De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de onderstaande simpele ja-nee-vragen ook met «Ja» of «Nee» beantwoorden? Zo nee, waarom lukt dat niet?
Waar dat kan, zal ik de vragen met ja of nee beantwoorden. Wanneer een nadere toelichting op zijn plaats is, zal ik die geven.
Kan de AIVD journalisten inzetten als «agent»? Ja of nee?1
Ja. Op grond van artikel 41 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) heeft de AIVD de bevoegdheid tot het inzetten van agenten. Een agent is een natuurlijk persoon die op basis van vrijwilligheid wordt ingezet en aangestuurd om gericht informatie te verzamelen die voor de taakuitvoering van de AIVD van belang is. De AIVD kan hiervoor iedereen benaderen, dus ook journalisten.
Bent u ermee bekend dat de voorloper van de AIVD, de BVD, in de Nederlandse media artikelen liet afdrukken die waren geschreven door de BVD?2
Ja.
Gebeurt dit nog steeds? Met andere woorden, worden er in de Nederlandse media door journalisten (of redacties) artikelen afgedrukt die eigenlijk afkomstig zijn van de AIVD? Ja of nee?
Nee. Als de AIVD iets publiekelijk aan de orde wil stellen doet de dienst dat door een publicatie, zoals het jaarverslag. Het onder voorwendsel laten plaatsen van een journalistiek artikel met als doel de publieke opinie of het openbare debat te beïnvloeden is niet aan de orde.
Oefent de AIVD op enige wijze invloed uit op datgene wat Nederlandse journalisten in de Nederlandse media zeggen of schrijven? Ja of nee?
Nee. De AIVD kan wel, bijvoorbeeld door middel van achtergrondgesprekken of het beantwoorden van vragen, nadere duiding geven aan journalisten op fenomenen die de AIVD onderzoekt. Dat gebeurt ook op verzoek van de journalist.
Los van of de AIVD wel of niet journalisten gebruikt om artikelen te laten verschijnen in de Nederlandse media, mag de AIVD dit doen? Met andere woorden heeft de AIVD hiervoor de juridische bevoegdheid? Ja of nee?
Nee. De Wiv 2017 voorziet niet specifiek in een dergelijke bevoegdheid.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als een buitenlandse inlichtingendienst, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat deze buitenlandse inlichtingendienst erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. De vrije pers is een pijler van onze democratische rechtsorde. Het is van wezenlijk belang dat journalisten onafhankelijk en op betrouwbare wijze hun werk kunnen doen.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als onze eigen inlichtingendienst, de AIVD, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat de AIVD erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. Zie mijn antwoorden op vraag 4 en 7.
Kunt u deze bovenstaande ja-nee-vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Maagverkleining voortaan vergoed vanaf 13 jaar: 'Voor sommigen is wachten tot 18 geen optie'' |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL4 «Maagverkleining voortaan vergoed vanaf 13 jaar: «voor sommigen is wachten tot 18 geen optie»»?1
Ja.
Waar vindt u dat primair de verantwoordelijkheid ligt voor een gezonde levensstijl, bij ouders of de overheid?
De overheid heeft een wettelijke taak om te handelen in het belang van het kind en hun gezondheid te beschermen.2 Hoewel ouders/verzorgers primair verantwoordelijk zijn voor het welzijn en de opvoeding van hun kinderen, heeft de overheid een belangrijke rol in het creëren van een omgeving waarin kinderen gezond kunnen opgroeien. Er is dus sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. Het kabinet zet zich dan ook in voor een preventieaanpak gericht op zowel collectieve als individuele preventie. Hierbij wordt met verschillende maatregelen en aanpakken geprobeerd om het ontstaan van overgewicht tegen te gaan. Omdat het ontstaan van overgewicht meerdere oorzaken kan hebben en complex is, is zo’n brede, integrale aanpak nodig.
Wel is het goed om te benadrukken dat kinderen met overgewicht en hun ouders vaak te maken hebben met vooroordelen. Obesitas is geen kwestie van eigen schuld. Er spelen vele maatschappelijke en individuele oorzaken mee.
Wat wordt er nu gedaan om ouders te ondersteunen bij het aanbieden van een gezonde levensstijl voor kinderen?
Het kabinet biedt kinderen en ouders hulp en ondersteuning bij het ontwikkelen van een gezonde leefstijl. Dit doet het kabinet vanuit een breed preventiebeleid waarmee ingezet wordt op het voorkomen en tegengaan van overgewicht en het stimuleren van bijvoorbeeld gezonde (voedsel)keuzes. Dit doet het kabinet – samen met verschillende partijen – vanuit de samenhangende preventiestrategie. We werken met een omgevingsgerichte aanpak langs de levensloop van kinderen tot volwassenen om een gezonde leefomgeving te stimuleren. Binnen deze omgevingsgerichte aanpak die gericht is op het gezond en kansrijk opgroeien van kinderen versterken we de gezondheidsvaardigheden van kinderen, jongeren en volwassenen en zetten we in op de onderliggende determinanten van gezondheid.
Daarnaast bieden we passende zorg en ondersteuning voor wie dat nodig heeft en werken we aan een sterkere verbinding tussen het zorg- en sociaal domein in het kader van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA), Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), en het Integraal Zorgakkoord (IZA).
Vanuit het AZWA wordt de inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas de komende jaren geïntensiveerd. Deze ketenaanpak is een samenwerking tussen zorg en sociaal domein, gericht op gezinnen waarbij er bij het kind sprake is van obesitas of overgewicht én waarbij psychosociale en/of sociaal maatschappelijke problematiek speelt binnen het gezin. De zorg en ondersteuning die een kind, ouders en het gezin vanuit de ketenaanpak krijgen, verschilt per situatie. Overgewicht of obesitas zijn aanleiding om in gesprek te gaan en vanuit daar wordt gekeken naar achterliggende oorzaken, de huidige situatie en de nodige ondersteuning voor het kind en gezin. De ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van de bredere preventieve aanpak die hierboven is benoemd. Er is een toegankelijke sociale basis beschikbaar in wijken en buurten die helpt om gezinnen vroegtijdig te bereiken en passende ondersteuning te bieden. In de eerste levensjaren sluit de ketenaanpak aan bij Kansrijke Start, waar geboortezorg, jeugdgezondheidszorg (JGZ) en wijkteams samenwerken om gezinnen tijdig te ondersteunen en onderliggende factoren van overgewicht vroeg te signaleren. Wanneer kinderen ouder worden, spelen scholen een belangrijke rol. Programma’s als Gezonde School en of de JOGG-aanpak dragen bij aan een samenhangende aanpak waarin gezond gedrag wordt gestimuleerd, zowel in de klas als in de buurt. Deze gezonde leefomgeving versterkt de zorg en ondersteuning die kinderen krijgen binnen de ketenaanpak.
Hoe groot is de groep van kinderen die obesitas heeft? Welk percentage van deze groep zou in aanmerking komen voor een maagverkleining?
In 2025 had 12,4% van de kinderen en jongeren van 4 tot en met 17 jaar in Nederland overgewicht, waarvan 2,9% ernstig overgewicht (obesitas).3 Op basis van de richtlijn Behandeling van kinderen met Obesitas4 van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde komen alleen jongeren tussen 13 en 18 jaar die bijna uitgegroeid zijn in aanmerking voor een maagoperatie, ofwel bariatrische chirurgie. Zij hebben dan al een leefstijlbehandeling gehad om een gezonder eetpatroon aan te leren en meer te bewegen. De verwachting van het Zorginstituut Nederland is dat 100 tot 150 jongeren per jaar in aanmerking komen voor een uitgebreid selectietraject. Daarvan komen 10 tot 20 jongeren per jaar in aanmerking voor deze behandeling. Het gaat hierbij om jongeren met een BMI (body mass index) van meer dan 40, of om jongeren met een BMI van 35 tot 40 die daarnaast een ziekte hebben die samenhangt met ernstig overgewicht, zoals diabetes type 2, leververvetting en cardiovasculaire problemen.
En hoe heeft deze groep zich de laatste vijf jaar ontwikkeld? Wat is de verwachting voor 2030 en 2035?
De CBS-cijfers over de afgelopen vijf jaar (2020–2024) laten zien dat, voor zowel de groep kinderen van 4 tot en met 11 jaar als voor de groep van 12 tot en met 17 jaar, de prevalentie van overgewicht (BMI ≥ 25) en obesitas (BMI ≥ 30) niet significant gestegen is.5 Over een langere periode (tussen 1990 en 2024) is het percentage kinderen en jongeren met overgewicht wel significant gestegen. Het percentage kinderen en jongeren met obesitas is over die periode niet significant veranderd. De cijfers tonen nog steeds een te hoog voorkomen van overgewicht, maar de stijging lijkt de laatste jaren minder ernstig dan voorzien.
Uit de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 20246 komt naar voren dat het aantal mensen met overgewicht de komende 25 jaar naar verwachting zal toenemen. In 2050 zal 64% van de Nederlanders overgewicht hebben. Hierbij wil het kabinet benadrukken dat dit om een verwachte stijging gaat, waarbij geen rekening gehouden wordt met nieuw beleid of toekomstige ontwikkelingen. Desalniettemin geven deze percentages aan dat we onverminderd moeten blijven inzetten op de doelstellingen en ambities zoals geformuleerd in de preventiestrategie.
Is helder welke oorzaken ten grondslag liggen aan het ontwikkelen van obesitas als minderjarige?
Overgewicht wordt veroorzaakt door een complex samenspel van persoonlijke, leefstijl en omgeving gerelateerde oorzaken, waaronder ongezonde voeding. Mensen, ook kinderen en jongeren en hun ouders en verzorgers, worden in grote mate onbewust beïnvloed in de voedingskeuzes die zij maken. Gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welbevinden zijn twee van de belangrijkste leefstijlfactoren in het streven naar een gezond gewicht, naast aandacht voor onderliggende determinanten van gezondheid als bijvoorbeeld kansengelijkheid en armoedebestrijding. Mensen worden dagelijks bewust en in grote mate onbewust beïnvloed in de voedingskeuzes die zij maken. Er is op veel plekken vaak een overwegend groter aanbod ongezonde opties dan gezonde opties en niet iedereen heeft de juiste gezondheidsvaardigheden om gezonde voedingsopties te kiezen. Daarnaast kunnen onderliggende problemen in het gezin een gezonde leefstijl in de weg staan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan medische, psychische en psychosociale factoren of sociaal-maatschappelijke problemen zoals schulden of werkloosheid. Voor een duurzame verandering is daarom meer nodig dan alleen ondersteuning van het kind gericht op voeding, beweging en slaap.
Wat kunnen ouders doen om te voorkomen dat een zware medische ingreep noodzakelijk gaat worden?
Jongeren zijn vatbaarder voor het aanleren van zowel gezonde als ongezonde gewoonten. En een gezonde thuisomgeving vormt een belangrijke basis voor een gezonde start.7
De gezondheid van kinderen wordt beïnvloed door factoren in de thuissituatie, zoals opvoeding, voedingspatronen, beweging, schermgebruik en sociale omstandigheden. Ouders en andere opvoeders spelen hierbij een belangrijke rol. Jong geleerd is immers ouder gedaan.8 Tegelijkertijd kunnen ouders dit niet alleen. Hier zet het kabinet dan ook op in vanuit de preventiestrategie.
