyticsgegevens met Adobe te delen staat uit. Op dit moment kunnen we daarom uitsluiten dat gegevens verstrekt worden. In het antwoord op vraag 3 staat aangegeven welke gegevens werden gedeeld met Adobe. We kunnen niet uitsluiten dat meer gegevens zijn gedeeld, omdat niet duidelijk is wat een gebruiker gedeeld heeft in een vrij tekstveld of zoekmachine. Wel weten we dat het IP-adres in ieder geval meegezonden werd, zoals toegelicht op pagina 12 van bijlage 1.
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke. De standaarddienst voor websiteanalytics wordt afgenomen bij leverancier IBM, waarbij Adobe de onderleverancier is. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Er is destijds met IBM daarom een standaardcontract afgesloten, maar geen verwerkersovereenkomst. Naar nu blijkt zijn er wel persoonsgegevens verwerkt, waardoor een verwerkersovereenkomst nodig was geweest. Destijds is hier onvoldoende aandacht voor geweest.
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van Adobe Analytics was niet in lijn met de geldende ePrivacy-regels en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze functionaliteit is dan ook uitgezet.
Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken (zie vraag 6). Daarom zijn de grondslag en de noodzakelijkheid niet beoordeeld. Als wij nu beoordelen welke gegevens zijn gedeeld, zijn wij van mening dat het niet noodzakelijk is om al deze gegevens te verwerken. De verwerking is dan ook gestopt. Bij het opnieuw inrichten van websiteanalytics zal de Belastingdienst de grondslag beoordelen en de noodzakelijkheidstoets uitvoeren.
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
De inrichting voldeed niet aan de geldende ePrivacy-regels. Gelet op het gebruik van tracking-cookies met een bewaartermijn van twee jaar en de aard en omvang van de verzamelde gegevens had toestemming gevraagd moeten worden.
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
De feitelijke verwerking sloot niet aan bij de cookieverklaring en de privacyverklaring. De betreffende functionaliteit is dan ook uitgezet.
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 6 en 7. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Hierdoor is er ook geen DPIA uitgevoerd. De Belastingdienst gaat evalueren of er op basis van de nieuwe inrichting van webanalytics nog een DPIA nodig is en zal, indien blijkt dat er een DPIA uitgevoerd moet worden, de CPO en Functionaris Gegevensbescherming betrekken conform standaardprocedure.
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bij het opnieuw inrichten van de websiteanalytics zal conform standaardprocedure, indien nodig (zie vraag 10), een DPIA en/of een risico-inschatting, gemaakt worden. Dit is randvoorwaardelijk voor het in gebruik nemen van websiteanalytics. Alle risico’s die hier een rol spelen, inclusief bovenstaande punten, worden meegenomen. Hierbij zal in het bijzonder aandacht zijn voor de inzet van analytics en de daarvoor benodigde persoonsgegevens.
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De verwerking is stopgezet en wordt pas opnieuw opgestart nadat de rechtmatigheid en proportionaliteit zijn beoordeeld en passend zijn geborgd. Daarbij zal eerst een DPIA worden opgesteld en zullen verwerkersafspraken, waaronder een verwerkersovereenkomst, worden vastgesteld.
De mogelijke ontmanteling van oceaninsche monitoringsystemen door de Verenigde Staten en de gevolgen voor het AMOC-onderzoek |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de regering-Trump voornemens is oceanische monitoringssystemen te ontmantelen, waaronder de systemen in de Irminger Zee die van cruciaal belang zijn voor het monitoren van de Atlantische Meridionale Omwentelingsstroming (AMOC)?1
Deelt u de opvatting dat de genoemde monitoringssystemen onmisbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek naar de AMOC, en dat ontmanteling ervan de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van AMOC-voorspellingen ernstig zou ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het voornemen van de Amerikaanse overheid om deze monitoringssystemen te ontmantelen, en wat zijn de consequenties van het stoppen voor Nederland en Europa?
Bent u bereid deze kwestie expliciet aan de orde te stellen in bilaterale contacten met de Verenigde Staten en daarbij de Nederlandse en Europese zorgen over het mogelijke verlies van onvervangbare wetenschappelijke kennis en meetdata kenbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de uitspraak van NIOZ-directeur Han Dolman dat de Amerikanen op het gebied van dit soort internationale wetenschappelijke projecten «een onbetrouwbare partner zijn geworden», en deelt u deze kwalificatie? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de wetenschappelijke samenwerking met de VS op het gebied van klimaatonderzoek? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken of het, in nationaal dan wel Europees verband, mogelijk is financiering beschikbaar te stellen teneinde de continuïteit van deze monitoringssystemen te waarborgen en ontmanteling ervan te voorkomen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat na 2028 nog geen financiering beschikbaar is voor de boeien van het NIOZ, en dat ook in Canada en het Verenigd Koninkrijk onderzoekers naarstig zoeken naar middelen om hun eigen meetnetwerken overeind te houden? Wat doet u om de continuïteit van de Nederlandse bijdrage aan dit mondiale meetnetwerk na 2028 veilig te stellen?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden en binnen de geldende termijn?
Kernenergie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Kunt u voor de geplande nieuwe kerncentrales een raming van de financieringslasten bij verschillende scenario’s wat betreft bouwtijd (bijvoorbeeld 10, 14 en 18 jaar) en wat betreft rente (bijvoorbeeld 2,3%, 3,8% en 7,0%) bezorgen, daarbij rekening houdende met de studie van Witteveen+Bos die aangeeft dat de financieringslasten al snel tot 70% van de totale bouwkosten kunnen oplopen?
Het Witteveen+Bos rapport uit 2022 gaat nog uit van private financiering. Inmiddels is de insteek van het kabinet om de kerncentrales initieel volledig publiek te financieren via onder andere een renteloze lening tijdens de bouw, om de financieringslasten te beperken. De impact van de bouwtijd op de kosten van financiering is bij een renteloze publieke financiering aanzienlijk minder dan bij private financiering.
Gezien uw voornemen een renteloze lening te verstrekken voor de bouw van kerncentrales, bent u ook bereid renteloze leningen te verstrekken voor andere energieinvesteringen?
