Het gebrek aan passende leermiddelen in het speciaal onderwijs |
|
Sandra Beckerman |
|
Becking |
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat leerlingen in het speciaal onderwijs les krijgen uit schoolboeken die niet geschikt voor hen zijn, omdat commerciële uitgevers van schoolboeken het financieel niet interessant genoeg vinden passende schoolboeken uit te geven?1
Ja.
Deelt u de mening dat commercialisering er nooit toe mag leiden dat leerlingen afhankelijk zijn van lesmateriaal dat niet geschikt voor hen is en zelfs averechtse gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling en zelfbeeld? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat iedere leerling toegang heeft tot kwalitatief goed en toegankelijk lesmateriaal dat aansluit bij zijn of haar ontwikkelbehoefte.
Ziet u dit als een voorbeeld van het falen van marktwerking in het onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Het gespecialiseerd onderwijs kent een heel diverse populatie aan leerlingen, met specifieke behoeften. Daardoor zijn leermiddelen vaak alleen geschikt voor een kleine groep en is soms tot op leerlingniveau maatwerk nodig. Ik zie dat marktpartijen niet altijd in staat zijn om oplossingen te bieden die aansluiten bij wat leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs nodig hebben. Daarom zet ik voor deze groepen extra stappen om het bieden van maatwerk te ondersteunen.
Ik ondersteun bijvoorbeeld Dedicon, die schoolboeken voor blinde en slechtziende leerlingen toegankelijk maakt en ondersteuning biedt voor leerlingen met dyslexie.
Via het Nationaal Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal (IOL) realiseer ik met vele partners een brede kwaliteitsimpuls in het hele funderend onderwijs voor het effectief gebruiken van open leermiddelen. Het voordeel van open leermateriaal is dat leraren dit zelf kunnen aanpassen aan de behoeften van hun leerlingen, om zo meer maatwerk mogelijk te maken, maar het niet helemaal zelf te hoeven doen.
Het project GOpen wordt binnen het programma Impuls Open Leermateriaal ondersteund met als doel om open leermiddelen voor het gespecialiseerd onderwijs te verbeteren en toegankelijk te maken. Leraren kunnen dit materiaal hierdoor eenvoudig vinden, hergebruiken en aanpassen aan de specifieke onderwijsbehoeften van hun leerlingen. Het combineren en arrangeren met open en methodisch materiaal kan leiden tot kwalitatief goed en passend materiaal, juist ook voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs. Hierover vinden verkennende gesprekken plaats, onder andere tussen IOL, de sectorraad GO en Neon. Ik volg deze ontwikkeling om te zien of dit nu voldoende impact heeft.
Daarnaast vind ik het belangrijk om structurele verbeteringen in de toegankelijkheid van leermiddelen voor alle leerlingen met diverse ondersteuningsbehoeften te realiseren. Daarom onderzoekt OCW via een nulmeting naar de toegankelijkheid van leermiddelen wat er nog meer nodig is om leermiddelen voor alle leerlingen toegankelijk te maken. Zoals verzocht in de motie Ceder (ChristenUnie)2, wordt daarbij ook gekeken naar het oplossen van één van de bestaande knelpunten: het ontbreken van standaarden, normen en richtlijnen voor de toegankelijkheid van digitale leermiddelen.
Wat vindt u ervan dat docenten nu in hun vrije tijd zelf geschikt lesmateriaal maken om alsnog te zorgen dat deze leerlingen op een passende manier les kunnen krijgen?
Ik waardeer alle inzet van leraren in het gespecialiseerd onderwijs die er veel tijd en energie in steken om hun leerlingen het beste en meest passende te bieden. Tegelijkertijd vind ik het niet wenselijk als het passend maken van lesmateriaal structureel in de vrije tijd van leraren plaatsvindt. Daarom is GOpen een belangrijk initiatief. Dit geeft scholen en leraren de mogelijkheid om gezamenlijk lesmateriaal te ontwikkelen op een professionele manier. Krachten worden gebundeld en leraren houden regie over hun eigen leermateriaal, wat tijd kan besparen en de kwaliteit kan verhogen.
Bent u in gesprek gegaan met het onderwijsveld om na te gaan hoeveel docenten dergelijke taken bovenop hun functie uitvoeren? Zo nee, waar wordt de uitspraak dat dit geen structureel probleem is op gebaseerd en bent u bereid hier onderzoek naar te laten uitvoeren?
Ik ben in gesprek met de sectorraad GO. Uit onderzoek van de sectorraad GO blijkt dat leraren veelal materiaal aanpassen of ontwikkelen voor hun eigen leerlingen. Leraren geven aan structureel bezig zijn met lesmateriaal geschikt maken voor hun lessen. Exacte aantallen ontbreken. Ook is onbekend of leraren dat als een structureel probleem ervaren3. Uit de meest recente Monitor Digitalisering Onderwijs (MDO) blijkt dat het aandeel leraren dat zelf materiaal ontwikkelt gelijk is aan leraren in het po. Ook blijkt uit de MDO dat de tevredenheid over de leermiddelenmarkt in het gespecialiseerd onderwijs hoger is dan in het vo.4
Deelt u de mening dat structurele problemen om een structurele oplossing vragen?
Ik vind het belangrijk om problemen te helpen oplossen.
Deelt u de mening dat een tijdelijke subsidie van nog onbekende hoogte onvoldoende en te onzeker is om het initiatief van scholen voor een eigen landelijk platform met passend lesmateriaal goed te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. Het programma Impuls Open Leermateriaal en het project GOpen zijn ingericht om een kwaliteitsimpuls te geven aan open leermateriaal via bestaande initiatieven en organisaties. Er is voldoende budget beschikbaar om de beoogde kwaliteitsimpuls te realiseren, aanvullend op bestaande middelen van initiatieven en organisaties. Het is in eerste instantie aan deze partijen zelf om te voorzien in borging van de kwaliteitsimpuls na afloop van het programma. Recent heeft de Minister van EZK aangekondigd € 38 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het programma Impuls Open Leermateriaal t/m 2030. Dat biedt meerjarig financiële zekerheid. Het programma werkt momenteel aan een verdere concretisering van de plannen. Dat betekent dat ook GOpen kan rekenen op voortgezette ondersteuning binnen deze programmaperiode, mits passend binnen de programmadoelen.
Heeft u contact gehad met de sectorraad GO om te kijken wat zij nodig hebben om een dergelijk platform structureel te kunnen laten voortbestaan? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst?
Het programma Impuls Open Leermateriaal en de sectorraad GO zijn in constructief overleg over de plannen voor GOpen tot en met 2030. Omdat het programma als een tijdelijke kwaliteitsimpuls is ingericht, is daarbij ook aandacht voor de borging van de opbrengsten na afloop van deze periode.
Wat is de hoogte van het subsidiebedrag dat de sectorraad GO kan verwachten of, indien dit nog niet bekend is, wanneer kan de sectorraad GO hier meer informatie over verwachten?
De plannen en bijbehorende budgetten worden uitgewerkt in het gesprek tussen Impuls Open Leermateriaal en GOpen. In de loop van 2026 zal daar meer over bekend worden.
Deelt u de mening dat een subsidie voor een kwaliteitsimpuls voor een structureel en wezenlijk onderdeel van het speciaal onderwijs de werkdruk voor de desbetreffende docenten die de leermiddelen ontwikkelen niet vermindert en te weinig is om een structurele tekortkoming op te lossen?
Nee, zoals hierboven toegelicht deel ik deze mening niet.
Wordt in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat doen naar marktwerking rondom leermiddelen ook specifiek gekeken naar het aanbod van leermiddelen voor het speciaal onderwijs? Zo nee, kan dit nog meegenomen worden?
Ja, in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat uitvoeren, wordt ook het gespecialiseerd onderwijs meegenomen. De onderzoekers van Dialogic, Oberon en eConomics zijn gevraagd om de marktwerking van het gehele funderend onderwijs, inclusief gespecialiseerd onderwijs, in beeld te brengen.
Wat gaat u naast de subsidie voor een kwaliteitsimpuls doen om te garanderen dat elke leerling op het speciaal onderwijs in de toekomst les kan krijgen op basis van voor hen geschikte leermiddelen?
Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Grondwet hebben scholen vrijheid in de keuze van hun leermiddelen. Het is daarmee in eerste instantie aan leraren en scholen om te voorzien in passende leermiddelen. Schoolbesturen ontvangen hiervoor een bekostiging waarmee zij het onderwijs kunnen organiseren. Hier valt ook de aanschaf van leermiddelen onder. In het antwoord op vraag 3 is toegelicht op welke wijze ik het onderwijs ondersteun om leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs van passende leermiddelen te voorzien.
Het bericht ‘Hack bij Odido, gegevens miljoenen klanten in handen van criminelen’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de cyberaanval bij Odido waarbij gegevens van circa 6,2 miljoen accounts zijn buitgemaakt door criminelen?1
Hoe beoordeelt u de omvang en ernst van dit datalek, mede gezien het feit dat ook gevoelige persoonsgegevens, zoals identiteitsdocumentnummers en rekeningnummers, mogelijk zijn gelekt?
In hoeverre heeft deze cyberaanval gevolgen voor de digitale veiligheid en weerbaarheid van Nederland, gezien de maatschappelijke rol van telecomproviders?
Hoe beoordeelt u het risico dat de bij Odido gestolen persoonsgegevens in de toekomst alsnog openbaar worden gemaakt, en welke gevolgen kan dit hebben voor de veiligheid en privacy van betrokken burgers?
Heeft Odido het datalek tijdig gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en andere relevante instanties, en bent u op de hoogte van eventuele lopende onderzoeken?
Is er volgens uw inschatting sprake van nalatigheid of onvoldoende naleving van de Europese privacy- en beveiligingsverplichtingen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), door Odido?
Welke risico’s lopen getroffen klanten en acht u de door Odido genomen maatregelen voldoende om deze risico’s te beperken?
Welke eisen worden momenteel gesteld aan telecomproviders ten aanzien van cyberbeveiliging en gegevensbescherming en voldoen deze volgens u nog aan de huidige dreigingscontext?
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen of toezichtmaatregelen te treffen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen?
Welke rol ziet u voor de overheid bij het ondersteunen van bedrijven en burgers bij het beperken van schade na grootschalige datalekken?
Acht u de oproep van Odido aan klanten om «extra alert» te zijn voldoende, of ziet u een verantwoordelijkheid voor aanvullende beschermingsmaatregelen richting getroffen klanten?
Bestaan er landelijke richtlijnen of protocollen voor ondersteuning van burgers die slachtoffer zijn van grootschalige datalekken waarbij identiteitsgegevens zijn buitgemaakt? Zo ja, worden deze in dit geval toegepast?
Op welke wijze houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op de opvolging van dit incident, en beschikt de toezichthouder volgens u over voldoende bevoegdheden en capaciteit om effectief toezicht te houden bij grootschalige datalekken?
Welke lessen trekt u uit dit incident voor het beleid richting de markt op het gebied van de weerbaarheid van organisaties die grote hoeveelheden persoonsgegevens verwerken?
