Het artikel ‘Nieuwe Bulgarenfraude nog groter dan gedacht: met eerst geld en controle achteraf blijft Belastingdienst kwetsbaar voor zwendel’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over een nieuwe grootschalige Bulgarenfraude waarbij criminelen opnieuw misbruik zouden maken van Belastingen en toeslagen en gebrekkige controles bij de Belastingdienst?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de overheid fraude daadkrachtig moet aanpakken en dat georganiseerde fraudeurs geen ruimte mogen krijgen om misbruik te maken van publiek geld?
Ja.
Hoe verklaart u dat Nederland, ondanks de lessen uit eerdere fraudezaken, opnieuw kwetsbaar blijkt voor georganiseerde fraude?
In mijn brief van 18 mei 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over een patroon dat de Belastingdienst heeft geconstateerd van aangiften, verzoeken en bezwaren (hierna aanvragen) in de inkomensheffingen die onregelmatigheden bevatten. Ook heb ik in deze brief aangegeven dat er sprake lijkt te zijn van personen die zich in georganiseerd verband melden voor een DigiD.2
De Belastingdienst is een project gestart om meer inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Daaruit moet ook meer duidelijk worden over de opzet en organisatie achter dit patroon. Ik streef ernaar snel meer duidelijkheid te bieden over dit patroon en de vervolgacties en zal uw Kamer daarover periodiek informeren in de stand-van-zakenbrief Belastingdienst. Daarbij zal ik ook ingaan op de belangrijkste lessen uit eerdere fraudezaken.
In hoeveel gevallen is de afgelopen vijf jaar sprake geweest van vermoedens van georganiseerde fraude met belastingen of toeslagen? Hoeveel geldbedragen zijn hiermee gemoeid?
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren prioriteit gegeven aan de aanpak van (vermoedelijke) BTW-netwerkfraude, BTW-carrouselfraude, verschillende vormen van verhuld vermogen en BPM-fraude. Over de keuzes voor onderzoek naar en aanpak van fenomenen informeer ik de Tweede Kamer middels het jaarplan van de Belastingdienst. De resultaten van de aanpak leest u terug in de jaarrapportages van de Belastingdienst. Voor BTW-carrouselfraude, die per definitie in georganiseerd verband plaatsvindt, worden onder meer het aantal meldingen conform AAFD-protocol en het correctieresultaat uit toezicht gerapporteerd:
2022
2023
2024
2025
Correctieresultaat
€ 50 mln.
€ 142 mln.
€ 58 mln.
€ 78 mln.
Vanwege het inherent verhulde karakter van fraude kan ik geen onderbouwde uitspraak doen over de grootte van het totale fiscale nadeel. Voor Toeslagen geldt daarnaast dat het intensieve toezicht, in lijn met de aangenomen motie Van Eijk,3 pas recent is opgestart, waardoor voor Toeslagen nog geen actueel beeld te vormen is over de omvang van eventuele georganiseerde fraude in de afgelopen vijf jaar.
Is er volgens u binnen de Belastingdienst en betrokken uitvoeringsinstanties sprake van terughoudendheid of verlegenheid om stevig op te treden tegen fraude uit angst om fouten te maken richting burgers?
Nee, terughoudendheid en verlegenheid zie ik niet bij de Belastingdienst en Toeslagen. Wel zie ik dat er meer aandacht in deze organisaties is voor de juiste toepassing van wet- en regelgeving, waaronder de AVG. Dit betekent ook dat er soms voorzichtiger en zorgvuldiger wordt geopereerd. Na de Toeslagenaffaire, de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en het stopzetten van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) is er veel is veranderd in de werkwijze van Dienst Toeslagen en de Belastingdienst. Processen zijn of worden waar zij nog niet volledig voldeden aan wet- en regelgeving in snel tempo aangepast. Hier stuurt de Belastingdienst ook op via de Meerjarenstrategie Belastingdienst 2026–2030.
Dit heeft ook gevolgen gehad voor het intensieve toezicht en de fraudebestrijding. Zo heeft het proces van meldingen van mogelijke niet-compliantie na het stopzetten van FSV langere tijd stilgelegen, net als het intensieve toezicht voor Toeslagen. Het perspectief van burgers en bedrijven is meer dan daarvoor centraal komen te staan in het werk van de Belastingdienst. Medewerkers zijn zich er nu meer van bewust wat de gevolgen kunnen zijn van het ingrijpen van de overheid.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om fraude eerder te signaleren en frauduleuze aanvragen direct te blokkeren voordat uitbetaling plaatsvindt?
In de Kamerbrief die ik op 18 mei 2026 aan de Tweede Kamer stuurde heb ik de maatregelen voor personen die bij dit patroon betrokken zijn uiteen gezet.
Daarnaast worden aanvullende maatregelen onderzocht. U kunt hierbij denken aan een aanscherping van selectieregels bij beoordeling van aanvragen inkomensheffingen. Het bestrijden van fraude is een belangrijk onderdeel van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (UHS) en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. Hier ga ik in het antwoord op de vragen 12 en 13 nader op in.
Bent u bereid om risicogerichte controles (intensief toezicht) voorafgaand aan uitbetaling uit te breiden, zodat evident verdachte aanvragen sneller kunnen worden tegengehouden?
Zoals aangegeven is de Belastingdienst een project gestart met als doel inzicht te krijgen in de aard en omvang van de problematiek, om op basis daarvan een uitvoerbare aanpak in gang te zetten. Diverse onderdelen van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen onderzoeken het patroon. Daarbij wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen beschouwd, wordt onderzocht hoe onregelmatigheden als deze in de toekomst kunnen worden voorkomen en welke aanvullende maatregelen verder moeten worden genomen.
Hoe zorgt u ervoor dat georganiseerde fraudeurs hard worden aangepakt, terwijl tegelijkertijd goedwillende burgers zorgvuldig en rechtvaardig worden behandeld?
Ik sta voor een zorgvuldige en rechtvaardige behandeling van burgers en ondernemers. In de behandeling van aanvragen, die grotendeels geautomatiseerd afgehandeld worden door de Belastingdienst, moet een balans gevonden worden. Maatregelen moeten een zo beperkt mogelijk effect op goedwillende burgers hebben en tegelijk onterechte uitbetalingen zoveel mogelijk voorkomen. Om invulling te geven aan de zorgvuldigheid, kan de Belastingdienst in bepaalde gevallen eerst een vragenbrief sturen als er een aanvraag wordt gedaan die mogelijk onregelmatigheden bevat, waarna de aanvrager de mogelijkheid heeft om die aanvraag toe te lichten. Bij afwijzing van een aanvraag kan daartegen bezwaar worden gemaakt, zodat eventuele fouten hersteld kunnen worden. Mochten onjuiste aanvragen toch tot betaling zijn gekomen, dan probeert de Belastingdienst dat bedrag terug te vorderen.
Ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke aanpak met ketenpartners. Zo heeft een bank door het bevriezen van rekeningen het wegvloeien van publiek geld weten te voorkomen en worden maatregelen in samenspraak met Logius onderzocht. Over de strafrechtelijke kant en de inzet van de FIOD, gaat het Openbaar Ministerie (OM).
Welke concrete stappen onderneemt u in deze casus om het gestolen geld terug te krijgen?
Er wordt beslag gelegd op de rekeningen die door een bank zijn bevroren. Dit bedraagt circa € 2,3 miljoen. Op basis van eerdere ervaringen in soortgelijke en omvangrijke fraudezaken verwacht de Belastingdienst dat de resterende € 4,4 mln. waarschijnlijk als oninbaar beschouwd moet worden. Deze bedragen zijn, na uitkering, overgemaakt naar buitenlandse bankrekeningnummers, contant opgenomen of omgezet in crypto valuta. De Belastingdienst onderzoekt welke vervolgstappen mogelijk zijn met betrekking tot de invordering.
Heeft u aangifte gedaan tegen de praktijken van deze criminele Bulgaarse groep of bent u voornemens dat te doen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst is nu als fiscale toezichthouder aan zet om onderzoek te doen naar dit patroon. Op basis van het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen kan de Belastingdienst signalen van mogelijke belastingfraude aan de FIOD en het Openbaar Ministerie melden.4 In dit protocol zijn aanmeldings- en wegingscriteria opgenomen om te bepalen of een vermoeden van belastingfraude kwalificeert voor strafrechtelijke vervolging. Na een dergelijke melding kan de FIOD onder het gezag van het OM een strafrechtelijk onderzoek starten. Over individuele meldingen conform het Protocol wordt geen mededeling gedaan.
Bent u bereid in overleg te treden met uw Bulgaarse evenknie om deze kwestie te bespreken, daar het ook niet de eerste keer is dat dit met Bulgaarse ingezetenen gebeurt?
Zoals ik schreef in mijn brief van 18 mei 2026, wordt het patroon op dit moment nog verder onderzocht. Als ik meer duidelijkheid heb over wat er aan de hand is, dan informeer ik de Tweede Kamer daarover. Ik zal de Tweede Kamer dan ook informeren of ik meerwaarde zie in een overleg met Bulgarije.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat belastinggeld opnieuw op grote schaal in handen valt van fraudeurs?
Zoals ik in mijn brief van 18 mei 2026 heb aangegeven is in dit specifieke geval een project gestart waarin diverse onderdelen van de Belastingdienst deelnemen. Het doel van het project is inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Zo wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen onderzocht. De Belastingdienst zal uiteraard zorgvuldigheid betrachten in de te nemen maatregelen om zoveel mogelijk te voorkomen dat goedwillende burgers hierdoor worden benadeeld. Daarnaast wordt zoals hiervoor genoemd, gewerkt aan een aanpak met ketenpartners om fraude zoveel mogelijk te voorkomen.
In algemene zin merk ik op dat het bestrijden van fraude een belangrijk onderdeel is van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de UHS en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. De strategie is erop gericht om het gedrag van belastingplichtigen zo te beïnvloeden dat zij structureel uit zichzelf hun fiscale verplichtingen nakomen. En daar waar belastingplichtigen regels bewust niet willen naleven dwingt de belastingdienst naleving af. De aanpak van georganiseerde belastingfraude maakt onderdeel uit van de UHS en vraagt om een doorlopende inzet en voortdurende aanpassing van maatregelen aan nieuwe fraudefenomenen en patronen. Om die reden ligt een afzonderlijk plan van aanpak voor het bestrijden van georganiseerde belasting- en toeslagfraude op dit moment niet voor de hand. Uw Kamer wordt, zoals gebruikelijk, geïnformeerd over relevante ontwikkelingen, zoals ik ook heb gedaan in mijn brief van 18 mei 2026.
Kan de Kamer vóór de zomer een plan van aanpak ontvangen met concrete voorstellen om georganiseerde belasting- en toeslagen fraude daadkrachtiger te bestrijden?
Zie antwoord vraag 12.
Het niet ingaan op de eerder gestelde vragen over de politieke consequenties van de extreemrechtse geweldsfantasie van Gidi Markuszower |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Waarom heeft u in antwoord op de op 15 mei 2026 gestelde Kamervragen slechts het woordvoeringslijntje herhaald waarover de vragen juist waren gesteld en verwijst u steeds naar hetzelfde riedeltje dat juist de vragen opriep?1
Dit is mijn reactie op de gestelde vragen.
Herinnert u zich de grondwettelijke verhoudingen nog tussen het parlement en het kabinet, nu u zelf premier bent?
Ja.
Begrijpt u dat de Kamer heeft recht heeft u ter verantwoording te roepen over uw beleid, uw uitspraken en uw optreden, en dat, als de Kamer gebruik maakt van dat recht, u die verantwoording dan ook zult moeten afleggen?
Ja.
Kunt u alsnog ingaan op de gestelde vragen?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een dag beantwoorden, aangezien ze echt zo moeilijk niet zijn, terwijl het gevaar van groeiend extreemrechts geweld zeer dringend om effectief optreden vraagt van uw regering?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het artikel 'Met de juiste financiering levert onderhoud van infrastructuur flink wat op' |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Met de juiste financiering levert onderhoud van infrastructuur flink wat op» van Swank en Van Der Windt in ESB?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de berekening van de auteurs dat de private arbeidsproductiviteit per uur over 25 jaar met bijna twee procentpunt toeneemt als de overheid een permanente impuls geeft aan infrastructuur van jaarlijks twee miljard euro?
Dit artikel laat modelmatig zien dat een jaarlijkse impuls van 2 miljard euro gedurende 25 jaar positieve economische effecten heeft. Dat een impuls in infrastructuur een positief effect heeft op de economie is op zichzelf niet helemaal verrassend en is ook in lijn met de resultaten uit de brede economische literatuur. Een goed functionerende infrastructuur draagt bij aan de economische basis van Nederland, verhoogt de arbeidsproductiviteit en daarmee ook de economische groei.
Economische groei is belangrijk, maar prudent begrotingsbeleid is dat óók. In Nederland voeren we trendmatig begrotingsbeleid. Om de overheidsfinanciën gedurende de kabinetsperiode te beheersen, maakt elk kabinet bij de start afspraken over wat er in één jaar maximaal mag worden uitgegeven (het uitgavenkader) en hoe hoog de beleidsmatige aanpassing van de belastingen en premies mag zijn (het inkomstenkader). Deze afspraken geven duidelijke grenzen waarbinnen het begrotingsbeleid kan plaatsvinden. Daarbij weegt het kabinet verschillende keuzemogelijkheden zorgvuldig tegen elkaar af, waaronder het belang van investeringen in infrastructuur.
Daarom toetsen wij dit soort investeringsvoorstellen zorgvuldig binnen het reguliere begrotingsproces en binnen de EMU-normen en de meerjarige schuld, zodat Nederland ook in de toekomst kan blijven investeren en de rekening niet zonder meer doorgeschoven wordt naar latere generaties.
Het kabinet erkent uiteraard het belang van een sterke economie. Het belang van een sterke economie is te zien in de huidige investeringsstrategie van dit kabinet. Hiertoe worden er, ook in lijn met het rapport van dhr. Wennink (2025), gerichte investeringen gedaan in innovatie, technologie, duurzaamheid en wordt het verdienvermogen versterkt door investeringen in onderwijs en kennis met de focus op een verhoging van de arbeidsproductiviteit. Daarnaast heeft het kabinet structureel extra middelen beschikbaar gesteld voor de infrastructuur en woningbouw en zoekt het kabinet actief een weg uit de stikstofcrisis, om op deze manier meer te bouwen.
Kunt u reflecteren op de drie opties die in het artikel van Swank en Van Der Windt worden geschetst, die grofweg neerkomen op een combinatie van financiering van schuld met a) lagere consumptieve uitgaven van de overheid, b) een verhoging van de vennootschapsbelasting, c) hogere directe belastingen voor huishoudens? Hoe weegt u deze drie opties tegen elkaar en welke voor- en nadelen ziet u per optie?
Het kabinet onderschrijft, net zoals in het coalitieakkoord, de constatering dat investeringen in infrastructuur zorgen voor economisch succes. Tegelijkertijd hanteert het kabinet trendmatig begrotingsbeleid, dat gebaseerd is op het uitgangspunt van solide overheidsfinanciën en macro-economische stabilisatie binnen de geldende nationale en Europese begrotingsregels. Binnen dat kader worden investeringsuitgaven gefinancierd, waarbij meerdere doelstellingen tegelijk worden gewogen, waaronder houdbaarheid van de schuld, economische effecten op korte en lange termijn en de druk op de lastenontwikkeling voor burgers en bedrijven.
Het kabinet weegt concrete investeringsbeslissingen en de bijbehorende financieringsvormen altijd af tijdens de reguliere besluitvormingsmomenten en spreekt aan het begin van de kabinetsperiode duidelijke kaders af voor de ontwikkeling uitgaven en de beleidsmatige ontwikkeling van de lasten en premies.
Schuldfinanciering kan daarbij in voorkomende gevallen mogelijk passend worden geacht, maar alleen wanneer dit zich verhoudt tot een beheersbare ontwikkeling van de schuldquote en de budgettaire ruimte binnen de totale rijksbegroting. Gedurende de kabinetsperiode dienen additionele uitgaven ingepast te worden binnen het afgesproken uitgavenkader, conform de begrotingsregels.
