Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Het bericht 'Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao' |
|
Elles van Ark (CDA), Derk Boswijk (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Aukje de Vries (VVD), van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de NRC-artikelen «Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao» van 21 januari 2026 en «Olietankers uit Venezuela door Nederland en Curaçao aan de ketting gelegd» van 7 februari 2026?1, 2
Klopt het dat de olietanker Regina op 15 januari 2026 Venezolaanse olie heeft gelost in Curaçao terwijl het schip voer onder een frauduleuze vlag van Oost-Timor, de verplichte Automatic Identification System (AIS)-transponder langdurig was uitgeschakeld, het schip vermeld stond op een Amerikaanse sanctielijst en het opgegeven Maritime Mobile Service Identity (MMSI)-nummer niet bij dit schip hoorde? Zo ja, hoe verklaart u dat dit schip desondanks toestemming heeft gekregen om aan te meren en te lossen?
Wanneer waren het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Inspectie Leefomgeving en Transport en andere betrokken Nederlandse autoriteiten voor het eerst op de hoogte van deze overtredingen en signalen, waaronder de internationale waarschuwingen van Oost-Timor aan Internationale Maritieme Organisatie (IMO)-lidstaten over frauduleuze vlagvoering?
Hoe verhoudt de eerdere verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederland pas na vragen van NRC op 21 januari 2026 kennisnam van de valse vlag en andere schendingen zich tot het feit dat de Curaçaose Maritieme Autoriteit al eerder twijfels had over de vlagvoering en hierover contact opnam met Nederland?
Klopt het dat de Regina pas bij het tweede aanmeren op 28 januari 2026 aan de ketting is gelegd, nadat vanuit Den Haag was bevestigd dat sprake was van valse vlagvoering en vermoedelijke schendingen van Europese sanctieregels? Wat zegt dit volgens u over het eerdere toezicht en de informatie-uitwisseling?
Welke verantwoordelijkheid draagt Nederland dan wel Curaçao voor de veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de Filipijnse bemanning van de Regina, die door het aan de ketting leggen van het schip vast is komen te zitten, en welke stappen zijn hierin gezet?
Klopt het dat ook andere tankers die op internationale sanctielijsten staan, zoals de Volans en mogelijk de Albedo, onderweg zijn of waren naar Curaçao? Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat opnieuw schepen met vergelijkbare risico’s worden toegelaten?
Klopt het dat oliehandelaar Trafigura door de Amerikaanse overheid is ingehuurd om Venezolaanse olie te commercialiseren en dat daarvoor een vergunning van de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC is verleend? Is de Nederlandse regering vooraf geïnformeerd over deze constructie en de daaraan verbonden juridische en politieke risico’s?
Heeft de Verenigde Staten contact met Nederland of Curaçao gezocht naar aanleiding van het aan de ketting leggen van de schepen?
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao en Nederland door het faciliteren van deze olietransporten en -opslag worden betrokken bij het omzeilen van sancties en mogelijk schendingen van internationaal recht?
Deelt u de opvatting van verschillende hoogleraren internationaal recht en Caribisch staatsrecht dat deze kwestie niet kan worden aangemerkt als een louter commerciële transactie, maar raakt aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Is deze kwestie in de Rijksministerraad besproken, waar Nederland een belangrijke (meerderheids)stem heeft? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens dit alsnog te agenderen? Bent u van mening dat het in deze casus van groot belang is dat Nederland en Curaçao gezamenlijk optrekken, gezien de rijksverantwoordelijkheid voor buitenlandse betrekkingen, sanctieregimes en de naleving van internationaal recht?
Het bericht 'Jos voelt zich misleid na 43 jaar ploegendienst in pvc-fabriek' |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Jos (64) uit Beek voelt zich misleid na 43 jaar ploegendienst in pvc-fabriek die op faillissement afstevent: «We zijn belazerd»», over de (aanstaande) faillissementssituatie rond Vynova in Beek en de mogelijke gevolgen voor werknemers en oud-werknemers, waaronder het mislopen van loon, een Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU-)regeling, en vergoedingen uit het sociaal plan?1
Hoe beoordeelt u dat er volgens berichtgeving een sociaal plan is overeengekomen met toezeggingen over onder meer ontslagvergoedingen, terwijl (een deel van) de betrokken werknemers inmiddels geen salaris over januari heeft ontvangen en uitbetaling van vergoedingen uit het sociaal plan onzeker is een aangevraagd faillissement?
Deelt u de opvatting dat werknemers, zeker na tientallen dienstjaren, zwaar mogen leunen op gemaakte afspraken en toezeggingen in een sociaal plan, en dat het maatschappelijk vertrouwen wordt geschaad als zulke toezeggingen bij een sluiting niet worden nagekomen?
Kunt u toelichten welke normatieve betekenis u hecht aan sociale plannen in dit soort situaties?
Klopt het dat (ex-)werknemers die gebruikmaakten van een RVU bij Vynova, omdat zij daarvoor zelf ontslag moesten nemen, in beginsel geen aanspraak meer hebben op een Werkloosheidswet (WW-)uitkering wanneer de RVU-uitkeringen vervolgens wegvallen door betalingsonmacht van de werkgever?
Zo ja, hoe beoordeelt u deze uitkomst in het licht van inkomenszekerheid en de bedoeling van RVU-afspraken?
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van deze situatie, te bezien of de huidige systematiek rond RVU-afspraken waarbij werknemers «op eigen verzoek» uit dienst gaan (en daarmee WW-rechten kunnen verliezen) aanvullende waarborgen behoeft voor het geval de werkgever de RVU-verplichting daarna niet (meer) kan nakomen, bijvoorbeeld door insolventie? Zo ja, welke opties verkent u? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij bedrijfssluitingen en herstructureringen sociale plannen en bijbehorende financiële verplichtingen beter worden geborgd (bijvoorbeeld via zekerheidsstellingen), zodat werknemers niet alsnog met lege handen staan bij surseance of faillissement?
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met sociale partners?
Het bericht dat er vier Nederlandse baby’s ziek zijn geworden na het drinken van Nestlé-voeding |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Rummenie , Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er Nederlandse baby’s ziek zijn geworden na het drinken van Nestlé-voeding, en dat er zich tot op de dag van vandaag nog meer gevallen melden?1
Het kabinet vindt het zorgelijk dat onveilige levensmiddelen op de markt zijn gekomen en begrijpt heel goed de ongerustheid die ouders hierover kunnen hebben. Het kabinet volgt de situatie nauwgezet en heeft hierover nauw contact met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA houdt intensief toezicht op het opsporen en het van de markt halen van deze producten.
Deelt u de mening dat een besmetting van babyvoeding met de toxine cereulide een groot risico kan vormen voor baby’s? Zo ja, bent u bereid zo snel mogelijk een publieke waarschuwing uit te doen om ouders te waarschuwen?
Ja, die mening deelt het kabinet. Cereulide in zuigelingenvoeding kan een risico vormen voor baby’s. Vanuit de producenten (Nestlé en Danone) zijn publieke waarschuwingen uitgegaan om ouders te waarschuwen en de NVWA heeft eveneens veiligheidswaarschuwingen afgegeven.
Hoe kan het dat er pas 5 januari 2026 een veiligheidswaarschuwing door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) werd geplaatst, terwijl de eerste verontreiniging al op 9 december 2025 aan de NVWA werd gemeld?2
Begin december 2025 werd de eerste verontreiniging gemeld bij de NVWA. De oorzaak leek een enkele verontreinigde productielijn bij de productielocatie van Nestlé in Nederland te zijn. De producten van deze lijn waren wel in Nederland geproduceerd, maar niet in Nederland verkocht. In landen waar de producten verkocht zijn, is een veiligheidswaarschuwing afgegeven.
Op 5 januari jl. meldde Nestlé dat uit de oorzaakanalyse bleek dat niet de productielijn, maar een verontreinigde grondstof de oorzaak leek te zijn. Daarop is de terugroepactie uitgebreid naar andere producten vanuit de productielocatie in Nederland als ook vanuit Nestlé productielocaties in andere lidstaten. Een tweetal van die producten bleken wel in Nederland te zijn verkocht en dus heeft de NVWA op 5 januari een veiligheidswaarschuwing geplaatst.
Is het juist dat de NVWA geen Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF) melding heeft gedaan over de aangetroffen cereulide in babymelk, omdat de melk weliswaar in Nederland werd geproduceerd, maar niet werd verkocht? Zo ja, deelt u de mening dat er bij besmettingen van babyvoeding altijd onmiddellijk een Europese melding moet worden gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet juist. De NVWA heeft zowel begin december na de eerste melding, als begin januari na de aanvullende melding van mogelijk onveilige zuigelingenvoeding geproduceerd in Nederland, een RASFF melding gedaan.
Hoe kan het dat er tot deze week nog terugroepacties van babymelk zijn en de Nederlandse overheid tot nu toe niet ingreep?3
Als er een stof in een product wordt gevonden dat een risico vormt voor de volksgezondheid, dan is de producent verplicht een terugroepactie uit te voeren. Na een eerste vondst worden vaak vervolgonderzoeken uitgevoerd. Als daar uit komt dat meer producten in aanmerking komen voor terugroepacties, dan kan het zijn dat in verloop van tijd meerdere terugroepacties nodig zijn. Zo riep Nestlé eerst zuigelingenvoeding terug vanwege mogelijke aanwezigheid van cereulide. Nadat de veilige grens voor cereulide werd aangescherpt, volgde een terugroepactie van Danone voor Nutrilon-producten. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven heeft de NVWA direct ook acties ondernomen, zoals het plaatsen van veiligheidswaarschuwingen op de website van de NVWA en het doen van RASFF meldingen om andere Europese landen te waarschuwen. De prioriteit van de NVWA ligt momenteel bij het traceren van producten met de betreffende grondstof en het actief weren van die producten op de markt. Daarnaast wordt door de NVWA en het Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) onderzoek gedaan naar de oorzaak, de risicobeoordelingen en maatregelen van de betrokken bedrijven.
Wat is de reden dat er in het buitenland massaal terugroepacties zijn, maar niet in Nederland?4
In Nederland zijn ook terugroepacties geweest. Zie het antwoord op vraag 5 voor een toelichting op terugroepacties.
Waarom plaatst de NVWA enkel terugroep acties van producten die in supermarkten te koop zijn en niet die van online producten, zoals het teruggeroepen Babybio Optima 1? Deelt u de mening dat ook ouders die online kopen gewaarschuwd moeten worden?
Het kabinet deelt de mening dat ook ouders die online producten kopen geïnformeerd dienen te worden over onveilige producten. Het online platform beschikt over contactgegevens van een consument die producten heeft gekocht en moet de koper rechtstreeks benaderen en waarschuwen. De NVWA controleert of dat ook gebeurt en als hierbij overtredingen worden geconstateerd, wordt handhavend opgetreden.
Deelt u de mening, nu de terugroepacties massaal in heel Europa plaatsvinden, dat deze kwestie van besmetting met cereulide niet langer kan worden overgelaten aan de producenten zelf? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deelt het kabinet niet. In de Europese Algemene Levensmiddelenverordening is vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid primair bij het levensmiddelbedrijf ligt. Die verantwoordelijkheid omvat ook het nemen van passende maatregelen wanneer onveilige levensmiddelen zijn geproduceerd en in de handel gebracht, als ook maatregelen om herhaling te voorkomen. In dit stelsel controleren de NVWA en het COKZ of de levensmiddelenbedrijven zich aan de wettelijke regels houden en de juiste maatregelen nemen. Er vindt intensief toezicht plaats door de NVWA en COKZ op dit incident. Zie ook het antwoord op vraag 5 over de acties die door de toezichthouders worden uitgevoerd.
Bent u bekend met het feit dat de overheid in België de regie heeft gepakt en bezorgde ouders via de overheidssite waarschuwt?5 Bent u tevens bekend met het feit dat de Britse overheid momenteel 36 gevallen van zieke baby’s onderzoekt en de Franse overheid de dood van twee baby’s? Zo ja, wanneer gaat de Nederlandse overheid stappen ondernemen om de ouders gerust te stellen en de onderste steen boven te krijgen van dit voedselschandaal?
Het kabinet is bekend met het feit dat in België, als ook in andere lidstaten binnen de Europese Unie, aandacht is voor deze situatie. In België, en andere lidstaten, speelt hetzelfde incident, waardoor ook in België de nationale toezichthouder hierop toeziet. Dat gebeurt op dezelfde wijze als de NVWA in Nederland doet. Het kabinet kan zich de zorgen van ouders van een kind dat dergelijke voeding krijgt ook goed voorstellen, zeker wanneer onderzoek wordt gedaan naar verontreinigde zuigelingenvoeding als mogelijke oorzaak van het overlijden van drie baby’s. Daarom is het belangrijk dat voeding die onveilig blijkt zo snel als mogelijk wordt teruggeroepen.
Zoals in eerdere antwoorden op de vragen aangegeven heeft de NVWA naast publiekswaarschuwingen meermaals actief extra informatie gedeeld via persberichten, als ook op hun website.6 De NVWA heeft veelvuldig informatie gedeeld, mede gericht op ouders, en zijn vragen van de media beantwoord. Daarbij is ook de oproep gedaan om melding te maken van kinderen met klachten die overeenkomen met consumptie van cereulide en waarbij zuigelingenvoeding die nog niet is teruggeroepen, mogelijk de oorzaak van die klachten is.
Daarnaast doen zoals ook in antwoord op vraag 5 aangegeven, de NVWA en het COKZ vanaf de eerste melding onderzoek naar de oorzaak, de risicobeoordelingen en maatregelen van de betrokken bedrijven. Verder heeft in Nederland ook het Voedingscentrum een taak in het voorlichten van het publiek over voedselveiligheidsrisico’s.7 Het Voedingscentrum heeft gerichte informatie voor ouders en verzorgers naar aanleiding van dit incident gepubliceerd op zijn website en via sociale media.
Hebben de producenten inmiddels volledige openheid gegeven over de bron van besmetting en de garantie dat ze dit probleem daadkrachtig hebben aangepakt?
Hier kan pas iets over worden geconcludeerd wanneer het onderzoek van de NVWA en het COKZ is afgerond.
De prioriteit van de NVWA ligt momenteel bij het traceren van producten met de betreffende grondstof en het actief weren van die producten op de markt. Daarnaast wordt ook gekeken of meldingen van bedrijven tijdig en volledig zijn gedaan. Wanneer overtredingen worden geconstateerd, wordt handhavend opgetreden.
