Het bericht ‘Commission wrong to give Hungary €10B, says EU top court adviser’ van Politico. |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commission wrong to give Hungary € 10B, says EU top court adviser?» dat op 12 februari 2026 verscheen op Politico?1
Ja.
Hoe weegt u de claim van Europarlementariërs dat het geld dat in 2023 toch is vrijgegeven aan Hongarije politiek gemotiveerd was en dus onterecht was?
Bent u het eens dat het in ieder geval niet door positieve ontwikkelingen wat betreft de rechtsstaat in Hongarije kwam dat de 10 miljard euro waren vrijgegeven?
Vindt u dat het vrijgeven van Europese Unie (EU)-fondsen op merites gebaseerd moet blijven?
Als het Europees Hof van Justitie het eens is dat het geld onrechtmatig is vrijgegeven, op welke termijn moet Hongarije de 10 miljard euro dan terugbetalen?
Klopt het dat als blijkt dat Hongarije het geld moet terugbetalen, maar ze dit niet doen, er kan worden ingehouden op andere fondsen voor Hongarije?
Is het in dit licht niet ook opzienbarend dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van het Security Action for Europe (SAFE)-instrument van de EU?
Lidstaten konden tot 30 november jl. een verzoek indienen om leningen te ontvangen uit SAFE. Hongarije heeft in dit kader om een lening van EUR 16.2 miljard verzocht, maar heeft de lening nog niet ontvangen. Het is eerst aan de Europese Commissie om het verzoek van Hongarije te beoordelen. Wanneer de Commissie vaststelt dat het verzoek voldoet aan de voorwaarden van de SAFE-verordening, dient zij een voorstel in voor een uitvoeringsbesluit van de Raad. Op dit moment is het kabinet nog in afwachting van dit voorstel voor een uitvoeringsbesluit.
Het kabinet is, in lijn met de motie Erkens c.s.3, kritisch over het verstrekken van een lening onder SAFE aan Hongarije.
Bent u van mening dat het terecht is dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van SAFE?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er mogelijkheden om het aandeel van Hongarije voor SAFE te beperken op basis van rechtsstaatschendingen of anderszins?
De SAFE-verordening zelf bevat geen voorwaarden op het gebied van de rechtsstaat waaraan de Europese Commissie het verzoek van Hongarije om een lening dient te toetsen. Wel bevat de SAFE-verordening andere voorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van de naleving van aanbestedingsregels. Het Financieel Reglement van de EU bevat daarnaast een uitgebreid pakket van juridische, administratieve en operationele waarborgen om misbruik van EU-gelden te voorkomen, op te sporen en te corrigeren. Het betreffen maatregelen ter preventie, detectie, correctie en verantwoording.4 Ook is de Meerjarig Financieel Kader (MFK)-rechtsstaatverordening van toepassing op leningen die verstrekt worden de SAFE-verordening. Bij schendingen van de beginselen van de rechtsstaat door de lidstaten die rechtstreekse gevolgen hebben of dreigen te hebben voor de financiële belangen van de Unie of voor goed financieel beheer van de Uniebegroting kunnen passende maatregelen worden genomen tegen een lidstaat op grond van deze MFK-rechtsstaatverordening. Daarbij geldt dat de Commissie in haar beoordeling is gebonden aan de kaders van de verordeningen en het beginsel van proportionaliteit en noodzakelijkheid.
Het bericht ‘Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog’ |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Rijkaart , Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog»?1
Wat is uw reactie op de conclusie dat na de oorlog tientallen keren Joodse begraafplaatsen zijn geruimd?
Hoe is het mogelijk dat zich op sommige begraafplaatsen die als geruimd te boek stonden nog steeds graven bevonden?
Op welke wijze wilt u richting de Joodse gemeenschap erkenning geven van deze pijnlijke situaties, zeker gezien de status die binnen de Joodse gemeenschap aan het begraven wordt toegekend?
Hoe wilt u bijdragen aan meer duidelijkheid over de precieze omvang van het probleem en de noodzakelijke stappen die op basis daarvan gezet dienen te worden?
Gaat u in overleg met betrokken (overheids)organisaties om nader onderzoek en een betere verantwoording en inventarisatie mogelijk te maken?
Op welke wijze zorgt u er in samenwerking met gemeenten voor dat van alle voormalige Joodse begraafplaatsen duidelijk wordt of er zich ondanks de gewijzigde bestemming toch nog graven bevinden en hoe verdere schade wordt voorkomen? Wilt u hiervoor in samenwerking met de VNG een plan opstellen?
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap over de wijze waarop de overheid kan bijdragen aan erkenning en verwerking van deze gebeurtenissen en de gevolgen ervan voor nabestaanden en het treffen van gedragen maatregelen waar dat nodig blijkt?
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het onderzoek van de Consumentenbond naar tekortkomingen in de bescherming van online gokkers en de lopende massaclaim van de Consumentenbond. |
|
Sarah Dobbe , Mirjam Bikker (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Verboden trucs in legale online casino’s: massaclaim in de maak»1 en «Consumenten voor totaalverbod gokreclame én betere bescherming»2?
Ja.
Hoe weegt u het feit dat 84% van door de Consumentenbond onderzochte populatie een totaalverbod op gokreclame steunt en 88% betere bescherming tegen dark patterns verlangt?
De in het bericht van de Consumentenbond genoemde cijfers geven een belangrijk signaal af over maatschappelijke zorgen rond gokken. Ik neem dergelijke signalen serieus en betrek deze bij de uitwerking van de door mijn voorganger aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand.3
Kunt u expliciet aangeven of u van oordeel bent dat de Wet kansspelen op afstand, zoals deze sinds 2021 wordt uitgevoerd, onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare spelers en waarop u dat oordeel baseert?
De Wet op de Kansspelen, zoals deze in 2021 is gewijzigd met de Wet kansspelen op afstand (hierna: Wet koa), biedt onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. Dit is ook de algemene conclusie in de evaluatie van de Wet koa.4 Daarin concluderen de onderzoekers dat de invoering van de Wet koa tot op heden (nog) niet heeft bijgedragen aan een verantwoord en controleerbaar kansspelaanbod. Ook heeft het beleid volgens de onderzoekers geleid tot een grote groep nieuwe spelers, waaronder relatief veel jongvolwassenen. De Wet koa heeft wel geleid tot een betrouwbaar aanbod en tot een mate van controleerbaarheid en controle die groter is dan bij illegaal aanbod het geval is, aldus de onderzoekers. Daarnaast blijkt uit een analyse van TNO dat online gokken een systeem is met een sterke neiging tot escalatie, aangedreven door positieve feedbackloops in zowel vraag als aanbod. Volgens TNO zijn de beschermende maatregelen tegen onmatig speelgedrag en ter preventie van verslaving niet in staat gebleken deze zelfversterkende feedbackloops afdoende te bedwingen.5
Bent u het ermee eens dat de belofte van «veilig en gecontroleerd» online gokken niet is waargemaakt, nu structureel sprake is van toenemende gokverslavingen, ernstige financiële schade bij gedupeerde burgers en het gebruik van gedragsbeïnvloedende technieken door legale aanbieders?
Zoals ik hiervoor in het antwoord op vraag 3 heb genoemd, biedt de Wet koa onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. De Wet koa ging uit van de eigen verantwoordelijkheid van de speler en de bescherming beperkte zich daarbij tot consumenten en het voorkomen van kansspelverslaving. De toen gekozen insteek blijkt problematisch te zijn, zo blijkt uit de evaluatie van de Wet koa, en betere bescherming is nodig.
Deelt u de opvatting dat het toepassen van dergelijke gedragsbeïnvloedende technieken door vergunninghoudende gokbedrijven onverenigbaar is met hun zorgplicht, juist omdat zij aantoonbaar bijdragen aan problematisch speelgedrag?
Onderzoeksbureau Behavioural Insights heeft in opdracht van de Ksa onderzoek gedaan naar gedragsbeïnvloeding op bepaalde online kansspelplatformen. Uit het rapport, dat in september 2025 is opgeleverd, komt naar voren dat online kansspelaanbieders zowel op positieve als negatieve wijze gebruik maken van gedragsbeïnvloeding om het gedrag van consumenten te sturen. Positieve gedragsbeïnvloeding zijn bijvoorbeeld ontwerptechnieken om mensen te helpen weloverwogen keuzes te maken. Negatief bijvoorbeeld als de beslisomgeving wordt ingericht met als doel om mensen zo veel mogelijk te laten inzetten of zo lang mogelijk te laten spelen. Dit laatste is kwalijk en onwenselijk in het kader van bescherming van mensen tegen gokschade.
Is het ontbreken van een expliciet wettelijk verbod op dark patterns een lacune in de bescherming van burgers die actief zijn op online gokplatforms? Zo ja, hoe en op welke wijze en termijn bent u van plan dit probleem aan te pakken?
Bij de uitwerking van de aangekondigde maatregelen wordt ook gekeken naar de gedragsbeïnvloedende technieken die worden toegepast en of het noodzakelijk is om daar de wet- en regelgeving op aan te passen. Hier kan ik nu nog niet op vooruitlopen.
Hoe beoordeelt u de vaststelling van de Consumentenbond dat meerdere legale aanbieders werken met oneerlijke standaardinstellingen en extreem hoge speellimieten, en kunt u bevestigen of dit naar uw oordeel in strijd is met geldende wet- en regelgeving?
Het onderzoek van de Consumentenbond waarin extreem hoge speellimieten en oneerlijke standaardinstellingen werden vastgesteld is gepubliceerd in november 2023. Inmiddels is de regelgeving op dit onderwerp aangepast en zijn op 1 oktober 2024, vooruitlopend op de evaluatie van de Wet koa, maatregelen ingevoerd op het gebied van speellimieten en spelersbescherming.6 Op basis van de Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag en de Beleidsregel Verantwoord Spelen 2024 van de Ksa gelden stortingslimieten waarbij spelers worden verplicht contact op te nemen met de vergunninghouder wanneer zij een maandelijkse stortingslimiet van 350 euro of hoger willen instellen (150 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar) en waarbij de vergunninghouder verplicht is de financiële draagkracht van een speler na te gaan wanneer deze meer dan 700 euro in de maand stort (300 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar). Daarnaast geldt op basis van deze maatregelen dat het instellen van limieten plaats dient te vinden in een neutrale keuzearchitectuur, waarbij de speler zo min mogelijk wordt beïnvloed door gedragsbeïnvloedingstechnieken. Oneerlijke standaardinstellingen of extreem hoge speellimieten zijn binnen deze regelgeving niet meer toegestaan. Verder dienen limieten verplicht in euro’s te worden weergegeven en gelden verplichte pop-ups tijdens het spelen. Uit de effectmetingen van de Ksa blijkt dat deze maatregelen effect hebben omdat spelers bij vergunde aanbieders minder hoge limieten instellen en minder verliezen na de genoemde wijziging van de regelgeving. Dit is uiteengezet in de brief aan uw Kamer op 3 juli 2025.7
De Ksa houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en treedt op bij overtredingen, zoals bij de recente bindende aanwijzing voor Hillside in het kader van de zorgplicht en nagaan van de draagkracht van spelers.8
Kunt u concreet aangeven welke maximale speellimieten en welke uitgangspunten voor standaardinstellingen momenteel wettelijk of beleidsmatig gelden, en waarom deze niet hebben voorkomen dat spelers gemiddeld duizenden euro’s verliezen?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe vaak heeft de Kansspelautoriteit sinds 2021 handhavend opgetreden tegen legale aanbieders wegens schending van de zorgplicht, en kunt u daarbij per jaar aangeven hoeveel waarschuwingen, boetes en vergunningmaatregelen zijn opgelegd? Acht u deze handhavingspraktijk, bezien in het licht van de huidige maatschappelijke schade en de lopende massaclaim, voldoende afschrikwekkend, en zo ja, waarom?
In 2023, 2024 en 2025 heeft de Ksa het volgende aantal waarschuwingen gegeven en boetes opgelegd aan vergunde aanbieders:
Interventie
2025
2024
2023
Waarschuwingen
38
37
16
Boetes
5
2
8
Een groot deel van het aantal waarschuwingen aan de legale aanbieders had betrekking op de zorgplicht. Ook hebben alle vijf boetes in 2025 betrekking gehad op overtredingen van de zorgplicht. Gezien de lange doorlooptijden van boetetrajecten, hebben de boetes van 2025 betrekking op overtredingen van de zorgplicht die plaatsvonden na de opening van de markt in 2021 t/m 2023. Een aantal onderzoekdossiers in het kader van de zorgplicht wacht nog op een mogelijke handhavingsactie van de Ksa. Naast waarschuwingen en boetes maakt de Ksa ook gebruik van lasten onder dwangsom, aanwijzingen en normoverdragende gesprekken als handhavingsopties om ervoor te zorgen dat de legale aanbieders zich houden aan de zorgplichtregels. Als in de vraagstelling met «vergunningsmaatregelen» intrekking van de vergunning wordt bedoeld, dan is het antwoord dat dit niet heeft plaatsgevonden.
Het is aan de Ksa of en hoe zij in een individueel geval handhaven. Ik kan geen uitspraken doen over of de huidige handhavingspraktijk al dan niet voldoende afschrikwekkend is. Wel erken ik dat het instrumentarium van de Ksa voor toezicht en handhaving op vergunde aanbieders verbetering behoeft. In het traject tot wijziging van wet- en regelgeving van online kansspelen wordt dit meegenomen. Daarnaast kan de aanscherping van de zorgplicht waaraan ik eveneens werk ook bijdragen aan verbeterde toezicht en handhaving.
Deelt u de juridische opvatting dat het structureel schenden van de zorgplicht en het toepassen van verboden of misleidende technieken kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen, met als mogelijke consequentie ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding aan gedupeerden?
