Het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten |
|
Sarah Dobbe |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en meervoudig gehandicapte kinderen hun deuren moeten sluiten. Dit is zeer ingrijpend en buitengewoon vervelend voor de betrokken kinderen en hun ouders of verzorgers, die dagelijks afhankelijk zijn van intensieve en gespecialiseerde zorg. Ook voor de medewerkers, die zich met grote betrokkenheid inzetten voor deze kwetsbare groep, brengt dit veel onzekerheid met zich mee.
Juist bij deze vorm van zorg is continuïteit van groot belang. Wanneer die onder druk komt te staan, leidt dat begrijpelijkerwijs tot zorgen. Het is daarom essentieel dat betrokken partijen zorgvuldig handelen, ouders en medewerkers goed informeren en alles op alles zetten om passende oplossingen te vinden, waarbij het belang van het kind steeds vooropstaat.
Begrijpt u dat het een enorme impact heeft als deze kinderen straks zijn aangewezen op zorgvilla’s die veel verder weg liggen of op thuiszorg, indien hier überhaupt al plek is?
Ik begrijp dat ouders en hun kinderen in onzekerheid verkeren over waar hun kind zorg kan krijgen. Ik hecht daarom grote waarde aan het belang van continuïteit van zorg, en begrijp dat de huidige situatie veel vraagt van kinderen, hun ouders en medewerkers van Villa ExpertCare.
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Deelt u de analyse dat de tarieven die door de zorgverzekeraars worden gerekend voor deze vorm van zorg tekortschieten en dat dit de reden is voor het sluiten van deze villa’s?
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting2. De NZa heeft mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek is gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»3. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Bent u bereid om de tarieven te laten herijken via een kostprijsonderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Is bekend of ExpertCare de afgelopen jaren verlies of winst heeft gemaakt op de zorgvilla’s?
Uit de openbare jaarverantwoordingen van Villa ExpertCare valt op te maken dat in 2022 en 2024 een negatief resultaat is behaald en in 2023 een positief resultaat. De jaarverantwoording over 2025 is nog niet gepubliceerd.
Welke alternatieven zijn er voor gezinnen die nu gebruik maken van deze zorgvilla’s en is daar voldoende capaciteit om al deze gezinnen de juiste zorg te kunnen bieden?
In februari 2026 is overleg geweest tussen de Branchevereniging integrale kindzorg (Binkz), zorgverzekeraars en de NZa. Mogelijk kan één van de zeven andere leden van Binkz die 24-uurs kindzorg leveren een oplossing bieden. Maar het hoeft niet altijd intramuraal te zijn. Er wordt voor ieder kind gekeken wat passend is.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze villa’s open kunnen blijven en dat gezinnen een goede gespecialiseerde opvangplek blijven houden?
ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Op dit moment is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Verkeerde taxaties door goudwisselkantoor |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Consumentenprogramma Kassa: Goudwisselkantoor taxeert ver onder de waarde van de NOS?1
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat consumenten op deze wijze worden opgelicht?
In hoeverre bent u van mening dat er sprake is van een functionerende vrije markt wanneer de prijsvorming zo afhankelijk is van willekeur?
Deelt u de mening dat een eerlijke prijsvorming in deze markt in de weg wordt gezeten door een groot verschil in informatiepositie en dat regulering daartoe wenselijk is?
Waarom is de handel van goud in Nederland nog niet gereguleerd?
Wat is het verschil tussen de Nederlandse markt voor goudinkoop en de Franse, waar er wel sprake is van regulering door de overheid?
Wat is er nodig om de consumentenbescherming voor de markt voor goudinkoop, net zoals in Frankrijk en België, te verbeteren?
Welke stappen gaat u ondernemen om consumenten beter te beschermen tegen goudwisselbedrijven die oneerlijk handelen?
Het invoeren van een leegstandsheffing |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een Kamermeerderheid op 23 september 2025 heeft ingestemd met het invoeren van een leegstandsheffing via het amendement 36 735-18 op de Fiscale Verzamelwet 2026?
Ja, dit is mij bekend.
Klopt het dat u op 22 januari jongstleden een koninklijk besluit heeft uitgevaardigd dat betrekking heeft op de inwerkingtreding van onderdelen van de Fiscale verzamelwet 2026, maar dat de leegstandsheffing daarin niet is meegenomen?
Het koninklijk besluit van 22 januari jl. heeft betrekking op de inwerkingtreding van artikelen van de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2018 en de Fiscale verzamelwet 2026 die zien op de motorrijtuigenbelastingen. Dit valt onder mijn beleidsverantwoordelijkheid en staat los van het amendement over de leegstandsheffing. Het amendement voor de leegstandheffing is ingediend op de Fiscale verzamelwet 2026. Daarin zijn technische wijzigingen opgenomen van fiscale wetgeving, waarvan het wenselijk was dat deze per 1 januari 2026 in werking zouden treden. Het amendement wijzigt de Gemeentewet en staat daardoor los van de reguliere fiscale wetgeving. Voor dit amendement geldt dat de inwerkingtreding van het amendement op koninklijk besluit (KB) is gezet. De maatregel gaat in als de verantwoordelijke Minister deze heeft geslagen. Het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van het amendement is tot op heden om procedurele redenen nog niet genomen, wat de uitvoering van een leegstandbelasting door gemeenten overigens niet in de weg hoeft te staan aangezien er door gemeenten eerst nog een verordening moet worden opgesteld voordat het jaar leegstand gaat lopen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten werkt ter ondersteuning hiervoor aan een modelverordening waarvan gemeenten gebruik kunnen maken.
Waarom heeft u hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit aangenomen amendement zo snel mogelijk wél wordt uitgevoerd, waardoor gemeenten aan de slag kunnen met het invoeren van een leegstandsheffing?
Het Ministerie van Financiën is hierover in gesprek geweest met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als verantwoordelijke van de Gemeentewet en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (beleidsverantwoordelijk). Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt nu aan het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van het amendement regelt. Daarna zal het koninklijk besluit worden geslagen waarmee het amendement zo snel mogelijk inwerking treedt.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden, uiterlijk vrijdag 13 februari 2026 om 12:00?
Ja.
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V. |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 5 februari 2026 in de zaak van Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V.?1
Ja.
Wat is uw reactie op het oordeel van de rechtbank dat DNB in 2017 bedrog heeft gepleegd door ten onrechte de rechtbank niet in te lichten over de met het overdrachtsplan van Conservatrix aan Trier verbonden herverzekering bij Colorado Bankers Life Insurance Company?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken van de rechtbank te beoordelen. Wel vind ik het relevant om op te merken dat deze zaak niet op zichzelf staat.
Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 6 hieronder, loopt er zowel een herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep (de voormalig aandeelhouder van levensverzekeraar Conservatrix N.V.) en DNB, als tussen Conservatrix Groep en de Staat. Beide procedures zijn aangespannen door Conservatrix Groep en zijn qua inhoud vrijwel gelijk. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 juli 2025 al een uitspraak gedaan over de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat.2 In deze vergelijkbare herroepingsprocedure heeft de Ondernemingskamer het herroepingsverzoek van Conservatrix Groep afgewezen en dat uitgebreid onderbouwd. Conservatrix Groep heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
In haar beschikking van 5 februari jl. in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarnaar in deze vraag wordt verwezen, heeft de rechtbank Conservatrix Groep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aard van de oorspronkelijke beschikking zich tegen herroeping verzet. De overdracht van de aandelen is onomkeerbaar en levensverzekeraar Conservatrix N.V. verkeert inmiddels in staat van faillissement. De beschikking uit 2017 waarbij het overdrachtsplan van DNB om levensverzekeraar Conservatrix over te dragen is goedgekeurd, blijft daarmee onverkort in stand. De rechtbank heeft zich desondanks uitgelaten over de vraag of DNB in 2017 «bedrog in het geding» zou hebben gepleegd door niet toe te lichten dat de benodigde kapitaalversterking door de koper mede op basis van een herverzekering zou geschieden. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was, waarbij van belang is om hierbij nog te vermelden dat het gaat om gesteld bedrog in processuele zin, wat een andere betekenis heeft dan bedrog in het normale spraakgebruik. DNB is tegen dit oordeel van de rechtbank in cassatie gegaan (zie ook het antwoord op vraag 4). Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze uitspraak – en de hiervoor genoemde uitspraak in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat – te buigen.
Bent u van mening dat de in 2021 uitgevoerde evaluatie door de Evaluatiecommissie Conservatrix het gepleegde bedrog voldoende heeft kunnen evalueren, aangezien het rapport van de Evaluatiecommissie in de uitspraak van 5 februari 2026 een belangrijke bron was om te komen tot het oordeel dat er sprake is geweest van bedrog? Leidt deze uitspraak van de rechtbank nog tot aanvullende inzichten en lessen voor DNB?
De toets die de rechtbank in 2017 diende uit te voeren op basis van de wet en het onderzoek dat de Evaluatiecommissie Conservatrix heeft verricht naar de gebeurtenissen in de aanloop naar het faillissement van Conservatrix N.V. in 2020, hebben een verschillend doel en een andere reikwijdte. Dat gezegd hebbende, blijkt uit de toelichting bij het Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Conservatrix3 dat de Evaluatiecommissie Conservatrix nadrukkelijk is gevraagd de herverzekering te onderzoeken. De Evaluatiecommissie Conservatrix, haar juridisch adviseur en secretaris hebben via een dataroom toegang gekregen tot alle relevante toezichtvertrouwelijke stukken, waaronder de afspraken die zijn gemaakt tussen toezichthouder DNB en de koper over de kapitaalversterking.
De Evaluatiecommissie Conservatrix schrijft in haar rapport onder meer dat een herverzekering een risicobeperkende techniek is die verzekeraars mogen toepassen bij berekening van de Solvency Capital Requirement (SCR). Zij bespreekt in haar rapport hoe de kapitaalstorting van Trier Holding B.V. zou worden opgebouwd, inclusief een herverzekering.4 Ook beoordeelt de Evaluatiecommissie in haar rapport of de herverzekering, achteraf bezien, goed heeft uitgepakt en of daar lessen uit te trekken zijn.5 Dit rapport is op 14 december 2021 aan uw Kamer aangeboden en openbaar geworden.6 DNB heeft mijn ambtsvoorganger geïnformeerd hoe zij opvolging heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Evaluatiecommissie Conservatrix. Deze informatie is met uw Kamer gedeeld via de Kamerbrief «Reactie op het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix» d.d. 5 april 2022.7
Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van deze uitspraak voor DNB en de Staat?
DNB is het inhoudelijk eens met de verwerping van het herroepingsverzoek door de rechtbank. DNB kan zich echter niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat DNB in de overdrachtsprocedure onvoldoende informatie heeft gegeven over de wijze waarop de koper de kapitaalspositie zou versterken en dat daarom sprake zou zijn van processueel bedrog. DNB heeft daarom tegen onder meer dat onderdeel van de uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft DNB hoger beroep ingesteld tegen de opdracht van de rechtbank om bepaalde toezichtvertrouwelijke documenten aan Conservatrix Groep te verstrekken.
