Data en normen windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aantonen dat de jaargemiddelde geluidsnorm (Lden) een aantoonbare relatie heeft met feitelijke hinder en slaapverstoring van omwonenden?
Op welke recente datasets zijn de gehanteerde bron-hinderrelaties gebaseerd, en zijn deze representatief voor moderne windturbines van >150 meter?
Kunt u voorbeelden geven van Nederlandse veldstudies waarin modelberekeningen zijn gevalideerd met gemeten hinder bij omwonenden?
Hoe is in de planMER rekening gehouden met nachtelijke piekbelasting en hinderincidenten per nacht en per seizoen?
Erkent u dat gemiddelde meetdata piekgeluid en hinderincidenten onvoldoende zichtbaar maken?
Kunt u aantonen dat de voorgestelde normen minimaal hetzelfde beschermingsniveau bieden als afstandsnormen zoals in Denemarken?
Kunt u onderbouwen dat de nieuwe normering leidt tot gelijke of lagere feitelijke hinder dan de Handreiking industrielawaai (1998)?
Waarom is geen volwaardige vergelijking gemaakt tussen de huidige normering en alternatieven, zoals strengere afstandsnormen of andere meetmethoden?
Hoe is geborgd dat effecten van slijtage en veroudering van windturbines zijn meegenomen in de beoordeling van hinder en geluid?
Kunt u uitsluiten dat de normering vooral gebaseerd is op modelaannames zonder voldoende empirische onderbouwing bij omwonenden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht ‘Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd»?1
Ja, daar is het kabinet bekend mee.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat duizenden hartpatiënten in Nederland jarenlang hebben rondgelopen met een ICD-draad die mogelijk sneller stukgaat dan zou moeten, terwijl zij daar niet actief over zijn geïnformeerd?
Het kabinet begrijpt de zorgen die zijn ontstaan naar aanleiding van de berichtgeving over de Linox-draden. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat medische hulpmiddelen veilig zijn en dat signalen over mogelijke risico’s zorgvuldig worden opgevolgd.
Tegelijkertijd is het van belang de feiten zorgvuldig te wegen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat cardiologen vanaf ongeveer 2013/2014 signalen van mogelijke problemen met deze specifieke lead serieus hebben genomen. Zij hebben deze signalen gemeld bij de fabrikant en de toezichthouder en hebben ervoor gekozen patiënten met deze leads extra te monitoren. Daarbij werden patiënten bij wie daadwerkelijk slijtage of andere problemen werden vastgesteld, geïnformeerd en behandeld.
Het klopt dat niet alle patiënten met een Linox-draad destijds actief zijn benaderd. Volgens de betrokken cardiologen was daarvoor gekozen, omdat er geen officiële veiligheidswaarschuwing of terugroepactie van de fabrikant of toezichthouders was afgegeven en een algemene waarschuwing tot onnodige onrust en mogelijk risicovolle medische ingrepen zou kunnen leiden.
Het kabinet vindt het belangrijk dat patiënten tijdig en volledig worden geïnformeerd over relevante risico’s die hun gezondheid kunnen raken. Tegelijkertijd moeten zorgverleners steeds een zorgvuldige afweging maken tussen het informeren van patiënten, de beschikbare wetenschappelijke kennis op dat moment en de mogelijke gevolgen van aanvullende medische interventies. Het kabinet zal bij de beroepsgroep benadrukken dat dit een afweging is die regelmatig opnieuw moet worden bezien.
Klopt het dat tussen 2006 en 2019 bij minstens 4.600 Nederlandse patiënten een Linox-draad van fabrikant Biotronik is geïmplanteerd en dat naar schatting nog zeker duizend mensen in Nederland met zo’n draad rondlopen?
Uit contact met de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (hierna: NVVC) heeft de IGJ opgemaakt dat de genoemde cijfers inderdaad vergelijkbaar zijn.
Klopt het dat cardiologen in binnen- en buitenland al jarenlang signalen zagen dat deze ICD-draden sneller kapotgingen dan andere draden? Zo ja, sinds wanneer waren de fabrikant, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie en betrokken ziekenhuizen hiervan op de hoogte?
In 2014 zijn de Linox-draden besproken in een overleg tussen de IGJ, NVVC, de Netherlands Cardiovascular Data Registry (NCDR) en de Nederlandse Hart Ritme Associatie (NHRA)). De meldingen over de Linox-draden laten geen opmerkelijke verschillen zien met meldingen over andere leads. Daarnaast zijn er geen tegengestelde signalen ontvangen vanuit andere Europese en mondiale toezichthouders. De IGJ had daarom geen reden om aan te nemen dat de Linox-draden minder presteren dan vergelijkbare leads en zag geen aanleiding tot een vervolgactie.
Naar aanleiding van de vragen van Investico en Nieuwsuur heeft de IGJ onlangs opnieuw gesproken met de NVVC en NHRA over de zorgen die cardiologen hebben over deze leads en de wijze waarop de fabrikant omgaat met meldingen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de IGJ vragen uitstaan bij de fabrikant over zijn systeem van post market surveillance. Daarnaast gaat de IGJ de prestaties van de leads bespreken met de betrokken autoriteit in Duitsland, waar de fabrikant is gevestigd.
Kunt u verklaren waarom patiënten niet actief zijn gewaarschuwd, terwijl het gaat om een implantaat in hun lichaam dat bij defecten onterechte, zeer ingrijpende shocks kan geven? Klopt het dat de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie patiënten niet informeerde omdat zij het vertrouwen in hun apparaat niet wilde aantasten, en hoe beoordeelt u die afweging?
Hierbij wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat bij de IGJ in Nederland ten minste 59 meldingen zijn binnengekomen van onterechte shocks door deze draden, waarvan de meest recente melding uit 2026 komt? Hoeveel meldingen van defecten, complicaties en andere problemen met deze draden zijn in totaal bekend?
Nederlandse ziekenhuizen plaatsen jaarlijks ongeveer tienduizend ICD-draden. De IGJ ontving sinds 2009 in totaal 425 meldingen over Linox-draden. Bij 83 van deze meldingen ging het om onterechte shocks. De IGJ ziet hierin geen verschillen met de meldingen over andere leads.
Welke concrete stappen worden momenteel gezet om patiënten die nog met deze Linox-draden rondlopen persoonlijk te informeren over de mogelijke risico’s en over wat dit voor hen betekent? Kunt u garanderen dat geen enkele patiënt tussen wal en schip valt?
Patiënten worden benaderd wanneer daar aanleiding toe is vanuit de normale ziekenhuiscontrole of thuismonitoring. Verder heeft de NVVC informatie beschikbaar gesteld aan cardiologen, verpleegkundigen, pacemakertechnici, de Hartstichting en patiëntenorganisatie STIN, zodat patiënten en hun omgeving kunnen worden voorgelicht.2 Patiënt die vragen hebben, worden verwezen naar hun eigen cardioloog of behandelcentrum.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor het toezicht op fabrikanten van medische hulpmiddelen en voor de manier waarop patiënten worden geïnformeerd bij signalen over mogelijk falende implantaten?
Deze casus bevestigt het belang van aandacht voor de informatiepositie van patiënten in de regelmatige onderlinge informatie-uitwisseling tussen de inspectie en beroepsgroep. Deze informatie-uitwisseling is onderdeel van het toezicht op de post-market fase, omdat dit ten goede komt aan de monitoring van de kwaliteit van medische hulpmiddelen en daarmee aan de zorgvuldige en veilige zorg voor patiënten.
Het besluit van het CBR om de praktijkexamens in Maastricht, Kerkrade en Urmond te centraliseren naar één locatie in Sittard-Geleen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om de praktijkexamens in Maastricht, Kerkrade en Urmond per 1 januari 2027 te centraliseren in Sittard-Geleen?
Ja.
Klopt het dat het CBR dit besluit tot centralisatie intern heeft genomen zonder overleg met de actiegroep van ruim 100 rijschoolhouders uit Zuid-Limburg? Zo ja, waarom heeft hierover geen overleg plaatsgevonden?
Het CBR stelt dat het besluit onderdeel is van een bredere herziening van de huisvesting en exameninfrastructuur. Het is aan het CBR zelf, als zelfstandig bestuursorgaan, om invulling te geven aan de wijze waarop stakeholders worden betrokken bij voorgenomen wijzigingen. In het gehele traject heeft het CBR gesprekken gevoerd met verschillende betrokken partijen in de regio.
Vertegenwoordigers van de Rijscholen zijn eerder geïnformeerd over de huisvestingsstrategie van het CBR. Daarbij is niet expliciet de situatie in Zuid-Limburg besproken. Na het indienen van de vergunningaanvraag voor de nieuwe locatie in Sittard/Geleen zijn informatiebijeenkomsten voor rijscholen georganiseerd. De afgelopen maanden is meermaals gesproken met een actiegroep van rijschoolhouders uit Limburg, die is opgericht na de bekendmaking van de huisvestingsplannen van het CBR in Zuid-Limburg.
Heeft het CBR onderzocht of alternatieve examenlocaties binnen de gemeenten Maastricht, Kerkrade en Urmond beschikbaar waren? Zo nee, waarom niet?