Dit zal per individueel geval moeten worden bekeken en hangt af van hetgeen, bijvoorbeeld ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding, daadwerkelijk wordt geëist in een juridische procedure. Een oordeel hierover is aan de rechter. In het kader van het traject tot wijziging van wet- en regelgeving op het gebied van kansspelen op afstand onderzoek ik in hoeverre de rechtspositie van spelers van online kansspelen kan worden verbeterd bij (gestelde) schending van de zorgplichtregels en regels rond verslavingspreventie.
Welke concrete gevolgen zou een rechterlijke vaststelling van dergelijk onrechtmatig handelen volgens u moeten hebben voor de vergunningverlening, verlenging of intrekking bij betrokken aanbieders?
Het is niet aan mij is om te besluiten over het schorsen of intrekken van een vergunning. Deze besluiten zijn aan de Ksa, als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan.
Zoals ook in de beantwoording van eerdere Kamervragen is genoemd, kan de Ksa besluiten een vergunning in te trekken indien nieuwe informatie of antecedenten met betrekking tot een vergunninghouder leiden tot het inzicht dat de vergunning toentertijd niet zou zijn verstrekt.9 Daarnaast zal de Ksa de toezichtservaring over de voorgaande vergunningsperiode met betrekking tot een vergunninghouder meewegen in de beoordeling van verlengingsaanvragen. Onder andere worden overtredingen en het gedrag van vergunninghouders tijdens de huidige vergunningsperiode mee gewogen in de beoordeling.
Kunt u concreet aangeven welke aanvullende wettelijke maatregelen u op korte termijn zult nemen om de zorgplicht van online kansspelaanbieders afdwingbaar te versterken, en op welke termijn de Kamer hierover voorstellen kan verwachten?
Momenteel werk ik de aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand uit, waaronder aanscherping van de zorgplicht. Mijn voorganger heeft met de Kamer het streven gedeeld om uw Kamer dit voorjaar te informeren over richtinggevende keuzes die in het kader van de maatregelen zijn gemaakt. Daarbij wordt uw Kamer ook geïnformeerd over de planning van het wetgevingstraject. Wat betreft de zorgplicht geldt dat een onafhankelijke expertgroep werkt aan het doen van aanbevelingen op dit terrein. Deze aanbevelingen worden in de zomer van 2026 verwacht en meegenomen in het wetgevingstraject.
De oproep van strafrechters om het tbs-systeem te ontlasten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat strafrechters het tbs-stelsel zien vastlopen?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik ken het bericht en onderken het probleem van de capaciteitsdruk binnen de tbs en de overige forensische zorg. In dit verband verwijs ik naar de voortgangsbrief forensische zorg d.d. 20 maart 2026 die tegelijk met de beantwoording van deze Kamervragen aan uw Kamer is gestuurd. Hier ga ik uitgebreid in op de aard van de problematiek en de maatregelen om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden.
Hoe beoordeelt u de oplossingsrichtingen die de twee genoemde vooraanstaande strafrechters schetsen om de bestaande overbelasting van het tbs-stelsel te helpen bestrijden, naast de voorgenomen uitbreiding van 200 extra tbs-plekken? Wat vindt u van het voorstel van deze strafrechters om het aantal plekken in lichtere forensische klinieken en in beschermd woonprojecten uit te breiden?
De forensische zorg is essentieel voor de veiligheid van de Nederlandse samenleving. In het artikel van het Algemeen Dagblad pleiten de strafrechters onder meer voor het minder snel opleggen van tbs en tbs met voorwaarden. Binnen onze constitutionele verhoudingen is het de verantwoordelijkheid van de rechter om in individuele zaken te beslissen over het opleggen van tbs (met voorwaarden).
Daarnaast pleiten de rechters voor het uitbreiden van de lichter beveiligde forensische voorzieningen en het beschermd wonen om de tbs-klinieken te ontzien. Zoals in de voortgangsbrief wordt toegelicht, onderschrijf ik het belang van het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken. Naarmate de behandeling vordert, kan de zorg van patiënten op een lager beveiligingsniveau plaatsvinden. Om te voorkomen dat tbs-gestelden langer dan noodzakelijk hoog beveiligde plekken bezet houden, is een programma opgestart door DJI samen met de tbs-klinieken en de overige forensische zorgaanbieders om voldoende en passende capaciteit voor vervolgzorg tijdens de strafrechtelijke titel te realiseren. Het programma heeft als doel om de door- en uitstroom in tbs-klinieken te optimaliseren.
Kunt u aangeven welke voorzieningen beschikbaar zijn voor forensische zorg, om hoeveel plekken het daarbij gaat, welke problemen bij de toeleiding naar de afzonderlijke zorgvormen bestaan, hoe het concreet met de doorstroom van tbs-gestelden naar alternatieve zorgvormen is gesteld en hoe de afzonderlijke zorgaanbieders met elkaar samenwerken om onder de huidige bestaande omstandigheden een maximaal aantal patiënten de gepaste (beveiligde) zorg en begeleiding te bieden?
Er zijn verschillende type voorzieningen beschikbaar variërend van hoog beveiligde klinische zorg in de vorm van Forensisch Psychiatrische Centra (tbs-klinieken) en Forensische psychiatrische klinieken, maar ook lager beveiligde klinische plaatsen zoals Forensische Psychiatrische Afdelingen en gesloten afdelingen in de reguliere ggz. Daarnaast zijn forensische beschermd wonen plaatsen beschikbaar en allerlei vormen van ambulante begeleiding, behandeling en dagbesteding. In 2025 zijn gemiddeld 1.684 tbs plekken, 926 klinische bedden en 2.029 forensisch wonen bedden gerealiseerd. De druk op hoogbeveiligde klinische zorg is het grootst met plaatsingsproblematiek als gevolg. Daarom zet ik in op uitbreiding van capaciteit. In de voortgangsbrief forensische zorg die ik zojuist aan de Tweede Kamer heb verstuurd, ga ik hier dieper op in. In de bijlage bij de voortgangsbrief is de Staat van de Forensische zorg toegevoegd, met meer cijfermatige overzichten.
De komende jaren wordt ingezet op uitbreiding met nog eens 200 plekken voor de tbs. De realisatie daarvan is mede afhankelijk van verschillende factoren waaronder bouwvergunningen en de beschikbaarheid van voldoende personeel.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en toegelicht in de voortgangsbrief wordt ook gezamenlijk ingezet op het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken naar lagere beveiligingsniveaus en op het bevorderen van het draagvlak van gemeentes. In beginsel ligt de focus op doelgroepen met chronische problematiek die in verschillende mate toezicht en/of zorg nodig hebben op verschillende beveiligingsniveaus (met name laag of niet-beveiligd. Hiermee kunnen op termijn 50 plaatsen op het hoogst beveiligde niveau worden vrijgespeeld.
Kunt u uitsluiten dat de huidige capaciteitsdruk leidt tot onveilige situaties voor personeel en samenleving? En in hoeverre leidt de passantenproblematiek tot schadevergoedingen wegens onrechtmatige detentie?
Het bevorderen van een veilig werk- en behandelklimaat heeft voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid, haar uitvoeringsorganisaties en de zorgaanbieders de hoogste prioriteit. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat incidenten nooit volledig kunnen worden uitgesloten. Daarom proberen wij gezamenlijk van ieder incident te leren en er alles aan te doen om incidenten te voorkomen.
Zoals in de voortgangsbrief toegelicht, heeft een tbs-passant recht op een schadevergoeding wanneer de passantentermijn langer duurt dan vier maanden.2 In totaal is in 2025 is € 545.580,– aan passantenvergoedingen uitgekeerd.
Welke maatregelen zijn nodig om het vastgelopen stelsel vlot te trekken door te voorzien in een adequaat aantal tbs-plekken, om de doorstroom naar alternatieve zorgvormen te optimaliseren en om de samenwerking tussen betrokken organisaties en overheden (onder andere het Openbaar Ministerie, de advocatuur, de Rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Geestelijke Gezondheidszorg, zorginstellingen, decentrale overheden en begeleidende organisaties) te optimaliseren? Bent u bereid om hiervoor de noodzakelijke stappen te zetten, zoals bijvoorbeeld het instellen van een taskforce? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de verdere besluitvorming hierover?
Voor het overzicht van de gezamenlijke inzet om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden, verwijs ik u naar de eerder genoemde voortgangsbrief forensische zorg.
Het bericht ‘Asielzoekers en Oekraïners uitgebuit bij Ibis Hotel, meer misstanden in de branche’. |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Asielzoekers en Oekraïners uitgebuit bij Ibis Hotel, meer misstanden in de branche»?1
Ja.
Kunt u zich vinden in de lezing van deskundigen dat hier sprake is van mensenhandel en uitbuiting?
Het onderzoek van de Arbeidsinspectie loopt nog. Over de inhoud en voortgang van lopende onderzoeken kan de Arbeidsinspectie geen uitspraken doen.
Vindt u het ook Nederland onwaardig dat asielzoekers en Oekraïners op deze manier worden uitgebuit zonder geldige werkpapieren en tegen zeer lage vergoedingen?
Misstanden en uitbuiting van asielzoekers en mensen die zijn gevlucht uit Oekraïne, zijn onacceptabel.
Iedereen die in Nederland werkt heeft recht op eerlijk, gezond en veilig werk. Zij moeten – conform wet- en regelgeving en cao’s – tegen goede arbeidsvoorwaarden en onder goede arbeidsomstandigheden kunnen werken.
Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van werkgevers om werknemers onder goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden te laten werken.
Heeft u zicht op hoe wijdverspreid de problemen met illegale tewerkstelling en onderbetaling zijn in de schoonmaaksector en of dit ook in andere sectoren is gesignaleerd? Zo niet, bent u bereid dit uit te zoeken?
In de technische verkenning naar een sectoraal in- en uitleenverbod en verplicht percentage indiensttreding is geconstateerd dat er in onderdelen van de schoonmaak-, transport-, en teeltsector verhoogde arbeidsrisico’s zijn. Ook is er op sommige plekken in deze sectoren een hoog percentage overtredingen geconstateerd. Op dit moment wordt nader onderzoek gedaan naar deze sectoren. Dit betreft de arbeidsrisico’s en de overtredingen en misstanden, en waar deze zich voordoen in de sector.
In de vleessector zijn de grootste risico’s geconstateerd. De analyse in de genoemde verkenning laat zien dat dit zich vertaalt in een relatief hoog aantal overtredingen van arbeidswetten in de gehele sector.
Hoe gaat u erop toezien dat deze schoonmakers alsnog de betaling krijgen waar zij recht op hebben?
De Arbeidsinspectie houdt toezicht op naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Als er indicaties zijn dat werknemers niet het wettelijk minimumuurloon krijgen, dan wordt hierop gecontroleerd ongeacht de verblijfsstatus van de werknemers. Indien er onderbetaling wordt vastgesteld door de inspecteur, dan wordt er een nabetalingsbrief gestuurd aan de werkgever. De werkgever krijgt vier weken de tijd om een nabetaling te doen. Er kan een last onder dwangsom worden opgelegd als er niet is nabetaald. De werknemer ontvangt een brief, waarin wordt aangegeven dat onderbetaling is geconstateerd. Deze werknemersbrief is in verschillende talen beschikbaar. Omdat de Arbeidsinspectie alleen controleert op het bruto minimumuurloon, wordt in deze brief naar het Juridisch Loket verwezen voor het eventuele problemen met het ontvangen cao-loon.
De Arbeidsinspectie heeft geen bevoegdheid om loon te vorderen namens de werknemer, ongeacht of het een vreemdeling is die illegaal is tewerkgesteld. Op grond van artikel 23 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) kan de illegaal tewerkgestelde vreemdeling door middel van een rechtsvermoeden zelf een loonvordering instellen tegen zijn werkgever. Dit betreft enkel een civielrechtelijke mogelijkheid. De Arbeidsinspectie informeert de werknemer over diens rechten en plichten door tijdens controles een visitekaartje uit te delen van de website workinnl.nl. Daarnaast worden de overtredingen van de Wav met bedrijfsnamen openbaar gemaakt via de website «inspectieresultaten» van de Arbeidsinspectie. Daarmee is ook voor een (voormalig) werknemer zichtbaar dat de werkgever is beboet en kan deze gedupeerde en/of diens gemachtigde een civielrechtelijke procedure starten.
Bent u het eens dat deze situatie kon ontstaan doordat constructies met schimmige tussenpersonen op onze arbeidsmarkt worden toegestaan? Zo niet, waarom niet?
Het staat partijen vrij om arbeidskrachten in te huren zolang de wet daarbij wordt nageleefd. Bij het ontstaan van lange doorleenketens wordt onduidelijk wie de werkgever is van de werknemer. Om naleving te bevorderen is er een fiscale ketenaansprakelijkheid en een civiele ketenaansprakelijkheid voor betaling van het juiste loon. Dit betekent dat naast de werkgever ook de directe opdrachtgever aangesproken kan worden op het voldoen van volgens de wet en cao verschuldigde loon. Dit is met de invoering van de Wet aanpak schijnconstructies per 1 juli 2015 geregeld. Als een werknemer de directe opdrachtgever niet kan aanspreken, dan kan de werknemer naar alle volgende schakels in de keten gaan. Dit is erop gericht om onderbetaling en (ander) misbruik van ketenconstructies tegen te gaan.
Daarnaast geldt de Wet terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta) ook bij doorleenketens. De Wtta zorgt ervoor dat uitleners alleen nog werknemers mogen uitlenen als ze worden toegelaten op de uitleenmarkt. Ook mogen ondernemingen die werknemers inlenen alleen nog samenwerken met uitleners die zijn toegelaten tot de uitleenmarkt. Hierdoor kunnen de verschillende schakels in de keten worden aangesproken op naleving van wet- en regelgeving.
