Het bericht 'Emiraten blijken Colombiaanse huurlingen naar oorlog in Soedan te sturen' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) betrokken zouden zijn bij het rekruteren, trainen en doorsturen van Colombiaanse huurlingen naar de Rapid Support Forces (RSF) in Soedan?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het rapport «From Bogotá to El Fasher»2 van Human Rights Watch, waarin wordt gesteld dat Colombiaanse huurlingen zijn getraind op militaire locaties in de VAE voordat zij naar Soedan werden uitgezonden?
Het kabinet heeft kennis genomen van het rapport «From Bogotá to El Fasher» van Human Rights Watch. De bevindingen in het rapport zijn zorgelijk. Een reactie op het rapport vindt u in de aanbiedingsbrief van deze beantwoording.
Deelt u de opvatting dat iedere vorm van militaire, logistieke of financiële steun aan de RSF volstrekt onacceptabel is, gezien de ernstige beschuldigingen van oorlogsmisdrijven, genocidaal geweld en grootschalige wreedheden tegen burgers in Darfur en elders in Soedan?
Het conflict in Soedan gaat gepaard met veelvuldig en ernstig geweld tegen burgers, waarbij het grootschalige, etnische en seksuele geweld in de nasleep van de val van El Fasher als een dieptepunt wordt gezien. Militaire, logistieke en/of financiële steun aan betrokken partijen draagt bij aan het voortduren van dit geweld. Er geldt bovendien een VN wapenembargo voor Darfoer. In diverse verklaringen hebben de EU en Nederland dan ook opgeroepen tot het stoppen van wapenstromen door externe partijen. Voorbeelden van de Nederlandse diplomatieke inzet vormen de ministeriële verklaring van de Soedan Kerngroep in de mensenrechtenraad van 26 februari jl. en de EU-verklaring van 21 april jl. Ook heeft het kabinet meermaals gepleit voor het uitbreiden van het VN-wapenembargo op Darfoer naar heel Soedan in EU-verband en in andere internationale overleggen, waaronder binnen de Coalition for Atrocity Prevention and Justice in Sudan.
Bent u bereid de VAE bilateraal in de strengst mogelijke termen aan te spreken op deze berichtgeving en volledige opheldering te eisen over mogelijke betrokkenheid van Emiratische autoriteiten en bedrijven, zoals de Global Security Services Group (GSSG), bij het trainen, financieren of doorsturen van huurlingen naar Soedan?
Nederland spreekt met alle relevante landen in de regio, waaronder ook de VAE, over Soedan, waarbij wij zorgen uiten over de humanitaire- en mensenrechtensituatie en het belang bepleiten van het beëindigen van het conflict en het stoppen van wapenleveranties aan de strijdende partijen.
Heeft GSSG, voor zover bij u bekend, het VN-wapenembargo voor Darfur geschonden door Colombiaanse huurlingen te trainen en in te zetten voor de Rapid Support Forces in Soedan?
Het VN-wapenembargo verplicht alle staten om de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat wapens en aanverwant materieel van welke aard dan ook alsmede technische training en bijstand, worden geleverd aan actoren die actief zijn in Darfoer. De verplichting voor de handhaving van het embargo is daarmee gericht aan staten, niet aan bedrijven of individuen. Als de VN veiligheidsraad vaststelt dat individuen of entiteiten de stabiliteit in Darfoer bedreigen kan de veiligheidsraad overgaan tot sancties.
Bent u bereid in Verenigde Naties (VN)- en Europese Unie (EU)-verband te pleiten voor sancties tegen GSSG en directeur Mohamed Hamdan al-Zaabi, nu blijkt dat zij betrokken waren bij steun aan de RSF of schending van het VN-wapenembargo voor Darfur?
Nederland pleit reeds in EU-verband voor aanvullende sancties tegen de oorlogseconomie en tegen individuen en eniteiten verantwoordelijk voor het conflict en mensenrechtenschendingen in Soedan. Wegens de vertrouwelijke aard van het sanctie-instrument, kan niet meer informatie gegeven worden over status van individuele sancties.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar de rol van externe actoren en bedrijven, waaronder de VAE en in de VAE gevestigde bedrijven, bij het in stand houden van de oorlog en mensenrechtenschendingen in Soedan?
Door diverse organisaties, waaronder de onafhankelijke internationale Fact Finding Mission, het Panel of Experts on the Sudan van de VN veiligheidsraad, het Internationaal Strafhof, en diverse NGO’s en mediaorganisaties wordt reeds onderzoek gedaan naar het conflict in Soedan, inclusief de rol van externe actoren en bedrijven daarbij. Nederland spant zich in om te zorgen dat er gedegen onderzoek naar het conflict in Soedan kan plaatsvinden. Het kabinet pleit bijvoorbeeld in de Soedan kerngroep in de Mensenrechtenraad in voor de verlenging van het mandaat van de Fact Finding Missie en Nederland doet een financiële bijdrage aan het landenkantoor van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten in Soedan.
Wat is, als lid van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan, de Nederlandse inzet om wapenleveranties, huurlingenstromen en andere militaire steun aan strijdende partijen in Soedan via de Verenigde Arabische Emiraten te stoppen, en welke aanvullende stappen is het kabinet bereid te nemen om te voorkomen dat steun via de VAE de Rapid Support Forces bereikt?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent het omleidingsrisico van militaire goederen naar Soedan. Alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik per geval en zorgvuldig aan de Europese wapenexportcriteria en de criteria van het VN-Wapenhandelsverdrag. Daarbij is er specifiek aandacht voor het omleidingsrisico naar Soedan. Als er een duidelijk risico bestaat op ongewenst eindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechtenschendingen of omleiding, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. De inzet en activiteiten van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan richten zich onder andere op de coördinatie van bewijsvergaring van mensenrechtenschendingen, gezamenlijke statements en sanctioneren van daders en actoren die het conflict in standhouden.
De interne controverse binnen de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) betreffende het onderzoek naar de vermeende chemische aanval in Douma, Syrië. |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de interne controverse binnen de OPCW over de rapportage van het onderzoek naar de vermeende chemische aanval in Douma, Syrië in 2018, waarbij inspecteur Ian Henderson een afwijkend rapport indiende over de ballistische analyse van de aangetroffen chloorgas-canisters?
Er is geen sprake van een dergelijke interne controverse. De Fact-Finding Mission in Syria (FFM) van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) heeft onderzoek uitgevoerd naar de aanval met chemische wapens in Douma op 7 april 2018. Op 6 juli 2018 heeft de OPCW een interim-rapport over het Douma-incident gepubliceerd, gevolgd door het definitieve rapport van de FFM op 1 maart 2019, waarin staat vermeld dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een giftige chemische stof als wapen is gebruikt. De FFM heeft het onderzoek naar de gebeurtenissen in Douma in 2018 transparant en onafhankelijk uitgevoerd. Gedurende het onderzoek is alle informatie meegenomen om tot een afgewogen oordeel te komen. Er heeft in volledige openheid een uitwisseling van meningen plaatsgevonden. Dit geldt ook voor de wijze waarop het definitieve Douma-rapport na publicatie binnen de OPCW is besproken.
Bent u bekend met de uitkomst van de rechtszaak van dr. Brendan Whelan, waarbij de OPCW voor het eerst heeft erkend dat bevindingen uit het onderzoek zijn gecensureerd, die het officiële narratief over de aanval in Douma ondermijnden?1, 2
De genoemde rechtszaak waarin het International Labour Organization Administrative Tribunal (ILOAT) uitspraak heeft gedaan in een arbeidsrechtelijk geschil tussen de OPCW en dr. Brendan Whelan is bekend.
Wat is uw oordeel over deze erkenning van censuur door de OPCW, mede gezien het feit dat de OPCW haar hoofdkantoor in Den Haag heeft en Nederland als gastland een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de integriteit van deze organisatie?
De conclusies van het definitieve rapport van 1 maart 2019 betreffende de gebeurtenissen in Douma zijn gebaseerd op een diepgaande en objectieve analyse door de FFM van al het verzamelde bewijsmateriaal. Deze conclusies zijn tevens gebaseerd op de gangbare standaarden voor bewijsvoering die worden gehanteerd door internationale onderzoekscommissies binnen het systeem van de Verenigde Naties. Het rapport stelt vast dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een giftige chemische stof als wapen is gebruikt.
Het onderzoek naar de gebeurtenissen in Douma in 2018 is door de FFM op transparante en onafhankelijke wijze uitgevoerd. Gedurende het onderzoek is rekening gehouden met alle informatie en is er in volledige openheid een uitwisseling van meningen geweest. Dit geldt ook voor de wijze waarop het definitieve Douma-rapport na publicatie binnen de OPCW is besproken.
De rechtszaak waarnaar wordt verwezen betreft zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 disciplinaire maatregelen getroffen tegen dr. Brendan Whelan vanwege het niet-naleven van de strikte regels die de OPCW hanteert ten einde vertrouwelijke informatie te beschermen. Zoals eerder aangegeven, is alle informatie in het onderzoek meegenomen en zijn de opstellers van het rapport tot een afgewogen oordeel gekomen.
In het licht van bovenstaande is er geen enkele reden om te twijfelen aan de integriteit van de OPCW, het verrichte onderzoek of de uitkomsten zoals neergelegd in het rapport.
Kunt u toelichten welke stappen u heeft ondernomen of zal ondernemen om volledige transparantie te bevorderen over de wijze waarop het OPCW-onderzoek naar Douma tot stand is gekomen en intern is besproken?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het censureren van afwijkende wetenschappelijke bevindingen binnen een internationale waakhondorganisatie als de OPCW een ernstige bedreiging vormt voor de geloofwaardigheid van die organisatie en de internationale rechtsorde?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u de integriteit van de OPCW beoordeelt in het licht van de thans erkende censuur?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het, gezien de nu erkende censuur binnen de OPCW, uitgesloten dat het officiële narratief over de aanval in Douma op wezenlijke punten onjuist is?
Gezien het feit dat de bevindingen van het eindrapport van de FFM zijn gebaseerd op een grondige analyse van al het verzamelde bewijsmateriaal, zijn er geen reden om aan te nemen dat het onderzoek onjuistheden bevat. Daarbij staan de conclusies van het definitieve Douma-rapport binnen de organisatie niet ter discussie. Dit blijkt onder meer uit het feit dat geen enkele OPCW-lidstaat heeft betwist dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat er in Douma een giftige chemische stof als wapen is gebruikt.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te bevorderen naar de totstandkoming van het OPCW-rapport over Douma, teneinde definitief helderheid te verschaffen over wat er in april 2018 in Douma heeft plaatsgevonden?
In de periode tussen april 2018 en februari 2019 heeft de FFM onafhankelijk onderzoek uitgevoerd dat vaststelt welke tragedie er op 7 april 2018 in Douma heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek bestond onder meer uit het verzamelen van biomedische en milieumonsters en het interviewen van slachtoffers en getuigen. Dit alles heeft geleid tot de bevindingen van het definitieve Douma-rapport op 1 maart 2019. Er zijn geen redenen om aan de inhoud van het rapport te twijfelen en de OPCW te verzoeken het in 2018 verrichte onderzoek nogmaals uit te voeren.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u meent dat de huidige stand van kennis over de aanval in Douma voldoende vastgesteld en niet verder onderzoekswaardig is?
Zie antwoord vraag 9.
De negatieve BTI-toets in het kader van de overname van het bedrijf Solvinity (Platform DigiD) |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Wat betekent een negatief BTI-oordeel concreet voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van het bedrijf Solvinity en daarmee voor DigiD?
Op dit moment is er geen indicatie dat het besluit inzake Solvinity leidt tot een gevaar voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van DigiD en andere Logius voorzieningen. Logius heeft strenge contractuele afspraken met Solvinity dat zij de beschikbaarheid en veiligheid van DigiD moet garanderen.
Een besluit in het kader van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet ziet op de risico’s van een voorgenomen investering of overname voor het publiek belang. Een dergelijk besluit vormt geen oordeel over de operationele continuïteit, stabiliteit of financiële positie van een onderneming, dus ook in dit geval niet over Solvinity. Het kabinet blijft in contact met Solvinity over de verdere ontwikkelingen. Over de bedrijfseconomische situatie van individuele ondernemingen doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u uiteenzetten welke risico’s er bestaan voor burgers alsmede voor de overheidsdienstverlening als de huidige situatie langer voortduurt?
Logius actualiseert het risicoprofiel naar aanleiding van het verbod van de overname. Indien nodig zal het kabinet stappen nemen om de continuïteit van DigiD, en alle overige overheidsdienstverlening in afstemming met andere overheden te kunnen blijven garanderen.
Welke exitstrategie is er richting 2028, zeker omdat Logius/BZK zelf meldt dat het Solvinity-contract op 27 maart 2026 met twee jaar is verlengd omdat een overstap vóór augustus 2026 niet veilig werd geacht?
De huidige overeenkomst met Solvinity is op 6 mei 2026 verlengd en loopt uiterlijk af in augustus 2028. Op dit moment worden voor de aanbesteding vanaf 2028 voorbereidingen getroffen via de Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV). De reden hiervoor is dat de ADV meer mogelijkheden biedt dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Na het selecteren van een contractant geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden. Voor augustus 2026 had Logius niet de mogelijkheid om zowel het aanbestedingstraject als de overdrachtsperiode te voltooien.
Kunt u in het licht van de in de vorige vraag benoemde risico’s, de eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen omtrent de overname van Solvinity deze week beantwoorden, zodat de risico’s duidelijk in kaart kunnen worden gebracht?
De eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen zijn inmiddels beantwoord.
Kunt u toelichten op basis van welke criteria, risicoanalyses en wettelijke kaders het BTI-advies tot stand is gekomen?
Het BTI heeft de voorgenomen overname van Solvinity door Kyndryl getoetst op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Tw) en het Besluit ongewenste zeggenschap telecommunicatie.
De Tw biedt de bevoegdheid tot het verkrijgen of houden van overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij te verbieden indien het verkrijgen of houden van deze zeggenschap leidt tot een risico op een bedreiging van het publiek belang. Daarbij worden de omstandigheden van het specifieke geval beoordeeld aan de hand van de criteria die in de WOZT (artikel 14a.4) zijn vastgelegd. Hierbij wordt gekeken naar de combinatie van de kenmerken van de voorgenomen koper, de vormgeving van de transactie en de kenmerken van de activiteiten van de doelonderneming, in dit geval Solvinity.
Over de inhoud van de beoordeling en de daaraan ten grondslag liggende analyses in individuele gevallen worden geen nadere mededelingen gedaan.
Welke specifieke veiligheids-, afhankelijkheids-, governance- of soevereiniteitsrisico’s lagen ten grondslag aan het negatieve oordeel en speelt digitale autonomie hierin ook een rol?
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5. Het kabinet doet geen uitspraken over de specifieke risico’s, analyses of afwegingen die ten grondslag liggen aan de beoordeling van individuele zaken op grond van de Telecommunicatiewet.
Digitale autonomie is geen afzonderlijk wettelijk criterium binnen de WOZT. Voor zover aspecten die onder de noemer digitale autonomie worden geschaard relevant zijn voor de beoordeling van risico’s voor het publiek belang, kunnen deze worden betrokken in de integrale afweging. Over de toepassing daarvan in individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u het volledige BTI-advies, inclusief de onderliggende overwegingen en risicoanalyses met de Kamer delen?
Nee. Het kabinet maakt de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan beoordelingen op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie, toezichtvertrouwelijke informatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in vertrouwelijke technische briefing te worden geïnformeerd over de BTI-procedure.
Op welke exacte grondslag wordt de overname tegengehouden: Wet Vifo, hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet, beide, of andere gronden? Zo ja, welke specifieke gronden?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Besluit investeringstoetsing Solvinity» van 26 mei is de voorgenomen overname beoordeeld op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie, WOZT).
Kunt u toelichten welke Europese of nationale technologische alternatieven zijn onderzocht voor de overname van IT-dienst van DigiD? Kunt u tevens uitleggen of deze alternatieven van gelijkwaardige technologie zijn als die van Kyndryl, aangezien blijkt dat Europa en Nederland, de Verenigde Staten niet kunnen bijbenen op het gebied van technologische innovatie op vele gebieden?
In 2020 is door Logius een Europese aanbesteding uitgezet in de markt voor het leveren van IT-diensten. Deze aanbesteding is uitgezet onder strenge voorwaarden zodat de continuïteit en veiligheid van voorzieningen gewaarborgd blijft. Solvinity is destijds geselecteerd als contractant en met Solvinity zijn contractuele afspraken gemaakt. De diensten die Solvinity levert aan Logius zijn niet uniek en kunnen bij meerdere leveranciers worden afgenomen. Het voorbereiden van een aanbesteding en de overdracht kost echter tijd. Zoals in de beantwoording op vraag 3 aangegeven bereidt Logius nu de aanbesteding voor 2028 voor. Dit betekent niet dat we inleveren op kwaliteit van de dienstverlening en veiligheid van burgers.
Kunt u uitleggen dat indien het alternatief niet van gelijkwaardige technologische kwaliteit is, er voldoende rekening is gehouden met het verhoogde risico op cyberaanvallen en daarmee met de veiligheid van burgers?
Zie antwoord op vraag 9.
Welke gevolgen verwacht het kabinet dat dit oordeel heeft voor het investerings- en vestigingsklimaat voor internationale technologiebedrijven in Nederland?
Nederland heeft een open economie en een aantrekkelijk investerings- en vestigingsklimaat voor nationale en internationale ondernemingen. Het kabinet hecht grote waarde aan buitenlandse investeringen, die bijdragen aan innovatie, werkgelegenheid en economische groei.
Tegelijkertijd is het van belang dat de nationale veiligheid en andere zwaarwegende publieke belangen adequaat worden beschermd. Instrumenten zoals de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie zijn bedoeld voor situaties waarin dergelijke belangen in het geding kunnen zijn. Deze instrumenten worden indien nodig toegepast en de beoordeling vindt zorgvuldig plaats op basis van de wettelijke criteria en de specifieke omstandigheden van het geval.
Uit een evaluatie van de investeringstoetsen (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie en Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames) van najaar 2025 komt naar voren dat de impact op het investeringsklimaat door deze toetsen te overzien lijkt, mede door de gerichte aanpak. Het kabinet is van oordeel dat een helder, voorspelbaar en wettelijk verankerd toetsingskader bijdraagt aan een stabiel investeringsklimaat. Het is niet mogelijk om vast te stellen welke concrete gevolgen een individueel besluit heeft voor toekomstige investerings- of vestigingsbeslissingen van ondernemingen.
Binnen welke termijn verwacht het kabinet duidelijkheid te kunnen geven over een definitieve oplossing?
Met het besluit op grond van de WOZT vindt er thans geen wijziging van de zeggenschap van Solvinity plaats. Het is aan de betrokken marktpartijen te beoordelen welke vervolgstappen zij willen zetten. Het kabinet zal de situatie blijven monitoren zodat de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening van Solvinity geborgd blijft.
Kunt u uitleggen waarom betrokkenheid van internationale technologiepartijen binnen het GRIP-IT-project van Defensie wel verenigbaar werd geacht met nationale veiligheidsbelangen, nota bene bij de hervorming van de Defensie-ICT, terwijl in de onderhavige casus een negatief BTI-oordeel is afgegeven?
Deze situaties zijn niet rechtstreeks vergelijkbaar. Een contractuele samenwerking verschilt wezenlijk van een wijziging van zeggenschap over een onderneming. Iedere casus onder investeringstoetsing wordt beoordeeld op basis van de specifieke feiten en omstandigheden en het toepasselijke wettelijke kader. Over de onderliggende risicoanalyses in individuele dossiers doet het kabinet geen uitspraken. Voor de precieze inrichting en afweging ten aanzien van het GRIT project bij Defensie, verwijs ik u door naar de Minister en/of Staatssecretaris van Defensie.
Welke lessen worden getrokken voor toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur?
Wat betreft toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur bouwt het kabinet voort op het ABDTOPConsult rapport «Van kwetsbaar naar weerbaar. Geleerde lessen uit dreigende acute en langdurige uitval van uitbestede ICT-dienstverlening bij overheidsorganisaties» dat vorig jaar met de Kamer is gedeeld [29 362 nr.388]. Dit rapport verwoordt lessen en geeft concrete en bruikbare aanbevelingen om risico’s stapsgewijs te mitigeren, de eerste stappen daartoe zijn inmiddels gezet.
Wat wordt aan burgers verteld behalve «DigiD blijft werken»?
Gebruikers kunnen hun DigiD blijven gebruiken zoals altijd. Zoals in de beantwoording van vraag 1 beschreven zijn er strenge contractuele afspraken met Solvinity waarin staat vastgelegd dat zij de beschikbaarheid en veiligheid van DigiD moet garanderen. Logius communiceert actief op de DigiD website wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn rondom Solvinity.
Kunt u de vragen los van elkaar en op de kortst mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.
De uitbraak van het stijgend tekort aan medische hulpmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Stijgend tekort aan medische hulpmiddelen in ziekenhuizen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Kunt u een overzicht aan de Kamer sturen van de omvang van de tekorten aan essentiële medische hulpmiddelen in Nederlandse ziekenhuizen?
Tussen 1 januari 2026 en 31 mei 2026 zijn over 563 medische hulpmiddelen tekorten gemeld bij het landelijk meldpunt tekorten, dat wordt beheerd door Zorg Inkoop Netwerk Nederland. De afgelopen 12 maanden zijn de meeste meldingen binnengekomen over de in onderstaande figuur genoemde categorieën medische hulpmiddelen.
Welke categorieën medische hulpmiddelen zijn momenteel het meest kwetsbaar voor leveringsproblemen? Voor welke hulpmiddelen dreigen er reeds tekorten op korte termijn?
Op dit moment zijn met name producten die gemaakt zijn van olie of geproduceerd worden met olie, kwetsbaar voor leveringsproblemen en prijsstijgingen door het risico op een grondstoftekort en afhankelijkheid van productie in Azië. Concreet gaat het disposable OK-jassen en afdekmateriaal, niet-latex handschoenen, infuussystemen, disposable spuiten, katheters, mond-neusmaskers en verbandmaterialen. Daarnaast zijn incontinentiemateriaal, dialyse disposbles en medische verpakkingen kwetsbaar voor prijsstijgingen.
