Hoe beoordeelt u de effectiviteit van zelfregulering in deze sector, nu een zelf opgelegde norm bij een groot nieuw project ruim wordt overschreden?1
Kunt u toelichten welke informatie het Rijk op dit moment structureel ontvangt over het feitelijke drinkwatergebruik per datacenter in Nederland?
Kunt u toelichten op welke juridische grondslag een bevoegd gezag het drinkwatergebruik van een nieuwe vestiging kan meewegen bij de verlening van een omgevingsvergunning?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van drinkwater in het huidige stelsel vooral achteraf wordt geregeld via de leveringsrelatie met het drinkwaterbedrijf, en niet vooraf in het ruimtelijk spoor?
Kunt u toelichten welke wijzigingen in wet- en regelgeving nodig zouden zijn om waterbeschikbaarheid een expliciete afwegingsgrond te maken bij vergunningverlening aan grootverbruikers?
Kunt u toelichten of het juridisch en uitvoeringstechnisch denkbaar is om de logica van de verdringingsreeks ook vooraf toe te passen, bij het toestaan van nieuw grootschalig drinkwatergebruik, in plaats van uitsluitend bij feitelijke schaarste? Zo ja, hoe kijkt u naar een dergelijke aanpassing?
Kunt u toelichten in hoeverre de zorg- en leveringsplicht uit de Drinkwaterwet zich uitstrekt tot laagwaardig industrieel gebruik, zoals koeling?
Kunt u toelichten hoe u opvolging geeft aan de aanbeveling uit het Rli-advies «Zorg voor water» om de systeemverantwoordelijkheid voor de drinkwatervoorziening actiever in te vullen?2
Kunt u toelichten hoe een nieuwe aansluiting van deze omvang zich verhoudt tot het doel uit het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het zakelijke drinkwatergebruik in 2035 met 20 procent te verminderen ten opzichte van de referentieperiode 2016–2019?3
Bent u bereid te verkennen of het besluitmoment over meer sturende maatregelen, dat nu is voorzien bij de herijking van dat plan in 2028, naar voren kan worden gehaald?
Het bericht 'Zorgverzekeraars draaien sectoroverstijgende betaaltitel de nek om' |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgverzekeraars draaien sectoroverstijgende betaaltitel de nek om»?1
Klopt het dat uit het jaarverslag van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over 2025 blijkt dat de sectoroverstijgende prestatie binnen de Zorgverzekeringswet er niet komt, omdat er geen draagvlak is voor een dergelijk generiek instrument onder zorgverzekeraars?
Deelt u de opvatting dat schotten tussen de zorgwetten samenwerking rond de patiënt in de weg zitten, en dat het wegnemen daarvan bijdraagt aan het leveren van passende zorg?
Kunt u toelichten hoe dit traject is verlopen sinds uw ambtsvoorgangers Helder en Dijkstra de NZa in 2024 vroegen de betaaltitel gereed te hebben voor de contractering van 2025, en of u of uw ministerie hierover met de NZa heeft gesproken?
Welke bezwaren leven er bij zorgverzekeraars, en welke daarvan zijn volgens u oplosbaar?
Hoe betrekt u bij het vervolg de brede steun voor zo'n betaaltitel onder zorgaanbieders en professionals, die eerder bleek uit een consultatie van de NZa?
Welke instrumenten blijven er over om hetzelfde doel te bereiken, namelijk zorg kunnen bekostigen over de grenzen van sectoren en zorgwetten heen, en kunnen bestaande mogelijkheden zoals de facultatieve prestatie of maatwerkafspraken in de contractering hierin voorzien?
Welke van die instrumenten gaat u inzetten, en op welke termijn?
Op welke manier wordt de sectoroverstijgende en domeinoverstijgende beweging geborgd in de wetgeving over passende zorg die u heeft aangekondigd, en bent u bereid daarin vast te leggen dat bekostiging over de schotten van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning heen mogelijk wordt?
Hoe wordt in die wetgeving geborgd dat succesvolle initiatieven voor sectoroverstijgende passende zorg ook echt worden opgeschaald in plaats van te blijven steken in pilots?
Wat betekent deze ontwikkeling voor uw eigen plannen en voor de afspraken die hierover met het veld zijn gemaakt, en ziet u kansen om sectoroverstijgende initiatieven samen met de NZa, het Zorginstituut, zorgverzekeraars en zorgaanbieders alsnog vlot te trekken?
Het misgelopen pensioencompensatie door deelnemers die van fonds wisselen |
|
Elles van Ark (CDA), Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Volkskrant-bericht «Tienduizenden mensen lopen pensioengeld mis omdat ze van baan zijn gewisseld – en daar lijkt niks tegen te doen»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat deelnemers door de samenloop van verschillende transitiedata tussen twee compensatieregelingen kunnen vallen, dat dit tot moeilijk uitlegbare uitkomsten kan leiden en een onbedoelde belemmering kan vormen om van baan te wisselen? Hoe verhoudt dit zich tot de inzet van het kabinet voor een gedragen pensioenstelseltransitie en juist de bevordering van de stap van werk naar werk?
Ik begrijp de zorgen over de situatie die kan ontstaan wanneer mensen door een baanwissel, waarbij ze overstappen naar een ander pensioenfonds met een andere transitiedatum geen compensatie ontvangen. Dit kan voor deelnemers tot onduidelijkheid leiden bij het maken van keuzes over een nieuwe baan.
Bij de totstandkoming van het Pensioenakkoord en de Wet toekomst pensioenen (Wtp), is op voorstel van het kabinet en sociale partners besloten tot een meerjarige overgangstermijn. Eén vaste transitiedatum voor alle pensioenregelingen bleek niet uitvoerbaar vanwege de piekbelasting in de administratieve, IT- en financieel-actuariële capaciteit bij pensioenfondsen, PPI’s en verzekeraars, maar ook bij pensioenuitvoeringsorganisaties, toezichthouders en adviseurs. Er is weloverwogen gekozen voor een meerjarige overgangstermijn om de kwaliteit van de transitie te kunnen waarborgen. Daarbij zijn ook afspraken gemaakt over compensatie omdat afschaffing van de zogenoemde doorsneesystematiek voor bepaalde groepen kan leiden tot een nadeel bij toekomstige opbouw. Hierbij is expliciet ruimte gelaten aan decentrale sociale partners om, gelet op het regelings- en sectorspecifieke karakter van compensatie, eigen afspraken te maken. Die ruimte was nodig; een uniforme en wettelijk voorgeschreven compensatieregeling zou de ruimte beperken om voor decentrale partijen tot uitvoerbare, regeling- of sectorspecifieke afspraken te komen. Zo kunnen ze mede afhankelijk van hun deelnemerspopulatie de omvang van de compensatieregeling afspreken en ze kunnen besluiten om compensatie toe te kennen op één moment of verdeeld over een langere periode, mogelijk meerdere jaren.
Het kabinet vindt het van belang dat de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel evenwichtig verloopt en dat mensen de stap van werk naar werk goed geïnformeerd kunnen maken. Een baanwissel heeft ook los van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel gevolgen voor de pensioenopbouw. Het is daarom van belang dat mensen zich (laten) informeren over de mogelijke gevolgen van een baanwissel voor hun pensioen en dit meewegen bij hun keuze; niet alleen nu maar bij elke baanwissel die men overweegt. Daarom zetten pensioenuitvoerders en werkgevers in op het informeren van hun deelnemers en werknemers over de mogelijke gevolgen van een baanwissel voor hun pensioen. Ook mijn ministerie besteedt hier aandacht aan. Op www.pensioenduidelijkheid.nl is informatie beschikbaar over compensatie en de gevolgen van verschillende situaties, waaronder baanwissel. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat het voor deelnemers niet altijd eenvoudig is om de gevolgen voor hun pensioen en eventuele compensatie vooraf goed te overzien; mensen ontvangen veel informatie in deze periode, die is soms lastig te doorgronden en overwegend in algemene termen opgesteld2.
Deelt u de mening dat kabinet, sociale partners en pensioensector vanuit hun gedeelde verantwoordelijkheid voor het Pensioenakkoord een uiterste inspanning moeten doen om te komen tot gerichte, juridisch houdbare en uitvoerbare oplossingen voor deze situatie?
Ik heb uw Kamer eerder toegezegd om samen met sociale partners een uiterste inspanning te doen om de mogelijkheden voor aanvullende maatregelen te bezien. Daarover heb ik uw Kamer geïnformeerd in de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen van juli jl.3
Daaruit is gebleken dat eventuele als oplossing bedoelde nieuwe of aanvullende voorschriften voor compensatie substantiële juridische, afbakenings- en uitvoeringscomplexiteit toevoegt.
Vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid voor het Pensioenakkoord vind ik het van belang dat de er gerichte aandacht is voor de situatie van mensen die tijdens de transitie van werksituatie veranderen. Uit mijn overleg met de sociale partners bleek ook dat er binnen de bestaande kaders al verschillende sectorspecifieke oplossingen worden toegepast. Zie ook verderop bij het antwoord op vraag 9 voor een nadere toelichting op fondsspecifieke oplossingen. Zoals genoemd bij de vorige vraag, pensioenfondsen en werkgevers attenderen hun deelnemers en werknemers er op dat een baanwissel gevolg kan hebben voor de pensioenopbouw en voor de toekenning van compensatie. De Pensioenfederatie heeft meerdere voorbeelden hierover opgenomen in een recent rapport.4
Omdat de compensatie voor het afschaffen van de doorsneesystematiek erg afhankelijk is van individuele omstandigheden en de actuele stand van zaken bij de overgang op de vernieuwde pensioenregeling volgens de Wtp, richten veel pensioenfondsen hun communicatie op het creëren van de juiste verwachtingen bij deelnemers. Veel pensioenfondsen publiceren rekenvoorbeelden op hun website, laten het aan bod komen in (online) bijeenkomsten voor werkenden en brengen het actief onder de aandacht bij aangesloten werkgevers. Pensioenfonds ABP heeft bijvoorbeeld een online tool ontwikkeld waarin mensen aan de hand van hun salaris en leeftijd een inschatting kunnen maken van de effecten van de compensatie. Het Bakkers Pensioenfonds heeft dan weer deelnemers een persoonlijke e-mail gestuurd met daarin het aanbod om een persoonlijke berekening te maken.
Is het mogelijk om – eventueel nadat alle pensioenfondsen zijn overgestapt naar de nieuwe pensioenregeling – uit de fondsadministraties te achterhalen welke deelnemers door een overstap tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen of welke juist twee compensatieregelingen hebben ontvangen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet zonder meer mogelijk. Zoals ik in mijn brief van 24 april jl. heb toegelicht, is in kaart gebracht welke werksituaties van invloed kunnen zijn op compensatie bij pensioenopbouw.5 Een dergelijke registratie bij pensioenfondsen of werkgevers ontbreekt waarmee achteraf op individueel niveau kan worden vastgesteld welke deelnemers door een baanwissel tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen of juist bij meerdere fondsen compensatie hebben ontvangen.6 Pensioenuitvoerders kunnen alleen beschikken over gegevens van deelnemers die actief zijn binnen hun eigen regeling. Om dit voor alle deelnemers vast te stellen, zouden gegevens van alle pensioenuitvoerders moeten worden gecombineerd. Een grondslag hiertoe is er niet. Daarbij verschillen ook de voorwaarden en vormgeving van de compensatieregelingen per fonds.
Ik hecht er aan om in dit antwoord te vermelden dat er ook mensen van baan zijn gewisseld die in hun beslissing de eventuele gevolgen voor pensioencompensatie hebben meegewogen. Deze mensen hebben dit meegewogen in hun beslissing en mogelijk ook betrokken in de afspraken over hun nieuwe arbeidsvoorwaarden. Cijfers over welke deelnemers door een overstap tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen, geven dus geen beeld van hoeveel mensen zich niet bewust waren van eventuele consequenties en hiervan per saldo nadeel ervaren.
Kunt u een inschatting geven hoe hoog de door u in een eerdere Kamerbrief benoemde «enorme kosten» zijn van een compensatievoorziening, vereveningsmodel of vangnetregeling die de sector uitdenkt en uitvoert, en waar u deze inschatting op baseert? Kunt u daarbij aangeven om welke orde van grootte het gaat, wie deze kosten uiteindelijk zou dragen en wat de gevolgen zouden zijn voor het deelnemerscollectief? 2)
Nee, ik kan geen inschatting geven hoeveel een aangepaste en uitgebreide regeling zou kosten die compensatie toekent zowel aan mensen die bij het pensioenfonds blijven als aan alle mensen die vertrekken. Om enkele aspecten te noemen: niet duidelijk is hoeveel mensen die nu bij het pensioenfonds blijven alsnog zouden vertrekken als gevolg van deze aangepaste regeling, niet duidelijk is welk tijdvak hiervoor zou gelden en niet duidelijk is hoeveel de compensatie per deelnemer bedraagt (die wordt vastgesteld niet eerder dan de feitelijke transitiedatum). Duidelijk is evenwel dat de compensatieregeling achteraf voor iedere baanwisselaar open stellen zal leiden tot enorme kosten.
Op welke wijze kunt u de wettelijke mogelijkheid tot dispensatie voor tijdelijke voortzetting bij het oude pensioenfonds tijdelijk verruimen voor de groep overstappers die tussen twee compensatieregelingen invallen, ten behoeve van een rechtvaardige transitie naar het nieuwe pensioenstelsel?
De wettelijke mogelijkheid tot dispensatie biedt hiervoor geen ruimte. Dispensatie kan een fonds alleen in bepaalde gevallen verlenen aan werkgevers uit die betreffende sector die een minstens gelijkwaardige regeling aanbieden. Het is wettelijk niet mogelijk dat een fonds dispensatie zou verlenen aan individuele werknemers. Bovendien zou een dergelijke mogelijkheid leiden tot nieuwe, complexe juridische afbakeningsvraagstukken en een zware belasting voor de uitvoering.
In de praktijk worden fondsspecifieke afspraken gemaakt. Zo hebben bijvoorbeeld pensioenfondsen PMT en PME afspraken gemaakt om werkgevers tijdelijk dispensatie te kunnen geven van de nieuwe regeling bij een overstap tussen deze fondsen, zodat werknemers toegang kunnen behouden tot de compensatieregeling van PME, ook als de werkgever vanwege werkingssfeer naar PMT zou moeten overstappen.
Kunt u samen met de pensioensector en sociale partners varianten van een compensatievoorziening, vereveningsmodel of vangnetregeling uitwerken, inclusief inschattingen van de verwachte complexiteit, kosten, uitvoeringsbelasting en deelnemersbereik, zodat de regering en Kamer hierover van gedachten kunnen wisselen?
Zoals ik in mijn brief van 2 juli jl. heb aangegeven, heb ik hierover met sociale partners gesproken. Daar zijn verschillende mogelijke alternatieven besproken. Hieruit is gekomen dat het introduceren van nieuwe eisen aan compensatie-afspraken, zoals de vraag voorstelt, al dan niet wettelijk opgelegd aan sociale partners en pensioenuitvoerders, zou leiden tot weer nieuwe, complexe uitvoeringsvraagstukken. In dat geval zouden, bijvoorbeeld, mensen die in 2025 zijn vertrokken bij een fonds dat per 1/1/2026 naar een nieuwe pensioenregeling is overgegaan, alsnog compensatie (kunnen) vragen. Het is – zoals ik ook in mijn brief van 2 juli jl. heb aangegeven – uitvoeringstechnisch niet mogelijk en juridisch zeer complex om onderscheid te maken tussen mensen die bewust van baan wisselen en die gezien het doel van de compensatieregeling terecht afzien van compensatie8 (bijvoorbeeld omdat de nieuwe baan betere arbeidsvoorwaarden heeft) en anderzijds, mensen die onbewust hebben afgezien van compensatie. Omdat een dergelijk onderscheid in de praktijk niet te maken is, zou het op deze manier een compensatieregeling zijn die achteraf voor elke baanwisselaar openstaat.
Kunt u een nauwkeurigere kwantitatieve inschatting maken van de grootte van de groep die compensatie misloopt, en van de door deze groep misgelopen compensatie, dan u eerder deed in uw Kamerbrief?2 Zo nee, waarom niet? . In hoeverre zijn de door u in uw Kamerbrief genoemde maatwerkoplossingen bij PMT/PME en BpfBOUW en in enkele sociale plannen representatief voor de pensioensector, of betreft het uitzonderingen?
Nee, deze gegevens zijn niet beschikbaar. In mijn brief van 24 april jl. heb ik een globale schatting gegeven dat het hierbij zou kunnen gaan om enkele tienduizenden mensen die dit jaar zonder compensatie overstappen naar een andere baan en pensioen gaan opbouwen bij een andere pensioenuitvoerder. Daarvoor is CBS-data gebruikt en zijn aannames gehanteerd over hoeveel mensen in deze periode van baan wisselen (gebaseerd op eerdere jaren), de voor compensatie relevante leeftijd van deze mensen en tussen welke sectoren zij op dat moment van baan wisselen in samenhang met de transitiedata van de (meest waarschijnlijk) hierbij betrokken pensioenfondsen. Van deze pensioenfondsen zijn de transitiedata bekend en de wijze waarop compensatie toegekend wordt. Deze inschatting kan ik hierdoor niet nauwkeuriger maken.
Hoe groot is de groep pensioendeelnemers die ondanks de genoemde maatwerkoplossingen alsnog compensatie misloopt? Welke mogelijkheden ziet u om deze groep tegemoet te komen en te waarborgen dat de transitie ook voor hen rechtvaardig uitpakt?
We zien dat er in verschillende sectoren wordt gezocht naar oplossingen die specifiek passen bij de betreffende sector. Het is mogelijk dat wat in de ene sector werkt in een andere wellicht niet werkt. Daarom is er ruimte gemaakt om sector (en fonds-)specifieke afspraken te maken bij compensatieregelingen. Ik heb in de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen – zomer 2026 melding gedaan van maatwerk dat in enkele sectoren wordt toegepast. Sociale partners geven aan het vraagstuk rond compensatieregelingen zo goed als mogelijk te adresseren in transitieplannen en, waar dit speelt, ook in sociale plannen. Ik vind het positief dat sectorpartijen binnen de mogelijkheden die de wet biedt mitigerende maatregelen toepassen. Daarmee wordt de groep mensen die geen compensatie krijgt verder beperkt. Daarbij moet worden opgemerkt dat bijvoorbeeld het maatwerk dat in de metaalindustrie wordt toegepast geen regeling voor individuele deelnemers betreft. In de metaalsector hebben de van nature al onderling verbonden fondsen PMT en PME afspraken gemaakt om werkgevers tijdelijk dispensatie te kunnen geven. Zo kunnen werknemers toegang behouden tot de compensatieregeling, ook als de werkgever vanwege werkingssfeer naar PMT zou moeten overstappen. Het betreft in dit geval specifieke afspraken voor werkgevers en de deelnemers die daar werkzaam zijn.
De sociale partners van pensioenfonds bpfBOUW hebben gevraagd om bij de invulling van de compensatieregeling te voorkomen dat deelnemers specifiek als gevolg van bijvoorbeeld seizoensarbeid niet voor compensatie in aanmerking zouden komen. Het fonds heeft dit ingevuld door deelnemers die geen recht hebben op de reguliere compensatie voor het afschaffen doorsneesystematiek (doordat zij geen deelnemer zijn op 31-12-2025) toch compensatie te verlenen als ze een actief dienstverband van tenminste één dag hebben in het laatste kwartaal van 2025 en tevens een actief dienstverband hebben van tenminste een dag in het eerste halfjaar van 2026. Deze aanpak wordt ook gevolgd in andere sectoren. Bijvoorbeeld BPL, het pensioenfonds voor werknemers in de agrarische en de groene sector en voor pensioenfonds Koopvaardij. Deze oplossingen zijn gericht op de eigen deelnemers van het fonds, die tijdelijk niet in de sector actief zijn.
Kunt u ook een nauwkeurigere inschatting maken van de grootte van de groepen overstappers met «dubbele compensatie» en van de ontvangen compensatie van deze overstappers?
Ik beschik niet over exacte data. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 8 is eerder een globale schatting gegeven dat het hierbij zou kunnen gaan om enkele tienduizenden mensen die dit jaar zonder compensatie overstappen naar een andere baan en pensioen gaan opbouwen bij een andere pensioenuitvoerder. Er kan niet worden vastgesteld welk deel daarvan compensatie zou hebben ontvangen bij voortzetting van het dienstverband en welk bedrag daarmee gemoeid zou zijn.
In het gesprek met de vakbonden en werkgeversorganisaties, zoals aangegeven bij vraag 7, zijn verschillende mogelijke alternatieven besproken. Het is van belang dat mensen goed worden geïnformeerd over de werking van compensatieregelingen en de mogelijke gevolgen van een baanwissel, zodat zij deze gevolgen kunnen meewegen bij hun arbeidsmarktbeslissingen.
Welke aanvullende communicatie gaat het ministerie in de komende periode intensiveren om mensen naar www.pensioenduidelijkheid.nl te leiden en te wijzen op eventuele gevolgen voor compensatie van arbeidsmarktgedrag, en waarom is deze communicatie niet eerder ingezet?
Nee, hiervoor is geen betekenisvolle inschatting te maken. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn hiervoor geen gegevens beschikbaar waarmee de grootte van deze groepen en de hoogte van de ontvangen compensatie kunnen worden vastgesteld.
Klopt het dat deze aanvullende communicatie te laat komt voor de tienduizenden deelnemers die pensioencompensatie mislopen, omdat zij al overgestapt zijn?
Communicatie over de nieuwe regels voor pensioen is een taak die werkgevers, werknemersorganisaties, pensioenuitvoerders en mijn ministerie gezamenlijk hebben opgepakt. Met deze partijen hebben we gezamenlijk de campagne Pensioenduidelijkheid ontwikkeld om werkenden en gepensioneerden te informeren over de nieuwe regels voor pensioen.
In de afgelopen periode is de communicatie over compensatie verder geïntensiveerd en ook de komende periode wordt hier extra aandacht aan besteed. Op pensioenduidelijkheid.nl10 staat een aparte pagina over compensatie. Ook wordt al langere tijd ingezet op het bereiken van mensen die online zoeken naar informatie over pensioen en compensatie. In mei heeft de AFM op haar consumentenpagina een informatieflyer over compensatie gepubliceerd.11 In de zomer is het onderwerp vanuit mijn ministerie extra belicht op social media.12 Begin september is er een nieuwsbericht verspreid met speciale focus op waar men de juiste informatie kan vinden over mogelijke compensatie als men van plan is om van werkgever te wisselen of minder uren te gaan werken.
Via de campagne Pensioenduidelijkheid (14 september tot en met 18 oktober) brengen we deze informatie ook extra onder de aandacht. Deze communicatie komt naast de informatie die pensioenuitvoerders, werkgevers en sociale partners al verstrekken, onder meer via websites, nieuwsbrieven, webinars en bijeenkomsten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Pensioenonderwerpen op 10 september?
Voor mensen die al van baan zijn gewisseld, kan aanvullende communicatie achteraf niet voorkomen dat de baanwissel heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd is de transitie nog niet afgerond. De uiterste transitiedatum is 1 januari 2028 en een groot aantal pensioenfondsen maakt de overstap op 1 januari 2027. Er zijn daarmee nog veel deelnemers voor wie deze informatie relevant kan zijn.