Het kabinet kijkt in elke casus wat de meest optimale financieringswijze is en vraagt hier in alle gevallen vooraf goedkeuring bij de Europese Commissie die onder andere toetst op marktconformiteit en minimale verstoring. Het uitgangspunt voor het kabinet voor dergelijke financiering is: privaat waar dat kan, publiek waar dat moet. NEO NL zal moeten investeren in de bouw van kerncentrales en heeft gedurende de bouwperiode geen (noemenswaardige) inkomsten, waardoor het aantrekken van private financiering in deze fase moeilijk zal zijn. Om de bouw van kerncentrales op een zo efficiënt mogelijke wijze te financieren kiest het kabinet ervoor om dit initieel volledig publiek te doen en daarmee de financieringslasten te beperken. Deze situatie is anders voor TenneT en andere netbeheerders, omdat zij in staat zijn onder redelijke voorwaarden financiering aan te trekken. Hierin speelt het reguleringskader waarin alle efficiënte kosten van TenneT en andere netbeheerders in rekening mogen worden gebracht bij de tariefbetaler een belangrijke rol. TenneT en andere netbeheerders zijn hierdoor verzekerd van een zekere mate van inkomsten. Aanvullend heeft de Staat aan TenneT, vanwege de kapitaalbehoefte die TenneT had ter gevolg van haar hoge investeringsopgave, ook een (instellings)garantie verstrekt, waardoor TenneT tegen een AAA-rating kan lenen.
Voor technieken zoals energie uit zon, wind en aardwarmte geldt ook dat deze (naast eigen vermogen) in staat moeten zijn om financiering op te halen uit de markt. Als technieken een onrendabele top hebben en SDE++-subsidie kunnen ontvangen, dan zijn de rentelasten in geprijsd in de subsidiebedragen.
Gezien de rente die TenneT als netbeheerder moet betalen oploopt tot 5%, bent u bereid om ook aan TenneT en andere netbeheerders renteloze leningen te verstrekken voor deze investeringen, die essentieel zijn voor de oplossing van de netcongestie? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Aangezien investeerders in hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en warmte voor leningen aangewezen zijn op de kapitaalsmarkt, bent u bereid om ook aan deze investeerders renteloze leningen te verstrekken voor hun investering in de toekomstige energievoorziening van Nederland? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke bedrag zal voor de investering in twee, of vier, kerncentrales via bijkomede staatsschuld gefinancierd worden?
Ik werk op dit moment het Government Support Package (GSP) verder uit, wat ik daarna aan de Europese Commissie zal voorleggen voor staatssteungoedkeuring. In de Kamerbief van mei 2025 (Kamerstukken II, 2024/25, 32 645, nr.156) is een eerste bandbreedte van de totale investeringsomvang van twee nieuwe, grootschalige kerncentrales toegelicht (€ 20–30 miljard, exclusief financieringslasten) gebaseerd op de technische haalbaarheidsstudies. Het kabinet stelt een overheidssteunpakket voor dat uitgaat van volledig publieke financiering in de eerste fase van het project en sluit daarbij de optie voor private financiering (vanuit de kapitaalmarkt, of vanuit de opdrachtnemer voor het project) op een later moment niet uit. Daarnaast is het, bij de verdere uitwerking van het GSP, belangrijk oog te houden voor de impact van de verschillende scenario’s op de staatsschuld.
Welk deel van de inkomsten van nieuwe kerncentrales zal naar het Rijk vloeien? Op welke termijn verwacht het Rijk dat het geïnvesteerde bedrag terugverdiend is en welke rendement verwacht het Rijk op deze investering te halen doorheen de hele levenscyclus van de nieuwe kerncentrales, daarbij rekening houdende met alle kosten inclusief die voor berging van afval en ontmanteling van de centrales?
Op dit moment is nog geen helder beeld te geven van de absolute bedragen omdat deze afhankelijk zijn van de omvang van de investering die pas duidelijk wordt als er een gedetailleerd projectontwerp is gemaakt nadat er een locatie en techniek is geselecteerd. Ook ben ik het GSP nog aan het vormgeven en moet het vereiste rendement nog worden vastgesteld. Daarnaast zijn de bedragen ook afhankelijk van de marktprijzen tot in elk geval 60 jaar in de toekomst. Desalniettemin is het de insteek dat het GSP zo wordt ontworpen dat de investering over de levensduur per saldo meer opbrengt voor de Staat dan dat deze kost. Initieel gaat het daarbij om de investering, waarvan gedurende de operatie de lening aan de staat zal worden afgelost inclusief rente, waarbij gelijktijdig ondersteuning plaatsvindt via een Contract for Difference (CfD). Na de aflossingsperiode vloeit er ook dividend terug naar de aandeelhouder. In deze businesscase zitten de kosten voor ontmanteling en kosteneffectieve tarieven voor de opslag van afval verwerkt.
Gezien geen enkele marktpartij wil investeren in een kerncentrale in Borssele, waarom maakt u de keuze hier niet het oordeel van de marktwerking te volgen, terwijl de laatste supermarkt van Borssele dit jaar wel gesloten is door marktwerking en de Rijksoverheid geen maatregelen nam om de aanwezigheid van een supermarkt in het dorp te garanderen?
Het kabinet zet in op het vergroten van het aandeel van kernenergie in de energiemix zodat de uitstoot van fossiele CO2 in de elektriciteitsproductie gereduceerd kan worden. Verder helpt kernenergie het elektriciteitssysteem te diversifiëren waardoor internationale onafhankelijkheid en autonomie toenemen, en het systeem robuuster wordt voor onder andere fluctuaties in de productie uit wind- en zonne-energie. Uit het TNO rapport blijkt dat inzet van nieuwe kerncentrales vergelijkbare kosten kent als andere energiesystemen in Nederland. Om bovenstaande reden is kernenergie in het systeem wenselijk maarkomt het vanwege de gepercipieerde financiële risico’s en aanzienlijke terugverdientijd niet vanzelf in de markt tot stand.
Aanwezigheid van kernenergie biedt voordelen aan een regio zoals werkgelegenheid, een duurzame bron voor oude en nieuwe industrie in de nabijheid e.d., maar kan ook enige overlast veroorzaken. In o.a. een rijk-regio pakket worden afspraken gemaakt om de regio zo goed mogelijk te ondersteunen en te laten profiteren van de aanwezigheid van kerncentrales.
Welk marktfalen ligt ten grondslag aan de oprichting en financiering van het staatsbedrijf NEO? Is onderzocht op welke andere wijzen de energievoorziening veiliggesteld kan worden, daarbij in ogenschouw nemend dat TNO in het rapport van (bijlage 4 bij de brief van 17 oktober 2025) aangeeft dat een betrouwbare energievoorziening zonder kerncentrales tegen dezelfde kosten mogelijk is?