Bent u bereid om te zorgen voor één centraal, volledig en actueel overzicht (door NVWA zelf of in afstemming met COKZ/Nestlé) met alle betrokken producten, batches/lotnummers, verkooppunten/kanalen, distributieperiode en gezondheidsinformatie, zodat consumenten en zorgprofessionals niet afhankelijk zijn van versnipperde updates?
Een volledig en actueel overzicht van betrokken producten en partijen is terug te vinden op de website van de NVWA (https://www.nvwa.nl/actueel/actuele-onderwerpen/5-vragen-over-cereulide-in-zuigelingenvoeding), evenals gezondheidsinformatie (veiligheidsinformatie) voor ouders. Het is bijna onvermijdelijk dat informatie over verkooppunten/-kanalen ook bij de NVWA gefragmenteerd bekend wordt. Voor de distributieperiode geldt dat die per individuele verkooplocatie kan verschillen. Om de informatie duidelijk te houden en niet gefragmenteerd door te geven is er bewust voor gekozen om communicatie gericht te houden op het product zoals de consument dat in huis kan hebben staan.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden, gezien de onrust bij ouders en het zich uitbreidende schandaal?
Ik heb me ervoor ingespannen om de antwoorden zo snel mogelijk na het aantreden van het kabinet te sturen.
De ‘pijplijnactie’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Naar welke «pijplijnactie» verwees u in dit debatfragment1? Wordt er verwezen naar het opblazen van de Nordstream? Of betreft het een incident met een andere pijplijn? Zo ja, welke pijplijn?
Maakte Nederland (al dan niet indirect) gebruik van de getroffen pijplijn? Indien dat niet het geval is, waarom was het kabinet dan geïnteresseerd in een gesprek hierover met deze officier?
In welk land wordt «de Oekraïense officier» verdacht van betrokkenheid bij de pijplijnactie? Kunt u meer informatie geven over deze verdenking?
Door welk ander Europees land was deze Oekraïense officier op de lijst van het Schengeninformatiesysteem (SIS) geplaatst?
Waarom is er een uitzondering gemaakt en is aan deze officier toch toegang verleend tot Nederland?
Hoe is Nederland in contact gekomen met deze Oekraïense officier? Heeft deze officier Nederlandse instanties zelf benaderd? Zo ja, welke instanties en waarom deed hij dat? Of kwam het initiatief voor dit gesprek vanuit het kabinet? Zo ja, waarom? Wat was de reden, de aanleiding?
Kan de Kamer het gespreksverslag ontvangen van het gesprek met deze Oekraïense officier? Zo nee, waarom niet?
Kan de Kamer het gespreksverslag van het gesprek met deze Oekraïense officier in vertrouwen ter inzage aangeboden krijgen? Zo nee, waarom niet?
In welke hoedanigheid werd deze officier toegang tot Nederland verleend, als privépersoon of als luitenant-kolonel van het Oekraïense leger?
Is er, naast deze Oekraïense luitenant-kolonel, door het kabinet met nog meer mensen gesproken over deze «pijplijnactie»? Zo ja, met wie?
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Mogelijke plaatsing van Chinese laadpalen bij gebouwen van de Rijksoverheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Rijkaart , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Rijksvastgoedbedrijf mogelijk honderden laadpalen van een Chinees bedrijf wil laten plaatsen bij gebouwen van de rijksoverheid, ondanks groeiende zorgen over strategische afhankelijkheid en veiligheid?1
Klopt het dat bij aanbestedingen voor laadinfrastructuur voor overheidsgebouwen het uitgangspunt is dat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse bedrijven en technologieën? Zo ja, hoe verhoudt de mogelijke keuze voor Chinese leveranciers zich tot dit uitgangspunt?
Op welke wijze zijn bij deze aanbesteding nationale veiligheidsrisico’s, waaronder cyberveiligheid, databeveiliging en mogelijke ongewenste toegang tot systemen van overheidsgebouwen, meegewogen?
In hoeverre acht u het risico reëel dat slimme laadpalen – die verbonden zijn met digitale netwerken en energie-infrastructuur – kunnen worden misbruikt voor spionage, sabotage of verstoring van vitale infrastructuur?
Wordt bij de beoordeling van dergelijke technologieën rekening gehouden met het feit dat Chinese bedrijven onder Chinese wetgeving verplicht kunnen worden om informatie te delen met de Chinese overheid? Zo ja, hoe is dit risico beoordeeld?
In hoeverre bestaat het risico dat door de inzet van Chinese technologie bij laadinfrastructuur een structurele economische afhankelijkheid ontstaat, bijvoorbeeld door onderhoud, software-updates of vervangingsonderdelen, en hoe wordt dit risico gewogen?
Hoe verhoudt deze mogelijke keuze zich tot het bredere kabinetsbeleid om strategische afhankelijkheden van China te verminderen en technologische en economische veiligheid te versterken?
Bent u bereid te onderzoeken of voor vitale of gevoelige overheidslocaties een «Europees, tenzij»-benadering kan worden toegepast bij de inkoop van energie- en laadinfrastructuur, en de Kamer hierover te informeren?
Het bericht ‘Versnippering binnen fiscus leidt tot grote verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslagen IB’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Vind u 3,9 miljard euro teveel betaalde belasting op voorlopige aanslag in 2022 te rechtvaardigen aan burgers en bedrijven?1
Een eerste voorlopige aanslag (EVA) is een schatting van de verschuldigde belasting door de Belastingdienst voor het lopende jaar, terwijl een voorlopige aanslag (VA) een later opgelegde of aangepaste schatting is op basis van nieuwe of aanvullende informatie. De eerste voorlopige aanslag wordt opgelegd aan burgers, waaronder ook ondernemers voor de inkomstenbelasting, maar een (E)VA inkomstenbelasting wordt niet opgelegd aan bedrijven. De (E)VA wordt opgelegd om te zorgen dat de belasting zoveel mogelijk tijdens het jaar zelf wordt betaald of ontvangen, in plaats van dat belastingplichtigen pas achteraf bij de definitieve aanslag (DA) bericht ontvangen over het volledig te betalen bedrag of dan pas de volledige teruggave ontvangen.
De EVA is gebaseerd op gegevens uit voorgaande jaren, die veelal door burgers aan de Belastingdienst zijn verstrekt via een aangifte of een verzoek om een VA. Op het moment van het opleggen van de EVA wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie die binnen de Belastingdienst beschikbaar is. Aangezien deze gegevens onderhevig zijn aan wijzigingen, zal de EVA afwijken van de DA. Dat is een voorzien onderdeel van het stelsel, en een verschil is daarmee te rechtvaardigen. De Belastingdienst ziet echter het belang er van in om de verschillen tussen de (E)VA en de DA te minimaliseren. Daarom informeert de Belastingdienst belastingplichtigen bij het opleggen van de EVA altijd over de gebruikte gegevens en roept zij hen op deze te controleren en waar nodig aan te passen via Mijn Belastingdienst.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van verschillen tussen de voorlopige en definitieve aanslag voor particulieren en voor het MKB?
De verschillen tussen de (E)VA en de DA ontstaan doordat een (E)VA is gebaseerd op gegevens van voorgaande jaren die bij de Belastingdienst bekend zijn. De DA daarentegen is gebaseerd op de gegevens uit de ingediende aangifte over het betreffende belastingjaar, getoetst aan de hand van contra-informatie die de Belastingdienst ontvangt van onder meer banken, werkgevers en uitkeringsinstanties. Deze informatie komt pas na afloop van het belastingjaar beschikbaar.
Bij burgers kunnen verschillen ontstaan in het inkomen, aftrekposten of vermogen. Bij ondernemers kunnen verschillen ontstaan door onder andere wisselende jaarlijkse omzetten of kostenposten. Wanneer burgers de Belastingdienst gedurende het belastingjaar niet voorzien van actuele gegevens, blijven deze verschillen gedurende het belastingjaar in stand. Voor het MKB geldt dat ongeveer 80% van de ondernemers gebruikmaakt van een fiscale dienstverlener. Deze dienstverleners kunnen becon-uitstel krijgen om de werkdruk te spreiden, wat kan oplopen tot maximaal zestien maanden. Daardoor wordt de (E)VA vaak gebaseerd op gegevens van twee tot drie jaar eerder. Bij burgers komt deze uitstelregeling minder vaak voor.
Klopt het dat verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag ook in belangrijke mate komen door het gebrek aan samenwerking tussen de Afdeling Centrale Administratieve Processen Inkomensheffing (CAP IH), die de voorlopige aanslagen oplegt en de specifieke directies Particulieren en MKB die de definitieve aanslagen opleggen?
De belangrijkste reden is de systematiek van de (E)VA zoals beantwoord in vraag 1. Het bevorderen van de samenwerking zal weinig invloed hebben op het verminderen van de verschillen. Dit is inherent aan de systematiek van de (E)VA. Manieren om de verschillen te verminderen staan opgenomen in het antwoord op vraag 7.
Waarom worden voorlopige en definitieve aanslagen via verschillende processen behandeld, terwijl het over dezelfde belastingplichtigen en belastingsoort gaat?
Het proces voor de (E)VA verschilt niet veel van dat van de DA. Een (E)VA wordt altijd gevolgd door een DA. De DA wordt opgelegd naar aanleiding van een door de burger ingediende aangifte over het betreffende jaar, in tegenstelling tot de (E)VA. Het onderscheid zit in de gebruikte gegevens. De (E)VA maakt gebruik van beschikbare gegevens uit een ingediend verzoek om VA of een aangifte van voorgaande jaren. De DA wordt vastgesteld op basis van actuele gegevens die door de burger zijn opgegeven en die worden getoetst aan de hand van contra-informatie. Deze systematiek zorgt ervoor dat het bedrag van de (E)VA in de DA wordt aangepast aan de werkelijke gegevens.
Bent u het ermee eens dat het minimaliseren van verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag wél tot de taakopdracht en doelstellingen van CAP IB en de desbetreffende directies zou moeten behoren?
Het minimaliseren van verschillen tussen de (E)VA en de DA behoort tot de gezamenlijke taakopdracht en doelstellingen van alle betrokken directies en ketens binnen de Belastingdienst. Het belang hiervan wordt onderkend. De Belastingdienst is hierin wel afhankelijk van de medewerking van burgers.
Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering van de samenwerking tussen deze onderdelen en betere afstemming van de controles die zij uitvoeren?
De genoemde directies voeren nu elk een specifiek deel van het controleproces uit. In 2026 wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling en toepassing van het beoordelingsproces meer in samenhang kan plaatsvinden met die van de DA. Dit kan leiden tot een betere afstemming van controles en een meer geïntegreerde werkwijze tussen de betrokken onderdelen. Door een gecombineerde herziening van het beoordelingsproces, een betere duiding van doelstellingen en intensievere samenwerking tussen directies ontstaat een meer samenhangende en effectieve controleaanpak voor zowel (E)VA als DA.
Welke verdere mogelijkheden ziet u om de aansluiting van voorlopige aanslag op definitieve aanslag te verbeteren, zodat de heffing bij burgers en bedrijven beter aansluit op de werkelijkheid?
Een mogelijke verbetering is om het formulier en/of het proces voor het indienen van een wijzigingsverzoek voor de VA gebruiksvriendelijker en beter kenbaar te maken. Vanwege beperkte IV-capaciteit is deze wens nog niet ingewilligd. Daarnaast worden er al campagnes ingezet om burgers te stimuleren tijdig een wijzigingsverzoek in te dienen. In deze campagnes wordt onder meer aandacht besteed aan het aanpassen van inkomensgegevens bij belangrijke life-events, zoals scheiden, een huis kopen of trouwen.
Welke mogelijkheden ziet u om het gebrek aan vaktechnische slagkracht bij CAP IH op te lossen?
Ter verbetering van de kwaliteit van de uitworpbehandeling is de Belastingdienst een overlegtraject gestart. Binnen dit traject worden geconstateerde knelpunten geanalyseerd en wordt bezien op welke wijze werk waarvoor veel vaktechnische kennis nodig is beter te beleggen binnen de Belastingdienst.
De rechterlijke rolopvatting, publieke uitingen en het vertrouwen in de rechtspraak |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de column van Marianne Zwagerman in De Telegraaf waarin stevige kritiek wordt geuit op de recente rechterlijke uitspraak over klimaatbeleid en de rolopvatting van rechters?1
Hoe beoordeelt u de stelling dat rechters in klimaat- en stikstofzaken de grenzen van hun constitutionele rol overschrijden en daarmee feitelijk op de stoel van de wetgever gaan zitten?
Deelt u de opvatting dat het toepassen en interpreteren van mensenrechtenverdragen door rechters grote beleidsmatige gevolgen kan hebben zonder directe democratische legitimatie? Zo ja, hoe wordt die spanning volgens u voldoende ondervangen?
Acht u het wenselijk dat rechters zich in het openbaar, bijvoorbeeld via sociale media, uitspreken over politieke of activistische standpunten die direct raken aan zaken waarover zij (recent of mogelijk toekomstig) rechtspreken?
Welke gedragsregels gelden momenteel voor rechters met betrekking tot publieke uitingen en maatschappelijke betrokkenheid en acht u deze regels toereikend om de schijn van partijdigheid te voorkomen?
Hoe wordt binnen de rechterlijke organisatie beoordeeld of een rechter zich behoort te verschonen wanneer diens publieke uitingen raken aan de inhoud van een voorliggende zaak?
In hoeverre vindt u dat de huidige benoemings- en toezichtstructuur van de rechterlijke macht voldoende waarborgen biedt tegen bevooroordeeldheid of activisme binnen de rechtspraak?
Deelt u de analyse dat het maatschappelijk vertrouwen in de rechtspraak onder druk kan komen te staan wanneer rechterlijke uitspraken worden ervaren als politiek of moreel gemotiveerd in plaats van strikt juridisch?
Bent u bereid te onderzoeken of meer transparantie rondom rechterlijke benoemingen en rolopvattingen kan bijdragen aan het versterken van dat vertrouwen, zonder de onafhankelijkheid van de rechtspraak aan te tasten?
Kunt u uiteenzetten waar volgens u de grens ligt tussen legitieme rechtsvinding door de rechter en het feitelijk creëren van nieuw beleid via jurisprudentie?
De handelsdeal tussen de EU en India |
|
Ralf Dekker (FVD), Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen welke categorieën Indiase burgers onder het Europese Unie (EU)-India handels- en mobiliteitsakkoord in aanmerking komen voor toegang tot Nederland en andere EU-lidstaten? Kunt u dit uitsplitsen naar studenten, arbeidsmigranten, zelfstandigen en gezinsleden?
