De Bilderbergconferentie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Is het correct dat de Koning, Koningin en premier deel hebben genomen aan de Bilderbergconferentie 2026?
Hebben de Koning, Koningin en premier aan deze conferentie deelgenomen op persoonlijke titel of vertegenwoordigden ze Nederland?
Het bericht 'Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: ‘Je houdt je hart vast’' |
|
Erwin Prickaertz (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: «Je houdt je hart vast»»?1
Ja.
Hoeveel van deze krimp komt door hoge energieprijzen en klimaatbeleid? Kunt u dat concreet per sector inzichtelijk maken?
Er zijn verschillende factoren die het productieniveau van de Nederlandse industrie beïnvloeden, waaronder energieprijzen, internationale concurrentie en de conjunctuur. Door dit complexe samenspel van factoren en het verschil in energie- en CO2-intensiteit tussen sectoren is het niet mogelijk om het afzonderlijke effect van hoge energieprijzen en klimaatbeleid op de industrie en haar verschillende subsectoren exact inzichtelijk te maken.
Het kabinet heeft sinds 2019 wel jaarlijks een speelveldtoets laten uitvoeren om inzicht te geven in de effecten van het Nederlandse energie- en klimaatbeleid op de concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie. De speelveldtoets biedt zo wel enig inzicht in belangrijke factoren waar vervolgens het beleid op kan worden aangepast. Eerdere toetsen concludeerden bijvoorbeeld dat bepaalde nationale beleidsmaatregelen kunnen leiden tot CO2-weglekrisico’s, doordat deze hogere kosten met zich meebrengen ten opzichte van andere (Europese) landen. Mede daarom is ervoor gekozen om de CO2-heffing af te schaffen.
Hoe beoordeelt u het risico dat verdere productie uit Nederland verdwijnt richting landen met lagere kosten en minder regelgeving, en dat hetzelfde gebeurt met investeringen?
Het verplaatsen van industriële productie naar een ander land met lagere kosten is voor bedrijven soms noodzakelijk om concurrerend te blijven op de wereldmarkt. Nederland is een geavanceerde economie met hoge lonen. Daardoor kunnen we niet in elke internationaal opererende markt concurrerend zijn.
Tegelijkertijd is bekend dat het Nederlands concurrentievermogen op onderdelen onder druk staat. Het Wennink rapport «De route naar toekomstige welvaart»2 benadrukte dit in december nog. Ik werk dan ook aan een versterking hiervan. Zo werkt het kabinet onder andere aan het verminderen van regeldruk met een aanpak om per jaar 500 regels te vereenvoudigen of te schrappen.
Daarnaast neem ik de urgentie en aanbevelingen uit het Wennink rapport om het concurrentievermogen te versterken zeer serieus. Daarom kiest dit kabinet expliciet voor economische groei, en nemen we de inzet op 1,5% structurele economische groei over in het kabinetsbeleid en het versterken van randvoorwaarden. Dat is een kabinetsbrede opgave, en het kabinet is bereid om hiervoor de noodzakelijke keuzes te maken. Met de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat maken we snel stappen om een hoogproductieve economie met sterke randvoorwaarden mogelijk te maken. De prioriteiten hierbij liggen op het voeren van strategisch industriebeleid, het verbeteren van de economische randvoorwaarden en het versterken van de Nederlandse (durf)kapitaalmarkt.
Specifiek ten aanzien van de energieprijzen en het klimaatbeleid werkt het kabinet aan het verbeteren van een gelijk speelveld voor de energie-intensieve industrie. Allereerst wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft. Daarnaast verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten om elektrificatie aantrekkelijker te maken en te zorgen voor een gelijker speelveld. Hiervoor heeft het kabinet vanaf 2026 tot en met 2035 significante middelen gereserveerd, oplopend tot 1 miljard per jaar vanaf 2029. Als eerste stap breidt het kabinet de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra (sub)sectoren, in lijn met de door de EC geboden nieuwe mogelijkheden. De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemie. Verder heeft het kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten waarvoor op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. Het kabinet informeert de Kamer uiterlijk op Prinsjesdag over de besteding van deze middelen en de uitwerking van de IKC-ETS.
Daarnaast onderneemt het kabinet actie op de gestegen energieprijzen vanwege de situatie in het Midden-Oosten, zoals gecommuniceerd in de kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok» van 20 april. Gegeven de huidige ontwikkelingen die zich materialiseren in de economie, neemt het kabinet een aantal maatregelen die burgers en bedrijven een steun in de rug geven, de weerbaarheid op lange termijn vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland verminderen. Deze maatregelen zijn tijdig, tijdelijk en toegepast op de knelpunten die zijn ontstaan door de schok in het energieaanbod en de economische gevolgen daarvan. Daarnaast schaalt het kabinet op naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie om goed voorbereid te zijn op ernstigere verstoringen in het aanbod van energie. Met dit pakket erkent het kabinet de ernst van de situatie en blijft het kabinet voorbereid op scenario’s waarin de situatie verder verslechtert en die om een andere mate en manier van overheidsingrijpen vragen.
Deelt u de zorgen over de huidige krimp in de industrie? Welke concrete maatregelen neemt u om deze ontwikkeling te keren en verdere de-industrialisatie van Nederland te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u, gelet op de huidige geopolitieke en economische ontwikkelingen, aanleiding om in te grijpen in de energiekosten voor de industrie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is uw kabinet zich bewust van zijn grondwettelijke plicht om de internationale rechtsorde te bevorderen?
Ja. Als een van de weinige landen heeft Nederland deze taak vastgelegd in Artikel 90 van de Grondwet.
Erkent u dat Israël de internationale rechtsorde steeds verder tart, door structurele ontmenselijking en onderdrukking van de Palestijnen, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en illegale nederzettingen en nu ook nog het legaliseren van het doodmartelen van Palestijnse gevangenen die zonder eerlijk proces zijn vastgezet met de nieuwe doodstrafwet?
Het kabinet maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Israël en de bezette Palestijnse Gebieden, waaronder de doodstrafwetgeving. Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd over het standpunt van het kabinet over deze wetgeving.1 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen van executies als onmenselijk en ondoeltreffend.
Waarom spreekt u Israël wel aan op de doodstrafwet, maar veroordeelt u niet keihard het racistische karakter van de wet die mogelijk maakt dat Israëlische militaire rechtbanken uitsluitend Palestijnen op de bezette Westelijke Jordaanoever kunnen en zelfs moeten veroordelen tot executie door ophanging, binnen 90 dagen, zonder mogelijkheid tot hoger beroep?
Naast de wet zelf acht het kabinet acht discriminatoire karakter van de nieuwe Israëlische doodstrafwetgeving onacceptabel. Zie het antwoord op vraag 2.
Erkent u dat deze wet een verdere voltooiing is van het geïnstitutionaliseerde apartheidsregime van Israël gericht op de Palestijnse bevolking?
Apartheid is een specifieke juridische term. Het is aan de rechter om te oordelen of daarvan sprake is.2 Het Internationaal Gerechtshof (IGH) heeft in zijn advies inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden vastgesteld dat het Israëlische optreden een schending oplevert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (het CERD). Het IGH heeft daarbij evenwel geen duidelijk uitsluitsel gegeven over de vraag of er, naast rassendiscriminatie, ook sprake is van apartheid in de bezette Palestijnse Gebieden. Volgens het kabinet past deze nieuwe doodstrafwetgeving in dit patroon.
Wat vindt u ervan dat het aannemen van deze racistische wet in het Israëlische parlement ter plekke door de Israëlische regering werd gevierd met bubbels?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Het kabinet beschouwt de reactie in het parlement als zeer ongepast en verwerpelijk.
Erkent u dat Israël deze wet kon doorvoeren na voortdurende straffeloosheid voor het apartheidsregime van Israël en de genocide in Gaza door het wegkijken van landen als Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werpt de aantijging dat Nederland wegkijkt voor de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden verre van zich. Nederland veroordeelt schendingen van het internationaal recht. Nederland draagt bij aan waarheidsvinding en de bevordering van berechting. Uw Kamer is daarnaast veelvuldig geïnformeerd over maatregelen die Nederland heeft genomen.
Erkent u dat wanneer een staat schendingen van het internationaal recht kan plegen zonder vervolging, als een bezetting kan voortduren zonder consequenties en als economische en politieke relaties gewoon blijven bestaan alsof er niets aan de hand is, het internationaal recht op z’n zachtst gezegd selectief wordt toegepast en uitgehold? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat het onbeschrijfelijke lijden van het Palestijnse volk niet alleen wordt veroorzaakt door de misdaden die Israël structureel pleegt tegen de Palestijnen, maar ook door de wetenschap dat landen zoals Nederland (dat immers een belangrijke handelspartner is van Israël en dat Israël nog steeds een bondgenoot noemt) weigeren een rode lijn te trekken en daadwerkelijk consequenties te verbinden aan het overschrijden van die rode lijn door Israël?
Zie antwoord vraag 6.
Welke verantwoordelijkheid voelt u voor dit deel van het leed dat het Palestijnse volk wordt aangedaan; het wegkijken en het niet-handelen van de zogenaamde omstanders, zoals Nederland?
Zie antwoord vraag 6.
Kent u de geschiedenis van de druk die de internationale gemeenschap op Zuid-Afrika heeft uitgeoefend, met boycots tegen het apartheidsregime? Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap daar goed aan heeft gedaan (ook al had het allemaal beter en sneller gekund)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom zou een soortgelijke boycot van Israël nu niet op z’n plaats zijn?
Ja, het kabinet is bekend met deze geschiedenis. Ik ga geen vergelijking maken tussen deze situaties.
Wanneer heeft u kennisgenomen van het nieuwe rapport van de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden over het Israëlische gevangenisstelsel (maart 2026), waaruit blijkt dat duizenden Palestijnen, waaronder vrouwen en kinderen, zonder geldig rechtsproces worden opgepakt, opgesloten en gemarteld?1 Wat was uw eerste, eerlijke reactie op wat u las in dit rapport?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van VN-rapporteur Albanese kort na publicatie in maart 2026. Dergelijke rapporten leveren een bijdrage aan het vergaren van informatie over mensenrechtenschendingen. Het rapport schetst een schokkend beeld van de omstandigheden van hoe door Israël (gedetineerde) Palestijnen worden behandeld. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut en is een regel van dwingend internationaal recht (ius cogens). Het kabinet wijst Israël ook consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Onderschrijft u de conclusie in het rapport dat marteling en gevangenschap systematisch worden toegepast op de totale Palestijnse bevolking en dat ze daarom onderdeel zijn van de genocide op het Palestijnse volk? Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te kunnen verwerpen?