In de herroepingsprocedure tussen de Staat en Conservatrix Groep zullen de Advocaat-Generaal en de Hoge Raad ook kunnen kennisnemen van de openbare uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De overwegingen van de rechtbank over het bedrog zijn echter niet juridisch bindend voor deze herroepingsprocedure in cassatie of in een andere procedure.
Conservatrix Groep heeft in de media aangegeven dat zij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank grondslag biedt voor (nadere) schadevergoeding aan Conservatrix Groep. Voor een eventuele nieuwe schadeclaim zou Conservatrix Groep verder moeten aanvoeren en onderbouwen welke schade dit «bedrog in het geding» precies heeft veroorzaakt.
Welke financiële gevolgen kunnen zich hierdoor voordoen en op welke wijze wordt hier door DNB en de Staat rekening mee gehouden?
Zoals hiervoor gezegd, kan een eventuele nieuwe schadevergoeding niet worden gevorderd van DNB (of de Staat) louter op basis van deze overwegingen van de rechtbank Amsterdam. Daarvoor zou Conservatrix Groep moeten aanvoeren en aantonen dat aan meerdere juridische vereisten voor een schadevergoeding is voldaan.
Welke juridische procedures lopen er op dit moment nog tussen Conservatrix Groep en DNB of de Staat? Wat is de stand van zaken in deze procedures?
Het Conservatrix-dossier is een langlopend traject. Naast de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarin op 5 februari 2026 door de rechtbank uitspraak is gedaan, lopen er momenteel twee procedures tussen Conservatrix Groep en de Staat.
Voor de goede orde benadruk ik hier dat de procedures worden gevoerd tussen de Staat en de voormalig aandeelhouder van Conservatrix N.V. De procedures gaan niet over de vraag of polishouders recht hebben op compensatie, omdat later met de nieuwe aandeelhouder ook problemen ontstonden en de levensverzekeraar in 2020 alsnog failliet is gegaan. Het ingrijpen van DNB in 2017 was juist gericht op het beschermen van de polishouders en de financiële stabiliteit.
De eerste procedure betreft een schadeloosstellingsprocedure tegen de Staat, gestart in 2017. Op 26 juni 2017 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling op de voet van artikel 3:159ab Wft (oud). Dit artikel bood Conservatrix Groep de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen in aanvulling op de EUR 1,– die zij heeft ontvangen toen zij haar aandelen in de noodlijdende levensverzekeraar Conservatrix N.V. moest overdragen op last van DNB en de rechtbank. De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er twee scenario’s resteerden op de relevante peildatum, namelijk een liquidatiescenario (noodregeling of faillissement)8 en een overnamescenario.9, 10 De Hoge Raad heeft dat in een tussentijds cassatieberoep bevestigd. Vervolgens heeft de Ondernemingskamer een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag wat de waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. op de peildatum in het overnamescenario zou zijn geweest. De Ondernemingskamer heeft een drietal deskundigen benoemd om dit waarderingsonderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft vervolgens het voorschot van de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld en bepaald dat dit voorschot ieder voor de helft door Conservatrix Groep en de Staat dient te worden voldaan. De Staat heeft zijn deel van het voorschot betaald. Conservatrix Groep heeft geweigerd haar deel van het voorschot te voldoen. De Ondernemingskamer heeft vervolgens besloten dat het deskundigenonderzoek daarom niet kan plaatsvinden. De Ondernemingskamer verwacht op 2 april 2026 een einduitspraak te doen in de schadeloosstellingsprocedure.
De tweede nog lopende procedure is de hiervoor reeds genoemde herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat, die is gestart in 2025. Op 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoek ingediend tot herroeping van haar eerdere tussenbeschikkingen in de schadeloosstellingsprocedure. Aan dit verzoek heeft Conservatrix Groep ten grondslag gelegd dat de Staat (of DNB) bedrog zou hebben gepleegd door eerder in de schadeloosstellingsprocedure te verzwijgen dat de door Trier Holding B.V. op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking mede bestond uit een herverzekeringsovereenkomst. Partijen hebben hun standpunten over dit verzoek uitvoerig uiteengezet, zowel schriftelijk als tijdens een zitting bij de Ondernemingskamer. Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer vervolgens alle verzoeken van Conservatrix Groep afgewezen en deze beslissing uitvoerig gemotiveerd.11 Tegen deze beschikking van de Ondernemingskamer heeft Conservatrix Groep op 31 oktober 2025 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt momenteel.
Het bericht 'Israël neemt het bestuur van Palestijnse steden deels over: ‘Einde aan de Oslo-akkoorden’' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël neemt het bestuur van Palestijnse steden deels over: «Einde aan de Oslo-akkoorden»»?1
Ja.
Bent u het eens met de constatering in het artikel dat met de besluiten van het Israëlische kabinet «een einde [is gekomen] aan de Oslo-akkoorden»? Zo nee, waarom niet?
Een van de besluiten ontneemt de Palestijnse Autoriteit bepaalde bevoegdheden op het gebied van toezicht en handhaving in Gebieden A en B. Dit is niet in overeenstemming met de Oslo-akkoorden, waarin is vastgelegd dat Israël geen zeggenschap heeft over burgerzaken in die gebieden. Ook zetten de plannen de fragiele situatie op de Westelijke Jordaanoever verder onder druk, juist op het moment dat alle inspanningen gericht moeten zijn op het laten slagen van het vredesplan en het werken naar een tweestatenoplossing. Het is dan ook zaak dat de besluiten niet in uitvoering worden gebracht.
Veroordeelt u, in navolging van onder andere het Verenigd Koninkrijk, de besluiten van het Israëlische kabinet? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland heeft deze besluiten van het Israëlische veiligheidskabinet veroordeeld en zich hier publiekelijk over uitgesproken op politiek niveau en onder andere ook op 17 februari jl. in New York in een breed gezelschap van 80 VN-landen.
Heeft u uw Israëlische ambtsgenoot aangesproken op de besluiten van het Israëlische kabinet? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
In een publieke verklaring heeft Nederland Israël opgeroepen deze besluiten niet te implementeren. Daarnaast is deze boodschap bilateraal meermaals op politiek en hoog ambtelijk niveau aan Israël overgebracht, waaronder in mijn gesprek met Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 25 februari jl.
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan de blijvende ondermijning van het perspectief op een Palestijnse Staat door het Israëlische kabinet? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Nederland beschouwt de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden als onrechtmatig. Daar spreekt Nederland zich consequent en nadrukkelijk over uit, en ondersteunt dit standpunt met beleid. Zo ontmoedigt de Nederlandse overheid economische relaties met bedrijven in illegale nederzettingen, en beperkt het kabinet de samenwerking met Israël tot binnen de grenzen van 1967. Daarnaast heeft het kabinet reeds verschillende acties ondernomen naar aanleiding van unilaterale stappen van Israël die een tweestatenoplossing ondermijnen. Zo heeft het kabinet o.a. naar aanleiding van de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever het initiatief genomen tot de evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Ook heeft het kabinet, o.a. na het besluit tot uitbreiding van nederzettingen in E1-gebied in augustus 2025, besloten nationale maatregelen voor te bereiden om producten uit onrechtmatige nederzettingen in door Israël bezette gebieden te weren. Daarnaast heeft Nederland Israëlische Ministers Smotrich en Ben Gvir tot persona non grata verklaard n.a.v. uitspraken over annexatie van de Westelijke Jordaanoever. Het kabinet blijft met relevante partners bespreken welke inzet, waaronder in EU-verband, effectief kan zijn. Zie ook antwoord op vraag 6.
Heeft u reeds opvolging gegeven aan de aangenomen motie-Piri (Kamerstuk 23 432, nr. 620) over het opnieuw agenderen van de opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël-associatieakkoord? Zo ja, kunt u toelichten hoe? Zo nee, bent u bereid dit spoedig te doen?
Met het vredesplan van president Trump is de inzet van Nederland en de EU erop gericht om dit plan te laten slagen. Dat betekent niet dat de voorgestelde EU-maatregelen, zoals het gedeeltelijk opschorten van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord, van tafel zijn. Naast de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever heeft Nederland o.a. ook grote zorgen over de humanitaire situatie in Gaza. Deze zorgen heeft Nederland ook bilateraal overgebracht bij Israel en Nederland heeft in de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. overgebracht dat, indien de situatie niet verbetert, het nodig kan zijn om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van de evaluatie van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Het bericht 'Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Elles van Ark (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Aukje de Vries (VVD), van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de NRC-artikelen «Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao» van 21 januari 2026 en «Olietankers uit Venezuela door Nederland en Curaçao aan de ketting gelegd» van 7 februari 2026?1, 2
Klopt het dat de olietanker Regina op 15 januari 2026 Venezolaanse olie heeft gelost in Curaçao terwijl het schip voer onder een frauduleuze vlag van Oost-Timor, de verplichte Automatic Identification System (AIS)-transponder langdurig was uitgeschakeld, het schip vermeld stond op een Amerikaanse sanctielijst en het opgegeven Maritime Mobile Service Identity (MMSI)-nummer niet bij dit schip hoorde? Zo ja, hoe verklaart u dat dit schip desondanks toestemming heeft gekregen om aan te meren en te lossen?
Wanneer waren het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Inspectie Leefomgeving en Transport en andere betrokken Nederlandse autoriteiten voor het eerst op de hoogte van deze overtredingen en signalen, waaronder de internationale waarschuwingen van Oost-Timor aan Internationale Maritieme Organisatie (IMO)-lidstaten over frauduleuze vlagvoering?
Hoe verhoudt de eerdere verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederland pas na vragen van NRC op 21 januari 2026 kennisnam van de valse vlag en andere schendingen zich tot het feit dat de Curaçaose Maritieme Autoriteit al eerder twijfels had over de vlagvoering en hierover contact opnam met Nederland?
Klopt het dat de Regina pas bij het tweede aanmeren op 28 januari 2026 aan de ketting is gelegd, nadat vanuit Den Haag was bevestigd dat sprake was van valse vlagvoering en vermoedelijke schendingen van Europese sanctieregels? Wat zegt dit volgens u over het eerdere toezicht en de informatie-uitwisseling?
Welke verantwoordelijkheid draagt Nederland dan wel Curaçao voor de veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de Filipijnse bemanning van de Regina, die door het aan de ketting leggen van het schip vast is komen te zitten, en welke stappen zijn hierin gezet?
Klopt het dat ook andere tankers die op internationale sanctielijsten staan, zoals de Volans en mogelijk de Albedo, onderweg zijn of waren naar Curaçao? Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat opnieuw schepen met vergelijkbare risico’s worden toegelaten?
Klopt het dat oliehandelaar Trafigura door de Amerikaanse overheid is ingehuurd om Venezolaanse olie te commercialiseren en dat daarvoor een vergunning van de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC is verleend? Is de Nederlandse regering vooraf geïnformeerd over deze constructie en de daaraan verbonden juridische en politieke risico’s?
Heeft de Verenigde Staten contact met Nederland of Curaçao gezocht naar aanleiding van het aan de ketting leggen van de schepen?
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao en Nederland door het faciliteren van deze olietransporten en -opslag worden betrokken bij het omzeilen van sancties en mogelijk schendingen van internationaal recht?