Hoe weegt u het feit dat de inhurende hotelketen wijst naar het Duitse schoonmaakbedrijf, en ook zij weer wijzen naar een volgend ingehuurd bedrijf?
Het is onwenselijk als partijen naar elkaar wijzen en niemand verantwoordelijkheid neemt voor het juist naleven van wet- en regelgeving. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 6 is er in verschillende wetten een ketenaansprakelijkheid opgenomen waardoor ook inhurende partijen aangesproken kunnen worden.
Bent u het eens dat zolang het bedrijf waar de werkzaamheden uiteindelijk plaatsvinden – en waar de werknemers mee te maken krijgen – niet hoofdverantwoordelijk wordt gehouden voor uitbuiting er steeds met vingers gewezen zal worden? Zo nee, waarom niet?
In de eerste plaats is de werkgever met wie de arbeidskracht het dienstverband is overeengekomen verantwoordelijk. Indien nodig biedt de wet, zie het antwoord bij vraag 6 en 7, de mogelijkheid om ook de hoofdopdrachtgever aan te spreken voor betaling van het juiste loon.
Het vereiste van het hebben van een tewerkstellingsvergunning ligt bij de werkgever op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. Iedere werkgever in de keten is verantwoordelijk voor de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen. Onder het begrip «werkgever» in de zin van de Wet arbeid vreemdeling valt o.a. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten. De inlener wordt dus ook als werkgever gezien.
Voor Oekraïense burgers die in Nederland onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vallen, geldt dat zij in Nederland arbeid in loondienst mogen verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. De werkgever moet hen wel melden bij het UWV2. Voor mensen in de asielprocedure geldt dat zij mogen werken indien hun werkgever een tewerkstellingsvergunning heeft gekregen van het UWV3.
Daarnaast wordt er met het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel4 de strafrechtelijke aansprakelijkheid van arbeidsuitbuiting verruimd. In de beoogde nieuwe wetgeving richt de strafbaarstelling zich ook tot inleenconstructies. Wanneer een persoon of bedrijf via een uitzendbureau arbeidsmigranten tewerkstelt en weet of hele duidelijke signalen krijgt dat de betreffende persoon door het uitzendbureau ernstig wordt benadeeld of wordt uitgebuit, dan kan de inlener strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de verantwoordelijkheid voor correcte tewerkstelling en fatsoenlijke betaling meer bij de inhuren bedrijven komt te liggen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het eens dat gezien deze uitbuiting waar uitzendbureaus een grote rol in speelden, en gezien de eerdere signalen vanuit de arbeidsinspectie over de schoonmaaksector2, het passend zou zijn om in deze sector een verbod op uitzendbureaus in te stellen? Of bent u op zijn minst bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zoals beantwoord bij vraag 4 wordt op dit moment nader onderzoek gedaan naar de schoonmaaksector. Ook ben ik in gesprek met de sector over wat de partijen zelf kunnen doen. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek en de opbrengsten van deze gesprekken ga ik mij beraden op de verdere te nemen stappen.
In de vleessector zijn de grootste risico’s geconstateerd. Door het vorige kabinet is daarom besloten een in- en uitleenverbod voor te bereiden als stok achter de deur voor de vleessector. De standaarden om te bepalen of een in- en uitleenverbod nodig is, gelden voor alle sectoren. Op dit moment wordt de impact en effectiviteit van een verbod verder ondergezocht. Dit kabinet zal vervolgens besluiten of verdere stappen, bijvoorbeeld het daadwerkelijk invoeren van een verbod, gepast en evenredig is. Ook zullen we bezien of in alle sectoren met verhoogde arbeidsrisico’s voldoende voortgang is geboekt.
Hoe ziet u een verbod op onderaanneming in de schoonmaaksector? Wat zijn hier de mogelijkheden voor?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bekend met het bericht «Starter gezocht: leeftijd steeds vaker reden voor discriminatie» waaruit blijkt dat leeftijd steeds vaker een reden is voor discriminatie, onder andere bij werving en selectie?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Kunt u reageren op de inhoud van dit bericht?
Uit het bericht komt naar voren dat het afgelopen jaar het aantal meldingen en verzoeken om een oordeel over leeftijdsdiscriminatie is toegenomen bij het College van de Rechten van de Mens (CRM). Leeftijdsdiscriminatie betekent dat iemand wordt benadeeld vanwege zijn leeftijd, bijvoorbeeld jongeren of ouderen. De meldingen hadden daarnaast vooral betrekking op leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie. Het uitsluiten van mensen op basis van leeftijd is niet toegestaan en onacceptabel. Ik vind het van belang dat mensen bij werving en selectie objectief worden beoordeeld. Leeftijd mag daarbij geen rol spelen.
Hoe verklaart u dat leeftijdsdiscriminatie ondanks een wettelijk verbod toch voorkomt op de arbeidsmarkt? Waar schiet volgens u de huidige aanpak tekort?
Het is helaas bekend dat ondanks een wettelijk verbod op discriminatie, discriminatie op diverse gronden waaronder ook leeftijd, nog steeds voorkomt. Er worden veel inspanningen verricht door de rijksoverheid om discriminatie te voorkomen en aan te pakken. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het nieuwe kabinet actief aan de slag gaat met het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie. Van werkgevers vragen we dat zij hun verantwoordelijkheid nemen in het beëindigen van discriminatie op de werkvloer en bij werving en selectie. Ik ga hierover zo snel mogelijk in gesprek met de Kamer.2 Momenteel worden werkgevers gestimuleerd en ondersteund om gelijke kansen te bieden bij het wervings- en selectiebeleid via het Offensief Gelijke Kansen. Hierbij worden werkgevers ondersteund via diverse hulpmiddelen om discriminatie bij werving en selectie tegen te gaan. Het is bekend dat veel discriminatie onbewust plaatsvindt. Met het Offensief Gelijke Kansen worden werkgevers hiervan bewust gemaakt en krijgen zij handvatten om onbewuste aannames en vooroordelen tegen te gaan.3
Herkent u het beeld dat er een toename is van leeftijdsdiscriminatie? In hoeverre speelt een hogere meldingsbereidheid een rol in de stijgende cijfers?
Het meten van discriminatie is moeilijk, onder meer omdat het gaat om persoonlijke ervaringen van slachtoffers, mensen discriminatie niet altijd als zodanig herkennen en mensen niet altijd overgaan tot het doen van een melding. Gemiddeld meldt 1 op de 10 mensen een incident van discriminatie.4 Het aantal meldingen van discriminatie bij officiële instanties zoals de politie en het CRM kan een beeld geven van discriminatie in Nederland. In de monitor Discriminatiezaken 2025 komt een duidelijke toename naar voren ten aanzien van leeftijdsdiscriminatie, met name bij werving en selectie. Mensen weten dus steeds beter hoe en waar ze een discriminatie-incident moeten melden en dit draagt bij aan de verdere aanpak van discriminatie.
Dit zou indirect kunnen zorgen voor een toename van de meldingsbereidheid en daarmee een verhoging van het aantal meldingen. Tegelijkertijd is het moeilijk vast te stellen of meldingsbereidheid meespeelt bij de toename van het aantal meldingen of leeftijdsdiscriminatie in het algemeen. Het kabinet blijft zich inzetten om de drempels voor het melden van discriminatie te verlagen. De Minister van BZK werkt aan een landelijke publiekscommunicatie, die hieraan actief bijdraagt. De lancering van de campagne is beoogd voor de tweede helft van 2026.
Heeft u in beeld of leeftijdsdiscriminatie een algemeen verschijnsel is op de arbeidsmarkt ofwel voornamelijk voorkomt in specifieke sectoren en gevallen?
Het is mij niet bekend of er onderzoek gedaan wordt naar leeftijdsdiscriminatie in specifieke sectoren. Wel weten we dat veel meldingen van discriminatie bij officiële instanties vaak betrekking hebben op arbeidsmarktdiscriminatie, specifiek bij werving en selectie en dat leeftijdsdiscriminatie daarbij relatief veel voorkomt. Uit de Nationale enquête arbeidsomstandigheden 2024 gaf 11% van de werknemers aan zich in de afgelopen twaalf maanden gediscrimineerd te hebben gevoeld op het werk. Discriminatie vanwege afkomst, huidskleur of nationaliteit (3,4%) en vanwege leeftijd (2,9%) kwamen het meest voor, gevolgd door discriminatie vanwege geslacht (2,1%).5
Op welk vlak schiet het huidige beleid tekort als veel 55-plussers ondanks de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt toch moeite hebben om passend werk te vinden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat discriminatie, en meldingen van discriminatie, serieus genomen en beter afgehandeld moeten worden?
Iedere melding van discriminatie die bij een officiële meldinstantie binnenkomt wordt serieus genomen, geregistreerd en opgevolgd. Een goede afhandeling van meldingen is van groot belang. Op dit moment kunnen mensen die discriminatie ervaren dit melden bij onder andere de politie en het CRM. Wel blijft het moeilijk om discriminatie objectief vast te stellen. Het gaat om persoonlijke ervaringen van mensen die niet altijd goed met feiten onderbouwd en aangetoond kunnen worden. Een oordeel van het CRM kan vervolgens gebruikt worden voor civielrechtelijke stappen. De antidiscriminatievoorzieningen (ADV) in Nederland bieden laagdrempelig toegang tot hun meldpunten en ondersteunen melders bij de afhandeling van hun klacht, geven hen advies en beantwoorden vragen over discriminatie. Het kabinet werkt aan het verder versterken van de ADV’s. Zo werkt de Minister van BZK aan een wetsvoorstel waarmee de huidige ADV’s twee nieuwe taken krijgen, namelijk het werken aan preventie van discriminatie en het actief doorgeleden van mensen ten behoeve van nazorg.
Hoe zorgt u op het moment ervoor dat werkgevers en HR-professionals beter worden voorbereid op het herkennen en voorkomen van leeftijdsdiscriminatie?
In het Offensief Gelijke kansen wordt samen met AWVN, SER-Diversiteit in Bedrijf en branche- en sectororganisaties gewerkt aan de opschaling van evidence-based methodes voor objectieve werving en selectie van werknemers bij met name het midden- en kleinbedrijf. Veel van deze methodes komen voort uit de werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA). En samen met werkgevers wordt er gewerkt aan de (door)ontwikkeling van effectieve interventies in de in- en doorstroom en de talentontwikkeling van werknemers, de actieve ondersteuning van bedrijven en het uitdragen van de opgedane inzichten op het gebied van objectieve werving en selectie. Dit draagt bij aan het verbeteren van de arbeidsmarktkansen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder ouderen of jongeren.
Welke andere maatregelen neemt u om oudere mensen aangesloten te houden op de arbeidsmarkt?
Naast het Offensief Gelijke Kansen wil het kabinet met behulp van actieve ondersteuning en begeleiding op maat de arbeidsmarktkansen van alle werkzoekenden vergroten, dus ook die van 55-plussers. UWV, gemeenten, werkgevers, werkenden en werkzoekenden werken hier elke dag hard aan. Daarom richten wij ons op dit moment op de versterking van de arbeidsmarktinfrastructuur. Dit omvat de verdere ontwikkeling van de Werkcentra waar werkzoekenden, werkenden en werkgevers ondersteuning krijgen bij hun werk- en ontwikkelvragen, en de versterking van het van-werk-naar-werk-stelsel, waarin sociale partners gerichte inspanningen leveren.
Daarnaast wordt onder coördinatie van de Minister van Binnenlandse Zaken gewerkt aan de brede aanpak van discriminatie. Deze aanpak werkt ook op de bewustwording rondom discriminatie en kan hierdoor tevens bijdragen aan de positie van ouderen op de arbeidsmarkt. Zo kunnen ouderen die in een sollicitatieprocedure leeftijdsdiscriminatie ervaren dit melden bij een ADV of bij het CRM. Daarnaast ziet de nieuwe preventieve taak voor ADV’s ook op het voorkomen van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt.
Welke consequenties zijn momenteel verbonden aan leeftijdsdiscriminerend handelen door werkgevers of organisaties?
Een oordeel van het CRM is openbaar en als beoordeeld is dat er sprake is van discriminatie, kan dit o.a. leiden tot imago- en reputatieschade van een werkgever. Vaak is dit al genoeg voor een organisatie om passende maatregelen te nemen. Een oordeel van het CRM kan daarnaast ook gebruikt worden in een rechtszaak. Een rechter kan vervolgens civielrechtelijke sancties opleggen zoals een schadevergoeding of nietigverklaring, als er bijvoorbeeld sprake is van ontslag op basis van discriminatie.
Kunt u ons nader informeren wat de stand van zaken is en welke concrete resultaten de ingezette maatregelen hebben opgeleverd, zoals die zijn aangekondigd in de Kamerbrief van 18 januari 2024?2 Zijn er sinds deze Kamerbrief aanvullende acties ondernomen? Zo ja, welke? Zo nee, bent u nog voornemens aanvullende acties te ondernemen?