Het kabinet neemt het werk en de rapporten van deze onafhankelijke mandaathouders serieus. Genocide is een uiterst serieuze kwalificatie en daarom is het kabinet in de regel terughoudend om situaties als zodanig te kwalificeren. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide. Het vraagstuk over vermeende genocide in de Gazastrook ligt momenteel voor bij het Internationaal Gerechtshof in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël. Nederland wacht deze uitspraak af.
Hoe beoordeelt u het nieuwe rapport van de speciaal VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, Alice Jill Edwards van 2 april jl.? Onderschrijft u haar conclusie dat de Israëlische doodstrafwet het risico op marteling en andere vormen van mishandeling verder verergert?2 Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te verwerpen?
Dit betreft geen nieuw rapport van VN-rapporteur Alice Jill Edwards, maar een persverklaring. Onze positie ten aanzien van de Israëlische doodstrafwetgeving is helder: Nederland is principieel tegen de doodstraf. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dergelijke wetgeving zal geenszins positief bijdragen aan het verbeteren van de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Nederland blijft Israël oproepen om zijn internationale verplichtingen volledig na te leven.
Erkent u dat het internationaal humanitair recht vereist dat alle Palestijnen die zonder proces vastzitten onmiddellijk worden vrijgelaten, zeker nu het executeren van deze gevangenen wettelijk beleid dreigt te worden onder leiding van de Israëlische Minister Ben Gvir? Zo nee, op basis waarvan meent u dat deze mensen gevangen mogen blijven zitten met dreigende executie als gruwelijk eindstation? Zo ja, welke middelen gaat uw kabinet direct inzetten tegen Israel om het krachtige signaal af te geven dat al deze mensen moeten worden vrijgelaten en dat de doodstrafwet moet worden ingetrokken?
Het kabinet acht het veelvuldig gebruik van administratieve detentie, alsook de duur en schaal hiervan, door Israël zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten met regelmaat het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting
Israël.
Erkent u dat de huidige kabinetsreactie – zorgen uiten over de doodstrafwet en in EU-verband pleiten voor het opschorten van de doodstraf – niet in verhouding staat tot wat nodig is om het systematische apartheidsregime van Israel tegen de Palestijnen, waar deze doodstraf onderdeel van is, te stoppen?
De kabinetsreactie5 had louter betrekking op de Nederlandse inzet ten aanzien van de doodstrafwetgeving.
Op welke manier gaat u Israël aanzetten tot onmiddellijke toegang voor het Internationale Rode Kruis tot alle Israëlische gevangenissen om noodzakelijke medische hulp aan Palestijnen te bieden?
Nederland steunt het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) als hoeder van de Verdragen van Genève en hun kernmandaat om gedetineerden te bezoeken tijdens gewapend conflict conform deze Verdragen. Het kabinet blijft de Israëlische regering oproepen ICRC-gedelegeerden toegang te verlenen en dringt hiertoe bij Israël aan, onder meer bij monde van de Mensenrechtenambassadeur tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november 2025.
Welke drukmiddelen gaat u tegen Israel inzetten om onafhankelijke waarnemers toe te laten in de Israëlische gevangenissen, zodat onafhankelijk bewijsmateriaal kan worden verzameld en Nederland Israël voor het internationaal Gerechtshof kan dagen wegens schending van het VN-verdrag tegen foltering – zoals Nederland dat in 2023 ook tegen Syrië deed?
Zie het antwoord op vraag 16. Verder hangt het van de feiten en omstandigheden van een specifieke gebeurtenis af of een aansprakelijkheidsstelling mogelijk is. Deze hangen samen met voldoende bewijs, de mogelijkheid het geschil voor te leggen aan een rechter of tribunaal, en de mogelijkheid om de aansprakelijkstelling samen met een ander gelijkgezind land te doen. Nederland kan Israël niet voor het Internationaal Gerechtshof dagen voor schending van het Antifolterverdrag. Er geldt tussen Nederland en Israël namelijk geen bepaling die het Internationaal Gerechtshof bevoegdheid geeft in een dergelijke zaak. Zie hiervoor ook het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025.6
Erkent u dat van een normale handels- en samenwerkingsrelatie met een land dat oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen pleegt geen sprake kan zijn? Zo ja, bent u bereid om nu eindelijk een economische boycot in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is geen voorstander van een algehele boycot van Israël. Zie verder het antwoord op vraag 6, 7, 8 en 9.
Erkent u dat een volledige stop op militaire samenwerking en wapenhandel noodzakelijk is zolang een reëel risico bestaat dat deze bijdragen aan ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht? Bent u bereid om elke militaire samenwerking met Israël op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de uitvoer van militaire goederen worden alle individuele vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval zorgvuldig getoetst aan de daarvoor geldende wapenexportcontrolekaders (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag), zo ook voor Israël. Daarbij geldt dat een vergunningaanvraag wordt afgewezen indien er een duidelijk risico wordt geconstateerd dat militaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht. Gezien de situatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, verleent Nederland op dit moment geen vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen die kunnen bijdragen aan de activiteiten van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook of op de Westelijke Jordaanoever vanwege het risico op ongewenst eindgebruik. Het kabinet is daarmee van mening dat het staande beleid volstaat om ongewenste transacties te voorkomen.
Elke vorm van defensiesamenwerking met Israël wordt zorgvuldig en afzonderlijk afgewogen. Vanwege de huidige ontwikkelingen en de zorgen die het kabinet heeft over het militaire optreden van de Israëlische regering in Gaza leidt deze weging in de praktijk tot minimale samenwerking, beperkt tot materieel. Israëlische bedrijven leveren diverse essentiële militaire systemen of onderdelen hiervan waarvoor geen, minder geschikte of geen tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Het stopzetten van de bestaande samenwerking met Israëlische bedrijven heeft daarom grote gevolgen voor de slagkracht en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht, alsmede voor de veiligheid van onze militairen. Eventuele nieuwe materieel-aankoop uit Israël wordt reeds per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie tevens invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk 22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Wat is het doel van deze taalgids en is het doel van de gids bereikt?1
Wanneer is het Programma tegen Discriminatie en Racisme (PDR) ontstaan en waar is besloten een taalgids te maken? Wanneer bent u of uw voorganger akkoord gegaan met de taalgids?
Wat zijn de kosten verbonden aan dit programma?
Tijdens het Vragenuurtje liet de Staatssecretaris de Kamer weten deze Taalgids min of meer overbodig te vinden en deze «in de kast te leggen». Bent u ervan op de hoogte dat in de Taalgids staat dat deze elk jaar zal worden herzien? Wat vindt u daarvan?
Bent u voornemens om de makers van deze Taalgids de opdracht te geven geen jaarlijkse herziening te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan of gaat u dat doen?
Hoeveel fte c.q. personen werken bij de afdeling die deze taalgids hebben gemaakt?
Hoeveel fte c.q. personen van andere afdelingen hebben geholpen bij het tot stand brengen van deze taalgids? Van welke afdelingen waren deze fte c.q. personen?
Hoeveel uur is er in totaal aan deze taalgids besteed?
Wat zijn de werkzaamheden van het PDR? Vanuit welke behoefte bestaat dit programma en welk probleem lost het op?
Hoeveel en welke organisaties c.q. organisatieonderdelen c.q. mensen zijn om advies gevraagd bij het vormgeven van het PDR in het algemeen en de Taalgids in het bijzonder?
Welke en hoeveel ministeries maken nog meer gebruik van dit soort taalgidsen of vergelijkbare regels dan wel adviezen?
Wordt deze Taalgids meegestuurd aan contacten van het ministerie? Zo ja, wanneer en aan wie?
Zijn dergelijke taalgidsen dan wel taaladviezen onderdeel van subsidievoorwaarden? Zo ja, welke?
Kan de Minister toezeggen om bij haar collega’s aan te dringen om elke taalgids van andere ministeries te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Heeft u aan de landen c.q. de inwoners in het Midden-Oosten gevraagd of zij voortaan «Zuidwest-Azië» genoemd willen worden? Zo ja, welke waren het eens en welke niet? Zo nee, getuigt het niet van een neokoloniale benadering van deze landen door te bepalen hoe ze genoemd moeten worden?
Heeft u representatief onderzoek gedaan onder Generatie X of zij die benaming vervelend vinden? Zo nee, waar baseert u dan de overtuiging op dat zij zich gekwetst voelen om zo genoemd te worden?
Heeft u bij de afweging om Generatie X een kwetsende naam te vinden afgewogen dat het voorstelbaar is dat de Generatie X dermate veel levenservaring heeft dat zij een kwalificatie als «Generatie X» ook nog wel overleven?
Waar komt volgens de bewindspersonen de behoefte vandaan om taal te «dekoloniseren»?
Hoe is er in de Taalgids gekomen tot het «doorbreek van machtsverhoudingen»? Hoe bepaal je hoeveel macht iemand heeft? En wie gaat dan de macht verdelen? Is het aan de overheid om die veronderstelde macht te verdelen? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
Tijdens het Vragenuurtje van 7 april jl. leek de Staatssecretaris aan te geven dat de Taalgids op eigen ambtelijk initiatief tot stand is gekomen. Klopt dat? Zo nee, waarom zei de Staatssecretaris dat dan? Zo ja, is het aan ambtenaren om het bij uitstek politieke vraagstuk van verdeling van macht te adresseren met een Taalgids?
Heeft u aan inheemse volkeren gevraagd of zij het vervelend vinden om «inheems» genoemd te worden en of zij voortaan liever «oorspronkelijke bewoners» willen worden genoemd? Zo nee, is dit dan niet bij uitstek een neokoloniale benaderingswijze van deze volkeren?
Vanuit waar komt de behoefte bij u om illegale vluchtelingen voortaan «mensen die op de vlucht zijn» te noemen? Welk probleem lost dit volgens u op?