In het algemeen geldt dat hulpmiddelen voor eenmalig gebruik (disposables) het meest kwetsbaar voor leveringsproblemen, vanwege het hoge en continue verbruik. Via de Green Deal Duurzame Zorg wordt gewerkt aan het verminderen van het gebruik van hulpmiddelen voor eenmalig gebruik.
Daarnaast zijn medische hulpmiddelen voor specifieke toepassingen en doelgroepen zoals kinderen, kwetsbaar voor tekorten. Er wordt in Europa gewerkt aan vereenvoudiging van de Europese wetgeving voor medische hulpmiddelen (MDR) om de beschikbaarheid van deze hulpmiddelen te verbeteren.
Concreet is er op dit moment één tekort met acute impact voor de continuïteit van zorg. Het gaat om een essentieel medisch hulpmiddel dat gebruikt wordt door de cardiologen, met name in de hartzorg voor katheterisatie en dotterbehandelingen van hartpatiënten. Dit tekort is ontstaan naar aanleiding van een terugroepactie door een veiligheidsissue. Vanwege het tekort is een deel van de planbare operaties uitgesteld. Tot nu toe heeft het tekort geen gevolgen gehad voor de continuïteit van de acute zorg. Het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen van het Zorg Inkoop Netwerk Nederland, de IGJ en vertegenwoordigers uit de zorg monitoren de situatie en geven adviezen over het gebruik van alternatieven om de oplopende wachtlijsten te beperken.
In hoeveel gevallen hebben tekorten aan medische hulpmiddelen de afgelopen twee jaar geleid tot uitstel van operaties, aanpassing van behandelingen of risico’s voor patiëntveiligheid?
Tussen 1 januari 2024 en 31 mei 2026 zijn over 3.986 medische hulpmiddelen tekorten gemeld bij het meldpunt. Bij 61 van deze tekorten (1,5%) was sprake van uitstel van behandelingen door een tekort aan alternatieven. Hoewel uitstel van behandelingen vervelend is voor de patiënt en extra werk oplevert voor de zorg, heeft dit vaak geen gevolgen voor de patiëntveiligheid. In 33 gevallen (0,8%) heeft het tekort tot minder comfort of een verhoogd risico voor de patiënt geleid.
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de beschikbaarheid van essentiële medische hulpmiddelen, en acht u dat toezicht voldoende effectief?
Sinds januari 2025 is een Europese meldplicht voor leveringsonderbrekingen van medische hulpmiddelen van kracht. Fabrikanten zijn verplicht om leveringsonderbrekingen van kritische hulpmiddelen te melden bij een lidstaat. In Nederland komen deze meldingen binnen bij het CIBG. Het CIBG publiceert alle meldingen die bij lidstaten binnenkomen.
Zorgaanbieders en leveranciers kunnen tekorten op vrijwillige basis melden bij het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen van het Zorg Inkoop Netwerk Nederland. Dit kunnen ook meldingen van niet-kritische hulpmiddelen zijn.
Fabrikanten zijn verplicht om incidenten met een medisch hulpmiddel en daaruit voortvloeiende veiligheidsmeldingen en terugroepacties te melden bij de IGJ.
Het kabinet subsidieert Zorg Inkoop Netwerk Nederland om inzicht te geven in de kwetsbaarheid van leveringsketens van kritische productgroepen.
Ondanks deze acties kan zich altijd een onverwachte situatie voordoen waardoor de zorg overvallen wordt door een tekort. Dat maakt het belangrijk om goed voorbereid te zijn op acute tekorten. Het kabinet werkt daarom met vertegenwoordigers uit de zorg en leveranciers aan een blauwdruk voor een crisisstructuur bij tekorten aan kritieke medische hulpmiddelen.
Welke lessen zijn volgens u getrokken uit de tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens de coronapandemie?
Tijdens de coronapandemie hebben we geleerd dat het belangrijk is om beter inzicht te hebben in (dreigende) tekorten van medische hulpmiddelen en dat de beschikbaarheid van medische hulpmiddelen kwetsbaar is. Na de pandemie is het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen ingericht bij het Zorg Inkoop Netwerk Nederland voor coördinatie bij tekorten, het ontwikkelen van een alternatievendatabase en voor meer inzicht in de kwetsbaarheden van leveringsketens. Het kabinet heeft ook een overeenkomst afgesloten met een fabrikant die voor de Nederlandse zorg productiecapaciteit voor mondmaskers (type FFP2) in stand houdt. Daarnaast is een taakgroep beschikbaarheid medische hulpmiddelen ingericht met vertegenwoordigers uit de zorg, vertegenwoordigers van leveranciers, het Zorg Inkoop Netwerk Nederland en de IGJ. Deze taakgroep adviseert het Ministerie van VWS over beleid- en wetgeving rond tekorten.
Op Europees niveau is een meldplicht leveringsonderbrekingen ingevoerd. Er zijn voor verschillende medische hulpmiddelen RescEU voorraden aangelegd waar lidstaten een beroep op kunnen doen. Nederland beheert een RescEU voorraad met medische apparatuur, zoals patiëntmonitors en echo-apparaten. Daarnaast is bij het EMA een stuurgroep (Medical Device Shortages Steering Group) ingericht voor Europese coördinatie bij een publieke gezondheidscrisis. Verder werken we in Europa aan joint action voor (meer) voorraden en het stimuleren van Europese productie.
Acht u Nederland voldoende voorbereid op grootschalige tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens een toekomstige geopolitieke crisis die de toeleveringsketen verstoort?
De afgelopen jaren heeft Nederland zich beter voorbereid op (grootschalige) tekorten, ook in samenwerking met de Europese Commissie. Er is nationaal een tijdelijke subsidie verstrekt aan Zorg Inkoop Netwerk Nederland om zicht op tekorten en de toeleveringsketen van medische hulpmiddelen te verbeteren. Het kabinet werkt verder samen met vertegenwoordigers uit de zorg en leveranciers in de taakgroep beschikbaarheid medische hulpmiddelen, aan een blauwdruk voor een crisisstructuur bij tekorten aan kritieke medische hulpmiddelen.
Daarnaast zal een deel van de middelen die beschikbaar zijn gesteld voor pandemische paraatheid worden ingezet voor het aanleggen van voorraden en productie van kritische medische hulpmiddelen.
Op welke termijn verwacht u de aangekondigde blauwdruk voor een crisisstructuur bij grootschalige tekorten gereed te hebben?
We verwachten dat de blauwdruk voor een crisisstructuur uiterlijk in het vierde kwartaal van 2026 gereed is.
Welke bijkomende acties plant u te ondernemen om Nederland weerbaarder te maken voor verstoringen in internationale productieketens van medische hulpmiddelen in de context van toenemende geopolitieke spanningen?
Een zekere afhankelijkheid van andere landen zal blijven bestaan. Nederland is nu eenmaal te klein om alle ruim 500.000 verschillende soorten medische hulpmiddelen, inclusief grondstoffen en onderdelen, te kunnen produceren. In samenwerking met andere lidstaten werkt het kabinet aan het bevorderen van productie in Europa. Het pakket pandemische paraatheid wordt onder andere ingezet voor het aanleggen van voorraden en productie van kritische medische hulpmiddelen. Ook werkt het Ministerie van EZK aan een grondstoffenstrategie om de leveringszekerheid van kritische grondstoffen te bevorderen.
Verder zet het kabinet in op het vergroten van hergebruik van medische hulpmiddelen, omdat hulpmiddelen voor eenmalig gebruik (disposables) het meest kwetsbaar zijn voor leveringsonderbrekingen. Zorg Inkoop Netwerk Nederland houdt zicht op de kwetsbaarheid van de leveringsketens en voorziet in mitigerende adviezen voor de meest kritische productgroepen medische hulpmiddelen.
Ten slotte wordt ingezet op het versterken van relaties met andere landen, zoals India, zodat we risico’s en afhankelijkheden beter kunnen spreiden.
Hoeveel financiële middelen heeft het kabinet precies vrijgemaakt voor het vergroten van de weerbaarheid van medische productieketens en strategische voorraden?
Het kabinet heeft structureel € 177 miljoen per jaar vrijgemaakt voor pandemische paraatheid. Dit is onder andere bedoeld voor het vergroten van de weerbaarheid van medische productieketens en strategische voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen.
Daarnaast investeert het kabinet dit jaar ongeveer € 1 miljoen in het in stand houden van opschaalbare productiecapaciteit voor mondmaskers (FFP2). Het Zorg Inkoop Netwerk Nederland ontvangt in 2026 € 2 miljoen voor het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen, de alternatievendatabase, het in kaart brengen van kwetsbaarheden in toeleveringsketens en marktanalyses ten behoeve van inkopers in de zorg.
Wat vindt u van het voorstel om de inkoop van medische hulpmiddelen in Nederland meer centraal te organiseren? Zal u stappen in deze richting zetten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de inkoop van medische hulpmiddelen. Het staat zorgaanbieders vrij om (vaker) gezamenlijk of centraal in te kopen. Vanwege de Wet Markt en Overheid kan de overheid niet ingrijpen in een goed functionerende markt. Alleen bij crisissituaties is centrale inkoop vanuit de overheid mogelijk, zowel nationaal als op Europees niveau.
Welk beleid van andere lidstaten om een tekort aan medische hulpmiddelen te voorkomen, kan als voorbeeld voor Nederland dienen en overweegt u in Nederlands beleid om te zetten?
Het Zorg Inkoop Netwerk Nederland heeft een inventarisatie gedaan van de aanpak van tekorten in verschillende landen, waaronder Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Japan, Oostenrijk en Spanje. De lessen die zijn geleerd bij deze inventarisatie worden meegenomen bij de ontwikkeling van een blauwdruk voor de crisisstructuur in Nederland.
Eén van de lessen is bijvoorbeeld dat het van belang is om vooraf een crisisstructuur in te richten met afspraken over rollen en verantwoordelijkheden van alle partijen bij tekorten aan medische hulpmiddelen. Daar wordt nu aan gewerkt.
Naar voorbeeld van Japan onderzoekt het kabinet op basis van verschillende scenario’s voor welke medische producten het beste strategische voorraden kunnen worden aangelegd.
In Spanje zijn leveranciers verplicht om informatie over beschikbare voorraden, productiecapaciteit en eventuele leveringsproblemen te melden bij een centraal digitaal platform. Zorginstellingen zijn verplicht om hun voorraadniveaus, verbruik en eventuele tekorten door te geven aan hetzelfde centrale digitale platform. In Nederland wordt bij de ontwikkeling van de blauwdruk voor een crisisorganisatie in kaart gebracht in hoeverre er draagvlak is voor levering van dergelijke gegevens op vrijwillige basis. Als informatievoorziening op vrijwillige basis niet werkt, overweegt het Kabinet een wettelijke informatieplicht in te voeren.
Bent u bekend met het plan France 20302 waarmee Frankrijk in deze tijden van geopolitieke spanningen en verstoorde toeleveringsketens de productie van essentiële medicijnen naar Frankrijk terughaalt? In welke mate zou een dergelijk plan volgens u ook voor Nederland interessant zijn? Zo nee, waarom niet? Acht u het nuttig een dergelijk plan naar medische hulpmiddelen uit te breiden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben daarmee bekend. In Nederland hebben we een eerste stap gezet door een overeenkomst te sluiten met fabrikant voor het in stand houden van opschaalbare productiecapaciteit van mondmaskers (type FFP2). Het kabinet overweegt om met middelen uit het pakket pandemische paraatheid overeenkomsten te sluiten voor de productie van nog een aantal van de meest kritische hulpmiddelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Er was wat meer tijd nodig om de vragen te beantwoorden omdat afstemming met betrokken partijen ten behoeve van de beantwoording meer tijd heeft gevergd.
Het bericht 'Drugs, vechtpartijen en gebrek aan controle, zo ontspoort de markt voor begeleid wonen' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Follow The Money over ernstige misstanden binnen de sector begeleid wonen voor kwetsbare jongeren?1
Ja, daarmee ben ik bekend. De situaties die in het artikel worden beschreven zijn ernstig. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Voor het kabinet staat voorop dat de kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid van de (jeugd)zorg centraal staan.
Hoeveel meldingen, signalen of aangiften zijn de afgelopen vijf jaar gedaan over geweld, drugsgebruik, seksuele uitbuiting, mensenhandel, intimidatie, criminele uitbuiting of ondermijning binnen instellingen voor begeleid wonen en hoelang zijn deze signalen al bekend bij gemeenten, inspecties, politie en het Rijk?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Klopt het dat jongeren binnen sommige woonvoorzieningen in aanraking komen met drugscriminelen, geweld en criminele ronselaars en deelt u de mening dat het onacceptabel is dat jongeren die bescherming nodig hebben juist in zulke omgevingen terechtkomen?
Ik ben helaas bekend met deze signalen en deel de mening dat dit onacceptabel is. De afgelopen periode heb ik meerdere maatregelen ingezet om screening en toezicht op zorg- en jeugdhulpaanbieders in het algemeen te versterken en verder aan te scherpen. Via de Kamerbrief van 15 april jl. heb ik u geïnformeerd dat ik besloten heb aan de slag te gaan met een wetsvoorstel waarmee ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders wordt ingevoerd2. Ik ben ook van plan de vergunningplicht voor Wmo-aanbieders in te voeren.
Hoeveel aanbieders van begeleid wonen zijn de afgelopen vijf jaar onderzocht, gesloten, geschorst of strafrechtelijk aangepakt wegens fraude, witwassen, misbruik van zorggeld, ondeugdelijke zorg of banden met georganiseerde criminaliteit?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Hoe verklaart u dat het blijkbaar relatief eenvoudig is om een zorginstelling of woonvoorziening voor kwetsbare jongeren te starten terwijl toezicht, screening en controle volgens het onderzoek ernstig tekortschieten?
Door de decentralisatie en inkoop van jeugdhulp op gemeenteniveau ligt de contractering bij verschillende gemeenten en hanteren zij verschillende eisen. Ik erken dat de huidige toelating van nieuwe jeugdhulpaanbieders in sommige gevallen te eenvoudig is en te weinig randvoorwaarden biedt om malafide aanbieders te weren. Daarom heb ik besloten ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders en Wmo-aanbieders te introduceren. De verwachting is dat het wetsvoorstel waarin dat wordt geregeld in 2028 kan worden aangeboden aan de Tweede Kamer.
Klopt het dat gemeenten in sommige gevallen tienduizenden euro’s per maand betalen voor één jongere in begeleid wonen en hoe wordt gecontroleerd dat dit geld daadwerkelijk aan zorg, begeleiding en veiligheid wordt besteed?
Hoewel het Ministerie van VWS daar geen centrale administratie over bijhoudt, blijkt dat uit de tarieven dat dit voor kan komen. De gemeente is verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van gedeclareerde zorg en ondersteuning op grond van de jeugdwet en Wmo en de prijzen die zij hanteren bij inkoop daarvan.
Deelt u de opvatting dat bestaande toelatingseisen, screening en toezicht kennelijk onvoldoende effectief zijn wanneer aanbieders met dubieuze praktijken of banden met criminaliteit actief kunnen blijven? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben. Er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen en het Kabinet heeft aanvullende maatregelen aangekondigd, zoals in het antwoord op vraag 5 en 8 te lezen is.
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Ziet u aanleiding bestaande screening, integriteitstoetsen en financiële controles voor aanbieders van begeleid wonen verder aan te scherpen en met een landelijke aanpak tegen malafide zorgaanbieders te komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet komt met een stevig pakket maatregelen om zorgfraude en ondermijnende criminaliteit in de zorg harder aan te pakken. Het kabinet wil voorkomen dat malafide zorgaanbieders zich eenvoudig kunnen vestigen of na eerdere overtredingen opnieuw kunnen starten in de zorg. Daarom werkt het kabinet aan een wetsvoorstel om de toetredingseisen te versterken. Uitgangspunt is een duidelijk norm en voor alle nieuwe en herstartende aanbieders van zorg. Nieuwe en herstartende zorgaanbieders worden ook strenger gecontroleerd, de inzet van de Wet Bibob wordt uitgebreid en toezicht- en opsporingsdiensten krijgen extra capaciteit om fraudeurs sneller op te sporen en aan te pakken. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat publiek zorggeld verdwijnt naar criminelen in plaats van naar mensen die zorg nodig hebben. Voor de aanpak is oplopend tot 50 miljoen euro per jaar beschikbaar. Dit heb ik op 8 juni jl. in een brief aan uw Kamer gecommuniceerd3.
Ook zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het gemeentelijk toezicht binnen de Jeugdhulp en WMO2015 te verstevigen en te professionaliseren. Ik ben momenteel met de VNG in gesprek over wat nodig is om het gemeentelijk toezicht te verstevigen. Daarnaast is sinds 1 januari 2026 de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj) van kracht. De wet stelt strengere eisen aan de financiële bedrijfsvoering en verantwoording van jeugdhulpaanbieders.
Acht u de huidige bevoegdheden en capaciteit van gemeenten, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en opsporingsdiensten voldoende om misstanden snel aan te pakken en bent u bereid met spoed te komen met een landelijke aanpak tegen fraude, criminaliteit, geweld en falend toezicht binnen begeleid wonen en de jeugdzorgsector en de Kamer hierover vóór het zomerreces te informeren?
Zie het antwoord op vraag 7 en 8. Op 15 april en op 8 juni jl. heb ik aangekondigd welke maatregelen het Kabinet neemt om fraude binnen de (jeugd)zorgsector aan te pakken en het toezicht te verstevigen. Ik ga de komende tijd aan de slag om deze maatregelen uit te werken.
Bent u bekend met het bericht «Angelo (34) verliest onverwacht zijn moeder en moet nu hun sociale huurwoning uit: «Dit is het enige dat aan haar herinnert»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie dat kinderen die hun ouder(s) verliezen, maar ouder zijn dan 27 jaar, gedwongen worden hun woning te verlaten of maar heel kort in de (sociale) huurwoning mogen blijven wonen waar zij op dat moment wonen of zelfs zijn opgegroeid en een sociaal netwerk hebben?
Het is ontzettend verdrietig om een ouder te verliezen. Ik begrijp dat het in een dergelijke situatie nodig is om enige tijd en rust voor rouwverwerking te hebben, waarbij het niet wenselijk is om tegelijkertijd ook per direct op zoek te moeten gaan naar een andere woning.
In de wet zijn voor dergelijke situaties enkele zaken geregeld. Sinds 1 januari 2024 geldt Wet huurbescherming weeskinderen, naar aanleiding van het initiatiefwetsvoorstel van de Kamerleden Koerhuis (VVD), Van der Plas (BBB), Grinwis (ChristenUnie) en Westerveld (GroenLinks)2. Dit initiatiefwetsvoorstel is ingediend om de huurbescherming van jongvolwassen wezen in huurwoningen van woningcorporaties wettelijk te verankeren. Deze wet biedt huurbescherming aan bij hun hurende overleden ouder(s) inwonende wezen tussen de 16 en 28 jaar in huurwoningen van woningcorporaties (toegelaten instellingen).
Tijdens de behandeling van dit initiatiefwetsvoorstel in de Tweede Kamer is een motie van het lid Ceder c.s.3 aangenomen. Deze motie verzoekt de regering om te zorgen dat alle weeskinderen van 18 jaar en ouder het recht krijgen om een bepaalde tijd, bijvoorbeeld twee jaar, in de ouderlijke huurwoning te blijven wonen en niet uitgezet kunnen worden, ook wanneer de overleden ouder(s) bij een particuliere verhuurder huurde(n). Daarom werk ik in samenwerking met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel, dat aan alle bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen huurbescherming voor een bepaalde periode biedt, ongeacht hun leeftijd en ongeacht wie de verhuurder is. Het voornemen voor dit ontwerpwetsvoorstel is door een eerder kabinet reeds aangekondigd4.
Zolang dat wetsvoorstel nog niet als wet in werking is getreden, kunnen verhuurders bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen die geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met die ouder(s) voerden helpen door een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aan te bieden. Bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen behoren tot de specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst5.
Hoe vaak komt deze situatie voor, zowel de situatie dat een kind onder de 27 jaar is als de situatie dat een kind 27 jaar of ouder is?
Ik beschik niet over precieze gegevens van wezen die de leeftijd «onder de 27 jaar» hadden toen zij wees werden, wel over wezen in de leeftijd van 16 tot en met 30 jaar en over wezen van 28 jaar en ouder.
Over wezen die de leeftijd van 16–30 jaar hadden op het moment dat zij wees werden en in een huurwoning woonden, beschik ik over gegevens tot en met 20216. In de jaren 2015 tot en met 2019 ging het om ca. 80–90 personen per jaar, waarvan ca. 70–80 personen (ca. 60–70 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en ca. 5–20 personen (ca. 5–15 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2021 was dat opgelopen naar ca. 130 personen (ca. 105 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 115 personen (96 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 14 personen (11 huishoudens) in een andere huurwoning.
Over wezen die de leeftijd van 28 jaar of ouder hadden op het moment dat zij wees werden en in een huurwoning woonden, beschik ik over gegevens tot en met 20237. In de jaren 2015 tot en met 2019 ging het om ca. 850–950 personen per jaar, waarvan ca. 650–750 personen (ca. 600–840 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en ca. 135–250 personen (ca. 125–230 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2021 was dat opgelopen naar ruim 1.000 personen (ca. 960 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 903 personen (837 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 127 personen (124 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2023 was dat iets gedaald naar bijna 1.000 personen (ca. 930 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 865 personen (800 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 131 personen (128 huishoudens) in een andere huurwoning.
In hoeverre is het handelen van de verhuurder in lijn met de gedragscode voor verhuurders, waar in ieder geval in staat dat de verhuurder altijd een persoonlijke aanpak moet hanteren?
Ik kan niet oordelen over individuele gevallen. In de gedragscode is afgesproken dat verhuurders (in gevallen die buiten de geldende Wet huurbescherming weeskinderen vallen) individueel maatwerk zullen toepassen. Dat maatwerk is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een verhuurder kan zulk maatwerk toepassen door een andere passende woning aan te bieden, maar ook door een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aan te bieden waarmee de wees tijd en rust krijgt voor rouwverwerking en voor het zoeken naar een andere woning.