De definitieve tekst van de EU-India handelsovereenkomst is momenteel nog niet publiekelijk beschikbaar. Zodra de Europese Commissie het definitieve onderhandelingsresultaat ter besluitvorming aan de EU-lidstaten in de Raad voorlegt zult u, zoals bij alle handelsovereenkomsten, een beschrijving van de inhoud met bijbehorende kabinetsappreciatie van de overeenkomst ontvangen.
Wel kan worden opgemerkt dat het gebruikelijk is dat de EU in haar handelsoverenkomsten met derde landen afspraken maakt over handel in diensten. Onderdeel daarvan zijn afspraken over personen die een dienst in de andere verdragspartij willen leveren door fysieke aanwezigheid in die andere verdragspartij, de zogenaamde «mode-4» afspraken. Deze dienstverleners komen enkel en alleen tijdelijk naar de andere verdragspartij om hun dienst aan een eindverbruiker of consument te leveren, waarbij zij ofwel bij een werkgever in het thuisland in dienst blijven ofwel als in het thuisland gevestigde zelfstandige opereren. Het is dus niet zo dat deze personen permanent de arbeidsmarkt van de andere verdragspartij betreden of zich permanent in het andere land vestigen. Mode-4 afspraken gelden uitsluitend voor sectoren die onder de reikwijdte van de handelsovereenkomst vallen en voor bepaalde categorieën hooggekwalificeerde dienstverleners, zoals zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, dienstverleners op contractbasis, zelfstandigen en personen die op tijdelijke basis naar een buitenlandse vestiging van hun werkgever worden overgeplaatst (zgn. intra-corporate transferees). Voor elke categorie dienstverlener gelden specifieke voorwaarden. Voorbeelden daarvan zijn de eis voor een universitair of gelijkwaardig diploma, een minimum aantal jaar werkervaring en een maximale verblijfsduur variërend van een aantal maanden tot drie jaar. Ook blijven nationale en Europese eisen voor (beroeps-)kwalificatie en -licenties onverminderd van toepassing, net als Europese en nationale wetgeving over visa, toegang, verblijf, werk en sociale zekerheid.
Parallel aan de EU-handelsovereenkomst hebben de EU en India op 26 januari jl. een Memorandum van Overeenstemming (Memorandum of Understanding, MoU) op het gebied van mobiliteit gesloten. Dit MoU staat los van de EU-India handelsovereenkomst en betreft een niet-juridisch bindend kader met afspraken over onderwerpen die zowel irreguliere migratie als reguliere migratie raken. Daarmee bevat het MoU voornamelijk intentieverklaringen en blijven nationale competenties op het gebied van arbeidsmarkttoegang en toelating onverminderd gelden. Uw Kamer heeft recent een kabinetsappreciatie van dit MoU ontvangen.1
Hoeveel extra migratie vanuit India verwacht u als gevolg van dit akkoord, uitgesplitst naar tijdelijke en langdurige verblijven? Is hiervoor een impactanalyse uitgevoerd en zo ja, kan deze met de Kamer worden gedeeld?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 zien afspraken in EU-handelsovereenkomsten over het verkeer van dienstverleners op bepaalde categorieën dienstverleners die enkel en alleen voor het leveren van een specifieke dienst op tijdelijke basis in de andere verdragspartij verblijven. De Europese Commissie heeft eerder een sustainability impact assessment uitgevoerd, dat o.a. nader ingaat op de verwachte economische effecten van het akkoord op dienstenhandel.2 Dit onderzoek geeft geen analyse van migratiestromen tussen de EU en India.
In hoeverre behoudt Nederland volledige zeggenschap over toelating, verblijf en uitzetting van Indiase burgers nu mobiliteitsafspraken op EU-niveau worden gemaakt?
De finale teksten van de EU-India handelsovereenkomst zijn nog niet beschikbaar, maar in algemene zin geldt dat dienstverleners die op basis van een EU-handelsovereenkomst een dienst aan een consument in de EU leveren op tijdelijke basis en alleen voor het aanbieden van die dienst in de EU verblijven. Verdragspartijen bij een EU-handelsovereenkomst behouden bovendien beleidsruimte om maatregelen te treffen ter regulering van de toegang van personen tot en van hun tijdelijke verblijf op Europees grondgebied. Daartoe behoren ook maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van landsgrenzen en het verzekeren van een ordelijk verkeer van personen over die grenzen.
Klopt het dat het akkoord voorziet in versoepelde toegang voor Indiase hoogopgeleide professionals en dienstverleners? Hoe wordt voorkomen dat deze regeling in de praktijk leidt tot verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt?
Zoals hierboven uiteengezet zijn de finale teksten van de EU-India handelsovereenkomst nog niet beschikbaar. In algemene zin geldt dat dienstverleners die op basis van een EU-handelsovereenkomst een dienst aan een consument of eindgebruiker in de andere verdragspartij leveren op tijdelijke basis en alleen voor het aanbieden van de betreffende dienst in de andere verdragspartij verblijven. Daarbij blijven zij in dienst van een werkgever in het thuisland of opereren zij als een, in het thuisland gevestigde, zelfstandige. Het gaat derhalve om hooggekwalificeerde arbeid die tijdelijk wordt verricht in specifieke sectoren, zodat het risico op verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt minimaal is. Daar komt bij dat Nederlandse dienstverleners op hun beurt betere toegang krijgen tot de Indiase dienstenmarkt.
Hoe wordt voorkomen dat deze regeling in de praktijk zal leiden tot druk op de salarissen van Nederlandse arbeidskrachten?
Zoals het antwoord op vraag 4 uiteenzet is het niet zo dat dienstverleners die op basis van een EU-handelsovereenkomst hun dienst in de andere verdragspartij aanbieden de arbeidsmarkt van dat land betreden. Ook blijven alle toepasselijke Europese en nationale wetgeving over toegang, verblijf, sociale zekerheid en werk, waaronder regels over minimumlonen, onverminderd van toepassing.
Welke waarborgen zijn opgenomen om misbruik van tijdelijke visa (zoals overstaying of schijnzelfstandigheid) door Indiase arbeidsmigranten te voorkomen?
Zoals in voorgaande antwoorden uiteengezet gelden afspraken in EU-handelsovereenkomsten voor specifieke categorieën hooggekwalificeerde dienstverleners die op tijdelijke basis en alleen voor het aanbieden van een bepaalde dienst in de EU verblijven. Deze afspraken laten toepasselijke visaregels onverminderd van toepassing en beletten EU-lidstaten niet om maatregelen te treffen ter bescherming van de integriteit van hun landsgrenzen of ter regulering van een gecontroleerd verkeer van personen over die grenzen.
Hoe verhoudt de verruiming van mobiliteit voor Indiase studenten en professionals zich tot de huidige druk op huisvesting, onderwijs en publieke voorzieningen in Nederland?
Zoals in voorgaande antwoorden omschreven geldt in zijn algemeenheid dat afspraken in EU-handelsovereenkomsten alleen toezien op specifieke hooggekwalificeerde categorieën dienstverleners die op tijdelijke basis en enkel voor het aanbieden van een specifieke dienst in de andere verdragspartij verblijven. Afspraken over mobiliteit van studenten vallen doorgaans buiten de reikwijdte van EU-handelsovereenkomsten. Daarbij behouden EU-lidstaten beleidsruimte om maatregelen toe te passen om de toegang tot en het tijdelijke verblijf van buitenlandse dienstverleners op hun grondgebied te reguleren.
Bent u bereid om per sector en per lidstaat plafonds te hanteren voor het aantal Indiase professionals dat via dit akkoord toegang krijgt, of wordt dit volledig aan de markt overgelaten?
Zoals in voorgaande antwoorden omschreven geldt in algemene zin dat afspraken over het tijdelijke verkeer van hooggekwalificeerde dienstverleners in EU-handelsakkoorden alleen voor specifieke categorieën dienstverleners gelden. Daarbij gaat het om afspraken voor het leveren van een dienst op tijdelijke basis. De mogelijkheden voor professionals om hier tijdelijk te verblijven met het oog op het aanbieden van bepaalde diensten zijn dus reeds op verschillende manieren ingeperkt. Het hanteren van een plafond is volgens het kabinet derhalve nu niet aan de orde. Nadat de Europese Commissie de definitieve teksten ter besluitvorming aan de Raad heeft voorgelegd zult u een volledige kabinetsappreciatie van de EU-India handelsovereenkomst ontvangen.
In hoeverre kunnen gezinsleden van Indiase werknemers meereizen naar Nederland en welke gevolgen heeft dit voor gezinsmigratie op de middellange termijn?
Zoals hierboven uiteengezet zijn de definitieve teksten van de EU-India handelsovereenkomst nog niet publiekelijk beschikbaar, maar geldt in algemene zin dat afspraken over het tijdelijke verkeer van personen in EU-handelsovereenkomsten alleen van toepassing zijn op specifieke hooggekwalificeerde categorieën dienstverleners die voor de levering van een specifieke dienst tijdelijk in de andere verdragspartij verblijven. Daarbij behouden EU-lidstaten, waaronder Nederland, beleidsruimte om maatregelen te treffen ter bescherming van de integriteit van landsgrenzen en het verzekeren van een ordelijk verkeer van personen over die grenzen.
Hoe wordt geborgd dat dit akkoord geen precedent schept voor vergelijkbare mobiliteitsafspraken met andere landen, wat kan leiden tot een structurele toename van arbeids- en studiemigratie naar de EU?
Afspraken over personen die hun diensten op tijdelijke basis in de andere verdragspartij willen aanbieden zijn een gebruikelijk onderdeel van EU-handelsovereenkomsten. Dergelijke afspraken zijn bijvoorbeeld opgenomen in de recente handelsakkoorden met Canada, Zuid-Korea, Japan, Vietnam, Nieuw-Zeeland, Mexico, de Mercosur-landen en het Verenigd Koninkrijk. Het gaat bij deze afspraken niet om permanente vestiging van buitenlandse dienstverleners in de EU, maar alleen om het tijdelijk aanbieden van een specifieke dienst waarvoor de aanwezigheid van de dienstverlener in de andere verdragspartij nodig is.
Welke mogelijkheden heeft Nederland om zich (tijdelijk of structureel) te onttrekken aan onderdelen van het mobiliteitskader indien de maatschappelijke gevolgen groter blijken dan voorzien?
Zoals voorgaande antwoorden uiteenzetten zien afspraken in EU-handelsakkoorden op specifieke categorieën hooggekwalificeerde dienstverleners die alleen op tijdelijke basis hun dienst in de andere verdragspartij leveren. Daarnaast behouden EU-lidstaten, waaronder Nederland, beleidsruimte om maatregelen te treffen ter regulering van de toegang en het (tijdelijk) verblijf van dienstverleners uit de andere verdragspartij.
Voor wat betreft het Memorandum van Overeenstemming dat de Europese Commissie met India heeft gesloten geldt dat het om een niet juridisch bindend afsprakenkader gaat. Dat betekent dat de huidige, nationale competenties op het gebied van bijvoorbeeld toelating in stand blijven en dat Nederland dus ook zelf bepaalt hoe het invulling geeft aan de afspraken die zijn gemaakt.
Bent u het ermee eens dat handelsakkoorden primair economisch van aard zouden moeten zijn en niet via de achterdeur moeten leiden tot verruiming van immigratiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat is het kabinet met u eens. Afspraken over (diensten)handel dienen een wederzijds economisch belang en staan los van migratiebeleid. Diensten spelen een steeds grotere economische rol in grensoverschrijdende handel. Zo was de dienstensector in 2024 goed voor ruim driekwart van de Nederlandse economie en verdiende Nederland in 2023 15,7% van zijn BBP met de export van diensten.3 Ook internationaal groeit de economische omvang van de wereldwijde dienstenhandel: diensten zijn inmiddels goed voor een vijfde van de mondiale exportverdiensten.4 Voorspelbare internationale afspraken over grensoverschrijdende dienstenhandel vormen daarmee een belangrijk onderdeel van commerciële betekenisvolle EU-handelsovereenkomsten. Het is dan ook gebruikelijk dat de EU afspraken over grensoverschrijdende dienstenhandel in handelsakkoorden met derde landen maakt, waaronder over het tijdelijke verkeer van dienstverleners.
Op welke manier wordt de Kamer betrokken bij toekomstige besluiten over de verdere uitwerking van mobiliteitsafspraken binnen het EU-India kader?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 heeft uw Kamer reeds een appreciatie van de EU-India Memorandum van Overeenstemming ontvangen en zal de Kamer voorafgaand aan besluitvorming in de Raad over de definitieve teksten van de EU-India handelsovereenkomst een beschrijving van de inhoud met bijbehorende kabinetsappreciatie ontvangen. Daarmee wordt uw Kamer in staat gesteld hierover desgewenst in debat te gaan met het kabinet, alvorens het kabinet een definitief standpunt inneemt bij de besluitvorming binnen de EU.
Kunt u deze vragen afzonderlijk, compleet en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Jetten verruimt de hypotheekrenteaftrek' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u de budgettaire gevolgen in kaart brengen van het niet kunnen handhaven van de 30-jaarstermijn in de hypotheekrenteaftrek per 2031 en verder, als dit betekent dat huishoudens met een oude hypotheek ook na 30 jaar nog gebruik blijven maken van de hypotheekrenteaftrek?1
Kunt u uiteenzetten bij wat voor soort hypotheken hier een probleem ontstaat en wat de omvang hiervan is?
Waarom is nooit een goed administratiesysteem opgezet om te kunnen voldoen aan deze wettelijke verplichting en ter voorkoming van financiële derving?
Als er inderdaad sprake is van financiële derving, hoe dient deze dan begrotingstechnisch te worden gedekt?
Klopt het dat de overheid van mensen verwacht dat zij het verlopen van de 30-jaarstermijn zelf verwerken in de aangifte en ligt de bewijslast bij de burger. Hoe gaat de Belastingdienst dit vervolgens controleren?
Is het verschil wat dan ontstaat tussen mensen bij het niet kunnen handhaven juridisch houdbaar of kan dit leiden tot procedures van mensen die ook langer aftrek willen in het kader van gelijke behandeling?
Werkt de Belastingdienst aan oplossingsrichtingen over hoe om te gaan met het aflopen van de 30-jaarstermijn? Zo ja, wat zijn mogelijke oplossingsrichtingen en wat betekenen deze voor de uitvoering. Zo niet, waarom niet?