Voor kinderen en jongeren die al overgewicht hebben is het belangrijk om tijdig na te gaan of er passende hulp en ondersteuning nodig is. Ouders kunnen hun zorgen bespreken met bijvoorbeeld de JGZ, met het sociaal wijkteam, en met zorgprofessionals zoals de huisarts of de kinderarts. Vanuit het AZWA continueert het kabinet de inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas. Op deze manier investeert het kabinet in een langdurig systeem waarin altijd eerst gekeken wordt naar onderliggende oorzaken, voorkomen we onnodige medicalisering (en bijkomende kosten) en helpen we kinderen en gezinnen door in te zetten op een duurzame behandeling.
Maar zoals ook in het antwoord op vraag 6 is toegelicht, ontstaan overgewicht en obesitas door een complex samenspel van verschillende factoren. Een zware medische ingreep is simpelweg niet altijd te voorkomen.
UN special rapporteurs |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vernietigend onderzoeksrapport (1) inzake de objectiviteit van UN special rapporteurs?1
Ja.
Wilt u puntsgewijs en gedocumenteerd aangeven in hoeverre u de kritiekpunten uit het rapport herkent en beoordeelt?
Wilt u puntsgewijs en onderbouwd aangeven wat u vindt van alle aanbevelingen van het rapport?
Wat is, gespecificeerd per rapport van de genoemde UN special rapporteurs, uw oordeel over de waarde van elk van die rapporten? Welke reserves heeft u over ieder individueel rapport?
Welke acties gaat u ondernemen naar aanleiding van het rapport van UNWatch?
Het kabinet ziet in het rapport geen aanleiding om het Nederlandse uitgangspunt ten aanzien van Speciaal Rapporteurs fundamenteel te wijzigen. Nederland zal zich blijven inzetten voor een effectief en onafhankelijk systeem van Speciaal Rapporteurs en zal daarbij het belang van objectiviteit, integriteit en naleving van de gedragscode blijven benadrukken. Indien het kabinet het nodig acht zal het in gesprek gaan met Speciaal Rapporteurs om eventuele zorgen over te brengen.
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Het bericht ‘Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brute mishandeling van een 19-jarige jongen door Syrische terreurgroepen in de Albert Heijn Groningen op 21 januari 2026, waarbij circa tien mannen hem achtervolgden, tegen de grond werkten en bleven schoppen en slaan, ook nadat hij bewusteloos was?1
Waarom heeft de politie de herkenbare beelden van de daders pas na een half jaar vrijgegeven via Opsporing Verzocht, terwijl twee verdachten al vroeg waren aangehouden en de overige daders maandenlang vrij rondliepen?
Deelt u de mening dat deze onacceptabele vertraging de daders de kans heeft gegeven om te vluchten of opnieuw geweld te plegen, en dat een directe publicatie van de beelden veel eerder tot arrestaties had geleid?
Waarom weigert de politie standaard bij geweld direct herkenbare beelden openbaar te maken, in plaats van de privacy van gewelddadige daders boven de veiligheid van burgers en winkelpersoneel te stellen?
Deelt u de mening dat beelden van geweldsincidenten onmiddellijk, het liefst dezelfde dag nog, vrijgegeven moeten worden?
Bent u bereid dit naar de politie te communiceren?
Wat gaat u doen tegen de groep Syriërs die al jaren Groningen en andere steden terroriseert?
Bent u bereid om ongenadig hard op te treden tegen deze mensen, in plaats van de in het verleden opgelegde gebiedsverboden? Zo ja, waar laat u dat uit blijken?
Deelt u de mening dat Syriërs in Syrië horen, helemaal nu, gezien het feit dat Syrië veilig is, en dat zij terug moeten naar hun eigen land in plaats van de veiligheid van Nederlanders te verzieken?
Hoeveel Syriërs heeft u reeds begeleid naar de terugkeervliegtuigen in de eerste 100 dagen van dit kabinet?
Het artikel 'In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval»?1
Is het correct dat Medvedev, vicevoorzitter van de Russische veiligheidsraad, een lijst met potentiële doelwitten in Europa heeft gepubliceerd?
Is het correct dat op deze lijst ook «dronefabriek Destinus» in Hengelo staat?
Staat deze dronefabriek in Hengelo? Produceert deze fabriek drones voor Oekraïne?
Kan Rusland, bijvoorbeeld met de Oreshnik, deze dronefabriek uitschakelen?
Heeft Nederland de militaire capaciteit om een Oreshnik die wordt afgeschoten vanuit Rusland op deze dronefabriek te onderscheppen?
Is het correct dat de (woon)wijk De Nijverheid, op slechts anderhalve kilometer van deze dronefabriek ligt?
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – specifiek in de (woon)wijk De Nijverheid, mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Wat is de verwachte tijd – en dus de maximale waarschuwingstijd voor bewoners in de omgeving – tussen het moment waarop de Oreshnik wordt gelanceerd en het moment waarop de raket de dronefabriek treft?
Is het, wat u betreft, wenselijk en redelijk, dat de Nederlandse bevolking in het algemeen en de burgers van Hengelo en de bewoners van De Nijverheid in het bijzonder aan deze risico’s worden blootgesteld omdat er een dronefabriek gevestigd is in Hengelo die drones produceert voor een oorlog die, in ieder geval wat Forum voor Democratie betreft, niet onze oorlog is?
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn en afzonderlijk beantwoorden?
Voortgezette samenwerking met Walraven via Aurexys bv |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Wist u, op het moment dat u instemde met de overdracht van de contracten naar Aurexys bv, dat de strafrechtelijk vervolgde verdachten achter DTS Armory daar aandeelhouder van waren? Zo ja, waarom heeft u die overdracht dan toch gefaciliteerd?
Voorzover bekend zijn de eigenaren van Aurexys B.V. niet onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld. Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld. Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping. Ook in dit geval is deze lijn gevolgd.
Aurexys bv heeft dezelfde eigenaar als DTS Armory en de verdachten achter DTS Armory waren er aandeelhouder van. Waarom beschouwt u dit dan toch als «een ander bedrijf»?
Defensie doet, in de gevallen waar u met uw vraag op doelt, zaken met een rechtspersoon en niet met een natuurlijk persoon. Aurexys B.V. is een andere rechtspersoon dan DTS Armory B.V. en kan daardoor zelfstandig overeenkomsten aangaan.
Klopt het dat u al sinds 15 november 2025 wist dat de wapenvergunning van DTS Armory was ingetrokken wegens verdenking van fraude? Waarom is er pas ná de publicaties van Follow the Money ingegrepen, en is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd? Deelt u de conclusie dat hier dus geen sprake was van daadkrachtig optreden?
De overheveling van het contract van DTS Armory B.V. naar Aurexys B.V. is direct na kennisneming van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie op 15 november 2025 in gang gezet en heeft geleid tot het ondertekenen van een overeenkomst op 3 december 2025. Er was op dat moment geen aanleiding om deze overheveling aan de Tweede Kamer te melden. De eerste publicatie van Follow the Money was op 13 maart 2026.
U stelde in De Balie dat Defensie «meteen» had gehandeld en niet meer met Walraven zou samenwerken, maar stelde in het Kamerdebat dat lopende contracten gewoon doorlopen. Hoe duidt u deze tegenstrijdigheid?
Het klopt dat wij geen zaken meer doen met het aan de heer W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. vanwege het ontbreken van de juiste vergunningen, maar het klopt niet dat wij op dit moment geen zaken doen met andere aan hem gelieerde bedrijven. Ik maak daarom van deze gelegenheid gebruik om mijn uitspraak bij De Balie te verhelderen. Naar aanleiding van een opmerking van een andere gespreksdeelnemer inzake het intrekken van een vergunning op grond van de Wet Wapens en Munitie van een aan de heer W. gelieerd bedrijf, reageerde ik onder andere met: «daarna is ook meteen gehandeld vanuit Defensie dat we met deze persoon niet meer kunnen samenwerken». Daarmee bedoelde ik niet de heer W. persoonlijk, maar het betreffende aan dhr. W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. De heer W. is niet onherroepelijk veroordeeld en daarom is er in dit geval ook geen grond tot het op voorhand uitsluiten van een aan hem gelieerde rechtspersoon.
In het debat zei u: «Dat is niet waar. Er is geen persbericht.» Via uw woordvoerder werd dit later bijgesteld tot: er is geen persbericht «waarin melding wordt gemaakt van een specifieke leverancier». Erkent u dat dit twee wezenlijk andere uitspraken zijn en dat uw oorspronkelijke ontkenning niet juist was aangezien het persbericht over deze levering openbaar op de website van Defensie staat?1
Een van de onderwerpen waarover ik met uw Kamer heb gesproken tijdens het Commissiedebat Materieel van 3 juni 2026, is de levering van boten door een aan de heer W. gelieerd bedrijf. Daarna was er verschil van inzicht met uw Kamer over het al dan niet uitgegaan zijn van een persbericht over de levering van de boten. Ik merkte op dat Defensie daarover geen persbericht heeft uitgegeven en bedoelde daarmee een persbericht waarin specifieke aantallen of leverancier(s) vermeld zijn. Er is vanuit Defensie op 4 juni 2025 een persbericht uitgegaan over een maritiem steunpakket voor Oekraïne. Vorig jaar is in dat persbericht een indicatie gegeven van het aantal te leveren boten, maar is geen exact aantal genoemd noch welke partij(en) deze levert. In een Kamerbrief van 17 juni 2025 over het verslag van de NAVO bijeenkomst gehouden op 5 juni 2025 te Brussel en voorafgegaan door een bijeenkomst van de Ukraine Defence Contact Group (UDCG) op 4 juni 2025, zijn wel specifieke aantallen genoemd.2
Defensie bevestigt «zaken te doen met bedrijven waar de heer Walraven aan gelieerd is». Om welke bedrijven en bedragen gaat het en is hierbij ook de drone-onderneming Hyllus bv betrokken, waarvan Walraven gevolmachtigde is?
Defensie maakt deze informatie niet openbaar. Ik bied uw Kamer aan om hier in een vertrouwelijke technische briefing nader op in te gaan.
Voor welk totaalbedrag heeft Defensie inmiddels contracten gesloten met DTS Armory, Aurexys bv en andere aan Walraven gelieerde bedrijven en wat is daarvan tot op heden daadwerkelijk in Oekraïne geleverd? Hoe kan de Kamer controleren of deze honderden miljoenen aan gemeenschapsgeld doelmatig zijn besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de samenwerking met álle bedrijven waarbij Walraven betrokken is daadwerkelijk te beëindigen en te garanderen dat de overige partijen in het Oekraïne-project hun werk zonder zijn betrokkenheid kunnen voortzetten? Zo nee, waarom niet ook gezien uw eerdere uitspraak in De Balie?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen één voor één afzonderlijk beantwoorden, vóór de voortzetting van het commissiedebat Materieel op 10 juni?