Deelt u de opvatting van verschillende hoogleraren internationaal recht en Caribisch staatsrecht dat deze kwestie niet kan worden aangemerkt als een louter commerciële transactie, maar raakt aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Is deze kwestie in de Rijksministerraad besproken, waar Nederland een belangrijke (meerderheids)stem heeft? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens dit alsnog te agenderen? Bent u van mening dat het in deze casus van groot belang is dat Nederland en Curaçao gezamenlijk optrekken, gezien de rijksverantwoordelijkheid voor buitenlandse betrekkingen, sanctieregimes en de naleving van internationaal recht?
Het bericht 'Jos voelt zich misleid na 43 jaar ploegendienst in pvc-fabriek' |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Jos (64) uit Beek voelt zich misleid na 43 jaar ploegendienst in pvc-fabriek die op faillissement afstevent: «We zijn belazerd»», over de (aanstaande) faillissementssituatie rond Vynova in Beek en de mogelijke gevolgen voor werknemers en oud-werknemers, waaronder het mislopen van loon, een Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU-)regeling, en vergoedingen uit het sociaal plan?1
Hoe beoordeelt u dat er volgens berichtgeving een sociaal plan is overeengekomen met toezeggingen over onder meer ontslagvergoedingen, terwijl (een deel van) de betrokken werknemers inmiddels geen salaris over januari heeft ontvangen en uitbetaling van vergoedingen uit het sociaal plan onzeker is een aangevraagd faillissement?
Deelt u de opvatting dat werknemers, zeker na tientallen dienstjaren, zwaar mogen leunen op gemaakte afspraken en toezeggingen in een sociaal plan, en dat het maatschappelijk vertrouwen wordt geschaad als zulke toezeggingen bij een sluiting niet worden nagekomen?
Kunt u toelichten welke normatieve betekenis u hecht aan sociale plannen in dit soort situaties?
Klopt het dat (ex-)werknemers die gebruikmaakten van een RVU bij Vynova, omdat zij daarvoor zelf ontslag moesten nemen, in beginsel geen aanspraak meer hebben op een Werkloosheidswet (WW-)uitkering wanneer de RVU-uitkeringen vervolgens wegvallen door betalingsonmacht van de werkgever?
Zo ja, hoe beoordeelt u deze uitkomst in het licht van inkomenszekerheid en de bedoeling van RVU-afspraken?
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van deze situatie, te bezien of de huidige systematiek rond RVU-afspraken waarbij werknemers «op eigen verzoek» uit dienst gaan (en daarmee WW-rechten kunnen verliezen) aanvullende waarborgen behoeft voor het geval de werkgever de RVU-verplichting daarna niet (meer) kan nakomen, bijvoorbeeld door insolventie? Zo ja, welke opties verkent u? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij bedrijfssluitingen en herstructureringen sociale plannen en bijbehorende financiële verplichtingen beter worden geborgd (bijvoorbeeld via zekerheidsstellingen), zodat werknemers niet alsnog met lege handen staan bij surseance of faillissement?
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met sociale partners?
Het bericht dat er vier Nederlandse baby’s ziek zijn geworden na het drinken van Nestlé-voeding |
|
Sarah Dobbe |
|
Rummenie , Bruijn |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er Nederlandse baby’s ziek zijn geworden na het drinken van Nestlé-voeding, en dat er zich tot op de dag van vandaag nog meer gevallen melden?1
Het kabinet vindt het zorgelijk dat onveilige levensmiddelen op de markt zijn gekomen en begrijpt heel goed de ongerustheid die ouders hierover kunnen hebben. Het kabinet volgt de situatie nauwgezet en heeft hierover nauw contact met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA houdt intensief toezicht op het opsporen en het van de markt halen van deze producten.
Deelt u de mening dat een besmetting van babyvoeding met de toxine cereulide een groot risico kan vormen voor baby’s? Zo ja, bent u bereid zo snel mogelijk een publieke waarschuwing uit te doen om ouders te waarschuwen?
Ja, die mening deelt het kabinet. Cereulide in zuigelingenvoeding kan een risico vormen voor baby’s. Vanuit de producenten (Nestlé en Danone) zijn publieke waarschuwingen uitgegaan om ouders te waarschuwen en de NVWA heeft eveneens veiligheidswaarschuwingen afgegeven.
Hoe kan het dat er pas 5 januari 2026 een veiligheidswaarschuwing door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) werd geplaatst, terwijl de eerste verontreiniging al op 9 december 2025 aan de NVWA werd gemeld?2
Begin december 2025 werd de eerste verontreiniging gemeld bij de NVWA. De oorzaak leek een enkele verontreinigde productielijn bij de productielocatie van Nestlé in Nederland te zijn. De producten van deze lijn waren wel in Nederland geproduceerd, maar niet in Nederland verkocht. In landen waar de producten verkocht zijn, is een veiligheidswaarschuwing afgegeven.
Op 5 januari jl. meldde Nestlé dat uit de oorzaakanalyse bleek dat niet de productielijn, maar een verontreinigde grondstof de oorzaak leek te zijn. Daarop is de terugroepactie uitgebreid naar andere producten vanuit de productielocatie in Nederland als ook vanuit Nestlé productielocaties in andere lidstaten. Een tweetal van die producten bleken wel in Nederland te zijn verkocht en dus heeft de NVWA op 5 januari een veiligheidswaarschuwing geplaatst.
Is het juist dat de NVWA geen Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF) melding heeft gedaan over de aangetroffen cereulide in babymelk, omdat de melk weliswaar in Nederland werd geproduceerd, maar niet werd verkocht? Zo ja, deelt u de mening dat er bij besmettingen van babyvoeding altijd onmiddellijk een Europese melding moet worden gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet juist. De NVWA heeft zowel begin december na de eerste melding, als begin januari na de aanvullende melding van mogelijk onveilige zuigelingenvoeding geproduceerd in Nederland, een RASFF melding gedaan.
Hoe kan het dat er tot deze week nog terugroepacties van babymelk zijn en de Nederlandse overheid tot nu toe niet ingreep?3
Als er een stof in een product wordt gevonden dat een risico vormt voor de volksgezondheid, dan is de producent verplicht een terugroepactie uit te voeren. Na een eerste vondst worden vaak vervolgonderzoeken uitgevoerd. Als daar uit komt dat meer producten in aanmerking komen voor terugroepacties, dan kan het zijn dat in verloop van tijd meerdere terugroepacties nodig zijn. Zo riep Nestlé eerst zuigelingenvoeding terug vanwege mogelijke aanwezigheid van cereulide. Nadat de veilige grens voor cereulide werd aangescherpt, volgde een terugroepactie van Danone voor Nutrilon-producten. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven heeft de NVWA direct ook acties ondernomen, zoals het plaatsen van veiligheidswaarschuwingen op de website van de NVWA en het doen van RASFF meldingen om andere Europese landen te waarschuwen. De prioriteit van de NVWA ligt momenteel bij het traceren van producten met de betreffende grondstof en het actief weren van die producten op de markt. Daarnaast wordt door de NVWA en het Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) onderzoek gedaan naar de oorzaak, de risicobeoordelingen en maatregelen van de betrokken bedrijven.
Wat is de reden dat er in het buitenland massaal terugroepacties zijn, maar niet in Nederland?4
In Nederland zijn ook terugroepacties geweest. Zie het antwoord op vraag 5 voor een toelichting op terugroepacties.
Waarom plaatst de NVWA enkel terugroep acties van producten die in supermarkten te koop zijn en niet die van online producten, zoals het teruggeroepen Babybio Optima 1? Deelt u de mening dat ook ouders die online kopen gewaarschuwd moeten worden?
Het kabinet deelt de mening dat ook ouders die online producten kopen geïnformeerd dienen te worden over onveilige producten. Het online platform beschikt over contactgegevens van een consument die producten heeft gekocht en moet de koper rechtstreeks benaderen en waarschuwen. De NVWA controleert of dat ook gebeurt en als hierbij overtredingen worden geconstateerd, wordt handhavend opgetreden.
Deelt u de mening, nu de terugroepacties massaal in heel Europa plaatsvinden, dat deze kwestie van besmetting met cereulide niet langer kan worden overgelaten aan de producenten zelf? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deelt het kabinet niet. In de Europese Algemene Levensmiddelenverordening is vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid primair bij het levensmiddelbedrijf ligt. Die verantwoordelijkheid omvat ook het nemen van passende maatregelen wanneer onveilige levensmiddelen zijn geproduceerd en in de handel gebracht, als ook maatregelen om herhaling te voorkomen. In dit stelsel controleren de NVWA en het COKZ of de levensmiddelenbedrijven zich aan de wettelijke regels houden en de juiste maatregelen nemen. Er vindt intensief toezicht plaats door de NVWA en COKZ op dit incident. Zie ook het antwoord op vraag 5 over de acties die door de toezichthouders worden uitgevoerd.
Bent u bekend met het feit dat de overheid in België de regie heeft gepakt en bezorgde ouders via de overheidssite waarschuwt?5 Bent u tevens bekend met het feit dat de Britse overheid momenteel 36 gevallen van zieke baby’s onderzoekt en de Franse overheid de dood van twee baby’s? Zo ja, wanneer gaat de Nederlandse overheid stappen ondernemen om de ouders gerust te stellen en de onderste steen boven te krijgen van dit voedselschandaal?
Het kabinet is bekend met het feit dat in België, als ook in andere lidstaten binnen de Europese Unie, aandacht is voor deze situatie. In België, en andere lidstaten, speelt hetzelfde incident, waardoor ook in België de nationale toezichthouder hierop toeziet. Dat gebeurt op dezelfde wijze als de NVWA in Nederland doet. Het kabinet kan zich de zorgen van ouders van een kind dat dergelijke voeding krijgt ook goed voorstellen, zeker wanneer onderzoek wordt gedaan naar verontreinigde zuigelingenvoeding als mogelijke oorzaak van het overlijden van drie baby’s. Daarom is het belangrijk dat voeding die onveilig blijkt zo snel als mogelijk wordt teruggeroepen.
Zoals in eerdere antwoorden op de vragen aangegeven heeft de NVWA naast publiekswaarschuwingen meermaals actief extra informatie gedeeld via persberichten, als ook op hun website.6 De NVWA heeft veelvuldig informatie gedeeld, mede gericht op ouders, en zijn vragen van de media beantwoord. Daarbij is ook de oproep gedaan om melding te maken van kinderen met klachten die overeenkomen met consumptie van cereulide en waarbij zuigelingenvoeding die nog niet is teruggeroepen, mogelijk de oorzaak van die klachten is.
Daarnaast doen zoals ook in antwoord op vraag 5 aangegeven, de NVWA en het COKZ vanaf de eerste melding onderzoek naar de oorzaak, de risicobeoordelingen en maatregelen van de betrokken bedrijven. Verder heeft in Nederland ook het Voedingscentrum een taak in het voorlichten van het publiek over voedselveiligheidsrisico’s.7 Het Voedingscentrum heeft gerichte informatie voor ouders en verzorgers naar aanleiding van dit incident gepubliceerd op zijn website en via sociale media.
Hebben de producenten inmiddels volledige openheid gegeven over de bron van besmetting en de garantie dat ze dit probleem daadkrachtig hebben aangepakt?
Hier kan pas iets over worden geconcludeerd wanneer het onderzoek van de NVWA en het COKZ is afgerond.