Het CBR heeft verschillende scenario’s onderzocht, waaronder de mogelijkheid van alternatieve locaties. Daarbij zijn onder meer goede bereikbaarheid, voldoende parkeergelegenheid en de mogelijkheid om voldoende valide examenroutes te rijden belangrijke criteria. Het CBR heeft uiteindelijk gekozen voor Sittard-Geleen vanwege de centrale ligging en omdat deze locatie voldeed aan de criteria voor huisvesting van het CBR. Centraal daarbij staat dat de reistijden binnen de landelijk norm blijven die voor alle huisvesting van het CBR geldt. Voor een praktijklocatie betekent dit dat 95% van de kandidaten en rijscholen – onder normale omstandigheden – binnen 30 minuten op een praktijklocatie moet kunnen zijn. Die norm wordt gehaald met de nieuwe locatie.
Erkent u dat het sluiten van deze examenlocaties kan leiden tot hogere kosten voor zowel rijschoolhouders als examenkandidaten, onder meer door extra brandstofkosten en hogere lesprijzen? Welke maatregelen bent u bereid te nemen om deze gevolgen te beperken?
Wijzigingen in examenlocaties kunnen (negatieve) gevolgen hebben voor de reistijd en kosten voor sommige rijschoolhouders en kandidaten. Aan de andere kant, zal dit voor andere rijschoolhouders en kandidaten weer positieve gevolgen hebben.
Het CBR is verantwoordelijk voor de organisatie van examens en dient daarbij een zorgvuldige afweging te maken tussen bereikbaarheid, kwaliteit en doelmatigheid. Dit besluit voldoet aan de landelijke normen die het CBR stelt om zijn dienstverlening te waarborgen en levert ook voordelen op voor de dienstverlening door het CBR in Limburg. Zo leidt één examenlocatie tot een efficiëntere inzet van examinatoren, een breder aanbod van alle type examens op één locatie en ruimere openingstijden. Ook zijn de afstanden in Zuid-Limburg vergelijkbaar met de bereikbaarheid van andere (centrale) CBR-locaties in het land. Het besluit draagt bij aan het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening van het CBR, wat de examenkandidaten ten goede komt. Ik zie daarom voor het CBR geen reden tot maatregelen om de gevolgen te beperken.
Deelt u de opvatting dat deze centralisatie in een regio als Zuid-Limburg extra nadelige gevolgen kan hebben, mede gezien de kwetsbare sociaaleconomische positie van een deel van de inwoners?
Het is van belang dat publieke dienstverlening voor inwoners toegankelijk blijft, ook in regio’s waar bereikbaarheid en sociaaleconomische omstandigheden extra aandacht vragen. Het CBR weegt de regionale effecten zorgvuldig mee in de afweging over de inrichting van de dienstverlening.
In dit geval heeft het CBR door (externe) analyses laten zien dat zij binnen de transparante en aanvaardbare normen blijven zoals deze gelden voor de CBR locaties in heel Nederland (zie ook het antwoord op vraag 3). In het geval van Zuid-Limburg blijft de dienstverlening van CBR op hetzelfde niveau en is er geen sprake van krimp voor wat betreft het aantal medewerkers of het aantal examens dat wordt afgenomen.
Hoe verhoudt deze keuze van het CBR zich tot het kabinetsbeleid om publieke voorzieningen en rijksdiensten regionaal toegankelijk en gespreid te houden, zoals verwoord in onder meer het rapport «Elke Regio Telt!»?
Het niveau van dienstverlening van het CBR blijft gelijk in Zuid-Limburg (zie ook het antwoord op vraag 5). Door verplaatsing krijgen kandidaten en opleiders meer keuzemogelijkheid voor de dag en het tijdstip waarop zij examen willen doen. Het CBR kan elke dag alle specialisaties aanbieden. Daarnaast blijft het CBR binnen de norm voor wat betreft reisafstanden de in heel Nederland geldt.
Zoals aangegeven in de beantwoording op eerdere vragen van lid Wijen-Nass1 door de Minister van BZK, is er geen sprake van verschraling van de dienstverlening. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u als Minister om hierop te sturen, en bent u bereid die in dit geval in te zetten?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6. Het CBR is een zelfstandig bestuursorgaan met een eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van zijn wettelijke taken en de inrichting van de bedrijfsvoering. Zolang het CBR binnen de aanvaarbare normen blijft voor huisvestinglocaties, zie ik geen noodzaak om hier op bij te sturen. Dat is hier ook het geval.
Klopt het dat het CBR voornemens is om op termijn ook de examenlocaties in Venlo en Weert te concentreren in Roermond? Zo ja, op welke termijn en waarom?
Het CBR heeft aangegeven dat voortdurend wordt gekeken naar de toekomstbestendigheid van het locatiebestand. Ook voor de regio Venlo, Weert en Roermond geldt dat CBR kijkt naar lopende huurcontracten en toekomstbestendige huisvesting in de regio waarbij ook overleg met de regio plaatsvindt. Over eventuele toekomstige wijzigingen ten aanzien van Venlo, Weert en Roermond zijn op dit moment door het CBR nog geen definitieve besluiten genomen.
Bent u bereid zich in te spannen om ten minste één van de huidige examenlocaties in Maastricht of Kerkrade te behouden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3, 4 en 6. Dit is de verantwoordelijkheid van het CBR en zolang zij zich houden aan de criteria, zie ik geen rol voor IenW.
Hoeveel praktijk- en theorie-examenlocaties heeft het CBR momenteel in Nederland? Hoeveel locaties zijn de afgelopen tien jaar gesloten, en hoeveel locaties zullen volgens de huidige plannen nog sluiten?
Het CBR heeft op dit moment 53 praktijklocaties, waarvan 17 in combinatie met een theorie-examencentrum en 3 zelfstandige theorie-examenlocaties (Roermond, Breda en Arnhem). Tien jaar geleden betrof het aantal praktijklocaties 54 en het aantal theorie-examencentra 20. Het CBR kijkt voortdurend naar de toekomstbestendigheid van de huisvesting, over verdere ontwikkelingen zijn nog geen definitieve besluiten genomen (zie ook het antwoord op vraag 8)
Erkent u dat verdere concentratie van examenlocaties negatieve gevolgen kan hebben voor de kwaliteit en toegankelijkheid van rijopleidingen, bijvoorbeeld door minder vertrouwdheid met examenroutes en extra druk op kandidaten en rijscholen? Hoe weegt u daarbij mee dat Zuid-Limburg juist relatief hoge slagingspercentages kent ten opzichte van sterk gecentraliseerde stedelijke regio’s?
Ik ben blij met de hoge slagingspercentages in Zuid-Limburg. Dat geeft aan dat daar goede rijscholen zijn die hun vak verstaan en het geven van rijles zeer serieus nemen. Dat verandert niet door een concentratie van CBR-locaties. Ik begrijp de zorgen die leven onder rijschoolhouders en kandidaten over de mogelijke effecten van verdere concentratie van examenlocaties. Echter, daarbij dienen zowel de belangen van kandidaten alsook de uitvoerbaarheid voor het CBR zorgvuldig te worden gewogen. Het is uiteraard wel belangrijk een evenredige spreiding van examenlocaties door het land te houden.
Aanhoudende zorgen over buitenproportionele eisen voor de vrijwillige scheepsvaart. |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rondvaartbedrijf Amersfoortse grachten wil uitzondering op Europees schippersdiploma»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe reflecteert u op signalen dat vrijwilligers bij vele organisaties en stichtingen vrezen dat zij hun activiteiten in de toekomst niet kunnen voortzetten vanwege de aangescherpte kwalificatie-eisen? Kunt u aangeven van welke organisaties zorgen hierover bij u bekend zijn?
Vanuit het ministerie en het CBR is op verschillende momenten contact geweest met bedrijven, organisaties en stichtingen in de rondvaartsector. Er zijn ook werkbezoeken in het land afgelegd door het ministerie en het CBR. Zo zijn bezoeken afgelegd in Zutphen, Leiden, Giethoorn, de Keukenhof, Kinderdijk, Bunnik en Leeuwarden. Daarbij zijn de zorgen die bij organisaties en stichtingen leven duidelijk geworden. Bij de opstelling van de eisen aan het certificaat is daarom zoveel mogelijk rekening gehouden met deze zorgen, door de aan het nieuwe kwalificatiecertificaat gestelde eisen op de kenmerken van deze sector af te stemmen. Een van de geuite zorgen was bijvoorbeeld, dat de vaak oudere vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken. Mede daarom ligt het accent voor het behalen van het certificaat op het aantonen van voldoende praktijkkennis. Ook is getracht de kosten zo laag mogelijk te houden en is er een overgangsregeling voor bestaande schippers, die kunnen aantonen over voldoende ervaring te beschikken.
Kunt u reflecteren op de kosten die gepaard gaan met de aangescherpte kwalificatie-eisen, specifiek de scholingskosten en de tweejaarlijkse medische keuring? Acht u die draagbaar en redelijk voor dergelijke, van vrijwilligers afhankelijke, organisaties?
De totale kosten voor het behalen van het certificaat bij het CBR liggen rond de € 450,–. Met het CBR kan worden afgesproken dat er meerdere personen op dezelfde dag het praktijkexamen doen, wat voordeliger kan zijn.