Maar wanneer de (inwonende) wees kan aantonen dat hij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde – niet een gebruikelijke ouder-kindrelatie in de huurwoning van de ouder(s) – kan de verhuurder de wees de positie van medehuurder geven waarna de wees de huurovereenkomst van de overleden ouder(s) van rechtswege voor onbepaalde tijd als huurder voortzet. Indien de verhuurder de wees desgevraagd niet de positie van medehuurder verschaft, kan de wees de rechter vragen hem die positie te verschaffen. De rechter zal bij het oordeel of de (inwonende) wees de positie van medehuurder krijgt, alle omstandigheden in het geval in die beoordeling betrekken.
Wat vindt u ervan dat ouder-kindrelaties in rechterlijke uitspraken meestal niet aangemerkt worden als een duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat er bij inwonende kinderen vanuit wordt gegaan dat zij ongeacht hun leeftijd altijd op een gegeven moment op zichzelf gaan wonen? Acht u deze uitleg nog passend bij de huidige woningmarkt? En deelt u de mening dat in dergelijke situaties wel degelijk sprake kan zijn van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden gebaseerd op de relatie wanneer het kind na het 27ste levensjaar nog niet op zichzelf is gaan wonen of teruggekeerd is zonder intentie tot vertrek?
Ouder-kindrelaties worden niet per definitie aangemerkt als duurzame gemeenschappelijke huishouding, doordat van inwonende kinderen verwacht wordt dat zij op enig moment een eigen huishouden gaan vormen. Er kan in individuele gevallen wel sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding van de ouder(s) met een inwonend volwassen, bijvoorbeeld wanneer een volwassene (weer) bij zijn of haar ouder(s) is ingetrokken om mantelzorg aan die ouder(s) te verlenen en zij gezamenlijk activiteiten ondernemen en gezamenlijk de huishoudkosten, inclusief de huur, betalen. Ook wanneer een volwassen kind van de (overleden) huurder nog bij de huurder inwoont – en dus niet het spreekwoordelijke nest heeft verlaten – kan er sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, bijvoorbeeld als zij veel gezamenlijke activiteiten ondernemen en gezamenlijk de huishoudkosten, inclusief de huur, betalen.
Bij een geschil over de vraag of het inwonende kind van de overleden huurder(s) aangemerkt wordt als medehuurder (en die dan na het overlijden van de huurder van rechtswege de huur voortzet), kan de inwonende wees de rechter vragen om als medehuurder aangemerkt te worden. De rechter zal bij de beoordeling alle omstandigheden van het geval betrekken.
Wanneer ouder-kindrelaties wel per definitie zouden worden aangemerkt als duurzame gemeenschappelijke huishouding, en inwonende volwassen kinderen van huurders per definitie aangemerkt zouden worden als medehuurder, zou het huurrecht in de praktijk een overerfbaar recht worden: de huur zou dan van generatie op generatie overgaan. Bij DAEB-woningen van woningcorporaties zou dat bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat een eenmaal verhuurde DAEB-woning in feite niet meer vrij zou komen voor de doelgroep. Voor commerciële en particuliere verhuurders zou het betekenen dat een eenmaal (voor onbepaalde tijd) verhuurde woning mogelijk niet meer vrijkomt om tegen leegwaarde te kunnen verkopen of tegen een meer marktconforme huurprijs opnieuw te kunnen verhuren; dat zou een nadelig effect hebben op het rendement voor verhuurders, waardoor beleggers mogelijk uit de verhuur van woningen stappen of alleen tijdelijke huurcontracten van maximaal twee jaar (aan de daarvoor aangewezen specifieke groepen) aanbieden.
Om een evenwicht te vinden tussen de belangen van volwassenen die bij hun overleden hurende ouder(s) inwonen/inwoonden en van verhuurders die ervan op aan willen kunnen gaan dat de huurwoning op termijn weer vrijkomt voor nieuwe verhuring of voor verkoop tegen leegwaarde, werk ik zoals gezegd in het antwoord op vraag 2 met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat dergelijke inwonende wezen huurbescherming biedt voor een bepaalde periode. Op dit moment kunnen verhuurders aan inwonende kinderen van overleden huurders een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aanbieden om hen tijd en rust te bieden voor rouwverwerking en het zoeken naar een andere woning (zie ook het antwoord op vraag 2).
Dat laat onverlet dat een volwassen kind dat inwoont/inwoonde bij zijn of haar (overleden) hurende ouder(s), kan vragen om aangemerkt te worden als medehuurder omdat hij/zij meent een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de hurende ouder(s) te voeren of met de overleden hurende ouder(s) te hebben gevoerd. Bij een geschil daarover tussen inwonende en de verhuurder is het oordeel aan de rechter.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat kinderen die hun ouder(s) verliezen tenminste voor een voldoende lange periode in de woning moeten kunnen blijven wonen, vanuit sociaal oogpunt maar ook om verlies van sociaal vangnet en dakloosheid met alle gevolgen van dien te voorkomen?
Ja, die mening deel ik. Daarom werk ik zoals gezegd in het antwoord op de vragen 2 en 5 met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat aan inwonende (volwassen) kinderen van overleden huurders huurbescherming biedt voor een bepaalde periode, ongeacht de leeftijd van de inwonende wees en ongeacht wie de woning verhuurt.
Klopt het dat verhuurders momenteel de vrijheid hebben om te kiezen of zij wezen die inwoonden bij hun overleden hurende ouders een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aanbieden? Zo ja, zou u inzichtelijk willen maken hoe vaak hier wel of niet voor wordt gekozen door verhuurders?
Ja, dat klopt. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 5. Ik beschik niet over gegevens over hoe vaak verhuurders van die mogelijkheid gebruik maken.
Deelt u de opvatting dat het beter zou zijn als verhuurders in deze gevallen voortzetting van het huurcontract voor een afgebakende periode, bijvoorbeeld twee jaar, moeten accepteren? Zo ja, bent u bereid wet- en regelgeving hierop aan te passen?
Ja, ik deel die opvatting. En zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2, 5 en 6 werk ik met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat aan inwonende (volwassen) kinderen van overleden huurders huurbescherming biedt voor een bepaalde periode, ongeacht de leeftijd van de wees en ongeacht wie de woning verhuurt.
Bent u bereid te onderzoeken of het begrip «duurzame gemeenschappelijke huishouding» in het Burgerlijk Wetboek verduidelijkt moet worden, zodat langdurig inwonende kinderen beter beschermd worden tegen gedwongen dakloosheid na overlijden van hun ouder(s)?
Wanneer het hierboven genoemde nog uit te werken ontwerpwetsvoorstel door de Kamers wordt aangenomen en als wet in werking treedt, krijgen (langdurig) bij hun hurende ouder(s) inwonende kinderen bij het overlijden van die hurende ouder(s) per definitie het recht om een bepaalde periode in de woning te blijven wonen. Zij hoeven dan niet aan te tonen dat zij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.
En (langdurig) bij hun hurende ouder(s) inwonende volwassenen die langer dan die bepaalde periode na het overlijden van de hurende ouder(s) in de woning willen blijven wonen, kunnen de verhuurder – en bij een geschil hierover de rechter – binnen die periode vragen om aangemerkt te worden als medehuurder om de huur voor onbepaalde tijd te kunnen voortzetten; in dat geval zullen zij moeten aantonen dat zij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, dus verdergaand dan de gebruikelijke ouder-kindrelatie. De bestaande jurisprudentie hierover blijft dan ook relevant. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 zie ik geen verdere aanleiding om te onderzoeken of een ouder-kindrelatie per definitie aangemerkt moet worden als duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat daarmee in feite een overerfbaar huurrecht gecreëerd zou worden.
Accijnsinkomsten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u het forse verschil van 830 miljoen euro verlies aan accijnsinkomsten op tabak (dat is zo’n 7 procent van de totale accijnzen) tussen inschatting en uiteindelijke opbrengsten verklaren?
Het verhogen van de tabaksaccijns is een bewezen effectieve maatregel om roken te verminderen. Het maakt tabaksproducten minder aantrekkelijk doordat het de prijzen daarvan laat stijgen. In het Nationaal Preventieakkoord is daarom afgesproken om de tabaksaccijns in stappen aanmerkelijk te verhogen. Per 1 april 2023 en 1 april 2024 is de tabaksaccijns verhoogd met als doel om bij te dragen aan een rookvrije generatie in 2040.1 Deze twee verhogingen zijn in het Belastingplan 2023 opgenomen. De verhoging per 1 april 2024 is daarna in het Belastingplan 2024 om budgettaire redenen extra verhoogd.2 De verhoging per 1 april 2024 is daarnaast ook per amendement extra verhoogd ten behoeve van een halvering van de voorgenomen verhoging van de alcoholaccijns.3
De gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 zijn onderzocht door de Douane en het RIVM. Het onderzoek van het RIVM laat zien dat 7% van de ondervraagde rokers na de verhoging in 2024 is gestopt met roken.4 Uit het pakjesraaponderzoek van Douane blijkt daarnaast dat in 2024 45% van de geraapte sigarettenpakjes niet in de Nederlandse accijnsheffing zijn betrokken.5 Dat wil zeggen dat over die pakjes geen Nederlandse accijns is betaald. Dat kan bijvoorbeeld komen omdat zij, vanwege de open grenzen met buurlanden, in een andere lidstaat zijn gekocht, of omdat zij via illegale kanalen zijn aangeschaft. Hierdoor is het verkochte tabaksvolume sinds begin 2024 sterk gedaald en dit daalde in 2025 verder. Het verbod op verkoop van tabak en e-sigaretten en horeca-inrichtingen per 1 juli 2024 kan ook bijdragen aan de lagere opbrengsten. In welke mate ieder van deze maatregelen heeft bijgedragen aan de daling van het verkochte tabaksvolume is niet te zeggen. Tot slot kan de aandacht voor de prijsverschillen met buurlanden hebben gezorgd voor een verdere afname van verkochte tabaksproducten in Nederland.
Betekent dit dat de gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 te laag zijn ingeschat? Bent u bereid de gedragseffecten bij te stellen?
De gedragseffecten waarmee wordt gerekend in de ramingen voor de tabaksaccijns zijn bijgesteld aan de hand van de onderzoeken uitgevoerd door de Douane en het RIVM. Op basis van de huidige ramingen levert het verder verhogen van tabaksaccijns op dit moment naar verwachting geen extra
budgettaire opbrengst meer op. Een verdere toelichting op de gedragseffecten die worden toegepast bij de tabaksaccijns zijn te vinden in de publicatie rond gedragseffecten van het CPB.6
Wat bent u van plan aan de bijstelling van 830 miljoen euro op 3,38 miljard euro geraamde inkomsten te doen, terwijl de rookprevalentie niet sterker is afgenomen dan verwacht? Duidt dit op een serieuze misrekening?
Het verschil in budgettaire inkomsten komt conform het trendmatig begrotingsbeleid ten laste van het EMU-saldo. In het Coalitieakkoord is geen beleidsmatige aanpassing van de tabaksaccijns opgenomen. Het kabinet is dan ook niet van plan om de tabaksaccijns te verhogen dan wel te verlagen. Mocht daar in de toekomst wel sprake van zijn dan zal in lijn met de toezegging naar aanleiding van het rapport «Verantwoord Belasten» van de Algemene Rekenkamer in de evaluatieparagraaf van de memorie van toelichting ingegaan worden op de mogelijkheden voor monitoring van de budgettaire opbrengst.
Met betrekking tot de rookprevalentie is het belangrijk erop te wijzen dat er een langjarige dalende trend is. In 2016 rookte nog 26,3% van de Nederlanders weleens en dit percentage is in 2025 gedaald tot 17,8%. Het doel is om in 2040 een rookvrije generatie te bereiken waarbij kinderen en zwangere vrouwen niet meer roken en maximaal 5% van de volwassenen. Om dit doel te bereiken is een breed pakket van tabaksontmoedigingsmaatregelen ingevoerd. Daarbij zijn er echter van jaar tot jaar geen verwachtingen geformuleerd voor de daling van de rookprevalentie. Het kabinet zet zich onverminderd in om het gebruik van tabak en nicotine verder terug te dringen. Gezien de grote schade die het gebruik van deze middelen veroorzaakt, zijn dalingen in het gebruik en het gevoerde ontmoedigingsbeleid moeilijk te verenigen met kwalificaties als «een serieuze misrekening».
De eis van president Zelensky tot volledig EU-lidmaatschap van Oekraïne. |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de eis van president Zelensky dat Oekraïne volledig lidmaatschap van de Europese Unie (EU) wenst, inclusief stemrecht en vetorecht, en dat hij een tijdelijke tussenvorm, zoals voorgesteld door bondskanselier, Merz afwijst?
Ik heb kennisgenomen van publieke uitingen door president Zelensky waarin hij het belang van volwaardig EU-lidmaatschap van Oekraïne benadrukt.
Wat is uw oordeel over deze eis van president Zelensky?
Het kabinet ondersteunt Oekraïne op het onomkeerbare pad richting toekomstig EU-lidmaatschap, zonder daarbij afbreuk te doen aan de voorwaarden voor EU-toetreding. Het kabinet is voorstander van het vaart maken in het reguliere, op verdiensten gebaseerde, toetredingsproces. De Kamerbrief EU-uitbreiding, waarborgen en de Toekomst van Europa die uw Kamer 9 juni jl. ontving, bevat nadere informatie over de kabinetsinzet.1
Deelt u de opvatting dat volwaardig EU-lidmaatschap voor een land, dat zich in een actief gewapend conflict bevindt, onwenselijk is?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u het verlenen van volledig lidmaatschap – inclusief stemrecht en vetorecht – aan een land in een gewapend conflict verantwoord acht?
Erkent u dat een land in een actief gewapend conflict met stemrecht en vetorecht in de Raad van de Europese Unie besluiten kan beïnvloeden, die direct raken aan het eigen conflict?
Acht u dit wenselijk voor de integriteit van de Europese besluitvorming?
Kunt u toelichten welke van de criteria van Kopenhagen Oekraïne op dit moment aantoonbaar vervult en welke nog niet?
De kabinetsappreciatie van het uitbreidingspakket 2025 van de Europese Commissie bevat een overzicht van de voortgang die Oekraïne heeft gemaakt met hervormingen, alsook de aandachtspunten.2 Zoals gebruikelijk, zal Uw Kamer ook dit jaar een appreciatie ontvangen van de Commissie mededeling over EU-uitbreiding, inclusief het landenrapport over Oekraïne.
Erkent u dat een volwaardig EU-lidmaatschap van Oekraïne vergaande budgettaire gevolgen heeft voor de Nederlandse afdracht aan de EU?
Bij EU-uitbreiding kan het Meerjarig Financieel Kader (MFK) tussentijds worden herzien. Er zal dan opnieuw gekeken worden naar de EU-begroting en de afdrachten van lidstaten daaraan. Het effect op de EU-begroting als gevolg van toetreding is van veel factoren afhankelijk. Dat geldt bijvoorbeeld voor het moment van toetreding, de mate van infasering en ingroeipaden in het MFK.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, kunt u een raming geven van de verwachte meerkosten voor Nederland op korte en middellange termijn?
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de mogelijkheden en voorwaarden waaronder Nederland zijn EU-lidmaatschap kan herzien of beëindigen, mede in het licht van de voorgenomen uitbreiding met Oekraïne?
Voor terugtrekking uit de EU bestaat een procedure, opgenomen in artikel 50 van het EU-Verdrag.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u de Kamer deze informatie ontzegt?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe beoordeelt u het voorstel om Oekraïne volwaardig lidmaatschap te verlenen in ruil voor het omzetten van de Nederlandse associatiestatus naar een tijdelijke tussenvorm met behoud van handelsprivileges?
Er is geen sprake van bovengenoemd voorstel.
Bent u bekend met het feit dat op 7 mei 2026 twee vermoedelijk Oekraïense drones het Letse luchtruim hebben geschonden, waarvan één neerstortte op een brandstofdepot nabij de stad Rēzekne en een andere het Letse grondgebied raakte, hetgeen uiteindelijk leidde tot het aftreden van zowel de Letse Minister van Defensie als Minister-President Siliņa?1, 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat het herhaaldelijk betreden van het luchtruim van NAVO-lidstaten door Oekraïense drones een ernstig veiligheidsprobleem vormt, ook voor Nederland als lid van de NAVO?
Schendingen van het NAVO-luchtruim zijn een ernstig veiligheidsprobleem. Bij dergelijke schendingen dient in aanmerking te worden genomen welke actor daarvoor verantwoordelijkheid draagt. Rusland voert een agressieoorlog uit tegen Oekraïne. Oekraïne heeft het recht op zelfverdediging en maakt daarbij gebruik van drones. Oekraïne stelt dat incursies in het NAVO-luchtruim door Oekraïense drones het gevolg zijn van Russische elektronische verstoring. Het kabinet heeft geen aanleiding om aan deze uitspraak te twijfelen. Rusland is in deze oorlog de agressor en kan de oorlog ieder moment beëindigen. Daarmee draagt Rusland verantwoordelijkheid voor het in gevaar brengen van de veiligheid in de Baltische staten. Dit onderstreept opnieuw dat de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne een directe bedreiging vormt voor de Europese veiligheid.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u de herhaalde schending van NAVO-luchtruim door Oekraïense drones niet als een ernstig veiligheidsprobleem beschouwt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u het met ons eens dat het ernaar uitziet dat het Letse luchtruim beschikbaar is gesteld voor Oekraïense aanvallen op Russisch grondgebied?
Nee. Het Letse Ministerie van Buitenlandse zaken heeft een verklaring gepubliceerd waarin deze aanname wordt ontkracht.
Kunt u toelichten hoe u het voorgaande beoordeelt in het licht van het Nederlandse lidmaatschap van de NAVO?
Nederland is solidair met NAVO-bondgenoot Letland.
Kunt u uiteenzetten welke juridische en militaire implicaties het heeft voor Nederland, indien blijkt dat wapensystemen of drones die Nederland heeft geleverd of gefinancierd, schade hebben veroorzaakt op het grondgebied van een NAVO-bondgenoot?
Er zijn geen juridische of militaire implicaties voor Nederland. Nederlandse staatsaansprakelijkheid ontstaat enkel wanneer een internationaal onrechtmatige daad kan worden toegerekend aan Nederland. Daarvan is hier geen sprake.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u meent dat Nederland in een dergelijk scenario geen juridische of militaire verantwoordelijkheid draagt?
Zie antwoord vraag 6.
De fiscale ongelijkheid tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat bij een gelijk bruto gezinsinkomen van € 70.000 een tweeverdienersgezin door de werking van dubbele heffingskortingen netto circa € 1.100 per maand meer overhoudt dan een eenverdienersgezin?
Ja, het is mij bekend dat een tweeverdienersgezin bij een gelijk gezinsinkomen netto meer salaris overhoudt dan een alleenverdienersgezin. Onderstaande tabel toont ter illustratie het verschil in netto-inkomen tussen een alleenverdieners- en tweeverdienershuishouden met een brutogezinsinkomen van € 70.000. Het netto huishoudinkomen van het tweeverdienershuishouden ligt € 15.815 hoger dan van het eenverdienershuishouden, oftewel € 1.318 per maand. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het de vraag is of beide huishoudens goed te vergelijken zijn. Huishoudens met twee verdienende partners werken doorgaans bij elkaar opgeteld meer dan veertig uur. Bij een gelijk huishoudinkomen hebben zij dus een lager uurloon dan een eenverdiener. Dit rekenvoorbeeld geeft de meest extreme situatie weer met het grootste verschil in netto huishoudinkomen tussen een alleenverdiener en tweeverdieners met een huishoudinkomen van € 70.000; wanneer het inkomen tussen tweeverdieners ongelijker is verdeeld, neemt het verschil in huishoudinkomen ten opzichte van een alleenverdiener af.
Eenverdiener
Tweeverdiener
Tweeverdiener
Bruto inkomen
70.000
35.000
35.000
Verschuldigde inkomstenbelasting
24.368
12.133
12.133
Algemene heffingskorting
747
2.846
2.846
Arbeidskorting
4.308
5.458
5.458
IACK
–
–
3.032
Netto inkomen
47.437
30.110
33.142
Acht u het rechtvaardig dat het netto besteedbaar inkomen van huishoudens met een identiek bruto inkomen zo sterk uiteen kan lopen uitsluitend op basis van de verdeling van dat inkomen over één of twee partners?
De belastingdruk op huishoudniveau bij een gelijk huishoudinkomen is hoger voor een alleenverdienershuishouden dan voor een tweeverdienershuishouden. Dit is het gevolg van de combinatie van belastingheffing op het niveau van het individu (in beginsel wordt iedere persoon binnen het gezin belast voor zijn of haar eigen inkomen) en de progressiviteit van het belastingstelsel. Hierdoor wordt een huishoudinkomen dat door twee personen wordt verdiend tegen een lager (marginaal) tarief belast dan hetzelfde inkomen dat door slechts één persoon wordt verdiend. De belastingheffing op het niveau van het individu zorgt ervoor dat werkenden niet geconfronteerd worden met een hogere marginale druk doordat de partner een (relatief hoog) inkomen heeft. Hierdoor is het voor een minstverdienende partner in de regel financieel lonend om (meer) te werken.
Het kabinet is ook van mening dat werken moet lonen. Ook voorgaande kabinetten hebben beleid gevoerd om werken meer te laten lonen. De belastingheffing op het individuele inkomen heeft als doel arbeidsparticipatie te stimuleren en economische zelfstandigheid te bevorderen. Een gevolg van de belastingheffing op het niveau van het individu is dat bij de vergelijking van de belastingdruk tussen huishoudens, gekeken moet worden naar huishoudens waarbij de individuen hetzelfde inkomen hebben. Als de vergelijking op huishoudniveau wordt gemaakt, kan het zijn dat een huishouden waarin twee partners in totaal acht of tien dagen moeten werken voor een inkomen worden vergeleken met een eenverdiener die hetzelfde bedrag in vier of vijf dagen verdient. Het uurloon van tweeverdienershuishouden ligt in dat geval lager. Deze huishoudens bevinden zich dus niet in een vergelijkbare positie.
