Het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten |
|
Sarah Dobbe |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en meervoudig gehandicapte kinderen hun deuren moeten sluiten. Dit is zeer ingrijpend en buitengewoon vervelend voor de betrokken kinderen en hun ouders of verzorgers, die dagelijks afhankelijk zijn van intensieve en gespecialiseerde zorg. Ook voor de medewerkers, die zich met grote betrokkenheid inzetten voor deze kwetsbare groep, brengt dit veel onzekerheid met zich mee.
Juist bij deze vorm van zorg is continuïteit van groot belang. Wanneer die onder druk komt te staan, leidt dat begrijpelijkerwijs tot zorgen. Het is daarom essentieel dat betrokken partijen zorgvuldig handelen, ouders en medewerkers goed informeren en alles op alles zetten om passende oplossingen te vinden, waarbij het belang van het kind steeds vooropstaat.
Begrijpt u dat het een enorme impact heeft als deze kinderen straks zijn aangewezen op zorgvilla’s die veel verder weg liggen of op thuiszorg, indien hier überhaupt al plek is?
Ik begrijp dat ouders en hun kinderen in onzekerheid verkeren over waar hun kind zorg kan krijgen. Ik hecht daarom grote waarde aan het belang van continuïteit van zorg, en begrijp dat de huidige situatie veel vraagt van kinderen, hun ouders en medewerkers van Villa ExpertCare.
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Deelt u de analyse dat de tarieven die door de zorgverzekeraars worden gerekend voor deze vorm van zorg tekortschieten en dat dit de reden is voor het sluiten van deze villa’s?
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting2. De NZa heeft mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek is gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»3. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Bent u bereid om de tarieven te laten herijken via een kostprijsonderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Is bekend of ExpertCare de afgelopen jaren verlies of winst heeft gemaakt op de zorgvilla’s?
Uit de openbare jaarverantwoordingen van Villa ExpertCare valt op te maken dat in 2022 en 2024 een negatief resultaat is behaald en in 2023 een positief resultaat. De jaarverantwoording over 2025 is nog niet gepubliceerd.
Welke alternatieven zijn er voor gezinnen die nu gebruik maken van deze zorgvilla’s en is daar voldoende capaciteit om al deze gezinnen de juiste zorg te kunnen bieden?
In februari 2026 is overleg geweest tussen de Branchevereniging integrale kindzorg (Binkz), zorgverzekeraars en de NZa. Mogelijk kan één van de zeven andere leden van Binkz die 24-uurs kindzorg leveren een oplossing bieden. Maar het hoeft niet altijd intramuraal te zijn. Er wordt voor ieder kind gekeken wat passend is.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze villa’s open kunnen blijven en dat gezinnen een goede gespecialiseerde opvangplek blijven houden?
ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Op dit moment is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Het bericht 'Ambtenaar stelt voor om 19-jarige Forum-kandidaat ‘op te hangen aan een lantaarnpaal’' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Is de Minister bekend met het bericht «Ambtenaar stelt voor om 19-jarige Forum-kandidaat «op te hangen aan een lantaarnpaal»»?1
Ja.
Is het correct dat een medewerker van zorgorganisatie SamenTwente op Twitter/X over een 19-jarige FVD-kandidaat voor de gemeenteraad in Utrecht heeft geschreven: «Met fascisten ga je geen debat aan. Da’s zonde van de tijd. Die moet je gewoon ouderwets ondersteboven aan een lantaarnpaal hangen. En eventueel Bella Ciao erbij zingen.»? Is de Minister bereid, eventueel gebruik makend van de «trusted flagger» status van het ministerie, bij Twitter/X na te vragen of deze tweet daadwerkelijk verstuurd is? Zo nee, waarom niet?
Het doen van bedreigingen keur ik in alle gevallen ten zeerste af. De impact van een bedreiging kan voor iemand zeer ingrijpende gevolgen hebben. Dat gezegd hebbende is het in deze situatie niet aan de Minister van BZK om te verifiëren of bepaalde uitingen al dan niet daadwerkelijk op sociale media zijn gedaan, om uitingen te controleren op echtheid of om na te gaan wie verantwoordelijk is voor de plaatsing ervan. Indien iemand van mening is dat er sprake is van een strafbaar feit kan er aangifte worden gedaan. Ook kan een bericht gemeld worden bij een platform zoals X. Strafbare illegale berichten moeten door X worden verwijderd na melding.
Voor een uitleg over de inzet van de «verkiezingen flaggerstatus» verwijs ik u naar de betreffende bijlage bij de brief van mijn voorganger van 9 januari jl. over de Tweede Kamerverkiezingen.2
Klopt het dat de medewerker van deze zorgorganisatie formeel gezien een «ambtenaar» is?
Zoals hiervoor aangegeven is het geen onderdeel van mijn verantwoordelijkheid om na te gaan wie verantwoordelijk is voor plaatsing van uitingen op sociale media.
Vindt de Minister, primair verantwoordelijk voor zowel het functioneren van de rijksdienst (ambtenarij) als het beschermen van onze democratie, het acceptabel voor een ambtenaar om publiekelijk een kandidaat van een politieke partij waar deze ambtenaar het niet mee eens is, te bedreigen? Is een dergelijke (doods)bedreiging verenigbaar met de Ambtenarenwet?
Het is in alle gevallen volstrekt onacceptabel en onder omstandigheden strafbaar om politici te bedreigen. De toenemende intimidatie van politici is een ernstige ontwikkeling die een bedreiging vormt voor een goede werking van onze democratie. Vanuit het programma Weerbaar Bestuur zet ik mij daarom in om politieke ambtsdragers te ondersteunen wanneer zij geïntimideerd of bedreigd worden.
De Ambtenarenwet 2017 schrijft onder meer voor dat een ambtenaar is gehouden zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Ook schrijft de wet voor dat een overheidswerkgever zorgt voor de totstandkoming van een gedragscode voor goed ambtelijk handelen. Het spreekt voor zich dat een bewezen (doods-)bedreiging door een ambtenaar zich niet verhoudt tot het voorgeschreven goed ambtelijk handelen. Of en in hoeverre overschrijding van de geldende normen in een bepaalde casus aan de orde is, is ter bepaling van de werkgever van de betrokken ambtenaar.
Behoort, in de ogen van de Minister, een ambtenaar, die een (kandidaat-)politicus publiekelijk bedreigt uit zijn ambt te worden gezet? Zo nee, waarom niet?
Indien een ambtenaar gedrag vertoont dat volgens de werkgever grensoverschrijdend is, kunnen daar consequenties aan verbonden worden. Welke consequenties dat zijn kan onder andere afhangen van wat daarover in een cao is afgesproken, de aard en context van het geconstateerde gedrag, of er sprake is van recidive en of er sprake is van een strafbaar feit.
Het bericht 'Israël neemt het bestuur van Palestijnse steden deels over: ‘Einde aan de Oslo-akkoorden’' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël neemt het bestuur van Palestijnse steden deels over: «Einde aan de Oslo-akkoorden»»?1
Ja.
Bent u het eens met de constatering in het artikel dat met de besluiten van het Israëlische kabinet «een einde [is gekomen] aan de Oslo-akkoorden»? Zo nee, waarom niet?
Een van de besluiten ontneemt de Palestijnse Autoriteit bepaalde bevoegdheden op het gebied van toezicht en handhaving in Gebieden A en B. Dit is niet in overeenstemming met de Oslo-akkoorden, waarin is vastgelegd dat Israël geen zeggenschap heeft over burgerzaken in die gebieden. Ook zetten de plannen de fragiele situatie op de Westelijke Jordaanoever verder onder druk, juist op het moment dat alle inspanningen gericht moeten zijn op het laten slagen van het vredesplan en het werken naar een tweestatenoplossing. Het is dan ook zaak dat de besluiten niet in uitvoering worden gebracht.
Veroordeelt u, in navolging van onder andere het Verenigd Koninkrijk, de besluiten van het Israëlische kabinet? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland heeft deze besluiten van het Israëlische veiligheidskabinet veroordeeld en zich hier publiekelijk over uitgesproken op politiek niveau en onder andere ook op 17 februari jl. in New York in een breed gezelschap van 80 VN-landen.
Heeft u uw Israëlische ambtsgenoot aangesproken op de besluiten van het Israëlische kabinet? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
In een publieke verklaring heeft Nederland Israël opgeroepen deze besluiten niet te implementeren. Daarnaast is deze boodschap bilateraal meermaals op politiek en hoog ambtelijk niveau aan Israël overgebracht, waaronder in mijn gesprek met Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 25 februari jl.
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan de blijvende ondermijning van het perspectief op een Palestijnse Staat door het Israëlische kabinet? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Nederland beschouwt de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden als onrechtmatig. Daar spreekt Nederland zich consequent en nadrukkelijk over uit, en ondersteunt dit standpunt met beleid. Zo ontmoedigt de Nederlandse overheid economische relaties met bedrijven in illegale nederzettingen, en beperkt het kabinet de samenwerking met Israël tot binnen de grenzen van 1967. Daarnaast heeft het kabinet reeds verschillende acties ondernomen naar aanleiding van unilaterale stappen van Israël die een tweestatenoplossing ondermijnen. Zo heeft het kabinet o.a. naar aanleiding van de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever het initiatief genomen tot de evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Ook heeft het kabinet, o.a. na het besluit tot uitbreiding van nederzettingen in E1-gebied in augustus 2025, besloten nationale maatregelen voor te bereiden om producten uit onrechtmatige nederzettingen in door Israël bezette gebieden te weren. Daarnaast heeft Nederland Israëlische Ministers Smotrich en Ben Gvir tot persona non grata verklaard n.a.v. uitspraken over annexatie van de Westelijke Jordaanoever. Het kabinet blijft met relevante partners bespreken welke inzet, waaronder in EU-verband, effectief kan zijn. Zie ook antwoord op vraag 6.
Heeft u reeds opvolging gegeven aan de aangenomen motie-Piri (Kamerstuk 23 432, nr. 620) over het opnieuw agenderen van de opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël-associatieakkoord? Zo ja, kunt u toelichten hoe? Zo nee, bent u bereid dit spoedig te doen?
Met het vredesplan van president Trump is de inzet van Nederland en de EU erop gericht om dit plan te laten slagen. Dat betekent niet dat de voorgestelde EU-maatregelen, zoals het gedeeltelijk opschorten van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord, van tafel zijn. Naast de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever heeft Nederland o.a. ook grote zorgen over de humanitaire situatie in Gaza. Deze zorgen heeft Nederland ook bilateraal overgebracht bij Israel en Nederland heeft in de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. overgebracht dat, indien de situatie niet verbetert, het nodig kan zijn om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van de evaluatie van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De oproep van experts om AI-uitkleedsoftware wereldwijd te verbieden |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het manifest, wereldwijd ondertekend, die oproept om AI-uitkleedsoftware te verbieden?1
Wat is uw reactie op het manifest? Kunt u inhoudelijk reageren op de specifieke oproepen aan beleidsmakers van EU-lidstaten?
Steunt u het manifest? Zo ja, op welke manieren geeft u uitvoering aan de aanbevelingen?
Hoe gaat u de motie-Van der Werf c.s. [Kamerstuk 36 800 VI-80] uitvoeren die vraagt om een onderzoek naar een verbod op dergelijke apps?
Kunt u de wettelijke maatregelen tegen uitkleedsoftware versnellen, en zo spoedig mogelijk met wetgeving komen om AI-uitkleedsoftware te verbieden?
Bent u bekend met de oproep van Spanje, gesteund door Ierland, Frankrijk en Slovenië, om AI-uitkleedsoftware te verbieden in artikel 5 van de Europese AI Act?2, 3
Deelt u de analyse van deze landen dat AI-uitkleedsoftware al is verboden in de Europese Unie? Zo niet, bent u bereid te pleiten voor een Europees verbod?
Bent u bereid om Nederland bij deze groep EU-lidstaten te voegen? Welke expertise en ondersteuning kan Nederland in deze groep bieden, bijvoorbeeld met organisaties als Offlimits aan tafel?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het invoeren van een leegstandsheffing |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een Kamermeerderheid op 23 september 2025 heeft ingestemd met het invoeren van een leegstandsheffing via het amendement 36 735-18 op de Fiscale Verzamelwet 2026?
Ja, dit is mij bekend.
Klopt het dat u op 22 januari jongstleden een koninklijk besluit heeft uitgevaardigd dat betrekking heeft op de inwerkingtreding van onderdelen van de Fiscale verzamelwet 2026, maar dat de leegstandsheffing daarin niet is meegenomen?
Het koninklijk besluit van 22 januari jl. heeft betrekking op de inwerkingtreding van artikelen van de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2018 en de Fiscale verzamelwet 2026 die zien op de motorrijtuigenbelastingen. Dit valt onder mijn beleidsverantwoordelijkheid en staat los van het amendement over de leegstandsheffing. Het amendement voor de leegstandheffing is ingediend op de Fiscale verzamelwet 2026. Daarin zijn technische wijzigingen opgenomen van fiscale wetgeving, waarvan het wenselijk was dat deze per 1 januari 2026 in werking zouden treden. Het amendement wijzigt de Gemeentewet en staat daardoor los van de reguliere fiscale wetgeving. Voor dit amendement geldt dat de inwerkingtreding van het amendement op koninklijk besluit (KB) is gezet. De maatregel gaat in als de verantwoordelijke Minister deze heeft geslagen. Het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van het amendement is tot op heden om procedurele redenen nog niet genomen, wat de uitvoering van een leegstandbelasting door gemeenten overigens niet in de weg hoeft te staan aangezien er door gemeenten eerst nog een verordening moet worden opgesteld voordat het jaar leegstand gaat lopen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten werkt ter ondersteuning hiervoor aan een modelverordening waarvan gemeenten gebruik kunnen maken.
Waarom heeft u hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit aangenomen amendement zo snel mogelijk wél wordt uitgevoerd, waardoor gemeenten aan de slag kunnen met het invoeren van een leegstandsheffing?
Het Ministerie van Financiën is hierover in gesprek geweest met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als verantwoordelijke van de Gemeentewet en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (beleidsverantwoordelijk). Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt nu aan het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van het amendement regelt. Daarna zal het koninklijk besluit worden geslagen waarmee het amendement zo snel mogelijk inwerking treedt.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden, uiterlijk vrijdag 13 februari 2026 om 12:00?
Ja.
Het bericht 'Grote onwetendheid en zorgen over risico’s aflopende aflossingsvrije hypotheek' |
|
Jan Struijs (50PLUS), Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde onderzoek van Van Bruggen Adviesgroep, waaruit blijkt dat er bij huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek sprake is van een groot kennisgebrek over hun financiële situatie en de gevolgen van het aflopen van deze hypotheekvorm?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en het onderzoek.
