Bent u bekend met het feit dat op 7 mei 2026 twee vermoedelijk Oekraïense drones het Letse luchtruim hebben geschonden, waarvan één neerstortte op een brandstofdepot nabij de stad Rēzekne en een andere het Letse grondgebied raakte, hetgeen uiteindelijk leidde tot het aftreden van zowel de Letse Minister van Defensie als Minister-President Siliņa?1, 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat het herhaaldelijk betreden van het luchtruim van NAVO-lidstaten door Oekraïense drones een ernstig veiligheidsprobleem vormt, ook voor Nederland als lid van de NAVO?
Schendingen van het NAVO-luchtruim zijn een ernstig veiligheidsprobleem. Bij dergelijke schendingen dient in aanmerking te worden genomen welke actor daarvoor verantwoordelijkheid draagt. Rusland voert een agressieoorlog uit tegen Oekraïne. Oekraïne heeft het recht op zelfverdediging en maakt daarbij gebruik van drones. Oekraïne stelt dat incursies in het NAVO-luchtruim door Oekraïense drones het gevolg zijn van Russische elektronische verstoring. Het kabinet heeft geen aanleiding om aan deze uitspraak te twijfelen. Rusland is in deze oorlog de agressor en kan de oorlog ieder moment beëindigen. Daarmee draagt Rusland verantwoordelijkheid voor het in gevaar brengen van de veiligheid in de Baltische staten. Dit onderstreept opnieuw dat de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne een directe bedreiging vormt voor de Europese veiligheid.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u de herhaalde schending van NAVO-luchtruim door Oekraïense drones niet als een ernstig veiligheidsprobleem beschouwt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u het met ons eens dat het ernaar uitziet dat het Letse luchtruim beschikbaar is gesteld voor Oekraïense aanvallen op Russisch grondgebied?
Nee. Het Letse Ministerie van Buitenlandse zaken heeft een verklaring gepubliceerd waarin deze aanname wordt ontkracht.
Kunt u toelichten hoe u het voorgaande beoordeelt in het licht van het Nederlandse lidmaatschap van de NAVO?
Nederland is solidair met NAVO-bondgenoot Letland.
Kunt u uiteenzetten welke juridische en militaire implicaties het heeft voor Nederland, indien blijkt dat wapensystemen of drones die Nederland heeft geleverd of gefinancierd, schade hebben veroorzaakt op het grondgebied van een NAVO-bondgenoot?
Er zijn geen juridische of militaire implicaties voor Nederland. Nederlandse staatsaansprakelijkheid ontstaat enkel wanneer een internationaal onrechtmatige daad kan worden toegerekend aan Nederland. Daarvan is hier geen sprake.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u meent dat Nederland in een dergelijk scenario geen juridische of militaire verantwoordelijkheid draagt?
Zie antwoord vraag 6.
De eis van president Zelensky tot volledig EU-lidmaatschap van Oekraïne. |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de eis van president Zelensky dat Oekraïne volledig lidmaatschap van de Europese Unie (EU) wenst, inclusief stemrecht en vetorecht, en dat hij een tijdelijke tussenvorm, zoals voorgesteld door bondskanselier, Merz afwijst?
Ik heb kennisgenomen van publieke uitingen door president Zelensky waarin hij het belang van volwaardig EU-lidmaatschap van Oekraïne benadrukt.
Wat is uw oordeel over deze eis van president Zelensky?
Het kabinet ondersteunt Oekraïne op het onomkeerbare pad richting toekomstig EU-lidmaatschap, zonder daarbij afbreuk te doen aan de voorwaarden voor EU-toetreding. Het kabinet is voorstander van het vaart maken in het reguliere, op verdiensten gebaseerde, toetredingsproces. De Kamerbrief EU-uitbreiding, waarborgen en de Toekomst van Europa die uw Kamer 9 juni jl. ontving, bevat nadere informatie over de kabinetsinzet.1
Deelt u de opvatting dat volwaardig EU-lidmaatschap voor een land, dat zich in een actief gewapend conflict bevindt, onwenselijk is?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u het verlenen van volledig lidmaatschap – inclusief stemrecht en vetorecht – aan een land in een gewapend conflict verantwoord acht?
Erkent u dat een land in een actief gewapend conflict met stemrecht en vetorecht in de Raad van de Europese Unie besluiten kan beïnvloeden, die direct raken aan het eigen conflict?
Acht u dit wenselijk voor de integriteit van de Europese besluitvorming?
Kunt u toelichten welke van de criteria van Kopenhagen Oekraïne op dit moment aantoonbaar vervult en welke nog niet?
De kabinetsappreciatie van het uitbreidingspakket 2025 van de Europese Commissie bevat een overzicht van de voortgang die Oekraïne heeft gemaakt met hervormingen, alsook de aandachtspunten.2 Zoals gebruikelijk, zal Uw Kamer ook dit jaar een appreciatie ontvangen van de Commissie mededeling over EU-uitbreiding, inclusief het landenrapport over Oekraïne.
Erkent u dat een volwaardig EU-lidmaatschap van Oekraïne vergaande budgettaire gevolgen heeft voor de Nederlandse afdracht aan de EU?
Bij EU-uitbreiding kan het Meerjarig Financieel Kader (MFK) tussentijds worden herzien. Er zal dan opnieuw gekeken worden naar de EU-begroting en de afdrachten van lidstaten daaraan. Het effect op de EU-begroting als gevolg van toetreding is van veel factoren afhankelijk. Dat geldt bijvoorbeeld voor het moment van toetreding, de mate van infasering en ingroeipaden in het MFK.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, kunt u een raming geven van de verwachte meerkosten voor Nederland op korte en middellange termijn?
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de mogelijkheden en voorwaarden waaronder Nederland zijn EU-lidmaatschap kan herzien of beëindigen, mede in het licht van de voorgenomen uitbreiding met Oekraïne?
Voor terugtrekking uit de EU bestaat een procedure, opgenomen in artikel 50 van het EU-Verdrag.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u de Kamer deze informatie ontzegt?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe beoordeelt u het voorstel om Oekraïne volwaardig lidmaatschap te verlenen in ruil voor het omzetten van de Nederlandse associatiestatus naar een tijdelijke tussenvorm met behoud van handelsprivileges?
Er is geen sprake van bovengenoemd voorstel.
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
De klimaatzaak Bonaire |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zijn de verschillende verantwoordelijke ministeries reeds in gesprek met de eisers in de Klimaatzaak Bonaire, zijnde Greenpeace Nederland en de acht inwoners van Bonaire? Zijn alle verantwoordelijke ministeries van plan dit te doen in het geval dit nog niet is gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de consequenties van het vonnis voor het huidige doel voor 55% reductie van broeikasgasemissies in 2030 uit de nationale Klimaatwet?
Gezien het feit dat de rechtbank oordeelt dat de Staat heeft nagelaten om te kwantificeren hoeveel emissieruimte Nederland nog heeft als eerlijk deel van het mondiale emissiebudget dat resteert om de opwarming tot 1,5 °C te beperken, hoe gaat u dit nu alsnog kwantificeren zodat het klimaatbeleid en de klimaatdoelen in lijn komen met dit resterende budget?
Bent u bekend met de kwantificering van de emissieruimte door het Ministerie van Financiën in het «Blauwe Boekje 2023–2024», waar de rechtbank in het vonnis naar verwijst? Zo ja, kunt u overwegen om de Minister van Financiën te vragen om een actualisatie van deze berekening? Hoe zorgt u dat er bij deze kwantificering en het vaststellen van nieuwe klimaatdoelen ruimte is voor inspraak en publieksconsultatie en dat dit proces gebaseerd is op de meest recente inzichten van de klimaatwetenschap?
Welke concrete stappen neemt u nu, gezien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, om uitvoering te geven aan de veroordeling van de rechtbank om uiterlijk binnen 18 maanden, dus 28 juli 2027 nieuwe, bindende en economie-brede klimaatdoelen in de Klimaatwet vast te leggen?
Hoe interpreteert u de vaststelling van de rechtbank dat het onrechtmatig is dat er geen bindende nationale klimaatdoelstellingen zijn om de emissies van internationale lucht- en scheepvaart terug te dringen?
Wat betekent het vonnis in de Bonaire Klimaatzaak voor het CO2-plafond voor de internationale lucht- en scheepvaart dat is voorgenomen in het coalitieakkoord? En hoe verhoudt het openen van Lelystad Airport zich tot de uitspraak?
Bent u bekend met het rapport «Effectinschatting klimaatmaatregelen Coalitieakkoord» van onderzoeksbureau Kalavasta, waaruit volgt dat er een gat van tenminste 6 megaton is tussen het huidige Nederlandse klimaatbeleid en het 2030-doel van 55% reductie? Welke maatregelen, zowel normerend als beprijzend, gaat u nemen om dit gat te dichten en uitstootreductie te versnellen, inclusief voor lucht- en scheepvaart?
Kunt u aangeven wat de consequentie van het klimaatzaakvonnis is voor methaan en andere broeikasgasemissies in de landbouw en hoe dit zich verhoudt tot het eerdere vonnis van de rechtbank Den Haag in de rechtszaak van Greenpeace tegen de Staat over stikstofdepositie?
Klopt het dat de Verenigde Staten en/of Amerikaanse bedrijven gas en/of olie willen winnen voor de kust van de BES-eilanden en de CAS-eilanden? Kunt u een overzicht bezorgen van alle fossiele winningsprojecten op de eilanden, in de territoriale wateren en in de nabijheid van de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden?
Welke instantie beslist of dergelijke winningsprojecten al dan niet mogen doorgaan? Vallen dergelijke winningsprojecten onder de Nederlandse Mijnbouwwet?
Bent u het ermee eens dat dergelijke fossiele winningsprojecten door een niet-Europese mogendheid tot een geopolitiek onwenselijke ontwikkeling kan leiden?
Waarom zijn adaptatiemaatregelen op Bonaire systematisch later opgepakt dan in Europees Nederland, en hoe gaat u deze achterstand inhalen? Zal een dergelijke inhaalbeweging voldoende zijn om de mensen op Bonaire effectief te beschermen tegen schade ten gevolge van klimaatrampen?
Wat betekent het vonnis voor Saba en Sint-Eustatius, en in hoeverre wordt hier nu opvolging aan gegeven, inclusief preventieve maatregelen om alle inwoners van de BES-eilanden te beschermen tegen klimaatrampen en daarbij de gelijkwaardigheid van inwoners te borgen?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de rechtbank Den Haag stelt dat het huidige adaptatiebeleid voor Bonaire onvoldoende en zelfs discriminatoir is? Welke conclusies trekt u uit de erkenning dat het Nederlandse beleid discriminatoir is?
Hoe gaat u om die discriminatie tegen te gaan het «gelijkwaardig beschermingsniveau» voor de BES-eilanden wettelijk verankeren? Is er voor Bonaire, Saba en Sint-Eustatius reeds een analyse gebeurd, waarbij voor ieder eiland afzonderlijk een inschatting is gemaakt van de kwetsbaarheid voor toenemende klimaatrampen alsook van hun financiële en andere capaciteit om adequaat op rampen te reageren? Krijgen de eilanden dezelfde veiligheidsnormen (overstromingskansen) als de Nederlandse kust?
Bent u bereid om per direct dezelfde overstromingskansnormen wettelijk te verankeren voor Bonaire als voor Europees Nederland of, indien deze overstromingskansnormen onvoldoende zijn om alle inwoners van Bonaire afdoende te beschermen, bent u bereid striktere normen voor Bonaire wettelijk te verankeren? Zo nee, welke normen zullen dan worden toegepast om te voldoen aan het discriminatieverbod?
Hoe garandeert u dat de geëiste kustbescherming op Bonaire uiterlijk in 2030 volledig geïmplementeerd is, en welk budgettair pad is hiervoor nu reeds vastgelegd om te voorkomen dat plannen slechts bij ambities blijven?
Waarom is de waterveiligheid van Bonaire nog niet structureel gekoppeld aan het Deltafonds? In hoeverre kan en zal het Deltafonds worden opengesteld voor de BES-eilanden? Zal de regering ervoor zorgen dat er voldoende budget in het fonds is voor de adaptatienoden van zowel Europees als Caraïbisch Nederland? Wat is hiervoor nodig?
Bent u bereid om aanvullend een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland op te richten zodat naast de benodigde en omvangrijke investeringen in adaptatiemaatregelen ten aanzien van waterveiligheid, ook maatregelen in het kader van bijvoorbeeld hitte, gezondheid en natuur tijdig kunnen worden gefinancierd? Of middels welke fondsen zal u zorgen voor een equivalent beschermingsniveau tegen klimaatverandering op Bonaire?
Tot welke Europese fondsen hebben de BES-eiland toegang voor de financiering van adaptatie- en mitigatiemaatregelen? Hebben ze gelijke toegang tot alle fondsen die de lidstaten ter beschikking staan als gemeenten in continentaal Europa of worden ze hiervan uitgesloten? Hebben ze toegang tot Europese fondsen voor internationale klimaatadaptatie?
Is de toegang van BES- en CAS-eilanden tot Europese financiering gelijkwaardig aan de toegang van de Franse overzeese departementen en gebieden, zoals het Franse gedeelte van Sint-Maarten?
Hoe kan het dat na orkaan Irma het Franse deel van Sint-Maarten beter beschermd was en/of sneller kon heropbouwen dan het deel binnen het Koninkrijk der Nederlanden? Wat zijn de oorzaken hiervan? Welke verschillen zaten er in de toegang tot Europese financiering? En hoe verschilde de financiering voor zowel preventieve maatregelen als voor wederopbouw vanuit Den Haag met de financiering vanuit Parijs?
Wat zijn de risico's voor de CAS- en BES-eilanden van de aangekondigde Super El Niño? Wat is de huidige staat van paraatheid van de verschillende eilanden? Wat doet u om de eilanden te ondersteunen in hun weerbaarheid tegen dit fenomeen? Welke extra stappen worden er gezet?
Welke extra expertise en uitvoeringskracht acht het Rijk voor het Openbaar Lichaam Bonaire nodig om ervoor te zorgen dat er voldoende lokale capaciteit is om de plannen uit te voeren?
Welke bijkomende maatregelen gaat u nemen opdat de BES-eilanden op korte termijn volledig overgaan op duurzame energie, zodat de eilanden minder afhankelijk worden van fossiele import?
Hoe kunt u ervoor zorgen dat energie betaalbaar is voor inwoners van Bonaire, ook gezien de toenemende noodzaak van energieverbruik voor airconditioning als gevolg van de opwarming van de aarde?
Kunt u aangeven welke maatregelen u treft tegen de gevolgen van de toenemende hitte en extreme neerslag op Bonaire? Welke aanvullende stappen zijn noodzakelijk en wat is de investeringsopgave hiervan?
Welke maatregelen kan het kabinet nemen tegen de onder andere door klimaatverandering veroorzaakte sargassumcrisis, die de economie van Caraïbisch Nederland ernstig schaadt, met name in toerisme en visserij?
Hoe beoordeelt u de relevantie van de rechtsoverwegingen in het Bonaire-vonnis voor de overige landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten), gezien de gedeelde verantwoordelijkheid voor de waarborging van mensenrechten (artikel 43 Statuut)? Erkent u dat de Staat der Nederlanden een coördinerende en faciliterende verantwoordelijkheid heeft om te waarborgen dat ook de inwoners van de CAS-eilanden een gelijkwaardig niveau van mensenrechtelijke bescherming tegen klimaatgevaren genieten, met in ogenschouw nemend het vereiste respect voor de autonome status van deze landen?
Bent u bereid om, in de geest van het vonnis, proactief met de regeringen van de CAS-eilanden in gesprek te gaan over een Koninkrijksbreed Klimaatfonds, zodat ook daar de noodzakelijke adaptatiemaatregelen om mensen(rechten) te beschermen in de klimaatcrisis gefinancierd kunnen worden die de lokale draagkracht te boven gaan?