Hoe denkt u dat het schrappen van de woorden «Moederdag» en «Vaderdag» overkomt op mensen die de afgelopen maanden hun vader of moeder hebben verloren en dit jaar Moederdag of Vaderdag met groot gemis vieren? Heeft u deze groep gevraagd of zij het eens zijn met het schrappen van het woord «Moederdag» en «Vaderdag»? Telt het gekwetst zijn van deze groep als aanleiding om een taalgids aan te passen c.q. af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op het feit dat zelfs «Beste dames en heren» moet worden vervangen voor «Beste collega, Beste geadresseerde, Beste mensen»? Bent u het eens dat het Ministerie van OCW volledig is doorgeslagen?
Waar is volgens u het dedain vandaan gekomen op het Ministerie van OCW om voor een brede groep te bepalen wat die wel en niet mogen zeggen?
Bent u het eens met de stelling dat de Taalgids vol staat met tegenstrijdigheden? Bent u het eens dat uitgangspunt 1 wordt ondermijnd door uitgangspunt 5; als je mensen als groep behandelt, kun je ze niet meer als individu behandelen. Wie mag er eigenlijk nog spreken namens de groep?
Aangezien deze taalgids tot stand kwam met kennis en advies van verschillende deskundigen en organisaties die zich inzetten voor antidiscriminatie, welke deskundigen en organisaties zijn dat? Worden deze geheel of gedeeltelijk betaald uit de door de Staatssecretaris genoemde € 40.000? Zo nee, waar dan uit? Wat is dan het totaalbedrag?
Hoe kijkt u aan tegen de zin in de Taalgids: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, is soms een onconventionele aanpak nodig»? Bent u het eens dat die onconventionele aanpak verdacht veel lijkt op dat ambtenaren gaan bepalen wat gelijkwaardigheid is en daar «onconventionele» taal voor ontwikkelen?
Hoe werkt deze Taalgids volgens u door in delen van het onderwijs? Is daar actief beleid op? Zo ja, waarom wordt dat wenselijk geacht?
Bent u bekend met de wetenschappelijke theorieën die stellen dat de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt, waarneemt en de wereld begrijpt? Bent u het eens met de stelling dat deze taalgids invloed heeft op de manier van denken van ambtenaren en daarbuiten? Is dat wenselijk?
In het boek van George Orwell, 1984 staat het volgende citaat: «Don’t you see that the whole aim of Newspeak is to narrow the range of thought?»; ziet u hoe met deze Taalgids en de daarin opgenomen «newspeak» uiteindelijk het denken beperkt wordt? Zo nee, waarom niet?2
Erkent u dat de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden, Francesca Albanese, het mikpunt is van een aanhoudende lastercampagne van pro-Israëlische lobbyisten?1 Zo ja, veroordeelt u deze lastercampagne? Zo nee, waar baseert u dit op?
Zoals aangegeven in beantwoording van eerdere Kamervragen is het kabinet bekend met de in de artikelen genoemde vermeende uitspraak van mevrouw Albanese.2 Het blijkt dat zij deze uitspraak zo niet heeft gedaan. Het is voor het kabinet niet mogelijk te beoordelen of het hier een bewuste poging tot misleiding – en daarmee een eventuele lastercampagne – betrof. Evenwel is het kabinet kritisch op de gedane uitspraken en roept het de Speciaal Rapporteur op om af te zien van polariserende uitspraken in het publieke domein.
Erkent u dat dat de pro-Israëlische lobbygroep UN Watch desinformatie als wapen heeft gebruikt tegen deze onafhankelijke VN-mensenrechtenrapporteur?2 Zo nee, wat was het wel en waar baseert u dit oordeel op?
Zoals gesteld in antwoord op vraag 1 bleek dat mevrouw Albanese de betreffende uitspraak niet zo heeft gedaan. Het is voor het kabinet niet mogelijk te beoordelen of het hier een bewuste poging tot misleiding betrof.
Wat vindt u ervan dat de Franse Minister van Buitenlandse Zaken, Jean-Noël Barrot, naar aanleiding van deze desinformatie Albanese opriep om af te treden, en dat Oostenrijkse, Tsjechische, Duitse en Italiaanse Ministers daarop soortgelijke uitspraken deden?3
Het is aan deze landen zelf om te bepalen hoe zij de uitspraken van mevrouw Albanese beoordelen.
Erkent u dat Francesca Albanese als Speciaal VN-mensenrechtenrapporteur voor de Palestijnse gebieden een onafhankelijke positie heeft en werkt in opdracht van de VN-mensenrechtenraad? Zo nee, waarom niet?
Ja. VN Speciaal Rapporteurs zijn onafhankelijke deskundigen die opereren op basis van een mandaat van de VN-mensenrechtenraad. Speciaal Rapporteurs werken onbezoldigd maar krijgen ondersteuning van het kantoor van de Hoge Commissaris (OHCHR). Speciaal Rapporteurs spreken niet namens de VN als organisatie. Zij dienen zich wel te houden aan de VN-gedragscode.
Deelt u de opvatting van meer dan 150 (oud-) politici en diplomaten dat het legitimeren van deze desinformatiecampagne tegen Albanese het instituut van de Verenigde Naties ondermijnt en dat het essentieel is om de legitimiteit van internationale instituties te beschermen om ervoor te zorgen dat het internationaal recht kan functioneren?4 Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Onderschrijft u de oproep van deze 150 (oud-) diplomaten en politici dat de valse beschuldigingen aan het adres van de speciaal VN-rapporteur voor de Palestijnse gebieden moeten worden gecorrigeerd? Zo ja, waarom heeft u zich nog niet uitgesproken tegen het gebruik van desinformatie als wapen tegen deze onafhankelijke VN-mensenrechtenrapporteur? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de opvatting dat de eerdere weigering van het toenmalige Nederlandse kabinet in februari 2025 om Albanese te ontmoeten een ondermijning is van het VN-instituut en een gevaar vormt voor de legitimiteit van Nederland binnen de VN en binnen de internationale rechtsorde? Zo nee, waarom niet?
Voor alle VN Speciaal Rapporteurs hanteert Nederland – net als de overgrote meerderheid van VN-lidstaten – een zogenaamd «standing invitation» beleid. Dit betekent dat alle Speciaal Rapporteurs altijd welkom zijn om Nederland te bezoeken. De afweging om al dan niet op politiek of op hoog ambtelijk niveau in gesprek te gaan met een Speciaal Rapporteur wordt van geval tot geval bekeken. Mevrouw Albanese heeft het kabinet geïnformeerd voorafgaand aan haar meest recente bezoek aan Nederland op 23 en 24 maart 2026. Hierbij heeft zij niet verzocht om een onderhoud met een lid van het kabinet.
Heeft het nieuwe kabinet, dat onder uw leiding staat, VN-rapporteur Albanese uitgenodigd voor een officieel bezoek om de schade te herstellen?
Zie antwoord vraag 7.
Onderschrijft u het oordeel van het VN-coördinatiecomité dd. 28 maart 2025, en in de notulen van de bijeenkomst van het dagelijks bestuur van de Mensenrechtenraad, dd. 1 april 2025, dat er geen schending van de gedragscode is vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen reden om van deze vaststelling af te wijken.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken voor het respecteren van het mandaat van Francesca Albanese als Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden en zo bij te dragen aan het bevorderen van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt zich binnen de VN met regelmaat uit voor het belang van het werk en de onafhankelijkheid van alle VN-Speciaal Rapporteurs, waaronder ook het mandaat van de «Special Rapporteur on the situation of human rights in the Palestinian territory occupied since 1967». Dit VN-mandaat bestaat als sinds 1993 en Nederland heeft dit mandaat altijd ondersteund.
Bent u bereid Francesca Albanese uit te nodigen voor een bezoek en steun over te brengen, om op deze wijze te laten zien dat Nederland pal staat voor het internationaal recht en voor het mandaat van de Speciaal VN-mensenrechtenrapporteur van de Palestijnse gebieden? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7 en 8.
Bent u bereid om Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië, Duitsland en Italië op te roepen zich alsnog publiekelijk te verontschuldigen, hun oproepen tot het aftreden van Francesca Albanese te corrigeren en het gevaar van desinformatie te erkennen?
Het is aan deze landen zelf om te bepalen hoe zij de vermeende uitspraken van mevrouw Albanese beoordelen.
Bent u bereid deze landen ook op te roepen zich, in plaats van het luidkeels naroepen van desinformatie, luid en duidelijk uit te spreken tegen de Israëlische regering die zich schuldig maakt aan genocide, illegale bezetting en apartheid en om maximale sancties daartegen in te stellen? En bent u bereid om als Nederlands kabinet hetzelfde te doen? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 12. Het kabinet zet in op een combinatie van druk en dialoog om de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden te verbeteren, zowel bilateraal als in breder verband.
Wat gaat uw kabinet doen om (de verspreiding van) dit soort schadelijke desinformatie met betrekking tot de Palestijnse gebieden te voorkomen, dan wel zo snel mogelijk de kop in te drukken of te ontzenuwen wanneer dit wordt ingezet door pro-Israëlische lobbygroepen zoals UN-Watch en/of wordt rondgepompt door bepaalde media? Mogen we van uw kabinet een pro-actieve houding verwachten op dit punt? Zo ja, hoe gaat die pro-actieve houding eruitzien? Zo nee, waarom denkt u dat een pro-actieve houding ten aanzien van het bestrijden van schadelijke desinformatie ten aanzien van de (VN-rapporteur voor de) Palestijnse gebieden niet nodig is voor het bevorderen van de internationale rechtsorde en de mensenrechten, gezien uw kabinet in het coalitieakkoord dit beloofde te gaan doen en wat bovendien uw grondwettelijke plicht is?
Het is niet primair de taak van de overheid om berichten te fact checken en te ontkrachten. Dat is een taak voor onder andere onafhankelijke media en organisaties uit het maatschappelijk middenveld. Het kabinet acht het van belang dat deze organisaties hun werk adequaat kunnen doen. Daarom steunt het kabinet bijvoorbeeld het fact-check-netwerk BENEDMO. Ook gaat de Europese Commissie onder het European Democracy Shield 5 miljoen euro aan subsidies verlenen aan onafhankelijke fact checking. Ook het Mensenrechtenfonds wordt onder meer ingezet voor de steun aan het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media.
De uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek 'Kosten Kinderopvang Pleegouders' |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek «Kosten Kinderopvang Pleegouders» uit mei 2024, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS, waaruit blijkt dat pleegouders gemiddeld 213 euro per maand zelf betalen aan kinderopvangkosten en dat uitschieters oplopen tot 1.500 euro per maand, de recente berichtgeving hierover, zoals in het Parool?1, 2
Hoe verklaart u dat ondanks deze onderzoeksuitkomsten en het vrijgemaakte budget van ruim 10 miljoen euro per jaar pleegouders volgens recente berichtgeving nog steeds massaal zelf opdraaien voor de kosten van de kinderopvang?
In het onderzoek geeft slechts 45 procent van de pleegouders aan te weten op welke vergoedingen zij recht hebben en weet slechts iets meer dan de helft hoe deze aangevraagd moeten worden, welke stappen heeft u de afgelopen twee jaar genomen om de onduidelijkheid weg te nemen?
Kunt u aangeven hoeveel van het beschikbare budget sinds 2025 daadwerkelijk is uitgekeerd aan pleegouders en welk bedrag tot op heden onbenut is gebleven?
Deelt u de zorg dat deze situatie, zoals ook in het artikel wordt benoemd, een drempel vormt om pleegouder te worden of te blijven?
Deelt u de in het artikel getrokken conclusie dat onduidelijkheid de overkoepelende oorzaak is? Wat vindt u van het feit dat 87 procent van de pleegouders zegt niet te weten hoe de regeling werkt? Op welke manier gaat u zorgen dat pleegouders actief geïnformeerd worden over hun recht op een tegemoetkoming?
Het onderzoek laat ook zien dat pleegouders grote verschillen ervaren tussen gemeenten en pleegzorgorganisaties, en de behoefte hebben naar een landelijke en uniforme aanpak en ondersteuning, bent u bereid om te komen tot een landelijk loket of uniforme landelijke regeling, zodat pleegouders niet langer afhankelijk zijn van gemeentelijke verschillen en onduidelijke procedures? Zo ja, wat is hier voor het tijdspad? Zo niet, waarom?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat het niet-gebruik afneemt en dat pleegouders niet langer honderden euro’s per maand uit eigen zak hoeven te betalen en wat is hierbij het tijdspad?
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
De Amerikaanse MATCH Act en de gevolgen daarvan voor ASML |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Herbert , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden ingediende MATCH Act, waarin Republikeinse en Democratische politici voorstellen de exportbeperkingen voor chipfabricage machines naar China verder aan te scherpen?
Ja.
Klopt het dat dit wetsvoorstel beoogt ook voor bedrijven uit bondgenootschappelijke landen, waaronder Nederland en Japan, dezelfde beperkingen te laten gelden als voor Amerikaanse bedrijven?
De MATCH Act is een wetsvoorstel van het Amerikaanse Congres dat zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat wordt geïnitieerd. Het gaat op dit moment om conceptwetgeving, die zowel in het Huis als de Senaat nog de formele processen moet doorlopen. Het gaat bovendien nog om twee eigenstandige teksten in het Huis en de Senaat. De teksten kunnen gedurende de behandeling in zowel het Huis als de Senaat nog worden aangepast.
In de kern stelt de MATCH Act exportcontroles op bepaalde halfgeleiderproductieapparatuur en componenten via diplomatie multilateraal te «harmoniseren». De tekst richt zich daarbij op Amerikaanse bondgenoten en partners. De conceptwetteksten specificeren niet om welke landen het gaat en richten zich op alle partnerlanden die belangrijke («chokepoint») halfgeleiderproductietechnologie maken.
Het Nederlandse bedrijfsleven heeft een positie in halfgeleiderproductieapparatuur, samen met bedrijven uit onder andere Verenigde Staten, Japan, Zuid-Korea, Duitsland en andere Europese landen. In het wetsvoorstel wordt de Amerikaanse regering opgedragen om in coördinatie met bondgenoten en partners tot meer restrictief beleid te komen, met landen-specifieke exportcontroles met als uitgangspunt dat alle aanvragen worden afgewezen («country-wide controls with presumption of denial»). Dit zou moeten gelden voor China, Rusland, Iran, Noord-Korea en andere landen die door het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken als «land van zorg» worden gezien.
De huidige versie van de MATCH Act omvat ook voorstellen omtrent service- en onderhoudsdiensten voor geavanceerde halfgeleiderapparatuur. Dit zou kunnen betekenen dat voor onderhoud van dergelijke apparatuur bij bepaalde eindgebruikers een vergunning vereist wordt. Dit voorstel van het VS-congres kan ertoe leiden dat bedrijven, ook voor reeds geleverde machines, geen onderhoud of ondersteuning meer mogen verrichten zonder vergunning, en stelt dat bij de vergunningbehandeling het uitgangspunt zou moeten gelden dat deze niet worden verleend («presumption of denial»). De uiteindelijke impact hangt af van de nadere uitwerking in uitvoeringsregelgeving en eventuele uitzonderingen.
Het initiatief voorziet erin dat, als bondgenoten en partners binnen de vastgestelde periodes niet tot geharmoniseerde controles komen, de Verenigde Staten via Amerikaanse wetgeving extraterritoriaal beperkingen kunnen op leggen op export uit deze landen. Het kabinet kijkt daarom met zorg naar de MATCH Act.
Het is aan de leden van het Amerikaanse Congres om hun eigen standpunt over deze conceptwetgeving te bepalen. Gezien de mogelijke impact van de MATCH Act op Nederland bij aanname in huidige vorm, heeft Nederland zijn bezwaren, in het bijzonder over de extraterritorialiteit, zowel bij leden van het Amerikaanse Congres als bij de Amerikaanse regering neergelegd (zie ook vraag 6).
Klopt het dat de MATCH Act er in de praktijk toe kan leiden dat ASML geen immersie-DUV-lithografiemachines meer aan China mag verkopen en evenmin onderhoud of service mag verrichten aan reeds geleverde machines, onder meer aan bedrijven als SMIC, Hua Hong, Huawei, CXMT en YMTC?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een verbod op onderhoud en service van reeds verkochte machines feitelijk kan neerkomen op gedwongen contractbreuk en daarmee grote juridische en economische risico’s voor ASML met zich mee kan brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van dit wetsvoorstel voor ASML, de Nederlandse toeleveringsketen en de werkgelegenheid, mede in het licht van het gegeven dat China in 2025 goed was voor 33 procent van de omzet van ASML en ASML zelf aangaf dat dit aandeel in 2026 naar circa 20 procent zou dalen?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die uitgaat van het Amerikaanse voorstel. Elk land is verantwoordelijk voor zijn eigen exportcontrolewetgeving.
Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten.
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat de Verenigde Staten via eigen wetgeving feitelijk verdere beperkingen opleggen aan de exportmogelijkheden en dienstverlening van een Nederlands bedrijf?
Het kabinet hecht aan goede samenwerking met partners. Nederland heeft als uitgangspunt dat ieder land verantwoordelijk is voor zijn eigen wetgeving en is dus geen voorstander van extraterritoriale wetgeving. Dat maken we altijd duidelijk in onze diplomatieke contacten met andere landen, zo ook met de Verenigde Staten.
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen voor ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik.
De EU Dual Use Verordening is het leidende juridische kader voor Nederland. Daaruit vloeit voort dat het Europese en Nederlandse exportcontrolebeleid landenneutraal is, elke vergunningaanvraag op zijn eigen merites («case-by-case») wordt beoordeeld en exportcontrole geen exportverbod is. Internationaal overleg over exportcontrole is de standaard en de inzet van Nederland is om met zoveel mogelijk landen tot overeenstemming te komen. Uiteindelijk gaat elk land zelf over de exportcontrolemaatregelen die nodig zijn om zijn nationale veiligheid te beschermen. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Is het kabinet hierover reeds in gesprek met de Verenigde Staten, Japan, Taiwan, Zuid-Korea en de Europese Commissie, en wat is daarbij concreet de Nederlandse inzet?
Nederland staat in het kader van exportcontrole continu en op alle niveaus in contact met andere technologiehoudende landen, bilateraal alsook via de multilaterale exportcontroleregimes zoals het Wassenaar Arrangement. De MATCH Act is daar onderdeel van, gezien de nauwe verwevenheid van de internationale halfgeleidersector en de potentiële scope van de MATCH Act. Wegens de diplomatieke vertrouwelijkheid kan het kabinet niet in detail treden over de inhoud deze gesprekken.
Kunt u aangeven wat de verwachte verdere behandeling van de MATCH Act in de Verenigde Staten is, zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat, en op welke termijn hierover meer duidelijkheid wordt verwacht?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de concept wettekst nadrukkelijk onder de aandacht te brengen op alle niveaus.
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Mona Keijzer , Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Bent u op de hoogte van de hack bij ChipSoft, het bedrijf dat software voor patiëntendossiers en andere digitale systemen voor ziekenhuizen levert?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de ernst is van de hack en hoeveel ziekenhuizen, huisartsenpraktijken en eventuele andere zorgverleners zijn geraakt door de hack?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Chipsoft voert momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uit om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. ChipSoft levert software aan ongeveer 70% van de Nederlandse ziekenhuizen. Uit voorzorg zijn sinds 8 april 20:00 uur de verbindingen met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar geweest. Inmiddels is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het gefaseerd opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met de klanten die dat betrof dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd3. ChipSoft heeft geen gedetailleerde inzage gegeven in welke klanten op welke wijze getroffen zijn. In de zojuist genoemde Kamerbrief heb ik ons inzicht met u gedeeld. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
Wat zijn de gevolgen van de hack voor zorgverleners en hun patiënten, bijvoorbeeld doordat zorginstellingen hun systemen offline hebben moeten halen?
Navraag bij de betrokken zorginstellingen leert dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien. Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen digitale verwijzingen niet goed plaatsvinden.
Ziekenhuizen zijn hier echter op dit soort incidenten voorbereid en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel.
Is bepaalde zorg uitgesteld vanwege de hack en zo ja, op welke schaal?
Nee, de zorgprocessen lopen door.