Daarbij wordt opgemerkt dat ook de alternatieven zoals het verschuiven van uitgaven naar investeringen of het aanpassen van lasten voor burgers en bedrijven directe gevolgen kunnen hebben voor bijvoorbeeld de koopkracht of de concurrentiepositie van Nederland.
In het verlengde hiervan wordt momenteel ook onderzoek uitgevoerd naar alternatieve vormen van private bekostiging van infrastructuur. Daarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden om partijen die profiteren van infrastructuurinvesteringen meer te betrekken bij de bekostiging daarvan. Dit onderzoek is bedoeld om verschillende denkbare opties zorgvuldig in kaart te brengen.
Deelt u de analyse van Swank en Van Der Windt dat de effecten van infrastructuurinvesteringen op de economie na vijf jaar groter zijn dan die van overheidsconsumptie?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de conclusies uit het artikel en stelt dat de conclusie dat een goed functionerende infrastructuur bijdraagt aan een stabiele economische groei aansluit bij de bredere economische literatuur. Het kabinet erkent dit belang ook door in het coalitieakkoord extra middelen te reserveren voor infrastructuur.
Hoe kijkt u aan tegen de analyse van de auteurs dat een investering in infrastructuur die gefinancierd wordt uit hogere belastingen, of een combinatie van hogere belastingen en overheidsschuld, per saldo positieve economische effecten heeft?
Het kabinet hanteert trendmatig begrotingsbeleid, wat is gebaseerd op het uitgangspunt van solide overheidsfinanciën en macro-economische stabilisatie binnen de geldende nationale en Europese begrotingsregels. Binnen dat kader worden investeringsuitgaven gefinancierd, waarbij meerdere doelstellingen tegelijk worden gewogen, waaronder houdbaarheid van de overheidsfinanciën, economische effecten op korte en lange termijn, en de druk op de lastenontwikkeling voor burgers en bedrijven.
Het kabinet weegt concrete investeringsbeslissingen en de bijbehorende financieringsvormen altijd af tijdens de reguliere besluitvormingsmomenten en spreekt aan het begin van de kabinetsperiode duidelijke kaders af voor de ontwikkeling uitgaven en de beleidsmatige ontwikkeling van de lasten en premies. De Kamer wordt hierover geïnformeerd via de reguliere begrotingsstukken.
Schuldfinanciering kan daarbij in voorkomende gevallen mogelijk passend worden geacht, maar alleen wanneer dit zich verhoudt tot een beheersbare ontwikkeling van de EMU-schuld en het EMU-saldo en de budgettaire ruimte binnen de totale rijksbegroting. Gedurende de kabinetsperiode dienen additionele uitgaven ingepast te worden binnen het afgesproken uitgavenkader, conform de begrotingsregels.
Daarbij merkt het kabinet op dat ook de alternatieven zoals het verschuiven van uitgaven naar investeringen of het aanpassen van lasten voor burgers en bedrijven directe gevolgen kunnen hebben voor bijvoorbeeld de koopkracht of de concurrentiepositie van Nederland.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De illegale onderschepping van de Global Sumud Flotilla en het gevangennemen van opvarenden door Israël op internationale wateren |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de illegale onderschepping van de Global Sumud Flotilla door het Israëlische leger op internationale wateren?1
Het kabinet is bekend met de berichtgeving hierover.
Bent u bekend met de berichten eerder deze week over de onderschepping van de Global Sumud Flotilla door het Israëlische leger op internationale wateren voor de kust van Cyprus?2 Zo ja, hoe beoordeelt u deze illegale actie?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving hierover. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten ter zake om opheldering verzocht. Deze is tot dusverre niet ontvangen, zoals weergegeven in het antwoord op vragen 8 en 10. Voorts heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Klopt het dat de onderschepping volgens berichtgeving plaatsvond op internationale wateren? Hoe beoordeelt u dit in het licht van het internationaal zeerecht?
Het klopt dat de onderschepping volgens berichtgeving plaatsvond op internationale wateren. Zie overigens het antwoord op vraag 2.
Welke informatie had het kabinet vooraf over de geplande onderschepping van de Flotilla en de aanwezigheid van Nederlandse burgers aan boord?
Naast de berichtgeving in de media heeft het kabinet voorafgaand aan de onderschepping geen informatie ontvangen over de planning van de onderschepping. Verder was het kabinet bekend met de aanwezigheid van Nederlandse burgers aan boord vanwege de berichtgeving daarover. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
Bent u op de hoogte dat bij de entering op 19 mei 2026 er ook Nederlandse journalisten van De Marker (BNNVARA) op internationale wateren zijn gevangengenomen?3 Zo ja, wat vindt het kabinet dat Israël op internationale wateren Nederlandse journalisten gevangenneemt?
Ja. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Zie overigens het antwoord op vraag 2. Verder benadrukt het kabinet dat journalisten altijd ongehinderd en veilig hun werk moeten kunnen doen.
Welke consulaire bijstand is sinds de onderschepping verleend aan de Nederlandse opvarenden?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Nederlandse deelnemers aan de Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
Verder heeft het kabinet rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten.
Welke concrete stappen zet het kabinet om ervoor te zorgen dat de Nederlandse opvarenden onmiddellijk en ongedeerd kunnen terugkeren naar Nederland?
Zie het antwoord op vraag 6 en 8.
Hoe beoordeelt u de berichten dat opvarenden tijdens en na de onderschepping zijn mishandeld, gemarteld en vernederd?4
Het kabinet heeft kennisgenomen van de schokkende en ontoelaatbare beelden van de aangehouden Flotilladeelnemers die de Israëlische Minister Ben-Gvir op 20 mei jl. heeft gedeeld. Volgens het kabinet gaat deze behandeling in tegen de menselijke waardigheid. Het kabinet heeft de Israëlische regering daarop aangesproken en de Israëlische ambassadeur ontboden om opheldering te vragen. Daarbij heeft het kabinet opnieuw benadrukt dat alle opvarenden in lijn met het internationaal recht moeten worden behandeld, de veiligheid van Nederlandse opvarenden moet worden gegarandeerd en ze zo snel mogelijk moeten worden vrijgelaten. Ook heeft het kabinet om formele excuses van de Israëlische regering gevraagd. Deze oproep heeft Nederland ook herhaald in Europees verband in lijn met de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3421). Israël ging de dag erna, op 21 mei jl., over tot vrijlating van alle deelnemers.
Bent u bereid om in internationaal verband aan te dringen op onafhankelijk onderzoek naar de gewelddadige onderschepping van de Flotilla, de mogelijke marteling van opvarenden en de rol van betrokken staten? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3420), steunt het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., richting de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden. Het kabinet zal in dat kader ook in contact blijven met landen die ook duidelijkheid willen over de behandeling van Flotilla-opvarenden, ook in Europees verband.
Klopt het dat het kabinet na een eerdere Israëlische onderschepping van een Flotilla in oktober 2025 vragen heeft gesteld aan Israël over de rechtsbasis voor het ingrijpen?5 Zo ja, heeft Israël daarop inmiddels inhoudelijk gereageerd en bent u bereid die reactie met de Kamer te delen?
Zoals onder meer aangegeven in de beantwoording van Kamervragen van Dassen (Volt), Teunissen (PvdD), Dobbe (SP), Piri en Hirsch (beiden GroenLinks- PvdA) op 15 december 2025, heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten naar aanleiding van de onderschepping in oktober 2025 verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen rondom de onderschepping van de schepen. Het kabinet heeft, ondanks herhaald verzoek, geen reactie ontvangen van de Israëlische autoriteiten.
Kunt u deze vragen binnen 48 uur beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Zou u willen reflecteren op de belangrijkste bevindingen in het artikel over de situatie in Carnisse en de signalen dat woonfraude, uitbuiting en illegale huisvesting van arbeidsmigranten structureel voortduren ondanks nieuwe wetgeving?1
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van sommige arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over huisvesting en inkomen. Arbeidsmigranten verdienen een veilige woonplek, net als iedereen die in Nederland woont.
Het kabinetsbeleid is erop gericht om misstanden aan te pakken en de positie van arbeidsmigranten te versterken. Daarvoor wordt werk gemaakt van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten en de maatregelen van het SER-advies «arbeidsmigratie naar waarde». Het artikel laat zien hoe belangrijk het is om verder te gaan met de uitvoering van deze maatregelen, waaronder het verbeteren van de huurbescherming van arbeidsmigranten en de uitvoering van de Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.
Het artikel laat zien dat een goede lokale uitvoering en handhaving essentieel zijn, maar ook dat de praktijk complex is. Dit benadrukt het belang van maatregelen in de hele keten, van beleid tot handhaving, om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Uw Kamer is over de voortgang van de maatregelen in november jl. geïnformeerd.2 Aan het eind van dit jaar wordt uw Kamer opnieuw over de voortgang geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat, ondanks de invoering van de Wet goed verhuurderschap en andere maatregelen, misstanden in wijken zoals Carnisse onverminderd doorgaan?
In het artikel van de NRC worden ernstige misstanden beschreven rondom de woonsituatie van arbeidsmigranten in de Rotterdamse wijk Carnisse. Vooropgesteld: deze situaties zijn onacceptabel. De inzet van het kabinet is om meer grip te krijgen op arbeidsmigratie en daarnaast van de positie van arbeidsmigranten te verbeteren.
De afgelopen jaren hebben gemeenten meer instrumentarium in handen gekregen om op overtredingen gerelateerd aan de woonsituatie te handhaven, waaronder via de Wet goed verhuurderschap. Als gevolg hiervan kunnen gemeenten beter optreden tegen misstanden als bijvoorbeeld intimidatie en hoge huren, is de informatiepositie van arbeidsmigranten versterkt en moet elke gemeente een meldpunt hebben, waar klachten over ongewenst verhuurgedrag – zo nodig anoniem – kunnen worden gemeld. Een en ander in aanvulling op wettelijke instrumenten die al voor die tijd bestonden, en waarmee bijvoorbeeld al kon worden opgetreden tegen overbewoning. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 14 en 16, werkt het kabinet daarom aan aanvullende maatregelen om misstanden, zoals in Carnisse, tegen te gaan.
Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten hebben bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid. Hoewel zij in beginsel behoren op te treden tegen overtredingen, is het aan de gemeente om de prioriteit en aanpak te bepalen op basis van ernst, maatschappelijke impact, beschikbare capaciteit en beleidsdoelen. Dit signaal uit het NRC artikel laat de knelpunten zien in de uitvoering en handhaving lokaal. Naar aanleiding hiervan wordt het gesprek met de betreffende gemeente en andere betrokken partijen gevoerd.
Kunt u aangeven in hoeverre de doelen van de Wet goed verhuurderschap tot op heden zijn gerealiseerd, specifiek voor de bescherming van arbeidsmigranten?
Het is belangrijk om te zien hoe de Wet goed verhuurderschap (Wgv) in de praktijk functioneert. De doeltreffendheid en praktijkwerking van de Wgv worden momenteel geëvalueerd. Na de zomer, als het onderzoek is afgerond, informeert de Minister van VRO uw Kamer over de uitkomsten hiervan.
Hoe verklaart u dat gemeenten, ondanks uitgebreid dossiermateriaal en herhaalde constateringen van overtredingen, in de praktijk beperkt overgaan tot handhaving?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, hebben gemeenten bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid.
De VNG bevestigt dat de beschikbare bevoegdheden om te handhaven bestaan, maar dat daarmee de feitelijke handhaafbaarheid en effectiviteit niet is gegarandeerd. De VNG signaleert dat bij complexe casussen handhaving niet altijd goed verloopt. Ook geeft de VNG ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is, maar dat die samenwerking niet in alle gevallen goed verloopt. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
In hoeverre is het huidige instrumentarium tot handhaving toereikend, maar in de praktijk onvoldoende effectief? Zo ja, waar zit volgens u de kern van dit probleem?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Zou u, gegeven het feit dat de problematiek samenhangt met de verdeling van verantwoordelijkheden en eventuele gaten hierin, helder in kaart willen brengen welk bestuursniveau (Rijk, gemeente, inspectiediensten) verantwoordelijk is voor:
Gemeenten houden in beginsel toezicht op a) verhuurders, voor zover het handelingen betreft die vallen onder andere de Wet goed verhuurderschap (Wgv) en de Wet betaalbare huur (Wbh) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) met betrekking tot kwaliteit en gevaarlijke bouwkundige situaties, b) handhaving bij illegale bewoning (op basis van de Huisvestingswet 2014 en Omgevingswet) en d) inschrijving in de Basisregistratie Personen (Wet basisregistratie personen). Hiermee worden de verantwoordelijkheden op elkaar afgestemd op een manier die past bij de lokale situatie.
Als het gaat om de aanpak tegen mensenhandel is de Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor de rijksbrede coördinatie van de aanpak van mensenhandel en de Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de aanpak van arbeidsuitbuiting. Hierin wordt gezamenlijk opgetrokken in onder meer het Actieplan Programma «Samen tegen Mensenhandel» met o.a. de Nederlandse Arbeidsinspectie, politie, Koninklijke Marechaussee, VNG en maatschappelijke organisaties zoals Comensha. In het Actieplan wordt in verschillende actielijnen ingezet op onder meer het creëren van brede bewustwording, vergroten van meldingsbereidheid en het verbeteren van de bescherming van slachtoffers.
De Nederlandse Arbeidsinspectie is onder andere verantwoordelijk voor de opsporing van c) arbeidsuitbuiting als vorm van mensenhandel en, zodra de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel in werking treedt, ook voor de opsporing van het delict ernstige benadeling. Ondermaatse huisvesting kan een indicatie zijn van ernstige benadeling of arbeidsuitbuiting.
Ook gemeenten spelen een belangrijke rol bij de aanpak van mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling, door in te zetten op preventie, signalering en handhaving – in het kader van toezichthoudende taken – en hulpverlening, waarbij de gemeente integraal samenwerkt met onder andere de politie en bestuurlijk handhaaft op de naleving van huisvestingsnormen.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, worden vanuit het Rijk de kaders geschept om arbeidsmigratie in goede banen te leiden en om arbeidsmigranten beter te beschermen. Bestaand en voorgenomen beleid op rijksniveau gerelateerd aan de genoemde gebieden wordt toegelicht in het antwoord op vraag 14. Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten zijn, zoals hierboven beschreven, in veel gevallen verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. Er bestaat een integrale samenwerking tussen gemeente(n), de Nederlandse Arbeidsinspectie en politie. Dit is nader toegelicht in het antwoord op vraag 19. De VNG geeft ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is. Dat verloopt niet in alle gevallen goed. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
Zou u willen reflecteren op de vraag of deze verantwoordelijkheden in de praktijk voldoende op elkaar zijn afgestemd?
Zie antwoord vraag 6.
Welke bevoegdheden of instrumenten hebben gemeenten in uw ogen nodig om effectief te kunnen optreden wanneer bewoners de deur niet openen, sprake is van intimidatie, of sprake is van snel wisselende bewoners, de zogenaamde carrouselconstructies?
Gemeenten beschikken reeds over diverse mogelijkheden om op te treden wanneer bewoners de deur niet openen, er sprake is van intimidatie en/of snel wisselende bewoners.
Indien de bewoners de deur niet openen geldt dat toezichthouders de bevoegdheid hebben3 om in bepaalde gevallen een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. In die gevallen is de Algemene wet op het binnentreden van toepassing. Kort gezegd volgt uit deze wet dat bij binnentreden voor andere doeleinden dan strafvordering een machtiging tot binnentreden moet worden afgegeven. Een uitzondering op deze situatie is het bestaan van een noodsituatie (zoals bijvoorbeeld een brand).
Ook wanneer er sprake is van intimidatie geldt dat toezichthouders van de gemeente reeds actie kunnen ondernemen. In de Wet goed verhuurderschap (Wgv) is namelijk bepaald dat een verhuurder niet mag intimideren. Doet de verhuurder dit wel, dan dient de gemeente hierop te handhaven. Dat kan door een waarschuwing te geven, een last onder dwangsom op te leggen, of een bestuurlijke boete. Handhaving kan bijvoorbeeld naar aanleiding van een (anonieme) melding bij het gemeentelijke meldpunt voor ongewenst verhuurgedrag, maar de gemeente kan daarnaast ook zonder voorafgaande melding optreden tegen intimidatie als dit wordt vastgesteld.