Het toezicht op commercieel longevity-aanbod en de handhaving van de Wet op het bevolkingsonderzoek. |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over longevity-hype: gezond ouder worden begint niet bij een total body scan»?1
Hoeveel vergunningen op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek zijn op dit moment van kracht voor het verrichten van een total body scan?2
Op welke datum is de meest recente vergunning op grond van Artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek verleend voor een bevolkingsonderzoek dat niet van rijkswege wordt aangeboden?
Op welke wijze is de Wet op het bevolkingsonderzoek van toepassing op een in Nederland gedaan aanbod van een total body scan die in het buitenland wordt verricht?
In hoeveel gevallen heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) sinds 1 januari 2020 aangifte gedaan of proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van Artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek?
Indien deze gevallen niet als afzonderlijke categorie worden geregistreerd, onder welke categorie worden zij dan wel geregistreerd?
Over welke aanwijzingsbevoegdheid beschikt u ten aanzien van het toezichtprogramma van de IGJ op preventief gezondheidsonderzoek?
Klopt het dat het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het bevolkingsonderzoek in verband met actuele ontwikkelingen op het terrein van preventief gezondheidsonderzoek op 24 januari 2025 is ingetrokken?3 4
Blijft in het vervangende wetsvoorstel de vergunningplicht voor preventief gezondheidsonderzoek naar kanker gehandhaafd?5
Op welke wettelijke grondslag kan de IGJ op dit moment optreden tegen een aanbieder die zonder de vereiste vergunning preventief gezondheidsonderzoek verricht?
Onder welk wettelijk kader valt het toezicht op het aanbieden van intraveneuze vitamine-infusen aan personen zonder medische indicatie?
Welke wettelijke eisen gelden op dit moment voor het commercieel aanbieden van een test die op basis van bloedwaarden de biologische leeftijd bepaalt?
Bent u bereid te borgen dat medisch-wetenschappelijk onderzoek dat reeds onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen valt, in het vervangende wetsvoorstel niet aan een aanvullende vergunningplicht wordt onderworpen?
Bent u bekend met het bericht «Aantal tandartsen van buiten EU is verdubbeld, terwijl studenten hier worden uitgeloot»?1
Hoeveel opleidingsplaatsen Tandheelkunde worden voor het studiejaar 2026–2027 door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bekostigd?
Hoeveel plaatsen hebben de opleidingen Tandheelkunde voor het studiejaar 2026–2027 in hun numerus fixus opgenomen?
Indien deze gegevens niet bij u beschikbaar zijn, bij welke partij zijn zij dan wel beschikbaar?
Wat bedragen de rijksuitgaven per bekostigde opleidingsplaats Tandheelkunde per studiejaar?
In welk jaar is een instroomadvies van het Capaciteitsorgaan voor de opleiding Tandheelkunde voor het laatst volledig opgevolgd?
Bij welke jaarlijkse instroom in de opleiding Tandheelkunde wordt volgens het Capaciteitsplan 2027–2030 in 2043 evenwicht tussen vraag en aanbod bereikt?2
Over welke bevoegdheid beschikt u om het aantal bekostigde opleidingsplaatsen Tandheelkunde te verhogen?
Op welke datum ontvangt de Kamer het besluit over het instroomadvies van 386 opleidingsplaatsen Tandheelkunde?3
Klopt het dat het BIG-register vermeldt dat er voor 2026 geen plekken meer beschikbaar zijn voor de beroepsinhoudelijke toets voor tandartsen?4
Hoeveel tandartsen met een buiten de Europese Economische Ruimte behaald diploma zijn in 2025 in het BIG-register ingeschreven?
Hoeveel van de in 2025 ingeschreven tandartsen met een binnen de Europese Economische Ruimte (of in Zwitserland) behaald diploma hebben een beroepsinhoudelijke toets afgelegd?
Hoeveel aanvragen tot inschrijving als tandarts zijn in 2025 afgewezen of niet in behandeling genomen omdat niet aan de taaleis werd voldaan?
Op welk moment heeft Nederland in de Raad of bij de Europese Commissie gepleit voor de mogelijkheid om aan tandartsen met een in de Europese Economische Ruimte behaald diploma een beroepsinhoudelijke toets op te leggen?
Hoeveel personen met een buitenlands tandartsdiploma zonder BIG-registratie verrichten op dit moment in Nederlandse tandartspraktijken voorbehouden handelingen in opdracht als bedoeld in Artikel 35 van de Wet BIG?
Hoeveel meldingen over het onbevoegd verrichten van voorbehouden handelingen als bedoeld in Artikel 36 van de Wet BIG in de mondzorg heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in 2025 ontvangen?
Indien de meldingen, bedoeld in vraag 16, niet als afzonderlijke categorie worden geregistreerd, op welke wijze stelt de inspectie dan vast of het in Artikel 38 van de Wet BIG vereiste toezicht daadwerkelijk plaatsvindt?
Bent u bereid het aantal bekostigde opleidingsplaatsen Tandheelkunde met ingang van het studiejaar 2027–2028 in overeenstemming te brengen met het instroomadvies van 386 plaatsen?5
EU delegated cooperation |
|
Elles van Ark (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de aangenomen motie Klink/Amhaouch waarin verzocht werd meer EU-gelden door middel van delegated cooperation (EU-DC) aan te wenden?1
Ja.
Klopt het dat het bedrag dat Nederland in 2025 aan EU-DC gemobiliseerd heeft € 243 miljoen bedraagt, terwijl de doelstelling conform de aangenomen motie Kamminga zou moeten zijn dat dit bedrag de komende jaren vergroot moet worden naar ten minste 1 miljard euro?2 3
Het totaal dat Nederland aan EU-DC mobiliseert bestaat uit bedragen voor projecten die worden toegekend aan Nederlandse partijen en uit garanties die de Europese Commissie aan Nederlandse partijen alloceert. Het bedrag dat Nederland tot januari 2026 middels EU-DC heeft gemobiliseerd voor projecten is EUR 243 miljoen. Inmiddels is dit bedrag opgelopen tot EUR 318 miljoen. Daarnaast werd door Nederland voor circa 1,8 miljard euro aan garanties gemobiliseerd. Garanties worden net als bijdragen gerealiseerd door EU-DC. Zoals aangegeven in de Memorie van Toelichting bij de begroting van 2026 wil het kabinet het instrument van Delegated Cooperation in toenemende mate toepassen.
Kunt u de huidige stand van zaken geven van EU delegated cooperation (EU-DC) en de ambitie voor de komende jaren, inclusief een concrete streefwaarde en tijdpad in relatie tot de hiervoor genoemde moties?
Zie beantwoording vraag 2 voor de huidige stand van zaken.
Aangezien Nederland bij de toepassing van EU-DC afhankelijk is van de (procedures en besluitvorming van de) EC en omdat het budget onder het nieuwe EU-financieel kader voor 2028–2034 nog niet bekend is, is het in deze fase niet mogelijk een realistische inschatting van een tijdspad met concrete streefwaarden per jaar te geven. Ik kan u verzekeren dat het kabinet vol inzet op toepassing van EU-DC.
Kunt u hierbij ook ingaan op hoe Nederlandse organisaties actiever ondersteund kunnen worden bij het verkrijgen van EU-DC-middelen (zoals voorlichting, capaciteitsopbouw, en hulp bij contractvorming met de Europese Commissie)?
Momenteel worden Nederlandse organisaties op verschillende manieren ondersteund om beter gebruik te kunnen maken van EU-DC-middelen. Zowel in Brussel als in de partnerlanden zet het kabinet zich in contacten met de Europese Commissie (waaronder DG INTPA, NEAR en MENA) in voor goede en transparante toegang van Nederlandse bedrijven, NGOs en kennisinstellingen tot relevante EU-programmering en instrumenten. Daarnaast informeert het Ministerie van Buitenlandse Zaken via voorlichting en bijeenkomsten over relevante beleidsontwikkelingen en mogelijkheden om aan te sluiten bij EU-programma’s.
Ook is binnen het ministerie een EU Support Facility ingericht die organisaties ondersteunt bij contractvorming wanneer gebruik wordt gemaakt van de DGIS-accreditatie; de capaciteit hiervan is recent uitgebreid.
Tegelijkertijd blijven er uitdagingen bij de totstandkoming van EU-DC-projecten, zowel in Brussel als aan de Nederlandse kant. Het vergt inzet op verschillende terreinen om toegang te krijgen tot EU-DC-middelen, waarbij in iedere fase moet worden bezien wat mogelijk is, ook binnen de geldende juridische en procedurele kaders. Het ministerie gaat graag verder in gesprek met de Nederlandse sector om samen te bezien hoe de toegang structureel kan worden verbeterd. Het kabinet ziet dit nadrukkelijk als een gezamenlijke opgave van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
Kunt u een overzicht geven van de besteding van de € 243 miljoen aan EU-DC in 2025: door welke organisaties, in welke landen, op welke thema's, en welk deel al besteed is versus nog openstaat als lopende verplichting?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 2 is het tot op heden vastgelegde bedrag van de EU inmiddels opgelopen naar EUR 318 miljoen. Hiervan is ongeveer 40% reeds ontvangen van de EU. Projecten hebben verschillende looptijden en worden medegefinancierd door de Nederlandse overheid en andere EU-lidstaten. Het betreft projecten in Afrika, Latijns Amerika en Oost Europa op de sectoren: Landbouw, Voedselzekerheid, Agro-logistiek, Jeugdwerkgelegenheid, Goed bestuur, Water, Justitie, Migratie, Veiligheid, Cyber, Gezondheid, Energie en Kritieke Grondstoffen. Aangezien een deel van de projecten thematisch en/of regionaal is, kan geen uitsplitsing per land worden gegeven.
Klopt het dat Nederland, anders dan Duitsland (Deutsche Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit(GIZ), en de KfW) en Frankrijk (Agence Française de Développement (AFD), en Expertise France), geen grote gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie heeft voor ontwikkelingssamenwerking?
Het klopt dat Nederland in tegenstelling tot de meeste EU lidstaten niet één grote gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie heeft voor ontwikkelingssamenwerking.
Zo ja, maakt dit het voor Nederland volgens u moeilijker om EU-DC-middelen te verkrijgen (minder capaciteit, trackrecord of programmeringsinvloed)?
Het klopt dat er nadelen kunnen zitten aan het ontbreken van één grote uitvoeringsorganisatie, zoals bijvoorbeeld in Duitsland en Frankrijk, op een of meerdere van de door u genoemde aspecten.
Tegelijkertijd biedt het Nederlandse model met een divers landschap van (gespecialiseerde) uitvoerders ook de nodige voordelen, bijvoorbeeld ten aanzien van flexibiliteit en expertise op een brede waaier van thema’s. De accreditatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt mede ingezet om deze expertise te ontsluiten voor EU-DC projecten.
Gelet op het feit dat het werkterrein van de EC in toenemende mate ook betrekking heeft op sectoren buiten de traditionele ontwikkelingssamenwerking (zoals bijvoorbeeld veiligheid, energie, migratie, kritieke grondstoffen, digitalisering etc.), hebben we als Nederland een goede uitgangspositie om ook in de toekomst goed in te kunnen spelen op nieuwe kansen voor het aantrekken van EU-financiering. Daarbij richten we ons niet alleen op financiering van DG INTPA, maar ook van andere DGs (ENEST, MENA, HOME, ECHO, etc.).
Zijn er naast Buitenlandse Zaken (BZ), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nuffic en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) andere Nederlandse organisaties die in aanmerking komen om geaccrediteerd te worden als uitvoeringspartner onder Delegated Cooperation (het zogeheten pillar assessment)? Zo ja, welke stappen onderneemt het kabinet om accreditatie te ondersteunen?
Naast Buitenlandse zaken (BZ), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nuffic en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) kunnen organisaties die voldoen aan de eisen van de EU Financial Regulation van de Europese Commissie in principe in aanmerking komen voor accreditatie. De beoordeling hiervan ligt bij de EC. De EC gaat hier momenteel zeer terughoudend mee om, hetgeen de ruimte beperkt voor lidstaten en Nederland.
Met betrekking tot de te ondernemen stappen zal het kabinet daarom alleen accreditatie actief ondersteunen bij een evident publiek belang.
Erkent u dat EU-DC, juist bij dalende Official Development Assistance (ODA)-budgetten, als multiplier kan werken om Europese middelen te mobiliseren ter compensatie van dalende nationale middelen? Hoe wordt dit uitgangspunt concreet in beleid vertaald?
Het kabinet erkent dat EU-DC mogelijkheden biedt om meer Nederlandse kennis en kunde in te zetten ter versterking van Europees beleid en uitvoering en om de impact van de Nederlandse inzet te vergroten. EU-DC kan daarbij echter niet worden gezien als een instrument waarmee dalende ODA-middelen één-op-één kunnen worden gecompenseerd. De beschikbaarheid, omvang en inzet van EU-middelen worden bepaald binnen de programmering en prioriteiten van de EC.
Door intensievere samenwerking met de Europese Commissie op verschillende niveaus zowel in Brussel als in de partnerlanden zet Nederland er op in dat EU-programmering aansluit bij Nederlandse beleidsprioriteiten. Zo kan met Europese middelen onze eigen inzet op thema’s en landen worden geïntensiveerd en versterkt het kabinet met de Nederlandse inzet de Europese positie.
Wordt bij de heroriëntatie van het postennet en de personele taakstelling rekening gehouden met de extra capaciteit die uitvoering van EU-DC-projecten op ambassades vergt?
Ondanks de personele taakstelling van het afgelopen jaar, heeft het Ministerie geïnvesteerd in additionele capaciteit op het ministerie om de ambitie op EU-DC waar te kunnen maken. Posten kunnen een beroep doen op deze extra capaciteit, met name in de ontwikkelfase van EU-DC projecten. Na ondertekening van contracten is het uitgangspunt dat de benodigde capaciteit op ambassades voor de uitvoering van EU-DC projecten vooral wordt gefinancierd uit EU-projectmiddelen.
Bent u bereid om, met de nieuwe verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag 2026, EU-delegated cooperation als apart en meetbaar onderdeel op te nemen met een vaste jaarlijkse streefwaarde?
Het kabinet zet vol in op toepassing van EU-DC, als middel om Europees ontwikkelingsbeleid effectiever te maken met Nederlandse kennis en kunde. Vanuit deze optiek zal hierover ook verantwoording worden afgelegd in het jaarverslag. Het nieuwe EU-financieel kader voor 2028–2034 en de uitwerking hiervan zullen van invloed zijn op de mate waarin Nederlandse kennis en kunde kan worden ingezet. Hier kan ik nog niet op vooruit lopen.
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het commissiedebat over het BHOS-deel van de beleidsbrief buitenlandse zaken op 9 september?
Ja.
De datakluis bij de belastingdienst |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom besloot u in juli 2025 de Kamer niet te informeren over het bestaan van de datakluis?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van Markuszower en Moinat (beiden Groep Markuszower)1 had de Tweede Kamer eerder geïnformeerd moeten worden en dat spijt ons. Beide Staatssecretarissen van Financiën zijn via de nota «Datakluis Belastingdienst», met datum 31 juli 2025 schriftelijk geïnformeerd over de datakluis. Voorafgaand aan deze nota is de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen eind juli 2025 telefonisch geïnformeerd over de situatie, zoals uit het BDO-rapport blijkt. Deze nota is door Staatssecretaris Herstel en Toeslagen op 17 augustus 2025 gelezen, door de toenmalige Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane op 8 augustus 2025. In die nota was nog niet bevestigd dat in de datakluis informatie zit die ontsloten had moeten worden aan de PEFD. Het opnieuw in beeld komen van de datakluis riep veel vragen op en bracht uitzoekwerk met zich mee. Uit het BDO-onderzoek komt ook naar voren dat uit de nota van 31 juli 2025 nog onvoldoende duidelijkheid bestond over de inhoud en reikwijdte van de aangetroffen informatie. Zo moest er eerst een steekproef worden uitgevoerd naar de inhoud van de datakluis. Deze steekproeven waren ten tijde van de nota’s van 31 juli en 16 oktober nog niet afgerond. Eind 2025 werd op basis van de uitkomst van de steekproeven bevestigd dat er informatie in de datakluis zit, die geleverd had moeten worden aan de PEFD. Op 26 maart 2026 ontvingen beide Staatssecretarissen een nota ter voorbereiding op een overleg met de Belastingdienst op 27 maart 2026 over de datakluis. Met de nota van 7 april 2026 en de bijbehorende juridische analyse van 6 februari 2026 (afgedaan door de Staatssecretaris Herstel Toeslagen op 8 april en door de Staatssecretaris van Financiën op 12 april) werd bevestigd dat het informatie betreft die verstrekt had moeten worden. De Kamer is vervolgens met de brief «Update datakluis» van 15 april 2026 in kennis gesteld dat de datakluis niet is betrokken in belangrijke leveringen van informatie. Dit proces en daarmee het informeren van uw Kamer heeft duidelijk te lang geduurd. Dit had anders gemoeten en dat spijt ons.
Met de beantwoording van de Kamervragen van Vragen van de leden Markuszower (Groep Markuszower), Struijs (50PLUS), Keijzer en Vermeer (BBB)2 hebben wij uw Kamer geïnformeerd welke bewindspersonen, ook eerder, over de datakluis zijn geïnformeerd. In 2019 is de Kamer door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën over het inrichten van de datakluis geïnformeerd.3
Op welk moment werden uw voorgangers geïnformeerd over het bestaan van de datakluis en waarom besloten zij deze informatie niet te delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer en door wie werd het besluit genomen om de afgeschermde omgeving in te richten?
Wij gaan in deze beantwoording ervan uit, door de terminologie in uw vraagstelling, dat u met de bovenstaande vraag, en onderstaande vragen, naar de veiliggestelde en opgeslagen set met mailboxen en samenwerkingsomgevingen (hierna omgeving) vraagt en niet de datakluis met circa 25 miljoen bestanden.4 Van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen zijn dus originele bestanden beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijds zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
In het BDO-rapport, welke op 10 juli met uw Kamer is gedeeld, is deze besluitvorming als volgt weergegeven: Op 19 mei 2020 heeft het advocatenkantoor Allen & Overy een memorandum opgeleverd, waarin werd beschreven dat vermoedens bestonden van strafbare feiten, waaronder knevelarij en beroepsmatige discriminatie. Op dezelfde datum is namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, aangifte gedaan tegen de Belastingdienst. Hierbij wordt afgesproken dat relevante informatie beschikbaar moet worden gesteld indien hierom wordt verzocht. In dit kader wordt, in afstemming met juridische adviseurs, besloten om onder meer mailboxen en digitale omgevingen van betrokken organisatieonderdelen veilig te stellen. Het betreft onder andere onderdelen van de Belastingdienst en andere specifieke teams die in de aangifte zijn genoemd. Hierbij wordt benadrukt dat het veiligstellen van deze informatie uitsluitend was gericht op het kunnen voldoen aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie en niet bedoeld was voor intern gebruik. Daarnaast volgt uit interviews dat de afgeschermde omgeving is ontstaan in een context waarin binnen de Belastingdienst het risico werd ervaren dat informatie onbedoeld zou worden vernietigd. In de nasleep van de toeslagenaffaire bestond het besef dat in het verleden mogelijk te veel informatie was verwijderd. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om vernietiging van beschikbare informatie tijdelijk te stoppen en gegevens veilig te stellen.
Door wie werd de afgeschermde omgeving beheerd?
Deze omgeving viel onder het beheer van de Belastingdienstdirectie Informatievoorziening (IV). Binnen deze directie had een beperkt aantal personen toegang. De omgeving is echter sinds de veiligstelling niet meer geraadpleegd. Er is geen overzicht van het aantal afdelingen waar de omgeving bekend is geweest.
De vraag rond de veiligstelling van deze omgeving kent geen precedent. Er is daarom nog geen vastgesteld protocol, proces of procedure. Dit zal worden meegenomen in het externe onafhankelijke onderzoek naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen (zie hiervoor ook de beantwoording op de vragen 13, 14 en 15).
Hoeveel afdelingen binnen de Belastingdienst wisten over het bestaan van deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Welke afdelingen en wie binnen deze afdelingen hadden er toegang tot deze afgeschermde omgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Met welk protocol werd er gewerkt rond deze omgeving? Kunt u dit protocol met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u, of uw voorganger, dat protocol zelf ook ooit gezien?
Zie antwoord vraag 4.
Welke documenten zijn er opgenomen in de afgeschermde omgeving? Kunt u een inventarisatielijst met de Kamer delen?
Op dit moment is er geen inventarisatielijst beschikbaar van deze omgeving. Wanneer er meer over de inhoud van deze omgeving duidelijk is, delen wij dit uiteraard met uw kamer.
Is bij WOO-verzoeken ook een zoekopdracht uitgevoerd in deze omgeving?
Nee. Deze omgeving zal worden meegenomen in de uitvoering en uitwerking van het plan van aanpak, waarbij de externe commissie betrokken zal zijn. Deze omgeving is een kopie geweest van bestanden. Er zijn dus originele bestanden van deze veiliggestelde- en opgeslagen set met mailboxen beschikbaar gebleven voor zoekslagen. Dit kan anders zijn als bestanden in de tussentijd zijn verwijderd, zo worden mailboxen na uitdiensttreding standaard na een bepaalde periode verwijderd.
Is voor het samenstellen van de persoonlijke dossiers van ouders ook deze omgeving onderzocht?
We begrijpen dat de berichtgeving bij gedupeerde ouders vragen en mogelijk ook zorgen oproept. Het doel blijft, net als bij de datakluis om zo spoedig mogelijk te weten welke relevante documenten zich in deze veiliggestelde omgeving bevinden. Graag willen we net als in de brief van 15 april 2026 benadrukken dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming. Gedupeerde ouders hebben uiteraard recht op alle relevante informatie. Bij de hersteloperatie krijgen gedupeerde ouders daarom tegenwoordig een ouderdossier. In dit dossier wordt zo goed mogelijk voorzien in de behoeften van ouders en gemachtigden. Het ouderdossier bevat de op de zaak betrekking hebbende stukken. De inhoud van dit dossier is met de werkgroep toeslagenadvocaten besproken en wordt sinds april 2024 door UHT verstrekt in de verschillende fases van het herstelproces. Op dit moment is nog niet precies bekend welke informatie zich in de veiliggestelde omgeving bevindt. Echter, in tegenstelling tot de datakluis is dit een kopie geweest van bestanden, in plaats van bestanden zelf. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6).
Is voor de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag en de parlementaire enquêtecommissie fraude en dienstverlening gezocht in deze omgeving?
Deze omgeving is niet doorzocht ten tijde van de PEFD. Zoals ook in het antwoord op vraag 11 aangegeven is deze omgeving een kopie geweest van bestanden. Op dit moment is niet zeker welke originele bestanden beschikbaar zijn gebleven voor zoekslagen. Om hier zekerheid over te krijgen is in de brief van 10 juli 2026, naar aanleiding van de aanbevelingen in het onderzoek van BDO, aangekondigd een beoordeling te doen van de relevantie van deze omgeving (doelstelling 6 van het plan van aanpak).
Kunt u een opsomming geven van alle datakluizen en afgeschermde omgevingen die u bekend zijn bij het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst, de dienst Toeslagen, UHT, de Douane en andere instellingen onder het Ministerie van Financiën? Kunt u voor elk van deze kluizen of afgeschermde omgevingen aangeven wat de inhoud is en of er bij WOO-verzoeken, parlementaire enquêtes en Kamervragen ook gezocht wordt in deze omgevingen?
Wij vinden het belangrijk om inzicht te krijgen in mogelijke andere afgeschermde bewaaromgevingen bij alle dienstonderdelen van het Ministerie van Financiën en het ministerie zelf. Op dit moment kunnen we niet uitsluiten dat er geen andere soortgelijke bewaaromgevingen bestaan.