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: ’Gezondheid patiënten staat op het spel’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Erkent u de uitkomsten van het onderzoek door het SIR instituut en de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) dat jaarlijks circa vier miljoen patiënten worden geconfronteerd met medicijntekorten en dat in meer dan zeventig procent van de gevallen het gaat om preferent aangewezen medicijnen die niet leverbaar zijn?1
Het kabinet is bekend met het onderzoek. In het onderzoek van het SIR instituut en LEF wordt geconstateerd dat 56,7% van de geregistreerde tekorten plaatsvond in een groep van geneesmiddelen waarop preferentiebeleid wordt gevoerd2. Het verbaast mij niet dat een groot deel van de in de «meldweek» gemelde tekorten en leveringsproblemen gaat om preferente geneesmiddelen. Het aandeel van de geneesmiddelenmarkt waarover preferentiebeleid wordt gevoerd is namelijk groot: in 2023 werd op 86% van de extramuraal geleverde geneesmiddelen preferentiebeleid gevoerd3. Het percentage uit het onderzoek van het SIR instituut en LEF zegt niets over een eventueel oorzakelijk verband tussen het voeren van het preferentiebeleid en het ontstaan van geneesmiddelentekorten of andere leveringsproblemen.
Het kabinet deelt met mevrouw Coenradie dat, ondanks dat de tekorten teruglopen, nog steeds te veel patiënten geraakt worden door geneesmiddelentekorten. Dit vindt het kabinet onwenselijk. Het kabinet zet zich dan ook onverminderd in om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid te verbeteren. Nog dit voorjaar informeert het kabinet de Kamer, zoals gebruikelijk, over de voortgang van de ingezette maatregelen en over de verdere plannen om de beschikbaarheid en leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren.
Deelt u de opvatting dat voor het welzijn van al deze patiënten slechts één relevante definitie bestaat: een tekort is een tekort zodra de apotheek het medicijn niet kan leveren, ongeacht wat er administratief wordt geregistreerd?
Het kabinet deelt deze opvatting grotendeels. Uiteraard is ook voor dit kabinet het belangrijkst dat de patiënt over diens geneesmiddel kan beschikken. Maar op meer plekken in de keten kunnen problemen ontstaan met de beschikbaarheid van geneesmiddelen, waar de patiënt niets van hoeft te merken. Bijvoorbeeld bij de producent of groothandel. Ook op die plekken wil het kabinet de beschikbaarheid van geneesmiddelen verbeteren. Om ervoor te zorgen dat álle partijen in de keten sneller en duidelijker kunnen communiceren, handelen en monitoren, en zo uiteindelijke tekorten voor patiënten te voorkomen, is binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) de afspraak gemaakt om uniforme definities van geneesmiddelentekorten op te stellen.
Het kabinet deels overigens niet de stelling uit het Telegraaf-artikel dat er sprake is van een tekort als er een bepaald merk van een geneesmiddel niet beschikbaar is, terwijl andere merken van hetzelfde geneesmiddelen wel beschikbaar zijn. In verreweg de meeste gevallen kan een patiënt overstappen naar een ander merk van hetzelfde geneesmiddel zonder dat dat gevolgen heeft voor diens gezondheid.4
Deelt u de signalen uit de apotheekpraktijk dat apothekers met de rug tegen de muur worden gezet: het preferente middel is er niet, een alternatief ligt wel op de plank, maar als de apotheker dat alternatief verstrekt riskeert hij een boete van de zorgverzekeraar?
Het kabinet kent de signalen dat apothekers zich in dergelijke situaties soms klemgezet kunnen voelen en dat dit (financiële) onzekerheid voor hen creëert. Daarom neemt het kabinet deze signalen mee in gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid.
Deze onzekerheid wordt onder andere veroorzaakt doordat de aanduiding van deze situatie in informatiesystemen niet gestandaardiseerd is en anders wordt beoordeeld door zorgverzekeraars. Een andere oorzaak ligt in de snelheid waarmee informatiesystemen aangepast kunnen worden. Om te zorgen voor een betere en snellere aansluiting tussen leverbaarheid en vergoedingsstatus is in het AZWA afgesproken dat de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) gaan zorgen voor snelle aanpassing van de vergoedingsstatus door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is. Ook werken zij aan meer frequente updates van de informatie hierover in informatiesystemen. Zodra zij dit gerealiseerd hebben is het voor apothekers veel sneller dan nu duidelijk welk alternatief zij binnen het preferentiebeleid kunnen afleveren. Ook neemt hierdoor de administratieve last voor apothekers af doordat hun ICT-systemen sneller actueel zijn. Het kabinet is blij dat de KNMP en ZN dit oppakken en spoort hen aan hier voortvarend mee aan de slag te gaan.
Het is van belang dat er heldere, realistische en eenduidige afspraken zijn over de situaties waarin een preferent aangewezen merk van een geneesmiddel niet voorradig is. Uiteindelijk is het aan de zorgverzekeraars en apotheken zelf om hier in de inkoopgesprekken afspraken over te maken, voor zover dat niet al gebeurt. Het kabinet vraagt daar bij beide partijen aandacht voor.
Vind u deze situatie verdedigbaar en zo ja, hoe legt u dat uit aan de patiënt die met lege handen naar huis moet?
Het komt zelden voor dat patiënten zonder behandeling komen te staan als een preferent aangewezen middel niet voorradig is. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.5
Bent u bereid om per direct, zonder te wachten op lopend onderzoek, een noodmaatregel in te voeren waarbij apothekers geen boetes van zorgverzekeraars krijgen wanneer zij in dringende situaties een beschikbaar alternatief verstrekken, aangezien wat op papier beschikbaar is in de praktijk niet aan de balie bestaat? Zo nee, wat is dan uw alternatieve oplossing voor de patiënt die morgen zijn hartmedicatie nodig heeft maar niet gaat krijgen?
Nee, het kabinet ziet geen noodzaak tot het instellen van een noodmaatregel. Contractuele afspraken over de omgang met dit soort situaties zijn een zaak tussen apothekers en zorgverzekeraars. Het kabinet begrijpt dat er onzekerheid ontstaat bij apotheken doordat niet alle zorgverzekeraars op dezelfde manier met deze situaties omgaan. Het kabinet gaat hiervoor aandacht vragen bij de koepels van apotheken en zorgverzekeraars.
Kunt u uitleggen waarom een patiënt in het huidige systeem niet mag bijbetalen voor een vertrouwd medicijn, maar wel de volledige kosten zelf moet betalen als hij dat middel wil blijven gebruiken?
Een systeem waarin patiënten kunnen bijbetalen voor niet-preferent aangewezen middelen creëert ongelijke toegang tot zorg en verhoogt de totale zorgkosten. Dat wordt hieronder nader toegelicht.
In het huidige systeem vergoedt de zorgverzekeraar per groep geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof in ieder geval één variant volledig. Op deze variant krijgt de zorgverzekeraar korting van de leverancier. Het preferentiebeleid is nu zo vormgegeven dat bijbetaling binnen zo’n groep niet toegestaan is. Dit houdt de uitvoering eenvoudig en de zorgkosten beheersbaar. Een niet-preferent geneesmiddel valt buiten de basisdekking, dus de verzekerde betaalt het hele bedrag zelf.
Dit kan oneerlijk lijken omdat een bekend, maar duurder geneesmiddel niet vergoed wordt. Ook niet voor een deel. Het huidige systeem is juist solidair en rechtvaardig omdat iedere verzekerde met dezelfde aandoening dezelfde behandeling volledig vergoed krijgt, ongeacht inkomen. Bijbetaling zou ongelijke toegang tot zorg creëren, omdat niet iedereen uit eigen portemonnee kan bijbetalen. En het zou de totale zorgkosten verhogen door voorkeur voor varianten waarop de zorgverzekeraar geen korting krijgt.
Ook zou vaker kiezen voor duurdere geneesmiddelen waarop de zorgverzekeraar geen korting ontvangt de totale zorgkosten verhogen, waardoor premies voor iedereen stijgen. Daarnaast zou deze mogelijkheid betekenen dat de zorgverzekeraar zich niet aan haar afspraken met de leverancier kan houden. De zorgverzekeraar krijgt namelijk korting van de leverancier omdat eerstgenoemde garandeert dat het betreffende merk van het geneesmiddel voor al diens verzekerden het preferent aangewezen middel is. Dat is niet meer het geval als een verzekerde door bijbetaling een ander geneesmiddel kan krijgen. Dit zou de onderhandelingspositie van zorgverzekeraars ten opzichte van leveranciers verslechteren, opnieuw met hogere zorgkosten als gevolg.
Waarom acht u deze situatie rechtvaardiger dan een systeem waarbij iemand alleen het prijsverschil bijbetaalt?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het pleidooi van de apothekersbranches voor een systeem van «laagste prijs + bandbreedte», waarbij meerdere merken van een medicijn volledig worden vergoed en waarvoor geen jarenlang onderzoek maar een beleidsbesluit nodig is? Bent u bereid om uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 met zorgverzekeraars concrete afspraken te maken over de implementatie van dit model? Zo nee, wat is uw bezwaar tegen een systeem dat leveringszekerheid vergroot zonder afbreuk te doen aan kostenbeheersing?
Ja, het kabinet is bekend met het pleidooi voor een «laagste prijs + bandbreedte»-model. De stellingname die de schrijvers van het pleidooi doen dat dit model de leveringszekerheid vergroot zonder kostenstijging vraagt om meer onderbouwing. Doorgaans brengen bredere vergoedingen hogere zorguitgaven met zich mee.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om afspraken te maken over de implementatie van dit model. Het kabinet werkt op dit moment aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet verwacht u in lijn met de motie eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie. Het lijkt mij zinvol om deze evaluatie af te wachten. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan, kan dan overwogen worden alternatieven zoals dit model nader te verkennen.
Kunt u, aangezien zorgverzekeraars rapporteren over de besparingen van het preferentiebeleid, ook inzichtelijk maken wat de totale maatschappelijke kosten zijn: extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames door medicatiewisselingen, uitvoeringslasten voor apothekers, en de menselijke tol van patiënten die zonder medicatie zitten?
Ja, de evaluatie van het preferentiebeleid die op verzoek van de Kamer wordt uitgevoerd beoogt naast de besparingen ook de maatschappelijke kosten en baten van het preferentiebeleid in beeld te brengen. Het kabinet verwacht u eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie.
Erkent u dat «goedkoop op papier» niet hetzelfde is als «doelmatig in de praktijk»?
Als het lid Coenradie bedoelt dat aan het preferentiebeleid behalve baten ook kosten verbonden kunnen zijn, dan deelt het kabinet dat. Zoals hierboven aangegeven is het doel van de evaluatie van het preferentiebeleid om de totale kosten en baten inzichtelijk te maken. Dit omvat niet alleen de directe besparingen op papier, maar ook effecten op de administratieve lasten voor apothekers, op de beschikbaarheid van geneesmiddelen en op de patiëntenzorg.6
Bent u bereid om uiterlijk eind februari 2026 een spoedoverleg te beleggen met zorgverzekeraars, apothekersbranches en patiëntenvertegenwoordigers, met als concrete opdracht: het vaststellen van afspraken die per 1 april 2026 operationeel zijn, zodat patiënten niet langer met lege handen naar huis gaan terwijl alternatieven op de plank liggen?
Het kabinet ziet geen toegevoegde waarde in het inlassen van een spoedoverleg. Er vindt namelijk al regelmatig overleg met hen plaats. Specifiek werkt het kabinet bijvoorbeeld met de zorgverzekeraars, apothekersbranches en andere relevante partijen aan verbeteringen van het inkoop- en preferentiebeleid. En werkt het kabinet met veldpartijen (met vertegenwoordigers van patiënten, leveranciers, groothandels, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, voorschrijvers, apothekers en de overheid) voortvarend aan de structurele verbetering van de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Zo wordt in het kader van het AZWA gewerkt aan snelle aanpassing van de vergoeding door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is én aan een frequente update van de informatie hierover in informatiesystemen zoals de G-standaard. Alle veldpartijen zijn zich bewust van de urgentie en dragen naar vermogen bij aan het oplossen van de beschikbaarheidsproblematiek.