Ten aanzien van de zogenaamde «carrouselconstructies» geldt dat het voor de handhaving op overtredingen van zowel de Wgv of de Wet betaalbare huur (Wbh) niet uitmaakt of er inmiddels een andere huurder in de woning woont. Voor wat betreft handhaving van de Wgv en de Wbh geldt namelijk dat het gaat om de overtreding die is begaan. Daarbij is niet relevant jegens welke huurder(s) dat is geweest. Gemeenten kunnen op grond van deze wetten bovendien zwaardere sancties opleggen in het geval van recidive.
Welke mogelijkheden zijn er tot binnentreden of bestuursrechtelijk ingrijpen bij ernstige signalen van uitbuiting en overbewoning?
Voor binnentreding bij handhaving op overbewoning geldt het algemene wettelijke kader beschreven in de antwoorden op vraag 7 en 8. Specifiek voor de Arbeidsinspectie geldt dat de Wet arbeid vreemdelingen en het Wetboek van Strafvordering mogelijkheden bieden voor binnentreden zonder toestemming van de bewoner(s).
Zou u samen met de VNG in kaart willen brengen hoeveel capaciteit gemeenten nodig hebben om een stevige aanpak van deze problematiek neer te zetten, gezien het voorbeeld dat een grote stad als Rotterdam slechts enkele inspecteurs beschikbaar heeft voor toezicht op naleving?
Zoals opgemerkt in eerdere antwoorden wordt in gesprek gegaan met gemeenten en de VNG over de beschikbare bevoegdheden om te handhaven en te bezien wat mogelijke knelpunten zijn.
In het geval van de Wet goed verhuurderschap (Wgv), Wet betaalbare huur (Wbh) en Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten geldt overigens dat in 2025, op verzoek van de VNG, een evaluatie heeft plaatsgevonden van de financiële middelen die gemeenten van het Rijk ontvangen voor de implementatie en uitvoering van de genoemde wetten. Uit dit onderzoek, waarin ook individuele gemeenten zijn geïnterviewd, blijkt dat de financiële middelen voor gemeenten voor het uitvoeren van de wettelijke taken die voortvloeien uit deze drie wetten en het handhaven daarop vooralsnog afdoende zijn. Tegelijk laat dit signaal zien dat het wettelijk instrumentarium alleen niet voldoende is, en dat capaciteit nodig is om lokaal toezicht en handhaving uit te oefenen. Daarom is het gesprek hierover met gemeenten van belang om te horen waar het nu knelt.
Herkent u het beeld dat dossiers blijven liggen, handhaving uitblijft en overtreders feitelijk wegkomen met illegale praktijken?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, 5, 6 en 7 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de handhaving op misstanden in hun gemeente en de wijze waarop zij dat binnen de kaders van de wet vormgeven. Ook heeft de Minister van VRO in 2025 de opstart van een opleiding voor bouw- en woningtoezicht gesteund. Deze opleiding moet bijdragen aan professionalisering en kwaliteitsverbetering van woontoezichthouders en bouwtoezichthouders. Zoals eerder aangegeven wordt met gemeenten in gesprek gegaan over signalen dat de handhaving in de praktijk niet altijd goed verloopt.
Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat constateringen van overtredingen sneller en daadwerkelijk leiden tot sancties?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de kwetsbare positie van arbeidsmigranten die geen huurcontract hebben, afhankelijk zijn van hun werkgever voor huisvesting en uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven doen?
Situaties waarin arbeidsmigranten geen schriftelijk huurcontract hebben, een te grote afhankelijkheid van hun werkgever voor huisvesting hebben, of waarbij zij uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven te doen van misstanden, keurt het kabinet af.
Daarbij moet opgemerkt worden dat, voor het verkrijgen van de huurbescherming of huurprijsbescherming, het juridisch gezien niet uitmaakt of mensen een schriftelijk huurcontract hebben. Een huurovereenkomst kan ook een (impliciete) mondelinge afspraak zijn. Om discussies over het bestaan van een huurrelatie te voorkomen, is in de Wet goed verhuurderschap (Wgv) bovendien een verplichting aan verhuurders opgelegd om een (mondelinge) huurovereenkomst schriftelijk vast te leggen. Daarnaast geldt dat verhuurders – in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten – op grond van de Wgv verplicht zijn om de huurovereenkomst los van de arbeidsovereenkomst vast te leggen om «baan en bed» van elkaar te scheiden.
De huur(prijs)bescherming van arbeidsmigranten is vaak echter nog onvoldoende, omdat gebruik wordt gemaakt van «aard naar korte duur»-contracten. Om de huur(prijs)bescherming te verbeteren is een wetsvoorstel in voorbereiding, zie hiervoor het antwoord op vraag 14.
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn om deze groep beter te beschermen, op het gebied van fatsoenlijke huisvesting, het tegengaan van misstanden en afbouwen van onwenselijke afhankelijkheidsrelaties?
Voor wat betreft de maatregelen aangaande huisvesting verloopt dit onder andere via het instrumentarium dat is beschreven in het antwoord op de vragen 6 en 7.
Naast het reeds beschikbare instrumentarium (zie antwoord vraag 6 en 7) is er een wetsvoorstel in voorbereiding om de huurbescherming van arbeidsmigranten te verbeteren.4 Op dit moment worden verschillende groepen huurders, waaronder arbeidsmigranten, gehuisvest op basis van zogenaamde «short stay»- of logiescontracten. Het huurrecht kent het begrip «short stay»-contracten echter niet. Waar in de sector wordt gesproken over huisvesting op basis van «short stay» wordt binnen het huurrecht een beroep gedaan op de uitzondering in artikel 7:232, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze uitzondering betekent kort gezegd dat de huur(prijs)bescherming niet van toepassing is op deze vorm van huur. De uitzondering in het huurrecht voor huur «naar aard van korte duur» is bedoeld om kenbaar te maken dat er bijvoorbeeld bij het huren van een vakantiehuisje geen huurbescherming is. Het substantiële gebruik van de uitzondering is oneigenlijk. Beleidsinzet is er dan ook opgericht om de wet aan te passen en huur «naar aard van korte duur» wettelijk te begrenzen tot een maximale duur van 30 nachten. Op het moment dat dezelfde woonruimte langer dan 30 nachten aan dezelfde huurder wordt verhuurd, is er dan per definitie sprake van huur(prijs)bescherming.
Ten tweede werkt de Minister van VRO aan een huurregister5. Een huurregister heeft als inzet dat alle verhuurders die woonruimte langer dan 30 nachten verhuren of willen verhuren, zich moeten registreren in een landelijk register. Dat geldt dus dan ook voor alle huisvesting die aan arbeidsmigranten wordt verhuurd. Hiermee wordt het houden van toezicht op de verhuurder gefaciliteerd.
Zoals bij vraag 1 benoemd voert het kabinet de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten uit. Dit gebeurt in interdepartementaal verband met de Ministeries van SZW, BZK, VWS, EZ, LVVN, JenV en de Nederlandse Arbeidsinspectie. Daarbij werkt het kabinet samen met uitvoerings- en handhavingsorganisaties, sociale partners, medeoverheden en andere stakeholders.
Omdat veel arbeidsmigranten in Nederland werken via een uitzendbureau is een belangrijke aanbeveling van het Aanjaagteam het opzetten van een toelatingsstelsel voor uitleners. De Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) is op 15 april 2025 aangenomen in de Tweede Kamer en op 11 november 2025 aangenomen in de Eerste Kamer. Een belangrijke mijlpaal. De voorbereidingen voor de invoering van het toelatingsstelsel zijn in volle gang, met in het bijzonder de oprichting van een nieuwe uitvoeringsorganisatie: de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). De invoeringsdatum voor het toelatingsstelsel is 1 januari 2027. Vanaf 1 januari 2028 gaat de Arbeidsinspectie handhaven op de toelatingsplicht. Daar heeft de Arbeidsinspectie ook extra capaciteit voor gekregen. Door de Wtta kunnen we uitleners die zich niet aan de regels houden van de uitleenmarkt weren. Hiermee beschermen we kwetsbare arbeidskrachten, onder wie arbeidsmigranten. Ook stimuleren we goed werkgeverschap in de uitzendbranche.
Naast goede wet- en regelgeving moeten arbeidsmigranten beter op de hoogte zijn van hun rechten en moet hen meer (juridische) hulp worden geboden. Dat kan ook hulp zijn bij problemen met huisvesting. Daarom heeft dit kabinet met het project Work in NL (WIN) fysieke en mobiele informatiepunten door heel het land geopend. Dit jaar wordt de website workinnl.nl vernieuwd en geeft het de mogelijkheid om ook regionale informatie te plaatsen. Daarnaast wordt verder gewerkt aan concrete actie binnen de Alliantie Work in NL, waarin werkgevers en huisvesters ondersteuning bieden aan arbeidsmigranten en zetten we verdere stappen om informatie in landen van thuiskomst te versterken.
Daarnaast ligt op dit moment de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel ter behandeling in de Eerste Kamer.6 De modernisering heeft als centrale doelstelling het effectiever maken van de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel, waardoor de vervolging van daders en de bescherming van slachtoffers wordt verbeterd.
Kortom, het kabinet zet tal van maatregelen door om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren.
Bent u bekend met signalen dat uitzendbureaus en huisvesters arbeidsmigranten ontmoedigen of zelfs intimideren om zich in te schrijven bij gemeenten? Deelt u de opvatting dat dit volstrekt onnacceptabel is?
Het is ontoelaatbaar dat sommige uitzendbureaus of huisvesters de inschrijving van arbeidsmigranten in de BRP dwarsbomen. Dit kabinet zet in op een breed pakket aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten in de BRP te verbeteren. Een van de belangrijkste maatregelen is om uitzenders een verantwoordelijkheid te geven in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Daarom streven we naar inwerkingtreding van de zorgplicht voor uitleners per 1 januari 2027.
Op verzoek van uw Kamer is met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) een wettelijke basis geïntroduceerd voor de zorgplicht van uitzenders in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Dit betekent dat uitzenders een rol krijgen in de correcte registratie van hun werknemers. Dit zal in beginsel gaan om een bevorderings- en vergewisplicht. De uitzender moet bevorderen dat zijn werknemer goed is ingeschreven en vergewissen dat deze werknemer na 6 maanden ook ingeschreven staat bij de gemeente. Momenteel werkt de Minister van SZW de bevordering-, vergewis in lagere regelgeving uit. Optioneel is het in de toekomst ook mogelijk dat er een meldplicht komt, waarmee uitzenders verplicht worden om melding te doen als een werknemer niet goed ingeschreven staat bij de gemeente. De uitwerking van lagere regelgeving gebeurt onder meer in nauwe samenwerking met uitleners, vakbonden en uitvoeringsorganisaties.
Op termijn zullen in het normenkader van de Wtta eisen worden opgenomen ten aanzien van de naleving van de zorgplicht. Deze norm zal worden toegevoegd nadat het toelatingsstelsel volledig is ingericht en de capaciteit van inspectie-instellingen voldoende is.
Daarnaast wordt er gewerkt aan andere maatregelen om in de breedte zicht op arbeidsmigranten te verbeteren. Zo gaat de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens deze zomer e-mails sturen naar arbeidsmigranten die zich hebben ingeschreven in de registratie niet-ingezetenen om hen uitleg te geven over inschrijving in de BRP. Ook ziet het kabinet goede voorbeelden, zoals in de gemeente Meijerijstad, waar het WorkinNL-punt actief op pad gaat naar werk- en woonlocaties om daar mensen in te schrijven in de BRP.
Welke acties onderneemt u tegen uitzendbureaus of huisvesters die arbeidsmigranten ontmoedigen of intimideren om zich in te schrijven in de BRP?
Zie antwoord vraag 15.
Welke sancties staan momenteel op het belemmeren van inschrijving, en in hoeverre en hoeveel worden deze in de praktijk toegepast?
In de situatie zoals beschreven in het artikel vindt er een combinatie van misstanden plaats waarop in gezamenlijkheid gehandhaafd moeten worden. We verwijzen daarom naar het antwoord op vraag 8 waarin beschreven wordt welke handvatten er voor gemeenten zijn om dit aan te pakken. Als het gaat om inschrijving is ervoor gekozen om nu sancties in te stellen voor de uitleners die hun zaken niet goed op orde hebben als het gaat om de registratie van werknemers. Zoals in de vorige vraag beschreven komt er per 1 januari 2027 een zorgplicht voor uitleners waarmee zij een verantwoordelijkheid krijgen in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Op termijn wordt handhaving hiervoor ook ingeregeld via het toelatingsstelsel.
Zou u inzicht willen geven in welke maatregelen er nog meer mogelijk zijn, zoals een meldplicht voor huisvesting van arbeidsmigranten, strengere vergunningseisen voor uitzendbureaus, of koppeling van huisvesting en registratiecontrole?
Zoals in het antwoord op vraag 14 en 16 reeds is toegelicht zijn er verschillende bestaande en in ontwikkeling zijnde maatregelen om misstanden tegen te gaan die zien op de in de vraag genoemde terreinen.
Hoe wordt de samenwerking tussen gemeenten, de Arbeidsinspectie, politie en andere instanties momenteel vormgegeven, en waar schiet deze tekort?
Het algemene beeld is dat de samenwerking in de meeste gevallen goed verloopt. Wel zijn er signalen dat in situaties van meervoudige problematiek, waarbij handhaving nodig is op verschillende overtredingen die aan elkaar gerelateerd zijn en afstemming tussen meerdere instanties vereist, het nodige wordt gevraagd van de betrokken organisaties. Het kabinet gaat daarover in gesprek met onder andere gemeenten en de VNG.
Om een aantal voorbeelden te geven van waar de samenwerking goed gaat: gemeenten en de Arbeidsinspectie werken samen bij het uitwisselen van meldingen, gezamenlijke controles en via meer structurele samenwerkingsverbanden (zoals via het Haags Economisch Interventie Team). Ook heeft de VNG in afstemming met onder meer de Arbeidsinspectie de handreiking opgesteld voor beter toezicht op huisvesting en registratie van EU-arbeidsmigranten.
Politie en de Arbeidsinspectie werken onder meer samen tijdens controles, waar de politie geregeld meegaat ter bescherming van de arbeidsinspecteurs. Daarnaast haalt de politie waar nodig voertuigen van de openbare weg naar controlelocaties zodat arbeidsinspecteurs kunnen controleren op de naleving van arbeidswetten ten behoeve van onder andere vrachtwagenchauffeurs en maaltijdbezorgers.
Bent u bereid te komen tot een landelijke, integrale aanpak waarbij huisvesting, arbeid en migratiebeleid nadrukkelijker met elkaar worden verbonden?
Het kabinet werkt onder coördinatie van de Minister van SZW aan een landelijke, integrale aanpak, zoals ook genoemd in het antwoord op vraag 14.
Welke concrete aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om situaties zoals in Carnisse daadwerkelijk te beëindigen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 tot en met 8 aangegeven is het doorgaans de gemeente die verantwoordelijk is voor het directe toezicht en de handhaving op de misstanden die in het artikel staan beschreven. Zoals terug te lezen is in het antwoord op vraag 14 en 16 zet het kabinet verschillende maatregelen door om misstanden tegen te gaan. Ook bij evaluaties van bestaande wetten, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur, zal er aandacht zijn voor de effectiviteit van de geëvalueerde wetten, en de praktijkwerking daarvan.
Dit neemt niet weg dat de in het artikel beschreven situatie schrijnend is en dat de handhaving in sommige gemeenten te kort kan schieten. Het kabinet gaat hierover het gesprek met gemeenten, VNG, de Arbeidsinspectie en andere betrokken partijen graag aan.
Kent u het rapport «Femicide in de Nederlandse rechtspraktijk: juridische erkenning en straftoemeting»?1
Ja.
Waarom ontbreekt tot op heden een eenduidige definitie van femicide binnen de Nederlandse rechtspraktijk? Wanneer kan de Kamer een definitie verwachten?
Deelt u de mening dat het van belang is om tot een landelijke en juridisch toepasbare definitie van femicide te komen zodat politie, Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak hetzelfde toetsingskader hanteren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat dat internationale organisaties zoals de World Health Organization en United Nations Women een bredere en explicieter gender gerelateerde definitie van femicide hanteren dan momenteel in Nederland gebruikelijk is? Zo ja, bent u bereid de definities en aanbevelingen van deze organisaties mee te nemen bij het opstellen van een Nederlandse definitie van femicide? En zo ja, wanneer kunnen we dat tegemoet zien?
