Het artikel Bonje tussen nieuwe en oude eigenaar ggz-organisatie Inter-Psy: ‘We zitten in een vechtscheiding’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de escalerende ruzie tussen de huidige en voormalige eigenaar van Inter-Psy, inclusief de dreigende rechtszaken en de faillissementsaanvraag?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat een grote ggz-instelling, die grotendeels met publieke middelen wordt gefinancierd, zo kwetsbaar blijkt te zijn voor zakelijke conflicten tussen aandeelhouders en vastgoedpartijen?
Er is mij onvoldoende bekend over de zakelijke conflicten die spelen in deze specifieke situatie om hierover te oordelen.
Meer algemeen is het zo dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen (financiële) bedrijfsvoering. Op basis van huidige wet- en regelgeving en de Governancecode Zorg worden randvoorwaarden en eisen gesteld aan de bedrijfsvoering en het bestuur van zorginstellingen. En in toekomstige wet- en regelgeving, het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), worden deze randvoorwaarden en eisen verder aangescherpt. Op basis van signalen en meldingen kunnen toezichthouders nader onderzoek doen en waar nodig maatregelen opleggen. Deze voorwaarden zijn erop gericht te zorgen dat de maatschappelijke belangen zoals kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en jeugdhulp voorop blijven staan.
Maar dit voorkomt niet dat partijen bijvoorbeeld contractueel afspraken kunnen maken op onderdelen die niet wettelijk zijn vastgelegd of zaken juist onvoldoende juridisch vastleggen, waarover zakelijke conflicten kunnen ontstaan.
Deelt u de zorg dat procedures en machtsstrijd tussen eigenaren direct risico’s kunnen opleveren voor de continuïteit van zorg, wachttijden en de positie van cliënten en medewerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke waarborgen zijn nu concreet aanwezig?
Ja, ik deel de zorg dat procedures en machtsstrijd tussen eigenaren onwenselijk kunnen zijn. En dat dit risico’s kan opleveren voor de continuïteit en kwaliteit van zorg en dat dit niet bevorderlijk is voor de werkomstandigheden van medewerkers.
De toezichthouders Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houden toezicht op respectievelijk de continuïteit en de kwaliteit van zorg. Zodra er signalen zijn dat de continuïteit of de kwaliteit in het geding dreigt te komen, hebben toezichthouders de mogelijkheid om een onderzoek te starten en indien nodig maatregelen op te leggen.
Kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bevestigen of er signalen zijn over continuïteitsrisico’s bij Inter-Psy? Welke acties zijn of worden genomen?
De NZa houdt toezicht op continuïteit van zorg in relatie tot de zorgplicht. De NZa heeft aangegeven bekend te zijn met deze aanbieder, maar kan geen uitspraken doen over al dan niet lopend toezicht bij individuele zorgaanbieders. In het algemeen kan ik verwijzen naar de early-warning-systeem-afspraken die er liggen tussen de NZa en zorgverzekeraars2.
Klopt het dat Inter-Psy recent een kapitaalinjectie van € 1,5 miljoen nodig had om salarissen en lopende verplichtingen te kunnen voldoen? Wat zegt dit volgens u over de financiële gezondheid en bedrijfsvoering?
Er is mij onvoldoende bekend, anders dan de berichtgeving waar u naar verwijst, over deze specifieke casus en een eventuele kapitaalinjectie. Het is primair aan de instelling om zorg te dragen voor een gezonde bedrijfsvoering en voldoende liquiditeit om aan lopende verplichtingen te kunnen voldoen. Dat een organisatie tijdelijk externe financiering nodig heeft, kan verschillende oorzaken hebben, zoals investeringen of veranderingen in contractering. Het is niet aan mij als bewindspersoon om een oordeel te geven over de financiële gezondheid en de bedrijfsvoering van Inter-psy.
Hoe verklaart u dat een instelling die volgens het jaarverslag 2024 winstgevend was, binnen enkele maanden afhankelijk lijkt van noodkapitaal? Ziet u hier aanwijzingen voor mismanagement of risicovolle financieringsconstructies?
Het is niet ongebruikelijk dat een instelling die over een boekjaar winstgevend is, op enig moment te maken krijgt met liquiditeitsdruk. Jaarverslagen geven een beeld op hoofdlijnen over een afgesloten periode, terwijl de liquiditeitspositie sterk kan worden beïnvloed door actuele omstandigheden, zoals vertraagde betalingen, stijgende kosten of incidentele uitgaven. Zoals ook hierboven al benoemd, is het niet aan een bewindspersoon om te concluderen dat sprake is van mismanagement of risicovolle financieringsconstructies. Het is in ons zorgstelsel de NZa die toezicht houdt op een professionele en transparante bedrijfsvoering bij zorgaanbieders. De NZa kan geen uitspraken doen over al dan niet lopend toezicht bij individuele zorgaanbieders. De zorgverzekeraar en interne toezichthouder spelen hierin ook een belangrijke rol.
Wat is uw oordeel over constructies waarbij zorgondernemers vastgoed in een aparte BV onderbrengen, en vervolgens als verhuurder hoge of strategisch bepalende huren vragen aan de zorginstelling die met publiek geld wordt bekostigd? Acht u dit moreel en maatschappelijk verantwoord?
Ik heb geen bezwaren tegen het feit dat zorgondernemers vastgoed in een aparte BV onderbrengen. Ik vind het daarentegen wel onwenselijk als deze constructie wordt misbruikt voor persoonlijk gewin. Om dergelijk misbruik tegen te gaan wordt in de Wibz een norm voor van betekenis zijnde transacties geïntroduceerd. Een vastgoedtransactie, zoals verkoop of verhuur, valt onder deze norm. De norm zegt dat deze transacties alleen plaats mogen vinden tegen marktconform tarief als er sprake is van verbonden partijen (bijvoorbeeld als de bestuurder van de zorg BV dezelfde bestuurder is als van de vastgoed BV). Met deze norm wordt zelfverrijking met vastgoedtransacties verboden. Met de voorgestelde norm kan de NZa dergelijke meldingen over dergelijke transacties nader onderzoeken en waar nodig handhaven door een aanwijzing te geven of een boete op te leggen. Zoals aangekondigd in een brief van 11 december 2025 aan de Tweede Kamer3 ga ik onderzoeken of verdere aanscherping van het kader voor normale marktvoorwaarden zowel wenselijk als mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dergelijke vastgoed-constructies in de zorg leiden tot onredelijke financiële druk en continuïteitsrisico’s? Zo nee, waarom niet?
Deze analyse deel ik niet. Zorgaanbieders zijn van oudsher private organisaties en het huidige stelsel van marktwerking leidt bovendien tot concurrentieprikkels die kunnen leiden tot verbetering van kwaliteit. Winstgevendheid van een zorgaanbieder (anders dan winstuitkering) is daarbij noodzakelijk om te kunnen innoveren en investeren in de zorg, en noodzakelijk om onderhoud te kunnen uitvoeren. Dit komt de zorg ten goede. Dat betekent niet dat financieel gewin de boventoon mag voeren, zoals dat wel het geval is bij partijen die gericht zijn op snel geld verdienen.
Herkent u het signaal dat winst- en bezoldigingsbeperkingen in de zorg via vastgoedconstructies worden omzeild? Welke maatregelen overweegt u om dit te voorkomen, bijvoorbeeld door integrale toetsing van totale opbrengsten richting zorgondernemers?
De NZa en IGJ hebben in een gezamenlijke signalering «Versterk de integriteit en professionaliteit van de bedrijfsvoering in de zorgsector»4 gewezen op meldingen en signalen die zij ontvangen over het oneigenlijk besteden van zorggeld en twijfelachtige financiële of organisatorische constructies. Daarbij wijzen zij onder andere op normen zoals vastgelegd in de Governancecode Zorg ten aanzien van belangenverstrengeling en integere bedrijfsvoering, maar ook het door bestuurlijke en/of financiële constructies omzeilen van wettelijke bepalingen waardoor zorggelden oneigenlijk worden besteed. Deze signalering is aanleiding geweest om in het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) de verplichting op te nemen dat aanbieders bij van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen normale marktvoorwaarden moeten hanteren. Deze norm is ook toegelicht in de beantwoording van vraag 7.
Hoe beoordeelt u het risico dat een verhuurder, die tevens (minderheids)aandeelhouder is, via huurconflicten druk kan uitoefenen op de bedrijfsvoering van een zorginstelling?
Het is onwenselijk als vanwege een huurconflict druk wordt uitgeoefend op de bedrijfsvoering van een zorginstelling. Als daarbij sprake is van niet-integer handelen verwacht ik, naast optreden van de interne toezichthouder, dat het wetsvoorstel Wibz de NZa mogelijkheden geeft om in een dergelijk geval nader onderzoek te doen en waar nodig maatregelen op te leggen.
Wat betekent een faillissementsaanvraag door een (voormalig) eigenaar/verhuurder voor cliënten, medewerkers en lopende behandelingen? Is de huidige wet- en regelgeving voldoende om te voorkomen dat patiënten de rekening betalen?
Het zal per situatie verschillen wat een faillissementsaanvraag betekent voor cliënten, medewerkers en lopende behandelingen. In de zorg geldt dat continuïteit van zorg voor patiënten en cliënten moet worden geborgd. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt in eerste instantie bij zorgverzekeraars middels de zorgplicht. De NZa houdt vervolgens toezicht op de naleving van de zorgplicht door zorgverzekeraars.
De huidige wet- en regelgeving, waaronder Zvw en Wlz, en het toezichtkader van de IGJ en de NZa, is erop gericht om de continuïteit en toegankelijkheid van zorg zoveel mogelijk te waarborgen. Tegelijkertijd kan niet in alle gevallen worden uitgesloten dat cliënten hinder ondervinden van financiële of organisatorische problemen bij een zorgaanbieder. Om ongecontroleerde faillissementen van instellingen, waar patiënten en cliënten de dupe van kunnen worden, te voorkomen heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) sinds enige jaren het zogenoemde continuïteitsbeleid. Dit beleid beschrijft hoe om te gaan met instellingen in financiële problemen. Het is erop gericht continuïteit van zorg te borgen, wat niet hetzelfde hoeft te zijn als de continuïteit van de instelling. Ook is het gericht op het voorkomen van ongecontroleerde faillissementen.
De kern is dat zorgaanbieders verplicht zijn om continuïteitsproblemen te melden bij zorginkopende partijen (zoals zorgkantoren en zorgverzekeraars). Zorgkantoren en zorgverzekeraars zijn weer verplicht dit te melden bij de NZa. Dit heet het early-warning-systeem (EWS). Bij problemen in instellingen zijn de zorginkopende partijen op grond van hun zorgplicht verplicht de continuïteit van zorg te borgen en de NZa ziet hierop toe. Pas in het uiterste geval wanneer betrokken partijen er zelf niet in slagen om tot een passende oplossing te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. De inzet van VWS geldt als laatste redmiddel5.
De IGJ verwacht van zorgaanbieders dat zij voorbereid zijn op een scenario waarin discontinuïteit van de zorgverlening aan patiënten, cliënten of bewoners dreigt te ontstaan. Bijvoorbeeld als gevolg van een mogelijk faillissement of voorgenomen besluit om te stoppen met het aanbieden van bepaalde vormen van zorg. Wanneer er daadwerkelijk discontinuïteit van zorg lijkt te ontstaan, moeten de activiteiten van alle betrokkenen gericht zijn op een warme overdracht van de zorgverlening. In de leidraad continuïteit van zorg en jeugdhulp6 legt de IGJ uit wat zij concreet verwacht van zorgaanbieders waarbij bijvoorbeeld vanwege faillissement risico’s voor de continuïteit van zorg aan patiënten en cliënten ontstaan.
Hiernaast is in het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders een maatregel opgenomen waarbij een zorgaanbieder geen onverantwoorde risico’s mag nemen bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen. Dit ook om te voorkomen dat deze onverantwoorde risico’s moeten worden terugverdiend waarbij het risico ontstaat dat de kwaliteit of continuïteit van zorg in het geding komt.
Kunt u uiteenzetten welke instrumenten de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en IGJ hebben om in te grijpen wanneer zakelijke conflicten de zorgcontinuïteit bedreigen? Zijn deze instrumenten in dit dossier benut?
Hier verwijs ik naar de early-warning-systeem-afspraken en bevoegdheden van de IGJ, zoals omschreven in mijn antwoord op vraag 11. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht via de as van de zorgverzekeraar.
Acht u de productiviteitsdruk (zes van de acht uur cliëntencontact) medisch verantwoord, gelet op de noodzaak van voorbereiding, overleg en dossiervoering? Ziet u risico’s voor kwaliteit en werkdruk?
De beoordeling of zorg medisch verantwoord is, ligt primair bij de professionele beroepsgroepen en bij de individuele zorgverlener. Wat kwalitatieve zorg is, is vastgelegd in wet- en regelgeving en uitgewerkt in professionele standaarden, richtlijnen en zorgstandaarden. In het huidige zorgstelsel is de zorgaanbieder verantwoordelijkheid om kwalitatieve goede zorg te leveren en het is aan de zorgverzekeraar om voldoende zorg in te kopen tegen een tarief waardoor een aanbieder zorg kan aanbieden die voldoet aan de kwaliteitsstandaarden. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van zorg.
Wat is uw oordeel over het gegeven dat diverse leidinggevenden en behandelaars zijn vertrokken na de overname?
Bij een overname is het niet ongebruikelijke dat er personeelswisselingen plaatsvinden. Wanneer leidinggevenden en behandelaren een zorginstelling verlaten, is het belangrijk dat de zorgcontinuïteit en de kennisoverdracht goed worden gewaarborgd. Het is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder dat zij de maatregelen nemen die daarvoor nodig zijn. Verder is er een rol weggelegd voor de NZa en IGJ om toezicht te houden op, respectievelijk, de continuïteit en kwaliteit van zorg.
Hoe waarborgt u dat bij overnames van zorginstellingen niet primair financiële motieven, maar publieke waarden (kwaliteit, continuïteit, bereikbaarheid) centraal staan?
De zorgspecifieke fusietoets van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toetst fusies en overnames, met als doel om de publieke waarden te waarborgen. De NZa moet een concentratie of fusie eerst goedkeuren alvorens deze bij de Autoriteit, Consument en Markt (ACM) wordt getoetst. De ACM toetst overnames en fusies wanneer deze boven een bepaalde omzetdrempel vallen en kijkt daarbij onder andere of een organisatie niet te groot wordt. Met de aangekondigde aanscherpingen van de zorgspecifieke fusietoets krijgt de NZa ook de bevoegdheid om een concentratie tegen te houden als er risico’s zijn op een onrechtmatige bedrijfsvoering bij een of meer van de betrokken zorgaanbieders. Ook kan de NZa concentraties tegenhouden wanneer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) risico’s ziet voor de kwaliteit van zorg. Hiernaast heeft de intern toezichthouder ook een belangrijke rol bij het waarborgen van de kwaliteit, continuïteit en bereikbaarheid bij fusies en overnames.
Welke lessen trekt u breder voor het zorgstelsel uit dit conflict? Ziet u aanleiding voor aanscherping van toezicht, wetgeving of voorwaarden rond private investeerders in de ggz?
Zonder op dit specifieke geval in te gaan, kan ik stellen dat financieel gewin nooit de boventoon mag voeren in de zorg. Zeker wanneer daarbij geen oog is voor het belang van patiënt en voor de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg. In de Wibz zit een voorwaarde waardoor er geen onverantwoorde risico’s bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen mogen worden genomen. Dit moet voorkomen dat private investeerders of andersoortige investeerders de continuïteit van de zorgaanbieder in het geding brengen. Hiernaast wordt met de herbezinning op de Wibz ook gekeken naar aanscherpingen die zien op (private) investeerders met niet zuivere intenties. Een andere belangrijke rol is weggelegd voor de NZa, zij houden toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders. Zij heeft op dit moment al de mogelijkheid om bij signalen een onderzoek in te stellen. Op basis van de uitkomst van dit onderzoek kan de NZa eventueel maatregelen opleggen.
Ziet u het conflict rond Inter-Psy als een incident, of als symptoom van een structureel probleem waarin marktprikkels en aandeelhoudersbelangen botsen met het publieke belang in de zorg? Kunt u dat onderbouwen?
In de brief van 14 maart 20257 heeft mijn ambtsvoorganger uitgebreid stilgestaan bij de marktwerking in de zorg en de uitdagingen die het huidige stelsel met zich meebrengt. In deze brief wordt uitvoerig toegelicht dat marktprikkels in het zorgstelsel historisch gezien een rol hebben gespeeld bij het bevorderen van efficiëntie en keuzevrijheid, maar dat tegelijkertijd duidelijk is geworden dat ongebreidelde marktwerking niet altijd vanzelf leidt tot betere toegankelijkheid, samenwerking of continuïteit van zorg. Destijds werd gesignaleerd dat er op onderdelen aanpassingen nodig zijn om de publieke doelstellingen van kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit beter te borgen, zoals regels rond winstuitkeringen, het voorkomen van evident onwenselijke fusies en een meer gelijkgerichte inkoop in cruciale sectoren van de zorg8. Dat gezegd hebbende, kan ik niet ingaan in op individuele casussen.
Deelt u de analyse dat het huidige stelsel zorginstellingen stimuleert om te denken in termen van groei, rendement en vastgoedposities, in plaats van stabiliteit, nabijheid en kwaliteit van zorg? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat private investeerders, vaak georganiseerd in complexe holdings, strategische zeggenschap hebben over essentiële ggz-voorzieningen? Welke risico’s ziet u voor democratische controle en publieke verantwoording?
Ik vind het van groot belang dat bestuurders van zorginstellingen de kwaliteit en continuïteit van zorg voorop zetten, onafhankelijk van het type investeerder. Met het wetsvoorstel Wibz stel ik maatregelen aan het uitkeren van winst. Zo mag winst alleen worden uitgekeerd als de NZa geen maatregel heeft opgelegd vanwege tariefdelicten of overtreden van transparantiebepalingen.
Dit om de kwaliteit en continuïteit van zorg te beschermen en te voorkomen dat strategische keuzes of persoonlijk financieel gewin de overhand krijgen. Hiernaast ben ik met de aanscherping van de Wibz aan het kijken of er aanvullende maatregelen mogelijk zijn om het gedrag van investeerders die financieel gewin voorop stellen te mitigeren.
Bent u bereid om de Kamer een integrale analyse te sturen van de effecten van private investeringen, vastgoedconstructies en overnames op continuïteit, werkdruk, wachttijden en kwaliteit in de ggz – inclusief beleidsopties voor structurele hervorming?
Uit het rapport van EY uit 2024 worden geen verschillen in kwaliteit gevonden tussen PE-gefinancierde ggz instellingen, en niet-PE-gefinancierde instellingen9. Onderzoek van SiRM en Finance Ideas10 geeft aan dat private investeringen leiden tot nieuwe toetreders en innovatie en investeringen, wat erg belangrijk is in tijde van schaarste. Echter benoemt dit onderzoek ook risico’s verbonden aan private investeringen, zoals een focus op financiële resultaten en ongewenste risicoselectie. Ik zie op dit moment geen aanleiding om een soortgelijke integrale analyse uit te voeren. Met de herbezinning van de Wibz wordt onder andere gekeken naar aanscherpingen om eventuele negatieve effecten van private investeringen verder tegen te gaan.