Het niet meer individueel onderzoeken van alle DNA-monsters van wolven |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat Wageningen Environmental Research (WENR) wegens capaciteitsproblemen niet langer alle DNA-monsters die worden afgenomen na aanvallen op vee onderzoekt op welk individuele wolf het betreft?
Klopt het dat hierdoor een deel van de monsters alleen nog wordt onderzocht op diersoort, maar niet meer op individueel dier?
Zo ja, hoe kan dan nog worden bijgehouden welke wolven herhaaldelijk vee aanvallen en mogelijk als probleemwolf moeten worden aangemerkt?
Klopt het dat DNA-onderzoek op individueel dier bij aanvallen achter een goedgekeurd raster alleen nog plaatsvindt wanneer het raster volledig foutloos is bevonden?
Deelt u de opvatting dat hiermee juist waardevolle informatie verloren gaat over wolven die ook rasters weten te omzeilen?
Bent u bekend met het feit dat voor de nieuwe aanbesteding voor DNA-onderzoek slechts WENR en één commercieel laboratorium hebben ingeschreven en dat het commerciële bedrijf zijn afgewezen omdat zij niet aan de gestelde eisen voldeden?
Hoe verhoudt dit zich tot het feit dat WENR momenteel al kampt met capaciteitsproblemen en dat ook voldoende capaciteit een eis zou moeten zijn?
Kunt u toelichten op welke punten het commerciële laboratorium niet voldeed en welke oplossingen u ziet om te zorgen dat wél alle DNA-monsters volledig onderzocht kunnen worden, bij dit commerciële bedrijf of elders?
Voldoet Nederland nog aan de monitoringsverplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn wanneer niet langer van alle monsters wordt vastgesteld om welk individueel dier het gaat, gezien het feit dat Nederland ervoor heeft gekozen om via DNA-monitoring invulling te geven aan deze verplichtingen? Kunt u hierop een juridische toelichting geven?
Deelt u de zorg dat bij een verdere toename van het aantal wolven en het aantal aanvallen op vee dit systeem volledig onhoudbaar wordt als de capaciteit niet wordt uitgebreid?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de toezegging en wanneer daadwerkelijk meer wolven zullen worden gezenderd, gezien het feit dat u heeft eerder toegezegd dat zoveel mogelijk wolven in Nederland zouden worden gezenderd?
Klopt het dat in Nederland nog geen vergunningen worden afgegeven voor het gebruik van de soft-close pootklem voor het vangen van wolven voor onderzoek, terwijl deze methode in andere Europese landen wel veelvuldig wordt toegepast?
Welke Europese regelgeving belemmert dit precies en waarom wordt het gebruik van soft-close pootklemmen in andere lidstaten door deze regelgeving niet belemmerd maar in Nederland wel?
Bent u bereid te bezien hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen, zodat de meest diervriendelijke vangmethode kan worden ingezet om wolven te zenderen en daarmee de druk op DNA-monitoring kan verminderen?
Het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine nog steeds veel hoger is dan technisch mogelijk of gebruikelijk voor bijvoorbeeld diesel?
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine in de praktijk hoger is (450–900 ppm) dan waar in de emissieberekeningen van wordt uitgegaan?
Wat is het feitelijke gemiddelde zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine en is dit altijd hetzelfde of zijn er uitschieters?
Wie controleert dit en hoe?
Met hoeveel zwavel wordt gerekend in de luchtkwaliteitsmodellen en bij de berekening van de milieu en gezondheidseffecten? Is dit voor alle modellen en instanties hetzelfde?
Hoeveel duurder is zwavelarme kerosine en wat zijn de maatschappelijke kosten (milieu en gezondheidskosten) van het ultrafijnstof (UFP) en de SO2-emissies afkomstig van de luchtvaart?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Kröger c.s. (Kamerstuk 31 936, nr. 609) om het zwavelgehalte van kerosine terug te brengen naar het niveau van reguliere diesel (10ppm)? Is alleen met de sectorpartijen gepraat of is er ook gewerkt aan nieuwe nationale normen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Luchtvaart?
Het bericht ‘Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Is het gebruikelijk dat een abortusarts alleen een uitwendige echo doet voordat een abortus wordt uitgevoerd? Welke richtlijnen zijn er bij een zwangerschap van minder dan twaalf weken?
Ja. Abortusartsen maken meestal eerst een uitwendige (abdominale) echo. Als dit geen goed beeld geeft, bijvoorbeeld omdat het om een zeer vroege zwangerschap gaat, kan het nodig zijn om een inwendige (transvaginale) echo te maken.2
Wat is de wetenschappelijke consensus over de kans op aangeboren afwijkingen als een kindje na een mislukte abortus alsnog wordt geboren? Zijn alle abortusartsen van de meest recente inzichten op de hoogte?
Bij een mislukte medicamenteuze zwangerschapsafbreking is er een aantoonbaar verhoogd risico op aangeboren afwijkingen. Blootstelling aan misoprostol tijdens het eerste trimester vermeerdert namelijk de kans op het syndroom van Möbius, amnionstrengsyndroom, cerebrale en craniale afwijkingen en artrogrypose.3
Het is niet duidelijk welk effect een mislukte curettage (zonder voorbehandeling met misoprostol) heeft op de foetus. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft in deze casus geconcludeerd dat er geen degelijke wetenschappelijke onderbouwing was voor het ernstig afraden van het uitdragen van de zwangerschap.4
Abortusartsen zijn op de hoogte van de (beperkte) risico’s van abortusbehandelingen en blijven op verschillende manieren geïnformeerd over de meest recente inzichten, bijvoorbeeld via congressen en vakliteratuur. Het verhoogde risico op aangeboren afwijkingen na blootstelling aan misoprostol is in meerdere wetenschappelijke studies, zowel oudere als recentere, beschreven.5
Welke ruimte wordt er aan de vrouw gelaten om anders dan het medisch advies toch te kiezen voor een zeer vroege abortus die het risico heeft om niet te slagen, en daarna het risico dat de nog levende foetus zich ontwikkelt met aangeboren afwijkingen?
De vrouw beslist altijd samen met haar arts welke behandeling het meest geschikt is, nadat zij is geïnformeerd over de voor- en nadelen en risico’s. De kans op een doorgaande zwangerschap na een abortus is klein. Bij ongeveer 1% van de vrouwen leidt een abortusbehandeling niet tot een beëindiging van de zwangerschap.6 Na een abortus wordt aanbevolen om een zwangerschapstest te doen. Wanneer een doorgaande zwangerschap wordt geconstateerd, bestaat in vrijwel alle gevallen nog steeds de wens om deze af te breken. Er wordt dan een (extra) curettage verricht.
Welke richtlijnen over advisering en informatie aan de vrouw zijn er voor de abortusarts als een vrouw in de kliniek aangeeft toch niet te willen kiezen voor een abortus? Op welke manier moet de arts zich ervan verzekeren dat de vrouw «in vrijwilligheid, na zorgvuldige overweging en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het ongeboren leven en van de gevolgen voor haarzelf en de haren» haar keuze maakt, zoals in artikel 5 Wet afbreking zwangerschap (Waz) staat?
De beroepsrichtlijn voor abortusartsen over keuzebegeleiding bevat uitgebreide instructies voor zorgvuldige besluitvorming.7 De richtlijn bevat bijvoorbeeld aanbevelingen over hoe artsen twijfel kunnen herkennen en welke vragen zij het beste kunnen stellen bij (een vermoeden van) twijfel. Ook bevat de richtlijn adviezen over het bespreken van alternatieven voor abortus, zoals adoptie, pleegzorg of zelf opvoeden. De richtlijn bevat tevens aanbevelingen voor het toetsen van de vrijwilligheid, bijvoorbeeld de aanbeveling om elke vrouw minimaal één keer alleen te spreken zonder (ex)partner, familie of naasten. Abortusartsen en verpleegkundigen zijn getraind, deskundig en ervaren in het voeren van besluitvormingsgesprekken. Mocht er enige twijfel of aarzeling bemerkt worden, verbaal of non-verbaal, dan wordt dit benoemd en besproken.
Voor vrouwen die twijfels of vragen hebben, is er ook goede informatie en ondersteuning beschikbaar via het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap en het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap.8
Welke richtlijnen zijn er over het delen van informatie aan derden voor een abortuskliniek?
Artsen mogen geen informatie over een patiënt aan derden verstrekken, tenzij het gaat om informatieverstrekking aan personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van dezelfde behandelingsovereenkomst met een patiënt.9 Aan die personen mag de arts wel zonder toestemming informatie verstrekken als dit noodzakelijk is voor de werkzaamheden binnen de behandelingsovereenkomst. Zo mag een arts informatie over de patiënt delen met personen in het behandelteam, bijvoorbeeld verpleegkundigen. Ook mogen artsen advies vragen aan collega’s en in dit kader informatie over patiënten met elkaar delen.
Klopt het dat artikel 296 Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 5 Waz geen bepaling bevatten die een onzorgvuldig uitgevoerde abortus strafbaar stelt, zoals wel het geval is bij euthanasie, namelijk in artikel 1f van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl)? Waarom niet?
Euthanasie is strafbaar op grond van artikel 293 Sr (levensbeëindiging op verzoek) en 294 Sr (hulp bij zelfdoding). Alleen voor artsen is een uitzondering gemaakt. In artikel 293 Sr staat dat een arts niet strafbaar is als die zich houdt aan de zes zorgvuldigheidseisen uit de Wtl en diens handelen meldt aan de gemeentelijke lijkschouwer. De medisch zorgvuldige uitvoering van euthanasie is één van die zes zorgvuldigheidseisen (artikel 2 lid 1 onder f Wtl).
Op grond van artikel 296 Sr is het strafbaar om iemands zwangerschap af te breken. Net als bij euthanasie is een uitzondering gemaakt voor artsen.10 Anders dan artikel 293 Sr kent artikel 296 Sr echter géén directe verwijzing naar zorgvuldigheidseisen. De strafbaarstelling van abortus verschilt in die zin dus van die van euthanasie.
Zorgvuldige uitvoering van abortuszorg wordt (juridisch) op andere manieren geborgd. Op abortuszorg is, in tegenstelling tot op euthanasie, de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) van toepassing. Daarin is de algemene plicht opgenomen om goede zorg te verlenen. De Wafz en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) bevatten daarnaast specifieke waarborgen voor zorgvuldige abortuszorg. Bijvoorbeeld zorgvuldigheidseisen die ertoe strekken dat vrouwen verantwoorde voorlichting krijgen en dat er voldoende nazorg is. Artikel 16 van het Bafz schrijft voor dat een abortuskliniek ervoor moet zorgen dat «medische en verpleegkundige hulpverlening aan de vrouw gewaarborgd is voor de duur van haar verblijf in de kliniek». De beroepsgroep van abortusartsen is verantwoordelijk voor medisch-inhoudelijke richtlijnen en voor visitaties aan klinieken, de IGJ ziet toe op de kwaliteit van abortuszorg, en het medisch tuchtrecht biedt mogelijkheden om artsen aan te spreken op onzorgvuldig medisch handelen.
Op bovengenoemde manieren wordt (medisch) zorgvuldige abortuszorg gewaarborgd. Het juridisch kader functioneert goed, zo blijkt ook uit de laatste evaluatie van de Wafz. Ik zie daarom geen aanleiding om te onderzoeken wat de meerwaarde is van een aanvullende zorgvuldigheidseis in de Wafz.
Vanzelfsprekend blijf ik het functioneren van de Wafz en het Bafz nauwlettend volgen, bijvoorbeeld middels de volgende wetsevaluatie die in 2027 start.
Bent u bereid te onderzoeken wat de meerwaarde kan zijn om een dergelijke zorgvuldigheidseis aan de Waz toe te voegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u reden naar aanleiding van de uitspraak van het medisch tuchtcollege om bestaande medische richtlijnen aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan beroepsgroepen van artsen om hun professionele richtlijnen vorm te geven. Bij het opstellen en herzien van richtlijnen kunnen zij naar eigen inzicht gebruikmaken van actuele wetenschappelijke kennis, ontwikkelingen in de medische praktijk en eventuele signalen uit tuchtrechtelijke procedures. Het is van groot belang dat artsen hierin onafhankelijk te werk kunnen gaan. Als bewindspersoon past het mij niet om me te mengen in de inhoudelijke invulling van medische richtlijnen, daarom zal ik geen stappen zetten om de medische richtlijn aan te scherpen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Ja.
Wereldwijde handel in donorzaad |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitzending van Zembla «Sperma op bestelling: de impact van de wereldwijde handel in donorzaad»?1
Ja.
Kunt u concreet benoemen op welke wijze de rechten van kinderen momenteel via wetten en regelgeving geborgd zijn in de context van (internationale) donorconceptie? Hoe verhoudt zich dit bijvoorbeeld tot het VN-verdrag inzake de rechten van het kind, in het bijzonder art. 7, lid 1? Hoe verhoudt dit zich tot de uitspraak van rechtbank Den Haag (d.d. 28-04-2023) waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van donorkinderen en hun ouders bij een verbod om nog langer sperma te doneren aan nieuwe wensouders zwaarder wegen dan het belang van de donor om daarmee door te gaan?2
Het recht van donorkinderen op toegang tot hun afstammingsgegevens is in Nederland geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). In deze wet is geregeld dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van hun donor.3 Op deze manier voldoet Nederland aan de internationale verplichting om te waarborgen dat een kind, voor zover mogelijk, het recht heeft diens ouders te kennen en diens identiteit te behouden. Deze verplichting is vastgelegd in artikel 7 en 8 van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
In de rechtszaak waarnaar wordt verwezen heeft de rechter destijds geoordeeld dat de donor in kwestie per direct moest stoppen met het donoren van sperma, zowel in Nederland als in het buitenland. De rechter achtte dit nodig, omdat de donor wensouders doelbewust voorloog over het aantal nakomelingen dat hij als donor had verwekt en nog voornemens was te verwekken. De donor doneerde bij fertiliteitsklinieken, in Nederland en daarbuiten, én in de privésfeer. In de uitspraak heeft de rechter het kinderrechtenperspectief nadrukkelijk meegewogen. De rechter oordeelde dat de belangen van donorkinderen en hun ouders zwaarder wegen dan het belang van een donor om te blijven doneren.