Is er gevoelige data, zoals patiëntgegevens, in handen gekomen van criminelen?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Welke exacte patiëntgegevens hierbij zijn buitgemaakt is nog in onderzoek. Ik heb de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april hierover geïnformeerd.4 Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe verklaart u de verschillende aanpak van ziekenhuizen na de hack, bijvoorbeeld in het wel of niet offline halen van systemen?
Ziekenhuizen die klant zijn bij ChipSoft hebben op advies van Z-CERT, het expertisecentrum cybersecurity in de zorg, preventieve maatregelen genomen en hebben monitoring op hun lopende systemen geïntensiveerd. De keuzes die gemaakt worden, zijn door de ziekenhuizen of organisaties zelf gemaakt op basis van eigen specifieke situatie en risico inschatting.
Verschilt de impact van de hack tussen ziekenhuizen die hun gegevens lokaal, hybride of juist in een cloudomgeving opslaan? Kunt u uitleggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt?
De gegevens van de zorgaanbieders die gebruikmaken van de cloudomgeving van ChipSoft zijn gestolen. Van instellingen die de software van ChipSoft in eigen beheer uitvoeren of door derden laten beheren, zijn geen gegevens gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd.5
Er valt niet in z’n algemeenheid te zeggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt. Dit hangt af van de lokale context van de zorgaanbieder en de risicoafweging die gedaan is en de beheersmaatregelen die daarbij genomen zijn.
Welke rol speelt de overheid in de afwikkeling van de hack?
Wat betreft de afwikkeling van de hack en opsporing en/of vervolging ligt de verantwoordelijkheid bij de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Diverse toezichthouders doen onderzoek naar de hack. Vanuit onze stelselverantwoordelijkheid ondersteunen we de koepelorganisaties die in het Informatieberaad Zorg zitten met informatie over de digitale aanval en een woordvoeringslijn die zij kunnen gebruiken naar hun leden.
Ook worden bijvoorbeeld handelingsperspectieven uitgewisseld. VWS en organisaties die gesubsidieerd worden door VWS ondersteunen de getroffen zorginstellingen zoveel als mogelijk. Zo financiert de overheid Z-CERT, het expertise centrum cybersecurity in de zorg. Z-CERT, biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie. Vanuit het ministerie volgen we de ontwikkelingen zeer nauw, adviseren we koepels en zorgaanbieders en duiden we de rollen en bevoegdheden, waar nodig.
Zijn er alternatieven voorhanden bij een hack als deze, bijvoorbeeld alternatieve software waar ziekenhuizen en andere zorgverleners op kunnen terugvallen?
Ziekenhuizen hebben draaiboeken en protocollen voor als systemen niet werken om te zorgen dat het zorgproces door kan blijven gaan. Dit volgt uit de verplichte risico analyse die zij moeten doen. Zo gaan bijvoorbeeld verwijzingen van huisartsen naar Chipsoft-ziekenhuizen niet meer digitaal, maar per mail of telefonisch. Zie ook het antwoord op vraag 3. Het is aan zorgverleners zelf om deze protocollen, gegeven de specifieke situatie van de betreffende zorgverlener, in te richten. De ingebruikname van een ander elektronisch patiëntendossier of andere alternatieve software is niet iets wat in enkele dagen of weken geregeld kan worden. Dit is technisch zeer complex en kent een lange doorlooptijd. Bovendien brengt het hoge kosten en andere risico’s met zich mee.
Welke eisen gelden er voor leveranciers van cruciale zorg-ICT?
Nederlandse zorgaanbieders zijn wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat.
In de nabije toekomst zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2-richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. De European Health Data Space-verordening (EHDS) draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening6.
Is de ketenweerbaarheid op het gebied van ICT in de zorg wat u betreft op orde, onder andere in de domeinen hosting, beheer, en koppelingen? Waarom wel of niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast gaat de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, verplichten om hun leveranciersketen in kaart te brengen, en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen. De Cbw is voorzien medio 2026 in te gaan.
Deelt u de opvatting dat dit geen incident is, maar een symptoom van te grote afhankelijkheid van een paar dominante leveranciers in de zorg, waarbij een incident bij één leverancier meteen een nationale zorgvraag wordt?
Nee, ik deel die opvatting niet. Zorgaanbieders dienen afspraken te maken met zorg-ICT-leveranciers en hierbij risico’s af te wegen. Het is wel zo dat de omvang van een hack groter kan zijn wanneer een leverancier met een groot marktaandeel wordt getroffen waarbij ook nog eens patiëntgegevens zijn opgeslagen.
Deelt u de zorgen over de risico’s wanneer één dominante marktpartij de infrastructuur levert voor zorginstellingen of andere essentiële publieke voorzieningen?
Het is belangrijk dat er sprake is van een gezonde marktwerking op de zorg-ICT-markt. Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze marktconcentratie zorgt voor minder concurrentie, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook is er een definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM7 gepubliceerd. Het Ministerie van VWS maakt hieruit op dat het voor nieuwe innovatieve spelers moeilijk is voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico’s te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in onze zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan overwegingen van digitale autonomie.
In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 2026 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken, ga ik de komende tijd aan de slag om de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT te vergroten. Ook wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden. Daarnaast wordt er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel opgezet. Daar kunnen signalen over zorg-ICT worden gedeeld en kan vanuit bestaand instrumentarium bekeken worden of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is. Naast de hierboven genoemde acties zet ik in op de European Health Data Space (EHDS) om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en aan een verplicht loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden op zorg-ICT.
Zijn er maatregelen die u neemt om dergelijke marktdominantie tegen te gaan, bijvoorbeeld door afspraken te maken over het inkoop- en aanbestedingsbeleid in de zorgsector? Waarom wel of niet?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering van zorg-ICT. Wel blijkt uit het NZa rapport «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT» januari 2025 dat de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarom wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door de inzet van externe expertise om gezamenlijke inkoop van een kernapplicatie te laten slagen. Dit zorgt voor schaalvoordelen en vergroot de kans op samenwerking. Over dit soort onderwerpen heeft mijn ministerie ook regelmatig overleg met de ICT-gebruikersverenigingen van de ziekenhuizen.
Hoe zorgt u voor voldoende diversificatie tussen ICT-leveranciers bij zorginstellingen? Is het uw verantwoordelijkheid om monopolievorming in de zorg-ICT tegen te gaan?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op eerlijke concurrentie en marktwerking, zo ook op de zorg-ICT markt. In eerste instantie is zij de toezichthouder op basis van de Mededingingswet die toezicht houdt op de markt en ook concentraties (fusies/overnames) beoordeelt. Zij heeft in haar brief op 28 januari 20258 aangegeven dat de zorg-ict markt niet goed werkt omdat ICT-systemen gesloten zijn. De ACM geeft aan dat zij op dit moment onvoldoende instrumenten heeft om eerlijke concurrentie en marktwerking structureel af te dwingen en adviseert het Ministerie van VWS om openheid van digitale informatiesystemen via wetgeving te verplichten.
Ik vind het belangrijk dat de zorg-ICT-markt toegankelijk is, zodat concurrentie en innovatie worden gestimuleerd. Met de EHDS wordt ook ingezet op een zo open mogelijke markt voor onder andere EPD-leveranciers. Ik onderzoek de mogelijkheden om als randvoorwaardelijk onderdeel van de EHDS, te komen tot additionele regulerende instrumenten.
Is het wenselijk dat zorginstellingen individueel ICT-diensten inkopen en hierover onderhandelen? Welke voor- en nadelen ziet u bij een meer gezamenlijke vorm van inkoop?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering. Gezamenlijke inkoop kan schaalvoordelen opleveren, vergroot de kans op samenwerking en versterkt de positie van de zorgaanbieders. Een nadeel kan zijn dat er minder maatwerk wordt geleverd.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Bevers om bij de evaluatie van de Wet vifo te bezien of bij fusies en overnames vanuit het buitenland van digitale zorginfrastructuur vergelijkbare voorwaarden gesteld kunnen worden als bij andere cruciale sectoren, zoals de chip-, energie- en telecomsector?2
Sinds juni 2023 is de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (vifo) van kracht. De Wet vifo introduceerde een mechanisme voor investeringstoetsing in Nederland. Recent is de wet, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, geëvalueerd.
Tevens is in december 2025 de herziene Foreign Direct Investment (FDI)-screeningsverordening vastgesteld. Met de wijziging van de Verordening worden de reikwijdte en procedures van de nationale investeringstoetsingsregimes in de Europese Unie gestroomlijnd om economische veiligheidsrisico’s van investeringen op een meer coherente manier aan te pakken. Nadat de herziene FDI verordening formeel is vastgesteld, start de termijn voor omzetting van de Verordening in nationale wetgeving. In Nederland wordt deze Verordening geïmplementeerd in de Wet vifo. Ik koers aan op een verwijzing in de wet vifo naar de (terminologie van de) Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Hiermee zullen kritieke entiteiten in de zorg in het geval van vijandige investeringen, fusies of overnames kunnen worden getoetst.
Deelt u de zorgen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over gesloten datastandaarden bij ICT-aanbieders in de zorg, aangezien systemen daardoor niet goed met elkaar communiceren en zorgaanbieders minder keuze hebben in hun leveranciers, met monopolievorming tot gevolg?
Ja ik deel deze zorgen. Het niet gebruiken van open standaarden en de geslotenheid van ICT-systemen bevordert niet de door de Nationale, Visie en Strategie10 gewenste interoperabiliteit op weg naar databeschikbaarheid. Om dat te veranderen zal een mix van Europese verplichtingen en nationale keuzes nodig zijn. Met de European Health Data Space (EHDS) verordening wordt ingezet op een zo open mogelijke markt voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen. Vanuit de NVS-ambitie stuur ik op openstelling van systemen via open gestandaardiseerde koppelvlakken: publiek beschikbare koppelvlakken,
zodat data veilig, herbruikbaar en leverancier-onafhankelijk kan stromen door het hele stelsel. De specificaties van deze open koppelvlakken zijn een publieke verantwoordelijkheid. Zo nodig zal ik deze koppelvlakken ook als open source laten ontwikkelen en beschikbaar stellen aan marktpartijen.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Kathmann over een routekaart waarlangs ICT-leveranciers in de zorg de komende jaren verplicht worden gebruik te maken van open datastandaarden?3
In mijn brief «stand van zaken landelijk dekkend netwerk» die ik voor het commissiedebat digitale zorg (gepland op 21 mei) naar uw Kamer zal sturen, zal ik dieper ingaan op dit vraagstuk.