Het bericht dat Nederland drones boven vliegvelden niet kon spotten omdat de radars in Oekraïne zijn. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland kon «drones» boven vliegvelden niet spotten omdat de radars in Oekraïne zijn»?1
Ja.
Hoeveel Robin Radars zijn exact naar Oekraïne gestuurd?
Over aantallen doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen uitspraken. Uw Kamer wordt middels de periodieke leveringsbrieven vertrouwelijk geïnformeerd over de geleverde militaire steun aan Oekraïne.
Zijn de bestelde nieuwe radars volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied? Zo nee, kunt u aangeven voor welke andere bestemmingen deze zijn bedoeld en hoe de verdeling is in percentages?
De bestelde nieuwe radars zijn volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied. De radars zijn bedoeld voor de bescherming van het nationale grondgebied en kritieke infrastructuur in het bijzonder, en zijn een essentiële aanvulling voor de tijdige detectie van kleine drones. Deze capaciteit is essentieel om snel een beeld op te bouwen van een mogelijke specifieke dreiging, zodat op zorgvuldige wijze een passende inzet van middelen kan worden bepaald. Naast beveiligingseenheden worden de IRIS-radars gebruikt in operationele drone interventieteams. Over de inzet van IRIS-radars en interventieteams doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen verdere uitspraken.
Zijn er in de komende jaren scenario’s denkbaar waarin het gebrek aan afdoende dronedetectie op ons grondgebied mensenlevens kan kosten? Zo ja, hoe reëel schat u de kans daarop in?
Zoals de situatie in de Oekraïne laat zien zorgen zeer snelle technologische ontwikkelingen ervoor dat veel scenario’s waar ook slachtoffers bij zouden kunnen vallen, voorstelbaar zijn. Hoe deze scenario’s zich ontwikkelen laat zich moeilijk voorspellen. Defensie geeft met haar investeringen in drone-detectie een antwoord op de huidige en in de toekomst meest waarschijnlijke dreigingen op het gebied van drones (UAS). Maar de ontwikkelingen op het gebied van (couter)drones technieken volgen elkaar, mede door de oorlog in Oekraïne, snel op. Defensie heeft binnen het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen (APOS) afgelopen najaar een nieuwe wijze van werken binnen het ecosysteem onbemenste systemen gelanceerd. Defensie heeft de markt benaderd om oplossingen te bieden voor een gewenst operationeel effect. Defensie, kennisinstellingen en industrie gaan in partnerschappen deze oplossingen samen ontwikkelen, produceren en opschalen. Defensie blijft waakzaam om ook op nieuwe dreigingen een antwoord te hebben en werkt daarbij nauw samen met industrie en kennisinstellingen. Daarbij is Nederland samen met Letland en Kroatië lead-nation op de Priority Capability Area (PCA) drones en counterdrones, voortkomend uit de White Paper for European Defence – Readiness 2030, en kan daarmee snel aanhaken op nieuwe ontwikkelingen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse objecten zoals vliegvelden tot aan de levering van de nieuwe radars in 2028 afdoende weerbaar zijn tegen drones?
Zoals ook beschreven in het interview in Trouw waar u naar verwijst, bestaat er geen volledig waterdicht verdedigingssysteem voor vliegvelden, nu niet en waarschijnlijk in 2028 ook niet. Detectie vindt plaats door verschillende systemen, dus de te leveren radarsystemen zijn niet de enige systemen die daar aan bijdragen. Om operationele en veiligheidsredenen kan over het verdedigingssysteem voor vliegvelden op dit moment geen verdere informatie worden gegeven. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat er door defensie, kennisinstellingen en industriepartners voortdurend wordt gezocht naar aanvullende middelen en manieren om detectie van drones te verbeteren zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes»?1
Vanuit de berichtgeving begrijp ik het volgende: twee ondergrondse warmtebuffers met heet water zijn kort na elkaar ingestort in Nagele en Wernhout. Gemeente Noordoostpolder waarschuwt andere gemeenten met een soortgelijke warmtebuffer voor veiligheidsrisico’s van zulke installaties. Er is onderzoek gedaan, maar dit is nog niet openbaar. Wel deelt de onderzoeker dat blijkt dat de constructies materialen bevatten die niet goed bestand zijn tegen langdurige blootstelling aan heet water, wat kan leiden tot verzakkingen.
Het is betreurenswaardig dat de toepassingen van deze eerste generatie innovatieve warmteopslagsystemen in Nagele en Wernhout niet succesvol zijn gebleken in het verduurzamen van de lokale warmtevraag en daarbij schade aan de omgeving hebben toegebracht. Vooral voor de getroffen bewoners is dit erg vervelend. Het is bij materiële schade gebleven en er wordt nu onderzoek gedaan naar de onderliggende oorzaak en eventuele risico’s voor andere locaties.
Innovaties brengen risico’s met zich mee. Het gaat hier om de toepassing van een eerste generatie experimentele warmtebuffersysteem. Deze innovaties zijn als onderdeel van de Proeftuin Aardgasvrije Wijken door het Rijk gesteund. Destijds was het doel om te onderzoeken of een dergelijk innovatief systeem de warmtetransitie in de wijk verder kan brengen. Doel is mede leren van de ervaringen van zo’n systeem en vervolgens lessen trekken waar de energietransitie verder mee geholpen wordt.
Welke regels bestaan er voor handhaving en toezicht voor de bouw en installatie van dit soort ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies? Zijn er instanties die controleren of de juiste bouwmaterialen en methoden worden toegepast? Zo nee, waarom niet?
Ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet (destijds Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, oftewel Wabo) en zijn vergunningplichtig. Dit betekent dat voor dergelijke constructies een vergunningaanvraag moet worden gedaan bij de desbetreffende gemeente. In de aanvraag moet aannemelijk worden gemaakt dat het bouwwerk voldoet aan de minimale eisen die in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gesteld worden ten aanzien van onder andere de constructieve veiligheid.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beoordelen van vergunningsaanvragen en het toezien op de naleving van de verleende vergunning voor vergunningplichtige bouwwerken. Dit geldt dus ook voor dit soort ondergrondse warmtebuffers. In algemene zin geldt dat gemeenten zelf bepalen op welke manier bouwplannen getoetst worden aan de regels van het Bbl en of het aannemelijk is dat hieraan voldaan wordt. Daarbij kunnen gemeenten op basis van eigen risico-inschattingen bepalen welke onderdelen van de toetsing prioriteit hebben en welke informatie aangeleverd dient te worden voor de vergunningsbeoordeling. De gemeente is tevens het bevoegd gezag voor handhaving en toezicht bij dergelijke vergunningplichtige bouwwerken.
In hoeverre is de Inspectie Leefomgeving en Transport betrokken bij de handhaving en toezicht op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de bevoegdheid om toezicht te houden op de uitvoering van de Europese verordening bouwproducten, de basis voor het aanbrengen van CE-markering op bouwproducten. Ook ziet de ILT toe op de aanleg van bodemenergiesystemen waarbij warmte en koude uit de bodem worden gebruikt voor verwarming en koeling van gebouwen. Er is echter geen rol voor de ILT bij toezicht en handhaving op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten.
Bent u bereid samen met de gemeente Noordoostpolder en andere gemeenten met ondergrondse warmtebuffers in gesprek te gaan om preventieve maatregelen op te stellen om soortgelijke ongevallen in andere delen van het land te voorkomen? Zo nee, waarom niet, en welke maatregelen gaat u wel nemen om soortgelijke ongevallen te voorkomen?
De gemeente Noordoostpolder heeft vanuit haar verantwoordelijkheid over de verleende vergunning het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) geïnformeerd over de ontstane situatie en heeft uit voorzorg diverse andere gemeenten met vergelijkbare projecten een brief gestuurd met informatie over de casus Nagele en een onderzoeksrapport in verband met de verzakking2. Daarmee kan elke gemeente een eigen risicoafweging maken. De verantwoordelijkheid voor het verlenen van vergunningen, toezicht en handhaving op de veiligheid van constructies zoals dit soort ondergrondse warmtebuffers ligt bij de gemeente als bevoegd gezag. Vanuit het kabinet is het Ministerie van VRO het eerste aanspreekpunt indien nodig.
Welke consequenties zijn er voor bouwbedrijf HoCoSto voor de schade aan de buitenruimte in Nagele? Welke boetes en straffen zijn er voor de veroorzakers van dit soort incidenten?
De mate waarin een bedrijf aansprakelijk is voor directe of zelfs indirecte schade is een privaatrechtelijk vraagstuk en is afhankelijk van de contractuele afspraken die zijn gemaakt tussen in dit geval HoCoSto B.V. en Energiek Nagele.
Het bedrijf dat het project in Nagele heeft gerealiseerd is echter in 2023 failliet gegaan. Hoewel met behulp van een externe financier de bedrijfsactiviteiten een doorstart hebben kunnen realiseren in een nieuwe entiteit, HoCoSto Renewables B.V., is dit gebeurd zonder overname van de aansprakelijkheden van de oorspronkelijke entiteit.
Is dit incident een milieudelict? Zo ja, welke maatregelen gaan uw ministerie, de NVWA en mogelijk het OM nemen?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of een concreet geval is aan te merken als een eventueel milieudelict. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie (OM) om al dan niet over te gaan tot vervolging. Als het OM overgaat tot vervolging en beslist een verdachte te dagvaarden is het uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of sprake is van een milieudelict of niet.
In hoeverre betaalt HoCoSto mee aan herstel van de warmtebuffers en de buitenruimte? Deelt u de mening dat vervuilers mee moeten betalen aan de schade die zij verrichten? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf HoCoSto B.V. was verantwoordelijk voor de realisatie van het project in Nagele en is in 2023 failliet gegaan. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. De nieuwe entiteit die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen is niet aansprakelijk en zal daarom niet betalen aan het herstel.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 is het project in Nagele deel van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW). In de eerste ronde (2018), waar Energiek Nagele onderdeel van is, ontving de gemeente een decentralisatie-uitkering. De gemeente had daardoor veel ruimte om zelf invulling te geven aan de besteding van de middelen. Binnen dit project zijn nog PAW-middelen beschikbaar die de gemeente nu inzet voor het ontmantelen, verwijderen en afvoeren van de installatie, evenals voor aanvullend onderzoek.
Deelt u de mening dat private belangen als winst een belangrijke fase als de energietransitie kunnen belemmeren, doordat bedrijven bijvoorbeeld de aanleg van warmtenetten zo goedkoop mogelijk willen doen waardoor de kans op fouten en ongelukken vergroot? Zo ja, bent u dan bereid stappen te nemen om een publiek energiebedrijf in nationale handen op te richten? Zo nee, waarom deelt u de mening niet en waarom bent u niet bereid energie in volledig publieke handen te nemen?
Het kabinet deelt deze mening niet. We zien dat ook private bedrijven zich inzetten op het versnellen van de energietransitie. Sturing op publieke belangen is geregeld in de recent aangenomen Wet collectieve warmte, waar een verplicht publiek meerderheidsaandeel in bestaande en nieuwe warmte-infrastructuur het uitgangspunt is en is in de oprichting van een nationale deelneming warmte voorzien. Zo wordt de publieke regie versterkt en zal de warmtesector op termijn voor de levering en het transport van warmte voor de meerderheid in publieke handen vallen. Daarmee wordt gewaarborgd dat publieke belangen verankerd worden in de besluitvorming van de warmtebedrijven en de opschaling van investeringen in de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Momenteel worden op veel plekken in het land initiatieven genomen voor de oprichting van publieke warmtebedrijven. Daarnaast voert het kabinet verkennende gesprekken over de overname van de private warmtebedrijven. De oprichting van een nationaal energiebedrijf acht het kabinet in dit licht niet nodig, en staat bovendien op gespannen voet met de wenselijkheid van lokaal of provinciaal aandeelhouderschap gelet op regionaal draagvlak en betrokkenheid.
De pendelbus en de aanhoudende onveiligheid op de reguliere buslijnen naar Ter Apel. |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat door een woordvoerder van u in aanvulling op uw brief van 19 december is aangegeven dat het «nog een paar dagen» kan duren voordat geregeld is dat er weer betaald moet worden voor de pendelbus?1 Vanaf wanneer gaat er weer betaald worden en waarom moet dit zo lang duren?
Op 19 december 2025 is de tijdelijke opschorting van de kaartverkoop opgeheven. De Kamer is daarover per brief geïnformeerd2. Op 22 december 2025 is door de gemeente gemeld dat de verkoop van buskaarten op 30 december 2025 zou worden hervat. In reactie op vragen van journalisten is diezelfde dag toegelicht dat de gemeente, mede vanwege de kerstperiode, extra tijd nodig had om de kaartverkoop organisatorisch en logistiek te herstarten. De hervatting vond op 30 december 2025 plaats.
Bent u ervan op de hoogte dat de onvrede en zorgen over de veiligheidssituatie onder chauffeurs op de reguliere buslijnen die Ter Apel aandoen (met name de lijnen 72, 73) inmiddels dermate zijn opgelopen dat zij voornemens zijn de halte(s) nabij het asielzoekerscentrum (azc) over te slaan indien de afspraken over het in 2022 afgesloten veiligheidsconvenant tussen het ministerie, Qbuzz, vakbond FNV en de provincies Drenthe en Groningen niet worden nageleefd? Wat is uw reactie hierop?
De onvrede en zorgen over de veiligheidssituatie onder chauffeurs op reguliere buslijnen die Ter Apel aandoen, zijn bekend. Om die reden is in 2019 gestart met de pendelbus, met als doel de overlast op de reguliere buslijnen tussen Emmen en Ter Apel te verminderen. Het is van belang dat de gemaakte afspraken uit het convenant worden nageleefd en buschauffeurs veilig hun werk kunnen doen.
Bent u ermee bekend dat de FNV vandaag opnieuw de noodklok luidt richting vervoerder Qbuzz en u over het niet nakomen van de afspraken in dit convenant, met name het gebrek aan toezichthouders op station Emmen en bij de haltes van de lijnen 72 en 73 en het gebrek aan directe communicatie tussen deze toezichthouders en de chauffeurs? Wat is uw reactie hierop?
Ja, de signalen vanuit de FNV en de zorgen van de chauffeurs zij bekend. Tijdens het werkbezoek aan het asielzoekerscentrum en het centrum van Ter Apel, op 15 december jl., en tijdens eerdere gesprekken, zijn verschillende afspraken gemaakt die betrekking hebben op de veiligheid. Zo is met de gemeente Emmen de afspraak gemaakt om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor de inzet van boa’s uit de flexpool boa in Nieuw-Weerdinge, het stationsgebied en in het centrum van Emmen. Zie hiervoor ook de brief3 waarin uw Kamer wordt geïnformeerd. In alle gesprekken staat de veiligheid van chauffeurs en de onderlinge communicatie centraal.
Bent u er tevens van op de hoogte dat de FNV aangeeft al maanden aandacht te vragen voor de toegenomen overlast en verslechterde veiligheidssituatie op deze lijnen maar dat dit tot op heden niet tot verbetering heeft geleid?
Ja. De herhaalde signalen van de FNV over toegenomen overlast en een verslechterde veiligheidssituatie zijn bekend. Naar aanleiding van de zorgen van buschauffeurs vinden gesprekken plaats tussen FNV en Qbuzz. Deze signalen worden ook meegenomen in het overleg met de betrokken overheden. In dit kader worden maatregelen getroffen en voorbereid om de veiligheid op de reguliere lijnen te verbeteren.
Wat heeft u dit jaar ondernomen om de veiligheidssituatie te verbeteren op de reguliere buslijnen in Ter Apel?
Om de overlast en veiligheidssituatie te verbeteren zijn verschillende afspraken gemaakt4 tijdens het werkbezoek 15 december jl. Zo worden asielzoekers met een kansarme aanvraag over meerdere locaties verdeeld en worden meer vreemdelingrechtelijke maatregelen mogelijk voor de groep die voor overlast zorgt. Daarnaast worden er gesprekken gevoerd over de inzet van AVIM in Ter Apel. Daarnaast wordt met de gemeente Emmen verkend wat de mogelijkheden zijn voor het inzetten van boa’s uit de flexpool boa. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3.
Hoeveel incidenten hebben zich dit jaar voorgedaan op reguliere buslijnen die Ter Apel aandoen en hoe verhoudt dit aantal zich tot dat van voorgaande jaren waarin het convenant van kracht was?
Uit de registratie van Qbuzz volgt dat van 1 januari 2025 tot en met 12 oktober 2025 181 incidenten zijn geregistreerd op buslijn 73. Ten opzichte van 2024 is dit aantal hoger.
Deelt u de mening dat het in 2022 gesloten convenant momenteel onvoldoende wordt nageleefd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar stokt het, wie is hiervoor verantwoordelijk en wat gaat u eraan doen om dit recht te zetten?
Het is betreurenswaardig dat het veiligheidsconvenant niet volledig de gewenste zekerheid biedt. Zoals benoemd in de beantwoording van vraag 3 en 4, worden mitigerende maatregelen genomen die zullen bijdragen aan de veiligheid van chauffeurs.
Welke partijen zijn verantwoordelijk voor het naleven van het convenant en wie kunnen hier door chauffeurs op worden aangesproken?
De betrokken verantwoordelijke partijen voor het naleven van het convenant zijn Qbuzz, vakbond FNV, de provincies Drenthe en Groningen en het Ministerie van Asiel en Migratie. Chauffeurs kunnen zich primair wenden tot hun werkgever en, indien van toepassing, hun vakbond. Signalen die zij aandragen worden meegenomen in overleggen met provincies, de gemeente Westerwolde en het Ministerie van Asiel en Migratie.
Deelt u de mening dat het totaal onaanvaardbaar is dat buschauffeurs en medereizigers op de buslijnen door Ter Apel na al die jaren nog steeds, en weer in toenemende mate, te maken hebben met overlast en agressie door een groep kansloze asielzoekers?
Het is onacceptabel dat buschauffeurs en reizigers te maken hebben met overlast op buslijnen richting Ter Apel. Alle betrokken partijen nemen deze signalen serieus en treffen mitigerende maatregelen om de veiligheid te verbeteren.
Welke maatregelen gaat u per direct treffen om deze wantoestanden keihard de kop in te drukken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u, naast zorgen voor voldoende toezichthouders op station Emmen en de haltes in Ter Apel, bereid om per direct (particuliere) beveiligers op zowel de pendelbus als de reguliere buslijnen te laten meereizen en hiervoor indien nodig als Minister de portemonnee te trekken? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment lopen gesprekken met betrokken partijen over de aanpak van overlast. Hierbij wordt ook de mogelijkheid van de inzet van extra beveiligers als mogelijke maatregel betrokken.
Het NOS-bericht 'Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg»1 en het bericht van Bits of Freedom «Meta sluit accounts af uit genderrechten- en abortusbeweging»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u het recente blokkeren en verwijderen door Meta van tientallen accounts op haar sociale mediaplatform?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en transparant zijn. Daarbij geldt dat wat offline illegaal is, online ook illegaal is. Discriminatie en uitsluiting is niet toegestaan. Ook niet door internetplatforms. Als blijkt dat een online dienst stelselmatig inbreuk maak op de grondrechten, verdient dat een stevige veroordeling. Een beoordeling of er tevens sprake is van overtreding van wet- of regelgeving, zoals de Digital Services Act, is aan de bevoegde toezichthouder(s).
Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. Zo moeten platforms de gebruiker een duidelijke en specifieke motivering verstrekken. Ook dienen online platforms adequate mogelijkheden aan te bieden om bezwaar te maken tegen het verwijderen of schorsen van accounts. In het geval van zeer grote online platformen (VLOP’s) als Meta is de Europese Commissie de aangewezen toezichthouder op de naleving van de DSA.
Hoeveel accounts van personen en groepen die zich bezighouden met genderrechten, queerrechten en abortusbewegingen zijn door Meta geblokkeerd?
In dergelijk detail heb ik daar geen zicht op. De Europese Commissie houdt een database bij waarin onder meer zeer grote online platforms inzicht geven in de moderatie die zij verrichten. Wanneer een online platform besluit om accounts te schorsen of content te verwijderen, moet het platform het besluit en de specifieke motivering hiervoor indienen voor opname in de database.3
Ziet u een groeiende trend in het aantal gebruikers die zich inzetten voor politieke doelen dat beperkingen opgelegd krijgt door Meta?
Daar heb ik op dit moment geen zicht op. Het onderzoek van Repro Uncensored stelt dat sprake is van een toename aan dergelijke beperkingen in 2025 ten opzichte van 2024. De DSA verplicht online platforms tot transparantie over hun moderatiepraktijken en de toezichthouders controleren hierop.
Hoe reageert u op de bewering van Meta dat hier sprake is van een technische fout? Op welke manier kunt u vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van een fout in de (geautomatiseerde) contentmoderatie van Meta?
In het kader van zorgvuldigheid uit ik nog geen oordeel. Het namelijk niet aan mij om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van fouten in de moderatiepraktijken van online platforms, maar aan de toezichthouder. Wel worden signalen als deze benoemd tijdens het structurele contact dat ik heb met de toezichthouder.
Deelt u de analyse van burgerrechtenorganisatie Repro Uncensored dat Meta het specifiek gericht heeft op queer en LHBTI-accounts en accounts beheerd door sekswerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen bent u bereid om te nemen op basis van de bevindingen?
Het is niet passend als ik me daarover uitlaat, dat is aan de toezichthouder. In algemene zin vind ik het belangrijk dat de online publieke ruimte inclusief moet zijn en dat het niet zo kan zijn dat accounts op basis van specifieke gronden onevenredig worden geblokkeerd of gecensureerd.
Online platforms mogen hun eigen algemene voorwaarden vormgeven, maar moeten die zorgvuldig, evenredig en objectief handhaven (artikel 14, DSA). Er is in Nederland en de EU geen ruimte voor ongelijke behandeling in gelijke gevallen en het overtreden van nationale en Europese wetgeving door een platform en het is aan de Europese Commissie om te handhaven. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie in het uitoefenen van haar toezichthoudende taak op de naleving van de DSA en diens kaders ter beperking van systeemrisico’s als online haat en discriminatie. Als er sprake blijkt van systeemrisico’s op een online platform als online haat tegen gemarginaliseerde groepen, biedt de DSA ook middelen om dit te sanctioneren.
Zoals afgelopen zomer werd aangekondigd in het Plan van aanpak tegen online discriminatie, treft het kabinet zelf ook maatregelen om de prevalentie van online discriminatie zichtbaar te maken en voor Nederlandse burgers om hun digitale rechten te gebruiken. Ook maatregelen gericht op zogeheten awful but lawful content, dat schadelijk is maar niet-evident onrechtmatig.
Is de manier waarop deze accounts verwijderd zijn, zonder uitleg en bezwaarmogelijkheden, in strijd met artikel 17 van de Europese Digital Services Act, dat stelt dat «opgelegde beperkingen» voorzien moeten zijn van «een duidelijke en specifieke motivering»?
Als er inderdaad sprake is van opgelegde beperkingen zonder een duidelijke en specifieke motivering, dan kan er sprake zijn van een overtreding van de DSA. Indien dit geen geïsoleerd incident is maar onderdeel van een patroon, kan de bevoegde toezichthouder dit nader onderzoeken en desnoods handhavend optreden.
De DSA verplicht ook tot het bieden van een bezwaarmogelijkheid voor gebruikers. De getroffen gebruikers kunnen dit geschil daarnaast voorleggen aan één van de buitengerechtelijke geschilbeslechtingscommissies voor een onafhankelijke beoordeling.4 Indien zij in het gelijk worden gesteld dan kan dat leiden tot een besluit dat Meta hun account(s) moet herstellen. Tot slot kunnen de getroffen gebruikers een civielrechtelijke zaak tegen Meta starten. Er is inmiddels al een aantal voorbeelden waarbij Nederlandse organisaties en personen platforms voor de rechter hebben gedaagd wegens overtreding van de DSA, en dat hebben gewonnen.
Welke gevolgen heeft het voor Meta als blijkt dat zij zich niet aan de Digital Services Act heeft gehouden? Hoe ziet u erop toe dat dit wordt gehandhaafd?
De Europese Commissie kan als toezichthouder dwangsommen van de gemiddelde dagomzet en geldboetes opleggen ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet van een VLOP. Daarnaast kunnen personen en organisaties via de civiele rechter online platforms dagen voor overtredingen van de DSA, of gebruik maken van de mogelijkheden om de zaak voor te leggen aan een onafhankelijke geschilbeslechtingscommissie. Zoals hiervoor toegelicht zijn daar reeds succesvolle voorbeelden van bekend.
Deelt u de mening van de indieners dat onafhankelijk onderzocht moet worden of hier sprake is van discriminatoir handelen?
Dat is niet aan mij. Het is zaak dat de bevoegde toezichthouders onafhankelijk kunnen opereren. Ik vind het niet passend dat ik me uitlaat over de noodzaak om de ene of een andere zaak al dan niet te onderzoeken.
In algemene zin ben ik voorstander van een transparante online publieke ruimte en vind ik het belangrijk dat de mogelijkheid bestaat om onafhankelijk onderzoek te doen met gebruik van openbare data van online platformen. Artikel 40 van de DSA biedt mogelijkheden daartoe. Wanneer een online platform deze toegang verhindert, kan de Europese Commissie daar een procedure tegen starten.
Deelt u de mening dat het blokkeren van accounts op sociale media platforms op grond van ideologische of politieke voorkeuren indruist tegen Europese wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Platforms mogen volgens de DSA hun eigen algemene voorwaarden bepalen, maar moeten bij het opstellen en toepassen daarvan gepaste aandacht hebben voor de rechten en legitieme belangen van alle betrokkenen. Waaronder de grondrechten van de afnemers van de dienst, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid en de pluriformiteit van de media en andere fundamentele rechten en vrijheden zoals in het Handvest verankerd. Een oordeel of er in dit geval sprake is van een eventuele overtreding hiervan is aan de bevoegde toezichthouder, en uiteindelijk aan de (bestuurs)rechter, of in een privaatrechtelijke procedure aan de civiele rechter.
Bent u van mening dat het uw verantwoordelijkheid is om burgers te beschermen tegen online discriminatie of onrechtmatig handelen van grote mediaplatformen zoals Meta? Bent u bereid om met Meta hierover in gesprek te gaan?
Ja. Samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zet ik stappen om alle vormen van discriminatie en onrechtmatige behandeling door grote mediaplatformen aan te pakken. De maatregelen hiertoe liggen besloten in het Plan van aanpak tegen online discriminatie. Het contact tussen ons ministerie en de internetsector is structureel van aard, thema’s als non-discriminatie, veiligheid en inclusiviteit vormen (naast andere publieke waarden) de kern van dit contact.
Bent u bereid om op basis van Europese en Nederlandse wetgeving op te treden en sancties op te leggen aan Meta als onderzoek uitwijst dat er tegen de wet wordt gehandeld?
De Europese Commissie is in eerste instantie de aangewezen partij om handhavend op te treden tegen overtredingen van de DSA door VLOP’s zoals Meta. Ik ondersteun de Europese Commissie waar mogelijk in diens rol als toezichthouder op de naleving van de DSA.
Bent u bereid om bij de Europese Commissie aan te dringen op een onderzoek naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet?
Het contact tussen de Europese Commissie en mijn ministerie (en andere relevante ministeries) is structureel van aard. Ik zie het als mijn taak om de Europese Commissie waar mogelijk te ondersteunen bij haar taakuitoefening als toezichthouder op de naleving van de DSA. Daar hoort ook het doorgeven van signalen zoals in deze berichtgeving bij. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie bij het uitoefenen van haar rol, dus voor aandringen zie ik geen noodzaak. Dat zou ook niet passend zijn omdat het de onafhankelijkheid van de Europese Commissie in het geding brengt.
Wel begrijp ik uw verlangen naar ad hoc en daadkrachtig ingrijpen bij waargenomen incidenten. De DSA is ontworpen om de grondrechten van mensen in de online wereld te bestendigen en ik vind het belangrijk binnen de kaders van de wet te blijven handelen. De DSA is een relatief nieuwe wet en het vereist tijd om inzicht te krijgen of de geboden kaders en maatregelen werken zoals bedoeld. In 2027 evalueert de Europese Commissie de wet en wordt deze evaluatie voorgelegd aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Tijdens deze evaluatie is er ook de mogelijkheid om namens Nederland input te geven.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
De situatie in Gaza en de Westelijke Jordaanoever |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «In Gaza, another winter of despair»?1 Waarom wordt beschreven dat de winteromstandigheden in de Gazastrook opnieuw hebben geleid tot zeer moeilijke leefomstandigheden, inclusief overstromingen en sterfgevallen als gevolg van onderkoeling? Wat is uw beoordeling van deze situatie?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het bericht. Sinds het staakt-het-vuren is de invoer van basale voedselhulp verbeterd, maar de humanitaire noden blijven hoog.
Bent u bereid de Nederlandse bijdrage aan humanitaire hulp in Gaza op te voeren in het licht van deze berichtgeving?
De Nederlandse financiële inzet voor humanitaire hulp in 2026 is op 12 januari jl. aan de Kamer bekendgemaakt.2 Middels aanzienlijke, flexibel inzetbare bijdragen aan de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en Dutch Relief Alliance helpt Nederland deze organisaties ook in 2026 om te reageren op humanitaire crises wereldwijd. Dat geldt ook voor hun werk in de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en de regio. Nederland maakt in 2026 tevens EUR 16 miljoen beschikbaar voor het humanitaire landenfonds van de VN voor de Palestijnse gebieden. In 2025 werd dit fonds ondersteund met een bedrag van EUR 14,7 miljoen. Daarnaast zal, net als in voorgaande jaren, gedurende 2026 worden gekeken waar ter wereld eventuele additionele humanitaire bijdragen het hardst nodig zijn.
Bent u het eens dat de regering-Netanyahu bijdraagt aan deze omstandigheden door nog steeds humanitaire hulpgoederen zoals winterbescherming en noodzakelijke spullen voor medische zorg tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Hulporganisaties hebben te maken met aanhoudende belemmeringen, waaronder de beperkte opening van grensovergangen, de Israëlische herregistratieplicht voor internationale ngo’s, en de restricties voor de invoer van goederen die Israël als dual use ziet, zoals onderdakmaterialen en bepaalde medische apparatuur. Israël voert hiervoor veiligheidsoverwegingen aan. Israël heeft de verplichting om, conform het humanitair oorlogsrecht, de bevolking in de gehele Gazastrook te voorzien van essentiële goederen. Als bezettende macht is Israël verplicht om hulpacties van derde staten of onpartijdige humanitaire organisaties toe te staan en deze met alle haar ten dienste staande middelen te faciliteren. Dit volgt ook uit het IGH advies van 22 oktober 2025 over Israëls verplichtingen ten aanzien van VN-hulpverlening in de bezette Palestijnse Gebieden. Nederland blijft onderstrepen dat volledige, veilige en ongehinderde humanitaire toegang cruciaal is, en spreekt Israël hier consequent in bilateraal en multilateraal verband op aan.
Welke maatregelen heeft Nederland, zelf of in EU-verband, genomen om te bevorderen dat humanitaire hulp wél in voldoende mate de Gazastrook bereikt? Welk resultaat heeft dat geleverd?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Nederland blijft zich ervoor inspannen dat professionele hulporganisaties, waaronder de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s volledige, veilige en ongehinderde humanitaire toegang hebben om hun werk uit te kunnen voeren. Dit alles doet Nederland zowel bilateraal in contacten met de Israëlische autoriteiten, als in EU verband. Dit heeft het kabinet recent gedaan naar aanleiding van de herregistratieplicht. De Minister van Buitenlandse Zaken nam na het besluit van Israël op 31 december jl. telefonisch contact op met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken, en heeft zijn zorgen ook in november benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël. Eerder was Nederland medeondertekenaar van het Foreign Ministers» Statement van augustus 2025, en onderstreepte het zorgen over de wetgeving tijdens de Europese Raad.3 In eerdere Kamerbrieven bent u geïnformeerd over de wijzen waarop Nederland ten tijde van de humanitaire blokkade de druk heeft opgevoerd.4
Hoe beoordeelt u de recente Israëlische goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever? Deelt u de mening dat de regering-Netanyahu hiermee een tweestatenoplossing ondermijnt?
Het kabinet acht de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig en veroordeelt het Israëlisch nederzettingenbeleid, waarvan de goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever deel uitmaakt. Het kabinet roept Israël op dit besluit terug te draaien en geen verdere stappen te zetten die een tweestatenoplossing onder druk zetten. Deze boodschap heeft Nederland ook onderstreept in een gezamenlijke verklaring met gelijkgezinden.5 Daarnaast gaat het kabinet door met het voorbereiden van nationale maatregelen om producten uit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren.
Welke stappen heeft u naar aanleiding van dit besluit gezet, zelf of in EU-verband? Bent u van plan verdere actie te ondernemen, bijvoorbeeld binnen de VN?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bekend met het bericht «Israëlische checkpoints verstikken Palestijnen op bezette Westoever» waarin wordt beschreven dat Palestijnen door checkpoints gehinderd worden in het bereiken van bijvoorbeeld school, werk of medische behandelingen?2 Bent u het eens dat het Israëlische leger hiermee onrechtmatig en disproportioneel handelt en bent u bereid dit te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is bekend met dit bericht. Het kabinet roept Israël consequent op het internationaal recht te eerbiedigen, waaronder in de Palestijnse Gebieden. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet spant zich daarvoor in.
Bent u bekend met het bericht «Israël foltert en verkracht Palestijnse gevangenen – en bijna niemand mag hen bezoeken»?3 Wat is uw reactie op dit bericht?
Het kabinet is bekend met dit bericht. Het kabinet maakt zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Deze zorgen betreffen de detentieomstandigheden zelf, het aantal arbitraire detenties, en de toegang tot detentiefaciliteiten voor hiervoor gemandateerde organisaties, specifiek het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Het kabinet brengt deze zorgen op in bilaterale contacten met de Israëlische autoriteiten, waaronder tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november. Ook multilateraal spreekt Nederland zich hierover uit, waaronder in de gemeenschappelijke positie van de EU-Israël Associatieraad en in (EU-) verklaringen bij de Mensenrechtenraad.
Deelt u de opvatting dat deze praktijken een schending van mensenrechten betekenen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen die door het VN-Comité tegen foltering zijn gepresenteerd in hun concluding observations on the sixth periodic report of Israel van 22 december jl. en waar het NRC-artikel naar refereert. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht, bovenstaand rapport is hiervoor van belang. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om in internationale fora te pleiten voor onafhankelijke, transparante onderzoeken naar alle meldingen van marteling en mishandeling van Palestijnse gevangenen? Zo nee, waarom niet?
Nederland hecht groot belang aan het tegengaan van straffeloosheid. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet spant zich daarvoor in en brengt dit ook op in internationale fora zoals de VN-Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN. Tijdens het Open Debat over het Midden-Oosten van de VN-Veiligheidsraad van 27 oktober jl. riep Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het internationaal recht in de Palestijnse Gebieden. Daarnaast loopt er bij het Internationaal Strafhof (ISH) al een actief onderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden. Het is aan het ISH om dat onderzoek nader vorm te geven binnen de grenzen van het Statuut van Rome. Het kabinet respecteert de onafhankelijkheid van de aanklagers van het ISH en mengt zich derhalve niet in hun onderzoeks- en vervolgingsbeleid.
Nederland draagt ook in 2026 bij aan de onderzoekscapaciteit van het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in de Palestijnse Gebieden (OHCHR), middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. De OHCHR in de Palestijnse Gebieden monitort de mensenrechtensituatie en rapporteert daar publiekelijk over.
De stemming in het Europees Parlement over het burgerinitiatief My Voice, My Choice |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft het kabinet kennisgenomen van de resolutie van het Europees parlement die het burgerinitiatief My Voice, My Choice verwelkomt, waarin opgeroepen wordt om abortus te vergoeden die ondergaan wordt in een EU-lidstaat met ruimere abortuswetgeving?1
Ja, ik ben bekend met de resolutie van het Europees Parlement en met het burgerinitiatief My Voice, My Choice.
Kunt u bevestigen dat beleid en wetgeving over abortus geen Europese, maar een nationale bevoegdheid is?
De verdeling van bevoegdheden binnen de Europese Unie is vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).2 Dit verdrag bepaalt dat het aan de lidstaten is om hun beleid voor gezondheidszorg in te richten.3 De EU kan het optreden van de lidstaten wel ondersteunen, coördineren en aanvullen.4 De EU mag op dit terrein geen maatregelen vaststellen die de lidstaten verplichten hun wet- en regelgeving te harmoniseren.5 EU-lidstaten zijn hiermee, in beginsel, zelf bevoegd besluiten te nemen met betrekking tot hun nationale abortuswetgeving.
In specifieke situaties kan abortus binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Zo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie abortus aangemerkt als een dienst6 en kunnen de lidstaten dus gebonden zijn aan de Unierechtelijke vrij-verkeersregels.
Erkent u dat met dit burgerinitiatief de nationale soevereiniteit van EU-lidstaten in de praktijk wordt geschonden?
Nee. Het initiatief roept op om lidstaten financieel te steunen bij abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige of legale toegang tot hebben. Het is aan de Europese Commissie (hierna: de Commissie) om hier een besluit over te nemen. Mocht de Commissie gehoor geven aan dit initiatief, dan kunnen lidstaten nog steeds zelf hun wet- en regelgeving over abortus bepalen.
De Commissie heeft het burgerinitiatief geregistreerd.7 Registratie van een burgerinitiatief vindt enkel plaats wanneer de Commissie tot de conclusie komt dat is voldaan aan de relevante criteria voor registratie uit Verordening 2019/788 inzake het Europees burgerinitiatief. Eén van de criteria is dat het initiatief een onderwerp moet betreffen waarvoor de Commissie bevoegd is een voorstel in te dienen. Daarnaast mag het initiatief niet indruisen tegen de waarden van de Unie.8 Als het burgerinitiatief de nationale soevereiniteit zoals vastgelegd in het VWEU zou schenden, zou de Commissie het initiatief dus niet hebben geregistreerd.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat andere lidstaten of Europese gremia zich gaan bemoeien met op democratische wijze tot stand gekomen beleid en wetgeving ten aanzien van abortus in lidstaten?
Het zou onwenselijk zijn als de EU of haar lidstaten zouden handelen in strijd met de bevoegdheden die zijn vastgelegd in het VWEU. Bijvoorbeeld als de EU aan Nederland zou opleggen om de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) aan te passen. Als het om (seksuele en reproductieve) gezondheid gaat, is de EU bevoegd om lidstaten in hun beleid te ondersteunen, te coördineren en aan te vullen, zoals ook is toegelicht in het antwoord op vraag 1. Bovendien is het binnen internationale en Europese samenwerking gebruikelijk dat landen het gesprek met elkaar aangaan over verschillende onderwerpen, óók over kwesties die tot de nationale bevoegdheden behoren. Zolang dit gesprek plaatsvindt binnen de kaders van het VWEU en met respect voor nationale democratische besluitvorming, is dit niet onwenselijk maar juist een belangrijk onderdeel van internationale samenwerking.