Mijn ambtsvoorganger in het kabinet Rutte IV heeft zich met de Seniorenkansenvisie ingezet om een algemene herwaardering van 55-plussers op de arbeidsmarkt te realiseren. Het Verweij Jonker Instituut heeft als belangrijk onderdeel van de Seniorenkansenvisie afgelopen jaar onderzocht of een assessment de beeldvorming van werkgevers kan veranderen en of het assessment de werkzoekende meer inzicht geeft in de eigen vaardigheden, zodat de baankansen worden vergroot.7 Het onderzoek geeft aan dat een baan vinden niet voor iedereen gemakkelijk is en dat de redenen daarvoor divers zijn. De seniorenkansenvisie bevestigt dat ouderenbeleid maar in beperkte mate effectief is gebleken. Het geven van een loonkostenvoordeel voor ouderen heeft bijvoorbeeld maar in beperkte mate geleid tot een hogere arbeidsparticipatie van ouderen. Met de oplevering van dit onderzoek is de Seniorenkansenvisie afgerond. UWV blijft inzetten op maatwerk in het kader van de menselijke maat voor alle werkzoekenden (incl. ouderen). De aanpak van leeftijdsdiscriminatie zal meegenomen worden in de algemene aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie.
Bent u bereid om met werkgeversorganisaties verder te verkennen hoe beeldvorming van 55-plussers kan worden verbeterd, gelet op het belang van een positieve beeldvorming van 55-plussers waar het kabinet in dezelfde brief over schrijft?
Ja, ik ben regelmatig in gesprek met werkgeversorganisaties, bijvoorbeeld over de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. Het gaat dan om de aanpak op alle discriminatiegronden, waaronder ook leeftijd. Veel acties gericht op het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie, zoals de inzet van objectieve werving en selectie, dragen bij aan de diversiteit van het personeelsbestand. Binnen het Offensief Gelijke Kansen proberen we goede voorbeelden rondom diversiteit en inclusie op te halen en verder te verspreiden onder werkgevers. Dit draagt hopelijk bij aan een betere beeldvorming rondom de arbeidsparticipatie van ouderen.
Kijkt u in het kader van de verkenning die is aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december 2025 ook expliciet naar het stimuleren van LLO-deelname bij 55-plussers, aangezien zij gemiddeld juist minder vaak deelnemen aan deze programma’s? Zo nee, bent u bereid dit expliciet op te nemen in de aangekondigde verkenning?
Het doel van de verkenning is om te komen tot één of meer technisch haalbare ontwerpen voor een leerrekening die doelmatig en doeltreffend is. Daarbij onderzoeken we voor welke doelgroepen een leerrekening het meeste effect kan hebben, in het bijzonder groepen die nu minder vaak deelnemen aan leven lang ontwikkelen (LLO), zoals 55-plussers.
Vaak gaat het bij het stimuleren van deelname aan bij- en omscholing om een combinatie van factoren. Daarom sturen we niet uitsluitend op leeftijd, maar nemen we 55-plussers wel degelijk mee als relevante doelgroep binnen de bredere analyse. Onderzoek laat zien dat in 2024 44 procent van 16- tot 39-jarigen aangeeft in de afgelopen twee jaar een training gevolgd te hebben; terwijl dit voor 55-plussers maar 28 procent is.8 In de scenario’s die worden uitgewerkt, kijken we onder andere naar kenmerken zoals leeftijd, opleidingsniveau en arbeidsverhouding. Op die manier kunnen we beter inzicht krijgen in welke groepen mensen binnen de beroepsbevolking het meest gebaat zijn met een eigen budget voor bij- en omscholing.
Het gebruik van foutieve algoritmes bij de reclassering |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Risicovol algoritmegebruik» van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) waaruit blijkt dat de reclassering jarenlang een gebrekkig algoritme gebruikte om recidiverisico’s te voorspellen?1
Ja.
Hoelang worden deze foutieve algoritmes gebruikt?
De reclassering heeft de OxRec in 2018 in gebruik genomen.
Hoelang was u al op de hoogte van deze problemen bij de reclassering?
De aard en omvang van de problemen rondom de algoritmes bij de reclassering zijn bij mij in beeld gekomen door het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de Inspectie). De Inspectie heeft de reclassering en het ministerie medio 2025 bericht over de voorlopige bevindingen. Het definitieve rapport is in december 2025 opgeleverd door de Inspectie.
Waarom zijn deze foutieve algoritmes niet eerder stopgezet?
Het pauzeren van de OxRec heeft impact op de wijze waarop adviezen tot stand komen en raakt daarmee het dagelijks werk van vele reclasseringswerkers. Zo’n wijziging lijkt op zichzelf klein, maar heeft flinke impact, zeker omdat deze veel medewerkers raakt. Een goede voorbereiding van de pauzering door nieuwe werkafspraken te maken, was essentieel om de kwaliteit van de adviezen te kunnen blijven garanderen. Dit kostte tijd. Het eerder op verantwoorde wijze pauzeren van de OxRec dan 12 februari jl. werd niet mogelijk geacht.
Hoeveel plegers van ernstige geweldsmisdrijven zijn door deze foutieve algoritmen eerder op straat gekomen?
De inspectie concludeert dat de OxRec door de implementatiegebreken in circa 21 procent (bij algemene recidive) en 6 procent (bij gewelddadige recidive) van de gevallen tot een andere risicocategorie zou zijn gekomen. Dat betreur ik zeer. In het verbetertraject van de reclassering worden alle aanbevelingen van de Inspectie overgenomen. Het is helaas niet mogelijk om binnen dit traject met terugwerkende kracht vast te stellen of reclasseringswerkers door de implementatiegebreken in de OxRec tot andere adviezen zijn gekomen, laat staan of dit tot andere strafrechtelijke beslissingen zou hebben geleid. Reclasseringsadviezen zijn namelijk altijd gebaseerd op een menselijk oordeel, en dit menselijk oordeel kan niet achteraf opnieuw worden geconstrueerd.2
Hoe beoordeelt u de conclusie van de IJenV dat in circa een kwart van de gevallen het recidiverisico te hoog of te laag is ingeschat door fouten in het algoritme?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre kunt u vaststellen dat op basis van deze gebrekkige algoritmes er verkeerde beslissingen worden genomen?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u het mogelijk dat fouten als gevolg van gebrekkige algoritmes invloed hebben op de veiligheid van de samenleving of de rechtspositie van betrokkenen?
Zie antwoord vraag 5.
Gaat u onderzoek doen naar de gevolgen van het gebruik van deze algoritmes door de reclassering?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe oordeelt u over de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat door het gebruik van kenmerken als postcode en inkomen in algoritmen, er indirect sprake kan zijn van discriminatie?
Volgens de Inspectie kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van deze factoren kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.3
Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.4
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de fouten door het gebruik van gebrekkige algoritmen te herstellen en het systeem te verbeteren om herhaling te voorkomen?
Alle conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Inspectie worden in het verbetertraject door de reclassering opgepakt.
Wanneer verwacht u de Kamer informeren over de voortgang van het herstel en de verbeteringen?
Ik verwacht de Kamer in het najaar van dit jaar te kunnen informeren over de opvolging van de aanbevelingen.
Het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese?1
Ja.
Vindt u haar opmerking dat Israël de «gemeenschappelijke vijand van de mensheid is» ook onacceptabel en buitengewoon onsmakelijk? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de recente discussie over uitspraken van Speciaal Rapporteur Albanese. Na bestudering van de videoregistratie van de bijdrage aan het Al Jazeera Forum blijkt dat mevrouw Albanese deze uitspraak niet zo heeft gedaan. Evenwel is het kabinet kritisch op de gedane uitspraken en roept het de Speciaal Rapporteur op om af te zien van polariserende uitspraken in het publieke domein.
Ziet u ook dat haar recente uitspraken geen incident zijn, maar onderdeel vormen van een bredere activistische haatcampagne tegen Israël en het Joodse volk? Zo nee, waarom niet?
Het is bekend dat Nederland bepaalde uitlatingen van mevrouw Albanese uit het verleden afkeurt. De zorgen over deze uitlatingen zijn aan haar overgebracht in meerdere gesprekken. Indien nodig zal het kabinet zorgen over de impact van bepaalde uitlatingen van mevrouw Albanese opnieuw onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om zich achter Frankrijk te scharen en bij de VN-mensenrechtenraad onomwonden te pleiten voor het ontslag van Albanese? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. De recente uitspraken van mevrouw Albanese zijn wat het kabinet betreft geen reden om op te roepen tot haar aftreden. In de Mensenrechtenraad heeft Frankrijk overigens niet opgeroepen tot het ontslag van mevrouw Albanese, maar in algemene termen opgeroepen tot «terughoudendheid en discretie» door alle VN Speciaal Rapporteurs in het uitvoeren van hun mandaat.
Wilt u deze vragen vóór de eerstvolgende sessie van de VN-mensenrechtenraad beantwoorden?
Het kabinet heeft de vragen zo snel mogelijk en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoord.
Het artikel 'Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen meeste raadsleden door' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen de meeste raadsleden door»?1
Ja, van dit artikel heb ik kennis genomen.
Hoe oordeelt u over het bericht dat de agressie, bedreiging en intimidatie die gemeenteraadsraadsleden ervaren sinds vier jaar meer dan verdubbeld is?
Als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sta ik achter onze raadsleden. Het is onacceptabel dat onze volksvertegenwoordigers bedreigd en geïntimideerd worden. De berichten over de toename van agressie, bedreiging en intimidatie richting de gemeenteraadsleden zijn zorgelijk. Daarom zet ik mij door middel van het programma Weerbaar Bestuur in om de gemeenteraadsleden beter te beschermen en te ondersteunen na een incident.
Hoe oordeelt u over het bericht dat een derde van de raadsleden in de afgelopen bestuursperiode te maken heeft gehad met agressie, bedreiging of (verbaal) geweld, ruim twee keer zoveel als in 2022 en ruim zes keer zoveel als in 2015?
Agressie, bedreiging en intimidatie aan het adres van raadsleden zijn onaanvaardbaar. De berichten over de toename van incidenten zijn mij bekend en ik vind deze zeer verontrustend. Samen met het Netwerk Weerbaar Bestuur werkt mijn ministerie sinds 2018 aan het vergroten van de veiligheid van politieke ambtsdragers, onder wie raadsleden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat dertig procent van de bedreigde raadsleden aangeeft dat haar functioneren hierdoor wordt beïnvloed?
Het is ontoelaatbaar dat bedreigingen het functioneren van raadsleden beïnvloeden. Bedreigingen zijn niet normaal en horen niet bij het ambt. Raadsleden moeten hun werk zonder dreiging of druk van buitenaf kunnen uitvoeren. Als zij niet vrij hun werk kunnen doen, schaadt dit de democratie. Agressie, bedreiging en intimidatie moeten niet genormaliseerd worden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat vrouwelijke raadsleden meer bedreigd worden dan mannelijke raadsleden?
Online agressie treft vrouwelijke ambtsdragers in hogere mate dan hun mannelijke collega’s. Deze agressie is vaker op de persoon gericht en wordt als ernstiger ervaren. Dit is zorgwekkend. Daarom heeft mijn ministerie in samenwerking met het Netwerk Weerbaar Bestuur een steunpakket online agressie en intimidatie ontwikkeld, gericht op het ondersteunen van (vrouwelijke) politieke ambtsdragers die slachtoffer worden van online agressie. Dit steunpakket bevat praktische tips voor de preventie van, reactie op en nazorg na online agressie en intimidatie. Het steunpakket is te vinden op de website van het Netwerk Weerbaar Bestuur: https://www.weerbaarbestuur.nl/producten-en-diensten/steunpakket-preventie.
Wat gebeurt er om de raadsleden beter te beschermen en weerbaar te maken tegen dit soort praktijken?
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur van het Ministerie van BZK zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Wat kunt u verbeteren in de aanpak van agressie en bedreiging tegen raadsleden?
Er is al veel hulp beschikbaar voor decentrale volksvertegenwoordigers wanneer zij met agressie, intimidatie of bedreiging te maken krijgen. Toch kunnen wij hen op sommige vlakken beter ondersteunen. Dit geldt allereerst voor steun bij online agressie en bedreigingen. Daarom wil ik middelen vrijmaken voor een onderzoek naar online agressie en alternatieve sanctiemogelijkheden. Hierdoor kunnen we daders beter aanpakken. Ook het aangifteproces kan worden versimpeld. Daarom werken mijn ambtsgenoot van JenV en ik aan een modelaangifte waardoor het doen van aangifte door of namens politieke ambtsdragers makkelijker wordt. Over de opvolging van aangifte door Politie en OM blijf ik met mijn ambtsgenoot van JenV in gesprek. Tot slot moeten raadsleden, Statenleden en algemeen besturen van waterschappen veilig kunnen vergaderen. Daarom heb ik uw Kamer op 16 februari jl. geïnformeerd dat ik voornemens ben hier aanvullende middelen voor vrij te maken (Kamerstukken II 2025–2026 36 800 VII, nr. 66).
Bent u bereid hierin waar nodig samen te werken met de Ministerie van Justitie en Veiligheid, bijvoorbeeld door aanscherping van het programma «Bewaken en beveiligen»?
Naast de eerder benoemde preventieve en weerbaarheidsverhogende maatregelen kunnen er verschillende veiligheidsmaatregelen getroffen worden. Binnen het taakveld bewaken en beveiligen kunnen op gezag van OM, burgemeester of NCTV veiligheidsmaatregelen ingezet worden. Ik werk daarom nauw samen met de Minister van Justitie en Veiligheid met als doel om al onze volksvertegenwoordigers veilig hun werk te kunnen laten doen.
Het bericht dat jongeren in de jeugdzorg niet durven te klagen over misstanden. |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderombudsman: jongeren in de jeugdzorg durven niet te klagen over misstanden» in de Trouw d.d. 11 februari 2026?
Ja.
Deelt u de mening dat het van cruciaal belang is dat kinderen in de jeugdzorg zich veilig genoeg voelen om een klacht in te dienen bij misstanden?