Vanwege de samenloop in beantwoording zijn enkele vragen gecombineerd.
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Ja, het NADI-ontwerpvoorstel dat door mijn voorganger met uw Kamer is gedeeld is leidend voor de oprichting van NADI.
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die analyse deel ik grotendeels. Het doel van NADI is om technologische oplossingen te ontwikkelen voor grote maatschappelijke uitdagingen. Daarbij gaat het om high-risk/high-reward trajecten die in het reguliere innovatiebeleid vaak moeilijk van de grond komen. Een volledige revolverendheidsdoelstelling staat naar verwachting op gespannen voet met de risicotolerantie die nodig is om de organisatie effectief te laten opereren.
Tegelijkertijd verwacht ik dat NADI mogelijk wel voor een klein deel revolverend kan worden vormgegeven, bijvoorbeeld via terugbetalingsverplichtingen bij succesvolle projecten, met een verwachte terugbetalingstermijn van 10 tot 15 jaar. Daarbij is het wel van belang dat deze afspraken zo worden vormgegeven dat zij geen drempel vormen voor partijen om aan een NADI-programma deel te nemen.
Ik ben bezig met de uitwerking waaronder de vormgeving en de voorgenomen financiering uit het Coalitieakkoord. U wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Bij een niet saldo-relevante storting zal de staatsschuld oplopen, maar verslechtert het EMU-saldo niet.
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
In lijn met mijn antwoord op vraag 3, ben ik de vormgeving in combinatie met de kapitaalstorting in het Coalitieakkoord aan het uitwerken. Ik kan hier niet op vooruitlopen, maar u wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het voorstel van IPE gaat voorbij aan het hoofddoel van de innovatiebox: het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. De innovatiebox bewerkstelligt, kort samengevat, dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit voordeel is derhalve relatief.
Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet ziet daarom geen enkele aanleiding om de bestaande regeling te versoberen.
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Zoals eerder gezegd kan ik niet vooruitlopen op besluitvorming over de vormgeving van NADI in combinatie met de in het Coalitieakkoord voorziene kapitaalstorting.
Tegelijkertijd begrijp ik dat het IPE op dit bedrag uitkomt, kijkend naar de jaarbudgetten van vergelijkbare organisaties in het buitenland, zoals de ARPA-organisaties in de Verenigde Staten (jaarbudget ca. € 7,5 miljard), SPRIND in Duitsland (jaarbudget ca. € 250 miljoen) en ARIA in het Verenigd Koninkrijk (jaarbudget ca. € 300 miljoen).
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Die conclusie kan ik volgen. Maar in lijn met mijn eerdere antwoorden kan ik niet vooruitlopen op de besluitvorming hierover. Ik zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
Ja.
Het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De ggz-specialist in de huisartsenpraktijk is veel minder nuttig dan gedacht, ziet deze onderzoeker» en van het daarin besproken onderzoek1?
Ja, daar heeft het kabinet kennis van genomen.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar leidt tot betere mentale gezondheidsuitkomsten op de middellange termijn en evenmin zorgt voor een afname van het gebruik van specialistische ggz-zorg? Deelt u de opvatting dat hiermee een belangrijke beleidsmatige rechtvaardiging voor de grootschalige inzet van POH-GGZ onder druk komt te staan?
Het onderzoek levert een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ, maar vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
De inzet van de POH-GGZ draagt bij aan het laagdrempelig toegankelijk houden van de zorg. De beleidsdoelen van de POH-GGZ zijn breder dan het voorkomen van specialistisch ggz-gebruik en aantoonbare symptoomverbetering alleen. De POH-GGZ draagt er namelijk aan bij om de huisartsenzorg te versterken, laagdrempelige ondersteuning te bieden en psychische klachten vroegtijdig te signaleren. Het uitblijven van aantoonbaar betere mentale gezondheidsuitkomsten op populatieniveau kan niet alleen worden herleid naar de inzet van de POH-GGZ en heeft te maken met heel veel andere factoren, zoals de grotere vraag en toegenomen complexiteit van de zorgvraag in de GGZ. Tevens is het voorkomen van verergering van klachten moeilijk meetbaar.
Klopt het dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 personen per jaar, terwijl het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de POH-GGZ hierdoor vooral een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd in plaats van de druk op de gespecialiseerde ggz te verlichten?
Het klopt dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ tussen 2011 en 2021 is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 patiënten per jaar. Het klopt ook dat het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven. Het kabinet is van mening dat uit deze ontwikkeling niet zonder meer kan worden afgeleid dat de POH-GGZ een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd. Wel deelt het kabinet de conclusie dat de introductie van de POH-GGZ heeft bijgedragen aan het creëren van meer behandelaanbod. Dit was ook een van de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ. Een mogelijke vervolgvraag is of een deel van de patiënten die bij de POH-ggz geholpen wordt op een andere plek beter kan worden geholpen. Bijvoorbeeld daar waar het overbruggingszorg betreft van patiënten met complexe zorgvragen die op een wachtlijst staan voor vervolg behandeling, of waar het voornamelijk sociale problemen betreft. Er is hier reeds beleid op ingezet. In het AZWA is daarom onder andere afgesproken om in te zetten op laagdrempelige steunpunten, mentale gezondheidsnetwerken, een verbeterde samenwerking tussen het sociaal domein en de eerstelijnszorg, en om de positie van de POH-GGZ te versterken door extra uren mogelijk te maken (verhoging van 12 naar 16 uren POH-GGZ per huisartsenpraktijk. Hiermee streven we naar een passende inzet van zorgprofessionals en het voorkomen van specialistische zorg.
Hoeveel publieke middelen zijn sinds de invoering van de POH-GGZ besteed aan deze voorziening en hoeveel bedraagt de jaarlijkse uitgave momenteel? Acht u het verantwoord dat jaarlijks honderden miljoenen euro’s worden besteed aan een interventie waarvan de gezondheidswinst volgens dit onderzoek beperkt of afwezig is?
In 2023 betroffen de uitgaven aan de POH-ggz 255 miljoen euro.2 Patiënten en huisartsen ervaren meerwaarde van de POH-GGZ. De POH-GGZ is een laagdrempelig aanspreekpunt dicht bij huis, helpt bij het verhelderen van hulpvragen en ondersteunt bij het vinden van passende vervolgstappen. Daarnaast ervaren huisartsen dat de POH-GGZ een belangrijke bijdrage levert aan de toegankelijkheid van zorg voor mensen met mentale klachten. Het onderzoek vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
Op basis van welke wetenschappelijke evaluaties heeft het kabinet de afgelopen jaren het beleid rondom de POH-GGZ verder uitgebreid? Kunt u een overzicht geven van onderzoeken waarin daadwerkelijk is aangetoond dat de inzet van POH-GGZ leidt tot kortere wachtlijsten, lagere zorgkosten of betere gezondheidsuitkomsten?
In het IZA is een hogere maximuminzet van de POH-GGZ afgesproken (van 12 uur naar 16 uur inzet POH-GGZ per huisartsenpraktijk). Deze en aanpalende afspraken in het IZA zijn mede ingegeven door de hoge druk op de zorg, specifiek huisartsenzorg. De POH-GGZ speelt een belangrijke rol in de praktijken, voor patiënten met (licht) psychosociale klachten die zich bij de huisarts presenteren en ook niet snel in de basis of specialistische GGZ terecht kunnen. In het IBO mentale gezondheid en ggz3 wordt verwezen naar een onderzoek wat zich vooral richt op de verschillen tussen praktijken. Dit wijst erop dat wanneer de inzet van POH-GGZ in huisartsenpraktijken hoog is, er minder mensen met een depressie of klachten van depressieve aard in de generalistische basis-ggz of specialistische ggz terechtkomen.4 Daarnaast heeft het Trimbos een aantal onderzoeken naar de POH-GGZ uitgevoerd. Dit zijn onderzoeken naar de effectiviteit, doelmatigheid, patiëntervaringen en de organisatie van POH-GGZ.5
Hoe verklaart u dat de wachttijden in de gespecialiseerde ggz nog altijd ruim boven de Treeknorm liggen, terwijl de POH-GGZ juist werd gepresenteerd als instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen?
De toegankelijkheid van de gespecialiseerde ggz is een complex probleem. Het kabinet is via verschillende routes bezig met het oplossen van deze problematiek. In het AZWA (afspraak C6) zorgen de partijen in de ggz gezamenlijk dat er meer behandelcapaciteit komt voor mensen met een ggz-vraag, specifiek voor patiënten met een complexe zorgvraag. En het kabinet zet zich met de routekaart passende zorg ggz in om meer sturing op passende zorg voor de patiënt met een complexe zorgvraag te creëren. Dit is ook onderdeel van de kabinetsreactie op het IBO Mentale gezondheid en ggz, wat het kabinet voor de begrotingsbehandeling van VWS zal versturen. Daarnaast draagt de POH-GGZ bij aan laagdrempelige toegang tot psychische ondersteuning, vroegsignalering, passende triage en ondersteuning van de huisarts. Hiermee reiken de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ verder dan enkel een instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen.
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie uit te laten voeren naar de doelmatigheid, effectiviteit en kosten-batenverhouding van de POH-GGZ, inclusief de vraag of middelen effectiever kunnen worden ingezet voor uitbreiding van behandelcapaciteit in de gespecialiseerde ggz? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek levert, net als de andere onderzoeken zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ. Momenteel is een onafhankelijke evaluatie van de POH-GGZ niet aan de orde. Volgende maand gaat het Ministerie van VWS met onderzoeker Roger Prudon en mensen uit de praktijk in gesprek over het recente onderzoek. In dit gesprek zullen het onderzoek, de interpretatie en de mogelijke beleidsimplicaties aan bod komen.
Welke lessen trekt u uit de mogelijkheid dat jarenlang is geïnvesteerd in een voorziening die volgens recent onderzoek vooral heeft geleid tot extra zorgconsumptie, zonder aantoonbare verbetering van gezondheidsuitkomsten of vermindering van de druk op de gespecialiseerde ggz? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het kabinet neemt de aanbevelingen uit het onderzoek serieus. Hoewel het onderzoek concludeert dat de toegenomen inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar heeft bijgedragen aan het verminderen van de druk op de basis en gespecialiseerde ggz, wil het kabinet benadrukken dat de POH-GGZ een breder doelt dient. Zo is de POH-GGZ ook bedoeld voor o.a. het verbeteren van de toegankelijkheid van de ggz, ondersteuning van huisartsen, inzetten op vroegsignalering, en effectievere triage en zorg dicht bij huis. Daarnaast zijn er, in bijvoorbeeld het AZWA, maatregelen genomen om de effectieve inzet van de POH-GGZ te bevorderen. Mentale gezondheidsnetwerken zorgen ervoor dat de druk op de gespecialiseerde ggz afneemt, doordat de huisarts, het sociaal domein, de ggz en ervaringsdeskundigen samenwerken in het Verkennend Gesprek. Ook het versterken van de samenwerking van eerstelijnszorg en het sociaal domein zorgt voor de inbedding van de POH-GGZ in het (preventieve) zorgstelsel. Het Ministerie van VWS gaat, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7, verder in gesprek over dit onderzoek.