In het rapport van BDO zijn aanbevelingen opgenomen voor vervolgonderzoek. Wij nemen deze aanbevelingen onverkort over, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl. Dit betekent dat we een onafhankelijk extern onderzoek zullen laten uitvoeren naar afgeschermde omgevingen en vergelijkbare informatiebronnen. Dit onderzoek kan zich volgens BDO richten op: het verkrijgen van inzicht in afgeschermde omgevingen, inclusief definities, verschijningsvormen en de mate van centrale registratie en beheersing; de inrichting en werking van governance en besluitvorming rondom deze omgevingen; de wijze waarop gegevens binnen afgeschermde omgevingen worden beheerd én de mate waarin afgeschermde omgevingen voldoen aan relevante wet- en regelgeving.
Op welke manier doet uw ministerie op dit moment onderzoek om achter het bestaan van andere afgeschermde omgevingen te komen?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u de Kamer garanderen dat er geen andere onbekende afgeschermde omgevingen bestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen voor 1 september 2026 beantwoorden in verband met het plenaire debat over de datakluis?
Hierbij beantwoorden wij uw vragen voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis op 10 september.
Het buitensporige watergebruik van een nieuw datacenter in Amsterdam |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
de Bat , Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat het onwenselijk is dat een nieuw commercieel datacenter jaarlijks circa 1,1 miljard liter drinkwater gebruikt, zeker tijdens een periode van uitzonderlijke droogte?1
Deelt u de opvatting dat drinkwater niet gebruikt zou moeten worden voor de koeling van datacenters, zeker wanneer alternatieve koeltechnieken beschikbaar zijn?
Bent u ervan op de hoogte dat het directe watergebruik van datacenters slechts een beperkt deel vormt van hun totale watervoetafdruk en dat het overgrote deel van het waterverbruik indirect is?
Kunt u actuele, onafhankelijke cijfers over de totale watervoetafdruk van datacenters (direct en indirect) in Nederland met de Kamer delen, uitgesplitst naar:
Kunt u aangeven welk aandeel dit vormt van de totale Nederlandse waterconsumptie?
Wordt bij de vergunningverlening en ruimtelijke afweging van datacenters rekening gehouden met de watervoetafdruk van de benodigde elektriciteitsproductie? Zo nee, waarom niet?
Welke landelijke wettelijke mogelijkheden heeft u om het gebruik van drinkwater door datacenters te verbieden of aan een bindend maximum te onderwerpen, mede gelet op de aangenomen motie-Grinwis c.s.?2
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Grinwis c.s. over het aanscherpen van de juridische criteria voor hyperscale datacenters en het stellen van effectieve wettelijke voorwaarden aan datacenters?3 Wat is de tijdlijn en wanneer krijgen we resultaten te zien?
Waarom gelden er op dit moment vooral landelijke vestigingsregels voor hyperscale datacenters, maar geen vergelijkbare landelijke begrenzingen voor watergebruik, elektriciteitsgebruik en maatschappelijke en ecologische belasting door andere grote datacenters?
Bent u bereid de bestaande landelijke regels uit te breiden naar datacenters die op dit moment niet onder de huidige definitie van hyperscale vallen, maar wel een groot beslag leggen op drinkwater of het elektriciteitsnet?
Bent u bereid om in landelijke regelgeving vast te leggen dat nieuwe datacenters geen drinkwater mogen gebruiken voor koeling?
Als een volledig verbod volgens u niet mogelijk is, bent u dan bereid een strikt landelijk maximum per datacenter en voor de sector als geheel vast te leggen? Zo nee, welke andere effectieve maatregelen bent u dan wel bereid te nemen?
Erkent u dat de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en de daarmee samenhangende groei van datacenters zo snel verloopt dat wet- en regelgeving, democratische controle en maatschappelijke besluitvorming deze ontwikkeling onvoldoende kunnen bijbenen? Zo nee, hoe onderbouwt u dat?
Welke publieke voorwaarden moeten volgens u worden gesteld voor nieuwe datacenters of grootschalige AI-infrastructuur, zodat de baten aantoonbaar ten goede komen aan de Nederlandse samenleving en niet hoofdzakelijk terechtkomen bij buitenlandse technologiebedrijven?
Hoeveel van de datacenters in Nederland komt ten goede aan de Nederlandse en Europese digitale autonomie?
Bent u het eens met de stelling dat er gezien de schaarse ruimte in Nederland geen ruimte moet zijn voor datacenters voor big-tech-bedrijven buiten Europa? Zo nee, waarom niet en ten koste waarvan mogen zulke big-tech-datacenters dan gaan volgens u?
Bent u bereid om per direct een tijdelijk landelijk moratorium in te stellen op datacenters, totdat bindende landelijke wetgeving is vastgesteld over onder meer het directe en indirecte watergebruik, het energiegebruik, de belasting van het elektriciteitsnet en de gevolgen voor woningbouw en andere maatschappelijke functies? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is wanneer woningbouwprojecten door netcongestie vertragen of stilvallen, terwijl nieuwe energie-intensieve datacenters wel capaciteit kunnen krijgen en een datacenter al snel een capaciteit van 40 MW vraagt, wat in dezelfde ordergrootte is als 100.000 huishoudens? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel elektriciteit gebruikt het voorgenomen datacenter in Amsterdam naar verwachting maximaal, en hoeveel netcapaciteit is daarvoor nodig?
Deelt u de opvatting dat woningbouw, zorg, openbaar vervoer, verpleeghuizen, scholen en andere vitale maatschappelijke functies voorrang moeten hebben op commerciële datacenters bij de verdeling van schaarse netcapaciteit? Zo nee, waarom niet?
Waarom zijn datacenters niet als afzonderlijke categorie opgenomen in het prioriteringskader voor nieuwe aansluitingen op het elektriciteitsnet? Welke prioriteit krijgen datacenters precies op dit moment in het kader?
Staat er een evaluatie van dit prioriteringskader gepland, om te zien in hoeverre netbeheerder hierdoor maatschappelijke aspecten meewegen bij het verdelen van netcapaciteit? Zo nee, bent u bereid deze evaluatie alsnog te doen?
Bent u bereid wettelijk vast te leggen dat nieuwe datacenters geen aansluiting krijgen zolang daardoor capaciteit wordt verdrongen die nodig is voor woningbouw of andere maatschappelijke prioriteiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een landelijke vergunningsvoorwaarde in te voeren waarin datacenters verplicht worden hun elektriciteitsvraag flexibel af te schakelen tijdens piekbelasting en netcongestie?
Welke mogelijkheden ziet u om datacenters verplicht te laten bijdragen aan netverzwaring, flexibiliteit, opslag en lokaal energiebeheer, zodat de kosten niet op huishoudens en andere gebruikers worden afgewenteld?
Erkent u dat de gevolgen van datacenters voor drinkwater, elektriciteit, ruimte, warmte en klimaat het lokale belang overstijgen en daarom om landelijke regie vragen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Nieuwbouwwoningen en Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen |
|
Robin van Leijen (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eerenberg |
|
|
|
|
Voor welk aandeel van de nieuwbouwwoningen zijn Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen verantwoordelijk de afgelopen jaren?
Wat is de financiële ruimte bij Nederlandse pensioenfondsen voor investeringen in woningbouw gezien hun bestaande vastgoedallocatie?
Hoe verklaart u de daling van het investeringsvolume van buitenlandse beleggers in nieuwbouw in Nederland?1
Herkent u de signalen dat buitenlandse pensioenfondsen momenteel tegen fiscale onzekerheid en lange doorlooptijden aanlopen bij investeringen in Nederlandse woningbouw?
Deelt u de mening dat deze belemmeringen voor buitenlandse pensioenfondsen tegen de ambities van een Europese kapitaalmarktunie ingaan, waarbij investeringen vrij kunnen bewegen over Europese grenzen?
Deelt u de mening dat buitenlandse pensioenfondsen een belangrijke rol kunnen spelen in het financieren van de bouw van woningen in Nederland?
Hoeveel extra woningen zouden per jaar kunnen worden gerealiseerd bij een hoger investeringsvolume van buitenlandse pensioenfondsen?
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een vpb-ruling voor buitenlandse pensioenfondsen, waarmee de fiscale vergelijkbaarheid van deze fondsen met Nederlandse pensioenfondsen kan leiden tot een gelijk fiscaal speelveld, en daarmee tot een groei van investeringen?
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de nieuwe pensioenwetgeving zoals de Wet toekomst pensioenen (Wtp) de vergelijkbaarheid van buitenlandse pensioenfondsen, in het bijzonder voor het criterium van het afkoopverbod?
Is het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen, wat als basis dient voor de vergelijking van buitenlandse pensioenfondsen, nog volledig in overeenstemming met de pensioenrealiteit na invoering van de Wtp of zijn er kansen om meer investeringen van buitenlandse pensioenfondsen aan te trekken?
Bent u bereid het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen te evalueren?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Volkshuisvesting en fiscaliteit van donderdag 24 september a.s.?
Activistische ngo's |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het maatschappelijke middenveld in Nederland voor een substantieel deel van haar inkomsten afhankelijk is van de Nederlandse overheid, waaronder tientallen miljoenen via subsidiekaders zoals Power of Voices?
De afhankelijkheid van overheidsfinanciering is per organisatie verschillend. Dergelijke gegevens zijn over het algemeen te vinden in de financiële jaarverslagen van ngo’s die worden gepubliceerd. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) schatte in 2024 op basis van deze gegevens dat een meerderheid van de Nederlandse ngo’s die subsidie ontvingen uit het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld, waaronder het programma Power of Voices, voor minder dan de helft van hun inkomsten afhankelijk was van middelen van BZ.
In het nieuwe beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingssamenwerking, genaamd Focus, beoogt het kabinet de onafhankelijkheid van maatschappelijke organisaties van overheidsfinanciering verder te stimuleren. Zo is er een vereiste dat organisaties minstens 25% van hun totale inkomsten van anderen dan het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) moeten ontvangen. De mate van financiële onafhankelijkheid van BZ bepaalt ook hoeveel middelen organisaties maximaal kunnen ontvangen uit dit kader.
Hoe kijkt u naar de situatie dat de overheid organisaties financiert die diezelfde overheid vervolgens regelmatig voor de rechter dagen en publiekscampagnes tegen bewindspersonen opzetten? Bent u het eens dat het onwenselijk is dat de overheid op deze schaal organisaties financiert die zich tegelijkertijd opstellen als ware zij politieke oppositie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat maatschappelijke organisaties zich kritisch kunnen uitlaten over het Nederlandse beleid, ook wanneer zij financiering ontvangen van de overheid voor specifieke activiteiten. Tegenspraak is een fundamenteel onderdeel van een gezonde democratische samenleving. Zoals ook opgenomen in het coalitieakkoord heeft het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol tussen regering en alle inwoners van Nederland en tussen regering en het bedrijfsleven.1 Binnenkort zal het kabinet in de kabinetsreactie op het rapport van het College voor de Rechten van de Mens over de maatschappelijke ruimte verder ingaan op dit onderwerp.2
Uit de BHOS-middelen wordt de pleitbezorgingsrol van het maatschappelijk middenveld dan ook gefinancierd, ook binnen Nederland, zolang dit ten goede komt van de ontwikkelingsdoelen in lage- en middeninkomenslanden. Een subsidieontvanger mag de subsidie niet gebruiken voor andere activiteiten dan waarvoor de subsidie is verstrekt. Dat betekent dat activiteiten, inclusief pleitbezorgingsactiviteiten die door het ministerie worden gefinancierd, moeten passen binnen de doelen zoals vastgelegd in de Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006.3 Het ministerie heeft geen zeggenschap over activiteiten van organisaties die niet door het ministerie worden gesubsidieerd.
Hoe beoordeelt u het verweer van ngo's dat dergelijke binnenlandse campagnes bekostigd worden uit private middelen?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de publieke perceptie van ontwikkelingssamenwerking onlosmakelijk verbonden is met het gedrag en de profilering van ngo's die deze programma's met overheidsgeld uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
De publieke perceptie van ontwikkelingssamenwerking is van vele factoren afhankelijk. Mogelijk speelt het gedrag van ngo’s hier een rol in, zowel positief als negatief. Uit onderzoek van Ipsos I&O blijkt dat in 2025 50% van de ondervraagde Nederlanders ontwikkelingssamenwerking redelijk tot heel belangrijk vindt.4 Van diezelfde groep gaf 60% aan humanitaire hulp redelijk tot heel belangrijk te vinden. Beide cijfers zijn een stijging ten opzichte van de voorgaande jaren.
Erkent u het risico dat het maatschappelijk draagvlak voor daadwerkelijke armoedebestrijding en humanitaire hulp afneemt, wanneer gesubsidieerde organisaties zich opwerpen als partijdige en activistische spelers in nationale politieke kwesties? Wat betekent dit naar uw mening voor het werk waar zij voor zijn opgericht, zoals het bestrijden van armoede en onrecht in zuidelijke landen?
Zie antwoord op vraag 4. Maatschappelijke organisaties en hun achterban gaan zelf over de doelen die zij nastreven en de manier waarop zij dit doen.
Bent u het eens dat een meer politiek neutrale opstelling van door de overheid gefinancierde organisaties wenselijk is, niet alleen vanuit een democratisch principe, maar juist ook om een bestendig publiek vertrouwen in de ontwikkelingssector en het bijbehorende draagvlak te behouden?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, dient er juist vanuit een democratisch principe, ruimte te zijn voor tegenspraak. Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol in het laten doorklinken van verschillende stemmen in de maatschappij.
Bent u bekend met de manier waarop in andere landen wordt omgegaan met de politieke rol van ngo’s, zoals in de Verenigde Staten waar een wettelijke scheiding is aangebracht tussen apolitiek humanitair werk en gepolitiseerd activisme?
Ja.
Wat vindt u van het Britse model, waarbij een toezichthouder meekijkt naar de politieke neutraliteit van maatschappelijke organisaties, en waarbij belastingvoordelen in het geding kunnen komen indien een organisatie zich richt op partijpolitiek of gepersonaliseerde campagnes?
Zie antwoord op vraag 9.
Ziet u buitenlandse modellen als voorbeeld voor het subsidiëren van Nederlandse ngo’s? Als het antwoord nee is, waarom niet?
Nee, ik zie dergelijke buitenlandse modellen niet als voorbeeld. In Nederland verstrekt BZ subsidies op basis van de Algemene wet bestuursrecht en de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voorwaarden worden gesteld aan de te financieren activiteiten, niet aan de te financieren organisaties. Activiteiten, inclusief pleitbezorgingsactiviteiten, die door het ministerie worden gefinancierd moeten passen binnen de doelen zoals vastgelegd in de Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006. Uitgesloten van subsidiering zijn activiteiten die zich (mede) richten op bekeringsdrang en activiteiten waarbij sprake is van racisme, stigmatiserende uitingen, antisemitisme of andere vormen van geloofsvervolging of discriminatie die naar maatstaven van Nederlands en/of Europees recht strafbaar en/of verboden zijn.
Welke mogelijkheden ziet u binnen het nieuwe subsidiekader (2026–2030) om te bevorderen dat organisaties die subsidie krijgen van de Nederlandse overheid zich meer politiek neutraal opstellen, mede om het maatschappelijk draagvlak te beschermen of te vergroten?
Zie antwoord op vraag 9 over de basis waarop subsidies worden verstrekt. Deze voorwaarden zijn ook toegepast op de subsidies die zijn of worden verstrekt binnen het nieuwe beleidskader Focus.
Welke aanvullende instrumenten heeft het kabinet over de volle breedte ter beschikking om te zorgen voor een betere scheiding tussen gesubsidieerd ontwikkelingswerk en binnenlands politiek activisme?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om opties te verkennen om te voorkomen dat organisaties met een door de overheid gesubsidieerd profiel fungeren als partijdig activistisch platform?
Zie antwoord op vraag 2.
Is uw inschatting dat, wanneer de Nederlandse overheid vaker internationale ngo’s zou steunen, het activistische element minder groot zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 2, vindt het kabinet het belangrijk dat maatschappelijke organisaties zich kritisch kunnen uitlaten over het Nederlandse beleid. Dat geldt voor zowel internationale als Nederlandse ngo’s ook wanneer zij financiering ontvangen van de overheid voor specifieke activiteiten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en tijdig beantwoorden, voorafgaand aan het debat over de beleidsbrief Buitenlandse Zaken van 9 september?
De vragen zijn zo veel als mogelijk afzonderlijk van elkaar beantwoord.
De datakluis met documenten over het toeslagenschandaal |
|
Nicole Moinat (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Op welke wijze is binnen het ministerie geborgd dat de wettelijke en procedurele informatieplicht richting de parlementaire enquêtecommissie volledig, tijdig en controleerbaar is nageleefd bij de omgang met de desbetreffende datakluis? Classificeert u deze borging met het huidige inzicht als afdoende en doeltreffend? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?1
Het Ministerie van Financiën heeft de informatieplicht richting de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD) met verschillende waarborgen omkleed. Het uitgangspunt is altijd volledige medewerking in het belang van het onderzoek geweest. De informatiefase en het leveren van documenten zijn met zorgvuldigheid uitgevoerd. Onderzoekskeuzes en zoekmethoden zijn vastgelegd en transparant met de enquêtecommissie gedeeld. Daarnaast heeft het Ministerie van Financiën de Auditdienst Rijk (ADR) als onafhankelijke derde gevraagd de inrichting en uitvoering van het gehanteerde werkproces bij de levering van stukken aan de parlementaire PEFD te onderzoeken. Het doel van het onderzoek was om inzicht te geven in het doorlopen proces om zo witte vlekken in kaart te brengen en verbeteringen in de werkwijze door te voeren voor de volgende parlementaire enquête.
Ten aanzien van de datakluis zijn, zoals ook blijkt uit het BDO-rapport: «in de periode na 2019 verschillende activiteiten ondernomen, waaronder: het formuleren van KPI's voor opschoning en vernietiging; het opstellen van plannen van aanpak per directie; het uitvoeren van inventarisaties van de inhoud van de datakluis; het ontwikkelen van pilots en voorstellen voor (gedeeltelijke) ontsluiting. Uit interviews en verslaglegging volgt dat de uitvoering van deze activiteiten per directie en periode varieerde en dat de voortgang afhankelijk was van beschikbare capaciteit, prioritering en inzicht in de data.» De kennis over de datakluis was dus aanwezig in de organisatie. De in het rapport benoemde medewerker heeft in elk geval zorgvuldig gehandeld door de datakluis onder de aandacht te brengen.
Dat de datakluis desondanks niet is meegenomen in de zoekslag voor de PEFD had nooit mogen gebeuren. In onze brief van 10 juli 2026 hebben wij opgenomen dat wij de aanbeveling van BDO onverkort overnemen. Dit betekent dat wij de door BDO aanbevolen vervolgonderzoeken zullen doen, waaronder een onderzoek naar signalen in het proces van informatievoorziening. Hierin zal aandacht worden besteed aan mogelijke andere signalen over de datakluis, ook bij andere zoekslagen, en aan het oppakken van deze signalen.
Hoe is vastgesteld dat de betrokken medewerker, die reeds in 2022 kennis had van de datakluis, heeft gehandeld in overeenstemming met de interne zorgvuldigheids-, informatie- en archiveringsnormen die gelden bij parlementaire informatieverstrekking?
Zie antwoord vraag 1.
Kan worden uitgesloten dat sprake is geweest van actieve selectie, filtering of afbakening van informatie, die aan de parlementaire enquêtecommissie is verstrekt? Zo ja, op basis van welke toetsing is die conclusie getrokken?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze is de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het handelen of nalaten van de betrokken medewerker in dit proces vastgesteld, beoordeeld en intern gedocumenteerd? Classificeert u deze procedure met het huidige inzicht als afdoende en doeltreffend? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt de stelling dat het niet verstrekken van de documenten uit de datakluis «geen impact heeft gehad op de conclusies van de parlementaire enquêtecommissie» zich tot het feit dat deze commissie de desbetreffende informatie zelf niet heeft kunnen beoordelen? Op welke objectieve en verifieerbare onderbouwing is deze conclusie gebaseerd en op welke grond meent het kabinet zich daarover uit te kunnen laten?
De bevindingen van de PEFD zijn zeer stevig. Het gaat hierbij om onder meer:
Het kabinet heeft deze conclusies volledig omarmd en maakt hier werk van. De Staatssecretaris Herstel Toeslagen zal uw Kamer in het najaar berichten over de voortgang van de aanbevelingen die de PEFD heeft gedaan. Op dit moment is er geen zicht op de gehele inhoud van de bestanden die in de datakluis zitten. Wel is, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 15 april, uit steekproeven gebleken dat in de datakluis documenten zitten die geleverd hadden moeten worden aan de PEFD. Het heeft onze prioriteit om op kortst mogelijk termijn op zorgvuldige wijze inzicht te geven in de exacte inhoud van de datakluis.
Graag willen we net als in de brief van 15 april 2026 benadrukken dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade.
Classificeert u het feit dat zeven ambtsvoorgangers reeds van het bestaan van de datakluis afwisten en desondanks deze bewust of onbewust hebben achtergehouden als dermate problematisch dat daaraan straf- of bestuursrechtelijke consequenties verbonden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de feiten die blijken uit het BDO-rapport herken ik de in de vraag 6 en 7 geschetste situatie niet.
De datakluis is in 2019 ingericht omdat de Belastingdienst achterliep met het opschonen en vernietigen van gegevens van de Q-schijf in het kader van de AVG en de archiefwet. Hierover is de Kamer destijds geïnformeerd.2 De datakluis komt ook terug in het rapport van de ADR uit datzelfde jaar.
Dat als gevolg van de datakluis bepaalde, zwaarwegende, vorderingen niet zijn nagekomen en mogelijk regels zijn overtreden is zeer ernstig. Er zijn in het onderzoek van BDO geen aanwijzingen dat dit opzettelijk is gebeurd met als doel voordeel te behalen.
Kunt u aangeven waarom u niet actief wil kijken naar strafrechtelijke vervolging nu blijkt dat het complete stelsel, van ambtenaren tot bewindspersonen, jarenlang en stelselmatig zowel de Kamer als gedupeerden heeft voorgelogen, mede terwijl zij onder ede verklaarden? Zo nee, wat is er volgens u nog meer nodig om hiervoor wel in aanmerking te komen?
Zie antwoord vraag 6.
De impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief |
|
Jan Struijs (50PLUS), André Flach (SGP), Maarten Goudzwaard (JA21), Pieter Grinwis (CU) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden, waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Op 26 juni hebben we als kabinet de aanpak gepresenteerd om te komen tot natuurherstel, een toekomstbestendige landbouw en een oplossing voor de stikstofproblematiek. We zijn in de Kamerbrief zo concreet mogelijk geweest wat deze aanpak betekent. Tegelijkertijd vragen diverse onderdelen om verdere, soms gebiedsgerichte, uitwerking voordat exact kan worden gezegd wat dit betekent op gebieds- en bedrijfsniveau. Dat doen we de komende tijd zorgvuldig met de betrokken partijen.
Het is een omvangrijk pakket, want dat is nodig om de beoogde doorbraak te realiseren. We vragen daarbij in de periode tot 2035 veel, zeker ook van de agrarische sector. Het is begrijpelijk dat daar vragen en zorgen over zijn. Helder en zorgvuldig uitleggen wat we doen, waarom we dat doen en wat dit richting 2035 gaat betekenen zie ik daarom als essentieel. Ik heb de afgelopen zomer daarom zelf gesprekken gevoerd met individuele boeren, sectorpartijen en terreinbeherende organisaties, over de inhoud van het pakket en de manier waarop we daar invulling aan kunnen geven. Die gesprekken zijn heel waardevol en inzichten daaruit benut ik voor de verdere uitwerking van de plannen.