Ja. Het klachtrecht in de jeugdzorg is een belangrijke vorm van rechtsbescherming voor jeugdigen en/of ouders. Jeugdigen en/of ouders moeten zich veilig genoeg voelen om te klagen over de manier waarop een instantie hen helpt (onder meer over bejegening). Klachtrecht is ervoor bedoeld dat jeugdigen en/of ouders zich gehoord voelen en dat een klacht kan bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat kinderen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten?
In het rapport «Je bent maar een kind, je durft gewoon niet»1 is één van de bevindingen dat jeugdigen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten. Ik vind dit zorgelijk. De voormalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en mijn ambtsvoorganger hebben vorig jaar onderzoek laten uitvoeren om een actueel overzicht te krijgen van de uitvoeringspraktijken en verbeterpunten van interne klachtbehandeling bij organisaties in het brede jeugdzorgdomein. Dit onderzoek is 17 december jl. aan uw Kamer aangeboden2. Het rapport biedt aanknopingspunten om het klachtrecht te verbeteren. Het is een omvangrijk rapport dat aanbevelingen doet op zowel juridisch gebied als op de uitvoering. Momenteel bestuderen de Staatssecretaris van JenV en ik dit nader. Hiervoor voeren het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS gesprekken met de betrokken organisaties, zoals met de VNG en de brancheorganisaties. Ook gaan we in gesprek met jongeren als onderdeel van de kinderrechtentoets. De bevindingen uit het rapport van de Kinderombudsman nemen we hierin uiteraard mee. Voor de zomer van 2026 informeren de Staatssecretaris van JenV en ik de Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de te zetten stappen.
Herkent u de signalen uit het onderzoek van de Kinderombudsman, waaruit blijkt dat kinderen in de jeugdzorg vrijwel nooit een formele klacht durven in te dienen uit angst voor repercussies? Wat vindt u hiervan?
Uit de cijfers van Jeugdstem blijkt dat zij de afgelopen drie jaar duizenden jongeren en ouders hebben ondersteund bij een klachttraject, zie de tabel hieronder:
Klacht ondersteuningstrajecten
Jeugdigen
Ouders
2023
1.912
1.613
2024
2.521
1.832
2025
2.480
1.895
Ik vind het belangrijk dat jongeren zelfstandig een klacht kunnen indienen in een veilig pedagogisch klimaat. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor het creëren en het waarborgen van een cultuur waar het veilig en toegankelijk is voor jeugdigen en ouders om een klacht in te dienen. Ook is het van belang dat klachtenprocedures toegankelijk zijn en er een organisatiecultuur is waarin geleerd wordt van feedback van jeugdigen en ouders. Deze aanbeveling komt ook overeen met een aanbeveling uit het eerder genoemde rapport3.
Daarom is het belangrijk dat zij een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon die hen kan ondersteunen bij het indienen van een klacht. Ik subsidieer hiervoor Jeugdstem, een landelijke en onafhankelijke organisatie van vertrouwenspersonen in de jeugdzorg, die hen een luisterend oor biedt. Deze gesprekken zijn veilig en vertrouwelijk. Jeugdigen en ouders kunnen ook bij een vertrouwenspersoon terecht voor informatie en advies, onder meer over hun rechtspositie.
Bent u op de hoogte van de wijze waarop jeugdzorgorganisaties hun klachtenprocedures inrichten?
Met het hierboven genoemde onderzoek is een beeld gegeven van de klachtenprocedures in het jeugdzorgdomein. Het is de taak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) om toe te zien of een jeugdhulpaanbieder beschikt over een klachtenprocedure die voldoet aan de Jeugdwet.
Het onderzoek stelt dat de klachtenprocedures te ingewikkeld zijn en het voor jongeren vaak niet duidelijk is hoe de klachtenprocedure werkt, herkent u de conclusies uit het onderzoek van de Kinderombudsman over de gebreken in de klachtenprocedures van de jeugdzorg?
Ik herken dit beeld. Dit wordt ook bevestigd in het onlangs gepubliceerde onderzoek naar klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein4, dat in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van VWS is uitgevoerd.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de klachtenprocedures in de jeugdzorg verbeterd worden en kinderen zich veilig voelen om informeel, dan wel formeel te melden?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, wordt uw Kamer voor de zomer van 2026 geïnformeerd over te zetten stappen.
Klopt het dat in sommige gevallen een officiële klacht ingediend moet worden via een begeleider?
Op grond van de Jeugdwet mogen jeugdigen en/of ouders zelfstandig een klacht indienen. Hier is geen begeleider voor nodig. Desgewenst kunnen jeugdigen en/of ouders een beroep doen op ondersteuning indien dit wenselijk wordt geacht.
Het onderzoek van de Kinderombudsman stelt ook dat de afhandeling van klachten onvoldoende verloopt, herkent u dit beeld en zo ja hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt verbeterd?
Ja, ik herken dit beeld. Voor de zomer van 2026 informeren we de Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de voortgang van de te zetten stappen.
Deelt u de mening dat een gebrek aan lerend vermogen bij de organisatie naar aanleiding van een klacht de drempels hiertoe voor een jongere nog hoger maakt? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit lerend vermogen toeneemt?
Dit zou niet zo moeten zijn. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, dient het klachtrecht onder meer bij te dragen aan het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp. Het eerdergenoemde onderzoek5 geeft op dit punt ook een aanbeveling. Mede hierover voeren het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS gesprekken met de betrokken organisaties
Kunt u aangeven op welke manier klachtenprocedures binnen de residentiële jeugdhulp beter kunnen aansluiten bij de aanbevelingen die de Kinderombudsman in 2016 hierover heeft gedaan?
In de vervolgstappen op het eerder genoemde onderzoek zullen ook de bevindingen uit het recente rapport van de Kinderombudsman en de aanbevelingen van de Kinderombudsman uit 2016 worden meegenomen. Overigens zijn er sindsdien 2016 wel ontwikkelingen geweest. Zo heeft Jeugdstem in 2023 materiaal ontwikkeld, waarmee professionals in een vroeg stadium met cliënten het gesprek aan kunnen gaan over welke stap het beste genomen kan worden wanneer ze ontevreden zijn. Het doel hiervan is om de informatievoorziening voor jeugdigen en ouders te verbeteren en de toegankelijkheid van klachtenprocedures te vergroten. Ook heeft Jeugdstem opleidingsmateriaal over klachtafhandeling ontwikkeld voor professionals.6
Hoe ziet u uw rol als stelselverantwoordelijke ten aanzien van de jeugdzorg in het verbeteren van de klachtenprocedures?
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor de wettelijke kaders voor de klachtenprocedures bij jeugdzorgorganisatie. Organisaties in het jeugdzorgdomein kunnen binnen deze kaders hun eigen interne klachtenprocedure inrichten. Met de Staatssecretaris van JenV kijk ik naar de mogelijkheden om klachtenprocedures te versterken.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden?
Ja, zie antwoorden hierboven.
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
Het aflopen van de 30jaarstermijn en het budgettair beslag van de hypotheekrenteaftrek |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Uit berichten van onder andere het FD en TaxLive1 blijkt dat na 2031 honderdduizenden mensen hun recht op renteaftrek verliezen, maar dat de administratie hiervoor ontbreekt, zowel bij de Belastingdienst als bij banken: wat doet u om te voorkomen dat deze situatie uitloopt op massale bezwaarprocedures en administratieve chaos voor burgers en uitvoerders?
Is er wat u betreft een risico dat financiën na 2031 geconfronteerd zal worden met aanzienlijk hogere derving voor de hypotheekrenteaftrek, aangezien met geen mogelijkheid gecontroleerd kan worden welke belastingplichtigen al gedurende 30 jaar gebruik hebben gemaakt van de aftrek en vele belastingplichtigen de aftrek achteloos zullen blijven toepassen?
Het huidige coalitieakkoord lijkt geen wijziging aan te brengen in de ramingen rond de hypotheekrenteaftrek: waarom is er geen rekening gehouden met extra budgettaire risico’s?
Zijn er überhaupt budgettaire risicoanalyses beschikbaar ten aanzien van dit thema?
Zo nee, bent u bereid om deze vorm te geven?
Waarom is bij het ontwerp van dit systeem volgens u destijds niet beter nagedacht over de uitvoerbaarheid op de lange termijn en de benodigde administratieve waarborgen?
Klopt het dat het kabinet feitelijk maar vijf jaar administratie/aangiften bijhoudt en bewaart van particulieren?
Kunt u aangeven waarom de Belastingdienst maar vijf jaar aan administratie bewaart, terwijl de hypotheekrenteaftrek een looptijd tot 30 jaar kent?
Hoe verhouden deze standaarden aan de kant van de Belastingdienst zich tot de administratievereisten voor belastingplichtigen(in het bijzonder ondernemers/zelfstandigen)?
Acht u het verantwoord om van burgers te verlangen dat zij, 30 jaar na ingang van hun hypotheek, zelf kunnen aantonen dat zij nog recht hebben op renteaftrek, terwijl de overheid en banken de administratieve gegevens veel korter bewaren? Ziet u risico’s voor rechtszekerheid en belastingmoraal?
Bent u voornemens de 30 jaarstermijn te verlengen, omdat de huidige einddatum gezien de beperkte administratie aan de kant van de overheid niet te handhaven is?
Kunt u aangeven wat de jaarlijkse budgettaire gevolgen zijn als de termijn wordt verlengd tot bijvoorbeeld 2040?
Is hiertoe reeds financieel beleid of een kostenraming beschikbaar?
Wanneer verwacht u met een concreet voorstel te komen om de uitvoeringsproblemen rond deze kwestie tijdig op te lossen?
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Veiligheid van Joodse studenten en isolatie van dissidente academici |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview «Onderzoeker Amanda Kluveld: Er zijn Joodse studenten die met studie stopten om onveiligheid»?1
Ja.
Hoe duidt u de uitspraak dat actiegroep Free Palestine Maastricht een eigen «kantoortje» heeft op de Maastricht University?
Instellingen gaan – binnen de kaders van wet- en regelgeving – zelf over wie zij gebruik laten maken van de ruimtes op hun instelling. Binnen deze kaders staat het instellingen vrij om hun eigen criteria te hanteren. Van de Universiteit Maastricht heb ik begrepen dat zij bepaalde ruimtes beschikbaar stelt aan studentorganisaties, Free Palestine Maastricht is er daar een van. Het criterium dat de Universiteit Maastricht hanteert voor het gebruik maken van deze ruimtes is dat een organisatie een studentorganisatie moet zijn die bij de universiteit bekend is en geregistreerd staat. In het geval van Free Palestine Maastricht is dit zo.
Het is aan de instelling, die de verantwoordelijkheid voor een veilige leer- en werkomgeving draagt, om deze beoordeling te maken. Ik vertrouw op de afweging die de Universiteit Maastricht hierin maakt.
Mag een politieke actiegroep als Free Palestine Maastricht volgens het bestaande universiteits- en onderwijsbeleid gebruikmaken van permanente kantoorruimtes op universiteiten? Zo ja, welke criteria gelden daarvoor en wie beslist hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met de onderzoeker in kwestie eens dat de oproep «Kill All Zionists» als profielnaam op Instagram in feite een directe oproep tot geweld is tegen Joodse studenten en medewerkers? Hoe verhouden zulke uitingen zich tot een veilige en inclusieve leeromgeving?
Laat duidelijk zijn dat het kabinet dergelijke uitingen sterk van de hand wijst. Daarbij passen dergelijke uitingen uiteraard ook niet in een veilige en inclusieve leeromgeving. Het is niet aan mij als Minister om te oordelen of er sprake is van een directe oproep tot geweld. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit. In het algemeen kan ik wel met uw Kamer delen dat het rapport «Gevangen in vrijheden»2 van de Taskforce Bestrijding Antisemitisme ons leert dat in sommige gevallen antizionisme kan fungeren als dekmantel voor antisemitische sentimenten. Het rapport stelt dat antizionisme een antisemitisch karakter krijgt wanneer antizionistische uitingen gepaard gaan met ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden, het gebruik van antisemitische stereotypen of het collectief verantwoordelijk stellen van Joden voor het handelen van Israël.
Bent u bekend met het artikel «Zwijg, zionist! Hoe universiteiten dissidenten monddood maken»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat academici die afwijkende opvattingen hebben over Israël en Gaza zich beperkt voelen in hun vrijheid van meningsuiting?
Ik ben ervan op de hoogte dat het open debat over Israël en Gaza aan universiteiten al enige tijd onder grote druk staat. Het signaal dat academici zich beperkt voelen in het uiten van hun opvattingen hierover vind ik zorgelijk. Onderwijsinstellingen zijn bij uitstek de plaats voor open debat en dialoog, waarin er ruimte moet zijn voor ieders geluid, ook wanneer dit soms schuurt.
In hoeverre bereiken signalen over sociale en professionele isolatie van academici aan Nederlandse universiteiten het Ministerie van OCW, en welke acties of maatregelen acht u nodig om de academische vrijheid in dit soort kwesties te waarborgen?
Laat ik vooropstellen dat het sociaal en professioneel isoleren van onderzoekers, evenals andere vormen van sociale onveiligheid, ontoelaatbaar is. Signalen over vormen van (sociale) onveiligheid van wetenschappers bereiken mij onder andere via het platform WetenschapVeilig dat op initiatief van UNL, de KNAW en NWO en met ondersteuning van mijn ministerie eind 2022 is gelanceerd. Op de website is informatie beschikbaar voor wetenschappers, leidinggevenden en werkgevers over hoe om te gaan met bedreigingen, intimidatie en haatreacties. In 2024 is een eerste monitor over externe intimidatie, haat en bedreiging gepubliceerd4. In 2026 zal deze worden herhaald.