Hoe wenselijk zou u het vinden als Europese instanties of andere EU-lidstaten zich actief zouden gaan bemoeien met het Nederlandse beleid ten aanzien van abortus?
Zie antwoord vraag 4.
Is het kabinet het eens dat de wens van het burgerinitiatief en het Europees parlement in strijd is met artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat stelt dat eenieder recht heeft op bescherming – en dus ook het ongeboren leven?
Nee, dit burgerinitiatief (en toegang tot abortus in algemene zin) is niet in strijd met Europese grondrechten. In artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat dat eenieder recht heeft op leven, maar ongeborenen worden niet expliciet genoemd. Hoewel er geen overeenstemming bestaat over de vraag of mensenrechten van toepassing zijn op ongeborenen, zijn de verdragen waarin mensenrechten zijn vastgelegd over het algemeen pas na de geboorte van toepassing. Dat volgt onder andere uit artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Dit artikel stelt dat «alle mensen worden geboren in vrijheid en gelijkheid in waardigheid en rechten». Als het burgerinitiatief in strijd zou zijn met EU-grondrechten had de Commissie het initiatief niet geregistreerd. De Commissie registreert een burgerinitiatief immers alleen als deze voldoet aan de relevante criteria voor registratie in de Verordening 2019/788 inzake het Europees burgerinitiatief.
Deelt het kabinet de opvatting dat «grensverkeer» voor abortus – vanuit onder meer Polen, Malta, maar ook Duitsland en België – in de meeste gevallen geen betrekking heeft op medische noodsituaties waarin het leven van de moeder direct gevaar loopt?
In Nederland wordt niet geregistreerd waarom vrouwen kiezen voor een abortus. Dat geldt ook voor buitenlandse vrouwen die voor een zwangerschapsafbreking naar Nederland zijn afgereisd. Het is dus niet bekend hoeveel van deze vrouwen hun zwangerschap om medische redenen wil afbreken. De reden van hun keuze doet er ook niet toe. Een belangrijk uitgangspunt in de Wafz is immers dat de vrouw zélf bepaalt wat voor haar een noodsituatie is. Het maakt in die zin dus niet uit of haar noodsituatie van (ernstige) medische of van andere aard is.
Kunt u aangeven hoe het beleid en de wetgeving in Nederland zich verhoudt tot dit burgerinitiatief? Vergoedt Nederland op dit moment al abortussen van buitenlandse vrouwen?
In het burgerinitiatief wordt de Commissie opgeroepen om een financieringsmechanisme te ontwikkelen dat lidstaten kan ondersteunen bij toegang tot abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige of legale toegang tot hebben.De subsidieregelingen voor abortus zijn van toepassing op behandelingen aan vrouwen die verzekerd zijn volgens de Wet langdurige zorg (Wlz). In principe is dit iedereen die vast in Nederland woont of werkt. Voor vrouwen die voor abortuszorg vanuit het buitenland naar Nederland reizen is geen vergoeding.
Wat is de positie van Nederland ten aanzien van de inhoud van het burgerinitiatief?
Het is aan de Commissie om een besluit te nemen over het burgerinitiatief. Binnen zes maanden na de bekendmaking van het initiatief maakt de Commissie haar juridische en politieke conclusies over het initiatief bekend in een mededeling. Daarbij vermeldt de Commissie eveneens waarom zij al dan niet maatregelen neemt, en zo ja, welke maatregelen zij van plan is te nemen.9 Naar aanleiding van de mededeling van de Commissie zal het kabinet het Nederlandse standpunt interdepartementaal afstemmen via het gebruikelijke afstemmingsproces. Uw Kamer ontvang daarover dan een BNC-fiche.10
Welke wegen ziet u om te bevorderen dat de Commissie niet meegaat in dit burgerinitiatief?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe geeft het kabinet invulling aan de aangenomen motie-Stoffer c.s. over zich actief verzetten tegen pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in Europese verdragen (Kamerstuk 36 247, nr. 9)?
De motie-Stoffer c.s. verzoekt ons om ons actief te verzetten tegen pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in Europese Verdragen. Op dit moment zijn er geen concrete pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in de Europese Verdragen en is opvolging nu niet aan de orde.
Het bericht 'Nederlandse grensboeren halen doelen niet door vervuild water uit Duitsland: dit voelt wel oneerlijk' |
|
Hidde Heutink (PVV), Chris Jansen (PVV) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit artikel en wat vindt u hiervan?1
Kunt u aangeven waarom er niet eerder in Brussel aan de bel is getrokken over deze overduidelijke achterstelling van onze boeren ten opzichte van boeren uit Duitsland?
Is dit niet een overduidelijk voorbeeld dat onze boeren erin worden geluisd door idiote regels en daarmee bewust naar de afgrond worden geduwd? Zo nee, waarom niet?
Waarom draait Nederland op voor de vervuiling uit het buitenland en wat doet u om dit te stoppen?
Wanneer gaat u de Nederlandse Kaderrichtlijn Water (KRW)-normen versoepelen?
Valt het nog uit te leggen dat het water, één millimeter over de grens, schoner zou zijn, en in Nederland niet meer? Zo ja, hoe legt u dat dan uit aan al die boeren, tuinders en vissers die al jarenlang worden gepakt?
Snapt u dat we als Nederland op deze wijze nooit de KRW-doelen gaan halen?
Het bericht 'Transparantie is alweer passé, met dank aan het ultrakorte politieke geheugen in Den Haag' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Volkskrant-bericht «Transparantie is alweer passé, met dank aan het ultrakorte politieke geheugen in Den Haag» d.d. 17 december 2025?
Ja.
Erkent u het belang van het recht van iedere burger op overheidsinformatie en dat dit een internationaal erkend mensenrecht is? Deelt u de mening dat het van belang is om het recht op overheidsinformatie niet in te perken?
Ja, ik erken het belang van het recht van iedere burger op overheidsinformatie en het betreft inderdaad een internationaal erkend grondrecht. Het recht op toegang tot overheidsinformatie is vastgelegd in verdragen waar Nederland partij bij is zoals in artikel 11 van het EU-Handvest, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Dit recht heeft een sterke wisselwerking met het grondwettelijk verankerde recht op de vrijheid van meningsuiting (artikel 7 van de Grondwet). Nauw verbonden hiermee is de grondwettelijke bepaling dat de overheid bij de uitvoering van haar taak openbaarheid betracht (artikel 110 van de Grondwet). In artikel 1.1 van de Woo is dit recht ook verankerd. Dit betekent niet dat er geen voorwaarden en beperkingen mogen worden opgelegd aan de toegang tot overheidsinformatie, bijvoorbeeld ten aanzien van de omvang of werklast van een verzoek. Landen kunnen dan ook verschillend omgaan met het recht op overheidsinformatie. Dit wordt ook geïllustreerd in het rechtsvergelijkend onderzoek dat mijn ambtsvoorganger eerder met uw Kamer heeft gedeeld.1
Kunt u reageren op de kritiek dat voorstellen zoals het begrenzen van de omvang van Woo-verzoeken, het invoeren van verplichte formulieren of het doorberekenen van kosten neerkomen op drempelverhoging voor een mensenrecht?
Het recht op toegang tot informatie is een belangrijk recht. Tegelijkertijd zijn hier altijd voorwaarden en beperkingen aan verbonden. Dergelijke beperkingen zijn toegestaan volgens internationaal recht en zorgen ervoor dat de toegang tot overheidsinformatie voor iedereen gewaarborgd blijft. Uit het eerder aangehaalde rechtsvergelijkend onderzoek blijkt ook dat andere landen, die uiteraard ook het recht van burgers op overheidsinformatie erkennen, beperkingen en voorwaarden opleggen aan het kunnen verkrijgen van overheidsinformatie. Nadere regels hebben tot doel om het openbaarmakingsproces te verbeteren, te stroomlijnen of de publicatie van betekenisvolle informatie te versnellen en te vergroten.
Deelt u de opvatting dat de Woo bijdraagt aan transparantie en daarmee aan het vergroten van het vertrouwen in de overheid?
Ja, deze opvatting deel ik.
Kunt u toelichten waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vooruitlopend op de geplande evaluatie van de Woo in 2026 al voorstellen doet die het recht op overheidsinformatie feitelijk kunnen beperken? Acht u het getuigen van goed bestuur om conclusies te trekken over de werking van de Woo voordat de wettelijke evaluatie heeft plaatsgevonden? Zo ja, kunt u dat uitleggen?
In het kader van de formatie zijn er door de informateur vragen gesteld aan mijn ministerie. Zoals door de informateur verzocht, zijn ter beantwoording van die vragen vanuit mijn ministerie mogelijkheden opgenomen die de uitvoering van de Wet open overheid (Woo) kunnen verbeteren. De beschreven mogelijkheden zijn geen staand beleid. Verder is in de beantwoording ook gewezen op de aanstaande evaluatie van de Woo. De door mijn ministerie gegeven antwoorden zijn input voor de lopende formatie van een nieuw kabinet. Daarom vind ik het niet passend om hier als demissionair Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inhoudelijk op te reageren.
Welke concrete stappen heeft u sinds de inwerkingtreding van de Woo gezet om proactieve openbaarmaking daadwerkelijk de norm te maken, zoals de wet al mogelijk maakt?
In het kader van (pro)actieve openbaarmaking staat «betekenisvolle openbaarheid» centraal. Afgelopen jaar is in opdracht van mijn ministerie een stappenplan met afwegingskader ontwikkeld dat overheidsorganisaties moet helpen om betekenisvol invulling te geven aan de inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking uit de Woo (art. 3.1).2 Met het stappenplan en afwegingskader kunnen overheidsorganisaties beter bepalen welke informatie zij uit eigen beweging openbaar maken en op welke manier. Het streven is om in aanvulling hierop in het voorjaar van 2026 een beleidslijn te publiceren, die verder invulling en kaders geeft aan de inspanningsverplichting. Daarnaast stimuleren we overheidsorganisaties om jaarlijks minimaal 1 maatschappelijk relevant dossier openbaar te maken.
Een ander belangrijk onderdeel van de Woo betreft de actieve openbaarmaking van verplichte informatiecategorieën. Vanuit mijn ministerie zijn, in samenwerking met andere bestuursorganen en de koepels van de medeoverheden, werkdefinities en hulpmiddelen ontwikkeld voor iedere informatiecategorie uit de Woo.3 Deze producten dragen bij aan meer helderheid en een betere uitvoerbaarheid voor overheidsorganisaties. Met de inwerkingtreding van de eerste tranche is op 1 november 2024 de eerste fase van de verplichte actieve openbaarmaking van start gegaan. Sinds dat moment zijn bestuursorganen verplicht vijf informatiecategorieën actief openbaar te maken. De komende jaren zal de verplichting voor de overige categorieën in werking treden.
Sinds de inwerkingtreding van de Woo wordt al veel meer informatie actief openbaar gemaakt4 en geven overheidsorganisaties steeds meer invulling aan de inspanningsverplichting. Zo maakt het Waterschap Rijn en IJssel al hun meetgegevens over waterhoeveelheden en waterkwaliteit publiekelijk toegankelijk.5 Ook vanuit mijn eigen ministerie zijn we hiermee proactief aan de slag, zoals met het dashboard Groningen dat een overzicht biedt van de belangrijkste documenten die inzicht geven in de totstandkoming van het wetsvoorstel Wet Groningen6 en de website van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) met een tijdlijn van de totstandkoming van de NDS en de besluitvormende (interne)documenten die daaraan ten grondslag liggen.7 Deze goede voorbeelden moeten ook andere bestuursorganen stimuleren en inspireren om met de inspanningsverplichting aan de slag te gaan.
De verdere invulling van de inspanningsverplichting tot «betekenisvolle openbaarmaking» en de voorbereiding van de actieve openbaarmaking van de zeventien verplichte informatiecategorieën moeten op termijn verder bijdragen aan de gewenste normverandering naar (pro)actieve openbaarmaking.
Bent u bereid om, naar Scandinavisch voorbeeld, te onderzoeken hoe informatie sneller en minder politiek (zijnde met meer vertrouwen in de Woo-specialisten en daarmee een drastisch inkorting van de parafenlijn) kan worden verstrekt, inclusief e-mails en informele documenten? Zo ja, hoe gaat u daar invulling aan geven? Zo niet, waarom niet?
Ja, hier ben ik mee momenteel mee bezig. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor de Woo werk ik voortdurend aan het stimuleren en ondersteunen van bestuursorganen bij het tijdig en efficiënt uitvoeren van de Woo. Zo wordt op dit moment met een overheidsbrede werkgroep gewerkt aan een optimaal Woo-proces, waarmee het proces efficiënt, responsief en uniform wordt ingericht als een proactief dienstverleningsproces. Hierin nemen we goede voorbeelden uit zowel de binnenlandse als de buitenlandse praktijk mee, zoals de Scandinavische voorbeelden. Daarbij wil ik wel opmerken dat de reikwijdte van de Woo breder is dan openbaarheidswetgeving in veel andere landen, waar bijvoorbeeld interne communicatie niet openbaar wordt gemaakt. Goede voorbeelden die onder andere worden meegenomen in het optimale Woo-proces zijn de inzet van informatiespecialisten, het verkorten van de parafenlijn en het centraal stellen van contact met de verzoeker en diens informatiebehoefte. Bij mijn eigen ministerie wordt sinds vorig jaar ook gebruik gemaakt van een verkorte parafenroute, wat tot positieve resultaten leidt.
Waarom worden in beleidsafwegingen rond de Woo vrijwel uitsluitend de kosten betrokken en niet de maatschappelijke baten van openbaarheid, zoals beter bestuur, minder fouten en groter vertrouwen?
In beleidsafwegingen wordt wel degelijk gekeken naar de maatschappelijke baten van openbaarheid. Zo is er afgelopen jaar een onderzoek uitgevoerd naar de informatiebehoeften van de samenleving als het gaat om overheidsinformatie.8 Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is meer zicht op de behoeften vanuit de samenleving en kan hier beter op ingespeeld worden met openbaarmaking. Deze uitkomsten zijn dan ook meegenomen in het overheidsbrede afwegingskader voor de inspanningsverplichting (zie het antwoord op vraag 6). In de wetsevaluatie, die in 2026 wordt uitgevoerd, zullen de maatschappelijke baten van openbaarheid uiteraard ook worden meegenomen. Onlangs hebben de Open State Foundation en Instituut Maatschappelijke Innovatie een rapport uitgebracht over de baten van transparantie,9 wat ik met veel interesse zal lezen.
Kunt u aangeven of er binnen andere ministeries onderzoeken zijn gedaan naar het verbeteren en makkelijker maken van de Woo en wat hier de uitkomsten van zijn geweest?
Andere ministeries werken ook continu aan het verbeteren en makkelijker maken van de uitvoering van de Woo. Van eventuele onderzoeken die zij hiernaar hebben uitgevoerd, heb ik geen overzicht. De ministeries zijn wel vertegenwoordigd in de eerdergenoemde werkgroep die werkt aan een optimaal Woo-proces. Via deze weg worden goede voorbeelden en resultaten van bijvoorbeeld pilots of onderzoeken meegenomen.
Kunt u aangeven hoe u aankijkt tegen het voorstel om het Adviescollege Openbaarmaking en Informatiehuishouding (ACOI) te versterken tot een onafhankelijke autoriteit met bindende bevoegdheden?
Het ACOI is ingesteld onder de Woo en zal daarom ook onderdeel uitmaken van de wetsevaluatie. Daarnaast voert het ACOI op grond van artikel 28 van de Kaderwet adviescolleges ook een zelfevaluatie uit. In deze twee onderzoeken zullen dus de rol en de taken van het ACOI aan de orde komen.
Bent u voornemens om lessen te trekken uit de aanpak van onder andere de gemeente Amsterdam die de doorlooptijd terugbracht en de proactieve openbaarmaking van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)?
Ja deze lessen neem ik mee. Uiteraard sta ik altijd open voor lessen die andere bestuursorganen trekken uit hun Woo-praktijk. Zoals ook eerder benoemd, betrek ik deze bij de ontwikkeling van het optimale Woo-proces waarbij uitgebreid wordt gekeken naar de successen van andere bestuursorganen en hoe deze breder toegepast kunnen worden binnen de overheid. Ook voor de beleidsmatige invulling van de inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking worden continu goede voorbeelden opgehaald bij overheidsorganisaties, die vervolgens anderen kunnen inspireren.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het meenemen van klimaatrisico’s bij ruimtelijke besluiten |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Dutch Climate Risk Portal?1
Hoe wordt dit portaal concreet gebruikt in beleidsvoorbereiding?
Klopt het dat grote delen van de informatie op de Dutch Climate Risk Portal uitsluitend in het Engels beschikbaar zijn en vooral lijken te zijn gericht op (internationale) investeerders en de financiële sector? Acht u dit wenselijk?
Op welke wijze en door wie worden de risico-indicatoren en gegevens van de Dutch Climate Risk Portal gebruikt? Wat is de doelgroep?
Op welke manier worden andere overheidsinstanties, zoals gemeenten en provincies hierbij betrokken?
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en begrijpelijkheid van de informatie op Dutch Climate Risk Portal voor inwoners zonder technische of beleidsmatige achtergrond? En hoe zorgt u ervoor dat deze inwoners en lokale partijen minstens even goed en begrijpelijk worden geïnformeerd over klimaatrisico’s in hun eigen leefomgeving?
In hoeverre worden klimaatrisico’s expliciet betrokken bij rijksbesluiten over ruimtelijke ordering, bijvoorbeeld bij de Nota Ruimte en NOVEX-gebieden?
Hoe wordt voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waaronder woningbouw en voorzieningen in de zorg, onderwijs, mobiliteit plaatsvinden op plekken met verhoogde risico’s (op wateroverlast, funderingsschade, overstroming, droogte) met schade tot gevolg?
Herkent u dat veel inwoners onvoldoende zicht hebben op klimaatrisico’s in hun wijk?
Hoe past het introduceren van een publiek toegankelijk klimaatrisicolabel of waterlabel voor gebieden of woningen, vergelijkbaar met het energielabel, hierin?
Heeft u de mogelijkheden van zo’n label al eens onderzocht? Wat waren de resultaten daarvan?
Zijn er regio’s in Nederland waar verzekerbaarheid of hypotheekverstrekking onder druk staan of vermoedelijk in de toekomst onder druk komen te staan door toenemende klimaatrisico’s? Welke regio’s zijn dit?
Zijn er kwetsbare wijken of bevolkingsgroepen die worden geraakt door klimaatrisico’s? Zo ja, welke? En hoe waarborgt u bescherming en voorkomt u schade?
In hoeverre worden individuele huiseigenaren geïnformeerd over risico’s?
Zou een verplichting om bij verkoop of verhuur van woningen inzicht te geven in lokale klimaatrisico’s een oplossing kunnen bieden voor de transparantie en duidelijkheid?
Bent u bereid om wettelijke of procedurele verplichtingen te versterken waarmee waterschappen tijdig betrokken worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en samen kunnen werken met gemeenten en provincies, zodat risico’s eerder aan het licht komen?