Deelt u de zorgen over dit gebrek aan kennis en de potentiële impact daarvan, met name voor mensen in de leeftijd vanaf 57 jaar, omdat het aflopen van de aflossingsvrije hypotheek kan betekenen dat de maandlast stijgt doordat er moet worden afgelost, of zelfs geen nieuwe financiering verkregen kan worden op basis van een lager toetsinkomen in het zicht van pensioen?
Ja, ik deel uw zorgen. Ruim 2,5 miljoen mensen in Nederland hebben een (deels) aflossingsvrije hypotheek. Het is belangrijk dat klanten kennis hebben van de kenmerken en risico’s van de (deels) aflossingsvrije hypotheek. Voor een meerderheid van de klanten zal gelden dat er nu of in de toekomst geen problemen ontstaan met het voldoen aan de financiële verplichtingen. Echter, een aflossingsvrije hypotheek kan voor individuele huishoudens verhoogde financiële risico’s met zich meebrengen. Aan het einde van de looptijd van de hypotheek kan de situatie ontstaan dat een klant de hypotheek niet uit inkomen of ander vermogen dan de eigen woning kan herfinancieren of aflossen, wat ertoe kan leiden dat de woning verkocht moet worden, al dan niet met een restschuld. Terugval van inkomen na pensionering kan deze risico’s vergroten. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft in 2021 onderzoek gedaan naar deze risico’s. Hieruit bleek dat ongeveer 78.000 huishoudens het risico lopen dat ze hun aflossingsvrije hypotheek niet kunnen herfinancieren op het moment dat deze afloopt, en een deel hiervan met een restschuld achterblijft.2 Het is mogelijk dat de omvang van deze groepen inmiddels is gewijzigd vanwege ontwikkelingen in onder andere lonen, woningprijzen en rentes.
De daadwerkelijke risico’s per individueel huishouden verschillen. Het is daarom belangrijk dat de kredietaanbieder hier zicht op heeft. De AFM ziet erop toe dat aanbieders van hypothecair krediet het klantbelang centraal stellen. De AFM verwacht daarbij van aanbieders dat ze zich inspannen om klanten met een aflossingsvrije hypotheek te benaderen om meer inzicht te krijgen in hun financiële situatie om zo eventuele betaalbaarheidsrisico’s vroegtijdig te kunnen signaleren. De AFM verwacht van aanbieders dat hun klanten, voor zover de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is, zorgeloos kunnen blijven wonen. Na het startschot met de campagne «Word ook aflossingsblij» in 2018 hebben kredietaanbieders tot eind 2024 1,76 miljoen klanten benaderd over mogelijke risico’s van hun aflossingsvrije hypotheek. 744.000 klanten ondernamen in die periode acties om hun financiële situatie te verbeteren.
Kredietaanbieders moeten klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen om potentiële betaalbaarheidsrisico’s aan het einde van de aflossingsvrije looptijd in beeld te brengen en klanten een handelingsperspectief te bieden. Ook hypotheekadviseurs kunnen hier een rol in spelen. Daarnaast is het verstandig als consumenten zelf het gesprek aangaan met hun aanbieder of adviseur. Ik constateer dat het genoemde onderzoek erop wijst dat er nog steeds onwetendheid en zorgen bestaan onder mensen over de risico’s van een aflopende aflossingsvrije hypotheek. Zoals aangegeven deel ik uw zorg hierover en ik vind het daarom belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten blijven benaderen en activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht.
Deelt u de mening dat er meer bewustwording nodig is rondom de risico’s van aflossingsvrije hypotheken, zeker nu de druk vanuit toezichthouders toeneemt om de omvang van deze hypotheekvorm verder te beperken?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen en waar nodig activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht. Uit het eerder aangehaalde onderzoek van de AFM blijkt dat een deel van de klanten betaalbaarheidsrisico’s loopt, maar dat de meeste mensen met een aflossingsvrije hypotheek niet in betaalbaarheidsproblemen komen. Op het moment dat de aflossingsvrije hypotheek afloopt, zal de aanbieder moeten bepalen of een nieuwe financiering mogelijk is. Ik vind het belangrijk dat klanten waarvan de hypotheeklasten betaalbaar zijn – ook wanneer de aflossingsvrije hypotheek afloopt – zorgeloos kunnen blijven wonen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met hypotheekverstrekkers en andere betrokken partijen om proactieve informatievoorziening richting huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek te verbeteren, bijvoorbeeld door het starten van een nieuwe publiekscampagne, naar analogie van de in 2017 gelanceerde campagne «Wordt ook aflossingsvrij»?
Het is aan aanbieders en adviseurs om klanten te benaderen en waar nodig te activeren en aan de AFM om hier toezicht op te houden. Ik vind het belangrijk dat deze partijen hiermee doorgaan en blijf daarover met hen in gesprek.
Herkent u het beeld dat met name bij oudere huishoudens sprake is van een stapeling van effecten (beperking aflossingsvrije hypotheek, inkomensnorm op basis van een lager pensioeninkomen, het deels wegvallen van hypotheekrenteaftrek na 30 jaar), waardoor het lastiger wordt om een hypotheek aan te vragen, over te sluiten of aan te passen?
Een hypotheek is een langlopende financiële verplichting, die voor veel mensen doorloopt nadat zij met pensioen gaan. Omdat veel mensen te maken krijgen met een lager inkomen na pensionering moeten kredietaanbieders niet alleen beoordelen of de hypotheek nu financieel verantwoord is, maar ook na pensionering. Daarnaast geldt dat in 2031 en de jaren daarna mensen met een aflossingsvrije hypotheek het recht op hypotheekrenteaftrek verliezen. Deze zaken kunnen doorwerken in een nieuwe kredietbeoordeling: mensen kunnen mogelijk minder lenen door een lager pensioeninkomen terwijl de netto hypotheeklasten in de toekomst juist toenemen. Mede tegen deze achtergrond besteden de Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) nadere aandacht aan aflossingsvrije hypotheken in hun toezicht. DNB geeft aan dat het aannemelijk is dat dit zal leiden tot een verdere afname van de aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland.3
Door de combinatie van deze factoren kan het voor sommige huishoudens, bijvoorbeeld bij huishoudens met een laag pensioeninkomen, lastiger worden om een hypotheek te verkrijgen, over te sluiten of aan te passen. Het moet voorkomen worden dat mensen bij het aangaan van een hypotheek onverantwoorde financiële risico’s aangaan. Ik vind het tegelijkertijd belangrijk dat mensen de stap naar een nieuwe woning kunnen maken als ze dat willen en dit voor hen financieel verantwoord is. Hiertoe zijn de afgelopen jaren ook verschillende goede stappen gezet, bijvoorbeeld met de werkelijkelastentoets voor senioren bij doorstroming naar een goedkopere woning.
Ziet u ook het risico dat mensen, om de hogere woonlasten te voorkomen, zo lang mogelijk in de huidige woning blijven wonen wat de de doorstroming op de woningmarkt kan belemmeren en wat ervoor zorgt dat ouderen niet in de woning terecht kunnen komen die het meest geschikt voor ze is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met signalen dat de Europese Centrale Bank het toezicht op aflossingsvrije hypotheken verder wil aanscherpen waardoor ouderen nog meer beperkingen opgelegd krijgen met betrekking tot het mogen aanhouden van aflossingsvrije hypotheken?
Ja, ik ben daarmee bekend en volg de ontwikkelingen nauwgezet. Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De ECB en DNB houden daar prudentieel toezicht op. DNB besteedt, voor banken samen met de ECB, in haar toezicht nadere aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken voor financiële instellingen. Ik sta met DNB in contact over de maatregelen en de gevolgen en volg de ontwikkelingen zoals aangegeven nauwgezet. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders het klantbelang centraal blijven stellen. Ook met hen sta ik in contact over de gevolgen van de maatregelen.
Zo ja, bent u bereid de mogelijke impact hiervan te laten onderzoeken, waarbij onder meer wordt gekeken naar de gevolgen voor individuele huishoudens, de doorstroming op de woningmarkt en het systeemrisico voor de bankensector in Nederland?
De ECB en DNB zijn onafhankelijk in hun toezicht en in de maatregelen die zij opleggen aan banken. Ik vind het belangrijk dat de prudentiële toezichthouders daarbij zicht hebben op de bredere gevolgen van hun maatregelen en deze in ogenschouw nemen. Het gaat in dit geval om de gevolgen van maatregelen voor de maandlasten van groepen huishoudens en de doorstroming op de woningmarkt. Ik ben hierover met DNB in gesprek.
De AFM heeft aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat klanten voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft daarbij aangegeven dat het belangrijk is dat hypotheekaanbieders hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten niet onevenredig worden getroffen door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen. Omdat de AFM erop toeziet dat aanbieders het klantbelang centraal blijven stellen, bijvoorbeeld in de context van het terugbrengen van het volume van aflossingsvrije hypotheken, vind ik het belangrijk dat er nauw contact is tussen de ECB, DNB en de AFM over de maatregelen en de bredere gevolgen hiervan.
Hoe weegt u het risico van aflossingsvrije hypotheken in Nederland in relatie tot deze risico’s in andere Europese landen onder meer gezien ons pensioenstelsel en de daarmee samenhangende financiële buffers?
Het is van belang om in de beoordeling van financiële stabiliteitsrisico’s in brede zin te kijken naar het vermogen dat tegenover de (aflossingsvrije) hypotheekschuld staat, omdat bij aflossingsvrije hypotheken de opbrengst bij verkoop de primaire bron is van afbetaling van de lening.
Door de jaren heen zijn er verschillende maatregelen genomen die de risico’s voor huishoudens en de bredere prudentiële risico’s van aflossingsvrije hypotheken beperken. Daarbij doel ik naast de doorlopende toezichtinspanningen onder andere op de introductie van de fiscale en niet-fiscale aflossingseisen en de verlaging van de loan-to-value-limiet.4 Mede hierdoor heeft er een relatieve groei plaatsgevonden van aflossende hypotheken, zoals annuïtaire, en is er de afgelopen jaren een dalende trend waarneembaar in het aandeel aflossingsvrije schuld van de totale hypotheekschuld.
Er kan een hoger risico verbonden zijn aan aflossingsvrije hypotheken, omdat er gedurende de looptijd niet wordt afgelost. Ook hebben aanbieders beperkt inzicht in de capaciteit van huishoudens om ook na pensionering aan de financiële verplichtingen te voldoen. Tegelijkertijd constateer ik dat er relatief veel vermogen tegenover de nog uitstaande aflossingsvrije hypotheekschuld staat en dat er bij relatief veel (deels) aflossingsvrije hypotheken aanzienlijke overwaarde is. Zo hebben (deels) aflossingsvrije hypotheken in Nederland doorgaans een lage loan-to-value-ratio (wat betekent dat de hoogte van de hypotheek ten opzichte van de waarde van de woning relatief laag is): twintig procent van de hypotheken op de Nederlandse markt heeft een loan-to-value-ratio van hoger dan 75 procent, terwijl dit bij aflossingsvrije leningen maar zo’n zeven procent van het totale aantal is.
Welke actie wilt u gaan ondernemen om aantrekkelijke hypotheekproducten, zoals doorstroomhypotheken, voor ouderen verder te gaan brengen zoals opgenomen in het regeerakkoord? Momenteel zijn zulke producten in de markt nog te beperkt aanwezig en doorstroming wordt hierdoor belemmerd.
In het Coalitieakkoord 2026–2030 is aangegeven dat met een doorstroombank of aantrekkelijk hypotheekproduct voor ouderen (doorstroomhypotheek) stenen makkelijker in geld worden omgezet. De aandacht vanuit het Coalitieakkoord voor doorstroming en hypotheken voor ouderen sluit aan bij al ondernomen acties, zoals via het Convenant Ouderen en toekomstbestendig wonen.5 De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal de Kamer rond de zomer informeren over de status van het verbeteren van de doorstroommogelijkheden voor ouderen.6
Verkeerde taxaties door goudwisselkantoor |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Consumentenprogramma Kassa: Goudwisselkantoor taxeert ver onder de waarde van de NOS?1
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat consumenten op deze wijze worden opgelicht?
In hoeverre bent u van mening dat er sprake is van een functionerende vrije markt wanneer de prijsvorming zo afhankelijk is van willekeur?
Deelt u de mening dat een eerlijke prijsvorming in deze markt in de weg wordt gezeten door een groot verschil in informatiepositie en dat regulering daartoe wenselijk is?
Waarom is de handel van goud in Nederland nog niet gereguleerd?
Wat is het verschil tussen de Nederlandse markt voor goudinkoop en de Franse, waar er wel sprake is van regulering door de overheid?
Wat is er nodig om de consumentenbescherming voor de markt voor goudinkoop, net zoals in Frankrijk en België, te verbeteren?
Welke stappen gaat u ondernemen om consumenten beter te beschermen tegen goudwisselbedrijven die oneerlijk handelen?
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V. |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 5 februari 2026 in de zaak van Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V.?1
Ja.
Wat is uw reactie op het oordeel van de rechtbank dat DNB in 2017 bedrog heeft gepleegd door ten onrechte de rechtbank niet in te lichten over de met het overdrachtsplan van Conservatrix aan Trier verbonden herverzekering bij Colorado Bankers Life Insurance Company?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken van de rechtbank te beoordelen. Wel vind ik het relevant om op te merken dat deze zaak niet op zichzelf staat.
Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 6 hieronder, loopt er zowel een herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep (de voormalig aandeelhouder van levensverzekeraar Conservatrix N.V.) en DNB, als tussen Conservatrix Groep en de Staat. Beide procedures zijn aangespannen door Conservatrix Groep en zijn qua inhoud vrijwel gelijk. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 juli 2025 al een uitspraak gedaan over de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat.2 In deze vergelijkbare herroepingsprocedure heeft de Ondernemingskamer het herroepingsverzoek van Conservatrix Groep afgewezen en dat uitgebreid onderbouwd. Conservatrix Groep heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
In haar beschikking van 5 februari jl. in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarnaar in deze vraag wordt verwezen, heeft de rechtbank Conservatrix Groep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aard van de oorspronkelijke beschikking zich tegen herroeping verzet. De overdracht van de aandelen is onomkeerbaar en levensverzekeraar Conservatrix N.V. verkeert inmiddels in staat van faillissement. De beschikking uit 2017 waarbij het overdrachtsplan van DNB om levensverzekeraar Conservatrix over te dragen is goedgekeurd, blijft daarmee onverkort in stand. De rechtbank heeft zich desondanks uitgelaten over de vraag of DNB in 2017 «bedrog in het geding» zou hebben gepleegd door niet toe te lichten dat de benodigde kapitaalversterking door de koper mede op basis van een herverzekering zou geschieden. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was, waarbij van belang is om hierbij nog te vermelden dat het gaat om gesteld bedrog in processuele zin, wat een andere betekenis heeft dan bedrog in het normale spraakgebruik. DNB is tegen dit oordeel van de rechtbank in cassatie gegaan (zie ook het antwoord op vraag 4). Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze uitspraak – en de hiervoor genoemde uitspraak in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat – te buigen.