Bent u het ermee eens dat, aangezien het Koninkrijk der Nederlanden de officiële verdragspartij is bij de UNFCCC, de belangen van de CAS-landen en BES-eilanden integraal onderdeel moeten zijn van de Nederlandse en dus ook Europese inzet in internationale klimaatonderhandelingen? Kunt u toelichten hoe de structurele consultatie met de regeringen en lokale besturen van deze eilanden is vormgegeven in de aanloop naar de jaarlijkse COPs?
Erkent u dat «effectieve bescherming», zoals geëist in het vonnis, onmogelijk is zonder een structurele meerjarige financiering die direct aansluit op de lokale behoeften die aan de Klimaattafel zijn geformuleerd? Hoeveel extra middelen zijn er volgens u nodig, en hoeveel middelen zal het Rijk beschikbaar stellen en wanneer besluit u hierover?
Op welke wijze beschermt het kabinet het cultureel erfgoed op de zuidpunt van Bonaire (zoals de slavenhuisjes) dat door de zeespiegelstijging reeds in 2050 dreigt te verdwijnen?
Hoe waarborgt u dat inwoners van Bonaire en de Klimaattafel Bonaire een doorslaggevende stem krijgen in het nationale adaptatieplan dat uiterlijk in 2030 geïmplementeerd moet zijn?
Hoe zult u garanderen dat adaptatieprocessen op de BES-eilanden lokaal geleid kunnen worden?
Bent u bekend met de motie van de Eilandsraad van Bonaire, waarin het Bestuurscollege wordt opgeroepen om de Nederlandse Staat te houden aan de rechtskracht van het vonnis? Welke aspecten van deze motie gaat u uitvoeren? En kunt u toezeggen dat alle aanbevelingen die voortvloeien uit de motie van de Eilandsraad integraal onderdeel worden van de Nederlandse inzet tijdens de komende Klimaattop (COP), om Bonaire als internationaal voorbeeld van «Small Island Justice» te positioneren? Hoe beoordeelt u de passage in de motie die spreekt over de «historische schuld» en de plicht van Nederland om de kwetsbaarste delen van het Koninkrijk prioritair te beschermen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over het vonnis inzake de Bonaire Klimaatzaak?
Onbetaalbare hypotheeklasten |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen bij huiseigenaren over hypotheeklasten: «Echt een keerpunt»» en met het onderliggende onderzoek van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG)?1
Ja.
Deelt u de analyse van NHG-directeur Van der Linde dat de financiële positie van Nederlandse huiseigenaren structureel verslechtert?
NHG onderzoekt middels de woonlastenmonitor2 de gepercipieerde ontwikkeling van de woonlasten. Ze onderzoeken dus niet hoe woonlasten zich feitelijk ontwikkelen, maar hoe woningeigenaren dit ervaren, bijvoorbeeld door te meten hoe vaak mensen wakker liggen door geldzorgen. Uit de woonlastenmonitor blijkt dat ruim één op de drie woningeigenaren met een hypotheek het inkomen als net toereikend of onvoldoende ervaart om aan alle financiële verplichtingen te voldoen. Dit percentage is ongeveer gelijk gebleven met de vorige woonlastenmonitor. Uit de woonlastenmonitor blijkt wel dat de groep jongeren tot 35 jaar en inkomens tot 2 keer modaal die het inkomen als onvoldoende ervaart, is gegroeid de afgelopen periode.
Uit de cijfers van het CBS en uit de ABN woningmarktmonitor3 uit mei 2026 blijkt dat de woonquote, het daadwerkelijke percentage van het inkomen dat aan wonen wordt uitgegeven, de laatste jaren juist is gedaald. De belangrijkste oorzaak hiervan zijn de sterk gestegen inkomens. Vooral bij zittende woningeigenaren leidde dit tot een daling van de gemiddelde woonlasten. In de periode 2019–2025 daalden de woonlastenratio’s voor zittende eigenaren met 2 tot 3 procentpunten. Voor starters ligt die daling veel lager: ongeveer 1 procentpunt. Voor starters in grote steden stegen de woonlastenratio’s zelfs, tot wel 2 procentpunten in Amsterdam.
Het gedeelde beeld uit de ABN woningmarktmonitor en de woonlastenmonitor van NHG is dat de meeste mensen de woonlasten goed kunnen dragen en dat de woonlastenratio’s zijn gedaald. Tegelijkertijd zie je in beide monitors dat jonge woningeigenaren en inkomens tot 2 keer modaal de hoogste woonlasten hebben en het inkomen als onvoldoende ervaren. Ik vind het belangrijk om mij in te zetten voor een betere betaalbaarheid van woningen voor alle woningzoekenden, met extra aandacht voor jongeren en mensen met middeninkomens.
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, wat is dan volgens u de grondoorzaak voor de verslechtering van deze positie?
Zoals bij vraag 2 is aangegeven is het vooral voor middeninkomens en startende huishoudens lastig om een woning te kopen en zijn de woonlasten voor deze groepen relatief hoog. De afgelopen jaren is de vraag naar woningen meer toegenomen dan het aanbod van woningen. In deze krappe woningmarkt zijn de huizenprijzen het laatste decennium erg hard gestegen. Woningeigenaren die recent een eerste woning kochten moesten een hoge lening aangaan voor de aankoop van hun huis. Uit een recente monitor van De Nederlandsche Bank blijkt dat steeds meer starters op de woningmarkt de grenzen opzoeken van wat ze maximaal verantwoord kunnen lenen: in 2017 leenden starters gemiddeld 80% van wat er op basis van hun inkomen mogelijk was, in 2025 is dit opgelopen naar 92%4.
Daarnaast is het inkomen van bestaande woningeigenaren harder gestegen ten opzichte van woningeigenaren die hun woning recenter hebben gekocht. Voor bestaande woningeigenaren die al langer in hun woning wonen zijn de hypotheeklasten ten opzichte van hun inkomen vaak lager geworden.
Wat is uw verklaring voor het gegeven dat het percentage huiseigenaren tot 34 jaar dat het eigen inkomen onvoldoende vindt om de woonlasten te betalen, is verdubbeld en acht u dit een aanvaardbare uitkomst van het gevoerde beleid?
De verklaring hiervoor heb ik gegeven bij de beantwoording van vraag 2 en 3. Ik vind het belangrijk dat jongeren een betaalbare woning kunnen vinden. Om deze reden zet ik vol in op het bouwen van nieuwe (betaalbare) woningen, wegnemen van belemmeringen in de woningbouw en het beter benutten van de bestaande voorraad.
Ook heeft het Rijk een aantal instrumenten specifiek gericht op koopstarters en middeninkomens. Koopstarters en middeninkomens kunnen profiteren van de voordelen van een hypotheek met NHG. Een hypotheek met NHG kan worden afgesloten voor een woning met een koopsom of marktwaarde onder de NHG-grens van € 470.000 (2026). Consumenten met een hypotheek met NHG lopen minder risico’s en meestal profiteren zij van rentekorting op de hypotheekrente. Ook kunnen koopstarters profiteren van de vrijstelling van de overdrachtsbelasting.
Ook is er sinds vorig jaar het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen dat zich specifiek richt op koopstarters met een middeninkomen. Dit gebeurt door nieuwbouwwoningen met een kopersondersteuning onder de marktwaarde aan te bieden, waardoor deze woningen beter bereikbaar worden voor de doelgroep. Het fonds hanteert onder andere criteria ten aanzien van inkomen tot maximaal twee keer modaal, leeftijd tot 35 jaar en het type woning (nieuwbouw binnen de betaalbaarheidsgrens). Daarmee wordt het instrument gericht ingezet voor de doelgroep waarvoor het is bedoeld en draagt het bij aan het bereikbaar maken van koopwoningen voor huishoudens die anders moeilijk toegang hebben tot de koopwoningmarkt.
Erkent u dat de sterk gestegen huizenprijzen mede het gevolg zijn van een door de overheid kunstmatig beperkt woningaanbod en jarenlang ruim monetair beleid van de Europese Centrale Bank?
Zowel aan de aanbod- als de vraagzijde is er een groot aantal factoren dat bijdraagt aan de ontwikkeling van huizenprijzen.5 Een structureel tekort aan woningen zie ik daarbij als belangrijke oorzaak, maar ook de ontwikkeling van de rente is hierin één van de factoren. Renteontwikkelingen worden door meerdere factoren bepaald, waaronder monetair beleid, maar ook door structurele economische factoren zoals ontwikkelingen van spaartegoeden. Specifiek ten aanzien van ruimtelijke restricties en eisen aan woningbouw zie ik dat deze hebben bijgedragen aan de beperkte woningbouw en gestegen huizenprijzen. Om deze reden zet ik in op het wegnemen van belemmeringen in de woningbouw.
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
In hoeverre dragen de stapeling van verduurzamingsverplichtingen, energiebelastingen en netbeheerkosten bij aan de structureel hoge woonlasten van huiseigenaren?
Verduurzaming draagt positief bij aan het beheersbaar houden van de woonlasten6. Om verduurzaming te stimuleren is de energiebelasting op aardgas verhoogd en de energiebelasting op elektriciteit verlaagd. Naast de energiebelastingtarieven kent de energiebelasting een belastingvermindering. Deze korting op de energierekening is een vast bedrag per elektriciteitsaansluiting. Van de marginale tarieven gaat een besparingsprikkel uit, terwijl de belastingvermindering voorkomt dat de totale energierekening te hoog oploopt door de energiebelasting. Met de belastingvermindering meegerekend bedraagt de energiebelasting gemiddeld genomen ongeveer 10% van de totale energierekening. Richting 2030 blijft dat ongeveer 10%. In 2020 ging het nog om 30%. De netbeheerkosten zullen naar verwachting wel stijgen in de toekomst, zie het antwoord op vraag 8 voor een toelichting.
Inzetten op het verder verduurzamen van de Nederlandse woningvoorraad betekent uiteindelijk minder energiegebruik door de woningeigenaar, meer grip op de energierekening en minder afhankelijk zijn van fossiele energie.
Kunt u de bij vraag zeven aangeleverde kostenposten afzonderlijk kwantificeren?
Bij vraag zeven worden 3 kostenposten genoemd; 1) verduurzamingsverplichtingen, 2) energiebelastingen en 3) netbeheerkosten. Onderstaand worden deze behandeld.
1) Verduurzamingsverplichtingen; Momenteel zijn er geen verduurzamingsverplichtingen voor woningeigenaren. Uit verschillende onderzoeken blijkt wel dat verduurzaming juist geld oplevert. Zie bijvoorbeeld de publicatie van CPB waaruit blijkt dat 9 op de 10 huishoudens meer geld overhouden na het installeren van een warmtepomp, waar nodig in combinatie met isolatie7. Voor nieuwbouwwoningen geldt vanaf 2030 een nieuwe norm, de kosten die dit met zich meebrengt worden in lijn gebracht met de verwachte energiebesparing. Zie ook het antwoord op vraag 18.
2) Energiebelasting; In 2026 is de energiebelasting op aardgas tot een verbruik van 170.000 m3 60 cent per m3 en op elektriciteit tot een verbruik van 10.000 kWh 9 cent per kWh, exclusief btw. De belastingvermindering bedraagt in 2026 519,80 euro, exclusief btw. Voor huishoudens met een «gemiddeld verbruik» van 900 m3 aardgas en 1.920 kWh elektriciteit bedraagt de energiebelasting 194 euro op een gemiddelde totale energierekening van 2.112 euro in 2026.
3) Netbeheerkosten; Door stijgende nettarieven en leveringskosten gaat de gemiddelde energierekening omhoog. Netbeheerders leggen de komende jaren extra kabels aan om ervoor te zorgen dat voldoende stroom beschikbaar is. De ACM stelt jaarlijks vast hoeveel netbeheerders in rekening mogen brengen. De overheid wil het stroomnet slimmer gebruiken, en stimuleert daarom naast, energiebesparing ook een betere spreiding van het elektriciteitsgebruik over de dag. Om dit te stimuleren worden tijdsafhankelijke nettarieven geïntroduceerd per 2029. Hierdoor is minder uitbreiding van het stroomnet nodig en worden de kosten eerlijker verdeeld op basis van daadwerkelijk verbruik.
Wat zegt het over de wenselijkheid van verduurzamingsinvesteringen dat Roald van der Linde (directeur NHG) aangeeft dat de betalingsachterstanden voornamelijk worden veroorzaakt door verduurzamingsinvesteringen die jongeren moeten betalen omdat zij de hoge energieprijzen willen drukken?
De directeur-bestuurder van NHG geeft niet aan dat betalingsachterstanden worden veroorzaakt door verduurzamingsinvesteringen. In een blog8 wordt door de directeur-bestuurder van NHG verduurzaming genoemd als kans en geeft hij tegelijkertijd aan dat behoefte is aan duidelijkheid over de kosten van maatregelen, wat ze opleveren en hoe deze maatregelen te financieren. Aangegeven wordt dat de hypotheekadviseur een verschil kan maken door woningeigenaren te informeren over de financieringsmogelijkheden voor verduurzaming. Om de hypotheekadviseur hierbij te ondersteunen ben ik momenteel bezig met het ontwikkelen van een tool voor in softwarepakketten van financieel adviseurs die de financierings- en subsidiemogelijkheden inzichtelijk maakt.
Hoe verhoudt de constatering dat Nederland nog altijd een van de landen met de hoogste woonlasten van de eurozone is zich tot de belofte van opeenvolgende kabinetten dat wonen betaalbaar zou worden?
De woonlasten in Nederland liggen door de jaren heen ongeveer 30 procent9 boven het Europees gemiddelde. Dat moet vergeleken worden met het inkomensniveau10 dat in Nederland bijna 60% boven het Europees gemiddelde ligt. Slechts acht procent van de Nederlanders gaf in 2025 aan de woonlasten erg zwaar te vinden11, de laagste score in de hele Europese Unie. Ondanks deze positieve score is de betaalbaarheid van het wonen voor dit kabinet een van de belangrijkste prioriteiten.
Bent u bereid uit te sluiten dat de hypotheekrenteaftrek verder wordt afgebouwd of beperkt, gelet op de toenemende betalingsproblemen onder huiseigenaren?
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft om zo het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren.
Hoe beoordeelt u het feit dat een groot deel van de ondervraagden bezuinigt op vakanties, restaurantbezoek en zelfs boodschappen om de woonlasten te kunnen dragen?
Uit de woonlastenmonitor van NHG blijkt van de 9% van de woningeigenaren het inkomen als onvoldoende ervaart en aan deze groep is gevraagd welke acties ondernomen zijn. Van deze groep heeft ruim 75% het uitgavenpatroon aangepast, ruim 11% is meer gaan werken en de rest heeft (nog) geen actie ondernomen. Bij de groep die het inkomen voldoende of net toereikend vindt, heeft ruim de helft het uitgavenpatroon aangepast. Dit beeld kwam ook naar voren in de vorige woonlastenmonitor. Hoewel het natuurlijk zorgelijk is dat een deel van de mensen het inkomen als onvoldoende ervaart, vind ik het wel positief dat het grootste deel van deze mensen stappen onderneemt door uitgaven te beperken of inkomsten te vergroten om zodoende de woonlasten te kunnen betalen. Daarnaast vind ik het positief dat uit de woonlastenmonitor blijkt dat steeds meer woningeigenaren bereid zijn om professionele hulp in te schakelen bij financiële problemen. Vroegtijdig inschakelen van professionele hulp kan grotere problemen voorkomen.
Wat zeggen de bij vraag 12 beschreven bezuinigingen volgens u over de kwaliteit van leven, de bestedingsruimte en de koopkracht van hardwerkende Nederlanders?