Voor wat betreft het opleidingsplan is het voor organisaties, bedrijven en instellingen mogelijk om zelf een opleidingsplan in te dienen en te laten goedkeuren bij het CBR. De jaarlijkse kosten hiervoor liggen op gemiddeld € 175,–. Wanneer het bedrijf of de instelling een externe opleider wil inschakelen liggen de kosten voor het behalen van het certificaat ongeveer € 300,– per kandidaat hoger. Daarbij komen de kosten voor een medische keuring. Het maximale tarief voor een medische keuring in de binnenvaart is vastgesteld in de Regeling tarieven transportsectoren en is op dit moment € 175,–. In de praktijk worden deze keuringen aangeboden vanaf € 80,–. De tweejaarlijkse keuring is verplicht vanaf 70 jaar. De kosten liggen dus aanzienlijk lager dan gesteld in genoemd artikel.2
Met het ontwikkelde kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is volgens het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een goede en redelijke balans gevonden tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en een voldoende garantie van de veiligheid voor de passagiers, die aan boord stappen.
Kunt u toelichten waarom bij de vrijstellingsmogelijkheid voor open rondvaartboten, die met lage snelheden varen in beperkte en afgesloten vaargebieden, is gekozen voor een certificaat met verzwaarde kwalificatie-eisen, in plaats van een daadwerkelijke vrijstelling waarin voor deze groep vastgehouden wordt aan de bestaande situatie met het klein vaarbewijs? Kunt u hierbij ook reflecteren op de situatie in Amersfoort waar sprake is van een beperkt en afgesloten vaargebied met ondiepe wateren, waar met lage snelheid wordt gevaren en geen ander gemotoriseerd vaarverkeer en geen verkeerstekens aanwezig zijn en de bestuurders over praktijkervaring beschikken?
Ook een vaargebied als in Amersfoort valt onder het toepassingsgebied van de Richtlijn. De Richtlijn stelt de eis dat, wanneer er een vrijstelling verleend wordt en er een ander certificaat wordt afgegeven, dit certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het Klein Vaarbewijs, dat te behalen is met het uitsluitend afleggen van een theoretisch examen, biedt voor het bedrijfsmatig vervoeren van meer dan 12 personen dit vereiste veiligheidsniveau niet. Daarom is voor deze schippers gebruik gemaakt van genoemde vrijstellingsmogelijkheid, door het ontwikkelen van het speciaal op deze sector afgestemde certificaat. Bij dit certificaat ligt de nadruk op het kennen van de veiligheidsvoorschriften en of de schipper in het eigen vaargebied het schip onder controle heeft. Daarnaast wordt getoetst of een schipper juist weet te handelen als bijvoorbeeld een passagier overboord slaat. Ook in een vaargebied als in Amersfoort, waar beperkt ander vaarverkeer is, is het van belang dat de schipper kan aantonen over deze vaardigheden te beschikken. Het praktijkexamen, dat onder toezicht van het CBR dient te worden afgelegd, mag plaatsvinden in het eigen vaargebied. Met het ontwikkelen van dit certificaat is dus al zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt.
Kunt u toelichten hoe u het begrip afdoende veiligheidsniveau bij de implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/2397 (hierna: de Richtlijn) heeft geïnterpreteerd?
Voor het voldoen aan de eis van een afdoende veiligheidsniveau is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector, waarin ook veel vrijwilligers werken, gevraagd kan worden en het belang van de passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft dit ook in verschillende rapporten naar aanleiding van ongevallen met passagiersvaart benoemd. Met het ontwikkelde certificaat wordt dit afdoende veiligheidsniveau bereikt.
Kunt u bevestigen dat de Richtlijn niet voorschrijft dat uitsluitend een praktijkexamen kan bijdragen aan een afdoende veiligheidsniveau, maar ruimte laat voor andere vormen van veiligheidsborging? Hoe is deze ruimte door Nederland geïnterpreteerd?
In de Richtlijn is zeer gericht voor het behalen van het Kwalificatiecertificaat schipper een verplicht praktijkexamen geïntroduceerd. De bijdrage van dit praktijkexamen aan het bereiken van een afdoende veiligheidsniveau wordt hier als essentieel beschouwd. De Richtlijn schrijft bij een vervangend certificaat inderdaad niet voor, dat er een praktijkexamen dient plaats te vinden. Echter, ook bij het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten acht het ministerie het vooral van belang dat er in de praktijk wordt getoetst of het vereiste veiligheidsniveau door de schipper bereikt is. Daarnaast is er door verschillende organisaties op gewezen, dat de meeste vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken. De voor bestaande schippers opgenomen overgangsregeling, waarbij hen de mogelijkheid wordt geboden om op basis van aantoonbare ervaring direct het door het CBR af te nemen praktijkexamen te doen, komt hier maximaal aan tegemoet. Deze schippers hoeven dan geen opleidingstraject te doorlopen.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de implementatie van de Richtlijn rekening is gehouden met het proportionaliteitsbeginsel, mede gelet op het feit dat de aangescherpte kwalificatie-eisen met name negatieve gevolgen hebben voor vrijwilligers en kleine stichtingen?
Bij de implementatie van de Richtlijn voor deze sector is gezocht naar een balans tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd is. Het gaat bij deze passagiers bijvoorbeeld ook om kwetsbare groepen zoals kinderen of ouderen. Hiertoe is gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt en zoveel mogelijk rekening gehouden met de kenmerken van de sector. Met het nieuwe certificaat blijven de lasten voor de sector zoveel als mogelijk beperkt, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau voor de passagiers bereikt wordt.
Bent u het ermee eens dat artikel 7 van de Richtlijn ruimte laat voor een functionele beoordeling van veiligheid, waarbij niet uitsluitend gekeken hoeft te worden naar de inhoud of zwaarte van een diploma, maar ook naar de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart?
Artikel 7 biedt de mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen en dan een certificaat af te geven dat een afdoende veiligheidsniveau dient te bieden. Daarbij kan rekening worden gehouden met de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart. Bij de ontwikkeling van het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is dat dan ook gedaan. Zo is de gevraagde theoretische kennis tot een minimum beperkt, is zoveel mogelijk vrijheid gegeven aan organisaties om zelf hun opleiding te ontwikkelen en mogen de praktijkexamens, waarvan alleen de laatste onder toezicht van het CBR hoeft plaats te vinden, in het eigen vaargebied worden afgenomen.
Kunt u toelichten waarom Nederland ervoor gekozen heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 van de Richtlijn beperkt toe te passen, terwijl deze bepaling juist bedoeld lijkt om maatwerk mogelijk te maken voor minder complexe of lokaal begrensde vormen van binnenvaart?
Het ministerie heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 zo ruim als mogelijk toegepast en er is juist zoveel mogelijk maatwerk geboden voor deze sector. Daarbij is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt.
Klopt de constatering dat u, gezien de beantwoording van eerdere Kamervragen op dit onderwerp, geen ruimte ziet om tegemoet te komen aan de in de artikelen geschetste zorgen van onder andere de traditionele scheepsvaartsector – zoals de Berkelse en de Enterse Zompen – en de vrijwillige rondvaartsector?2, 3
Uit het artikel in Schuttevaer en ook uit andere artikelen is mij gebleken, dat er in deze sector het misverstand lijkt te blijven bestaan, dat aan alle eisen van de Richtlijn dient te worden voldaan en er geen gebruik is gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid, die de Richtlijn biedt. Zo wordt in genoemd artikel gesteld dat er een Europees MBO-3 diploma behaald zou moeten worden en worden de kosten te hoog ingeschat. Ook wordt gesteld dat alle vrijwilligers omgeschoold zouden moeten worden. Zoals hiervoor aangegeven hoeven bestaande vrijwilligers geen opleiding te volgen, maar kunnen zij tijdens een overgangsperiode na het aantonen van voldoende vaarervaring direct het praktijkexamen bij het CBR afleggen.
Niet alle zorgen, die nog in de sector leven, lijken terecht te zijn. En voor zover mogelijk, is aan de zorgen van de sector al tegemoet gekomen binnen de grenzen die een veilig vervoer van passagiers vereisen.
Bent u bereid, met inachtneming van de bovengenoemde zorgen, in overleg met de Commissie te treden over de Nederlandse implementatie van de Richtlijn?
Naar mijn mening biedt de Richtlijn voldoende ruimte om een juiste balans te vinden tussen de kenmerken van deze sector en het belang van passagiers, dat een voldoende veiligheidsniveau gegarandeerd wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding om met de Europese Commissie in overleg te treden.
Bent u bereid, indien uit overleg met de Commissie blijkt dat een ruimere interpretatie van de Richtlijn mogelijk is, met een nieuw voorstel voor de implementatie van de kwalificatie-eisen te komen?
Ik ben ervan overtuigd met het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten een goede balans te hebben gevonden tussen het belang van deze sector en het belang van passagiers dat een voldoende veiligheidsniveau geboden wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding de nu al zo veel als mogelijk op deze sector aangepaste eisen aan te passen.
Terugvorderingen toeslagenwet door fout bij UWV, naar aanleiding van eerder beantwoorde vragen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe kan het dat de controle van het partnerinkomen of andere relevante inkomsten is uitgebleven?
Helaas is een systeemfout ontstaan bij UWV en die is, zoals in de beantwoording van 10 februari jl. staat, ontdekt in april 2025.1 Als gevolg hiervan is bij de vaststelling van het recht op, en de hoogte van de toeslag op de Ziektewetuitkering (ZW), in een aantal gevallen de controle van het partnerinkomen uitgebleven. De toeslag is in deze gevallen vastgesteld op basis van de door de uitkeringsgerechtigde opgegeven inkomsten van de partner, conform de inlichtingenplicht. Door deze systeemfout zijn deze gegevens niet automatisch gecontroleerd met de voor UWV beschikbare inkomstengegevens van de partner in de Polisadministratie.