De prioriteit van de NVWA ligt momenteel bij het traceren van producten met de betreffende grondstof en het actief weren van die producten op de markt. Daarnaast wordt ook gekeken of meldingen van bedrijven tijdig en volledig zijn gedaan. Wanneer overtredingen worden geconstateerd, wordt handhavend opgetreden.
Bent u bereid om te zorgen voor één centraal, volledig en actueel overzicht (door NVWA zelf of in afstemming met COKZ/Nestlé) met alle betrokken producten, batches/lotnummers, verkooppunten/kanalen, distributieperiode en gezondheidsinformatie, zodat consumenten en zorgprofessionals niet afhankelijk zijn van versnipperde updates?
Een volledig en actueel overzicht van betrokken producten en partijen is terug te vinden op de website van de NVWA (https://www.nvwa.nl/actueel/actuele-onderwerpen/5-vragen-over-cereulide-in-zuigelingenvoeding), evenals gezondheidsinformatie (veiligheidsinformatie) voor ouders. Het is bijna onvermijdelijk dat informatie over verkooppunten/-kanalen ook bij de NVWA gefragmenteerd bekend wordt. Voor de distributieperiode geldt dat die per individuele verkooplocatie kan verschillen. Om de informatie duidelijk te houden en niet gefragmenteerd door te geven is er bewust voor gekozen om communicatie gericht te houden op het product zoals de consument dat in huis kan hebben staan.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden, gezien de onrust bij ouders en het zich uitbreidende schandaal?
Ik heb me ervoor ingespannen om de antwoorden zo snel mogelijk na het aantreden van het kabinet te sturen.
De ‘pijplijnactie’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Naar welke «pijplijnactie» verwees u in dit debatfragment1? Wordt er verwezen naar het opblazen van de Nordstream? Of betreft het een incident met een andere pijplijn? Zo ja, welke pijplijn?
Maakte Nederland (al dan niet indirect) gebruik van de getroffen pijplijn? Indien dat niet het geval is, waarom was het kabinet dan geïnteresseerd in een gesprek hierover met deze officier?
In welk land wordt «de Oekraïense officier» verdacht van betrokkenheid bij de pijplijnactie? Kunt u meer informatie geven over deze verdenking?
Door welk ander Europees land was deze Oekraïense officier op de lijst van het Schengeninformatiesysteem (SIS) geplaatst?
Waarom is er een uitzondering gemaakt en is aan deze officier toch toegang verleend tot Nederland?
Hoe is Nederland in contact gekomen met deze Oekraïense officier? Heeft deze officier Nederlandse instanties zelf benaderd? Zo ja, welke instanties en waarom deed hij dat? Of kwam het initiatief voor dit gesprek vanuit het kabinet? Zo ja, waarom? Wat was de reden, de aanleiding?
Kan de Kamer het gespreksverslag ontvangen van het gesprek met deze Oekraïense officier? Zo nee, waarom niet?
Kan de Kamer het gespreksverslag van het gesprek met deze Oekraïense officier in vertrouwen ter inzage aangeboden krijgen? Zo nee, waarom niet?
In welke hoedanigheid werd deze officier toegang tot Nederland verleend, als privépersoon of als luitenant-kolonel van het Oekraïense leger?
Is er, naast deze Oekraïense luitenant-kolonel, door het kabinet met nog meer mensen gesproken over deze «pijplijnactie»? Zo ja, met wie?
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Mogelijke plaatsing van Chinese laadpalen bij gebouwen van de Rijksoverheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Rijkaart , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Rijksvastgoedbedrijf mogelijk honderden laadpalen van een Chinees bedrijf wil laten plaatsen bij gebouwen van de rijksoverheid, ondanks groeiende zorgen over strategische afhankelijkheid en veiligheid?1
Klopt het dat bij aanbestedingen voor laadinfrastructuur voor overheidsgebouwen het uitgangspunt is dat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse bedrijven en technologieën? Zo ja, hoe verhoudt de mogelijke keuze voor Chinese leveranciers zich tot dit uitgangspunt?
Op welke wijze zijn bij deze aanbesteding nationale veiligheidsrisico’s, waaronder cyberveiligheid, databeveiliging en mogelijke ongewenste toegang tot systemen van overheidsgebouwen, meegewogen?
In hoeverre acht u het risico reëel dat slimme laadpalen – die verbonden zijn met digitale netwerken en energie-infrastructuur – kunnen worden misbruikt voor spionage, sabotage of verstoring van vitale infrastructuur?
Wordt bij de beoordeling van dergelijke technologieën rekening gehouden met het feit dat Chinese bedrijven onder Chinese wetgeving verplicht kunnen worden om informatie te delen met de Chinese overheid? Zo ja, hoe is dit risico beoordeeld?
In hoeverre bestaat het risico dat door de inzet van Chinese technologie bij laadinfrastructuur een structurele economische afhankelijkheid ontstaat, bijvoorbeeld door onderhoud, software-updates of vervangingsonderdelen, en hoe wordt dit risico gewogen?
Hoe verhoudt deze mogelijke keuze zich tot het bredere kabinetsbeleid om strategische afhankelijkheden van China te verminderen en technologische en economische veiligheid te versterken?
Bent u bereid te onderzoeken of voor vitale of gevoelige overheidslocaties een «Europees, tenzij»-benadering kan worden toegepast bij de inkoop van energie- en laadinfrastructuur, en de Kamer hierover te informeren?
Het bericht ‘Versnippering binnen fiscus leidt tot grote verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslagen IB’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Vind u 3,9 miljard euro teveel betaalde belasting op voorlopige aanslag in 2022 te rechtvaardigen aan burgers en bedrijven?1
Een eerste voorlopige aanslag (EVA) is een schatting van de verschuldigde belasting door de Belastingdienst voor het lopende jaar, terwijl een voorlopige aanslag (VA) een later opgelegde of aangepaste schatting is op basis van nieuwe of aanvullende informatie. De eerste voorlopige aanslag wordt opgelegd aan burgers, waaronder ook ondernemers voor de inkomstenbelasting, maar een (E)VA inkomstenbelasting wordt niet opgelegd aan bedrijven. De (E)VA wordt opgelegd om te zorgen dat de belasting zoveel mogelijk tijdens het jaar zelf wordt betaald of ontvangen, in plaats van dat belastingplichtigen pas achteraf bij de definitieve aanslag (DA) bericht ontvangen over het volledig te betalen bedrag of dan pas de volledige teruggave ontvangen.
De EVA is gebaseerd op gegevens uit voorgaande jaren, die veelal door burgers aan de Belastingdienst zijn verstrekt via een aangifte of een verzoek om een VA. Op het moment van het opleggen van de EVA wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie die binnen de Belastingdienst beschikbaar is. Aangezien deze gegevens onderhevig zijn aan wijzigingen, zal de EVA afwijken van de DA. Dat is een voorzien onderdeel van het stelsel, en een verschil is daarmee te rechtvaardigen. De Belastingdienst ziet echter het belang er van in om de verschillen tussen de (E)VA en de DA te minimaliseren. Daarom informeert de Belastingdienst belastingplichtigen bij het opleggen van de EVA altijd over de gebruikte gegevens en roept zij hen op deze te controleren en waar nodig aan te passen via Mijn Belastingdienst.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van verschillen tussen de voorlopige en definitieve aanslag voor particulieren en voor het MKB?
De verschillen tussen de (E)VA en de DA ontstaan doordat een (E)VA is gebaseerd op gegevens van voorgaande jaren die bij de Belastingdienst bekend zijn. De DA daarentegen is gebaseerd op de gegevens uit de ingediende aangifte over het betreffende belastingjaar, getoetst aan de hand van contra-informatie die de Belastingdienst ontvangt van onder meer banken, werkgevers en uitkeringsinstanties. Deze informatie komt pas na afloop van het belastingjaar beschikbaar.
Bij burgers kunnen verschillen ontstaan in het inkomen, aftrekposten of vermogen. Bij ondernemers kunnen verschillen ontstaan door onder andere wisselende jaarlijkse omzetten of kostenposten. Wanneer burgers de Belastingdienst gedurende het belastingjaar niet voorzien van actuele gegevens, blijven deze verschillen gedurende het belastingjaar in stand. Voor het MKB geldt dat ongeveer 80% van de ondernemers gebruikmaakt van een fiscale dienstverlener. Deze dienstverleners kunnen becon-uitstel krijgen om de werkdruk te spreiden, wat kan oplopen tot maximaal zestien maanden. Daardoor wordt de (E)VA vaak gebaseerd op gegevens van twee tot drie jaar eerder. Bij burgers komt deze uitstelregeling minder vaak voor.
Klopt het dat verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag ook in belangrijke mate komen door het gebrek aan samenwerking tussen de Afdeling Centrale Administratieve Processen Inkomensheffing (CAP IH), die de voorlopige aanslagen oplegt en de specifieke directies Particulieren en MKB die de definitieve aanslagen opleggen?
De belangrijkste reden is de systematiek van de (E)VA zoals beantwoord in vraag 1. Het bevorderen van de samenwerking zal weinig invloed hebben op het verminderen van de verschillen. Dit is inherent aan de systematiek van de (E)VA. Manieren om de verschillen te verminderen staan opgenomen in het antwoord op vraag 7.
Waarom worden voorlopige en definitieve aanslagen via verschillende processen behandeld, terwijl het over dezelfde belastingplichtigen en belastingsoort gaat?
Het proces voor de (E)VA verschilt niet veel van dat van de DA. Een (E)VA wordt altijd gevolgd door een DA. De DA wordt opgelegd naar aanleiding van een door de burger ingediende aangifte over het betreffende jaar, in tegenstelling tot de (E)VA. Het onderscheid zit in de gebruikte gegevens. De (E)VA maakt gebruik van beschikbare gegevens uit een ingediend verzoek om VA of een aangifte van voorgaande jaren. De DA wordt vastgesteld op basis van actuele gegevens die door de burger zijn opgegeven en die worden getoetst aan de hand van contra-informatie. Deze systematiek zorgt ervoor dat het bedrag van de (E)VA in de DA wordt aangepast aan de werkelijke gegevens.
Bent u het ermee eens dat het minimaliseren van verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag wél tot de taakopdracht en doelstellingen van CAP IB en de desbetreffende directies zou moeten behoren?
Het minimaliseren van verschillen tussen de (E)VA en de DA behoort tot de gezamenlijke taakopdracht en doelstellingen van alle betrokken directies en ketens binnen de Belastingdienst. Het belang hiervan wordt onderkend. De Belastingdienst is hierin wel afhankelijk van de medewerking van burgers.
Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering van de samenwerking tussen deze onderdelen en betere afstemming van de controles die zij uitvoeren?
De genoemde directies voeren nu elk een specifiek deel van het controleproces uit. In 2026 wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling en toepassing van het beoordelingsproces meer in samenhang kan plaatsvinden met die van de DA. Dit kan leiden tot een betere afstemming van controles en een meer geïntegreerde werkwijze tussen de betrokken onderdelen. Door een gecombineerde herziening van het beoordelingsproces, een betere duiding van doelstellingen en intensievere samenwerking tussen directies ontstaat een meer samenhangende en effectieve controleaanpak voor zowel (E)VA als DA.