Zoals in de vorige antwoorden beschreven hebben vooral jongeren en middeninkomens het lastig op de woningmarkt en wordt vooral onder deze groep het inkomen als onvoldoende ervaren. Dit kabinet zet daarom ook in om de koopkracht voor deze groep te verbeteren. Daarnaast zet ik mij in voor betaalbare woningen voor onder andere deze groepen.
Wat gaat het kabinet doen aan psychische en financiële druk die het lasten- en woningbeleid op burgers legt, aangezien één op de vijf ondervraagden stress, slecht slapen en moedeloosheid ervaart door de financiële situatie?
Bij het afsluiten van een hypotheek in Nederland is verantwoorde verstrekking van hypothecair krediet een fundamenteel uitgangspunt. Verstrekkers van hypothecair krediet voeren bij aanvraag van een hypotheek de kredietwaardigheidsbeoordeling uit, om te voorkomen dat huishoudens onverantwoord hoge woonlasten aangaan bij de aankoop van hun woning. Desondanks kunnen huishoudens financiële stress ervaren, bijvoorbeeld door onvoorziene levensomstandigheden. Het is daarom goed dat het beleid van verstrekkers van hypothecair krediet en NHG de afgelopen jaren steeds meer is gericht op het vroeg signaleren van financiële problemen en het zo snel mogelijk ondernemen van actie hierop. Het doel is om te voorkomen dat problemen te groot worden en te zorgen dat mensen in de woning kunnen blijven wonen. Ik vind het positief dat verstrekkers van hypothecair krediet en NHG beleid voeren om problemen bij woningeigenaren te voorkomen. Daarnaast blijkt uit de monitor van NHG dat mensen steeds meer bereid zijn om professionele hulp in te schakelen bij financiële problemen, wat belangrijk kan zijn bij het voorkomen van financiële stress.
Deelt u de opvatting dat woonlasten stijgen wanneer het aanbod van woningen de vraag ernaar niet kan bijbenen?
Bij een achterblijvend aanbod kunnen de woningprijzen harder stijgen, maar er zijn ook andere factoren die hier invloed op hebben. Denk aan de hoogte van de rente en inflatie. Deze kunnen allemaal doorwerken in hogere woonlasten van mensen. Tegelijkertijd wordt de hoogte van de woonlasten beperkt door huurprijsregelgeving en door de leennormen.
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Indien het antwoord op vraag 15 bevestigend luidt, bent u het dan eens dat de fundamentele oplossing voor de hoge woonlasten ligt in méér bouwen in plaats van in nieuwe subsidies, garanties of inkomensafhankelijke regelingen die de symptomen bestrijden? Zo nee, waarom niet?
Beide instrumenten zijn nodig, omdat niet alleen het aanbod invloed heeft op de hoogte van de woonlasten. Het is een prioriteit van dit kabinet om de toegankelijkheid van de woningmarkt te bevorderen door meer te bouwen. Het kabinet zet daarom met name in op het wegnemen van belemmeringen en daarmee het versnellen van de woningbouw. Daarnaast zet het kabinet zich in voor betaalbare woonlasten. Zo draagt bijvoorbeeld de huurtoeslag bij aan de betaalbaarheid van de woonlasten voor huurders, ook als de huren harder stijgen dan de groei van inkomens, bijvoorbeeld door hogere inflatie.
In hoeverre is EU-regelgeving – waaronder de herziene Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) en bijbehorende verduurzamingsverplichtingen – verantwoordelijk voor de gestegen woonlasten door enerzijds nieuwbouw duurder te maken en anderzijds kostbare energiebesparende verbouwingen af te dwingen?
Met het uitwerken van de EPBD IV12 wordt een vrijwillige eindnorm in 2050 voor bestaande bouw geïntroduceerd, deze norm geeft de duidelijkheid waar veel woningeigenaren op wachten; het geeft duidelijk handelingsperspectief en maakt duidelijk wanneer een woning niet verder verduurzaamd hoeft te worden. Bij de uitwerking van deze norm wordt gekeken naar de haalbaarheid en betaalbaarheid voor woningeigenaren. Een heel pakket13 aan ontzorging en financiering staat klaar om eigenaren van gebouwen te ondersteunen en hen te helpen aan een lagere energierekening.
Voor de nieuwbouw wijzigt de norm van een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) naar Zero Emission Building (ZEB) in 2030. Bij het uitwerken van de ZEB norm wordt gewerkt met kostenoptimalisatiestudies14 om de technische haalbaarheid vast te stellen en de kosten in lijn te brengen met de energiebesparing. Op deze manier blijven de kosten van verduurzaming van nieuwbouwwoningen economisch verantwoord.
In hoeverre blijft er door de herziene EPBD nog beleidsruimte van het kabinet over om de woonlasten voor huiseigenaren te verlagen?
Zoals eerder genoemd heeft energiebesparing veelal een positief effect op de woonlasten voor huiseigenaren. Onderzoek van het NIBUD toont dit ook aan, vandaar dat er meer leenruimte is voor een energiezuinige woning of als men juist energiebesparende maatregelen wil treffen15.
Bent u bereid zich in Brussel in te zetten voor het terugdringen van deze verplichtingen?
Ik zie geen redenen om mij in te zetten voor het terugdringen van de richtlijnen uit de EPBD IV. De EPBD IV geeft een basislijn aan om energiebesparing in de gebouwde omgeving te stimuleren en toe te werken naar een emissievrije gebouwde omgeving. Een emissievrije gebouwde omgeving heeft naast voordelen als grip op energiegebruik, comfortabelere en gezonde gebouwen, ook als voordeel dat wij als land minder afhankelijk worden van fossiele energie, het maakt ons weerbaarder en minder kwetsbaar voor fluctuaties op de internationale energiemarkt. Het zorgt voor investeringen in onze gebouwen en energievoorziening door onze eigen installateurs, aannemers en MKB bedrijven. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat energiebesparing in de gebouwde omgeving goed mogelijk is. De tevredenheid over de genomen maatregelen is hoog. Van de woningeigenaren die isolatiemaatregelen heeft genomen is bijvoorbeeld 90% tevreden16, 95% van de mensen die een warmtepomp heeft aangeschaft raadt deze aan17. De EPBD IV geeft ons als land richting en een gelijk speelveld in de EU.
Kunt u een internationale vergelijking geven van de ontwikkeling van de woonlasten en huizenprijzen in Nederland ten opzichte van vergelijkbare EU-lidstaten over de afgelopen tien jaar, en daarbij aangeven welke landen erin slagen wonen wél betaalbaar te houden, inclusief een analyse over waarom hen dit lukt?
Eurostat publiceert een reeks met de huizenprijsontwikkeling in Europese landen sinds 201018. Daaruit blijkt dat in twaalf landen de huizenprijzen harder gestegen zijn dan in Nederland. Nederland bevindt zich daarmee in de middenmoot.
Zoals bij vraag 10 aangegeven liggen de woonlasten in Nederland ongeveer 30% boven het Europees gemiddelde en het inkomen bijna 60%. De woonlasten in Nederland zijn tussen 2010 en 2024 ongeveer 7% harder gestegen dan in heel Europa. In Denemarken was dat ongeveer 21% en in Oostenrijk 14%. In Ierland, Midden-Europa en de Baltische staten komen nog veel hogere percentages voor. Landen waar de woonlasten minder hard stegen dan het Europees gemiddelde, kennen volgens Eurostat19 over het algemeen ook een benedengemiddelde economische groei20.
Bent u bereid een concreet en afrekenbaar pakket te presenteren – inclusief lastenverlaging en versnelling van de bouw – dat de woonlasten voor met name jonge huiseigenaren binnen deze kabinetsperiode aantoonbaar verlaagt, en de Kamer daarover voor Prinsjesdag te informeren?
Nee, ik kom niet met een specifiek plan om de woonlasten van jonge huiseigenaren te verlagen. Wel zet ik met de Taskforce Versnellen Woningbouw in op het versnellen van de woningbouw.
Indien het antwoord op vraag 22 ontkennend luidt, waarom laat u deze groep in de steek?
Het kabinet zet volop in op het versnellen van de woningbouw, zodat er meer aanbod van betaalbare woningen komt, onder andere voor jongeren. Daarnaast zijn er, zoals beschreven in antwoord op vraag 4, verschillende instrumenten die gericht zijn op koopstarters.
Het stopzetten van het luchtalarm |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Kunt u nader toelichten waarom er geen middelen zijn gevonden om het luchtalarm als middel in crisissituaties te behouden, zoals aangekondigd in uw brief van 18 mei 2026?1
Op 9 juni 2026 is er een brief gestuurd over de inrichting van een nieuwe civiel militaire waarschuwingsketen.2 In deze brief heb ik uw Kamer, mede namens de Minister van Defensie, geïnformeerd dat wij een nieuwe civiel-militaire waarschuwingsketen gaan realiseren. Onderdeel hiervan is een nieuw innovatief sirenenetwerk, in aanvulling op NL-Alert. Een nadere toelichting staat in deze brief.
Hoeveel geld zou het structureel kosten om het luchtalarm na 1 januari 2028 alsnog te behouden?
Zie antwoord vraag 1.
Ziet u mogelijkheden om het luchtalarm in de toekomst te dekken met de aanvullende Defensiemiddelen in het kader van de nationale weerbaarheid?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse dat het afsluiten van het luchtalarm onwenselijk is, gezien het belang van redundantie in de crisiscommunicatie? Is het niet in elke situatie beter als het luchtalarm en NL-Alert (of alternatieven) naast elkaar bestaan?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kijkt u naar het gegeven dat het horen van het luchtalarm en het ontvangen van een NL-Alert een andere lading heeft voor de toehoorder? Waarop baseert u dat het luchtalarm en NL-Alert dezelfde staat van paraatheid teweegbrengt bij burgers?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat, in een heftige ramp of crisis, ook sprake kan zijn van sabotage van mobiele netwerken? Waarop baseert u dat NL-Alert in dergelijke situaties altijd bruikbaar zal zijn?
NL-Alert is afhankelijk van de openbare mobiele netwerken. Uit onderzoek is gebleken dat NL-Alert volstaat als alerteringsmiddel in vredestijd. NL-Alert is robuust en er wordt gewerkt om aan het hoogste niveau van informatiebeveiliging te voldoen, maar geen systeem is onfeilbaar. Bij een scenario van ernstige hybride en militaire dreigingen, waarbij een statelijke actor zeer zware en geavanceerde middelen kan inzetten om infrastructuur (waaronder de mobiele netwerken) te ontwrichten, is het kwetsbaar om enkel over NL-Alert te beschikken. Vanwege het ontbreken van een civiel-militaire waarschuwingsketen (van detectie tot en met alertering van de bevolking) bij luchtdreigingen, is in 2025 een verkenning gestart naar wat er nodig is voor de inrichting van een robuuste en redundante civiel-militaire waarschuwingsketen. Hierbij is in beeld gebracht welke aanvullende mogelijkheden en middelen, naast NL-Alert, geschikt zijn om burgers te kunnen alerteren in dit specifieke scenario. Hieruit is een advies naar voren gekomen om deze civiel-militaire waarschuwingsketen robuust en redundant in te richten. Voor het inrichten van een robuust en redundante waarschuwingsketen is het nodig een tweede alerteringsmiddel naast NL-Alert te hebben. Dit tweede middel dient complementair te zijn aan NL-Alert, en op een andere infrastructuur te draaien. Een nieuw innovatief sirenenetwerk geeft het beste antwoord op de vraag.
Is het bereik van NL-Alert, met een stabiele dekking van 92%, voldoende om in een crisissituatie iedereen te bereiken? Hoe verwacht u dit bereik te vergroten?
Het primaire alerteringsmiddel bij rampen en crises in Nederland is al enige jaren NL-Alert. NL-Alert kent via de verschillende distributiekanalen al jaren een stabiel bereik van circa 92% van de bevolking. Naast alarmering biedt NL-Alert ook informatie over een crisis, handelingsperspectief en doorverwijzingen naar aanvullende informatiebronnen. Naast verspreiding van NL-Alerts via de mobiele telefoons worden NL-Alerts ook via andere kanalen verspreid om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Zo is NL-Alert te zien op digitale reclameschermen en digitale reisinformatieschermen van trein, bus, tram en metro en via schermen in publieke ruimten zoals huisartsenpraktijken en ziekenhuizen.
Er wordt continu gewerkt om het bereik van NL-Alert verder te vergroten. Onder andere via publiekscampagnes van NL-Alert, maar ook via eventuele technische en functionele aanpassingen van NL-Alert en de distributiekanalen zoals de NL-Alert app. Ook is de publiekscampagne van NL-Alert erop gericht dat bij ontvangst van een NL-Alert, men ook anderen hierover informeert. De NL-Alert app is mede ontwikkeld voor mensen die aan de grens wonen en soms verbonden zijn met buitenlandse zendmasten en hierdoor niet altijd NL-Alerts ontvangen en voor mensen voor wie een NL-Alert niet altijd duidelijk is. Voor mensen met een auditieve of visuele beperking kent de NL-Alert app toegankelijkheidsfuncties om het bericht te ontvangen en beter te kunnen begrijpen. De NL-Alert app wordt verder ontwikkeld en verbeterd waarbij specifiek rekening wordt gehouden met mensen met een auditieve of visuele beperking. Zo wordt momenteel samen met de belangengroepen gewerkt aan het verbeteren van toegankelijkheid van NL-Alert voor de dovengemeenschap door NL-Alert in de Nederlandse Gebarentaal toe te voegen aan de app.
Kunt u onderbouwen dat een alternatief systeem als NL-Alert, waar mensen een telefoon voor nodig hebben, goed digitaal toegankelijk is?
NL-Alert maakt gebruik van cell broadcast techniek waardoor tekstberichten direct naar mobiele telefoons worden doorgestuurd, ook bij overbelasting van het openbare telecommunicatienetwerk. Mensen hoeven zelf niets te doen om een bericht te kunnen ontvangen. Een NL-Alert bericht wordt in zo makkelijk mogelijke taal geschreven (B1-niveau). Daarnaast zijn er andere distributiekanalen waarlangs een bericht ontvangen kan worden (zie de beantwoording bij vraag 7). Ook is de publiekscampagne van NL-Alert erop gericht dat bij ontvangst van een NL-Alert, men ook anderen hierover informeert.
Daarnaast wordt NL-Alert continu doorontwikkeld en verbeterd. Zo wordt er gewerkt aan de informatiebeveiliging, maar ook aan de toegankelijkheid, waarbij specifiek rekening wordt gehouden met mensen met een auditieve of visuele beperking.
Bent u bekend met Project Särimner, een Zweedse infrastructuur waarin «datanodes» worden gebouwd die in het geval van sabotage of verstoring onafhankelijk van elkaar crisisinformatie kunnen uitwisselen?2
Ja, ik ben op hoofdlijnen bekend met dit project.
Bent u bereid om een oplossing zoals Project Särimner nader te onderzoeken als aanvulling op de nationale crisisinfrastructuur?
Op dit moment wordt daar in relatie tot het WAS niet naar gekeken omdat er vanuit mijn ministerie al een verkenning is gedaan wat er nodig is om een robuuste en redundante civiel-militaire waarschuwingsketen in te richten. Hieruit is het
advies voortgekomen om een nieuw sirenenetwerk in te richten naast NL-Alert.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing van 10 juni 2026 beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om deze beantwoording voor het commissiedebat nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing te beantwoorden.
Het niet verruimen van de hypotheekrenteaftrek |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat het maximale aftrektarief voor de hypotheekrenteaftrek in het huidige jaar 37,56 procent bedraagt? Klopt het dat dit kabinet voornemens was om de hypotheekrenteaftrek te verruimen naar 38,19 procent (2027) en 38,23 procent (structureel), een verruiming van € 281 miljoen?