Bent u van mening dat de in 2021 uitgevoerde evaluatie door de Evaluatiecommissie Conservatrix het gepleegde bedrog voldoende heeft kunnen evalueren, aangezien het rapport van de Evaluatiecommissie in de uitspraak van 5 februari 2026 een belangrijke bron was om te komen tot het oordeel dat er sprake is geweest van bedrog? Leidt deze uitspraak van de rechtbank nog tot aanvullende inzichten en lessen voor DNB?
De toets die de rechtbank in 2017 diende uit te voeren op basis van de wet en het onderzoek dat de Evaluatiecommissie Conservatrix heeft verricht naar de gebeurtenissen in de aanloop naar het faillissement van Conservatrix N.V. in 2020, hebben een verschillend doel en een andere reikwijdte. Dat gezegd hebbende, blijkt uit de toelichting bij het Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Conservatrix3 dat de Evaluatiecommissie Conservatrix nadrukkelijk is gevraagd de herverzekering te onderzoeken. De Evaluatiecommissie Conservatrix, haar juridisch adviseur en secretaris hebben via een dataroom toegang gekregen tot alle relevante toezichtvertrouwelijke stukken, waaronder de afspraken die zijn gemaakt tussen toezichthouder DNB en de koper over de kapitaalversterking.
De Evaluatiecommissie Conservatrix schrijft in haar rapport onder meer dat een herverzekering een risicobeperkende techniek is die verzekeraars mogen toepassen bij berekening van de Solvency Capital Requirement (SCR). Zij bespreekt in haar rapport hoe de kapitaalstorting van Trier Holding B.V. zou worden opgebouwd, inclusief een herverzekering.4 Ook beoordeelt de Evaluatiecommissie in haar rapport of de herverzekering, achteraf bezien, goed heeft uitgepakt en of daar lessen uit te trekken zijn.5 Dit rapport is op 14 december 2021 aan uw Kamer aangeboden en openbaar geworden.6 DNB heeft mijn ambtsvoorganger geïnformeerd hoe zij opvolging heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Evaluatiecommissie Conservatrix. Deze informatie is met uw Kamer gedeeld via de Kamerbrief «Reactie op het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix» d.d. 5 april 2022.7
Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van deze uitspraak voor DNB en de Staat?
DNB is het inhoudelijk eens met de verwerping van het herroepingsverzoek door de rechtbank. DNB kan zich echter niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat DNB in de overdrachtsprocedure onvoldoende informatie heeft gegeven over de wijze waarop de koper de kapitaalspositie zou versterken en dat daarom sprake zou zijn van processueel bedrog. DNB heeft daarom tegen onder meer dat onderdeel van de uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft DNB hoger beroep ingesteld tegen de opdracht van de rechtbank om bepaalde toezichtvertrouwelijke documenten aan Conservatrix Groep te verstrekken.
In de herroepingsprocedure tussen de Staat en Conservatrix Groep zullen de Advocaat-Generaal en de Hoge Raad ook kunnen kennisnemen van de openbare uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De overwegingen van de rechtbank over het bedrog zijn echter niet juridisch bindend voor deze herroepingsprocedure in cassatie of in een andere procedure.
Conservatrix Groep heeft in de media aangegeven dat zij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank grondslag biedt voor (nadere) schadevergoeding aan Conservatrix Groep. Voor een eventuele nieuwe schadeclaim zou Conservatrix Groep verder moeten aanvoeren en onderbouwen welke schade dit «bedrog in het geding» precies heeft veroorzaakt.
Welke financiële gevolgen kunnen zich hierdoor voordoen en op welke wijze wordt hier door DNB en de Staat rekening mee gehouden?
Zoals hiervoor gezegd, kan een eventuele nieuwe schadevergoeding niet worden gevorderd van DNB (of de Staat) louter op basis van deze overwegingen van de rechtbank Amsterdam. Daarvoor zou Conservatrix Groep moeten aanvoeren en aantonen dat aan meerdere juridische vereisten voor een schadevergoeding is voldaan.
Welke juridische procedures lopen er op dit moment nog tussen Conservatrix Groep en DNB of de Staat? Wat is de stand van zaken in deze procedures?
Het Conservatrix-dossier is een langlopend traject. Naast de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarin op 5 februari 2026 door de rechtbank uitspraak is gedaan, lopen er momenteel twee procedures tussen Conservatrix Groep en de Staat.
Voor de goede orde benadruk ik hier dat de procedures worden gevoerd tussen de Staat en de voormalig aandeelhouder van Conservatrix N.V. De procedures gaan niet over de vraag of polishouders recht hebben op compensatie, omdat later met de nieuwe aandeelhouder ook problemen ontstonden en de levensverzekeraar in 2020 alsnog failliet is gegaan. Het ingrijpen van DNB in 2017 was juist gericht op het beschermen van de polishouders en de financiële stabiliteit.
De eerste procedure betreft een schadeloosstellingsprocedure tegen de Staat, gestart in 2017. Op 26 juni 2017 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling op de voet van artikel 3:159ab Wft (oud). Dit artikel bood Conservatrix Groep de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen in aanvulling op de EUR 1,– die zij heeft ontvangen toen zij haar aandelen in de noodlijdende levensverzekeraar Conservatrix N.V. moest overdragen op last van DNB en de rechtbank. De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er twee scenario’s resteerden op de relevante peildatum, namelijk een liquidatiescenario (noodregeling of faillissement)8 en een overnamescenario.9, 10 De Hoge Raad heeft dat in een tussentijds cassatieberoep bevestigd. Vervolgens heeft de Ondernemingskamer een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag wat de waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. op de peildatum in het overnamescenario zou zijn geweest. De Ondernemingskamer heeft een drietal deskundigen benoemd om dit waarderingsonderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft vervolgens het voorschot van de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld en bepaald dat dit voorschot ieder voor de helft door Conservatrix Groep en de Staat dient te worden voldaan. De Staat heeft zijn deel van het voorschot betaald. Conservatrix Groep heeft geweigerd haar deel van het voorschot te voldoen. De Ondernemingskamer heeft vervolgens besloten dat het deskundigenonderzoek daarom niet kan plaatsvinden. De Ondernemingskamer verwacht op 2 april 2026 een einduitspraak te doen in de schadeloosstellingsprocedure.
De tweede nog lopende procedure is de hiervoor reeds genoemde herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat, die is gestart in 2025. Op 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoek ingediend tot herroeping van haar eerdere tussenbeschikkingen in de schadeloosstellingsprocedure. Aan dit verzoek heeft Conservatrix Groep ten grondslag gelegd dat de Staat (of DNB) bedrog zou hebben gepleegd door eerder in de schadeloosstellingsprocedure te verzwijgen dat de door Trier Holding B.V. op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking mede bestond uit een herverzekeringsovereenkomst. Partijen hebben hun standpunten over dit verzoek uitvoerig uiteengezet, zowel schriftelijk als tijdens een zitting bij de Ondernemingskamer. Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer vervolgens alle verzoeken van Conservatrix Groep afgewezen en deze beslissing uitvoerig gemotiveerd.11 Tegen deze beschikking van de Ondernemingskamer heeft Conservatrix Groep op 31 oktober 2025 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt momenteel.
Het verwijderen van schilderijen uit een zorgcentrum vanwege brandveiligheid |
|
Vicky Maeijer (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Algemeen Dagblad waarin valt te lezen dat zorgorganisatie Zorgwaard vanwege brandveiligheid heeft opgedragen schilderijen te verwijderen uit de gangen van zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel en daarbij dreigde met een boete van 25.000 euro?1
Ja.
Deelt u de mening dat, alhoewel brandveiligheid van groot belang is, het ook mogelijk moet zijn om een gebouw (zoals in dit geval een zorgcentrum) van inrichting te voorzien dat niet enkel op functioneel gebruik is gericht?
Het is nog steeds mogelijk om een zorgcentrum te voorzien van inrichting die niet enkel op functioneel gebruik is gericht. In de kamers van de bewoners en in de bijeenkomstruimten is nog allerlei inrichting mogelijk, zoals het ophangen van schilderijen. Dit is alleen anders voor een gemeenschappelijke verkeersruimte (gangen) waardoor bij brand moet worden gevlucht. In deze gangen mogen geen brandgevaarlijke objecten aanwezig zijn of objecten die het vluchten belemmeren. Met de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in 2024 is dit verduidelijkt in opvolging van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) in zijn rapport van 14 juli 2021 over de flatbrand in Arnhem in 20202.
Is bij de wijziging van het Bouwbesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) uit 2024 rekening gehouden met mogelijke gevolgen voor inrichting van bijvoorbeeld zorgcentra, door te kijken naar alternatieve zaken om brandveiligheid te waarborgen? Zo ja, graag een toelichting & zo nee, waarom niet?
Zoals gemeld in mijn vorige antwoord was het rapport van de OvV over de flatbrand in Arnhem de aanleiding voor de wijziging van het Bbl. De OvV heeft hierin aanbevolen om te zorgen voor verbetering van het toezicht op de brandveiligheid in de gebruiksfase van woongebouwen en te bezien of een aanpassing van de geldende wet- en regelgeving nodig is. Aansluitend zijn door het voormalig Ministerie van VRO gesprekken gevoerd met gemeenten, Brandweer NL en organisaties van gebouweigenaren3 waaruit bleek dat de regelgeving op het gebied van het vrijhouden van vluchtwegen in woongebouwen onvoldoende duidelijk was. Duidelijkere regelgeving zou gemeenten en ook woningeigenaren helpen bij het uitvoeren van toezicht op het gebied van brandveiligheid en communicatie hierover met bewoners. Hierop is in samenspraak met genoemde partijen besloten om in het Bbl concreter te beschrijven wat wel en niet aanwezig mag zijn in de gemeenschappelijke verkeersruimtes, waar dit voorheen alleen algemeen geformuleerde regelgeving betrof. De wijziging van het Bbl is op 23 november 2023 gepubliceerd4 en op 1 juli 2024 in werking getreden.
Hoewel het al vóór 1 juli 2024 kon, is het voor gemeenten met de verduidelijkte regelgeving eenvoudiger om handhavend op te treden als in een gemeenschappelijke verkeersruimte sprake is van brandgevaarlijke objecten of objecten die het vluchten belemmeren. Dit was ook voorzien en beoogd met de wijziging van het Bbl.
Bent u bereid te onderzoeken op welke manier het gewijzigde Bbl uit 2024 kan worden aangepast óf ruimte voor interpretatie geeft die mogelijk onbekend is voor zorgcentra, zodat niet alleen de brandveiligheid kan worden gewaarborgd, maar ook zodat regelgeving niet «doorslaat» zoals in zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel?
Door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) wordt in samenspraak met het Ministerie van BZK al informatie gegeven aan eigenaren over het brandveilig gebruik van woongebouwen.5 In het kader daarvan zijn door het NIPV het afgelopen jaar al veel vragen beantwoord over de toepassing van de betreffende Bbl-eisen voor vluchtroutes. Aansluitend daarop is het NIPV recent opdracht gegeven om een handreiking op te stellen over de toepassing (interpretatie) van deze Bbl-eisen. In deze handreiking zal door het NIPV ook worden ingegaan op de ruimte die er is om met een gelijkwaardige oplossing te voldoen aan de eisen, als dit beter past bij een specifiek gebouw en het gebruik daarvan.
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Het is goed dat VEH aandacht vraagt voor de positie van VvE’s. Uw Kamer ontving begin 2025 de evaluatie van de Wet verbetering functioneren VvE’s. Eén van de conclusies luidde dat een deel van de VvE’s niet genoeg reserveert om het benodigde onderhoud uit te kunnen voeren en dat een substantieel deel van de onderhoudsplannen niet voldoet aan de huidige eisen.2 Ik heb hierover geen precieze cijfers. De cijfers van VEH zijn afkomstig van een niet willekeurige steekproef, waardoor de cijfers niet geplakt kunnen worden op alle VvE’s in Nederland. Als appartementseigenaren willen beoordelen of de maandelijkse vve-bijdrage en het reservefonds voldoende zijn voor het benodigde onderhoud en verduurzaming, dan biedt een meerjarenonderhoudsplan uitkomst mits dat actueel en van goede kwaliteit is (meer hierover bij vraag 7).
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Ja, als het uitvoeren van groot onderhoud financieel niet haalbaar is, dan is verduurzaming doorgaans ook niet haalbaar. VvE’s sparen doorgaans niet voor verduurzaming, maar slechts voor instandhouding van het gebouw. Tegelijkertijd is voor verduurzaming subsidie beschikbaar. Als een VvE onderhoud laat uitvoeren zijn er kosten die sowieso gemaakt worden (begeleidingskosten, steigerwerk, kraan, arbeidskosten). Het is dus slim om het geplande onderhoud uit het meerjarenonderhoudsplan te combineren met verduurzaming. Vergeleken met een aantal jaar geleden zijn er in iedere stad nu succesverhalen, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek «De Lange Hordenloop».3 Desalniettemin erken ik dat het voor veel VvE’s niet eenvoudig is. Steeds minder mensen zijn actief lid van een vereniging, dat speelt ook bij VvE’s. Terwijl VvE-leden juist gezamenlijk tot een plan moeten komen en vervolgens van alles moeten regelen. Daarom zijn verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar voor VvE’s. Zo kunnen VvE’s gebruikmaken van financiering via Nationaal Warmtefonds, via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en via gemeentelijke regelingen bij Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn er subsidieregelingen, zowel voor de voorbereiding van de verduurzaming als voor de energiebesparende maatregelen. Stichting Milieu Centraal heeft een landelijk kenniscentrum waar appartementseigenaren sinds deze maand telefonisch terecht kunnen.4
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de cijfers van VEH. Ik erken dat goede leenmogelijkheden een uitkomst, vaak zelfs noodzaak, zijn voor veel VvE’s die aan de slag willen met onderhoud en verduurzaming. Via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s, gemeentelijke regelingen bij SVn en Nationaal Warmtefonds hebben VvE’s de mogelijkheid om te lenen. Hoe aantrekkelijker de voorwaarden, hoe sneller VvE’s aan de slag gaan. Lenen is in bijna alle gevallen veel aantrekkelijker dan sparen. Een belangrijk voordeel van lenen is de zekerheid. Hiermee bedoel ik de zekerheid dat de uitvoering op relatief korte termijn kan starten, waarna de baten volgen zoals energiebesparing en meer wooncomfort. Bovendien betekent lenen dat de kosten worden gespreid, bijvoorbeeld over een looptijd van twintig jaar.
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Ja, het klopt dat het Warmtefonds primair gericht is op energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, warmtepomp en zonnepanelen. Ik ben het met u eens wat betreft onderhoud. Mijn departement heeft daarom vorig jaar groen licht gegeven om te verkennen hoe het financieren van onderhoud past binnen de juridische kaders en budget. Ik verwacht dat het Nationaal Warmtefonds dit najaar onderhoud kan financieren bij VvE’s. Eind 2024 startte het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en er zijn diverse gemeentelijke regelingen bij SVn voor het financieren van onderhoud. Zie verder bij vraag 5 over de aantrekkelijkheid van de leenvoorwaarden.