Zie het antwoord op vraag 7.
Gezien eventuele nieuwe kerncentrales ingezet zouden worden voor het leveren van baseload en daarmee continu en op vol vermogen 10 á 20% van de benodigde elektriciteit zouden opwekken en gezien de overige 80 á 90% van de elektriciteit van zonnepanelen en windmolens zou komen, hoeveel uren per jaar verwacht u dat een deel van de zonne- en windenergie dan zouden worden afgeschakeld («curtailment») omwille van de inflexibiliteit van de kerncentrales?
Er zijn technische mogelijkheden om met een kerncentrale meer in te spelen op prijsprikkels en dus op- en af te regelen. De eisen die hieraan zullen worden gesteld tijdens de selectieprocedure worden nog ontwikkeld. Hierbij zal ook rekening worden gehouden met de systeemvraagstukken en de impact op de subsidie-uitgaven (van alle technieken), zodat een zo optimaal mogelijk eisenpakket rondom dit onderwerp kan worden opgesteld. De Europese Commissie zal in het kader van de staatssteuntoets ook eisen dat kerncentrales niet gestimuleerd worden om te produceren onder de marginale kostprijs, wat het geval is als er op momenten veel aanbod is van hernieuwbare energie. Het is gegeven de verwachte hoeveelheden geïnstalleerd vermogen van hernieuwbare energie daarom niet waarschijnlijk dat kernenergie baseload zal draaien. Het gaat daarbij om een inzet van kernenergie 5500–6500 vollasturen per jaar in scenario’s met een relatief forse hoeveelheden opgesteld hernieuwbaar vermogen. De eerste twee kerncentrales hebben daarbij een licht verlagend effect op de gemiddelde elektriciteitsprijs in twee van de drie scenario’s die TNO hiertoe heeft doorgerekend1. Dit geeft een indicatie van de misgelopen omzet door andere opwek die niet specifiek kan worden toegerekend aan een bepaalde opwektechnologie.
Kunt u een schatting geven van de hoeveelheid elektriciteit die zo niet zal worden geoogst?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven tot hoeveel inkomstenderving dit leidt bij de exploitanten van de zonnepanelen en windmolens? Kunt u een schatting geven van welke capaciteit aan zon- en windprojecten niet gebouwd zullen worden door de verslechtering van het verdienmodel ten gevolge van de bouw van nieuwe kerncentrales?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven van de bedragen die u in deze uren aan de kerncentrales moet uitkeren op basis van de prijsgarantie die u aan hen geeft (het «Contract for Difference»)?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u, gezien uit eerdere antwoorden op vragen van de Kamer1, 2 bleek dat de Nederlandse kerncentrale afhankelijk is van Rusland door de dominante positie in de uraniumketen aangeven in hoeverre de inspanningen van het kabinet hebben geresulteerd in een vermindering van deze afhankelijkheid?
Het kabinet steunt maatregelen om import van uranium uit Rusland in de EU uit te bannen. Nederland kent op dit moment ook geen directe afhankelijkheid van Rusland ten aanzien van de elektriciteitsproductie van kernenergie, maar kent nog wel een indirecte afhankelijkheid voor het hergebruik van uranium om daarmee de hoeveelheid radioactief afval te minimaliseren. Elders in de wereld is er op dit moment geen alternatief voor de verwerkingsstap die in Rusland hiervoor wordt uitgevoerd. Het kabinet is in gesprek met partijen uit de nucleaire sector over een mogelijke alternatieve oplossing. Een alternatief vraagt het nieuwbouwen of aanpassen van een nucleaire faciliteit. Het ontwerp en de realisatie hiervan vraagt tijd en is kostbaar en moet daarom zorgvuldig gebeuren.
Verwacht u dat de nieuwe kerncentrales geheel onafhankelijk van Rusland en staten in diens invloedssfeer kunnen opereren? Op welke termijn zal dit gerealiseerd zijn?
Ten aanzien van de elektriciteitsproductie zijn de nieuwe kerncentrales niet afhankelijk van Rusland. De indirecte afhankelijkheid van Rusland in de back-end van de brandstofcyclus kan doorbroken worden wanneer er a) op termijn een alternatieve route voor het verwerken van hergebruikt uranium komt of b) door uranium niet her te gebruiken. Het kabinet kijkt naar beide opties. Mocht er geen alternatief komen voor de stap in Rusland, dan zal het kabinet een weging moeten maken tussen het belang van hergebruik en het doorbreken van deze afhankelijkheid. De keuze voor wel of niet opwerken en hergebruiken van uranium is op dit moment nog niet gemaakt.
Welke garanties kunt u daarvoor geven? En waar zal de splijtstof voor nieuwe kerncentrales vandaan komen?
Uranium is veelvoorkomende grondstof, maar om uranium te kunnen gebruiken als brandstof in een kerncentrale moeten er verschillende stappen worden doorlopen (mijnen, conversie, verrijken en productie splijtstofstaven). Voor een groot deel van de splijtstofcyclus kan er een beroep gedaan worden op partijen binnen de EU. Alleen voor het mijnen van uraniumerts zal er beroep gedaan moeten worden op landen buiten de EU. Hierbij geldt echter dat er geen afhankelijkheid is van één land, maar dat er een ruim en divers aanbod is van natuurlijk uranium (onder andere uit Kazachstan, Canada, Namibië, Australië en Oezbekistan) en daarom hoeft uranium niet vanuit Rusland te worden geïmporteerd.
Op welke wijze zijn de in oktober 2025 door IPSOS bevraagde inwoners van Groningen, Zuid-Holland en Zeeland vooraf geïnformeerd over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales?
De bevraagde inwoners zijn niet vooraf inhoudelijk geïnformeerd door IPSOS over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales. Het doel van het onderzoek was het bestaande sentiment meten onder inwoners en het vastleggen van meningen en opvattingen en informatie vooraf had dat kunnen beïnvloeden. Het onderzoek was geen draagvlaktoets voor een inhoudelijk plan, maar een peiling van welke zorgen er leven en welke kansen worden gezien wanneer in hun gebied twee nieuwe kerncentrales worden gerealiseerd.
Waarom zijn de inwoners van deze provincies nog niet geïnformeerd over de resultaten van de enquête?
Het eindrapport van IPSOS is in februari 2026 opgeleverd en is daarna op hoofdlijnen besproken met de decentrale overheden. Daarna is het samen met meerdere andere onderzoeken onderdeel van de concept Integrale Effectenanalyse (IEA). Op 19 juni is uw Kamer geïnformeerd over deze uitkomsten en zijn alle onderliggende onderzoeksrapporten van de concept IEA en de plan-MER gepubliceerd4.