Hoe verklaart u aan miljoenen Nederlanders dat, als zij in een levensbedreigende situatie terechtkomen, ze niet geholpen mogen worden vanwege beleid, terwijl een alternatief medicijn beschikbaar is?
Deze vraag wekt de suggestie dat miljoenen Nederlanders, als zij in een levensbedreigende situatie terecht komen, niet geholpen mogen worden. Dat is onjuist. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of met een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.7
De oproep van MiGreat tot het aangaan van schijnhuwelijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van niet-gouvernementele organisatie (ngo) MiGreat om schijnhuwelijken aan te gaan om een verblijfsvergunning te krijgen?1
Bent u het eens met de stelling dat het aangaan van een schijnhuwelijk met het oog op verblijfsrecht huwelijksfraude is en dus strafbaar is?
Bent u bereid alles op alles te zetten om huwelijksfraude tegen te gaan en, als hiervan sprake is, verblijfsvergunningen en/of paspoorten onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat het publiekelijk oproepen tot het plegen van een strafbaar feit strafbaar is? Zo ja, doet het Openbaar Ministerie onderzoek naar deze oproep?
Hoe beoordeelt u de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling) die deze ngo geniet, gelet op de strafbare oproep en het nalaten van het voldoen aan de wettelijk verplichte jaarverslagen, zoals beschreven in het artikel van NieuwRechts?2
Bent u bereid om, in overleg met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, de ANBI-status te onderzoeken en deze in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Plan van aanpak Leiderschap bij uitluiting en racisme binnen de politie' |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de relatieve prioriteit die de politie geeft aan intern leiderschapsontwikkeling versus de kernveiligheidsopdracht?1
Is het niet zo dat een teveel aan interne cultuuronderzoeken kan afleiden van de primaire taakuitvoering? Hoe reflecteert u op dit spanningsveld?
Welke concrete meetbare resultaten verwacht u op korte termijn?
Is er rekening gehouden met effectmeting op misdaaddruk en burgerveiligheid?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat agenten terughoudend optreden uit angst voor beschuldigingen?
Zijn er plannen voor training gericht op daadkrachtig en rechtmatig optreden in plaats van een focus op «inclusiezaken»?
Kunt u toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang?
Hoeveel capaciteit (in fte en middelen) wordt ingezet voor zaken rondom inclusiviteit, diversiteit en racisme binnen de politie? Kunt u dit ook per functieprofiel op een rijtje zetten?
Hoe weegt u het tegengaan van discriminatie tegenover een krachtige politie-aanwezigheid?
Hoe voorkomt u bureaucratisering ten koste van zichtbare handhaving?
Het bericht 'Harde conclusies over Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge: ’Benadeelt huishoudens die geen huis kunnen kopen’' |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Harde conclusies over Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge: «Benadeelt huishoudens die geen huis kunnen kopen»»?1
Kan u reflecteren op de conclusie van het Centraal Planbureau dat zonder aanpassingen van de Wet betaalbare huur de overheid de knip moet trekken omdat private investeringen in huurwoningen onaantrekkelijk zijn geworden?
Deelt u de conclusie dat de invoering van de Wet betaalbare huur heeft gezorgd voor massale verkoop van huurwoningen door private verhuurders? Zo ja, kan u een overzicht geven van deze cijfers? Zo niet, kan u deze conclusie weerleggen met cijfers?
Wat vindt u van de conclusie dat lagere huurprijzen op korte termijn weinig betekenis hebben als er op lange termijn simpelweg geen huurwoningen meer beschikbaar zijn?
Welke ontwikkeling ziet u in het aanbod huurwoningen in de middenhuursector, met name in binnenstedelijk gebied? Kan zij dit toelichten?
Heeft u een voorkeur voor een goed werkend investeringsklimaat of subsidies om woningbouw mogelijk te maken, met name in binnenstedelijke gebieden? Kan u de keuze motiveren?
Hoe gaat u de conclusies van het Centraal Planbureau meenemen in de optimalisatie en evaluatie van de Wet betaalbare huur?
Wanneer kan de Kamer de evaluatie van de Wet betaalbare huur verwachten?
Deelt u de conclusie dat huishoudens met een middeninkomen – die niet in aanmerking komen voor sociale huur en geen koopwoning kunnen financieren – door de Wet betaalbare huur klem worden gezet? Waarom wel, waarom niet?
Klopt het dat de wachttijden en de concurrentie in het middenhuursegment zijn toegenomen sinds invoering van de wet? Zo ja, heeft u daar cijfers van? Zo niet, kan u dat antwoord met cijfers motiveren?
Deelt u de mening dat deze wet vooral zittende huurders beschermt, maar woningzoekenden benadeelt?
Welke concrete aanpassingen aan de Wet betaalbare huur zouden volgens u het verstoorde investeringsklimaat op de huurmarkt kunnen herstellen?
Kan u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht dat linkse activisten oproepen tot schijnhuwelijk. |
|
Marina Vondeling (PVV), Elmar Vlottes (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Heijnen , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het schandalige Instagram-bericht van de pro-migratieorganisatie MiGreat, waarin zij personen met een Nederlands paspoort oproepen om schijnhuwelijken aan te gaan met illegale migranten die geen verblijfsvergunning hebben of geen visum kunnen krijgen?1
Erkent u dat MiGreat hiermee aanzet tot het plegen van een strafbaar feit? Zo ja, bent u bereid om het Openbaar Ministerie (OM) onmiddellijk op te dragen een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen MiGreat? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat MiGreat al sinds 2022 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI-status) heeft? Zo ja, bent u bereid de ANBI-status per direct en met terugwerkende kracht in te trekken?
Kunt u onderbouwen, aan de hand van cumulatieve eisen voor het verkrijgen van een ANBI-status, hoe het mogelijk is dat MiGreat überhaupt een ANBI-status heeft verkregen?
Deelt u de mening dat organisaties als MiGreat deel uitmaken van een bredere asielindustrie die het terugkeerbeleid saboteren en onze grenzen nog verder open willen zetten en bent u bereid alle subsidies en fiscale voordelen voor dergelijke pro-migratiegroepen te schrappen?
De MIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Tweede Kamer, vertrouwelijk, inzage krijgen in de lijst met namen van journalisten die door de MIVD worden ingezet als agent? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding worden er geen uitspraken gedaan die raken aan bronnen, het actuele kennisniveau en de modus operandi van de diensten. Bronbescherming is een van de hoogste prioriteiten van de diensten, en is ook van toepassing op de inzet van agenten. Voor de veiligheid van agenten doen wij geen uitspraken over bijvoorbeeld aantallen en identiteit. De diensten kunnen hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen. Het geven van inzicht daarin gaat ten koste van het goed functioneren van de diensten en daarmee ten koste van de bescherming van de nationale veiligheid.
In algemene zin geldt voor de parlementaire controle op de geheime aspecten van de taakuitvoering van de diensten dat door uw Kamer de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) is ingesteld. Over de door de CIVD behandelde onderwerpen en de verstrekte inlichtingen worden geen uitspraken gedaan.
Indien de Kamer zelfs niet op vertrouwelijke basis de lijst met namen van journalisten die door de MIVD als agent worden ingezet mag inzien, ondermijnt dit dan niet het vertrouwen in de journalistiek en dus onze democratie?
Nee.
De journalistiek is een onmisbare pijler van de democratie. Ik benadruk het belang van de journalistieke onafhankelijkheid. Dit belang komt duidelijk naar voren bij de inzet van journalisten als agent door de diensten, bijvoorbeeld door te toetsen aan specifieke veiligheidsrisico’s en hogere toestemmingsvereisten. Zoals opgenomen in de memorie van toelichting bij de Wiv 2017, vult ook journalistieke bronbescherming een essentiële rol in een democratische samenleving. De journalist als agent is in de Wiv 2017, gelet op de belangrijke functie in onze rechtsstaat, als bijzondere categorie opgenomen. Daarom wordt hiervoor – net als voor een aantal andere maatschappelijke functies en verschoningsgerechtigden – apart beleid met extra waarborgen gehanteerd. Dit aparte beleid is er juist omdat Nederland een democratische rechtstaat is.
Ik hecht er waarde aan om te benadrukken dat de diensten er juist zijn om ondermijning van diezelfde democratische rechtsstaat en gevaren voor de nationale veiligheid tegen te gaan.
Wie heeft, behalve de MIVD zelf, kennis van de lijst met namen van journalisten die door de MIVD worden ingezet als agent?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding worden er geen uitspraken gedaan die raken aan bronnen, het actuele kennisniveau en de modus operandi van de diensten. Bronbescherming is een van de hoogste prioriteiten van de diensten, en is ook van toepassing op de inzet van agenten. Voor de veiligheid van agenten doen wij geen uitspraken over bijvoorbeeld aantallen, identiteit en de kring van personen die bekend zijn met de identiteit van de bron. De diensten kunnen hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen. Het geven van inzicht daarin gaat ten koste van het goed functioneren van de diensten en daarmee ten koste van de bescherming van de nationale veiligheid.
De Algemene Bestuursdienst (ABD) |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Was de Algemene Bestuursdienst (ABD) ervan op de hoogte dat het cv van Nathalie van Berkel niet correct was? Zo nee, waarom niet?
Voor werving & selectieprocedures volgt de Algemene Bestuursdienst de NVP1-sollicitatiecode. Gegevens die een sollicitant in een sollicitatieproces verstrekt zijn vertrouwelijk. Daarom kan ik verder geen uitspraken doen over deze procedure.
Overigens gaat het in deze situatie niet om een ABD-functie maar om dienstverlening door de ABD samen met een extern werving & selectie bureau aan een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO).
Worden de cv’s van ambtenaren die vallen onder de ABD gecontroleerd? Zo nee, waarom niet?
Voor ABD-vacatures kent de ABD een uitgebreid werving- en selectieproces waarin een kandidaat op verschillende momenten getoetst wordt op zijn ervaring, vaardigheden en kwaliteiten. Voorafgaand aan publicatie van een functie worden de functie-eisen vastgesteld in samenspraak met de vacaturehouder. Dit kan een specifieke opleidingseis zijn, maar vaker wordt een wo-werk- en -denkniveau gevraagd in combinatie met relevante werkervaring. In de selectiegesprekken wordt getoetst of een kandidaat over de juiste kwaliteiten en vaardigheden beschikt voor de functie.
Na afloop van de selectiegesprekken vindt voor de voorkeurskandidaat een referentiecheck plaats om eerdere werkervaring te toetsen. Daarnaast kan een assessment deel uitmaken van het selectieproces. Dit gebeurt altijd voor kandidaten die van buiten de Rijksoverheid solliciteren en voor kandidaten die niet eerder een functie op hetzelfde niveau hebben vervuld.
De primaire verantwoordelijkheid voor het verstrekken van correcte informatie ligt bij de sollicitant. Dit volgt uit de Gedragscode Integriteit Rijk. Daarin is beschreven dat integriteit al iets is om rekening mee te houden voordat je in dienst treedt als rijksambtenaar. Zo moet een persoon eerlijk zijn in de informatie die hij of zij bij de sollicitatie verstrekt en geen relevante informatie achterhouden. Bij het afleggen van de ambtseed zweert of verklaart een rijksambtenaar dat hij of zij correcte informatie heeft gegeven en niets heeft verzwegen wat voor het ambt van belang kan zijn. Uiteraard onderschrijft ik deze uitgangspunten volledig.
Is het, wat u betreft, acceptabel dat ambtenaren, die onderdeel uitmaken van de ABD, hun cv hebben «opgepoetst» met onwaarheden? Of is dit onverenigbaar met de integriteit van het openbaar bestuur?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 2. De primaire verantwoordelijkheid voor het verstrekken van correcte informatie ligt bij de sollicitant. Dit is ook opgenomen in de Gedragscode Integriteit Rijk en in de ambtseed.