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Het is belangrijk dat het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s is gestart waarmee VvE’s onderhoud kunnen financieren. Dit is inderdaad voor VvE’s vanaf acht appartementen. In 2025 zijn aan 23 VvE’s leningen verstrekt met 639 appartementen voor in totaal 5,6 miljoen euro. Dit fonds is relatief nieuw en gaat naar verwachting groeien. Het fonds biedt een oplossing voor VvE’s waarin sprake is van gemengd bezit. Daarnaast zijn er via SVn gemeentelijke regelingen beschikbaar voor grote VvE’s. In bepaalde gemeenten is voor kleine VvE’s een financiering mogelijk via Svn met borg van Nationale Hypotheekgarantie; dit betreft een pilot. Nationaal Warmtefonds financiert verduurzaming bij zowel grote als kleine VvE’s, en zal dat straks ook doen voor onderhoud.
U vraagt mij om te reflecteren op de leenvoorwaarden. Ik denk dat het heel terecht is dat we afgelopen jaren met overheidsmiddelen een lagere rente mogelijk hebben gemaakt bij Nationaal Warmtefonds. Met de huidige voorziene rijksbijdrage is dat nog mogelijk tot ongeveer eind 2027. Voor een vervolg hierop bij Nationaal Warmtefonds en eventuele uitbreiding naar het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds en Svn, moet naar andere voorwaarden en/of aanvullende middelen worden gekeken.
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Ik snap uw zorgen over de beschikbare leenmogelijkheden en ga hierover graag in gesprek met uw Kamer. U vraagt mij te komen tot een landelijk dekkend onderhoudsfonds, of naar alternatieven te kijken om onderhoudsproblemen weg te werken. Of dit nodig is, hangt onder andere af van de verdere verkenning bij Nationaal Warmtefonds. Naast financiering is het belangrijk om VvE’s te ondersteunen met advies. Zodra een VvE deskundige en onafhankelijke procesbegeleiding inschakelt, groeit het draagvlak onder de appartementseigenaren voor het uitvoeren van onderhoud en verduurzaming. Om deze eerste drempel weg te nemen, subsidiëren we procesbegeleiding vanuit de «Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s» (SVVE) vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Vanuit de SVVE is nog 89 miljoen euro beschikbaar. We zien een stijging van de aanvragen en verwachten dat deze regeling ruim voor 2030 is benut. Daarnaast kunnen appartementseigenaren naast de landelijke helpdesk van het kenniscentrum voor verduurzaming ook terecht bij gemeentelijke VvE-loketten, zoals in Tilburg, Groningen, Zoetermeer en Rotterdam.
U vraagt mij of de huidige instrumenten toereikend zijn. Voor appartementseigenaren is het een enorme uitdaging om een onderhouds- en verduurzamingsproject te organiseren, maar er is dus ondersteuning beschikbaar en er zijn subsidie- en leenmogelijkheden. Mijn zorg gaat uit naar VvE’s waar niet alleen achterstallig onderhoud een belemmering is, maar waar bredere problematiek speelt, zoals op gebied van leefbaarheid en veiligheid. Dit vraagt om ondersteuning vanuit alle betrokken partijen.
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de vragenlijst. Ik herken de zorg over betaalbaarheid, dat is ook de reden dat Nationaal Warmtefonds afgelopen zomer is gestart met een vangnetregeling voor stijgende VvE-bijdragen; de VvE-Ledenlening. Echter, ik denk dat het vooral belangrijk is dat de hoogte van de VvE-bijdrage voorspelbaar is. Daarom is het belangrijk dat VvE’s een actueel en realistisch meerjarenonderhoudsplan bijhouden en uitvoeren. Bij voorkeur kijken ze daarbij dertig jaar vooruit en houdt het plan rekening met verduurzaming. Ik ben daarom voornemens om wettelijk meer te regelen met het onderhoudsplan. Dit zorgt voor meer bewustwording bij VvE’s.
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Nationaal Warmtefonds is vorig jaar de VvE-ledenlening gestart voor appartementseigenaren met een laag inkomen in een VvE die leent bij Nationaal Warmtefonds. De ledenlening dempt de stijgende VvE-bijdrage. Dit is mogelijk dankzij subsidie van het Rijk. De overheidsbijdrage per ledenlening is veel hoger dan de overheidsbijdrage aan renteloze leningen aan particulieren. Ik vind dat verdedigbaar, omdat we hiermee onzekerheid wegnemen bij alle leden van een VvE. Door de huidige inkomensgrenzen te hanteren gaat de overheidsbijdrage naar de doelgroep waar de behoefte het grootst is en daarmee ook het effect. Daarom is de ledenlening niet een oplossing voor alle appartementseigenaren die moeite hebben met een stijgende bijdrage.
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
De overheidsbijdrage aan de ledenlening dekt het Rijk vanuit het Sociaal Klimaatfonds van de Europese Commissie. Dit fonds is alleen bedoeld voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, daarom is gekozen voor deze inkomensgrens. Als we de inkomensgrens verhogen, dan kan de ledenlening niet gedekt worden met Europese middelen.
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Om goed te begrijpen wat VvE’s nodig hebben, ben ik doorlopend in gesprek met gemeenten, bouwbedrijven, intermediairs en uiteraard met appartementseigenaren. Dat soort gesprekken zijn de basis voor de VvE-Versnellingsagenda verduurzaming. Er is dan ook doorlopend contact met vertegenwoordigers van appartementseigenaren en VvE’s, waaronder VvE Belang en Vereniging Eigen Huis. Ik ben op bezoek gegaan bij een VvE in Zoetermeer en ben zeer onder de indruk dat appartementseigenaren een ambitieus onderhouds- en verduurzamingsproject voor elkaar hebben gekregen. Met begeleiding van de gemeente leren de VvE’s van elkaar en dat is van grote meerwaarde. Het landelijk kenniscentrum helpt ook met het delen van best practices en bevordert kennisoverdracht van reeds ervaren VvE’s aan VvE’s die nog moeten beginnen met verduurzaming.
Het bericht 'Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao' |
|
Elles van Ark (CDA), Derk Boswijk (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
van Marum , Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de NRC-artikelen «Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao» van 21 januari 2026 en «Olietankers uit Venezuela door Nederland en Curaçao aan de ketting gelegd» van 7 februari 2026?1, 2
Ja.
Klopt het dat de olietanker Regina op 15 januari 2026 Venezolaanse olie heeft gelost in Curaçao terwijl het schip voer onder een frauduleuze vlag van Oost-Timor, de verplichte Automatic Identification System (AIS)-transponder langdurig was uitgeschakeld, het schip vermeld stond op een Amerikaanse sanctielijst en het opgegeven Maritime Mobile Service Identity (MMSI)-nummer niet bij dit schip hoorde? Zo ja, hoe verklaart u dat dit schip desondanks toestemming heeft gekregen om aan te meren en te lossen?
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het betreffende land. Alle landen van het Koninkrijk zijn gehouden aan de EU sanctielijst. Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Er is bij MT Regina geen sprake van overtreding van EU-sancties bij het aanmeren van deze schepen in de havens van Curaçao.
Schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole. Daarmee is meer feitelijk vast te stellen of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Tijdens het eerste bezoek van de MT Regina aan Curaçao op 15 januari is een havenstaatcontrole uitgevoerd door de Curaçaose autoriteiten.
Verificatie van detail gegevens is complex en vereist toegang tot bepaalde informatie. Die is niet altijd ter plaatse voorhanden zoals ook in dit geval. Na de inspectie is het schip vertrokken en is het inspectierapport, voor advies en ter informatie, door Curaçao gedeeld met Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Onder coördinatie van de KMA werken de vier landen van het Koninkrijk op maritiem gebied samen3. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd maar in ad hoc situaties wordt er informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot collegiale expertise en advies gegeven.
De KMA heeft hierop Nederlandse experts (waaronder ILT) gevraagd informatie na te trekken via diverse (specialistische) bronnen. Hieruit werd bevestigd dat het schip onder andere een valse vlag voerde. Zoals verwoord in antwoord op vraag 4 van de leden Van Oosterhout en Tseggai, valt het voeren van een valse vlag niet onder de (EU) sancties.
Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Een Maritime Mobile Service Identity (MMSI) is een uniek, negen-cijferig nummer dat in de maritieme communicatie wordt gebruikt om communicatieapparatuur van schepen en kuststations te identificeren. Het MMSI-nummer wordt verstrekt door het land waar het schip geregistreerd is (vlagstaat).
De Curaçaose autoriteiten zijn hiervan in kennis gesteld met daarbij het advies bepaalde informatie aan boord diepgrondiger te verifiëren in geval van een nieuw havenbezoek. Dat is gebeurd op 26 januari waarop het schip is aangehouden. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Wanneer waren het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Inspectie Leefomgeving en Transport en andere betrokken Nederlandse autoriteiten voor het eerst op de hoogte van deze overtredingen en signalen, waaronder de internationale waarschuwingen van Oost-Timor aan Internationale Maritieme Organisatie (IMO)-lidstaten over frauduleuze vlagvoering?
Buitenlandse Zaken was hiervan voor het eerst op de hoogte op 21 januari. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 hierboven en antwoord op vraag 5 van de leden Van Oosterhout en Tseggai.
Hoe verhoudt de eerdere verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederland pas na vragen van NRC op 21 januari 2026 kennisnam van de valse vlag en andere schendingen zich tot het feit dat de Curaçaose Maritieme Autoriteit al eerder twijfels had over de vlagvoering en hierover contact opnam met Nederland?
Onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de vier landen van het Koninkrijk samen op maritiem gebied. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd via geplande vergaderingen maar in ad hoc situaties wordt er (bilateraal) informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot expertise en advies gegeven. Buitenlandse zaken is geen direct betrokken partij wanneer het maritieme aangelegenheden (zoals een havenstaatcontrole) betreft, wel wordt er nauw samengewerkt wanneer het sancties en sanctienaleving betreft. Daarvan lijkt hier echter geen sprake zoals toegelicht onder vraag 2. Er was derhalve geen directe aanleiding voor contact met Buitenlandse Zaken.
Klopt het dat de Regina pas bij het tweede aanmeren op 28 januari 2026 aan de ketting is gelegd, nadat vanuit Den Haag was bevestigd dat sprake was van valse vlagvoering en vermoedelijke schendingen van Europese sanctieregels? Wat zegt dit volgens u over het eerdere toezicht en de informatie-uitwisseling?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2.
Welke verantwoordelijkheid draagt Nederland dan wel Curaçao voor de veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de Filipijnse bemanning van de Regina, die door het aan de ketting leggen van het schip vast is komen te zitten, en welke stappen zijn hierin gezet?
De veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de bemanning zijn internationaal geregeld op grond van het MLC-verdrag.4 De verantwoordelijkheid voor de bemanning aan boord van zeeschepen ligt primair bij de reder/scheepsbeheerder en secundair bij de vlagstaat. Bij het in gebreke blijven van voornoemde partijen, komt de kuststaat (Curaçao) in beeld.
De Maritieme Autoriteit Curaçao meldt dat zij in goed contact is met de scheepsagent. Daarnaast monitort zij de situatie met de bemanning aan boord. Enkele bemanningsleden hebben toestemming gekregen te vertrekken. De betaling, welzijn en verzorging van de bemanning zijn nog niet in gevaar.
Klopt het dat ook andere tankers die op internationale sanctielijsten staan, zoals de Volans en mogelijk de Albedo, onderweg zijn of waren naar Curaçao? Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat opnieuw schepen met vergelijkbare risico’s worden toegelaten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend ten aanzien van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving ervan. De handhaving van sancties binnen de jurisdictie van Curaçao is echter aan de autoriteiten van Curaçao. Beide schepen komen niet voor op een EU-sanctielijst. Daarmee is er geen harde weigeringsgrond zoals toegelicht in eerdere antwoorden. De Volans komt voor op diverse andere sanctielijsten, de Albedo niet. De EU heeft echter geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch is zij gehouden aan andere sanctielijsten.
Informatie en procedures worden voortdurend bekeken, geëvalueerd en bijgesteld waar nodig; in de landen zelf en tussen de vier landen van het Koninkrijk middels samenwerking onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Zo ook ten aanzien van de pre-arrival procedure. De autoriteiten op Curaçao evalueren met alle relevante instanties de bestaande procedure en passen deze aan waar nodig. Ook de reikwijdte en juridische mogelijkheden van ontzeggende procedures, met name op EU gesanctioneerde schepen, wordt beschouwd in samenwerking met de Kustwacht Caribisch Gebied. De KMA is hierover geïnformeerd en heeft initiatief genomen om dit proces waar mogelijk Koninkrijksbreed te harmoniseren, tenminste met de maritieme autoriteiten in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Klopt het dat oliehandelaar Trafigura door de Amerikaanse overheid is ingehuurd om Venezolaanse olie te commercialiseren en dat daarvoor een vergunning van de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC is verleend? Is de Nederlandse regering vooraf geïnformeerd over deze constructie en de daaraan verbonden juridische en politieke risico’s?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld of bekend met Nederland.
Heeft de Verenigde Staten contact met Nederland of Curaçao gezocht naar aanleiding van het aan de ketting leggen van de schepen?
Nee. De Verenigde Staten hebben dit niet formeel bij Nederland noch Curaçao aangekaart.
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao en Nederland door het faciliteren van deze olietransporten en -opslag worden betrokken bij het omzeilen van sancties en mogelijk schendingen van internationaal recht?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet bekend of gedeeld met Nederland. Mocht de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC voor deze transacties een ontheffing hebben verleend, dan zou er geen sprake zijn geweest van mogelijke omzeiling van sancties. Op basis van de nu bekende informatie is er geen indicatie dat internationale regelgeving is overtreden.
Deelt u de opvatting van verschillende hoogleraren internationaal recht en Caribisch staatsrecht dat deze kwestie niet kan worden aangemerkt als een louter commerciële transactie, maar raakt aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Nee. Commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen vallen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Het enkele feit dat er een buitenlandse component aan zit betekent niet dat deze kwestie aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk raakt.
Is deze kwestie in de Rijksministerraad besproken, waar Nederland een belangrijke (meerderheids)stem heeft? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens dit alsnog te agenderen? Bent u van mening dat het in deze casus van groot belang is dat Nederland en Curaçao gezamenlijk optrekken, gezien de rijksverantwoordelijkheid voor buitenlandse betrekkingen, sanctieregimes en de naleving van internationaal recht?
Nee. Deze kwestie betreft geen Koninkrijksaangelegenheid. Er zijn geen EU-sancties op Venezolaanse olie en de betreffende schepen staan niet op een EU-sanctielijst. En, zoals gesteld in het antwoord op vraag 11, vallen commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Ten slotte vindt er op het juiste niveau actief samenwerking en uitwisseling van informatie plaats. Samenvattend is er geen aanleiding dit actief te agenderen op voornoemd niveau.