Als logisch gevolg van de wettelijke systematiek voor het bepalen van het maximale aftrektarief voor grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrekpercentage voor grondslagverminderende posten is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief van de tweede schijf. Dat is geregeld in het tweede lid van de artikelen 2.10 en 2.10a Wet inkomstenbelasting 2001. Het maximale aftrekpercentage is vormgegeven als een tariefcorrectie. Deze tariefcorrectie komt er inderdaad in 2026 op neer dat het maximale aftrektarief 37,56% (de hoogte van het tarief van de tweede schijf) bedraagt.
Voor de komende jaren zal het kabinet de afspraken van het coalitieakkoord verwerken in de belastingwetgeving. Voor wat betreft de belastingtarieven kan dit tot gevolg hebben- vanwege de compenserende lastenverzwaring voor de lagere zorgpremies – dat het tarief in de eerste en tweede schijf stijgt. Dit is de standaardsystematiek voor de compensatie van de zorgpremies. Deze systematiek is bijvoorbeeld toegepast door het voorgaande kabinet voor de maatregelen op de zorg bij het hoofdlijnenakkoord, en gedurende de kabinetsperiode voor de besluitvorming over de zorguitgaven (onder andere in de Voorjaarsnota 2025). Ook in het kabinet daarvoor is deze systematiek gevolgd (zie bijvoorbeeld Miljoenennota 2023). Hierdoor komt de lastenverzwaring terecht bij een brede doelgroep die ook profiteert van de lagere zorgpremies, waardoor er een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld ontstaat. Als gevolg van de wettelijke systematiek beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan het tarief in de één na hoogste belastingschijf. Momenteel is dat de tweede schijf. Deze systematiek van een tariefscorrectie op de hoogste schijf, geldt sinds de afbouw is gestart in 2014. Tijdens de afbouwfase werd er telkens met een steeds groter percentage gecorrigeerd op het hoogste belastingtarief (eerst was dit met 0,5%, later werd de afbouw versneld). Vanaf het moment dat de afbouw voltooid was, is de tariefscorrectie het verschil tussen het tarief van de derde en de tweede schijf van de inkomstenbelasting.
De hoogte van de belastingtarieven voor volgend jaar loopt mee in de augustusbesluitvorming. Als de compensatie zorgpremies via het tarief in de eerste en tweede schijf in de IB zou lopen, zou naar de huidige verwachtingen, het tarief in de tweede schijf, en daarmee ook het maximale aftrektarief, 38,19% bedragen in 2027 en 38,23% structureel vanaf 2030. Deze tarieven zouden in dat geval een verhoging van 0,60%-punt in 2027 en 0,79%-punt in 2030 bevatten ten opzichte van het basispad als gevolg van de compensatie zorgpremies uit het coalitieakkoord.1
In het geval dat het maximale aftrektarief met 0,60%-punt stijgt, neemt het budgettair belang van de aftrekposten in de IB met € 235 miljoen toe in 2027. Voor specifiek de hypotheekrenteaftrek gaat het om € 183 miljoen in 2027. In 2030 is de tariefsverhoging 0,79%-punt en neemt het budgettair belang van de hypotheekrenteaftrek met € 281 miljoen toe.
Kunt u aangeven wat de hoogte was van de hypotheekrenteaftrek in de afgelopen tien jaar en per jaar aangeven of dit tarief wel/niet gelijk was aan het tarief tweede schijf?
In de hierna weergegeven tabel zijn de maximale aftrekpercentages en het tarief van de tweede schijf voor de laatste tien jaren opgenomen. In de periode 2020 t/m 2024 was er sprake van een gemeenschappelijk basistarief naast het toptarief.2 Tot 2020 bestonden er vier schijven in de inkomstenbelasting. Ik heb daarom voor de volledigheid ook het tarief van de schijf die qua hoogte meer overeenkomt met het huidige tarief in de tweede schijf in de tabel opgenomen.
Vanaf 2014 is deze wettelijke systematiek geïntroduceerd en vanaf 2023 is als gevolg van de wettelijke koppeling het maximale aftrekpercentage gelijk aan de hoogte van de tweede belastingschijf. In de jaren daarvoor is het maximale aftrekpercentage hoger dan het tarief in de 2e schijf. Dit komt doordat in eerdere jaren het maximale aftrektarief stapsgewijs werd afgebouwd van het toptarief naar het tarief in de één na hoogste schijf.
37,56
37,56
37,48
37,48
36,97
36,97
36,93
36,93
40
37,07
43
37,10
46
9,70
37,35
49
10,45
38,10
49,5
13,20
40,85
50
13,15
40,80
Klopt het dat de hoogte van de hypotheekrenteaftrek niet per definitie gelijk hoeft te zijn aan het tarief van de tweede schijf en dat het dus een politieke keuze is wat de hoogte is van de hypotheekrenteaftrek?
De hoogte van het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief in de tweede schijf. Deze koppeling geldt voor alle zogenoemde grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de giftenaftrek. Op dit moment is dit zo vormgegeven in zowel de wet als de ICT-systemen van de Belastingdienst. Dat betekent dat dit – omwille van uitvoerbaarheid – niet op ieder moment gewijzigd kan worden (zie ook het antwoord op vraag 4).
Klopt het dat het beleidsmatig verlagen van het maximale aftrekpercentage mogelijk is per 1 januari 2028? Klopt het dat het aanpassen van het eigenwoningforfait mogelijk is per 1 januari 2027?
Het aanpassen van het eigenwoningforfait is voor de uitvoering een parameterwijziging en zou uitvoeringstechnisch mogelijk zijn per 1 januari 2027.
Het maximale aftrektarief is op dit moment vormgegeven als een tariefscorrectie. Dit was ook zo ten tijde van de afbouw van de hypotheekrenteaftrek vanaf 2014 en vanaf 2020 de andere grondslagverminderende posten. Volgens deze systematiek was het altijd de bedoeling dat de beperking niet verder ging dan het verschil tussen de hoogste en de op een na hoogste schijf. Zoals ook te zien is in de hiervoor opgenomen tabel, gold dit ook tijdens het afbouwpad tot 2023. Naar aanleiding van de motie van de leden Grinwis en Stultiens3 heeft de Belastingdienst een quickscan opgesteld (zie de bijlage). De motie verzoekt het kabinet inzichtelijk te maken wanneer het mogelijk is het tarief voor de aftrekposten in box 1 als zelfstandige tariefknop te implementeren in de ICT-systemen van de Belastingdienst. Uit de quickscan blijkt dat het voorstel een grote IV-impact heeft, en op zijn vroegst uitvoerbaar is per belastingjaar 2029.
Erkent u dan ook dat de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) wel degelijk uitvoerbaar is, dat de motie geen geld kost maar geld oplevert en dat er dus geen enkele valide reden is om de motie niet uit te voeren?
Zoals in de antwoorden op de vragen 3 en 4 aangegeven, is het minder eenvoudig om een wijziging door te voeren dan wellicht op het eerste oog gedacht kan worden. In de brief van 12 mei jl.4 staat dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft, om het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
Hebt u meegekregen dat Minister Heinen aangeeft dat hij deze motie «niet kan uitvoeren»1? Kunt u nogmaals bevestigen dat deze motie wel degelijk uitvoerbaar is, dat het een politieke keuze is wat het tarief van de hypotheekrenteaftrek de komende jaren zal zijn en dat een Kamermeerderheid heeft aangegeven het huidige tarief (37,56 procent) van de hypotheekrenteaftrek niet te willen verruimen?
Vanuit uitvoeringsperspectief zijn er verschillende aspecten aan de motie. Het maximale aftrektarief loskoppelen van het tarief tweede schijf heeft een grote IV-impact, waardoor dit gewogen moet worden ten opzichte van andere beleidswensen. Andere uitwerkingen hebben geen IV-impact doordat ze aansluiten bij bestaande parameters.
Het kabinet heeft in augustus besluitvorming over de lastenkant, wat impact heeft op de belastingtarieven. Ook weegt het kabinet opties om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 te verbeteren, wat ook impact heeft op het ICT-portfolio van de Belastingdienst. De uitkomst zal het kabinet met Prinsjesdag delen met uw Kamer.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat fiscaliteit van 24 juni 2026 en daarbij klip en klaar bevestigen dat u de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) gewoon zal gaan uitvoeren?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
De evacuatie van gedetineerden uit PI Vught |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat na de brand in de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught in korte tijd voor 162 gedetineerden elders plek is gevonden?1
Ja.
Hoe verklaart u dat binnen zeer korte tijd voor tientallen gedetineerden elders capaciteit beschikbaar bleek, terwijl al langere tijd wordt gewezen op een ernstig tekort aan celcapaciteit?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft alles op alles gezet om alle beschikbare plekken tijdelijk te benutten als noodoplossing. Er zijn vrije plekken in de Vreemdelingenbewaring en enkele isoleercellen ingezet. In een aantal gevallen is personeel van de PI Vught meegegaan met de gedetineerden omdat de ontvangende inrichting wel plekken maar geen personeel had. Dit was alleen voor enkele dagen mogelijk en is geen duurzame oplossing. Op 26 mei jl. is geconstateerd dat de unit in Vught weer veilig in gebruik kon worden genomen en zijn alle gedetineerden in de nacht van 26 op 27 mei weer ingesloten in hun eigen cel.
Betekent dit dat er feitelijk meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen aanwezig is dan eerder werd aangenomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, er is niet meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen dan eerder werd aangenomen. De capaciteit die nu is ingezet, biedt geen structurele oplossing en kon alleen voor enkele dagen worden ingezet als noodoplossing.
Deelt u de opvatting dat het onbegrijpelijk zou zijn wanneer enerzijds wordt gesproken over cellentekorten, terwijl anderzijds in crisissituaties kennelijk in korte tijd aanzienlijke capaciteit beschikbaar blijkt? Zo nee, waarom niet?
Zoals in vraag 2 en 3 aangegeven heeft DJI alles op alles gezet om deze groep gedetineerden kortdurend te verplaatsen, ook naar plekken die niet geschikt zijn voor een langere periode of waar geen personeel beschikbaar was. Dit was dus een tijdelijke noodoplossing.
Kunt u aangeven waar deze 162 gedetineerden precies zijn ondergebracht en op basis waarvan daar ruimte beschikbaar was?
Van de 162 gedetineerden is er voor circa 140 extern een plek gevonden. Deze gedetineerden zijn verplaatst naar zeven verschillende inrichtingen. Zoals hierboven vermeld is dit in een aantal gevallen gebeurd met het meesturen van personeel vanuit PI Vught. De overige gedetineerden zijn intern verplaatst.
Hoe is bij de overplaatsing van de 162 gedetineerden gewaarborgd dat hoogrisicogedetineerden of gedetineerden uit criminele netwerken niet in contact komen met personen met wie zij om veiligheidsredenen juist gescheiden dienen te blijven?
Het betrof de evacuatie van een unit waar geen hoog risico gedetineerden waren geplaatst. De tijdelijke overplaatsing heeft op een veilige manier plaatsgevonden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Schilder over het hanteren van meerpersoonscellen als norm waar dit veilig en verantwoord kan (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 127)?
Waar mogelijk wordt ingezet op het gebruik van meerpersoonscellen (MPC). Concreet betekent dit dat – indien de gebouwelijke voorzieningen en de veiligheid van zowel gedetineerden als het personeel dit toelaten – MPC’s worden ingezet.
Hoeveel extra celplaatsen zouden op korte termijn kunnen worden gerealiseerd indien meerpersoonscellen breder worden toegepast?
Er zijn op korte termijn geen extra MPC’s te realiseren binnen de bestaande capaciteit. Conform de motie Eerdmans2 wordt in het geval van renovatie en uitbreiding van capaciteit ingezet op de realisatie van zo veel mogelijk MPC’s.
Het bericht 'Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen», waarin wordt gemeld dat in Rotterdam inmiddels 15.160 jongeren tot 23 jaar met jeugdzorg te maken hadden, dat dit neerkomt op ongeveer één op de elf jongeren, en dat dit afwijkt van de landelijke dalende trend?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u voor de jaren 2020 tot en met 2025, uitgesplitst naar gemeente, jeugdregio en provincie, aangeven hoeveel jongeren jeugdzorg ontvingen, zowel absoluut als als percentage van het aantal jongeren tot 23 jaar?
De door u opgevraagde informatie is dusdanig uitgebreid dat deze niet goed weer te geven is in tabellen in deze schriftelijke beantwoording. Daarom zijn hieronder verschillende verwijzingen opgenomen, die u direct naar deze cijfers op de website van het CBS toeleiden:
Vanwege doorgevoerde verbeteringen in de verwerking van gegevens over jeugdzorg tussen 2020 en 2021, wordt data over de jeugdzorg door het CBS gepresenteerd in twee afzonderlijke periodes: periode 2015 – 2020 en periode 2021 tot heden. Hierdoor zijn de uitkomsten over jeugdhulp over de jaren 2021 en later niet goed te vergelijken met de uitkomsten over de jaren 2015 t/m 2020. Meer informatie is te vinden in de Methodewijzigingen Beleidsinformatie jeugd.5 Indien data over de jeugdzorg 2020 toch gewenst is, dan is deze online beschikbaar.6
Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, gezinsgerichte opvang, gesloten jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering?
De door u gewenste selecties bevat te veel data (bij de uitsplitsing naar gemeente) om online (via de website van het CBS) te kunnen weergeven in tabellen. Wel kunnen deze als CSV-bestand gedownload worden via de open data API van het Dataportaal.7 Voer daar de gewenste selectie in en download de CSV. Een andere optie is om de data in delen online te filteren. De verwijzingen daarvoor zijn hieronder opgenomen.
Data jongeren met jeugdzorg 2021 – 2025 in delen:
Data naar jeugdregio en provincie:
Kunt u aangeven in welke gemeenten het jeugdzorggebruik het sterkst boven of onder het landelijke gemiddelde ligt, en welke verklarende factoren daarvoor volgens u het meest aannemelijk zijn?
Hieronder treft u een landkaart met de weergave van het jeugdzorggebruik per gemeente (jongeren tot 23 jaar). De kleuren van de gemeenten geven een indicatie van of het jeugdzorggebruik ver boven of onder het landelijke gemiddelde ligt. Er bestaat een interactieve landkaart online om van iedere gemeente afzonderlijk de percentages te zien.13 Het CBS doet verder geen duiding van de cijfers. Per gemeente zullen de onderliggende redenen verschillen, zeker waar het gaat om gemeenten die sterk boven of onder het landelijk gemiddelde liggen. Vanuit VWS wordt wel nog onderzoek uitgezet naar aanvullend inzicht in de uitgavenontwikkeling van de jeugdzorg en de onderliggende factoren. Dit zal in algemene zin ook meer inzicht moeten geven in de ontwikkelingen in jeugdhulpgebruik.
Kunt u voor de afgelopen vijf jaar aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten is gestart als crisis, welk deel herhaald beroep betreft en welk deel betrekking heeft op jongeren die daarnaast ook jeugdbescherming of jeugdreclassering ontvangen?
Op basis van de beschikbare informatie van het CBS, geeft onderstaande tabel inzicht in «gestart met crisis» en «herhaald beroep».14
Totaal jeugdhulptrajecten
Totaal begonnen trajecten
Herhaald beroep
Gestart met crisis
2021
652.970
304.760
79.630
26,1
11.715
3,8
2022
667.420
309.615
80.230
25,9
10.610
3,4
2023
702.100
326.450
83.235
25,5
10.935
3,3
2024
709.935
323.860
84.275
26
10.200
3,1
20251
673.075
288.685
77.350
26,8
9.665
3,3
% t.o.v. totaal aantal begonnen trajecten
Betreft voorlopige cijfers.