De Wdkb ziet op behandelingen die zijn uitgevoerd in Nederlandse fertiliteitsklinieken. Als bij deze behandelingen donorsperma uit het buitenland wordt gebruikt, gelden dezelfde regels als voor sperma dat in Nederland wordt gedoneerd. Als wensouders kiezen voor een eigen donor in plaats van een donor via een spermabank, wordt hen in het belang van het toekomstige kind geadviseerd om goede afspraken met de donor te maken. Die afspraken kunnen worden vastgelegd in een donorcontract, met hulp van een gespecialiseerde notaris of familierechtadvocaat. Hierover is informatie te vinden op het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie.4
Hoewel in de Wdkb het recht op afstammingsgegevens is vastgelegd, bestaat er geen wettelijk recht op contact tussen donor en donorkind. De praktijk leert dat veel donorkinderen daar wel (een sterke) behoefte aan hebben. Daarom verkent het kabinet momenteel welke aanvullende donorgegevens geregistreerd kunnen worden door fertiliteitsklinieken. Door een persoonsnummer, een e-mailadres, het adres ten tijde van donatie en de spermabank waar de donor heeft gedoneerd vast te leggen kan de vindbaarheid van donoren in het buitenland worden vergroot.
Kunt u nader toelichten op welke wijze er momenteel vanuit de huidige wettelijke kaders, in het bijzonder de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wkdb), handvaten bestaan om te handhaven op het recht van een kind, welke is verwerkt met buitenlands donorzaad, om te weten van wie zij afstammen?
Het recht van kinderen om hun afstammingsgegevens te weten is geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb), die regelt dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van de donor. Dit geldt voor alle behandelingen met donorsperma in Nederlandse fertiliteitsklinieken, ook als deze zijn uitgevoerd met sperma van een buitenlandse spermabank of -donor. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is verantwoordelijk voor het toezicht op de fertiliteitsklinieken.
Herkent u het beeld welke wordt geschetst in de uitzending van Zembla dat de huidige praktijk, waarbij regels vaak niet gelden als er gebruik wordt gemaakt van buitenlands donorzaad, tekortschiet wat betreft het beschermen van kinderen en hun rechten?
Het beeld dat wordt geschetst in de Zembla-aflevering is deels herkenbaar. Als buitenlands donorsperma wordt ingezet voor een behandeling in Nederland, moet worden voldaan aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo kan er bijvoorbeeld geen gebruik worden gemaakt van een donor die anoniem wenst te blijven, aangezien kinderen op grond van de Wdkb recht hebben op toegang tot hun afstammingsgegevens. Tegelijkertijd geldt dat nationale wetgeving niet van toepassing is in andere landen. Veel landen hanteren een limiet voor het aantal nakomelingen van één donor binnen dat land, maar het totaal aantal nakomelingen van die donor kan flink oplopen als zijn sperma in meerdere landen wordt gebruikt. Hierdoor kunnen er grote internationale verwantschapsnetwerken van donorkinderen ontstaan. Het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken van donorkinderen vindt het kabinet zorgwekkend.
Welke concrete maatregelen wilt u nemen om massadonatie met buitenlands donorsperma in het bijzonder tegen te gaan?
De afgelopen jaren vindt donorconceptie steeds meer plaats in een internationale context, mede vanwege het tekort aan spermadonoren in Nederland. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 4, kan dit leiden tot het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken. Dat is zorgwekkend. Het afstammen van «massadonoren» en het hebben van soms wel tientallen tot honderden halfzussen en -broers wordt door een deel van de donorkinderen ervaren als een pijnlijke last. Ook klinkt vanuit medisch-ethisch, juridisch en politiek perspectief een steeds luidere roep om dergelijke praktijken rond donorconceptie beter te reguleren. In de brief die de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport op 12 februari 2026 naar uw Kamer heeft gestuurd, zijn verschillende maatregelen aangekondigd.5 Het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl)6, dat momenteel voor behandeling in de Tweede Kamer ligt, biedt wellicht een goede mogelijkheid om grensoverschrijdend gebruik van donorsperma te reguleren. Via de Wzl kan mogelijk vastgelegd worden dat het ontvangen of verstrekken van donorsperma door een fertiliteitskliniek of spermabank verboden is, behalve als in bindende afspraken met de andere partij is vastgelegd dat het donorzaad wereldwijd bij niet meer dan een X-aantal vrouwen ingezet wordt. Ook blijft het kabinet op Europees niveau pleiten voor een Europees maximum voor het gebruik van het sperma van één donor en wordt er een breed samenwerkingstraject gefaciliteerd om te komen tot aanvullende afspraken tussen alle betrokken partijen over grensoverschrijdende donorconceptie.
Herkent u de zorgen over gezinnen in kwetsbare posities, zoals regenboogstellen en alleenstaande moeders, die in de huidige praktijk eerder uitwijken naar buitenlandse fertiliteitsklinieken omdat zij vastlopen in het Nederlandse systeem en een gebrek aan een centrum voor wensouders zonder specifiek medisch oogmerk? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om hen te ondersteunen?
Het kabinet herkent de zorgen over gezinnen in kwetsbare posities, zoals regenboogstellen en alleenstaande moeders. Het recht van wensouders op reproductieve vrijheid en het recht op privé en familieleven (artikel 8 EVRM) wordt zoveel mogelijk geëerbiedigd, maar dit mag niet ten koste gaan van het belang van het kind. Het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken door gebruik van buitenlands donorsperma is niet in het belang van het kind. Daarom worden maatregelen voorbereid om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. De inperking van het gebruik van buitenlands donorsperma zal vermoedelijk gevolgen hebben voor de wachttijd en kosten van donorsperma voor wensouders. Wat die gevolgen precies zullen zijn, hangt af van de uitwerking in landelijke en Europese wetgeving en van de afspraken die partijen onderling maken. Bij het maken van wet- en regelgeving is uiteraard oog voor de behoeftes van wensouders, maar de belangen van het kind staan voorop. Er bestaat inderdaad een risico dat wensouders buiten Nederland of buiten de kaders van de Wdkb op zoek gaan naar manieren om hun kinderwens te vervullen. De mogelijkheden om dit te voorkomen zijn beperkt. Het is daarom van belang dat wensouders goed worden geïnformeerd over de mogelijke gevolgen voor hun toekomstige kind, en voor henzelf. Informatie over donorconceptie (in internationaal verband) is onder andere te vinden op het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (LIDC) en op de website van Fiom. Diverse belangenorganisaties, zoals Stichting Meer dan Gewenst, Stichting BamMam en Freya (vereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen), bieden eveneens informatie en steun aan wensouders.
Het kabinet erkent de zorgen van sommige wensouders over het vervullen van hun kinderwens. Het kabinet vindt echter dat zij niet vastlopen in het «Nederlandse systeem». Wel ondervinden ze de gevolgen van een tekort aan Nederlands donorsperma. Dat probleem wordt echter niet opgelost met een centrum voor wensouders zonder medisch oogmerk. Het kabinet ziet daarom reden noch noodzaak om een dergelijk centrum vanuit de overheid te faciliteren.
Hoe reflecteert u op de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) dat nationale werving voor donoren essentieel is om het aanbod aan te laten sluiten op de behoefte, bijvoorbeeld door het opzetten van een nationale donorbank?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, neemt het gebruik van buitenlandse donorsperma toe, mede vanwege een tekort aan Nederlandse donoren en de groeiende vraag naar donorsperma. Het kabinet ziet ook dat het gebruik van buitenlands donorsperma ongewenste effecten kan hebben, zoals het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken van donorkinderen. Daarom gaat het kabinet zich inspannen om het gebruik van buitenlandse spermadonoren in een internationale context en het aantal nakomelingen per donor te beperken.
Het kabinet zet niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een dergelijk verbod moet noodzakelijk, proportioneel en geschikt zijn om het belang van het kind te beschermen. Bovendien moet rekening worden gehouden met Europese wet- en regelgeving, waaronder regels voor het vrij verkeer van goederen en diensten.
Fertiliteitsklinieken kunnen er op dit moment al voor kiezen om geen buitenlands donorsperma te gebruiken. Sommige fertiliteitsklinieken hebben dit ook al gedaan. Het kabinet vindt het goed dat de NVOG nadenkt over manieren om het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken te voorkomen. Het werven van meer
Nederlandse donoren is één van de oplossingsrichtingen. Het werven van donoren en de opslag van donorgameten7 in een gametenbank (het kan zowel om ei- als spermacellen gaan) vindt dit Kabinet een verantwoordelijkheid van de fertiliteitsklinieken. En het kabinet juicht toe dat zij hierover onderlinge afspraken maken.
Hoe reflecteert u op de oproep van onder andere de NVOG en FIOM om te stoppen met buitenlandse spermadonoren? Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd in het realiseren van de opzet van een nationale donorbank en het invoeren van een stop op buitenlandse spermadonoren, indien het nationale aanbod voldoende is?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe reflecteert u op het feit dat Stichting Donorkind te kennen heeft gegeven de overheid aansprakelijk te willen stellen voor de misstanden omtrent massadonatie?
Stichting Donorkind heeft het recht om de overheid aansprakelijk te stellen voor misstanden rondom massadonatie, en dat recht respecteert het kabinet. Uiteindelijk is het aan de rechter om hierover een oordeel te vellen. Tegelijkertijd dient te worden benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor donorconceptie niet volledig bij de overheid ligt. Ook wensouders, fertiliteitsklinieken, spermabanken en behandelaren dragen een verantwoordelijkheid. Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport ook heeft aangegeven in de brief van 12 februari jl., valt er, zeker op korte termijn, meer te verwachten van zelfregulering, afspraken tussen partijen en gezamenlijke initiatieven om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. Ontwikkeling van wet- en regelgeving kan niet alle problemen oplossen en vergt hoe dan ook een lange adem.
Het bericht 'Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs»?1
Hoe beoordeelt u de inval van de Franse autoriteiten in een kantoor van het sociale mediaplatform X?
Hoe plaatst u deze inval in het bredere onderzoek van het Franse OM en Interpol naar de de AI-chatbot Grok, seksuele deepfakes, het in bezit hebben en verspreiden van seksueel kindermisbruikmateriaal en holocaustontkenning op X?
Bent u van plan steun uit te spreken voor dit onderzoek en eventuele maatregelen op Europees niveau toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Maakt X zich naar uw inzicht ook schuldig aan strafbare feiten door politieke inmenging te faciliteren, algoritmen aan te passen, data illegaal te verzamelen, en de AI-chatbot Grok seksuele deepfakes en kindermisbruikmateriaal te laten genereren?
Als blijkt dat X (vermoedelijk) tegen de Nederlandse wet- en regelgeving handelt, welke mogelijkheden heeft u om tegen het bedrijf op te treden?
Op welke manier draagt u bij aan onderzoeken en juridische stappen die worden gezet door de Europese Commissie en EU-lidstaten? Zo niet, ziet u mogelijkheden om expertise te verlenen aan deze acties?
Kunt u reflecteren op het besluit van het kantoor van de Franse openbaar aanklager om van X af te stappen? Ziet u dit als een terechte en effectieve reactie op de recente ontwikkelingen?
Ontvangen Nederlandse autoriteiten eveneens klachten over de AI-chatbot Grok? Zo ja, hoe veel? Geven deze klachten aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X?
Bent u voornemens om naar aanleiding van het Franse onderzoek en recente berichtgeving2 over democratische ondermijning als gevolg van X om ook van het platform af te stappen? Waarom wel of niet?
Kunt u, om de afhankelijkheid van X voor overheidscommunicatie te doorbreken, toezeggen dat overheidscommunicatie voortaan op alle veelgebruikte alternatieve media én op de eigen overheidswebsites plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
Heeft u reeds gekeken naar de mogelijkheid om alternatieve communicatieplatforms voor X te gebruiken, zoals toegezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2025?3
Wat zijn de uiterlijke consequenties voor X als het platform willens en wetens blijft handelen tegen de Europese wet- en regelgeving in, en als dit blijkt uit de lopende onderzoeken? Bent u bereid in het uiterste geval te pleiten voor een Europees verbod op het platform?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en uiterlijk in de week van 2 maart 2026 beantwoorden, nog voordat het gesprek van de commissie Digitale Zaken met een vertegenwoordiging van de Europese Commissie is voorzien?4
De Algemene maatregel van bestuur Wet veilige jaarwisseling |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) is gekozen voor een verplichte inschrijving in het Handelsregister, terwijl het amendement Bikker expliciet beoogde een laagdrempelig alternatief te bieden voor burgerinitiatieven die niet noodzakelijkerwijs in een formele rechtsvorm opereren?1
Er is gekozen voor een verplichte inschrijving bij de Kamer van Koophandel, omdat het wenselijk is om te borgen dat een ontheffinghouder een rechtspersoon is die aansprakelijk kan worden gesteld voor schade of letsel veroorzaakt in het kader van de verleende ontheffing. Er worden geen eisen gesteld aan het type vereniging of stichting. Daarmee is deze voorwaarde zo laagdrempelig mogelijk vormgegeven.
Op welke wijze is getoetst of deze eis verenigbaar is met de intentie van het amendement?
Indieners van het amendement Bikkers c.s. geven in de toelichting aan dat het ook voor anderen dan personen met gespecialiseerde kennis mogelijk moet zijn om consumentenvuurwerk te mogen afsteken. Indieners wilden het onder voorwaarden mogelijk maken voor georganiseerde groepen burgers om zich tot de gemeente te wenden om tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier voor hun gemeenschap vuurwerk af te steken op een daartoe aangewezen plek. Daarbij wezen de indieners bijvoorbeeld op dorps- of buurtverenigingen die op een centrale plek in het dorp of in de wijk vuurwerk organiseert. Bovenstaande is met de uitwerking in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling mogelijk gemaakt.
Waarom is bepaald dat een vereniging uitsluitend een ontheffing kan aanvragen in de gemeente waarin zij volgens de Kamer van Koophandel (KvK) is ingeschreven?
In de internetconsultatieversie van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling was een vestigingsplaatsvereiste opgenomen, maar deze eis is geschrapt om ook het aanvragen van een ontheffing in bijvoorbeeld buurgemeenten mogelijk te maken.
Hoe wordt omgegaan met lokale initiatieven binnen grotere gemeenten met meerdere kernen of wijken, waar de feitelijke activiteiten niet samenvallen met de formele vestigingsplaats?
In de internetconsultatieversie van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling was een vestigingsplaatsvereiste opgenomen, maar deze eis is geschrapt om ook het aanvragen van een ontheffing in bijvoorbeeld buurgemeenten mogelijk te maken.