Het bericht 'Jos voelt zich misleid na 43 jaar ploegendienst in pvc-fabriek' |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Jos (64) uit Beek voelt zich misleid na 43 jaar ploegendienst in pvc-fabriek die op faillissement afstevent: «We zijn belazerd»», over de (aanstaande) faillissementssituatie rond Vynova in Beek en de mogelijke gevolgen voor werknemers en oud-werknemers, waaronder het mislopen van loon, een Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU-)regeling, en vergoedingen uit het sociaal plan?1
Hoe beoordeelt u dat er volgens berichtgeving een sociaal plan is overeengekomen met toezeggingen over onder meer ontslagvergoedingen, terwijl (een deel van) de betrokken werknemers inmiddels geen salaris over januari heeft ontvangen en uitbetaling van vergoedingen uit het sociaal plan onzeker is een aangevraagd faillissement?
Deelt u de opvatting dat werknemers, zeker na tientallen dienstjaren, zwaar mogen leunen op gemaakte afspraken en toezeggingen in een sociaal plan, en dat het maatschappelijk vertrouwen wordt geschaad als zulke toezeggingen bij een sluiting niet worden nagekomen?
Kunt u toelichten welke normatieve betekenis u hecht aan sociale plannen in dit soort situaties?
Klopt het dat (ex-)werknemers die gebruikmaakten van een RVU bij Vynova, omdat zij daarvoor zelf ontslag moesten nemen, in beginsel geen aanspraak meer hebben op een Werkloosheidswet (WW-)uitkering wanneer de RVU-uitkeringen vervolgens wegvallen door betalingsonmacht van de werkgever?
Zo ja, hoe beoordeelt u deze uitkomst in het licht van inkomenszekerheid en de bedoeling van RVU-afspraken?
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van deze situatie, te bezien of de huidige systematiek rond RVU-afspraken waarbij werknemers «op eigen verzoek» uit dienst gaan (en daarmee WW-rechten kunnen verliezen) aanvullende waarborgen behoeft voor het geval de werkgever de RVU-verplichting daarna niet (meer) kan nakomen, bijvoorbeeld door insolventie? Zo ja, welke opties verkent u? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij bedrijfssluitingen en herstructureringen sociale plannen en bijbehorende financiële verplichtingen beter worden geborgd (bijvoorbeeld via zekerheidsstellingen), zodat werknemers niet alsnog met lege handen staan bij surseance of faillissement?
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met sociale partners?
Het bericht dat er vier Nederlandse baby’s ziek zijn geworden na het drinken van Nestlé-voeding |
|
Sarah Dobbe |
|
Rummenie , Bruijn |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er Nederlandse baby’s ziek zijn geworden na het drinken van Nestlé-voeding, en dat er zich tot op de dag van vandaag nog meer gevallen melden?1
Het kabinet vindt het zorgelijk dat onveilige levensmiddelen op de markt zijn gekomen en begrijpt heel goed de ongerustheid die ouders hierover kunnen hebben. Het kabinet volgt de situatie nauwgezet en heeft hierover nauw contact met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA houdt intensief toezicht op het opsporen en het van de markt halen van deze producten.
Deelt u de mening dat een besmetting van babyvoeding met de toxine cereulide een groot risico kan vormen voor baby’s? Zo ja, bent u bereid zo snel mogelijk een publieke waarschuwing uit te doen om ouders te waarschuwen?
Ja, die mening deelt het kabinet. Cereulide in zuigelingenvoeding kan een risico vormen voor baby’s. Vanuit de producenten (Nestlé en Danone) zijn publieke waarschuwingen uitgegaan om ouders te waarschuwen en de NVWA heeft eveneens veiligheidswaarschuwingen afgegeven.
Hoe kan het dat er pas 5 januari 2026 een veiligheidswaarschuwing door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) werd geplaatst, terwijl de eerste verontreiniging al op 9 december 2025 aan de NVWA werd gemeld?2
Begin december 2025 werd de eerste verontreiniging gemeld bij de NVWA. De oorzaak leek een enkele verontreinigde productielijn bij de productielocatie van Nestlé in Nederland te zijn. De producten van deze lijn waren wel in Nederland geproduceerd, maar niet in Nederland verkocht. In landen waar de producten verkocht zijn, is een veiligheidswaarschuwing afgegeven.
Op 5 januari jl. meldde Nestlé dat uit de oorzaakanalyse bleek dat niet de productielijn, maar een verontreinigde grondstof de oorzaak leek te zijn. Daarop is de terugroepactie uitgebreid naar andere producten vanuit de productielocatie in Nederland als ook vanuit Nestlé productielocaties in andere lidstaten. Een tweetal van die producten bleken wel in Nederland te zijn verkocht en dus heeft de NVWA op 5 januari een veiligheidswaarschuwing geplaatst.
Is het juist dat de NVWA geen Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF) melding heeft gedaan over de aangetroffen cereulide in babymelk, omdat de melk weliswaar in Nederland werd geproduceerd, maar niet werd verkocht? Zo ja, deelt u de mening dat er bij besmettingen van babyvoeding altijd onmiddellijk een Europese melding moet worden gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet juist. De NVWA heeft zowel begin december na de eerste melding, als begin januari na de aanvullende melding van mogelijk onveilige zuigelingenvoeding geproduceerd in Nederland, een RASFF melding gedaan.
Hoe kan het dat er tot deze week nog terugroepacties van babymelk zijn en de Nederlandse overheid tot nu toe niet ingreep?3
Als er een stof in een product wordt gevonden dat een risico vormt voor de volksgezondheid, dan is de producent verplicht een terugroepactie uit te voeren. Na een eerste vondst worden vaak vervolgonderzoeken uitgevoerd. Als daar uit komt dat meer producten in aanmerking komen voor terugroepacties, dan kan het zijn dat in verloop van tijd meerdere terugroepacties nodig zijn. Zo riep Nestlé eerst zuigelingenvoeding terug vanwege mogelijke aanwezigheid van cereulide. Nadat de veilige grens voor cereulide werd aangescherpt, volgde een terugroepactie van Danone voor Nutrilon-producten. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven heeft de NVWA direct ook acties ondernomen, zoals het plaatsen van veiligheidswaarschuwingen op de website van de NVWA en het doen van RASFF meldingen om andere Europese landen te waarschuwen. De prioriteit van de NVWA ligt momenteel bij het traceren van producten met de betreffende grondstof en het actief weren van die producten op de markt. Daarnaast wordt door de NVWA en het Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) onderzoek gedaan naar de oorzaak, de risicobeoordelingen en maatregelen van de betrokken bedrijven.
Wat is de reden dat er in het buitenland massaal terugroepacties zijn, maar niet in Nederland?4
In Nederland zijn ook terugroepacties geweest. Zie het antwoord op vraag 5 voor een toelichting op terugroepacties.
Waarom plaatst de NVWA enkel terugroep acties van producten die in supermarkten te koop zijn en niet die van online producten, zoals het teruggeroepen Babybio Optima 1? Deelt u de mening dat ook ouders die online kopen gewaarschuwd moeten worden?
Het kabinet deelt de mening dat ook ouders die online producten kopen geïnformeerd dienen te worden over onveilige producten. Het online platform beschikt over contactgegevens van een consument die producten heeft gekocht en moet de koper rechtstreeks benaderen en waarschuwen. De NVWA controleert of dat ook gebeurt en als hierbij overtredingen worden geconstateerd, wordt handhavend opgetreden.
Deelt u de mening, nu de terugroepacties massaal in heel Europa plaatsvinden, dat deze kwestie van besmetting met cereulide niet langer kan worden overgelaten aan de producenten zelf? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deelt het kabinet niet. In de Europese Algemene Levensmiddelenverordening is vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid primair bij het levensmiddelbedrijf ligt. Die verantwoordelijkheid omvat ook het nemen van passende maatregelen wanneer onveilige levensmiddelen zijn geproduceerd en in de handel gebracht, als ook maatregelen om herhaling te voorkomen. In dit stelsel controleren de NVWA en het COKZ of de levensmiddelenbedrijven zich aan de wettelijke regels houden en de juiste maatregelen nemen. Er vindt intensief toezicht plaats door de NVWA en COKZ op dit incident. Zie ook het antwoord op vraag 5 over de acties die door de toezichthouders worden uitgevoerd.
Bent u bekend met het feit dat de overheid in België de regie heeft gepakt en bezorgde ouders via de overheidssite waarschuwt?5 Bent u tevens bekend met het feit dat de Britse overheid momenteel 36 gevallen van zieke baby’s onderzoekt en de Franse overheid de dood van twee baby’s? Zo ja, wanneer gaat de Nederlandse overheid stappen ondernemen om de ouders gerust te stellen en de onderste steen boven te krijgen van dit voedselschandaal?
Het kabinet is bekend met het feit dat in België, als ook in andere lidstaten binnen de Europese Unie, aandacht is voor deze situatie. In België, en andere lidstaten, speelt hetzelfde incident, waardoor ook in België de nationale toezichthouder hierop toeziet. Dat gebeurt op dezelfde wijze als de NVWA in Nederland doet. Het kabinet kan zich de zorgen van ouders van een kind dat dergelijke voeding krijgt ook goed voorstellen, zeker wanneer onderzoek wordt gedaan naar verontreinigde zuigelingenvoeding als mogelijke oorzaak van het overlijden van drie baby’s. Daarom is het belangrijk dat voeding die onveilig blijkt zo snel als mogelijk wordt teruggeroepen.
Zoals in eerdere antwoorden op de vragen aangegeven heeft de NVWA naast publiekswaarschuwingen meermaals actief extra informatie gedeeld via persberichten, als ook op hun website.6 De NVWA heeft veelvuldig informatie gedeeld, mede gericht op ouders, en zijn vragen van de media beantwoord. Daarbij is ook de oproep gedaan om melding te maken van kinderen met klachten die overeenkomen met consumptie van cereulide en waarbij zuigelingenvoeding die nog niet is teruggeroepen, mogelijk de oorzaak van die klachten is.
Daarnaast doen zoals ook in antwoord op vraag 5 aangegeven, de NVWA en het COKZ vanaf de eerste melding onderzoek naar de oorzaak, de risicobeoordelingen en maatregelen van de betrokken bedrijven. Verder heeft in Nederland ook het Voedingscentrum een taak in het voorlichten van het publiek over voedselveiligheidsrisico’s.7 Het Voedingscentrum heeft gerichte informatie voor ouders en verzorgers naar aanleiding van dit incident gepubliceerd op zijn website en via sociale media.
Hebben de producenten inmiddels volledige openheid gegeven over de bron van besmetting en de garantie dat ze dit probleem daadkrachtig hebben aangepakt?
Hier kan pas iets over worden geconcludeerd wanneer het onderzoek van de NVWA en het COKZ is afgerond.
De prioriteit van de NVWA ligt momenteel bij het traceren van producten met de betreffende grondstof en het actief weren van die producten op de markt. Daarnaast wordt ook gekeken of meldingen van bedrijven tijdig en volledig zijn gedaan. Wanneer overtredingen worden geconstateerd, wordt handhavend opgetreden.
Bent u bereid om te zorgen voor één centraal, volledig en actueel overzicht (door NVWA zelf of in afstemming met COKZ/Nestlé) met alle betrokken producten, batches/lotnummers, verkooppunten/kanalen, distributieperiode en gezondheidsinformatie, zodat consumenten en zorgprofessionals niet afhankelijk zijn van versnipperde updates?
Een volledig en actueel overzicht van betrokken producten en partijen is terug te vinden op de website van de NVWA (https://www.nvwa.nl/actueel/actuele-onderwerpen/5-vragen-over-cereulide-in-zuigelingenvoeding), evenals gezondheidsinformatie (veiligheidsinformatie) voor ouders. Het is bijna onvermijdelijk dat informatie over verkooppunten/-kanalen ook bij de NVWA gefragmenteerd bekend wordt. Voor de distributieperiode geldt dat die per individuele verkooplocatie kan verschillen. Om de informatie duidelijk te houden en niet gefragmenteerd door te geven is er bewust voor gekozen om communicatie gericht te houden op het product zoals de consument dat in huis kan hebben staan.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden, gezien de onrust bij ouders en het zich uitbreidende schandaal?
Ik heb me ervoor ingespannen om de antwoorden zo snel mogelijk na het aantreden van het kabinet te sturen.
De ‘pijplijnactie’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Naar welke «pijplijnactie» verwees u in dit debatfragment1? Wordt er verwezen naar het opblazen van de Nordstream? Of betreft het een incident met een andere pijplijn? Zo ja, welke pijplijn?
Maakte Nederland (al dan niet indirect) gebruik van de getroffen pijplijn? Indien dat niet het geval is, waarom was het kabinet dan geïnteresseerd in een gesprek hierover met deze officier?
In welk land wordt «de Oekraïense officier» verdacht van betrokkenheid bij de pijplijnactie? Kunt u meer informatie geven over deze verdenking?
Door welk ander Europees land was deze Oekraïense officier op de lijst van het Schengeninformatiesysteem (SIS) geplaatst?
Waarom is er een uitzondering gemaakt en is aan deze officier toch toegang verleend tot Nederland?
Hoe is Nederland in contact gekomen met deze Oekraïense officier? Heeft deze officier Nederlandse instanties zelf benaderd? Zo ja, welke instanties en waarom deed hij dat? Of kwam het initiatief voor dit gesprek vanuit het kabinet? Zo ja, waarom? Wat was de reden, de aanleiding?
Kan de Kamer het gespreksverslag ontvangen van het gesprek met deze Oekraïense officier? Zo nee, waarom niet?
Kan de Kamer het gespreksverslag van het gesprek met deze Oekraïense officier in vertrouwen ter inzage aangeboden krijgen? Zo nee, waarom niet?
In welke hoedanigheid werd deze officier toegang tot Nederland verleend, als privépersoon of als luitenant-kolonel van het Oekraïense leger?
Is er, naast deze Oekraïense luitenant-kolonel, door het kabinet met nog meer mensen gesproken over deze «pijplijnactie»? Zo ja, met wie?
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Mogelijke plaatsing van Chinese laadpalen bij gebouwen van de Rijksoverheid |
|
Derk Boswijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Jan Paternotte (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Rijkaart , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Rijksvastgoedbedrijf mogelijk honderden laadpalen van een Chinees bedrijf wil laten plaatsen bij gebouwen van de rijksoverheid, ondanks groeiende zorgen over strategische afhankelijkheid en veiligheid?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Het bericht gaat over een raamovereenkomst die het Rijksvastgoedbedrijf op 7 oktober 2025 heeft gegund. Deze overeenkomst gaat over het beheer van bestaande laadinfrastructuur en, als dat nodig is, de levering en plaatsing van nieuwe laadpalen bij Rijksvastgoed.