Welke verdere mogelijkheden ziet u om de aansluiting van voorlopige aanslag op definitieve aanslag te verbeteren, zodat de heffing bij burgers en bedrijven beter aansluit op de werkelijkheid?
Een mogelijke verbetering is om het formulier en/of het proces voor het indienen van een wijzigingsverzoek voor de VA gebruiksvriendelijker en beter kenbaar te maken. Vanwege beperkte IV-capaciteit is deze wens nog niet ingewilligd. Daarnaast worden er al campagnes ingezet om burgers te stimuleren tijdig een wijzigingsverzoek in te dienen. In deze campagnes wordt onder meer aandacht besteed aan het aanpassen van inkomensgegevens bij belangrijke life-events, zoals scheiden, een huis kopen of trouwen.
Welke mogelijkheden ziet u om het gebrek aan vaktechnische slagkracht bij CAP IH op te lossen?
Ter verbetering van de kwaliteit van de uitworpbehandeling is de Belastingdienst een overlegtraject gestart. Binnen dit traject worden geconstateerde knelpunten geanalyseerd en wordt bezien op welke wijze werk waarvoor veel vaktechnische kennis nodig is beter te beleggen binnen de Belastingdienst.
De rechterlijke rolopvatting, publieke uitingen en het vertrouwen in de rechtspraak |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de column van Marianne Zwagerman in De Telegraaf waarin stevige kritiek wordt geuit op de recente rechterlijke uitspraak over klimaatbeleid en de rolopvatting van rechters?1
Hoe beoordeelt u de stelling dat rechters in klimaat- en stikstofzaken de grenzen van hun constitutionele rol overschrijden en daarmee feitelijk op de stoel van de wetgever gaan zitten?
Deelt u de opvatting dat het toepassen en interpreteren van mensenrechtenverdragen door rechters grote beleidsmatige gevolgen kan hebben zonder directe democratische legitimatie? Zo ja, hoe wordt die spanning volgens u voldoende ondervangen?
Acht u het wenselijk dat rechters zich in het openbaar, bijvoorbeeld via sociale media, uitspreken over politieke of activistische standpunten die direct raken aan zaken waarover zij (recent of mogelijk toekomstig) rechtspreken?
Welke gedragsregels gelden momenteel voor rechters met betrekking tot publieke uitingen en maatschappelijke betrokkenheid en acht u deze regels toereikend om de schijn van partijdigheid te voorkomen?
Hoe wordt binnen de rechterlijke organisatie beoordeeld of een rechter zich behoort te verschonen wanneer diens publieke uitingen raken aan de inhoud van een voorliggende zaak?
In hoeverre vindt u dat de huidige benoemings- en toezichtstructuur van de rechterlijke macht voldoende waarborgen biedt tegen bevooroordeeldheid of activisme binnen de rechtspraak?
Deelt u de analyse dat het maatschappelijk vertrouwen in de rechtspraak onder druk kan komen te staan wanneer rechterlijke uitspraken worden ervaren als politiek of moreel gemotiveerd in plaats van strikt juridisch?
Bent u bereid te onderzoeken of meer transparantie rondom rechterlijke benoemingen en rolopvattingen kan bijdragen aan het versterken van dat vertrouwen, zonder de onafhankelijkheid van de rechtspraak aan te tasten?
Kunt u uiteenzetten waar volgens u de grens ligt tussen legitieme rechtsvinding door de rechter en het feitelijk creëren van nieuw beleid via jurisprudentie?
De handelsdeal tussen de EU en India |
|
Ralf Dekker (FVD), Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen welke categorieën Indiase burgers onder het Europese Unie (EU)-India handels- en mobiliteitsakkoord in aanmerking komen voor toegang tot Nederland en andere EU-lidstaten? Kunt u dit uitsplitsen naar studenten, arbeidsmigranten, zelfstandigen en gezinsleden?
De definitieve tekst van de EU-India handelsovereenkomst is momenteel nog niet publiekelijk beschikbaar. Zodra de Europese Commissie het definitieve onderhandelingsresultaat ter besluitvorming aan de EU-lidstaten in de Raad voorlegt zult u, zoals bij alle handelsovereenkomsten, een beschrijving van de inhoud met bijbehorende kabinetsappreciatie van de overeenkomst ontvangen.
Wel kan worden opgemerkt dat het gebruikelijk is dat de EU in haar handelsoverenkomsten met derde landen afspraken maakt over handel in diensten. Onderdeel daarvan zijn afspraken over personen die een dienst in de andere verdragspartij willen leveren door fysieke aanwezigheid in die andere verdragspartij, de zogenaamde «mode-4» afspraken. Deze dienstverleners komen enkel en alleen tijdelijk naar de andere verdragspartij om hun dienst aan een eindverbruiker of consument te leveren, waarbij zij ofwel bij een werkgever in het thuisland in dienst blijven ofwel als in het thuisland gevestigde zelfstandige opereren. Het is dus niet zo dat deze personen permanent de arbeidsmarkt van de andere verdragspartij betreden of zich permanent in het andere land vestigen. Mode-4 afspraken gelden uitsluitend voor sectoren die onder de reikwijdte van de handelsovereenkomst vallen en voor bepaalde categorieën hooggekwalificeerde dienstverleners, zoals zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, dienstverleners op contractbasis, zelfstandigen en personen die op tijdelijke basis naar een buitenlandse vestiging van hun werkgever worden overgeplaatst (zgn. intra-corporate transferees). Voor elke categorie dienstverlener gelden specifieke voorwaarden. Voorbeelden daarvan zijn de eis voor een universitair of gelijkwaardig diploma, een minimum aantal jaar werkervaring en een maximale verblijfsduur variërend van een aantal maanden tot drie jaar. Ook blijven nationale en Europese eisen voor (beroeps-)kwalificatie en -licenties onverminderd van toepassing, net als Europese en nationale wetgeving over visa, toegang, verblijf, werk en sociale zekerheid.
Parallel aan de EU-handelsovereenkomst hebben de EU en India op 26 januari jl. een Memorandum van Overeenstemming (Memorandum of Understanding, MoU) op het gebied van mobiliteit gesloten. Dit MoU staat los van de EU-India handelsovereenkomst en betreft een niet-juridisch bindend kader met afspraken over onderwerpen die zowel irreguliere migratie als reguliere migratie raken. Daarmee bevat het MoU voornamelijk intentieverklaringen en blijven nationale competenties op het gebied van arbeidsmarkttoegang en toelating onverminderd gelden. Uw Kamer heeft recent een kabinetsappreciatie van dit MoU ontvangen.1
Hoeveel extra migratie vanuit India verwacht u als gevolg van dit akkoord, uitgesplitst naar tijdelijke en langdurige verblijven? Is hiervoor een impactanalyse uitgevoerd en zo ja, kan deze met de Kamer worden gedeeld?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 zien afspraken in EU-handelsovereenkomsten over het verkeer van dienstverleners op bepaalde categorieën dienstverleners die enkel en alleen voor het leveren van een specifieke dienst op tijdelijke basis in de andere verdragspartij verblijven. De Europese Commissie heeft eerder een sustainability impact assessment uitgevoerd, dat o.a. nader ingaat op de verwachte economische effecten van het akkoord op dienstenhandel.2 Dit onderzoek geeft geen analyse van migratiestromen tussen de EU en India.
In hoeverre behoudt Nederland volledige zeggenschap over toelating, verblijf en uitzetting van Indiase burgers nu mobiliteitsafspraken op EU-niveau worden gemaakt?
De finale teksten van de EU-India handelsovereenkomst zijn nog niet beschikbaar, maar in algemene zin geldt dat dienstverleners die op basis van een EU-handelsovereenkomst een dienst aan een consument in de EU leveren op tijdelijke basis en alleen voor het aanbieden van die dienst in de EU verblijven. Verdragspartijen bij een EU-handelsovereenkomst behouden bovendien beleidsruimte om maatregelen te treffen ter regulering van de toegang van personen tot en van hun tijdelijke verblijf op Europees grondgebied. Daartoe behoren ook maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van landsgrenzen en het verzekeren van een ordelijk verkeer van personen over die grenzen.
Klopt het dat het akkoord voorziet in versoepelde toegang voor Indiase hoogopgeleide professionals en dienstverleners? Hoe wordt voorkomen dat deze regeling in de praktijk leidt tot verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt?
Zoals hierboven uiteengezet zijn de finale teksten van de EU-India handelsovereenkomst nog niet beschikbaar. In algemene zin geldt dat dienstverleners die op basis van een EU-handelsovereenkomst een dienst aan een consument of eindgebruiker in de andere verdragspartij leveren op tijdelijke basis en alleen voor het aanbieden van de betreffende dienst in de andere verdragspartij verblijven. Daarbij blijven zij in dienst van een werkgever in het thuisland of opereren zij als een, in het thuisland gevestigde, zelfstandige. Het gaat derhalve om hooggekwalificeerde arbeid die tijdelijk wordt verricht in specifieke sectoren, zodat het risico op verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt minimaal is. Daar komt bij dat Nederlandse dienstverleners op hun beurt betere toegang krijgen tot de Indiase dienstenmarkt.
Hoe wordt voorkomen dat deze regeling in de praktijk zal leiden tot druk op de salarissen van Nederlandse arbeidskrachten?
Zoals het antwoord op vraag 4 uiteenzet is het niet zo dat dienstverleners die op basis van een EU-handelsovereenkomst hun dienst in de andere verdragspartij aanbieden de arbeidsmarkt van dat land betreden. Ook blijven alle toepasselijke Europese en nationale wetgeving over toegang, verblijf, sociale zekerheid en werk, waaronder regels over minimumlonen, onverminderd van toepassing.
Welke waarborgen zijn opgenomen om misbruik van tijdelijke visa (zoals overstaying of schijnzelfstandigheid) door Indiase arbeidsmigranten te voorkomen?
Zoals in voorgaande antwoorden uiteengezet gelden afspraken in EU-handelsovereenkomsten voor specifieke categorieën hooggekwalificeerde dienstverleners die op tijdelijke basis en alleen voor het aanbieden van een bepaalde dienst in de EU verblijven. Deze afspraken laten toepasselijke visaregels onverminderd van toepassing en beletten EU-lidstaten niet om maatregelen te treffen ter bescherming van de integriteit van hun landsgrenzen of ter regulering van een gecontroleerd verkeer van personen over die grenzen.
Hoe verhoudt de verruiming van mobiliteit voor Indiase studenten en professionals zich tot de huidige druk op huisvesting, onderwijs en publieke voorzieningen in Nederland?
Zoals in voorgaande antwoorden omschreven geldt in zijn algemeenheid dat afspraken in EU-handelsovereenkomsten alleen toezien op specifieke hooggekwalificeerde categorieën dienstverleners die op tijdelijke basis en enkel voor het aanbieden van een specifieke dienst in de andere verdragspartij verblijven. Afspraken over mobiliteit van studenten vallen doorgaans buiten de reikwijdte van EU-handelsovereenkomsten. Daarbij behouden EU-lidstaten beleidsruimte om maatregelen toe te passen om de toegang tot en het tijdelijke verblijf van buitenlandse dienstverleners op hun grondgebied te reguleren.
Bent u bereid om per sector en per lidstaat plafonds te hanteren voor het aantal Indiase professionals dat via dit akkoord toegang krijgt, of wordt dit volledig aan de markt overgelaten?