Wanneer heeft bureau IPSOS de bevindingen met u gedeeld? Kunt u deze rapportage met de Kamer en met de ge-enquêteerden delen?
Zie het antwoord op vraag 17.
Welke rol kan een subjectieve peiling als deze spelen bij de locatiekeuze, die op de objectieve gegevens uit de MER en de IEA zal moeten zijn gebaseerd?
Gebaseerd op gesprekken met bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en decentrale overheden (in Nederland, Duitsland en België/Vlaanderen) over de mogelijke bouw van twee kerncentrales, zijn zorgen die leven en kansen die worden gezien in de omgeving van de zoekgebieden geïnventariseerd. Deze zorgen en kansen hebben geleid tot een kwalitatief beeld, dat staat uitgeschreven in het onderdeel «Omgevingsbeeld» van de concept IEA. In aanvulling hierop is dit beeld getoetst met een bewonersonderzoek dat is uitgevoerd voor IPSOS. Er is onderzocht of alle zorgen en kansen in de gebieden goed in beeld zijn gebracht, in welke mate deze spelen en of hierin verschillen zijn tussen de gebieden. Het omgevingsbeeld is hiermee uitgebreider dan gebruikelijk in projectprocedures. Het vormt samen met de andere onderdelen van de concept IEA en de plan-MER informatie die betrokken wordt in de locatiekeuze voor de nieuwbouw van de kerncentrales.
Kunt u duidelijkheid verschaffen over de hoeveelheid kernafval die de nieuwe centrales zullen produceren door de volgende feitelijke gegevens te delen met de Kamer:
Bij benadering is de inschatting dat de kerncentrale Borssele (KCB) de volgende hoeveelheden radioactief afval produceert: ongeveer 5,6 m3 Hoogradioactief afval (HRA) en 50 m3 Laag en Middelradioactief afval (LMRA) per jaar (bron Masterplan COVRA 2050). Het radioactieve afval wordt tijdelijk bovengronds bij COVRA bewaard, waarna het langdurig radioactieve afval opgeslagen zal worden in een definitieve eindberging.
De hoeveelheid radioactief afval dat geproduceerd zal worden door de nieuwe kerncentrales is afhankelijk van meerdere factoren. Denk hierbij aan de keuze voor type reactor, reactorontwerp, splijtstofontwerp, cyclusduur en keuze voor opwerken splijtstofelementen voor hergebruik van grondstoffen en wel of niet gebruik maken van een plasma oven voor reductie van de hoeveelheid afval. Op dit moment zijn veel van deze factoren niet bekend en de exacte hoeveelheden zijn daarom nu niet goed in te schatten. Het kabinet neemt de hele brandstofcyclus (front-end en back-end) mee in de besluitvorming.
Hoe kijkt u naar de Eemshaven als potentiële locatie voor nieuwe kerncentrales in het licht van de morele ereschuld van het Rijk naar Groningen na de schade ten gevolge van het opboren van gas in de provincie en in het licht van de toezeggingen van uw voorgangers dat de locatie Eemshaven slechts is meegenomen omdat het juridisch niet anders kon?
In de Kamerbrief van 19 juni 2026 licht het kabinet toe dat een tussenstap in de procedure om te komen tot een voorkeurslocatie voor de kerncentrales nodig is. Uit de uitgevoerde locatiestudies volgt dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het beste scoren. In de Kamerbrief wordt dit onderzoeksresultaat van duiding voorzien. Belangrijk element van deze duiding is dat draagvlak voor de locatie Eemshaven ontbreekt, zoals ook volgt uit moties waarin de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales in Groningen. Het kabinet houdt mede daarom vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland. Zoals ook in de brief wordt toegelicht is de inpassing van de kerncentrales in Zeeland om technische redenen complex. Ik ga over de uitkomsten van de onderzoeken in gesprek met betrokkenen in zowel Zeeland als Groningen. Beide locaties vragen nadere uitwerking waarover uw Kamer later in het jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Kernenergie?
Ja, de vragen zijn voor het Commissiedebat Kernenergie van 2 juli beantwoord. Bij een aantal antwoorden is sprake van een grote inhoudelijke overlap, deze antwoorden zijn samengevoegd.
Beantwoording van vragen inzake de Bilderbergconferentie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beantwoording die door u is verstuurd naar de Kamer op 2 juni 2026 (2026Z07726)?
Ja.
Waarom is de tweede gesloten vraag niet, zoals gevraagd, ontkennend of bevestigend, met «ja» of «nee», beantwoord?
Dit is mijn reactie op de gestelde vraag.
Waarom heeft het meer dan zes weken geduurd om deze simpele «ja-nee-vraag» te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Vertegenwoordigden de Koning, Koningin en premier op deze Bilderbergconferentie Nederland? Ja of nee?
Kenmerkend voor de Bilderbergconferentie is dat de deelnemers in hun formele hoedanigheid worden uitgenodigd maar tijdens de conferentie op informele wijze van gedachten kunnen wisselen volgens de zogeheten Chatham House Rule die inhoudt dat deelnemers de informatie vrij mogen gebruiken, maar niet koppelen aan de identiteit of functie van een spreker of andere deelnemer. Hiermee is de vrijheid van een open gedachtewisseling tijdens de conferentie gediend. Informatie over de werkwijze tijdens Bilderbergconferenties en de deelnemers is beschikbaar op www.bilderbergmeetings.org.
Kan deze ja-nee-vraag binnen een week beantwoord worden? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Ja.
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Ik zie hier inderdaad risico’s. De introductie van TikTok Shop maakt het voor gebruikers mogelijk om de producten die op TikTok worden vertoond ook direct te kopen. Dit zou gebruikers er sneller en gemakkelijker toe kunnen aanzetten om een impulsaankoop te doen. TikTok heeft richting mij aangegeven dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Daarmee zou er met name een risico voor jongvolwassenen zijn. Wanneer als gevolg hiervan meer wordt uitgegeven dan het beschikbare budget toelaat, kan dit in het ergste geval leiden tot het ontstaan van (problematische) schulden. Ik ga in het antwoord op vraag 8 nader in op de leeftijdsbegrenzing.