Welke structurele problemen in de zorg-ICT legt deze hack bloot? Wie is er aan zet om deze op te lossen?
Het onderzoek naar deze hack is nog in volle gang. Het is daarmee te vroeg om een verband te leggen tussen deze hack en structurele problemen in de zorg-ICT.
Welke maatregelen neemt u om de cyberveiligheid en weerbaarheid van zorginstellingen structureel te vergroten?
In het versterken van de cyberweerbaarheid van de zorg neem ik een kader stellende, toezichthoudende, stimulerende en faciliterende rol in. In de brief over informatieveiligheid in de zorg van 4 december 2025 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die mijn ministerie neemt12. Ik ondersteun zorginstellingen bij het voorkomen van incidenten door het verhogen van bewustzijn van zorgmedewerkers in het programma Informatieveilig gedrag in de zorg. Een groot deel van cyberincidenten zijn mede veroorzaakt door menselijk handelen. Daarnaast bied ik hulpmiddelen aan om te voldoen aan de NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg. Deze norm schrijft organisatorische, mensgerichte, fysieke en technologische beheersmaatregelen voor die de digitale weerbaarheid van een organisatie concreet verhogen. Dit met het doel om dreigingen te voorkomen, detecteren of erop te reageren. Tot slot helpt het expertisecentrum cybersecurity in de zorg (Z-CERT) zorginstellingen in het voorkomen van incidenten door te monitoren en eventuele dreigingsinformatie te delen. Daarnaast biedt Z-CERT ondersteuning bij het beperken van de gevolgen wanneer er onverhoopt een incident heeft plaatsgevonden.
Wat wordt de rol van de Cyberbeveiligingswet, zodra deze is aangenomen, om dergelijke hacks te voorkomen en sneller af te wikkelen? Wat gaat er concreet veranderen in een casus zoals deze?
Voor alle zorgaanbieders is de NEN 7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, nu al wettelijk verplicht. De Cyberbeveiligingswet (Cbw) gaat bredere eisen stellen aan netwerk- en informatiebeveiliging voor diverse sectoren waaronder de sector zorg. Zodra de Cbw van kracht is (voorzien medio 2026), hebben organisaties die onder de wet vallen een meldplicht. Dit houdt in dat een significante cyberincident13 binnen 24 uur wordt gemeld bij het portaal van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Het NSCS werkt nauw samen met Z-CERT, het expertisecentrum op het gebied van het cybersecurity in de zorg. Deze meldplicht zorgt ervoor dat alle significante meldingen worden gemonitord en er tijdig wordt gewaarschuwd tegen cyberdreigingen. Daarnaast stelt de Cbw een zorgplicht voor organisaties verplicht. Dit houdt in dat organisaties vallend onder Cbw maatregelen moeten nemen om hun netwerk- en informatiesystemen te beschermen tegen significante incidenten. De Cbw zal cyberincidenten niet voorkomen, maar de cyberweerbaarheid in Nederland en daarmee ook in de sector zorg wordt verhoogd doordat significante cyberincidenten worden gemonitord en vervolgens snel wordt gehandeld om de beveiliging van informatiesystemen en bedrijfscontinuïteit te waarborgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over digitale ontwikkelingen in de zorg van 21 mei 2026 beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Besteding van innovatiegeld moet doelmatiger’ |
|
Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Besteding van innovatiegeld moet doelmatiger»1 en de onderliggende analyse van Innovatiespotter in het artikel «Whitepaper Regionale groeimatrix»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat met name kleine innovatieve ondernemers relatief weinig gebruik maken van het beschikbare ondersteuningsinstrumentarium? Zo ja, wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken hiervan op basis van de signalen die bij het ministerie zelf binnenkomen?
Nee, voor zover het mijn eigen instrumentarium betreft herken ik dat beeld niet. Uit de periodieke rapportage die ik recent naar uw Kamer heb gestuurd,3 blijkt dat het grootste deel van het EZK innovatie- en ondernemerschapsinstrumentarium doeltreffend is, waarbij doelgroepbereik is meegewogen. Voor zover het financiële ondersteuning betreft (subsidies en dergelijke) is de uitputting van de daarvoor beschikbare middelen op mijn begroting voor de meeste regelingen goed, in het bijzonder voor regelingen die (in belangrijke mate) gericht zijn op het innovatieve mkb. Hiermee kunnen dus niet meer, maar hooguit andere ondernemers bereikt worden.
Ik heb geen beeld van het doelgroepbereik van het regionale ondersteuningsinstrumentarium, wat de meerderheid is van alle ondersteuning. Daar zit ook veel instrumentarium bij dat geen financiële ondersteuning aan bedrijven biedt. Daarbij merk ik op dat onduidelijk is in hoeverre de groep innovatieve bedrijven die Innovatiespotter heeft geïdentificeerd ook doelgroep is van het beschikbare ondersteuningsinstrumentarium. Het doel van het instrumentarium is niet om zoveel mogelijk bedrijven te bereiken, maar om die bedrijven te bereiken die een knelpunt hebben waar een maatschappelijk belang is om dat op te lossen. Niet iedere innovatieve ondernemer heeft ook behoefte aan ondersteuning vanuit de overheid.
Het voorgaande wil niet zeggen dat ik het doelgroepbereik niet verder tracht te verbeteren. Ik verwijs daarbij naar het antwoord op vraag 4 en 5 hierna.
Deelt u de conclusie dat dit problematisch is en om verbetering vraagt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u voornemens om de toegankelijkheid en de vindbaarheid van het ondersteuningsinstrumentarium te verbeteren en zo ja, wat is hierop uw inzet?
Ja, ik vind het van groot belang dat een zo groot mogelijk deel van de doelgroep van ondersteuningsinstrumentarium bereikt wordt. Daarbij zijn er verschillende acties vanuit publieke dienstverleners, zowel individueel als gezamenlijk, al dan niet ook samen met private dienstverleners.
Om publieke dienstverleners beter met elkaar en private ondersteuners samen te laten werken ten behoeve van de ondersteuning van ondernemers bestaat de Actieagenda mkb-dienstverlening. Dit programma richt zich op een vernieuwde samenwerking tussen bestuurslagen en private partijen binnen het stelsel van ondernemersdienstverlening voor het brede mkb. Binnen de Actieagenda wordt geëxperimenteerd met regionale, laagdrempelige ondersteuning dicht bij de ondernemer, via vertrouwde adviseurs en met meer praktische oplossingen, kennisdeling en inspiratie van andere ondernemers.
Daarnaast wordt ook gewerkt aan het beter regionaal te ontsluiten van informatie en advies waaronder over subsidieregelingen voor het brede mkb. Binnen het project Programma Generieke Digitale Infrastructuur – bouwsteen AI4 wordt een AI-infrastructuur met een datalaag, interface en ai-kennislaag opgezet waarmee ondernemers eenvoudig inzicht krijgen in voor hen relevante landelijke, provinciale en regionale informatie, advies en (al dan niet financiële) regelingen. Een eerste prototype wordt dit jaar verwacht. Daarbij wordt ingezet op een interface die regionaal kan worden ingezet, want uit onderzoek van KVK blijkt dat bijvoorbeeld voor digitalisering mkb-ers niet zoeken op overheidswebsites, maar eerder informatie halen bij collega ondernemers of brancheverenigingen. Er wordt dus ingezet om de informatie dáár juist ook te ontsluiten in plaats van in te zetten op één overheidswebsite. Een aanvullend onderzoek acht ik daarom niet noodzakelijk.
Dienstverleners werken ook nauw samen binnen het Ondernemersplein om versnippering van dienstverlening tegen te gaan. Op het Ondernemersplein kunnen ondernemers alle informatie en advies van de overheid voor ondernemers vinden. Hier is centraal de informatie beschikbaar van de KvK, Belastingdienst, RVO, CBS en andere overheidsorganisaties.
Naast deze gezamenlijke initiatieven van dienstverleners om het stelsel van ondernemersdienstverlening te verbeteren, werken individuele dienstverleners ook aan het verbeteren van de toegankelijkheid en de vindbaarheid van het ondersteuningsinstrumentarium. Zo maakt RVO zijn aanbod beschikbaar via de Open Data-website en werkt intern aan optimalisatie, zodat regionale en landelijke partijen het makkelijker kunnen integreren in hun platforms. Dit traject helpt om dubbelingen en tegenstrijdigheden te signaleren, waarna RVO actie onderneemt om de toegankelijkheid en vindbaarheid te verbeteren, in samenwerking met andere dienstverleners. Tevens stelt de KvK voor mkb ondernemers de financieringsgids beschikbaar om ondernemers beter te helpen in het vinden van passende financiering en werken de ROM’s binnen de strategie Bovenregionale Samenwerking aan betere aansluiting over de regio-grenzen heen.
Bent u daarbij bereid te onderzoeken of relevante regelingen en subsidies van het Rijk, regionale overheden en de Europese Unie (EU) beter centraal kunnen worden ontsloten, bijvoorbeeld via één overzichtelijk platform, om versnippering tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze wordt bij het ontwikkelen van regelingen en subsidies, en bij de communicatie daarover, rekening gehouden met de specifieke noden en behoeften van kleinere ondernemingen en wordt er ook gekeken of een maatregel inderdaad echt aanvullend is aan wat er al is?
Zoals in het antwoord op vragen 2 en 3 aangegeven is het doel van ondersteunende maatregelen om in te spelen op knelpunten van ondernemers waarbij er een maatschappelijke meerwaarde is om daar als overheid wat aan te doen. Daarbij streef ik naar de juiste balans tussen zo min mogelijk instrumentarium om het aantal regelingen en subsidies overzichtelijk te houden en gelijktijdig zo goed mogelijk in te spelen op de verschillende knelpunten van verschillende ondernemers. Als kleinere ondernemingen specifieke knelpunten hebben, dan wordt daar op ingespeeld, maar te veel maatwerk voor specifieke doelgroepen met vergelijkbare problematiek leidt tot versnippering, minder overzicht en hogere uitvoeringslasten. Qua communicatie wordt altijd een communicatiestrategie bepaald waarmee de doelgroep zo goed mogelijk bereikt wordt.