Er is een veilige, open en inclusieve cultuur nodig om de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs en een veilige leer- en werkomgeving te borgen. Het is de verantwoordelijkheid van de kennisinstellingen om hier zorg voor te dragen. Voor het handelingsperspectief is het van belang om een onderscheid te maken tussen academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Het verschil is dat academici in functie een beroep kunnen doen op academische vrijheid, met inachtneming van de waarden waar academische vrijheid op berust. Vrijheid van meningsuiting komt iedere burger toe. Meer inzicht in dit onderscheid is nodig. Daarom werkt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) op verzoek van mijn ministerie aan een advies over vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Ik verwacht dit advies in de zomer. Ook verwacht ik in de zomer een advies van de KNAW over de juridische borging van academische vrijheid. Daarnaast start ik dit najaar een inventarisatie naar pluriformiteit in de wetenschap.5 Op basis van deze adviezen en inventarisatie bekijk ik of, en zo ja, welke acties of maatregelen nodig zijn om de academische vrijheid te waarborgen.
Het bericht 'Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Moes , Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee»?1
Ja, dat heb ik.
Deelt u de mening dat carnaval onderdeel is van ons culturele immateriële erfgoed?
Ja, die mening deel ik van harte. Carnaval is een levendige traditie die generaties verbindt, gemeenschappen samenbrengt en een onmiskenbaar onderdeel vormt van het culturele leven in Nederland, zeker in de zuidelijke provincies en Twente.
Maakt u zich ook zorgen over de toekomst van carnaval doordat verenigingen onder druk staan van regeldruk en bureaucratie?
De signalen in het genoemde artikel kwamen ook naar voren in de evaluatie van het immaterieel erfgoedbeleid, waarvan de uitkomsten zijn meegenomen in de kamerbrief «Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen».2
Deze signalen passen in een bredere zorg over verenigingsleven in Nederland. Om de regeldruk te verminderen zijn al acties in gang gezet (zie vraag 8 en 9). Ook de kabinetsvoornemens om de regeldruk voor vrijwilligersverenigingen te verminderen en de aansprakelijkheid van vrijwilligers te beperken, kunnen in dit licht worden gezien.
Ondanks dat er zorgen zijn heb ik ook veel vertrouwen in de kracht van de carnavalsverenigingen. Ik zie dat carnaval onverminderd van grote waarde is in de zuidelijke provincies en Twente, waar gemeenschappen met veel enthousiasme samen wagens bouwen en carnaval vieren.
Bent u van mening dat milieuzones in binnensteden geen belemmering moeten vormen voor praalwagens in optochten?
Gemeenten gaan over de invoering en handhaving van milieuzones en zero-emissiezones. Deze zones hoeven geen belemmering te zijn voor praalwagens in optochten.
Praalwagens en carnavalswagens worden vaak getrokken door (landbouw)tractoren. Tractoren vallen niet onder milieuzones of zero-emissiezones, dus worden hier ook niet door belemmerd.
Op dit moment worden alleen de meest vervuilende dieselbestelauto’s en vrachtwagens geweerd in milieuzones en zero-emissiezones. Mocht een dergelijke dieselbestelauto of vrachtwagen nodig zijn voor het trekken van een praalwagen dan kan een ontheffing mogelijk zijn, bijvoorbeeld via de hardheidsclausule van de gemeente. Daarnaast zijn er dagontheffingen aan te vragen via het landelijke Centraal Loket van de RDW. Dit kan tot twaalf keer per jaar per gemeente.
Wat vindt u van de toegenomen eisen die gesteld worden aan vrijwillige verkeersregelaars bij optochten?
De «Regeling verkeersregelaars» is niet aangepast waardoor er geen toegenomen eisen voor verkeersregelaars zijn. Deze regeling voorziet in twee soorten verkeersregelaars: de evenementenverkeersregelaar en de beroepsverkeersregelaar.
Evenementenverkeersregelaars kunnen bij evenementen al eenvoudige verkeersregelende taken uitvoeren na het afleggen van een gratis te volgen e-instructie als opleiding. Voorafgaand aan het evenement is de organisatie verplicht het team van verkeersregelaars nadere instructies te geven, zoals waar iedereen moet staan en wanneer een kruispunt weer kan worden vrijgegeven.
Beroepsverkeersregelaars worden ingezet bij onder andere wegwerkzaamheden en het regelen van verkeer bij complexere verkeerssituaties. Deze verkeersregelaars volgen een opleiding en een praktijkexamen, waarmee een aanstelling als beroepsverkeersregelaar kan worden aangevraagd.
Aan welke eisen een carnavalsvereniging qua verkeersregelaars moet voldoen, is aan de gemeente die de evenementenvergunning verleent. Ook kan het zijn dat bij afgesloten gebieden geen of minder beroepsverkeersregelaars nodig zijn dan wanneer een carnavalsoptocht drukke wegen passeert.
Bent u bereid om in gesprek te treden met verzekeraars om deregulering te bewerkstelligen, aangezien de verzekeringsvoorwaarden en bureaucratie in relatie tot praalwagens is toegenomen?
Alle motorrijtuigen, dus ook praalwagens, moeten op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd zijn voor schade die het motorrijtuig aan derden veroorzaakt. Deze verzekeringsplicht geldt al sinds 1965 en heeft als doel om derden, zoals toeschouwers en personen die op de wagen meerijden, te beschermen.
Ik deel de mening dat onnodige bureaucratie vermeden moet worden. Met dit doel is het voor praalwagens en carnavalsoptochten mogelijk om een collectieve verzekering af te sluiten; een optochtverzekering. Deze optochtverzekering is bedoeld om het bezitters en kentekenhouders van praalwagens makkelijker te maken om een verzekering af te sluiten.
Voor verzekeraars is het mogelijk in de verzekeringsovereenkomst aanvullende voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld met het oog op beperking van het risico. Daarbij geldt dat als zich een ongeval met een praalwagen voordoet, dit al snel ernstige gevolgen heeft, nu hierbij veel slachtoffers betrokken kunnen zijn; zowel personen die op de wagen meerijden als omstanders. Het is dan ook van belang dat het risico op een ongeval zo beperkt mogelijk blijft. Er is daarom op dit moment geen aanleiding voor een gesprek met verzekeraars.
Deelt u de mening dat er een uitzonderingsmogelijkheid op de kentekenplicht kan gelden voor praalwagens?
In Nederland geldt een kentekenplicht voor een groot gedeelte van de voertuigen die zich op de openbare weg begeven. Het gaat daarbij onder andere om personenauto’s, bedrijfsauto’s/ bestelauto’s, vrachtwagens landbouw- en bosbouwvoertuigen, landbouwaanhangwagens en mobiele machines. Voor praalwagens is de kentekenplicht afhankelijk van het type voertuig dat gebruikt wordt. Dit zorgt ervoor dat de verkeersveiligheid voor zowel bestuurders als omstanders wordt geborgd.
Ik verwijs graag naar de beantwoording van eerder gestelde Kamervragen, waarin verder inhoudelijk op dit vraagstuk wordt ingegaan.3
Deelt u de mening dat de stapeling van lokale regels, vergunningseisen en aanvullende voorschriften ertoe leidt dat carnavalsverenigingen onevenredig veel tijd en middelen kwijt zijn aan administratie in plaats van aan het organiseren van optochten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om deze regeldruk te verminderen?
Uit onderzoek van het Netwerk Levend Erfgoed, mede in het kader van de motie Oostenbrink4, blijkt dat gemeenschappen met festiviteiten in de openbare ruimte, waaronder carnavalsverenigingen, veel vergunningsdruk ervaren. Deze conclusie wordt ook ondersteund door het rapport van het Nationaal Klimaatplatform over de toekomstbestendigheid van de evenementensector, «De Toon maakt de muziek»5. Ik ben over dit advies in gesprek met de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Binnen de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 verkennen OCW, VNG en IPO samen met de sector de mogelijkheden om wet- en regelgeving voor vrijwilligersorganisaties -met behoud van veiligheid- laagdrempeliger te maken. Naar aanleiding van de motie Oostenbrink zijn er specifiek voor streekevenementen, zoals carnaval, werksessies met VNG, gemeenten en vrijwilligersorganisaties om te komen tot een werkvorm waarin gemeenten en vrijwilligersorganisaties met elkaar in gesprek gaan over knelpunten die door deze organisaties ervaren worden bij vergunningverlening.
Naar aanleiding van eerder gestelde Kamervragen6 verricht het Ministerie van VWS onderzoek naar de regeldruk omtrent praalwagens. Onderzocht wordt hoe tot een lastenverlichting voor carnavalsverenigingen gekomen kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2027 gepubliceerd.
Tot slot wordt de motie Yesilgöz-Zegerius en Bontenbal uitgevoerd7. Deze motie verzoekt de regering om voor eind 2025 een brede inventarisatie op elk departement te doen van welke 500 regels geschrapt of de regeldruk verminderd kan worden8. Hierover worden ministerie-overstijgende overleggen gevoerd.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en veiligheidsregio’s, te bezien hoe meer ruimte kan worden geboden aan initiatieven voor carnavalsoptochten, bijvoorbeeld door het vereenvoudigen van procedures en het creëren van proportionele en werkbare kaders, zodat verenigingen worden gestimuleerd in plaats van belemmerd? Zo nee, waarom niet?
Proportionele kaders voor evenementenvergunningen zijn een kabinetsbrede opgave. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor immaterieel erfgoed pleit ik ervoor dat carnaval en vergelijkbare tradities een herkenbare plek krijgen in deze bredere vereenvoudigingsoperatie. Daarnaast komt veel van de voor carnavalvieringen relevante regelgeving vanuit gemeenten. Via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 ben ik in gesprek met gemeenten. Deze gesprekken sluiten ook aan bij de lopende uitvoering van de motie Oostenbrink.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om carnaval actiever te promoten als immaterieel cultureel erfgoed van Nederland, teneinde het draagvlak en de waardering voor deze traditie te vergroten?
Bewustwording van de culturele en maatschappelijke waarde van immaterieel erfgoed, zoals carnaval, is een belangrijk onderdeel van mijn beleid voor immaterieel erfgoed. Het door mij gefinancierde Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) heeft als een van haar kerntaken het vergroten van de zichtbaarheid van immaterieel erfgoed bij gemeenten, provincies, instellingen en het brede publiek. Een voorbeeld hiervan is de door KIEN gecoördineerde Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, die de diversiteit van Nederlandse tradities zichtbaar maakt.
Kunt u, indachtig het belang van het behoud van Nederlandse tradities, toezeggen dat u zich ervoor zal inzetten dat carnaval niet ten onder gaat aan een overmaat aan regels en bureaucratie, zodat ook toekomstige generaties – van Prins Carnaval tot Raad van Elf – onbezorgd de polonaise kunnen blijven lopen?
Carnaval leeft door de mensen die er jaar in jaar uit hun schouders onder zetten; de wagenbouwers, de bestuursleden en de verkeersregelaars. Het is mijn taak en die van het kabinet om ervoor te zorgen dat de overheid hen daarin ondersteunt en niet belemmert. Dat is de richting die het coalitieakkoord «Aan de slag» bevestigt met de aandacht voor verenigingsleven en het terugdringen van regeldruk voor maatschappelijke organisaties.
Het artikel 'Toeslagouders opnieuw in de schulden door goedbedoelde betaalpauze’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat de destijds ingestelde betaalpauze voor schulden van toeslagenouders in eerste instantie voor een jaar zou gelden, maar dat vervolgens de pauzeknop door is blijven lopen, zolang als de financiële beoordeling duurde?1
Kunt u zich voorstellen dat door de herhaaldelijke grote vertragingen in de hersteloperatie in de afgelopen jaren, de schulden bij ouders steeds verder uit zicht zijn geraakt?
Kunt u zich voorstellen dat mensen na een dergelijke lange radiostilte worden overvallen door een grote openstaande schuld, wat direct weer nieuwe stress oproept?
Klopt het dat schulden zelfs nog verder zijn opgelopen en hoe kan dit gebeuren als geen rente werd berekend over de gepauzeerde schulden?
Kunt u de signalen nagaan van ouders, die aangeven nooit communicatie te hebben ontvangen over de openstaande schulden, ook niet bij de jaarlijkse belastingaanslag/toeslagbeschikking?
Bent u van mening dat de communicatie hierover richting ouders de afgelopen jaren echt helder is geweest en voldoende inzicht en handelingsperspectief heeft geboden?
Kunt u als bijlage bij uw beantwoording voorbeelden meesturen van de brieven, die hierover gedurende de afgelopen jaren zijn uitgegaan?
Waarom zijn pas in 2024 en 2025 brieven gestuurd met een schuldenoverzicht, terwijl dit bijvoorbeeld bij de coronaschuldenregeling jaarlijks wordt gedaan, zodat mensen zicht kunnen houden op de openstaande schuld?
Is het volgens u, terugkijkend, eigenlijk verantwoord geweest om van ouders die jarenlang zoveel financiële stress hebben gehad, te verwachten dat zij hoge schulden in het oog zouden houden, zonder aanvullende begeleiding?
Klopt het dat ouders de openstaande schulden, die waren ontstaan als gevolg van de toeslagenaffaire, na afronding van de financiële beoordeling en compensatie terug zouden moeten kunnen betalen en is daar volgens u nog steeds sprake van?
Kunt u de oorzaken aangeven waarom ouders de schulden nu in veel gevallen niet kunnen terugbetalen?
Klopt het dat de regels voor een betalingsregeling of kwijtschelding van een schuld vaak streng zijn?
Wat zou volgens u in dit geval passend zijn met betrekking tot betalingsregelingen of kwijtscheldingen met in uw achterhoofd dat men ouders een nieuwe start wilde laten maken?
Wat moeten ouders doen als zij nog geen reactie hebben op een verzoek tot een betalingsregeling of kwijtschelding, terwijl betalingsherinneringen binnen blijven komen en verlopen?