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Zowel bestaande als nieuwe online marktplaatsen moeten voldoen aan Europese regelgeving op het gebied van o.a. productveiligheid, consumentenbescherming, gegevensbescherming en digitale dienstverlening. De handhaving van deze regels is belegd bij verschillende toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (productveiligheid, hierna: NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (o.a. consumentenbescherming, hierna: ACM), de Autoriteit Persoonsgegevens (bescherming van persoonsgegevens, hierna: AP) en bij de Europese Commissie in het geval van de Digital Services Act (hierna: DSA).2 Online veiligheid met betrekking tot de bescherming tegen datahacks wordt onder andere gewaarborgd door vereisten omtrent een passende beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hierna: AVG). Op grond van de DSA is TikTok aangewezen als een zeer groot online platform en hierdoor heeft het extra verantwoordelijkheden om de veiligheid van zijn dienst te waarborgen.
TikTok heeft richting mij aangegeven dat zij uitgebreide plannen, risk assessment en veiligheids- en compliancemaatregelen heeft uitgevoerd en hierover in gesprek is met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders.3
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Ja, die opvatting deel ik. De combinatie van gepersonaliseerde aanbevelingen, influencermarketing en directe aankoopmogelijkheden («one-click buying») kan de drempel tot een aankoop verlagen. Dit is op zichzelf niet in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar brengt wel risico’s met zich mee. Consumenten dienen in ieder geval correct en volledig te worden geïnformeerd en er dient geen sprake te zijn van misleiding. Voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van TikTok onder de DSA verwijs ik naar het antwoord op vraag 8, 9 en 10.
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van TikTok Shop op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren in de genoemde landen. Relevant hierbij is dat TikTok richting mij heeft aangegeven dat de TikTok Shop in Nederland alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder.
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
Deze opvatting deel ik. Zogenaamde social commerce platforms combineren elementen die voorheen gescheiden waren – sociale interactie, content-aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en een directe transactiefunctie. Hierdoor kan de grens tussen content, reclame en het doen van een aankoop vervagen en dit levert risico’s op.
Het bestaande wettelijke kader, zoals de DSA en consumentenwetgeving4, is ook van toepassing op social commerce platforms. Bovendien biedt de AVG bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast zet het kabinet in Brussel in op gerichte maatregelen tegen onder meer dark patterns en verslavende ontwerpkeuzes in het kader van de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA).5
Het is belangrijk dat de bestaande regels effectief gehandhaafd worden. De Europese Commissie heeft in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA. En de verschillende markttoezichthouders houden de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop.
Ondanks dat ik de opvatting deel dat een social commerce platform als de TikTok Shop een ander karakter heeft dan een traditionele webwinkel, zie ik – gelet op het bovenstaande – op dit moment geen reden voor een aanvullende beleidsinzet.
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Indien TikTok Shop een betaalmethode aanbiedt waarbij de aankoop direct wordt betaald, is er geen sprake van krediet. Voor zover TikTok Shop consumenten echter de mogelijkheid biedt om aankopen achteraf (ineens of gespreid) te betalen, is in beginsel sprake van krediet in de zin van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). In dat geval valt de dienstverlening onder de kredietregels, tenzij sprake is van een expliciete uitzondering binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, zoals bij bepaalde vormen van uitgestelde betaling. In Nederland wordt de richtlijn geïmplementeerd door de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: implementatiewet).6 Op dit moment biedt TikTok nog niet de mogelijkheid van achteraf betalen aan in Nederland.
Als TikTok deze dienst wel in Nederland aan zou bieden, geldt ook dat deze dienstverlening onder de nieuwe kredietregels komt te vallen van de implementatiewet. Voor de volledigheid leg ik uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De kredietregels zien op verschillende aspecten. Zo dienen aanbieders van achteraf betalen voorafgaand aan kredietverlening een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, consumenten te voorzien van duidelijke en gestandaardiseerde precontractuele informatie en te voldoen aan regels en verboden inzake reclame. Daarnaast voorziet het implementatiewetsvoorstel in een verbod op kredietverlening in de vorm van uitgestelde betaling aan minderjarigen en worden kredietaanbieders verplicht de leeftijd van de consument voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst te verifiëren. Verder geldt voor deze kredietaanbieders een vergunningplicht en staan zij ten aanzien van kredietverlening aan Nederlandse consumenten onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
TikTok hanteert in algemene zin een minimumleeftijd van 13 jaar en geeft aan dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Op basis van de DSA zijn zeer grote online platforms als TikTok verplicht om redelijke en doeltreffende maatregelen te treffen die de leeftijd van de gebruikers verifieert. TikTok heeft richting mij aangegeven gebruik te maken van een gelaagd toegangscontrolesysteem om de leeftijd van gebruikers vast te stellen. Dit omvat technologische checks, menselijke controles en extra veiligheidsmaatregelen zoals de mogelijkheid voor ouders om een melding te doen.7
Indien een minderjarige ondanks de leeftijdsbegrenzing door TikTok toch een aankoop doet via een eigen account in TikTok Shop, bijvoorbeeld omdat de leeftijd niet goed werd gecontroleerd, dan kan de wettelijke vertegenwoordiger de rechtshandeling (aankoop) achteraf vernietigen en het geld van de aankoop terugkrijgen. TikTok heeft richting mij bevestigd hiervoor een eenvoudig retourbeleid te zullen hanteren. Ouders dragen daarnaast zelf de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun account door hun kinderen wordt gebruikt.
In het antwoord op vraag 7 wordt toegelicht dat TikTok op dit moment geen achterafbetaalmogelijkheden in Nederland aanbiedt.
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
TikTok heeft al een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, nu zij de mogelijkheid biedt om via TikTok producten aan te kopen.
Zo heeft TikTok op grond van de DSA verschillende verantwoordelijkheden. Dit betreft onder meer de verplichting om tenminste jaarlijks onderzoek te doen naar mogelijke systemrisico’s van haar diensten, waaronder de negatieve effecten op minderjarigen (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ook dient TikTok onder de DSA passende en evenredige maatregelen te nemen waarmee een hoog niveau bescherming van minderjarigen binnen haar dienst wordt geborgd.
Indien TikTok uitstel van betaling voor de producten in TikTok Shop zou aanbieden, kwalificeert zij bovendien onder de implementatiewet CCDII als aanbieder van krediet. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7, dient TikTok Shop in dat geval de verantwoordelijkheden uit de implementatiewet CCDII na te leven.
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is TikTok aangewezen als «zeer groot online platform» onder de DSA. Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Dit omvat dus ook de verplichtingen inzake de bescherming van minderjarigen, de transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes (die, afhankelijk van het geval, kunnen kwalificeren als dark pattern en/of systeemrisico).