Zoals in voorgaande antwoorden omschreven geldt in algemene zin dat afspraken over het tijdelijke verkeer van hooggekwalificeerde dienstverleners in EU-handelsakkoorden alleen voor specifieke categorieën dienstverleners gelden. Daarbij gaat het om afspraken voor het leveren van een dienst op tijdelijke basis. De mogelijkheden voor professionals om hier tijdelijk te verblijven met het oog op het aanbieden van bepaalde diensten zijn dus reeds op verschillende manieren ingeperkt. Het hanteren van een plafond is volgens het kabinet derhalve nu niet aan de orde. Nadat de Europese Commissie de definitieve teksten ter besluitvorming aan de Raad heeft voorgelegd zult u een volledige kabinetsappreciatie van de EU-India handelsovereenkomst ontvangen.
In hoeverre kunnen gezinsleden van Indiase werknemers meereizen naar Nederland en welke gevolgen heeft dit voor gezinsmigratie op de middellange termijn?
Zoals hierboven uiteengezet zijn de definitieve teksten van de EU-India handelsovereenkomst nog niet publiekelijk beschikbaar, maar geldt in algemene zin dat afspraken over het tijdelijke verkeer van personen in EU-handelsovereenkomsten alleen van toepassing zijn op specifieke hooggekwalificeerde categorieën dienstverleners die voor de levering van een specifieke dienst tijdelijk in de andere verdragspartij verblijven. Daarbij behouden EU-lidstaten, waaronder Nederland, beleidsruimte om maatregelen te treffen ter bescherming van de integriteit van landsgrenzen en het verzekeren van een ordelijk verkeer van personen over die grenzen.
Hoe wordt geborgd dat dit akkoord geen precedent schept voor vergelijkbare mobiliteitsafspraken met andere landen, wat kan leiden tot een structurele toename van arbeids- en studiemigratie naar de EU?
Afspraken over personen die hun diensten op tijdelijke basis in de andere verdragspartij willen aanbieden zijn een gebruikelijk onderdeel van EU-handelsovereenkomsten. Dergelijke afspraken zijn bijvoorbeeld opgenomen in de recente handelsakkoorden met Canada, Zuid-Korea, Japan, Vietnam, Nieuw-Zeeland, Mexico, de Mercosur-landen en het Verenigd Koninkrijk. Het gaat bij deze afspraken niet om permanente vestiging van buitenlandse dienstverleners in de EU, maar alleen om het tijdelijk aanbieden van een specifieke dienst waarvoor de aanwezigheid van de dienstverlener in de andere verdragspartij nodig is.
Welke mogelijkheden heeft Nederland om zich (tijdelijk of structureel) te onttrekken aan onderdelen van het mobiliteitskader indien de maatschappelijke gevolgen groter blijken dan voorzien?
Zoals voorgaande antwoorden uiteenzetten zien afspraken in EU-handelsakkoorden op specifieke categorieën hooggekwalificeerde dienstverleners die alleen op tijdelijke basis hun dienst in de andere verdragspartij leveren. Daarnaast behouden EU-lidstaten, waaronder Nederland, beleidsruimte om maatregelen te treffen ter regulering van de toegang en het (tijdelijk) verblijf van dienstverleners uit de andere verdragspartij.
Voor wat betreft het Memorandum van Overeenstemming dat de Europese Commissie met India heeft gesloten geldt dat het om een niet juridisch bindend afsprakenkader gaat. Dat betekent dat de huidige, nationale competenties op het gebied van bijvoorbeeld toelating in stand blijven en dat Nederland dus ook zelf bepaalt hoe het invulling geeft aan de afspraken die zijn gemaakt.
Bent u het ermee eens dat handelsakkoorden primair economisch van aard zouden moeten zijn en niet via de achterdeur moeten leiden tot verruiming van immigratiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat is het kabinet met u eens. Afspraken over (diensten)handel dienen een wederzijds economisch belang en staan los van migratiebeleid. Diensten spelen een steeds grotere economische rol in grensoverschrijdende handel. Zo was de dienstensector in 2024 goed voor ruim driekwart van de Nederlandse economie en verdiende Nederland in 2023 15,7% van zijn BBP met de export van diensten.3 Ook internationaal groeit de economische omvang van de wereldwijde dienstenhandel: diensten zijn inmiddels goed voor een vijfde van de mondiale exportverdiensten.4 Voorspelbare internationale afspraken over grensoverschrijdende dienstenhandel vormen daarmee een belangrijk onderdeel van commerciële betekenisvolle EU-handelsovereenkomsten. Het is dan ook gebruikelijk dat de EU afspraken over grensoverschrijdende dienstenhandel in handelsakkoorden met derde landen maakt, waaronder over het tijdelijke verkeer van dienstverleners.
Op welke manier wordt de Kamer betrokken bij toekomstige besluiten over de verdere uitwerking van mobiliteitsafspraken binnen het EU-India kader?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 heeft uw Kamer reeds een appreciatie van de EU-India Memorandum van Overeenstemming ontvangen en zal de Kamer voorafgaand aan besluitvorming in de Raad over de definitieve teksten van de EU-India handelsovereenkomst een beschrijving van de inhoud met bijbehorende kabinetsappreciatie ontvangen. Daarmee wordt uw Kamer in staat gesteld hierover desgewenst in debat te gaan met het kabinet, alvorens het kabinet een definitief standpunt inneemt bij de besluitvorming binnen de EU.
Kunt u deze vragen afzonderlijk, compleet en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Jetten verruimt de hypotheekrenteaftrek' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u de budgettaire gevolgen in kaart brengen van het niet kunnen handhaven van de 30-jaarstermijn in de hypotheekrenteaftrek per 2031 en verder, als dit betekent dat huishoudens met een oude hypotheek ook na 30 jaar nog gebruik blijven maken van de hypotheekrenteaftrek?1
Kunt u uiteenzetten bij wat voor soort hypotheken hier een probleem ontstaat en wat de omvang hiervan is?
Waarom is nooit een goed administratiesysteem opgezet om te kunnen voldoen aan deze wettelijke verplichting en ter voorkoming van financiële derving?
Als er inderdaad sprake is van financiële derving, hoe dient deze dan begrotingstechnisch te worden gedekt?
Klopt het dat de overheid van mensen verwacht dat zij het verlopen van de 30-jaarstermijn zelf verwerken in de aangifte en ligt de bewijslast bij de burger. Hoe gaat de Belastingdienst dit vervolgens controleren?
Is het verschil wat dan ontstaat tussen mensen bij het niet kunnen handhaven juridisch houdbaar of kan dit leiden tot procedures van mensen die ook langer aftrek willen in het kader van gelijke behandeling?
Werkt de Belastingdienst aan oplossingsrichtingen over hoe om te gaan met het aflopen van de 30-jaarstermijn? Zo ja, wat zijn mogelijke oplossingsrichtingen en wat betekenen deze voor de uitvoering. Zo niet, waarom niet?
Het niet meer individueel onderzoeken van alle DNA-monsters van wolven |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat Wageningen Environmental Research (WENR) wegens capaciteitsproblemen niet langer alle DNA-monsters die worden afgenomen na aanvallen op vee onderzoekt op welk individuele wolf het betreft?
Klopt het dat hierdoor een deel van de monsters alleen nog wordt onderzocht op diersoort, maar niet meer op individueel dier?
Zo ja, hoe kan dan nog worden bijgehouden welke wolven herhaaldelijk vee aanvallen en mogelijk als probleemwolf moeten worden aangemerkt?
Klopt het dat DNA-onderzoek op individueel dier bij aanvallen achter een goedgekeurd raster alleen nog plaatsvindt wanneer het raster volledig foutloos is bevonden?
Deelt u de opvatting dat hiermee juist waardevolle informatie verloren gaat over wolven die ook rasters weten te omzeilen?
Bent u bekend met het feit dat voor de nieuwe aanbesteding voor DNA-onderzoek slechts WENR en één commercieel laboratorium hebben ingeschreven en dat het commerciële bedrijf zijn afgewezen omdat zij niet aan de gestelde eisen voldeden?
Hoe verhoudt dit zich tot het feit dat WENR momenteel al kampt met capaciteitsproblemen en dat ook voldoende capaciteit een eis zou moeten zijn?
Kunt u toelichten op welke punten het commerciële laboratorium niet voldeed en welke oplossingen u ziet om te zorgen dat wél alle DNA-monsters volledig onderzocht kunnen worden, bij dit commerciële bedrijf of elders?
Voldoet Nederland nog aan de monitoringsverplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn wanneer niet langer van alle monsters wordt vastgesteld om welk individueel dier het gaat, gezien het feit dat Nederland ervoor heeft gekozen om via DNA-monitoring invulling te geven aan deze verplichtingen? Kunt u hierop een juridische toelichting geven?
Deelt u de zorg dat bij een verdere toename van het aantal wolven en het aantal aanvallen op vee dit systeem volledig onhoudbaar wordt als de capaciteit niet wordt uitgebreid?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de toezegging en wanneer daadwerkelijk meer wolven zullen worden gezenderd, gezien het feit dat u heeft eerder toegezegd dat zoveel mogelijk wolven in Nederland zouden worden gezenderd?
Klopt het dat in Nederland nog geen vergunningen worden afgegeven voor het gebruik van de soft-close pootklem voor het vangen van wolven voor onderzoek, terwijl deze methode in andere Europese landen wel veelvuldig wordt toegepast?
Welke Europese regelgeving belemmert dit precies en waarom wordt het gebruik van soft-close pootklemmen in andere lidstaten door deze regelgeving niet belemmerd maar in Nederland wel?
Bent u bereid te bezien hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen, zodat de meest diervriendelijke vangmethode kan worden ingezet om wolven te zenderen en daarmee de druk op DNA-monitoring kan verminderen?
Het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine nog steeds veel hoger is dan technisch mogelijk of gebruikelijk voor bijvoorbeeld diesel?
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine in de praktijk hoger is (450–900 ppm) dan waar in de emissieberekeningen van wordt uitgegaan?
Wat is het feitelijke gemiddelde zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine en is dit altijd hetzelfde of zijn er uitschieters?
Wie controleert dit en hoe?
Met hoeveel zwavel wordt gerekend in de luchtkwaliteitsmodellen en bij de berekening van de milieu en gezondheidseffecten? Is dit voor alle modellen en instanties hetzelfde?
Hoeveel duurder is zwavelarme kerosine en wat zijn de maatschappelijke kosten (milieu en gezondheidskosten) van het ultrafijnstof (UFP) en de SO2-emissies afkomstig van de luchtvaart?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Kröger c.s. (Kamerstuk 31 936, nr. 609) om het zwavelgehalte van kerosine terug te brengen naar het niveau van reguliere diesel (10ppm)? Is alleen met de sectorpartijen gepraat of is er ook gewerkt aan nieuwe nationale normen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Luchtvaart?
Het bericht ‘Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Is het gebruikelijk dat een abortusarts alleen een uitwendige echo doet voordat een abortus wordt uitgevoerd? Welke richtlijnen zijn er bij een zwangerschap van minder dan twaalf weken?