Hoe garandeert u dat de uitgangspunten uit de Nationale Adaptatiestrategie (NAS)2 en het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie3 niet vrijblijvend zijn, maar daadwerkelijk doorwerken in rijksprogramma’s voor woningbouw en gebiedsontwikkeling breed?
Hoe ziet u de rol van het Rijk in het ontwikkelen van standaarden voor klimaatbestendig bouwen, zodat alle stakeholders rondom gebiedsontwikkeling weten waar zij aan toe zijn?
Acht u het wenselijk dat er een landelijke, uniforme klimaatrisicotoets wordt opgenomen in ruimtelijke besluiten voor grootschalige woningbouwlocaties, zodat procedures voorspelbaar worden en vertraging door discussies achteraf wordt voorkomen?
Wordt er een impactanalyse gemaakt van klimaatrisico’s op de haalbaarheid en fasering van de nationale woningbouwopgave, zoals in het Deltaprogramma 2026 wordt gesuggereerd? Zo ja, hoe wordt geborgd dat dit leidt tot slimmer bouwen?
Bent u bereid het adviesrecht van waterschappen bij gebiedsontwikkeling te versterken zodat zij niet alleen reactief adviseren maar actief mee kunnen doen bij ontwikkelingen?4
Hoe borgt u dat toekomstige woningbouwplannen niet vertragen of stoppen maar worden aangepast waar nodig, door een waterrobuuste en adaptieve inrichting?
Op welke manier wordt gezorgd dat klimaatrisico’s beter in kaart worden gebracht en dat bewoners begrijpelijk en toegankelijk inzicht krijgen in klimaatrisico’s van hun woongebied (zoals hitte, wateroverlast, overstromingsrisico en droogte)?
Bent u bekend met het artikel «Ronald Plasterk: dat een ngo dit durft te doen, tekent de enorme macht van deze organisaties in Brussel» van 18 december 2025?1
Ja.
Bent u ook bekend met het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 11/2025, getiteld «Transparantie van aan ngo’s toegekende EU-financiering – Ondanks vooruitgang nog steeds geen betrouwbaar overzicht»?2
Ja.
Bent u voorts bekend met de website ngotransparency.eu waarop een van de Europese Commissie verkregen database is geopenbaard over financiering van ngo’s in de Europese Unie, waaronder ook in Nederland?
Ja.
Klopt het dat deze subsidies worden verstrekt op basis van contracten en werkprogramma’s waarin concrete activiteiten zijn vastgelegd, waaronder lobby richting Europese instellingen, politieke fracties en nationale politieke partijen. En klopt het dat deze contracten en werkprogramma’s niet openbaar zijn?
Organisaties die subsidiegelden benutten stellen bij aanvraag van subsidie zelfstandig hun werkprogramma’s op aan de hand van gestelde toetsingscriteria. Er is dus geen sprake van dat de Europese Commissie bepaalt (op welke wijze) belangenbehartiging plaatsvindt bij bepaalde partijen.
Op grond van EU-wetgeving worden programma’s vastgesteld voor de duur van ieder meerjarig financieel kader. Deze programma’s zijn openbaar. Informatie daarover is te vinden op het EU Funding & Tenders Portal. Deze programma’s worden uitgevoerd door middel van werkprogramma’s. Deze worden door de Europese Commissie vastgesteld via comitologie en zijn ook openbaar. De contracten die met ngo’s worden gesloten zijn niet openbaar, dat is ook niet verplicht. Wel moeten belangenvertegenwoordigers die geen commerciële belangen vertegenwoordigen, waaronder doorgaans ngo’s, hun lobbyactiviteiten melden in het EU-transparantieregister. Hiernaast is de Europese Commissie volgens het Financieel Reglement van de Unie verplicht om het Europees parlement en de Raad op hun verzoek een verslag te sturen met informatie over subsidies, waaronder het aantal aanvragers van subsidies, het aantal subsidies en de betrokken bedragen van het voorgaande begrotingsjaar.3
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat belastinggeld wordt gebruikt om organisaties te financieren die tot doel hebben politieke besluitvorming te beïnvloeden?
De Europese Commissie gebruikt subsidieverstrekking om bepaalde EU-beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Ook maatschappelijke organisaties kunnen zich aanmelden voor deze subsidies. Afhankelijk van de beleidsdoelen en de daarvoor opgezette instrumenten kan beleidsbeïnvloeding een subsidiabele activiteit zijn. Wanneer dit soort activiteiten niet subsidiabel is, kunnen organisaties uiteraard wel uit eigen middelen aan beleidsbeïnvloeding doen. Het kabinet acht het onwenselijk dat overheidsgeld dat is bedoeld voor ontwikkelingshulp wordt gebruikt voor de financiering van beleidsbeïnvloeding in Nederland.
Bent u bereid te onderzoeken welke EU-financiering aan in Nederland gevestigde en/of werkzame ngo’s is verstrekt en wat er voor die bedragen concreet is gedaan, welke activiteiten daarmee zijn gefinancierd en in hoeverre deze activiteiten gericht waren op politieke beïnvloeding? Zo nee, waarom niet?
In het financiële transparantieregister van de EU staan de ontvangers per fonds en per land opgenomen. Het kabinet houdt zelf geen overzicht bij van in Nederland gevestigde en/of werkzame ngo’s die subsidies van de Europese Commissie ontvangen en is ook niet voornemens dat te doen. De Europese Commissie heeft een eigenstandige verantwoordelijkheid om subsidieovereenkomsten aan te gaan met maatschappelijke organisaties. De Europese Commissie dient daarbij, naast de afspraken over transparantie, de voorwaarden en doelstellingen van het betreffende fonds en van het Financieel Reglement van de Unie in acht te nemen.
Bent u bereid bij de Europese Commissie volledige transparantie over EU-financiering van NGO’s te eisen, inclusief alle contracten, werkprogramma’s, lobbyactiviteiten en daarbij ook de rol van de Nederlandse Eurocommissaris te onderzoeken, zo nodig via een extern onafhankelijk bureau? Zo nee, waarom niet?
Transparantie en verantwoording over subsidies en belangenbehartiging zijn essentieel om het vertrouwen van burgers in de Unie te behouden. Het Europees parlement en de Europese Commissie hebben in 2011 het EU-transparantieregister ingesteld door middel van een interinstitutioneel akkoord. De Raad is in 2021 toegetreden tot dit akkoord. Het kabinet is hier voorstander van en heeft zich hiervoor ingezet. Het akkoord biedt een kader voor een transparante en integere interactie tussen de EU-instellingen en belangenvertegenwoordigers. De EU-instellingen hebben zich gecommitteerd alleen bepaalde interacties met belangenvertegenwoordigers aan te gaan wanneer deze zijn ingeschreven in het register. Het kabinet heeft op het moment geen signalen dat geldende transparantie- en lobbyregels zijn overtreden en ziet dan ook geen noodzaak om nadere informatie op te vragen.
Deelt het kabinet de mening dat dit deze praktijken haaks staan op artikel 11 VEU, aangezien het (lid 1) niet de vertegenwoordigers zijn die hún mening geven maar de Europese Commissie is die háár mening geeft, en dit voorts (lid 2) niet open en transparant gebeurt?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhouden deze door de Europese Commissie gesubsidieerde lobby-praktijken ter beïnvloeding van het politieke (beleidsvórmings-)proces zich tot artikel 317 VWEU?
Zie het antwoord op vraag 6.
Wat vindt u ervan dat de Europese Commissie telkens anderen (EU-lidstaten maar ook derde-landen) de maat neemt over transparantie, democratie en «rule of law», terwijl zij zelf alle regels aan haar laars lapt, mede gezien alle recent bekend geworden corruptieschandalen? Wat gaat u doen om de Europese Commissie tot de orde te roepen en een toontje lager te laten zingen?
Het kabinet hecht waarde aan het waarborgen van integriteit van de instellingen om het vertrouwen van burgers in de EU te behouden. Het is belangrijk om daarover afspraken te maken tussen EU-instellingen. Nederland maakt zich daarom hard voor het snel voltooien van het interinstitutioneel orgaan voor ethiek (Ethics Body). Het kabinet zet zich in om het orgaan zo effectief mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door te onderzoeken hoe het orgaan ook instellingen kan aansporen om anti-corruptietrainingen aan te bieden. Zoals in bovenstaande antwoorden aangegeven, is Nederland ook voorstander van initiatieven zoals het in 2011 ingestelde EU-transparantieregister, op basis van een interinstitutioneel akkoord tussen Europees parlement en de Europese Commissie, en sinds 2021 de Raad. Ook zet Nederland zich in voor opvolging van de aanbevelingen van de Europese Ombudsman uit 2024 over het verbeteren van de werking van dit EU-transparantieregister.
De nieuwe fiscale regeling om medewerkersparticipatie voor startups en scale-ups te stimuleren |
|
Maes van Lanschot (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de beoogde regeling bij een IPO met lock-up voorwaarden er pas na afloop van de lock-up periode fiscaal afgerekend hoeft te worden (Kamerstuk 32 140, nr. 285)?
Ja, het is beoogd dat in de nieuwe fiscale regeling bij een beursgang rekening wordt gehouden met bepalingen die ervoor zorgen dat de aandelen tijdelijk nog niet verhandelbaar zijn, zoals een lock-up. Hierbij wordt ook beoogd een maximale periode te hanteren om onbedoeld gebruik en misbruik uit te sluiten.
Hoe geldt dit voor een reguliere bedrijfsverkoop die non-cash is (bijvoorbeeld een aandelenruil) of op een earn-out regeling gebaseerd is?
Het kabinet wil een aantrekkelijke en internationaal concurrerende regeling introduceren, een wens die ook door uw Kamer is geuit. Daarnaast is het belangrijk dat de Belastingdienst de fiscale regeling effectief kan handhaven. De exacte vormgeving van de fiscale regeling is op dit moment nog niet volledig uitgewerkt. Bij de vormgeving van de fiscale regeling wordt met dit soort situaties zo veel als mogelijk rekening gehouden. Daarbij heeft het kabinet oog voor de voorkoming van liquiditeitsknelpunten.
Hoe voorkomt het kabinet dat de aanbiedingsplicht van een individuele werknemer een blokkade wordt bij een beoogde overname van alle aandelen in de start / scale-up door een derde partij?
Het kabinet wil dit mogelijke knelpunt juist ondervangen. Door de aanbiedingsplicht is de (ex)-werkgever in staat om de aandelen terug te kopen. Dit helpt ook in het geval van een eventuele overname. Daarnaast zijn in optieplannen vaak drag-along bepalingen opgenomen waardoor minderheidsaandeelhouders worden gedwongen om mee te verkopen bij een overname.
Bij verlopen van de status wordt teruggevallen op de bestaande regeling, waarin belastingheffing uiterlijk plaatsvindt bij verhandelbaarheid van aandelen, valt een beperkte interne verkoop-ronde ook onder de definitie van deze regeling?
In de praktijk zal het moment van de verhandelbaarheid en de verkoop van de aandelen vaak dicht bij elkaar liggen. Aansluiten bij het moment van verhandelbaarheid zal dus niet vaak leiden tot een knelpunt. Bij het heffingsmoment wordt tijdsevenredig rekening gehouden met de belastingkorting. Het begrip verhandelbaarheid is uitgewerkt in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals gewijzigd per 2023, met het doel om voor startups en scale-ups zoveel mogelijk liquiditeitsknelpunten weg te nemen.
Hieruit volgt dat wordt verstaan onder het verhandelbaar worden van de bij uitoefening verkregen aandelen: het eerste moment waarop de betreffende werknemer de mogelijkheid heeft deze aandelen te vervreemden. Dat is niet alleen het geval wanneer de aandelen aan een willekeurige derde verkocht kunnen worden, maar ook wanneer de aandelen slechts aan een selecte groep verkocht kunnen worden zoals aan andere personen die binnen de onderneming werkzaam zijn.1
Hoe mitigeert het kabinet het liquiditeitsrisico voor medewerkers bij het verlopen van de status (met bijvoorbeeld een betalingsregeling)?
Indien de startup status vervalt, betalen medewerkers belasting op het moment dat zij ook daadwerkelijk in staat zijn om hun belasting te betalen (moment van verhandelbaarheid). In de meeste gevallen zal dit moment samenvallen met het moment waarop liquide middelen beschikbaar zijn om de verschuldigde belasting te betalen. Een specifieke betalingsregeling voor dergelijke gevallen acht het kabinet daarmee niet noodzakelijk.
Het artikel ‘Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt», waarin wordt beschreven dat de blijvende betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij de import en doorvoer van Russische nikkel en koper direct bijdraagt aan de Russische staatsinkomsten en oorlogseconomie?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie, door Russische nikkel- en koperimport niet te sanctioneren, Rusland jaarlijks met miljarden euro’s aan exportinkomsten blijven voorzien, terwijl Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne?
In reactie op de Russische agressie tegen Oekraïne heeft de Europese Unie tot op heden negentien omvangrijke sanctiepakketten aangenomen, waarbij Nederland steeds een voortrekkersrol gespeeld heeft. Als gevolg van deze sancties is in het derde kwartaal van 2025 de totale import van de EU uit Rusland met 89% afgenomen ten opzichte van het vierde kwartaal van 2021. Hiermee loopt Rusland reeds zeer veel inkomsten mis. Op bepaalde producten, zoals nikkel en koper, gelden inderdaad nog geen EU-sancties. Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheid van sanctie-uitbreiding waarbij in principe alle opties op tafel liggen. Hiervoor is wel steeds voldoende draagvlak binnen de EU vereist.
Deelt u de mening dat dit het imago van Nederland en de Europese Unie, evenals de geloofwaardigheid van onze inzet ter ondersteuning van Oekraïne, ondermijnt?
Het kabinet twijfelt niet aan de geloofwaardigheid van de zeer substantiële inzet van Nederland en de Europese Unie ter ondersteuning van Oekraïne.
Ziet u mogelijkheden om, in navolging van de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK), in EU-verband de import van Russisch nikkel en koper alsnog aan banden te leggen, bijvoorbeeld door Russische producenten zoals Norilsk Nickel op EU-sanctielijsten te plaatsen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? En waarom kunnen de VS en het VK dit wél?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheden om de sancties tegen Rusland te verzwaren en spant zich hier in EU-verband actief voor in. Harmonisatie van sancties met G7-partners als VS en VK hebben hierbij bijzondere aandacht van het kabinet. Randvoorwaarde hierbij is dat voor EU-sancties unanimiteit vereist is. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in meer detail in te gaan op de besprekingen die hierover binnen de EU gevoerd worden.
Hoe beoordeelt u het feit dat voor het vervoer van Russisch nikkel naar Nederland gebruik wordt gemaakt van schimmige constructies met ondoorzichtige eigendomsstructuren en recent opgerichte rederijen, terwijl de daaropvolgende opslag, doorvoer en herexport vanuit Nederland volledig legaal plaatsvinden?
Het kabinet acht het onwenselijk wanneer handel plaatsvindt via ondoorzichtige eigendomsstructuren, mede omdat dit risico’s op sanctie-ontwijking, witwassen en fraude kan vergroten. Waar er signalen zijn van mogelijke overtredingen is het aan de bevoegde autoriteiten om onderzoek te doen en zo nodig handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven direct en indirect bijdragen aan het in stand houden van mondiale waardeketens die deze lucratieve export mogelijk maken, en daarbij zelf financieel profiteren van handel die bijdraagt aan de voortzetting van de Russische agressie tegen Oekraïne?
Het kabinet deelt de mening dat het onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven bijdragen aan waardeketens die inkomsten genereren voor Rusland. Daarom spant het kabinet zich voortdurend in voor het verzwaren van de EU-sancties tegen Rusland, opdat dergelijke activiteiten verboden worden. Voor wat betreft ongesanctioneerde handel met Rusland geldt dat deze weliswaar legaal is, maar dat het kabinet deze niet stimuleert doordat het alle handelsbevordering met Rusland gestaakt heeft. Daarnaast roept het kabinet bedrijven op zich waar mogelijk terug te trekken uit Rusland.
Heeft u deze bedrijven daarop aangesproken?
Het kabinet doet geen uitspraken over contacten met individuele bedrijven. Wel wordt in brede zin met sectoren en relevante partijen gesproken over sanctienaleving, risico’s op ontwijking en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen.
Ziet u mogelijkheden om werk te maken van het verbieden of beperken van de herexport van Russische metalen vanuit Nederland of de Europese Unie naar landen buiten de EU? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheden om de sancties tegen Rusland te verzwaren en spant zich hier in EU-verband actief voor in. Randvoorwaarde hierbij is dat voor EU-sancties unanimiteit vereist is. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in meer detail in te gaan op de besprekingen die hierover binnen de EU gevoerd worden.
Wilt u deze vragen één voor één, op zo kort mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het WOO-verzoek Garnalenvergunningverlening |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Woo-besluit van 7 augustus 2025 waaruit blijkt dat Rijkswaterstaat Noord-Nederland (RWS-NN) vertrouwelijke conceptdocumenten, waaronder de Passende Beoordeling (PB) garnalenvisserij, heeft gedeeld met externe partijen zoals de Waddenacademie en de Waddenvereniging?
Ja, dit besluit is bekend. De conceptversie van de PB is in het voorjaar van 2022 door de visserijsector met diverse natuurorganisaties gedeeld, waaronder de Waddenvereniging (vanuit de context van de Stuurgroep Toekomstperspectief Garnalenvisserij). De PB is door RWS gedeeld met de Waddenacademie ten behoeve van een onafhankelijke review. Wat hierbij niet goed is gegaan, is dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken bij het opstellen van de vragen voor deze review. Hoewel het ging om afstemming over inhoudelijke vragen, had RWS dit niet moeten doen, al is het maar om te voorkomen dat hiermee de schijn is ontstaan dat in dit dossier actief wordt opgetrokken met de Waddenvereniging om de garnalenvisserij te beperken.
Kunt u bevestigen dat RWS-NN de Passende Beoordeling van de garnalenvisserij informeel heeft ontvangen van (destijds) het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV) en deze vervolgens heeft gedeeld met de Waddenacademie en natuurorganisaties? Zo ja, op grond van welke bevoegdheid is dit gebeurd?
RWS heeft de PB op ambtelijk niveau ontvangen van het toenmalige Ministerie van LNV en deze vervolgens ter review voorgelegd aan de Waddenacademie. De Waddenvereniging heeft voorafgaand aan de review aan RWS suggesties gedaan voor vragen over de PB richting de Waddenacademie. Dit laatste is geen wenselijke gang van zaken.
De Minister van IenW draagt de zorg voor het (doen) treffen van instandhoudings- en passende maatregelen voor die Natura 2000-gebieden die een oppervlaktewaterlichaam zijn in beheer van het Rijk.1 Het monitoren en evalueren van voorziene maatregelen in de Waddenzee maakt onderdeel uit van deze regierol, die binnen mijn ministerie bij RWS is neergelegd.
Acht u het wenselijk en rechtmatig dat een agentschap onder uw ministerie zonder mandaat stukken van een ander ministerie (destijds LNV) deelt en gebruikt om vergunningverlening te beïnvloeden?