Gemeenten die de Spreidingswet moeten uitvoeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Burgemeester van Maassluis steunt voornemen van eigen gemeente om «nul» asielzoekers op te nemen niet en pleit voor solidariteit» en de brief van de burgemeester van Maassluis «Reflectie coalitieakkoord»?1, 2
Ja.
Deelt u de mening van de burgemeester dat ten aanzien van het asielbeleid «het van belang [is] om als gemeenten onderling solidair te zijn. Dat betekent dus gevolg geven aan de spreidingswet»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, gemeenten moeten uitvoering geven aan de wet. De actuele situatie in de asielopvang laat eens te meer zien dat het belangrijk is dat gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen om opvang te realiseren en zich solidair tonen met de gemeenten die dit al doen.
Deelt u de mening dat gemeenten uitvoering moeten geven aan de Spreidingswet en dat het voornemen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden in strijd is met het doel van die wet? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja. Gemeenten moeten uitvoering geven aan de Spreidingswet. De wet geeft gemeenten de mogelijkheid om eerst met elkaar in gesprek te gaan aan de provinciale regietafel (PRT) over de precieze invulling van de provinciale opgave. Het is aan gemeenten onderling hoe zij hier invulling aan geven. De wet schrijft voor dat de provinciale opgave sluitend moet zijn. Aan deze tafels deelnemen zonder bereidheid een bijdrage te leveren is wat mij betreft niet aan de orde.
Kent u meer signalen van gemeenten die in nieuwe coalitieakkoorden het voornemen hebben opgenomen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden? Zo ja, hoeveel gemeenten zijn dit en om hoeveel potentieel niet te realiseren opvangplekken gaat het?
Inmiddels hebben meerdere soortgelijke signalen ook mij bereikt. Ik ga echter niet in op de specifieke casuïstiek. Als gemeenten niet voldoen aan hun wettelijke taak, is het rijksbrede kader van interbestuurlijk toezicht van toepassing en zullen gemeenten hierop worden aangesproken. Het ministerie is al in gesprek met een aantal van de gemeenten die niet voldoen aan hun wettelijke taak.
Deelt u de mening dat het voor het lokale draagvlak ten aanzien van het opnemen van asielzoekers uiteindelijk beter is als gemeenten het aan de provinciale regietafels onderling eens worden over de verdeling van provinciale opvangopgaven in plaats van dat u die moet vaststellen of aanvullen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. De wet geeft expliciet de mogelijkheid dat gemeenten met elkaar in gesprek gaan over hun opgaven. Deze afspraken landen in een provinciaal verslag, dat de CvdK als voorzitter van de PRT bij mij indient. Als het provinciale totaal sluitend is, zal ik het provinciale verslag overnemen in het verdeelbesluit. Lokaal bestuur heeft meer inzicht in de lokale context en weet welke opvangmogelijkheden daarbinnen mogelijk zijn. Ik raad de PRT’s dan ook aan om te komen tot een sluitend provinciaal verslag, zodat zij zelf de regie behouden.
Wat doet u om lokale bestuurders ten aanzien van het uitvoeren van de Spreidingswet te ondersteunen?
Ik breng momenteel een bezoek aan alle PRT’s, waarbij ik ook in gesprek ga met bestuurders over de invulling van de opgave. Daarnaast zijn er vanuit de Spreidingswet verschillende bonusregelingen, waarop gemeenten aanspraak kunnen maken. Ook is het goed te benoemen dat de VNG een ondersteuningsteam heeft opgericht, om gemeenten die een nieuwe opvanglocatie openen te ondersteunen.
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten in Nederland |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Iraanse studenten in Nederland op dit moment in betalingsproblemen komen en mogelijk moeten terugkeren naar Iran als zij, bijvoorbeeld, hun collegegeld niet kunnen betalen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Wat is precies bekend over de omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven? Zijn u coulanceregelingen bekend voor het treffen van een betalingsregeling als Iraanse studenten in financiële problemen geraken? Zo ja, welke onderwijsinstellingen bieden financiële ondersteuning en waaruit bestaan deze regelingen precies voor wat betreft ondersteuning bij de kosten voor levensonderhoud, studiekosten en dergelijke?
Klopt het dat bij het niet voldoen van het collegegeld automatische uitschrijving bij de onderwijsinstelling volgt en dat dan ook het verblijfsrecht in Nederland vervalt? Zijn u gevallen bekend waarin Iraanse studenten door financiële problematiek hun verblijfsrecht in Nederland dreigen te verliezen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hier?
Bent u bereid om te onderzoeken hoe Iraanse studenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund bij de studiekosten en kosten van het levensonderhoud? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te voorkomen dat betalingsproblemen leiden tot uitschrijving bij de betreffende onderwijsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij deze groep Iraanse studenten in Nederland af te zien van het intrekken van studievisa? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om samen met onderwijsinstellingen te bezien hoe onder de huidige omstandigheden materiële en mentale steun aan de groep Iraanse studenten in Nederland geboden kan worden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, met het oog op de naderende deadline voor de inschrijving aan onderwijsinstellingen, deze schriftelijke vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden?
De grootschalige handel in designerdrugs |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse bedrijven voor bijna twee miljard euro aan gevaarlijke designerdrugs uit India hebben geïmporteerd?1, 2
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van deze handel, waarbij circa 153.000 kilo aan middelen is ingevoerd en met zeer hoge winstmarges wordt doorverkocht?
Hoe beoordeelt u het morele aspect van deze handel, waarbij willens en wetens middelen worden verhandeld die in verband worden gebracht met verslaving, hersenschade en sterfte? Kunt u toezeggen dat u er van uw kant alles aan doet om politie en justitie in staat te stellen dit krachtig te bestrijden? Zo ja, wat bent u van plan om aanvullend te doen?
Deelt u de zorg dat de handel in designerdrugs mede wordt gefaciliteerd door het gebruik van bv-constructies die persoonlijke aansprakelijkheid afschermen, en welke mogelijkheden ziet u om natuurlijke personen achter deze constructies directer aansprakelijk te stellen en hun crimineel verkregen vermogen af te pakken?
In hoeverre acht u het huidige instrumentarium toereikend om te voorkomen dat producenten via kleine chemische aanpassingen de Opiumwet blijven omzeilen? Kunt u reflecteren op de effectiviteit van het per 1 juli 2025 ingevoerde groepenverbod en in hoeverre dit het «kat-en-muisspel» daadwerkelijk heeft doorbroken?
Deelt u de zorg dat nog altijd risicovolle middelen buiten het bereik van het groepenverbod vallen? Welke aanvullende aanscherpingen zijn wat u betreft nodig, en bent u bereid hier met spoed werk van te maken?
Hoe beoordeelt u het dat na het sluiten van 43 websites de handel grotendeels doorgaat via buitenlandse websites en besloten kanalen, en welke aanvullende maatregelen zijn nodig om dat een halt toe stoppen?
Welke inzet pleegt u om deze handel internationaal, met name richting India, bij de bron aan te pakken? Wat gaan u en uw collega van Buitenlandse Zaken aanvullend doen om dit aan te pakken?
Deelt u de opvatting dat naast repressie ook een krachtige norm nodig is tegen drugsgebruik, en welke concrete maatregelen neemt u om het gebruik van designerdrugs actief te ontmoedigen, met name onder jongeren?
Het bericht 'Duitse regering wil nachtleven beschermen door clubs als culturele instelling te classificeren' |
|
Heera Dijk (D66) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitse regering wil nachtleven beschermen door clubs als culturele instelling te classificeren»?1
Deelt u de zorg dat het aantal nachtclubs in tien jaar tijd met 45% is gedaald?
Deelt u de opvatting dat het nachtleven culturele en maatschappelijke waarde heeft, doordat het ruimte biedt aan onder andere muziek, sociale verbinding, jong talent en bijdraagt aan een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat?
Beschouwt u nachtcultuur als onderdeel van de culturele infrastructuur van Nederland? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u voor het Rijk bij het behoud en de ontwikkeling daarvan?
Bent u bereid te onderzoeken of het, naar Duits voorbeeld, wenselijk en mogelijk is om nachtclubs met aantoonbare culturele waarde wettelijk als culturele instellingen te erkennen, zodat deze plekken beter beschermd worden tegen verdringing en sluiting?
Bent u bereid te onderzoeken hoe clubs en nachtculturele instellingen met aantoonbare culturele waarde op andere manieren beter kunnen worden beschermd?
Welke mogelijkheden hebben nachtclubs of organisaties voor nachtcultuur op dit moment om binnen bestaande cultuurregelingen, rijksfondsen of gemeentelijke regelingen ondersteuning te krijgen?
Bent u bereid in gesprek te gaan met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en gemeenten om in het ruimtelijkeordeningsbeleid structureler ruimte te reserveren voor nachtcultuur?
Bent u bereid te onderzoeken of het agent-of-change-principe, naar voorbeeld van Toronto, ook in Nederland kan helpen om nieuwe woningbouw en bestaande nachtcultuur beter naast elkaar te laten bestaan?
Bent u bekend met de Utrechtse pilot die jongeren op een veilige en begeleide manier laat kennismaken met het nachtleven, en bent u bereid te onderzoeken of dit model landelijk kan worden uitgerold om jongeren in een beschermde omgeving kennis te laten maken met nachtcultuur?
Het bericht ‘Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID»?1
Deelt u de mening dat apps en oplossingen die ontwikkeld worden door de Rijksoverheid altijd zo toegankelijk mogelijk zouden moeten zijn voor elke Nederlander? Zo ja, hoe beoordeelt u dan de keuze tot verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van NL Wallet?
Deelt u de mening dat ook mensen die geen gebruik maken van telefoons met Google of van telefoons met Apple-ID in staat zouden moeten zijn om gebruik te maken van NL Wallet? Zijn deze mogelijkheden bij de ontwikkeling van NL Wallet verkend? Zo ja, waarom is dan gekozen om alsnog voor deze technische voorwaarden te gaan voor NL Wallet? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat in het kader van toegankelijkheid ook mensen die geen gebruik willen of kunnen maken van een smartphone de app NL Wallet zouden moeten kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen waarom DigiD wel te gebruiken is voor mensen zonder iOS-telefoon of Google-account of zonder smartphone? Waarin verschilt DigiD van NL Wallet waardoor dit voor NL Wallet niet mogelijk zou zijn?
Hoe complex is het om de NL Wallet zo om te bouwen dat het hebben van een Apple Account of Google Account niet voorwaardelijk is?
Kunt u garanderen dat NL Wallet niet de rol van DigiD in de toekomst zal overnemen, zo lang voor het gebruik van NL Wallet een Apple-ID of Google-account voorwaardelijk is? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Kunt u garanderen dat organisaties die op dit moment DigiD ondersteunen en die NL Wallet willen ondersteunen, in de toekomst DigiD ook blijven ondersteunen naast NL Wallet? Zo nee, deelt u de mening dat dat betekent dat Nederlanders tot het gebruik van een Google-account of Apple-ID worden gedwongen?