Gaat u gevolg geven aan de aanbeveling uit het genoemde onderzoek om «femicidezaken» consequenter als zodanig te laten benoemen omdat dit zorgt voor een betere registratie en monitoring van femicide en bijdraagt aan maatschappelijke bewustwording van gender gerelateerd dodelijk geweld? Zo ja, op welke wijze gaat u deze aanbeveling uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van respondenten uit het onderzoek die voorstander zijn «van de introductie van femicide of gender gerelateerde kenmerken als wettelijke strafverzwaringsgrond, omdat dit kan bijdragen aan het structureler (h)erkennen van gender gerelateerde kenmerken in de strafrechtspraktijk»? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van de onderzoekers dat verdere specialisatie binnen de strafrechtpraktijk en versterking van kennis over gender gerelateerd geweld van belang is? Zo ja, waarom en hoe gaat u deze specialisatie bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat rode vlaggen zoals stalking, dwingende controle, psychisch geweld, obsessief gedrag tijdens en zelfs na een relatiebreuk structureel beter moeten worden herkend? Welke concrete acties worden thans hiertoe ondernomen door de justitiële keten? Kunt u dat onderbouwen?
Bent u bereid in overleg te treden met het OM en de rechterlijke macht over het verbeteren van dossiervorming om femicide te kunnen herkennen en te erkennen?
Bent u bereid de mogelijkheid te bespreken om ook zaken waar sprake is van vrouwenmoord, maar de dader niet vervolgd kan worden omdat hij na de daad een einde aan zijn eigen leven heeft gemaakt in de toekomst ook te kunnen registreren als femicide?
Bent u bereid een kabinetsreactie inclusief voorgestelde maatregelen binnen zes weken naar de Kamer te sturen?
Ja, zoals reeds toegezegd in de aanbiedingsbrief.
De veiligheid van WhatsApp en andere versleutelde communicatiediensten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen uit de twee Bloomberg-onderzoeken van 29 januari 20261 en 28 april 20262?
Ja.
Beschouwt u het als zorgwekkend dat de onderzoeker stelt dat Meta alle tekstberichten, foto's, audio- en video-opnames in onversleutelde vorm kan opslaan en bekijken en dat Meta sinds ten minste 2019 een «gelaagd machtigingssysteem» hanteert dat toegang verleent aan opdrachtnemers en een significant aantal buitenlandse medewerkers in India?
Ja, doorbreking van verwachte beveiliging is in algemene zin zorgwekkend. Het is wel goed om te vermelden dat berichten in WhatsApp tussen verzender en ontvanger in principe versleuteld zijn. Alleen berichten die worden verzonden naar de Meta AI middels het commando «@Meta AI» gevolgd door een vraag, zijn in te zien door Meta. De rest van de berichtenconversatie blijft volgens Meta versleuteld. WhatsApp heeft wel toegang tot zogenoemde verkeersgegevens (metagegevens).
Andere, niet zakelijk gebruikte diensten van Meta, waaronder Messenger binnen Facebook en Direct Messenger op Instagram, hebben een ander beschermingsniveau.
Beschouwt u de verklaringen van voormalige opdrachtnemers van Accenture dat zij en Meta-medewerkers «onbeperkte toegang» hadden tot versleutelde WhatsApp-berichten als zorgwekkend?
Zie antwoord op vraag 2.
Indien het antwoord op ten minste een van bovenstaande twee vragen bevestigend luidt, welke consequenties verbindt u hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Het beleid en de bestaande gedragsregeling voor de digitale werkomgeving voor bewindspersonen en ambtenaren blijft op dit moment ongewijzigd. Zoals toegelicht in de beantwoording van het informatieverzoek van het lid Kathmann (GL-PvdA)3 heeft de Rijksoverheid voor medewerkers de gedragsregeling voor de digitale werkomgeving opgesteld en geactualiseerd in oktober 2025. De gedragsregeling geeft medewerkers een kader voor het gebruik van digitale middelen zoals berichtenapps, en geeft aan dat het gebruik van berichtenapps enkel voor informeel gebruik is. Het advies luidt: app met beleid maar niet over beleid. Dit advies is ook overgenomen en herhaald in het cyberadvies Phishing via chatapps Signal en WhatsApp.4 Deze lijn is ook onderdeel van de basisopleiding digitale weerbaarheid die verplicht is voor alle rijksmedewerkers. De gedragsregeling, in combinatie met de basisopleiding, draagt bij aan zorgvuldige omgang met communicatiemiddelen en heeft een risicoreducerend effect op het gebruik daarvan. Op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om de gedragsregeling te herzien en roept het alle medewerkers op deze na te leven, zodat een veilige digitale werkomgeving wordt gewaarborgd.5 Advies aan Nederlanders die gebruik maken van chatapps, is zich bewust te zijn van mogelijke veiligheidsrisico’s. Over de privacyrisico’s van WhatsApp is informatie beschikbaar op veiliginternetten.nl. Sinds kort is er ook de mogelijkheid een check te doen op de veiligheid van apps via www.appinspector.nl.
Voor bewindspersonen is er het handboek voor bewindspersonen (het «Blauwe boek»).6 Hierin staan aanwijzingen voor de omgang met digitale middelen.
Bent u bekend met de Amerikaanse CLOUD Act, op grond waarvan de Amerikaanse overheid van in de VS gevestigde bedrijven zoals Meta kan eisen dat zij toegang verlenen tot opgeslagen gebruikersdata, ook wanneer deze betrekking heeft op buitenlandse gebruikers? Zo ja, welke consequenties verbindt de regering hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Ja, ik ben bekend met de CLOUD Act. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4 blijft het beleid en bestaande gedragsregeling voor ambtenaren voor de digitale werkomgeving ongewijzigd.
Acht u het mogelijk dat vertrouwelijke communicatie – ondanks de maatregelen die voortvloeien uit de Archiefwet – via Whatsapp wordt verstuurd door ambtenaren en bewindspersonen?
De gedragsregeling voor de digitale werkomgeving resp. het handboek voor bewindspersonen geldt voor iedereen die voor de Rijksoverheid werkzaamheden uitvoert en daarbij gebruikt maakt van de digitale werkomgeving van de Rijksoverheid. Deze regeling sluit aan op de Gedragscode Integriteit Rijk en alle ambtenaren dienen zich hieraan te houden.
Welke concrete maatregelen treft u op korte termijn om te voorkomen dat vertrouwelijke bestuurlijke communicatie via WhatsApp plaatsvindt, mede gelet op de ernstige twijfels over de daadwerkelijke end-to-endversleuteling?
De diensten hebben recent een cyberadvies gepubliceerd. Daarnaast is er binnen de Rijksoverheid veel aandacht geweest om niet over beleid te communiceren per chatapplicaties en vooral geen gerubriceerde en gevoelige gegevens te versturen via chatapplicaties.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de vraag of WhatsApp-berichten daadwerkelijk end-to-end versleuteld zijn en niet toegankelijk zijn voor Meta, haar medewerkers, opdrachtnemers of andere derden? Zo nee, waarom niet?
We richten onze capaciteit en inspanningen op het realiseren van eigen, veilige digitale voorzieningen. De Rijksoverheid is bezig met een plan voor de ontwikkeling van een eigen, soevereine chatapplicatie voor communicatie tussen ambtenaren onderling. Hierbij maken we, onder andere via het Europees Consortium voor Digitale Infrastructuur (EDIC), gebruik van kennis en ervaring opgedaan door andere Europese lidstaten.
Zijn er op dit moment voor bewindspersonen en ambtenaren alternatieve communicatiediensten met end-to-end-versleuteling beschikbaar? Zo ja, welke, en worden deze in de praktijk gebruikt?
We draaien een pilot met een Europese, zakelijke berichtenapp, die voldoet aan hoge eisen op het gebied van veiligheid, privacy, datacontrole en opslag van berichten. Deze app wordt momenteel getest binnen een beperkte groep gebruikers. Op basis van die ervaringen bekijken we hoe we de kennis en ervaring kunnen onderbrengen in de eigen, soevereine chatapplicatie voor communicatie tussen ambtenaren onderling.
Hanteert u bij de selectie van communicatiediensten voor overheidsgebruik als criterium dat de implementatie van end-to-end-versleuteling onafhankelijk verifieerbaar moet zijn via openbare broncode, en zo nee, is de regering bereid dit criterium alsnog in te voeren?
De in te richten soevereine chatoplossing zal open source zijn.
Bent u bereid het NCSC te verzoeken een vergelijkende veiligheidsanalyse op te stellen van beschikbare open source communicatiediensten – waaronder Signal, Element/Matrix en Wire – met als specifiek doel te beoordelen welke dienst geschikt is voor vertrouwelijke bestuurlijke communicatie?
In 2025 heeft het CIO-beraad van de Rijksoverheid besloten tot het vergroten van soevereiniteit en autonomie via implementatie van een zelf ontwikkelde Rijkschatapplicatie op basis van Matrix/Elements. Matrix/Elements wordt tevens in andere Europese lidstaten gebruikt. In augustus wordt in het CIO-beraad het projectvoorstel voor de autonome chatvoorziening voor communicatie tussen ambtenaren onderling behandeld. Bij de implementatie hiervan wordt rekening gehouden met de noodzakelijke veiligheids- en privacy aspecten.
Bent u bereid een voorlichtingscampagne te starten gericht op burgers, ambtenaren en bewindspersonen, waarin wordt gewezen op de ernstige twijfels die bestaan over de vertrouwelijkheid van WhatsApp-berichten? Zo nee, waarom niet?
Ambtenaren en bewindspersonen worden regelmatig geïnformeerd over het gebruik van digitale diensten, zoals door het recent gepubliceerde cyberadvies van de AIVD en MIVD7.
Inwoners worden doorlopend geïnformeerd via campagnes die erop gericht zijn om de eigen digitale weerbaarheid te vergroten. Bijvoorbeeld via campagnes als «Dubbel beveiligd is dubbel zo veilig» en «Laat je niet interneppen». De beweringen van de onderzoeker vormen op dit moment onvoldoende aanleiding om een dergelijke campagne te kunnen verantwoorden.
Het nieuwsbericht dat bruggen, sluizen en wegen in verval raken, maar het geld voor de hoognodige reparaties ontbreekt |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit nieuwsartikel?1
Ja.
Hoeveel bruggen, viaducten, tunnels en sluizen verkeren in een slechte staat en wat is bij ieder van deze objecten het risico op instorten? Kunt u een allesomvattende lijst toezenden?
Op 8 december 2025 zijn de rapportages over de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail met de Kamer gedeeld.2 In deze rapportages wordt per netwerk inzicht gegeven in de resterende levensduur en veiligheidsrisico's.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over het aantal kunstwerken dat in een slechte staat verkeert, te weten kunstwerken met gebruiksbeperkingen en/of kunstwerken die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 kunstwerken met een gebruiksbeperking en 104 kunstwerken die onder een verhoogd inspectieregime staan. Het «risico op instorten» is geen indicator, aangezien de veiligheid van (vaar)weggebruikers reeds wordt gewaarborgd door middel van gebruiksbeperkingen en inspecties.
In de ProRail-rapportage is aangegeven dat de algemene staat van de Nederlandse spoorweginfrastructuur gemiddeld genomen wordt beoordeeld als «ruim voldoende». De technische prestaties zijn beheersbaar, de betrouwbaarheid is goed en de veiligheid van de assets blijft geborgd. Ondanks de beoordeling «ruim voldoende» laat de ontwikkeling over de afgelopen vijf jaar een neerwaartse trend zien. Daarnaast verwacht ProRail dat de opgave in de komende tien tot vijftien jaar verder zal toenemen, met name voor (beweegbare) bruggen, bovenleidingsystemen, tunneltechnische installaties en beveiligingssystemen (in samenhang met ERTMS-programma).
Als, volgens u, 60% van de bruggen op het hoofdwegennet de levensduur al heeft bereikt of zelfs heeft overschreden, wat zegt dit dan over het risico dat Nederlanders lopen door hier overheen en/of onderdoor te rijden?
Om de veiligheid van de gebruikers zo veel mogelijk te waarborgen, vinden er extra inspecties plaats en worden er indien nodig beheersmaatregelen genomen. Voorbeelden hiervan zijn ondersteuningsconstructies of ingrijpende beperkingen, zoals snelheidsverlagingen, gewichtsbeperkingen of zelfs langdurige afsluitingen. Voor IenW, waaronder Rijkswaterstaat, staat veiligheid voorop.
Bent u van mening dat het niet langer uit te leggen is dat er geen extra geld wordt vrij gemaakt voor de verouderde infrastructuur nu de negatieve gevolgen alsmaar toenemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorg over negatieve gevolgen door verouderde infrastructuur. Het is positief dat in het coalitieakkoord extra middelen zijn vrijgemaakt na 2030.
Ondanks deze middelen, zijn de opgaven en ambities op het gebied van infrastructuur groot, en zijn de beschikbare middelen en mensen schaars. Daarom is het onvermijdelijk dat er scherpe keuzes moeten worden gemaakt. Dit is toegelicht in de Kamerbrief Prioritering Mobiliteitsfonds en Deltafonds van 16 maart.3 Om die reden werkt IenW aan een prioritering over de gehele breedte van de infrastructurele opgaven om het beschikbare geld zo goed en efficiënt mogelijk aan het werk te zetten voor Nederland.
In de Kamerbrief die uw Kamer voorafgaand aan het commissiedebat Strategische Keuzes Bereikbaarheid van 23 juni heeft ontvangen, wordt een afweegkader gepresenteerd op basis waarvan de prioritering zal plaatsvinden. Het gesprek over dit afweegkader vindt plaats tijdens voornoemd debat.
Hoe gaat u onderhoud van bestaande infrastructuur prioriteit geven terwijl ook bestaande fileknooppunten, waaronder maar niet uitsluitend knooppunt A1 Hoevelaken en de N35, worden opgelost?
Over de volle breedte van beide fondsen én de middelen uit het coalitieakkoord zal er geprioriteerd worden, zowel over de infrastructurele opgaven als over de dekking hiervan. De prioritering betreft zowel de exploitatie, onderhoud en vernieuwing van bestaande infrastructuur als de ontwikkeling van nieuwe infrastructuur, waaronder de ontwikkeling rondom bestaande fileknooppunten.
Middels deze prioritering zet IenW zich in om gedurende deze kabinetsperiode de meest urgente instandhoudings- en MIRT-projecten van voldoende budget te voorzien, zodat deze kunnen worden voorbereid en kunnen worden uitgevoerd. Er worden vooraf geen projecten of programma’s uitgesloten van deze prioritering, met uitzondering van de (deel)projecten waarbij reeds juridische verplichtingen zijn aangegaan.
Hoeveel geld is er nodig om te voldoen aan de gehele onderhoudsopgave en hoeveel komt u tekort?
De Algemene Rekenkamer heeft in haar verantwoordingsonderzoek over 2025 aangegeven dat voor de gehele instandhoudingsopgave van Rijkswaterstaat een bedrag van circa € 75,3 miljard nodig is voor de periode 2025 tot en met 2039. In diezelfde periode wordt er in het Mobiliteitsfonds en Deltafonds voor een bedrag van circa € 40,9 miljard ter beschikking gesteld. Het geraamde tekort in die periode wordt daarmee in het verantwoordingsonderzoek geraamd op circa € 34,5 miljard voor de instandhouding van alle drie de RWS-netwerken.
Het tekort op de exploitatie, onderhoud en vernieuwing van het spoornetwerk bedroeg conform de brieven van 15 juli 20254 en 23 januari 20265 circa € 20 miljard. Het gaat daarbij om instandhouding, ERTMS, de HSL, TEN-T en de Nedersaksenlijn. Van het tekort van ca. € 20 miljard bedraagt het nieuw berekende instandhoudingstekort, waar in de brief van 23 januari 2026 naar wordt verwezen inclusief gehonoreerde claims in het kader van de voorjaarsbesluitvorming 2026, circa € 3,1 miljard. Dit tekort bestaat voor circa € 2,1 miljard uit indexatiespanning (prijspeil 2025).