Vanuit de rol van voortouwnemer van het Natura-2000 beheerplan Waddenzee, heeft RWS (mede namens de bevoegde gezagen, inclusief LNV) destijds een evaluatie van het beheerplan op laten stellen. Vanwege inhoudelijke verschillen tussen de bevindingen uit deze evaluatie en de PB, heeft RWS de PB voor een review voorgelegd aan de Waddenacademie. LVVN was hierover ambtelijk vooraf door RWS op de hoogte gesteld en heeft de review na afronding gedeeld met het Ministerie van LVVN, als bevoegd gezag voor vergunningverlening. Deze handelwijze van RWS past bij de rol van voortouwnemer alleen moet hierbij wel gemarkeerd worden dat de toetsingskaders in een Natura 2000-beheerplan enerzijds en vergunningverlening anderzijds wel van elkaar kunnen verschillen.
Door het actief betrekken van de Waddenvereniging bij de review door RWS, is helaas het onjuiste beeld ontstaan, dat RWS en Waddenvereniging samen optrekken om de garnalenvisserij te beperken. Dit past uiteraard niet bij de rol van voortouwnemer.
Hoe beoordeelt u het feit dat RWS-NN vragen aan de Waddenacademie heeft opgesteld in overleg met natuurorganisaties, die vervolgens worden gebruikt in procedures tegen het vergunningsbeleid van de Minister van (destijds) LNV?
Zowel de PB als de review van de Waddenacademie (inclusief de reviewvragen) zijn openbare informatie. Al deze informatie was voor LVVN beschikbaar bij het maken van afwegingen vanuit zijn rol als bevoegd gezag voor vergunningverlening. Niettemin is het achteraf gezien niet geheel rolzuiver en geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS, mede gelet op de politiek-bestuurlijke en juridische gevoeligheid van dit dossier, nadrukkelijk gevraagd voortaan als voortouwnemer rolvast te handelen.
Hoe beoordeelt u dat RWS-NN actief een review bij de Waddenacademie heeft uitgevraagd, waarbij vragen deels in overleg met natuurorganisaties zijn geformuleerd en gericht waren op het onderbouwen van negatieve aannames over de garnalenvisserij?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u uitleggen waarom Rijkswaterstaat, die formeel slechts procesmanager is bij beheerplannen, actief beleid beïnvloedt op terreinen die behoren tot de verantwoordelijkheid van de Minister van LNV, en daarbij zelfs «munitie levert» aan partijen die het beleid van de Minister van LNV aanvechten?
RWS heeft hier de rol van «voortouwnemer». Dit is een regierol, dat betekent onder andere dat moet worden nagegaan of de in het beheerplan voorziene maatregelen in de toekomst daadwerkelijk worden ondernomen om de instandhoudingsdoelen te realiseren.2 Daarmee kan het ook relevant zijn om adviserend op te treden in relatie tot het beleid welke onder de verantwoordelijkheid van de Minister en Staatssecretaris van LVVN vallen.
Hoe beoordeelt u dat de review van de Waddenacademie gebaseerd was op een eerdere, nooit gepubliceerde versie van de Passende Beoordeling? Acht u dit zorgvuldig en juridisch houdbaar?
Vanwege de vertrouwelijkheid van sommige gegevens is het niet per definitie toegestaan om conceptversies van een PB te delen met andere partijen. Wel staat het een aanvrager zelf altijd vrij om zelf actief een conceptversie te delen met, bijvoorbeeld, natuurorganisaties. De conceptversie van de betreffende PB is in het voorjaar van 2022 door de visserijsector met diverse natuurorganisaties gedeeld, waaronder de Waddenvereniging (vanuit de context van de Stuurgroep Toekomstperspectief Garnalenvisserij). Er bestond in dit geval geen juridisch beletsel om de PB voor onafhankelijke review voor te leggen aan een kennisregisseur als de Waddenacademie.
De PB die RWS aan de Waddenacademie heeft voorgelegd was op dat moment in de begeleidende mail omschreven als volledig en juist, dit volgt ook uit de geopenbaarde Woo-stukken. RWS heeft daarom deze versie van de PB ter review voorgelegd aan de Waddenacademie. LVVN was hierover ambtelijk vooraf door RWS op de hoogte gesteld. Wel zou het, met de kennis van nu, beter zijn geweest om de definitieve versie van de PB te hanteren voor de beoogde review.
Kunt u toelichten waarom er geen bezwaar is gemaakt tegen het feit dat een niet-openbaar document (de Passende Beoordeling) informeel is gedeeld en gebruikt in een review en juridische procedures?
Bezwaar is op grond van de Algemene wet bestuursrecht alleen mogelijk tegen besluiten in de zin van deze wet. Het delen van een rapport is geen besluit, maar een feitelijk handelen.
Het initiatief tot het delen van de PB met de Waddenacademie kwam vanuit RWS; Deze handelwijze wordt in het specifieke licht van de hierboven bij antwoord 6 beschreven rol in relatie tot het beheerplan niet bezwaarlijk geacht.
Gelet op de conclusie van de Waddenacademie dat toepassing van het voorzorgsbeginsel betekent dat garnalenvisserij niet kan worden vergund zolang er wetenschappelijke onzekerheden bestaan: deelt u de zorg dat deze interpretatie ertoe leidt dat in Natura 2000-gebieden in de praktijk nauwelijks nog vergunningen kunnen worden verleend, aangezien er altijd wetenschappelijke onzekerheden bestaan?
Het voorzorgsbeginsel ligt besloten in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.3 Daarin staat dat er redelijkerwijs geen twijfel mag bestaan dat activiteiten negatieve effecten hebben op de beschermde natuur, vandaar de noodzaak tot een PB. De PB moet boven redelijke wetenschappelijke twijfel verheven zijn, vandaar in bepaalde gevallen de noodzaak tot een review.
Die weging vindt plaats door het vergunningverlenend bevoegd gezag, in dit geval LNV (nu LVVN). Het is dus niet zo dat per definitie nauwelijks nog vergunningen verleend zouden kunnen worden. Juist ook met het verbinden van specifieke voorschriften aan een vergunning of nader inperken van hetgeen is aangevraagd, kan bij eventuele wetenschappelijke onzekerheid, toch tot vergunningverlening worden overgegaan. Het ligt dus genuanceerder dan de conclusie van de Waddenacademie mogelijk doet veronderstellen.
Hoe verhoudt de door RWS-NN destijds voorgestelde beperkte vergunningsduur van een tot drie jaar zich tot het beleid van de Minister van LNV om vergunningen voor langere perioden (zes jaar) te verlenen? Is er overleg geweest om deze tegenstrijdige visies te harmoniseren?
In algemene zin kan worden gezegd dat het afstemmen van de looptijd van een natuurvergunning op die van het Natura 2000-beheerplan een goede manier is om activiteiten in een gebied te reguleren en zo te sturen op het kunnen behalen van de doelen.
Zonder aansluiting van de verschillende sporen kan het zijn dat een paar jaar na vergunningverlening extra maatregelen nodig blijken vanuit de Natura 2000-beheerplannen met opnieuw extra (in)spanning voor de vissers. RWS heeft deze redeneerlijn op ambtelijk niveau kenbaar gemaakt bij LVVN. Dit punt is door LVVN doorvertaald in een viertal evaluatiemomenten van de vergunning, in lijn met de Natura 2000-beheerplan-cycli.
Hoe waarborgt u dat interne verschillen van inzicht tussen Rijkswaterstaat en de Minister van LNV niet leiden tot juridische zwakte en onduidelijkheid in beleid, waardoor natuurorganisaties gemakkelijker procedures kunnen winnen?
Er is hier sprake van verschillende rollen en bevoegdheden en niet van een juridische zwakte. Het is aan de voortouwnemer om andere bevoegd gezagen, in dezen LVVN als bevoegd gezag voor de vergunningverlening, te wijzen op een mogelijke spanning met de in het Natura2000-beheerplan vastgestelde doelen. Het is uiteindelijk aan het bevoegd gezag zelf hoe dit gewogen wordt.
Erkent u dat deze handelwijze het vertrouwen in de overheid schaadt en vissersgezinnen in grote onzekerheid heeft gebracht, doordat hierdoor de vergunningverlening jaren vertraging opliep?
RWS heeft mij verzekerd dat hier niet vanuit verkeerde intenties is gehandeld, maar vanuit een adviserende rol richting LVVN, die voortkomt vanuit de rol van voortouwnemer. Niettemin is het achteraf gezien niet geheel rolzuiver en geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS, mede gelet op de politiek-bestuurlijke en juridische gevoeligheid van dit dossier, nadrukkelijk gevraagd voortaan als voortouwnemer rolvast te handelen. Ik herken echter niet dat dit de oorzaak is van een jarenlange vertraging van de vergunningverlening. Ik begrijp natuurlijk dat een vertraging in de vergunningverlening voor vissersgezinnen in zijn algemeen bijzonder vervelend is.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de rol van RWS-NN in dit dossier, specifiek naar de vraag of Rijkswaterstaat buiten haar mandaat is getreden en hoe de samenwerking met natuurorganisaties is verlopen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, had de vraagstelling van de review niet vooraf door RWS gedeeld moeten worden met de Waddenvereniging. Ik heb RWS nadrukkelijk gevraagd hier in het vervolg scherp op te zijn. Voor het overige heeft RWS gehandeld binnen de rol van voortouwnemer van het Natura 2000-beheerplan. Een nader onderzoek heeft wat mij betreft geen meerwaarde.
Kunt u bevestigen dat uw ministerie de Passende Beoordeling informeel heeft gedeeld met RWS-NN, en hoe beoordeelt u dat deze vervolgens is gebruikt om vergunningverlening te frustreren en juridische procedures te voeden?
Nee, RWS heeft de PB niet informeel vanuit het Ministerie van IenW ontvangen, maar op ambtelijk verzoek rechtstreeks van het Ministerie van LNV.
Deelt u de analyse dat de door de Waddenacademie gehanteerde interpretatie van het voorzorgsbeginsel dusdanig streng is dat feitelijk geen enkele activiteit in Natura 2000-gebieden meer kan worden vergund? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 9.
Hoe beoordeelt u de constatering dat natuurorganisaties deze review en door Rijkswaterstaat aangeleverde notities inzetten om rechtszaken te voeren tegen het beleid van u als Minister van Infrastructuur en Waterstaat?
Er zijn in deze context geen rechtszaken bekend tegen het beleid van het Ministerie van IenW.
Wat zegt dit volgens u over de onafhankelijkheid van de Waddenacademie?
Ik zie geen aanleiding vraagtekens te zetten bij de onafhankelijkheid van de Waddenacademie.
Wat zegt dit volgens u over de rol van Rijkswaterstaat?
Zie het antwoord op de vragen 1,2, 3 en 4.
Erkent u dat deze werkwijze bijdraagt aan rechtsonzekerheid en wantrouwen bij vissers, die het gevoel hebben dat beleid gebaseerd wordt op politieke voorkeuren in plaats van objectieve wetenschap?
Ik ben het met u eens dat vissers gebaat zijn bij zekerheid en duidelijkheid vanuit de overheid. De wetgever heeft de Minister van IenW de taak gegeven – toebedeeld aan RWS – om zorg te dragen voor het (doen) nemen van instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen in de betreffende Natura2000-gebieden.
Het verlenen van vergunningen voor visserij is echter niet aan de Minister van IenW. Wel kan RWS, namens de Minister van IenW, bij het betreffende bevoegd gezag voor vergunningverlening aangeven wat de mogelijke consequenties zijn van het verlenen van de vergunning op de in het Natura 2000-beheerplan geformuleerde doelen. Het is vervolgens aan het vergunningverlenend bevoegd gezag om hier een besluit over te nemen.
Bent u bereid om, mede op basis van het recente onderzoek van Wageningen University & Research waarin eerdere aannames worden weerlegd, de huidige en voorgenomen beperkingen voor de garnalenvisserij te herzien en vissers waar nodig te compenseren, omdat zij hierdoor onnodig lang in onzekerheid hebben gezeten?
Voor compensatie voor de onzekerheid omtrent de vergunningverlening wordt geen grond gezien. Het is niet duidelijk naar welke publicatie hier specifiek verwezen wordt, maar bij de actualisatie van de beheerplannen wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie, waaronder onderzoeken van de WUR.
Hoe verklaart u dat twee onderdelen van de rijksoverheid (RWS-NN en het Ministerie van LNV) elkaar in dit dossier tegenwerken, met vissers als direct slachtoffer?
Er is in dit dossier samenwerking tussen LVVN – over beleid omtrent de garnalenvisserij – en RWS als voortouwnemer in diverse N2000-beheerplannen. Flankerend daaraan speelt de vergunningverlening vanuit LVVN. Uiteindelijk ligt de regulering van de visserij bij LVVN als het vergunningverlenend bevoegd gezag.
Bent u bereid de Kamer te informeren hoe wordt voorkomen dat in de toekomst opnieuw «wetenschap op bestelling» wordt georganiseerd door overheidsorganisaties of in samenwerking met natuurorganisaties?
Er is geen sprake geweest van «wetenschap op bestelling». RWS heeft de Waddenacademie verzocht een onafhankelijke review uit te voeren op de PB. Het is achteraf gezien geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS nadrukkelijk gevraagd hier in het vervolg scherp op te zijn.
Bent u bereid om, gelet op de ernst van deze gang van zaken, de directeur-generaal van Rijkswaterstaat uit te nodigen voor een hoorzitting in de Tweede Kamer om publiekelijk verantwoording af te leggen over het delen van vertrouwelijke documenten met externe partijen en het beïnvloeden van wetenschappelijke beoordelingen, alsmede de samenwerking met natuurorganisaties bij het formuleren van juridische argumenten tegen het beleid van de rijksoverheid zelf?
In de voorgaande antwoorden is aangegeven hoe het proces rond het delen van de PB verlopen is en welke rol RWS hier in had. Het is op grond van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer aan de vaste commissie voor IenW om te bepalen wie zij voor een hoorzitting uitnodigt.
Kunt u al deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bij een aantal vragen is ervoor gekozen om te werken met verwijzingen naar eerdere antwoorden, om zo veel mogelijk dubbelingen te voorkomen.
Het artikel 'Toch geen bufferzone voor demonstranten rond abortusklinieken, Keijzer (BBB) wil het niet' |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Bruijn , Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Toch geen bufferzone voor demonstranten rond abortusklinieken, Keijzer (BBB) wil het niet» van RTL Nieuws?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december?2
Ja.
Deelt u het oordeel van de Raad van State dat de directe omgeving van een abortuskliniek een plek is waar een verhoogde mate van orde en rust behoort te heersen, zoals bijvoorbeeld ook het geval is bij een ziekenhuis, mede vanwege de kwetsbare positie van bezoekers die daar gebruikmaken van hun fundamentele rechten en hun recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer?
Ik ben van mening dat bezoekers van abortusklinieken een vrije toegang moeten hebben tot abortuszorg in klinieken. De uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State biedt burgemeesters een kader voor demonstraties bij abortusklinieken om wanordelijkheden te voorkomen. In de uitspraak van de Raad van State wordt onder meer als overweging genoemd dat er rond een abortuskliniek een bepaalde mate van orde en rust dient te heersen. Het kabinet zal voor het meireces een kabinetsreactie sturen op het recente onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) door een onderzoeksteam vanuit de Rijksuniversiteit Groningen, Pro Facto, de Universiteit van Amsterdam en Tilburg University.3 In die brief zal het kabinet ingaan op de toepassing van het demonstratierecht.
Bent u van mening dat demonstraties vlak voor abortusklinieken ertoe kunnen leiden dat mensen die abortuszorg zoeken onevenredig worden beperkt in de uitoefening van hun fundamentele rechten en privéleven? Zo nee, waarom niet?
Het belemmeren van de toegang tot een kliniek of het intimideren van bezoekers of werknemers, is onacceptabel. Ik sta pal voor goede en toegankelijke abortuszorg en ik hecht ook veel waarde aan het recht op demonstreren. Het is aan het lokale gezag om demonstraties in goede banen te leiden, en daarbij de toegang tot een abortuskliniek te waarborgen. Als bij een demonstratie daadwerkelijk overtredingen worden begaan, bijvoorbeeld door te verhinderen dat vrouwen een kliniek bezoeken, dan kan en zal daar handhavend tegen worden opgetreden door de politie.
Bent u van mening dat het recht om te demonstreren nog steeds gewaarborgd blijft indien demonstranten niet vlak voor een abortuskliniek maar wel op redelijke korte afstand nog steeds binnen zicht- en gehoorafstand hun mening kenbaar te maken aan de bezoekers van de kliniek?
Het antwoord op deze vraag volgt uit de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die er in het kort op neerkomt dat burgemeesters een andere locatie voor de demonstratie mogen aanwijzen: niet direct voor de ingang van een abortuskliniek. Op die manier kunnen bezoekers van een abortuskliniek zelf bepalen of zij een directe confrontatie met de demonstranten aangaan of niet. De locatie moet inderdaad nog wel binnen zicht- en gehoorafstand zijn van bezoekers van de kliniek.
Hoe kijkt u aan tegen de constatering uit het rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek en Datacentrum (WODC) dat het instellen van een permanente bufferzone momenteel niet tot de mogelijkheden behoort die burgemeesters hebben om demonstraties in Nederland te reguleren en dat het instellen van dergelijke vaste zones enkel mogelijk is als de formele wetgever daartoe besluit?3
De uitspraken van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bieden het lokaal gezag een kader hoe te handelen. In de nadere beleidsreactie op het rapport van het WODC, die voorzien is voor het meireces, zal het kabinet ingaan op de toepassing van het demonstratierecht.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat een dergelijk besluit tot het instellen van een permanente bufferzone door de formele wetgever recentelijk is genomen in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk?
Het wetgevend kader in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk is niet een-op-een vergelijkbaar met de praktijk en de Wet openbare manifestaties in Nederland. In de nadere beleidsreactie op het rapport van het WODC, die voorzien is voor het meireces, zal het kabinet ingaan op de toepassing van het demonstratierecht rondom abortusklinieken.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat het wenselijk is dat er landelijke wetgeving komt ten aanzien van de minimumafstand waarbinnen demonstraties bij abortusklinieken mogen plaatsvinden?4
De aangehaalde uitlating van de burgemeester van Utrecht dateert van september 2025, dat was dus vóór de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die 3 december 2025 zijn gepubliceerd. Het WODC-onderzoek beval aan om t.a.v. demonstraties bij abortusklinieken te wachten op de richtinggevende uitspraken van de Raad van State. Na de publicatie daarvan heeft de burgemeester van Utrecht juist publiekelijk laten weten «blij» te zijn met de uitspraak van de Raad van State. Daarbij werd volgens haar een begrijpelijke afweging gemaakt tussen het recht op demonstratie en de lichamelijke integriteit van bezoekers6. De burgemeester heeft zich niet meer uitgesproken over de wenselijkheid van aanvullende landelijke wetgeving ten aanzien van abortusdemonstraties.
Bent u bereid een brief naar de Kamer te sturen waarin u met een voornemen komt om wetgeving in formele zin op te stellen die het mogelijk maakt om bufferzones voor demonstraties bij abortusklinieken in te stellen wanneer blijkt dat burgemeesters onvoldoende in staat zijn om bezoekers de toegang tot abortuszorg te verzekeren zonder onevenredige beperking in de uitoefening van fundamentele rechten en privéleven?
De nadere beleidsreactie op het WODC-onderzoek is voorzien voor het meireces 2026.
Kunt u bovenstaande vragen individueel beantwoorden binnen zes weken?
Ja.