Kunnen gebruikers van NL Wallet van wie het Google-account of de Apple-ID om wat voor reden dan ook door Google of Apple wordt geblokkeerd gebruik blijven maken van NL Wallet? Zo nee, kunt u dan garanderen dat Nederlanders die gebruik maken van NL Wallet niet in de problemen komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit acceptabel is?
Hoe kijkt u vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit naar de keuze om een Google-account of Apple-ID voor een NL Wallet voorwaardelijk te maken?
Hoe bent u van plan om in het vervolg, bij ontwikkeling van apps door de overheid, het gemak van de ontwikkeling af te wegen tegen digitale soevereiniteit en toegankelijkheid?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Een ernstig datalek binnen de EBI |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat vertrouwelijke dossierinformatie van een gedetineerde met een zware risicostatus zichtbaar is geweest voor een andere gedetineerde binnen de Extra Beveiligde Inrichting (EBI)?1
Hoe beoordeelt u het feit dat juist binnen de zwaarst beveiligde inrichting van Nederland vertrouwelijke strafrechtelijke informatie kennelijk bij een andere gedetineerde terecht heeft kunnen komen?
Klopt het dat de voorgeschreven veiligheidsprocedures in dit geval niet zijn gevolgd? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Geeft dit incident aanleiding tot het herzien van de veiligheidsprocedures? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat vertrouwelijke informatie van andere gedetineerden eveneens onbevoegd is ingezien? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat een dergelijke blunder ernstige veiligheidsrisico’s met zich kan brengen voor lopende strafzaken, getuigen, slachtoffers, personeel en de openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Acht u het verantwoord dat gedetineerden met een zware risicostatus zonder toezicht toegang hebben tot apparatuur waarmee dergelijke fouten kennelijk kunnen ontstaan? Zo ja, waarom?
Bent u bereid te onderzoeken of dossierinzage voor hoogrisicogedetineerden voortaan uitsluitend onder toezicht en op papier dient plaats te vinden, zodat deze gedetineerden in zijn geheel geen toegang meer hebben tot laptops, waar wij al eerder voor hebben gepleit, en dit soort datalekken daardoor onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Welke disciplinaire, organisatorische of personele consequenties worden verbonden aan het niet naleven van de veiligheidsprocedures die tot dit incident hebben geleid? Gaat de toedracht van dit incident worden onderzocht op mogelijk opzettelijk handelen?
Kunt u garanderen dat zich binnen de EBI momenteel geen vergelijkbare beveiligingslekken voordoen waardoor gedetineerden toegang kunnen krijgen tot informatie die niet voor hen bestemd is? Zo nee, waarom niet?
Dat bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid een voedingsbodem vormen voor toename van populisme en opkomst van radicaal- en extreemrechts |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat de Partij voor de Dieren u tijdens het debat over de regeringsverklaring wees op de conclusies van de VN-rapporteur voor armoede, die adviseert om te investeren in publieke en sociale voorzieningen en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en extreemrechts geen kans te geven?
Ja.
Herinnert u zich nog dat u had toegezegd dit advies en andere onderzoeken waaruit blijkt dat bezuinigingen op sociale voorzieningen de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts vergroten tot u te nemen?
Ja.
Wat neemt uw mee in uw beleid uit onderzoeken zoals die van Lattanzio en Savu (2022), Baccini en Sattler (2024), waaruit af te leiden is dat vooral populistische en radicaal rechtse partijen profiteren van bezuinigingen op het sociale stelsel, met name bij groepen in kwetsbare positie?1, 2
Het kabinet ziet het belang van een sterk en toekomstbestendig sociaal stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden vormgeven – ook met het oog op toekomstige generaties. Daarom kiest dit kabinet voor hervormingen én gerichte investeringen, zodat iedereen kan meedoen en we alle talent in de samenleving ondersteunen en benutten. Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over mogelijke verbanden tussen gevoerd beleid en electorale ontwikkelingen. Wel legt het kabinet verantwoording af over het gevoerde beleid, altijd met oog voor de kwetsbaarsten in onze samenleving.
Bent u inmiddels bekend met het VN-rapport van Speciaal rapporteur Extreme armoede en mensenrechten Olivier De Schutter met de titel «Promotion and protection of human rights: human rights questions, including alternative approaches for improving the effective enjoyment of human rights and fundamental freedoms» en de conclusies die de rapporteur eraan verbindt?3
Ja.
Bent u het eens met de VN-rapporteur dat het belangrijk is om te investeren in publieke en sociale voorzieningen, en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en radicaal- en extreemrechts geen kans te geven? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet deelt de visie dat investeren in publieke en sociale voorzieningen essentieel is voor een sterk sociaal weefsel en een democratische samenleving. Een toekomstbestendig stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden opbouwen, zorgt ervoor dat iedereen kan meedoen en dat we alle talent in onze samenleving benutten. Dat is precies waarom we kiezen voor hervormingen én gerichte investeringen. De basis hiervoor ligt in het coalitieakkoord, waarin onder andere is opgenomen dat wie niet kan werken, moet kunnen vertrouwen op een goed stelsel van sociale zekerheid. Tegelijkertijd is het tijd om keuzes te maken voor de middellange termijn, zodat we ook toekomstige generaties kunnen voorzien van een houdbaar en goed stelsel van sociale zekerheid.
Bent u het eens met de bevindingen van VN-rapporteur De Schutter dat sociale zekerheid een dam is tegen radicaal-rechts populisme? Zo nee, waar baseert u zich op?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u het eens met de bevindingen van de VN-rapporteur dat bezuinigingen op het sociale stelsel en verschuiving van collectieve bescherming naar risico’s voor individuen leiden tot gevoel van schaarste, onzekerheid, ongelijkheid en wantrouwen in de overheid, wat een vruchtbare bodem vormt voor radicaal-rechts? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke lessen trekt u uit de conclusies van de VN-rapporteur voor uw beleid in de toekomst om de voedingsbodem voor extreem en radicaalrechts weg te nemen? Welke stappen gaat u naar aanleiding hiervan zetten?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bekend met het pas verschenen boek De symfonie van onvrede: de opmars van radicaal rechts in Europa, geschreven door Catherine de Vries?
Ja.
Bent u het eens met de analyse dat de Nederlandse sociale zekerheid in de afgelopen decennia verschraald is door verschillende kabinetten? Zo nee, op basis van welke bronnen en cijfers stelt u dat?
Dit kabinet hecht grote waarde aan een sterk en toekomstbestendig sociaal stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden vormgeven – ook met het oog op toekomstige generaties. Daarom kiezen we voor hervormingen én gerichte investeringen, zodat iedereen kan meedoen en we alle talent in de samenleving ondersteunen en benutten. Met enige regelmaat verschijnen er publicaties die proberen een beschrijving te geven van langjarige veranderingen in de samenleving en in de verhouding tussen overheid en samenleving, of het nu gaat over sociale zekerheid of over klimaatbeleid. In zijn algemeenheid dragen dergelijke publicaties bij aan een levendig maatschappelijk debat over een veelheid aan fenomenen. Het is echter niet aan het kabinet om standpunten in dergelijke debatten in te nemen of standpunten van anderen te waarderen, anders dan door verantwoording af te leggen over het gevoerde kabinetsbeleid en de onderliggende gronden voor het gekozen kabinetsbeleid toe te lichten.
Herkent u zich in het oordeel van de Vries op bladzijde 58 dat «onder het vaandel van marktwerking en modernisering publieke taken werden verzelfstandigd of geprivatiseerd, terwijl de bestuurstaal verschoof van rechten en nabijheid naar doelmatigheid, contracten en controle»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u het eens met haar oordeel op dezelfde bladzijde dat «hierdoor de relatie tussen burgers en de overheid veranderde: meer benchmarks en verantwoordingsdruk, minder relatie en wederkerigheid»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe waardeert u de oplossingsrichting van De Vries om als overheid meer te gaan werken aan nabijheid (zie hoofdstuk 8)? Kunt u toelichten wat u daaruit meeneemt en hoe u dit gaat implementeren in het beleid?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat uit cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat met uw kabinet de sociale zekerheid en zorg de grootste bezuinigingsposten zijn, burgers grotere lasten dragen dan bedrijven, uitkeringsgerechtigden en langdurig zieken relatief zwaar worden geraakt door uw beleid, en grote vermogens en superrijken relatief worden ontzien?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat er veel maatschappelijke weerstand is over de keuzes van het kabinet om te bezuinigen op o.a. de WW, WIA en de zorg?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat ook uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar draagvlak voor klimaatbeleid blijkt dat mensen klimaatbeleid in meerderheid steunen, maar het niet rechtvaardig vinden dat de lasten vooral bij burgers terechtkomen, terwijl bedrijven worden ontzien? Erkent u dat mensen het belangrijk vinden dat lasten eerlijker verdeeld moeten worden? Wat is uw reactie daarop?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat mensen in dat licht de afschaffing CO2-heffing voor vervuilers, het in stand houden van fossiele subsidies, en miljarden uitgeven aan buitenlandse multinationals als Tata Steel onbegrijpelijk zouden kunnen vinden?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u zich ervan bewust dat uit onder andere de eerdergenoemde onderzoeken volgt dat de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de zorg die het kabinet wil doorzetten, ertoe kunnen leiden dat de onvrede en onrust onder burgers in de samenleving worden vergroot?
Zie het antwoord op vraag 10.
Realiseert u zich dat uit onder andere eerdergenoemde onderzoeken volgt dat burgers door zulke bezuinigingsmaatregelen van het kabinet burgers in toenemende mate hun vertrouwen kunnen verliezen in de overheid en haar instituten, en gevoeliger kunnen worden voor populistisch en radicaal- en extreemrechts gedachtegoed? Zo nee, waar baseert u zich op?
Zie het antwoord op vraag 10.
Gezien de wetenschappelijke analyse (genoemd in het boek van De Vries, zie bladzijde 160) die wijst op de samenhang tussen ervaren verschraling en steun voor radicaal-rechtse partijen, waarom bezuinigt u dan toch op onder andere de WW en de WIA, en laat u superrijken en grote vermogens relatief met rust? Ziet u in dat u door het verschralen van de sociale zekerheid de voedingsbodem legt voor radicaal-rechts gedachtegoed, zoals ook De Vries beschrijft?
Zie het antwoord op vraag 10.
Ziet u bijvoorbeeld dat radicaal- en extreemrechts meteen gebruik maakt van de keuzes van uw kabinet om te bezuinigen op de zorg en sociale zekerheid, om mensen op te hitsen tegen onder andere vluchtelingen en de LHTBQIA+ gemeenschap en om onrust aan te wakkeren, waar de tweet van Eva Vlaardingerbroek (vlak na de presentatie van de plannen van uw kabinet) exemplarisch voor is?4
Zie het antwoord op vraag 10.
Welke lessen trekt u uit alle bovengenoemde onderzoeken en analyses voor uw beleid in de toekomst, om de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat er alternatieve financieringsmogelijkheden zijn, die de lasten eerlijker leggen bij grote vermogens en grote vervuilers, in plaats van bij sociale zekerheid, zorg en werkende mensen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u, ook gezien de verschillende onderzoeken, bereid om niet verder te bezuinigen op de sociale zekerheid en zorg, maar om de lasten eerlijker te verdelen en meer geld op te halen bij grote vervuilers, grote vermogenden en de superrijken?