Zo is TikTok in dat kader verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeemrisico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van TikTok Shop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeemrisicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd.
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Dit verbod is onverkort van toepassing. TikTok mag dus geen reclame tonen op basis van profilering van minderjarigen. Om de leeftijd van gebruikers vast te stellen, maakt TikTok gebruik van een gelaagd toegangscontrolesysteem (zie ook mijn antwoord op vraag 8).
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
TikTok Shop zou volgens TikTok alleen toegankelijk moeten zijn voor meerderjarige gebruikers. Het kabinet heeft geen inzicht in de persoonsgegevens en gedragsgegevens die TikTok Shop gebruikt voor het personaliseren van productaanbevelingen. Het is belangrijk dat het gebruik van deze gegevens voldoet aan de hiervoor geldende privacyregels in de AVG en de hiervoor genoemde regels uit de DSA (zie antwoord op vraag 11). De onafhankelijke toezichthouders zien daarop toe.
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Ik beschik niet over informatie om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer content dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame. Het is aan de bevoegde toezichthouders om daar een oordeel over te vellen. Dergelijke praktijken vallen onder het bestaande juridische kader. Naast de DSA gaat het onder meer om de AVG, de e-privacy richtlijn, de regels voor audiovisuele mediadiensten, en consumentenwetgeving.
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Producten die via TikTok Shop worden verkocht, moeten voldoen aan de Europese regels voor productveiligheid en consumentenbescherming. Verkopers en online marktplaatsen hebben, onder meer op basis van de Europese Algemene Productveiligheidsverordening8, consumentenwetgeving, en de DSA, bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is belangrijk dat deze regels effectief gehandhaafd worden door toezichthouders zoals de NVWA, de ACM en de Europese Commissie. Zij kunnen handhavend optreden als producten onveilig zijn, consumenten worden misleid of online platforms hun verantwoordelijkheden niet naleven. Zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 6, houden de markttoezichthouders de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, dan ook scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop. Ook is sprake van coördinatie tussen toezichthouders. Zo werken de ACM, de Europese Commissie en toezichthouders uit andere lidstaten nauw samen in het kader van het toezicht op de DSA.
Op grond van de herziene EU-richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853) kan TikTok alleen in bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gesteld. Of TikTok aansprakelijk is, hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden en de rol die TikTok in de keten vervult. In beginsel is bij verkoop van een gebrekkig product via een onlineplatform de in de EU gevestigde fabrikant aansprakelijk. Als de fabrikant buiten de EU gevestigd is, geldt een getrapt stelsel. In dat geval zijn eerst de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk en bij het ontbreken daarvan de fulfilmentdienstverlener (een partij die logistieke diensten verricht, zoals opslag, verpakking, adressering en verzending van een product). De aanbieder van het onlineplatform is slechts aansprakelijk als deze het gebrekkige product presenteert op een wijze die een gemiddelde consument doet geloven dat het product door het platform zelf wordt verstrekt én wanneer geen andere aansprakelijke marktdeelnemer (zoals de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) kan worden aangewezen op grond van de Richtlijn.
TikTok heeft desgevraagd richting mij aangegeven verschillende maatregelen te hebben genomen om productveiligheid te waarborgen. Zo verplicht TikTok verkopers om hun identiteit te verifiëren (via overheidsdocumenten voor zelfstandigen of bedrijfsregistratiegegevens voor rechtspersonen) en vereist zij compliance-informatie te verstrekken voordat producten mogen worden aangeboden. Nieuwe verkopers krijgen een proefperiode met accountbeperkingen.
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
In een relatief korte periode zijn diverse Europese wetten in werking getreden in het digitale domein, zoals de DSA en de AI-act. De inzet van het kabinet ziet daarom in eerste instantie op een versterking van de handhaving van bestaande Europese regelgeving. Het is daarom goed dat de Europese Commissie actief bezig is met de handhaving van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, waaronder TikTok (zie tevens het antwoord op vraag 6).
De DFA kan dienen als gerichte aanpak voor het reguleren van schadelijke online handelspraktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten. In dit kader pleit Nederland in Brussel voor het verbieden van ontwerptechnieken – waaronder algoritmes – die het welzijn van consumenten schaden, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en overname van het verbod op «dark patterns» uit de DSA (artikel 25) in het consumentenrecht.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in Europees verband actief betrokken bij beraadslagingen over de DFA. De Europese Commissie beoogt met de DFA onder andere de commerciële uitbuiting van kwetsbaarheden van consumenten aan te pakken.9 In dat kader wil de Europese Commissie de DFA ook specifiek richten op de bescherming van minderjarigen. De Nederlandse inzet bij de DFA heb ik besproken in mijn antwoorden op vraag 6 en vraag 15.10
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Ja, hierin kan een beleidsmatige spanning bestaan. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het kabinet zoekt een balans tussen ondernemingsruimte op de vrije markt en de draagkracht van de aarde. Uit gedragswetenschappelijke inzichten blijkt dat de omgeving waarin mensen keuzes maken sterk van invloed is op hun gedrag. Daarom werkt het kabinet aan het makkelijker, logischer en eerlijker maken van circulaire keuzes voor consumenten.
Digitale platforms kunnen daarbij zowel een uitdaging als een kans vormen. Zij kunnen consumptie stimuleren, maar ook circulaire verdienmodellen zoals tweedehands handel, reparatie, delen en verhuur faciliteren. Het kabinet blijft zich, binnen bestaande nationale en Europese kaders, inzetten voor een keuzeomgeving waarin consumenten op basis van duidelijke en betrouwbare informatie een keuze kunnen maken, zonder misleidende of manipulatieve verkooptechnieken.
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Nederland kent een vrij ondernemingsklimaat. Dit betekent dat er geen plicht bestaat voor ondernemingen om zich te melden bij de Nederlandse overheid als zij met een online shop op de markt komen. De Nederlandse overheid toetst dan ook niet vooraf of een onderneming tot de markt wordt toegelaten. Uiteraard moeten ondernemers zich wel houden aan de toepasselijke wet- en regelgeving zodra zij de Nederlandse markt betreden en is het van belang deze regels effectief te handhaven.
De positie van vrouwenrechten en reproductieve rechten binnen het kabinet |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «SGP eist lagere abortuscijfers in ruil voor steun aan kabinetsplannen»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de oproep om de afschaffing van de verplichte bedenktijd bij abortuszorg en de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven, terug te draaien? Deelt u de mening dat dergelijke stappen een inperking zouden zijn van de lichamelijke autonomie van vrouwen?