Als iemand naast de ZW ook een aanvulling vanuit de Toeslagenwet (TW) ontvangt, dan hebben inkomsten van zowel uitkeringsgerechtigde als diens partner invloed op de hoogte van de uitkering en de toeslag. Uitkeringsgerechtigden zijn zelf verplicht om partnerinkomsten door te geven wanneer zij een toeslag van UWV ontvangen. Omdat uit de praktijk blijkt dat uitkeringsgerechtigden de partnerinkomsten niet of niet volledig opgeven is het mogelijk dat hierdoor uitkeringsgerechtigden een te hoog of te laag bedrag als aanvulling vanuit de TW hebben ontvangen. Om uitkeringsgerechtigden te ondersteunen en hoge terugvorderingen te voorkomen maakt UWV sinds 2023 gebruik van een geautomatiseerde functionaliteit om nieuwe (partner)inkomsten met de Polisadministratie te onderkennen.
Gaat het hierbij enkel om de toeslag bij Ziektewetuitkering? Hoe zit dit bij andere regelingen van UWV? Zijn bij de Werkloosheidwet (WW), Wajong, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ook fouten gemaakt met het partnerinkomen of andere relevante inkomsten? Kunt u in uw antwoord specifiek stilstaan bij elke afzonderlijke regeling?
Ja, het gaat bij deze herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag Ziektewet» enkel om de Toeslagenwet bij de Ziektewetuitkering. Specifiek voor mensen die in de Werkloosheidswet zaten en ziek werden en zo in de Ziektewet terecht kwamen. De systeemfout had alleen betrekking op de Toeslagenwet bij de Ziektewet en niet op andere regelingen.
Is onderzocht of andere componenten (naast partnerinkomen of andere relevante inkomsten) mogelijk ook onjuist zijn verwerkt in dezelfde periode of daarbuiten?
Ja, UWV laat weten dat er structureel onderzoek plaatsvindt naar mogelijke fouten. De TW wordt in de reguliere kwaliteitsmetingen via de Meting Operationele Kwaliteit (MOK) van de basisregelingen meegenomen. Daar wordt op verschillende aspecten via een steekproef gecontroleerd op de afhandeling van de TW. Daarnaast vinden er jaarlijks rechtmatigheidscontroles plaats in het kader van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Ook zijn er bij verschillende wetten verbeterinitiatieven gericht op de kwaliteit van de uitvoering.
Hoe wordt een BSN van de partner gekoppeld aan de uitkeringsgerechtigde? Is de koppeling met de BSN van de partner correct gemaakt? En hoe worden hier correcties op doorgevoerd als blijkt dat er een fout gemaakt is?
UWV laat weten dat de uitkeringsgerechtigde bij de aanvraag voor de TW het BSN van de partner doorgeeft. Een UWV medewerker registreert het BSN van de partner vervolgens in het systeem. Als tijdens de uitkering een leefvorm wijzigt, bijvoorbeeld bij een scheiding, dient een uitkeringsgerechtigde dit zelf door te geven via het wijzigingsformulier, UWV kan dit namelijk niet zelfstandig achterhalen. Als een uitkeringsgerechtigde doorgeeft dat er iets is gewijzigd of niet klopt, dan wordt hier op reguliere wijze (handmatig) een correctie op doorgevoerd. Dan wordt ook bekeken of de hoogte van de toeslag moet worden aangepast aan de nieuwe situatie.
Zijn de technische problemen met de systemen inmiddels opgelost?
Ja, zoals gedeeld in de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april jl.2 kan deze fout zich niet meer voordoen. De systeemfout is op 7 april 2025 door UWV opgelost.
Wanneer kunt u de Kamer informeren over de omvang van het probleem? Kunt u toezeggen de Kamer hierover te informeren voor het CD Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli?
In de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april jl.3 heb ik met uw Kamer gedeeld dat het om ongeveer 400 dossiers gaat. Het precieze aantal is 411 dossiers die UWV opnieuw moet beoordelen om te kijken of er een correctie moet plaatsvinden. UWV is nog niet gestart met de herstelactie, daarom informeer ik uw Kamer via deze beantwoording over de omvang van het probleem op basis van de informatie die nu beschikbaar is. Deze beantwoording stuur ik u voorafgaande aan het Commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli aanstaande.
UWV is aan het inventariseren wanneer zij van start kunnen gaan met de herstelactie. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang via de eerstvolgende Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
In hoeveel gevallen gaat het om een terugvordering?
Voor de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW», waarbij het zieke WW’ers betreft gaat het in totaal om 411 uitkeringsgerechtigden waarvan UWV het recht en de hoogte van de toeslag opnieuw dient te beoordelen. Dit zijn de uitkeringsgerechtigden met een toeslag die liep op de peildatum 7 april 2025 of in het laatste half jaar daarvoor was beëindigd. UWV is nog niet gestart met de herstelactie. Om meer inzicht in de gevolgen te krijgen heeft UWV wel een steekproef gedaan op 85 dossiers. Op basis van deze steekproef schat UWV de volgende gevolgen in:
Er komen in de genoemde categorieën situaties voor waarbij de ene maand te veel toeslag is betaald en de andere maand te weinig (bij wisselende partnerinkomsten). Dit wordt door UWV per dossier en per maand beoordeeld. Daarbij past UWV de menselijke maat toe en wordt per casus bekeken welke vervolgactie passend is. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang via de Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
In hoeveel gevallen gaat het om een volledige terugvordering van de Toeslagenwet (vanwege dat er achteraf is vastgesteld dat er geen recht is)? In hoe veel gevallen gaat het om een gedeeltelijke terugvordering?
UWV is nog niet gestart met de herstelactie, daarom kan ik nog geen definitieve cijfers delen. UWV is aan het inventariseren wanneer zij van start kunnen gaan met de herstelactie. Onder antwoord 7 vindt u een inschatting van UWV van de aantallen op basis van de steekproef.
In hoeveel gevallen gaat het om een nabetaling omdat het partnerinkomen of andere relevante inkomsten juist gedaald waren? Worden de toeslagen voor deze mensen nabetaald en gecorrigeerd voor de toekomst?
UWV is nog niet gestart met de herstelactie, daarom kan ik nog geen definitieve cijfers delen. UWV is aan het inventariseren wanneer zij van start kunnen gaan met de herstelactie. Onder antwoord 7 vindt u een inschatting van UWV van de aantallen op basis van de steekproef. UWV geeft aan dat als een uitkeringsgerechtigde te weinig TW heeft ontvangen, zij zullen nabetalen inclusief wettelijke rente. UWV heeft daarbij oog voor mogelijke gevolgen van een nabetaling voor andere inkomensafhankelijke regelingen en ondersteunt uitkeringsgerechtigden waar nodig. Hierbij wordt de toeslag ook aangepast naar de toekomst. Daarnaast wordt sinds de oplossing van de systeemfout op 7 april 2025, voor nieuwe gevallen de automatische controle weer toegepast.
Kunt u, als u informatie verschaft aan de Kamer over de omvang van het probleem, vragen 5 t/m 7 ook specifiek beantwoorden? Dus om hoeveel mensen gaat het per wet die uitgevoerd wordt door het UWV? Over welke bedragen gaat het?
Ja, het gaat bij de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» enkel om de TW bij de ZW. Specifiek voor mensen die in de WW zaten en ziek werden en zo in de ZW terecht kwamen. Onder antwoord 7 vindt u een inschatting van UWV van de aantallen op basis van de steekproef.
Welke terugvorderingen zijn al in gang gezet? Hoeveel mensen hebben inmiddels een terugvordering ontvangen? Welke besluitvorming ligt hieronder? Kunt u de kamer de stukken die bij die besluitvorming horen, toesturen?
De herstelactie is nog niet gestart. UWV inventariseert nog wanneer de herstelactie
daadwerkelijk kan starten. Voor de 411 uitkeringsgerechtigden in de herstelactie wordt individueel en van maand tot maand bekeken wat de situatie is. In het geval van een terugvordering houdt UWV rekening met de menselijke maat en kan in individuele gevallen, vanwege dringende redenen, een terugvordering matigen of ervan afzien. Het gaat immers om een financieel kwetsbare groep. Na ambtelijk overleg tussen UWV en SZW, heb ik op 7 april jl. via een beslisnota akkoord gegeven voor de voorgestelde herstelaanpak: het opnieuw beoordelen van de betrokken dossiers binnen de zesmaandentermijn en waar nodig over te gaan tot nabetaling of terugvordering. Deze beslisnota is ook gedeeld met uw Kamer als bijlage4 bij de publicatie van de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april jl. 5 Hieraan voorafgaand is de aanpak voor de herstelactie binnen UWV besproken met de Raad van Bestuur op 6 januari6 dit jaar. De voorlegger voor de Raad van Bestuur kunt u vinden op de website van UWV: Geanonimiseerd document. Ik kan de Kamer de stukken die bij de besluitvorming horen toesturen. Zie de bijlage met de verschillende beslisnota’s bij deze beantwoording.
Kunt u uitsluiten dat de systeemfout zich enkel voordeed in de periode van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025? Uit signalen die wij ontvingen blijkt dat de verkeerde toekenning van toeslagen al voor 2022 plaatsvonden voor de WIA, de WAO, de Wajong en voor (oude gevallen) WW en ZW, klopt dat?