Bent u bereid de cv’s van ambtenaren die onderdeel uitmaken van de ABD – of op zijn minst de ambtenaren die behoren tot de Topmanagementgroep van de ABD – door een extern bureau te laten controleren? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven kent de ABD een zorgvuldig werving- selectieproces waarbij werkervaring en vaardigheden op verschillende momenten getoetst worden. Daarnaast heeft iedere kandidaat zelf primair de verantwoordelijkheid om correcte informatie bij een sollicitatie te verstrekken en om geen relevante informatie achterhouden, zoals ook is opgenomen in de Gedragscode Integriteit Rijk en de ambtseed. Het inschakelen van een extern bureau voor het toetsen van cv’s van de huidige groep topambtenaren vind ik niet proportioneel. Wel vind ik het van belang om de waarde die de overheid hecht aan integriteit te onderstrepen bij sollicitaties voor topambtelijke functies. Eerder is aangegeven dat zal worden bezien of de aandacht voor integriteit in het bestaande aannamebeleid voor rijksambtenaren vergroot moet worden.2 Daarbij zal voor topambtenaren, naast de huidige checks in de werving- en selectie procedure, voor de eindkandidaat een extra opleidingsverificatie plaatsvinden.
De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Kan de Tweede Kamer, vertrouwelijk, inzage krijgen in de lijst met namen van journalisten die door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) worden ingezet als agent? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding worden er geen uitspraken gedaan die raken aan bronnen, het actuele kennisniveau en de modus operandi van de diensten. Bronbescherming is een van de hoogste prioriteiten van de diensten, en is ook van toepassing op de inzet van agenten. Voor de veiligheid van agenten doen wij geen uitspraken over bijvoorbeeld aantallen en identiteit. De diensten kunnen hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen. Het geven van inzicht daarin gaat ten koste van het goed functioneren van de diensten en daarmee ten koste van de bescherming van de nationale veiligheid.
In algemene zin geldt voor de parlementaire controle op de geheime aspecten van de taakuitvoering van de diensten dat door uw Kamer de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) is ingesteld. Over de door de CIVD behandelde onderwerpen en de verstrekte inlichtingen worden geen uitspraken gedaan.
Indien de Kamer, zelfs niet op vertrouwelijke basis (!), de lijst met namen van journalisten die door de AIVD als agent worden ingezet mag inzien, ondermijnt dit dan niet het vertrouwen in de journalistiek en dus onze democratie?
Nee.
De journalistiek is een onmisbare pijler van de democratie. Ik benadruk het belang van de journalistieke onafhankelijkheid. Dit belang komt duidelijk naar voren bij de inzet van journalisten als agent door de diensten, bijvoorbeeld door te toetsen aan specifieke veiligheidsrisico's en hogere toestemmingsvereisten. Zoals opgenomen in de memorie van toelichting bij de Wiv 2017, vervult ook journalistieke bronbescherming een essentiële rol in een democratische samenleving.1 De journalist als agent is in de Wiv 2017, gelet op de belangrijke functie in onze rechtsstaat, als bijzondere categorie opgenomen. Daarom wordt hiervoor – net als voor een aantal andere maatschappelijke functies en verschoningsgerechtigden – apart beleid met extra waarborgen gehanteerd. Dit aparte beleid is er juist omdat Nederland een democratische rechtstaat is. Ik hecht er waarde aan om te benadrukken dat de diensten er juist zijn om ondermijning van diezelfde democratische rechtsstaat en gevaren voor de nationale veiligheid tegen te gaan.
Wie heeft, behalve de AIVD zelf, kennis van de lijst met namen van journalisten die door de AIVD worden ingezet als agent?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding worden er geen uitspraken gedaan die raken aan bronnen, het actuele kennisniveau en de modus operandi van de diensten. Bronbescherming is een van de hoogste prioriteiten van de diensten, en is ook van toepassing op de inzet van agenten. Voor de veiligheid van agenten doen wij geen uitspraken over bijvoorbeeld aantallen, identiteit en de kring van personen die bekend zijn met de identiteit van de bron. De diensten kunnen hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen. Het geven van inzicht daarin gaat ten koste van het goed functioneren van de diensten en daarmee ten koste van de bescherming van de nationale veiligheid.
De oerdomme jailbreak-uitspraak van Tuinman, die miljarden aan F-35-onderhoud en onze band met Amerika bedreigt. |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de uitspraak van demissionair Staatssecretaris Tuinman dat het mogelijk is een F-35 te «jailbreaken», net zoals je een iPhone jailbreakt? Deelt u de mening dat dit een oerdomme en politiek uiterst onverantwoorde uitspraak is die het vertrouwen van onze belangrijkste bondgenoot ernstig kan schaden?1
De uitspraak van de vorige Staatssecretaris van Defensie was een reactie in een gesprek over een zeer onwaarschijnlijke en ongewenste situatie, en moet in de bredere context van het interview worden geplaatst. De vorige Staatssecretaris heeft in het betreffende interview niet gepleit voor het schenden van de ondertekende F-35 overeenkomsten. Nederland blijft het F-35 programma onverminderd steunen. Het kabinet hecht groot belang aan voortzetting van de nauwe samenwerking en onderlinge vertrouwensband met de Verenigde Staten en andere partners binnen het F-35 programma.
Kunt u uitleggen waarom de Staatssecretaris in het openbaar pleit voor het schenden van de ondertekende F-35-overeenkomsten, terwijl hij zelf erkent dat Europa geen eigen modern gevechtsvliegtuig heeft kunnen bouwen en Nederland daardoor volledig afhankelijk is van de Verenigde Staten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe denkt u dat de Verenigde Staten zullen reageren op een Nederlands bewindspersoon die openlijk roept om hun duurste gevechtsvliegtuig te hacken, terwijl de VS volledige controle hebben over software, upgrades en reserveonderdelen?
Zoals hierboven genoemd, moet de reactie van de vorige Staatssecretaris in de bredere context van het interview worden geplaatst. Nederland onderhoudt op regelmatige basis een constructieve en open dialoog met de Verenigde Staten, waarin ook de samenwerking binnen het F-35 programma ter sprake komt.
Kunt u een schatting geven van de economische schade, inclusief banenverlies en gemiste miljarden aan omzet en onderhoudscontracten (bijvoorbeeld op Vliegbasis Woensdrecht, als een van de Europese logistieke en onderhoudshubs voor de F-35), die Nederland zal lijden indien de Amerikanen besluiten geen reserveonderdelen of onderhoud meer te leveren als gevolg van de provocerende «jailbreak»-uitspraak van de Staatssecretaris?2
Ik ga niet speculeren over een dergelijk scenario.
Bent u bereid de Staatssecretaris publiekelijk terug te fluiten, de Verenigde Staten schriftelijk te verzekeren dat Nederland de F-35-overeenkomsten niet zal schenden en excuses aan te bieden aan de Amerikaanse bondgenoot en de Nederlandse militairen die de dupe kunnen worden van deze loslippigheid?
Zie antwoord vraag 3.
De bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de El Houda Moskee in Brunssum in de nacht van 13 op 14 februari 2026 is beklad met anti-islamitische teksten?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het bekladden van een gebedshuis met anti-islamitische teksten niet alleen vernieling is, maar tevens een vorm van intimidatie en mogelijk een haatmisdrijf? Wordt een mogelijk discriminatoir of islamofoob motief expliciet meegenomen in het politieonderzoek?
Dergelijke incidenten zijn ernstig en onacceptabel. Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland zijn of haar geloof vrij en veilig kan belijden, zonder te worden geconfronteerd met intimidatie of vernieling van religieuze gebouwen.
Het bekladden van gebouwen, waaronder gebedshuizen, is strafbaar wanneer sprake is van vernieling.2 Wanneer dergelijke uitingen gericht zijn tegen een groep mensen vanwege bijvoorbeeld hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met discriminatoir aspect.3
Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt van het delict. Indien bij aangiften aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief, wordt dit conform de Aanwijzing discriminatie betrokken bij het opsporingsonderzoek.4
Welke concrete maatregelen worden lokaal en landelijk genomen om moskeeën beter te beschermen tegen dit soort incidenten? Wordt daarbij specifiek rekening gehouden met periodes van verhoogde spanning of maatschappelijke onrust?
De verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie ligt primair bij de lokale driehoek van burgemeester, politie en het OM. Daarnaast houden de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de dreiging nauwlettend in de gaten. Op basis van de lokale situatie en actuele dreigingsinformatie zullen er passende maatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Over specifieke maatregelen die door politie en OM worden genomen, worden in het algemeen geen mededelingen gedaan, omdat dit vaak betrekking heeft op operationele en veiligheidsgevoelige informatie.
Deelt u de mening dat, zoals uit het recente rapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme blijkt, discriminerende uitlatingen in het publieke en politieke debat kunnen bijdragen aan het normaliseren van haat en discriminatie tegen onder meer moslims, en dat dit klimaat een voedingsbodem vormt voor incidenten zoals de bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor bewindspersonen en Kamerleden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt discriminatie en haat jegens groepen in de samenleving onaanvaardbaar. Het is van belang dat in het publieke debat respectvol met elkaar wordt omgegaan en dat discriminatie en haat duidelijk worden afgekeurd.
Tegelijkertijd kan bij individuele incidenten niet zonder meer een direct verband worden gelegd met uitingen in het publieke of politieke debat. Binnen de democratische rechtsstaat geldt het uitgangspunt van vrijheid van meningsuiting, waarbij de grenzen worden bepaald door de wet. Wanneer uitingen strafbaar zijn, kan daartegen worden opgetreden door politie en OM.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en politie, aanvullende preventieve maatregelen te treffen ter bescherming van islamitische gebedshuizen, zoals structureel contact met moskeebesturen, zichtbare surveillance of ondersteuning bij beveiligingsmaatregelen?
Het nemen van beveiligingsmaatregelen vanuit de overheid voor religieuze instellingen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie van de politie en/of inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dit gebeurt onder het lokaal bevoegd gezag en is een aanvulling op wat deze instellingen al doen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Indien de dreiging en risico daartoe aanleiding geven, zullen er beveiligingsmaatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Daarnaast onderhouden gemeenten, politie en religieuze instellingen in veel gevallen reeds contact over veiligheidsvraagstukken.
Ook het kabinet hecht waarde aan het onderhouden van contact met gemeenschappen en maatschappelijke organisaties.
Hoe beoordeelt u het effect van dergelijke incidenten op het veiligheidsgevoel binnen islamitische gemeenschappen?
Incidenten die gericht zijn tegen religieuze instellingen kunnen een grote impact hebben op het veiligheidsgevoel van betrokken gemeenschappen. Het bekladden van een gebedshuis kan gevoelens van onveiligheid, kwetsbaarheid en verdriet oproepen bij bezoekers en omwonenden.
Het is daarom van belang dat dergelijke incidenten serieus worden genomen, dat meldingen en aangiften worden onderzocht en dat lokale autoriteiten waar nodig in contact staan met de betrokken gemeenschap.
Bent u bereid om in de komende voortgangsrapportage met betrekking tot discriminatie expliciet aandacht te besteden aan geweld en vernielingen gericht tegen religieuze instellingen, waaronder moskeeën?