In het coalitieakkoord worden er extra middelen beschikbaar gesteld voor het beheer en onderhoud van infrastructuur en voor de ontsluiting van nieuwe woningbouwlocaties. Hiervoor wordt in de periode 2031 tot en met 2035 jaarlijks € 1,1 miljard euro beschikbaar gesteld. Vanaf 2036 is structureel € 500 miljoen euro per jaar beschikbaar.
Hoeveel economische schade ontstaat er jaarlijks als gevolg van uitgestelde werkzaamheden, omleidingen, afsluitingen, filevorming en overige noodmaatregelen?
Het Kennisinstituut Mobiliteit van IenW heeft in 2023 onderzoek gedaan naar de maatschappelijke kosten als gevolg van files. Deze zijn voor het hoofdwegennet berekend op circa € 2,7–3,5 miljard euro per jaar. Een gedetailleerd inzicht van de economische schade als gevolg van de andere gevraagde factoren valt niet te geven.
Welke concrete maatregelen bent u van plan te nemen om verdere achteruitgang tegen te gaan?
Het kabinet blijft zich ondanks de schaarste aan middelen en mensen, inzetten om binnen de beschikbare ruimte de basisuitvoering van Rijkswaterstaat te borgen, conform de aangenomen motie Stoffer/Grinwis over de uitvoeringscapaciteit van Rijkswaterstaat.6
Om de basis van onze infrastructuur weer op orde te krijgen en op deze goede basis uiteindelijk weer verder te kunnen bouwen, moet er over de gehele breedte van de infrastructurele opgaven worden geprioriteerd. Om te komen tot een politiek gedragen en voor Nederland optimale uitkomst van deze prioritering zetten we vier stappen:
Kunt u garanderen dat er in Nederland nooit een viaduct, brug, tunnel of sluis zal instorten als het gevolg van uitgestelde, dan wel niet-uitgevoerde, herstelwerkzaamheden vanwege geldgebrek? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Rijkswaterstaat en ProRail hanteren strenge inspectieregimes en voeren regelmatig inspecties uit aan de objecten en/of de assets. Veiligheid staat daarbij voorop. Als de veiligheid niet kan worden gegarandeerd, worden er beheersmaatregelen genomen of worden objecten en/of de assets afgesloten. Hiermee wordt de veiligheid zo veel als mogelijk gewaarborgd en worden de wettelijke vereisten ten aanzien van de constructieve veiligheid in acht genomen.
Kinderdagcentra |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoeveel kinderen staan op dit moment op een wachtlijst voor een kinderdagcentrum (KDC) in elk van de vier grote steden? Is dit aantal de afgelopen jaren toe- of afgenomen?
Deze gegevens zijn mij niet bekend. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van jeugdhulp. Inzicht in wachttijden gebeurt dus in eerste instantie op gemeentelijk en regionaal niveau. Met de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (regio-indeling) worden knelpunten bij contractering van specialistische jeugdzorg aangepakt. Dit kan bijdragen aan de aanpak van wachttijden. Daarnaast moeten gemeenten in hun regiovisie aangeven hoe ze werken aan de aanpak van wachttijden en hoe ze met elkaar maximaal aanvaardbare wachttijden formuleren (en daarmee het goede gesprek voeren). Vanuit het programma Standaardisatie van de Hervormingsagenda Jeugd wordt in een project gewerkt aan landelijke kaders om wachttijden op landelijk niveau in beeld te kunnen brengen.
Uit een landelijke uitvraag van Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN), onder aangesloten KDC’s, blijkt dat er in veel regio’s wachttijden voor dagbehandeling op een KDC zijn ontstaan. Zoals beschreven in de beleidsreactie Druk op de keten1, leidt schaarste in de keten tot opwaartse druk. Bijvoorbeeld: Door een gebrek aan passende lichtere vormen van aanbod (bijvoorbeeld door extra ondersteuning in de kinderopvang aan te bieden) wordt er gebruikgemaakt van het zwaardere, specialistische aanbod (KDC’s), waardoor daar wachttijden ontstaan. Daarnaast zijn er knelpunten bij de uitstroom naar (speciaal) onderwijs, waardoor kinderen soms langer dan noodzakelijk op het KDC verblijven.
Hoe lang moet een kind gemiddeld ongeveer wachten op een plek in een KDC in elk van de vier grote steden? Is deze wachttijd de afgelopen jaren toegenomen? Zo ja, hoe komt dit?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe heeft het aantal (operationele) KDC-plekken in elk van deze vier gemeenten zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Is het aantal operationele (waarvoor dus ook de benodigde zorgmedewerkers beschikbaar zijn) KDC-plekken de afgelopen jaren toe- of afgenomen? Indien er sprake is van een afname, waardoor wordt dit veroorzaakt?
Deze gegevens zijn mij niet bekend. Uit de landelijke uitvraag van VGN, onder aangesloten KDC’s, blijkt dat het aantal KDC-plekken de afgelopen jaren is toegenomen.
Is u bekend dat de wachttijd voor een KDC-plek in Den Haag inmiddels twee jaar is1?
Ja.
Bent u ermee bekend dat Jeugdhulp Haaglanden een wachttijd voor een KDC-plek van meer dan 90 dagen als «schadelijk» definieert?2 Bent u het hiermee eens? Zo nee, waarom niet?
Een lange wachttijd kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van kinderen. Dit is niet direct oplosbaar, maar ik vind het goed dat jeugdhulp Haaglanden een duidelijke stip op de horizon zet om de wachttijden terug te dringen door een concrete norm te stellen.
Kan een KDC-wachttijd van twee jaar ertoe leiden dat een kind niet op tijd «schoolbaar» is waardoor het geen (speciaal) onderwijs kan ontvangen zodra het kind de leerplichtige leeftijd heeft bereikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wie is hiervoor (primair) verantwoordelijk en welke rol ziet u voor zichzelf weggelegd om te voorkomen dat (leerplichtige) kinderen geen onderwijs kunnen ontvangen en thuis komen te zitten omdat ze niet op tijd «schoolbaar» zijn vanwege een gebrek aan KDC-plekken zijn?
Met een dergelijk lange wachttijd krijgen kinderen niet tijdig hulp, waardoor problemen groter kunnen worden. Het is van belang om te benadrukken dat ik mij, samen met mijn collega’s van SZW en OCW, wil richten op het voorkomen van problemen, waarbij er nadrukkelijk meer aandacht is voor de sociale context van een kind.
Om toeleiding naar een KDC te voorkomen is het van belang in te zetten op versterking van het systeem om het kind heen, waaronder de ouders. Zo kunnen gemeenten inzetten op de ketenaanpak Kansrijke Start om (toekomstige) gezinnen, in een kwetsbare situatie, vanuit hun hulpbehoefte tijdig en passende ondersteuning en zorg krijgen aangeboden tijdens de eerste 1.000 dagen van een kind.
Ook kunnen gemeenten bepalen welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatie, waardoor vroegtijdig kan worden ingezet op het stimuleren van de ontwikkelingskansen van kinderen. De gezamenlijke visie van VWS, OCW en SZW is dat we inzetten op zoveel mogelijk inclusieve oplossingen, waardoor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte, binnen de reguliere kinderopvang en het onderwijs, passend worden ondersteund. Het uitbouwen van speciaal aanbod (zoals KDC’s) voor individuele kinderen is daarmee niet het ultieme doel. Hier stappen in zetten is niet alleen een opgave voor de Rijksoverheid. Er ligt een belangrijke opgave bij de gemeenten, de kinderopvang, onderwijs, jeugd(gezondheids-)zorg, opleidingen en professionals. De vier grote steden zijn dan ook actief bezig met getransformeerde inclusieve en wijkgerichte voorzieningen voor jonge kinderen in samenwerking tussen kinderopvang4, onderwijs en jeugdhulp5.
Kan de Kamer de beantwoording ontvangen voor het aanstaande debat over «passend onderwijs»?
Ja.
Het uitsluiten van mensen met psychiatrische aandoeningen bij levens- en uitvaartverzekeringen |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat mensen met psychische problemen bij een aantal levens- en uitvaartverzekeringen worden geweigerd omdat zij een «hoger gezondheidsrisico dan gemiddeld» hebben? Bent u ervan op de hoogte dat veel verzekeraars een uitsluitingsclausule hebben bij overlijden door suïcide?
Het is belangrijk dat ook mensen met psychische aandoeningen toegang hebben tot verzekeringen. Zij hebben in beginsel de mogelijkheid om een levens-en uitvaartverzekering af te sluiten en hebben daarmee toegang tot het verzekeringsstelsel. Wel kan het voorkomen dat verzekeraars aanvragen afwijzen wanneer het risico op eerder overlijden aanzienlijk hoger is dan dat van leeftijdsgenoten zonder de (psychische) diagnose, klachten of aandoeningen. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 2.
Overlijden door zelfdoding is ook bij verzekeraars gedekt, mits het overlijden plaatsvindt na een vooraf vastgestelde periode na afsluiting van de verzekering. Deze periode, meestal één jaar tot twee jaar, is veelal opgenomen in de polisvoorwaarden van het betreffende verzekeringsproduct. Gedurende deze periode bestaat nog geen recht op uitkering als de verzekerde overlijdt als gevolg van suïcide. De bepaling is onder meer bedoeld om te voorkomen dat zelfdoding, in combinatie met een verzekeringsuitkering, als oplossing voor financiële problemen wordt gezien.
Zijn dergelijke uitsluitingsclausules toegestaan? Is het verzekeringen toegestaan om het gezondheidsrisico van mensen te beoordelen en op basis daarvan te besluiten of zij zich kunnen verzekeren? Zo ja, wat zijn de criteria of besluiten verzekeraars dit zelf? Is het ook toegestaan als het gaat om lichamelijke gezondheidsproblemen of leeftijd?
Bij vrijwillig af te sluiten verzekeringen mag een verzekeraar een inschatting maken van het risico dat de klant vroegtijdig overlijdt. Op basis van het (gezondheids)risicoprofiel van de klant beoordeelt de medisch adviseur van de verzekeraar de aanvraag. Dit proces, de medische acceptatie, is nodig omdat de verzekeraar een risico overneemt van de klant: als die overlijdt, keert de verzekeraar een bedrag uit. Om de hoogte van de premie te kunnen bepalen, moet de medisch adviseur een inschatting maken van het risico. Daarbij is het van belang dat het inschatten van risico’s op een deskundige en objectieve manier gebeurt. Verzekeraars moeten zich houden aan wetgeving en gedragscodes zoals de Wet op de Medische Keuringen (WMK), het Protocol Verzekeringskeuringen en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: Wgbh/cz).
Wanneer sprake is van een verhoogd risico ten opzichte van leeftijdsgenoten zonder de diagnose of klachten, kan de verzekeraar verschillende maatregelen nemen. Zo kan de verzekeraar bijvoorbeeld een hogere premie in rekening brengen of besluiten het verzoek tot verzekering af te wijzen. Binnen de kaders van de wet, zoals het verbod op discriminatie, beschikken verzekeraars over een ruime mate van contractsvrijheid; zij mogen zelf bepalen welke voorwaarden, premies, en acceptatiecriteria zij hanteren.
Is dit ook toegestaan als de psychische problemen beginnen na de eerste polisjaren?
Bij het afsluiten van een levensverzekering maakt de verzekeraar een inschatting van het risico op basis van de op dat moment beschikbare informatie over de gezondheid en leefstijl van de verzekerde, vaak via een gezondheidsverklaring. Mede op basis hiervan worden de polisvoorwaarden en de hoogte van de premie vastgesteld. Veranderingen in de gezondheidstoestand nadat een verzekering door de verzekeraar is geaccepteerd, zoals het ontstaan van psychische problemen, hebben geen invloed op reeds lopende verzekeringen. De verzekerde is bovendien niet verplicht om dergelijke wijzigingen in de gezondheidstoestand aan de verzekeraar te melden.
Deelt u de mening dat deze uitsluiting een vorm van indirecte discriminatie is op grond van handicap of chronische ziekte, zoals bedoeld in de Wet gelijke behandeling en haaks staat op het VN-verdrag Handicap?
Zowel op grond van de Wgbh/cz als het VN-Verdrag Handicap is discriminatie tegen mensen met een beperking niet toegestaan. Het aanbieden van levens- en uitvaartverzekeringen valt onder de reikwijdte van de Wgbh/cz. De Wgbh/cz verbiedt indirect onderscheid tenzij dit objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. Als een verzekeraar iemand weigert vanwege een psychische aandoening moet hij kunnen uitleggen waarom dit objectief gerechtvaardigd is. Indien een persoon van mening is dat er sprake is van (indirecte) discriminatie door een verzekeraar, dan kan hierover een klacht worden ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens.
Kunt u toelichten of verzekeraars voldoende onderbouwing leveren voor dit onderscheid, en hoe wordt getoetst of het onderscheid proportioneel en gerechtvaardigd is?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, zijn verzekeraars in beginsel vrij om hun eigen acceptatiebeleid te voeren en te bepalen welke criteria zij hanteren om een verzekeringsaanvraag af te wikkelen, mits zij niet in strijd handelen met wettelijke bepalingen. Het is daarbij belangrijk dat verzekeraars hun overwegingen kunnen uitleggen aan de aanvrager van de verzekering. Consumenten kunnen een klacht indienen bij het College voor de Rechten van de Mens of de rechter als zij menen dat ze onterecht zijn afgewezen.
Bent u bereid om met de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en het College voor de Rechten van de Mens in gesprek te gaan over deze uitsluitingspraktijken?
Ik vind de toegankelijkheid en betaalbaarheid van financiële producten, zoals levens- en uitvaartverzekeringen, van groot belang. Daarnaast vind ik het belangrijk dat verzekeraars zich bewust zijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid als het gaat om deze toegankelijkheid. Hierover spreken de betrokken ministeries doorlopend met onder meer met het Verbond van Verzekeraars en andere belanghebbenden. Omdat mensen met psychische aandoeningen binnen de hierboven genoemde kaders wel mogelijkheden hebben om een levens-en uitvaartverzekering af te sluiten, zie ik op dit moment onvoldoende aanleiding om aanvullende regels te stellen. Uiteraard blijf ik alert op signalen uit de samenleving hierover, en mocht zich relevante ontwikkelingen voordoen, dan zal ik alsnog het gesprek hierover met hen aangaan.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met verzekeraars en andere instanties om gelijke toegang tot financiële producten te garanderen voor mensen met een psychische kwetsbaarheid?
Zie antwoord vraag 6.
Het recht op reparatie |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de huidige stand van zaken van Right to Repair en de concrete uitvoering van deze wetgeving?
Met de term «right to repair» wordt verwezen naar Richtlijn (EU) 2024/1799 betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen. Op dit moment wordt deze richtlijn in nationaal recht geïmplementeerd. Het implementatiewetsvoorstel is voor advies aangeboden aan de Raad van State. Het advies wordt deze zomer verwacht. Daarna wordt het wetsvoorstel naar de Staten-Generaal gestuurd. De implementatie van het wetsvoorstel wordt voltooid na instemming van de Tweede en Eerste Kamer met het wetsvoorstel.
Op grond van de wetgeving worden bedrijven verplicht om een groot aantal producten1 op verzoek van de consument te repareren wanneer deze defect zijn. Wat betreft de uitvoering van de richtlijn voorziet het kabinet geen hoge lasten voor bedrijven om aan de nieuwe bepalingen te voldoen. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) oordeelde op 5 november 2025 geen aanleiding te zien een formeel adviespunt te geven over de berekening van de regeldruk voor bedrijven.
Bent u bekend met het TNO-onderzoek1 waaruit blijkt dat consumenten door reparatie en revisie van onder meer wasmachines, smartphones en e-bikeaccu’s tientallen tot honderden euro’s kunnen besparen en producten jarenlang langer kunnen gebruiken? Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de circulaire economie en het verminderen van grondstoffengebruik?
Ja, ik ben bekend met het onderzoek. De uitkomsten bevestigen dat de transitie naar een circulaire economie niet alleen in het belang is van het verminderen van (kritieke) grondstoffenverbruik (en daarmee onze afhankelijkheid daarvoor van derde landen) en CO2 uitstoot, maar ook besparingen op kan leveren voor ondernemers en consumenten. Daarom zet ik mij als coördinerend Minister ook vol in om de overgang naar een circulaire economie te versnellen. Voor meer informatie over de beleidsinzet in het kader van deze transitie verwijs ik graag naar het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) 2025.3
Welke nationale maatregelen kunnen er op korte termijn worden genomen om reparatie aantrekkelijker te maken en bent u bereid hiervoor concrete voorstellen uit te werken?