De systeemfout met betrekking tot de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» deed zich enkel voor in de periode van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025. Het klopt niet dat de verkeerde toekenning van toeslagen al voor 2022 plaatsvond, niet in relatie tot de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW». UWV laat weten dat in 2024 wel een andere systeemfout ontdekt is bij de ZW met betrekking tot de afhandeling van de TW. Hierover bent u voor het eerst geïnformeerd via de Stand van de uitvoering van december 2024. Deze herstelactie is afgerond zoals gedeeld in de Stand van uitvoering van april jl. Deze ging over de periode 1 september 2019 tot 1 september 2024. Daarbij werden de beoordeling of betaling van de toeslag niet afgerond, waardoor uitkeringsgerechtigden geen toeslag uitgekeerd kregen. Dat betreft een andere fout dan de onderhavige herstelactie, die ziet op het uitblijven van de controle van partnerinkomen bij de vaststelling van de toeslag.
Wij hebben het signaal ontvangen dat er op dit moment een terugvorderingsactie loopt, namelijk een zogenaamde veegactie, klopt dit en zijn de vorderingsbrieven al (deels) verstuurd? Of zijn die nog opgehouden? Hoeveel van deze brieven zijn er en over welke bedragen gaan deze vorderingen en welke uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid of werkloosheid gaat het?
Ja, dit klopt. UWV laat weten dat zij begin 2026 zijn gestart met controlewerkzaamheden voor de abonnementenservice voor partnerinkomsten bij de TW op de arbeidsongeschiktheidswetten. Deze service geeft een signaal af bij nieuwe partnerinkomsten. Dit staat los van de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW».
Uitkeringsgerechtigden zijn zelf verantwoordelijk voor het tijdig en correct doorgeven van wijzigingen in hun leefvorm en de inkomsten van hun partner aan UWV. Maar omdat dit niet altijd tijdig en correct gebeurt, heeft UWV medio 2023 partnerinkomsten toegevoegd aan de abonnementenservice. Via deze service ontvangt UWV een signaal wanneer er sprake is van nieuwe inkomsten uit een nieuw dienstverband van partners van uitkeringsgerechtigden met een TW. Dit heeft UWV ingevoerd om mogelijke terugvorderingen te voorkomen of te beperken omdat zij zo beter kunnen controleren of de partnerinkomsten kloppen.
Bij de invoering medio 2023 constateerde UWV al dat er partnerinkomsten zijn die al vóór medio 2023 bestonden en niet door uitkeringsgerechtigden aan UWV zijn gemeld. UWV wilde destijds proactief controleren of uitkeringsgerechtigden al bestaande inkomsten aan UWV hadden doorgegeven, maar door beperkte capaciteit was hier helaas nog geen mogelijkheid toe. Om deze reden is UWV begin 2026 alsnog deze controle gestart (deze specifieke controle op partnerinkomsten werd ook wel veegactie genoemd). Hoewel deze controle dus gaat over de door de uitkeringsgerechtigde opgegeven partnerinkomsten, is het vervelend dat deze controle pas in 2026 is gestart.
Als uit de controle blijkt dat de uitkeringsgerechtigde eerder geen of onjuiste partnerinkomsten heeft doorgegeven en er wel partnerinkomsten bekend zijn in de Polisadministratie, dan wordt beoordeeld of dit met terugwerkende kracht leidt tot een herziening van de verstrekte aanvulling vanuit de TW of mogelijk tot een terugvordering. Er worden geen boetes opgelegd.
Omdat het kan gaan om situaties die al langer lopen, kunnen er terugvorderingen zijn met een grote impact voor de uitkeringsgerechtigde. Dat vereist een zorgvuldige aanpak. In het geval van een terugvordering houdt UWV rekening met de menselijke maat en kan UWV in individuele gevallen, vanwege dringende redenen, een terugvordering matigen of daarvan afzien. Ook beoordeelt UWV of het voor de uitkeringsgerechtigde redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de toeslag te hoog was. Er zijn al uitkeringsgerechtigden telefonisch benaderd en sommigen hebben al een vorderingsbrief van UWV ontvangen. Omdat UWV per uitkeringsgerechtigde een beoordeling doet kan ik op dit moment nog geen bedragen delen. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang via de Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
Hoe komt het dat de fout pas zo laat ontdekt is? En zijn in de jaarlijkse steekproeven in de afgelopen tien jaar niet eerder signalen boven water gekomen dat de koppeling met het partner inkomen ontbraken? Zo ja, zijn er ook al eerder zogenaamde veegacties geweest met vorderingen van te veel uitgekeerde toeslagen? En over hoeveel veegacties met hoeveel vorderingen en welke maximale bedragen zijn die vorderingen gedaan?
De reden dat UWV de fout in de systeemkoppeling ten aanzien van «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» pas in 2025 ontdekte, is dat slechts een klein stukje van de koppeling niet goed werkte terwijl het overgrote deel van de gegevens via de koppeling wel goed liep. Helaas is dit daarom niet eerder in een steekproef naar voren gekomen. In de reguliere uitvoering kan het voorkomen dat in een individueel dossier blijkt dat partnerinkomsten niet of niet juist zijn meegenomen. In dat geval wordt dit individuele dossier gecorrigeerd. Zo’n individuele correctie betekent niet automatisch dat sprake is van een structurele fout. Volgens UWV zijn uit de reguliere uitvoering geen signalen naar voren gekomen dat sprake was van een structureel probleem in de systeemkoppeling. Bij een derde van de dossiers lijkt de controle ook zonder signaal uit het systeem wél te hebben plaatsgevonden. UWV deelt dat er niet eerder dergelijke correctiewerkzaamheden rondom toeslagen zijn geweest die betrekking hadden op het niet juist meenemen van de partnerinkomsten bij het bepalen van de hoogte van de toeslag.
Welke interne waarschuwingen, signalen of audits zijn er sinds 2016 geweest die mogelijk op deze fout hadden kunnen wijzen?
Met betrekking tot de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» is de fout begin april 2025 geconstateerd door UWV. Zie ook antwoord 14. Dat was het eerste signaal dat erop wees dat de geautomatiseerde controle op partnerinkomsten ontbrak. De systeemfout deed zich voor van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025. In de rechtmatigheidscontroles en audits is het ontbreken van de geautomatiseerde controle op partnerinkomsten bij TW niet naar boven gekomen. Overigens is het niet 100% uit te sluiten dat een individuele medewerker een keer tegenkwam dat er een fout was gemaakt in het meenemen van de partnerinkomsten bij het bepalen van de hoogte van de toeslag, maar zich niet realiseerde dat deze fout een technische oorzaak had.
Op welke manier is de fout ontdekt?
Medewerkers van UWV hebben de fout ontdekt bij beheerwerkzaamheden op de systeemkoppelingen.
In uw antwoorden gaf u aan dat het UWV pas in april 2025 bekend was met de fouten, klopt dat wel? En als het wel klopt hoe kan het dan dat pas na langer dan een halfjaar hierover aan de Minister wordt gerapporteerd?
Ja, dit klopt. UWV heeft de fout in april 2025 geconstateerd, waarna nader onderzoek, waaronder de steekproef, heeft plaatsgevonden. UWV kon dan vaststellen of er daadwerkelijk sprake was van mogelijke financiële onjuistheden. Naar aanleiding van die onderzoeksresultaten is mijn voorganger geïnformeerd over de geconstateerde systeemfout op 18 november 2025. Sinds eind vorig jaar hebben SZW en UWV een proces ingericht om eerder een signaal te ontvangen over een mogelijke herstelactie. Niet elk signaal hoeft een herstelactie te worden. Voor een nadere toelichting op het proces rondom signalen en mogelijke herstelacties verwijs ik naar het antwoord op vraag 18.
Hoe kan het dat de Kamer hierover niet geïnformeerd is, maar dit boven water moet halen door schriftelijke vragen?
Op het moment dat UWV bekend is met een mogelijke herstelactie delen zij dit zo spoedig mogelijk met mij. Op dat moment zijn er nog vaak veel zaken niet duidelijk. Daarom hebben SZW en UWV eind vorig jaar een proces ingericht om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over omvang, impact en mogelijke oplossing. Omdat ik mogelijke betrokkenen duidelijkheid over de situatie en herstelaanpak wil geven en niet onnodig stress wil bezorgen, zoeken we dit eerst zorgvuldig uit. Zodra ik deze duidelijkheid heb, deel ik dit zo spoedig mogelijk met uw Kamer. Ik doe dit bij voorkeur via de Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
Kunt u de beslisnotities betreffende dit onderwerp bij het beantwoorden van deze vragen delen met de Kamer?
Ja, de desbetreffende beslisnota stuur ik mee als bijlage bij deze beantwoording. Ook de eerder bij de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april7 gedeelde beslisnota8 over deze herstelactie voeg ik toe.
Kunt u de informatie die u vanuit UWV kreeg bij het beantwoorden van deze vragen delen met de Kamer?
Ja, de desbetreffende beslisnota die is opgesteld naar aanleiding van deze beantwoording, stuur ik mee als bijlage bij deze beantwoording. Ter voorbereiding van de beantwoording is er overleg geweest tussen UWV en SZW om de huidige stand van zaken rondom de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» te bespreken. De beslisnota vat dit samen en geeft de gemaakte keuzes en afwegingen weer.
Kunt u de vragen telkens separaat beantwoorden voor elke regelingen van UWV?
Ja, waar relevant heb ik dit separaat beantwoord. Het gaat hier om de herstelactie «Controle partnerinkomen toeslag bij de ZW».
Kunt u de vragen specifiek en gesplitst beantwoorden voor het CD Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli?