Kun u aanvullende communicatie uit laten gaan wat ouders in deze situatie kunnen doen en bij wie ze terecht kunnen voor hulp, om zoveel mogelijk ouders te bereiken die mogelijk eerdere communicatie hebben gemist?
Bent u ook bereid om te kijken naar verdere ondersteuning en begeleiding voor deze ouders, zodat zij ook echt een nieuwe start kunnen maken en zij de gevolgen van de toeslagenaffaire ook blijvend achter zich kunnen laten?
De Kamerbrief Toekomst exportkredietverzekering |
|
Maes van Lanschot (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Loopt de aanbesteding van de exportkredietverzekeringen (EKV) nog conform planning, te weten een selectie van drie partijen in de periode januari/maart en een gunningsfase t/m september?
Ja, de verwachting is dat de aanbesteding conform planning nog dit jaar afgerond wordt. In september 2025 is een markt- en stakeholderconsultatie doorlopen, waarin belangrijke stakeholders bij de ekv-uitvoering (zoals ekv-gebruikers, ngo’s en belangenorganisaties, zoals VNO-NCW/MKB-Nederland) zijn geconsulteerd over de concept-aanbestedingsstukken. In januari van dit jaar is vervolgens de aanbesteding formeel begonnen.2
De selectiefase is recentelijk afgesloten. In deze fase hebben zich partijen gemeld om deel te nemen aan het gunningsproces. Na beoordeling van hun stukken, zijn de geselecteerde partijen uitgenodigd om deel te nemen aan de gunningsfase. De voorlopige gunning aan één partij wordt verwacht in de zomer van 2026.3 De aanbesteding bevindt zich daarmee in een vergevorderd stadium. Na afloop van de bezwaartermijn4 kan de definitieve gunning nog dit jaar plaatsvinden. Daarmee is de aanbesteding afgerond.
Kunt u een indicatie geven van de looptijd van het contract (in jaartallen vanaf 2029) dat met deze aanbesteding wordt gegund?
Ik zal de uitvoering voor een initiële periode van 7 jaar aanbesteden.5 Deze periode begint te lopen vanaf de ondertekening van een overeenkomst met een winnende partij, waarbij het streven is om dat eind van dit jaar te doen. Vanaf de start van deze overeenkomst kan deze jaarlijks met 1 jaar worden verlengd, tot maximaal 25 jaar. Dit biedt flexibiliteit voor de Staat om in de toekomst eventueel een andere uitvoeringsoptie te kiezen, terwijl de contracthorizon lang genoeg is om het Nederlandse bedrijfsleven en de ekv-uitvoerder zekerheid te bieden.
Het bovenstaande betekent concreet: de beoogde ingangsdatum van de overeenkomst is eind 2026. Dit betekent dat de initiële periode van 7 jaar eind 2033 afloopt, indien er geen tussentijdse verlenging plaatsvindt.
Erkent u de kansen die door Invest-NL en Invest International worden geschetst in hun position paper2 om het instrument EKV onderdeel te laten zijn van de op te richten Nationale Investerings Instelling (NII)?
In enkele Europese landen is het ekv-instrument met financieringsinstrumenten in een instelling gecombineerd. Dit kan voordelen bieden voor een integrale financieringsaanpak, maar deze voordelen kunnen ook bereikt worden door een goede samenwerking. Dit is reeds het geval in Nederland (zie vraag 4). De ekv-uitvoering wordt momenteel aanbesteed aangezien de huidige uitvoering onrechtmatig is. De aanbesteding is in een vergevorderd stadium. De voorbereiding van een eventuele toevoeging van de ekv aan de nog op te richten nationale investeringsinstelling is een complex en een meerjarig traject en lost de onrechtmatigheid van de ekv-uitvoering op korte termijn niet op. De genoemde contracttermijn (zie vraag 2) biedt voldoende tijd om in de toekomst eventueel een andere uitvoeringsoptie te bezien, terwijl de contracthorizon lang genoeg is om het Nederlandse bedrijfsleven en een ekv-uitvoerder zekerheid te bieden. Na afloop van het contract is voorzien in een exit plan in geval van een nieuwe uitvoerder, zoals een staatsdeelneming in de vorm van de NII. In het huidige contract met de ekv-uitvoerder bestaat een dergelijk exit plan niet.
Zo niet, hoe reflecteert u op het feit dat de EKV een integraal onderdeel is van vergelijkbare nationale publieke financieringsinstellingen, waaronder Bpifrance Frankrijk en EIFO in Denemarken?
Er zijn raakvlakken tussen de benodigde dienstverlening voor de ekv en de taken die momenteel worden uitgevoerd door Invest International. De twee partijen werken dan ook al nauw samen, bijvoorbeeld wanneer financiering door Invest International gecombineerd wordt met een ekv-dekking. Daarnaast worden klanten snel en adequaat doorverwezen naar de juiste organisatie. Hierdoor ontstaat voor ekv-gebruikers een Whole-of-Government / 1 loket ervaring, waarop de Nederlandse ekv reeds hoog scoort, vergelijkbaar met Bpifrance in Frankrijk en EIFO in Denemarken.7 De TeamNL-benadering, oftewel de gezamenlijke inzet van de Nederlandse overheid en private partners om export te stimuleren, is gericht op het versterken van de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. De aanpak is gericht op het wegnemen van financiële en andere handelsbelemmeringen en een optimale informatievoorziening over kansen voor Nederlandse exporteurs. Deze samenwerking en de verdere intensivering hiervan, vinden wij belangrijk en de rol van de ekv uitvoerder hierin als pro-actieve partner is als eis opgenomen in de aanbestedingsstukken.
Wat is het eerstvolgende moment waarop, wanneer de EKV gegund wordt conform lopende aanbesteding, de EKV onderdeel zou kunnen worden van de NII?
Het is op dit moment niet voorzien dat de ekv onderdeel wordt van de NII. Contractueel gezien zou dit op zijn vroegst eind 2033, conform de lopende aanbesteding, mogelijk zijn. Zie ook de termijn in antwoord op vraag 2.
Welke opties zijn er om binnen de lopende aanbesteding de EKV onder te brengen bij de op te richten NII (en dus in de praktijk bij Invest-NL/Invest International)?
Er zijn geen opties om binnen de lopende aanbesteding de ekv onder te brengen bij de op te richten NII. En zonder aanbesteding blijft de onrechtmatigheid bestaan.
Kunt u in kaart brengen wat de voor- en nadelen zouden zijn van het stopzetten van de lopende aanbesteding en de EKV zo snel mogelijk bij de op te richten NII onder te brengen?
Het vorige kabinet heeft besloten om de ekv-uitvoering aan te besteden aangezien de huidige uitvoering onrechtmatig is. Ik wil deze onrechtmatigheid zo snel mogelijk oplossen.
De aanbesteding zorgt – na een periode van onzekerheid naar aanleiding van de constatering van de Algemene Rekenkamer van de comptabele onrechtmatigheid- voor rust en duidelijkheid in de ekv-uitvoering. Inmiddels bevindt het aanbestedingsproces zich in een vergevorderd stadium. Het tussentijds beëindigen van de aanbesteding zou de overheid richting het bedrijfsleven en geïnteresseerde partijen tot een onbetrouwbare partner maken en de onzekerheid rondom de uitvoering weer vergroten. Bovendien zou de onrechtmatigheid dan dus niet worden opgelost.
Het oprichten van de NII, en eventuele toevoeging van de ekv daaraan, is een complex en een meerjarig traject. Dit biedt op de korte termijn dus geen oplossing voor de onrechtmatige uitvoering van de ekv. Dat is bestuurlijk onwenselijk en juridisch kwetsbaar. Op langere termijn – wanneer de NII is opgericht en volledig operationeel is – zou de ekv ondergebracht kunnen worden bij de NII indien daartoe dan zou worden besloten.
Het bundelen van krachten van de financieringsinstellingen wordt ook bereikt door de TeamNL-benadering in de aanbestedingstukken te eisen, waar de ekv-uitvoerder actief moet samenwerken met andere financiële instellingen (zoals Invest-NL en Invest International en in de toekomst: de NII) die instrumenten aanbieden aan het Nederlandse bedrijfsleven.
Hoe weegt u deze voor- en nadelen ten opzichte van de kansen van het bundelen van de financiële instrumenten binnen de NII?
Zie antwoord op vraag 7.
Hoe zou, in het scenario dat de EKV onderdeel wordt van de NII, het menselijk kapitaal en de meer dan 90 jaar aan kennis en kunde van uitvoerder Atradius geborgd kunnen worden?
Integratie van het ekv-instrumentarium in de NII is op dit moment niet voorzien.
Het bericht 'Belgische topcrimineel Anthony ‘Het genie’ H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht’ |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belgische topcrimineel Anthony «Het genie» H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze Belgische topcrimineel overgeleverd zou moeten worden naar België? België verzoekt tot overlevering van zijn eigen onderdaan, waarom zou je dit als Nederland willen tegenhouden?
De uitspraak waaraan gerefereerd wordt in het nieuwsbericht betreft een tussenuitspraak en is geen definitief oordeel. Het past mij niet om mij te mengen in een zaak die onder de rechter is of daar een oordeel over te geven. Wel kan ik in algemene zin het volgende opmerken.
Binnen de Europese Unie (EU) is overlevering mogelijk. Middels een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) kan een EU-lidstaat verzoeken om de overlevering van de verdachte van een misdrijf of een veroordeelde. Een EAB is gebaseerd op het Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit EAB), dat in Nederland geïmplementeerd is in de Overleveringswet. De Internationale Rechtshulpkamer (IRK) van de rechtbank Amsterdam is als enige in Nederland bevoegd om te oordelen over inkomende overleveringsverzoeken. De IRK beslist per individueel geval of de opgeëiste persoon kan worden overgeleverd en toetst hierbij het EAB aan de bepalingen van het Kaderbesluit EAB en de Overleveringswet. Onderdeel van die toets is dat de uitvoering van een EAB niet tot gevolg mag hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen wordt aangetast. De situatie in de Nederlandse gevangenissen is geen onderdeel van die toets.
Deelt u de stelling dat het kan toch niet zo zijn dat terwijl er in Nederland een nijpend tekort is aan cellen, overlevering naar het buurland België wordt geblokkeerd? Bent u het ermee eens dat België een fatsoenlijk land is? Of wordt België nu gezien als een derdewereldland en/of als geen volwaardige EU-lidstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de rechtbank van Amsterdam in haar oordeelsvorming de huidige noodmaatregelen, zoals deze op dit moment in het Nederlandse gevangenisstelsel van toepassing zijn, een factor kan zijn tot overlevering?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt op deze manier Nederland niet een soort dependance voor het gevangenhouden van Belgische criminelen? En waarom moet de Nederlandse belastingbetaler hiervoor opdraaien?
Jaarlijks vinden er vele overleveringen naar België plaats. Daarbij worden altijd garanties opgevraagd bij de Belgische autoriteiten ten aanzien van de Belgische detentieomstandigheden. Tot op heden hebben de detentieomstandigheden in België er niet toe geleid dat er geen gevolg werd gegeven aan een EAB.
Welke mogelijkheden heeft u om sturing te geven aan overleveringen, nu er tegen de uitspraak van de internationale rechtshulpkamer geen hoger beroep openstaat?
Het is een grondwettelijk en rechtsstatelijk uitgangspunt dat de rechtspraak onafhankelijk en onpartijdig is. Ik heb dan ook geen mogelijkheden om sturing te geven aan de IRK en dit zou ook niet passend zijn.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het commissiedebat over gevangeniswezen zal plaatsvinden?
Ja.
De onafhankelijke positie van de rechtbank Den Haag en de uitspraak over de zaak van Greenpeace over het ‘beschermen’ van Bonaire. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 over de «Klimaatzaak Bonaire» van Greenpeace tegen de Staat?
Deelt u het inzicht dat nationale wet- en regelgeving, ook gelet internationale afspraken en verplichtingen met betrekking tot het klimaat, altijd in het perspectief van een brede belangenafweging dienen te staan om te evenwicht in beleid en uitvoering te waarborgen?
Deelt u de mening dat de rechter het hoogste scenario 8.5 in het IPCC-rapport (met een stijging van de zeespiegel van 27 centimeter in 2050 en 85 centimeter in 2100) dat een modelmatige wetenschappelijke benadering bevat over stijging van de zeespiegel door klimaatverandering ten onrechte interpreteert als feitelijke werkelijkheid in de motivering van zijn uitspraak?
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste en onzorgvuldige omgang door de rechter met een wetenschappelijk rapport geen detail betreft, maar een grove fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Deelt u de mening dat de rechter wetenschap serieus dient te nemen en daarom extreme scenario’s in modelmatige rapporten die mede de basis vormen voor een brede belangenafweging nooit mag verwarren met feitelijke waarheden?
Hoe beoordeelt u het feit dat in de uitspraak van de rechtbank rekening gehouden wordt met een zeespiegelstijging van tot 127 cm bij het hoge uitstootscenario, terwijl we volgens het IPCC op koers liggen voor een gemiddeld uitstootscenario?
Onderkent u het feit dat in de uitspraak wordt verondersteld dat het doel van het Klimaatakkoord van Parijs «opwarming beperken tot 1,5 graad Celsius» is, terwijl dat feitelijk onjuist is omdat het akkoord niet spreekt over de opwarming beperken tot minder dan 1,5 graad Celsius, maar letterlijk «well below» 2 graad Celsius, en over het nastreven van pogingen («pursue efforts») om aan het einde van de eeuw tot minder dan 1,5 graad Celsius te komen ten opzichte van het pre-industriële niveau?