Om reparatie te bevorderen, zijn (tenminste) drie zaken nodig. Ten eerste moeten spullen zo ontworpen zijn dat ze (makkelijker) te repareren zijn. Ten tweede is een goede reparatie-infrastructuur nodig, met voldoende beschikbare vakmensen om de reparaties uit te voeren. Ten derde moet het voor consumenten makkelijk en aantrekkelijk zijn om spullen te laten repareren.
Dit zijn dan ook de drie sporen waarlangs de huidige beleidsinzet voor reparatie is ingericht: (1) beter productontwerp, met name via ontwerpeisen op EU niveau onder de Ecodesignregelgeving; (2) versterking van de reparatie-infrastructuur en -vakmanschap, bijvoorbeeld door aandacht voor reparatie in het onderwijs en het opzetten van een Nationaal Reparateursregister; en (3) consumenten stimuleren om hun producten te (laten) repareren, bijvoorbeeld door betere informatie voor consumenten en door reparatie goedkoper te maken.
Voor meer details over de beleidsinzet op de genoemde sporen verwijs ik graag naar de Kamerbrief «reparatie in de circulaire economie»4 en de Kamerbrief over uitvoering van de motie Stoffer over reparatie en hergebruik van elektrische en elektronische apparatuur.5
Verder wordt de Kamer binnenkort door de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst geïnformeerd over de bijdrage van de fiscaliteit aan meer reparatie van huishoudelijke apparaten en andere productgroepen, naar aanleiding van de motie Grinwis.6
Bent u bereid om in nationale aanbestedingen voorwaarden op te nemen die producenten stimuleren producten terug te nemen, te hergebruiken en repareerbaar te ontwerpen? Zo nee, waarom niet?
Aanbestedende diensten hebben binnen de aanbestedingskaders de autonomie om diverse belangen af te wegen en te vertalen naar voorwaarden in hun aanbestedingen. Ik ondersteun het opnemen van voorwaarden in overheidsaanbestedingen die levensduurverlenging en hoogwaardige recycling van producten bevorderen. Dit doe ik met de Agenda Maatschappelijk verantwoord opdrachtgeven en inkopen (MVOI) 2026–2030 die dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd. Hiermee worden overheden gestimuleerd en ondersteund om circulair in te kopen. Dit gebeurt via Buyer Groups, de mvi-criteriatool en het Versnellingsnetwerk Circulair Inkopen voor productketens zoals bedrijfskleding, ICT en zonnepanelen. Terugname, hergebruik, repareerbaarheid en hoogwaardige recycling zijn daarbij belangrijke onderdelen.
Ten aanzien van de Rijksinkoop wordt dit jaar tevens de actualisatie van de Rijksinkoopstrategie, onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, naar de Kamer gestuurd. Hierin wordt in de hernieuwde beleidsstrategie MVOI ook ingezet op levensduurverlenging en hoogwaardige recycling. Overigens kan het per productketen verschillen hoe levensduurverlenging het beste geborgd kan worden. Zo is het soms beter om een product zo lang mogelijk in eigen beheer te behouden voor meerdere levens, en is het in andere gevallen gunstiger om een product-as-a-service-model op te zetten. Van beide zijn voorbeelden te vinden bij het Rijk, zoals kantoormeubilair dat in eigen beheer blijft en ICT, dienstauto’s of printers die worden ingekocht als product-as-a-service.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om de bewijslast binnen de wettelijke garantieperiode verder richting producenten te verschuiven, zodat consumenten eenvoudiger aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging bij defecten?
Het is belangrijk te benadrukken dat de consument een koopovereenkomst sluit met de verkoper en niet met de producent. De wettelijke garantierechten kunnen dan ook uitsluitend richting de verkoper worden ingeroepen. Met de implementatie van de EU-richtlijn verkoop goederen in het Nederlandse recht in 2022 geldt dat als er in het eerste jaar na aanschaf sprake is van een gebrekkig product de bewijslast bij de verkoper ligt om aan te tonen dat het product niet al gebrekkig was bij levering. Met deze implementatie werd de termijn van zes maanden, die voor de inwerkingtreding van de richtlijn werd gehanteerd, verdubbeld. Na twaalf maanden verschuift de bewijslast naar de consument. Dit betekent dat wanneer het gebrek zich na twaalf maanden voordoet, het aan de consument is om te bewijzen dat dit niet door zijn toedoen is gebeurd om aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging.
Bij de implementatie van de EU-richtlijn verkoop goederen is geprobeerd een goede balans te waarborgen tussen de bescherming van de positie van de consument enerzijds en de verplichtingen van de verkoper anderzijds. Naarmate de termijn tussen de aanschaf van een product en de openbaring van een gebrek van het product langer is, zal het voor een verkoper lastiger zijn te bewijzen dat het gebrek geheel of gedeeltelijk is veroorzaakt door het gebruik door de consument. Het verlengen van deze termijn naar bijvoorbeeld twee jaar zou daarmee voor de verkoper een onevenredige last betekenen. Op dit moment ziet het kabinet dan ook geen aanleiding om de bewijslast verder richting verkopers te verschuiven.
Welke financiële middelen zijn momenteel beschikbaar om reparatiebedrijven, revisiebedrijven en ondernemingen die producten circulair en repareerbaar ontwerpen op te schalen? In hoeverre acht u deze middelen voldoende om reparatie in Nederland structureel de norm te maken?
Reparatie is een belangrijke activiteit binnen een circulaire economie en reparatiebedrijven en andere ondernemingen kunnen in aanmerking komen voor subsidies gericht op het bevorderen van de transitie naar een circulaire economie.
Het NPCE 2030 bevat een overzicht van de structurele en incidentele middelen die beschikbaar zijn voor circulaire economie in de jaren 2025–2030.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn om reparatie te bevorderen niet alleen middelen nodig voor de genoemde ondernemingen, maar is een bredere beleidsinzet nodig. Het onderzoek van TNO en de NVCE laat zien dat reparatie nu in veel gevallen al loont. Toch kiezen veel consumenten nog voor vervanging, ook wanneer reparatie tot de mogelijkheden behoort en kosten zou besparen.
Ook het Burgerberaad Klimaat heeft in haar advies de betaalbaarheid van reparatie geadresseerd. Het kabinet heeft eveneens de ambitie om te zorgen dat spullen langer meegaan. Ik blijf dan ook prioriteit geven aan het bevorderen van reparatie als onderdeel van de beleidsinzet voor de transitie naar een circulaire economie.
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Het bericht dat het toeslagenstelsel duur, inefficiënt en schuldenveroorzakend is |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona sterk is toegenomen en dat in 2023 circa 658.000 keer toeslagen moesten worden teruggevorderd?1
Ja dat ben ik. Dit aantal betreft het aantal hoge terugvorderingen in 2023. Voor het jaar 2024 is dat gedaald naar 576.000.
Hoeveel huishoudens kampen momenteel met problematische schulden als gevolg van terugvorderingen van toeslagen en hoeveel mensen vragen toeslagen waar zij recht op hebben bewust niet aan uit angst voor terugbetalingen?
Het CBS brengt in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid periodiek kwantitatieve informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld.2 Daarbij wordt ook naar problematische schulden gekeken. Eén van de definities hierbij is: «Heeft langer dan 27 maanden een toeslagschuld van totaal minimaal 50 euro openstaan». Begin 2025 ging dat om 177.000 huishoudens.
Dienst Toeslagen rapporteert daarnaast periodiek over het niet-gebruik van toeslagen via de Monitor niet-gebruik toeslagen.3 Deze monitor geeft inzicht in de omvang van het geschatte niet-gebruik per toeslag en de kenmerken van huishoudens die mogelijk recht hebben op een toeslag, maar deze niet aanvragen. Het geschat niet-gebruik in huishoudens bedraagt volgens de monitor 12% voor de zorgtoeslag, 11% voor de huurtoeslag, 8% voor het kindgebonden budget en 3% voor de kinderopvangtoeslag.4 Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar factoren die kunnen bijdragen aan niet-gebruik van toeslagen. Uit onderzoek blijkt dat verschillende factoren een rol kunnen spelen bij het niet aanvragen van toeslagen, waaronder onzekerheid over het recht op een toeslag, de complexiteit van het toeslagenstelsel en zorgen over mogelijke terugbetalingen. De bestaande monitor en onderzoeken brengen echter niet specifiek in beeld in hoeverre angst voor terugvorderingen een doorslaggevende reden is om af te zien van een aanvraag. Het is niet bekend hoeveel mensen toeslagen waarop zij recht hebben bewust niet aanvragen vanwege het risico op terugbetalingen.
Erkent u dat het huidige toeslagenstelsel voor veel Nederlanders te ingewikkeld, onzeker en stressverhogend is en bovendien een armoedeval kan creëren doordat mensen toeslagen verliezen zodra zij meer gaan werken of verdienen?
Ik ben het met lid Moinat eens dat het toeslagenstelsel complex is. Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen. Door de vermogensgrens kan iemand door een paar euro teveel spaargeld het recht op toeslagen zelfs helemaal verliezen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er onwenselijke situaties kunnen ontstaan en mensen er ook voor kiezen om geen toeslag meer aan te vragen. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat hun marginale druk is en daardoor wat het oplevert om meer te gaan werken. Het is mijn ambitie om het systeem eenvoudiger, duidelijker en rechtvaardiger te maken. Hierbij streef ik ernaar het niet gebruik van toeslagen terug te dringen en het terugvorderen van toeslagen zoveel mogelijk te voorkomen
Hoeveel geld wordt jaarlijks uitgegeven aan de uitvoering, controle, handhaving en administratieve verwerking van toeslagen en hoeveel geld gaat verloren door fraude, fouten en uitvoeringskosten?
Op de begroting van het Ministerie van Financiën staat aan uitvoeringskosten voor Dienst Toeslagen een bedrag van € 178 mln. begroot voor 2026. De uitvoeringskosten die betrekking hebben op de hersteloperatie zijn hierin niet meegenomen. Er is geen aparte onderverdeling naar controle, handhaving en administratieve verwerking. De kosten die de Belastingdienst maakt voor de uitvoering van toeslagen zijn geraamd op € 211 mln. voor 2026. Totaal gaat het derhalve om € 389 mln. in 2026. Omdat fraude verborgen blijft zijn er geen cijfers beschikbaar over de vraag hoeveel geld verloren gaat door fraude en fouten. Zoals ook gemeld in de stand van zakenbrief van 18 december 2025 is het intensief toezicht bij Dienst Toeslagen in 2020 stilgelegd naar aanleiding van de toeslagenaffaire.5 Zoals daar ook beschreven is het intensief toezicht in fasen vanaf 2025 weer opgestart. Dat deze opstart recent heeft plaatsgevonden is een aanvullende reden dat geen actueel beeld te vormen is over de omvang van fraude bij toeslagen.
Klopt het dat in 2024 ongeveer 21 miljard euro aan toeslagen werd uitgekeerd en dat dit bedrag in tien jaar tijd bijna is verdubbeld? Hoe verklaart u deze stijging?
In 2024 is circa 20,7 miljard euro aan toeslagen verstrekt. Vergeleken met de 11,6 miljard euro in 2014 is dit inderdaad bijna een verdubbeling. Een deel van deze groei komt door de reguliere stijging van de huren, de zorgverzekering en de kosten van kinderopvang, waardoor de toeslagen voor deze uitgaven meegroeien. Het kindgebonden budget stijgt uiteraard ook mee met de inflatie. Die bedroeg volgens het CBS circa 32% van 2014 tot en met 2024. Daarnaast is de bevolking met circa 7% gegroeid, hebben in sommige gevallen meer mensen recht gekregen op een toeslag. Daarnaast zijn de toeslagen verhoogd om de koopkrachtontwikkeling van groepen bij te sturen of om (kinder)armoede te verminderen. Voor de begroting van 2023, 2024 en 2025 is bijvoorbeeld besloten tot een verhoging van zowel het kindgebonden budget als de huurtoeslag. Dit heeft bijgedragen aan een stevige reductie van armoede onder personen (van 7,1% in 2018 naar 2,5% in 2026) en kinderarmoede (van 8,6% in 2018 naar 2,3% in 2026).
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat mensen door kleine inkomenswijzigingen plotseling grote bedragen moeten terugbetalen?
Verschillende maatregelen worden uitgevoerd gedurende het toeslagjaar om hoge terugvorderingen achteraf vanwege inkomenswijzigingen te voorkomen voor mensen. Zo vinden attenderings- en muteeracties plaatst waarbij mensen wordt gevraagd om zelf hun inkomen te checken of waarbij mensen worden geïnformeerd dat Dienst Toeslagen de toeslag aan gaat passen tenzij burgers aangegeven dat de aanpassing niet klopt. Deze acties vinden plaats op basis beschikbare maandelijkse inkomensgegevens die aanleiding geven om te veronderstellen dat een toeslag op een te hoog inkomen wordt gebaseerd, en dus dat een mogelijke terugvordering aan het ontstaan is. Daarnaast wordt via publiekscampagnes zoals «check, pas aan en door» ook onder de aandacht gebracht dat mensen veranderingen in hun situatie doorgeven aan Dienst Toeslagen om terugvorderingen te voorkomen. Verder werken alle toeslagen met een afbouwpad waardoor kleine veranderingen in inkomen ook leiden tot een geleidelijke afbouw van de hoogte van de toeslag, en dus niet zouden moeten leiden tot een plotselinge hoge terugvordering.
Hoeveel ambtenaren, uitvoeringsinstanties en externe organisaties zijn direct of indirect betrokken bij de uitvoering van het toeslagenstelsel?
Bij Dienst Toeslagen werken stand 1 januari 2026 1.981 medewerkers (1.840 fte) aan de uitvoering van het toeslagenstelsel. Dit is exclusief de collega’s die binnen UHT werkzaam zijn voor de hersteloperatie. Het exacte aantal medewerkers bij de Belastingdienst dat zich met toeslagen bezighouden, zoals bijvoorbeeld in de IV-voorziening en de verwerking van de massale beschikkingen wordt niet apart bijgehouden. Het aantal medewerkers dat werkzaam is bij externe organisatie mede ten behoeve van toeslagen is ook niet aan te geven. Wel kan genoemd worden dat bij de uitvoering van toeslagen een veelheid aan organisaties betrokken zijn. Niet uitputtend kunnen daarbij, naast de Belastingdienst, genoemd worden: de SVB, UWV, COA, IND, CAK, CJIB, BIDN, DUO en uiteraard de vele woningbouwcorporaties, zorgverzekeraars en kinderopvangorganisaties. Deze organisaties zijn veelal betrokken omdat Dienst Toeslagen afhankelijk is van de bij hen aanwezige gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van toeslagen.6 Daarnaast zijn er de toeslagservicepunten die door vele organisaties met veelal vrijwilligers de inwoners helpen met vragen over de toeslagen.7
Welke lessen trekt het kabinet uit de toeslagenaffaire bij de verdere hervorming van het toeslagenstelsel?
Voorop staat dat de gedupeerde ouders en kinderen ongekend onrecht is aangedaan. De gevolgen daarvan zijn voor velen ingrijpend geweest en kunnen nooit volledig worden hersteld. Daarom zet het kabinet zich in om recht te doen aan de getroffen gezinnen.
In de kabinetsreactie op het rapport «Ongekend onrecht» van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft het kabinet zich voorgenomen om te stoppen met toeslagen zoals ze ten tijde van de kinderopvangtoeslagaffaire waren.8 Het kabinet constateerde dat de toeslagen minder ingewikkeld moeten, de toeslag makkelijk moet kunnen worden aangevraagd, zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat toeslagen moeten worden terugbetaald, minder risico bij de burger moet liggen en dat de overheid de fraudebestrijding anders aan moet pakken. Daar is de afgelopen jaren al hard aan gewerkt, onder meer via verschillende verbeteringen in de uitvoering en de dienstverlening en met nieuwe wet- en regelgeving.