De afgelopen periode heb ik mij zowel rechtstreeks als via belangrijke stakeholders, ingespannen om vragen die in de sector leven zo goed mogelijk te beantwoorden. Via zaakbegeleiders is er individueel contact met agrarisch ondernemers. Medeoverheden zijn deze zomer in een webinar geïnformeerd over de zoneringsplannen en er zijn bijeenkomsten geweest met agrarisch bedrijfsadviseurs, zodat ook zij in staat zijn om het gesprek te voeren met agrarisch ondernemers. Ondernemers kunnen met vragen ook terecht bij het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. De ervaring tot nu toe leert dat er relatief weinig vragen zijn gesteld bij deze loketten. Niettemin blijven we de komende periode actief communiceren, onder andere via de websites groeiennaarmorgen.nl en onslevendlandschap.nl, en blijven we beschikbaar om vragen van ondernemers zo goed mogelijk te beantwoorden.
De verdere invulling van de maatregelen is van groot belang voor de duidelijkheid die vanuit de sector wordt gevraagd. Dit kwam ook naar voren in het gesprek dat op 20 augustus met LTO en NAJK is gevoerd. We hebben afgesproken om frequent en structureel in gesprek te blijven. Het kabinet zal de komende periode benutten om samen met medeoverheden, maatschappelijke partijen en uw Kamer te komen tot een verdere invulling van de verschillende maatregelen.
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van de bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders in ons land? Of klopt de globale inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
De gestelde emissienorm voor de melkveehouderij zal flinke inspanningen vragen van ondernemers om emissies te reduceren en zal in veel gevallen ook stevige investeringen vragen. Daarom is belangrijk dat we duidelijkheid bieden waar ondernemers staan ten opzichte van de norm en welke handelingsperspectieven zij hebben. Ondernemers kunnen nu via Kringloopwijzer al een eerste indicatie krijgen hoe zij scoren ten opzichte van de bedrijfsemissienormen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeien naar morgen3.
Het kabinet zal daarnaast op korte termijn, met input van sectorpartijen en private initiatieven, verschillende herkenbare bedrijfssituaties uitwerken als voorbeelden en daarover communiceren. Ook heeft LVVN opdracht aan WUR verleend om een gebruiksvriendelijke, maar ook wetenschappelijk gevalideerde, tool te bouwen waarmee melkveehouders inzicht krijgen wat er op hun bedrijf mogelijkheden zijn om aan de emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen te voldoen.
Er is online een aantal tools te vinden die door derden worden aangeboden, waarmee boeren een berekening kunnen maken van wat de opgave betekent voor hun bedrijf. Deze tools zijn niet allemaal juist of volledig, in de tool van Agractie staan bijvoorbeeld geen managementmaatregelen voor ammoniakreductie in. Aanpassingen in voer of weidegang worden ook niet meegenomen, terwijl hier wel reductie mee bereikt kan worden.
De gestelde normen zullen veel vragen van ondernemers. Om ondernemers te helpen bij het nemen van maatregelen heeft het kabinet ook middelen gereserveerd voor het ondersteunen van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen.
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni jl.3 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw? Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de zones?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. heeft het kabinet een samenhangende aanpak geschetst om natuurherstel te realiseren en vergunningverlening mogelijk te maken. Deze aanpak bestaat uit (systeemherstel)maatregelen die op meerdere drukfactoren zijn gericht, waaronder de opgave voor stikstof.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn gericht op het verminderen van de emissie per bedrijf via techniek- en managementmaatregelen. In eerste instantie door te informeren en stimuleren via subsidies. Per 2035 worden deze normen afrekenbaar. De normen worden vastgesteld op een ambitieus maar haalbaar niveau om zo de innovatiekracht van de Nederlandse landbouw aan te spreken en te gebruiken om een zo groot mogelijk gedeelte van de opgave mee te behalen. Tezamen met generiek beleid, zoals gericht op extensivering en vrijwillige beëindiging, wordt daarmee de emissiereductieopgave ingevuld en een belangrijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de drukfactor stikstof. De zoneringsaanpak richt zich op een vijftal drukfactoren in relatie tot landbouw en grondgebruik, te weten hydrologie, waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen, versnippering en stikstof. Voor met name deze laatste drukfactor geldt dat een belangrijke bijdrage aan wegnemen van deze drukfactor door generiek beleid wordt geleverd. Hoe dit uitwerkt voor een individueel landbouwbedrijf is afhankelijk van de specifieke staat van de natuur in de relevante gebieden en van de nadere invulling van de samenhangende aanpak.
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake Lieftinghsbroek4, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt, en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen (lid 3), PAS-melders en interim-mers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over Lieftinghsbroek onderschrijft dat de onderbouwing gebiedsgericht moet zijn. In die zaak was een verwijzing naar het landelijke maatregelpakket op zichzelf onvoldoende. Pas toen inzichtelijk was gemaakt welk effect concrete maatregelen in en rond dit gebied hebben, achtte de afdeling de motivering toereikend. Uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied volgt niet automatisch een generieke landelijke reductiedoelstelling.
Generieke reductie is, net zoals een uitsluitend gebiedsgerichte aanpak, op zichzelf onvoldoende effectief om de vergunningverlening overal los te trekken. Juist met de samenhangende aanpak wordt gewerkt aan de oplossing om Nederland weer in beweging te krijgen. Op deze manier biedt het kabinet een basis om additionaliteit te onderbouwen en komt er, stapsgewijs en per gebied, weer ruimte voor vergunningverlening. Het zo goed als mogelijk monitoren van de staat van de natuur in de verschillende gebieden, en ook de relevante drukfactoren, is daarbij doorlopend van belang.
Vanwege de noodzaak om zo snel als mogelijk vergunningverlening los te trekken kiest het kabinet ervoor om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak. Dit betekent dat er parallel wordt gewerkt aan de invulling van het generieke beleid, de gebiedsgerichte aanpak en natuurherstelmaatregelen. Voor het kabinet zijn deze onderdelen niet tegenstrijdig maar versterken zij elkaar juist.
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal en landelijk)? Hoe kunnen ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever ze zijn en wat er nog moet gebeuren?
Het kabinet vindt het van belang dat de voortgang richting doelbereik nauwkeurig wordt bijgehouden, en dat de inspanningen die ondernemers leveren hier direct in worden door vertaald. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande monitoringssystematiek waar nodig geactualiseerd en richten we aanvullende monitoring in, bijvoorbeeld om de realisatie op gebiedsniveau inzichtelijk te maken. Het maatregelpakket dat in juni is gepresenteerd wordt vastgelegd in een nieuw programma. Het kabinet verstuurt het Ontwerpprogramma dit najaar aan de Kamer, hierin zal de systematiek voor monitoring en evaluatie ook een plek hebben. Hierbinnen kan onderscheid worden gemaakt tussen monitoring van stikstofemissies op nationaal en sectorniveau, de monitoring van bedrijfsspecifieke emissienormen, en monitoring van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
De voortgang richting de stikstofemissiedoelen per sector voor 2035 wordt inzichtelijk gemaakt via de nationale realisatiecijfers door WUR (Emissies naar de lucht uit de landbouw berekend met NEMA), de Emissieregistratie, en de RIVM-rapportage Monitor stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. In deze jaarlijkse rapportages wordt voor de (deel)sectoren landbouw, industrie en mobiliteit op nationaal niveau de ontwikkeling van de ammoniakemissie opgenomen. Ook is te vinden welke emissiereductie sinds 2019 al is behaald door de sector.
Het kabinet stuurt via bedrijfsspecifieke emissienormen op emissiereductie in de melkveehouderij en in de intensieve veehouderij. Deze normen zijn pas afrekenbaar in 2035 en ondernemers worden ondersteund bij het treffen van maatregelen om aan deze normen te kunnen voldoen. Voor de bedrijfsspecifieke emissienormen geldt dat het belangrijk is dat ondernemers inzicht hebben in wat deze normen in de praktijk voor hun bedrijf betekenen, en hoe zij stappen kunnen zetten in het behalen van die normen. Melkveehouders kunnen vrijblijvend de Kringloopwijzer raadplegen voor een eerste indicatie waar zij staan ten opzichte van de normen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeiennaarmorgen.nl/kringloopwijzer. Ook wordt er een gebruiksvriendelijke tool gebouwd voor ammoniak en broeikasgassen die wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd is. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
De effecten van de gebiedsgerichte inzet en van de natuurherstelmaatregelen op de Natura 2000-gebieden worden gemonitord via de, door het Verbeterprogramma VHR-monitoring ontwikkelde, maatregelregistratie-applicatie. De resultaten daarvan worden iedere twee jaar gerapporteerd door een consortium van PBL, WUR en RIVM in het kader van Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering. Specifiek voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt daarnaast dat de staat van instandhouding in beeld wordt gebracht via de Natuurdoelanalyses. De Natuurdoelanalyses worden op termijn voor alle Natura 2000-gebieden gedaan, gekoppeld aan de beheerplancycli.
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert) en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
De aanpak van het kabinet bestaat uit generieke maatregelen (waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen), een gebiedsgerichte inzet, natuurherstelmaatregelen, en maatregelen gericht op ondersteuning van boerenbedrijven en het platteland. Alleen in combinatie en samenhang leiden de verschillende onderdelen van de aanpak tot de noodzakelijke emissiereductie en het bredere natuurherstel, die nodig is voor ruimte voor vergunningverlening.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn generiek en gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen die veehouders kunnen toepassen en dit reductiepotentieel is niet anders in andere provincies. Dat betekent dat de bedrijfsspecifieke normen niet vervangen kunnen worden door gebiedsgerichte inzet. Bij de verdere uitwerking van de bedrijfsspecifieke emissienormen blijven we wel in gesprek met de provincies om onder andere te leren van relevante ervaringen die zijn opgedaan.
Een «alternatieve invulling» voor de gebiedsgerichte aanpak (een omwisselbeslissing)6 ziet toe op de vervanging van de aanvullende gebiedsgerichte inspanning die van boeren in zones rond Natura 2000-gebieden wordt gevraagd. De Rijksinstructieregels vormen daarmee de ruggengraat van de aanpak. Hieruit volgen kaders op bijvoorbeeld doelbereik, borging, financiën en tijdspad waaraan een omwisselbeslissing dient te voldoen. In meerdere gebieden zijn boeren samen met andere partijen in gebiedsprocessen aan de slag. De omwisselbeslissing kan een uitkomst bieden voor partijen die, op basis van kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden, mogelijkheden zien om de aanvullende gebiedsgerichte inspanning op een andere manier te leveren.
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief (geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie in dat geborgde gebiedsplan) of het alternatief voldoende is?
Bovenop het generieke beleid is aanvullende gebiedsgerichte inspanning nodig om verdere achteruitgang te stoppen. Het ambitieniveau en de borging (het wat) van deze aanvullende inspanning is niet te vervangen als we stevige stappen willen zetten op natuurherstel en het vlottrekken van de vergunningverlening. De manier waarop we dit doen (het hoe) kan wel alternatieven kennen. Gezien de urgentie van de problematiek in veel Natura 2000-gebieden, de effecten hiervan op de vergunningverlening, en de mogelijke intrekkingen als gevolg van een onvoldoende geborgd of doelmatig pakket moet een alternatief plan (een omwisselbeslissing7) eenzelfde ambitieniveau en borging in de tijd kennen met eenzelfde middelenbehoefte. Anders is deze alternatieve aanpak onvoldoende stevig om de benodigde stappen te zetten. De inhoudelijke kaders en het proces van de omwisselbeslissing worden momenteel verder uitgewerkt. Eind oktober zal ik hier meer informatie over delen met uw Kamer. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. In de loop van 2028 wordt duidelijk of deze omwisselbeslissing aan de vereisten voldoet en kan dienen als volwaardige vervanging van de door het Rijk uitgewerkte aanpak.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige gebiedsplannen te komen? Kunt u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs beschikbaar zijn om deze processen zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in welke mate de betreffende gebieden hierbij worden ondersteund?
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het opstellen en indienen van een omwisselbeslissing enerzijds en het volledig uitvoeren van het onderliggende plan. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. Dat betekent niet dat het onderliggende plan dan al volledig moet zijn uitgevoerd. Bovendien zijn in veel gebieden al belangrijke stappen gezet en kan op bestaande processen worden voortgebouwd. Tegelijk vraagt de volledige uitvoering van het onderliggende plan bij een omwisselbeslissing op onderdelen om trajecten met een langere doorlooptijd, waarin onder meer kavelruil en herverkaveling een rol spelen. Ondernemers krijgen de komende jaren dan ook de ruimte om hun bedrijfsvoering geleidelijk aan te passen en maken daarbij zelf de keuzes richting extensivering. Dat vraagt om goede afstemming op gebiedsniveau, waarbij onder meer grondbehoefte en de inzet van vrijvallende grond samenkomen.
Die puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor gebiedsgerichte coördinatie en zullen doorgaans als gebiedsregisseur optreden. Daar hoort passende ondersteuning bij. Het faciliterend pakket wordt er onder meer op ingericht om grondmobiliteit op gang te brengen, ondernemers te ondersteunen bij hun bedrijfsplannen en te voorzien in kennisondersteuning en zaakbegeleiding. Rijk, provincies en gemeenten werken daarnaast gezamenlijk aan toereikende procesbegeleiding en voldoende uitvoeringscapaciteit, zodat binnen het gestelde tijdsframe in alle gezoneerde gebieden waar nodig tot een werkbaar gebiedsproces kan worden gekomen.
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor 500 meter en voor (de locatie van) 1.000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Er zijn verschillende onderzoeken en rapporten (zie hieronder) benut die de keuzes omtrent de zoneringsaanpak kunnen motiveren. Daarbij gaat het onder andere om de noodzaak voor gebiedsgerichte maatregelen buiten het Natura 2000-gebied, evenals het type maatregelen, het ambitieniveau van deze maatregelen, en het ruimtebeslag hiervan. Daarnaast is een eigen methodiek toegepast om op basis van beschikbare landbouwgegevens over bedrijfslocaties, bedrijfstypen en bedrijfsemissies te bepalen waar voldoende aanleiding is om een zone van 1.000 meter voor te stellen om voldoende bij te dragen aan een vermindering van druk op het Natura 2000-gebied door (lokale) stikstofemissies.
Kleinere zones zijn in een eerder stadium ook verkend. Om voldoende effect te hebben zou dat wel betekenen dat het regime in een kleinere zone ingrijpend strenger zou moeten, wat resulteert in onvoldoende perspectief voor een vorm van landbouwkundig gebruik. Om een toekomst voor de landbouw rondom Natura 2000-gebieden te bieden (al dan niet in een extensieve vorm) is gekozen voor zones met een lager ambitieniveau en een groter ruimtebeslag. Een keuze voor kleinere zones zou op basis van het huidige ambitieniveau (namelijk behoud van extensieve landbouw) onvoldoende effectief zijn om landbouw-gerelateerde drukfactoren op Natura 2000-gebieden voldoende te verminderen. Daarmee zou het doel, natuurherstel realiseren waardoor Nederland stapsgewijs van het slot komt, niet behaald worden. Als overheden gaan Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen met prioriteit aan de slag in de vijf prioritaire gebieden, juist omdat hier de grootste opgaven liggen en gestapelde drukfactoren. Hier plegen de vier overheden extra inzet, onder meer op het versterken van de uitvoeringskracht.
Voor de Veluwe hebben de vier overheden met elkaar de samenwerkingsovereenkomst voor de Aanpak Veluwe ondertekend. In de Kamerbrief is hierover opgenomen: «Bredere inzet op emissiereductie, natuurherstel en fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven via de Aanpak Veluwe.» Hiervoor is met de regionale bestuurders al afgesproken dat aanpassingen kunnen worden gemaakt in de begrenzing van de zone. Een uitbreiding van de zone van 500 meter naar 1.000 meter is voor de Veluwe niet nodig omdat emissiereductie (65%-69%) op een groter gebied dan de 1000m-zone, namelijk het hele gebied van de Aanpak Veluwe, wordt gerealiseerd. Binnen de Aanpak Veluwe worden de natuur- en watermaatregelen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke vereisten (KRW en VHR) en die voldoende zijn voor robuust systeemherstel en weer kunnen aantonen van additionaliteit. Op een later moment zal besloten worden of de Aanpak Veluwe, of het strokenbeleid als onderdeel hiervan, kan dienen als omwisselbeslissing voor de instructieregels van de zonering. Anders wordt de Aanpak Veluwe en/of het strokenbeleid aangepast of gaan de instructieregels in de zone gelden.
En niet-uitputtende lijst van bronnen en onderzoeken die zijn benut voor de totstandkoming van de zoneringsaanpak:
Omschrijving
Bron
Rapport van de Ecologische Autoriteit over de weging van maatregelen en prioritering van drukfactoren in Natura 2000-gebieden
RIVM-rapport over emissies en deposities uit zones rond Natura 2000-gebieden
Kennisnotitie WENR over effect van maatregelen in zones van verschillende afstanden rondom Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland
Arcadis Rapport met inzicht over drukfactoren per Natura 2000-gebied in de provincie Zuid-Holland
PBL Landbouw- en natuurverkenning met scenario’s voor een toekomst van de landbouw in Nederland met inzicht in overgangszones rond N2000-gebieden
Onderzoek naar de verspreiding van pesticiden in de Peel
Reflectie op MCEN-maatregelenpakket vanuit kennisconsortium PBL, Deltares, RIVM & WUR
Haalbaarheidsstudie WSN-doelen met maatschappelijke kosten-batenanalyse voor scenario met zone van 1km
WUR-rapport over voorkomen pesticiden in N2000-gebieden met inzicht in problematiek rond gewasbeschermingsmiddelen
Rapport over ruimtelijke benadering voor het oplossen van de stikstofproblematiek in Nederland
PON-Telos rapport grond voor verbinding over een grondstrategie rondom Natura 2000-gebieden
Natuurdoelanalyses uitgevoerd voor 131 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met per gebied inzicht in de knelpunten en oplossingsrichtingen voor de instandhouding van het Natura 2000-gebied.
Zie individuele publicaties bij verschillende provincies of website Ecologische Autoriteit.
Advies van de Ecologische Autoriteit om Op basis van de hoofdbevindingen en veldbezoeken nav de natuurdoelanalyses breder te adviseren over wat nodig is om de natuurdoelen te halen.
RIVM Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie- en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden, aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk gebied?
Specifiek voor cijfers over stikstofemissie en -depositie in/uit de zones is gebruik gemaakt van de RIVM-kennisnotitie Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden en onderliggende databestanden.8 Voor de mate van KDW-overschrijding per gebied is gebruik gemaakt van de cijfers uit het RIVM-rapport Monitor Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden 2025.9
Voor andere drukfactoren wordt op dit moment een proces doorlopen met de provincies om tot definitieve aanwijzing per gebied te komen. Zoals in de kamerbrief is gesteld is zonering niet voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebied nuttig en nodig, omdat er bijvoorbeeld geen landbouw plaatsvindt of dat (zicht is op dat) instandhouding van het gebied bereikt wordt.
Voor beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderstaande bronnen benut om te concluderen wat de landbouwgerelateerde problematiek voor de specifieke beken en grondwaterbeschermingsgebieden is en welke oplossingsrichtingen daar mogelijk zijn.
1. Groenendijk, P. (2021). Kansen van de stikstofaanpak voor het doelbereik van de KRW voor nutriënten: Memo.
2. Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research.1
3. Van der Bolt, F., Groenendijk, P., & Renaud, L. (2025). Verkenning van het effect van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van nutriënten uit de bodem. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3461). Wageningen Environmental Research.2
4. Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo.
5. Deltares uit 2023: Effectiviteit van bufferzones voor grondwaterstandsverhoging in grondwaterafhankelijke natuurgebieden op de zandgronden
6. Cleassens et al. 2016. (RIVM) Effecten van het landelijk mestbeleid op de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden
7. Ravensbergen et al. 2024. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – quickscan
8. Ravensbergen et al. 2025. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – verdiepende studie op quickscan
9. Van Driezum et al. 2025. (KWR) Bestrijdingsmiddelen in Nederlandse bronnen voor drinkwater (2018–2022)
10. Gies et al. 2023. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied
11. Ercan et al. 2025. Landbouw in klimaatrobuuste beeklandschappen
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
In Nederland hebben we een eenduidig kader om te voldoen aan de juridische eisen, onder andere voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd, zodat maatwerk mogelijk is met inachtneming van de fysieke kenmerken van en specifieke kennis uit een gebied. Om aan de geldende juridische kaders te voldoen is een goede, gebiedsspecifieke, evaluatiemethodiek van belang, waarin alle relevante drukfactoren worden meegenomen. De natuurdoelanalyses (NDA’s) spelen hierin een belangrijke rol. Ik heb de Ecologische Autoriteit gevraagd te adviseren over de geactualiseerde handleiding voor de NDA’s. Daarnaast bezie ik of aanvullende instructieregels voor Natura 2000-beheerplannen nodig zijn.
Via de SNL-systematiek is de monitoring van het natuurbeheer in belangrijke mate gestandaardiseerd. In aanvulling daarop monitoren provincies de effecten van drukfactoren, hierin is veel ruimte voor maatwerk. Ik werk via het Verbeterprogramma VHR-monitoring met provincies aan verbetering van de monitoring, onder meer van omgevingscondities. Dit moet adequaat beheer ten goede komen. Daarnaast kunnen provincies aan de slag met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Het stikstofbeleid richt zich dan ook op maatregelen die nodig zijn voor zowel het eerste, tweede als derde lid van de VHR.
Voor de genoemde situatie in Noord-Brabant geldt dat provincies als bevoegd gezag individuele intrekkingsverzoeken beoordelen. In dit geval ging het om een passende maatregel gebaseerd op artikel 6, tweede lid van de VHR. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk voor duidelijke landelijke kaders. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 12 en mijn eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp10.
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid) ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Van der Plas11 vind ik het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Als een intrekkingsverzoek wordt gedaan, zijn provincies in Nederland het bevoegde gezag om die verzoeken te beoordelen, waarbij een grote mate van zorgvuldigheid nodig is. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk. Daaraan geef ik invulling met het stikstofpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd. Het landelijke pakket gaat daarbij uit van een bijdrage van alle sectoren, met perspectief voor de agrarische sector. Naast de agrarische sector leveren ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten.
In Noord-Brabant heeft de provincie zich naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond Natura-2000 gebieden tot het voornemen genoodzaakt gezien om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken. Ik heb daarover bij de provincie aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden totdat het trappetje van Remkes is doorlopen en dat de effecten van het maatregelenpakket worden meegenomen bij de afweging.
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee, waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met deze samenhangende aanpak de vergunningverlening losgetrokken kan worden en ruimte kan worden geboden voor boer, natuur en bouw. Deze aanpak bestaat onder andere aan de bedrijfsspecifieke emissienormen maar ook uit ander generiek en gebiedsgericht beleid.
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van 26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang, eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht? Waarom wel/niet?