In hoeverre worden complexiteit en regeldruk voor aanvragers meegenomen in het ontwerp en de evaluatie van dergelijke regelingen?
Bij het ontwerpen van regelingen wordt scherp gekeken hoe deze zo eenvoudig mogelijk vormgegeven kunnen worden, zowel qua administratieve lasten voor ondernemers als qua uitvoeringslast voor de betreffende uitvoeringsorganisatie. Gelijktijdig moeten regelingen doeltreffend en doelmatig zijn, wat met zich meebrengt dat ik aan uw Kamer kan verantwoorden dat daarmee gemoeide middelen een goede en efficiënte besteding van belastinggeld zijn. Dat brengt enige verantwoordingslast voor ondernemers met zich mee, passend bij de omvang van subsidie die een ondernemer ontvangt. Hier zijn regels voor vastgelegd in het Uniform Subsidiekader.5
Onderdeel van evaluaties is onderzoek naar de doelmatigheid. Onderdeel daarvan is onderzoek naar in hoeverre de administratieve lasten en uitvoeringskosten van een regeling in verhouding staan tot de daarmee gemoeide beleidsmiddelen. Een negatief oordeel daarover is altijd aanleiding om de vormgeving van de regeling daarop aan te passen.
Hoe beoordeelt u het feit dat veel bedrijven zich genoodzaakt zien subsidieadviesbureaus in te huren bij het aanvragen van innovatiegelden?
Dat veel bedrijven gebruik maken van een subsidieadviesbureau is wat mij betreft niet per definitie negatief. De redenen waarom ondernemers een beroep doen op subsidieadviesbureaus of intermediairs is divers en bedrijven maken daarin hun eigen afweging. In de laatste evaluatie van de WBSO is onderzoek gedaan naar de beweegredenen om gebruik te maken van een intermediair. Daaruit blijkt dat andere redenen dan onbekendheid met de regelingen dominant zijn om gebruik te maken van een intermediair. Intermediairs hebben een belangrijke rol in het vergroten van het doelgroepbereik en kunnen ondernemers veel werk uit handen nemen. Dat neemt niet weg dat er bedrijven zijn die gebruik maken van subsidieadviesbureaus, omdat ze geen goed beeld hebben van de subsidiemogelijkheden. Om ondernemers daarbij te helpen lopen er dus verschillende acties zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 en 5.
Uit de WBSO-evaluatie bleek dat 80 procent van de WBSO-aanvragers gebruik te maken van een intermediair, maar bij andere regelingen voor het innovatieve mkb zoals het Innovatiekrediet en de regeling Mkb-innovatiestimulering Topsectoren (MIT) wordt 15 à 30 procent van de aanvragen ingediend met behulp van een intermediair. Bij de overige aanvragen kunnen intermediairs soms ook een rol spelen, maar daar is geen zicht op omdat de ondernemer de aanvraag vervolgens wel zelfstandig indient.
Heeft u inzicht in de vraag welk aandeel van de subsidieaanvragen (bijvoorbeeld binnen de innovatie-instrumenten) tot stand komt met ondersteuning van subsidieadviesbureaus?
Zie antwoord vraag 8.
De arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw antwoorden van 16 maart 2026 over de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland?1
Ja.
Kunt u het door u aangehaalde rapport van de Nederlands Arbeidsinspectie (NLA) over de laatste inspectie bij Walibi Holland met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van haar laatste bezoek aan het bedrijf geen rapport opgemaakt, omdat toen geen overtredingen zijn vastgesteld. In de beantwoording van de onder vraag 1 genoemde Kamervragen wordt overigens niet verwezen naar een rapport, maar alleen naar de uitkomst van het betreffende bezoek.
Welke onderdelen van de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland zijn er toen door de NLA onderzocht?
Walibi Holland B.V. heeft op 17 juni 2025 een arbeidsongeval bij de Arbeidsinspectie gemeld. Hierop is een inspecteur op 19 juni 2025 ter plaatse gegaan. Hij heeft de locatie bekeken en het ongeval besproken met het bedrijf en de betreffende medewerker. Hij heeft geconstateerd dat het ongeval niet te voorzien was en dat de werkgever redelijkerwijze niets had kunnen doen om het ongeval te voorkomen. Dit is door de Arbeidsinspectie op 23 juni 2025 in een brief aan het bedrijf kenbaar gemaakt.
Is er door de NLA ook gekeken naar de contractvormen bij Walibi Holland? Zo ja, waarop baseert de NLA de conclusie dat er geen overtredingen zijn geconstateerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, vond het laatste bezoek van de Arbeidsinspectie plaats naar aanleiding van een arbeidsongeval. Het onderzoek was daarop gericht en zag niet op de contractvormen bij het bedrijf, omdat het gemelde arbeidsongeval hier geen relatie mee had.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zie hierboven.
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?
Het aankomende bezoek van de minister-president en het koninklijk paar aan Donald Trump |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de analyse van onder andere Amnesty International dat het dreigen met het laten sterven van een hele beschaving, wat Donald Trump heeft gedaan, gelijk staat aan het dreigen met grootschalige oorlogsmisdaden? Zo nee, welke argumenten heeft u om deze analyse te verwerpen?1
Heeft u gezien dat het The Hague Centre for Strategic Studies heeft opgeroepen om naar aanleiding van de uitlatingen van Trump over Iran uw bezoek en dat van het Koningspaar aan het Witte Huis te annuleren? Wat vindt u daarvan?
Welk signaal denkt u dat uitgaat van een bezoek van de Koning en Koningin aan een autoritaire president die het internationaal recht overschrijdt, de positie van Poetin tegenover Oekraïne heeft versterkt, zich laat meeslepen in de illegale oorlog van Netanyahu tegen Iran, die Israël aan wapens tegen de Palestijnse bevolking helpt, die Venezuela illegaal is binnengevallen, die heeft gedreigd met het innemen van Groenland en Cuba en dreigt met het vernietigen van «een hele beschaving»?
Ziet u het risico dat het bezoek wordt gezien als een vorm van politieke legitimatie of steun aan Trump? Zo nee, waarom niet?
Ziet u het risico dat andere landen Nederland zien als blijvende bondgenoot van de VS in het schenden van het internationaal recht, en dat dat nadelige consequenties kan hebben voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welk signaal denkt u dat er vanuit gaat als de Koning en Koningin op de foto gaan met Donald Trump? Ziet u het risico dat de Koning en Koningin door de Trump-regering kunnen worden misbruikt om het imago van Trump op te poetsen, nadat hij na de illegale oorlog tegen Iran in binnen- en buitenland zeer veel kritiek heeft gekregen?
Ziet u nog andere risico’s van uw bezoek en dat van de Koning en Koningin aan Trump?
Heeft u in uw overweging om al dan niet te gaan meegenomen dat de Koning als staatshoofd alle Nederlanders vertegenwoordigt, en dat het van groot belang is dat de Koning bij officiële bezoeken de waarden uitstraalt die Nederland internationaal wil uitdragen, zoals democratie, rechtsstaat, inclusiviteit, internationaal recht en respect voor mensenrechten? Zo ja, op welke manier is het bezoek van het Koninklijk paar aan Trump in lijn met deze waarden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om naar aanleiding van het dreigen met grootschalige oorlogsmisdaden door de Amerikaanse president het bezoek aan Trump te annuleren? Zo nee, bent u dan tenminste bereid het bezoek van het Koninklijk paar te annuleren, zodat u alleen gaat?
Indien u uw bezoek toch doorzet, kunt u de inzet van de regering bij dit bezoek met de Kamer delen?
Kunt u een verslag van de gesprekken van de regering met Trump met de Kamer delen?
Hoeveel Iraanse en Libanese burgers zijn er zover bekend door de VS en Israël gedood?
Erkent u dat de illegale oorlog van de VS en Israël de hele wereld raakt, met name de armste bevolking?
Heeft u, met de kennis van nu, nog steeds begrip voor de volgens het internationaal recht illegale aanval van de VS en Israël? Bent u bereid de aanval alsnog te veroordelen?
Bent u bereid om tijdens uw bezoek bij Trump aan te dringen op een einde aan deze illegale oorlog, het stoppen van het geweld in Libanon en het stoppen van de aanhoudende genocide op de Palestijnen en tegen Trump te zeggen dat Nederland verwacht dat de VS zich houden aan het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid dit ook publiekelijk klip en klaar uit te dragen, zodat duidelijk wordt dat Nederland weer staat voor het internationaal recht?
Kunt u de vragen 9 en 10 beantwoorden voor het aanstaande bezoek op maandag 13 april?
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Letschert , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie d.d. 8 april aangaf dat het ontbreken van middelen op de begroting de doorslaggevende reden was om niet deel te nemen aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Ja, ik herinner mij het debat. Daarin heb ik onder andere aangeven dat er geen middelen zijn om aan de Europese tender voor een gezamenlijke inkoop van rekenkracht mee te doen. Daarnaast heb ik aangegeven positief te staan tegenover AI-infrastructuur die vanuit private middelen gefinancierd kan worden, zoals ook in het rapport-Wennink wordt aangegeven. Ook heb ik aangegeven dat ik daarom in gesprek blijf met de partijen die AI-infrastructuur initiatieven proberen te realiseren en over de randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn.
Klopt het dat in de beslisnota d.d. 23 maart bij de Kamerbrief «Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief» (Kamerstuk 26 643-1499) staat dat in de StafEZ van 10 maart 2026 is vastgesteld dat binnen de huidige begroting geen ruimte bestaat voor de vereiste financiële verplichtingen?
Ja.
Klopt het dat eerst is geconcludeerd dat er geen geld beschikbaar was, en dat pas daarna inhoudelijke argumenten, waaronder een verwijzing naar het rapport-Wennink, zijn gebruikt om dit besluit te onderbouwen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies uiteenzetten in welke volgorde de budgettaire en inhoudelijke afwegingen zijn gemaakt?