Voorts vraagt u naar de uitsplitsing hierin naar jeugdbescherming en jeugdreclassering. Hieronder is in een tweetal tabellen de beschikbare informatie over het aantal jeugdigen met jeugdbescherming en/of jeugdreclassering weergegeven. Een verdere uitsplitsing naar jeugdbescherming of jeugdreclassering (bijvoorbeeld naar de wijze van de start van het traject) is echter niet mogelijk. Dit komt omdat de betreffende data niet op deze wijze aan elkaar is gekoppeld. Verder is er data beschikbaar over herhaald beroep van jeugdreclasseringsmaatregelen en van ondertoezichtstellingen in de jeugdbescherming.15, 16
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jeugdbescherming
Wel of geen JR
41.235
38.765
35.720
33.940
32.825
Wel JR
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Geen JR
40.195
37.705
34.700
32.855
31.675
Alleen voogdij
Wel of geen JR
10.305
9.990
9.480
8.995
8.380
Wel JR
135
145
165
180
170
Geen JR
10.170
9.840
9.315
8.815
8.210
Alleen OTS
Wel of geen JR
29.925
27.970
25.605
24.450
24.005
Wel JR
895
905
845
895
970
Geen JR
29.030
27.065
24.760
23.555
23.040
Zowel voogdij als OTS
Wel of geen JR
1.005
810
640
495
440
Wel JR
10
10
10
10
10
Geen JR
995
800
625
485
430
CBS StatLine Jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5E3A.
Betreft voorlopige cijfers.
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Wel JR
Wel/geen jeugdbescherming
7.975
7.475
7.665
8.290
8.660
Wel JR
Wel jeugdbescherming
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Wel JR
Alleen voogdij
135
145
165
180
170
Wel JR
Alleen OTS
895
905
845
895
970
Wel JR
Zowel voogdij als
OTS
10
10
10
10
10
Wel JR
Geen jeugdbescherming
6.935
6.410
6.645
7.205
7.515
CBS jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5F80.
Betreft voorlopige cijfers.
Kunt u de jeugdzorgcijfers uitsplitsen naar leeftijdscategorie, geslacht, type huishouden, inkomenskwintiel van het huishouden en onderwijssoort?
Voor de gewenste data adviseren wij om de nieuwste CBS rapporten te raadplegen over jeugdhulp,17 jeugdbescherming,18 en jeugdreclassering.19 In de rapporten staan (interactieve) staafdiagrammen met bijbehorende tabellen (incl. cijfers van voorgaande jaren) overzichtelijk gepresenteerd tezamen met een begeleidend schrijven.
Kunt u, voor zover beschikbaar en met inachtneming van statistische geheimhouding, de jeugdzorgcijfers tevens uitsplitsen naar geboorteland van de jongere, geboorteland van de ouders en herkomstland conform CBS-definities?
Hieronder treft u de voorlopige cijfers jeugdzorg naar herkomst 2025. Betreffende data is alleen terug te vinden in CBS rapporten over jeugdzorg,19 jeugdbescherming,20 en jeugdreclassering,21 en zijn niet beschikbaar in online StatLine tabellen.
Jeugdzorg naar herkomst
Jongeren jeugdhulp zonder verblijf
Jongeren jeugdhulp met verblijf
Jongeren met jeugdbescherming
Jongeren met jeugdreclassering
10,4
0,9
1
0,3
Nederland
10,7
0,9
0,9
0,2
Europa (exclusief Nederland)
10
1
1,1
0,4
Turkije
6,9
0,4
0,6
0,5
Marokko
7,1
0,5
0,7
0,9
Suriname
10,3
1,7
2
1,1
Nederlands-Caribisch gebied
13,9
2,8
2,8
1,9
Indonesië
8,5
0,8
0,7
0,4
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
9,5
0,9
1,1
0,7
6,1
0,7
1
0,5
Europa (exclusief Nederland)
5,5
0,6
1
0,2
Turkije
6
0,4
0,6
0,2
Marokko
9,5
1
1,6
1,4
Suriname
8,6
1,5
1,5
0,9
Nederlands-Caribisch gebied
10,3
1,9
2,5
1,2
Indonesië
4
0,4
0,5
0,1
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
6,3
0,7
0,9
0,7
Kunt u daarbij nadrukkelijk onderscheid maken tussen jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering, omdat deze vormen inhoudelijk en beleidsmatig sterk verschillen?
De informatie die hierover beschikbaar is, is opgenomen in het antwoord bij vraag 7.
Welke van deze achtergrondkenmerken hangen volgens bestaande CBS-analyses het sterkst samen met jeugdzorggebruik, en welke beleidsconclusies verbindt u daaraan?
Een soortgelijke analyse als waar u naar vraagt is in 2023 door het CBS uitgevoerd over het jaar 2021.20 Dit onderzoek had naast herkomst ook betrekking op andere demografische achtergrondkenmerken. Voor de daaropvolgende jaren zijn dergelijke analyses niet gedaan.
Het onderzoek laat de samenhang zien tussen jeugdhulpgebruik en verschillende factoren. Dit betekent overigens niet dat ook geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een causaal verband. De samenhang voor jeugdhulp zonder verblijf is het sterkst met de factoren GGZ gebruik in huishouden, speciaal onderwijs en leeftijd. Voor jeugdhulp met verblijf is dit speciaal onderwijs, samenstelling van het huishouden en gebruik van Wmo en/of WLZ in het gezin. Voor Jeugdbescherming is dit ouders wonen op hetzelfde adres/samenstelling van het huishouden, speciaal onderwijs en gebruik van Wmo en/of WLZ. Voor Jeugdreclassering is dit verdachte in huishouden, HALT, geslacht en speciaal onderwijs/hoogst gevolgde opleiding.
Kortom, in algemene zin blijk uit dit onderzoek dat jongeren met jeugdzorg vaker dan jongeren zonder jeugdzorg te maken hebben met problemen op andere gebieden. Daarmee sluiten de uitkomsten van het onderzoek aan op de beleidsinzet om een integrale en brede blik te hanteren wanneer er problemen bij jeugdigen voordoen en/of een beroep gedaan wordt op jeugdzorg. Onder andere met het met een brede blik kijken naar en betrekken van het gezin bij hulpvragen (waaronder een verklarende analyse), de inzet op stevige lokale teams en de inzet op passende zorg en ondersteuning.
Kunt u aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten wordt gestart via de gemeentelijke toegang, welk deel via huisarts, jeugdarts of medisch specialist, welk deel via gecertificeerde instellingen en welk deel via rechterlijke of justitiële route?
Hieronder worden de meest actuele cijfers hierover weergegeven.21
Huisarts
35
36
38,7
39,5
Gemeentelijke toegang
32,7
32,3
30,9
30,6
Geen verwijzer
16,8
17,5
16,2
15,6
Gecertificeerde instelling
5,7
5,6
5,7
5,8
Medisch specialist
5,5
4,6
4,4
4,5
Jeugdarts
3,7
3,7
3,7
3,5
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,3
0,3
0,3
0,3
Onbekend
0,2
0,1
0,1
0,1
Gemeentelijke toegang
43,3
44,9
44,4
43,5
Gecertificeerde instelling
38,1
36,3
35
36,1
Huisarts
6,6
6,4
6
5,6
Medisch specialist
6
5,4
6,5
6,4
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,9
1,2
0,9
0,8
Jeugdarts
0,4
0,4
0,4
0,4
Geen verwijzer
0
0
0
0
Onbekend
4,6
5,3
7
7,1
Betreft voorlopige cijfers.
Klopt het dat gemeenten bij de medische verwijsroute wel financieel verantwoordelijk zijn, maar beperkt kunnen sturen op de feitelijke toekenning van hulp? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor kostenbeheersing en voor het terugdringen van onnodige of lichte jeugdhulp?
De Jeugdwet kent meerdere verwijzers naar jeugdhulp. Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten (hierna: medisch verwijzers) kunnen bepalen dat een jeugdige aanspraak kan maken op jeugdhulp. De gemeente moet vervolgens een beschikking afgeven op basis van wat de jeugdhulpaanbieder inschat dat nodig is. De jeugdhulpaanbieder moet zich bij deze inschatting houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die de gemeente in de verordening heeft gesteld.
Het kunnen bieden van passende jeugdhulp met een brede blik en het kunnen sturen op de inzet van mensen en middelen in de context van schaarste is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van huisartsen en gemeenten. In het najaar van 2025 zijn hierover bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de Landelijke Huisartsen Verenging (LHV), Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN), de VNG en VWS.22 Deze worden verankerd en uitgewerkt in de leidraad.23 In deze bestuurlijke afspraak is de samenwerking tussen gemeenten, huisartsen en jeugdartsen, zoals beoogd in de Hervormingsagenda jeugd, nader uitgewerkt.
Welke hulpvormen heeft u concreet op het oog, gezien in de toelichting op het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet wordt gesteld dat preventie en basishulp voorliggend moeten worden op aanvullende jeugdhulp, dat jeugdhulp waar mogelijk groepsgewijs moet worden ingezet en dat bepaalde hulpvormen bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) buiten de Jeugdwet kunnen worden geplaatst?
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet worden bij de betreffende categorieën voorbeelden genoemd. Het gaat bijvoorbeeld bij de versterking van de sociaal pedagogische basis om voorzieningen die alledaagse opvoed- en opgroeivragen in de leefomgeving opvangen zodat jeugdhulp niet nodig is. Concreet gaat het hierbij om: jongerenwerk, laagdrempelige inloop- en ontmoetingsplekken en informele steunstructuren zoals Buurtgezinnen. Bij basishulp worden genoemd: opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding van jeugdigen met lichte gedragsproblemen en laagdrempelige langdurige begeleiding bij gezinnen met een kind met een chronische beperking. Bij jeugdhulp op groepsbasis gaat het om hulpvormen waarbij het bijvoorbeeld gaat om het besef niet de enige te zijn met een bepaald probleem, onderlinge steun en erkenning, en de mogelijkheid om sociale vaardigheden in een veilige omgeving met leeftijdsgenoten te oefenen. Voor de amvb waarbij vormen van jeugdhulp wordt uitgesloten gaat het bijvoorbeeld om ernstige enkelvoudige dyslexie die niet is vastgesteld volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling, huiswerk-, studie- en stagebegeleiding, weerbaarheidstraining zonder ontwikkelings- of gedragsprobleem, outdoor- of survivalactiviteiten zonder behandel- of begeleidingscomponent, Braingame Brian en HiRO.
Welke vormen van jeugdhulp worden volgens u op dit moment te vaak ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kan worden georganiseerd?
Bij hulpvragen van jeugdigen rondom het opvoeden en opgroeien is niet één op één aan te geven welke hulp en/of ondersteuning passend is aangezien problematiek altijd afspeelt in een bepaalde context. De context bepaalt welke hulp effectief is bij bepaalde hulpvragen. Zo kan het dus zijn dat eenzelfde hulpvraag, zoals «mijn kind vertoont druk gedrag», verschillende oplossingen nodig heeft in verschillende situaties. Dit maakt het dus ook niet mogelijk om aan te geven welke vormen van jeugdhulp te vaak worden ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via het onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kunnen worden georganiseerd. Wel zien we al langer een stijging in de relatief lichtere vormen van ambulante hulp en ondersteuning zoals begeleiding, basis-ggz behandeling en relatief lichte vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning.
Kunt u vóór de behandeling van de nieuwe regels over de reikwijdte van de Jeugdwet een landelijke benchmark aan de Kamer te sturen met per gemeente het feitelijke jeugdzorggebruik, de modelschatting op basis van achtergrondkenmerken, de afwijking daarvan en een beleidsmatige duiding van opvallende uitschieters?
Het CBS publiceert twee keer per jaar cijfers over jeugdzorg, waarbij o.a. uitsplitsingen worden gemaakt naar gemeente en zorgvorm (zie ook het antwoord op vraag 2 en 3). Daarnaast heeft het CBS in 2025 modelschattingen per gemeente gepubliceerd o.b.v. relevante achtergrondkenmerken voor jeugdzorg. Deze vindt u hier: Modelschattingen jeugdzorggebruik per gemeente, 2023 | CBS.24 Deze cijfers zullen ook betrokken worden in de centrale monitor van het jeugdstelsel, waarvan het CBS nu de data-infrastructuur bouwt. Een eerste versie van deze monitor wordt in het najaar gepubliceerd.
Bent u bereid daarbij expliciet inzichtelijk te maken waar sprake lijkt te zijn van overgebruik van lichte jeugdhulp, waar sprake lijkt te zijn van onderbereik van kwetsbare jongeren, en waar sprake is van relatief veel zware jeugdzorg? En kunt u dit beleidsmatig duiden?
Ik beschik niet over cijfers over lichte jeugdhulp, zware jeugdzorg of kwetsbare jongeren. CBS houdt namelijk andere categorieën van zorgvormen bij, zie vraag 3.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het debat over de nieuwe regels voor de reikwijdte van de Jeugdwet?
Ja.
De gevolgen van het Circulair Materialenplan voor de verwerking van bodemas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen bij het bedrijfsleven over de gevolgen van het Circulair Materialenplan (CMP) voor de verwerking van bodemas van afvalverbrandingsinstallaties1 in combinatie met de afnemende afzetmogelijkheden in eigen land?
Ja.
Hoe waardeert u deze zorgen?
Het Ministerie van EZK en het Ministerie van IenW voeren regelmatig gesprekken met de sector, zowel voor als na de inwerkingtreding van het Circulair Materialenplan (CMP). Naast deze gesprekken loopt er een traject van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie (SRCE) dat de rijksoverheid, decentrale overheden en de sector samenbrengt om het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas te herstellen.
Is de veronderstelling juist dat de huidige afzetproblematiek en de snel opgelopen voorraden van ongereinigde bodemas niet zijn meegenomen bij de vaststelling van het CMP?
Ten behoeve van een verantwoorde toepassing en het versterken van het vertrouwen hierin, is in het CMP opgenomen dat bodemas moet voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Daarnaast zien we dat het reinigen van AVI-bodemas technisch goed mogelijk is en al geruime tijd in de praktijk toegepast wordt.
De sector is nauw betrokken geweest bij de voorbereidingen van de maatregelen in het CMP. Er hebben verschillende gesprekken met partijen uit de sector plaatsgevonden. Tijdens deze gesprekken hebben belanghebbenden zorgen kunnen uiten en inbreng kunnen leveren. Mede op basis van deze gesprekken is besloten tot een overgangstermijn van twee jaar om de sector in staat te stellen om (de capaciteit van) hun reinigingsinstallaties aan te passen.
Verwacht u dat de huidige overgangstermijn voldoende is voor het realiseren van voldoende wascapaciteit voor het reinigen van bodemas? Zo ja, waar baseert u dat op?
Het concept-CMP is begin 2025 gedeeld. Daarnaast zien we dat de reiniging van AVI-bodemas al geruime tijd wordt toegepast in de praktijk. Twee jaar lijkt om deze reden een redelijke overgangstermijn. Het Rijk is en blijft ook met de sector (exploitanten van AVI’s en opwerkers van AVI-bodemas) in gesprek over de voortgang. In het afvalplan AVI-bodemassen is in de paragraaf Toekomstplannen opgenomen dat, als blijkt dat de overgangstermijn van twee jaar niet voor alle situaties toereikend is terwijl de sector zich naar het oordeel van de rijksoverheid wel voldoende heeft ingespannen, wordt gekeken of uitstel nodig is.
Ziet u mogelijkheden voor het tijdelijk toestaan van export van bodemas ten behoeve van nuttige toepassingen, bijvoorbeeld voor opvulling of andere toepassing in de diepe ondergrond, om zo de voorraadproblematiek op te lossen?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is het bevoegd gezag dat export van afvalstoffen toetst aan de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) via de zogenaamde kennisgevingsprocedure. ILT hanteert, naast de regels van de EVOA, het toetsingskader van het CMP voor de beoordeling van kennisgevingen. Als er concrete verzoeken om export ten behoeve van «andere nuttige toepassing» komen, beslist de ILT van geval tot geval of kan worden ingestemd met deze export. Mocht de ILT vinden dat het noodzakelijk is om af te wijken van het toetsingskader van het CMP, dan zullen zij een melding «afwijken CMP» doen. Deze meldingen worden door het Ministerie van EZK van advies voorzien.