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt de vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk en separaat beantwoord.
Overheidscommunicatie over dierproeven en innovatieve proefdiervrije onderzoeksmethoden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Kent u de video «Waarom dierproeven nog nodig zijn» die sinds 28 mei 2026 op de website van de Rijksoverheid staat?1
Ja.
Wat was de aanleiding voor het maken van deze video en wat is het beoogde doel ervan?
In mijn brief van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr. 173) heb ik mijn beleid voor de transitie naar proefdiervrije innovatie (TPI) en dierproeven uiteengezet. Zoals ik in die brief heb aangegeven zijn er voor bepaalde onderzoeken nog steeds dierproeven nodig. Het is gebruikelijk dat de rijksoverheid in het kader van transparantie voorlichting geeft over beleid op verschillende terreinen. De video is onderdeel van de publieksvoorlichting van de rijksoverheid over dierproeven. Het doel van de video is transparante en zorgvuldige informatie over dierproeven en proefdieren te bieden voor een breed publiek.
Bent u ermee bekend dat dierproeven nog vaak worden gezien als «gouden standaard» en experts waarschuwen dat hierdoor de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden juist wordt geremd?2
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Ik gebruik die term zelf niet en deze wordt ook niet in de video gebruikt.
Bent u bekend met de overtuiging van uw voorganger(s) dat we af moeten van dierproeven als standaard en met zijn expliciete toezegging dat dierproeven niet meer als gouden standaard zouden worden neergezet in overheidscommunicatie en dat de nadelen van dierproeven daarin juist nadrukkelijk benoemd zouden worden (Kamerstuk 32 336, nr. 157)?
Ja, ik ben bekend met deze overtuiging en ik sta er ook achter om die bewoording niet te gebruiken. De video maakt inzichtelijk dat er nog dierproeven nodig zijn zolang nog niet voor alle vraagstukken gevalideerde en geaccepteerde dierproefvrije modellen beschikbaar zijn. De video belicht ook welke waarborgen er zijn voor het uitvoeren van dierproeven en verzorgen van de proefdieren. Het is ook mijn verantwoordelijkheid daar naar het brede publiek transparant over te zijn. De kern van mijn beleid is om in te blijven zetten op de opbouw van proefdiervrije innovatie en dierproeven uiteindelijk steeds meer overbodig te maken, zoals ik toelicht in mijn recente Kamerbrief TPI en dierproeven van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173). Ik communiceer ook heel geregeld over het TPI-beleid. Dat doe ik o.a. via de website van TPI, het TPI LinkedIn-account en andere communicatie voor burgers, zoals de vorig jaar georganiseerde Helpathon Proefdiervrij onderzoek.
Onderschrijft u dit? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf dit en ik refereer dan ook niet naar dierproeven als de «gouden standaard», maar ben wel transparant over het feit dat we in Nederland nog dierproeven doen en hoe we dat doen. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Hoe rijmt u deze video, waarin eenzijdig aandacht wordt besteed aan de vermeende noodzaak van dierproeven, zonder ook maar enige aandacht te besteden aan het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap en de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden, met deze toezegging?
De webpagina’s over dierproeven op rijksoverheid.nl bieden genuanceerde publieksinformatie over de kaders waarin dierproeven in Nederland gedaan mogen worden. De website licht ook toe welke bezwaren er zijn rondom de ethiek en de vertaalbaarheid van resultaten van dierproeven naar de mens. Ook is er informatie te vinden over proefdiervrije oplossingen met een verwijzing naar de website van het programma TPI. Deze website maakt inzichtelijk wat het TPI-beleid is en hoe ik dat samen met de TPI-partners uitvoer. Daar zijn onder andere voorbeelden te vinden van succesvolle proefdiervrije innovaties, een video over het doel van TPI en verslagen van de Labtours die we organiseren voor een breed publiek. De video «waarom dierproeven nog nodig zijn» is daarmee één van de communicatie-uitingen in een groter geheel. Ik ben van mening dat alle informatie tezamen een goed gebalanceerd beeld geeft van de huidige situatie en het beleid.
Bent u ermee bekend dat de Kamer heeft uitgesproken dat Nederland koploper moet worden als het gaat om baanbrekende technologieën zoals proefdiervrije, innovatieve medische ontwikkelingen en heeft verzocht om de ontwikkeling en toepassing van proefdiervrije methoden meer te stimuleren (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 53)?
Ja, daar ben ik mee bekend en dat is en blijft de kern van mijn beleid. In mijn brief van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173) heb ik uiteengezet hoe ik met mijn beleid werk aan die voorloperpositie en hoe Nederland daar bijvoorbeeld met het unieke groeifondsproject Ombion invulling aan geeft.
Deelt u de mening dat het bij een land dat koploper wil zijn in proefdiervrije innovaties niet past om eenzijdig te communiceren over de vermeende noodzaak van dierproeven, maar juist het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap zou moeten uitdragen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 ben ik van mening dat er sprake is van gebalanceerde en transparante communicatie en deel ik de mening niet dat er op rijksoverheid.nl eenzijdig gecommuniceerd wordt. Er is voor de transitie naar proefdiervrije innovatie een specifiek voor dat onderwerp ingerichte website en een apart LinkedIn-account om effectief over de transitie naar proefdiervrije innovatie te communiceren, zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om de video offline te halen of aan te passen zodat ook de nadelen van dierproeven worden benoemd, conform de toezegging van uw voorganger(s)? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat met deze video op transparante en genuanceerde wijze het brede publiek kennis kan nemen van hoe en waarom dierproeven gedaan worden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 staat de video niet op zichzelf, maar is deze geplaatst in een bredere context. Ik ben dan ook niet van plan de video offline te halen.
Ik hecht veel waarde aan goede communicatie en een volledig beeld van mijn beleid, zowel voor proefdiervrije innovatie als voor dierproeven. Naast mijn al bestaande publiekscommunicatie over TPI heb ik daarom opdracht gegeven om ook een video te laten maken over proefdiervrije innovatie. Deze video zal op rijksoverheid.nl worden geplaatst.
Bent u bereid om in plaats van de betreffende video in uw communicatie over dierproeven te focussen op het belang en de noodzaak van de transitie naar proefdiervrij onderzoek, wat kan leiden tot grote medische doorbraken en onder meer goedkoper, beter vertaalbaar en diervriendelijker is, en op de stappen die Nederland zet om dit te bereiken? Zo nee, waarom niet?
Zoals opgenomen in mijn antwoord op vraag 9 ben ik niet voornemens de video te verwijderen. Wel ben ik van mening dat gebalanceerde communicatie van belang is, waarbij dus ook het belang van de transitie naar proefdiervrije innovatie goed aan bod komt. Deze communicatie bestaat al en, samen met de partners van het TPI-partnerprogramma, wordt via de website van TPI en het daarbij behorende LinkedIn-account over het beleid voor de transitie naar proefdiervrij onderzoek, inclusief de ambities, initiatieven en doorbraken, gecommuniceerd. Aanvullend op deze informatie komt er op rijksoverheid.nl nog een video over proefdiervrije innovaties, zoals ook toegelicht in mijn beantwoording van vraag 9.
Welke andere concrete maatregelen en acties gaat u treffen om ervoor te zorgen dat Nederland koploper wordt in baanbrekende proefdiervrije technologieën?
Ik heb mijn inzet voor die voorloperpositie in mijn Kamerbrief TPI en dierproeven van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173) uiteengezet. Ik verwacht in september een transitieadvies van het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) te ontvangen. Ik verwacht dat dat rapport ook adviezen zal bevatten die helpen bij het verder aanjagen van de transitie en zal de Kamer te zijner tijd mijn appreciatie op dat advies doen toekomen.
Kunt u deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja, hierbij ontvangt u mijn reactie op uw vragen.
De discrepantie tussen de gestegen AOW-leeftijd en huidige berekening van seniorendagen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe rijmt u het feit dat in diverse cao’s (waaronder Metaal en Techniek) de automatische berekening van seniorendagen (rekentool) stopt bij 65 jaar, terwijl de wettelijke AOW-leeftijd inmiddels 67 jaar of hoger is, en werknemers dus feitelijk twee jaar langer moeten doorwerken zonder deze extra verlofdagen?
Het is belangrijk dat werkenden gezond, vaardig en vitaal hun pensioen kunnen bereiken. Werkgevers en werknemers kunnen hierover arbeidsvoorwaardelijke afspraken maken in de cao, zoals extra verlof voor oudere werknemers. Het is mij bekend dat het vervallen van de seniorendagen voor werknemers vanaf 66-jarige leeftijd onderwerp van gesprek is geweest binnen de sector Metaal en Techniek. In de huidige cao van deze sector (looptijd 1 februari 2026 tot 1 februari 2028) is het betreffende artikel aangepast. Werknemers vanaf 55 jaar hebben op basis van de huidige cao-afspraak recht op extra vakantie-uren tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Ook de bijbehorende rekentool is hierop aangepast. Mijn ministerie heeft geen signalen ontvangen dat een vergelijkbare situatie ook speelt in andere sectoren.
Bent u van mening dat het laten vervallen van seniorendagen op 65-jarige leeftijd, terwijl de wettelijke pensioenleeftijd stijgt, in strijd is met het kabinetsdoel om mensen langer gezond aan het werk te houden?
Ik vind het belangrijk dat werkgevers en werknemers met elkaar het gesprek voeren over gezond langer doorwerken. Extra verlof voor oudere werknemers of werknemers met zwaar werk is één van de mogelijkheden om gezond en vitaal langer doorwerken te ondersteunen. Tegelijkertijd is duurzame inzetbaarheid breder dan dat. Duurzame inzetbaarheid vraagt om een inzet gericht op de hele loopbaan, niet alleen in de periode richting pensionering. Het is immers voor werknemers van alle leeftijden relevant om gezond en vaardig te kunnen blijven werken. Werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen zijn het beste in staat om te bepalen welke afspraken passend zijn binnen de sector of het bedrijf.
Op welke wijze kunnen cao-partijen (werkgevers en vakbonden) worden gestimuleerd om de rekentools en de bepalingen in de cao direct in lijn te brengen met de actuele AOW-leeftijd, om onduidelijkheid en onrechtvaardigheid op de werkvloer te voorkomen?
Ik begrijp dat het tot onduidelijkheid kan leiden bij werknemers wanneer arbeidsvoorwaardelijke afspraken die door werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen zijn beoogd door te lopen tot de AOW-leeftijd, eerder vervallen dan de wettelijke AOW-leeftijd. Ik ben bereid om dit signaal onder de aandacht te brengen in gesprekken tussen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Het blijft aan cao-partijen voorbehouden om de arbeidsvoorwaardelijke afspraken in een cao te bepalen. Overigens kunnen werkgevers in de toepassingspraktijk, voor zover de cao dit toelaat, ruimhartiger arbeidsvoorwaarden toekennen aan hun werknemers dan de cao voorschrijft.