Een raamovereenkomst heeft geen afnameverplichting. Dat betekent dat er niet automatisch een vast aantal laadpalen wordt geplaatst. Per locatie wordt beoordeeld of plaatsing nodig is en hoe dit past binnen de geldende technische en beveiligingskaders.
Het kabinet vindt het belangrijk om veiligheid goed mee te wegen. Daarom worden bij dit soort aanbestedingen vooraf eisen gesteld voor functie, techniek en beveiliging. Voor locaties met een hoger risico kunnen extra eisen gelden.
Klopt het dat bij aanbestedingen voor laadinfrastructuur voor overheidsgebouwen het uitgangspunt is dat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse bedrijven en technologieën? Zo ja, hoe verhoudt de mogelijke keuze voor Chinese leveranciers zich tot dit uitgangspunt?
Aanbestedingen moeten passen binnen de geldende regels op nationaal, Europees en internationaal niveau. Die regels gaan uit van gelijke behandeling en non-discriminatie. Daarnaast is er aandacht voor beveiligingseisen en het beperken van risico’s voor de nationale veiligheid.
Binnen die regels worden aanbestedingen ingericht met duidelijke, objectieve en wettelijke eisen. Het gaat dan om functionele eisen, technische eisen en beveiligingseisen. Inschrijvingen worden op basis van die eisen beoordeeld. Dat geldt ook voor deze raamovereenkomst.
Het kabinetsstandpunt over een Europees voorkeursprincipe in publieke aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld.2
Op welke wijze zijn bij deze aanbesteding nationale veiligheidsrisico’s, waaronder cyberveiligheid, databeveiliging en mogelijke ongewenste toegang tot systemen van overheidsgebouwen, meegewogen?
Bij deze aanbesteding zijn vooraf eisen vastgesteld voor functie, techniek en beveiliging. Deze eisen gaan onder meer over informatiebeveiliging en gegevensbescherming. Ook gaan ze over een veilige aansluiting op bestaande energie- en netwerkinfrastructuur.
Daarbij wordt aangesloten op de Rijksbrede kaders voor informatiebeveiliging en op de geldende wet- en regelgeving. Het denken staat op dit punt niet stil: als het nodig is scherpen we geldende wet- en regelgeving aan.
In hoeverre acht u het risico reëel dat slimme laadpalen – die verbonden zijn met digitale netwerken en energie-infrastructuur – kunnen worden misbruikt voor spionage, sabotage of verstoring van vitale infrastructuur?
Slimme en verbonden apparatuur kan cyberrisico’s met zich meebrengen. Dit geldt ook voor slimme laadpalen. Het gaat daarbij niet alleen om de aansluiting op het energienet, maar ook om gegevensverwerking en de systemen waarmee laadpalen worden beheerd en gemonitord.
In de aanbesteding van het Rijksvastgoedbedrijf zijn daarom beveiligingseisen opgenomen voor digitale veiligheid en voor een veilige aansluiting op het energienetwerk. Deze eisen sluiten aan op de Rijksbrede beveiligingskaders. Per locatie wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, passend bij het risicoprofiel.
Wordt bij de beoordeling van dergelijke technologieën rekening gehouden met het feit dat Chinese bedrijven onder Chinese wetgeving verplicht kunnen worden om informatie te delen met de Chinese overheid? Zo ja, hoe is dit risico beoordeeld?
Bij de beoordeling van technologie en leveranciers wordt gekeken naar de manier waarop gegevens worden verwerkt en beschermd. Ook wordt gekeken naar afspraken in contracten en naar naleving van Nederlandse en Europese regelgeving. Verder wordt gekeken naar de inrichting van systemen, gegevensstromen en maatregelen om risico’s te beheersen.
Systemen die bij Rijksvastgoed worden toegepast moeten voldoen aan de nationale en Europese regels voor gegevensbescherming en informatiebeveiliging. De beoordeling richt zich daarom op concrete risico’s en maatregelen.
In hoeverre bestaat het risico dat door de inzet van Chinese technologie bij laadinfrastructuur een structurele economische afhankelijkheid ontstaat, bijvoorbeeld door onderhoud, software-updates of vervangingsonderdelen, en hoe wordt dit risico gewogen?
Bij de inrichting van laadinfrastructuur wordt ook gekeken naar uitwisselbaarheid en beheerbaarheid. Denk aan interoperabiliteit, onderhoud, ondersteuning en vervangbaarheid. Zo wordt de continuïteit geborgd. In de raamovereenkomst is als eis opgenomen dat de software moet zijn gebaseerd op open standaarden.
Hoe verhoudt deze mogelijke keuze zich tot het bredere kabinetsbeleid om strategische afhankelijkheden van China te verminderen en technologische en economische veiligheid te versterken?
Het kabinet voert actief beleid om de afhankelijkheid van derde landen te verminderen en zo onze veiligheid te vergroten3. Dit beleid wordt uitgevoerd binnen de geldende Europese en nationale wet- en regelgeving.
In dat kader gelden aanvullende beveiligingseisen voor overheidsopdrachten met veiligheidsrisico’s. Sinds 1 januari 2026 geldt Rijksbreed het kader Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO) voor opdrachten met risico’s voor de nationale veiligheid.
Bij aanbestedingen wordt altijd een zorgvuldige afweging gemaakt tussen marktwerking, aanbestedingsregels en veiligheidsbelangen. Waar nodig worden extra eisen gesteld, passend bij het risicoprofiel van de opdracht.
Bent u bereid te onderzoeken of voor vitale of gevoelige overheidslocaties een «Europees, tenzij»-benadering kan worden toegepast bij de inkoop van energie- en laadinfrastructuur, en de Kamer hierover te informeren?
Het kabinet beziet voortdurend hoe open strategische autonomie en veiligheid kunnen worden versterkt binnen de geldende Europese en nationale kaders. Daarbij wordt ook gekeken naar de samenhang tussen aanbestedingsregels en bredere veiligheids- en afhankelijkheidsvraagstukken.
Eventuele beleidswijzigingen moeten passen binnen het Europese aanbestedingsrecht en internationale verplichtingen. Bij aanbestedingen kunnen partijen alleen worden uitgesloten op wettelijke gronden, bijvoorbeeld bij sancties. Daarnaast gelden internationale afspraken over toegang tot overheidsopdrachten, zoals de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) en EU-handelsovereenkomsten. Daardoor kunnen partijen niet zomaar worden uitgesloten alleen vanwege herkomst.
De Europese aanbestedingsregels worden op dit moment herzien. Binnen het kabinet coördineert het Ministerie van Economische Zaken de Nederlandse inbreng. In dat verband wordt in Europees verband ook gesproken over een mogelijk EU-voorkeursprincipe. Het kabinetsstandpunt over een Europees voorkeursprincipe in publieke aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld.4
Uw Kamer wordt over de voortgang en eventuele keuzes geïnformeerd via Kamerbrieven en voortgangsbrieven over economische veiligheid, open strategische autonomie en aanbestedingsbeleid.
De rechterlijke rolopvatting, publieke uitingen en het vertrouwen in de rechtspraak |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de column van Marianne Zwagerman in De Telegraaf waarin stevige kritiek wordt geuit op de recente rechterlijke uitspraak over klimaatbeleid en de rolopvatting van rechters?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat rechters in klimaat- en stikstofzaken de grenzen van hun constitutionele rol overschrijden en daarmee feitelijk op de stoel van de wetgever gaan zitten?
Ik zie dat anders. Binnen onze democratische rechtsstaat toetst de rechter handelingen en beslissingen aan het geldende recht, aan formele wetten die door de wetgever zijn opgesteld en aan algemeen verbindende bepalingen in internationale verdragen. In sommige zaken zal de rechter om tot een beslissing te kunnen komen rechtsregels (nader) moeten concretiseren, aanvullen of verfijnen voordat hij deze kan toepassen. De rechter kan en mag hierbij aan rechtsvorming doen. Rechters leggen rekenschap af door hun uitspraak duidelijk te motiveren. Een duidelijke motivering van de uitspraak is extra belangrijk naarmate een uitspraak meer in de belangstelling van de samenleving staat en/of de maatschappelijke gevolgen groot kunnen zijn. Een heldere en goed toegelichte motivering op basis van welke overwegingen de rechter tot zijn uitspraak is gekomen, is zeker in dit soort zaken van groot belang om de samenleving en ook de wetgever inzicht te geven in de gemaakte afwegingen.
Deelt u de opvatting dat het toepassen en interpreteren van mensenrechtenverdragen door rechters grote beleidsmatige gevolgen kan hebben zonder directe democratische legitimatie? Zo ja, hoe wordt die spanning volgens u voldoende ondervangen?
Regels van internationaal recht, hieronder vallen ook mensenrechtenverdragen, maken deel uit van de Nederlandse rechtsorde op basis van onze Grondwet. Artikel 91, eerste lid van de Grondwet (Gw) bepaalt dat het Koninkrijk pas aan verdragen gebonden mag worden na voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. Verdragen mogen dus niet worden gesloten zonder goedkeuring van de Eerste en Tweede Kamer. Daardoor zijn rechtstreeks doorwerkende verdragsbepalingen democratisch gelegitimeerd. Vervolgens is de verplichting tot naleving van internationaal recht vastgelegd in de artikelen 93 en 94 Gw. Zodra regels van internationaal recht Nederland binden, is er de verplichting om deze regels na te komen, ook in de nationale rechtsorde. Het is daarom de taak van de rechter om normen uit de rechtstreeks werkende verdragsbepalingen toe te passen. Als in een zaak een nationale wet in strijd blijkt te zijn met zo'n rechtstreeks werkende verdragsbepaling wordt in dat specifieke geval, conform artikel 94 Gw, de nationale wet buiten toepassing gelaten.
Acht u het wenselijk dat rechters zich in het openbaar, bijvoorbeeld via sociale media, uitspreken over politieke of activistische standpunten die direct raken aan zaken waarover zij (recent of mogelijk toekomstig) rechtspreken?
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ook rechters hebben, net als iedereen in Nederland, vrijheid van meningsuiting. Voor rechters zitten hier wel eigen grenzen aan. Rechters hebben immers ook een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op de Rechtspraak kunnen vertrouwen. De Rechtspraak heeft een gedragscode die online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak2 is ook aandacht voor het gebruik van sociale media. Er staat bijvoorbeeld in dat uitingen van rechters eerlijk, correct en respectvol dienen te zijn en dat in de communicatie het onderscheid tussen privépersoon en rechter bewaakt moet worden. Dit geldt ook voor uitingen op sociale media. Ook is er de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties.3 Daarin staat dat de opdracht van de rechter om onpartijdig te oordelen, met zich brengt dat hij zich van zijn persoonlijke opvattingen – met inbegrip van sympathieën en antipathieën – bewust is en blijk geeft daar bij zijn professionele oordeel afstand van te nemen. Ten slotte heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een rechterscode.4 De NVvR-rechterscode is in 2026 geactualiseerd en bevat normen die rechters zichzelf stellen. Deze normen zijn gebaseerd op vijf kernwaarden: onafhankelijkheid, onpartijdigheid, integriteit, deskundigheid en professionaliteit. Deze code is bedoeld om aan anderen te laten zien welk gedrag zij van rechters mogen verwachten. Zowel binnen als buiten de zittingszaal.
Welke gedragsregels gelden momenteel voor rechters met betrekking tot publieke uitingen en maatschappelijke betrokkenheid en acht u deze regels toereikend om de schijn van partijdigheid te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt binnen de rechterlijke organisatie beoordeeld of een rechter zich behoort te verschonen wanneer diens publieke uitingen raken aan de inhoud van een voorliggende zaak?
De rechter is verplicht om uitspraak te doen over een concrete zaak die binnen zijn bevoegdheid valt en hem via de juiste procedure is voorgelegd (artikel 13 van de Wet algemene bepalingen). De rechter heeft de wettelijke mogelijkheid te verzoeken zich te mogen onttrekken aan een bepaalde zaak als zijn onpartijdigheid schade zou kunnen lijden door feiten of omstandigheden (artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 8:19 van de Algemene wet bestuursrecht). Uit de wet volgt dat het aan de rechter is om zich te verschonen. De rechter maakt dus zelf de afweging of hij zich dient te verschonen. De Leidraad kan daarbij houvast bieden. Elk gerecht heeft een protocol dat het proces van de formele verschoningsprocedure bevat.5
In hoeverre vindt u dat de huidige benoemings- en toezichtstructuur van de rechterlijke macht voldoende waarborgen biedt tegen bevooroordeeldheid of activisme binnen de rechtspraak?
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak worden via verschillende wegen voldoende gewaarborgd. Zo is in de Grondwet verankerd dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter (artikel 17, eerste lid Gw). Verder is een belangrijke waarborg dat grondwettelijk is vastgelegd dat rechters voor het leven benoemd worden (artikel 117, eerste lid, Gw). Bovendien is van belang dat aan het rechterlijk ambt wettelijke opleidingsvereisten en beroepskwalificaties zijn verbonden. Rechters worden benoemd op basis van inhoudelijke kwalificaties, en niet bijvoorbeeld op politieke gronden. Verder is (grond)wettelijk gewaarborgd dat rechters in uiterste gevallen, en alleen onder strikte voorwaarden, onderworpen kunnen worden aan disciplinaire maatregelen.
Naast de in het antwoord op vraag 6 genoemde verschoningsprocedure is er bovendien nog de wrakingsprocedure. Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. Wraken is het formeel vragen om een andere rechter voorafgaand aan of tijdens een rechtszaak, omdat de huidige rechter partijdig of vooringenomen lijkt. Dit verzoek wordt voorgelegd aan drie andere rechters, een zogenoemde «wrakingskamer». De wrakingskamer beoordeelt het wrakingsverzoek en beslist of de behandeling van de zaak door een andere rechter moet wordt overgenomen. Als het verzoek wordt afgewezen zal de rechter die de zaak behandelde de behandeling voortzetten. Daarnaast is het mogelijk om een klacht in te dienen over de manier waarop rechters zich hebben gedragen. De klacht moet gaan over bejegening. Er kan niet geklaagd worden over de uitspraak van de rechter of over beslissingen van de rechter tijdens en over de procedure. Ieder gerecht heeft een klachtenprocedure. Ook is het mogelijk een klacht in te dienen bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad, die een vordering bij de Hoge Raad kan instellen tot het doen van een onderzoek naar de gedraging van de rechter (artikel 13a tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters in een rechtsgebied of team worden toebedeeld zijn, tot slot, in ieder gerecht regels opgesteld voor zaakstoedeling.6
Deelt u de analyse dat het maatschappelijk vertrouwen in de rechtspraak onder druk kan komen te staan wanneer rechterlijke uitspraken worden ervaren als politiek of moreel gemotiveerd in plaats van strikt juridisch?