Het klopt dat de bedrijfsspecifieke emissienorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen gebaseerd is op stal- en opslagemissies. Er is gekozen om voor het terugdringen van de veldemissies van ammoniak geen systeem van doelsturing in te voeren omdat de keuzemogelijkheden ten opzichte van de bestaande middelvoorschriften beperkt zijn. Daarbij geldt ook dat de borging van veldemissies complexer is omdat het meten hiervan lastiger is ten opzichte van emissies uit stallen. Daarnaast speelt een rol bij de keuze voor een norm per fosfaatrecht dat het meenemen van veldemissies niet goed past in de systematiek, omdat er dan een prikkel zou ontstaan om zoveel mogelijk land te verkopen en mest af te voeren (waardoor er ook geen veldemissies op het bedrijf zijn en een melkveehouder beter scoort op een norm per fosfaatrecht). Tevens worden de hoogtes van de veldemissies ook bepaald door omstandigheden waar een ondernemer geen invloed op heeft, zoals het weer. Daarom wordt ingezet op het verder aanscherpen van de voorschriften voor emissiearm aanwenden van meststoffen.
Het is een misverstand dat alleen technische stalmaatregelen kunnen worden ingezet om aan de norm te voldoen. Om de norm de te halen kunnen ondernemers verschillende maatregelen nemen, zoals meer weidegang of eiwit armer voeren. Keuzevrijheid en ruimte voor ondernemerschap zijn één van de belangrijkste uitgangspunten van bedrijfsgerichte doelsturing. De overheid stelt de normen, maar ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om aan deze normen te voldoen. De inzet van managementmaatregelen kunnen hier een belangrijk onderdeel van zijn bij zowel gangbare als extensieve bedrijven. Hierbij is het goed om rekening te houden dat het kabinet heeft aangekondigd om te kijken naar de gevolgen van de ammoniak norm voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve en/of productie-extensieve melkveehouderijen en of dit moet leiden tot een aanpassing van de emissienormen voor deze categorie bedrijven, of in de gehanteerde rekenmethoden ook voldoende rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering van extensieve veehouderij en of extra (financiële) ondersteuning noodzakelijk is. Bovendien is ook al een uitzondering aangekondigd op de klimaatnorm voor biologische bedrijven omdat niet alle maatregelen passen binnen de biologische bedrijfsvoering. Daarmee heeft en houdt het kabinet oog voor extensieve en biologische melkveebedrijven.
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
De huidige emissienorm voor ammoniak (NH₃) van 0,164 kg per fosfaatrecht is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen gericht op stal- en opslagemissies. Veldemissies zijn in de bepaling hiervan niet meegenomen en een aanpassing van de norm is daarom nu niet aan de orde. Er vindt nog een nadere wetenschappelijke validatie van de normen plaats. De uitkomsten hiervan volgen in het eerste kwartaal van volgend jaar.
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Met het stellen van een bedrijfsspecifieke emissienorm per fosfaatrecht krijgen bedrijven een duidelijk doel op bedrijfsniveau dat afhankelijk is van het aantal fosfaatrechten dat zij hebben. In eerste instantie wordt daarbij ingezet op het informeren en stimuleren van ondernemers. In 2035 wordt de norm afrekenbaar en moeten ondernemers daaraan voldoen. Ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om de benodigde emissiereductie te realiseren, zoals het aanpassen van de stal, het nemen van managementmaatregelen, het verwerven van meer fosfaatrechten, of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
De emissienorm is vastgesteld op basis van het technisch reductiepotentieel en daarmee is er sprake van één generieke norm om overal in Nederland te sturen op geborgde emissiereductie. Ook wordt hiermee voorkomen dat er complexe systematiek ontstaat waarin er verschillende normen gaan gelden voor verschillende bedrijven en gebieden.
Daarbij geldt wel dat het kabinet in de brief van 26 juni al heeft aangegeven goed te kijken naar de impact van de stikstofnorm op biologische en extensieve bedrijven. Mogelijk past deze norm niet goed bij de bedrijfsvoering van deze groep ondernemers. Daarom wordt er gekeken naar of er aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning nodig is voor deze bedrijven. Voor de klimaatnorm geldt dat biologische bedrijven beperktere handelingsperspectieven hebben en daarom zal voor deze bedrijven een uitzondering worden uitgewerkt.
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit?; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop? Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking? Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Beantwoording onder vraag 18.
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Om de hoogte van de norm te bepalen is in beeld gebracht wat op basis van bekende maatregelen het technisch reductiepotentieel is. Hiervoor is door de WUR het rapport «Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij»12 opgesteld. Deze gedane analyse rust in belangrijke mate op technische studies en rapporten, waarbij gekeken is naar op dat moment concreet beschikbare maatregelen in de sector. Daardoor wordt niet het onmogelijke gevraagd van blijvende ondernemers13. Uitgangspunt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen is het technisch reductiepotentieel. Met de bekende technieken kan niet de hele opgave worden gerealiseerd. Daarom zijn er ook aanvullende maatregelen nodig. Het kabinet kiest er zodoende voor om de hoeveelheid productierechten te verminderen via afroming en vrijwillige beëindiging, en is niet voornemens om doorgehaalde rechten opnieuw uit te geven. Pas nadat de totale nationale fosfaatproductie onder het nationale mestproductieplafond ligt kan de fosfaatbank opengesteld worden waarmee het mogelijk wordt om aan grondgebonden (jonge) boeren niet-verhandelbare ontheffingen te verlenen voor de productie van een in de ontheffing opgenomen hoeveelheid fosfaat met melkvee, zonder dat de melkveehouders daar fosfaatrechten voor nodig hebben.
Om aan de normen te voldoen kunnen ondernemers verschillende maatregelen inzetten, zoals de inzet van (stal)techniek en innovatie, toepassing van managementmaatregelen, extensivering van de bedrijfsvoering, of verwerving van extra fosfaatrechten. Ondernemers die al stappen hebben gezet en al investeringen hebben gedaan, kunnen de gerealiseerde reductie meetellen in het halen van de norm. Uiteindelijk mogen de individuele bedrijven maximaal de gestelde emissienormen uitstoten en moet een ondernemer dit ook geborgd kunnen aantonen. Voor de inzet van (stal)technieken is het dan wel van belang dat (stal)technieken doen wat ze beloven. Hier zijn nog wel stappen te zetten, zodat nieuwe technieken en stalmaatregelen ook goed geborgd zijn. Daarom zijn de Ministeries IenW en LVVN bezig met het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. In dit programma wordt een systematiek ontwikkeld waarbij de gemiddelde emissiereducties van staltechnieken geborgd wordt aangetoond en zo deze technieken voorzien van onderbouwde emissielabels waarmee ondernemers beslissingen kunnen nemen of en welke technieken zij in willen zetten. Juist ook om te borgen dat maatregelen doen wat ze beloven, en ondernemers ook voldoende rechtszekerheid te bieden en voldoende ruimte voor hun vakmanschap zijn nog de nodige stappen te zetten. Daarom worden de normen ook pas in 2035 afrekenbaar en niet eerder.
In de uitwerking van de gehele stikstofaanpak, dus ook bij de uitwerking van de emissienormen, zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen, waaronder voor integraal duurzame stallen.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
In de brief van 26 juni jl. heeft het kabinet al een uitzondering voor de biologische sector aangekondigd op de klimaatnorm, omdat niet alle maatregelen die melkveehouders kunnen nemen passen binnen de biologische bedrijfsvoering (zoals het gebruik van voeradditieven) en deze norm daarmee niet als haalbaar wordt gezien voor biologische bedrijven. Hoe deze uitzondering eruit moet komen te zien, wordt met de biologische sector besproken.
De klimaatnorm voor gangbare bedrijven is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen om broeikasgasuitstoot te verminderen. Onder meer dagontmesting, mestvergisting en methaanremmende additieven kunnen hieraan bijdragen.
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische en/of extensieve bedrijfsvoering?
Met een keuze voor het fosfaatrecht wordt verhandeling van emissieruimte mogelijk, hetgeen bedrijven meer handelingsperspectieven biedt en wordt de totale emissie in de melkveesector absoluut begrenst. Voor veel bedrijven zal gelden dat ook investeringen in stalaanpassingen noodzakelijk zullen zijn om aan de normen te kunnen voldoen. Er worden middelen ter beschikking gesteld om bedrijven hierbij te ondersteunen. Voor biologische en extensieve bedrijven zal, ook in overleg met partijen, worden gekeken naar de impact van de norm op de bedrijfsvoering en zal worden bekeken of het nodig is om aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning te bieden. Dit omdat deze bedrijven op allerlei fronten een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke doelen.
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing? Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
De voorgestelde grondgebondenheidsnorm zorgt voor een balans tussen het aantal stuks melkvee en het areaal landbouwgrond in een gebied. Dat draagt bij aan een toekomstbestendige melkveehouderij, die in balans is met de leefomgeving én een bijdrage levert aan de verbetering van waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang en biodiversiteit. Grondgebondenheid is dus niet louter gericht op waterkwaliteit.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat een zoveel mogelijk gesloten kringloop per bedrijf of per gebied minder vervuilend is en goed voor de waterkwaliteit en dat een eenvoudige grondgebondenheidsnorm wordt ingevoerd voor de melkveehouderij met een uitzondering voor bedrijven die voldoen aan doelsturing. Het kabinet heeft ervoor gekozen om niet aan vast te houden aan de koppeling met doelsturing en heeft hierbij in ogenschouw genomen dat het al dan niet realiseren van een norm voor waterkwaliteit ook wordt bepaald door factoren die buiten de invloed van de melkveehouder liggen zoals weersomstandigheden en dat de effecten op de waterkwaliteit in achtereenvolgende jaren kunnen fluctueren. Afhankelijk van de vormgeving van de uitzondering, heeft dit grote gevolgen voor melkveehouders als zij op een bepaald moment opeens niet blijken te voldoen aan de norm. De koppeling kan zorgen voor juridische risico’s voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van zowel de grondgebondenheidsnorm als van afrekenbare doelsturing.
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden gerealiseerd? Welke ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op gebiedsniveau met ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Als er voldoende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor natuur, zijn intern- en extern salderen mogelijk. Met de samenhangende aanpak en bijbehorend maatregelpakket zal dat stapsgewijs en per gebied beter mogelijk worden. Het is mogelijk voor een gebied om een alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossingen (zoals een collectieve aanpak) vast te stellen als kan worden verzekerd dat individuele wijzigingen niet leiden tot mogelijke significante effecten.
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
In de brief van 26 juni jl. heb ik aangekondigd dat het kabinet zo snel mogelijk, maar uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027 de Rekenkundige Ondergrens (RKO) in zal voeren. Hiervoor zijn, aanvullend op een voldoende en geborgd maatregelenpakket, specifieke beheersmaatregelen nodig. Samen met provincies werk ik deze beheersmaatregelen uit en voor het eind van het jaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Met de invoering van de RKO zet het kabinet een volgende stap in het verbeteren van het gebruik van modellen en de toepassing van AERIUS in beleid, in opvolging van meerdere wetenschappelijke adviezen. AERIUS Calculator, of een vergelijkbaar systeem met depositiemodellen, blijft een rol spelen bij toestemmingverlening zolang het vergunningenstelsel een beoordeling van de stikstofdepositie vereist. Volledig overstappen naar emissiesturing is een brede wens. Met voornoemde Kamerbrief heb ik voor veel beleidsuitgangspunten een eerste stap in die richting gezet.
Om ook bij toestemmingverlening over te gaan op emissiesturing, zijn echter nog wel een aantal stappen nodig. Op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is het immers verplicht om het effect van de emissie van een nieuwe of te wijzigen activiteit op de Natura 2000-gebieden te beoordelen. Een berekening van de depositie is daarbij op dit moment doorgaans noodzakelijk. Op dit moment is het nog niet te zeggen wanneer de overstap naar emissiesturing ook bij toestemmingverlening mogelijk gaat zijn.
Heeft u kennisgenomen van recente uitspraken van de Israëlische Minister van Nationale Veiligheid Ben-Gvir, waarin hij stelt dat er «elke nacht 30 tot 40 mensen uitgeschakeld» zouden moeten worden, «niet alleen degenen die een directe bedreiging vormen», en dat bepaalde personen «het leven niet waard zijn»?1
Ja.
Deelt u de analyse van mensenrechtenexperts dat deze uitspraken, in combinatie met eerdere oproepen van Ben-Gvir tot massale deportatie van Palestijnen uit Gaza, moeten worden gezien in een patroon van aanzetten tot geweld en etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van Ben-Gvir wijzen op een patroon van aanzetten tot geweld en gedwongen verplaatsing.
Deelt u de opvatting dat de uitspraken van Minister Ben-Gvir, als prominent lid van de regering-Netanyahu, niet los gezien kunnen worden van het gevoerde beleid van diezelfde regering, en dat zij daarmee bevestigen dat het doden en verdrijven van Palestijnse burgers geen ongelukkig neveneffect, maar doelbewust regeringsbeleid is? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van Ben-Gvir zijn verwerpelijk en niet acceptabel. Ik heb dit zelf ook duidelijk gemaakt aan de Israëlische Minister voor Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar. Het kabinet verklaarde eerder deze extremistische Minister Ben-Gvir tot persona non grata. We blijven daarnaast in Europees verband pleiten voor sancties tegen zowel Minister Ben-Gvir als Minister Smotrich. Bij de meest recente informele bijeenkomst van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de EU (Gymnich) heb ik wederom opgeroepen tot het sanctioneren van Minister Ben-Gvir naar aanleiding van deze verwerpelijke uitspraken.
Bent u bereid zich, ondanks het recente mislukken van EU-brede sanctionering van Ben-Gvir, opnieuw en met urgentie in te zetten voor EU-sancties tegen hem en Bezalel Smotrich? Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland blijft voorstander van en pleiten voor Europese sancties tegen deze Ministers. Tegelijkertijd stel ik vast dat er vooralsnog in het Europese krachtenveld onvoldoende beweging zit om te verwachten dat hierover op korte termijn overeenstemming wordt bereikt.
Bent u bereid, naar voorbeeld van het reeds bestaande Nederlandse inreisverbod voor Ben-Gvir, ook een nationaal inreisverbod in te stellen voor andere regerings- en Knessetleden van zijn partij Otzma Jehoedit, die zich schuldig maken aan vergelijkbare uitspraken en medeverantwoordelijk zijn voor voorstellen zoals de doodstrafwetgeving voor Palestijnse gevangenen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend in uw Kamer besloot het kabinet in juli 2025 zich in te spannen om een aantal maatregelen in te stellen teneinde de regering-Netanyahu van koers te doen veranderen. Hierbij ging het onder meer om maatregelen tegen de Israëlische Minister Ben-Gvir en Minister Smotrich, die uit hoofde van hun functie als bewindspersoon herhaaldelijk geweld door kolonisten tegen de Palestijnse bevolking hebben aangewakkerd, voortdurend de uitbreiding van illegale nederzettingen bepleit en opgeroepen tot etnische zuivering in Gaza.
In het licht van de ernst van deze uitspraken steunde Nederland de voorstellen voor EU-sanctiemaatregelen jegens beide individuen, echter ontbrak hiervoor draagvlak in de Raad. Het kabinet verklaarde vervolgens Minister Smotrich en Minister Ben-Gvir tot persona non grata op grond van het nationale recht (de Vreemdelingenwet 2000), wegens het gevaar dat zij vormen voor de Nederlandse openbare orde en in het belang van internationale betrekkingen. Beide Ministers zijn in september 2025 als ongewenste vreemdelingen geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem. Dit waren uitzonderlijke stappen en de onderliggende motivering gold ten aanzien van de specifieke casus van deze twee Ministers en de omstandigheden destijds. Dat is niet zonder meer het geval ten aanzien van andere gevallen. Het kabinet weegt in elke situatie of deze omstandigheden nopen tot een dusdanig vergaand nationaal besluit, of hiervan impact op de koers van de regering Netanyahu mag worden verwacht, en of daarvoor toereikende juridische gronden bestaan. Bovengenoemde overwegingen leiden op dit moment niet tot een vergelijkbare stap op nationaal niveau tegen andere regerings- en Knessetleden van de partij Otzma Jehoedit. Tegelijkertijd blijft het kabinet zich inspannen voor additionele maatregelen op EU niveau en sluit het, conform de motie Piri/Paternotte2, sancties tegen Israëlische bewindspersonen niet uit.
Moslimhaat aan de Universiteit van Utrecht. |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een stilteruimte van de Universiteit Utrecht is achtergelaten met bier en Korans onder een tafelpoot?1
Ja.
Wat is u bekend over de toedracht van deze haatactie en heeft u hierover contact gehad met de Universiteit Utrecht?
Naar aanleiding van dit incident heb ik contact opgenomen met de Universiteit Utrecht (hierna: UU). Zij heeft met mij gedeeld dat de stilteruimte respectloos is achtergelaten. Zij geeft aan dit onacceptabel te vinden, ervan geschrokken te zijn en zich te kunnen voorstellen dat studenten hier ook erg van geschrokken zijn.
De UU heeft mij laten weten dat zij van de situatie heeft vernomen via de instagrampost van de Islamitische Studentenvereniging INSAN op de betreffende dinsdagmiddag. Daarop is direct actie ondernomen. Medewerkers van de UU zijn bij de stilteruimte gaan kijken. Daar troffen zij een rommelige ruimte aan met de Korans inmiddels weer opgeborgen in de kast. De UU heeft ervoor gezorgd dat de stilteruimte de ochtend erna weer was opgeruimd zodat de ruimte weer in gebruik kon worden genomen. Voorts heeft de UU contact gezocht met INSAN en een gesprek met hen over deze gebeurtenis wordt op korte termijn ingepland.
Deelt u de mening dat het ontheiligen van religieuze geschriften onacceptabel is?
Ja, dat vind ik verwerpelijk.
Kunt u zich voorstellen dat het plaatsen van Korans onder een tafelpoot en het achterlaten van bier(resten) door islamitische studenten als moslimhaat en intimidatie wordt ervaren?
Ik vind het van groot belang dat we in onze samenleving, en daarmee ook in het onderwijs, respectvol met elkaar omgaan. Hier was dat niet het geval, dit was een onacceptabele en respectloze actie. Dit soort incidenten horen zich niet voor te doen.
Wordt onderzocht of sprake was van een islamofoob motief? Zo nee, bent u bereid hier bij de Universiteit Utrecht op aan te dringen?
De UU heeft mij laten weten dat zij dit incident serieus neemt en bekijkt of zij kan achterhalen wat er precies gebeurd is. Het is tegelijkertijd ook lastig omdat de stilteruimte een vrij toegankelijke ruimte is zonder een reserverings- of boekingssysteem en er geen camera’s in of rondom de stilteruimte zijn (in verband met onder meer de privacy).
De UU doet navraag bij gebruikers van het gebouw of men iets gezien heeft, en vraagt aan gebruikers van het gebouw om alert te zijn op oneigenlijk gebruik van de stilteruimte en te melden wanneer dit gebeurt. Ook vraagt zij haar facilitair medewerkers UU-breed om de stilteruimtes vaker te controleren. Tot slot gaat zij over deze gebeurtenis in gesprek met de Islamitische Studentenvereniging INSAN, die hierover als eerste aan de bel heeft getrokken via sociale media.
Het is goed dat de UU gedegen opvolging geeft aan deze acties.
Welke maatregelen neemt de Universiteit Utrecht om herhaling te voorkomen en de veiligheid van islamitische studenten te waarborgen?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u zicht op de omvang van islamofobie en discriminatie van moslims binnen het hoger onderwijs? Zo ja, kunt u de beschikbare cijfers hierover met de Kamer delen?
Onderzoek laat zien dat er moslimdiscriminatie plaatsvindt in de Nederlandse samenleving.2 Ondanks dat er geen sectorspecifieke monitor is die islamofobie en moslimdiscriminatie uitsluitend binnen het hoger onderwijs meet, geven bredere onderzoeken een beeld van de omvang van islamofobie en moslimdiscriminatie binnen het (hoger) onderwijs.3
Zo rapporteert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) met betrekking tot alle onderwijsrichtingen dat 45–55% van de moslimstudenten discriminatie ervaart in het onderwijs.4 Uit dit rapport blijkt ook dat 44% van de studenten met een Marokkaanse achtergrond stagediscriminatie ervaart.5 Stagediscriminatie in het hoger onderwijs kan voorkomen tijdens het sollicitatieproces en gedurende de stage zelf. Dit kan expliciet zijn, zoals het afwijzen van moslimstudenten vanwege een hoofddoek of via stereotyperende opmerkingen en micro-agressie.6
Moslimstudenten uit het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs geven aan, onder andere op basis van een eigen enquête7, dat (gebrek aan) thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is.
Bent u bereid met universiteiten en hogescholen afspraken te maken over het voorkomen, registreren en aanpakken van moslimhaat?
Moslimhaat is onacceptabel en een probleem dat aangepakt dient te worden. Ik verwacht van instellingen dat zij hier aandacht voor hebben vanuit hun verantwoordelijkheid voor een veilige leer- en werkomgeving. In het kader van de integrale aanpak sociale veiligheid voor alle studenten en medewerkers in het hoger onderwijs voer ik hierover regulier overleg met de sector. In dat gesprek zal ik ook aandacht vragen voor dit type incidenten bij instellingen. Vanuit OCW betrekken we de moslimgemeenschap bij relevante beleidsdossiers om te horen wat er leeft binnen de gemeenschap en om ervoor te zorgen dat alle Islamitisch Nederlandse jongeren zich veilig, gezien en gehoord voelen op de onderwijsinstellingen.8
Het stijgende aantal jongeren in de bijstand zonder duidelijke verklaringen of inzicht in oorzaken |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van NRC Handelsblad «Hoe kan het toch dat het aantal jongeren in de bijstand toeneemt?»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat de stijging van jongeren in de Participatiewet sterker is dan van andere leeftijdsgroepen en al dertien kwartalen op rij aanhoudt?
Hoe ontwikkelde de instroom van jongeren in de bijstand volgens u in de afgelopen vijf jaar, waar mogelijk uitgesplitst naar leeftijd, achtergrond, kwetsbare positie, voorgaande betrekking, bijstandsduur, en reden van instroom?
Deelt u de constatering van de onderzoekers in het artikel dat er geen eenduidige verklaring bestaat en wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken ontbreekt?
Heeft de regering onderzoek gedaan of laten doen naar de oorzaken van de structurele stijging van het aantal jongeren in de Participatiewet? Zo nee, bent u bereid dit te laten doen?
Aangezien werkende jongeren relatief vaak een flexibel contract hebben en hierdoor bij tegenslag vaak als eerste hun baan verliezen, welke maatregelen neemt u om het aandeel vaste contracten onder jongeren te verhogen?
Hoeveel jongeren, die door een kort arbeidsverleden alleen recht hebben op de minimale WW-duur van drie maanden, stromen jaarlijks na afloop van deze WW-duur door naar de bijstand? Hoe verhoudt zich dit tot andere leeftijdsgroepen?
Herkent u dat met de stijging van het aantal jongeren in de bijstand ook het aantal dakloze jongeren toeneemt, en kunt u hier de meest actuele cijfers over verstrekken? Biedt de Participatiewet dienstverlening aan instromende jongeren om hun huurwoning te behouden of om een huurwoning te bemachtigen?
Herkent u dat jongeren kort na hun achttiende relatief vaak en steeds vaker in problematische schulden raken, mede door online gokken of «buy now pay later»- diensten, en dit bijdraagt aan bijstandsinstroom? Welke bewindspersoon draagt de beleidsverantwoordelijkheid voor de samenhang tussen online kansspelen, consumentenkrediet, schuldenbeleid en de bijstandsinstroom van jongeren?