Het kabinet staat pal voor kwalitatieve en toegankelijke abortuszorg. De abortuszorg die abortusartsen en huisartsen bieden – zonder verplichte minimale beraadtermijn voor vrouwen – is zorgvuldig en van hoge kwaliteit. Dat is een groot goed. Het kabinet is niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Kunt u toezeggen dat u als Minister geen stappen zult zetten die de reproductieve rechten en rechten van vrouwen inperken, zoals het terugbrengen van de verplichte bedenktijd en het afschaffen van de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Vindt u dat het verlagen van het abortuscijfer een doel op zich moet zijn, zoals de SGP in het artikel stelt? Of deelt u de mening van de indiener dat toegang tot kwalitatieve en veilige abortuszorg het hoofddoel moet zijn?
Voor het kabinet staan niet het aantal zwangerschapsafbrekingen, maar de zorgvuldigheid, kwaliteit en toegankelijkheid van abortuszorg centraal. Het is voor het kabinet geen doel op zich om het aantal abortussen te verlagen. Het kabinetsbeleid richt zich op het behouden van goede en toegankelijke abortuszorg
en op het versterken van de regie van mensen op hun kinderwens. In de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap staan verschillende activiteiten om deze regie te versterken.2
In hoeverre bent u bereid mee te gaan met de bezwaren van conservatieve partijen die ten kosten gaan van reproductieve rechten en waar trekt u de grens?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het kabinet niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg over het VWS jaarverslag, d.d. 25 juni 2026?
Ja.
Het bericht 'Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan' |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Dieke van Groningen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan» en «Veel meer gonorroe en syfilis in Europa, ook in Nederland meer infecties»?1, 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de sterke stijging van het aantal soa-besmettingen onder jongeren en jongvolwassenen, ook in het licht van het dalende condoomgebruik bij wisselende seksuele contacten?
Het bericht van de European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) laat zien dat het aantal gonorroe- en syfilisdiagnoses in Europa de afgelopen 10 jaar is gestegen. Ook in Nederland steeg het aantal diagnoses de afgelopen jaren, al is deze stijging minder groot dan het Europees gemiddelde.3
De stijging van het aantal soa-infecties, in Nederland en daarbuiten, is zorgelijk.
Eind juni 2026 publiceert het RIVM de Nederlandse data over 2025 en weten we hoe het aantal diagnoses zich verder ontwikkelt.
De ECDC roept mensen op condooms te gebruiken bij nieuwe of meerdere partners en raadt mensen aan te testen bij symptomen. Bij deze oproep sluit het kabinet zich aan. Op 18 juni 20254 en 28 november 20255 heeft het vorige kabinet de Kamer geïnformeerd over de maatregelen die genomen worden om de stijging van het aantal soa-infecties tegen te gaan, waaronder een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.
Deelt u de mening dat preventie essentieel is om de druk op de zorg en de maatschappelijke gevolgen van soa’s te beperken? Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Preventie en gezondheidsbevordering zijn uiteraard heel belangrijk om problemen met de seksuele gezondheid te voorkomen. Daarom is dit ook onderdeel van het kabinetsbeleid6 op dit terrein. Het kabinet investeert op verschillende manieren in het bevorderen van de seksuele gezondheid. Bijvoorbeeld door kenniscentra voor seksuele- en reproductieve gezondheid te subsidiëren. Zij zorgen voor toegankelijke informatie over seksuele gezondheid en soa’s. Het kabinet biedt via expertisecentrum Rutgers handvatten aan ouders bij de relationele en seksuele
opvoeding en helpt scholen via Gezonde School bij de relationele en seksuele vorming. GGD’en bieden aanvullende seksuele gezondheidszorg waarbinnen ook veel aandacht wordt besteed aan preventie.
Aanvullend op bovenstaand beleid heeft het kabinet nieuwe maatregelen aangekondigd.7 Dankzij het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA)8 komt er per 2027 structureel meer geld beschikbaar voor aanvullende soa-zorg via de GGD’en. Dit jaar wordt daarnaast gestart met de uitvoering van een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om het condoomgebruik te stimuleren. Ook wordt verkend of een verduidelijking van de wettelijke taak van gemeenten op het gebied van seksuele gezondheidsbevordering mogelijk is en worden de mogelijkheden om te komen tot een regionale ketenaanpak seksuele gezondheid onderzocht.
Deelt u de zorg dat jongeren steeds vaker worden blootgesteld aan online desinformatie over hormonale anticonceptie, condoomgebruik, vaccinaties en vruchtbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet vindt het zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende mate worden blootgesteld aan onjuiste of misleidende informatie over gezondheidsonderwerpen.9 Hierdoor kunnen zij onbedoeld keuzes maken die schadelijk zijn voor hun gezondheid.
In welke mate herkent u het beeld dat sociale media en influencers bijdragen aan wantrouwen tegenover bewezen veilige anticonceptiemiddelen, onder andere door het verspreiden van onbewezen claims dat hormonen «vergif» zouden zijn of dat condooms «onnatuurlijk» zijn?
Dit beeld is helaas herkenbaar. De expertisecentra Fiom en Rutgers werken samen aan een project over des- en misinformatie op het terrein van de reproductieve gezondheid. Als onderdeel van dit project is onderzoek gedaan naar online informatie over hormonale anticonceptie en de mogelijke invloed daarvan op kennis, opvattingen en keuzes voor een bepaalde vorm van anticonceptie.10 Uit dit onderzoek blijkt dat online des- en misinformatie over hormonale anticonceptie op verschillende manieren kan bijdragen aan wantrouwen tegen betrouwbare anticonceptiemethoden. Zo kunnen sociale mediaplatforms via algoritmen vooral informatie tonen aan gebruikers die aansluit bij bestaande overtuigingen. Daardoor komen mensen vaker in aanraking met dezelfde soort boodschappen en worden onjuiste claims minder snel gecorrigeerd. Het onderzoek laat ook zien dat online informatie over hormonale anticonceptie vaak eenzijdig negatief is en dat er veel nadruk wordt gelegd op mogelijke bijwerkingen, terwijl voordelen minder aandacht krijgen. Ook blijken er online onjuiste claims te circuleren, zoals de bewering dat de pil tot onvruchtbaarheid zou leiden en dat zogenoemde natuurlijke methoden veiliger of gezonder zijn.