Ja, de vragen heb ik hierbij beantwoord voor het Commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli 2026.
Windturbines en grensregio’s |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Deelt u dat bij windturbines net over de Duitse grens ook de Nederlandse Staat verantwoordelijk is voor naleving van Europese en internationale verplichtingen?
Zoals in eerdere Kamervragen toegelicht1, geldt er Europees en internationaal recht dat terug te vinden is in het Verdrag van Espoo en de EU-richtlijnen over milieueffectrapportage om aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van ruimtelijke plannen, zoals windturbines nabij de grens, zo goed mogelijk in beeld te brengen en buurlanden daarbij te betrekken. Zolang dit recht gevolgd wordt, is er logischerwijs geen reden tot ingrijpen door de nationale overheid en zijn landen soeverein. Daarbij geldt dat in Nederland elke overheidslaag zijn eigen bevoegdheden heeft. Het is in beginsel aan de betrokken medeoverheden om indien er een vermoeden is dat het Europees recht niet wordt nageleefd, hierop actie te ondernemen.
Op basis waarvan concludeert u dat geen sprake is van significante grensoverschrijdende milieueffecten bij windturbines van circa 250 meter hoog, op korte afstand van de Nederlandse grens?
Deze conclusie is niet aan het kabinet. In eerste instantie is de beoordeling of er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten bij een Duits windproject aan het Duitse bevoegd gezag. De verantwoordelijkheid voor de lokale fysieke leefomgeving in Nederland ligt in beginsel bij de medeoverheden. Indien een Nederlandse overheidsinstantie meent dat er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van een Duits mer-plichtig initiatief, kan zij dit bij het Duitse bevoegd gezag kenbaar maken. Hiernaast geldt dat de Nederlandse overheidsinstantie de Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan vragen contacten te onderhouden met de bevoegde Duitse autoriteiten indien het niet lukt om contact met hen te leggen aangaande een mer-plichtig initiatief of als het overleg hierover niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
Erkent u dat het Verdrag van Espoo en artikel 7 van de MER-richtlijn gelden zodra grensoverschrijdende effecten niet kunnen worden uitgesloten, los van nationale MER-drempels?
Op basis van het Verdrag van Espoo geldt een mer-plicht voor gespecificeerde activiteiten waarbij aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten niet kunnen worden uitgesloten. Daarnaast geldt op basis van de Europese mer-richtlijn een directe mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht voor bepaalde activiteiten. De uitkomst van een mer-beoordelingsplicht kan vervolgens ook leiden tot mer-plicht. Zowel de vereisten uit het Verdrag als uit de mer-richtlijn zijn omgezet in nationale regelgeving. Hierbij geldt dat het aan het bevoegd gezag van de mer-plichtige activiteit is om de beoordeling te maken of er sprake kan zijn van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten. Alleen als uit de beoordeling volgt dat deze effecten niet kunnen worden uitgesloten, bieden het Verdrag en art. 7 van de mer-richtlijn verplichtingen rondom informatie-uitwisseling en overleg met een andere Verdragspartij.
Hoe beoordeelt u dat Nederlandse inwoners in de praktijk nauwelijks effectief kunnen participeren in Duitse procedures door taal-, kosten- en juridische drempels?
Participeren in Duitse procedures kan inderdaad complex zijn voor Nederlandse inwoners. Daarom is recent door de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening (NDCRO) een speciale brochure2 opgesteld die inwoners van Nederland een overzicht geeft van de planningsprocessen in Duitsland, alsmede van wat de belangrijkste termen en bijzonderheden van het Duitse recht zijn. Ook verheldert de brochure welke rechten Nederlandse inwoners hebben volgens het Duitse recht, als het gaat om participatie en inspraak in de planningsprocessen.
Heeft het Rijk hierover overleg gevoerd met de provincie Overijssel, en zo ja wanneer en met welk resultaat richting Duitsland?
Er vindt vier maal per jaar overleg plaats tussen ambtenaren van de Nederlandse overheid, alle grensprovincies en ambtenaren van de Duitse deelstaten en grensregiobesturen in de NDCRO. Dit overleg is informerend en informeel van karakter en gaat over ruimtelijke plannen in het grensgebied. Tijdens dit overleg hebben de Nederlandse provincies de windmolens in het grensgebied aangekaart. De Duitse collega’s hebben uitleg gegeven over de uit te werken plannen van de Bondsregering en hoe de deelstaatregeringen hier vervolgens uitwerking aan dienen te geven. Daarnaast heeft het Rijk op ambtelijk niveau overleg met de Duitse Bondsregering over het gehele grensgebied tussen Duitsland en Nederland, waar ook gesproken is over de plaatsing van windmolens in het grensgebied. Hierbij hebben wij aangegeven wat het grensoverschrijdend effect is van de nationale beleidskeuzes van de Duitse Bondsregering. Hierop heeft Duitsland enkele zoeklocaties nabij de grens verplaatst.
Kunt u de verslagen hiervan aan ons doen toekomen?
Vanwege het informele karakter van deze overleggen worden er geen verslagen vastgesteld.
Deelt u dat overlegstructuren zoals de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening (NDCRO) geen vervanging zijn voor juridisch afdwingbare verplichtingen uit het EU-milieurecht?
De NDCRO heeft inderdaad geen juridische status of beslisbevoegdheid. Dat is ook niet de doelstelling van het overleg. Hier brengt men elkaar op de hoogte van de ruimtelijke plannen en ontwikkelingen aan beide zijden van de grens en deelt men kennis inzake de ontwikkelingen en vraagstukken waar de partijen mee te maken hebben. Omdat de commissie het ook belangrijk vindt dat de betrokkenen aan de grens goed weten wat hun juridische rechten zijn, heeft de NDCRO voor inwoners van de Nederlandse grensstreek in de Nederlandse taal deze samengevat in de eerdergenoemde brochure.
Bent u bereid te komen tot een helder Rijkskader voor grensoverschrijdende windprojecten ter bescherming van leefomgeving, inwoners en gemeenten?
We voorzien momenteel geen specifiek aanvullend Rijkskader voor grensoverschrijdende windprojecten. Bestaande afspraken, zoals het verdrag van Espoo, maken voldoende duidelijk aan welke eisen moet worden voldaan. Hier is een contactpunt voor ingericht om medeoverheden daar waar nodig te ondersteunen. Dit is online te vinden. Wel zijn en blijven we in gesprek met de grensprovincies om te bezien of, en zo ja op welke wijze, we hen nader kunnen ondersteunen.
En zo ja, per wanneer?
N.v.t.
En zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Zie hierboven.
Het voordeel van meer gebruik van steenkolen ten opzichte van geïmporteerd gas |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat het vullen van de Nederlandse gasvoorraden op dit moment door de huidige gasprijzen in bepaalde scenario’s duurder kan uitpakken dan de verwachte gasprijs in de komende winter? Bent u bereid dit te kwantificeren aan de hand van actuele marktprijzen en winter-forwardprijzen?
De gasprijzen zijn momenteel hoger dan de prijs voor gas in de komende winter. Het verschil tussen de prijs voor gas die in de zomer moet worden betaald, en de prijs voor aankomende winter (de zogenoemde «spread») is een belangrijke prikkel voor het opslaan van gas. Op dit moment is er sprake van een negatieve spread (een hogere zomerprijs ten opzichte van de prijs in de aankomende winter). In eerdere jaren kon een positieve spread de kosten van het opslaan van gas (deels) dekken.
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door import van LNG, gas via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Ik kan niet aangeven of en zo ja hoeveel méér kosten leveranciers zullen maken als gevolg van het vullen van gasopslagen, omdat commerciële informatie voor mij onbekend is.
Kunt u per gasopslag aangeven wat de actuele vulgraad is, welke vuldoelen gelden, welke volumes nog moeten worden ingekocht en tegen welke verwachte kosten?
Nederland heeft een nationaal vuldoel gesteld van 115 TWh voor de Nederlandse seizoensopslagen op 1 november 2026. Dat doel komt overeen met een vulgraad van 80%. Dit doel houdt rekening met een koude winter die zich eens in de 30 jaar voordoet, waarbij tegelijkertijd de grootste bron van aanvoer uitvalt, waarbij wordt aangenomen dat de LNG-terminals in Europa geen extra gas leveren in de winter (wat zij doorgaans wel kunnen) én waarbij de vraag uit buurlanden als constant wordt aangenomen. Het nationale vuldoel is hoger vastgesteld dan waar Europa ons toe verplicht.
Voor Nederland zijn de belangrijkste gasopslagen Norg, Grijpskerk, Bergermeer en de PGI Alkmaar. Voor de meest actuele cijfers verwijs ik naar de Aggregated Gas Storage Inventory.1 Zoals bekend heeft EBN de opdracht om 80 TWh gas op te slaan, voor zover de markt dat niet doet. Daarnaast is 5 TWh opgeslagen in de PGI Alkmaar als tijdelijke noodvoorraad.
Welke financiële risico’s lopen inwoners, gebruikers van het gasnetwerk, marktpartijen, Energie Beheer Nederland (EBN) en de Nederlandse Staat wanneer gas nu tegen relatief hoge prijzen wordt ingekocht om de voorraden te vullen, terwijl de gasprijs in de winter lager blijkt te liggen?
Het financiële risico hangt af van het verschil tussen zomer- en winterprijzen, hoe die prijzen zich ontwikkelen en de volumes die tegen bepaalde prijsverschillen gekocht en al dan niet opgeslagen worden.