Ja. Abortusartsen maken meestal eerst een uitwendige (abdominale) echo. Als dit geen goed beeld geeft, bijvoorbeeld omdat het om een zeer vroege zwangerschap gaat, kan het nodig zijn om een inwendige (transvaginale) echo te maken.2
Wat is de wetenschappelijke consensus over de kans op aangeboren afwijkingen als een kindje na een mislukte abortus alsnog wordt geboren? Zijn alle abortusartsen van de meest recente inzichten op de hoogte?
Bij een mislukte medicamenteuze zwangerschapsafbreking is er een aantoonbaar verhoogd risico op aangeboren afwijkingen. Blootstelling aan misoprostol tijdens het eerste trimester vermeerdert namelijk de kans op het syndroom van Möbius, amnionstrengsyndroom, cerebrale en craniale afwijkingen en artrogrypose.3
Het is niet duidelijk welk effect een mislukte curettage (zonder voorbehandeling met misoprostol) heeft op de foetus. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft in deze casus geconcludeerd dat er geen degelijke wetenschappelijke onderbouwing was voor het ernstig afraden van het uitdragen van de zwangerschap.4
Abortusartsen zijn op de hoogte van de (beperkte) risico’s van abortusbehandelingen en blijven op verschillende manieren geïnformeerd over de meest recente inzichten, bijvoorbeeld via congressen en vakliteratuur. Het verhoogde risico op aangeboren afwijkingen na blootstelling aan misoprostol is in meerdere wetenschappelijke studies, zowel oudere als recentere, beschreven.5
Welke ruimte wordt er aan de vrouw gelaten om anders dan het medisch advies toch te kiezen voor een zeer vroege abortus die het risico heeft om niet te slagen, en daarna het risico dat de nog levende foetus zich ontwikkelt met aangeboren afwijkingen?
De vrouw beslist altijd samen met haar arts welke behandeling het meest geschikt is, nadat zij is geïnformeerd over de voor- en nadelen en risico’s. De kans op een doorgaande zwangerschap na een abortus is klein. Bij ongeveer 1% van de vrouwen leidt een abortusbehandeling niet tot een beëindiging van de zwangerschap.6 Na een abortus wordt aanbevolen om een zwangerschapstest te doen. Wanneer een doorgaande zwangerschap wordt geconstateerd, bestaat in vrijwel alle gevallen nog steeds de wens om deze af te breken. Er wordt dan een (extra) curettage verricht.
Welke richtlijnen over advisering en informatie aan de vrouw zijn er voor de abortusarts als een vrouw in de kliniek aangeeft toch niet te willen kiezen voor een abortus? Op welke manier moet de arts zich ervan verzekeren dat de vrouw «in vrijwilligheid, na zorgvuldige overweging en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het ongeboren leven en van de gevolgen voor haarzelf en de haren» haar keuze maakt, zoals in artikel 5 Wet afbreking zwangerschap (Waz) staat?
De beroepsrichtlijn voor abortusartsen over keuzebegeleiding bevat uitgebreide instructies voor zorgvuldige besluitvorming.7 De richtlijn bevat bijvoorbeeld aanbevelingen over hoe artsen twijfel kunnen herkennen en welke vragen zij het beste kunnen stellen bij (een vermoeden van) twijfel. Ook bevat de richtlijn adviezen over het bespreken van alternatieven voor abortus, zoals adoptie, pleegzorg of zelf opvoeden. De richtlijn bevat tevens aanbevelingen voor het toetsen van de vrijwilligheid, bijvoorbeeld de aanbeveling om elke vrouw minimaal één keer alleen te spreken zonder (ex)partner, familie of naasten. Abortusartsen en verpleegkundigen zijn getraind, deskundig en ervaren in het voeren van besluitvormingsgesprekken. Mocht er enige twijfel of aarzeling bemerkt worden, verbaal of non-verbaal, dan wordt dit benoemd en besproken.
Voor vrouwen die twijfels of vragen hebben, is er ook goede informatie en ondersteuning beschikbaar via het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap en het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap.8
Welke richtlijnen zijn er over het delen van informatie aan derden voor een abortuskliniek?
Artsen mogen geen informatie over een patiënt aan derden verstrekken, tenzij het gaat om informatieverstrekking aan personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van dezelfde behandelingsovereenkomst met een patiënt.9 Aan die personen mag de arts wel zonder toestemming informatie verstrekken als dit noodzakelijk is voor de werkzaamheden binnen de behandelingsovereenkomst. Zo mag een arts informatie over de patiënt delen met personen in het behandelteam, bijvoorbeeld verpleegkundigen. Ook mogen artsen advies vragen aan collega’s en in dit kader informatie over patiënten met elkaar delen.
Klopt het dat artikel 296 Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 5 Waz geen bepaling bevatten die een onzorgvuldig uitgevoerde abortus strafbaar stelt, zoals wel het geval is bij euthanasie, namelijk in artikel 1f van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl)? Waarom niet?
Euthanasie is strafbaar op grond van artikel 293 Sr (levensbeëindiging op verzoek) en 294 Sr (hulp bij zelfdoding). Alleen voor artsen is een uitzondering gemaakt. In artikel 293 Sr staat dat een arts niet strafbaar is als die zich houdt aan de zes zorgvuldigheidseisen uit de Wtl en diens handelen meldt aan de gemeentelijke lijkschouwer. De medisch zorgvuldige uitvoering van euthanasie is één van die zes zorgvuldigheidseisen (artikel 2 lid 1 onder f Wtl).
Op grond van artikel 296 Sr is het strafbaar om iemands zwangerschap af te breken. Net als bij euthanasie is een uitzondering gemaakt voor artsen.10 Anders dan artikel 293 Sr kent artikel 296 Sr echter géén directe verwijzing naar zorgvuldigheidseisen. De strafbaarstelling van abortus verschilt in die zin dus van die van euthanasie.
Zorgvuldige uitvoering van abortuszorg wordt (juridisch) op andere manieren geborgd. Op abortuszorg is, in tegenstelling tot op euthanasie, de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) van toepassing. Daarin is de algemene plicht opgenomen om goede zorg te verlenen. De Wafz en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) bevatten daarnaast specifieke waarborgen voor zorgvuldige abortuszorg. Bijvoorbeeld zorgvuldigheidseisen die ertoe strekken dat vrouwen verantwoorde voorlichting krijgen en dat er voldoende nazorg is. Artikel 16 van het Bafz schrijft voor dat een abortuskliniek ervoor moet zorgen dat «medische en verpleegkundige hulpverlening aan de vrouw gewaarborgd is voor de duur van haar verblijf in de kliniek». De beroepsgroep van abortusartsen is verantwoordelijk voor medisch-inhoudelijke richtlijnen en voor visitaties aan klinieken, de IGJ ziet toe op de kwaliteit van abortuszorg, en het medisch tuchtrecht biedt mogelijkheden om artsen aan te spreken op onzorgvuldig medisch handelen.
Op bovengenoemde manieren wordt (medisch) zorgvuldige abortuszorg gewaarborgd. Het juridisch kader functioneert goed, zo blijkt ook uit de laatste evaluatie van de Wafz. Ik zie daarom geen aanleiding om te onderzoeken wat de meerwaarde is van een aanvullende zorgvuldigheidseis in de Wafz.
Vanzelfsprekend blijf ik het functioneren van de Wafz en het Bafz nauwlettend volgen, bijvoorbeeld middels de volgende wetsevaluatie die in 2027 start.
Bent u bereid te onderzoeken wat de meerwaarde kan zijn om een dergelijke zorgvuldigheidseis aan de Waz toe te voegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u reden naar aanleiding van de uitspraak van het medisch tuchtcollege om bestaande medische richtlijnen aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan beroepsgroepen van artsen om hun professionele richtlijnen vorm te geven. Bij het opstellen en herzien van richtlijnen kunnen zij naar eigen inzicht gebruikmaken van actuele wetenschappelijke kennis, ontwikkelingen in de medische praktijk en eventuele signalen uit tuchtrechtelijke procedures. Het is van groot belang dat artsen hierin onafhankelijk te werk kunnen gaan. Als bewindspersoon past het mij niet om me te mengen in de inhoudelijke invulling van medische richtlijnen, daarom zal ik geen stappen zetten om de medische richtlijn aan te scherpen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Ja.
Wereldwijde handel in donorzaad |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitzending van Zembla «Sperma op bestelling: de impact van de wereldwijde handel in donorzaad»?1
Ja.
Kunt u concreet benoemen op welke wijze de rechten van kinderen momenteel via wetten en regelgeving geborgd zijn in de context van (internationale) donorconceptie? Hoe verhoudt zich dit bijvoorbeeld tot het VN-verdrag inzake de rechten van het kind, in het bijzonder art. 7, lid 1? Hoe verhoudt dit zich tot de uitspraak van rechtbank Den Haag (d.d. 28-04-2023) waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van donorkinderen en hun ouders bij een verbod om nog langer sperma te doneren aan nieuwe wensouders zwaarder wegen dan het belang van de donor om daarmee door te gaan?2
Het recht van donorkinderen op toegang tot hun afstammingsgegevens is in Nederland geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). In deze wet is geregeld dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van hun donor.3 Op deze manier voldoet Nederland aan de internationale verplichting om te waarborgen dat een kind, voor zover mogelijk, het recht heeft diens ouders te kennen en diens identiteit te behouden. Deze verplichting is vastgelegd in artikel 7 en 8 van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
In de rechtszaak waarnaar wordt verwezen heeft de rechter destijds geoordeeld dat de donor in kwestie per direct moest stoppen met het donoren van sperma, zowel in Nederland als in het buitenland. De rechter achtte dit nodig, omdat de donor wensouders doelbewust voorloog over het aantal nakomelingen dat hij als donor had verwekt en nog voornemens was te verwekken. De donor doneerde bij fertiliteitsklinieken, in Nederland en daarbuiten, én in de privésfeer. In de uitspraak heeft de rechter het kinderrechtenperspectief nadrukkelijk meegewogen. De rechter oordeelde dat de belangen van donorkinderen en hun ouders zwaarder wegen dan het belang van een donor om te blijven doneren.
De Wdkb ziet op behandelingen die zijn uitgevoerd in Nederlandse fertiliteitsklinieken. Als bij deze behandelingen donorsperma uit het buitenland wordt gebruikt, gelden dezelfde regels als voor sperma dat in Nederland wordt gedoneerd. Als wensouders kiezen voor een eigen donor in plaats van een donor via een spermabank, wordt hen in het belang van het toekomstige kind geadviseerd om goede afspraken met de donor te maken. Die afspraken kunnen worden vastgelegd in een donorcontract, met hulp van een gespecialiseerde notaris of familierechtadvocaat. Hierover is informatie te vinden op het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie.4
Hoewel in de Wdkb het recht op afstammingsgegevens is vastgelegd, bestaat er geen wettelijk recht op contact tussen donor en donorkind. De praktijk leert dat veel donorkinderen daar wel (een sterke) behoefte aan hebben. Daarom verkent het kabinet momenteel welke aanvullende donorgegevens geregistreerd kunnen worden door fertiliteitsklinieken. Door een persoonsnummer, een e-mailadres, het adres ten tijde van donatie en de spermabank waar de donor heeft gedoneerd vast te leggen kan de vindbaarheid van donoren in het buitenland worden vergroot.