Kunt u toelichten hoe het huidige fiscale stelsel rekening houdt met de verdeling van betaalde arbeid en onbetaalde zorgtaken binnen huishoudens?
De belangrijkste functie van belastingen is het genereren van voldoende inkomsten om de overheidsuitgaven te kunnen financieren. Daarnaast kunnen belastingen dienen als herverdelingsinstrument en gedrag beïnvloeden. Belastingen werken in principe verstorend. Bovendien is het inkomen geen optimale maatstaf voor de draagkracht. Dit komt doordat de herverdeling op basis van het gerealiseerde arbeidsinkomen op twee manier gebeurt. Behalve van mensen met een hoge naar mensen met een lage verdiencapaciteit is ook sprake van herverdeling van mensen die veel werken naar mensen die weinig werken. Dit terwijl vrije tijd/ huishoudproductie ook waarde vertegenwoordigt.2
Het is goed om de negatieve effecten van belastingheffing op welvaart zoveel mogelijk te beperken. Een manier om de verstorende werking van de inkomstenbelasting op het arbeidsaanbod te beperken is de arbeidskorting die erop gericht is om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Daarvoor is veelal een individuele benadering in de loon- en inkomensheffing vereist. Binnen het toeslagenstelsel speelt de functie van inkomensondersteuning een meer nadrukkelijke rol. Om die reden is het huishoudinkomen leidend. Dit geldt vooral voor de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Bij de kinderopvangtoeslag speelt ook het bevorderen van de arbeidsparticipatie een rol.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 staat het huidige kabinet nog steeds achter het streven van voorgaande kabinetten naar meer arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van beide partners. Hoewel onbetaalde zorgtaken van grote waarde zijn voor onze maatschappij en binnen huishoudens, wordt in het fiscale stelsel geen rekening gehouden met de verdeling van onbetaalde zorgtaken en betaalde arbeid binnen huishoudens. Het waarderen van zorgtaken via het fiscale stelsel ligt daarbij wat het kabinet betreft – gezien het streven naar arbeidsparticipatie en het idee dat werken moet lonen – niet direct voor de hand.
Erkent u dat onbetaalde zorgtaken een economische waarde vertegenwoordigen die momenteel niet tot uitdrukking komt in de fiscale systematiek?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u dit ziet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het feit dat heffingskortingen per individu worden toegekend, terwijl bij inkomensafhankelijke regelingen juist het gezamenlijke huishoudinkomen als grondslag geldt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te onderzoeken of een systeem waarbij het huishoudinkomen gedeeltelijk per persoon wordt gewogen – bijvoorbeeld via een splitsingsfactor – kan bijdragen aan een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk?
Het coalitieakkoord bevat de ambitie om het belasting- en toeslagenstelsel te vereenvoudigen en te hervormen. Bij deze hervormingsagenda zal het kabinet ook oog hebben voor de effecten voor de belastingdruk voor alleenverdieners en tweeverdieners. Daar zijn eerder ook moties over aangenomen door Uw Kamer en door de Eerste Kamer.3
Het opnieuw onderzoeken van een splitsingsstelsel ligt niet voor de hand. De eerste reden is dat recent nog een variant van een splitsingsstelsel is doorgerekend voor de Eerste Kamer.4 In die brief zijn ook alternatieven genoemd om het verschil in belastingdruk op huishoudniveau te verkleinen. Ook wijst de brief op enkele nadelen van een splitsingsstelsel. De belangrijkste is dat het zou leiden tot een hogere marginale druk voor mensen met een goed verdienende partner. Dat kan ten koste gaan van de arbeidsparticipatie en de economische zelfstandigheid van met name vrouwen.
Een tweede reden is dat een splitsingsstelsel op gespannen voet kan staan met de doelen van de hervormingsagenda. Het kabinet wil toe naar een stelsel dat eenvoudiger is voor mensen. Een splitsingsstelsel kan het voor mensen juist moeilijker maken om te begrijpen en te voorspellen hoeveel het bijvoorbeeld loont om meer uren te gaan werken.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
Welke effecten verwacht u van een dergelijke aanpassing op arbeidsparticipatie, inkomensverdeling en de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de beleidsopties en bijbehorende voor- en nadelen van inkomenssplitsing voor fiscale doeleinden?
Zie antwoord vraag 7.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
De BOSA-regeling |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bereid te kijken naar een compensatiemaatregel voor het uitvallen van de service van de BOSA-regeling, waardoor veel sportverenigingen de subsidie misliepen?
Ik ben me ervan van bewust dat de storing vervelende situaties opleverde en dat betreur ik. Bij het vasthouden aan volgorde van binnenkomst had niet iedereen een gelijke kans om hun subsidieaanvraag in te dienen. Om elke aanvrager een gelijke kans te geven heb ik dit besluit moeten nemen. Een compensatieregeling is niet aan de orde. Het doen van een aanvraag betekent nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat.
Hoe kijkt u naar de problemen voor twee voetbalverenigingen in het Friese Lemmer die willen fuseren, maar daarbij de BOSA-subsidie nodig hebben, en deze door de loting zijn misgelopen, terwijl deze eerst wel leek toebedeeld?1
Ik kan niet ingaan op specifieke gevallen. Wel begrijp ik dat de storing voor sommige aanvragers tot teleurstellende en vervelende situaties heeft geleid. Dat betreur ik. Juist daarom vind ik het belangrijk om goed te kijken naar de gevolgen van deze storing en daar lessen uit te trekken. Daarbij zullen zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als ook de verdeelwijze van het beschikbare budget kritisch worden geëvalueerd. Aanvragers die dit jaar geen kans op BOSA-subsidie hebben kunnen ontvangen, krijgen volgend jaar opnieuw de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen.
Hoe kijkt u naar het feit dat de BOSA-regeling al jaren overvraagd is, waardoor veel sportverenigingen achter het net vissen?
De feitelijke vraag van amateursportverenigingen overstijgt al enkele jaren het beschikbare budget. De overvraging laat zien dat de behoefte aan investeringen in sportaccommodaties en -materialen groot is.
Eerder heeft NOC*NSF aangegeven2 dat er € 125 mln. nodig zou zijn voor de BOSA om tegemoet te komen aan de vraag. Ik zie geen budgettaire ruimte hier volledig aan tegemoet te komen, maar in het coalitieakkoord3 is wel opgenomen dat er geïnvesteerd wordt in de renovatie en verduurzaming van sportaccommodaties.
Ik wil verkennen hoe we binnen de financiële ruimte zo goed mogelijk recht kunnen doen aan de behoeften van sportverenigingen. Daarom stel ik een werkgroep «financiering bouw en onderhoud sportaccommodaties» in om mij te adviseren hoe ik de beschikbare middelen zo goed mogelijk in kan zetten.
Wat is volgens u het meest geschikte jaarlijkse BOSA-budget wat recht doet aan de noden van sportverenigingen in Nederland?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een loting een zeer onwenselijke manier is om het geld toe te wijzen uit de BOSA-regeling?
De loting zal sommige aanvragers verheugen en anderen teleurstellen. Ik ben me ervan bewust dat de nieuwe volgorde vervelende situaties oplevert, dat betreur ik. Maar ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst hadden zich door de storing ongelukkige situaties voorgedaan.
Kunt u al een doorkijk geven over hoeveel budget van het gereserveerde sportbudget uit het coalitieakkoord de komende jaren naar de BOSA-regeling gaat?
De inzet van het gereserveerde budget voor sport uit het coalitieakkoord vormt onderdeel van de bredere besprekingen over de inzet van coalitieakkoord-middelen. Deze gesprekken lopen op dit moment. De Kamer zal uiterlijk op Prinsjesdag geïnformeerd worden over de inzet van deze middelen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sportverenigingen en de RVVB over de ernst en omvang van de problemen rondom de BOSA-regeling en te kijken naar het meldpunt? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie spreekt regelmatig met de RVVB. Ik zal ook met de RVVB in gesprek gaan over de problemen rondom de BOSA-regeling.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Sportbeleid van 30 juni?
Ja.
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ieder kind heeft recht om op een veilige plek op te groeien. Bij signalen van onveiligheid, moet snel duidelijk worden wat een passend vervolg is. Daarom moet het stelsel beter en eenvoudiger, en wachttijden tot het minimum worden beperkt.
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Ja, uit de cijfers van Veilig Thuis blijkt dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen de afgelopen jaren is gestegen. Ongeveer de helft hiervan heeft betrekking op kindermishandeling. Dit percentage is door de jaren heen stabiel gebleven, al is het aantal adviesvragen en meldingen met betrekking tot kindermishandeling in absolute aantallen gestegen. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nader overzicht.
Dat hoeft echter niet direct te betekenen dat kindermishandeling vaker voorkomt; het kan ook zijn dat onveilige situaties vaker worden gesignaleerd en dat vaker contact wordt opgenomen met Veilig Thuis. Het is positief dat Veilig Thuis wordt benaderd om situaties waarin kinderen zich mogelijk in onveiligheid bevinden waar nodig nader te onderzoeken.
In de beleidsinformatie die periodiek door Veilig Thuis met het CBS wordt gedeeld, wordt geen onderscheid gemaakt tussen «ernstige» en «niet-ernstige» mishandeling. Ik beschouw iedere situatie van mishandeling ook als één te veel en als schadelijk.
Voor seksueel misbruik bij kinderen is het beeld gemengd. Het aantal adviesvragen steeg van 3.635 in 2022 naar 4.515 in 2025, terwijl het aantal meldingen in diezelfde periode licht terugliep, van 1.985 naar 1.830.
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Veilig Thuis levert twee keer per jaar cijfers aan het CBS. Daaruit is op jaarbasis het volgende overzicht van het aantal meldingen kindermishandeling op te maken:
Jaar
Aantal meldingen kindermishandeling
2019
55.590
2020
62.795
2021
61.495
2022
62.460
2023
65.750
2024
67.030
2025
68.150
Er wordt landelijk niet bijgehouden wanneer de wettelijke termijnen worden overschreden. Vanuit de decentrale inrichting van de regionale Veilig Thuis-organisaties is het deels afhankelijk van de wijze van aanbesteding hoe de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties hierover verantwoording afleggen aan de gemeenten. Landelijk houdt de IGJ daarnaast toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele organisaties, waaronder ook de naleving van de termijnen.
Een exact percentage van het aantal gevallen waarin de wettelijke termijn voor het uitvoeren van de veiligheidsbeoordeling niet wordt gehaald, is daardoor niet goed te geven. Wel is bekend dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40 en 60 procent van de veiligheidsbeoordelingen niet tijdig werd afgerond en dat dit al jaren een structureel knelpunt is bij Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde, en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden. Op het overschrijden van deze wettelijke termijnen ga ik in de beantwoording van vraag 7 nader in. Voor de volledigheid wil ik hierbij benadrukken dat na ontvangst van een melding altijd binnen 24 uur een eerste triage wordt uitgevoerd, en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
Voor het overschrijden van de wettelijke termijnen zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Een tekort aan personeel speelt daarbij zeker een rol, maar ook de beperkte capaciteit bij samenwerkingspartners van Veilig Thuis en de toegenomen complexiteit van de casuïstiek. Al deze factoren samen verklaren waarom de termijnen niet altijd worden gehaald.
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal afgeronde diensten onderzoek door Veilig Thuis.
Jaar
Aantal afgeronde diensten onderzoek totaal (alle vormen van huiselijk geweld inclusief kindermishandeling)
Aantal afgeronde diensten onderzoek specifiek bij een vermoeden van kindermishandeling
2019
6.100
2.440
2020
7.305
3.735
2021
7.615
4.025
2022
7.585
4.145
2023
7.530
4.335
2024
7.720
4.610
2025
7.435
4.405
Totaal
51.290
27.695
Ook voor de termijn van 10 weken voor het afronden van een onderzoek geldt dat naleving niet centraal wordt geregistreerd, waardoor helaas niet exact bekend is hoe vaak de termijn van tien weken wordt overschreden. Ik vind het belangrijk dat er meer uniformiteit en daarmee ook een beter landelijk overzicht komt, en werk daarom samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis hard aan het meer gelijk maken van werkprocessen en data.
In de tabel hieronder het gevraagde overzicht van het aantal keer dat Veilig Thuis de Raad voor de Kinderbescherming heeft ingeschakeld:
Jaar
Aantal afgeronde casussen met overdracht naar de Raad voor de Kinderbescherming
2019
355
2020
520
2021
620
2022
565
2023
595
2024
630
2025
490
Totaal
3.775
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Zoals hierboven toegelicht, is er wel inzicht in cijfers over het aantal meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis, maar niet in concrete gegevens over wachttijden en wachtlijsten. Daardoor kan er geen antwoord worden geven op de vraag wat de gemiddelde wachttijd voor gezinnen is na een melding. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat dit beeld er in de toekomst wel komt. Daarom werk ik met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis aan uniformiteit in de registratie van deze gegevens.
Evenmin is bekend hoeveel kinderen zich op dit moment in een onveilige situatie bevinden. Ook de cijfers van Veilig Thuis bieden hier geen uitsluitsel: zij geven uitsluitend een beeld van het aantal huishoudens waarover jaarlijks een melding wordt gedaan, niet van de totale omvang van kinderen in onveiligheid.
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Het is duidelijk dat Veilig Thuis onder grote druk staat en dat dit helaas leidt tot het overschrijden van de wettelijke termijnen. Ondanks de vele initiatieven die de afgelopen jaren zijn ondernomen, is het niet gelukt de wachtlijsten weg te werken. Dit is zorgelijk.
Hierbij is het goed om te vermelden dat, zoals ook in dit NOS-artikel staat, los van een eventuele wachtlijst bij een melding altijd direct een triage wordt uitgevoerd en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Daarbij is het belangrijk te blijven beseffen dat dit niet alleen een probleem is van Veilig Thuis zelf, maar van de keten als geheel. Met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming wordt gewerkt aan een stelselwijziging die ook de structurele knelpunten in de keten moet aanpakken: een stelsel dat eenvoudiger moet worden, met minder overdrachten van gezinnen en huishoudens.
Tegelijkertijd blijven we zoeken naar manieren om de wachtlijsten ook op kortere termijn terug te dringen. Daarvoor is het van belang een beter landelijk beeld te krijgen van de omvang en oorzaken van de problematiek. Uniformiteit tussen de 25 Veilig Thuis-organisaties is daarbij een cruciale voorwaarde, net als verdere verbetering van de werkprocessen waar dat mogelijk is. Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG, het Ministerie van JenV en de IGJ onderzoeken we hoe we de wettelijke basis en bijpassende kwaliteitseisen kunnen aanscherpen om tot meer uniformiteit te komen.
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Het beoordelen van signalen en het inschatten van veiligheidsrisico's behoren tot de kerntaken van Veilig Thuis. Zoals ook in het antwoord op vraag 7 is benoemd, worden ondanks de bestaande wachtlijsten alle meldingen binnen 24 uur op urgentie beoordeeld door daartoe opgeleide professionals. Op basis van de inhoud van de melding wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarin sprake is van acute of ernstige onveiligheid en situaties waarin een andere vorm van vervolg, ondersteuning of monitoring meer passend is. Hierbij moet Veilig Thuis afgaan op de informatie die zij krijgt. Samenwerking van Veilig Thuis met overige ketenpartners is dan cruciaal om het beeld van mogelijke onveiligheid scherper te krijgen en gezamenlijk tot een passend vervolg van ondersteuning, hulp en/of bescherming te komen. Deze gezamenlijke opgave vraagt ook om bredere oplossingen binnen het stelsel, waaronder een betere samenwerking tussen lokale teams en veiligheidspartners, zoals uitgewerkt in het Toekomstscenario.
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Ouders die wachten op een vervolgactie van Veilig Thuis kunnen altijd contact opnemen als zij het gevoel hebben dat de situatie niet langer kan wachten of dat er iets is veranderd. Zoals eerder aangegeven beoordeelt Veilig Thuis elke nieuwe melding opnieuw op acute onveiligheid.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming vereist een zorgvuldig proces in afstemming met betrokken organisaties en gemeenten. Bij ernstige gevallen vind ik het van belang dat Veilig Thuis of een andere betrokken organisatie de Raad voor de Kinderbescherming zo spoedig mogelijk inschakelt. Dit vraagt ook om een goede gezamenlijke analyse om de aard en ernst van een situatie goed te kunnen inschatten, iets wat vanuit het Toekomstscenario verder wordt versterkt.
Waar dat mogelijk en verantwoord is, streven we tegelijkertijd naar passende oplossingen binnen het vrijwillige kader. In die gevallen is het vooral belangrijk dat het gezin vanuit de juiste expertise bij de professionals tijdig de ondersteuning krijgt die het nodig heeft.
Overigens is het aandeel van Veilig Thuis-meldingen in de totale instroom bij de Raad voor de Kinderbescherming al jarenlang ongeveer 17 procent.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan het Kinderrechtenverdrag. Dat betekent dat wij als kabinet een positieve verplichting hebben om kinderen in staat te stellen zich optimaal en veilig te ontwikkelen. Dat vraagt van alle betrokkenen voortdurende inzet en aandacht. De situatie van het zwaar mishandelde meisje dat verbleef in een pleeggezin in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat het niet altijd en overal lukt om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Een van de kernbepalingen uit het Kinderrechtenverdrag is dat kinderen het recht hebben om hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan.2 Daarom zijn sinds het debat van 4 maart 2025 meerdere verbeterpunten gerealiseerd binnen de pleegzorg, jeugdbescherming en Veilig Thuis om de stem van kinderen te versterken.
Allereerst wordt binnen de Richtlijn Pleegzorg de focus meer gelegd op formele en informele vertrouwenspersonen, in aanvulling op het betekenisvol 1-op-1 contact tussen de professional en het pleegkind. Eveneens heb ik, in lijn met de motie Westerveld3, opdracht gegeven aan Jeugdstem om samen met ervaringsdeskundige jongeren uit de pleegzorg, de NVP en de Alliantie Informele Steun een informatiepakket te maken voor pleegkinderen zodat zij weten dat zij recht hebben op de hulp van vertrouwenspersonen en informele steunfiguren. Dit informatiepakket bestaat onder andere uit het «Ken-je-rechten-boekje» specifiek voor pleegkinderen, informatievideo’s en podcastafleveringen. Jeugdstem zal ook informatie beschikbaar maken voor pleegzorgbegeleiders, zodat deze ook over de juiste informatie beschikken. Jeugdstem verwacht in september het informatiepakket voor pleegkinderen gereed te hebben.
Daarnaast heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 2025 de positie van het kind versterkt, onder andere door het verbeteren van het kindgesprek, het inzetten van een ervaringsdeskundigen en het aanscherpen van de handreiking «Praten met kinderen over seksueel misbruik».
De Gecertificeerde Instellingen hebben naar aanleiding van het inspectierapport van 25 september 2025 een plan van aanpak opgesteld waarin onder andere gewerkt wordt aan de gezamenlijke uitgangspunten voor betekenisvolle face-to-face contacten. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de werkwijze die in het kader van het Toekomstscenario is ontwikkeld. Voorts is de afgelopen jaren met het landelijk tarief de workload van de jeugdbeschermer verlaagd met bijna 30%. Dit geeft meer ruimte voor betekenisvol contact van de jeugdbeschermer met het kind en het gezin. Specifiek voor de William Schrikker Stichting geldt dat naar aanleiding van de ernstige mishandeling in Vlaardingen maatregelen zijn genomen om het zicht op veiligheid van het kind te verbeteren, bijvoorbeeld door ieder kwartaal een toets uit te voeren op de actualiteit van kind-alleen-gesprekken.
Vanuit Veilig Thuis is er al een protocol voor het handelen bij disclosure, dat is wanneer een kind zelf aangeeft mishandeld te worden. Disclosure valt in alle gevallen onder vermoedens van acuut en/of ernstig structureel huiselijk geweld. Bij een melding bij Veilig Thuis waar sprake is van disclosure moet altijd een vertrouwensarts worden betrokken en moet een «top tot teen»-onderzoek plaatsvinden.
De vreselijke gebeurtenis in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat bij een deel van de professionals nog te weinig bekend was over disclosure en de afgesproken handelingsperspectieven. Daarom heeft Veilig Thuis vooral geïnvesteerd in het creëren van bewustwording rondom disclosure, zowel door rechtstreekse voorlichting aan professionals als door veel aandacht hierover op het nieuwe digitaal platform (o.a. met AI-chatbots). Ook is er brede aandacht voor de adviesfunctie voor professionals en heeft verbetering plaatsgevonden van meldings-en informatiesystemen. Daarnaast vindt voorlichting plaats op scholen over de radarfunctie van Veilig Thuis en via digitale kanalen. Tot slot verbetert Veilig Thuis zelf ook de gespreksvoering met kinderen door de medewerkers te trainen in systematische gespreksvoering met kinderen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling (NICHD-methode).
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Op het handelen van Veilig Thuis wordt onafhankelijk toezicht gehouden door de IGJ. Dit toezicht is zowel risicogestuurd als thematisch van aard. Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld.
De IGJ toetst of Veilig Thuis voldoet aan de geldende normen en verplichtingen op vier terreinen: veiligheid, de mate waarin gezinnen en huishoudens centraal worden gesteld, de deskundigheid van professionals en goed bestuur. Hiervoor heeft zij in januari 2025 ook een geactualiseerd toetsingskader opgesteld.