Is het u bekend dat verschillende gemeenten het gebruik van gewassen bodemas verbieden dan wel sterk beperken, terwijl het CMP deze ruimte voor gebruik van gewassen bodemas, gelet op de gewenste circulariteit, nadrukkelijk wel biedt en zich verzet tegen dergelijke generieke verboden en beperkingen?
Ja.
Hoe waardeert u deze beperkingen?
In het CMP is een oproep gedaan om geen generieke beperkingen op te nemen voor de toepassing van secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen in wet- en regelgeving, maar om specifiek per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging te maken.
Deze oproep betekent echter niet dat een generieke beperking niet mogelijk is. Een bevoegd gezag mag hiertoe besluiten. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het CMP verandert hier niets aan. Hierover is 23 april jongstleden een brief naar de Kamer gestuurd.2
Wat bent u voornemens te doen om onnodige inperking van de ruimte voor gebruik van gewassen bodemas te beperken?
Er vinden verschillende gesprekken plaats tussen de rijksoverheid, de sector en decentrale overheden in het traject van de SRCE. Dit traject focust zich op lokale overheden via IPO, VNG en ODNL en op herstel van het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas.
Deelt u de analyse dat de kwaliteit van Nederlands bodemas relatief slecht is ten opzichte van de bodemas uit onder meer België en Frankrijk, mede vanwege de keuze voor snelle verbranding?
Er zijn mij signalen bekend van opwerkers van bodemas dat er relatief grote verschillen bestaan tussen de kwaliteit van bodemas van Nederlandse AVI’s (dit betreft ongereinigde «ruwe» bodemas) en bodemas uit het buitenland.
Welke maatregelen neemt u voor verbetering van de kwaliteit van het bodemas?
Om de kwaliteit van de bodemas in Nederland te verbeteren zijn met het CMP de eisen aangescherpt. Het is niet langer toegestaan om bodemas die niet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 voldoet, toe te passen of te gebruiken voor de productie van vulstof voor vormgegeven bouwstoffen of inzet als granulaat in vormgegeven bouwstoffen. Dit vanwege milieutechnische redenen en met het oog op een circulaire toekomst. Het reinigen van AVI-bodemas is technisch goed mogelijk en wordt al geruime tijd in de praktijk toegepast.
Ook wordt op dit moment een studie voorbereid waarbij de verschillen tussen Nederlandse en buitenlandse bodemas concreter en specifieker worden uitgelicht en de gevolgen daarvan voor de reinigbaarheid van de ongereinigde «ruwe» bodemas. In dit onderzoek zal ook gekeken worden naar de noodzaak en mogelijkheden om te sturen op een betere kwaliteit van ongereinigde «ruwe» bodemas en naar mogelijke gevolgen daarvan voor het verbranden zelf. Wanneer dit onderzoek klaar is, zal de Kamer hierover geïnformeerd worden.
Het rapport van de Algemene Rekenkamer over de screening van asielzoekers |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Algemene Rekenkamer waaruit blijkt dat de screening op terrorisme pas na gemiddeld twee jaar plaatsvindt in plaats van binnen de norm van 14 dagen?1
Ja ik ben bekend met dit rapport.
De screening die de Rekenkamer heeft onderzocht betreft onderdeel van het onderzoek dat de IND in het asielproces uitvoert. Hierbij wordt gekeken naar uitingen op social media, wat in samenhang met andere gegevens, relevante informatie kan opleveren. Hierbij is er specifiek aandacht voor signalen die kunnen wijzen op fraude/misbruik, mensenhandel/-smokkel, gevaar openbare orde, internationale misdrijven of een gevaar voor de nationale veiligheid. Het waarborgen van de nationale veiligheid binnen de asielprocedure vereist echter doorlopende inspanning. De sociale media screening is één van meerdere momenten waarop signalen gedurende de procedure kunnen worden opgevangen.
Vanaf het moment dat de procedure start zijn er meerdere momenten waarop signalen kunnen worden onderkend, gewogen en gedeeld door de IND, het COA en de DTenV met de politie en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zoals bij de voorregistratie bij aanmelding door de IND, bij raadpleging van (inter)nationale politie/justitiële databases, tijdens overige contacten met de vreemdeling, met name gehoren, maar ook tijdens het verblijf bij COA of contacten met DTenV. Daarnaast zijn ook de opsporings- en inlichtingendiensten alert.
Bij de vormgeving van de screening door de IND in 2016 was de insteek om te gaan screenen binnen een streeftermijn van 14 dagen na het aanmeldgehoor, dat plaats vindt nadat een vreemdeling het Identificatie- en Registratieproces heeft doorlopen. De screening vindt nu veelal plaats voorafgaand aan het asielgehoor waardoor deze oorspronkelijke streeftermijn niet gehaald wordt. Voordeel hiervan is dat de informatie die uit deze social media screening komt, actueler is en daardoor beter bij het nader gehoor betrokken kan worden.
De screening van nareizigers (die dan nog in het buitenland verblijven) vindt plaats nadat beoordeeld is dat de vreemdeling in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning, maar voorafgaand aan het besluit van de IND.
Klopt het dat u niet weet hoeveel asielzoekers er op dit moment in Nederland aanwezig zonder dat zij (volledig) gescreend zijn op terrorisme, radicalisering of andere veiligheidsrisico’s? Hoe is het mogelijk dat u dit niet weet?
Dat klopt niet, de IND heeft zicht op de voorraad nog te screenen personen en stuurt hierop.
Erkent u dat het jarenlang laten rondlopen van asielzoekers in Nederland zonder screening een levensgevaarlijk en onacceptabel risico vormt voor de nationale veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Nationale veiligheid in de asielprocedure is geen momentopname, maar vraagt continue alertheid van de hele keten. Zoals bij het antwoord op vraag 1 uiteengezet, is deze social media screening niet het enige moment waarop signalen kunnen worden onderkend.
Ik herken daarom niet het beeld dat asielzoekers jarenlang ongecontroleerd in Nederland verblijven. De Rekenkamer constateert dat het systeem goed is ingericht, maar dat de uitvoering sneller moet. Dat onderschrijf ik. De IND is al gestart met een traject om de screening te versterken.
Hoeveel terrorismegerelateerde signalen of hits zijn er de afgelopen jaren alsnog naar boven gekomen bij verlate screenings? Hoeveel daarvan betroffen personen die al langere tijd in Nederland verbleven?
Vanwege het belang van de nationale veiligheid doet de IND geen mededelingen over de precieze herkomst, aantallen, inhoud en opvolging van signalen die mogelijk duiden op een gevaar voor de nationale veiligheid. Dit geldt ook voor verlate screenings. Waar signalen ontstaan, wordt uiteraard adequaat gehandeld binnen de daarvoor geldende kaders.
Waarom heeft u de Tweede Kamer niet eerder geïnformeerd over het feit dat de screening niet op orde is?
Uw Kamer is in 20232 en 20243 geïnformeerd over evaluaties en verbetermaatregelen rondom het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Daarbij is ook aangegeven dat voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening ketenbreed noodzakelijk blijft.
De Rekenkamer doet nu aanvullende constateringen over de tijdigheid van een specifieke screening. De Rekenkamer constateert dat het systeem goed is ingericht, maar dat de uitvoering sneller moet. Dat onderschrijf ik.
Gaat u er per direct voor zorgen dat alle asielzoekers die nu in Nederland aanwezig volledig gescreend worden en bent u bereid om onmiddellijk een asielstop af te kondigen zolang de veiligheid van de Nederlandse bevolking niet gewaarborgd kan worden? Zo nee, waarom kiest u er bewust voor om de veiligheid van Nederlanders op het spel te zetten?
Vanaf de inwerkingtreding van het EU Asiel- en Migratiepact op 12 juni aanstaande is de inzet van de IND prioritair gericht op het bijhouden van de nieuwe instroom asielaanvragen en een snelle screening van deze instroom na het proces Ontvangst en Voorbereiden Asielaanvraag (OVA), waarin de asielzoeker geïdentificeerd en geregistreerd wordt. Tevens zal er ook inzet blijven op de screening van oudere zaken, waarbij de screening in ieder geval voorafgaand aan het gehoor plaatsvindt. Er zal tijdelijk extra capaciteit ingezet worden voor het uitvoeren van de screening.
Ook zijn naar aanleiding van de eerdere bevindingen reeds maatregelen genomen, zoals uitbreiding van openbronnenonderzoek en aanpassing van screeningsinstructies. Daarnaast heeft de IND een leerlijn screening ontwikkeld en geïmplementeerd.
Het kabinet is niet bereid om een asielstop af te kondigen. Nederland is gebonden aan Europese en internationale rechtskaders, waaronder het VN Vluchtelingenverdrag en EU-wetgeving, die het recht op het indienen en behandelen van een asielverzoek waarborgen. Een generieke asielstop is juridisch niet houdbaar en disproportioneel. De focus ligt op het verder versterken van screening en informatie-uitwisseling, het eerder positioneren van de screening in de procedure (in lijn met het EU Asiel- en Migratiepact) en het borgen van ketenbrede alertheid, zodat de veiligheid in Nederland wordt beschermd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat JBZ-Raad d.d. 27 mei aanstaande?
Gegeven de beperkte tijdspanne is dat niet gelukt.
Kunt u bevestigen dat nationaal en internationaal onderzoekers al bijna tien jaar waarschuwen dat het RCP8.5-scenario onwaarschijnlijk is en niet meer gebruikt zou moeten worden voor beleidsdoeleinden?1, 2, 3
Waarom heeft het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en in het verlengde daarvan het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dit advies al die jaren in de wind geslagen
Kunt u bevestigen dat sinds de publicatie van dit RCP8.5-scenario in 2011 er wereldwijd naar schatting meer dan 100.000 wetenschappelijke artikelen zijn verschenen die gebruikmaken van dit scenario en een veelvoud aan media-uitingen?
Hoe kijkt u daarop terug, nu blijkt dat dat scenario nooit plausibel is geweest?
Kunt u bevestigen dat het midden-scenario voortaan als «business as usual» mag worden gezien/gebruikt?
Deelt u de mening dat op basis van het RCP8.5- (en diens opvolger het SSP5-8.5) scenario het IPCC, het KNMI en in het verlengde daarvan ook de Nederlandse overheid veel te alarmistisch zijn geweest over klimaatverandering?
Gaat u de overheidspagina over klimaatverandering met spoed herschrijven in het licht van de «nieuwe» inzichten omdat daar bijvoorbeeld nog staat dat de zeespiegel in 2100 wel 1,2 meter (of zelfs 2 meter) kan stijgen maar dat dit was gebaseerd op het RCP8.5-scenario?4
Heeft u de reactie van het KNMI gezien5 op de nieuwe scenario’s en vindt u het acceptabel dat het instituut zelfs nu nog doet alsof er niets veranderd is dat hoewel het KNMI erkent dat RCP8.5 niet langer realistisch is, toch weigert haar eigen scenario’s, die op RCP8.5 gebaseerd zijn, aan te passen?
Misleidt het KNMI hiermee alle sectoren en (lagere) overheden die gebruikmaken van de KNMI-scenario’s en gedraagt het KNMI zich in Nederland daarmee niet veel te veel als eenoog Koning (een kennismonopolist)?
Hoe kan het dat het IPCC in haar zesde rapport in 2021 al waarschuwde dat RCP8.5 (en SSP5-8.5) niet langer plausibel was en het KNMI bij de 2023 klimaatscenario’s dit scenario toch gewoon weer inzette?6
Kunt u het KNMI vragen met spoed en in het Engels een reactie te schrijven op de kritiek van Pielke Jr, aangezien de internationaal zeer goed in dit dossier ingevoerde onderzoeker Roger Pielke Jr op social media onmiddellijk de publieke reactie van het KNMI op de nieuwe scenario’s bekritiseerde7 en volgens hem de reactie van het KNMI diverse «onjuiste beweringen» zou bevatten en ook Volkskrant-journalist Maarten Keulemans constateerde dat op social media platform X8 wat natuurlijk zeer ernstig zou zijn voor een overheid die zelf zegt het bestrijden van mis- en desinformatie zo belangrijk te vinden?
Kunt u ervoor zorgen dat het PBL, het KNMI en bewindslieden als uzelf voortaan de echte reden geven voor het verlaten van RCP8.5 en kunt bevestigen dat een belangrijk kritiekpunt van Pielke Jr klopt dat diverse onderzoekers, waaronder Detlef van Vuuren van het PBL, de eerste auteur van de nieuwe scenariopaper9, en ook het KNMI, ten onrechte beweren dat het «rampenscenario» is verlaten vanwege het succes van het beleid, met name het goedkoper worden van zonne- en windenergie en ook de Minister suggereerde dit in haar interview bij het programma Ongehoord Nieuws maar dat de werkelijke reden dat het «rampenscenario» is verlaten is dat de aannames erachter altijd al onrealistisch geweest zijn, namelijk een explosieve stijging van steenkoolgebruik in de 21e eeuw?
Kunt u laten onderzoeken hoe het mogelijk is geweest dat juist dit niet plausibele RCP8.5-scenario gebruikt werd als het enige referentie- of ook wel business-as-usual-scenario?
Deelt u de mening dat RCP8.5 nooit als referentiescenario gelabeld had moeten worden en dat beleidsmakers daarmee jarenlang op het verkeerde been zijn gezet?
Kunt u navragen en toelichten waarom het PBL het niet eens opportuun achtte om een persbericht de deur uit te doen, terwijl een PBL-medewerker eerste auteur van de internationale paper is waarmee de nieuwe IPCC-scenario’s zijn gelanceerd?
Zou dit ook niet gebeurd zijn als het nieuwe hoogste scenario hoger uitgevallen zou zijn dan RCP8.5, met andere woorden als de boodschap had kunnen zijn «it is worse than we thought» en deelt u de mening dat dergelijke institutionele bias ongewenst is?
Kunt u bevesboektigen dat het nieuwe hoogste scenario CMIP7 High geen referentiescenario is en dus niet als zodanig gebruikt en gecommuniceerd moet worden?
Kunt u bevestigen dat dit betekent dat toekomstig eventueel beleidssucces nooit gerelateerd kan worden aan dit scenario?
Kunt u bevestigen dat het nieuwe hoge scenario (CMIP7 High) gebaseerd is op het SSP3-scenario en niet op het eerder gebruikte SSP5-scenario?
Kunt u met spoed laten uitzoeken hoe het mogelijk is dat dit scenario uitgaat van een bevolkingstoename in 2100 van maar liefst 14,5 miljard mensen10, wat haaks staat op projecties van de VN (+/– 10 miljard in 2100) en het IMHE (+/– 9 miljard in 2100)?
Deelt u de mening dat het niet opnieuw moet gebeuren dat de klimaatgemeenschap tien jaar of langer gaat werken met scenario’s die uitgaan van achterhaalde aannames?
Kunt u bevestigen onder de aanname van staand beleid («current policies») dat temperatuurprojecties in 2100 uitkomen op ongeveer 2,5 graden opwarming11 en als je dat zou combineren met realistischere aannames voor bevolkingsgroei en economische groei het tweegradendoel van Parijs zelfs haalbaar lijkt zonder aanvullend beleid?12
Deelt u de mening dat er veel meer toezicht nodig is op de samenstelling en de werkwijze van de internationale commissie die de IPCC-scenario’s vaststelt, bijvoorbeeld omdat Roger Pielke Jr zijn zorgen heeft uitgesproken13 over de samenstelling en het gebrek aan toezicht op de internationale commissie en waar slechts twee instituten (IIASA en PIK) die commissie domineren en transparantie over wat er besproken wordt tijdens meetings volledig ontbreekt?