Problemen met de vergoeding van spraakcomputers voor mensen die zonder hulp niet of moeilijk kunnen communiceren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u ons een inschatting geven van hoeveel personen vanaf 1 januari 2024 een aanvraag gedaan hebben bij hun zorgverzekeraar of zorgkantoor voor een spraakcomputer of andere spraakhulpmiddelen?
Hoeveel aanvragen voor spraakcomputers of andere spraakhulpmiddelen zijn er sinds 1 januari 2024 (naar schatting) afgewezen en om welke redenen?
Hoeveel klachten zijn er sinds 1 januari 2024 door de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) ontvangen over de vergoedingen van spraakhulpmiddelen? Bij hoeveel van deze klachten is geoordeeld dat het besluit van de zorgverzekeraar onterecht was?
Kunt u toelichten op welke wijze de uitspraak van de SKGZ van 5 juni 2025 van invloed is op het beleid en de praktijk omtrent het wel of niet goedkeuren van vergoedingen voor spraakhulpmiddelen?1
Klopt het dat er momenteel nog steeds geen vergoeding mogelijk is voor (aangepaste) hardware voor spraakcomputers, ondanks de aangenomen motie Westerveld c.s. over het vergoeden van spraakcomputers en de eerder gestelde vragen over dit onderwerp?2
In hoeverre is de 1,8 miljoen euro die met het amendement-Westerveld is vrijgemaakt om spraakondersteuning voor mensen die onder de Wet langdurige zorg (Wlz) vallen, uitgegeven aan dit doel?3
Welke redenen zijn er om de vergoeding voor de hardware af te wijzen, maar de vergoeding voor de software goed te keuren?
Bestaat er op dit moment een richtlijn voor zorgverzekeraars en zorgkantoren om te beoordelen of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening of dat aangepaste hardware nodig is?
Klopt het dat in de praktijk momenteel spraakcomputers die niet ooggestuurd zijn, weinig tot niet worden vergoed door zorgverzekeraars? Zo ja, kunt u aangeven op basis waarvan dit wordt besloten?
Heeft u inmiddels zicht op de groepen voor wie toegankelijkheid en beschikbaarheid van spraakhulpmiddelen een probleem is en hoe dit opgelost kan worden? Zo ja, kunt u dit nader toelichten? Zo nee, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren?
Klopt het dat verschillende zorgverzekeraars de richtlijnen op verschillende wijzen interpreteren en hanteren zoals dat sommige zorgverzekeraars er voor kiezen spraakcomputers met touchbediening niet meer te vergoeden?
Kunt u aangeven welke criteria er gelden voor aanpassingen om te oordelen of een reguliere iPad dusdanig aangepast is dat het beschouwd kan worden als een geïntegreerd hulpmiddel en daarmee in aanmerking komt voor vergoeding?
Welke mogelijkheden ziet u voor het sturen op de mogelijkheid van een vergoeding van het totaalpakket, dat wil zeggen: passing-hardware-software-aanpassingen-ondersteuning?
Het SEO-rapport 'Impact PSO Bovenwindse Eilanden' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Heera Dijk (D66) |
|
Tieman , van Marum |
|
|
|
|
Deelt u de analyse uit het SEO-rapport «Impact PSO Bovenwindse Eilanden»1 dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een essentiële publieke functie vervullen en niet functioneren als een reguliere markt, mede gezien het ontbreken van reële alternatieven voor inwoners en ondernemers?
Wij delen dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een kleine markt betreft, er enkel één aanbieder is en alternatieve vervoersmiddelen geen volwaardig substituut bieden. De eilanden zijn bereikbaar door de meerdere dagelijkse vluchten op de luchtverbindingen en via de veerdienst.
Welke uitgangspunten hanteert de Minister bij het borgen van vitale eilandverbindingen binnen Nederland, en kan de Minister toelichten hoe deze uitgangspunten worden toegepast bij de bereikbaarheid van de Waddeneilanden?
Goede veerverbindingen zijn van groot belang voor de leefbaarheid op de Waddeneilanden. Het Ministerie van IenW is verantwoordelijk voor het personenvervoer tussen het vasteland en de Friese Waddeneilanden. Om goede veerverbindingen te garanderen heeft de Rijksoverheid voor dit vervoer concessies verleend. Omdat de huidige concessies aflopen, bereidt het ministerie nieuwe concessies voor, die ingaan in 2029. De doelen en uitgangspunten die worden gehanteerd voor de nieuwe concessies voor de Friese Waddeneilanden vanaf 2029 zijn: betrouwbaar, frequent en structureel; toekomstbestendig; prettige reisbeleving; en, betaalbaar en beheersbaar. Daarover is de Kamer geïnformeerd door de Staatssecretaris van IenW op 22 september 20252.
Voor het Caribisch deel van het Koninkrijk betreft het publieke belang bereikbaarheid het kunnen reizen van, naar en binnen Caribisch Nederland onder redelijke voorwaarden. Dit publieke belang wordt primair geborgd door het luchtvaartsysteem. Daarnaast zijn er veel reisbewegingen met de veerdienst tussen de Bovenwindse Eilanden.
Welke beleidsinstrumenten zet het Rijk in om vitale eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen, en in hoeverre zijn deze instrumenten toepasbaar op de situatie van Saba en Sint Eustatius, gelet op de schaal en marktstructuur van deze eilanden?
Om de eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen organiseert het Rijk concessies voor passagiersvervoer van en naar de Friese Waddeneilanden, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. RWS is verantwoordelijk voor het structurele beheer en onderhoud van vaarwegen in de Waddenzee.
Allereerst is het van belang te onderstrepen dat het zeevervoer op de Waddeneilanden en het luchtvervoer op Saba en Sint Eustatius verschillend van aard zijn en niet een-op-een kunnen worden vergeleken. In Caribisch Nederland zal het instrument van overheidsingrijpen de vorm hebben van een openbaredienstverplichting (Public Service Obligation, PSO). In het Multilateraal luchtvaartprotocol3 waarin luchtvervoer afspraken zijn gemaakt met de landen uit het Caribisch deel van het Koninkrijk, is namelijk afgesproken eventuele afspraken over overheidsingrijpen in de luchtvaartmarkt door middel van een PSO uit te voeren. Een PSO is een instrument dat de overheid de mogelijkheid geeft om in te grijpen in de vrije markt voor luchtvervoer. Met een PSO kunnen nadere eisen aan de ticketprijzen en aan het minimum aantal vluchten worden gesteld. Op Saba en Sint Eustatius zouden lagere ticketprijzen de kosten voor de luchtvaartmaatschappij niet dekken, waardoor een overheidsbijdrage noodzakelijk zal zijn. Indien het besluit genomen zou worden door het Rijk om een PSO in te stellen dient de financiering hiervoor gevonden te worden.
Daarnaast is een wijziging in de Luchtvaartwet BES noodzakelijk om een PSO in te kunnen stellen. Het wetsvoorstel daartoe is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. Het genoemde wetsvoorstel regelt de wettelijke grondslag voor een PSO. De eventuele instelling, invulling en financiering worden hierin niet geregeld, maar zullen geregeld moeten worden bij de regeling die vastgesteld moet worden bij een concreet besluit tot instelling van een PSO. In 2023 is de vereiste jaarlijkse subsidie door onderzoeksbureau SEO geschat tussen de 3,8 en 7,6 miljoen dollar per jaar. Deze bedragen worden op dit moment geactualiseerd. De resultaten worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Gegeven dat uit eerdere stukken blijkt dat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES2 en de implementatie van een Public Service Obligation (PSO) naar verwachting circa twee jaar in beslag nemen, hoe wordt in de tussenliggende periode de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius geborgd?
Uit de evaluatie van de beleidsdeelneming in Winair komt naar voren dat een PSO de enige effectieve manier is om de ticketprijzen te kunnen verlagen5. Gezien deze conclusie kan in de tussenliggende periode niets worden gedaan aan de hoge ticketprijzen. Indien het besluit genomen wordt om een PSO in te stellen, dan zal dat pas kunnen nadat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES in werking is getreden. Het wetsvoorstel is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. De daadwerkelijke instelling van de PSO vraagt om dekking, zoals beschreven in het antwoord op de vorige vraag. Er is nog geen financiering beschikbaar voor de instelling van de PSO. De geschatte benodigde financiering wordt momenteel geactualiseerd.
Naast de luchtverbinding, draagt de veerdienst tussen Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius bij aan de bereikbaarheid. Zoals gemeld in de brief van 11 december jl.6 heeft het kabinet besloten voor de jaren 2026 en 2027 € 1,5 mln. beschikbaar te stellen om de subsidie voor deze veerdienst voort te zetten en te verhogen. Eerder is vastgesteld dat deze veerdienst zonder rijksbijdrage niet levensvatbaar is. Voor de periode na 2027 is nog geen financiering beschikbaar.
Verder kan vanuit eigen initiatief door de eilanden ingezet worden op het stimuleren en verbeteren van de bereikbaarheid. Een voorbeeld hiervan zijn de initiatieven die het Openbaar Lichaam van Sint Eustatius neemt om luchtverbindingen van Sint Eustatius op te zetten met de luchtvaartmaatschappij Dutch Caribbean Islandhopper (DCI).
Acht u het verantwoord dat gedurende deze tussenperiode niet alleen de toegang tot essentiële voorzieningen zoals medische zorg, onderwijs en werk, maar ook het economisch en toeristisch draagvlak van Saba en Sint Eustatius onder druk staan, terwijl bereikbaarheid hiervoor een randvoorwaarde is?
Het kabinet erkent dat het vervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarbij is het van belang om aan te geven dat het vervoer naar verschillende essentiële voorzieningen, zoals medische zorg en onderwijs, al wordt geborgd via andere instrumenten. Zo wordt medisch vervoer geborgd via VWS, waarbij er aparte afspraken zijn over medische vluchten. De mogelijke PSO is dus specifiek gericht op reguliere vluchten.
Dat neemt niet weg dat lucht- en zeevervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarom wordt ingezet op de maatregelen die genoemd zijn onder het antwoord op vraag 4.
Welke tijdelijke maatregelen acht u juridisch en beleidsmatig mogelijk om de beschikbaarheid en continuïteit van de luchtverbindingen met Saba en Sint Eustatius als publieke dienst te waarborgen in afwachting van de invoering van de PSO?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Bent u bereid om, samen met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius, actief te verkennen welke mogelijkheden er zijn deze verbindingen in de tussenliggende periode tijdelijk te borgen via afspraken gericht op beschikbaarheid en exploitatie, zonder het subsidiëren van individuele reizen?
De ministeries zijn voortdurend in overleg met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius. In deze overleggen wordt onder andere stilgestaan bij de veiligheid van de luchtvaart en het voldoen aan internationale standaarden. Ook de connectiviteit, zowel in algemene zin als wat betreft deze specifieke verbindingen, wordt besproken. Ondanks dat wij onder vraag 4 hebben aangegeven dat wij geen mogelijkheden zien om momenteel de ticketprijzen te kunnen verlagen, kan dit onderwerp in deze overleggen worden besproken.
Hoe borgt u dat de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius in deze tussenperiode niet afhankelijk wordt van individuele draagkracht, maar als collectieve basisvoorziening kan blijven functioneren?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Welke concrete scenario’s voor tijdelijke borging van de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius worden momenteel verkend, en op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie de beantwoording onder vraag 4 voor borging van de bereikbaarheid. Daarnaast actualiseert het Ministerie van IenW momenteel het onderzoek uit 2023 over de subsidiekosten voor een PSO voor de luchtverbindingen op Saba en Sint Eustatius. De Kamer wordt in het tweede kwartaal van 2026 over dit onderzoek en de mogelijk door het Rijk te nemen stappen geïnformeerd.
Bufferzones tegen intimidatie bij abortusklinieken. |
|
Sarah Dobbe (SP), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toch geen bufferzone voor demonstranten rond abortusklinieken, Keijzer (BBB) wil het niet»?1
Ja.
Deelt u de mening dat iedereen altijd toegang zou moeten hebben tot zorg en zij hierin niet belemmerd zouden mogen worden door intimidatie? Zo ja, kunt u dit nader onderbouwen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat iedereen vrije en veilige toegang tot zorg, waaronder abortuszorg moet hebben. Het belemmeren van de toegang tot een kliniek of het intimideren van bezoekers of werknemers, is onacceptabel. Het is aan het lokale gezag om demonstraties in goede banen te leiden, en daarbij de toegang tot een abortuskliniek te waarborgen.
Deel u de mening dat iedereen vrij en veilig toegang zou moeten hebben tot abortuszorg en dat deze toegang onder druk wordt gezet door intimiderend gedrag bij de klinieken? Zo ja, kunt u dit nader onderbouwen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u nader toelichten op welk punt het demonstratierecht overschreden wordt rondom abortusklinieken en er sprake is van intimidatie, aan de hand van enkele illustrerende voorbeelden?
Of er een risico is op overschrijding van het demonstratierecht bij abortusdemonstraties moet lokaal en per casus worden ingeschat. De burgemeester kan voorschriften aan demonstranten opleggen, en handhaving is aan de politie. Als demonstranten geen gehoor geven aan voorschriften zijn zij mogelijk in overtreding.
Enkele burgemeesters hebben zich in het verleden uitgelaten over demonstraties bij abortusklinieken die als intimiderend werden ervaren door bezoekers. Het is echter niet aan mij om te oordelen over het al dan niet intimiderende karakter van specifieke demonstraties.
Hoe vaak komt het, naar schatting, voor dat er intimiderende demonstraties plaatsvinden bij abortusklinieken tegen zowel bezoekers als zorgverleners? Is ook bekend in hoeveel gevallen personen daardoor de zorg hebben uitgesteld of niet hebben ontvangen? Zo nee, bent u bereid hier nader onderzoek naar te laten doen, gelet op de signalen van uit de samenleving en zorgverleners?
Er is geen (landelijk) overzicht van het aantal demonstraties bij abortusklinieken, en er wordt ook niet bijgehouden hoeveel demonstraties «intimiderend» zouden zijn. Ik heb wel nauw contact met bestuurders van alle abortusklinieken in Nederland, en ook met het merendeel van de betrokken gemeenten (er zijn 15 abortusklinieken in 14 gemeenten). Kliniekbestuurders geven aan dat zij soms vrouwen vooraf inlichten over plaats en tijd van een (aangekondigde) demonstratie. Bij het inplannen van het kliniekbezoek van de vrouw kan daar dan desgewenst rekening mee worden gehouden. De vrouw kan ervoor kiezen om een bekende mee te nemen naar de kliniek, of ze kan begeleid worden door een «buddy».2 Ik heb geen signalen dat abortuszorg als gevolg van demonstraties moet worden uitgesteld, of dat vrouwen vanwege demonstraties afzien van abortuszorg. Ik zie geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te laten verrichten.
Welke rol ziet u voor zich bij het garanderen van het recht tot zorg voor vrouwen, ook het recht tot abortuszorg? Welke rol ziet u, in het bijzonder, voor u in verhouding met de collega-bewindspersonen van andere ministeries?
Ik sta pal voor goede en toegankelijke abortuszorg. Het Ministerie van VWS draagt daar op verschillende manieren actief aan bij, middels wet- en regelgeving, abortusbeleid, en de financiering van abortusklinieken en (huis)artsen. Als het gaat om de toegankelijkheid van abortuszorg in relatie tot demonstraties onderhoud ik nauw contact met de collega-bewindslieden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (primair verantwoordelijk voor de Wet openbare manifestaties) en ook het Ministerie van Justitie en Veiligheid (politie en handhaving).
Kunt u nader toelichten hoe het mogelijk is dat een brief, opgesteld door uw collega-bewindspersonen, op het laatste moment via de ministerraad geblokkeerd is door een andere collega-bewindspersoon, wiens ministerie niet direct een relatie heeft met het onderhavige onderwerp?
De beraadslagingen van de ministerraad zijn vertrouwelijk dus hier kan ik geen antwoord op geven. Wel wijs ik erop dat demonstratierecht raakvlakken heeft met diverse ministeries. Bovendien is het een onderwerp dat veel politieke en maatschappelijke aandacht krijgt. Vanuit dat opzicht is het niet vreemd dat verschillende bewindslieden zich buigen over een Kamerbrief waarin het demonstratierecht centraal staat.
Indien er vanuit de landelijke overheid geen handvaten worden geboden aan lokale bestuurders, bijvoorbeeld in de vorm van landelijke richtlijnen over bufferzones, hoe ziet u erop toe dat het recht op en de vrije en veilige toegang tot abortuszorg gegarandeerd blijft?
De uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bieden handvatten aan lokale bestuurders. Ook zal het kabinet voor het mei reces een kabinetsreactie sturen op het recente onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) door een onderzoeksteam vanuit de Rijksuniversiteit Groningen, Pro Facto, de Universiteit van Amsterdam en Tilburg University.3 In deze reactie zal ook ingegaan worden op demonstraties bij abortusklinieken. Daarnaast zijn er wel degelijk verschillende handvatten beschikbaar voor lokale ambtenaren en bestuurders om demonstraties (bij abortusklinieken) in goede banen te leiden, zoals de handreiking van de gemeente Amsterdam en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.4 5 Door de Rijksuniversiteit Groningen is een landelijke website ontwikkeld waarop iedereen kosteloos informatie over het demonstratierecht kan vinden. De site biedt bijvoorbeeld antwoord op de vraag wat de burgemeester en de politie mogen en moeten doen bij demonstraties. Ook kan er een online adviestool worden geraadpleegd voor juridisch advies op maat.6
De vele boetes voor het niet op tijd betalen van de e-tol op de A24 |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman , van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Regels voor nieuwe e-tol niet voor iedereen duidelijk: 200.000 boetes» (NOS, 19 oktober 2025)1 en «Betaalherinnering voor e-tolweg A24 kost je vanaf nu geld» (NU.nl, 7 december 2025)2?
Ja.
Wat is uw reactie op deze berichten? Ontvangt u ook signalen over de digitale toegankelijkheid van de e-tolweg, en zo ja, wat is daarvan de strekking?
De tolheffing op de A24 is voor het merendeel van de gebruikers duidelijk; echter nog niet voor iedereen. Dat is ook in lijn met de verwachtingen vooraf: een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. De inzet is erop gericht dat steeds meer gebruikers de tol tijdig betalen, zodat het aantal betalingsherinneringen en boetes afneemt. Hierin is ook een duidelijke positieve trend waarneembaar. In de eerste helft van 2025 werd ca. 80% van de tolritten op tijd betaald. Begin december was dit gestegen tot ca. 90%. Dit resulteert in een daling van het aantal verstuurde betalingsherinneringen en boetes. Naar verwachting zet deze dalende trend de komende maanden verder door.
Er zijn signalen bekend over de digitale toegankelijkheid van het systeem. Zo heeft de Nationale ombudsman aangegeven dat het tolsysteem onnodige lasten legt bij burgers, en mensen uitsluit die niet digitaal vaardig zijn. Bij het klantcontactcentrum van e-TOL betreft het merendeel van de vragen algemene vragen over tolheffing, de wijze van betalen of vragen naar aanleiding van betalingsherinneringen of boetes. Er zijn slechts enkele meldingen binnengekomen die specifiek betrekking hebben op de digitale toegankelijkheid. Dit betrof personen die niet in staat waren om digitaal te betalen. In dergelijke gevallen wordt ondersteuning geboden om aan de verplichtingen te voldoen.