Zijn minder beperkende alternatieven onderzocht om identiteit en verantwoordelijkheid te borgen, zoals gemeentelijke registratie, aanwijzing van een verantwoordelijke persoon of een door de gemeente erkende contactstructuur? Zo ja, waarom zijn deze niet overgenomen? Zo nee, waarom niet?
Met de uitwerking van de huidige ontheffingsmogelijkheid is aangesloten bij de bestaande structuren van verenigingen en stichtingen. Het is wenselijk dat duidelijk is wie aangesproken kan worden bij letsel of schade. Dat wordt op deze manier het beste geborgd.
Kant u toelichten hoe u de passage uit het amendement Bikker heeft geïnterpreteerd waarin wordt gevraagd om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande regels voor particulieren?
Omdat de situatie niet meer vergelijkbaar is met de situatie zonder landelijk vuurwerkverbod, is het niet mogelijk om alle bestaande regels voor particulieren een-op-een over te nemen. Er is immers een brede meerderheid binnen zowel de Eerste als Tweede Kamer voor een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, met een ontheffingsmogelijkheid voor groepen burgers. Daarmee is het mogelijk voor gemeenten om groepen burgers de kans te geven om samen het nieuwe jaar in te luiden met vuurwerk. Hierbij is het noodzakelijk geacht om een aantal voorwaarden en voorschriften vast te stellen met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
Wel is bijvoorbeeld aangesloten bij het type vuurwerk dat nu is toegestaan op basis van de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk, en is voor de ontbranders de huidige leeftijdsgrens gehanteerd. In de huidige regelgeving is er een maximum van 25 kg vuurwerk per persoon toegestaan. Omdat er op een afsteeklocatie maximaal 200 kg vuurwerk neergelegd mag worden, is ervoor gekozen om het mogelijk te maken maximaal acht ontbranders aan te wijzen. Daarmee is getracht een balans te vinden waarin zowel de veiligheid van ontbranders en omstanders wordt geborgd, en daarnaast ook wordt gezorgd voor een uitvoerbare regeling.
Waarom is in de AMvB gekozen voor een systematiek die sterk leunt op professionele ontbrandingsregels?
Gekozen is om, daar waar mogelijk, aan te sluiten bij reeds geldende eisen in huidige wet- en regelgeving. Professionele toepassers maken in de praktijk bij hun evenementen veelal gebruik van consumentenvuurwerk. Hiervoor moeten zij aan diverse eisen voldoen. Daarom is ervoor gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels voor professionele toepassers wanneer zij consumentenvuurwerk afsteken.
Op welke punten is bewust afgeweken van het particuliere regime, en welke beleidsmatige noodzaak lag daaraan ten grondslag?
Het landelijk vuurwerkverbod stelt dat particulieren geen vuurwerk meer mogen bezitten, kopen of afsteken. Hiermee zijn de regels van het particuliere regime niet meer van toepassing. Bij het invullen van de ontheffingsmogelijkheid is voor het waarborgen van de veiligheid zowel gekeken naar de oorspronkelijke regels van het particuliere regime als naar de regels van professionele toepassers. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 6 en 7.
Is een vergelijking gemaakt tussen het particuliere en het professionele regime op het gebied van risico’s, uitvoeringslasten en handhaafbaarheid? Zo ja, kan deze analyse met de Kamer worden gedeeld?
Er is gekeken naar alle regels die gelden voor professionele ontbrandingen wanneer zij uitsluitend consumentenvuurwerk tot ontbranding brengen. Daar waar opportuun is geacht, is daarbij aangesloten. Bij de afweging welke eisen over zijn genomen, hebben o.a. veiligheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid voor verenigingen en stichtingen een rol gespeeld.
Waarom is gekozen voor een uniforme set zware eisen voor alle initiatieven, ongeacht schaal en hoeveelheid vuurwerk?
Er is voor gekozen om uit te gaan van één generieke set aan minimale voorwaarden en voorschriften die een burgemeester in acht dient te nemen bij het verlenen van een ontheffing.
Is een gedifferentieerd model overwogen, bijvoorbeeld met lichtere eisen voor kleinschalige burgerinitiatieven en zwaardere eisen voor grotere evenementen?
De ontheffingsmogelijkheid moest een kleinschalig burgerinitiatief mogelijk maken. Dit is met de huidige invulling mogelijk. Grotere evenementen kunnen georganiseerd worden door professionele toepassers.
Zo ja, waarom is dit niet uitgewerkt? Zo nee, waarom is deze optie niet onderzocht?
In het kader van de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid zijn meerdere opties overwogen. De verschillende scenario’s zijn beschreven in het Beleidskompas, die ook gepubliceerd is tijdens de internetconsultatie.2 Gelet op de lokale bevoegdheidsverdeling, dan wel de doelstelling van de wet, en om redenen van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid, is voor deze alternatieve scenario’s niet gekozen.
Waarom acht u een volledig veiligheidsplan en situatietekening noodzakelijk voor álle aanvragen, inclusief kleinschalige initiatieven?
Een veiligheidsplan en situatietekening zijn nodig voor een burgemeester om te kunnen beoordelen of het tot ontbranding brengen van maximaal 200 kilo consumentenvuurwerk op een bepaalde locatie verantwoord is.
Welke proportionaliteitsafweging is hierbij gemaakt?
Een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van het Ontwerpbesluit is het geven van ruimte aan lokale afwegingen waarbij oog is voor de lokale situatie. Daarom is ervoor gekozen om zo veel mogelijk ruimte te laten om op lokaal niveau afwegingen te maken over hoe een ontheffing het beste kan worden vormgegeven. Burgemeesters hebben kennis over hun gemeente en inwoners en kunnen daarom, samen met onder andere de lokale driehoek en de veiligheidsregio, bezien wat wenselijk en mogelijk is binnen hun gemeente. Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt het vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Met het oog hierop is terughoudend omgegaan met het stellen van regels en vereisten op landelijk niveau, om onnodige belemmeringen en regeldruk voor stichtingen en verenigingen te voorkomen. Wel zijn bepaalde minimale veiligheidsvoorschriften van belang om de veiligheid van ontbranders, supervisors, publiek en omwonenden te borgen. Eén daarvan is het verplicht indienen van een veiligheidsplan en een situatietekening. Een veiligheidsplan en situatietekening zijn nodig voor een burgemeester om te kunnen beoordelen of het tot ontbranding brengen van maximaal 200 kilo consumentenvuurwerk op een bepaalde locatie verantwoord is.
Zijn vereenvoudigde veiligheidsprofielen of standaardformats overwogen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen. Modelontheffingen en formats worden hierin ook overwogen. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen van de handreiking.
Waarom zijn eventuele modeldocumenten of sjablonen niet wettelijk verankerd om de administratieve last te beperken?
Door de VNG wordt, met input vanuit het Rijk, gewerkt aan een handreiking, inclusief bijvoorbeeld modelontheffingen. Het ligt niet in de rede om deze documenten wettelijk te verankeren. Het is op deze manier ook gemakkelijker deze documenten aan te passen, mocht dat nodig zijn. Bijvoorbeeld naar aanleiding van opgedane ervaringen en best practices in gemeenten.
Waarom is gekozen voor aansluiting bij de professionele grens van 200 kilogram binnen een regeling die bedoeld is voor burgerinitiatieven?
Nu kan bij het tot ontbranding brengen van 200 kilogram consumentenvuurwerk worden volstaan met een ontbrandingsmelding bij het bevoegde gezag (de provincie); daarboven is een ontbrandingstoestemming vereist. Ook valt deze maximumhoeveelheid binnen de geldende vrijstellingen in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Nu de hoeveelheid en het type vuurwerk dat wordt toegestaan met de ontheffing vergelijkbaar is, ligt het ook voor de hand zoveel mogelijk bij deze regels aan te sluiten.
Hoe verhoudt deze grens zich tot de doelstelling van het amendement Bikker, dat juist een alternatief voor particulier vuurwerkgebruik beoogde?
Naar de mening van het kabinet biedt 200 kilogram consumentenvuurwerk voldoende mogelijkheden voor het afsteken van consumentenvuurwerk door verenigingen en stichtingen. De grens van 200 kilogram consumentenvuurwerk is in de regelgeving ook nu al relevant bij professionele vuurwerkshows wanneer zij uitsluitend consumentenvuurwerk tot ontbranding brengen. Zie ook het antwoord op vraag 17.
Is onderzocht of deze grens in de praktijk functioneel en realistisch is, gelet op het feit dat een enkele compounddoos al tien tot twintig kilogram kan wegen?
Zie het antwoord op vraag 18.
Welke ondersteuning biedt u aan gemeenten om aanvragen consistent, tijdig en uitvoerbaar te beoordelen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen en modeldocumenten. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen van de handreiking.
Is onderzocht wat de verwachte uitvoeringslast is voor gemeenten en hoe deze zich verhoudt tot de beschikbare capaciteit?
De VNG heeft aangegeven in haar uitvoeringstoets dat op dit moment nog geen volledig beeld bestaat van de gemeentelijke uitvoeringskosten en de wijze waarop deze kosten financieel kunnen worden gedekt. Daarbij wijst de VNG erop dat het verlenen van ontheffingen voor het afsteken van F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling, evenals het toezicht en de handhaving daarop, een nieuwe bevoegdheid betreft voor burgemeesters en gemeenten. Volgens de VNG zullen de gemoeide kosten van de nieuwe bevoegdheid voor burgemeesters en gemeenten mede afhankelijk zijn van de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de ontheffingsmogelijkheid en van de wijze waarop gemeenten hier in hun lokale beleid invulling aan geven.
Waarom zijn geen landelijke minimumnormen of toetsingskaders opgenomen, terwijl de beslissingsbevoegdheid volledig bij de burgemeester ligt?
Om de veiligheid van de opslag, het vervoer, de verkoop en het afsteken van vuurwerk te waarborgen voor ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden is in het Ontwerpbesluit een aantal voorwaarden en voorschriften vastgesteld. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de brede wens vanuit gemeenten om waar dat kan veiligheidsvereisten nationaal vast te leggen.
Hoe wordt voorkomen dat de toekenning van ontheffingen afhankelijk wordt van de persoonlijke of politieke opvattingen van individuele burgemeesters?
De bevoegdheid om een ontheffing te verlenen is bij amendement Bikker c.s. bij de burgemeester belegd. De burgemeester kan zelf beslissen of zij van die bevoegdheid gebruik wenst te maken. Daarmee kan rekening worden gehouden met de lokale situatie, desgewenst in overleg met de lokale driehoek. Naar verwachting zullen burgemeesters hierover in gesprek gaan met de gemeenteraad.
Is het risico op ongelijke behandeling tussen gemeenten expliciet meegewogen?
Als gevolg van het amendement Bikker c.s. kan een burgemeester op grond van de Wet veilige jaarwisseling een ontheffing verlenen, maar zij hoeft dat niet te doen. Zij kan daartoe zelf beleid opstellen al dan niet in een beleidsregel. Verschillen in beleid tussen gemeenten leiden op zichzelf niet tot ongelijke behandeling tussen gemeenten. Sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat afhankelijk van lokale omstandigheden verschillen in beleid tussen gemeenten kunnen ontstaan. Wel zijn, in lijn met de wens van gemeenten, veel veiligheidsvoorschriften nationaal vastgelegd in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling.
Hoe heeft u beoordeeld dat de opslag-, uitleverings- en terugnameverplichtingen uitvoerbaar zijn voor burgerinitiatieven zonder professionele infrastructuur?
Voor verenigingen en stichtingen is het een nieuwe situatie dat vuurwerk terug dient te worden gebracht aan het verkooppunt of te worden opgehaald. Het gaat daarbij enkel om de situatie waarin vuurwerk, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, niet kon worden afgestoken. Deze verplichting is noodzakelijk omdat het gedurende het jaar met het oog op de veiligheid, niet toegestaan is voor verenigingen en stichtingen om vuurwerk in bezit te hebben en op te slaan. Naar aanleiding van signalen uit de internetconsultatie is de teruglevertermijn verruimd naar 18.00 op 1 januari. Het kabinet is daarmee van mening dat de verplichtingen uit de regeling voldoende uitvoerbaar zijn.
Op welke wijze is rekening gehouden met de gevolgen voor erkende verkooppunten, gelet op de zeer beperkte uitleverperiode en de verplichting tot terugname op 1 januari?
Tijdens de internetconsultatie heeft de vuurwerkbranche op deze punten gereageerd. In sommige gevallen heeft dit geleid tot een wijziging zoals het verlengen van het teruglevertermijn. Daarnaast heeft de branche voorgesteld om het vervoer collectief te laten uitvoeren door gecertificeerde vervoerders of door een verkooppunt. Het kabinet waardeert deze suggesties en laat het aan de markt over om dit verder uit te werken. Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling biedt hiervoor ruimte.
Is met de vuurwerksector gesproken over de financiële haalbaarheid van deze verplichtingen, gezien de vaste kosten voor opslag, beveiliging en vergunningen?
Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling wordt al het F2-vuurwerk voor consumenten verboden. Dit heeft directe gevolgen voor vuurwerkimporteurs en detailhandelaren (vuurwerkverkooppunten). Dit type vuurwerk mag immers niet meer aan consumenten worden verkocht, tenzij aan de koper door de burgemeester een ontheffing is verleend. De uitwerking van een nadeelcompensatieregeling voor importeurs en detailhandelaren is onderdeel van een separaat traject.
Welke alternatieven zijn overwogen om deze logistieke lasten beter in balans te brengen?
Zoals bij vraag 26 is aangegeven heeft de vuurwerkbranche voorstellen gedaan en deze zijn op een aantal punten overgenomen. Het kabinet waardeert deze suggesties en laat het aan de markt over om dit verder uit te werken.
Welke marktanalyse is uitgevoerd om vast te stellen dat aansprakelijkheidsverzekeringen beschikbaar en betaalbaar zijn voor kleine verenigingen en vrijwilligersgroepen?