Daarnaast geldt voor Veilig Thuis een meldplicht bij de IGJ wanneer zich calamiteiten of incidenten voordoen in zaken waarbij zij betrokken is. De IGJ beoordeelt vervolgens onafhankelijk of nader onderzoek nodig is.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen, het toezicht van de IGJ en het debat van 4 maart 2025 zijn pleegzorgorganisaties en gecertificeerde instellingen gezamenlijk aan de slag gegaan met het verbeteren van de samenwerking. De Ministeries van JenV en VWS hebben Jeugdzorg Nederland, als koepel voor pleegzorg en jeugdbescherming, de opdracht gegeven om de Handreiking samenwerkingsafspraken Jeugdbescherming-Pleegzorgaanbieder uit 2016 te actualiseren. Vanuit Jeugdzorg Nederland zijn hiervoor projectleiders aangetrokken. In dit traject zijn onder andere de volgende onderwerpen meegenomen: versnellen van verklarend analyseren, gegevensuitwisseling tussen professionals, samenwerkingsafspraken met gezinshuizen en optimaal betekenisvol contact met het kind. De planning voor het vaststellen van deze hernieuwde samenwerkingsafspraken is najaar 2026. Aanvullend op deze samenwerkingsafspraken zijn er geen wetsvoorstellen in voorbereiding.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
In regio’s zijn stappen gezet om de verbinding tussen school en onderwijs te versterken. Onder meer door het aanstellen van vaste contactpersonen voor onderwijspartners. Deze contactpersonen zijn goed bereikbaar en gemakkelijk te vinden voor scholen, beantwoorden vragen vanuit het onderwijs en vertalen signalen en verbeterpunten intern door binnen Veilig Thuis. Overigens is in het Handelingsprotocol van Veilig Thuis opgenomen dat scholen vanuit Veilig Thuis altijd de informatie krijgen die noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Ook krijgt de school altijd een terugkoppeling.
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Een goede screening van pleegouders is belangrijk. Hiervoor moet een zorgvuldige procedure doorlopen worden, bestaande uit voorbereiding en beoordeling van de geschiktheid van pleegouders door de pleegzorgaanbieders, aangevuld met een justitiële screening door de Raad voor de Kinderbescherming.
De IGJ heeft in het thematisch toezicht naar de pleegzorg onder meer gekeken naar de screening en heeft op dit gebied geen aanbevelingen gedaan.
Desalniettemin hebben pleegzorgaanbieders het Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening vervroegd geëvalueerd. Binnen deze evaluatie wordt kritisch gekeken naar het opvragen van referenten, informatie-uitwisseling tussen pleegzorgaanbieders onderling en screening en voorbereiding van netwerkpleegouders. Het nieuwe Kwaliteitskader is eind vorige maand bestuurlijk vastgesteld.
Ten aanzien van de justitiële screening (Verklaring van Geen Bezwaar) die de Raad voor de Kinderbescherming op verzoek van de pleegzorgaanbieder uitvoert, past de RvdK sinds de herziening van zijn handreiking in februari 2025 consequent het vier-ogen-principe toe bij besluitvorming over (her-)screeningen van pleeggezinnen. Ter versterking van de zorgvuldigheid raadpleegt de RvdK op vaste momenten in het justitiële (her-)screeningstraject de Gecertificeerde Instelling en de pleegzorgaanbieder op het moment dat er zorgen zijn. Indien het onderzoek daar aanleiding toe geeft kunnen er meer informanten worden geraadpleegd.
Naast een goede screening is vooral goede ondersteuning en begeleiding van pleegouders belangrijk, zodat eventuele zorgen over de opvoedsituatie tijdig in beeld komen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders gebeurt primair door de pleegzorgwerkers en begeleiding vanuit de aanbieders. De komende periode geven de pleegzorgaanbieders uitvoering aan hun verbeteragenda, waar het versterken van de begeleiding van pleegouders een kernonderdeel van is.
Verder is het van belang dat pleegouders ergens terecht kunnen met vragen en klachten, als zij er niet uitkomen met de pleegzorgbegeleiding. Hiervoor geef ik subsidie aan de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en Jeugdstem. Zij kunnen pleegouders ondersteunen. Aanvullend heb ik maatregelen genomen voor het beter ondersteunen van pleeggezinnen zoals het financieel mogelijk maken van kinderopvang voor pleegkinderen en het uitbreiden van de bijzondere kostenvergoeding in het vrijwillig kader.
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Het LECK heeft als primaire taak artsen te adviseren bij vermoedens van kindermishandeling. Dit advies is gebaseerd op medische informatie en fotomateriaal en richt zich op de vraag of geconstateerd letsel past bij de beschreven toedracht, of dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke kindermishandeling. Voor een zorgvuldige beoordeling is het daarbij van belang dat het LECK beschikt over kwalitatief goede informatie.
Via de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn er verschillende routes waarlangs deze expertise kan worden ingezet. Zo kan Veilig Thuis medische professionals adviseren eerst een consult bij het LECK aan te vragen voordat een melding wordt gedaan. Daarnaast kunnen Veilig Thuis en vertrouwensartsen bij een vermoeden van lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik advies of onderzoek laten uitvoeren door een forensisch arts.
Het aantal adviezen van het LECK is de afgelopen jaren toegenomen, en ook de financiering is in die periode substantieel gegroeid. Ik vind het belangrijk dat de expertise van het LECK behouden blijft en toegankelijk is voor de professionals die daarop zijn aangewezen. In lijn met de aangenomen motie Krul-Westerveld ben ik daarom met het LECK en andere betrokken partijen in gesprek over hoe deze expertise duurzaam kan worden geborgd. Daarnaast verken ik hoe de samenwerking en afstemming tussen gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis, forensische expertiseorganisaties en het LECK in breder verband verder versterkt kunnen worden.
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Ik herken de ernst van de problemen binnen het stelsel. Met de betrokken partners voer ik overleg over de aanpak daarvan, vooralsnog binnen het bestaande financiële kader en met de extra POK-middelen die regio's hebben ontvangen: € 18 miljoen in 2026 en € 17 miljoen in 2027. Over de veranderstrategie van het Toekomstscenario zal ik uw Kamer in juli informeren.
steeds).
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Het is cruciaal dat kinderen veilig zijn en scholen hebben hier een belangrijke rol in, met name in signalering. Het is dus een positieve ontwikkeling dat scholen steeds vaker Veilig Thuis benaderen: meer kinderen krijgen daardoor de ondersteuning en bescherming die ze nodig hebben. Tegelijkertijd brengt de forse toename van adviesvragen en meldingen een aanzienlijke druk op de capaciteit van Veilig Thuis met zich mee. Kindermishandeling is een hardnekkig probleem en een goede verbinding tussen school en Veilig Thuis is belangrijk om passende ondersteuning en bescherming te bieden.
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Ja, het aantal meldingen uit het onderwijs is de afgelopen jaren met ruim 1.600 gestegen. Cijfers van het CBS geven het volgende beeld:
2022
4.630
2023
5.420
2024
5.690
2025
6.290
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Ja, ik deel die mening. Leerkrachten en ander onderwijspersoneel hebben een belangrijke signalerende rol. Zij zien hun leerlingen vrijwel dagelijks en kunnen signalen in de klas opvangen van kindermishandeling en kunnen hiermee het verschil maken voor een leerling. Het is goed om te zien dat scholen hierbij ook vaker de weg naar Veilig Thuis weten te vinden, zij kunnen de leerkrachten ook steunen in de verantwoordelijkheid die zij voelen om goed met de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling om te gaan.
Alle scholen in Nederland hebben de plicht om de meldcode Veilig Thuis te gebruiken, deze schooleigen te maken en toe te passen bij vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld. Voor het onderwijs is hierbij ook een afwegingskader gemaakt, dat scholen helpt bij het goed gebruiken van de meldcode2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Het is belangrijk dat professionals bij Veilig Thuis en die in het onderwijs elkaars werk kennen en oog hebben voor ieders perspectief. Zo kan het voor scholen bij vermoedens lastig zijn om te melden, omdat zij altijd te maken hebben met een vertrouwensrelatie met de ouders en het kind zelf. Bij twijfel over hoe te handelen kunnen scholen al bij stap 2 in de meldcode contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is belangrijk dat scholen dit bij twijfel ook doen.
Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de inspectierapporten over de casus Vlaardingen, is het afgelopen jaar en dit jaar geïnvesteerd in scholing voor professionals in het onderwijs (bijvoorbeeld intern begeleiders, aandachtsfunctionarissen en leraren), specifiek gericht op de rol van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze trainingen worden verzorgd door de landelijke vereniging van aandachtsfunctionarissen (LVAK) en zijn vormgegeven samen met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.
Het kabinet werkt daarnaast aan een versteviging van de adviesfunctie in de meldcode, daarbij wordt de mogelijkheid van een adviesplicht afgewogen.
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Bij vrijwel alle Veilig Thuis-organisaties bestaan wachtlijsten. Dit uit zich vooral in het niet halen van de wettelijke termijn van tien weken voor de dienst «onderzoek en vervolg» en het niet tijdig afronden van de veiligheidsbeoordeling binnen vijf dagen.
Een eenduidig landelijk beeld van de wachtlijsten is niet te geven: Mede vanwege de manier van aanbesteden door gemeenten en de afspraken die zijn gemaakt over de bijbehorende verantwoording van Veilig Thuis aan de gemeenten, bestaan er verschillen in hoe het al dan niet behalen van de termijn wordt geregistreerd. De noodzaak om hier gezamenlijk verbetering in aan te brengen wordt door alle betrokken partijen diep gevoeld. Daarom werk ik samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG hard aan een meer uniforme manier van werken en registreren binnen Veilig Thuis.
De IGJ houdt toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van Veilig Thuis.
Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld. Ik breng daarnaast samen met het LNVT, VNG, J&V en de IGJ in kaart welke aanpassingen in wettelijke taken en grondslagen van Veilig Thuis nodig zijn om gezinnen en huishoudens sneller de juiste zorg en ondersteuning te bieden.
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Alle meldingen die bij Veilig Thuis binnenkomen, worden binnen 24 uur inhoudelijk beoordeeld op urgentie. Deze beoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide professionals, die kijken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen daarbij direct prioriteit.
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Sinds de situatie van het Vlaardings pleeggezin heeft Veilig Thuis intensief voorlichting gegeven over het zelf melden van mishandeling van kinderen («disclosure»). Deze voorlichting richt zich onder meer op wat professionals in zo'n situatie kunnen en moeten doen.
Disclosure valt altijd onder de noemer «acuut en/of structureel onveilige situatie». Binnen de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt daarom als professionele norm dat er een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis en dat een top tot teen-onderzoek volgt.
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
De wachtlijsten bij Veilig Thuis kennen meerdere oorzaken. Waar mogelijk werkt Veilig Thuis actief aan het wegnemen daarvan.
Om achterstanden terug te dringen en meldingen sneller op te pakken, worden extra maatregelen ingezet. Voorbeelden zijn gezamenlijke overwerksessies en doorbraakteams die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.
Om personeelsverloop en -tekorten aan te pakken worden landelijk en regionaal wervingscampagnes gevoerd en informatiebijeenkomsten en speeddates georganiseerd voor geïnteresseerde kandidaten. Daarnaast wordt actief samengewerkt met hogescholen om studenten kennis te laten maken met het werk van Veilig Thuis. Ook wordt geïnvesteerd in zijinstromers en young professionals, die via begeleiding, opleiding en een zorgvuldig inwerkprogramma geleidelijk worden voorbereid op deze complexe werkzaamheden.
Verder is geïnvesteerd in het digitale ondersteuningsaanbod, zodat eerder en efficiënter advies en ondersteuning kan worden geboden. De gedachte is dat vroegtijdig oppakken van signalen erger kan voorkomen met minder intensieve interventies, wat uiteindelijk het aantal meldingen doet afnemen. Daarnaast worden werkprocessen continu doorontwikkeld en worden in de regio's samenwerkingsafspraken gemaakt om specifieke knelpunten lokaal aan te pakken.
Tot slot richt het Toekomstscenario zich op het verbeteren van de aanpak in brede zin. Het doel is om meer situaties van onveiligheid binnen gezinnen op te pakken via sterke lokale wijkteams, met veiligheidsexpertise dichtbij. Dit moet leiden tot snellere en passende hulp, waardoor situaties minder snel escaleren en meldingen minder vaak nodig zijn.
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Veilig Thuis is de enige partij binnen het vrijwillig kader met een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van informatie met partijen in zowel het vrijwillige als het gedwongen kader. Bij een melding wordt standaard een check op bekendheid uitgevoerd bij een aantal vaste partijen, zoals de politie, de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Afhankelijk van de melding kan Veilig Thuis ook bij andere partijen informatie opvragen, zoals bij school, huisarts of het lokaal team.
Hiervoor is Veilig Thuis wel afhankelijk van informatie over wie er bij de situatie betrokken zijn. Als betrokken organisaties die informatie niet verstrekken, bijvoorbeeld omdat zij het beroepsgeheim laten prevaleren boven het delen van informatie, heeft Veilig Thuis onvoldoende basis om te kunnen handelen.
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
Er bestaan inderdaad grote regionale verschillen in wachttijden bij Veilig Thuis. De afhandeling van meldingen is in de basis echter gelijk: alle 25 Veilig Thuis-organisaties werken met hetzelfde handelingsprotocol. Verschillen in regionale samenwerking, bijvoorbeeld wachtlijsten bij ketenpartners, kunnen desondanks van invloed zijn op de wachttijden.
Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG wordt nadrukkelijk verkend hoe de werkwijze verder geüniformeerd kan worden. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke aanscherping van de wettelijke vereisten en naar wat de minimale basis voor elke gemeente zou moeten zijn.
De klimaatzaak Bonaire |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zijn de verschillende verantwoordelijke ministeries reeds in gesprek met de eisers in de Klimaatzaak Bonaire, zijnde Greenpeace Nederland en de acht inwoners van Bonaire? Zijn alle verantwoordelijke ministeries van plan dit te doen in het geval dit nog niet is gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de consequenties van het vonnis voor het huidige doel voor 55% reductie van broeikasgasemissies in 2030 uit de nationale Klimaatwet?
Gezien het feit dat de rechtbank oordeelt dat de Staat heeft nagelaten om te kwantificeren hoeveel emissieruimte Nederland nog heeft als eerlijk deel van het mondiale emissiebudget dat resteert om de opwarming tot 1,5 °C te beperken, hoe gaat u dit nu alsnog kwantificeren zodat het klimaatbeleid en de klimaatdoelen in lijn komen met dit resterende budget?
Bent u bekend met de kwantificering van de emissieruimte door het Ministerie van Financiën in het «Blauwe Boekje 2023–2024», waar de rechtbank in het vonnis naar verwijst? Zo ja, kunt u overwegen om de Minister van Financiën te vragen om een actualisatie van deze berekening? Hoe zorgt u dat er bij deze kwantificering en het vaststellen van nieuwe klimaatdoelen ruimte is voor inspraak en publieksconsultatie en dat dit proces gebaseerd is op de meest recente inzichten van de klimaatwetenschap?
Welke concrete stappen neemt u nu, gezien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, om uitvoering te geven aan de veroordeling van de rechtbank om uiterlijk binnen 18 maanden, dus 28 juli 2027 nieuwe, bindende en economie-brede klimaatdoelen in de Klimaatwet vast te leggen?
Hoe interpreteert u de vaststelling van de rechtbank dat het onrechtmatig is dat er geen bindende nationale klimaatdoelstellingen zijn om de emissies van internationale lucht- en scheepvaart terug te dringen?
Wat betekent het vonnis in de Bonaire Klimaatzaak voor het CO2-plafond voor de internationale lucht- en scheepvaart dat is voorgenomen in het coalitieakkoord? En hoe verhoudt het openen van Lelystad Airport zich tot de uitspraak?
Bent u bekend met het rapport «Effectinschatting klimaatmaatregelen Coalitieakkoord» van onderzoeksbureau Kalavasta, waaruit volgt dat er een gat van tenminste 6 megaton is tussen het huidige Nederlandse klimaatbeleid en het 2030-doel van 55% reductie? Welke maatregelen, zowel normerend als beprijzend, gaat u nemen om dit gat te dichten en uitstootreductie te versnellen, inclusief voor lucht- en scheepvaart?
Kunt u aangeven wat de consequentie van het klimaatzaakvonnis is voor methaan en andere broeikasgasemissies in de landbouw en hoe dit zich verhoudt tot het eerdere vonnis van de rechtbank Den Haag in de rechtszaak van Greenpeace tegen de Staat over stikstofdepositie?
Klopt het dat de Verenigde Staten en/of Amerikaanse bedrijven gas en/of olie willen winnen voor de kust van de BES-eilanden en de CAS-eilanden? Kunt u een overzicht bezorgen van alle fossiele winningsprojecten op de eilanden, in de territoriale wateren en in de nabijheid van de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden?
Welke instantie beslist of dergelijke winningsprojecten al dan niet mogen doorgaan? Vallen dergelijke winningsprojecten onder de Nederlandse Mijnbouwwet?
Bent u het ermee eens dat dergelijke fossiele winningsprojecten door een niet-Europese mogendheid tot een geopolitiek onwenselijke ontwikkeling kan leiden?
Waarom zijn adaptatiemaatregelen op Bonaire systematisch later opgepakt dan in Europees Nederland, en hoe gaat u deze achterstand inhalen? Zal een dergelijke inhaalbeweging voldoende zijn om de mensen op Bonaire effectief te beschermen tegen schade ten gevolge van klimaatrampen?
Wat betekent het vonnis voor Saba en Sint-Eustatius, en in hoeverre wordt hier nu opvolging aan gegeven, inclusief preventieve maatregelen om alle inwoners van de BES-eilanden te beschermen tegen klimaatrampen en daarbij de gelijkwaardigheid van inwoners te borgen?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de rechtbank Den Haag stelt dat het huidige adaptatiebeleid voor Bonaire onvoldoende en zelfs discriminatoir is? Welke conclusies trekt u uit de erkenning dat het Nederlandse beleid discriminatoir is?
Hoe gaat u om die discriminatie tegen te gaan het «gelijkwaardig beschermingsniveau» voor de BES-eilanden wettelijk verankeren? Is er voor Bonaire, Saba en Sint-Eustatius reeds een analyse gebeurd, waarbij voor ieder eiland afzonderlijk een inschatting is gemaakt van de kwetsbaarheid voor toenemende klimaatrampen alsook van hun financiële en andere capaciteit om adequaat op rampen te reageren? Krijgen de eilanden dezelfde veiligheidsnormen (overstromingskansen) als de Nederlandse kust?
Bent u bereid om per direct dezelfde overstromingskansnormen wettelijk te verankeren voor Bonaire als voor Europees Nederland of, indien deze overstromingskansnormen onvoldoende zijn om alle inwoners van Bonaire afdoende te beschermen, bent u bereid striktere normen voor Bonaire wettelijk te verankeren? Zo nee, welke normen zullen dan worden toegepast om te voldoen aan het discriminatieverbod?
Hoe garandeert u dat de geëiste kustbescherming op Bonaire uiterlijk in 2030 volledig geïmplementeerd is, en welk budgettair pad is hiervoor nu reeds vastgelegd om te voorkomen dat plannen slechts bij ambities blijven?
Waarom is de waterveiligheid van Bonaire nog niet structureel gekoppeld aan het Deltafonds? In hoeverre kan en zal het Deltafonds worden opengesteld voor de BES-eilanden? Zal de regering ervoor zorgen dat er voldoende budget in het fonds is voor de adaptatienoden van zowel Europees als Caraïbisch Nederland? Wat is hiervoor nodig?
Bent u bereid om aanvullend een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland op te richten zodat naast de benodigde en omvangrijke investeringen in adaptatiemaatregelen ten aanzien van waterveiligheid, ook maatregelen in het kader van bijvoorbeeld hitte, gezondheid en natuur tijdig kunnen worden gefinancierd? Of middels welke fondsen zal u zorgen voor een equivalent beschermingsniveau tegen klimaatverandering op Bonaire?
Tot welke Europese fondsen hebben de BES-eiland toegang voor de financiering van adaptatie- en mitigatiemaatregelen? Hebben ze gelijke toegang tot alle fondsen die de lidstaten ter beschikking staan als gemeenten in continentaal Europa of worden ze hiervan uitgesloten? Hebben ze toegang tot Europese fondsen voor internationale klimaatadaptatie?
Is de toegang van BES- en CAS-eilanden tot Europese financiering gelijkwaardig aan de toegang van de Franse overzeese departementen en gebieden, zoals het Franse gedeelte van Sint-Maarten?
Hoe kan het dat na orkaan Irma het Franse deel van Sint-Maarten beter beschermd was en/of sneller kon heropbouwen dan het deel binnen het Koninkrijk der Nederlanden? Wat zijn de oorzaken hiervan? Welke verschillen zaten er in de toegang tot Europese financiering? En hoe verschilde de financiering voor zowel preventieve maatregelen als voor wederopbouw vanuit Den Haag met de financiering vanuit Parijs?
Wat zijn de risico's voor de CAS- en BES-eilanden van de aangekondigde Super El Niño? Wat is de huidige staat van paraatheid van de verschillende eilanden? Wat doet u om de eilanden te ondersteunen in hun weerbaarheid tegen dit fenomeen? Welke extra stappen worden er gezet?
Welke extra expertise en uitvoeringskracht acht het Rijk voor het Openbaar Lichaam Bonaire nodig om ervoor te zorgen dat er voldoende lokale capaciteit is om de plannen uit te voeren?
Welke bijkomende maatregelen gaat u nemen opdat de BES-eilanden op korte termijn volledig overgaan op duurzame energie, zodat de eilanden minder afhankelijk worden van fossiele import?
Hoe kunt u ervoor zorgen dat energie betaalbaar is voor inwoners van Bonaire, ook gezien de toenemende noodzaak van energieverbruik voor airconditioning als gevolg van de opwarming van de aarde?
Kunt u aangeven welke maatregelen u treft tegen de gevolgen van de toenemende hitte en extreme neerslag op Bonaire? Welke aanvullende stappen zijn noodzakelijk en wat is de investeringsopgave hiervan?
Welke maatregelen kan het kabinet nemen tegen de onder andere door klimaatverandering veroorzaakte sargassumcrisis, die de economie van Caraïbisch Nederland ernstig schaadt, met name in toerisme en visserij?
Hoe beoordeelt u de relevantie van de rechtsoverwegingen in het Bonaire-vonnis voor de overige landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten), gezien de gedeelde verantwoordelijkheid voor de waarborging van mensenrechten (artikel 43 Statuut)? Erkent u dat de Staat der Nederlanden een coördinerende en faciliterende verantwoordelijkheid heeft om te waarborgen dat ook de inwoners van de CAS-eilanden een gelijkwaardig niveau van mensenrechtelijke bescherming tegen klimaatgevaren genieten, met in ogenschouw nemend het vereiste respect voor de autonome status van deze landen?