Dit kabinet zet in op een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel door middel van een stapsgewijze aanpak. Concrete voorbeelden hiervan zijn het afschaffen van de kinderopvangtoeslag door deze te vervangen door directe financiering van kinderopvangorganisaties en het onderzoeken van de mogelijkheid om toeslagen in de toekomst direct definitief toe te kennen.
Is het kabinet bereid fundamentele alternatieven voor het huidige toeslagenstelsel te onderzoeken, waaronder een eenvoudiger systeem van inkomensondersteuning met minder voorwaarden, minder bureaucratie en minder risico op schulden?
De wens om het belasting- en toeslagenstelselstelsel te hervormen en vereenvoudigen wordt breed gedeeld in de samenleving. Inmiddels zijn er verschillende rapporten en analyses opgeleverd, door de betrokken ministeries9 en door externe partijen.10 Ik gebruik al het werk dat al is gedaan voor de hervormingsagenda die u voor het eind van 2026 ontvangt.
Zijn er binnen het ministerie scenario’s of doorrekeningen gemaakt van systemen waarbij toeslagen en delen van het uitkeringsstelsel worden vervangen door een vast maandelijks bedrag of andere vormen van vereenvoudigde inkomensondersteuning? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen?
Er wordt al geruime tijd gesproken over het hervormen van het toeslagenstelsel. In dat kader zijn in het verleden inderdaad verschillende scenario’s incl. doorrekeningen gemaakt voor alternatieven.11 Uw Kamer heeft deze scenario’s uiteraard ontvangen. In het bijzonder verwijs ik u naar het meest recente rapport «Eindrapport toekomst toeslagenstelsel», waar in bijlage 2 18 beleidsopties zijn uitgewerkt en doorgerekend.12 Op basis van dergelijke rapporten kan de politiek onderbouwde en zorgvuldige keuzes maken.
Zware PCP-luchtdrukwapens en waarschuwingen van de AIVD |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarschuwt voor de risico’s rondom zware PCP-luchtdrukwapens (Pre Charged Pneumatic) en aangeeft dat deze wapens in beeld zijn bij extremisten? Kunt u nader toelichten in welke mate deze wapens momenteel een veiligheidsrisico vormen, mede gelet op de huidige dreigingssituatie?1
Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik geen uitspraken doen over de onderbouwing van het AIVD-jaarverslag. In het algemeen geldt wel dat de AIVD waarschuwt voor dit soort fenomenen wanneer er een dreiging is voor de nationale veiligheid. Dit signaal neem ik dus uiterst serieus.
Hoe beoordeelt u het feit dat zware PCP-luchtdrukwapens in Nederland relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn, terwijl deze wapens qua mondingsenergie en impact vergelijkbaar of zelfs zwaarder kunnen zijn dan bepaalde vuurwapens?
Lucht-, gas- en veerdrukwapens zijn voorwerpen die in de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) zijn aangewezen als categorie IV wapens. Meerderjarige personen mogen deze wapens zonder vergunning voorhanden hebben. Luchtdrukwapens zijn de afgelopen jaren sterk in kracht toegenomen en in handzame uitvoeringen te koop bij fysieke of online wapenwinkels. Zware luchtdrukwapens, waaronder PCP-buksen, kunnen tegenwoordig vele malen krachtiger zijn dan een regulier handvuurwapen. Mijns inziens horen deze luchtdrukwapens – gezien de gevaarzetting en letselpotentie – dan ook niet thuis in categorie IV, waarbij zij zonder vergunning voorhanden gehouden mogen worden.
De toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in 2016 aan uw Kamer in een brief een wetswijziging aangekondigd om het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens te verbieden en alleen via een vergunning een uitzondering op dit verbod toe te staan.2 Dit voornemen heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in 2020 nogmaals herhaald in een brief waarin een breder traject voor de aanpassing van de wet werd aangekondigd dat als doel had om een aantal knelpunten op te lossen. In reactie op de aankondiging van de voorbereiding van deze wetswijziging3 heeft uw Kamer in 2021 een motie aangenomen met het verzoek aan de regering om een commissie in te stellen voor het opstellen van een basisplan voor een nieuwe en gemoderniseerde Wwm.4 In haar beleidsreactie op het daaropvolgende rapport van de Commissie Wwm heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in 2023 aangekondigd om een wettelijk verbod voor het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens mee te nemen in de ontwikkeling van een nieuwe Wwm.5 Voor de stand van zaken van dit wetsvoorstel verwijs ik naar het antwoord bij vraag 10.
Het in wetgeving verbieden van zware luchtdrukwapens ondersteun ik. Het voorbereiden en behandelen van een wetsvoorstel heeft veelal een lange doorlooptijd. Gezien de urgentie vanwege de technologische ontwikkelingen van de laatste jaren met zeer krachtige luchtdrukwapens en de recente berichtgeving van de AIVD, verken ik – zoals aangekondigd in mijn brief van 17 juni jl. over de Hoofdlijnenvisie en de uitgangspunten voor de nieuwe wet wapens en munitie – of het mogelijk is om in een versneld traject het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens te verbieden door middel van een aanpassing van de Regeling wapens en munitie (hierna: Rwm), vooruitlopend op het wetsvoorstel voor de nieuwe Wwm.
Mijn voornemen is om alleen voor bepaalde toepassingen zware luchtdrukwapens met een vergunning toe te staan. In de verkenning zal ik binnen de regelgeving rekening houden met het huidige gebruik van lichte luchtdrukwapens voor paintball en schietsport alsook de maatschappelijke nuttige toepassingen met luchtdrukwapens die onder meer zijn opgenomen in de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving, zoals voor de bestrijding van ratten. Daarnaast treed ik in overleg met de belangenorganisaties voor wapenverkoop over de aanpassing van de Rwm.
Klopt het dat zware PCP-luchtdrukwapens op grond van de Wet wapens en munitie momenteel onder categorie IV vallen? Acht u deze classificatie nog passend, gezien de kracht en veiligheidsrisico’s van deze wapens?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in 2016 al door de toenmalige Minister is aangegeven via een Kamerbrief dat dit type wapens levensgevaarlijk kan zijn? Zo ja, hoe verklaart u dan dat tien jaar later nog altijd geen adequate aanscherping van de regelgeving heeft plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete stappen zijn sinds 2016 dan gezet om de risico’s van zware luchtdrukwapens te beperken, en wat hebben deze maatregelen opgeleverd?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat bij verkoop van zware PCP-luchtdrukwapens weliswaar persoonsgegevens van kopers moeten worden geregistreerd en bewaard, maar dat het huidige systeem beperkte waarborgen kent voor traceerbaarheid van wapens bij overdracht en doorverkoop? Acht u deze systematiek voldoende?
Op grond van artikel 12 van de Regeling wapens en munitie zijn erkende wapenverkopers verplicht een register bij te houden van de verkoop van wapens en munitie, waaronder zware luchtdrukwapens. In dit register worden onder meer de naam en het adres van de koper, de datum van de verkoop alsook het type wapen en serienummer geregistreerd. Er zijn geen regels gesteld over registratie bij verkoop door de eigenaar aan een ander persoon.
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2 tot en met 5, vind ik de huidige regels voor zware luchtdrukwapens, waaronder ook de voorschriften bij de verkoop, ontoereikend voor deze wapens en ben ik voornemens dat te veranderen.
Hoe beoordeelt u de huidige identificatie vereisten bij aanschaf van PCP-luchtdrukwapens, gelet op signalen dat deze controles in de praktijk beperkt of vrijblijvend kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Worden incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen afzonderlijk geregistreerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel gevallen betreft dit in de afgelopen vijf jaar?
Incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen, worden niet afzonderlijk geregistreerd. De systemen bij de politie en het Openbaar Ministerie zijn hiertoe niet ingericht.
Bent u bereid PCP-luchtdrukwapens anders te reguleren dan thans het geval is onder categorie IV van de Wet wapens en munitie? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vragen 2 tot en met 5.
Waarom is de aangekondigde herziening van de Wet wapens en munitie nog altijd niet naar de Kamer gestuurd? Wanneer kan de Kamer deze wet verwachten?
In mijn brief van 17 juni heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voorbereiding van de nieuwe Wwm en de planning daarvan.
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Ja.
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Op grond van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. De onderstaande inhoudelijke antwoorden zijn tot stand gekomen in afstemming met de gemeente Purmerend, de politie en het Openbaar Ministerie.
Door de gemeente is aangegeven dat voorafgaand aan en gedurende de kermis signalen zijn gedeeld – en besproken – tussen gemeente, politie, jongerenwerk en veiligheidspartners. Zoals gebruikelijk bij grote evenementen. Daarbij zijn ook signalen uit andere gemeenten meegenomen. Deze signalen waren echter niet concreet als het gaat om aantallen, samenstelling, exacte aankomstlocaties of voorgenomen gedragingen van specifieke personen of groepen. Er was zodoende geen concrete informatie die aanleiding gaf om gericht tegen specifieke personen of groepen op te treden.
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven is de inzet van maatregelen ter handhaving van de openbare orde een lokale aangelegenheid.
Gemeente en politie geven in casu aan dat van aangekondigde ongeregeldheden geen sprake is geweest. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 waren de signalen niet concreet. Wel zijn voorafgaand aan de kermis, zoals gewoonlijk, de inzet en aandachtpunten met alle betrokken (veiligheids)partners afgestemd. Er is, zoals bij elke editie, een dagelijkse multidisciplinaire veiligheidsbriefing ingepland, er vond live cameratoezicht plaats vanuit de commandopost, bus- en treinstations zijn gemonitord en er zijn waar nodig bestuurlijke maatregelen getroffen, waaronder het opleggen van verblijfsontzeggingen met een bijbehorend handelingskader. Verder is gedurende de avond actief gemonitord en ingezet op voorkoming van groepsvorming en mogelijke ordeverstoringen.
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Ondanks de omvangrijke voorbereiding en intensieve inzet van alle betrokken partners kunnen incidenten in de openbare ruimte niet altijd volledig worden voorkomen. Gedurende de avond zijn groepen jongeren fysiek actief gemonitord door politie, handhaving, jongerenwerk en beveiliging. Toen sprake was van ordeverstoringen heeft de politie opgeschaald en is opgetreden om verdere escalatie te voorkomen en reguliere bezoekers zoveel mogelijk te scheiden van de ongeregeldheden. Daarbij is uiteindelijk besloten de kermis een half uur eerder te sluiten om de openbare orde te herstellen en verdere risico’s voor bezoekers te beperken.
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Er zijn geen aanhoudingen verricht en het onderzoek is inmiddels gesloten.
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Purmerend geeft aan dat het zich realiseert dat het eerder sluiten van de kermis maatregel een grote impact heeft gehad op bezoekers en ondernemers en betreurt dat ten zeerste. Er zijn geen aanwijzingen dat kermisexploitanten betrokken zijn geweest bij de ongeregeldheden. Het overgrote deel van de bezoekers heeft de kermis op een normale en positieve manier bezocht. De beslissing om de kermis eerder te sluiten is echter genomen op advies van de politie en diende uitsluitend het belang van de openbare orde en veiligheid. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar het voorkomen van geweld en herhaling van escalaties en het beschermen van bezoekers, ondernemers, hulpdiensten en medewerkers. Door de kermis eerder te sluiten kon de openbare orde op het kermisterrein weer worden hersteld, kon de politie zijn inzet richten op de ordeverstoorders en werd herhaling op de zaterdag uitgesloten. De maatregel is nadrukkelijk niet gericht tegen bezoekers of exploitanten, maar bedoeld om escalatie en veiligheidsrisico’s te voorkomen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
De burgemeester heeft, na samenspraak in de lokale driehoek, het besluit genomen om de kermis de dag na het incident in zijn gemeente om 21:00 uur te sluiten. Dit besluit heeft hij genomen op basis van voorliggende informatie en afweging van risico’s.
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Er zal helaas zeker sprake zijn van economische schade voor de betrokken ondernemers. Een beslissing tot eventuele compensatie hiervoor is aan het lokale bestuur in overleg met de kermisbranche.
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
De burgemeester kan op basis van relevante feiten en omstandigheden besluiten tot het opleggen van gebiedsverboden. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Wanneer tijdens een politieonderzoek feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de politie de mogelijk invloed van georganiseerde groepen via sociale media betrekken.
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Hier heb ik geen overzicht van.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Naar aanleiding van een toezegging tijdens het Kamerdebat Toerisme en Recreatie van 11 mei 2022 heeft de Minister van Economische Zaken in samenwerking met de kermissector en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een handreiking voor de kermissector ontwikkeld. Deze is in oktober 2023 gepubliceerd. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De oproep tot geweld tegen Palestijnse vluchtelingen door Gidi Markuszower |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van Gidi Markuszower, fractievoorzitter van de Groep Markuszower, die in een interview met Left Laser onder meer heeft gezegd: «De Nederlandse overheid moet ze [Palestijnse vluchtelingen] met geweld – misschien met nog meer geweld dan waar ze vandaan zijn gekomen – met geweld tegenhouden», «Die mensen moet je met geweld – echt met geweld, desnoods maximaal geweld – die moet je tegenhouden», «Israël heeft nog nooit wat ergs gedaan» en «Het Israëlische leger is het meest morele leger ter wereld»?
Ja.
Heeft u gezien dat dhr. Markuszower een paar dagen later hierover bij een interview op Radio 1 heeft bevestigd dat «de inhoud staat»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze uitspraken?
De Minister-President gaat in de Kamer in debat met Kamerleden en reageert niet op individuele uitspraken van Kamerleden, gedaan in de pers. Maar laat helder zijn dat Nederland nooit geweld zal gebruiken tegen mensen die op de vlucht zijn en een veilige haven zoeken. Elke oproep daartoe is verwerpelijk en gaat alle perken te buiten.
Waarom heeft u geweigerd deze uitspraken ondubbelzinnig te veroordelen in uw reactie op 15 mei jl.?2 Vindt u dit verstandig in tijden waarin gewelddadig extreemrechts duidelijk groeit en Palestijnen structureel worden gedehumaniseerd?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u alsnog bereid te normeren en te begrenzen en deze uitspraken van dhr. Markuszower ondubbelzinnig te veroordelen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Vindt u dat uw kabinet kan samenwerken met een fractie waarvan de leider dit gedachtegoed aanhangt en dit soort uitspraken doet? Bent u nog steeds van mening dat een samenwerking met de Groep Markuszower kansen biedt, zoals u in januari 2026 hebt aangegeven?
Het kabinet is aan de slag op basis van het coalitieakkoord, en zal daarbij altijd streven naar zo breed mogelijke steun binnen de Tweede Kamer. Laat echter helder zijn dat het kabinet nooit zal meegaan in oproepen tot geweld tegen mensen die op de vlucht zijn. Het kabinet zal altijd in de meest stellige bewoordingen afstand nemen van opvattingen die strijdig zijn met de democratisch-rechtsstatelijke waarden.
Dergelijke uitingen – zeker wanneer daar niet eenduidig van teruggekomen wordt of wanneer herhaaldelijk gedaan – maken het moeilijker om tot een constructieve samenwerking te komen.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk voor dinsdag 19 mei om 10.00 uur in de ochtend beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Gaswinning Warffum voorlopig niet hervat: werkzaamheden NAM mislukt' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de werkzaamheden van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aan de gasput bij Warffum zijn mislukt en dat de NAM aangeeft te kijken naar vervolgstappen?1
Ja.
Welke mogelijkheden biedt de huidige winningsvergunning de NAM nog om gas te winnen bij Warffum, naast werkzaamheden aan de bestaande put? Kunt u een volledig overzicht geven van wat de vergunning de NAM tot en met 2032 toestaat?
Met het besluit tot instemming met het winningsplan van maart 2025 mag de NAM tot en met 2032 maximaal nog 2213 miljoen Nm3 gas winnen.
Is het juridisch mogelijk dat de NAM op basis van de huidige vergunning een nieuwe put boort bij Warffum, zonder dat daarvoor een aanvullende vergunning of besluit van de overheid vereist is? Zo ja, welke democratische en inhoudelijke toets vindt dan nog plaats voordat met zo'n nieuwe boring begonnen mag worden?