In rapportages over discriminatie wordt aandacht besteed aan ontwikkelingen op basis van gegevens van onder andere de politie en andere betrokken organisaties. De politie registreert en analyseert incidenten met een mogelijk discriminatoir karakter, waaronder incidenten bij religieuze instellingen, en deze worden actief gemonitord en opgevolgd. Tegelijkertijd geldt dat deze incidenten niet als afzonderlijke, eenduidig afgebakende categorie worden geregistreerd. Daardoor kan geen volledig en sluitend overzicht worden gegeven van incidenten met een discriminatoir aspect specifiek gericht tegen religieuze instellingen.
De onrust onder inwoners van Moerdijk. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Moerdijk leeft tussen hoop en vrees: «Ik heb hier huilende mensen gehad»» op Omroep Brabant?1
Deelt u de opvatting dat langdurige bestuurlijke onzekerheid over het voortbestaan van een dorp diep ingrijpt in het dagelijks leven van inwoners en dat het Rijk hierin een eigen verantwoordelijkheid heeft, nu het mede-initiatiefnemer is van de gebiedsontwikkeling?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de inwoners van Moerdijk als gevolg van het handelen van de Rijksoverheid nog langer in onzekerheid blijven?
Welke stappen onderneemt u, vooruitlopend op een principebesluit, om de spanning en onzekerheid van de inwoners van Moerdijk te verzachten en rechtszekerheid en duidelijkheid voor inwoners te vergroten om verdere sociale ontwrichting te voorkomen?
Kunt u uiteenzetten welke uitgangspunten het kabinet hanteert bij de beoordeling of het opheffen van een dorp proportioneel en subsidiair is, en hoe deze toets zich verhoudt tot het uitgangspunt van een leefbare woonomgeving in de Nota Ruimte?
Hoe ziet het verplaatsen van het dorp Moerdijk eruit zowel als het gaat om het administratieve proces als de ruimtelijke kaders?
Bent u bekend met het aangenomen voorstel van de gemeenteraad van Moerdijk (19 november 2025) dat een voorkeur voor de variant Oost uitspreekt omdat deze het minst schadelijk is voor de gemeente als geheel? Zo ja, wat is uw visie over de inhoud?
Bent u in het kader van het aangenomen Moerdijkse raadsvoorstel «Ophalen toestemming voor besluit Powerport 1 december 2025» ermee bekend dat bij het oorspronkelijke raadsvoorstel meerdere amendementen zijn aangenomen ten behoeve van de leefbaarheid na de realisatie van Powerport, zoals de verbreding van de A16 bij de Moerdijkbrug?
Deelt u de visie zoals neergelegd door de Moerdijkse gemeenteraad, of heeft u een andere visie?
Waaraan denkt het kabinet als het gaat om «redelijke compensatie»?
Wordt er een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse opgesteld waarin ook psychosociale effecten, verlies van erfgoed, waardedaling van omliggende dorpen en effecten op vertrouwen in de overheid worden meegewogen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer deze? Zo nee, waarom wordt deze niet opgesteld?
Wat is uw huidige inschatting van de totale publieke kosten van de verschillende varianten (Oost en Zuid-Oost), inclusief verwerving, compensatie, herhuisvesting, infrastructuur, leefbaarheidsmaatregelen en eventuele planschade?
Hoe worden deze kosten verdeeld tussen Rijk, provincie, gemeente, havenbedrijf en netbeheerders, en welke middelen zijn reeds gereserveerd op de Rijksbegroting?
Wat is de termijn waarop deze middelen beschikbaar kunnen zijn?
Hoeveel extra milieubelasting (geluid, stikstof, verkeersbewegingen, veiligheidsrisico’s) ondervinden omliggende kernen zoals Zevenbergen, Langeweg en Zevenbergschen Hoek in beide varianten, en hoe weegt u deze effecten ruimtelijk en sociaal tegen elkaar af?
Aan welke (lopende) extra onderzoeken werd door de Minister gerefereerd tijdens het persmoment op 1 december 2025 in het gemeentehuis te Zevenbergen?
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over deze onderzoeken?
Kunt u specificeren welke onderzoeken tussen december 2025 en juni 2026 worden uitgevoerd (bijvoorbeeld naar alternatieven, brede welvaart, sociaal-maatschappelijke impact, juridische haalbaarheid en milieueffecten), wie deze uitvoert en welke scenario’s daarin worden meegenomen?
Hoeveel meer overlast gaan de bewoners van Zevenberg, Langeweg en Zevenberse Hoek ondervinden wanneer het kabinet kiest voor de Zuid-Oost variant en hoe weegt u de kosten van die overlast ten opzichte van de kosten van het verplaatsen van het dorp Moerdijk?
Kunt u concreet aangeven welke typen bedrijvigheid onder de gereserveerde 450 hectare voor de uitbreiding van het haven en industriegebied vallen en op basis van welke ruimtelijke en milieukaders deze selectie plaatsvindt?
Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat deze ruimte uiteindelijk wordt ingevuld met andersoortige, ruimte-intensieve of overlastgevende functies die niet direct samenhangen met de energietransitie of circulaire economie?
Hoe past deze ontwikkeling binnen het rijksbeleid om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte, functiemenging te beperken waar leefbaarheid onder druk staat en verdozing van het landschap tegen te gaan?
Op welke wijze wordt het vertrouwen van inwoners in de overheid actief gemonitord en versterkt in dit proces, en welke lessen trekt u hieruit voor toekomstige grootschalige ruimtelijke ingrepen elders in Nederland?
Kunt u bevestigen dat zonder een uitgewerkt en financieel gedekt pakket voor herhuisvesting, compensatie en behoud van sociale samenhang geen onomkeerbare stappen worden gezet?
Het verbod op contante betalingen boven de 3000 euro, zoals opgenomen in de wet plan van aanpak witwassen en de nadelige effecten van deze wetgeving in het bijzonder voor de exportsector |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op dit moment sprake van sectorale uitzonderingsposities binnen de goederenhandel?
Nee, er zijn geen generieke uitzonderingen voor specifieke sectoren op het verbod om contante betalingen voor transacties voor de aan- of verkoop van goederen boven de 3.000 euro (hierna: het verbod). In overleg met de toezichthouder Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI) is wel afgesproken om voor aankopen van goederen buiten de Europese Unie een uitzondering te maken bij de handhaving. Deze uitzondering is gemaakt naar aanleiding van zorgen uit de sector, waarna ik de Eerste Kamer bij de wetsbehandeling heb toegezegd om samen met de toezichthouder te bezien of er in het toezicht mogelijk disproportionele gevolgen weggenomen kunnen worden. De uitzondering komt hieraan deels tegemoet. Hierbij stuur ik u een afschrift van mijn brief aan de Eerste Kamer.
Zijn er wat u betreft sectoren die vanwege het verbod op contante verkopen boven de 3.000 euro een verslechtering van hun concurrentiepositie ondervinden ten opzichte van Europese buurlanden?
Na afloop van het debat in de Eerste Kamer over het verbod heb ik de sectoren die hun knelpunten bij de leden van de Eerste Kamer hadden aangekaart, opgeroepen om zich te melden. Met vertegenwoordigers uit deze sectoren is vervolgens gesproken. De sectoren die knelpunten zeggen te ondervinden zijn de voertuigen-, onderdelen- en metaalsector waar partijen uit Afrika, Zuid-Amerika en Oost-Europa vaak contant betalen. Zij schetsten dat zij in Nederland transacties verrichten voor de verkoop van hun waren, in hoge sommen contant geld met partijen binnen en buiten de EU. Zij wezen op het risico dat deze buitenlandse partijen na invoering van het verbod zouden uitwijken naar andere landen, zoals Duitsland, waar nu geen verbod geldt. Daarnaast stelden partijen uit de scheepvaart dat zij soms genoodzaakt zijn om in het buitenland ter plekke aankopen contant te doen.
Kunt u aangeven waarom er niet is gekozen voor uitzonderingsposities voor sectoren die gevoelig zijn voor een verslechtering van hun concurrentiepositie bij een verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro?
Aan de hand van het afwegingskader zoals geschetst in de brief aan de Eerste Kamer zouden uitzonderingen voor deze sectoren zorgen voor ondermijning van de wet en voor slechte handhaafbaarheid. Ten eerste zou een uitzondering juist de sectoren met hoog witwasrisico betreffen, terwijl de wet juist beoogt om witwassen aan te pakken. Ten tweede is een bredere uitzondering niet handhaafbaar, omdat de toezichthouder moeilijk kan verifiëren of een transactie daadwerkelijk met een buitenlandse partij plaats heeft gevonden. Hierdoor zouden constructies kunnen worden opgetuigd om het verbod te omzeilen en zou het risico op misbruik fors toenemen. Ten derde sluit een uitzondering niet aan op de Europese antiwitwasverordening, die vanaf juli 2027 een algemene limiet instelt. Deze Europese limiet biedt geen ruimte voor sectorale uitzonderingen binnen de EU. Daarom wordt alleen een uitzondering gemaakt voor aankopen buiten de EU, waarbij het witwasrisico lager is, de toezichthouder de handhaafbaarheid kan waarborgen en waar vanaf juli 2027 geen Europese regelgeving voor geldt.
Wat heeft u gedaan om de nadelige effecten voor Nederlandse sectoren die te maken hebben met contante betalingen bij verkoop zoveel mogelijk te minimaliseren?
Er zijn gesprekken gevoerd met de sectoren en toezichthouder DFEI om mogelijke uitzonderingen te verkennen. Hierbij is de sectoren gevraagd om voorbeelden aan te dragen van situaties waarin zij knelpunten ervaren. De voorbeelden bedroegen veelal transacties die een hoog risico op witwassen vormen, terwijl de wet juist witwassen moet aanpakken. De werkbare en uitlegbare uitzondering die is gevonden betreft aankopen buiten de EU. Voor verkooptransacties is geen uitzondering mogelijk gebleken op basis van de bij het antwoord op vraag 3 geschetste overwegingen.
Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2026 ervaren exportbedrijven volgens hun eigen signalen «gigantische problemen». Kunt u zich deze dreiging voor de bedrijfsvoering voorstellen en was u hiervan op de hoogte?
Het is mij bekend dat partijen die handeldrijven met partijen uit het buitenland en daarbij gebruik maken van hoge sommen contant geld geraakt worden door deze wet. Voor deze sectoren is dat vervelend. Deze consequenties zijn tijdens de Kamerbehandelingen van het verbod besproken. Met name tijdens het debat met de Eerste Kamer is hier uitvoerig bij stil gestaan. Tegelijkertijd kwam in het debat ook aan de orde dat juist deze sectoren uit onderzoek naar voren komen als sectoren waarin sprake is van een hoog risico op witwassen. Het zou de effectiviteit van de wet onderuit halen om hiervoor uitzonderingen te maken.
Hoe rechtvaardigt u dat de wet is ingevoerd zonder dat er voor de exportverkopen een werkbaar alternatief of uitzondering is gecreëerd?
De strekking van het verbod laat geen ruimte voor uitzonderingen bij exportverkopen vanwege het hoge witwasrisico en onvoldoende mogelijkheid tot handhaafbaarheid. Een uitzondering zou een flinke maas in de wet veroorzaken en misbruik in de hand werken.
Volgens de sector is er in uw reactie van 19 december 2025 voor gekozen om enkel een handreiking te doen op het gebied van aankopen buiten de EU, is deze lezing correct?
Ja, de uitzondering die in het toezicht wordt gemaakt betreft aankopen buiten de EU. Zie de antwoorden hierboven en het afschrift van mijn brief aan de Eerste Kamer.
Bent u ervan op de hoogte dat het kernprobleem voor de exportsector in Nederland niet ligt bij de aankoop van goederen, maar juist bij de verkoop aan handelaren uit landen waar een digitale betaalinfrastructuur simpelweg niet bestaat of onbetrouwbaar is?