Ik deel de analyse in zoverre dat ik zie dat rechterlijke uitspraken met bredere maatschappelijke gevolgen soms tot een discussie en debat leiden. Maar ik deel de analyse niet dat het vertrouwen in de rechtspraak onder druk komt te staan als gevolg van deze discussie. Discussie over de verhoudingen in de trias politica hoort bij een vitale democratische rechtsstaat. Dat mag soms zelfs een beetje schuren, zolang de discussie constructief en met respect voor de onafhankelijke positie van de rechter gevoerd wordt. Discussie over de rol van de rechter is niet nieuw en het vertrouwen dat mensen hebben in de rechters is onverminderd hoog. Dit blijkt uit de algemene conclusies in het rapport van de Venetië Commissie 2023 en uit het Rechtsstaatrapport van de Europese Commissie 2024. Dit beeld wordt bevestigd in het continue onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, met de constatering in het bericht van oktober 2024 dat het vertrouwen van de Nederlandse burger in de rechtspraak stabiel is op 76%. De in de antwoorden op vragen 4,5,6 en 7 opgesomde waarborgen zijn gericht op behouden van het vertrouwen in de Rechtspraak.
Bent u bereid te onderzoeken of meer transparantie rondom rechterlijke benoemingen en rolopvattingen kan bijdragen aan het versterken van dat vertrouwen, zonder de onafhankelijkheid van de rechtspraak aan te tasten?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is het vertrouwen dat mensen hebben in de rechtspraak onverminderd hoog. Ik zie dan ook geen aanleiding voor onderzoek naar meer transparantie rondom rechterlijke benoemingen en rolopvattingen.
Kunt u uiteenzetten waar volgens u de grens ligt tussen legitieme rechtsvinding door de rechter en het feitelijk creëren van nieuw beleid via jurisprudentie?
Zie het antwoord op vraag 2 over de constitutionele rol en de rechtsvormende taak van de rechter. In aanvulling op dit antwoord geef ik graag mee dat een rechter die oordeelt over een zaak die aan hem wordt voorgelegd dit doet op basis van de toepasselijke wet- en regelgeving rekening houdend met de concrete feiten en omstandigheden in dat specifieke geval. Daarom is het lastig deze vraag in zijn algemeenheid te beantwoorden en om op voorhand aan te geven waar de grens zou liggen. Rechtsvorming door de rechter kan zich alleen voordoen in een specifieke zaak die aan de rechter wordt voorgelegd. Van algemene beleidsvorming is bij rechtsvinding door de rechter geen sprake. Dat neemt niet weg dat een rechterlijk oordeel in een concrete zaak wel bredere maatschappelijke gevolgen kan hebben. Het is aan de wetgever hier desgewenst op te reageren.
Het bericht 'Jetten verruimt de hypotheekrenteaftrek' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u de budgettaire gevolgen in kaart brengen van het niet kunnen handhaven van de 30-jaarstermijn in de hypotheekrenteaftrek per 2031 en verder, als dit betekent dat huishoudens met een oude hypotheek ook na 30 jaar nog gebruik blijven maken van de hypotheekrenteaftrek?1
Kunt u uiteenzetten bij wat voor soort hypotheken hier een probleem ontstaat en wat de omvang hiervan is?
Waarom is nooit een goed administratiesysteem opgezet om te kunnen voldoen aan deze wettelijke verplichting en ter voorkoming van financiële derving?
Als er inderdaad sprake is van financiële derving, hoe dient deze dan begrotingstechnisch te worden gedekt?
Klopt het dat de overheid van mensen verwacht dat zij het verlopen van de 30-jaarstermijn zelf verwerken in de aangifte en ligt de bewijslast bij de burger. Hoe gaat de Belastingdienst dit vervolgens controleren?
Is het verschil wat dan ontstaat tussen mensen bij het niet kunnen handhaven juridisch houdbaar of kan dit leiden tot procedures van mensen die ook langer aftrek willen in het kader van gelijke behandeling?
Werkt de Belastingdienst aan oplossingsrichtingen over hoe om te gaan met het aflopen van de 30-jaarstermijn? Zo ja, wat zijn mogelijke oplossingsrichtingen en wat betekenen deze voor de uitvoering. Zo niet, waarom niet?
Het bericht ‘Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Is het gebruikelijk dat een abortusarts alleen een uitwendige echo doet voordat een abortus wordt uitgevoerd? Welke richtlijnen zijn er bij een zwangerschap van minder dan twaalf weken?
Ja. Abortusartsen maken meestal eerst een uitwendige (abdominale) echo. Als dit geen goed beeld geeft, bijvoorbeeld omdat het om een zeer vroege zwangerschap gaat, kan het nodig zijn om een inwendige (transvaginale) echo te maken.2
Wat is de wetenschappelijke consensus over de kans op aangeboren afwijkingen als een kindje na een mislukte abortus alsnog wordt geboren? Zijn alle abortusartsen van de meest recente inzichten op de hoogte?
Bij een mislukte medicamenteuze zwangerschapsafbreking is er een aantoonbaar verhoogd risico op aangeboren afwijkingen. Blootstelling aan misoprostol tijdens het eerste trimester vermeerdert namelijk de kans op het syndroom van Möbius, amnionstrengsyndroom, cerebrale en craniale afwijkingen en artrogrypose.3
Het is niet duidelijk welk effect een mislukte curettage (zonder voorbehandeling met misoprostol) heeft op de foetus. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft in deze casus geconcludeerd dat er geen degelijke wetenschappelijke onderbouwing was voor het ernstig afraden van het uitdragen van de zwangerschap.4
Abortusartsen zijn op de hoogte van de (beperkte) risico’s van abortusbehandelingen en blijven op verschillende manieren geïnformeerd over de meest recente inzichten, bijvoorbeeld via congressen en vakliteratuur. Het verhoogde risico op aangeboren afwijkingen na blootstelling aan misoprostol is in meerdere wetenschappelijke studies, zowel oudere als recentere, beschreven.5
Welke ruimte wordt er aan de vrouw gelaten om anders dan het medisch advies toch te kiezen voor een zeer vroege abortus die het risico heeft om niet te slagen, en daarna het risico dat de nog levende foetus zich ontwikkelt met aangeboren afwijkingen?
De vrouw beslist altijd samen met haar arts welke behandeling het meest geschikt is, nadat zij is geïnformeerd over de voor- en nadelen en risico’s. De kans op een doorgaande zwangerschap na een abortus is klein. Bij ongeveer 1% van de vrouwen leidt een abortusbehandeling niet tot een beëindiging van de zwangerschap.6 Na een abortus wordt aanbevolen om een zwangerschapstest te doen. Wanneer een doorgaande zwangerschap wordt geconstateerd, bestaat in vrijwel alle gevallen nog steeds de wens om deze af te breken. Er wordt dan een (extra) curettage verricht.
Welke richtlijnen over advisering en informatie aan de vrouw zijn er voor de abortusarts als een vrouw in de kliniek aangeeft toch niet te willen kiezen voor een abortus? Op welke manier moet de arts zich ervan verzekeren dat de vrouw «in vrijwilligheid, na zorgvuldige overweging en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het ongeboren leven en van de gevolgen voor haarzelf en de haren» haar keuze maakt, zoals in artikel 5 Wet afbreking zwangerschap (Waz) staat?
De beroepsrichtlijn voor abortusartsen over keuzebegeleiding bevat uitgebreide instructies voor zorgvuldige besluitvorming.7 De richtlijn bevat bijvoorbeeld aanbevelingen over hoe artsen twijfel kunnen herkennen en welke vragen zij het beste kunnen stellen bij (een vermoeden van) twijfel. Ook bevat de richtlijn adviezen over het bespreken van alternatieven voor abortus, zoals adoptie, pleegzorg of zelf opvoeden. De richtlijn bevat tevens aanbevelingen voor het toetsen van de vrijwilligheid, bijvoorbeeld de aanbeveling om elke vrouw minimaal één keer alleen te spreken zonder (ex)partner, familie of naasten. Abortusartsen en verpleegkundigen zijn getraind, deskundig en ervaren in het voeren van besluitvormingsgesprekken. Mocht er enige twijfel of aarzeling bemerkt worden, verbaal of non-verbaal, dan wordt dit benoemd en besproken.
Voor vrouwen die twijfels of vragen hebben, is er ook goede informatie en ondersteuning beschikbaar via het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap en het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap.8
Welke richtlijnen zijn er over het delen van informatie aan derden voor een abortuskliniek?
Artsen mogen geen informatie over een patiënt aan derden verstrekken, tenzij het gaat om informatieverstrekking aan personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van dezelfde behandelingsovereenkomst met een patiënt.9 Aan die personen mag de arts wel zonder toestemming informatie verstrekken als dit noodzakelijk is voor de werkzaamheden binnen de behandelingsovereenkomst. Zo mag een arts informatie over de patiënt delen met personen in het behandelteam, bijvoorbeeld verpleegkundigen. Ook mogen artsen advies vragen aan collega’s en in dit kader informatie over patiënten met elkaar delen.
Klopt het dat artikel 296 Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 5 Waz geen bepaling bevatten die een onzorgvuldig uitgevoerde abortus strafbaar stelt, zoals wel het geval is bij euthanasie, namelijk in artikel 1f van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl)? Waarom niet?
Euthanasie is strafbaar op grond van artikel 293 Sr (levensbeëindiging op verzoek) en 294 Sr (hulp bij zelfdoding). Alleen voor artsen is een uitzondering gemaakt. In artikel 293 Sr staat dat een arts niet strafbaar is als die zich houdt aan de zes zorgvuldigheidseisen uit de Wtl en diens handelen meldt aan de gemeentelijke lijkschouwer. De medisch zorgvuldige uitvoering van euthanasie is één van die zes zorgvuldigheidseisen (artikel 2 lid 1 onder f Wtl).
Op grond van artikel 296 Sr is het strafbaar om iemands zwangerschap af te breken. Net als bij euthanasie is een uitzondering gemaakt voor artsen.10 Anders dan artikel 293 Sr kent artikel 296 Sr echter géén directe verwijzing naar zorgvuldigheidseisen. De strafbaarstelling van abortus verschilt in die zin dus van die van euthanasie.
Zorgvuldige uitvoering van abortuszorg wordt (juridisch) op andere manieren geborgd. Op abortuszorg is, in tegenstelling tot op euthanasie, de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) van toepassing. Daarin is de algemene plicht opgenomen om goede zorg te verlenen. De Wafz en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) bevatten daarnaast specifieke waarborgen voor zorgvuldige abortuszorg. Bijvoorbeeld zorgvuldigheidseisen die ertoe strekken dat vrouwen verantwoorde voorlichting krijgen en dat er voldoende nazorg is. Artikel 16 van het Bafz schrijft voor dat een abortuskliniek ervoor moet zorgen dat «medische en verpleegkundige hulpverlening aan de vrouw gewaarborgd is voor de duur van haar verblijf in de kliniek». De beroepsgroep van abortusartsen is verantwoordelijk voor medisch-inhoudelijke richtlijnen en voor visitaties aan klinieken, de IGJ ziet toe op de kwaliteit van abortuszorg, en het medisch tuchtrecht biedt mogelijkheden om artsen aan te spreken op onzorgvuldig medisch handelen.
Op bovengenoemde manieren wordt (medisch) zorgvuldige abortuszorg gewaarborgd. Het juridisch kader functioneert goed, zo blijkt ook uit de laatste evaluatie van de Wafz. Ik zie daarom geen aanleiding om te onderzoeken wat de meerwaarde is van een aanvullende zorgvuldigheidseis in de Wafz.
Vanzelfsprekend blijf ik het functioneren van de Wafz en het Bafz nauwlettend volgen, bijvoorbeeld middels de volgende wetsevaluatie die in 2027 start.
Bent u bereid te onderzoeken wat de meerwaarde kan zijn om een dergelijke zorgvuldigheidseis aan de Waz toe te voegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u reden naar aanleiding van de uitspraak van het medisch tuchtcollege om bestaande medische richtlijnen aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan beroepsgroepen van artsen om hun professionele richtlijnen vorm te geven. Bij het opstellen en herzien van richtlijnen kunnen zij naar eigen inzicht gebruikmaken van actuele wetenschappelijke kennis, ontwikkelingen in de medische praktijk en eventuele signalen uit tuchtrechtelijke procedures. Het is van groot belang dat artsen hierin onafhankelijk te werk kunnen gaan. Als bewindspersoon past het mij niet om me te mengen in de inhoudelijke invulling van medische richtlijnen, daarom zal ik geen stappen zetten om de medische richtlijn aan te scherpen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Ja.
Het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine nog steeds veel hoger is dan technisch mogelijk of gebruikelijk voor bijvoorbeeld diesel?
Ja, dat klopt. Het zwavelgehalte van kerosine is hoger dan het zwavelgehalte van brandstoffen zoals diesel en benzine. Het is technisch mogelijk om fossiele brandstoffen te produceren met zeer lage zwavelniveaus, ook voor kerosine. In tegenstelling tot diesel en benzine (maximaal 10 parts per million, ppm) geldt voor het zwavelgehalte van kerosine in Europa geen wettelijke limiet. Wel is er een veiligheidsstandaard voor de samenstelling van kerosine, die geldt als mondiale industriestandaard (maximaal 3.000 ppm). Ook de kerosine die op Schiphol wordt geleverd moet voldoen aan deze Jet A-1-specificatie.
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine in de praktijk hoger is (450–900 ppm) dan waar in de emissieberekeningen van wordt uitgegaan?
Ja, het klopt dat zwavelgehaltes in de praktijk hoger zijn gebleken dan waar in verschillende berekeningen van uit is gegaan. Deze constatering is gepubliceerd in de «Staat van de Luchtvaart 2023» van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).1 De Kamer is met de beleidsreactie van het ministerie op de «Staat van de Luchtvaart 2023» geïnformeerd over aanpassingen die hierop zijn gedaan.2 Dit heeft onder andere geleid tot het aanpassen van de rekenvoorschriften voor zwavelgehaltes in de ontwerpwijziging van de Regeling milieu-informatie (RMI).3
Bij de berekening van emissies ten behoeve van de beoordeling van de bijdrage van luchthaven Schiphol aan de concentraties en depositie van SO2, zoals in de milieueffectrapportage (MER) bij het LVB Schiphol, wordt uitgegaan van de emissiefactoren die zijn opgenomen in de zogeheten IPLO-database.4 In 2025 zijn ook de emissiefactoren in de IPLO-database geactualiseerd op basis van de resultaten van het onderzoek van ILT naar het zwavelgehalte in kerosine.
Bij de berekening van de totale SO2-emissies door luchtvaart in het kader van de Emissieregistratie wordt uitgegaan van een zwavelgehalte van 500 ppm. Dit is een internationaal veelgebruikte waarde voor het zwavelgehalte in kerosine. De gegevens uit de Emissieregistratie vormen de basis voor de jaarlijkse monitoring van de luchtkwaliteit door het RIVM.
Wat is het feitelijke gemiddelde zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine en is dit altijd hetzelfde of zijn er uitschieters?