Bent u bereid om, in de geest van het vonnis, proactief met de regeringen van de CAS-eilanden in gesprek te gaan over een Koninkrijksbreed Klimaatfonds, zodat ook daar de noodzakelijke adaptatiemaatregelen om mensen(rechten) te beschermen in de klimaatcrisis gefinancierd kunnen worden die de lokale draagkracht te boven gaan?
Bent u het ermee eens dat, aangezien het Koninkrijk der Nederlanden de officiële verdragspartij is bij de UNFCCC, de belangen van de CAS-landen en BES-eilanden integraal onderdeel moeten zijn van de Nederlandse en dus ook Europese inzet in internationale klimaatonderhandelingen? Kunt u toelichten hoe de structurele consultatie met de regeringen en lokale besturen van deze eilanden is vormgegeven in de aanloop naar de jaarlijkse COPs?
Erkent u dat «effectieve bescherming», zoals geëist in het vonnis, onmogelijk is zonder een structurele meerjarige financiering die direct aansluit op de lokale behoeften die aan de Klimaattafel zijn geformuleerd? Hoeveel extra middelen zijn er volgens u nodig, en hoeveel middelen zal het Rijk beschikbaar stellen en wanneer besluit u hierover?
Op welke wijze beschermt het kabinet het cultureel erfgoed op de zuidpunt van Bonaire (zoals de slavenhuisjes) dat door de zeespiegelstijging reeds in 2050 dreigt te verdwijnen?
Hoe waarborgt u dat inwoners van Bonaire en de Klimaattafel Bonaire een doorslaggevende stem krijgen in het nationale adaptatieplan dat uiterlijk in 2030 geïmplementeerd moet zijn?
Hoe zult u garanderen dat adaptatieprocessen op de BES-eilanden lokaal geleid kunnen worden?
Bent u bekend met de motie van de Eilandsraad van Bonaire, waarin het Bestuurscollege wordt opgeroepen om de Nederlandse Staat te houden aan de rechtskracht van het vonnis? Welke aspecten van deze motie gaat u uitvoeren? En kunt u toezeggen dat alle aanbevelingen die voortvloeien uit de motie van de Eilandsraad integraal onderdeel worden van de Nederlandse inzet tijdens de komende Klimaattop (COP), om Bonaire als internationaal voorbeeld van «Small Island Justice» te positioneren? Hoe beoordeelt u de passage in de motie die spreekt over de «historische schuld» en de plicht van Nederland om de kwetsbaarste delen van het Koninkrijk prioritair te beschermen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over het vonnis inzake de Bonaire Klimaatzaak?
Onbetaalbare hypotheeklasten |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen bij huiseigenaren over hypotheeklasten: «Echt een keerpunt»» en met het onderliggende onderzoek van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG)?1
Ja.
Deelt u de analyse van NHG-directeur Van der Linde dat de financiële positie van Nederlandse huiseigenaren structureel verslechtert?
NHG onderzoekt middels de woonlastenmonitor2 de gepercipieerde ontwikkeling van de woonlasten. Ze onderzoeken dus niet hoe woonlasten zich feitelijk ontwikkelen, maar hoe woningeigenaren dit ervaren, bijvoorbeeld door te meten hoe vaak mensen wakker liggen door geldzorgen. Uit de woonlastenmonitor blijkt dat ruim één op de drie woningeigenaren met een hypotheek het inkomen als net toereikend of onvoldoende ervaart om aan alle financiële verplichtingen te voldoen. Dit percentage is ongeveer gelijk gebleven met de vorige woonlastenmonitor. Uit de woonlastenmonitor blijkt wel dat de groep jongeren tot 35 jaar en inkomens tot 2 keer modaal die het inkomen als onvoldoende ervaart, is gegroeid de afgelopen periode.
Uit de cijfers van het CBS en uit de ABN woningmarktmonitor3 uit mei 2026 blijkt dat de woonquote, het daadwerkelijke percentage van het inkomen dat aan wonen wordt uitgegeven, de laatste jaren juist is gedaald. De belangrijkste oorzaak hiervan zijn de sterk gestegen inkomens. Vooral bij zittende woningeigenaren leidde dit tot een daling van de gemiddelde woonlasten. In de periode 2019–2025 daalden de woonlastenratio’s voor zittende eigenaren met 2 tot 3 procentpunten. Voor starters ligt die daling veel lager: ongeveer 1 procentpunt. Voor starters in grote steden stegen de woonlastenratio’s zelfs, tot wel 2 procentpunten in Amsterdam.
Het gedeelde beeld uit de ABN woningmarktmonitor en de woonlastenmonitor van NHG is dat de meeste mensen de woonlasten goed kunnen dragen en dat de woonlastenratio’s zijn gedaald. Tegelijkertijd zie je in beide monitors dat jonge woningeigenaren en inkomens tot 2 keer modaal de hoogste woonlasten hebben en het inkomen als onvoldoende ervaren. Ik vind het belangrijk om mij in te zetten voor een betere betaalbaarheid van woningen voor alle woningzoekenden, met extra aandacht voor jongeren en mensen met middeninkomens.
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, wat is dan volgens u de grondoorzaak voor de verslechtering van deze positie?
Zoals bij vraag 2 is aangegeven is het vooral voor middeninkomens en startende huishoudens lastig om een woning te kopen en zijn de woonlasten voor deze groepen relatief hoog. De afgelopen jaren is de vraag naar woningen meer toegenomen dan het aanbod van woningen. In deze krappe woningmarkt zijn de huizenprijzen het laatste decennium erg hard gestegen. Woningeigenaren die recent een eerste woning kochten moesten een hoge lening aangaan voor de aankoop van hun huis. Uit een recente monitor van De Nederlandsche Bank blijkt dat steeds meer starters op de woningmarkt de grenzen opzoeken van wat ze maximaal verantwoord kunnen lenen: in 2017 leenden starters gemiddeld 80% van wat er op basis van hun inkomen mogelijk was, in 2025 is dit opgelopen naar 92%4.
Daarnaast is het inkomen van bestaande woningeigenaren harder gestegen ten opzichte van woningeigenaren die hun woning recenter hebben gekocht. Voor bestaande woningeigenaren die al langer in hun woning wonen zijn de hypotheeklasten ten opzichte van hun inkomen vaak lager geworden.
Wat is uw verklaring voor het gegeven dat het percentage huiseigenaren tot 34 jaar dat het eigen inkomen onvoldoende vindt om de woonlasten te betalen, is verdubbeld en acht u dit een aanvaardbare uitkomst van het gevoerde beleid?
De verklaring hiervoor heb ik gegeven bij de beantwoording van vraag 2 en 3. Ik vind het belangrijk dat jongeren een betaalbare woning kunnen vinden. Om deze reden zet ik vol in op het bouwen van nieuwe (betaalbare) woningen, wegnemen van belemmeringen in de woningbouw en het beter benutten van de bestaande voorraad.
Ook heeft het Rijk een aantal instrumenten specifiek gericht op koopstarters en middeninkomens. Koopstarters en middeninkomens kunnen profiteren van de voordelen van een hypotheek met NHG. Een hypotheek met NHG kan worden afgesloten voor een woning met een koopsom of marktwaarde onder de NHG-grens van € 470.000 (2026). Consumenten met een hypotheek met NHG lopen minder risico’s en meestal profiteren zij van rentekorting op de hypotheekrente. Ook kunnen koopstarters profiteren van de vrijstelling van de overdrachtsbelasting.
Ook is er sinds vorig jaar het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen dat zich specifiek richt op koopstarters met een middeninkomen. Dit gebeurt door nieuwbouwwoningen met een kopersondersteuning onder de marktwaarde aan te bieden, waardoor deze woningen beter bereikbaar worden voor de doelgroep. Het fonds hanteert onder andere criteria ten aanzien van inkomen tot maximaal twee keer modaal, leeftijd tot 35 jaar en het type woning (nieuwbouw binnen de betaalbaarheidsgrens). Daarmee wordt het instrument gericht ingezet voor de doelgroep waarvoor het is bedoeld en draagt het bij aan het bereikbaar maken van koopwoningen voor huishoudens die anders moeilijk toegang hebben tot de koopwoningmarkt.
Erkent u dat de sterk gestegen huizenprijzen mede het gevolg zijn van een door de overheid kunstmatig beperkt woningaanbod en jarenlang ruim monetair beleid van de Europese Centrale Bank?
Zowel aan de aanbod- als de vraagzijde is er een groot aantal factoren dat bijdraagt aan de ontwikkeling van huizenprijzen.5 Een structureel tekort aan woningen zie ik daarbij als belangrijke oorzaak, maar ook de ontwikkeling van de rente is hierin één van de factoren. Renteontwikkelingen worden door meerdere factoren bepaald, waaronder monetair beleid, maar ook door structurele economische factoren zoals ontwikkelingen van spaartegoeden. Specifiek ten aanzien van ruimtelijke restricties en eisen aan woningbouw zie ik dat deze hebben bijgedragen aan de beperkte woningbouw en gestegen huizenprijzen. Om deze reden zet ik in op het wegnemen van belemmeringen in de woningbouw.
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
In hoeverre dragen de stapeling van verduurzamingsverplichtingen, energiebelastingen en netbeheerkosten bij aan de structureel hoge woonlasten van huiseigenaren?
Verduurzaming draagt positief bij aan het beheersbaar houden van de woonlasten6. Om verduurzaming te stimuleren is de energiebelasting op aardgas verhoogd en de energiebelasting op elektriciteit verlaagd. Naast de energiebelastingtarieven kent de energiebelasting een belastingvermindering. Deze korting op de energierekening is een vast bedrag per elektriciteitsaansluiting. Van de marginale tarieven gaat een besparingsprikkel uit, terwijl de belastingvermindering voorkomt dat de totale energierekening te hoog oploopt door de energiebelasting. Met de belastingvermindering meegerekend bedraagt de energiebelasting gemiddeld genomen ongeveer 10% van de totale energierekening. Richting 2030 blijft dat ongeveer 10%. In 2020 ging het nog om 30%. De netbeheerkosten zullen naar verwachting wel stijgen in de toekomst, zie het antwoord op vraag 8 voor een toelichting.
Inzetten op het verder verduurzamen van de Nederlandse woningvoorraad betekent uiteindelijk minder energiegebruik door de woningeigenaar, meer grip op de energierekening en minder afhankelijk zijn van fossiele energie.
Kunt u de bij vraag zeven aangeleverde kostenposten afzonderlijk kwantificeren?
Bij vraag zeven worden 3 kostenposten genoemd; 1) verduurzamingsverplichtingen, 2) energiebelastingen en 3) netbeheerkosten. Onderstaand worden deze behandeld.
1) Verduurzamingsverplichtingen; Momenteel zijn er geen verduurzamingsverplichtingen voor woningeigenaren. Uit verschillende onderzoeken blijkt wel dat verduurzaming juist geld oplevert. Zie bijvoorbeeld de publicatie van CPB waaruit blijkt dat 9 op de 10 huishoudens meer geld overhouden na het installeren van een warmtepomp, waar nodig in combinatie met isolatie7. Voor nieuwbouwwoningen geldt vanaf 2030 een nieuwe norm, de kosten die dit met zich meebrengt worden in lijn gebracht met de verwachte energiebesparing. Zie ook het antwoord op vraag 18.
2) Energiebelasting; In 2026 is de energiebelasting op aardgas tot een verbruik van 170.000 m3 60 cent per m3 en op elektriciteit tot een verbruik van 10.000 kWh 9 cent per kWh, exclusief btw. De belastingvermindering bedraagt in 2026 519,80 euro, exclusief btw. Voor huishoudens met een «gemiddeld verbruik» van 900 m3 aardgas en 1.920 kWh elektriciteit bedraagt de energiebelasting 194 euro op een gemiddelde totale energierekening van 2.112 euro in 2026.
3) Netbeheerkosten; Door stijgende nettarieven en leveringskosten gaat de gemiddelde energierekening omhoog. Netbeheerders leggen de komende jaren extra kabels aan om ervoor te zorgen dat voldoende stroom beschikbaar is. De ACM stelt jaarlijks vast hoeveel netbeheerders in rekening mogen brengen. De overheid wil het stroomnet slimmer gebruiken, en stimuleert daarom naast, energiebesparing ook een betere spreiding van het elektriciteitsgebruik over de dag. Om dit te stimuleren worden tijdsafhankelijke nettarieven geïntroduceerd per 2029. Hierdoor is minder uitbreiding van het stroomnet nodig en worden de kosten eerlijker verdeeld op basis van daadwerkelijk verbruik.
Wat zegt het over de wenselijkheid van verduurzamingsinvesteringen dat Roald van der Linde (directeur NHG) aangeeft dat de betalingsachterstanden voornamelijk worden veroorzaakt door verduurzamingsinvesteringen die jongeren moeten betalen omdat zij de hoge energieprijzen willen drukken?
De directeur-bestuurder van NHG geeft niet aan dat betalingsachterstanden worden veroorzaakt door verduurzamingsinvesteringen. In een blog8 wordt door de directeur-bestuurder van NHG verduurzaming genoemd als kans en geeft hij tegelijkertijd aan dat behoefte is aan duidelijkheid over de kosten van maatregelen, wat ze opleveren en hoe deze maatregelen te financieren. Aangegeven wordt dat de hypotheekadviseur een verschil kan maken door woningeigenaren te informeren over de financieringsmogelijkheden voor verduurzaming. Om de hypotheekadviseur hierbij te ondersteunen ben ik momenteel bezig met het ontwikkelen van een tool voor in softwarepakketten van financieel adviseurs die de financierings- en subsidiemogelijkheden inzichtelijk maakt.
Hoe verhoudt de constatering dat Nederland nog altijd een van de landen met de hoogste woonlasten van de eurozone is zich tot de belofte van opeenvolgende kabinetten dat wonen betaalbaar zou worden?
De woonlasten in Nederland liggen door de jaren heen ongeveer 30 procent9 boven het Europees gemiddelde. Dat moet vergeleken worden met het inkomensniveau10 dat in Nederland bijna 60% boven het Europees gemiddelde ligt. Slechts acht procent van de Nederlanders gaf in 2025 aan de woonlasten erg zwaar te vinden11, de laagste score in de hele Europese Unie. Ondanks deze positieve score is de betaalbaarheid van het wonen voor dit kabinet een van de belangrijkste prioriteiten.
Bent u bereid uit te sluiten dat de hypotheekrenteaftrek verder wordt afgebouwd of beperkt, gelet op de toenemende betalingsproblemen onder huiseigenaren?
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft om zo het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren.
Hoe beoordeelt u het feit dat een groot deel van de ondervraagden bezuinigt op vakanties, restaurantbezoek en zelfs boodschappen om de woonlasten te kunnen dragen?
Uit de woonlastenmonitor van NHG blijkt van de 9% van de woningeigenaren het inkomen als onvoldoende ervaart en aan deze groep is gevraagd welke acties ondernomen zijn. Van deze groep heeft ruim 75% het uitgavenpatroon aangepast, ruim 11% is meer gaan werken en de rest heeft (nog) geen actie ondernomen. Bij de groep die het inkomen voldoende of net toereikend vindt, heeft ruim de helft het uitgavenpatroon aangepast. Dit beeld kwam ook naar voren in de vorige woonlastenmonitor. Hoewel het natuurlijk zorgelijk is dat een deel van de mensen het inkomen als onvoldoende ervaart, vind ik het wel positief dat het grootste deel van deze mensen stappen onderneemt door uitgaven te beperken of inkomsten te vergroten om zodoende de woonlasten te kunnen betalen. Daarnaast vind ik het positief dat uit de woonlastenmonitor blijkt dat steeds meer woningeigenaren bereid zijn om professionele hulp in te schakelen bij financiële problemen. Vroegtijdig inschakelen van professionele hulp kan grotere problemen voorkomen.
Wat zeggen de bij vraag 12 beschreven bezuinigingen volgens u over de kwaliteit van leven, de bestedingsruimte en de koopkracht van hardwerkende Nederlanders?
Zoals in de vorige antwoorden beschreven hebben vooral jongeren en middeninkomens het lastig op de woningmarkt en wordt vooral onder deze groep het inkomen als onvoldoende ervaren. Dit kabinet zet daarom ook in om de koopkracht voor deze groep te verbeteren. Daarnaast zet ik mij in voor betaalbare woningen voor onder andere deze groepen.
Wat gaat het kabinet doen aan psychische en financiële druk die het lasten- en woningbeleid op burgers legt, aangezien één op de vijf ondervraagden stress, slecht slapen en moedeloosheid ervaart door de financiële situatie?
Bij het afsluiten van een hypotheek in Nederland is verantwoorde verstrekking van hypothecair krediet een fundamenteel uitgangspunt. Verstrekkers van hypothecair krediet voeren bij aanvraag van een hypotheek de kredietwaardigheidsbeoordeling uit, om te voorkomen dat huishoudens onverantwoord hoge woonlasten aangaan bij de aankoop van hun woning. Desondanks kunnen huishoudens financiële stress ervaren, bijvoorbeeld door onvoorziene levensomstandigheden. Het is daarom goed dat het beleid van verstrekkers van hypothecair krediet en NHG de afgelopen jaren steeds meer is gericht op het vroeg signaleren van financiële problemen en het zo snel mogelijk ondernemen van actie hierop. Het doel is om te voorkomen dat problemen te groot worden en te zorgen dat mensen in de woning kunnen blijven wonen. Ik vind het positief dat verstrekkers van hypothecair krediet en NHG beleid voeren om problemen bij woningeigenaren te voorkomen. Daarnaast blijkt uit de monitor van NHG dat mensen steeds meer bereid zijn om professionele hulp in te schakelen bij financiële problemen, wat belangrijk kan zijn bij het voorkomen van financiële stress.
Deelt u de opvatting dat woonlasten stijgen wanneer het aanbod van woningen de vraag ernaar niet kan bijbenen?
Bij een achterblijvend aanbod kunnen de woningprijzen harder stijgen, maar er zijn ook andere factoren die hier invloed op hebben. Denk aan de hoogte van de rente en inflatie. Deze kunnen allemaal doorwerken in hogere woonlasten van mensen. Tegelijkertijd wordt de hoogte van de woonlasten beperkt door huurprijsregelgeving en door de leennormen.
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Indien het antwoord op vraag 15 bevestigend luidt, bent u het dan eens dat de fundamentele oplossing voor de hoge woonlasten ligt in méér bouwen in plaats van in nieuwe subsidies, garanties of inkomensafhankelijke regelingen die de symptomen bestrijden? Zo nee, waarom niet?
Beide instrumenten zijn nodig, omdat niet alleen het aanbod invloed heeft op de hoogte van de woonlasten. Het is een prioriteit van dit kabinet om de toegankelijkheid van de woningmarkt te bevorderen door meer te bouwen. Het kabinet zet daarom met name in op het wegnemen van belemmeringen en daarmee het versnellen van de woningbouw. Daarnaast zet het kabinet zich in voor betaalbare woonlasten. Zo draagt bijvoorbeeld de huurtoeslag bij aan de betaalbaarheid van de woonlasten voor huurders, ook als de huren harder stijgen dan de groei van inkomens, bijvoorbeeld door hogere inflatie.
In hoeverre is EU-regelgeving – waaronder de herziene Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) en bijbehorende verduurzamingsverplichtingen – verantwoordelijk voor de gestegen woonlasten door enerzijds nieuwbouw duurder te maken en anderzijds kostbare energiebesparende verbouwingen af te dwingen?
Met het uitwerken van de EPBD IV12 wordt een vrijwillige eindnorm in 2050 voor bestaande bouw geïntroduceerd, deze norm geeft de duidelijkheid waar veel woningeigenaren op wachten; het geeft duidelijk handelingsperspectief en maakt duidelijk wanneer een woning niet verder verduurzaamd hoeft te worden. Bij de uitwerking van deze norm wordt gekeken naar de haalbaarheid en betaalbaarheid voor woningeigenaren. Een heel pakket13 aan ontzorging en financiering staat klaar om eigenaren van gebouwen te ondersteunen en hen te helpen aan een lagere energierekening.
Voor de nieuwbouw wijzigt de norm van een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) naar Zero Emission Building (ZEB) in 2030. Bij het uitwerken van de ZEB norm wordt gewerkt met kostenoptimalisatiestudies14 om de technische haalbaarheid vast te stellen en de kosten in lijn te brengen met de energiebesparing. Op deze manier blijven de kosten van verduurzaming van nieuwbouwwoningen economisch verantwoord.
In hoeverre blijft er door de herziene EPBD nog beleidsruimte van het kabinet over om de woonlasten voor huiseigenaren te verlagen?
Zoals eerder genoemd heeft energiebesparing veelal een positief effect op de woonlasten voor huiseigenaren. Onderzoek van het NIBUD toont dit ook aan, vandaar dat er meer leenruimte is voor een energiezuinige woning of als men juist energiebesparende maatregelen wil treffen15.
Bent u bereid zich in Brussel in te zetten voor het terugdringen van deze verplichtingen?
Ik zie geen redenen om mij in te zetten voor het terugdringen van de richtlijnen uit de EPBD IV. De EPBD IV geeft een basislijn aan om energiebesparing in de gebouwde omgeving te stimuleren en toe te werken naar een emissievrije gebouwde omgeving. Een emissievrije gebouwde omgeving heeft naast voordelen als grip op energiegebruik, comfortabelere en gezonde gebouwen, ook als voordeel dat wij als land minder afhankelijk worden van fossiele energie, het maakt ons weerbaarder en minder kwetsbaar voor fluctuaties op de internationale energiemarkt. Het zorgt voor investeringen in onze gebouwen en energievoorziening door onze eigen installateurs, aannemers en MKB bedrijven. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat energiebesparing in de gebouwde omgeving goed mogelijk is. De tevredenheid over de genomen maatregelen is hoog. Van de woningeigenaren die isolatiemaatregelen heeft genomen is bijvoorbeeld 90% tevreden16, 95% van de mensen die een warmtepomp heeft aangeschaft raadt deze aan17. De EPBD IV geeft ons als land richting en een gelijk speelveld in de EU.