Tegelijkertijd vraagt het onderzoek om nuance. Blootstelling aan misinformatie leidt niet automatisch tot onjuiste overtuigingen. En reproductieve keuzes worden beïnvloed door een samenspel van persoonlijke, sociale en maatschappelijke factoren.
Welke concrete acties onderneemt het kabinet momenteel om desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid tegen te gaan, specifiek gericht op jongeren?
De expertisecentra Fiom, Soa Aids Nederland en Rutgers werken aan het tegengaan van onjuiste informatie over reproductieve en seksuele gezondheid. Zij voorzien zowel hun doelgroepen als de beroepsprofessionals die met deze doelgroepen werken van betrouwbare informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid. Dit doen zijn via hun verschillende websites11, folder- en informatiemateriaal en via sociale media.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 werken Fiom en Rutgers gezamenlijk aan een project dat zich richt op het tegengaan van online mis- en desinformatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg. Fase 1 van dit project omvatte een onderzoek12 naar de aard, omvang en impact van mis- en desinformatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg. Fase 2 van het project, dat op dit moment loopt, bestaat uit het ontwikkelen, testen en evalueren van een aantal interventies gericht op het tegengaan van online mis- en desinformatie. Zo wordt er samengewerkt met influencers en zorgprofessionals, wordt geëxperimenteerd met het pre- en debunken van informatie en wordt gedacht aan een speciale online campagne. De resultaten hiervan worden eind november 2026 verwacht. Fiom en Rutgers zullen de geleerde lessen vervolgens delen met andere partijen, zodat deze kennis breder kan worden benut. De voortgang van dit project wordt beschreven in de volgende Kamerbrief over seksuele gezondheid, die aan het eind van dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd.
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om jongeren beter te informeren over veilig vrijen, het belang van condoomgebruik en de risico’s van soa’s?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 werkt het kabinet op diverse manieren aan het bevorderen van de seksuele gezondheid. Bijvoorbeeld door expertisecentra voor seksuele en reproductieve gezondheid (Rutgers en Soa Aids Nederland) te subsidiëren zodat zij jongeren, en hun ouders en anderen om hen heen, kunnen informeren over beschermde seks. In de aanvullende seksuele gezondheidszorg door de GGD’en is ook aandacht voor voorlichting over vellige seks en condoomgebruik. Dankzij het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA) komt er per 2027 structureel meer geld beschikbaar voor aanvullende soa-zorg via de GGD’en. Dit jaar wordt daarnaast gestart met de uitvoering van een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om het condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.
Ziet u aanleiding om publiekscampagnes over condoomgebruik en soa-preventie te intensiveren nu het aantal besmettingen stijgt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 3 en 7 is het kabinet gestart met een meerjarige aanpak voor publiekscommunicatie ter bevordering van condoomgebruik. Sociale media worden daarbij ook ingezet. De eerste communicatieve uitingen worden dit najaar verwacht.
Welke acties onderneemt het kabinet om ervoor te zorgen dat betrouwbare medische informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid beter zichtbaar wordt op sociale media?
Expertisecentra Soa Aids Nederland en Rutgers voorzien zowel hun doelgroepen als de beroepsprofessionals die ook met deze doelgroepen werken van betrouwbare informatie over reproductieve en seksuele gezondheid. Daarnaast is er Sense. Sense.info is een platform voor seksuele gezondheid, speciaal gericht op jongeren van 12 tot 25 jaar. Soa Aids Nederland, Rutgers en Sense zijn actief en zichtbaar op sociale media. Zo besteedt Sense in korte filmpjes op TikTok aandacht aan onderwerpen zoals condoomgebruik, consent, soa’s en anticonceptie.
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om met grote online platforms in gesprek te gaan over de rol van algoritmen bij het versterken van medische desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen (algoritmen) problematische inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk om in gesprek te blijven met de internetpartijen, waaronder online platforms. Verschillende departementen treden in dialoog met verschillende soorten aanbieders in de internetsector, over onder andere polariserende algoritmen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de publiek-private samenwerking (PPS) online content moderatie, een overlegplatform tussen de overheid en de internetsector.
Bent u bereid om gezamenlijk te onderzoeken hoe online algoritmen bijdragen aan gezondheidsrisico’s door het versterken van desinformatie over anticonceptie, vaccinaties en seksuele gezondheid?
Omdat er al een goed beeld van deze gezondheidsrisico’s bestaat, acht het kabinet verder onderzoek op dit moment niet nodig. Volgens onderzoek van De Nieuwe Utrechtse School wijzen verschillende experts erop dat algoritmen een actieve rol spelen in het verspreiden en versterken van mis- en desinformatie, ook over gezondheidsonderwerpen.13 De invloed van online algoritmen op (des)informatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg is reeds onderzocht door Fiom en Rutgers in hun onderzoek «Echokamers en filterbubbels».14 Hieruit komt naar voren dat door algoritme-gedreven platforms
kunnen bijdragen aan zogenoemde filter- en informatiebubbels. Volgens de onderzoekers kan dit leiden tot online omgevingen waarin mensen vooral informatie tegenkomen die hun bestaande overtuigingen bevestigt en tegengeluiden minder zichtbaar zijn. Daarnaast versterken algoritme-gedreven platforms sensationele content, een dynamiek die zich bij alle onderwerpen op sociale media voordoet. Ook wordt benoemd dat de opkomst van generatieve AI-toepassingen, zoals ChatGPT, het risico met zich meebrengt dat misinformatie (onbedoeld) wordt gereproduceerd of versterkt wanneer deze systemen gebaseerd zijn op onjuiste of eenzijdige bronnen.
Kenniscentra benutten deze kennis bij het ontwikkelen en uitvoeren van hun activiteiten.
Welke mogelijkheden ziet u om influencers en online contentmakers die onbewezen gezondheidsclaims verspreiden beter aan te pakken of te verplichten duidelijk te waarschuwen wanneer informatie niet wetenschappelijk onderbouwd is?
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de Europese Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten (AVMSD). Het is vooraleerst belangrijk dat influencers duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving te verbeteren. Het kabinet zet daarom op Europees niveau in op betere regulering van influencers en heeft zijn standpunt hierover kenbaar gemaakt via een non-paper15 in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een non-paper over de Digital Fairness Act (DFA)16 voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Ook stelde het kabinet voor om in de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers17. Het kabinet kijkt met interesse uit naar de voorstellen van de Commissie op dit onderwerp.