Het feit dat digitale toegankelijkheid in het klantcontact niet specifiek naar voren komt neemt niet weg dat het systeem ingewikkeld kan zijn voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Er is daarom ingezet op goede communicatie (ook via niet-digitale middelen zoals verkeersborden en kranten), goede ondersteuning en coulance bij de handhaving. Zie verder het antwoord op vraag 10.
Bent u het met de indieners eens dat meer dan 200.000 uitgedeelde boetes wijst op een structurele tekortkoming in de voorlichting over de e-tolheffing?
Nee, deze stelling wordt niet gedeeld. De A24 is de eerste weg in Nederland met een elektronisch tolsysteem. Een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. Dit is ook gebleken bij vergelijkbare elektronische tolwegen in het buitenland. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 werd begin december al 90% van de tolritten tijdig betaald en is het de verwachting dat dit percentage verder toeneemt. Hiermee neemt het aantal betalingsherinneringen en boetes af.
Klopt het dat één op de vijf automobilisten die via de e-tolweg reizen de tol niet op tijd betalen? Is deze verhouding in lijn met wat u vooraf had verwacht?
Ten tijde van de berichtgeving van de NOS (19 oktober jl.) werd inderdaad ca. één op de vijf tolritten niet tijdig betaald. Ca. 80% van de tolritten werd daarmee wel tijdig betaald. Dat is in lijn met de inschattingen die voor het jaar 2025 in de ontwerpbegroting van het Mobiliteitsfonds 20263 zijn opgenomen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 werd begin december al 90% van de tolritten tijdig betaald en is het de verwachting dat dit percentage verder toeneemt. Hiermee neemt het aantal betalingsherinneringen en boetes af.
Is in de geplande periode van 25 jaar waarin tol zal worden geheven rekening gehouden met deze hoge inkomsten uit boetes en aanmaningen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat betekent dit voor de duur van die periode?
In de ramingen in de begroting is rekening gehouden met inkomsten uit betalingsherinneringen en boetes. Dit omdat in artikel 11 van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Wet TTH) is vastgelegd dat de netto-opbrengsten uit tolheffing, betalingsherinneringen en boetes volledig ten goede komen aan de aflossing van de tolopgave. Met de tolheffing op de A24 wordt een financieringsbehoefte gedekt van € 405 miljoen (bedrag in contante waarde en in prijspeil 2025). De tolheffing wordt beëindigd als deze tolopgave, plus de in- en uitvoeringskosten van tolheffing, is voldaan.
De duur van de tolheffing hangt af van het aantal gebruikers van de A24, het betaalgedrag van deze gebruikers en de uitvoeringskosten van tolheffing. Deze factoren zijn momenteel nog sterk in ontwikkeling, waardoor de precieze duur van de tolheffing nu nog onduidelijk is. De ramingen in de begroting over betalingsherinneringen en boetes betreffen slechts indicatieve inschattingen. Er wordt niet gestuurd op het realiseren van de geraamde inkomsten: er wordt gestuurd op naleving van de tolplicht.
Kunt u verklaren waarom maar liefst één op de vijf automobilisten de e-tol niet (kunnen) betalen? In hoeverre is dit een gevolg van problemen met de digitale toegankelijkheid?
Er zijn verschillende redenen waarom gebruikers de tol niet tijdig betalen. Zo zijn er gebruikers die de verkeersborden over het hoofd zien, het systeem (nog) niet helemaal begrijpen of simpelweg vergeten te betalen. Ook zijn er gebruikers die de herinneringsbrief (ten onrechte) als een factuur hebben beschouwd. Er zijn geen indicaties dat specifiek de digitale toegankelijkheid een verklaring is voor het feit dat de tolheffing niet tijdig wordt betaald. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Heeft u inzicht in de achtergrond van de mensen die beboet worden? Zo ja, raakt dit disproportioneel doelgroepen in een kwetsbare sociaaleconomische positie?
Bij de handhaving van de tolheffing worden geen gegevens verwerkt over de achtergrond of sociaaleconomische positie van personen. Conform de Wet TTH worden alleen gegevens verwerkt die nodig zijn om een betalingsherinnering of boete te kunnen versturen. Het gaat dan onder meer om de naam, het adres en de woonplaats van de houder van het voertuig waarvoor niet tijdig tol is betaald.
Wel komt de achtergrond of sociaaleconomische positie van personen soms aan de orde in het klantcontact dat plaatsvindt. Het komt voor dat iemand meerdere boetes van soms verschillende overheidsorganisaties heeft ontvangen en deze niet allemaal (tegelijkertijd) kan betalen. Waar mogelijk wordt in dit soort gevallen maatwerk toegepast. De tolheffing is om deze reden aangesloten op de Betalingsregeling Rijk4, waarmee het CJIB als Rijksincasso-organisatie namens de aangesloten overheidsorganisaties tot een betalingsregeling kan komen die rekening houdt met de afloscapaciteit van de betrokkene.
Heeft u zicht op het aantal automobilisten dat herhaaldelijk de boete niet heeft (kunnen) betalen? Kunt u een beeld schetsen van hoeveel automobilisten door het niet (kunnen) betalen van de boetes een aanzienlijk bedrag verschuldigd is?
Er is recent een analyse uitgevoerd naar gebruikers die meerdere boetes hebben ontvangen en hun betaalgedrag. Hieruit blijkt dat er na één jaar tolheffing 3.466 personen of bedrijven zijn die 10 of meer tolboetes hebben ontvangen. In 1.730 van deze gevallen is nog geen enkele boete betaald. Conform het beleid dat handhaving op maatschappelijk verantwoorde wijze plaatsvindt, wordt getracht in contact te komen met gebruikers met meerdere openstaande herinneringen of boetes. Doel hiervan is ondersteuning bieden bij het betalen en voorkomen dat personen in de problemen komen. De handhaving kan daarbij tijdelijk worden gepauzeerd. Ook wordt in bepaalde gevallen coulant opgetreden.
Erkent u dat, door de tolheffing uitsluitend digitaal te doen, er een verhoogd risico is dat de ongeveer 2,5 miljoen mensen3 die moeite hebben met digitale dienstverlening disproportioneel beboet worden?
Nee, dit wordt niet erkend. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 kan het systeem ingewikkeld zijn voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Er is daarom ingezet op goede communicatie (ook via niet-digitale middelen zoals verkeersborden en kranten), goede ondersteuning en coulance bij de handhaving. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat mensen die minder digitaal vaardig zijn nadeel ondervinden of disproportioneel worden beboet. Zie verder het antwoord op vraag 10.
Welke maatregelen heeft u genomen om automobilisten in een kwetsbare sociaaleconomische positie of met weinig digitale vaardigheden in staat te stellen om tijdig en gemakkelijk de tol te betalen?
De tol kan op twee manieren worden betaald: door aan te melden voor automatisch betalen of door per rit te betalen op e-tol.nl. Gebruikers hebben een vrije keuze hoe ze willen betalen, maar geadviseerd wordt om automatisch te betalen. Daarmee worden immers herinneringen en boetes voorkomen. Het aanmelden voor automatisch betalen is zo makkelijk mogelijk gemaakt en wordt ook in de communicatie benadrukt.
Gebruikers die vragen hebben over de tolheffing of ondersteuning nodig hebben bij het verrichten van betalingen of het aanmelden voor automatisch betalen, kunnen terecht bij het klantcontactcentrum. Dat geldt uiteraard ook voor personen in een kwetsbare sociaaleconomische positie of met weinig digitale vaardigheden. Ook met ondersteuning van het klantcontactcentrum is het verrichten van betaalhandelingen niet voor iedereen mogelijk. In het klantcontact wordt in dergelijke gevallen aangeraden om hulp te vragen aan familie, vrienden of buren. Ook kunnen mensen terecht bij een Informatiepunt Digitale Overheid (IDO). IDO’s zijn vaak gevestigd in bibliotheken en bieden hulp en ondersteuning bij digitale overheidsdiensten. Alle IDO’s hebben van RDW informatie ontvangen over de tolheffing. Medewerkers van IDO’s in de omgeving van de A24 hebben daarnaast een aanvullende training gekregen.
Waarom heeft u besloten om ook de betalingsherinnering geld te laten kosten als een automobilist niet binnen 72 uur digitaal tol betaalt? Is dit niet een impliciete vorm van dwang om mensen te bewegen tot automatische betalingen?
Reeds bij de parlementaire behandeling van de Wet TTH in 2015 was bekend dat alleen in het eerste jaar van de tolheffing geen vergoeding voor de betalingsherinnering in rekening zou worden gebracht. Dit om gebruikers te laten wennen aan het tolsysteem. Op 7 december jl. is het eerste jaar tolheffing geëindigd en is gestart met het in rekening brengen van de vergoeding van € 9 bij een betalingsherinnering. Dit bedrag is bedoeld om de kosten te dekken die worden gemaakt met het versturen van een betalingsherinnering en de verdere afhandeling daarvan. Het is niet bedoeld als (impliciet) dwangmiddel om mensen te bewegen tot automatische betalingen. Wel wordt verwacht dat deze maatregel als bijeffect heeft dat het aantal tijdige betalingen toeneemt. Dit mede omdat sommige weggebruikers de herinneringsbrief tot aan 7 december jl. (ten onrechte) als een factuur beschouwden.
Op welke manier zijn ervaringsdeskundigen, laaggeletterden en kennisorganisaties voor digitale toegankelijkheid betrokken bij het inrichten van de e-tolheffing? Voldoet dit volledig aan de eisen voor digitale toegankelijkheid?
Bij het ontwerpen van het tolsysteem is aandacht geweest voor digitale toegankelijkheid. Zo zijn bijvoorbeeld zogeheten klantreizen opgesteld, waarbij potentiële gebruikers met verschillende achtergronden en kenmerken de processtappen van het tolheffingsproces hebben doorlopen (van het zien van een verkeersbord over tolheffing tot het ontvangen van een boete en de processtappen daartussenin). Deze klantreizen hebben waardevolle inzichten opgeleverd die zijn meegenomen om het systeem gebruiksvriendelijk te maken.
Ook bij de communicatie over tolheffing (in bijvoorbeeld brieven, de website e-tol.nl en campagnemateriaal) is aandacht voor toegankelijkheid. Bijvoorbeeld door het gebruik van begrijpelijke taal op taalniveau B1. Daarnaast geldt dat overheidswebsites (zoals de website e-tol.nl) moeten voldoen aan de toegankelijkheidseisen zoals beschreven in de Wet digitale overheid (Wdo). De website heeft status B6 en voldoet daarmee aan de wettelijke eisen. Het streven is de website verder te verbeteren naar status A.
Welke mogelijkheden hebben mensen die de tol niet digitaal kunnen of willen betalen om alsnog hun betaling te doen? Zijn deze mogelijkheden voldoende helder en toegankelijk?
De betaling van de tol is alleen digitaal mogelijk, door te betalen via de website e-tol.nl (met iDEAL of creditcard) of door aan te melden voor automatisch betalen. Bij automatisch betalen zijn er, afhankelijk van de gekozen aanbieder, opties om te betalen per factuur, creditcard, automatische incasso of door een saldo op het account te storten (prepaid). Informatie over betaalmogelijkheden is beschikbaar op de website e-tol.nl en kan ook worden opgevraagd bij het klantcontactcentrum.
Welke kosten-batenanalyse ligt ten grondslag aan de keuze voor e-tolheffing? Welke alternatieven zijn onderzocht, zoals een ouderwets tolhuisje?
In de memorie van toelichting bij de Wet TTH7 is uitgebreid ingegaan op de afweging om bij de A24/Blankenburgverbinding en de toekomstige ViA15 te kiezen voor een free flow-tolsysteem en niet voor een «klassiek» systeem met een tolplein met slagbomen. Aspecten die een rol hebben gespeeld in de afweging zijn gebruikersgemak, doorstroming, verkeersveiligheid, betaalmogelijkheden en handhaving. Bij de A24 bleek een tolplein met slagbomen fysiek onmogelijk inpasbaar in het wegontwerp en zou het daarnaast leiden tot filevorming en reistijdverlies. Dit terwijl de A24 bedoeld is om de doorstroming in de regio Rijnmond te verbeteren.
Bent u het met de indieners eens dat, gezien de nieuwigheid van de e-tol en het risico dat vooral mensen met weinig digitale vaardigheden worden beboet, terughoudendheid en ruimhartigheid moet worden betracht bij de tolheffing?
Een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 9 en 10 is daarom ingezet op goede communicatie over de tolheffing, goede ondersteuning aan gebruikers en op coulance bij de handhaving. Ook zijn in het eerste jaar van de tolheffing gratis betalingsherinneringen gestuurd aan gebruikers die de tol niet tijdig hebben betaald.
Bent u bereid om, vanwege de zorgen rondom de digitale toegankelijkheid van de e-tolheffing, de periode waarin geen administratiekosten worden gerekend te verlengen?
Nee, dit is niet wenselijk. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er bij het klantcontactcentrum slechts enkele meldingen binnengekomen die specifiek betrekking hebben op de digitale toegankelijkheid van het systeem. Conform de Wet TTH is in het eerste jaar van de tolheffing geen vergoeding voor de betalingsherinnering in rekening gebracht en wordt dat sinds 7 december jl. wel gedaan. Die vergoeding is nodig omdat voor het versturen en afhandelen van betalingsherinneringen substantiële uitvoeringskosten worden gemaakt. Daarnaast is een gratis betalingsherinnering niet rechtvaardig ten opzichte van gebruikers die wel op tijd tol betalen, omdat zij indirect meebetalen aan de kosten hiervan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De aangekondigde tegenreactie van de Verenigde Staten gericht op Europese techbedrijven |
|
Tom van der Lee (GL), Laurens Dassen (Volt), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VS dreigen met wraak om EU-acties tegen Amerikaanse techbedrijven»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de aankondiging dat de Verenigde Staten tegenmaatregelen wil nemen tegen de zogenaamde «discriminatie» van Amerikaanse techbedrijven in de Europese Unie?
Europese digitale wetgeving geldt voor alle bedrijven die actief zijn in de EU, ongeacht hun vestigingsplaats. Van ongelijke behandeling van Amerikaanse bedrijven is dus geen sprake. Mogelijke tegenmaatregelen vanwege vermeende ongelijke behandeling, inclusief mogelijke maatregelen gericht op Europese techbedrijven, ziet dit kabinet als onterecht.
Is deze aankondiging, naast in een publieke tweet op X, ook formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten? Zo ja, wanneer werd u hiervan op de hoogte gesteld?
Voor zover bekend is de aankondiging om tegenmaatregelen te nemen tegen Europese techbedrijven, naast het bericht van de United States Trade Representative (USTR) op X, niet formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten.
Heeft u contact gehad met de bedrijven die in de tweet van de vertegenwoordiger van de Verenigde Staten worden genoemd? Wat is uw boodschap richting deze Nederlandse en Europese bedrijven?
In zijn algemeenheid heeft het kabinet geregeld contact met Nederlandse en Europese bedrijven. Onze boodschap is dat het kabinet blijft staan achter de Europese digitale regels die zorgen voor een veilige, eerlijke en gelijkwaardige concurrentie tussen bedrijven en de handhaving daarvan. De EU stelt zelf de regels op voor diensten die in de Unie worden aangeboden en handhaaft deze regels ook. Eventuele tegenacties tegen Nederlandse en Europese bedrijven zal het kabinet volgen en uiteraard zal het kabinet daarbij in gezamenlijkheid met de Europese Commissie en lidstaten opkomen voor hun belangen.
Deelt u de opvatting van de indieners dat de waarschuwing van de Verenigde Staten past in een bredere strategie om de Europese Unie onder druk te zetten om digitale wet- en regelgeving af te zwakken?
De positie van de VS ten aanzien van Europese digitale wet- en regelgeving is bij ons bekend. Het is daarom van belang om actief in gesprek te blijven met de VS en Amerikaanse techbedrijven over het belang (van naleving) van digitale wet- en regelgeving voor zover het de diensten betreft die in Unie worden geleverd, en om te proberen om zorgen over vermeende ongelijke behandeling van Amerikaanse techbedrijven weg te nemen.
Hoe geeft u, in het licht van de druk uit de Verenigde Staten, uitvoering aan de motie-Kathmann die verzoekt om ondubbelzinnig aan te dringen op de maximale naleving, handhaving en versteviging van regelgeving van grote onlineplatforms?2
Het kabinet zet zich binnen de EU actief in om de Commissie te ondersteunen in het daadkrachtig optreden in haar rol als toezichthouder voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Tevens heeft Nederland begin vorig jaar met tien andere lidstaten een brief gestuurd aan de Commissie waarin wordt gevraagd volledig gebruik te maken van de handhavingscapaciteiten van de Digital Services Act (DSA). Er is ook gesproken met Eurocommissaris Virkkunen, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de DSA en de Digital Markets Act (DMA). Tijdens dit gesprek is, in lijn met de motie Kathmann, aandacht gevraagd voor het belang van naleving van, en handhaving op de zeer grote onlineplatforms en de zeer grote onlinezoekmachines, ongeacht waar ze vandaan komen. Inmiddels heeft de Commissie ook daadwerkelijk handhavingsbesluiten genomen wegens overtredingen van de DMA respectievelijk de DSA. Op nationaal niveau geldt dat dat de bevoegde toezichthouders, de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), hun taken onafhankelijk uitvoeren. Wel blijft het kabinet in gesprek met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders, volgt het kabinet hun werkzaamheden, en biedt het kabinet waar mogelijk en nodig ondersteuning.
Hoe geeft u tevens uitvoering aan de motie-Kathmann/Dassen die verzoekt om aanvullende Nederlandse voorwaarden te stellen in de onderhandelingen over de Digitale Omnibus?3 Hoe voorkomt u dat de druk van de Verenigde Staten leidt tot aanvullende afzwakkingen van wet- en regelgeving in de Digitale Omnibus?
De EU gaat over haar eigen wet- en regelgeving. In het kader van de simplificatie-agenda werkt de EU aan het verminderen van onnodige regelgeving. Dit doet het kabinet waar mogelijk en nodig om de Europese concurrentiepositie te versterken, niet om concessies te doen aan derde landen. De Kamer is middels een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet ten aanzien van de digitale omnibus.4
Bent u bereid om, samen met andere EU-lidstaten, erop aan te dringen dat digitale wet- en regelgeving onder geen enkele voorwaarde wordt afgezwakt of vertraagd naar aanleiding van druk uit de Verenigde Staten?
Zie antwoord op vraag 7. Daarbij vindt het kabinet dat aanpassing van regelgeving onder druk van derde landen niet moet gebeuren. Aanpassing van regelgeving is gerechtvaardigd wanneer regelgeving ook bedrijven onnodig of disproportioneel in de weg kan zitten, wat zeer noodzakelijke investeringen in de EU en daarmee samenhangende economische groei kan belemmeren.
Komt er een officiële en eenduidige Europese reactie op dit dreigement van de Verenigde Staten? Zo ja, wanneer wordt deze geformuleerd?
Een officiële gezamenlijke Europese reactie op de aankondiging op X om tegenmaatregelen te nemen gericht op Europese techbedrijven is (vooralsnog) niet voorzien. Wel heeft de Europese Commissie op 24 december 2025 een publiek statement gepubliceerd, waarin zij de visa-restricties afkeurt die de VS heeft opgelegd aan een vijftal Europeanen vanwege beschuldigingen van censuur, waaronder voormalig Eurocommissaris Thierry Breton.5 Ook dit kabinet en andere individuele Europese leiders, hebben hun zorgen uitgesproken en de actie veroordeeld.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.