Kunt u aangeven welk deel van het in Nederland opgeslagen gas naar verwachting daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse huishoudens, bedrijven en elektriciteitsproductie, en welk deel mogelijk via de interne Europese gasmarkt naar het buitenland stroomt?
Het is niet mogelijk om aan te geven waar het gas uit de Nederlandse gasopslagen uiteindelijk voor bestemd is. Internationale gastromen zijn een integraal en onmisbaar onderdeel van de normale werking van een goed functionerende Europese interne markt.
Welke gevolgen heeft het voor EBN en uiteindelijk voor de Rijksbegroting wanneer EBN of andere door de Staat aangewezen partijen gas inkopen tegen hoge zomerprijzen en dit gas later tegen lagere marktprijzen moeten verkopen of beschikbaar stellen? Kunt u aangeven hoe eventuele verliezen worden gedragen en of deze uiteindelijk bij de belastingbetaler terecht kunnen komen?
De netto-kosten die EBN maakt in het uitvoeren van opslagactiviteiten (d.w.z. de kosten na aftrek van de opbrengsten van de uitvoering van deze activiteiten), worden verhaald door een heffing bovenop de tarieven van het landelijk transmissiesysteem voor gas van GTS volgens het principe «de gebruiker betaalt».
Deelt u de opvatting dat het vanuit betaalbaarheid en leveringszekerheid onwenselijk is als Nederland tegen te hoge kosten gasvoorraden vult, terwijl dat gas vervolgens niet primair ten goede komt aan Nederlandse huishoudens en bedrijven?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief2 van 28 mei 2026, zoek ik samen met EBN de balans tussen het borgen van de leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring, en het zo laag mogelijk houden van de kosten.
Ik acht het niet onredelijk dat de kosten voor het opslaan van gas worden verhaald op buitenlandse gebruikers voor zover zij gebruik maken van de Nederlandse opslagen. Temeer omdat Nederland ten opzichte van andere landen relatief veel opslagcapaciteit heeft. Het exclusief bestemmen of reserveren van bepaald gas voor Nederlandse afnemers met uitsluiting van afnemers in andere lidstaten is op grond van Europese regelgeving daarbij niet toegestaan.
Dit kabinet zet zich in de Raad van de Europese Unie in om een eerlijke kostendeling te bewerkstelligen.
Hoeveel aardgas wordt in Nederland gemiddeld ingezet voor elektriciteitsproductie, en welk deel daarvan is volgens u direct of indirect nodig om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen?
Uit cijfers van het CBS blijkt dat de laatste jaren gemiddeld ca. 45 TWh elektriciteit per jaar uit gas is opgewekt3 en hiervoor gemiddeld circa 12 bcm gas per jaar is ingezet. Er is geen specificatie mogelijk welk deel van het gasgebruik voor elektriciteitsproductie nodig is om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen.
Kunt u berekenen hoeveel aardgas Nederland kan besparen wanneer bestaande kolencentrales tijdelijk meer elektriciteit produceren en gascentrales daardoor minder draaiuren maken?
Nee, dit is niet mogelijk. Het valt niet te voorspellen welke gascentrale in Nederland en welke gas- of kolencentrale in het buitenland in dat geval zou uitgaan en welke besparing dat zou opleveren.
Welke technische, juridische, vergunningtechnische en Europese belemmeringen bestaan er op dit moment om Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra te laten draaien met als doel gas te besparen?
Er zijn op dit moment geen belemmeringen voor kolencentrales in Nederland tot en met 31 december 2029, volgens de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie. De markt bepaalt autonoom via de prijs wanneer welke centrales aan en uit gaan.
Bent u bereid op korte termijn te onderzoeken of de inzet van bestaande kolencentrales tijdelijk kan worden verruimd zolang gasprijzen hoog zijn, gasvoorraden kostbaar moeten worden gevuld en de leveringszekerheid onder druk staat? Kunt u dit onderzoek vóór Prinsjesdag aan de Kamer sturen?
Nee, de kolencentrales in Nederland mogen nog steeds produceren en de markt bepaalt autonoom welke centrales aan en uit gaan op basis van de prijs.
Welke gevolgen zou een tijdelijke hogere inzet van kolencentrales hebben voor de elektriciteitsprijs, de gasvraag, de netstabiliteit en de energierekening van huishoudens en het mkb?
De kolencentrales zijn vrij om meer elektriciteit op te wekken. Ook kunnen kolencentrales vrij ingezet worden voor netstabiliteit als dat nodig en concurrerend is met alternatieven. De elektriciteitsprijs komt tot stand op de Europese markt, waardoor het effect van drie kolencentrales uit Nederland beperkt is op de Europese prijsvorming.
Hoe weegt u het risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van duur geïmporteerd LNG, terwijl bestaande Nederlandse kolencentrales mogelijk tijdelijk kunnen bijdragen aan het beperken van gasverbruik en LNG-import?
De kolencentrales zijn, zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 8 t/m 11, vrij om meer elektriciteit op te wekken. Ik zie geen risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van LNG.
Hoeveel LNG heeft Nederland in 2024, 2025 en tot dusver in 2026 geïmporteerd, uitgesplitst naar land van herkomst? Welk deel daarvan is afkomstig uit de Verenigde Staten en in hoeverre bestaat dit LNG uit, of hangt het samen met, Amerikaans schaliegas?
In de afgelopen jaren heeft Nederland de volgende LNG-volumes geïmporteerd:
Verenigde Staten
17,5
14,4
19,9
Noorwegen
1,4
1,4
0,9
Rusland2
1,1
2
2,4
Afrika
2,5
1
2,2
Azië
0,8
0
0
Amerika excl. de VS
1,2
2,3
1,2
Overig/onbekend
0,2
0
0
Bron: CBS (update 21 mei 2026).
(Nader) voorlopige cijfers
Vanaf 1 januari 2027 is import van Russische LNG onder REPowerEU en het 19e sanctiepakket volledig verboden (zie Kamerstukken II, 2025/2026 29 023, nr. 664). Eerdere volumeontwikkelingen zijn toegelicht in onder meer aanhangsel van de Handelingen 2023–2024, nr. 2515 en aanhangsel van de Handelingen 2024–2025, nr. 136.
Nederland produceert ongeveer 1/3e van ons gas zelf, importeert ongeveer 1/3e via pijpleidingen en importeert ongeveer 1/3e aan LNG. Uit bovenstaande tabel is af te leiden dat van die LNG-import sinds 2023 gemiddeld 71% van de LNG afkomstig is uit de Verenigde Staten. Het overgrote deel van de totale gasproductie in de Verenigde Staten wordt gewonnen uit schaliegasvelden (78% in 2023 (IEA))4. Het is niet mogelijk om precies te bepalen hoeveel van de geïmporteerde Amerikaanse LNG afkomstig is uit schaliegasvelden. De reden is dat in de VS het schaliegas gemengd wordt op het gasnet met conventioneel gas.
Bent u bereid de volledige levenscyclusuitstoot van elektriciteitsproductie met Nederlandse kolencentrales te vergelijken met elektriciteitsproductie met gascentrales op basis van geïmporteerd Amerikaans LNG of schaliegas?
Het IEA stelt dat de klimaatimpact van steenkool aanzienlijk hoger ligt dan van aardgas. Bij aardgas speelt het type gas een rol: geïmporteerd LNG heeft een grotere klimaatimpact dan in Nederland gewonnen aardgas of aardgas dat via pijpleidingen afkomstig is uit bijvoorbeeld Noorwegen. Over het algemeen is de klimaatimpact van LNG echter nog altijd aanzienlijk lager dan die van steenkool. Uit onderzoek van het IEA bleek dat in 2024 99% van het geconsumeerde LNG een lagere klimaatimpact had dan steenkool. Er mag dan ook redelijkerwijs worden verondersteld dat dit ook voor de Nederlandse centrales geldt. Ook stelt het IEA dat wereldwijd de gemiddelde levenscyclusuitstoot van broeikasgassen per eenheid elektriciteit uit LNG ongeveer 40% lager is dan die van elektriciteit uit steenkool. Dit komt doordat gascentrales over het algemeen efficiënter elektriciteit opwekken dan kolencentrales (de wereldwijde gemiddelde efficiëntie van gascentrales is 48%, tegen 37% voor kolencentrales) (Bron IEA5). Met dit antwoord wil ik ook mijn toezegging aan het lid Boomsma6 (JA21) tijdens het Commissiedebat van 15 april over Hernieuwbare Energie gestand doen.
Klopt het dat in bepaalde scenario’s, afhankelijk van de aannames over methaanlekkage en LNG-ketenemissies, elektriciteitsproductie met steenkool mogelijk een lagere totale ketenemissie kan hebben dan elektriciteitsproductie met uit Amerika geïmporteerd schaliegas/LNG?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een kosten-batenanalyse aan de Kamer te sturen van een scenario waarin Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra draaien om aardgas te besparen, gasopslagkosten te beperken en de afhankelijkheid van LNG-import te verminderen?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een concreet scenario uit te werken waarin Nederland (tijdelijk) meer inzet op bestaande kolencapaciteit en minder op gasgestookte elektriciteitsproductie, inclusief de effecten op leveringszekerheid, energiekosten, gasvoorraden, importafhankelijkheid en CO2-uitstoot?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Kunt u deze vragen één voor één uitwerken?
Enkel de vragen 14 & 15 heb ik gezamenlijk beantwoord.