Ziet het kabinet een risico op leeftijdsdiscriminatie (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)) wanneer seniorendagen stoppen bij 65 jaar, maar de pensioenleeftijd voor iedereen gelijk is?
De Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (WGBL) biedt ruimte voor leeftijdsgebonden regelingen wanneer daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Het vaststellen van een objectieve rechtvaardigingsgrond ligt bij cao-partijen. Dit moet namelijk blijken uit de specifieke omstandigheden van het geval en is niet af te leiden uit de tekst van de cao-bepaling. Hiervoor is het ook belangrijk om een afspraak binnen het bredere pakket van samenhangende maatregelen in de betreffende cao te bezien.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het meebewegen van (cao-)rekentools met de levensverwachting, zoals afgesproken in het pensioenakkoord?
Rekentools die horen bij cao-afspraken worden niet door het Ministerie van SZW bijgehouden. Wel voert het Ministerie van SZW breder cao-onderzoek uit naar maatregelen voor oudere werknemers. De meest recente onderzoeksrapportage met informatie over extra verlof is «Oudere werknemers 2025: Cao-afspraken over extra verlof, arbeidsduurverkorting, verlofsparen en RVU».1
Op welke termijn kunnen werknemers verwachten dat de berekening van extra vakantierechten voor oudere werknemers (zoals in artikel 51 cao’s) automatisch wordt aangepast aan de AOW-gerechtigde leeftijd?
Het is niet aan mij om daar een termijn aan te koppelen. De arbeidsvoorwaarden en in het bijzonder de cao’s waarin onderhavige afspraken staan, zijn immers de verantwoordelijkheid van sociale partners. Deze cao’s hebben veelal een looptijd van 1 tot 2 jaar. Het is aan sociale partners om af te wegen of aanpassing nodig is en of ze daarvoor de cao tussentijds willen wijzigen of dat ze deze wijzigingen laten meelopen in de reguliere cao-onderhandelingen.
Hoe rijmt u het verdwijnen van seniorendagen vanaf 65 jaar met de noodzaak om fysiek of mentaal zware beroepen werkbaar te houden tot de verhoogde pensioenleeftijd?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen gezond, vaardig en vitaal de eindstreep kunnen halen. Afspraken maken over extra verlof voor oudere werknemers met zwaar werk kan een manier zijn om gezond langer doorwerken te stimuleren. Hiermee wordt de werknemer met zwaar werk meer hersteltijd geboden. Maar gezond langer doorwerken vraagt een bredere aanpak. De gezamenlijke agenda voor duurzame inzetbaarheid van het kabinet en sociale partners, die voortkomt uit het akkoord «Gezond naar het pensioen» (2024), ondersteunt deze inspanningen. Met de agenda wordt ingezet op het zoveel mogelijk voorkomen of verlichten van belastende werkzaamheden bij de bron, en om waar mogelijk een tijdige overstap van zwaar naar lichter werk te stimuleren.
Hoewel arbeidsvoorwaarden primair een zaak zijn van sociale partners, draagt u systeemverantwoordelijkheid voor de arbeidsmarkt en volksgezondheid. Bent u daarom bereid om op zeer korte termijn in gesprek te gaan met de Stichting van de Arbeid om een landelijke richtlijn of handreiking op te stellen, die garandeert dat seniorendagen in cao’s organisch doorlopen tot aan de feitelijke, individuele AOW-datum van de werknemer? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard ben ik zoals gezegd bereid dit signaal onder de aandacht te brengen in gesprekken met sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Het is de verantwoordelijkheid van sociale partners om er waar dat nodig is, voor te zorgen dat de arbeidsvoorwaarden goed aansluiten op wettelijke maatregelen of wijzigingen daarin. De vraag of naar aanleiding van dit signaal eventuele vervolgacties nodig zijn, zoals een handreiking vanuit sociale partners, is dan ook aan hen.
Het bericht 'Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: 'Dit is niet uit te leggen'' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Herbert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering»?1
Deelt u de constatering dat veel veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de pilotfase en dat dit vooral te wijten is aan de complexe bekostiging? Zo nee, op basis van welke cijfers?
Hoeveel zorginnovaties die in een pilot- of proeftuinfase aantoonbaar kosteneffectief zijn gebleken, zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk opgeschaald naar reguliere, structureel bekostigde zorg? Kunt u dit per jaar uitsplitsen?
Bent u bereid de Kamer per brief een overzicht te sturen van de gemiddelde kosten die medtech-bedrijven maken van concept tot markttoelating en vergoeding (R&D, klinische validatie, CE-markering/MDR, markttoegang), en die kosten zowel economisch als gezondheidseconomisch te duiden?
Bent u bereid in diezelfde brief dezelfde uitsplitsing op te nemen voor biotech-bedrijven, met onderscheid tussen diagnostiek en farmaceutische ontwikkeling, en die ook economisch en gezondheidseconomisch te duiden?
Beschikt u (of het Zorginstituut, de NZa en Invest-NL) überhaupt over een integraal beeld van deze kosten per subsector? Zo nee, hoe kan het kabinet dan gericht innovatie- en bekostigingsbeleid voeren?
Welk deel van deze kosten komt voort uit regeldruk en bekostigingseisen die de overheid zelf oplegt (MDR/IVDR, pakketbeoordeling, schotten in de bekostiging), en welke maatregelen neemt u om juist dat deel te verlagen?
Welk percentage van de medtech- en biotech-startups dat seed funding ontvangt, haalt een vervolgronde (Serie A en verder) en bereikt de markt? Kunt u dit uitsplitsen naar (a) medtech, (b) biotech-diagnostiek en (c) biotech-farma?
Kunt u deze slagingskansen ook uitsplitsen per regio of life-sciences-cluster (onder meer Leiden, Oss/Brabant, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Amsterdam, Utrecht en Limburg)? Welke regio’s blijven achter, en waarom?
Klopt het dat de meeste Nederlandse zorginnovaties sneuvelen in de fase na seed funding, de zogenoemde «valley of death»? Welk maatschappelijk en economisch rendement gaat hierdoor naar uw schatting jaarlijks verloren?
Hoeveel van de bedrijven die via het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund (volgens recente analyses circa 1,3 miljard euro voor life sciences, waaronder 246 miljoen euro via het programma Biotech Booster) zijn inmiddels doorgegroeid naar de opschalings- of marktfase, en hoe verhoudt zich dat tot de gestelde doelen?2
Hoe verhouden de slagingskansen, doorlooptijden en kosten om zorginnovaties naar de markt te brengen zich tot die in België en Duitsland? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
Op welke punten presteren België (onder meer Vlaanderen) en Duitsland aantoonbaar beter in het opschalen en vergoeden van bewezen zorginnovaties, en welke concrete lessen trekt u daaruit?
Deelt u de zorg dat Nederlandse zorginnovatoren en investeringen weglekken naar het buitenland wanneer opschaling en vergoeding hier trager en duurder verlopen dan over de grens? Zo nee, waarom niet?
Bent u of is uw ministerie de afgelopen kabinetsperiode met uw Belgische en Duitse ambtsgenoten in gesprek geweest over grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Ziet u kansen om voor een grensregio als Limburg een gezamenlijke, grensoverschrijdende proeftuin voor zorginnovatie met gedeelde financiering op te zetten, samen met kennisinstellingen als Maastricht University, UHasselt en RWTH Aachen en de ROM LIOF (en de ROM-equivalenten België en Duitsland)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Interreg-structuren (Euregio Maas-Rijn en Vlaanderen–Nederland) gerichter in te zetten om financierings- en regelgevingsbarrières voor zorginnovaties in de grensregio weg te nemen?
Bent u bereid gezamenlijk te komen tot een concreet plan van aanpak om de «valley of death» voor bewezen, kostenbesparende zorginnovaties te overbruggen, inclusief meetbare doelen en een tijdpad waarop de Kamer de voortgang kan toetsen?
Bent u bereid de in de vragen 4 en 5 genoemde Kamerbrief uiterlijk voor de aanstaande begrotingsbehandeling te sturen en daarin ook (a) de slagingskansen na seed funding per regio en (b) een vergelijking met België en Duitsland op te nemen?
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio’s hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio’s zijn verdeeld?
Welke formele eisen aan eigen inbreng of cofinanciering stellen publieke fondsen en de ROM’s (waaronder LIOF en BOM) bij seedfinanciering aan startups, en zijn deze publiek kenbaar?
In hoeverre hanteren individuele investment managers en investeringscommissies van deze fondsen daarbovenop informele, niet-gecodificeerde verwachtingen over eigen inbreng van oprichters (bijvoorbeeld een bedrag in de orde van 50.000 euro of een co-investeringseis), en in hoeveel gevallen is zo’n verwachting een drempel of afwijzingsgrond gebleken?
Welk deel van de ontwikkelkosten van veelbelovende medtech- en diagnostiekstartups gaat op aan het voldoen aan de MDR en IVDR (klinische evaluatie, technische documentatie, beoordeling door een aangemelde instantie), en hoeveel startups komen hierdoor in financiële problemen of haken af?
In hoeverre hanteren publieke fondsen en ROM’s bij seedfinanciering voorwaarden die een redelijk ondernemerssalaris voor oprichters beperken of ontmoedigen, en hoeveel oprichters stoppen mede daardoor?
In hoeverre leiden de rendements- en revolverendheidseisen aan de ROM’s ertoe dat publiek kapitaal vooral naar veilige, latere-fase- en Randstad-investeringen vloeit, ten koste van vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s?
Bent u bereid, als kansarme regio’s structureel blijken achter te blijven, gezamenlijk geoormerkt extra kapitaal vrij te maken voor de ROM’s in die regio’s, gericht op behoud en opschaling van zorginnovatie?
Bent u bereid de seedfinanciering voor zorgtechstartups (incl. biotech en medtech) te verhogen en de eis van een directe, substantiële eigen inbreng te schrappen of te versoepelen?
Bent u bereid een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoedt?
Bent u bereid de ROM’s en publieke fondsen ertoe aan te zetten oprichters tijdens de seedfase een redelijk salaris toe te staan, in plaats van te verlangen dat zij zonder inkomen ondernemen?
Bent u bereid de opdracht en rendementseisen van de ROM’s zo bij te stellen dat vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s wordt aangemoedigd, en de Kamer met meetbare doelen en periodieke rapportage te tonen of het extra kapitaal daadwerkelijk in die regio’s en die vroege fase terechtkomt?
Spoorgoederenvervoer |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Investigation confirms: Dutch rail freight costs far exceed those of neighbouring countries»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Herkent en onderschrijft u de analyse van spoorgoederenkosten/infraheffingen die ProRail en Havenbedrijf Rotterdam hebben gemaakt?
De analyse geeft een goed inzicht in de verschillende tarieven in Nederland, Duitsland en België en de wijze waarop die uitwerken op diverse vervoersroutes. Daarmee biedt het een bruikbaar beeld van de kosten waarmee spoorgoederenvervoerders op deze routes worden geconfronteerd. Het onderzoek onderstreept dat er grote verschillen bestaan tussen landen in de hoogte van tarieven en in de mate waarop het spoorgoederenvervoer aanvullend gesubsidieerd wordt.