De in antwoord 2 genoemde reikwijdte van 450–900 ppm is gebaseerd op de jaargemiddelden in de jaren 2014 tot en met 2022 van de geleverde kerosine op Schiphol. Van nature kunnen zwavelgehalten in fossiele brandstoffen sterk fluctueren. Ook het raffinageproces heeft een grote invloed op het uiteindelijke zwavelgehalte, waarbij de industriestandaard voorschrijft dat het zwavelgehalte altijd onder 3.000 ppm moet liggen. Binnen de afzonderlijke kerosinebatches kan het zwavelgehalte tussen verschillende kerosineleveringen variëren van ongeveer 3 tot 3.000 ppm zwavel.
Wie controleert dit en hoe?
De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is, op basis van de regelgeving ReFuelEU Aviation die in 2025 is ingegaan, de instantie die toeziet op de jaarlijkse rapportage van zwavelgehaltes in kerosine. Hiervoor leveren brandstofleveranciers jaarlijks specificaties aan. De NEa neemt ook steekproefsgewijs kerosinemonsters af. Er bestaat momenteel geen afzonderlijk toezicht op het zwavelgehalte op basis van de ReFuelEU Aviation, omdat in ReFuelEU Aviation geen maximale zwavelnorm voor kerosine is opgenomen.
Met hoeveel zwavel wordt gerekend in de luchtkwaliteitsmodellen en bij de berekening van de milieu en gezondheidseffecten? Is dit voor alle modellen en instanties hetzelfde?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoeveel duurder is zwavelarme kerosine en wat zijn de maatschappelijke kosten (milieu en gezondheidskosten) van het ultrafijnstof (UFP) en de SO2-emissies afkomstig van de luchtvaart?
Het ontzwavelen van kerosine voegt een extra stap toe aan het productieproces, waarvoor meer energie en infrastructuur nodig is, waardoor ontzwavelde kerosine duurder is. CE Delft heeft in 2022 onderzoek gedaan naar de maatschappelijke kosten en baten van het verlagen van het gehalte van zwavel, aromaten en naftalenen in kerosine.5 In het rapport heeft CE Delft berekend dat de meerprijs voor tot 45,4 ppm ontzwavelde kerosine 0,05 cent per liter bedraagt. Op Schiphol wordt circa 4 miljard liter kerosine per jaar getankt. Dit betekent dat zwavelarmere kerosine (van 45,5 ppm) ongeveer € 2 miljoen per jaar duurder zou zijn.
Er is geen integraal beeld van de milieu- en gezondheidskosten van de uitstoot van SO2 en UFP door de Nederlandse luchtvaart. Er kan op basis van de beschikbare informatie wel een indicatie worden gegeven van de milieukosten van de uitstoot van SO2 en UFP, berekend met behulp van de kengetallen uit het Handboek Milieuprijzen 2023 van CE Delft.6
Voor een schatting van de huidige maatschappelijke kosten van de emissies van SO2 en UFP door de Nederlandse luchtvaart moet eerst worden vastgesteld hoeveel uitstoot er plaatsvindt (onder de 3.000 voet). De Emissieregistratie registreerde voor 2024 een uitstoot van circa 0,27 kiloton SO2 per jaar voor luchtvaart.7 Volgens CE Delft is de milieuprijs voor SO2 € 57,50 per kg, waarmee milieukosten voor SO2 neerkomen op € 15,5 miljoen per jaar voor uitstoot onder de 3.000 voet.
De totale uitstoot van ultrafijnstof wordt niet op dezelfde wijze bijgehouden of berekend als bij SO2. Bij ultrafijnstof wordt gekeken naar concentraties, uitgedrukt in aantallen deeltjes/cm3. Hoewel niet bekend is hoeveel SO2 omgezet wordt naar ultrafijnstof, kan op basis van de door CE Delft bepaalde milieuprijs (waarde van € 438 per kg) geschat worden dat de milieukosten € 1,2 tot 12 miljoen per jaar zijn (uitgaande van een omzetting 1% tot 10%) voor uitstoot onder de 3.000 voet.
Bij het overwegen van maatregelen om het zwavelgehalte in kerosine te verlagen, is ook gekeken naar zowel de technische haalbaarheid als de mogelijkheden om lagere zwavelgehaltes via nationale regelgeving af te dwingen. Momenteel lijkt het technisch niet haalbaar om specifiek voor de Nederlandse markt laagzwavelige kerosine te produceren. Door een complex netwerk van Europese pijpleidingen kan namelijk niet worden gegarandeerd dat in Nederland geproduceerde laagzwavelige kerosine ook daadwerkelijk op de Nederlandse markt terechtkomt.
Daarnaast is het juridisch complex om in een mondiale markt eenzijdig strengere eisen te stellen aan het zwavelgehalte in kerosine. Bovendien kan het eenzijdig stellen van eisen zogenoemd tankering tot gevolg hebben, waarbij luchtvaartmaatschappijen hun vliegtuigen in het buitenland volledig voltanken met goedkopere, niet-ontzwavelde kerosine voordat zij naar Schiphol vliegen.
Daarom is gekozen om in te zetten op aanpassing van internationale regelgeving in plaats van op eenzijdige nationale regulering van kerosine. Daarbij ligt de nadruk op het stimuleren van het gebruik van duurzame brandstoffen (SAF). Deze brandstoffen hebben een bredere positieve impact op emissies dan uitsluitend het verder verlagen van het zwavelgehalte in kerosine.
De ontwikkeling en grootschalige toepassing van duurzame brandstoffen voor de luchtvaart is echter een langdurig en complex proces, waardoor op korte termijn nog geen positief effect wordt verwacht op de uitstoot van SO2 en UFP. Eerder is aan de Kamer gemeld dat nader onderzoek wordt uitgevoerd naar de effecten van emissies van de luchtvaart in Nederland. 8 De Kamer zal op korte termijn worden geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek en de vervolgstappen op dit onderwerp.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Kröger c.s. (Kamerstuk 31 936, nr. 609) om het zwavelgehalte van kerosine terug te brengen naar het niveau van reguliere diesel (10ppm)? Is alleen met de sectorpartijen gepraat of is er ook gewerkt aan nieuwe nationale normen?
In 2020 is aan de Kamer gemeld dat invulling wordt gegeven aan de motie-Kröger c.s. door in te zetten op duurzame, zwavelvrije brandstoffen en het realiseren van een Europese bijmengverplichting en daarbij niet te kiezen voor het invoeren van een nationale norm voor zwavelarme(re) fossiele kerosine.9 Landen die het Oslo Protocol hebben geratificeerd zijn verplicht het zwavelgehalte in fossiele brandstoffen, waaronder kerosine, terug te dringen. In dat kader geldt een toekomstig zwavelgehalte van 100 ppm in kerosine als richtwaarde.
De verduurzaming van luchtvaartbrandstoffen heeft de afgelopen jaren niet stilgestaan. Zoals recent aan de Kamer gemeld, is met de inwerkingtreding van de Europese bijmengverplichting voor duurzame luchtvaartbrandstoffen (ReFuelEU-verordening) in Europa een belangrijke stap richting verduurzaming van luchtvaartbrandstoffen gezet.10 Deze verordening stelt een sterk stijgend bijmengpercentage van duurzame luchtvaartbrandstof (SAF) vast, vanaf momenteel 2% oplopend tot 70% in 2050. Omdat SAF in de regel zwavelvrij is, draagt dit bij aan lagere emissies van onder meer SO2 en UFP. Bovendien verplicht ReFuelEU brandstofleveranciers om te rapporteren over het gehalte aan aromaten en naftalenen in hun brandstoffen.
Ook voor luchtvaartmaatschappijen geldt een vergelijkbare aanpak. Sinds 1 januari 2025 verplicht het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) luchtvaartmaatschappijen om niet-CO2-effecten te monitoren en te rapporteren, waaronder roetdeeltjes, waterdamp, stikstofoxiden en geoxideerde zwavelsoorten. Deze verplichting is mede tot stand gekomen dankzij inspanningen van Nederland en andere lidstaten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Luchtvaart?
Ja.
Het bericht ‘Versnippering binnen fiscus leidt tot grote verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslagen IB’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Vind u 3,9 miljard euro teveel betaalde belasting op voorlopige aanslag in 2022 te rechtvaardigen aan burgers en bedrijven?1
Een eerste voorlopige aanslag (EVA) is een schatting van de verschuldigde belasting door de Belastingdienst voor het lopende jaar, terwijl een voorlopige aanslag (VA) een later opgelegde of aangepaste schatting is op basis van nieuwe of aanvullende informatie. De eerste voorlopige aanslag wordt opgelegd aan burgers, waaronder ook ondernemers voor de inkomstenbelasting, maar een (E)VA inkomstenbelasting wordt niet opgelegd aan bedrijven. De (E)VA wordt opgelegd om te zorgen dat de belasting zoveel mogelijk tijdens het jaar zelf wordt betaald of ontvangen, in plaats van dat belastingplichtigen pas achteraf bij de definitieve aanslag (DA) bericht ontvangen over het volledig te betalen bedrag of dan pas de volledige teruggave ontvangen.
De EVA is gebaseerd op gegevens uit voorgaande jaren, die veelal door burgers aan de Belastingdienst zijn verstrekt via een aangifte of een verzoek om een VA. Op het moment van het opleggen van de EVA wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie die binnen de Belastingdienst beschikbaar is. Aangezien deze gegevens onderhevig zijn aan wijzigingen, zal de EVA afwijken van de DA. Dat is een voorzien onderdeel van het stelsel, en een verschil is daarmee te rechtvaardigen. De Belastingdienst ziet echter het belang er van in om de verschillen tussen de (E)VA en de DA te minimaliseren. Daarom informeert de Belastingdienst belastingplichtigen bij het opleggen van de EVA altijd over de gebruikte gegevens en roept zij hen op deze te controleren en waar nodig aan te passen via Mijn Belastingdienst.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van verschillen tussen de voorlopige en definitieve aanslag voor particulieren en voor het MKB?
De verschillen tussen de (E)VA en de DA ontstaan doordat een (E)VA is gebaseerd op gegevens van voorgaande jaren die bij de Belastingdienst bekend zijn. De DA daarentegen is gebaseerd op de gegevens uit de ingediende aangifte over het betreffende belastingjaar, getoetst aan de hand van contra-informatie die de Belastingdienst ontvangt van onder meer banken, werkgevers en uitkeringsinstanties. Deze informatie komt pas na afloop van het belastingjaar beschikbaar.
Bij burgers kunnen verschillen ontstaan in het inkomen, aftrekposten of vermogen. Bij ondernemers kunnen verschillen ontstaan door onder andere wisselende jaarlijkse omzetten of kostenposten. Wanneer burgers de Belastingdienst gedurende het belastingjaar niet voorzien van actuele gegevens, blijven deze verschillen gedurende het belastingjaar in stand. Voor het MKB geldt dat ongeveer 80% van de ondernemers gebruikmaakt van een fiscale dienstverlener. Deze dienstverleners kunnen becon-uitstel krijgen om de werkdruk te spreiden, wat kan oplopen tot maximaal zestien maanden. Daardoor wordt de (E)VA vaak gebaseerd op gegevens van twee tot drie jaar eerder. Bij burgers komt deze uitstelregeling minder vaak voor.
Klopt het dat verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag ook in belangrijke mate komen door het gebrek aan samenwerking tussen de Afdeling Centrale Administratieve Processen Inkomensheffing (CAP IH), die de voorlopige aanslagen oplegt en de specifieke directies Particulieren en MKB die de definitieve aanslagen opleggen?
De belangrijkste reden is de systematiek van de (E)VA zoals beantwoord in vraag 1. Het bevorderen van de samenwerking zal weinig invloed hebben op het verminderen van de verschillen. Dit is inherent aan de systematiek van de (E)VA. Manieren om de verschillen te verminderen staan opgenomen in het antwoord op vraag 7.
Waarom worden voorlopige en definitieve aanslagen via verschillende processen behandeld, terwijl het over dezelfde belastingplichtigen en belastingsoort gaat?
Het proces voor de (E)VA verschilt niet veel van dat van de DA. Een (E)VA wordt altijd gevolgd door een DA. De DA wordt opgelegd naar aanleiding van een door de burger ingediende aangifte over het betreffende jaar, in tegenstelling tot de (E)VA. Het onderscheid zit in de gebruikte gegevens. De (E)VA maakt gebruik van beschikbare gegevens uit een ingediend verzoek om VA of een aangifte van voorgaande jaren. De DA wordt vastgesteld op basis van actuele gegevens die door de burger zijn opgegeven en die worden getoetst aan de hand van contra-informatie. Deze systematiek zorgt ervoor dat het bedrag van de (E)VA in de DA wordt aangepast aan de werkelijke gegevens.
Bent u het ermee eens dat het minimaliseren van verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag wél tot de taakopdracht en doelstellingen van CAP IB en de desbetreffende directies zou moeten behoren?
Het minimaliseren van verschillen tussen de (E)VA en de DA behoort tot de gezamenlijke taakopdracht en doelstellingen van alle betrokken directies en ketens binnen de Belastingdienst. Het belang hiervan wordt onderkend. De Belastingdienst is hierin wel afhankelijk van de medewerking van burgers.
Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering van de samenwerking tussen deze onderdelen en betere afstemming van de controles die zij uitvoeren?
De genoemde directies voeren nu elk een specifiek deel van het controleproces uit. In 2026 wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling en toepassing van het beoordelingsproces meer in samenhang kan plaatsvinden met die van de DA. Dit kan leiden tot een betere afstemming van controles en een meer geïntegreerde werkwijze tussen de betrokken onderdelen. Door een gecombineerde herziening van het beoordelingsproces, een betere duiding van doelstellingen en intensievere samenwerking tussen directies ontstaat een meer samenhangende en effectieve controleaanpak voor zowel (E)VA als DA.
Welke verdere mogelijkheden ziet u om de aansluiting van voorlopige aanslag op definitieve aanslag te verbeteren, zodat de heffing bij burgers en bedrijven beter aansluit op de werkelijkheid?
Een mogelijke verbetering is om het formulier en/of het proces voor het indienen van een wijzigingsverzoek voor de VA gebruiksvriendelijker en beter kenbaar te maken. Vanwege beperkte IV-capaciteit is deze wens nog niet ingewilligd. Daarnaast worden er al campagnes ingezet om burgers te stimuleren tijdig een wijzigingsverzoek in te dienen. In deze campagnes wordt onder meer aandacht besteed aan het aanpassen van inkomensgegevens bij belangrijke life-events, zoals scheiden, een huis kopen of trouwen.
Welke mogelijkheden ziet u om het gebrek aan vaktechnische slagkracht bij CAP IH op te lossen?
Ter verbetering van de kwaliteit van de uitworpbehandeling is de Belastingdienst een overlegtraject gestart. Binnen dit traject worden geconstateerde knelpunten geanalyseerd en wordt bezien op welke wijze werk waarvoor veel vaktechnische kennis nodig is beter te beleggen binnen de Belastingdienst.