Ja, dat is bekend. Er is door enkele sectoren gewezen op transacties met partijen uit landen zonder goed werkend digitaal betaalsysteem. Tegelijkertijd is het vanwege de reeds genoemde overwegingen onwenselijk om generieke uitzonderingen te maken.
Bent u bereid verder met de exportsector (en andere kwetsbare sectoren) in gesprek te gaan over maatregelen om de nadelige effecten van het verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro te beperken?
Er hebben reeds gesprekken met de sectoren plaatsgevonden. Binnen het huidige wettelijk kader is geen bredere uitzondering mogelijk is. De wet regelt dat binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk aan de Staten-Generaal wordt gestuurd. Hierin zal ook worden stilgestaan bij eventuele nadelige effecten. Daarover kan dan het debat plaatsvinden.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden
Ja.
Het bericht 'Vier Afghaanse vrouwen mogen nu in Nederland blijven. ‘Maar voor duizenden anderen verandert dit niets’' |
|
Sarah Dobbe |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het nieuws dat duizenden Afghaanse vrouwen worden gedeporteerd terwijl het land onveilig is?1
De berichten over de deportatie uit Pakistan en Iran van duizenden Afghaanse vrouwen zijn zeer zorgwekkend. De situatie in Afghanistan is onverminderd ernstig, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, die te maken hebben met vergaande beperkingen van hun rechten en vrijheden.
Sinds 2022 zet Nederland zich in voor opvang van Afghaanse vluchtelingen in de regio Afghanistan, in Pakistan en Iran, overeenkomstig de motie-Piri en Van der Lee (Kamerstuk 27 925, nr. 906). Deze programmering richt zich onder andere op de bescherming van Afghaanse vluchtelingen.
Daarnaast bekleedt Nederland sinds 2024 het voorzitterschap van het internationale platform Solution Strategy for Afghan Refugees (SSAR). Dit platform fungeert als het voornaamste gremium om, samen met verschillende partijen en met UNHCR als secretariaat, duurzame oplossingen te bereiken voor de Afghaanse vluchtelingensituatie. Pakistan en Iran behoren tot de grootste opvanglanden ter wereld en krijgen binnen dit platform ook de gelegenheid om hun prioriteiten te formuleren. Ook deportaties vanuit Iran en Pakistan worden in dit verband regelmatig aan de orde gesteld.
Hoe is het mogelijk dat personen met dezelfde omstandigheden, andere visum-beoordelingen krijgen, zoals Lafita aangeeft?
In het artikel gaat het om de visumbeoordeling door de Duitse autoriteiten. Nederland heeft geen inzicht in de achterliggende redenen waarom een persoon wel of niet in aanmerking komt voor visumverlening in Duitsland. Voor Nederland geldt dat elke visumaanvraag op basis van de individuele omstandigheden wordt beoordeeld. Personen in exact dezelfde omstandigheden zouden dan in de regel ook dezelfde beoordeling moeten krijgen. Tegelijkertijd geldt dat de individuele omstandigheden wel degelijk kunnen verschillen hoewel de zaken oppervlakkig bezien hetzelfde lijken.
Kunt u inzage geven in het proces van het verlenen van de verblijfsvergunning van de betreffende vier vrouwen?2
Zoals uw Kamer bekend ga ik niet in op individuele zaken. Op 4 december 2025 is tevens gereageerd op de ingediende Kamervragen (kenmerken 2025Z192697 en 2025Z19541) over het asielbeleid ten aanzien van vrouwen uit Afghanistan.
Op welke oordelen baseert u de veiligheid van Afghanistan voor Afghaanse vrouwen, als blijkt dat er geen westerse soldaten, camera’s of opvang is, zoals Fawzia Koofi aangeeft?
Het landenbeleid Afghanistan gaat in op de positie van verschillende categorieën, waaronder Afghaanse vrouwen. Dit is gebaseerd op het algemeen ambtsbericht over Afghanistan. In het beleid is rekening gehouden met de slechte positie van vrouwen en meisjes in Afghanistan. Op 19 december 2025 is het nieuwe algemene ambtsbericht over Afghanistan gepubliceerd. Op basis van de informatie in het ambtsbericht wordt momenteel gekeken welke beleidsconsequenties dit met zich meebrengt. Uw Kamer zal hierover binnenkort worden geïnformeerd.
Bent u bereid Afghanistan als onveilig land te bestempelen, nu het Ministerie van Buitenlandse Zaken in het laatste ambtsbericht de positie van vrouwen onder de Taliban ziet verslechteren? Zo nee, waarom niet?
In de systematiek van het tot stand komen van landgebonden asielbeleid wordt er op basis van de informatie uit het door Buitenlandse Zaken gepubliceerde ambtsbericht gekeken welke (groepen) personen risico lopen op vervolging of ernstige schade. Afhankelijk van de mate van vervolging kan er worden geoordeeld dat er sprake is van groepsvervolging of kan een risicoprofiel worden aangewezen. Uiteindelijk gaat het om een individuele beoordeling waarbij geldt dat ook personen die niet onder groepsvervolging vallen of niet zijn aangemerkt als risicoprofiel nog steeds in aanmerking kunnen komen voor bescherming. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Als blijkt dat Afghanistan het Vrouwenverdrag blijft schenden en niet in onderhandeling gaat, ondanks het aansprakelijk stellen door Australië, Canada, Duitsland en Nederland, is dat dan reden om alle Afghaanse vrouwen standaard asiel te verlenen? Zo nee, waarom niet?
Op 25 september 2024 heeft Nederland – samen met Australië, Canada en Duitsland – Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Door Afghanistan aansprakelijk te stellen, zet Nederland zich samen met de bovengenoemde staten in om naleving van de internationale verplichtingen van Afghanistan onder het Vrouwenverdrag af te dwingen en toekomstige schendingen te voorkomen. Afghaanse vrouwen en meisjes moeten hun rechten op grond van het Vrouwenverdrag kunnen uitoefenen. In het bijzonder moet het recht op onderwijs en deelname aan het openbare leven voor Afghaanse vrouwen en meisjes worden gerespecteerd en gewaarborgd.
Op basis van het geldende beleid komen vrouwen uit Afghanistan in vrijwel alle gevallen in aanmerking voor bescherming en een verblijfsvergunning. Er is daarnaast altijd sprake van een individuele beslissing waarbij gekeken wordt naar de specifieke omstandigheden van het geval, met oog op de situatie in Afghanistan. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd over de beleidsconsequenties van het op 19 december 2025 gepubliceerde algemene ambtsbericht over Afghanistan.
Als zowel de UNHCR, het Ministerie van Buitenlandse zaken als uzelf3 onderkent dat de positie van Afghaanse vrouwen en meisjes ernstig onder druk staat, is het dan niet gegrond om alle asielaanvragen van deze groep goed te keuren? Zo niet, hoe kunt u dit verantwoorden?
De situatie in Afghanistan is onverminderd ernstig, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, die te maken hebben met vergaande beperkingen van hun rechten en vrijheden. Het niet naleven van deze leefregels kan voor vrouwen en meisjes verstrekkende gevolgen hebben voor hun veiligheid, bewegingsvrijheid, toegang tot onderwijs, werk en maatschappelijke participatie. Tegelijkertijd geldt binnen het Nederlandse en Europese asielrecht dat iedere asielaanvraag individueel wordt beoordeeld aan de hand van de criteria uit het Vluchtelingenverdrag en de relevante EU-richtlijnen. In vrijwel alle gevallen zal dit voor Afghaanse vrouwen en meisjes leiden tot vergunningverlening, maar een individuele toets blijft juridisch noodzakelijk. Nederland blijft zich in EU- en VN-verband inzetten voor het beschermen van mensenrechten, en roept in deze gremia de Taliban op om mensenrechten te beschermen, in het bijzonder de rechten van vrouwen en meisjes, te respecteren in overeenstemming met internationale verdragsverplichtingen.
Op welke manier gaat u druk uitoefenen op de Europese ambassade in Afghanistan om de hulpvragen van vrouwen serieuzer te nemen en beter te behandelen, gezien de schendingen van het VN-Vrouwenverdrag door de Taliban?
Nederland zet zich actief in voor de bescherming van vrouwen en meisjes in Afghanistan. In contacten met de Delegatie van de Europese Unie in Kaboel worden consequent mogelijkheden onderzocht om de positie van vrouwen en meisjes in Afghanistan te verbeteren. De Europese Unie steunt meerdere organisaties die zich in Afghanistan inzetten voor vrouwen en meisjes.
De behandeling van hulp- en beschermingsverzoeken vindt plaats binnen de geldende Europese en internationale juridische kaders.
Erkent u het oordeel van de VN dat we aan de vooravond staan van een hongersnood in Afghanistan? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De humanitaire noden in Afghanistan blijven onverminderd hoog. Daarom maakt Nederland humanitaire hulpverlening in Afghanistan mogelijk door flexibele financiering via meerdere kanalen: VN-organisaties, de Rode Kruis en Rode Halve Maanbeweging, en de Dutch Relief Alliance. Deze vorm van financieren stelt organisaties in staat om hulp te leveren in geval van (verergering van) crises, zoals in Afghanistan. Daarnaast is Nederland een van de grootste donoren van het humanitaire landenfonds van de VN voor Afghanistan en het VN-noodhulpfonds CERF. Deze fondsen maken, mede dankzij onze financiering, regelmatig geld vrij voor hulpverlening in Afghanistan, waarmee o.a. voedselhulp aan hulpbehoevende Afghanen kan worden geleverd, of hulp na de aardbevingen.
Deelt u de mening dat Nederland, als de op één na grootste landbouwexporteur ter wereld, een bijzondere rol heeft in het ondersteunen van het Wereldvoedselprogramma? Zo ja, hoe gaat u bijdragen aan de tekorten? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse humanitaire inzet blijft, conform de Kamerbrief over de financiële invulling van humanitaire hulp in 2026 d.d. 12 januari 2026 (Kamerstuk 36 180, nr. 189), voornamelijk gestoeld op meerjarige, flexibele financiering. Nederland staat met deze vorm van financiële steun te boek als een betrouwbare donor die organisaties in staat stelt snel en efficiënt te reageren bij crises. Dat wil zeggen dat Nederland onder andere een aantal humanitaire VN-organisaties dat reeds betrokken is bij de hulpverlening in Afghanistan, waaronder WFP, UNICEF en UNHCR, ondersteunt via deze vorm van financiering. WFP is Nederland zeer erkentelijk voor de voorspelbaarheid en efficiëntie van deze manier van financieren.
Het artikel ‘Kans op herhaling criminelen jarenlang verkeerd berekend door reclassering’ |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Computer slechte voorspeller recidive» over risicotaxatie-algoritmen binnen de reclassering?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van de samenleving tegen recidive de hoogste prioriteit moet hebben bij risicotaxatie?
De bescherming van de samenleving is een kerndoel van de reclassering. Risicotaxatie is daarvoor een belangrijk middel. Risicotaxatie moet verantwoord gebeuren om effectief bij te dragen aan die veiligheid.
Kunt u concreet onderbouwen dat het gebruik van algoritmen binnen de reclassering leidt tot structurele discriminatie?
Het risicotaxatieinstrument OxRec maakt geen direct onderscheid naar ras of etniciteit. Maar volgens de Inspectie Justitie en Veiligheid kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van buurtscore en inkomen kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.2 Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.3
Is het juist dat variabelen zoals woonomgeving, inkomen en opleidingsniveau statistisch samenhangen met recidive?