Hoe weegt u de samenhang tussen de mentale gezondheid van jongeren en hun arbeidsmarkt- en bijstandspositie, wetende dat onderzoek van het RIVM2 en GGD GHOR laat dat bijna de helft van de jongeren de eigen mentale gezondheid als niet goed (matig of slecht) beoordeelt? Hoe wordt interdepartementale samenwerking op dit thema vormgegeven en welke resultaten levert dit op?
Welke maatregelen neemt de regering om de dertien kwartalen aanhoudende stijging van jongeren in de bijstand te keren? Hoe gaat u de Kamer periodiek informeren over de voortgang en de resultaten van het beleid?
De boerenprotesten op de snelwegen |
|
Laura Bromet (GroenLinks-PvdA), Fatihya Abdi (GroenLinks-PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Rob Jetten (D66), Vincent Karremans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Was u op de hoogte van het voornemen van boerenorganisaties LTO en Farmers Defence Force (FDF) om op vrijdag 14 augustus jl. te demonstreren op meerdere snelwegen en is er sprake geweest van een formeel kennisgeving richting de lokale driehoeken?
Mij was bekend dat enkele boerenorganisaties vrijdag 14 augustus jl. zouden protesteren bij de extra vergadering van de Staten van de provincie Noord-Brabant. De gemeente ’s-Hertogenbosch is van de demonstratie in kennis gesteld.
Waarom is ervoor gekozen om deze demonstraties niet te verplaatsen, een alternatief locatie aan te bieden en/of te verbieden, gelet op het feit dat er duidelijke gronden zijn in de wet openbare manifestaties om in te kunnen grijpen bij een demonstratie in het belang van het verkeer en/of voor de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden?
De besluitvorming over het verbieden dan wel verplaatsen van demonstraties geschiedt krachtens de Wet openbare manifestaties door de burgemeester, doorgaans na overleg in de lokale driehoek. De gronden voor het verbieden dan wel ontbinden van een demonstratie zijn gelegen in art.2 van de Wom; ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het kabinet treedt niet in de afwegingen die het lokale gezag moet maken. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Wat waren de instructies voor de politie op het moment dat de demonstranten met trekkers gingen protesteren op meerdere snelwegen en er risico’s waren voor andere burgers op de weg?
Voorafgaand aan de demonstratie heeft overleg plaatsgevonden tussen het lokaal gezag (burgemeester en officier van justitie) en de politie in ‘s-Hertogenbosch. Het beleidsuitgangspunt van de lokale driehoek ’s-Hertogenbosch was duidelijk: indien men in het kader van de demonstratie met een tractor de snelweg op rijdt of de weg blokkeert, en dit evident gevaar oplevert, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Afgesproken werd het met de tractor rijden op een snelweg in principe niet te tolereren. Vanzelfsprekend is de beslissing om tot handhaving over te gaan aan de lokale driehoek.
Zijn er instructies en/of afspraken gemaakt tussen de lokale driehoeken en Rijkswaterstaat over het bovensignaleren van de wegen en/of afsluiten van de wegen? Zo niet, kunt u uiteenzetten waarom dit is niet is gebeurd?
Op 12 augustus jl. is er contact geweest tussen de eenheid Landelijke Expertise en Operaties (LX) van de politie en Rijkswaterstaat, zowel op directieniveau als op operationeel niveau. Op verzoek van de politie heeft Rijkswaterstaat de potentiële impact op het wegverkeer in beeld gebracht en toegelicht wat het handelingskader van Rijkswaterstaat is bij verstoringen van de doorstroming of van de veiligheid op het hoofdwegennet.
Voor het beheer van het hoofdwegennet zijn er vaststaande communicatiestructuren en opschalingsprocedures. De politie staat in verbinding met Verkeerscentrum Nederland (VCNL) van Rijkswaterstaat.
Rijkswaterstaat heeft inmiddels aangifte gedaan van de gepleegde overtreding waarop de vragen betrekking hebben, zoals het rijden met een tractor op de autosnelweg (in strijd met artikel 42 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Rijkswaterstaat doet altijd aangifte als een snelweg moedwillig wordt geblokkeerd.
Op basis van welke jurisprudentie en informatie zijn de lokale driehoeken tot de afweging gekomen dat het is toegestaan om op de snelwegen te demonstreren en zij niet zullen handhaven hierop, gelet op het feit dat dit verboden is volgens de wet? Graag een gedetailleerd overzicht.
De vraag veronderstelt dat de afweging was dat demonstreren op snelwegen is toegestaan en dat op juridische gronden is afgezien van handhaven. Dat is onjuist. Zie daarvoor het antwoord op vraag 3. De snelweg is vanwege verkeersveiligheid en doorstroming geen plek om te demonstreren. Het rijden met een tractor of trekker op de snelweg is in Nederland verboden.
Welke voorbereidingen worden er getroffen om te voorkomen dat deze protesten nog verder escaleren en leiden tot nog meer (dodelijke) verkeersongelukken en/of ernstige wanordelijkheden? Graag een gedetailleerd overzicht.
De oorzaak van het noodlottige ongeval op de A59 is onderwerp van een lopend strafrechtelijk onderzoek. De politie en OM in Brabant-Oost hebben aangegeven de gebeurtenissen te evalueren.
Daarnaast heb ik de afgelopen weken overleg gehad met de (plv.) korpschef, het College van procureurs-generaal van het OM en de regioburgemeesters, ook in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie. Uit die overleggen is een helder statement gekomen, dat 25 augustus jl. op rijksoverheid.nl is gepubliceerd:
«Het blokkeren van een snelweg of het spoor of het veroorzaken van een file is gevaarlijk. Ook moeten hulpdiensten er altijd door kunnen. Het OM heeft op 19 augustus nogmaals bevestigd dat het demonstratierecht in beginsel niet in de weg staat aan strafrechtelijke vervolging. Gevaarzetting op een snelweg of het spoor is strafbaar, strafrechtelijk handhaven is dan ook aangewezen. Er wordt in beginsel strafrechtelijk opgetreden tegen gevaarzettend gedrag, zoals langzame verplaatsingen of het blokkeren van snelwegen of het spoor».
Bij de bezetting van de A12 door klimaatactivisten 29 augustus jl. is door de lokale driehoek van Den Haag ook overeenkomstig die lijn gehandeld.
Welke strafrechtelijke stappen worden er ondernomen richting eigenaren van tractoren die bewust hun kenteken hebben afgeschermd gelet op het feit dat dit verboden is volgens de wet?
De kentekenplicht voor motorvoertuigen volgt uit artikel 36 van de Wegenverkeerswet. Daarnaast verbiedt artikel 41 lid 1 van de Wegenverkeerswet onder meer het verhinderen van de herkenning van kentekens, bijvoorbeeld door die af te plakken. Als kentekens worden afgeschermd, dan zal strafrechtelijke handhaving in beginsel aangewezen zijn. Dit uitgangspunt geldt ook voor landbouwvoertuigen die sinds 1 januari 2022 een kentekenplicht kennen. Dit feit is ook opgenomen in de OM-uitgangspunten ten aanzien de strafrechtelijke handhaving van landbouwvoertuigen op de snelwegen bij demonstraties. De vraag of (en zo ja welke) stappen concreet genomen worden, hangt telkens af van de omstandigheden van het geval. Bij het rijden met landbouwvoertuigen op de snelwegen is gezien de gevaarzetting strafrechtelijk handhaving in beginsel aangewezen. Dat geldt ook voor het afplakken van kentekens. Dat is alleen anders als de demonstratie in de vorm van het rijden op de snelweg met landbouwvoertuigen is aangemeld bij de burgemeester en deze het niet heeft verboden.
Bent u nog in gesprek met organisaties die de stikstofplannen vergelijken met de jodenvervolging?1
De vergelijking die tijdens de demonstratie van 14 augustus jl. is gemaakt door een der voormannen van een boerenorganisatie is totaal ongepast. Een analogie met de holocaust trekken voert vele malen te ver. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is thans niet in gesprek met de organisatie wier voorman de aangehaalde uitspraak heeft gedaan.
Wat vindt u van het feit dat er stickers van davidsterren met het patroon van een rode boerenzakdoek en de letter B uitgedeeld zijn tijdens de protesten?2
De uiting van een davidster met een B erop is een evidente en ongekende schoffering aan het adres van de nabestaanden en slachtoffers van de Jodenvervolging en Holocaust gedurende de Tweede Wereldoorlog. Zoals de Minister-President op 14 augustus jl. heeft gezegd betreft dit een walgelijke en bijzonder ongepaste actie.
Het door Israël insluiten van Palestijnen in Gaza met een aarden wal |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u het NRC-artikel «Israël bouwt een aarden wal en omsluit en controleert hiermee de bevolking van Gaza. Dat is in strijd met het internationaal recht» van 6 augustus 2026 en de eerdere berichtgeving van Associated Press, waarin op basis van satellietbeelden wordt beschreven dat Israël langs de zogenoemde Gele Lijn een meer dan 23 kilometer lange aarden wal aanlegt gelezen?1
Ja.
Heeft u gezien dat de Israëlische premier Netanyahu heeft aangegeven «nooit een Palestijnse staat te accepteren in Gaza of de Westelijke Jordaanoever zolang hij premier is» en «niet van plan is het Israëlische Defensieleger terug te trekken uit Gaza totdat Hamas volledig ontwapend is»?2 Wat vindt u van deze uitspraken?
Ik heb hier kennis van genomen. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. De betreffende uitspraak van de Israëlische premier nooit een Palestijnse staat te accepteren gaat daar tegen in en is dan ook zorgwekkend. Het kabinet is van mening dat de noodzakelijke stappen moeten worden gezet ter uitvoering van het vredesplan van president Trump. Over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van het Israëlische leger (IDF), zullen betrokken partijen onderling tot een overeenkomst moeten komen, zoals uiteengezet in artikel 16 van het vredesplan dat werd bekrachtigd via VNVR-resolutie 2803.
Kunt u bevestigen dat deze aarden wal zich inmiddels over tientallen kilometers uitstrekt, Gaza verder opdeelt en de bewegingsvrijheid van de Palestijnse bevolking nog verder beperkt? Wordt dit door de Nederlandse regering gemonitord? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen Nederlandse vertegenwoordigers in de gelegenheid geweest dit ter plaatse te bevestigen, zij hebben momenteel geen toegang tot Gaza.
Bent u bereid bij uw Israëlische collega en de Israëlische ambassadeur onmiddellijk duidelijk te maken dat deze aarden wal meteen weer moet worden afgebroken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Gaza nauwgezet. Voor de toekomst van Gaza is het noodzakelijk dat resolutie 2803 van de VN-Veiligheidsraad en daarmee het vredesplan van president Trump worden geïmplementeerd. Deze boodschap brengt het kabinet regulier over in diplomatieke contacten met Israël.
Kunt u bevestigen dat de Gele Lijn in oktober 2025 in eerste instantie werd gepresenteerd als een tijdelijke militaire terugtrekkingslijn, in afwachting van verdere Israëlische terugtrekking uit Gaza? Wat vindt u ervan dat Israël helemaal niet van plan is zich terug te trekken?
Het kabinet is van mening dat de noodzakelijke stappen moeten worden gezet ter uitvoering van dit vredesplan. Over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van het Israëlische leger (IDF), zullen betrokken partijen onderling tot een overeenkomst moeten komen, zoals uiteengezet in artikel 16 van het vredesplan dat werd bekrachtigd via VNVR-resolutie 2803. In artikel 16 is opgenomen dat Israël Gaza niet zal bezetten of annexeren.
Hoe beoordeelt u de aanleg van een grootschalige fysieke barrière en bijbehorende militaire infrastructuur langs deze tijdelijke lijn? Vindt u dergelijke (semi-)permanente infrastructuur in bezet gebied verenigbaar met het tijdelijke karakter van een bezetting en met andere relevante regels van internationaal recht? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke rechtsregels worden volgens u geschonden?
In beginsel geeft het humanitair oorlogsrecht ruimte om op basis van overwegingen van militaire noodzaak militaire installaties, zoals een aarden wal, te bouwen. Dat moet echter worden bezien in samenhang met andere regels van het internationaal recht, zoals het verbod op het vernietigen van goederen als daar geen militaire noodzaak voor is. Tevens zijn er verplichtingen onder het bezettingsrecht ter bescherming van de burgerbevolking waaronder het verbod op gedwongen verplaatsing, zoals ook toegelicht in het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024, het verbod op annexatie en de door het IGH vastgestelde plicht van Israël om de onrechtmatige aanwezigheid in de bezette Palestijnse Gebieden zo spoedig mogelijk te beëindigen.
Heeft Israël tegenover Nederland of de Europese Unie toegelicht of deze barrière en bijbehorende infrastructuur tijdelijk dan wel permanent bedoeld is? Zo nee, bent u bereid expliciet aan Israël opheldering hierover te vragen en de Kamer daarover te informeren? Hoe verhoudt de aanleg van deze fysieke barrière zich volgens u tot het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024, waarin werd vastgesteld dat Israëls onrechtmatige aanwezigheid in het bezette Palestijnse gebied zo spoedig mogelijk moet worden beëindigd?
De overwegingen rond de bouw van de wal zijn niet toegelicht door Israël. Wel heeft de IDF aan de media bevestigd dat er een barrière in het gebied van de Gele Lijn wordt gebouwd. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 moet de bouw van een aarden wal worden bezien in samenhang met andere regels van het internationaal recht. Nederland brengt regelmatig in gesprekken met Israël de onrechtmatigheid van de bezetting van de Palestijnse Gebieden op. Daarbij geeft het kabinet zich rekenschap van het feit dat over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van Israël uit Gaza politieke afspraken zijn gemaakt in het vredesplan van president Trump. Dergelijke politieke afspraken doen echter geen afbreuk aan de Israëlische verplichtingen onder internationaal recht.
Vindt u de juridische beoordeling van het Internationaal Gerechtshof in zijn Advisory Opinion van 9 juli 2004 over de Muur op de Westelijke Jordaanoever leidend voor de Nederlandse en Europese beoordeling van deze nieuwe fysieke barrière in Gaza? Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3 heeft het kabinet onvoldoende informatie over deze mogelijke barrière en kan daarom geen vergelijking maken tussen deze twee zaken. Nederland en andere staten beschouwden de aanleg van de muur op de Westelijke Jordaanoever als onrechtmatig en Israëlische soevereiniteit over de Palestijnse Gebieden is nimmer erkend.
Deelt u de opvatting dat in het advies van 2004 niet alleen de fysieke constructie zelf centraal stond, maar vooral de gevolgen daarvan voor onder meer zelfbestuur (territoriale integriteit), bewegingsvrijheid, toegang tot land en de uitoefening van het Palestijnse recht op zelfbeschikking? Welke betekenis heeft dat volgens u als u het advies van toen toepast op de huidige situatie in Gaza?
Ik deel die opvatting. Zie daarnaast beantwoording op vraag 3 en 6.
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de aanleg van deze barrière en infrastructuur voor de uitvoering van de verplichtingen van Nederland zoals geformuleerd door het Internationaal Gerechtshof op 19 juli 2024?
Derde staten, zoals Nederland, zijn verplicht om de situatie die voortvloeit uit de onrechtmatige aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden niet als rechtmatig te erkennen. Ook mogen zij geen hulp of bijstand verlenen aan het in stand houden van de situatie die is ontstaan door de onrechtmatige aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden. VN-lidstaten zijn bovendien verplicht om veranderingen in het fysieke karakter, de demografische samenstelling, de institutionele structuur of de status van het door Israël bezette gebied niet te erkennen, tenzij overeengekomen door de partijen door middel van onderhandelingen. Het kabinet erkent in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. Het kabinet zal zich blijven uitspreken tegen de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden. Daarbij geeft het kabinet zich rekenschap van het feit dat over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van Israël uit Gaza politieke afspraken zijn gemaakt in het vredesplan van president Trump. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband.
Deelt u de enorme zorg dat deze barrière en de bijbehorende militaire zones kunnen bijdragen aan feitelijke annexatie, gedwongen verplaatsing, territoriale fragmentatie, genocide en langdurige opsluiting van de Palestijnse bevolking in een steeds kleiner deel van Gaza? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft benadrukken dat Israël zo spoedig mogelijk de bezetting van de Palestijnse Gebieden moet beëindigen, in lijn met het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024. Als gesteld, is het voor de toekomst van Gaza noodzakelijk het vredesplan van president Trump, als bekrachtigd in VNVR-resolutie 2803, zo snel mogelijk te implementeren.
Welke gevolgen verwacht het kabinet voor de bewegingsvrijheid van Palestijnen, de toegang tot landbouwgrond, de terugkeer naar woonplaatsen, humanitaire hulp en de wederopbouw van Gaza? Klopt het dat Israël inmiddels circa zestig procent van de Gazastrook onder militaire controle heeft en deze controle verder uitbreidt? Welke gegevens en bronnen hanteert het kabinet zelf?
Er zijn geen Nederlandse vertegenwoordigers in de gelegenheid geweest de situatie in Gaza te beoordelen, zij hebben momenteel geen toegang tot Gaza. Uit verschillende bronnen, zoals de Verenigde Naties, humanitaire organisaties en het Israëlische kabinet, blijkt dat Israël inmiddels ruim zestig procent van Gaza onder militaire controle heeft. Daarnaast heeft Netanyahu in mei jl. de opdracht gegeven om zeventig procent van Gaza te bezetten. Het is van belang dat zo snel mogelijk stappen worden gezet om het vredesplan van president Trump te implementeren.
Bent u bereid de Israëlische ambassadeur te ontbieden? Zo nee, waarom niet?
In bilaterale contacten wordt de onrechtmatige bezetting van de Palestijnse Gebieden door Israël, de humanitaire situatie in Gaza en de noodzaak dat alle partijen zich houden aan het vredesplan regelmatig opgebracht.
Is Nederland bereid extra nationale sancties te nemen om te voorkomen dat Israël deze vorm van territoriale controle, gebiedsverwerving en fragmentatie van Gaza voortzet? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet geeft de voorkeur aan inzet in Europees verband en is nu niet voornemens aanvullende nationale sancties te treffen.
Bent u bereid meer geld vrij te maken voor steun aan de Palestijnse bevolking? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ondersteunt de Palestijnse bevolking onder andere door de ontwikkelingssamenwerking met de Palestijnse Autoriteit, de VN en maatschappelijke organisaties op het gebied van water, private sector-, en rechtsstaatontwikkeling en mensenrechten. Het kabinet beziet continue hoe het op de meest effectieve manier kan bijdragen aan het verbeteren van de situatie voor de Palestijnse bevolking. Zo heeft Nederland in april dit jaar een bijdrage van 5 miljoen euro aangekondigd voor het VN-fonds voor herstel van de Palestijnse Gebieden, en in juli een bijdrage van 5 miljoen euro aan het PEGASE-instrument van de EU ten behoeve van steun voor de Palestijnse Autoriteit. Nederland draagt in 2026 bij aan de humanitaire respons via de ongeoormerkte bijdragen aan belangrijke humanitaire actoren als UNRWA, WFP en UNICEF.3 Daarnaast draagt Nederland 16 miljoen euro bij aan het landen specifieke humanitaire fonds van de VN.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat Nederlandse overheidsinstanties, bedrijven, financiële instellingen of andere Nederlandse actoren bijdragen aan de instandhouding van een mogelijk onrechtmatige territoriale situatie in Gaza?
Staten dienen zich te houden aan internationaal recht. Het kabinet benadrukt het belang van naleving van het internationaal recht en neemt hierin zijn verantwoordelijkheid. In het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024 wordt geen uitspraak gedaan over de reikwijdte van de verantwoordelijkheid van derde staten voor de activiteiten van private partijen. Samenwerking van de Nederlandse overheidsinstanties vindt altijd plaats binnen de internationaal erkende grenzen van Israël van voor 1967. Dat wil zeggen dat op geen enkele manier samen wordt gewerkt in de door Israël bezette gebieden. Het Nederlandse ontmoedigingsbeleid beperkt zich daarbij tot illegale Israëlische nederzettingen in bezet gebied.
Hoe verhoudt het huidige Nederlandse beleid zich tot de verplichtingen van derde staten zoals geformuleerd in de Advisory Opinions van het Internationaal Gerechtshof uit 2004 en 2024? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de verplichtingen tot niet-erkenning, niet-bijstand en samenwerking om de onrechtmatige situatie te beëindigen? Kunt u uitsluiten dat Nederland, direct of indirect, erkenning, hulp of bijstand verleent aan een situatie waarin een aanzienlijk deel van Gaza blijvend onder Israëlische controle wordt gebracht? Hoe waarborgt het kabinet in dit verband de Nederlandse verplichtingen tot niet-erkenning en niet-bijstand?
Zie de beantwoording op vraag 10. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het AIV advies van 9 december 2024, erkent het kabinet in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Dit is aanvullend op de reeds jarenlang bestaande kabinetspositie dat uitbreidingen van nederzettingen, vernielingen of uithuisplaatsingen in de bezette gebieden in strijd zijn met internationaal recht. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband. Het kabinet zal zich hierover blijven uitspreken. Nederland geeft daarnaast via het actieve ontmoedigingsbeleid, nationale maatregelen die moeten voorkomen dat Nederlandse economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van een situatie die strijdig is met het internationaal recht, en zijn inzet in EU-verband voor handelsmaatregelen, invulling aan de juridische verplichtingen die voortvloeien uit het advies. In het geval van Gaza blijft het noodzakelijk dat er stappen worden gezet ten aanzien van het vredesplan van president Trump, waarbij de afspraken over het staakt-het-vuren volledig worden nageleefd. Het kabinet zet zich naar vermogen in om de situatie ter plaatse te verbeteren, bijvoorbeeld door het leveren van humanitaire hulp, en bij te dragen aan de uitvoering van het vredesplan.
Bent u nu wel bereid om als Nederlandse regering, samen met talloze wetenschappers, humanitaire organisaties en de VN, expliciet uit te spreken dat Israël genocide pleegt op de Palestijnen in Gaza? Zo ja, wanneer en hoe maakt u dit kenbaar aan de Israëlische regering en kunt u hier de Kamer over informeren? Zo nee, waarom blijft u daar omheen draaien?
Nederland is in de regel terughoudend met het kwalificeren van situaties als genocide.
Tegelijkertijd moet de terughoudendheid om zaken te kwalificeren als genocide zeker niet worden gezien als ontkenning van de ernst van de situatie in Gaza. In de Kamerbrief van 21 januari 20254 en van 18 juni 20255 is de Nederlandse visie over het kwalificeren van genocide in Gaza in meer detail uiteengezet.
Bent u nu wel bereid om als Nederlandse regering om, in het actuele belang van de territoriale soevereiniteit van de Palestijnen, samen met al zo’n 150 landen wereldwijd (o.a. Frankrijk, Spanje, België, Noorwegen, Canada, Oekraïne, Ierland en Zweden), de Palestijnse staat te erkennen? Zo nee, waarom blijft u daar omheen draaien?
Erkenning van de Palestijnse staat moet voor het kabinet dienstbaar zijn aan het politieke proces, waarbij beide partijen onderhandelen over hoe te komen tot een veilig Israël en een levensvatbare Palestijnse staat.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen betrokken bij verkoop van DigiD aan Amerikanen»?1
Wat is uw reactie op het bericht en de investeringen van pensioenfondsen in het bedrijf Solvinity, dat DigiD faciliteert en dreigde te worden overgekocht door Amerikanen?
Wat is de reactie van de pensioenfondsen ABP en PFZW op dit bericht? Kunt u de fondsen vragen om verantwoording af te leggen over deze investering namens de burgers die premie aan hen afdragen?