Zo ja, wat gaat u internationaal doen om dat voor elkaar te krijgen?
Gaat u het KNMI nu de opdracht geven haar scenario’s op de nieuwste ontwikkelingen aan te passen en hiermee niet te wachten tot het KNMI volgens eigen planning pas in 2029 of 2030 met een update komt?
Kunt u de Kamer met spoed een eerste inventarisatie sturen van de projecten in Nederland die gebaseerd zijn op RCP8.5 en/of SSP5-8.5 zodat de Kamer kan zien hoe dit scenario heeft doorgewerkt in de samenleving?
Kunt u in het bijzonder aangeven wat de consequenties zijn van de nieuwe inzichten voor het Nationaal Deltaprogramma waarin de Deltascenario’s 202414 voor 50% zijn gebaseerd op het nu geschrapte SSP5-8.5-scenario?
Betekenen de nieuwe inzichten dat we fors kunnen bezuinigen op het jaarlijkse budget voor het Deltaprogramma dat ongeveer 1,9 miljard euro bedraagt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De stapeling van overtredingen en niet voldoen aan wet- en regelgeving door Tata Steel |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Wanneer heeft u de brief die de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) op 23 april 2026 naar Tata Steel verstuurde, die ziet op de intrekking van de vergunningen voor de Kooksgasfabrieken (KGF) 1 en 2, ontvangen?
Wanneer wist u dat de ODNZKG voornemens was de vergunningen van de KGF 1 en 2 in te trekken? Kunt u aangeven of dit voor of na het plenaire debat van 7 april jl. was?
Indien u de brief op hetzelfde moment of rond dezelfde tijd ontving: waarom heeft u die brief dan niet meteen met de Kamer gedeeld?
Bent u het ermee eens dat de Staat zeer zorgvuldig en terughoudend moet omgaan met het uitgeven van geld van burgers aan een commercieel, Indiaas bedrijf, al helemaal in tijden waarin het kabinet kiest voor harde bezuinigingen op o.a. de Nederlandse zorg? Zo nee, waarom niet?
Weet u nog dat de Partij voor de Dieren in debatten en in schriftelijke vragen van de afgelopen jaren de regering er meermaals op heeft gewezen dat Tata Steel zich al jaren niet houdt aan wet- en regelgeving en dat er een grote kans bestaat dat niet alleen KGF 2, maar ook KGF 1 gedwongen dicht moet, dat dat het plan waar de Staat over aan het onderhandelen is zou veranderen en dat geld geven aan Tata Steel een extra risico vormt voor de belastingbetaler? Zo ja, bent u het ermee eens dat deze signalen te licht zijn opgevat in het verleden, en hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort signalen in de toekomst evenwichtig worden meegenomen?
Bent het ermee eens – tegen de achtergrond dat de omgevingsdienst overgaat tot intrekking van de vergunningen voor beide kooksfabrieken, omdat Tata Steel de normen stelselmatig jarenlang overschrijdt en er geen reden is om te veronderstellen dat dat nog gaat veranderen – dat er in lijn met de Joint Letter of Intent (JLoI) art.15.3 (d) sprake is van een (potentiële) opzeggingsgrond? Waarom wel/niet?
Bent u voornemens deze opzeggingsgrond aan te wenden om de inspanningsverplichting te stoppen, aangezien in de kabinetsbrief van 7 april jl. (Kamerstuk 28 089, nr. 350) wordt gesteld dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft»? Zo nee, kunt u dat heel nauwkeurig onderbouwen?
Wat gebeurt er op het moment dat uit het lopende strafrechtelijk onderzoek1 blijkt dat Tata Steel opzettelijk en onrechtmatig de gezondheid van mensen in gevaar heeft gebracht? Welke invloed heeft het lopende onderzoek op de gesprekken over de maatwerkafspraken?
Kunt u bevestigen dat er geen enkele invloed op de ILT en de ILT-IOD, direct of indirect, wordt uitgeoefend vanuit het ministerie in hun werk rondom Tata Steel en dat de instanties onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraken tot hun oordeel kunnen komen?
Bent u ermee bekend dat experts zeggen dat KGF 2 zo verouderd is dat het al in de jaren negentig gesloten had moeten worden, maar dat het nooit gebeurd is, omdat kortetermijnwinst belangrijker werd geacht dan de gezondheid voor omwonenden?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het stilleggen van een bedrijfsonderdeel door Tata Steel op verzoek van de toezichthouder, omdat na metingen is gebleken dat het te veel van de kankerverwekkende stof chroom-6 uitstoot? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overschrijden van verschillende normen voor gevaarlijke stoffen bij de Sinterfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overtreden van regels bij de Oxystaalfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het feit dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat Tata Steel toezicht en controles belemmert en vertraagt? Welke consequenties zijn er vanuit het kabinet richting Tata Steel als belemmering en vertraging van de toezichthoudende taken nogmaals worden geconstateerd?
Wat vindt u ervan dat de omgevingsdienst al in 2025 heeft geconstateerd dat Tata Steel een aanzienlijk hogere uitstoot van schadelijke stoffen rapporteert in het elektronisch milieujaarverslag (e-MJV) van 2024 ten opzichte van voorgaande jaren, en dat de omgevingsdienst nog steeds geen goede verklaring voor deze veel hogere uitstoot heeft ontvangen van Tata Steel? Wat zegt dit over de bedrijfscultuur en betrouwbaarheid van Tata Steel?
Klopt het dat Tata Steel tot nu toe meer dan 25 miljoen euro aan boetes heeft moeten betalen voor het overtreden van regels? Zo nee, wat is het bedrag precies?
Wat vindt u van de cultuur van het buitenlandse bedrijf, dat zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt, handhaving en toezicht traineert en belemmert, onvolledige of misleidende cijfers en informatie deelt, door de toezichthouder «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, en onvoldoende en ontijdig heeft geïnvesteerd in gezonde bedrijfsvoering en onderhoud?
Welke risico’s voor de maatwerkafspraken, de Staat en de belastingbetaler zijn er door de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving (waarvan een aantal in vorige vragen genoemd), de bovengeschetste cultuur van het bedrijf en door de lopende rechtszaken? Kunt u met de Kamer delen welke adviezen u daarover heeft ontvangen?
Kunt u uitgebreid uitleggen en onderbouwen hoe u de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving en lopende onderzoeken en rechtszaken beoordeelt vanuit art.15.3 van de JLoI?
Aangezien u eerder schreef dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft», en Tata Steel zich al jaren niet aan wet- en regelgeving houdt, tot wanneer precies geeft u Tata Steel de tijd om eindelijk aan de wet- en regelgeving te voldoen?
Kunt u uitsluiten dat u een maatwerkafspraak maakt met Tata Steel, als het bedrijf zich nog steeds niet aan wet- en regelgeving kan houden? Zo nee, wat is dan uw uitspraak over het belang van naleving van wet- en regelgeving waard?
Aangezien Tata Steel zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt en door toezichthouders «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, welk signaal denkt u dat het afgeeft dat de Staat alsnog bereid is om zo’n bedrijf belastinggeld te geven? Waarom zou u Tata Steel belonen voor het jarenlang overtreden van regels, het traineren van handhaving en toezicht, het onvoldoende investeren in onderhoud en tijdige vervanging van fabrieken en het uitstoten van te veel kankerverwekkende stoffen waar mensen aantoonbaar ziek van worden?
Hoe beïnvloedt het vroegtijdig sluiten van KGF 2 en met name KGF 1 de levensvatbaarheid van de plannen zoals vastgelegd in de JLoI, aangezien het originele plan op basis waarvan de Staat de onderhandelingen in is gegaan, uitgaat van het nog jarenlang openhouden van KGF 1? Op welke onafhankelijke experts baseert u zich hierin?
Hoe ziet het plan van Tata er dan nu precies uit, welke wijzigingen zijn/worden gemaakt ten opzichte van het plan op basis waarvan de Staat een JLoI is aangegaan?
Aangezien Tata Steel Nederland in 2025 een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert, welk financieel risico neemt de Staat bij de toekenning van 2 miljard euro subsidie? Hoe is dit risico bepaald en afgewogen en kunt u de exacte onderbouwing daarvan delen met de Kamer?
Is dit risico volgens u nog verantwoord, nu de materiële en financiële situatie bij Tata Steel Nederland volledig anders is dan bij het ondertekenen van de JLoI en nu de auditor van Tata Steel spreekt van «material uncertainty to going concern»?2 Kunt u nauwkeurig onderbouwen waarom wel/niet?
Hoe verhoudt de geambieerde staatssteun zich nog tot de financiële feiten, gezien het oordeel van de auditor van Tata Steel dat de aangekondigde intrekking van vergunningen «material uncertainty to going concern» oplevert, gezien het feit dat Tata Nederland een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert én gezien het feit dat volgens Europese regels geen staatssteun gegeven mag worden aan een financieel noodlijdend bedrijf? Hoe onderbouwt u dit en op welke onafhankelijke experts baseert u zich?
Heeft u naar aanleiding van de ontstane situatie al contact gehad met de Europese Commissie, die de eventuele subsidie moet goedkeuren in lijn met de Europese regels? Zo ja, kunt u de inhoudelijke reactie van de Commissie met de Kamer delen?
Aangezien tijdens de aandeelhoudersvergadering op 16 mei jongstleden CEO Thachat Narendran de volgende uitspraak over de winstgevendheid van Tata Steel Nederland bij het sluiten van de beide kooksfabrieken heeft gedaan: «So going forward, if the coke ovens close, we expect it to continue to be EBITDA positive, maybe making less EBITDA than we had hopefully would make, but it will always be EBITDA positive. And so far, the Netherlands operation has operated without any support from India. So I think we expect that to continue»3, onderschrijft de Minister dat de overgangstermijn voor het sluiten van de beide kooksgasfabrieken beperkt kan worden tot de technische haalbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Is de datum van de sluiting van de kooksgasfabrieken onderwerp van de onderhandelingen, of is dit een zuiver technische afweging van de omgevingsdienst?
Wat vindt u ervan dat de omwonenden al heel lang aandringen op sluiting van de kooksgasfabrieken wegens jarenlange overtredingen van de regels, maar dat Tata Steel de provincie Noord-Holland en de Tweede Kamer steeds heeft voorgehouden dat het een vroegtijdige sluiting van alleen al KGF 2 financieel niet kan dragen?
Beweert Tata Steel nu wel die vroegtijdige sluiting van de kooksgasfabrieken te kunnen betalen en, zo ja, hoe en wat is er dan precies veranderd in die korte tijd?
Gezien artikel 15.4 van de JLoI waarin opzeggronden voor Tata zijn bepaald voor de inspanningsverplichting rondom de maatwerkafspraken, hoe interpreteert u deze zin uit het persbericht van Tata India: «Tata Steel Netherlands is also engaged with the regulators on evolving standards relating to classification and disposal of steel slag, where local requirements in Netherlands now not only exceed EU standards but are threatening to become infeasible.»?
Aangezien de beslisnota van 18 mei schrijft dat het kabinet een vinger aan de pols hierover houdt en dat wordt onderzocht of en, zo ja, welke implicaties dit voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft, kunt u precies uitleggen wat u bedoelt met het onderzoek en welke implicaties mogelijk zijn?
Houdt u daarbij de uitvoering van de opdracht van de moties-Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343) en -Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428) nog scherp, en zorgt u ervoor dat onderhandelingen over de maatwerkafspraken op geen enkele manier invloed hebben op de noodzakelijke beleidsstappen die moeten worden gezet om mens, dier en milieu (uit voorzorg) te beschermen tegen staalslakken?
Hoe interpreteert u het feit dat in het laatste kwartaalverslag van Tata Steel India voor het eerst in twee jaar (en dus acht kwartaalverslagen) het «Groen» Staalplan en de maatwerkafspraken niet worden genoemd in de investeerderspresentatie?
Aangezien Tata India investeerders liet weten dat er onzekerheid is rondom de plannen in Nederland en de CFO tijdens de investors call zei; «there is an alternative path forward too», bent u op de hoogte van dat alternatieve pad? Zo ja, kunt u de Kamer daar zo snel mogelijk, maar in ieder geval bij de beantwoording van deze vragen, schriftelijk over informeren?
Bent u zelf ook bezig met een plan B, tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen en de mogelijke gevolgen van die ontwikkelingen voor de inwoners van de IJmond en meer specifiek de werknemers van Tata Steel? Waarom wel/niet? Zo ja, kunt u de Kamer dan zo snel mogelijk informeren over alternatieve plannen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór half juni 2026 beantwoorden, gezien de urgentie?
Het bericht dat Moerdijk mogelijk mag blijven bestaan |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66), Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de berichtgeving vanuit het bestuur van Moerdijk dat het dorp mogelijk mag blijven bestaan?1
Het kabinet is bekend met de berichtgeving. Het kabinet heeft op 29 mei 2026 met een brief2 de Tweede Kamer geïnformeerd over het verkennen van een scenario met een kleiner ruimtebeslag waarbij het dorp Moerdijk kan blijven bestaan.
Is de lijst van zaken die volgens de gemeente verduidelijkt moet worden volledig, of liggen er nog andere vragen voor?
Het kabinet is in gesprek met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant over de randvoorwaarden voor een alternatief scenario, met kleinere opgave. De hoofdpunten hierin zijn het borgen van de leefbaarheid van de omgeving en woonkernen en de lange termijn levensvatbaarheid van het haven- en industriecluster.
Klopt het dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk? Zo ja, waar zit dit verschil in met eerdere plannen? Waarom kon dit niet eerder duidelijk worden?
Het klopt dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk. Een aantal ontwikkelingen, zoals de nationale energieprojecten die al in procedure zijn, worden met grote zekerheid gerealiseerd in de regio Moerdijk. Hetzelfde geldt voor de verduurzaming van de bestaande industrie. Voor andere ontwikkelingen, zoals additionele circulaire en industriële activiteiten en energie-infrastructuur na 2040 zijn nog andere ruimtelijke keuzes te maken. Die hoeven niet per se in Moerdijk te landen. Het niet realiseren van deze projecten in Moerdijk betekent wel dat de ruimtelijke druk op andere gebieden in Nederland zal toenemen, bijvoorbeeld in de andere energie-intensieve haven- en industrieclusters van nationaal belang. Hiervoor werkt het kabinet, in lijn met het coalitieakkoord, verder aan een nationale ruimtelijk-economische strategie voor de haven- en industrieclusters van nationaal belang. Het niet afwentelen op andere ruimtelijke opgaven is hierbij van essentieel belang en wordt meegewogen in de besluitvorming.
Wanneer komt er duidelijkheid vanuit het Rijk voor de inwoners van Moerdijk? Hoe veel langer heeft het Rijk nodig voor haar onderzoek en besluitvorming? Kunt u hiervoor een tijdspad schetsen?
Dat is onderdeel van gesprek tussen het kabinet, de gemeente Moerdijk en de provincie Noord-Brabant. Het kabinet is van mening dat inwoners en ondernemers uit dorp Moerdijk en bredere omgeving zo spoedig mogelijk duidelijkheid moeten krijgen. Het kabinet vindt tegelijkertijd dat een besluit niet lichtvaardig genomen moet worden en wil daarom tijd nemen om tot goede besluitvorming te komen. Ook is het belangrijk om hierin gezamenlijk op te trekken met de gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant. Het is daarom lastig voor het kabinet om eenzijdig inschattingen over het tijdspad te geven.
Deelt u de mening dat inwoners rust verdienen?
Zie antwoord op vraag 4. Het kabinet begrijpt dat gesprekken over de toekomst van het dorp en het uitstellen van besluitvorming tot onzekerheid leiden bij inwoners en ondernemers uit de regio.