Kunt u nader toelichten op welke wijze er momenteel vanuit de huidige wettelijke kaders, in het bijzonder de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wkdb), handvaten bestaan om te handhaven op het recht van een kind, welke is verwerkt met buitenlands donorzaad, om te weten van wie zij afstammen?
Het recht van kinderen om hun afstammingsgegevens te weten is geborgd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb), die regelt dat de gegevens van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben op de persoonsidentificerende gegevens van de donor. Dit geldt voor alle behandelingen met donorsperma in Nederlandse fertiliteitsklinieken, ook als deze zijn uitgevoerd met sperma van een buitenlandse spermabank of -donor. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is verantwoordelijk voor het toezicht op de fertiliteitsklinieken.
Herkent u het beeld welke wordt geschetst in de uitzending van Zembla dat de huidige praktijk, waarbij regels vaak niet gelden als er gebruik wordt gemaakt van buitenlands donorzaad, tekortschiet wat betreft het beschermen van kinderen en hun rechten?
Het beeld dat wordt geschetst in de Zembla-aflevering is deels herkenbaar. Als buitenlands donorsperma wordt ingezet voor een behandeling in Nederland, moet worden voldaan aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo kan er bijvoorbeeld geen gebruik worden gemaakt van een donor die anoniem wenst te blijven, aangezien kinderen op grond van de Wdkb recht hebben op toegang tot hun afstammingsgegevens. Tegelijkertijd geldt dat nationale wetgeving niet van toepassing is in andere landen. Veel landen hanteren een limiet voor het aantal nakomelingen van één donor binnen dat land, maar het totaal aantal nakomelingen van die donor kan flink oplopen als zijn sperma in meerdere landen wordt gebruikt. Hierdoor kunnen er grote internationale verwantschapsnetwerken van donorkinderen ontstaan. Het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken van donorkinderen vindt het kabinet zorgwekkend.
Welke concrete maatregelen wilt u nemen om massadonatie met buitenlands donorsperma in het bijzonder tegen te gaan?
De afgelopen jaren vindt donorconceptie steeds meer plaats in een internationale context, mede vanwege het tekort aan spermadonoren in Nederland. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 4, kan dit leiden tot het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken. Dat is zorgwekkend. Het afstammen van «massadonoren» en het hebben van soms wel tientallen tot honderden halfzussen en -broers wordt door een deel van de donorkinderen ervaren als een pijnlijke last. Ook klinkt vanuit medisch-ethisch, juridisch en politiek perspectief een steeds luidere roep om dergelijke praktijken rond donorconceptie beter te reguleren. In de brief die de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport op 12 februari 2026 naar uw Kamer heeft gestuurd, zijn verschillende maatregelen aangekondigd.5 Het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl)6, dat momenteel voor behandeling in de Tweede Kamer ligt, biedt wellicht een goede mogelijkheid om grensoverschrijdend gebruik van donorsperma te reguleren. Via de Wzl kan mogelijk vastgelegd worden dat het ontvangen of verstrekken van donorsperma door een fertiliteitskliniek of spermabank verboden is, behalve als in bindende afspraken met de andere partij is vastgelegd dat het donorzaad wereldwijd bij niet meer dan een X-aantal vrouwen ingezet wordt. Ook blijft het kabinet op Europees niveau pleiten voor een Europees maximum voor het gebruik van het sperma van één donor en wordt er een breed samenwerkingstraject gefaciliteerd om te komen tot aanvullende afspraken tussen alle betrokken partijen over grensoverschrijdende donorconceptie.
Herkent u de zorgen over gezinnen in kwetsbare posities, zoals regenboogstellen en alleenstaande moeders, die in de huidige praktijk eerder uitwijken naar buitenlandse fertiliteitsklinieken omdat zij vastlopen in het Nederlandse systeem en een gebrek aan een centrum voor wensouders zonder specifiek medisch oogmerk? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om hen te ondersteunen?
Het kabinet herkent de zorgen over gezinnen in kwetsbare posities, zoals regenboogstellen en alleenstaande moeders. Het recht van wensouders op reproductieve vrijheid en het recht op privé en familieleven (artikel 8 EVRM) wordt zoveel mogelijk geëerbiedigd, maar dit mag niet ten koste gaan van het belang van het kind. Het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken door gebruik van buitenlands donorsperma is niet in het belang van het kind. Daarom worden maatregelen voorbereid om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. De inperking van het gebruik van buitenlands donorsperma zal vermoedelijk gevolgen hebben voor de wachttijd en kosten van donorsperma voor wensouders. Wat die gevolgen precies zullen zijn, hangt af van de uitwerking in landelijke en Europese wetgeving en van de afspraken die partijen onderling maken. Bij het maken van wet- en regelgeving is uiteraard oog voor de behoeftes van wensouders, maar de belangen van het kind staan voorop. Er bestaat inderdaad een risico dat wensouders buiten Nederland of buiten de kaders van de Wdkb op zoek gaan naar manieren om hun kinderwens te vervullen. De mogelijkheden om dit te voorkomen zijn beperkt. Het is daarom van belang dat wensouders goed worden geïnformeerd over de mogelijke gevolgen voor hun toekomstige kind, en voor henzelf. Informatie over donorconceptie (in internationaal verband) is onder andere te vinden op het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (LIDC) en op de website van Fiom. Diverse belangenorganisaties, zoals Stichting Meer dan Gewenst, Stichting BamMam en Freya (vereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen), bieden eveneens informatie en steun aan wensouders.
Het kabinet erkent de zorgen van sommige wensouders over het vervullen van hun kinderwens. Het kabinet vindt echter dat zij niet vastlopen in het «Nederlandse systeem». Wel ondervinden ze de gevolgen van een tekort aan Nederlands donorsperma. Dat probleem wordt echter niet opgelost met een centrum voor wensouders zonder medisch oogmerk. Het kabinet ziet daarom reden noch noodzaak om een dergelijk centrum vanuit de overheid te faciliteren.
Hoe reflecteert u op de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) dat nationale werving voor donoren essentieel is om het aanbod aan te laten sluiten op de behoefte, bijvoorbeeld door het opzetten van een nationale donorbank?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, neemt het gebruik van buitenlandse donorsperma toe, mede vanwege een tekort aan Nederlandse donoren en de groeiende vraag naar donorsperma. Het kabinet ziet ook dat het gebruik van buitenlands donorsperma ongewenste effecten kan hebben, zoals het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken van donorkinderen. Daarom gaat het kabinet zich inspannen om het gebruik van buitenlandse spermadonoren in een internationale context en het aantal nakomelingen per donor te beperken.
Het kabinet zet niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een dergelijk verbod moet noodzakelijk, proportioneel en geschikt zijn om het belang van het kind te beschermen. Bovendien moet rekening worden gehouden met Europese wet- en regelgeving, waaronder regels voor het vrij verkeer van goederen en diensten.
Fertiliteitsklinieken kunnen er op dit moment al voor kiezen om geen buitenlands donorsperma te gebruiken. Sommige fertiliteitsklinieken hebben dit ook al gedaan. Het kabinet vindt het goed dat de NVOG nadenkt over manieren om het ontstaan van grote verwantschapsnetwerken te voorkomen. Het werven van meer
Nederlandse donoren is één van de oplossingsrichtingen. Het werven van donoren en de opslag van donorgameten7 in een gametenbank (het kan zowel om ei- als spermacellen gaan) vindt dit Kabinet een verantwoordelijkheid van de fertiliteitsklinieken. En het kabinet juicht toe dat zij hierover onderlinge afspraken maken.
Hoe reflecteert u op de oproep van onder andere de NVOG en FIOM om te stoppen met buitenlandse spermadonoren? Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd in het realiseren van de opzet van een nationale donorbank en het invoeren van een stop op buitenlandse spermadonoren, indien het nationale aanbod voldoende is?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe reflecteert u op het feit dat Stichting Donorkind te kennen heeft gegeven de overheid aansprakelijk te willen stellen voor de misstanden omtrent massadonatie?
Stichting Donorkind heeft het recht om de overheid aansprakelijk te stellen voor misstanden rondom massadonatie, en dat recht respecteert het kabinet. Uiteindelijk is het aan de rechter om hierover een oordeel te vellen. Tegelijkertijd dient te worden benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor donorconceptie niet volledig bij de overheid ligt. Ook wensouders, fertiliteitsklinieken, spermabanken en behandelaren dragen een verantwoordelijkheid. Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport ook heeft aangegeven in de brief van 12 februari jl., valt er, zeker op korte termijn, meer te verwachten van zelfregulering, afspraken tussen partijen en gezamenlijke initiatieven om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma tegen te gaan. Ontwikkeling van wet- en regelgeving kan niet alle problemen oplossen en vergt hoe dan ook een lange adem.
Het bericht 'Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs»?1
Hoe beoordeelt u de inval van de Franse autoriteiten in een kantoor van het sociale mediaplatform X?
Hoe plaatst u deze inval in het bredere onderzoek van het Franse OM en Interpol naar de de AI-chatbot Grok, seksuele deepfakes, het in bezit hebben en verspreiden van seksueel kindermisbruikmateriaal en holocaustontkenning op X?
Bent u van plan steun uit te spreken voor dit onderzoek en eventuele maatregelen op Europees niveau toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Maakt X zich naar uw inzicht ook schuldig aan strafbare feiten door politieke inmenging te faciliteren, algoritmen aan te passen, data illegaal te verzamelen, en de AI-chatbot Grok seksuele deepfakes en kindermisbruikmateriaal te laten genereren?
Als blijkt dat X (vermoedelijk) tegen de Nederlandse wet- en regelgeving handelt, welke mogelijkheden heeft u om tegen het bedrijf op te treden?
Op welke manier draagt u bij aan onderzoeken en juridische stappen die worden gezet door de Europese Commissie en EU-lidstaten? Zo niet, ziet u mogelijkheden om expertise te verlenen aan deze acties?
Kunt u reflecteren op het besluit van het kantoor van de Franse openbaar aanklager om van X af te stappen? Ziet u dit als een terechte en effectieve reactie op de recente ontwikkelingen?
Ontvangen Nederlandse autoriteiten eveneens klachten over de AI-chatbot Grok? Zo ja, hoe veel? Geven deze klachten aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X?
Bent u voornemens om naar aanleiding van het Franse onderzoek en recente berichtgeving2 over democratische ondermijning als gevolg van X om ook van het platform af te stappen? Waarom wel of niet?
Kunt u, om de afhankelijkheid van X voor overheidscommunicatie te doorbreken, toezeggen dat overheidscommunicatie voortaan op alle veelgebruikte alternatieve media én op de eigen overheidswebsites plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
Heeft u reeds gekeken naar de mogelijkheid om alternatieve communicatieplatforms voor X te gebruiken, zoals toegezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2025?3
Wat zijn de uiterlijke consequenties voor X als het platform willens en wetens blijft handelen tegen de Europese wet- en regelgeving in, en als dit blijkt uit de lopende onderzoeken? Bent u bereid in het uiterste geval te pleiten voor een Europees verbod op het platform?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en uiterlijk in de week van 2 maart 2026 beantwoorden, nog voordat het gesprek van de commissie Digitale Zaken met een vertegenwoordiging van de Europese Commissie is voorzien?4