Ja, dat klopt. De OxRec is ontwikkeld door onderzoekers verbonden aan de universiteit van Oxford. Bij de keuze voor het opnemen van verschillende variabelen verwijzen zij naar wetenschappelijk onderzoek, waaruit de samenhang van deze variabelen met recidive blijkt.4
Deelt u de mening dat het negeren van dergelijke factoren kan leiden tot een minder realistische risico-inschatting?
Ja, dat risico bestaat.
Bent u het ermee eens dat statistische verschillen tussen groepen niet automatisch betekenen dat sprake is van discriminatie?
Ja. Zo zijn er bijvoorbeeld statistische verschillen tussen mannen en vrouwen met betrekking tot (herhaling van) criminaliteit. Ook leeftijd en verslaving zijn bijvoorbeeld variabelen die samenhangen met recidive. Het meewegen van die verschillen kan gerechtvaardigd zijn, maar moet onderbouwd worden.
Klopt het dat algoritmen slechts ondersteunend zijn en dat de uiteindelijke beslissing bij de professional of rechter ligt? En hoe werkt dit process?
Het klopt dat de algoritmen worden gebruikt als een hulpmiddel. Volgens de reclassering zijn de algoritmen niet doorslaggevend en vervangen het professioneel oordeel niet. Ze ondersteunen en fungeren als het ware als «spiegel» bij de totstandkoming van het advies. Dit proces is volgens de reclassering ook zo in het beleid vastgelegd. Desalniettemin is het van belang om hier voortdurend alert op te blijven. Hiervoor zal de reclassering in de toekomst specifiek aandacht hebben, zodat kennis en werkprocessen op peil blijven en waar nodig worden verbeterd.
Tot slot is het niet aan mij om opiniemakers en media te recenseren die een andere indruk wekken over de werkwijze van de reclassering.
Waarom wordt in het publieke debat de indruk gewekt dat «de computer beslist», terwijl het om een hulpmiddel gaat?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre acht u het verantwoord om bewezen risicofactoren te schrappen uit angst voor vermeende discriminatie?
In het verbetertraject van de reclassering wordt onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec. Variabelen in de betreffende algoritmes worden alleen verwijderd als deze leiden tot een ongerechtvaardigd onderscheid (discriminatie). Ik kan hierop niet vooruitlopen.
Kunt u aangeven of het verwijderen van bepaalde variabelen gevolgen heeft voor de nauwkeurigheid van de voorspellingen?
Zie antwoord vraag 9.
Is onderzocht wat de impact op recidivecijfers kan zijn wanneer risicomodellen worden afgezwakt?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe weegt u het belang van publieke veiligheid tegenover zorgen over indirecte discriminatie?
Beide belangen wegen zwaar en zijn verenigbaar. Ik wil recht doen aan beide belangen. Een verantwoorde risicotaxatie beschermt de samenleving en voorkomt dat mensen op bepaalde gronden ongerechtvaardigd zwaarder worden aangepakt.
Zijn er concrete gevallen bekend waarin mensen aantoonbaar onterecht zwaarder zijn bestraft door algoritmische inschattingen?
Nee. In eerder genoemde beleidsreactie wordt dit toegelicht.5
Deelt u de zorg dat politieke correctheid zwaarder kan gaan wegen dan veiligheid?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 12.
Hoe gaat u voorkomen dat criminelen profiteren van afgezwakte risicotaxaties?
Zie antwoord vraag 14.
Worden slachtoffers en hun belangen expliciet meegewogen in deze discussie? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het slachtofferperspectief wordt in het verbetertraject van de reclassering meegenomen. Slachtofferbewust en herstelgericht werken zijn al vaste en belangrijke onderdelen van het reclasseringswerk. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het betrekken van slachtofferbelangen in een reclasseringsadvies, zoals het adviseren van veiligheidsmaatregelen (contact- en locatieverbod).
In hoeverre worden politie en reclasseringsprofessionals betrokken bij aanpassingen van deze systemen?
De maatregelen in het verbetertraject zien op aanpassingen van de algoritmes die de reclassering bij risicotaxatie hanteert. Bij dit traject worden ook reclasseringswerkers betrokken. Daarnaast betrekt de reclassering ook de wetenschap en andere deskundigen op dit terrein. De reclassering informeert de ketenpartners tijdig en betrekt hen zo nodig in het verbetertraject.
Bent u bereid transparant te maken welke variabelen worden gebruikt en waarom?
Alle variabelen van de OxRec, zoals de reclassering die heeft geïmplementeerd, staan genoemd in bijlage E van het Inspectierapport.
Kunt u garanderen dat het voorkomen van recidive leidend blijft bij eventuele herzieningen van deze systemen?
Zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 12.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de effecten op veiligheid wanneer wijzigingen in algoritmen worden doorgevoerd?
In de beleidsreactie is aangegeven dat uw Kamer naar verwachting in het najaar van dit jaar wordt geïnformeerd over de opvolging van de aanbevelingen. Dit punt zal daarin worden meegenomen.
Het bericht 'Ambtenaren verzwegen Palestijnse dodentallen voor Schoof' |
|
Sarah Dobbe |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel van Vrij Nederland, over het verzwijgen van Palestijnse dodentallen door ambtenaren voor de Minister-President?1
Het beeld dat moedwillig informatie wordt achtergehouden is onjuist. Ik ervaar de advisering binnen het ministerie als professioneel en volledig, waarbij alle relevante invalshoeken en feiten worden meegenomen. Over de oorlog in de Gazastrook is er een constante informatiestroom, ook richting het Ministerie van Algemene Zaken. Daarin zijn met grote regelmaat cijfers over aantallen slachtoffers (ongeacht nationaliteit) opgenomen. Er zijn verschillende manieren waarop bewindslieden geïnformeerd worden over een kwestie, een gespreksfiche is daar één van.
Kunt u inzage geven in het proces van het opstellen van het desbetreffende gespreksfiche uit het artikel? Klopt het dat meerdere malen de cijfers over de Palestijnse en Libanese slachtoffers uit het feitenrelaas zijn gehaald?
Een gespreksfiche bestaat onder meer uit spreekpunten en achtergrondinformatie. In de achtergrondinformatie dient de informatie te staan die nodig is om het gesprek inhoudelijk goed te kunnen voeren. De gesprekspunten bieden een basis voor de manier waarop het gesprek gevoerd kan worden. Met het opstellen van de gesprekspunten wordt de afweging gemaakt op welke wijze het meest effectief een boodschap wordt overgebracht. Dat is mede afhankelijk van de gesprekspartner in kwestie, zijn of haar kennis over een situatie of onderwerp, en de relatie van een land ten opzichte van het te bespreken onderwerp. Hierdoor is het niet altijd nodig of opportuun in de gesprekspunten een situatie te beschrijven om er wel over te spreken. Naast de gesprekspunten zelf, wordt tijdens het gesprek ook gebruik gemaakt van de achtergrondinformatie.
Het artikel in Vrij Nederland refereert aan een gesprek van de Minister-President met een Arabische leider in het najaar van 2024. Hoewel er geen duidelijkheid bestaat over het exacte gesprek waar het artikel aan refereert, is naar aanleiding van de publicatie nagegaan welk gesprek het mogelijk kan betreffen. Hierbij kwam een specifiek gesprek naar voren, waarbij slachtofferaantallen in de achtergrondinformatie stonden. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 1.
Hoe kan het dat relevante feitelijke informatie uit een gespreksfiche wordt gehaald? Wat zijn de vereisten bij het opstellen van zo’n fiche en wie controleert dit? Is er sprake van een vier-ogen principe?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Bij het opstellen van een gespreksfiche zijn diverse personen betrokken, zowel op het departement in Den Haag als op de Nederlandse posten in de regio. Het aantal betrokkenen hangt met name af van de inhoud van het gesprek en het aantal gespreksonderwerpen. Daarnaast wordt een gespreksfiche op verschillende niveaus geaccordeerd. Waar nodig ook op politiek niveau. In ieder geval kijken altijd meer dan twee mensen.
Hoe verantwoordt u dat Israëlische doden een hogere status krijgen op het Ministerie van Buitenlandse zaken, dan Palestijnse of Libanese doden?
Daarvan is geen sprake. Het kabinet werpt deze aantijging verre van zich.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de dubbele moraal en mogelijke angstcultuur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom?
Nee. Buitenlandse Zaken hecht aan een open en veilige werkcultuur, waarbinnen ruimte bestaat voor kritisch intern debat. De ambtelijke leiding draagt deze norm actief uit, evenals de norm van brede en deskundige ambtelijke advisering. Het departement investeert in een inclusieve werkomgeving, met ruimte voor diversiteit van perspectieven, en de ontwikkeling van vaardigheden als luisteren en het voeren van een open dialoog. De effecten van die inzet worden regulier gemeten in o.a. het tweejaarlijkse medewerkerstevredenheidsonderzoek, het jaarlijkse arbojaarverslag en Rijksbrede instrumenten als de nieuwe Inclusiemonitor. De uitkomsten uit deze metingen bieden voldoende inzicht voor de verdere ontwikkeling van de organisatie.
Het artikel ‘Beperkte vaccinatie gordelroos vergroot ongelijkheid’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reactie van Senioren Netwerk Nederland?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de stelling dat wanneer er om budgettaire redenen keuzes worden gemaakt over wie wel en niet toegang krijgen tot bewezen effectieve preventie er ongelijkheid ontstaat, in dit geval zowel tussen jongere en oudere generaties, maar ook tussen mensen die vaccinatie zelf kunnen betalen en mensen die dat niet kunnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De wens om iedereen van 60 jaar en ouder in aanmerking te laten komen voor vaccinatie tegen gordelroos is begrijpelijk. Helaas is dit niet haalbaar. Het gordelroosvaccin is namelijk heel kostbaar en de groep 60-plussers in Nederland omvat meer dan 5 miljoen mensen. De beschikbare financiële middelen zijn niet toereikend om al deze mensen gordelroosvaccinatie aan te bieden. Daarom is het RIVM om advies gevraagd over op welke manier, gegeven het beschikbare budget, de maximale gezondheidswinst kan worden behaald. Uit het RIVM-advies blijkt dat met vaccinatie op een leeftijd van 60 jaar, op de lange termijn de meeste gevallen van gordelroos kunnen worden voorkomen. Dat vindt het kabinet dan ook de beste manier om het beschikbare geld te besteden.
Dit kan door mensen die ouder zijn dan 60 jaar als teleurstellend worden ervaren. Dat is begrijpelijk. Zij die dat willen, kunnen ervoor kiezen om de vaccinatie zelf te betalen. Zij kunnen hiervoor terecht bij hun huisarts of GGD. Het kabinet is zich ervan bewust dat de mogelijkheid hiertoe mede afhangt van ieders persoonlijke financiële omstandigheden.
Deelt u de mening van Senioren Netwerk Nederland om bij de verdere uitwerking van het vaccinatiebeleid expliciet rekening te houden met het hogere risico bij oudere senioren, transparant te communiceren over de werkingsduur van het vaccin en te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn om de gezondheidswinst bij de oudste groepen te maximaliseren? Zo, nee, wat zijn de overwegingen?
Bij het uitwerken van het vaccinatiebeleid voor gordelroos zal altijd transparant gecommuniceerd worden, ook over de werkingsduur van het vaccin. Het RIVM monitort en evalueert de vaccinatieprogramma’s. Het kabinet baseert zich voor het vaccinatiebeleid op adviezen van de Gezondheidsraad en het RIVM. Hierbij is het realiseren van zoveel mogelijk gezondheidswinst een belangrijk uitgangspunt. Het RIVM heeft zeer recent advies hierover uitgebracht, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2. Het is begrijpelijk dat dit als teleurstellend kan worden ervaren door mensen die ouder zijn dan 60, maar aanvullend onderzoek heeft nu geen meerwaarde.