Waren de pensioenfondsen ABP en PFZW op de hoogte dat hun geld belegd werd in Solvinity? Zo ja, kunt u verklaren waarom zij deze investeringen alsnog hebben gedaan?
Vindt u het uit te leggen dat burgers via hun pensioenpremie indirect investeren in een bedrijf dat keuzes maakt die, in uw eigen woorden, indruisen tegen het publieke belang?
Welke rol speelt digitale autonomie op dit moment in het strategisch beleggingsbeleid van de pensioenfondsen? Zijn er plannen om het strategisch beleggingsbeleid op dit onderwerp aan te passen?
Welke toezichthouder zorgt ervoor dat pensioenfondsen conform hun kaders beleggen? Voldoet de investering in Solvinity aan dat kader?
Bent u bereid om pensioenfondsen te verzoeken om beleggingen die afbreuk doen aan de digitale autonomie stop te zetten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat pensioenfondsen hun kapitaal inzetten om de digitale autonomie van Nederland te versterken? Bent u bereid dit te bespreken met de fondsen en de Kamer dit najaar te informeren over de uitkomsten hiervan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór het commissiedebat «digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers. |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom geeft u in het antwoord van 10 juli 2026 op schriftelijke vragen over de brievenadministratie rond het massale uitvraagproces (Kamerstuk 2026Z14866) aan dat om een uitspraak over de mate van gedupeerdheid van ouders aan de hand van de brievenadministratie te kunnen doen de integrale beoordeling volledig overgedaan zou moeten worden? Wat zou er bijvoorbeeld in het gesprek met betrekking tot het ouderverhaal aan de orde gebracht kunnen worden dat niet eerder is besproken?
Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van drie gronden: 1) vooringenomenheid (zowel groepsgewijs als individueel), 2) hardheid van het stelsel, of 3) een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS). De toetsing van gedupeerdheid op basis van deze gronden is volgordelijk. Dit betekent dat als een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid (de gedupeerdheidsgrond waaronder non respons valt) er niet meer wordt getoetst of een ouder ook gedupeerd is op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie O/GS. Daarnaast is het zo dat non respons maar één van de redenen is om gedupeerd te zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Dit maakt dat het ook nog mogelijk is dat een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid vanwege een andere reden. Dit is echter ook niet getoetst als er al sprake was van gedupeerdheid vanwege non respons.
Voor een volledige en correcte beoordeling moet voor elk jaar dat een ouder als gedupeerde is aangemerkt op basis van individuele vooringenomenheid getoetst worden of er 1) sprake is van gedupeerdheid op basis van individuele vooringenomenheid op basis van een andere reden dan non-respons of 2) sprake is van een andere gedupeerdheidsgrond. Dit kan niet uit de huidige dossiers worden gedestilleerd, omdat dit niet is onderzocht en hier niet naar gevraagd is in het ouderverhaal. Ook kan er uit een ouderverhaal blijken dat een ouder in de brievenadministratie staat én gedupeerd is op basis van non respons. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als uit het ouderverhaal blijkt dat het niet daadwerkelijk ontvangen van een brief aannemelijk kan worden gemaakt.
Om meer inzicht te geven in het proces van de integrale beoordeling is een illustratie bijgevoegd. Deze laat zien welke gedupeerdheidsgronden er zijn en wat de verschillende redenen kunnen zijn om tot deze gedupeerdheidsgrond te komen.
Deelt u de conclusie dat er wel degelijk een inschatting van het aantal onterechte compensatiejaren gemaakt kan worden door in kaart te brengen in welke gecompenseerde toeslagjaren geen reacties op rappelbrieven zijn ontvangen van als gedupeerde erkende ouders, die zijn gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze conclusie deel ik niet. Zoals ik in vraag 1 heb uitgelegd geeft het al dan niet ontvangen van een reactie geen sluitend beeld over de gedupeerdheid (en dus ook niet of de compensatie terecht was) van een ouder in dat betreffende jaar, omdat dit maar een stukje van de beoordeling is. Het geeft enkel een beeld welke ouders mogelijk ten onrechte op de grond non respons zijn gecompenseerd. Hier zitten ook ouders tussen die terecht zijn gecompenseerd om een van de genoemde redenen in vraag 1. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een ouder zich (fysiek) aan een balie heeft gemeld.
Zo ja, bent u bereid in kaart te brengen voor hoeveel toeslagjaren er is gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen waarbij er tevens niet gereageerd op een rappelbrief, bij hoeveel ouders dit speelt en bij hoeveel ouders dit alle gecompenseerde toeslagjaren betreft? Zo nee, waarom vindt u het ook met het oog op de evaluatie van de hersteloperatie niet van belang om de omvang van (mogelijke) onterechte compensatie in kaart te brengen, mede gelet op het trekken van lessen voor de toekomst?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 2. Om betrouwbaar in kaart te kunnen brengen in welke gevallen sprake kan zijn van een onterechte compensatie zouden integrale beoordeling opnieuw moeten worden uitgevoerd. Dat is niet uitvoerbaar en onwenselijk voor de betreffende ouders.
Deelt u de conclusie dat de kans dat de desbetreffende ouders in dezelfde jaren ook op andere gronden zijn gedupeerd in de praktijk bijzonder klein is, aangezien dergelijke gronde (fraude/CAF-onderzoeken etc) zijn uitgesloten van de selectie voor het massale uitvraagproces? Zo nee, waarom niet, welke compensatiegronden kan dit dan betreffen en hoe vaak zouden deze onder de desbetreffende groep in hetzelfde toeslagjaar voorkomen?
Nee, deze conclusie zoals gesteld deel ik niet. Ik deel de conclusie dat ouders die in een CAF/Fraude onderzoek zaten niet in het massale proces zaten. Echter kan een ouder ook om een andere reden dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Ook kan er sprake zijn van gedupeerdheid op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS-kwalificatie. Aangezien in de Integrale Beoordeling sprake is van volgordelijkheid, zijn hier geen getallen van.
Zoals eerder met de Kamer heb gedeeld kan ik concluderen dat als deze administratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kan ik op individueel niveau geen conclusies trekken.
Waarom heeft u al voorafgaand aan de uitkomsten van het ADR-onderzoek naar de brievenadministratie uw eigen speelruimte om te handelen inzake de betrokken dossiers publiekelijk zwaar ingeperkt? Deelt u de conclusie dat u nooit op deze manier een voorschot op dit onderzoek had moeten nemen, zeker nu de enorme omvang van mogelijke onterechte compensatie duidelijk is geworden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen definitief standpunt over het mogelijk gebruik van de informatie ingenomen voordat uit het onderzoek bleek dat de administratie daadwerkelijk betrouwbaar was.
Wel heb ik besloten de hersteloperatie voort te zetten gedurende het onderzoek, een lange vertraging was niet uitlegbaar, en heb ik aangegeven dat niet zou worden teruggekomen op reeds genomen besluiten. In de eerste plaats was de vraag of daarvoor een juridische basis bestond en ten tweede acht ik dit niet uitlegbaar aan als gedupeerde aangemerkte ouders.
Waarom vindt u het voorkomen van mogelijke onrust, zoals u in antwoord op vraag 2 van dezelfde set Kamervragen aangeeft, belangrijker dan het waarborgen van terechte besteding van (potentieel) miljarden euro’s aan compensatie?
Ik heb in mijn beantwoording aangegeven dat ik op basis van de brievenadministratie pas iets over de gedupeerdheid van ouders kan zeggen als alle Integrale Beoordelingen, inclusief ouderverhaal, opnieuw gedaan worden.
Een nieuwe beoordeling kost veel tijd en brengt nieuwe uitvoeringskosten met zich mee. En creëert veel onrust onder als gedupeerde aangemerkte ouders, waarbij mogelijk voor een deel van de ouders geldt dat zij op dezelfde of een andere grond alsnog als gedupeerd zou worden aangemerkt. Hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar. Het is echter wel zo dat de administratie wordt gebruikt in bijvoorbeeld bezwaar-, beroep- en civiele zaken.
Deelt u de conclusie dat in het theoretische geval van een herbeoordeling deze alleen gevolgen zou hebben voor ouders die blijkens de brievenadministratie ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u het voorkomen van onrust onder onterecht gecompenseerde ouders nog altijd belangrijker dan het bewaken van de geloofwaardigheid van de hersteloperatie?
Ik wil wederom vooropstellen dat ik deze beoordeling niet zal uitvoeren. Zoals ik in antwoord op vraag 7 heb aangegeven zal in een dergelijke situatie ook voor ouders die alsnog op een andere grond als gedupeerde worden aangemerkt de beoordeling opnieuw moeten plaatsvinden. Voor hen heeft een dergelijke herbeoordeling dus ook gevolg, en hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar.
Onderschrijft u dat het ouderverhaal bij «non-respons» niet boven beschikbare feitelijke informatie gaat en dat het ouderverhaal dus «slechts» leidend is bij het ontbreken van dergelijke informatie? Zo nee, waarom is dit dan nog altijd als zodanig opgenomen in het handboek voor beoordelingen bij UHT? Zo ja, waarom verklaart u het ouderverhaal dan alsnog generiek belangrijker dan de aangetroffen brievenadministratie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is altijd afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Indien UHT kan vaststellen dat uitvraagbrieven daadwerkelijk zijn verzonden, wordt in beginsel uitgegaan van een correcte verzending. Daarmee staat echter niet zonder meer vast dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. Ook wanneer een brief is verzonden, kunnen zich omstandigheden voordoen waaruit volgt dat een ouder desondanks gedupeerd is geraakt. Zo kan een ouder bijvoorbeeld stellen wél op een uitvraagbrief te hebben gereageerd. UHT beoordeelt een dergelijke stelling op aannemelijkheid.
Indien aannemelijk is dat een ouder heeft gereageerd en een verlaging of nihilstelling desondanks heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen en daarmee van gedupeerdheid. Het ouderverhaal wordt daarom niet generiek belangrijker geacht dan de beschikbare informatie uit de administratie, maar maakt onderdeel uit van de integrale beoordeling waarin alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang worden gewogen.
Deelt u de conclusie dat er ver voor de zomer van 2024 bij UHT al interne discussies liepen over de mogelijke beschikbaarheid van een accurate brievenadministratie?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn er binnen de organisatie signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat in significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Ook is er één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn individueel onderzocht, maar hebben destijds niet geleid tot de kennis van de aanwezigheid van verzend- en ontvangstadministratie. In de zomer van 2024 is er voor het eerst een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties.
Waarom hebben dergelijke discussies niet tot een onderzoek geleid? Als dit wel is onderzocht, waarom is het bestaan van de administratie hier dan niet uit gebleken, mede gelet op het feit dat de werkwijze in dit proces nauwelijks tot niet is veranderd gedurende de jaren?
Alle signalen die toentertijd zijn binnengekomen hadden geen concrete verwijzing naar de brieven administratie. Deze signalen zijn wel altijd beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Echter hebben deze signalen zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben deze signalen – soms in afstemming met de Commissie van Wijzen – steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
Waarom geeft u in de beantwoording aan dat na het signaal over het bestaan van de administratie in de zomer van 2024 «gelet op de mogelijke impact op ouders» besloten is tot een onafhankelijk onderzoek door de ADR, aangezien u tegelijkertijd nog lopende het onderzoek heeft aangegeven dat de ouderverhalen sowieso leidend zouden blijven?
Om de administratie te kunnen gebruiken acht ik het belangrijk dat de administratie betrouwbaar en volledig is. Temeer omdat de informatie uit deze adminstratie als contra-informatie aan ouders zouden worden tegengeworpen. Ik wilde niet het risico lopen dat ouders gevolgen ondervonden van het gebruik van de administratie zonder dat vast stond dat deze administratie volledig en betrouwbaar was.
Daarom heb ik de ADR gevraagd dit te onderzoeken. Het ADR-onderzoek staat los van de vraag hoe de informatie in de administratie binnen een individuele beoordeling moet worden gewogen en welke rol het ouderverhaal daarin speelt.
Waarom heeft u gedurende anderhalf jaar waarin het onderzoek liep de kans laten lopen om te handelen op basis van de brievenadministratie, terwijl de uitkomsten van het onderzoek voor u materieel niet van belang waren?
Het onderzoek van de ADR heeft uitgewezen dat de onderzochte administratie van het massale proces betrouwbaar en volledig is. Daar was lopende het onderzoek nog geen duidelijkheid over. Gezien de mogelijke impact van het gebruik van de administratie als bron van contra-informatie richting de ouder en het feit dat in het verleden de informatiehuishouding gebreken kende vond ik het niet verantwoord deze informatiebron te gebruiken voordat de uitkomsten van het ADR onderzoek duidelijk waren. Dit betekent dat er vooruitlopend op de conclusies van het onderzoek ook geen werkinstructies zijn aangepast.
Zijn er specifieke interne werkinstructies gegeven over de afhandeling van dossiers gedurende de looptijd van het ADR-onderzoek? Zo ja, welke? Zo nee, waarom kon de financieel zeer kostbare werkwijze van blind varen op ouderverhalen ongewijzigd doorgang vinden terwijl er dermate sterke aanwijzingen voor het bestaan van ontkrachtende informatie waren dat u zich genoodzaakt zag de ADR hier onderzoek naar te laten verrichten?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe aannemelijk acht u het dat er op dermate grote schaal sprake is geweest van de uitzonderingssituaties zoals geschetst in antwoord op vraag 8, dat niet meer in algemene zin te stellen is dat een het versturen van een stopbrief inhoudt dat er niet (tijdig) is gereageerd op uitvraag- en rappelbrieven?
Dit zal altijd per casus beoordeeld moeten worden en ik kan hier dus geen algemene conclusies over trekken.
Onderschrijft u dat zelfs in de uitzonderingssituaties die u schetst veelal geen sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de Belastingdienst/Toeslagen, zoals in het geval van pas reageren ná het ontvangen van de stopbrief? Waarom rechtvaardigen ook dergelijke situaties in uw ogen het oordeel van gedupeerdheid en compensatie?
Nee. Ook in de situaties waar de vraag op doelt, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. Het enkele feit dat een ouder pas na ontvangst van een stopbrief reageert, betekent niet automatisch dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. De beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval. Indien wordt vastgesteld dat een ouder een stopbrief heeft ontvangen terwijl deze bij een juiste behandeling van diens situatie niet had mogen worden verzonden en de ouder daardoor schade heeft geleden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. In dat geval bestaat recht op compensatie. De uitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen, zijn in 2020 vastgesteld en konden rekenen op brede steun van de Tweede Kamer.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 aan dat de Belastingdienst geen cijfers bijhoudt over (het risico op) het kwijtraken van post (in vergelijking met andere overheidsorganisaties), terwijl uit een korte zoektocht al blijkt dat door Capgemini eind 2020 nog onderzoek is gedaan naar het kwijtraken van fysieke stukken bij Toeslagen? Welke conclusie trekt u uit de bevindingen uit dat onderzoek ten aanzien van de bruikbaarheid van de brievenadministratie in het kader van non-respons?
Het Capgemini-onderzoek is niet in tegenspraak met het antwoord dat ik eerder heb gegeven. Het onderzoek had betrekking op klachten over zoekgeraakte fysieke stukken bij Toeslagen en was geen structurele meting van het aantal zoekgeraakte poststukken. Evenmin bevatte het een vergelijking met andere overheidsorganisaties.
Het onderzoek van de klachtdossiers laat wel zien dat de verwerking van ontvangen stukken kwetsbaar was en dat de registratie van ontvangen reacties geen sluitend en volledig beeld geeft. De conclusie is daarom dat de brievenadministratie relevante informatie kan bevatten, maar op zichzelf niet voldoende is om non-respons vast te stellen. De brievenadministratie kan aantonen dat een standaardbrief administratief is verzonden, maar niet dat de ouder deze heeft ontvangen. Ook kan uit het ontbreken van een geregistreerde reactie niet zonder meer worden afgeleid dat de ouder niet heeft gereageerd. Daarvoor moeten ook het overige dossier en het verhaal van de ouder worden betrokken.
Hoe rijmt u uw conclusie dat de brievenadministratie geen antwoordt biedt op de vraag of ouders in de praktijk wel of niet gedupeerd zijn met uw antwoord op vraag 16, waaruit blijkt dat de werkwijze en administratie inzake het massale aanvraagproces nog altijd onveranderd zijn aangezien dit proces goed functioneert? Hoe kunt u tegelijkertijd stellen dat het proces altijd goed heeft gefunctioneerd én dat ouderverhalen over het vermeende massale disfunctioneren van dit proces leidend blijven?
Zoals ik in mijn eerdere beantwoording in vraag 8 heb benoemd kan een ouder ook met aanwezigheid van de brievenadministratie nog steeds gedupeerd zijn. Daarnaast wil ik ook benadrukken dat het proces om te beoordelen of een ouder gedupeerd is complex is en kan een ouder om andere redenen dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid, zelfs als non-respons hier door de aanwezigheid van de brievenadministratie niet meer de reden voor is. Conclusies trekken over de gedupeerdheid van ouders kan enkel als de gehele integrale beoordeling, inclusief ouderverhaal, opnieuw wordt gedaan.
De beoordeling door UHT is ook niet gebaseerd op de veronderstelling dat door ouders verstrekte informatie verloren is gegaan. De beoordeling binnen de hersteloperatie richt zich op de vraag of de oorspronkelijke stopzetting rechtmatig was. Hierbij wordt alle informatie uit de systemen van UHT geraadpleegd. Indien niet kan worden vastgesteld dat een wettelijk vereiste uitvraag heeft plaatsgevonden en een toeslag desondanks is stopgezet, wordt die stopzetting als onrechtmatig aangemerkt. Een ouderverhaal is in deze beoordeling nodig om een duiding te geven van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Dit betekent ook dat UHT alle informatie uit de systemen gebruikt in de beoordeling. Als UHT op basis van de systemen niet kan aantonen dat de vereiste uitvraag aan de ouder heeft plaatsgevonden, geldt binnen de hersteloperatie het uitgangspunt dat bij twijfel in het voordeel van de ouder wordt geoordeeld. Dit proces is met de brievenadministratie ook niet anders geworden, UHT heeft enkel meer informatie tot zijn beschikking.
Waarom neemt u afstand van het genoemde aantal in NRC Handelsblad van mogelijk 20.000 ouders die ten onrechte zijn gecompenseerd, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat u op basis van het ADR-onderzoek zelf geen beeld heeft van het aantal achteraf onterecht als gedupeerd aangemerkte personen?
Zoals in de brief van 6 februari jl. aan de Kamer is geschreven, wordt geconcludeerd dat als deze brievenadministratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kunnen er géén conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van ouders op individueel niveau, dit vergt een volledige herbeoordeling inclusief ouderverhaal. Aangezien ik deze herbeoordeling niet kan en zal doen, wil ik ook niet speculeren over aantallen.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 over de rechterlijke uitspraak (Kamerstuk 2026Z15264) aan dat de vraag bij hoeveel van de 34.000 ouders die in één toeslagjaar als gedupeerde zijn aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen sprake was van gedupeerdheid in het kader van het massale uitvraagproces alleen te beantwoorden is door dossiers handmatig te beoordelen? Waarom kunnen de toeslagenjaren niet gewoon naast de brievenadministratie worden gelegd en bent u bereid dit te doen in navolging van vraag 3?
Zoals ik in het antwoord op vragen 1 en 3 heb uitgelegd geeft het leggen van toeslagjaren van deze ouders naast de brievenadministratie een incomplete beoordeling.
Erkent u dat standaard werd uitgegaan van institutioneel vooringenomen handelen indien een ouder aangaf ten onrechte van non-respons beticht te worden? Zo ja, waarom geeft u dan aan dat «onterechte non-respons» geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond is, ook gelet op het beoordelingskader waarmee gewerkt wordt bij UHT?
Nee, UHT gaat niet automatisch uit van een onterechte non-respons. UHT kijkt altijd naar alle beschikbare feiten en omstandigheden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar informatie uit de verschillende beschikbare systemen en wordt beoordeeld of aannemelijk is dat sprake is geweest van een onterechte non-respons.
Hoe is de ontdekking van de fysieke dozen met FIOD-dossiers, waarnaar u verwijst in antwoord op vraag 21 (Kamerstuk 2026Z14866) in zijn werk gegaan?
De Belastingdienst voert actief beheer van het fysieke archief voor alle dienstonderdelen. Dit gebeurt volgens een zorgvuldig ingericht proces, waarbij voor ieder aangeboden archiefstuk wordt vastgesteld welke bewaartermijn op grond van de Archiefwet van toepassing is. Als onderdeel van het reguliere archiefbeheer heeft de FIOD begin oktober 2025 een aantal strafrechtelijke onderzoeksdossiers van Dienst Toeslagen behandeld. Hierover heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd. In het kader van de Hotspot Toeslagenaffaire heeft de FIOD aangegeven welke dossiers voor bewaring in aanmerking komen en niet mogen worden vernietigd.1 Deze dossiers zijn uit het archief gehaald, apart gezet en geregistreerd. De dossiers zijn daarmee veiliggesteld en uitgesloten van vernietiging.
Wanneer was sprake van de eerste signalen inzake deze dossiers, hoe is hierop geacteerd en door welke partijen?
Zie antwoord vraag 21.
Wanneer was het bestaan van deze dossiers bij u bekend?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 21 en 22 heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd over de bij archiefwerkzaamheden aangetroffen dossiers en de vaststelling dat deze dossiers op grond van de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire bewaard moeten blijven. Op 4 juni 2026 zijn de Staatssecretarissen in de kantlijn van een overleg over de datakluis mondeling geïnformeerd over het FIOD-archief. Hoewel bewindspersonen doorgaans niet over regulier archiefbeheer worden bijgepraat, is dit specifieke onderwerp toen wel kort benoemd, zonder dat er sprake is van een verband met de datakluis. Het betreffende FIOD-archief staat daarmee los van de datakluis, evenals de aanpak hieromtrent.
Betreft het hier dossiers die een (ander) licht (hadden kunnen) werpen op de vraag of als gedupeerde erkende ouders ook daadwerkelijk gedupeerd zijn? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat deze dossiers kennelijk niet gebruikt zijn voor dit doel en hoe gaan deze alsnog worden ingezet?
De hersteloperatie heeft de afgelopen jaren in uitzonderlijke gevallen gebruik gemaakt van onderzoeksdossiers van de FIOD. In het geval de FIOD een onderzoek doet, kan dit relevante informatie bevatten bij het onderzoek naar gedupeerdheid van een ouder door UHT. De Wet hersteloperatie toeslagen biedt de UHT als daartoe aanleiding is de mogelijkheid om strafrechtelijke gegevens bij de FIOD en/of het Openbaar Ministerie op te vragen. De dossiers bij de FIOD blijven volgens de richtlijnen Hotspot Toeslagenaffaire voor UHT opvraagbaar.
Welke jaren bestrijken deze dossiers?
De dossiers zijn van 2016 en de jaren hiervoor. Verdere specificering vereist dat de dossiers individueel moeten worden bekeken. De dossiers zijn indien nodig opvraagbaar. Een onderzoek naar de specifieke jaren van de dossiers is hiervoor niet relevant.
Bestaat de mogelijkheid dat zich onder de aangetroffen fysieke stukken ook stukken kunnen bevinden, die aan de PEFD verstrekt hadden moeten worden? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten?
Het gaat om strafrechtelijke gegevens. Deze gegevens zijn vertrouwelijk en worden bij uitzondering en slechts als daartoe specifieke aanleiding is gedeeld. Dit is in het geval van de PEFD niet aan de orde geweest.