Deelt u de mening dat wanneer er duidelijkheid is dat het dorp kan blijven hiervoor dan ook langjarige garanties moeten worden afgegeven, zodat deze discussie niet wéér op kan laaien binnen een paar jaar? Welke juridische of bestuurlijke middelen bestaan er om zulk een garantie af te geven?
Het kabinet is aan het onderzoeken welke garanties er gegeven kunnen worden aan mensen in de regio, de gemeente en provincie, zodat de discussie niet opnieuw oplaait. In de ruimtelijke ordening kunnen overheden toezeggingen doen die enige zekerheid bieden, maar absolute juridische garanties kunnen niet gegeven worden. Ruimtelijke plannen kunnen namelijk weer gewijzigd worden op een later moment in de tijd.
Hoe gaat u zorgen dat wanneer het dorp mag blijven, de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit hier gegarandeerd worden?
Het kabinet is met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant in gesprek over hoe de gestelde randvoorwaarden door de gemeente zo goed mogelijk ingevuld kunnen worden, waaronder de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit van en rondom het dorp Moerdijk, de overige kernen en het buitengebied.
Als het Rijk de voorkeur heeft het dorp op te heffen, hoeveel tijd en financiering zou het kosten om hierover een bindend referendum onder de bewoners te organiseren, waarbij zij de kans krijgen zich voor of tegen uit te spreken en voorwaarden te stellen? Kunt u deze vraag serieus en inhoudelijk beantwoorden, ook als u niet van mening bent dat er een referendum zou moeten komen?
Een juridisch bindend referendum zoals in de vraag geformuleerd is in Nederland staatsrechtelijk niet mogelijk. Dat vergt een grondwetswijziging die o.a. onderdeel is van het initiatiefwetsvoorstel tot aanpassing van de Grondwet voor een bindend correctief referendum.
Daarbij doet een bindend referendum gericht op het gebied alleen geen recht aan de complexiteit en de afwegingen die gemaakt dienen te worden. In Powerport Moerdijk komen nationale, regionale en lokale belangen samen. Het is wel van groot belang dat de belangen, wensen en meningen van het dorp Moerdijk en de omliggende woonkernen meegewogen worden. Daarom wordt ingezet op een zorgvuldig participatietraject met omwonenden. Daarnaast is het lastig in te schatten hoeveel tijd en financiering het kost om een referendum te organiseren voor bewoners, omdat dit sterk afhangt van de hoeveelheid mensen die in aanmerking komen voor het referendum. De verwachting is dat het organiseren van een referendum voor het dorp Moerdijk enkele maanden tot een halfjaar zou duren en enkele tienduizenden euro’s kost. Voor een precieze inschatting zou nader onderzoek gedaan moeten worden.
De 'Summer School on Palestine' van het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam |
|
Annette Raijer (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam georganiseerde «Summer School on Palestine», waarin expliciet wordt gesproken over «legal mobilisation, solidarity and resistance» en waarbij wordt samengewerkt met Birzeit University?1, 2, 3, 4
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Birzeit University internationaal onder vuur ligt vanwege Hamasinvloed op de campus, Hamasgelieerde studentenorganisaties en meerdere incidenten rondom extremisme en radicalisering en vindt u samenwerking met een dergelijke instelling wenselijk voor een Nederlandse publieke universiteit?
Het is aan universiteiten om eigen afwegingen te maken bij het aangaan of continueren van samenwerkingen. Van instellingen verwacht ik dat zij zich voortdurend inzetten om een veilige leer- en werkomgeving, de academische vrijheid en het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te borgen. Dit betekent dat zij regelmatig hun risico’s inventariseren en proportioneel veiligheidsbeleid voeren.
Bent u het ermee eens dat termen als «resistance» in de context van een samenwerking met een universiteit waar Hamasgelieerde studentenbewegingen actief zijn, op zijn minst buitengewoon ongepast en zorgwekkend zijn? Zo nee, waarom niet?
Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het onderwijs. Het past niet bij de academische vrijheid dat ik commentaar lever op de inhoud van een onderwijsprogramma.
Klopt het dat voor deze samenwerking een delegatie van studenten, medewerkers en docenten van Birzeit University naar Nederland en Den Haag zal reizen? Zo ja, op welke wijze worden deze personen vooraf gecontroleerd op mogelijke Hamas sympathieën, steun voor terrorisme of antisemitische standpunten en welke veiligheidsrisico’s acht de regering hierbij aanwezig?
Ja, het klopt dat er voor deze samenwerking een delegatie van Birzeit University naar Nederland reist.
Kennisinstellingen zijn bij uitstek plekken van open dialoog. Vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid staan hier centraal. Wanneer personen uitlatingen doen die aanzetten tot haat, geweld, discriminatie, of opruiend zijn beschouw ik dat als risico voor de veiligheid op de instelling. In deze gevallen is er mogelijk sprake van een strafbaar feit. Indien deze situatie zich voordoet is het daarom zaak dat de instelling aangifte doet. Strafrechtelijk optreden is in concrete gevallen mogelijk door de politie en het Openbaar Ministerie.
Hoe verhoudt deze ideologische eenzijdigheid zich tot academische pluriformiteit en wetenschappelijke objectiviteit?
Zie mijn antwoord op vraag 3. Universiteiten vervullen een essentiële rol in het maatschappelijk debat over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ik acht het daarom van belang dat er ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven binnen politiek-maatschappelijke thema’s.
Wat schiet de Nederlandse belastingbetaler concreet op met het financieren van een activistische «Summer School on Palestine» waarin termen als «solidarity» en «resistance» centraal staan en wordt samengewerkt met Birzeit University en waarom moet publiek geld worden besteed aan dit soort ideologische programma’s?
Ik doe als Minister geen uitspraken over de inhoud en kwaliteit van een summer school. Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken, het verzorgen van onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan de maatschappij uit te voeren. De rijksbijdrage wordt als lumpsum uitgekeerd. Hogescholen en universiteiten bepalen binnen de kaders van de wet hoe zij de middelen inzetten en verantwoorden zich hierover via het jaarverslag.
Deelt u de mening dat dit soort eenzijdige activistische programma’s, waarin anti Israëlische retoriek en termen als «resistance» centraal staan en wordt samengewerkt met een universiteit waar Hamasinvloed en Hamasgelieerde studentenbewegingen actief zijn, bijdragen aan de normalisering van antisemitisme en het gevoel van onveiligheid onder Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten ernstig vergroten? Zo nee, waarom niet?
Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het onderwijs en voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Het past niet bij de academische vrijheid dat ik commentaar lever over de inhoud van een onderwijsprogramma of een academische samenwerking. Wel verwacht ik van instellingen dat zij zich voortdurend inzetten om de veilige leer- en werkomgeving te borgen en programma’s aanbieden die passen binnen de academische kernwaarden.
Bent u bereid het College van Bestuur van Erasmus Universiteit Rotterdam ter verantwoording te roepen over het faciliteren van een programma met banden met een universiteit waar Hamasinvloed en Hamasgelieerde studentenorganisaties actief zijn en maatregelen te nemen zodat publieke universiteiten zich weer richten op neutraal onderwijs, wetenschap en academische vrijheid in plaats van ideologische activistische programma’s die bijdragen aan antisemitisme en gevoelens van onveiligheid onder Joodse studenten en medewerkers? Zo nee, waarom niet?
Ik zie op dit onderwerp geen aanleiding om met het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam in gesprek te gaan. Het is aan universiteiten om eigen afwegingen te maken bij het aangaan of continueren van samenwerkingen.
Het artikel ‘Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
Herbert , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de Koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel»?1
Ja.
Op welke wijze trekt u in deze casus samen op met andere bondgenoten die mogelijk eveneens gevolgen ondervinden van het Amerikaanse wetsvoorstel MATCH Act (Multilateral Alignment of Technology Controls on Hardware)?
Hoe beoordeelt u inhoud en reikwijdte van de voorgestelde MATCH Act in het licht van bestaande bilaterale en multilaterale afspraken over exportcontrole en economische samenwerking met de Verenigde Staten?
Hoe duidt u de mogelijke extraterritoriale werking van deze Amerikaanse wet, waarbij van bondgenoten wordt verlangd hun exportbeleid aan te passen, en hoe verhoudt dit zich tot Nederlandse en Europese beleidsautonomie?
Welke gevolgen kunnen ontstaan indien de MATCH Act wordt aangenomen en bondgenoten niet overgaan tot aanscherping van hun eigen exportwetgeving?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die van de MATCH Act uitgaat. Dit druist in tegen het uitgangspunt dat Nederland haar eigen exportcontrolebeleid vormgeeft. Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten. Dit zal ook in komende bezoeken aan de VS worden toegelicht.
In hoeverre acht u het risico reëel dat een serviceverbod kan leiden tot juridische claims wegens contractbreuk tegen ASML of Nederlandse toeleveranciers?
Kunt u aangeven of bestaande Nederlandse of Europese instrumenten bedrijven kunnen beschermen tegen eventuele extraterritoriale toepassing van Amerikaanse wetgeving?
In algemene zin zetten derde landen steeds meer unilaterale en extraterritoriale instrumenten in. Zowel Nederland als de EU zijn geen voorstander van dergelijke maatregelen. Europese wetgeving kent verschillende mitigatiemogelijkheden voor extraterritoriale bepalingen van andere landen.
Specifiek in relatie tot de MATCH Act hecht het kabinet eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen. Het kabinet gaat niet speculeren over de inzet van welk instrument dan ook in relatie tot de Act.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de conceptwettekst nadrukkelijk in de VS onder de aandacht brengen op alle niveaus.
Hoe voorkomt u dat legitieme veiligheidszorgen rond China in de praktijk leiden tot onevenredige economische nadelen voor Europese bedrijven?
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik. Overleg in multilaterale exportcontroleregimes draagt bij aan een breed gedeeld gelijkwaardig toetsingskader en aan een gelijk speelveld voor bedrijven. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Welke Chinese tegenmaatregelen acht u realistisch indien de MATCH Act in de huidige vorm wordt aangenomen, en welke gevolgen zouden dergelijke maatregelen kunnen hebben voor Nederlandse bedrijven in de halfgeleidersector?
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin geldt dat de halfgeleidersector zeer complexe internationale waardeketens kent die gevoelig zijn voor verstoringen.
Kunt u de Kamer informeren over de gevolgen van een mogelijke Chinese «Malicious Entity List» voor Nederlandse bedrijven?2
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin richt het Countering foreign states» unlawful extraterritorial jurisdiction measuredecreet, dat is uitgevaardigd door de Chinese overheid, zich op extraterritoriale maatregelen van landen die volgens de Chinese overheid in strijd zijn met het internationale recht en basisnormen van internationale relaties die volgens China de soevereiniteit, veiligheid en ontwikkeling en de legitieme rechten en belangen van Chinese burgers en organisaties raken.
Dit decreet biedt China de mogelijkheid om tegenmaatregelen te treffen tegen extraterritoriale wetgeving. Die tegenmaatregelen kunnen op haar plaats ook weer extraterritoriaal zijn. Hierbij is onder andere aangekondigd dat China een entiteitenlijst opstelt van buitenlandse organisaties en individuen die meewerken aan de implementatie van buitenlandse extraterritoriale wetgeving.
De ontvoering, vernedering en mishandeling van de Global Sumud Flotilla activisten door Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u de video van de Israëlische Minister Ben Gvir gezien waarin de gekidnapte opvarenden van de Global Sumud Flotilla vernederd en mishandeld worden?1 Wat is uw reactie?
Bent u bereid dit geweld, dat regelrecht ingaat tegen het internationaal recht, ondubbelzinnig te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om onmiddellijke vrijlating van de opvarenden, waaronder de Nederlandse opvarenden, te eisen? Zo nee, waarom niet?
Welke sanctiemaatregelen gaat u treffen tegen Israël voor de op de video zichtbare ontvoering, vernedering en mishandeling van de Flotilla-opvarenden?
Verleent Nederland consulaire hulp aan de Nederlandse opvarenden die zijn gekidnapt in internationale wateren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de ontboden ambassadeur aan te dringen op excuses aan de ontvoerde opvarenden van de Global Sumud Flotilla? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om er in de EU voor te pleiten om de hele regering Netanyahu op de sanctielijst te zetten? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u Israel dwingen om de humanitaire blokkade van Gaza door Israël op te heffen?
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek te starten naar mishandelingen en martelingen van Nederlandse staatsburgers die gekidnapt zijn door Israël in internationale wateren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u binnen 24 uur antwoord geven op de vragen?
Massasterfte van zwaluwen door pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de massasterfte van oeverzwaluwen bij de Haarrijnse Plas?1
Deelt u de zorg dat sterfte door pesticiden waarschijnlijk structureel wordt onderschat, omdat zieke dieren zich verstoppen, snel worden opgegeten door aaseters of niet toxicologisch onderzocht worden?
Wordt momenteel gemonitord hoeveel vogels en andere wilde dieren jaarlijks slachtoffer worden van pesticiden? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, bent u bereid om een landelijk monitoringsprogramma op te zetten voor pesticidevergiftiging bij wilde dieren, inclusief structureel toxicologisch onderzoek bij massasterfte?
Bent u bekend met het toxicologisch onderzoek van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat bij de gestorven oeverzwaluwen hoge concentraties gif zoals permethrine en tetramethrine op de veren en in hersenweefsel zijn aangetroffen?2
Wat vindt u ervan dat de twee pesticiden nu gelden als «relatief veilig voor vogels», maar toch gevaarlijk blijken te zijn?
Erkent u de conclusies van de wetenschappers dat deze bevindingen erop wijzen dat vogels ernstig ziek kunnen worden of sterven door blootstelling aan pesticiden via huidcontact of inhalatie, terwijl deze blootstellingsroutes momenteel niet standaard worden meegenomen in toelatingsprocedures voor bestrijdingsmiddelen? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich?
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige risicobeoordeling van pesticiden vooral uitgaat van opname via voedsel, terwijl onderzoekers nu expliciet waarschuwen dat blootstelling via veren, huid en luchtwegen mogelijk minstens zo schadelijk kan zijn?
Welke gevolgen hebben deze onderzoeksresultaten voor de bescherming van (bedreigde) vogelsoorten zoals de oeverzwaluw, waarvan populaties al onder druk staan door verlies van leefgebied, voedseltekorten en milieuvervuiling?
Heeft u gelezen dat de onderzoekers hopen dat de manier waarop pesticiden worden beoordeeld opnieuw onder de loep zal worden genomen en dat dit onderzoek aanleiding geeft om bij de toelating van pesticiden rekening te houden met meer scenario’s dan alleen blootstelling via voedsel?
Bent u bereid om het advies van de wetenschappers op te volgen? Zo ja, hoe en op welke termijn?
Vindt u dat er daarbij ook beter gekeken moet worden naar hoe in de toelatingssystematiek en beoordelingssystematiek rekening gehouden wordt met mogelijke cumulatieve en synergistische effecten van pesticidencombinaties voor (wilde) dieren en mensen? Zo ja, hoe gaat u dat verwerken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) te verzoeken om op deze nieuwe bevindingen te reflecteren en te kijken wat kan worden gedaan om ervoor te zorgen dat blootstelling via huidcontact en inhalatie structureel wordt onderzocht, zodat volgens en andere wilde dieren beter worden beschermd tegen pesticiden?
Bent u bereid om bij het Ctgb en in Europees verband erop aan te dringen dat cumulatieve en synergistische effecten van pesticiden voor (wilde) dieren en mensen structureel mee moeten worden genomen in de toelating en herbeoordeling van stoffen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in Europees verband, ook in het kader van de gesprekken rondom de Omnibus Food and Feed Safety Simplification, te wijzen op deze wetenschappelijke bevindingen en te pleiten dat die bevindingen worden verwerkt in beleid om wilde dieren beter te beschermen tegen pesticiden (ook in het kader van Europese doelen voor biodiversiteit)?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om blootstelling van wilde dieren aan pesticiden terug te dringen?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?