Kunt u een internationale vergelijking geven van de ontwikkeling van de woonlasten en huizenprijzen in Nederland ten opzichte van vergelijkbare EU-lidstaten over de afgelopen tien jaar, en daarbij aangeven welke landen erin slagen wonen wél betaalbaar te houden, inclusief een analyse over waarom hen dit lukt?
Eurostat publiceert een reeks met de huizenprijsontwikkeling in Europese landen sinds 201018. Daaruit blijkt dat in twaalf landen de huizenprijzen harder gestegen zijn dan in Nederland. Nederland bevindt zich daarmee in de middenmoot.
Zoals bij vraag 10 aangegeven liggen de woonlasten in Nederland ongeveer 30% boven het Europees gemiddelde en het inkomen bijna 60%. De woonlasten in Nederland zijn tussen 2010 en 2024 ongeveer 7% harder gestegen dan in heel Europa. In Denemarken was dat ongeveer 21% en in Oostenrijk 14%. In Ierland, Midden-Europa en de Baltische staten komen nog veel hogere percentages voor. Landen waar de woonlasten minder hard stegen dan het Europees gemiddelde, kennen volgens Eurostat19 over het algemeen ook een benedengemiddelde economische groei20.
Bent u bereid een concreet en afrekenbaar pakket te presenteren – inclusief lastenverlaging en versnelling van de bouw – dat de woonlasten voor met name jonge huiseigenaren binnen deze kabinetsperiode aantoonbaar verlaagt, en de Kamer daarover voor Prinsjesdag te informeren?
Nee, ik kom niet met een specifiek plan om de woonlasten van jonge huiseigenaren te verlagen. Wel zet ik met de Taskforce Versnellen Woningbouw in op het versnellen van de woningbouw.
Indien het antwoord op vraag 22 ontkennend luidt, waarom laat u deze groep in de steek?
Het kabinet zet volop in op het versnellen van de woningbouw, zodat er meer aanbod van betaalbare woningen komt, onder andere voor jongeren. Daarnaast zijn er, zoals beschreven in antwoord op vraag 4, verschillende instrumenten die gericht zijn op koopstarters.
Het stopzetten van het luchtalarm |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Aerdts , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u nader toelichten waarom er geen middelen zijn gevonden om het luchtalarm als middel in crisissituaties te behouden, zoals aangekondigd in uw brief van 18 mei 2026?1
Op 9 juni 2026 is er een brief gestuurd over de inrichting van een nieuwe civiel militaire waarschuwingsketen.2 In deze brief heb ik uw Kamer, mede namens de Minister van Defensie, geïnformeerd dat wij een nieuwe civiel-militaire waarschuwingsketen gaan realiseren. Onderdeel hiervan is een nieuw innovatief sirenenetwerk, in aanvulling op NL-Alert. Een nadere toelichting staat in deze brief.
Hoeveel geld zou het structureel kosten om het luchtalarm na 1 januari 2028 alsnog te behouden?
Zie antwoord vraag 1.
Ziet u mogelijkheden om het luchtalarm in de toekomst te dekken met de aanvullende Defensiemiddelen in het kader van de nationale weerbaarheid?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse dat het afsluiten van het luchtalarm onwenselijk is, gezien het belang van redundantie in de crisiscommunicatie? Is het niet in elke situatie beter als het luchtalarm en NL-Alert (of alternatieven) naast elkaar bestaan?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kijkt u naar het gegeven dat het horen van het luchtalarm en het ontvangen van een NL-Alert een andere lading heeft voor de toehoorder? Waarop baseert u dat het luchtalarm en NL-Alert dezelfde staat van paraatheid teweegbrengt bij burgers?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat, in een heftige ramp of crisis, ook sprake kan zijn van sabotage van mobiele netwerken? Waarop baseert u dat NL-Alert in dergelijke situaties altijd bruikbaar zal zijn?
NL-Alert is afhankelijk van de openbare mobiele netwerken. Uit onderzoek is gebleken dat NL-Alert volstaat als alerteringsmiddel in vredestijd. NL-Alert is robuust en er wordt gewerkt om aan het hoogste niveau van informatiebeveiliging te voldoen, maar geen systeem is onfeilbaar. Bij een scenario van ernstige hybride en militaire dreigingen, waarbij een statelijke actor zeer zware en geavanceerde middelen kan inzetten om infrastructuur (waaronder de mobiele netwerken) te ontwrichten, is het kwetsbaar om enkel over NL-Alert te beschikken. Vanwege het ontbreken van een civiel-militaire waarschuwingsketen (van detectie tot en met alertering van de bevolking) bij luchtdreigingen, is in 2025 een verkenning gestart naar wat er nodig is voor de inrichting van een robuuste en redundante civiel-militaire waarschuwingsketen. Hierbij is in beeld gebracht welke aanvullende mogelijkheden en middelen, naast NL-Alert, geschikt zijn om burgers te kunnen alerteren in dit specifieke scenario. Hieruit is een advies naar voren gekomen om deze civiel-militaire waarschuwingsketen robuust en redundant in te richten. Voor het inrichten van een robuust en redundante waarschuwingsketen is het nodig een tweede alerteringsmiddel naast NL-Alert te hebben. Dit tweede middel dient complementair te zijn aan NL-Alert, en op een andere infrastructuur te draaien. Een nieuw innovatief sirenenetwerk geeft het beste antwoord op de vraag.
Is het bereik van NL-Alert, met een stabiele dekking van 92%, voldoende om in een crisissituatie iedereen te bereiken? Hoe verwacht u dit bereik te vergroten?
Het primaire alerteringsmiddel bij rampen en crises in Nederland is al enige jaren NL-Alert. NL-Alert kent via de verschillende distributiekanalen al jaren een stabiel bereik van circa 92% van de bevolking. Naast alarmering biedt NL-Alert ook informatie over een crisis, handelingsperspectief en doorverwijzingen naar aanvullende informatiebronnen. Naast verspreiding van NL-Alerts via de mobiele telefoons worden NL-Alerts ook via andere kanalen verspreid om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Zo is NL-Alert te zien op digitale reclameschermen en digitale reisinformatieschermen van trein, bus, tram en metro en via schermen in publieke ruimten zoals huisartsenpraktijken en ziekenhuizen.
Er wordt continu gewerkt om het bereik van NL-Alert verder te vergroten. Onder andere via publiekscampagnes van NL-Alert, maar ook via eventuele technische en functionele aanpassingen van NL-Alert en de distributiekanalen zoals de NL-Alert app. Ook is de publiekscampagne van NL-Alert erop gericht dat bij ontvangst van een NL-Alert, men ook anderen hierover informeert. De NL-Alert app is mede ontwikkeld voor mensen die aan de grens wonen en soms verbonden zijn met buitenlandse zendmasten en hierdoor niet altijd NL-Alerts ontvangen en voor mensen voor wie een NL-Alert niet altijd duidelijk is. Voor mensen met een auditieve of visuele beperking kent de NL-Alert app toegankelijkheidsfuncties om het bericht te ontvangen en beter te kunnen begrijpen. De NL-Alert app wordt verder ontwikkeld en verbeterd waarbij specifiek rekening wordt gehouden met mensen met een auditieve of visuele beperking. Zo wordt momenteel samen met de belangengroepen gewerkt aan het verbeteren van toegankelijkheid van NL-Alert voor de dovengemeenschap door NL-Alert in de Nederlandse Gebarentaal toe te voegen aan de app.
Kunt u onderbouwen dat een alternatief systeem als NL-Alert, waar mensen een telefoon voor nodig hebben, goed digitaal toegankelijk is?
NL-Alert maakt gebruik van cell broadcast techniek waardoor tekstberichten direct naar mobiele telefoons worden doorgestuurd, ook bij overbelasting van het openbare telecommunicatienetwerk. Mensen hoeven zelf niets te doen om een bericht te kunnen ontvangen. Een NL-Alert bericht wordt in zo makkelijk mogelijke taal geschreven (B1-niveau). Daarnaast zijn er andere distributiekanalen waarlangs een bericht ontvangen kan worden (zie de beantwoording bij vraag 7). Ook is de publiekscampagne van NL-Alert erop gericht dat bij ontvangst van een NL-Alert, men ook anderen hierover informeert.
Daarnaast wordt NL-Alert continu doorontwikkeld en verbeterd. Zo wordt er gewerkt aan de informatiebeveiliging, maar ook aan de toegankelijkheid, waarbij specifiek rekening wordt gehouden met mensen met een auditieve of visuele beperking.
Bent u bekend met Project Särimner, een Zweedse infrastructuur waarin «datanodes» worden gebouwd die in het geval van sabotage of verstoring onafhankelijk van elkaar crisisinformatie kunnen uitwisselen?2
Ja, ik ben op hoofdlijnen bekend met dit project.
Bent u bereid om een oplossing zoals Project Särimner nader te onderzoeken als aanvulling op de nationale crisisinfrastructuur?
Op dit moment wordt daar in relatie tot het WAS niet naar gekeken omdat er vanuit mijn ministerie al een verkenning is gedaan wat er nodig is om een robuuste en redundante civiel-militaire waarschuwingsketen in te richten. Hieruit is het
advies voortgekomen om een nieuw sirenenetwerk in te richten naast NL-Alert.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing van 10 juni 2026 beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om deze beantwoording voor het commissiedebat nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing te beantwoorden.
Het niet verruimen van de hypotheekrenteaftrek |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat het maximale aftrektarief voor de hypotheekrenteaftrek in het huidige jaar 37,56 procent bedraagt? Klopt het dat dit kabinet voornemens was om de hypotheekrenteaftrek te verruimen naar 38,19 procent (2027) en 38,23 procent (structureel), een verruiming van € 281 miljoen?
Als logisch gevolg van de wettelijke systematiek voor het bepalen van het maximale aftrektarief voor grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrekpercentage voor grondslagverminderende posten is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief van de tweede schijf. Dat is geregeld in het tweede lid van de artikelen 2.10 en 2.10a Wet inkomstenbelasting 2001. Het maximale aftrekpercentage is vormgegeven als een tariefcorrectie. Deze tariefcorrectie komt er inderdaad in 2026 op neer dat het maximale aftrektarief 37,56% (de hoogte van het tarief van de tweede schijf) bedraagt.
Voor de komende jaren zal het kabinet de afspraken van het coalitieakkoord verwerken in de belastingwetgeving. Voor wat betreft de belastingtarieven kan dit tot gevolg hebben- vanwege de compenserende lastenverzwaring voor de lagere zorgpremies – dat het tarief in de eerste en tweede schijf stijgt. Dit is de standaardsystematiek voor de compensatie van de zorgpremies. Deze systematiek is bijvoorbeeld toegepast door het voorgaande kabinet voor de maatregelen op de zorg bij het hoofdlijnenakkoord, en gedurende de kabinetsperiode voor de besluitvorming over de zorguitgaven (onder andere in de Voorjaarsnota 2025). Ook in het kabinet daarvoor is deze systematiek gevolgd (zie bijvoorbeeld Miljoenennota 2023). Hierdoor komt de lastenverzwaring terecht bij een brede doelgroep die ook profiteert van de lagere zorgpremies, waardoor er een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld ontstaat. Als gevolg van de wettelijke systematiek beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan het tarief in de één na hoogste belastingschijf. Momenteel is dat de tweede schijf. Deze systematiek van een tariefscorrectie op de hoogste schijf, geldt sinds de afbouw is gestart in 2014. Tijdens de afbouwfase werd er telkens met een steeds groter percentage gecorrigeerd op het hoogste belastingtarief (eerst was dit met 0,5%, later werd de afbouw versneld). Vanaf het moment dat de afbouw voltooid was, is de tariefscorrectie het verschil tussen het tarief van de derde en de tweede schijf van de inkomstenbelasting.
De hoogte van de belastingtarieven voor volgend jaar loopt mee in de augustusbesluitvorming. Als de compensatie zorgpremies via het tarief in de eerste en tweede schijf in de IB zou lopen, zou naar de huidige verwachtingen, het tarief in de tweede schijf, en daarmee ook het maximale aftrektarief, 38,19% bedragen in 2027 en 38,23% structureel vanaf 2030. Deze tarieven zouden in dat geval een verhoging van 0,60%-punt in 2027 en 0,79%-punt in 2030 bevatten ten opzichte van het basispad als gevolg van de compensatie zorgpremies uit het coalitieakkoord.1
In het geval dat het maximale aftrektarief met 0,60%-punt stijgt, neemt het budgettair belang van de aftrekposten in de IB met € 235 miljoen toe in 2027. Voor specifiek de hypotheekrenteaftrek gaat het om € 183 miljoen in 2027. In 2030 is de tariefsverhoging 0,79%-punt en neemt het budgettair belang van de hypotheekrenteaftrek met € 281 miljoen toe.
Kunt u aangeven wat de hoogte was van de hypotheekrenteaftrek in de afgelopen tien jaar en per jaar aangeven of dit tarief wel/niet gelijk was aan het tarief tweede schijf?
In de hierna weergegeven tabel zijn de maximale aftrekpercentages en het tarief van de tweede schijf voor de laatste tien jaren opgenomen. In de periode 2020 t/m 2024 was er sprake van een gemeenschappelijk basistarief naast het toptarief.2 Tot 2020 bestonden er vier schijven in de inkomstenbelasting. Ik heb daarom voor de volledigheid ook het tarief van de schijf die qua hoogte meer overeenkomt met het huidige tarief in de tweede schijf in de tabel opgenomen.
Vanaf 2014 is deze wettelijke systematiek geïntroduceerd en vanaf 2023 is als gevolg van de wettelijke koppeling het maximale aftrekpercentage gelijk aan de hoogte van de tweede belastingschijf. In de jaren daarvoor is het maximale aftrekpercentage hoger dan het tarief in de 2e schijf. Dit komt doordat in eerdere jaren het maximale aftrektarief stapsgewijs werd afgebouwd van het toptarief naar het tarief in de één na hoogste schijf.
37,56
37,56
37,48
37,48
36,97
36,97
36,93
36,93
40
37,07
43
37,10
46
9,70
37,35
49
10,45
38,10
49,5
13,20
40,85
50
13,15
40,80
Klopt het dat de hoogte van de hypotheekrenteaftrek niet per definitie gelijk hoeft te zijn aan het tarief van de tweede schijf en dat het dus een politieke keuze is wat de hoogte is van de hypotheekrenteaftrek?
De hoogte van het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief in de tweede schijf. Deze koppeling geldt voor alle zogenoemde grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de giftenaftrek. Op dit moment is dit zo vormgegeven in zowel de wet als de ICT-systemen van de Belastingdienst. Dat betekent dat dit – omwille van uitvoerbaarheid – niet op ieder moment gewijzigd kan worden (zie ook het antwoord op vraag 4).
Klopt het dat het beleidsmatig verlagen van het maximale aftrekpercentage mogelijk is per 1 januari 2028? Klopt het dat het aanpassen van het eigenwoningforfait mogelijk is per 1 januari 2027?
Het aanpassen van het eigenwoningforfait is voor de uitvoering een parameterwijziging en zou uitvoeringstechnisch mogelijk zijn per 1 januari 2027.
Het maximale aftrektarief is op dit moment vormgegeven als een tariefscorrectie. Dit was ook zo ten tijde van de afbouw van de hypotheekrenteaftrek vanaf 2014 en vanaf 2020 de andere grondslagverminderende posten. Volgens deze systematiek was het altijd de bedoeling dat de beperking niet verder ging dan het verschil tussen de hoogste en de op een na hoogste schijf. Zoals ook te zien is in de hiervoor opgenomen tabel, gold dit ook tijdens het afbouwpad tot 2023. Naar aanleiding van de motie van de leden Grinwis en Stultiens3 heeft de Belastingdienst een quickscan opgesteld (zie de bijlage). De motie verzoekt het kabinet inzichtelijk te maken wanneer het mogelijk is het tarief voor de aftrekposten in box 1 als zelfstandige tariefknop te implementeren in de ICT-systemen van de Belastingdienst. Uit de quickscan blijkt dat het voorstel een grote IV-impact heeft, en op zijn vroegst uitvoerbaar is per belastingjaar 2029.
Erkent u dan ook dat de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) wel degelijk uitvoerbaar is, dat de motie geen geld kost maar geld oplevert en dat er dus geen enkele valide reden is om de motie niet uit te voeren?
Zoals in de antwoorden op de vragen 3 en 4 aangegeven, is het minder eenvoudig om een wijziging door te voeren dan wellicht op het eerste oog gedacht kan worden. In de brief van 12 mei jl.4 staat dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft, om het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
Hebt u meegekregen dat Minister Heinen aangeeft dat hij deze motie «niet kan uitvoeren»1? Kunt u nogmaals bevestigen dat deze motie wel degelijk uitvoerbaar is, dat het een politieke keuze is wat het tarief van de hypotheekrenteaftrek de komende jaren zal zijn en dat een Kamermeerderheid heeft aangegeven het huidige tarief (37,56 procent) van de hypotheekrenteaftrek niet te willen verruimen?
Vanuit uitvoeringsperspectief zijn er verschillende aspecten aan de motie. Het maximale aftrektarief loskoppelen van het tarief tweede schijf heeft een grote IV-impact, waardoor dit gewogen moet worden ten opzichte van andere beleidswensen. Andere uitwerkingen hebben geen IV-impact doordat ze aansluiten bij bestaande parameters.
Het kabinet heeft in augustus besluitvorming over de lastenkant, wat impact heeft op de belastingtarieven. Ook weegt het kabinet opties om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 te verbeteren, wat ook impact heeft op het ICT-portfolio van de Belastingdienst. De uitkomst zal het kabinet met Prinsjesdag delen met uw Kamer.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat fiscaliteit van 24 juni 2026 en daarbij klip en klaar bevestigen dat u de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) gewoon zal gaan uitvoeren?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
De evacuatie van gedetineerden uit PI Vught |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat na de brand in de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught in korte tijd voor 162 gedetineerden elders plek is gevonden?1
Ja.
Hoe verklaart u dat binnen zeer korte tijd voor tientallen gedetineerden elders capaciteit beschikbaar bleek, terwijl al langere tijd wordt gewezen op een ernstig tekort aan celcapaciteit?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft alles op alles gezet om alle beschikbare plekken tijdelijk te benutten als noodoplossing. Er zijn vrije plekken in de Vreemdelingenbewaring en enkele isoleercellen ingezet. In een aantal gevallen is personeel van de PI Vught meegegaan met de gedetineerden omdat de ontvangende inrichting wel plekken maar geen personeel had. Dit was alleen voor enkele dagen mogelijk en is geen duurzame oplossing. Op 26 mei jl. is geconstateerd dat de unit in Vught weer veilig in gebruik kon worden genomen en zijn alle gedetineerden in de nacht van 26 op 27 mei weer ingesloten in hun eigen cel.
Betekent dit dat er feitelijk meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen aanwezig is dan eerder werd aangenomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, er is niet meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen dan eerder werd aangenomen. De capaciteit die nu is ingezet, biedt geen structurele oplossing en kon alleen voor enkele dagen worden ingezet als noodoplossing.
Deelt u de opvatting dat het onbegrijpelijk zou zijn wanneer enerzijds wordt gesproken over cellentekorten, terwijl anderzijds in crisissituaties kennelijk in korte tijd aanzienlijke capaciteit beschikbaar blijkt? Zo nee, waarom niet?
Zoals in vraag 2 en 3 aangegeven heeft DJI alles op alles gezet om deze groep gedetineerden kortdurend te verplaatsen, ook naar plekken die niet geschikt zijn voor een langere periode of waar geen personeel beschikbaar was. Dit was dus een tijdelijke noodoplossing.
Kunt u aangeven waar deze 162 gedetineerden precies zijn ondergebracht en op basis waarvan daar ruimte beschikbaar was?
Van de 162 gedetineerden is er voor circa 140 extern een plek gevonden. Deze gedetineerden zijn verplaatst naar zeven verschillende inrichtingen. Zoals hierboven vermeld is dit in een aantal gevallen gebeurd met het meesturen van personeel vanuit PI Vught. De overige gedetineerden zijn intern verplaatst.
Hoe is bij de overplaatsing van de 162 gedetineerden gewaarborgd dat hoogrisicogedetineerden of gedetineerden uit criminele netwerken niet in contact komen met personen met wie zij om veiligheidsredenen juist gescheiden dienen te blijven?
Het betrof de evacuatie van een unit waar geen hoog risico gedetineerden waren geplaatst. De tijdelijke overplaatsing heeft op een veilige manier plaatsgevonden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Schilder over het hanteren van meerpersoonscellen als norm waar dit veilig en verantwoord kan (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 127)?
Waar mogelijk wordt ingezet op het gebruik van meerpersoonscellen (MPC). Concreet betekent dit dat – indien de gebouwelijke voorzieningen en de veiligheid van zowel gedetineerden als het personeel dit toelaten – MPC’s worden ingezet.
Hoeveel extra celplaatsen zouden op korte termijn kunnen worden gerealiseerd indien meerpersoonscellen breder worden toegepast?
Er zijn op korte termijn geen extra MPC’s te realiseren binnen de bestaande capaciteit. Conform de motie Eerdmans2 wordt in het geval van renovatie en uitbreiding van capaciteit ingezet op de realisatie van zo veel mogelijk MPC’s.
Het bericht 'Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen», waarin wordt gemeld dat in Rotterdam inmiddels 15.160 jongeren tot 23 jaar met jeugdzorg te maken hadden, dat dit neerkomt op ongeveer één op de elf jongeren, en dat dit afwijkt van de landelijke dalende trend?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u voor de jaren 2020 tot en met 2025, uitgesplitst naar gemeente, jeugdregio en provincie, aangeven hoeveel jongeren jeugdzorg ontvingen, zowel absoluut als als percentage van het aantal jongeren tot 23 jaar?