Wie is deze dozen met fysieke dossiers momenteel aan het beoordelen? Gebeurt dit door een externe partij? Zo nee, waarom is met betrekking tot deze informatiebron geen externe validatie nodig terwijl dit wel moest gebeuren bij de brievenadministratie door de ADR?
Deze dossiers maken onderdeel uit van het fysieke archief van de FIOD. Het betreft geen nieuw ontdekt archief, maar bestaande archiefstukken die in het kader van regulier archiefbeheer en conform de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire zijn beoordeeld door informatiespecialisten op vernietiging dan wel bewaring. Tegen die achtergrond is geen sprake van een afzonderlijk onderzoek of beoordeling door een externe partij. Deze dossiers mogen alleen gebruikt worden als daar een specifieke aanleiding voor is bij de hersteloperatie.
Garandeert u dat niets van deze fysieke dossiers wordt vernietigd zolang niet onomstotelijk is vastgesteld dat deze niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van gedupeerdheid en voordat de Kamer hierover is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd in het antwoord op vragen 21 en 22 worden stukken die onder de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire vallen uitgesloten van vernietiging. De betreffende dossiers zijn juist in het kader van die richtlijnen geïdentificeerd en veiliggesteld.
Hoe kunt u in antwoord op vraag 5 over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie (Kamerstuk 2026Z15264) stellen dat de rechterlijke uitspraak niet inhoudt dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat uit de rechterlijke uitspraak blijkt dat er geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid richting de moeder?
De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid. Deze vraag is in de zaak dan ook niet beantwoord en deze vraag zal ook niet door de civiele rechter beantwoord worden.
Zoals eerder benoemd is het beoordelingsproces of een ouder gedupeerd is veel uitgebreider en complexer dan non-respons en zelfs dan individuele vooringenomenheid. Zonder dat een ouder opnieuw beoordeeld wordt, inclusief ouderverhaal, kunnen er geen conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van deze ouder.
Hoe aannemelijk acht u het dat er in deze zaak sprake is van andere gronden van gedupeerdheid, die niet door de verdediging aan de orde zijn gesteld? Deelt u de conclusie dat dit een puur theoretische redenering is?
Aangezien de zaak geen betrekking had op de vraag of een ouder al dan niet gedupeerd is, was dit niet relevant en is dit niet onderzocht. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden. Over individuele gevallen kan ik verder geen uitspraak doen.
Wat is de status van het onderzoek naar de bruikbaarheid van de brievenadministratie bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen?
Ik heb onderzocht of het mogelijk was om op alle onderdelen van de hersteloperatie stapelingsrisico’s te voorkomen. Hieruit bleek dat het niet mogelijk was om de brievenadministratie breder toe te passen dan op dit moment gebeurt. Alle aanvullende regelingen zijn namelijk gebaseerd op de Integrale Beoordeling van de gedupeerde aanvrager. Toegang tot aanvullende regelingen, waaronder brede ondersteuning en aanvullende schadecompensatie, kan enkel worden ontzegd als uit de Integrale Beoordeling blijkt dat een ouder niet gedupeerd is. Om hierover conclusies te trekken moet de hele Integrale Beoordeling opnieuw worden gedaan en zoals ik al meermaals heb gezegd kan en wil ik dit niet doen.
Betreft dit onder andere de brede ondersteuning en aanvullende schade? Zo nee, wat dan wel? Kunt u hier een uitputtend antwoord op geven?
Zie antwoord vraag 31.
Kunt u tevens aangeven hoe informatie uit de brievenadministratie praktisch zal worden ingezet, ook gelet op bijvoorbeeld de rol van gemeenten inzake de brede ondersteuning?
De brievenadministratie zal niet breder ingezet worden dan op dit moment het geval is. Dit gaat dus om de volgende, eerdergenoemde, situaties:
Deelt u het uitgangspunt dat geen cent, vanuit welke regeling in het kader van de afhandeling van de toeslagenaffaire dan ook, meer mag worden uitgekeerd aan personen, die voorkomen in de brievenadministratie zonder voorafgaande inhoudelijke check van deze administratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven?
Ik deel dit uitgangspunt niet. Zoals meermaals benadrukt zegt het voorkomen in de brievenadministratie niet direct iets over de gedupeerdheid van individuele ouders.
Als blijkt dat ouders niet gedupeerd zijn, worden de aanvullende regelingen stopgezet en worden de gegevens van deze ouders met gemeenten gedeeld om de brede ondersteuning stop te zetten.
Bent u bereid een meldpunt in te stellen waar (al dan niet voormalige) werknemers van in ieder geval de Belastingdienst, Toeslagen, CAF en de FIOD zich (indien gewenst anoniem) kunnen melden wanneer zij kennis hebben over informatie, die van belang kan zijn met betrekking tot de afhandeling van de toeslagenaffaire en die (mogelijk) nog niet bekend of gebruikt is? Zo nee, waarom niet en welke mogelijkheden om dergelijke meldingen te doen zijn er dan wel? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven en wilt u de Kamer hierover nauwgezet informeren?
Ik wil onderstrepen dat ik het belangrijk vind dat medewerkers die menen dat relevante informatie niet wordt betrokken bij de afhandeling van de toeslagenaffaire, dit kunnen melden. Het huidige meldlandschap: dat bestaat binnen Dienst Toeslagen biedt hiervoor voldoende ruimte, uit het recente medewerkersonderzoek blijkt ook dat 91% van de medewerkers weet waar ze met een integriteitskwestie naar toe kunnen.
In de eerste plaats kunnen medewerkers dergelijke signalen bespreken met hun leidinggevende of, indien zij zich daar niet vrij toe voelen, gebruikmaken van de bestaande interne of externe meldvoorzieningen. Binnen het Ministerie van Financiën is hier intern ruimte voor bij Integriteitsonderzoeken Financiën (IF). Bij het IF hebben (voormalig) medewerkers van heel Financiën (waaronder de uitvoeringsorganisaties Belastingdienst (inclusief FIOD), Dienst Toeslagen en Douane) de mogelijkheid om desgewenst anoniem melding te maken van mogelijke integriteitsschendingen of vermoedens van misstanden. De IF publiceert hier jaarlijks verantwoordingsrapportages over. Daarnaast is er extern ook een meldpunt voor medewerkers, namelijk de Commissie sociale veiligheid en integriteit. (Voormalig) medewerkers van heel Financiën kunnen hier hun vragen kwijt, ook als het gaat over betreffende kwestie.
Gelet op deze bestaande voorzieningen zie ik geen aanleiding om een afzonderlijk meldpunt in te stellen. Wel vind ik het belangrijk dat (oud-)medewerkers bekend zijn met de bestaande meldmogelijkheden. Daarom zal ik bezien hoe de bekendheid van deze voorzieningen eventueel verder kan worden vergroot.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Kamer u heeft verzocht om, waar spanningen zijn tussen de intensieve geitenhouderij, volksgezondheid en de bouw van betaalbare woningen, prioriteit te geven aan woningbouw én volksgezondheid boven de intensieve geitenhouderij?1
Ja.
Klopt het dat, zoals u in de Kamerbrief aangeeft, het maatregelenpakket met een landelijke afstandsnorm meer ontwikkelruimte biedt aan de intensieve geitenhouderij dan de huidige situatie met provinciale moratoria? Zo ja, waarom en hoeveel groei van de geitenhouderij verwacht u?2
Een afstandsnorm is een meer gerichte maatregel dan een moratorium. Een afstandsnorm grijpt in waar het risico is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden. Dat betekent dat er in gebieden waar het kan, meer ontwikkelruimte komt in vergelijking met de huidige situatie met moratoria. In gebieden dichtbij woonkernen wordt de ontwikkelruimte voor de geitenhouderij juist beperkt, ook in provincies waar nu geen moratorium geldt.
In de economische impactanalyse die als bijlage bij de Kamerbrief op 10 juli jl. is verstuurd3, is benadrukt dat de effecten voor de gehele geitensector zijn weergegeven, maar dat de impact voor individuele geitenbedrijven sterk verschilt afhankelijk van of zij onder de afstandsnorm vallen. In de impactanalyse is onder meer de verwachte groei van de sector gemodelleerd, op basis van historische gegevens. De onderzoekers gaan er daarbij van uit dat er pas vanaf 2035 ontwikkelruimte komt gezien de huidige beperkingen rondom vergunningverlening die volgen uit het stikstofbeleid. De onderzoekers komen uit op een groei (in absolute aantallen) van 3,3 bedrijven per jaar in heel Nederland en een gemiddelde groei van 51 geiten per bedrijf per jaar. Dit is een grofmazige berekening, gestoeld op diverse ruwe aannames ten behoeve van de snelheid van de analyse.
Kunt u bevestigen dat door het gezondheidsgevaar van geitenhouderijen de afstandsnorm ertoe leidt dat de geplande bouw van ruim 1.600 woningen niet door kan gaan en dat deze locaties naar verwachting ook op langere termijn ongeschikt zullen blijven voor de bouw van woningen, scholen, kinderdagverblijven en andere gevoelige functies?
Uit de ruimtelijke impactanalyse4 is gebleken dat naar schatting in totaal 1.527 woningen gepland zijn binnen de afstandsnorm van 500 meter. Het gaat hierbij naar schatting om 409 woningen met een harde planstatus en 1.118 woningen met een zachte planstatus. Voor woningen met een harde planstatus geldt dat zij niet geraakt worden door de afstandsnorm, omdat hun status onherroepelijk is. Voor de naar schatting 1.118 woningen met een zachte planstatus geldt dat moet worden onderzocht of het mogelijk is dat deze plannen met aanpassingen wel doorgang kunnen vinden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de lokale partijen die betrokken zijn bij deze plannen, zoals de gemeente, corporaties en marktpartijen. Daarbij kunnen partijen gebruik maken van maatregelen die zijn en worden genomen om de woningbouw te versnellen. Zo kan de lokale of regionale versnellingstafel worden benut om tot oplossingen te komen. Er kan daarom op dit moment niet met zekerheid worden gesteld hoeveel woningen definitief niet gebouwd kunnen worden. Of de locaties voor langere termijn ongeschikt zullen blijven, is de vraag. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken.
Kunt u aangeven hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen doordat geitenhouderijen een gevaar vormen voor de volksgezondheid en daarom de afstandsnorm moet worden ingevoerd?
We kunnen niet met zekerheid zeggen hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen, omdat binnen de afstandsnorm ook veel terreinen liggen die omwille van andere redenen niet beschikbaar zijn voor woningbouw. Het kabinet heeft hier geen nader onderzoek naar laten doen en beschikt daarom niet over die precieze gegevens.
Zoals het kabinet heeft aangegeven is het uitgangspunt dat uiteindelijk, door het inzetten op geborgde emissiereductie door maatregelen op bedrijfsniveau, de risico’s voor de volksgezondheid in de toekomst zoveel mogelijk worden geminimaliseerd. De afstandsnorm kan dan worden beëindigd. Grond wordt dus niet voorgoed ongeschikt voor woningbouw.
Gelet op het voorgaande, deelt u de conclusie dat in dit maatregelenpakket niet de woningbouw prioriteit heeft gekregen, maar het in stand houden van de intensieve geitenhouderij? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt maatregelen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Het beschermen van de volksgezondheid staat in de aanpak dus voorop. Waar er spanningen zijn tussen verschillende belangen heeft het kabinet, conform de wens van de Kamer, de volksgezondheid en woningbouw boven de intensieve geitenhouderij geprioriteerd. Op basis van een integrale afweging, waarbij veel belang is gehecht aan het effect op woningbouwplannen, en waarbij goed gekeken is naar het specifieke gezondheidsrisico op verschillende afstanden, heeft het kabinet gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter. Daarbij heeft het kabinet ook bepaald dat, hoewel op basis van de beschikbare informatie geen kwantitatieve relatie is vast te stellen tussen het aantal geiten en de emissie van het totaal aan bacteriën, endotoxinen en fijnstof, uitbreiding van geitenhouderijen binnen deze afstandsnorm uit voorzorg ook niet wordt toegestaan, in ieder geval zolang er geen effectieve maatregelen zijn die de emissies uit de stallen kunnen reduceren. Op deze manier wil het kabinet het invoeren van emissiebeperkende maatregelen ten behoeve van de gezondheid van omwonenden stimuleren.
Daarnaast gaat het kabinet aan de slag om voor prioritaire locaties te kijken wat er mogelijk is om de gezondheidsrisico’s terug te dringen. Welke maatregelen daarvoor mogelijk zijn, wordt in kaart gebracht; ook hierbij wil het kabinet volksgezondheid en woningbouw prioriteit geven indien zich spanningen voordoen waarbij dergelijke prioriteiten gesteld moeten en kunnen worden. Ook de inzet op emissiereductie door bedrijfsmaatregelen, het derde spoor van de kabinetsaanpak, is essentieel met name voor de volksgezondheid: dit spoor is erop gericht om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen (en indien mogelijk ook de afstandsnorm te kunnen beëindigen waardoor de mogelijkheden voor woningbouw niet meer belemmerd worden).
Het kabinet acht het niet mogelijk om te meten in hoeverre het ene belang ten opzichte van het andere belang profiteert.
Kunt u uitleggen hoe u met de nieuwe plannen de wens van de Kamer precies respecteert, en dus hoe precies de gezondheid van mensen en woningbouw meetbaar profiteert boven de geitenhouderij?3
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat er beleidsopties waren om maatregelen te nemen die beter zouden uitpakken voor zowel gezondheid als woningbouw, maar niet zo goed voor de geitenhouderij? Zo ja, waarom heeft u niet voor die opties gekozen, gezien de eerdergenoemde aangenomen motie? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het kabinet heeft een integrale afweging gemaakt aan de hand van het Gezondheidsraadadvies, aanvullende informatie van de VGO-onderzoekers en de uitgevoerde impactanalyse. De impactanalyse laat zien dat een afstandsnorm van 500 meter impact heeft op de woningbouw en geitenhouderijen. Een afstandsnorm van 1.000 meter zou een nog veel grotere impact hebben, óók op woningbouw, waardoor veel gebieden ruimtelijk op slot worden gezet. Gegeven het feit dat het gezondheidsrisico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is, acht het kabinet dat niet proportioneel.
Aangevuld met de prioritaire maatwerkaanpak en de inzet op emissiereducerende maatregelen om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen, acht het kabinet dit een evenwichtig pakket, waarvoor geen duidelijk alternatief beschikbaar is dat beter zou uitpakken voor gezondheid en woningbouw en ook proportioneel en maatschappelijk haalbaar is.
Heeft u gezien dat de Kamer van mening is dat het niet uit te leggen is dat mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland (Kamerstuk 29 683, nr. 320)?
Vindt u dit wel uit te leggen?
Waarom kiest het kabinet er dan toch voor om de woningbouw in te perken in plaats van de intensieve geitenhouderij in te krimpen?
Bent u van mening dat, met het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, risico's voor de volksgezondheid volledig worden weggenomen of tot een minimum worden beperkt? Zo ja, op welke wetenschappelijke informatie baseert u dat?
Nee, het invoeren van een afstandsnorm voorkomt alleen dat gezondheidsrisico’s toenemen door nieuwvestiging van geitenhouderijen in de directe omgeving van woonkernen en gevoelige bestemmingen, of vice versa. Het kabinet wil zich ook inzetten om het risico voor omwonenden in bestaande situaties te verminderen. Enerzijds zetten we in op mogelijke emissiereductie door technische maatregelen op bedrijfsniveau. Hiervoor is eerst meer kennis en onderzoek nodig. Anderzijds zetten we in op een maatwerkaanpak in prioritaire situaties, waar de risicogroep het grootst of de kwetsbaarheid van de omwonenden het hoogst is. Zoals aangegeven,8 wordt nog gewerkt aan de uitwerking daarvan.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke gezondheidskundige overwegingen het kabinet heeft gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, terwijl volgens de Gezondheidsraad de kans op longontsteking nog steeds gemiddeld negentien procent hoger ligt binnen een afstand van 1.000 meter ten opzichte van daarbuiten?
Het geschatte risico op longontsteking is het sterkst verhoogd op 0–500 meter van een geitenhouderij. Het risico is binnen die afstand 73% hoger (3,2% kans op longontsteking per jaar i.p.v. 1,9%). Het geschatte risico binnen de volledige straal van 1.000 meter is, volgens het VGO-III-onderzoek, weliswaar 19% verhoogd, maar uit de antwoorden van de VGO-onderzoekers op aanvullende vragen9 blijkt dat het risico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is. Het verhoogde risico binnen 0–1.000 meter is dus vooral te wijten aan het relatief sterke effect op korte woonafstand, binnen de straal van 500 meter.
Heeft het kabinet voorafgaand aan het vaststellen van het maatregelenpakket overleg gevoerd met de Gezondheidsraad over de keuze voor een afstandsnorm van 500 meter? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen voor het eerstvolgende debat over zoönosen en dierziekten?
Adviseert de Gezondheidsraad op dit moment een afstandsnorm van 500 meter, of houdt de Gezondheidsraad vast aan het advies om uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
Heeft de Gezondheidsraad naar aanleiding van de nadere VGO-analyses zijn eerdere oordeel gewijzigd? Zo nee, waarom wijkt u af van de het advies van deze belangrijke onafhankelijke adviesraad?
Welke gezondheidsrisico’s voor omwonenden blijven volgens het kabinet bestaan in de zone tussen 500 meter en 1.000 meter van een geitenhouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hoe verhoudt de keuze voor 500 meter zich tot het voorzorgsbeginsel, in het licht van het advies van de Gezondheidsraad dat adviseert uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
De Gezondheidsraad kijkt voor zijn adviezen primair naar het belang voor de volksgezondheid. Het kabinet stelt de volksgezondheid voorop, en weegt ook andere belangen mee, zoals impact op de woningbouwopgave. Het advies van de Gezondheidsraad in acht genomen hebbend, en het aanvullende gegeven dat het risico tussen 500–1.000 meter niet statistisch significant verhoogd is (zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 12), is het uiteindelijk aan het kabinet om te komen tot een zorgvuldig afgewogen maatregelenpakket dat in verhouding staat tot de verschillende belangen die meespelen. Dat sluit ook aan bij het advies van de Gezondheidsraad zelf: de raad benadrukt dat de vraag welke invulling van het voorzorgsbeginsel proportioneel is, welk gezondheidsrisico daarbij als acceptabel wordt beschouwd en hoe belangen van betrokkenen worden gewogen een politiek-bestuurlijke afweging is.
Kunt u aangeven waarom u een afstandsnorm van 1.000 meter «niet proportioneel» acht, in relatie tot de aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 29 683, nr. 320) die verzoekt om woningbouw én volksgezondheid te prioriteren boven de belangen van de intensieve geitenhouderij, gezien de motie nadrukkelijk de voorkeur gaf aan kiezen voor de beste keuze voor gezondheid én woningbouw en niet voor geitenhouderijen?
Zie de antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Kunt u bevestigen dat geitenhouders niet alleen maatregelen zullen moeten treffen om volksgezondheidsrisico's te verminderen, maar dat er ook andere opgaven voor deze sector zijn, zoals stikstof, mest, natuur, klimaat en dierenwelzijn?
Deelt u de mening dat ook in dit geval voorkomen moet worden dat wordt gestuurd op één deelprobleem, en dat in plaats daarvan de opgaven integraal moeten worden aangepakt?
Kunt u aangeven waarom het kabinet kiest voor een maatregel die één deelprobleem adresseert, terwijl de intensieve geitenhouderij tegelijkertijd voor bredere maatschappelijke opgaven staat?
Deelt u de mening dat het onwenselijk en oneerlijk is als geitenhouders de komende jaren fors moeten investeren in bepaalde emissiereducerende maatregelen in hun stal, terwijl dergelijke maatregelen mogelijk niet passen binnen een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Het is van meerwaarde om bij te nemen bedrijfsmaatregelen rekening te houden met de doelstelling voor een dierwaardige veehouderij. Het onderzoek van WUR naar emissiebeperkende maatregelen in de geitenhouderij richt zich op het zoeken naar effectieve maatregelen om de emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof te verlagen. Het uitgangspunt, op basis van het Gezondheidsraadadvies, is dat door het verlagen van deze emissies het risico op longontsteking bij omwonenden wordt verminderd. In de opdracht aan WUR is opgenomen dat voor de te onderzoeken maatregelen óók indicaties van mogelijke effecten op andere opgaven, waaronder de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij, in kaart zullen worden gebracht. Mochten er maatregelen uit het WUR-onderzoek komen die bewezen effectief zijn, dan kan dan ook het effect op dierwaardigheid (en de andere opgaven) worden meegewogen zodat een integrale afweging kan worden gemaakt.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat geitenhouders investeren in technische maatregelen die onverenigbaar zijn met een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Zie antwoord vraag 22.
Waarom kiest het kabinet ervoor om nu al voor te sorteren op het in de toekomst schrappen van de afstandsnorm, zonder dat is vastgesteld dat emissiebeperkende maatregelen effectief zijn? Hoe groot schat u de kans in dat dit werkelijkheid wordt en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Zoals bij elke regelgeving zijn wijzigingen niet permanent. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken. De inzet van het kabinet is om te komen tot zulke emissiereducerende bedrijfsmaatregelen, en daartoe wordt door Wageningen University & Research (WUR) meerjarig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Het is op voorhand niet te zeggen of er daadwerkelijk effectieve emissiereducerende maatregelen uit dit onderzoek voort zullen komen.
Bent u bereid om «bij de verdere uitwerking» niet alleen gemeenten en provincies te betrekken, maar ook gezondheidsexperts van de Gezondheidsraad en GGD’en? Hoe gaat u dat doen?
Het past niet bij de rol van de Gezondheidsraad als onafhankelijke, wetenschappelijke adviesraad om betrokken te zijn bij de verdere uitwerking van het beleid. GGD’en zijn op verschillende momenten in het proces reeds meegenomen. Het kabinet is voornemens om hen bij de verdere uitwerking van, onder andere, de prioritaire maatwerkaanpak te betrekken.
Kunt u een tijdspad geven van de wettelijke procedures (zoals een plan-milieueffectrapportage) die doorlopen worden voor invoering van de maatregel?
De invoering van de maatregel vergt een aanpassing van het Besluit activiteiten leefomgeving en/of het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gemiddeld duurt het traject inclusief plan-milieueffectrapportage 2,5 tot 3 jaar. In de stand van zakenbrief van het kabinet eind dit jaar kan een meer specifieke planning voor de procedure worden opgenomen.
Het kabinet vraagt gemeenten in de Kamerbrief om «de laatste inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen vooruitlopend op deze regelgeving», maar wat betekent dit concreet? Wordt daarin meegegeven dat de Kamer het belangrijk vindt dat de belangen van gezondheid en wonen samen boven de belangen van geitenhouderijen worden gesteld?
Het kabinet verzoekt gemeenten om bij nieuwe plannen rekening te houden met de voorgenomen afstandsnorm. Dat houdt in dat gemeenten in overweging nemen dat er bij nieuw te realiseren woningen of andere gevoelige bestemmingen voldoende afstand is tot bestaande geitenhouderijen. Daarnaast vragen we provincies en gemeenten ook om rekening te houden met de afstandsnorm bij vergunningverlening voor nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het commissiedebat «Zoönosen en dierziekten» van 9 september 2026?
De vragen worden voor het commissiedebat Zoönosen en dierziekten van 9 september beantwoord. In de beantwoording is een aantal vragen gebundeld, gezien de overlap en samenhang in de antwoorden.