In het kader van de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is gesproken met het Verbond van Verzekeraars en enkele individuele verzekeraars. Het Verbond van Verzekeraars heeft ook gereageerd op de internetconsultatie. Het is volgens het Verbond van Verzekeraars belangrijk voor een vereniging of stichting die een ontheffing aanvraagt, om na te gaan of de eigen (huidige) aansprakelijkheidsverzekering adequate dekking biedt voor afsteken of laten afsteken van vuurwerk. Hierbij is het verstandig om ook te kijken of en welke specifieke (aanvullende) voorwaarden de verzekeraar hierbij stelt. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat een adviseur daarbij kan helpen. Als de rechtspersoon (nog) geen aansprakelijkheidsverzekering heeft die dekking biedt, zou volgens het Verbond een tijdelijke evenementenverzekering met dekking voor aansprakelijkheid een alternatief kunnen zijn. Op basis van een gedegen landelijk uniform veiligheidspakket kunnen verzekeraars de risico’s inschatten en de verzekerbaarheid van het afsteken van vuurwerk in het kader van een ontheffing. Meestal zal dit op ad hoc en individuele basis plaatsvinden. Het is aan de verzekeraars zelf of zij bijvoorbeeld willen voorzien in collectieve verzekeringsmogelijkheden.
Hoe is beoordeeld of deze verzekeringsplicht de toegankelijkheid van de regeling beperkt?
Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling stelt geen vereisten rondom het al dan niet verplicht afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering.
Is onderzocht of de regeling leidt tot sociale uitsluiting van inwoners die geen lid zijn van verenigingen of de bijkomende kosten niet kunnen dragen?
Het is niet onderzocht of de regeling kan leiden tot sociale uitsluiting van inwoners die geen lid zijn van een vereniging. Daarbij geldt dat het in veel gevallen naar verwachting mogelijk zal zijn om het vuurwerk ook zonder lidmaatschap, bijvoorbeeld op enige afstand, te aanschouwen.
Zijn alternatieven overwogen, zoals gemeentelijke vrijwilligersverzekeringen of een landelijke standaarddekking? Zo ja, waarom zijn deze niet overgenomen?
Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling stelt geen vereisten rondom het al dan niet verplicht afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering. Het wordt aan de burgemeester overgelaten of hij dit alsnog wenst te verplichten. Het is aan verzekeraars zelf of zij bijvoorbeeld willen voorzien in een specifieke verzekering; naar verwachting zal dit in de regel op individuele basis plaatsvinden. Zie ook het antwoord op vraag 29.
Hoe wordt voorkomen dat initiatiefnemers te maken krijgen met stapeling van verplichtingen door samenloop van de AMvB en gemeentelijke APV-regels (Algemene Plaatselijke Verordening)?
Enige stapeling van verplichtingen is niet geheel te voorkomen. Of een evenementenvergunning vereist is, is afhankelijk van de regels die daarover zijn gesteld door de gemeente in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In het Vuurwerkbesluit kunnen hierover geen andere of aanvullende regels worden gesteld.
Wordt overwogen om deze samenloop expliciet te reguleren om dubbele lasten te voorkomen?
Een gemeente kan ervoor kiezen om de aanvragen samen te voegen of te koppelen. Dat is echter aan de gemeente. Dit wordt niet verplicht gesteld in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Wel zal hierover in gesprek worden gegaan met de VNG.
Welke analyse is uitgevoerd naar de naleefbaarheid van de regeling door burgerinitiatieven?
In het kader van de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling zijn diverse gesprekken gevoerd om inbreng op te halen bij een brede vertegenwoordiging van organisaties, zoals de politie, het Openbaar Ministerie (OM), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Genootschap van Burgemeesters (NGB), omgevingsdiensten, de brandweer, verzekeraars, (koepels van) sport- en wijkverenigingen, en de vuurwerkbranche. Daarbij is getracht zo breed mogelijk input op te halen ten aanzien van het borgen van de veiligheid, de uitvoerbaarheid voor burgemeesters, de handhaafbaarheid, en ook de werkbaarheid voor verenigingen, stichtingen, en bedrijven. De naleving van het vuurwerkverbod zelf is ook in het handhavingsplan3 van het Ministerie van JenV uiteengezet.
Is onderzocht of de zwaarte en complexiteit van de eisen kan leiden tot ontmoediging of verschuiving naar niet-gereguleerde activiteiten?
Het kabinet is van mening dat met de huidige uitwerking adequate minimale veiligheidsvoorschriften worden vastgesteld, waarbij daarnaast uit wordt gegaan van vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Naar de mening van het kabinet zijn de gestelde voorwaarden en voorschriften daarmee noodzakelijk, en niet onnodig zwaar of complex.
Hoe wordt de handhaving ingericht en hoe wordt voorkomen dat gemeenten en politie geconfronteerd worden met disproportionele handhavingsdruk?
De inrichting van de handhaving en inzet van boa's en de politie rondom de jaarwisseling betreft een lokale afweging. Deze wordt afgestemd binnen de lokale driehoek, zodat rekening kan worden gehouden met de specifieke omstandigheden en prioriteiten binnen de gemeente. Ter voorbereiding op de aankomende jaarwisseling, waarbij een algeheel vuurwerkverbod voor consumenten geldt met een mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen, stelt de VNG een handreiking op. Hiermee worden gemeenten ondersteund om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op zowel de uitvoering als handhaving van het verbod en de ontheffingsregeling. Daarnaast wordt de inzet van boa's bij de handhaving van de ontheffingsmogelijkheid nader verkend. Tot slot betreft de ontheffingsmogelijkheid een «kan» bepaling. Met het oog op de handhaafbaarheid kan een burgemeester er daarom voor kiezen om geen of slechts een beperkt aantal ontheffingen te verlenen.
Welke communicatiestrategie wordt ingezet om burgers en verenigingen tijdig en begrijpelijk te informeren over deze nieuwe regeling?
Op dit moment werken de Ministeries van IenW en JenV aan een communicatieaanpak. In deze aanpak wordt onderscheid gemaakt in verschillende fasen te weten 1) vanaf heden tot de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod, 2) het landelijk vuurwerkverbod is van kracht, 3) periode tot aan de jaarwisseling 2026–2027 en de volgende jaarwisselingen. Per fase worden doelgroepen, doelstellingen, boodschap, kanalen, middelen en een tijdlijn opgenomen. Fase 1 betreft de communicatie rond de verschillende mijlpijlen tot aan de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod. De eerste communicatieboodschappen zullen vanaf mei/juni gepubliceerd worden.
Worden uniforme aanvraagformulieren, modelbesluiten of landelijke richtlijnen ontwikkeld om rechtszekerheid en voorspelbaarheid te waarborgen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen. Het opnemen van een voorbeeld voor een aanvraagformulier of een ontheffing behoren tot de mogelijkheden. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning aangeboden bij het opstellen van de handreiking.
Welke concrete evaluatiecriteria hanteert u om te beoordelen of de regeling het beoogde doel bereikt?
In het Ontwerpbesluit is opgenomen dat de Wet veilige jaarwisseling in samenhang met de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd zal worden. Hoe deze evaluatie er uit moet gaan zien dient nog nader uitgewerkt te worden. Daarover wordt de Kamer medio 2026 nader geïnformeerd, zoals toegezegd aan de Eerste Kamer (Kamerstuk 35 386, J).
Wordt gemonitord hoeveel aanvragen worden ingediend, toegewezen en afgewezen, en wat de belangrijkste knelpunten zijn?
Dit is geen verplichting op grond van de Wet veilige jaarwisseling en het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. In het kader van het bepalen van de uitvoeringscapaciteit en prioritering van werkzaamheden ligt het wel voor de hand dat gemeenten dit registreren en monitoren. Dit zal worden meegenomen in de uitwerking van de evaluatie, waarover de Kamer medio 2026 wordt geïnformeerd.
Bent u bereid de AMvB binnen afzienbare tijd te herzien indien blijkt dat de regeling in de praktijk onvoldoende aansluit bij de intentie van het amendement Bikker?
Het is gebruikelijk dat wet- en regelgeving geëvalueerd wordt. De ontheffingsmogelijkheid zal binnen drie jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Indien uit de evaluatie naar voren komt dat de uitwerking niet leidt tot het gewenste resultaat, kan besloten worden om het Vuurwerkbesluit te wijzigen.
Waarom is het scenario waarin de burgemeester één of meerdere afsteeklocaties aanwijst volledig buiten beschouwing gelaten?
Voorafgaand aan de uitwerking zijn diverse scenario’s bezien en alternatieven afgewogen, zoals het scenario waarin een burgemeester een locatie aanwijst waarbij iedereen, dan wel alle leden van een vereniging, vuurwerk mogen afsteken onder de huidige regels. Tevens is bezien of het mogelijk is om bijvoorbeeld een maximumaantal ontheffingen per gemeente vast te stellen. Voor deze scenario's is zo breed mogelijk input verzameld ten aanzien van het borgen van de veiligheid, de uitvoerbaarheid voor burgemeesters, de handhaafbaarheid, en de werkbaarheid voor verenigingen, stichtingen en bedrijven. De verschillende scenario’s zijn beschreven in het Beleidskompas. Gelet op de lokale bevoegdheidsverdeling, dan wel de doelstelling van de wet, en om redenen van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid, is voor deze alternatieve scenario’s niet gekozen.
Hoe weegt u het risico op toeloop en ordeverstoringen in dit scenario af tegen de aanzienlijke drempels en uitvoeringsproblemen van de nu voorgestelde regeling?
Bij het enkel toewijzen van een afsteeklocatie door de burgemeester blijft het mogelijk dat iedere particulier ouder dan 16 jaar consumentenvuurwerk mag afsteken. Hiermee is de verwachting dat, gelet de ervaringen van afgelopen jaarwisselingen, de kans op ordeverstoringen en letsel groter is dan in het scenario zoals nu is uitgewerkt in het Ontwerpbesluit. Immers in de voorgestelde nieuwe situatie mag niemand, behalve de door de ontheffinghouder aangewezen ontbranders, consumentenvuurwerk afsteken.
Acht u het proportioneel dat dit alternatief is verworpen, terwijl ook de huidige uitwerking mogelijk niet leidt tot het realiseren van de beoogde laagdrempeligheid?
Ja, gelet op de bezwaren, wordt het verwerpen van dit alternatief proportioneel geacht.
De uitzending ‘Zaad zonder grenzen’ van Zembla |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de Zembla-uitzending «Zaad zonder grenzen» (29 januari 2026)?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er op grote schaal gebruik wordt gemaakt van spermadonoren uit het buitenland, voor wie niet de Nederlandse wet- en regelgeving geldt van een maximum aantal gezinnen en verplichte bekendmaking als het donorkind dat wil? Wat betekent dit voor het recht van een kind om diens familie te kennen?
Het recht van donorkinderen op toegang tot hun afstammingsgegevens (artikel 7 en 8 van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind) is in Nederland geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). In deze wet is geregeld dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van hun donor.2 Dat er op grote schaal gebruik wordt gemaakt van spermadonoren uit het buitenland vindt het kabinet, zoals ook benoemd in de Kamerbrief van 12 februari jl. 3, zorgwekkend, omdat er hierdoor grote internationale verwantschapsnetwerken van donorkinderen ontstaan. Dit is niet in het belang van het kind. Daarom bereidt het kabinet momenteel maatregelen voor om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan (zie het antwoord op vraag 3).
Het kabinet wil onderstrepen dat, als buitenlands donorsperma wordt ingezet voor een behandeling in Nederland, er moet worden voldaan aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo kan bijvoorbeeld geen gebruik worden gemaakt van een donor die anoniem wenst te blijven, aangezien kinderen op grond van de Wdkb recht hebben op toegang tot hun afstammingsgegevens. Desalniettemin blijkt het daadwerkelijk tot stand brengen van contact met een buitenlandse donor in de praktijk lastig. Daarom verkent het kabinet momenteel welke aanvullende donorgegevens geregistreerd kunnen worden door fertiliteitsklinieken. Door een persoonsnummer, een e-mailadres, het adres ten tijde van donatie en de spermabank waar de donor heeft gedoneerd vast te leggen kan de vindbaarheid van donoren in het buitenland worden vergroot. Bovendien heeft de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport fertiliteitsklinieken opgeroepen om aanvullende afspraken te maken met buitenlandse spermabanken, over onder andere het actualiseren van contactgegevens van donoren.
Tot welke reflecties leidt deze documentarie bij u, met de wetenschap dat de ChristenUnie eerder voor een verbod op het gebruik maken van sperma- of eiceldonoren uit buitenland heeft gepleit?
In de recente brief over het tegengaan van massadonatie en de regulering van het gebruik van buitenlands donorsperma»4 heeft de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport haar zorgen uitgesproken over het toenemend gebruik van buitenlands donorsperma en de beperkingen van de huidige nationale regels. De Zembla-uitzending benadrukt voor het kabinet deze zorgen. Het kabinet noemt hierbij het beperkte zicht op het aantal donorkinderen per donor in internationale context, de beperkte mogelijkheden van donorkinderen om meer over de donor te weten te komen en de gevolgen hiervan voor een deel van de donorkinderen en ouders. De uitspraken van de directeur van de Deense bank Cryos vond het kabinet niet getuigen van inzicht in deze gevolgen voor donorkinderen. De vergelijking die de directeur trok tussen grensoverschrijdende spermadonatie vanuit Denemarken en praktijken van de «Vikingen» waren ronduit stuitend.
Het belang van het kind is voor dit kabinet leidend bij donorconceptie. Het kabinet zet niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een dergelijk verbod moet noodzakelijk, proportioneel en geschikt zijn om het belang van het kind te beschermen. Bovendien moet rekening worden gehouden met Europese wet- en regelgeving, waaronder regels voor vrij verkeer van goederen en diensten. Wel zet het kabinet in op maatregelen om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. Het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl)5, dat momenteel voor behandeling in de Tweede Kamer ligt, biedt een goede mogelijkheid om grensoverschrijdend gebruik van donorsperma te reguleren. Via de Wzl kan vastgelegd worden dat het ontvangen of verstrekken van donorsperma door een fertiliteitskliniek of spermabank verboden is, behalve als in bindende afspraken met de andere partij is vastgelegd dat het donorzaad wereldwijd bij niet meer dan een X-aantal vrouwen ingezet wordt. Ook blijft dit kabinet op Europees niveau pleiten voor een Europees maximum voor het gebruik van het sperma van één donor en wordt een breed samenwerkingstraject gefaciliteerd om te komen tot aanvullende afspraken tussen alle betrokken partijen over grensoverschrijdende donorconceptie.
Hoe is er in het verleden omgegaan met het informeren van wensouders over de waarschijnlijkheid dat buitenlandse donoren op te sporen zijn en het voor donorkinderen mogelijk is om hun donor te leren kennen? Welke informatie krijgen wensouders nu over deze mogelijkheden? En over het feit dat de Nederlandse regels niet gelden voor donaties van deze donoren in het buitenland?