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste interpretatie door de rechter van het Klimaatakkoord geen detail betreft, maar een fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Welke maatregelen, die de Nederlandse regering de afgelopen jaren trof, hebben bijgedragen aan de instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire, of welke voorgenomen maatregelen gaan bijdragen aan de instandhouding of versterking van het koraal?
Deelt u de mening dat het onrealistisch is om te denken dat maatregelen die Nederland kan treffen ten aanzien van klimaat bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire?
Deelt u de mening dat in de uitspraak van de rechtbank aantoonbare onjuistheden en onvolledige weergaven van internationale afspraken staan, zodat deze uitspraak geen stand kan houden en hoger beroep geboden is?
Hoe beoordeelt u het dat de landsadvocaat heeft nagelaten om tegenargumenten te geven tegen aantoonbare onjuiste beweringen van de eisende partij?
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter en voorzitter van de zitting publiekelijk op social media al jarenlang frequent uitspraken doet over zijn uitgesproken opvattingen over klimaat, geopolitiek en zelfs een petitie deelt om «het financieren van de klimaatcrisis» te stoppen?
Deelt u de mening dat een rechter die herhaaldelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid niet onafhankelijk en daarom niet geschikt is om een gerechtelijke uitspraak te doen over klimaatbeleid?
Waarom heeft de landsadvocaat geen verzoek gedaan om de rechter te wraken omdat hij publiekelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid?
Hoe beoordeelt u het feit dat deze rechter in het verleden ook gerechtelijke uitspraken met verstrekkende gevolgen voor democratisch beleid heeft gedaan over stikstof en klimaat?
Gaat de Staat in hoger beroep tegen de uitspraak?
Deelt u de mening dat de onmiskenbaar vooringenomen houding van de rechter die zijn positie om onafhankelijk en onbevooroordeeld te oordelen leidt tot een mogelijke herzieningsgrond, dit nog afgezien van voldoende zwaarwegende argumenten om in hoger beroep te gaan?
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
De casus Pensioenfonds Johnson & Johnson |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat Pensioenonderwerpen van 29 januari 2026 heeft gezegd dat een transitie van een pensioenfonds naar het buitenland alleen mogelijk is met een tweederde meerderheid van de medewerkers? Hoe is het dan mogelijk dat bij Johnson & Johnson een «negatief piepsysteem» is gebruikt, namelijk wie zwijgt stemt toe? Is dit wenselijk volgens u en is dit in de toekomst te vermijden?
Tijdens het commissiedebat van 29 januari 2026 is door mijn ambtsvoorganger toegelicht dat grensoverschrijdende pensioenuitvoering binnen de Europese Unie mogelijk is, maar dat daaraan voorwaarden zijn verbonden. Daarbij is ook gesproken over instemmingseisen die in Nederland gelden bij een grensoverschrijdende overdracht.
De Europese IORP II-richtlijn (IORP II) bevat regels voor grensoverschrijdende activiteiten van pensioeninstellingen en schrijft onder meer voor dat deelnemers en pensioengerechtigden tijdig moeten worden geïnformeerd en dat procedures zorgvuldig moeten worden doorlopen. Lidstaten kunnen vervolgens nadere eisen stellen, waaronder voorwaarden over de wijze waarop instemming wordt georganiseerd. Nederland heeft in dit kader bij de implementatie van IORP II in 2019 gekozen voor het vereiste dat bij een deelnemersraadpleging tenminste twee derde van de deelnemende deelnemers en gepensioneerden moeten instemmen.
Voor de casus Johnson & Johnson geldt echter dat de relevante besluitvorming rond de overgang naar België in een eerder tijdvak heeft plaatsgevonden (in 2015). In dat tijdvlak was de implementatie van IORP II nog niet van kracht. Een collectieve waardeoverdracht van een pensioenfonds in Nederland naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat vond destijds plaats conform dezelfde procedure als een binnenlandse collectieve waardeoverdracht op basis van de artikelen 83, 84 en 90 van de Pensioenwet. De huidige Nederlandse instemmingssystematiek met een deelnemersraadpleging was nog niet van toepassing was op die overgang.
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gezegd dat de deelnemers van het pensioenfonds Johnson & Johnson terecht kunnen bij een geschillencommissie? Als dat niet het geval blijkt te zijn, kunt u dan nog iets betekenen voor de deelnemers van Johnson & Johnson?
Dat klopt. Deelnemers kunnen in Nederland terecht bij de Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP) indien zij een geschil hebben met hun pensioenuitvoerder dat onder de reikwijdte van deze geschillenprocedure valt. Dit biedt deelnemers een laagdrempelige mogelijkheid om een geschil voor te leggen. De GIP is bedoeld voor individuele geschillen tussen deelnemer en pensioenuitvoerder. Voor kwesties die betrekking hebben op algemene besluiten over bijvoorbeeld toeslagverlening of indexatie geldt dat deze doorgaans niet via een individuele geschillenprocedure kunnen worden aangedaan. Het is aan de GIP om de ontvankelijkheid in een concreet geval te beoordelen.
Bij grensoverschrijdende pensioenuitvoering kan de inrichting van de klachten- en geschillenprocedure mede afhankelijk zijn van de juridische positie van de pensioenuitvoerder en de lidstaat waar deze is gevestigd. Deelnemers kunnen zich in eerste instantie wenden tot de interne klachtenprocedure van de pensioenuitvoerder. Indien een buitengerechtelijke geschillenprocedure openstaat, kunnen deelnemers daarvan gebruikmaken. Voor deelnemers van Pensioenfonds Johnson & Johnson is dat de GIP. Daarnaast blijft het deelnemers vrijstaan om de civiele rechter te benaderen.
Ik kan niet treden in individuele geschillen, maar ik vind het belangrijk dat deelnemers gebruik kunnen maken van bestaande klacht- en geschilprocedures.
Is het gebruikelijk dat een Centrale Ondernemingsraad geheimhouding opgelegd krijgt ten aanzien van de invoering van de Wet toekomst pensioenen (Wtp)?
Het kan voorkomen dat een (centrale) ondernemingsraad in het kader van overleg met de werkgever vertrouwelijke informatie ontvangt. In dat geval kan de ondernemer op grond van artikel 20 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) om geheimhouding vragen, indien sprake is van gewichtige redenen. Een dergelijke geheimhoudingsplicht dient gemotiveerd te worden opgelegd en ziet toe op specifieke informatie.
De Wet toekomst pensioenen (Wtp) bevat geen afzonderlijke geheimhoudingsplicht voor ondernemingsraden.
Ik vind het van belang dat medezeggenschapsorganen hun rol goed kunnen vervullen en dat transparantie richting werknemers en andere betrokkenen waar mogelijk wordt bevorderd, met inachtneming van situaties waarin vertrouwelijkheid noodzakelijk zijn.
Wat vindt u van het feit dat de Centrale Ondernemingsraad van Johnson & Johnson, bestaande uit drie a vier actieve medewerkers, als sociale partner een besluit neemt over de invoering van de Wtp voor 10.000 deelnemers, zonder dat zij mogelijkheden hebben voor ruggespraak en/of overleg met hun achterban. Is hier enig toezicht op?
De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is in belangrijke mate een arbeidsvoorwaardelijk traject. Afhankelijk van de situatie worden afspraken over de pensioenregeling gemaakt tussen werkgever en werknemersvertegenwoordiging door bijvoorbeeld de (centrale) ondernemingsraad.
De (centrale) ondernemingsraad is een wettelijk medezeggenschap op grond van de WOR. De WOR regelt de bevoegdheden van de ondernemingsraad en de wijze waarop deze wordt samengesteld. De wijze waarop de ondernemingsraad zijn achterban betrekt, is in beginsel een interne aangelegenheid en kan per organisatie verschillen.
De Wtp stelt daarnaast eisen aan het transitieproces, waaronder het opstellen van een transitieplan en communicatieplan richting deelnemers. Pensioenuitvoerders staan bij de uitvoering van hun wettelijke verplichtingen onder toezicht van DNB en AFM.
Toezicht op de naleving van de WOR in individuele gevallen ligt niet bij mijn ministerie. Indien partijen van mening zijn dat de WOR niet correct wordt toegepast, kunnen zij dit aan de orde stellen via de daarvoor bestemde juridische route, waaronder de Ondernemingskamer.
Bent u ermee bekend dat Johnson & Johnson opnieuw voornemens is om het pensioenfonds te vestigen in België, ondanks het feit dat er grote verschillen bestaan op het gebied van evenwichtigheid, premiebeleid, medezeggenschap, governance en beleggingsbeleid? Geven deze verschillen niet een onevenwichtige uitvoering en uitkomst van pensioenregelingen?
Ik heb kennis genomen van de signalen dat Johnson & Johnson voornemens is de pensioenuitvoering (grensoverschrijdend) te blijven organiseren via België. Grensoverschrijdende uitvoering van pensioenregelingen binnen de Europese Unie is onder voorwaarden mogelijk op basis van IORP II. IORP II stelt minimumeisen aan onder meer governance, risicobeheer, informatieverstrekking en prudentieel toezicht. Daarmee wordt beoogd dat ook bij de grensoverschrijdende uitvoering een passend niveau van deelnemersbescherming wordt geborgd.
Tegelijkertijd geldt dat de inhoud van de pensioenregeling in belangrijke mate arbeidsvoorwaardelijk is en tot stand komt tussen werkgever en werknemersvertegenwoordiging. Verschillen tussen nationale stelsels kunnen bestaan, onder meer in governance en toezichtpraktijk. Dat die verschillen er zijn, betekent echter niet dat sprake is van een onevenwichtige uitvoering of uitkomst.
De Wet toekomst pensioenen stelt bovendien eisen aan het transitieproces, waaronder het opstellen van een transitieplan en het uitvoeren van een evenwichtige belangenafweging. Pensioenuitvoerders dienen bij de uitvoering van hun taken aan de wettelijke eisen te voldoen en staan daarbij onder toezicht van de aangewezen toezichthouders.
Ik kan niet treden in de besluitvorming van individuele gevallen.
Bent u op de hoogte van de United States Generally Accepted Accounting Principles-boekhoudregels (US Gaap-boekhoudregels) van Amerikaanse bedrijven met betrekking tot het opgebouwde pensioenvermogen? Wat vindt u ervan, dat het pensioenvermogen op de balans van Amerikaanse bedrijven, een dusdanig belangrijk financieel voordeel blijkt te geven, dat elke indexatie ten gunste van de deelnemers, wordt gezien als kapitaalvermindering en een slechtere balanspositie?
Ik ben ermee bekend dat internationale verslagleggingsregels, waaronder US GAAP, eisen stellen aan de verwerking van pensioenverplichtingen en pensioenvermogen op de balans van ondernemingen. Deze wijze waarop pensioenverplichtingen boekhoudkundig worden verwerkt, kan gevolgen hebben voor de financiële verslaglegging van ondernemingen.
De vraag of en in hoeverre toeslagverlening (indexatie) plaatsvindt, volgt uit de afspraken in de pensioenregeling en de wijze waarop de regeling is vormgegeven. Ik vind het daarbij van belang dat deelnemers helder en tijdig worden geïnformeerd over de aard van hun pensioen en de voorwaarden waaronder toeslagen kunnen worden verleend.
Kan Johnson & Johnson eigenstandig beslissen om wel of niet in te varen? Hebben deelnemers hier nog inspraak in?
De keuze om al dan niet in te varen maakt onderdeel uit van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Deze keuze is in belangrijke mate arbeidsvoorwaardelijk van aard en wordt in Nederland gemaakt door de werkgever en werknemersvertegenwoordiging, afhankelijk van de toepasselijke afspraken en medezeggenschapsrechten.
De pensioenuitvoerder heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoerbaarheid van de regeling en moet voldoen aan de wettelijke eisen die gelden voor het transitieproces, waaronder de vereiste evenwichtige belangenafweging. DNB ziet hier op toe.
De Wet toekomst pensioenen stelt eisen aan het transitieproces, waaronder het opstellen van een transitieplan en communicatie richting deelnemers. Deelnemers hebben daarbij geen individueel bezwaarrecht ten aanzien van de keuze om wel of niet in te varen, maar moeten wel tijdig én zorgvuldig te worden geïnformeerd. Indien deelnemers menen dat procedures niet zorgvuldig zijn gevolgd of dat sprake is van onjuiste informatieverstrekking, kunnen zij gebruikmaken van de bestaande klachten- en geschilprocedures.
In hoeverre is het wenselijk dat er extra toezicht of een vorm van nazorg komt van De Nederlandsche Bank, op of jegens pensioenfondsen die «verdwijnen» naar België? Wat is uw visie hierop?
Het vrije verkeer van diensten binnen de Europese Unie brengt met zich mee dat grensoverschrijdende pensioenuitvoering onder voorwaarden mogelijk is. Daarbij geldt dat deelnemers en pensioengerechtigden moeten kunnen rekenen op adequate bescherming.
Binnen het Europese kader geldt dat het prudentieel toezicht op een pensioeninstelling primair wordt uitgeoefend door de toezichthouder van de lidstaat waar de instelling is gevestigd. Bij grensoverschrijdende activiteiten is samenwerking en informatie-uitwisseling tussen toezichthouders op grond van de Europese Richtlijn IORP II (Institution for Occupational Retirement Provision) verplicht.
Ik acht het wenselijk dat toezichthouders in Nederland en in andere lidstaten effectief kunnen samenwerken en dat de rol van de toezichthouder in de lidstaat waar deelnemers wonen voldoende is geborgd. Ik blijf mij hiervoor inzetten in de Europese onderhandelingen zoals dit ook is verwoord in het BNC-fiche over het Europees Pensioenpakket dat op 16 januari naar uw Kamer is gezonden.