Nee. Voor een nieuwe put zou een wijziging van het winningsplan nodig zijn en een omgevingsvergunning. De gebruikelijke juridische procedures, zoals vastgelegd in de Mijnbouwwet en de Omgevingswet, zullen in dat geval van toepassing zijn op deze aanvragen. Zo zal voor de wijziging van het winningsplan advies worden gevraagd aan TNO, SodM en de decentrale overheden. Tegen eventuele besluiten kan bezwaar en beroep worden aangetekend. Ik merk voor de volledigheid op dat ik op dit moment geen aanvraag voor een nieuwe put van de NAM heb ontvangen.
Heeft u een actuele risicoanalyse laten uitvoeren naar de seismische gevolgen van eventuele nieuwe boringen of andere ingrepen bij Warffum? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen voordat de NAM nieuwe stappen zet, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Bij een eventuele wijzing van het winningsplan zal de NAM informatie moeten aanleveren over het seismisch risico. Deze informatie wordt getoetst door TNO en SodM. Ik laat nu dan ook geen risicoanalyse uitvoeren naar een eventuele nieuwe boring.
Nu de NAM stelt dat dit niet het definitieve einde is van de gaswinning bij Warffum, deelt u de mening dat gaswinning in Groningen, inclusief Warffum, definitief beëindigd moet worden, gelet op de aanhoudende schade en onveiligheid voor omwonenden? Zo nee, op welke gronden acht u verdere winning verantwoord?
Nee. Ik kijk zeer zorgvuldig naar aanvragen voor activiteiten in de diepe ondergrond en vraag hierover advies aan onder meer TNO en SodM. Alleen als dit veilig en verantwoord kan, verleen ik een vergunning.
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat ook geen mogelijkheid om een algemene permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied.
Nu de rechtszaak bij de Raad van State nog twee jaar kan duren, wat gaat u doen om te voorkomen dat de NAM in die tussenliggende periode onomkeerbare stappen zet, zoals het boren van een nieuwe put, die de uitkomst van die procedure de facto zinloos maken?
Als de NAM een nieuwe put wil boren moet de NAM een omgevingsvergunning aanvragen en een aanpassing van het winningsplan indienen. Deze aanvragen zal ik indien dit zich zou voordoen toetsen aan het wettelijke kader. Het feit dat er een rechtszaak loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het huidige instemmingsbesluit op het winningsplan, staat buiten een dergelijke beoordeling.
Op welke wijze worden omwonenden, gemeenten en provincie Groningen betrokken bij de besluitvorming over eventuele vervolgstappen van de NAM?
Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Bent u bereid de winningsvergunning voor het Warffumer gasveld in te trekken of op te schorten, nu gebleken is dat de bestaande put technisch niet meer produceerbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van het geldende wettelijke kader is ingestemd met de aanvraag van de NAM om langer gas te winnen uit het gasveld Warffum. Ik kan voor een individuele aanvraag geen besluiten nemen buiten het wettelijke kader. Dit geldt ook voor het intrekken of opschorten van reeds genomen besluiten. Hiervoor moet een juridische grondslag zijn en die is niet aanwezig.
Deelt u de opvatting van de inspecteur-generaal van SodM dat het besluit om gaswinning bij Warffum toe te staan is genomen op basis van een advies van vóór de parlementaire enquête, en dat SodM op grond van de huidige bredere veiligheidsdefinitie nu anders zou adviseren? Zo ja, waarom is de vergunning dan niet alsnog ingetrokken of herzien?2
De vraag of SodM nu anders zou adviseren kan ik niet beantwoorden. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat zeer zorgvuldig naar de aanvraag van de NAM is gekeken, alvorens een besluit is genomen. Hiervoor is zoals gebruikelijk advies gevraagd aan onder meer TNO, SodM en de Mijnraad. Deze adviseurs hebben aangegeven dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Daarbij heeft het toenmalig kabinet recht willen doen aan de zorgen. Om deze reden is met de NAM afgesproken dat het seismisch risicobeheersplan wordt aangescherpt voor het gasveld Warffum. De NAM zal de winning uit het gasveld Warffum bij een beving eerder stilleggen dan bij de andere kleine gasvelden in Nederland.3
Zoals bij vraag 8 aangegeven, dient er een juridische grondslag te zijn om een vergunning in te trekken of te herzien en die is niet aanwezig.
Deelt u de gemengde gevoelens van de inspecteur-generaal van SodM over het vergunningsproces bij Warffum?
Zoals bij vraag 9 aangegeven heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat Warffum er volgens de eigen toezichthouder doorheen is geglipt?
Zoals bij vraag 9 aangegeven, heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u, net als bij de gaswinning onder de Waddenzee, bereid om met de NAM te zoeken naar een alternatieve oplossing zodat de gaswinning bij Warffum alsnog definitief niet wordt hervat?
Nee. Bij de aanvraag Ternaard speelden specifieke omstandigheden: juridisch, ruimtelijk en procedureel. Juist vanwege die unieke combinatie heeft het toenmalig kabinet aanleiding gezien om een afwijkend besluit te overwegen en uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst te komen. Dat besluit stond dus in directe relatie tot die bijzondere context. Dat betekent ook dat dit elders niet zal plaatsvinden; een uitzondering vormt geen nieuw beleidskader. Het uitgangspunt blijft dat beslissingen over gaswinning worden genomen binnen het bestaande wettelijke kader, de daarin vastgelegde verantwoordelijkheden en toetsingskaders. Daarbij wil ik benadrukken dat vergunningen voor activiteiten in de diepe ondergrond alleen worden verleend als dit veilig en verantwoord kan.
Het bericht ‘Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Onderkent u dat de kennis en studie van het Jiddisch van groot belang is voor de positie van de Joodse gemeenschap in Nederland? Vindt u het ook onbestaanbaar dat bij alle inspanningen om de Joodse gemeenschap te steunen en de kennis van het Joodse leven te vergroten juist de studie van het Jiddisch in Nederland zou verdwijnen?
Binnen de bacheloropleiding Hebreeuwse taal en cultuur bood de Universiteit van Amsterdam (UvA) de afgelopen vier jaar twee bachelorkeuzevakken en een tutorial (onderwijs op individuele basis) aan op het gebied van de Jiddische taalverwerving. Deze keuzevakken werden mogelijk gemaakt vanuit een externe vierjarige financiering. Met het aflopen daarvan oriënteert de UvA zich momenteel zorgvuldig op de mogelijkheden van een alternatieve en duurzame opvolging van dit onderwijs. Hierbij is het van belang om te noemen dat de inhoudelijke expertise op het gebied van het Jiddisch binnen de UvA blijft bestaan. De begeleiding van onderzoekers en geïnteresseerde studenten bij de bestudering van bronnen in het Jiddisch is hiermee geborgd.
Vindt u ook dat deze studie in Nederland beschikbaar dient te blijven, mede gezien de officiële positie die het Jiddisch in Nederland heeft?
De Jiddische taal is door de rijksoverheid erkend onder deel II van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Met de erkenning van een taal onder deel II verplicht de rijksoverheid zich ertoe om geen belemmerende wet- of regelgeving aan te nemen. Met erkenning onder deel III, waar bijvoorbeeld de Friese taal onder valt, verplicht de overheid zich ertoe meerdere artikelen te ratificeren om zo de taal te beschermen en bevorderen. Voor het Fries geldt daarom dat de overheid de verplichting heeft voorzieningen te verschaffen voor de bestudering van deze taal in het universitair onderwijs. Dit geldt niet voor het Jiddisch.
Daarnaast geldt dat volgens de wet universiteiten en hogescholen autonomie hebben ten aanzien van het starten, stoppen en vormgeven van hun onderwijs en opleidingen.
Bent u bereid te verkennen hoe voorzien kan worden in een structurele financiering van het Jiddisch? Ben u in dit kader ook bereid om in samenspraak met instellingen te onderzoeken hoe de positie van het Jiddisch zodanig kan worden geborgd in regelingen of afspraken dat sprake is van een toekomstbestendige positie?
Hierbij verwijs ik ook naar het antwoord op vraag nummer 3. Zoals daarin aangegeven, ligt de autonomie ten aanzien van het onderwijsaanbod bij de universiteiten en hogescholen. Middels de Rijksbijdrage ontvangen de instellingen hiervoor financiering vanuit de overheid. De UvA heeft mij laten weten zich te oriënteren op het wederom aanbieden van onderwijs naar het Jiddisch.
Misstanden bij gezinshuizen. |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de misstanden in De Glind en in andere gezinshuizen, zoals gerapporteerd door Omroep Gelderland en EenVandaag?1, 2, 3
Deelt u het beeld dat, ondanks dat gezinshuizen een hele mooie constructie zijn en in veel gevallen goed werken en erg waardevol zijn, er ook misstanden plaatsvinden in een aantal van deze gezinshuizen?
Klopt het dat de huidige kwaliteitscriteria gezinshuiszorg in feite richtlijnen zijn, volgens het principe «pas toe of leg uit», en geen bindende of afdwingbare eisen?
Acht u dit voldoende om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
Bent u bereid om de kwaliteitscriteria gezinshuiszorg daadwerkelijke kwaliteitseisen te maken in plaats van richtlijnen, en dit ook te verankeren in de wet?
Deelt u de zorgen dat financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat gezinsouders meer kinderen bij hen laten wonen dan verantwoord is, waardoor de kwaliteit van zorg onder druk komt te staan?
In hoeverre is het begrip gezinshuis juridisch verankerd in de Jeugdwet?
Bent u bereid dit expliciet in de wet op te nemen om duidelijkheid en uniformiteit te creëren?
Bent u bekend met signalen van de Inspectie dat zij informatie over niet-functionerende gezinshuisouders niet mogen delen vanwege het ontbreken van een vergewisplicht?
Deelt u de opvatting dat dit een direct risico vormt voor de veiligheid van de betrokken kinderen?
Bent u bereid een wettelijke vergewisplicht voor gezinshuizen in te voeren, zodat relevante informatie over de (on)geschiktheid van zorgverleners gedeeld en geborgd kan worden?
Bent u het met de indiener eens dat we op voorhand zouden moeten checken of een gezinshuisouder geschikt is, en niet pas wanneer er signalen zijn van misstanden?
Klopt het dat zelfstandige gezinshuizen zichzelf moeten melden bij de Inspectie en dat er geen volledig landelijk overzicht bestaat van het aantal gezinshuizen, en hoe beoordeelt u deze situatie?
Deelt u de opvatting dat verplichte registratie van gezinshuisouders, bijvoorbeeld via de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), noodzakelijk is om toezicht en uitsluiting bij misstanden mogelijk te maken?
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk is dat wanneer momenteel een gezinshuis na misstanden moet sluiten, zij een paar kilometer verderop weer een nieuw gezinshuis kunnen starten?
Bent u bereid om te onderzoeken of landelijke eisen voor gezinshuiszorg mogelijk zijn, zodat niet alleen het toezicht en de veiligheid verbeterd kunnen worden, maar er ook minder verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan?
Welke stappen gaat u concreet zetten om richtlijnen om te zetten in bindende kwaliteitseisen, registratie van gezinshuizen en gezinshuisouders verplicht te maken, en een vergewisplicht in te voeren?
Bent u het met de indiener eens dat het van groot belang is om meer grip te krijgen op gezinshuizen, zowel in het belang van deze kinderen als in het belang van het voortbestaan van deze waardevolle manier van jeugdzorg?
Het artikel ‘De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival’ |
|
René Claassen (PVV), Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival»?1
Ja.
Klopt het dat de auteur van dit artikel in de aanloop naar het Eurovisie Songfestival meerdere schriftelijke vragen en verzoeken om opheldering heeft gericht aan AVROTROS, de Ombudsman van de NPO en het Commissariaat voor de Media, en dat deze niet, dan wel slechts summier of niet-inhoudelijk, zijn beantwoord?
De AVROTROS heeft desgevraagd laten weten dat zij bekend zijn met de auteur van het artikel en haar brieven zorgvuldig hebben beantwoord.
Desgevraagd laat ook de ombudsman weten dat er veelvuldig contact is geweest met de auteur van het artikel waar u naar verwijst. Waar dat contact de bevoegdheden van de ombudsman raakte is door de ombudsman ook inhoudelijk gereageerd.
Ten slotte laat het Commissariaat voor de Media weten dat de auteur van het stuk, namens de «Verzetsgroep Opstaan tegen Antisemitisme» bij het Commissariaat op 17 februari 2026 ook een verzoek om handhaving heeft ingediend. Dit was het eerste contactmoment met het Commissariaat. Op vrijdag 8 mei 2026 heeft het Commissariaat een besluit op het handhavingsverzoek genomen. Het besluit is conform vast beleid twee weken later – op 22 mei – gepubliceerd op de website van het Commissariaat. In het procesverloop van het besluit is het verloop van de procedure opgenomen, waarbij ook de verschillende contacten met de verzoeker zijn opgenomen.
Deelt u de opvatting dat het structureel uitstellen van inhoudelijke beantwoording tot nádat een boycotbeslissing feitelijk onomkeerbaar is geworden op gespannen voet staat met de beginselen van transparantie, publieke verantwoording en democratische controle van met belastinggeld gefinancierde instellingen? Zo nee, waarom niet?
De AVROTROS, het Commissariaat voor de Media en de ombudsman laten weten dat zij veelvuldig contact hebben gehad met de auteur van het artikel en haar te woord hebben gestaan. Ik reken erop dat zij allen hun beslissing rondom de bekendmaking van informatie en het beantwoorden van de vragen goed hebben overwogen.
Daarnaast heeft het Commissariaat voor de Media laten weten dat het handhavingsverzoek waarnaar verwezen wordt in de beantwoording van vraag 2 binnen de gestelde wettelijke termijn en conform de vaste werkwijze is afgehandeld. In correspondentie gaf de verzoeker verder aan spoedeisend belang te hebben bij een besluit vóór 16 mei (de finale van het Songfestival). Het Commissariaat heeft het besluit daarom op 8 mei jl. genomen. Het besluit is te vinden op de website van het Commissariaat.2
Bent u van mening dat van een publieke omroep mag worden verwacht dat zij politieke neutraliteit en pluriformiteit waarborgt, zoals bedoeld in de Mediawet, en hoe verhoudt een besluit om af te zien van deelname aan een cultureel evenement vanwege de deelname van een specifiek land zich volgens u tot die publieke taak?
De landelijke publieke omroep is als stelsel samen verantwoordelijk om, naast andere publieke waarden, de pluriformiteit te waarborgen. In tegenstelling tot de NOS is het niet de taak van de andere omroepen om (politiek) neutraal te zijn: (politieke) neutraliteit is niet opgenomen als eis in de Mediawet. De verschillende omroepen binnen het publieke bestel vertegenwoordigen hun eigen stromingen om zo vanuit verschillende perspectieven aanbod te maken. De beslissing over de deelname van Nederland aan het Eurovisie Songfestival ligt op basis van de redactionele autonomie bij de betrokken omroeporganisatie.
Kunt u aangeven of er voorafgaand aan of tijdens de besluitvorming contacten zijn geweest tussen AVROTROS en/of de NPO enerzijds en activistische organisaties, NGO’s of lobbygroepen anderzijds over de deelname van Israël aan het Eurovisie Songfestival en zo ja, bent u bereid hierover volledige transparantie richting de Kamer te betrachten?
De omroepen gaan zelf over hun programmering. Hoe zij tot besluitvorming komen en met wie zij daarover spreken is dan ook aan hen.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de publieke omroep enerzijds stelt principiële bezwaren te hebben tegen deelname aan het Eurovisie Songfestival, maar anderzijds het evenement wel blijft uitzenden en daarmee profiteert van kijkcijfers en advertentie-inkomsten? Acht u deze combinatie verenigbaar met de publieke voorbeeldfunctie van de omroep?
Het is aan de omroepen zelf om besluiten te nemen over hun programmering. Het is niet aan mij om te oordelen over het besluit van deelname aan en de uitzending van het Eurovisie Songfestival van de publieke omroep.
Bent u bereid het Commissariaat voor de Media te verzoeken te onderzoeken of de handelwijze van AVROTROS en de NPO in deze kwestie verenigbaar is met de Mediawet, in het bijzonder waar het gaat om onafhankelijkheid, politieke neutraliteit, gelijke behandeling en de publieke taakopvatting en de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren?
Het Commissariaat voor de Media is een onafhankelijke toezichthouder en gaat over haar eigen werkzaamheden. Derhalve ga ik geen verzoek doen voor een specifiek onderzoek op dit punt.