Fertiliteitsklinieken bespreken in de counseling met wensouders wat de mogelijke gevolgen zijn van de keuze voor een donor uit het buitenland. In het standpunt van de beroepsgroep ligt de nadruk daarbij vooral op het aantal nakomelingen per donor in internationaal verband en de mogelijke gevolgen voor het kind.6 In de counseling wordt ook aan de orde gesteld dat het kind recht heeft op zijn/haar afstammingsgegevens en vanaf 16 jaar de persoonsidentificerende gegevens van de donor kan opvragen. Fertiliteitsklinieken verwijzen tot slot naar de informatie van Fiom en het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (LIDC)7, waar aandacht wordt besteed aan de risico’s en mogelijke gevolgen voor het donorkind bij het gebruik van buitenlandse donoren.
Bent u bereid op Europees niveau te pleiten voor uniforme en bindende regels over spermadonatie? Hoe gaat u dat doen?
Het Ministerie van VWS pleit op Europees niveau al geruime tijd voor uniforme regels over donorconceptie. Binnen een recent opgerichte werkgroep van de SoHO coordination board (SCB), onder leiding van België, is er draagvlak voor het instellen van een Europees maximum voor het gebruik van sperma van één donor. Het kabinet zal in deze en andere relevante gremia de Nederlandse positie actief blijven uitdragen.
Wat vindt u van de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) in juli 2025 om het gebruik van buitenlandse spermadonoren te stoppen? Welke wet- of regelgeving moet daarvoor volgens u gewijzigd? Kunnen vruchtbaarheidsklinieken er nu al voor kiezen om geen buitenlandse spermadonoren te gebruiken?
Het kabinet vindt het goed dat de NVOG nadenkt over manieren om het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken te voorkomen. Aanpassing van wet- of regelgeving is hiervoor niet nodig. Fertiliteitsklinieken kunnen er op dit moment al voor kiezen om geen buitenlands donorsperma te gebruiken. Sommige fertiliteitsklinieken hebben dit ook al gedaan.
Het kabinet zet nu niet in op een stop op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een dergelijk totaalverbod dient noodzakelijk en geschikt te zijn om het belang van het kind te beschermen en mag niet verder gaan dan daarvoor vereist is. Ook moet hierbij rekening worden gehouden met de geldende Europese kaders, waaronder het vrij verkeer van goederen en diensten.
Hoe kijkt u, in het licht van de onmogelijkheid om de rechten van kinderen te waarborgen bij buitenlandse spermadonatie, aan tegen een (tijdelijk) verbod op buitenlandse spermadonatie totdat er zekerheid bestaat dat internationale spermadonatie de rechten van donorkinderen waarborgt?
Het recht van kinderen op hun afstammingsgegevens geldt ook voor kinderen die zijn verwekt met behulp van een donor uit het buitenland, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2.
Het kabinet zet, zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlands donorsperma. Het kabinet vindt evenwel het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken als gevolg van het gebruik van buitenlands donorsperma niet in het belang van het kind. Daarom treft het kabinet voorbereidingen voor maatregelen om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan.
Hoe kijkt u aan tegen de diverse misstanden ten aanzien van donorconceptie, of het nu gaat om massadonoren, artsen die zonder toestemming en medeweten van wensouders hun eigen zaad inzetten of kinderen die niet weten dat ze van een donor afkomstig zijn? Ziet u dit als incidenten of als structurele problemen? Als u dit als structureel probleem ziet, vindt u het dan tijd voor een landelijk onderzoek naar de misstanden rondom donorconceptie? Zo nee, waarom niet?
De verschillende misstanden die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen zijn zonder meer zorgwekkend. De genoemde voorbeelden kennen echter uiteenlopende ontstaansgeschiedenissen, achtergronden en juridische implicaties. Deze kwesties kunnen daarom naar de mening van het kabinet niet als één samenhangend, structureel probleem gezien worden. Wel constateert het kabinet dat zich binnen de sector herhaaldelijk onwenselijke situaties hebben voorgedaan. Daarom werkt het kabinet aan de verbetering van een zorgvuldige praktijk van donorconceptie. Onder andere met de maatregelen die in de genoemde brief van 12 februari jl. zijn aangekondigd.
Hoeveel wensouders zoeken buiten de gereguleerde kaders naar mogelijkheden om hun wens te vervullen?
Er is geen zicht op het aantal wensouders dat buiten de gereguleerde kaders zoekt naar mogelijkheden om hun kinderwens te vervullen. Wat mensen in hun privésfeer doen kan niet worden gemonitord of gereguleerd.
Herkent u dat wensouders alleen medische voorlichting krijgen, in fertiliteitsklinieken, maar geen voorlichting over alle Nederlandse wettige mogelijkheden en welke consequenties er zijn voor kinderen op de lange termijn, en of het niet laten vervullen van een kinderwens ook een optie is? Vindt u dit ook een omissie in de voorlichting? Zo ja, hoe wilt u dit gat vullen? Zo nee, wat ziet u dan als taak van de overheid hierin?
De voorlichting aan wensouders in fertiliteitsklinieken is niet uitsluitend medisch van aard. In deze voorlichting komen ook juridische en psychosociale aspecten van donorconceptie aan bod. Dit staat uitgebreid beschreven in het standpunt «Geassisteerde voortplanting met gedoneerde gameten en gedoneerde embryo’s en draagmoederschap»8 en het «Landelijk standpunt sperma donatie»9 van de NVOG en de Vereniging voor Klinische Embryologie (KLEM). Het is belangrijk dat deze voorlichting goed en toegankelijk blijft, waarbij ook de overheid een rol heeft in het bieden van heldere en betrouwbare informatie over de verschillende wettelijke mogelijkheden en de mogelijke gevolgen voor donorkinderen op de lange termijn. In dat kader bieden onder meer het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie en Fiom (expertisecentrum op het gebied van afstammingsvraagstukken) uitgebreide informatie.10 Tevens biedt ook het College Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (Cdkb) informatie op zijn website over het registratiesysteem voor sperma-, eicel- en embryodonoren en welke gegevens van de donor er geregistreerd worden en worden verstrekt.11 Daarnaast ziet het kabinet nadrukkelijk ook een eigen verantwoordelijkheid voor wensouders om zich breed te laten informeren en weloverwogen keuzes te maken.
Het bericht ‘Vrouw besluit in paniek tot abortus en klaagt nu kliniek aan: 'Ze hadden me moeten tegenhouden'’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw besluit in paniek tot abortus en klaagt nu kliniek aan: «Ze hadden me moeten tegenhouden»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Vindt u het ook zorgelijk dat het blijkbaar kan dat een vrouw niet overtuigd is dat zij voor een abortus wil kiezen en toch een abortus krijgt?
Het gaat hier om een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Ik vind het niet passend om conclusies te trekken over deze casus op basis van een nieuwsbericht. Wel erken ik dat de beschreven situatie zeer aangrijpend moet zijn voor betreffende vrouw.
Begrijpt u de zorgen van de indiener van deze vraag over de inmiddels vervallen minimale beraadtermijn in de abortuswetgeving?
Sinds 2023 is de verplichte minimale beraadtermijn van vijf dagen vervangen door een flexibele beraadtermijn: de vrouw bepaalt in overleg met haar arts hoeveel tijd zij nodig heeft voor haar besluit. Uit de laatste evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) blijkt dat de besluitvorming rondom abortus in Nederland zorgvuldig verloopt en dat een verplichte minimale beraadtermijn hiervoor niet noodzakelijk is. Het nieuwsbericht dat aanleiding vormde voor de vragen van de indiener verandert dat niet. Het gaat hier om een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Er kunnen op basis van het nieuwsbericht geen conclusies worden getrokken over deze casus over de beraadtermijn of over het functioneren van de Wafz in brede zin.
Vindt u dat de zorgvuldigheid voldoende is geborgd nu de verplichte minimale beraadtermijn is afgeschaft en het mogelijk is om bij de huisarts de abortuspil te krijgen?
Ja, die zorgvuldigheid wordt op verschillende manieren gewaarborgd. Artsen zijn op grond van de Wafz verplicht zich ervan te vergewissen dat de vrouw haar besluit weloverwogen heeft genomen. De beroepsrichtlijnen van zowel abortusartsen als huisartsen bevatten uitgebreide instructies voor zorgvuldige besluitvorming. In deze richtlijnen staat dat artsen alert moeten zijn op twijfel. De richtlijnen bevatten concrete aanbevelingen over hoe twijfel herkend kan worden, ook wanneer die niet wordt uitgesproken.2 Voor vrouwen die twijfels of vragen hebben is er ook goede informatie en ondersteuning beschikbaar via het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap en het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap.3
Uit de laatste wetsevaluatie blijkt dat de besluitvorming rondom abortus in Nederland zorgvuldig verloopt en dat een verplichte minimale beraadtermijn hiervoor niet noodzakelijk is. In 2027 zal de Wafz opnieuw worden geëvalueerd. Dan zal ook gekeken worden naar de effecten van de wetswijzigingen en of er eventueel aanleiding is om wet- en regelgeving aan te passen.
Geeft deze casus u aanleiding tot het aanpassen van regelgeving?
Nee. De casus is nu onderdeel van een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Ik vind het niet passend conclusies te trekken over deze casus op basis van een nieuwsbericht. Bovendien biedt de huidige wetgeving voldoende waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming, zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 4.
Waar vinden «de goede gesprekken», zoals de huisarts in het artikel beschrijft, doorgaans plaats? Bij de huisarts, in de abortuskliniek, bij de onafhankelijke keuzehulpverleners?
Gesprekken over een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap kunnen plaatsvinden bij de huisarts, in een abortuskliniek, in het ziekenhuis en bij keuzehulpverleners. Waar en met wie dit gesprek plaatsvindt, hangt af van de behoeftes van de vrouw. Zowel huisartsen, abortusartsen als keuzehulpverleners zijn deskundig op dit gebied en kunnen indien nodig of gewenst naar elkaar doorverwijzen.
Is het gebruikelijk dat een vrouw in de kliniek de echo te zien krijgt of niet? Zo nee, waarom niet?
De abortusprofessional bespreekt vooraf met de vrouw of zij de echo wel of liever niet wil bekijken. Sommige vrouwen willen de echo graag zien, andere vrouwen juist niet. Het is niet verplicht de echo te tonen. Zo’n verplichting zou de autonomie van de vrouw ernstig ondermijnen. Het doel van de echo is om de zwangerschapsduur vast te stellen en te bepalen welke behandelmethode medisch gezien het meest geschikt is.
Zijn er extra waarborgen in het traject van een vrouw met een onbedoelde zwangerschap in te bouwen dat een abortus die later toch tegen de wens van de vrouw in gaat – en alle verdrietige gevolgen die dat heeft – voorkomen kan worden?
Zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 4 zijn er voldoende waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming. Er is op dit moment geen aanleiding om aanvullende waarborgen te overwegen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Ja.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Het bericht ‘Langer thuiswonen? ‘Ouderen komen nu al vies en verwaarloosd op de eerste hulp’’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Langer thuiswonen? «Ouderen komen nu al vies en verwaarloosd op de eerste hulp»»?1
Ik vind het heel verdrietig om te lezen dat er ouderen zijn die vies en verwaarloosd op de eerste hulp komen.
Bent u het ermee eens dat we nooit ouderen zover achteruit mogen laten gaan dat zij in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden?
Ik ben het ermee eens dat ouderen niet in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis zouden mogen belanden. Ik kan niet direct uit het artikel afleiden wat de oorzaak is dat er mensen verwaarloosd in het ziekenhuis komen. Bijvoorbeeld dat het zou gaan om mensen die zorg hebben gevraagd maar niet hebben gekregen.
Ik heb daarbij verder geen signalen dat zorg thuis niet toegankelijk is en niet kan worden verleend aan ouderen die thuis wonen. Recent onderzoek2 laat zien dat de toegankelijkheid van de wijkverpleging over het algemeen goed is. De meeste cliënten ontvangen binnen de gewenste termijn zorg. De wachttijden zijn over het algemeen kort, zo ontvangt volgens data van 15 ziekenhuizen 84% van de cliënten binnen één dag na de gewenste ontslagdatum wijkverpleging.
Ook zetten we bij de zorg thuis in op tijdige signalering door de samenwerking in de wijk te versterken. Een zorg- of hulpverlener die verwaarlozing en/of eenzaamheid signaleert kan in samenwerking met andere professionals in de wijk hulp bieden. Ook kunnen mensen met dementie, van beginnend tot vergevorderd, altijd gebruik maken van casemanagement dementie. Een casemanager kan helpen om zorg en ondersteuning voor de cliënt en de omgeving goed te organiseren.
Daarnaast ben ik samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening bezig met de bouw van 120.000 geclusterde en zorggeschikte woningen. Ook die kunnen helpen in het extra oogje in het zeil, zeker als daar ook een levende gemeenschap is waar mensen naar elkaar om kijken.
Bent u het ermee eens dat dit soort verhalen duidelijk maken dat het huidige beleid van mensen zo lang mogelijk dwingen thuis te blijven wonen tegen zijn grenzen aanloopt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel zou er geïnvesteerd moeten worden in de zorg om ervoor te zorgen dat er wel voldoende passende plekken komen waar deze mensen de juiste zorg kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u zicht op om hoeveel ouderen het gaat die in verwaarloosde toestand of eenzaam thuis leven?
Van alle 75-plussers voelt 51% zich eenzaam.3 Ik heb geen cijfers over de vraag hoeveel mensen er in verwaarloosde toestand thuis wonen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze ouderen de zorg krijgen die ze nodig hebben, en hoe gaat u verwaarlozing en eenzaamheid in de toekomst voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak gebeurt het per jaar dat ouderen in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden?
In de ziekenhuisregistraties wordt niet specifiek vastgelegd of sprake is van verwaarlozing als reden van opname. Het kabinet kan daardoor niet aangegeven hoe vaak het gebeurt dat ouderen in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden.
Hoeveel zal dit de komende jaren toenemen als de plannen van de nieuwe coalitiew orden doorgezet?
In het coalitieakkoord wordt ingezet op een gezondere samenleving. Daarbij investeert het kabinet in zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling waardoor ouderen en mensen met een beperking langer thuis kunnen wonen met passende ondersteuning. Dit gaat gepaard met nieuwe woonvormen en zorgzame buurten waar ontmoeting, de aanpak van eenzaamheid en zorg voor elkaar centraal staat.