Is u bekend dat met deze keuze de oudste, kwetsbaarste groep, met het risico op de grootste en pijnlijkste complicaties bij gordelroos, met bovendien hoge zorgkosten tengevolg, buiten beeld blijft? Welke alternatieve maatregelen kunnen voor hen worden genomen?
Het is waar dat mensen die last krijgen van gordelroos vaak ouder zijn dan 60 jaar. De ziektelast van gordelroos stijgt immers met de leeftijd. Daarom zou het kabinet het liefst ook aan hen een vaccinatie aanbieden. Helaas is dat op basis van de beschikbare financiële middelen niet mogelijk. Door mensen op 60-jarige leeftijd een vaccinatie aan te bieden, kunnen we voorkomen dat deze mensen later gordelroos krijgen. Het is begrijpelijk dat dit door mensen die ouder zijn dan 60 als teleurstellend kan worden ervaren. Zij die dat willen, kunnen ervoor kiezen om de vaccinatie zelf te betalen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat ook de oudsten en kwetsbaarsten in de samenleving niet buiten schot mogen blijven bij preventie, en zeker niet om budgettaire redenen?
Vanzelfsprekend is het kabinet het ermee eens dat preventie ook van belang is voor de oudsten en kwetsbaarsten. Het is niet voor niets dat mensen van 60 jaar en ouder in aanmerking komen voor verschillende vaccinaties, namelijk de jaarlijkse griepvaccinatie en de pneumokokkenvaccinatie. In de ideale situatie komt iedereen boven de 60 jaar ook in aanmerking voor een gordelroosvaccinatie. Helaas is dit niet mogelijk. Tegelijk is het goed nieuws dat we nu wel kunnen gaan beginnen met vaccineren tegen gordelroos en dat we de toekomstige ouderen kunnen beschermen tegen de gevolgen van gordelroos.
Is het mogelijk deze vragen te beantwoorden voor de plenaire begrotingsbehandeling VWS?
Ja.
Het bericht 'Trumps armada richting Iran: Zoon van Opperste Leider sluist alvast miljoenen weg naar Dubai' |
|
Sarah Dobbe |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de informatie, ingezien door Bloomberg en Iran International, over de Iraanse elite die miljoenen wegsluist?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze berichtgeving, maar kan deze berichten niet bevestigen. Deze berichtgeving past echter binnen een breder beeld van kapitaalvlucht uit Iran als gevolg van de slechte economische situatie en de toegenomen geopolitieke spanningen met o.a. de Verenigde Staten, die inmiddels zijn geëscaleerd tot een militair conflict.
Worden sancties tegen personen in Iran uitgebreid naar eenieder voor wie bewijs bestaat dat deze zich schuldig heeft gemaakt of medeplichtig zijn, of daarvan verdacht worden, aan gewelddadige repressie tegen demonstranten of andere mensenrechtenschendingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet veroordeelt de mensenrechtenschendingen in Iran en streeft ernaar verantwoordelijken aan mensenrechtenschendingen in Iran op de EU mensenrechtensanctielijst te plaatsen. Ook tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 16 maart jl. heeft de EU – mede op Nederlands initiatief – weer nieuwe mensenrechtensancties aangenomen tegen Iran. De praktische beperking hierbij is dat de bewijslast juridisch in orde dient te zijn, hetgeen een arbeidsintensief proces is. Hierbij wordt prioriteit gegeven aan de belangrijkste mensenrechtenschenders.
Is bekend of het wegsluizen van geld door de Iraanse elite ook gebeurt door mensen die op sanctielijsten staan, en op bankrekeningen in Nederland of Europa staat? Zo niet, bent u bereid dit te laten onderzoeken en hier in Europa voor te pleiten?
Het kabinet kan niet ingaan op individuele gevallen, maar in algemeenheid kan worden gezegd dat alle tegoeden van gesanctioneerde personen en entiteiten in de EU bevroren zijn en dat het verlenen van goederen en diensten (inclusief financiële diensten) vanuit de EU aan gesanctioneerde personen strafbaar is.
Is het mogelijk om tegoeden van Iraniërs die mogelijk medeplichtig zijn aan de gewelddadige repressie tegen demonstranten of andere mensenrechtenschendingen te bevriezen als deze tegoeden op bankrekeningen in Nederland of Europa staan? Zo niet, welke stappen moeten dan gezet worden om dit tot resultaat te krijgen?
Dit is reeds mogelijk middels mensenrechtensancties en vormt een belangrijk onderdeel van de Nederlandse inzet ten aanzien van mensenrechtenschendingen in Iran. Naar aanleiding van de protesten in Iran in 2009 is, mede op Nederlands initiatief, het EU sanctieregime tegen mensenrechtenschendingen in Iran ingesteld. Dit regime is ook ingezet in reactie op de protesten in 2019 en sinds de dood van Mahsa Amini heeft de EU – met actieve Nederlandse steun, nog twaalf mensenrechtensanctiepakketten aangenomen onder dit regime. Inmiddels zijn 247 personen en 50 entiteiten via dit regime gesanctioneerd. Daarnaast is de wereldwijde sanctieregeling voor de mensenrechten ingezet voor sancties tegen Iraanse verantwoordelijken voor mensenrechtenschendingen buiten Iran, zoals de intimidatie en moord op dissidenten.
Het bericht dat het Alrijne Ziekenhuis oogcontroles afbouwt en naar de privékliniek van eigen oogartsen verwijst |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het Alrijne Ziekenhuis oogcontroles afbouwt en naar de privékliniek van eigen oogartsen verwijst?1
Het Ziekenhuis van Alrijne heeft patiënten die op de wachtlijst staan voor oogcontroles laten weten dat de wachtlijsten erg lang zijn en dat zij voorlopig niet bij het Ziekenhuis van Alrijne terecht kunnen. Zij vragen patiënten na te denken over andere oog-zorgverleners, bijvoorbeeld zelfstandige behandelcentra. In één van deze zelfstandige behandelcentra zijn oogartsen werkzaam die ook in het Ziekenhuis van Alrijne werken.
De komende jaren zullen mensen in toenemende mate een beroep doen op de zorg zonder dat het aantal zorgprofessionals in dezelfde mate meegroeit. Om de zorg toegankelijk en betaalbaar te houden, moet de zorg slimmer worden georganiseerd. In de regio moeten partijen daarom samenwerken en afspraken maken over het toekomstbestendig inrichten van de zorg. Zowel de reguliere ziekenhuizen als zelfstandige behandelcentra zijn nodig om de zorg toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit te houden. Om dit te realiseren focust het Ziekenhuis van Alrijne zich op (hoog)complexe oogzorg. Patiënten die minder complexe zorg nodig hebben, kunnen vaak sneller terecht bij andere oog-zorgverleners. Deze manier van organiseren draagt bij aan de toegankelijkheid voor zowel de (hoog)complexe oogzorg, als de reguliere oogcontroles.
Deelt u de analyse dat de opkomst van privéklinieken vooral zorgt voor verplaatsing van ziekenhuiszorg naar commerciële zorg?
Het medisch-specialistische zorglandschap is in ontwikkeling. Zowel de reguliere ziekenhuizen als zelfstandige behandelcentra zijn nodig om de zorg toegankelijk, betaalbaar en innovatief te houden. Het kabinet signaleert echter ook bepaalde risico’s in de ontwikkeling van het medisch-specialistische zorglandschap. Om deze reden is in het coalitieakkoord afgesproken om te werken aan een gelijker speelveld tussen ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra. Daarnaast is er in het coalitieakkoord afgesproken om de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg af te schaffen. Ook werkt het kabinet samen met partijen aan een eerlijk speelveld binnen de AZWA-afspraak E4 «We zorgen dat iedereen een eerlijke bijdrage levert».
Tegen deze achtergrond heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) recent een advies over prestatiedifferentiatie in de medisch specialistische zorg2 opgeleverd en werkt Gupta Strategists in opdracht van de Nederlandse Zorgautoriteit aan een feitenbasis om de problemen kwalitatief en kwantitatief te duiden.
Het kabinet wil het rapport van de Nederlandse Zorgautoriteit en de feitenbasis die wordt uitgewerkt door Gupta Strategists afwachten. Het kabinet verwacht de Kamer in het tweede kwartaal van 2026 te informeren over de vervolgstappen.
Hoe kan het dat oogartsen van het Alrijne ziekenhuis geen tijd hebben om controles in hun eigen ziekenhuis uit te voeren, maar wel om dezelfde controles uit te voeren in een commerciële privékliniek?
De oogartsen van het Ziekenhuis van Alrijne zijn gecontracteerd voor een vast aantal uur door het ziekenhuis. Het staat oogartsen vrij om naast deze uren oogzorg te leveren bij andere aanbieders. Het is aan de zorgverzekeraars en het Ziekenhuis van Alrijne om afspraken te maken over de capaciteit van oogzorg. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 6.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat patiënten uit Alphen aan den Rijn nu vaker moeten reizen naar artsen die ook voor het ziekenhuis met een vestiging in hun eigen woonplaats werken?
Verder reizen voor een behandeling kan voor patiënten vervelend en belastend zijn, maar is soms nodig om de kwaliteit of de toegankelijkheid van zorg te kunnen borgen. Voorheen konden patiënten voor oogzorg ook niet altijd op de locatie Alphen aan den Rijn van het Ziekenhuis van Alrijne terecht. Het Ziekenhuis van Alrijne heeft aangegeven dat de inzet is deze reisbewegingen voor patiënten zo beperkt mogelijk te houden.
Wat betekent het verplaatsen van deze niet-complexe zorg naar privéklinieken voor de financiële positie van het Alrijne Ziekenhuis?
Volgens het Ziekenhuis van Alrijne is de financiële impact beperkt. De ruimte die ontstaat in de afspraken met zorgverzekeraars wordt opgevuld met tweedelijnszorg die moet plaatsvinden in een ziekenhuis.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met het Alrijne Ziekenhuis om te voorkomen dat deze zorg wordt verplaatst naar de commerciële privéklinieken?
Het kabinet ziet geen reden om in gesprek te gaan met het Ziekenhuis van Alrijne. Het ziekenhuis heeft zelf een verantwoordelijkheid om patiënten te helpen. Het ziekenhuis kan met zorgverzekeraars afspraken maken over prioriteiten en wachtlijsten. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht. Dit betekent dat hun verzekerden binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang moeten hebben tot zorg uit het basispakket. Zorgverzekeraars moeten daarom voldoende zorg inkopen of bemiddelen als iemand niet snel genoeg bij een zorgaanbieder terecht kan (wachttijdbemiddeling). De Nederlandse Zorgautoriteit controleert of zorgverzekeraars zich hieraan houden.
Deelt u de mening dat het een zorgwekkende ontwikkeling is dat steeds meer zorg wordt verplaatst van ziekenhuizen naar op winst gerichte klinieken, zeker gezien er tegelijkertijd bezuinigd wordt op de zorg omdat de zorg te duur zou worden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven bij antwoord 2 werkt het kabinet aan het realiseren van een gelijker speelveld voor ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra. Ook is in het coalitieakkoord afgesproken om de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg af te schaffen. Daarnaast wil het kabinet benadrukken dat er in de zorg geen plek is voor zorgaanbieders of investeerders die puur en alleen in de zorg actief zijn voor financieel gewin. Financiële belangen mogen nooit ten koste gaan van het bieden van passende zorg aan de patiënt. Daarom werkt het kabinet aan het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). In de Wibz is onder andere opgenomen dat aanbieders alleen onder voorwaarden winst mogen uitkeren. De NZa krijgt de bevoegdheid om op hierop toe te zien en waar nodig te handhaven.