Erkent u dat de Nederlandse economie is gebaat bij een (goederen)vervoerssysteem verspreid over de diverse modaliteiten?
Voor een robuust en betrouwbaar goederenvervoerssysteem zijn alle modaliteiten van belang. Een goede balans tussen weg, spoor, binnenvaart, zeevaart en buisleidingen draagt bij aan de bereikbaarheid, leveringszekerheid en economische kracht van Nederland. Dit uitgangspunt is terug te vinden in de recente beleidsbrief IenW en ook terug te vinden in de Beleidsagenda Goederenvervoer en het Toekomstbeeld Spoorgoederenvervoer 2050, die in onderlinge samenhang zijn opgesteld.
In hoeverre onderschrijft u de stelling dat er de afgelopen jaren sprake is van een «reverse modal shift», waarbij goederen die voorheen per spoor of binnenvaart werden vervoerd, steeds vaker via de weg worden vervoerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het aandeel van het spoor in de modal split is de afgelopen jaren afgenomen. Tussen 2015 en 2021 schommelde het vervoerde volume per spoor tussen ongeveer 40 en 43 miljoen ton. Na een incidentele piek in 2022, onder meer als gevolg van een extra vraag naar kolenvervoer, is dit volume gedaald naar ruim 36 miljoen ton in 2025. De ontwikkeling van de modal split wordt beïnvloed door diverse factoren, waaronder economische ontwikkelingen, veranderingen in goederenstromen en de concurrentiepositie van de verschillende modaliteiten, havens en industriegebieden in binnen- en buitenland.
Bent u – zoals uit het artikel blijkt – van mening dat de hoge kosten waar spoorgoederenvervoer bedrijven zich in Nederland voor gesteld zien, bijdragen aan deze «reverse modal shift»? Zo nee, waarom niet?
De kosten die vervoerders betalen voor het gebruik van het spoor vormen een wezenlijk onderdeel van de totale kosten van het spoorgoederenvervoer.
Tegelijkertijd wordt de afname van het spoorgoederenvervoer de afgelopen jaren grotendeels verklaard door andere ontwikkelingen. De belangrijkste oorzaak is de sterke afname van het kolenvervoer als gevolg van de voorziene sluiting van kolencentrales in Duitsland. ProRail concludeert in de jaarrapportages over het spoorgoederenvervoer onder meer het volgende:
Voor het intermodale vervoer zijn de volumes relatief stabiel gebleven, maar ik hoor wel dat er verschuivingen hebben plaatsgevonden: vooral op de kortere afstanden is het moeilijker geworden om met de weg te concurreren en daar kunnen kosten een rol in spelen. Verder constateer ik dat het vervoerders momenteel onvoldoende lukt om nieuwe ladingstromen naar het spoor te trekken. De kostenpositie van het spoor kan daarin een factor zijn.
Waarom heeft Nederland geen gelijk speelveld met de met ons omringende landen?
Er is één Europees kader voor vaststelling van de gebruiksvergoeding, maar daarbinnen zijn bepaalde vrijheden om dit nader in te vullen. Zo kan ervoor gekozen worden om een extra heffing in te voeren om extra kosten door te berekenen aan de gebruikers van het spoor, op voorwaarde dat de markt dit kan dragen. Omgekeerd kan voor de dienstvoorzieningen (zoals de dienst opstellen en rangeren) gekozen worden om de kosten niet geheel door te berekenen. In aanvulling op de vaststelling van de gebruiksvergoeding gaan landen verschillend om met inzet van het subsidie-instrumentarium. Deze combinatie leidt er op dit moment toe dat het spoorgoederenvervoer vanuit Rotterdam op de onderzochte routes «duurder» is dan vanuit Antwerpen. Kijkend naar Hamburg is te zien dat Rotterdam meestal vergelijkbaar of «goedkoper» is.
Worden de infraheffingen voor het rijden van goederentreinen en die voor het opstellen en rangeren van goederentreinen taakstellend bepaald of vastgesteld? Zo ja, door wie?
Het vaststellen van de gebruiksvergoedingstarieven ligt bij ProRail. De gebruiksvergoedingstarieven dekken nu ongeveer 18% van de kosten van ProRail voor het beheer en onderhoud van het spoor. De rest van de kosten wordt door de rijksbijdrage van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan ProRail gedekt. Het (eventueel) verstrekken van directe subsidies aan vervoerders of het via een extra heffing extra kosten doorberekenen aan de markt is de verantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW.
Wie neemt het besluit en wat is de basis voor de infraheffingstarieven?
De gebruiksvergoedingstarieven worden door ProRail vastgesteld binnen de Europese en nationale wettelijke kaders die daarvoor gelden. De regels voor de vergoedingen voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur vinden hun basis in de Europese sera-richtlijn (richtlijn 2012/34/EU). De sera-richtlijn verplicht de infrastructuurbeheerder de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien door te berekenen aan spoorwegondernemingen. Daaronder valt bijvoorbeeld een deel van de kosten voor spooronderhoud en de personeelskosten van treindienstleiders. Dit gebeurt via de vergoeding minimumtoegangspakket (VMT). Hiervoor zijn nadere regels gesteld in uitvoeringsverordening 2015/909/EU «betreffende de modaliteiten voor de berekening van de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien». De methodiek waarin ProRail beschrijft welke kosten worden opgenomen in de VMT moet voor de toepassing van de vergoedingen worden goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt.
Daarnaast worden er op basis van de sera-richtlijn door ProRail ook vergoedingen berekend voor het gebruik van bepaalde diensten, zoals opstellen en rangeren.
De sera-richtlijn is nationaal geïmplementeerd via de Spoorwegwet en het onderliggende besluit implementatie richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte.
Wordt bij de vaststelling van de infraheffingen gestuurd op een optimaal evenwicht tussen opbrengsten uit infraheffingen en het behoud of de groei van het goederenvervoer per spoor? Daarbij rekening houdend met de prijsgevoeligheid van verladers bij de keuze tussen vervoerwijzen. Kunt u dit toelichten?
Op basis van de sera-richtlijn is ProRail verplicht om de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie van de treindienst door te berekenen aan spoorwegondernemingen. Daarbij kan dus niet gezocht worden naar een evenwicht tussen opbrengsten en effecten op de markt.
Kosten die niet rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie kunnen via een eventuele extra heffing op verzoek van het Ministerie van IenW worden doorberekend, op voorwaarde dat de markt dit kan dragen. Hierbij wordt rekening gehouden met de prijselasticiteit van onder andere goederenvervoerders. Op dit moment wordt echter geen extra heffing toegepast en toepassing hiervan is voor de huidige tariefperiode van de gebruiksvergoeding (2026–2029) ook niet voorzien.
Voor het bepalen van de kosten voor diensten als opstellen en rangeren worden door ProRail minimaal de directe kosten doorberekend.
Welke factoren bepalen de hoogte van de infraheffingstarieven? Kunt u toelichten hoe deze factoren worden meegewogen?
ProRail bepaalt de hoogte van de gebruiksvergoedingstarieven. Zoals bij vraag 8 is aangegeven doet ProRail dat binnen de Europese en nationale wettelijke kaders die van toepassing zijn.
ProRail spant zich in om, voor zover mogelijk, te zorgen dat het spoor betaalbaar blijft en neemt hiervoor verschillende maatregelen binnen het door IenW en ProRail gezamenlijk vastgestelde Basis Kwaliteitsniveau Spoor (BKN). Door scherpe keuzes te maken in de inrichting van het onderhoud en efficiënte inzet van mensen en capaciteit, wordt geprobeerd de capaciteit van het spoor zo optimaal en betaalbaar mogelijk te benutten.
Wordt er daarbij rekening gehouden met tarieven in het buitenland?
Bij het vaststellen van tarieven voor een nieuwe periode van de gebruiksvergoeding wordt ook gekeken naar andere landen. Het verschil in kosten voor gebruikers van het spoor tussen Nederland en omringende landen zit onder andere in verleende subsidies door de omringende landen.
Welke mogelijkheden ziet u om het spoorgoederenvervoer in Nederland een «level playing field» te bieden met het buitenland?
De tarieven voor opstellen en rangeren zijn met de tariefswijzigingen per 1 januari 2026 verlaagd. Er is toen ook besloten om geen subsidie meer te geven2. Met deze wijzigingen is het verschil met de ons omringende landen per 2026 minder geworden3. Vanuit vervoerders wordt gepleit voor verdere verlaging van de tarieven naar een niveau voor 2023 toen de tarieven voor opstellen en rangeren nog lager waren. Dit is een maatregel met een tijdelijk effect. Gelet op de schaarste aan financiële middelen is mijn kabinetsinzet gericht op maatregelen die de kostenpositie structureel versterken in plaats van tijdelijke subsidies. Voorbeelden van deze inzet zijn de focus op een goede instandhouding en op het kunnen rijden met 740 meter lange treinen.
De grote tariefverschillen tussen landen vind ik niet wenselijk. Daarom zet ik mij in Europees verband al geruime tijd in voor verdere harmonisatie richting een meer uniforme toepassing van het Europees raamwerk voor de gebruiksvergoeding. Deze inzet zal tijd vragen. Recentelijk nog heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat de actualisatie van de interne-marktactieagenda naar de Tweede Kamer gestuurd waarin dit ook is opgenomen4.
Is er een relatie tussen de hoogte van de infraheffing en de geleverde kwaliteit van de dienstverlening van de nationale spoorbeheerder? Zo nee, waarom niet?
Voor de periode 2026–2029 is besloten om 18% van de instandhoudingskosten te dekken uit de gebruiksvergoeding die vervoerders betalen. Dit percentage is gelijk aan de periode 2023–20255. De prestaties van het goederenspoor zijn de afgelopen jaren verbeterd. Via het verbeterprogramma Zee-Zevenaar is door ProRail veel werk verzet in het wegwerken van achterstallig onderhoud op de Rotterdamse havenspoorlijn. Dit heeft geleid tot een forse reductie in het aantal hinderrijke storingen.
Is het niet zaak nu het vervoer per spoor Europees (zowel personen- als goederenvervoer) meer wordt geüniformeerd (bijv. qua stelsel, marktordening, spoorveiligheid, etc.) om ook de publieke lastendruk van de spoorgoederensector (meer) te harmoniseren?
Daar zet ik mij voor in. Ik verwijs daarbij ook naar mijn antwoord op vraag 12.
Zijn de infraheffingen voor het opstellen van goederentreinen op de emplacementen in de havens, bij de inland terminals en in de industriegebieden, in lijn met die van het wegtransport? Kunt u dit toelichten?
De tarieven voor het opstellen en rangeren van goederentreinen zijn niet direct vergelijkbaar met bijvoorbeeld de kosten van parkeren in het wegvervoer.
Welke mogelijkheden ziet u verder om van overheidswege de «reverse modal shift» te keren?
Voorafgaand aan het Commissiedebat Spoorgoederenvervoer ontvangt u een brief, waarin ik mijn beleidsinzet voor het spoorgoederenvervoer voor de komende jaren uiteenzet.
Bent u bereid deze schriftelijke vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Spoorgoederenvervoer van woensdag 17 juni 2026?