Nee. De conclusie dat er geen middelen beschikbaar waren, is niet los van de inhoudelijke afwegingen bereikt. In 2025 heeft Ecorys in opdracht van EZK de potentiële meerwaarde van een AI-gigafabriek onderzocht. Dit rapport schetst verschillende scenario’s en benoemt zowel kansen als onzekerheden en randvoorwaarden voor publieke betrokkenheid. Daarbij plaatst het rapport kanttekeningen bij de publieke meerwaarde en wijst het onder meer op de verhouding tussen training en inferentie, en de rol die marktpartijen zelf kunnen vervullen. Ook andere inzichten, waaronder het rapport-Wennink, geven aan dat substantiële private betrokkenheid bij de realisatie van dergelijke infrastructuur voor de hand ligt.
Parallel hieraan heeft EZK de budgettaire mogelijkheden verkend. Daaruit bleek dat er geen middelen beschikbaar waren. In samenhang hebben deze inhoudelijke bevindingen en de budgettaire beperkingen geleid tot het besluit om niet deel te nemen aan een gezamenlijke aanbesteding via EuroHPC.
Kan de Staatssecretaris alsnog de stukken openbaar maken die ten grondslag lagen aan het overleg in de StafEZ van 10 maart 2026, conform het eerder gedane informatieverzoek van de Kamer gedaan tijdens het commissiedebat Digitale infrastructuur en economie, waaronder memo’s, notities, berekeningen, scenario’s en de stukken waarmee de Staatssecretaris en de betrokken ambtenaren dat overleg zijn ingegaan? Indien volledige openbaarmaking niet mogelijk is, is de Staatssecretaris dan bereid om ten aanzien van het deel waarvan openbaring niet mogelijk is, deze stukken vertrouwelijk ter inzage te geven?
De belangrijkste basis voor de inhoudelijke afweging waren diverse gesprekken met consortia over hun plannen, de Europese EuroHPC regelgeving en het Ecorys-rapport, dat in opdracht van het Ministerie van EZK is opgesteld en op 19 december jl. met de Tweede Kamer is gedeeld. Ook andere inzichten, zoals het rapport-Wennink, dat ook openbaar is, zijn hierin meegenomen.
Herinnert u zich dat u zich zowel in het debat, als in de Kamerbrief betreft de Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief, beriep op het rapport-Wennink, en dat dat rapport volgens het kabinet geheel in lijn zou zijn met het standpunt van het kabinet om AI-gigafabrieken volledig door de markt te laten financieren?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nieuwe initiatieven [...] zijn (nog) niet volledig privaat te financieren door hoge opstartkosten en lange, onzekere terugverdientermijnen.»?
Ja. Daarbij wordt echter op pagina van 90 van het rapport de kanttekening gemaakt dat dit met name geldt voor nieuwe initiatieven in nog onbewezen markten. Tegelijkertijd vermeldt het rapport dat de AI Gigafabriek, vanwege haar sterke commerciële oriëntatie, in beginsel wél volledig privaat gefinancierd kan worden en marktconforme rekenkracht kan aanbieden.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Publieke financiering – en cofinanciering door EU-instrumenten – kan een vliegwieleffect hebben.»?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nederland heeft grootschalige private én publieke investeringen nodig.»?
Ja.
Deelt u de mening dat u stelt te handelen in lijn met het rapport-Wennink, terwijl datzelfde rapport expliciet aangeeft dat grootschalige digitale infrastructuur juist níet volledig privaat te financieren is en publieke cofinanciering noodzakelijk is om investeringen los te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink maakt een onderscheid tussen verschillende typen digitale infrastructuur. Waar het voor een deel van de grootschalige infrastructuur inderdaad wijst op het belang van publieke cofinanciering, wordt in het geval van AI-gigafabrieken expliciet benoemd dat deze in beginsel volledig privaat gefinancierd kunnen worden. Dat beeld wordt ondersteund door recente marktontwikkelingen. Zo halen Europese AI-(neo)cloudbedrijven zelfstandig kapitaal op voor de bouw van AI-infrastructuur. Dit laat zien dat er binnen dit specifieke segment voldoende private investeringsbereidheid bestaat.
Is hier niet gewoon sprake van het gebruiken van het rapport-Wennink als dekmantel voor een besluit dat puur budgettair is genomen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink is niet gebruikt als dekmantel voor een budgettaire keuze. Aan de kabinetspositie ligt, naast de gesprekken met de geïnteresseerde consortia, in de eerste plaats het rapport van Ecorys ten grondslag, waarin de relevante economische en investeringsafwegingen zijn geanalyseerd, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dit de indruk wekt van «cherry picking»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Die indruk deel ik niet, omdat er niet uitsluitend naar het rapport-Wennink is gekeken om tot deze conclusie te komen.
Herinnert u zich dat u zich in het debat ook beriep op het Ecorys-rapport? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Ecorys niet concludeert dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is, maar juist dat de meerwaarde afhangt van ontwerp, gebruiksdoel en strategische inbedding? Waarom wordt dit rapport dan door het kabinet wel gebruikt als argument om af te haken?
Ja, dat kan ik mij herinneren en dat kan ik bevestigen. Het Ecorys-rapport stelt inderdaad niet dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is. Het benadrukt juist dat de meerwaarde en businesscase sterk afhangen van het ontwerp, het beoogde gebruik en de strategische inbedding. Ecorys geeft daarbij aan dat een gecentraliseerde AI-gigafabriek vooral meerwaarde kan hebben voor de training van zeer grote modellen, maar plaatst daar tegelijkertijd de kanttekening dat het aantal partijen dat deze schaal van trainingscapaciteit daadwerkelijk benut in de Nederlandse context gering is.
Het kabinet gebruikt dit rapport niet als oordeel dat dergelijke infrastructuur «niet wenselijk» zou zijn, maar als onderbouwing voor de conclusie dat voor de varianten die juist meerwaarde hebben en op de Nederlandse markt zijn gericht, publieke financiering niet noodzakelijk is, omdat de markt daarin zelf kan voorzien. Op basis daarvan, tezamen met de budgettaire situatie, is de afweging gemaakt om geen publieke rol te nemen in een aanbesteding met financiële verplichtingen waarbij het initiatief in de specifieke vorm nog onduidelijk is.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat ook in dit geval dit de indruk wekt van cherry picking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de toelichting in de beantwoording op vraag 12.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet ervan uitgaat dat Nederlandse partijen later ook rekenkracht kunnen inkopen bij AI-gigafabrieken elders in Europa? Waarop baseert het kabinet de aanname dat die capaciteit bij toenemende schaarste daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden, in plaats van dat Nederland achteraan aansluit in de rij?
Ja, het kabinet gaat er in beginsel van uit dat Nederlandse partijen toegang kunnen krijgen tot rekenkracht bij AI-gigafabrieken elders in Europa. Die aanname is gebaseerd op de afspraken en de EuroHPC-verordening, het wetgevingskader dat de EuroHPC Joint Undertaking reguleert.
Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat dit geen vanzelfsprekendheid zonder voorwaarden is. Het kabinet onderkent dat bij toenemende schaarste in rekencapaciteit private aanbieders geneigd kunnen zijn om prioriteit te geven aan contractueel gebonden gebruikers.
Kan de Staatssecretaris ingaan op de analyse van het The Hague Centre for Strategic Studies dat toegang tot kritieke digitale infrastructuur in toenemende mate afhankelijk is van geopolitieke verhoudingen en dat bij schaarste landen primair hun eigen belangen zullen beschermen? Hoe rijmt de Staatssecretaris dit met de aanname dat Nederlandse partijen bij toenemende vraag en schaarste probleemloos gebruik kunnen blijven maken van rekenkracht in andere lidstaten of daarbuiten?
Zoals ik bij de vorige vraag heb toegelicht, baseer ik mij op de afspraken binnen de EuroHPC Joint Undertaking en het daarbij behorende Europese wettelijke kader. Dat kader is er juist op gericht om gezamenlijke Europese toegang tot high-performance computing en aanverwante digitale infrastructuur te borgen, ook in situaties van toenemende schaarste of geopolitieke spanning. Lidstaten hebben zich daaraan gecommitteerd, inclusief afspraken over beschikbaarheid en gedeeld gebruik van capaciteit.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet kiest voor AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd? Hoe realistisch acht de Staatssecretaris dat, gelet op het feit dat het rapport-Wennink juist wijst op achterblijvende private investeringen?
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
In de genoemde Kamerbrief schrijft het kabinet dat het kiest voor een ontwikkeling van AI-infrastructuur die meegroeit met de marktvraag; hoe verhoudt zich dat tot de constatering in de onderliggende analyses dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur juist sterk aanbodgedreven kan zijn, en dat investeringen in capaciteit zelf vraag, innovatie en ecosysteemvorming aanjagen? Loopt Nederland door deze afwachtende houding niet juist het risico achter te blijven omdat vraag pas ontstaat waar capaciteit al aanwezig is?
Ik ben het met u eens dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur in bepaalde gevallen aanbodgedreven kan zijn en daarmee juist ook vraag, innovatie en ecosysteemvorming kan stimuleren. Dat is ook precies de reden dat het kabinet wél inzet op de realisatie van de publiek gefinancierde AI-fabriek in Groningen, waar sprake is van een strategische Europese investering in rekenkracht en kennisopbouw.
Tegelijkertijd geldt dat niet alle typen AI-infrastructuur dezelfde dynamiek kennen. In veel segmenten kan de markt zelf goed inspringen op groeiende vraag, mits de randvoorwaarden op orde zijn, zoals voldoende beschikbare energie, ruimte en een voorspelbaar vergunningsproces.
Is de Staatssecretaris, gelet op het feit dat de doorslaggevende overweging blijkens de beslisnota budgettair was en rapporten waarachter het kabinet zich verschuilt het kabinet lijken te tegenspreken, bereid het besluit alsnog te heroverwegen en de Kamer een scenario te sturen waarin Nederland wél, al dan niet gefaseerd, kan aansluiten bij het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Nee. Deelname aan de door EuroHPC geleide aanbesteding zou een substantiële financiële verplichting met zich meebrengen, die het kabinet op dit moment niet wil aangaan. De inhoudelijke afwegingen zoals toegelicht in deze beantwoording geven geen aanleiding om de positie van het kabinet te herzien. Daarbij wil ik bovendien benadrukken dat deelname aan het Europese traject geen garantie biedt op de realisatie van een AI-gigafabriek in Nederland, maar primair ziet op het indienen van een voorstel in competitie met voorstellen uit andere lidstaten.
Kunt u deze vragen in ieder geval voor het tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie, een voor een, beantwoorden?
Ja.