De door u opgevraagde informatie is dusdanig uitgebreid dat deze niet goed weer te geven is in tabellen in deze schriftelijke beantwoording. Daarom zijn hieronder verschillende verwijzingen opgenomen, die u direct naar deze cijfers op de website van het CBS toeleiden:
Vanwege doorgevoerde verbeteringen in de verwerking van gegevens over jeugdzorg tussen 2020 en 2021, wordt data over de jeugdzorg door het CBS gepresenteerd in twee afzonderlijke periodes: periode 2015 – 2020 en periode 2021 tot heden. Hierdoor zijn de uitkomsten over jeugdhulp over de jaren 2021 en later niet goed te vergelijken met de uitkomsten over de jaren 2015 t/m 2020. Meer informatie is te vinden in de Methodewijzigingen Beleidsinformatie jeugd.5 Indien data over de jeugdzorg 2020 toch gewenst is, dan is deze online beschikbaar.6
Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, gezinsgerichte opvang, gesloten jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering?
De door u gewenste selecties bevat te veel data (bij de uitsplitsing naar gemeente) om online (via de website van het CBS) te kunnen weergeven in tabellen. Wel kunnen deze als CSV-bestand gedownload worden via de open data API van het Dataportaal.7 Voer daar de gewenste selectie in en download de CSV. Een andere optie is om de data in delen online te filteren. De verwijzingen daarvoor zijn hieronder opgenomen.
Data jongeren met jeugdzorg 2021 – 2025 in delen:
Data naar jeugdregio en provincie:
Kunt u aangeven in welke gemeenten het jeugdzorggebruik het sterkst boven of onder het landelijke gemiddelde ligt, en welke verklarende factoren daarvoor volgens u het meest aannemelijk zijn?
Hieronder treft u een landkaart met de weergave van het jeugdzorggebruik per gemeente (jongeren tot 23 jaar). De kleuren van de gemeenten geven een indicatie van of het jeugdzorggebruik ver boven of onder het landelijke gemiddelde ligt. Er bestaat een interactieve landkaart online om van iedere gemeente afzonderlijk de percentages te zien.13 Het CBS doet verder geen duiding van de cijfers. Per gemeente zullen de onderliggende redenen verschillen, zeker waar het gaat om gemeenten die sterk boven of onder het landelijk gemiddelde liggen. Vanuit VWS wordt wel nog onderzoek uitgezet naar aanvullend inzicht in de uitgavenontwikkeling van de jeugdzorg en de onderliggende factoren. Dit zal in algemene zin ook meer inzicht moeten geven in de ontwikkelingen in jeugdhulpgebruik.
Kunt u voor de afgelopen vijf jaar aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten is gestart als crisis, welk deel herhaald beroep betreft en welk deel betrekking heeft op jongeren die daarnaast ook jeugdbescherming of jeugdreclassering ontvangen?
Op basis van de beschikbare informatie van het CBS, geeft onderstaande tabel inzicht in «gestart met crisis» en «herhaald beroep».14
Totaal jeugdhulptrajecten
Totaal begonnen trajecten
Herhaald beroep
Gestart met crisis
2021
652.970
304.760
79.630
26,1
11.715
3,8
2022
667.420
309.615
80.230
25,9
10.610
3,4
2023
702.100
326.450
83.235
25,5
10.935
3,3
2024
709.935
323.860
84.275
26
10.200
3,1
20251
673.075
288.685
77.350
26,8
9.665
3,3
% t.o.v. totaal aantal begonnen trajecten
Betreft voorlopige cijfers.
Voorts vraagt u naar de uitsplitsing hierin naar jeugdbescherming en jeugdreclassering. Hieronder is in een tweetal tabellen de beschikbare informatie over het aantal jeugdigen met jeugdbescherming en/of jeugdreclassering weergegeven. Een verdere uitsplitsing naar jeugdbescherming of jeugdreclassering (bijvoorbeeld naar de wijze van de start van het traject) is echter niet mogelijk. Dit komt omdat de betreffende data niet op deze wijze aan elkaar is gekoppeld. Verder is er data beschikbaar over herhaald beroep van jeugdreclasseringsmaatregelen en van ondertoezichtstellingen in de jeugdbescherming.15, 16
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jeugdbescherming
Wel of geen JR
41.235
38.765
35.720
33.940
32.825
Wel JR
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Geen JR
40.195
37.705
34.700
32.855
31.675
Alleen voogdij
Wel of geen JR
10.305
9.990
9.480
8.995
8.380
Wel JR
135
145
165
180
170
Geen JR
10.170
9.840
9.315
8.815
8.210
Alleen OTS
Wel of geen JR
29.925
27.970
25.605
24.450
24.005
Wel JR
895
905
845
895
970
Geen JR
29.030
27.065
24.760
23.555
23.040
Zowel voogdij als OTS
Wel of geen JR
1.005
810
640
495
440
Wel JR
10
10
10
10
10
Geen JR
995
800
625
485
430
CBS StatLine Jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5E3A.
Betreft voorlopige cijfers.
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Wel JR
Wel/geen jeugdbescherming
7.975
7.475
7.665
8.290
8.660
Wel JR
Wel jeugdbescherming
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Wel JR
Alleen voogdij
135
145
165
180
170
Wel JR
Alleen OTS
895
905
845
895
970
Wel JR
Zowel voogdij als
OTS
10
10
10
10
10
Wel JR
Geen jeugdbescherming
6.935
6.410
6.645
7.205
7.515
CBS jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5F80.
Betreft voorlopige cijfers.
Kunt u de jeugdzorgcijfers uitsplitsen naar leeftijdscategorie, geslacht, type huishouden, inkomenskwintiel van het huishouden en onderwijssoort?
Voor de gewenste data adviseren wij om de nieuwste CBS rapporten te raadplegen over jeugdhulp,17 jeugdbescherming,18 en jeugdreclassering.19 In de rapporten staan (interactieve) staafdiagrammen met bijbehorende tabellen (incl. cijfers van voorgaande jaren) overzichtelijk gepresenteerd tezamen met een begeleidend schrijven.
Kunt u, voor zover beschikbaar en met inachtneming van statistische geheimhouding, de jeugdzorgcijfers tevens uitsplitsen naar geboorteland van de jongere, geboorteland van de ouders en herkomstland conform CBS-definities?
Hieronder treft u de voorlopige cijfers jeugdzorg naar herkomst 2025. Betreffende data is alleen terug te vinden in CBS rapporten over jeugdzorg,19 jeugdbescherming,20 en jeugdreclassering,21 en zijn niet beschikbaar in online StatLine tabellen.
Jeugdzorg naar herkomst
Jongeren jeugdhulp zonder verblijf
Jongeren jeugdhulp met verblijf
Jongeren met jeugdbescherming
Jongeren met jeugdreclassering
10,4
0,9
1
0,3
Nederland
10,7
0,9
0,9
0,2
Europa (exclusief Nederland)
10
1
1,1
0,4
Turkije
6,9
0,4
0,6
0,5
Marokko
7,1
0,5
0,7
0,9
Suriname
10,3
1,7
2
1,1
Nederlands-Caribisch gebied
13,9
2,8
2,8
1,9
Indonesië
8,5
0,8
0,7
0,4
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
9,5
0,9
1,1
0,7
6,1
0,7
1
0,5
Europa (exclusief Nederland)
5,5
0,6
1
0,2
Turkije
6
0,4
0,6
0,2
Marokko
9,5
1
1,6
1,4
Suriname
8,6
1,5
1,5
0,9
Nederlands-Caribisch gebied
10,3
1,9
2,5
1,2
Indonesië
4
0,4
0,5
0,1
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
6,3
0,7
0,9
0,7
Kunt u daarbij nadrukkelijk onderscheid maken tussen jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering, omdat deze vormen inhoudelijk en beleidsmatig sterk verschillen?
De informatie die hierover beschikbaar is, is opgenomen in het antwoord bij vraag 7.
Welke van deze achtergrondkenmerken hangen volgens bestaande CBS-analyses het sterkst samen met jeugdzorggebruik, en welke beleidsconclusies verbindt u daaraan?
Een soortgelijke analyse als waar u naar vraagt is in 2023 door het CBS uitgevoerd over het jaar 2021.20 Dit onderzoek had naast herkomst ook betrekking op andere demografische achtergrondkenmerken. Voor de daaropvolgende jaren zijn dergelijke analyses niet gedaan.
Het onderzoek laat de samenhang zien tussen jeugdhulpgebruik en verschillende factoren. Dit betekent overigens niet dat ook geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een causaal verband. De samenhang voor jeugdhulp zonder verblijf is het sterkst met de factoren GGZ gebruik in huishouden, speciaal onderwijs en leeftijd. Voor jeugdhulp met verblijf is dit speciaal onderwijs, samenstelling van het huishouden en gebruik van Wmo en/of WLZ in het gezin. Voor Jeugdbescherming is dit ouders wonen op hetzelfde adres/samenstelling van het huishouden, speciaal onderwijs en gebruik van Wmo en/of WLZ. Voor Jeugdreclassering is dit verdachte in huishouden, HALT, geslacht en speciaal onderwijs/hoogst gevolgde opleiding.
Kortom, in algemene zin blijk uit dit onderzoek dat jongeren met jeugdzorg vaker dan jongeren zonder jeugdzorg te maken hebben met problemen op andere gebieden. Daarmee sluiten de uitkomsten van het onderzoek aan op de beleidsinzet om een integrale en brede blik te hanteren wanneer er problemen bij jeugdigen voordoen en/of een beroep gedaan wordt op jeugdzorg. Onder andere met het met een brede blik kijken naar en betrekken van het gezin bij hulpvragen (waaronder een verklarende analyse), de inzet op stevige lokale teams en de inzet op passende zorg en ondersteuning.
Kunt u aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten wordt gestart via de gemeentelijke toegang, welk deel via huisarts, jeugdarts of medisch specialist, welk deel via gecertificeerde instellingen en welk deel via rechterlijke of justitiële route?
Hieronder worden de meest actuele cijfers hierover weergegeven.21
Huisarts
35
36
38,7
39,5
Gemeentelijke toegang
32,7
32,3
30,9
30,6
Geen verwijzer
16,8
17,5
16,2
15,6
Gecertificeerde instelling
5,7
5,6
5,7
5,8
Medisch specialist
5,5
4,6
4,4
4,5
Jeugdarts
3,7
3,7
3,7
3,5
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,3
0,3
0,3
0,3
Onbekend
0,2
0,1
0,1
0,1
Gemeentelijke toegang
43,3
44,9
44,4
43,5
Gecertificeerde instelling
38,1
36,3
35
36,1
Huisarts
6,6
6,4
6
5,6
Medisch specialist
6
5,4
6,5
6,4
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,9
1,2
0,9
0,8
Jeugdarts
0,4
0,4
0,4
0,4
Geen verwijzer
0
0
0
0
Onbekend
4,6
5,3
7
7,1
Betreft voorlopige cijfers.
Klopt het dat gemeenten bij de medische verwijsroute wel financieel verantwoordelijk zijn, maar beperkt kunnen sturen op de feitelijke toekenning van hulp? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor kostenbeheersing en voor het terugdringen van onnodige of lichte jeugdhulp?
De Jeugdwet kent meerdere verwijzers naar jeugdhulp. Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten (hierna: medisch verwijzers) kunnen bepalen dat een jeugdige aanspraak kan maken op jeugdhulp. De gemeente moet vervolgens een beschikking afgeven op basis van wat de jeugdhulpaanbieder inschat dat nodig is. De jeugdhulpaanbieder moet zich bij deze inschatting houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die de gemeente in de verordening heeft gesteld.
Het kunnen bieden van passende jeugdhulp met een brede blik en het kunnen sturen op de inzet van mensen en middelen in de context van schaarste is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van huisartsen en gemeenten. In het najaar van 2025 zijn hierover bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de Landelijke Huisartsen Verenging (LHV), Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN), de VNG en VWS.22 Deze worden verankerd en uitgewerkt in de leidraad.23 In deze bestuurlijke afspraak is de samenwerking tussen gemeenten, huisartsen en jeugdartsen, zoals beoogd in de Hervormingsagenda jeugd, nader uitgewerkt.
Welke hulpvormen heeft u concreet op het oog, gezien in de toelichting op het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet wordt gesteld dat preventie en basishulp voorliggend moeten worden op aanvullende jeugdhulp, dat jeugdhulp waar mogelijk groepsgewijs moet worden ingezet en dat bepaalde hulpvormen bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) buiten de Jeugdwet kunnen worden geplaatst?
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet worden bij de betreffende categorieën voorbeelden genoemd. Het gaat bijvoorbeeld bij de versterking van de sociaal pedagogische basis om voorzieningen die alledaagse opvoed- en opgroeivragen in de leefomgeving opvangen zodat jeugdhulp niet nodig is. Concreet gaat het hierbij om: jongerenwerk, laagdrempelige inloop- en ontmoetingsplekken en informele steunstructuren zoals Buurtgezinnen. Bij basishulp worden genoemd: opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding van jeugdigen met lichte gedragsproblemen en laagdrempelige langdurige begeleiding bij gezinnen met een kind met een chronische beperking. Bij jeugdhulp op groepsbasis gaat het om hulpvormen waarbij het bijvoorbeeld gaat om het besef niet de enige te zijn met een bepaald probleem, onderlinge steun en erkenning, en de mogelijkheid om sociale vaardigheden in een veilige omgeving met leeftijdsgenoten te oefenen. Voor de amvb waarbij vormen van jeugdhulp wordt uitgesloten gaat het bijvoorbeeld om ernstige enkelvoudige dyslexie die niet is vastgesteld volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling, huiswerk-, studie- en stagebegeleiding, weerbaarheidstraining zonder ontwikkelings- of gedragsprobleem, outdoor- of survivalactiviteiten zonder behandel- of begeleidingscomponent, Braingame Brian en HiRO.
Welke vormen van jeugdhulp worden volgens u op dit moment te vaak ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kan worden georganiseerd?
Bij hulpvragen van jeugdigen rondom het opvoeden en opgroeien is niet één op één aan te geven welke hulp en/of ondersteuning passend is aangezien problematiek altijd afspeelt in een bepaalde context. De context bepaalt welke hulp effectief is bij bepaalde hulpvragen. Zo kan het dus zijn dat eenzelfde hulpvraag, zoals «mijn kind vertoont druk gedrag», verschillende oplossingen nodig heeft in verschillende situaties. Dit maakt het dus ook niet mogelijk om aan te geven welke vormen van jeugdhulp te vaak worden ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via het onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kunnen worden georganiseerd. Wel zien we al langer een stijging in de relatief lichtere vormen van ambulante hulp en ondersteuning zoals begeleiding, basis-ggz behandeling en relatief lichte vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning.
Kunt u vóór de behandeling van de nieuwe regels over de reikwijdte van de Jeugdwet een landelijke benchmark aan de Kamer te sturen met per gemeente het feitelijke jeugdzorggebruik, de modelschatting op basis van achtergrondkenmerken, de afwijking daarvan en een beleidsmatige duiding van opvallende uitschieters?
Het CBS publiceert twee keer per jaar cijfers over jeugdzorg, waarbij o.a. uitsplitsingen worden gemaakt naar gemeente en zorgvorm (zie ook het antwoord op vraag 2 en 3). Daarnaast heeft het CBS in 2025 modelschattingen per gemeente gepubliceerd o.b.v. relevante achtergrondkenmerken voor jeugdzorg. Deze vindt u hier: Modelschattingen jeugdzorggebruik per gemeente, 2023 | CBS.24 Deze cijfers zullen ook betrokken worden in de centrale monitor van het jeugdstelsel, waarvan het CBS nu de data-infrastructuur bouwt. Een eerste versie van deze monitor wordt in het najaar gepubliceerd.
Bent u bereid daarbij expliciet inzichtelijk te maken waar sprake lijkt te zijn van overgebruik van lichte jeugdhulp, waar sprake lijkt te zijn van onderbereik van kwetsbare jongeren, en waar sprake is van relatief veel zware jeugdzorg? En kunt u dit beleidsmatig duiden?
Ik beschik niet over cijfers over lichte jeugdhulp, zware jeugdzorg of kwetsbare jongeren. CBS houdt namelijk andere categorieën van zorgvormen bij, zie vraag 3.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het debat over de nieuwe regels voor de reikwijdte van de Jeugdwet?
Ja.
De gevolgen van het Circulair Materialenplan voor de verwerking van bodemas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen bij het bedrijfsleven over de gevolgen van het Circulair Materialenplan (CMP) voor de verwerking van bodemas van afvalverbrandingsinstallaties1 in combinatie met de afnemende afzetmogelijkheden in eigen land?
Ja.
Hoe waardeert u deze zorgen?
Het Ministerie van EZK en het Ministerie van IenW voeren regelmatig gesprekken met de sector, zowel voor als na de inwerkingtreding van het Circulair Materialenplan (CMP). Naast deze gesprekken loopt er een traject van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie (SRCE) dat de rijksoverheid, decentrale overheden en de sector samenbrengt om het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas te herstellen.
Is de veronderstelling juist dat de huidige afzetproblematiek en de snel opgelopen voorraden van ongereinigde bodemas niet zijn meegenomen bij de vaststelling van het CMP?
Ten behoeve van een verantwoorde toepassing en het versterken van het vertrouwen hierin, is in het CMP opgenomen dat bodemas moet voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Daarnaast zien we dat het reinigen van AVI-bodemas technisch goed mogelijk is en al geruime tijd in de praktijk toegepast wordt.
De sector is nauw betrokken geweest bij de voorbereidingen van de maatregelen in het CMP. Er hebben verschillende gesprekken met partijen uit de sector plaatsgevonden. Tijdens deze gesprekken hebben belanghebbenden zorgen kunnen uiten en inbreng kunnen leveren. Mede op basis van deze gesprekken is besloten tot een overgangstermijn van twee jaar om de sector in staat te stellen om (de capaciteit van) hun reinigingsinstallaties aan te passen.
Verwacht u dat de huidige overgangstermijn voldoende is voor het realiseren van voldoende wascapaciteit voor het reinigen van bodemas? Zo ja, waar baseert u dat op?
Het concept-CMP is begin 2025 gedeeld. Daarnaast zien we dat de reiniging van AVI-bodemas al geruime tijd wordt toegepast in de praktijk. Twee jaar lijkt om deze reden een redelijke overgangstermijn. Het Rijk is en blijft ook met de sector (exploitanten van AVI’s en opwerkers van AVI-bodemas) in gesprek over de voortgang. In het afvalplan AVI-bodemassen is in de paragraaf Toekomstplannen opgenomen dat, als blijkt dat de overgangstermijn van twee jaar niet voor alle situaties toereikend is terwijl de sector zich naar het oordeel van de rijksoverheid wel voldoende heeft ingespannen, wordt gekeken of uitstel nodig is.
Ziet u mogelijkheden voor het tijdelijk toestaan van export van bodemas ten behoeve van nuttige toepassingen, bijvoorbeeld voor opvulling of andere toepassing in de diepe ondergrond, om zo de voorraadproblematiek op te lossen?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is het bevoegd gezag dat export van afvalstoffen toetst aan de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) via de zogenaamde kennisgevingsprocedure. ILT hanteert, naast de regels van de EVOA, het toetsingskader van het CMP voor de beoordeling van kennisgevingen. Als er concrete verzoeken om export ten behoeve van «andere nuttige toepassing» komen, beslist de ILT van geval tot geval of kan worden ingestemd met deze export. Mocht de ILT vinden dat het noodzakelijk is om af te wijken van het toetsingskader van het CMP, dan zullen zij een melding «afwijken CMP» doen. Deze meldingen worden door het Ministerie van EZK van advies voorzien.
Is het u bekend dat verschillende gemeenten het gebruik van gewassen bodemas verbieden dan wel sterk beperken, terwijl het CMP deze ruimte voor gebruik van gewassen bodemas, gelet op de gewenste circulariteit, nadrukkelijk wel biedt en zich verzet tegen dergelijke generieke verboden en beperkingen?
Ja.
Hoe waardeert u deze beperkingen?
In het CMP is een oproep gedaan om geen generieke beperkingen op te nemen voor de toepassing van secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen in wet- en regelgeving, maar om specifiek per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging te maken.
Deze oproep betekent echter niet dat een generieke beperking niet mogelijk is. Een bevoegd gezag mag hiertoe besluiten. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het CMP verandert hier niets aan. Hierover is 23 april jongstleden een brief naar de Kamer gestuurd.2
Wat bent u voornemens te doen om onnodige inperking van de ruimte voor gebruik van gewassen bodemas te beperken?
Er vinden verschillende gesprekken plaats tussen de rijksoverheid, de sector en decentrale overheden in het traject van de SRCE. Dit traject focust zich op lokale overheden via IPO, VNG en ODNL en op herstel van het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas.
Deelt u de analyse dat de kwaliteit van Nederlands bodemas relatief slecht is ten opzichte van de bodemas uit onder meer België en Frankrijk, mede vanwege de keuze voor snelle verbranding?
Er zijn mij signalen bekend van opwerkers van bodemas dat er relatief grote verschillen bestaan tussen de kwaliteit van bodemas van Nederlandse AVI’s (dit betreft ongereinigde «ruwe» bodemas) en bodemas uit het buitenland.
Welke maatregelen neemt u voor verbetering van de kwaliteit van het bodemas?
Om de kwaliteit van de bodemas in Nederland te verbeteren zijn met het CMP de eisen aangescherpt. Het is niet langer toegestaan om bodemas die niet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 voldoet, toe te passen of te gebruiken voor de productie van vulstof voor vormgegeven bouwstoffen of inzet als granulaat in vormgegeven bouwstoffen. Dit vanwege milieutechnische redenen en met het oog op een circulaire toekomst. Het reinigen van AVI-bodemas is technisch goed mogelijk en wordt al geruime tijd in de praktijk toegepast.
Ook wordt op dit moment een studie voorbereid waarbij de verschillen tussen Nederlandse en buitenlandse bodemas concreter en specifieker worden uitgelicht en de gevolgen daarvan voor de reinigbaarheid van de ongereinigde «ruwe» bodemas. In dit onderzoek zal ook gekeken worden naar de noodzaak en mogelijkheden om te sturen op een betere kwaliteit van ongereinigde «ruwe» bodemas en naar mogelijke gevolgen daarvan voor het verbranden zelf. Wanneer dit onderzoek klaar is, zal de Kamer hierover geïnformeerd worden.