Het rapport ‘PFAS-aandachtlocaties in 2025’ |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Waarom zijn in het rapport «PFAS-aandachtlocaties in 2025» de locaties waar aandacht voor is, of die onze aandacht behoeven, niet vermeld, maar slechts als categorie gekwantificeerd?
Zoals vermeld in de brief aan Uw Kamer van 11 mei 20261 is het rapport «PFAS-aandachtlocaties in 2025» in samenwerking met gemeenten en provincies opgesteld met als doel om de verschillende inventarisaties die door de gemeenten en provincies worden uitgevoerd naar PFAS-aandachtlocaties samen te brengen tot een landelijk overzicht. Met de betreffende overheden heb ik afspraken gemaakt om de inventarisatie in 2030 af te ronden zodat op basis van die inventarisatie een programmatische aanpak van deze locaties kan worden vormgegeven. Het is belangrijk om deze rapportage in deze context te beschouwen. Het doel van de uitvraag bij de bevoegde overheden is om een landelijk beeld te krijgen hoe groot de opgave rond PFAS-aandachtlocaties is, hierin een prioriteitsvolgorde aan te brengen en de meest urgente locaties als eerste aan te pakken. Gemeenten en provincies die de inventarisaties uitvoeren hebben vanuit de wet de taak om te bepalen wat er op een specifieke locatie moet gebeuren en communiceren daarover met belanghebbenden. Zij hebben ook beter zicht op de lokale situatie dus zijn hiervoor per definitie beter geoutilleerd. De gegevens in de rapportage «PFAS-aandachtlocaties in 2025» zijn vorig najaar uitgevraagd. We hebben met de overheden afgesproken dat zij communiceren over de locaties, aanpak en de voortgang.
In wiens belang is het om deze locaties met potentieel veel gezondheidsschadelijke vervuiling voor het publiek verborgen te houden?
Er is geen sprake van het verbergen van de locaties. Op het moment dat er sprake is van een locatie met mogelijke gezondheidsrisico’s is het aan het betreffende provincie of gemeente om met de belanghebbenden daarover te communiceren en daar de passende maatregelen te nemen. Dat kan een sanering zijn, maar ook bijvoorbeeld gebruiksadviezen voor een bepaalde locatie.
De provincies en gemeenten investeren in het inventariseren van de PFAS-aandachtlocaties. Het Ministerie van IenW ondersteunt gemeenten en provincies om PFAS-aandachtlocaties te inventariseren. Financiële ondersteuning van de decentrale overheden vindt plaats middels de Tijdelijke regeling uitkering Bodem (SPUK Bodem). Daarnaast is er voor provincies en gemeenten ondersteuning door middel van onderlinge afstemming en kennisopbouw.
De rapportage helpt om de totale opgave in beeld te krijgen. Dit is onderdeel van de gezamenlijke aanpak die met de medeoverheden is ontwikkeld. Deze werkwijze komt overeen met de manier waarop in het verleden de spoedlocaties (historische bodemverontreinigingen) succesvol zijn aangepakt.
Is niet in het verdrag van Aarhus bepaald, dat het publiek moet worden geïnformeerd over dergelijke locaties met milieu- en gezondheidsrisico’s?
De provincies en gemeenten geven hier invulling aan. De betreffende informatie is afkomstig van de provincies en gemeenten en zij hebben op basis van de wet de taak om te bepalen welke acties er al dan niet genomen moeten worden en de informatie die bekend is te delen met belanghebbenden.
Wanneer worden deze locaties en het risico dat ervan uitgaat, wel publiek gemaakt?
Zoals in het antwoord op vragen 1 en 2 aangegeven, is dat aan de bevoegde overheden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat Externe Veiligheid op 10 juni a.s. beantwoorden?
Ja.
Burgemeesters die meedoen aan Nakba-herdenkingen |
|
Mona Keijzer , Annabel Nanninga (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Utrechtse burgemeester Dijksma, met ambtsketen, samen met wethouder Voortman namens het college van B&W van de gemeente Utrecht een krans heeft gelegd bij een zogenoemde Nakba-herdenking op het Domplein, bij het verzetsmonument? En dat de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem ook, met hun aanwezigheid danwel online, stilstonden bij een historisch onjuiste weergave van de zogenaamde «Nakba»?
Ik ben bekend met de aanwezigheid en kranslegging bij de Nakba-herdenking op het Domplein en met de uitingen van de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem.
Bent u ermee bekend dat de kransen die op 4 mei waren gelegd voor Nederlandse verzetsstrijders, bevrijders en slachtoffers van oorlog en Holocaust in Utrecht kennelijk moesten wijken en achter het monument op een hoop zijn beland?
Ik ben ermee bekend dat de kransen achter het monument zijn gelegd.
Vindt u het normaal dat kransen voor verzetsstrijders en oorlogsslachtoffers nog geen twee weken na de Nationale Dodenherdenking worden weggekwakt om ruimte te maken voor een politieke herdenking over een buitenlands conflict?
Ik begrijp dat het beeld dat de kransen achter het monument zijn gelegd onbegrip, verdriet en boosheid kan oproepen, zowel bij nabestaanden als andere betrokkenen. Burgemeester Dijksma heeft aangegeven dat het hier gaat om een menselijke fout, en dit had niet mogen gebeuren. Momenteel wordt door de gemeente Utrecht uitgezocht hoe dit heeft kunnen gebeuren.
Wie heeft hiertoe opdracht gegeven, wie was hiervoor verantwoordelijk en deelt u de mening dat dit nooit meer mag gebeuren?
Momenteel wordt uitgezocht door de gemeente Utrecht hoe dit heeft kunnen gebeuren. Ik heb er begrip voor dat mensen zijn gekwetst door de gebeurtenissen; het is van groot belang om zorgvuldig en respectvol om te gaan met herdenkingen.
Heeft u reeds contact gehad met het college van B&W van de gemeente Utrecht over de wijze waarop de 4 mei-kransen bij het verzetsmonument zijn behandeld?
Ik heb geen contact gehad met het college van Utrecht. Ik vertrouw erop dat de gemeente Utrecht haar onderzoek zorgvuldig doet.
Zo nee, waarom niet?
Het wederzijds vertrouwen tussen het Rijk en het lokaal bestuur is essentieel voor een goede samenwerking, zoals ook bevestigd in ons Bestuurlijk Overleg op 5 maart. Ik vertrouw er dan ook op dat de evaluatie vanuit de gemeente zal uitwijzen hoe dit heeft kunnen gebeuren.
Bent u bereid het college van B&W van de gemeente Utrecht hierover alsnog om opheldering te vragen en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Ik vertrouw erop dat het college van B&W de raad over de resultaten van deze evaluatie inlicht. De politieke verantwoording over zaken die onder verantwoordelijkheid van het college of van de burgemeester gebeuren, vindt immers op gemeentelijk niveau plaats.
Deelt u de mening dat een verzetsmonument geen podium is voor actuele geopolitieke campagnes, zeker niet wanneer daardoor de herdenking van Nederlandse verzetsstrijders en slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog letterlijk opzij wordt geschoven?
Hierboven heb ik mijn begrip uitgesproken voor de gevoelens van boosheid en verdriet die zijn ontstaan door de gebeurtenissen. Daarnaast ben ik er in algemene zin niet op tegen dat bestaande monumenten ook gebruikt kunnen worden voor andere herdenkingen dan die waarvoor zijn oorspronkelijk zijn bedoeld. Dat moet natuurlijk wel op een zorgvuldige manier gebeuren.
Valt het volgens u onder de taakopvatting van Nederlandse burgemeesters om buitenlandse gebeurtenissen en conflicten te herdenken, zoals de zogenaamde «Nakba»?
Deelname aan herdenkingen draagt bij aan het bevorderen van sociale cohesie en begrip tussen bijvoorbeeld bestuurders, politici en de diverse groepen in de samenleving. Op deze manier laten publieke ambtsdragers zien in verbinding te willen staan met verschillende bevolkingsgroepen in de maatschappij. Publieke ambtsdragers – zo ook burgemeesters – vervullen een rol om deze waarden te ondersteunen en uit te dragen. De neutraliteit van de burgemeester komt hiermee niet in gevaar, omdat het bijwonen van een herdenking in welke vorm dan ook slechts de maatschappelijke diversiteit weerspiegelt. De rechten van anderen worden hierdoor niet beperkt. Zo bezoeken ambtsdragers ook tal van andere maatschappelijke stromingen en groeperingen.
Zo ja, waarom herdenken burgemeesters dan niet ook de Holodomor, de Ierse Troubles, de val van Constantinopel, de Grieks-Turkse bevolkingsuitwisseling, de deling van India en Pakistan of de verdrijving van honderdduizenden Joden uit islamitische landen?
De afweging of een burgemeester wil deelnemen aan bepaalde herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moet worden gemaakt.
Zo nee, bent u bereid burgemeesters erop aan te spreken dat zij hun ambt niet moeten misbruiken om buitenlandse conflicten de Nederlandse samenleving binnen te trekken?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat burgemeesters, die in Nederland al niet rechtstreeks democratisch gekozen worden, juist een extra zware verantwoordelijkheid hebben om zichtbaar boven de partijen te staan en er voor álle inwoners van hun gemeente te zijn?
De burgemeesters hebben inderdaad een verantwoordelijkheid om er te zijn voor alle inwoners van hun gemeente. De pluriformiteit van onze samenleving met daarin een grote diversiteit aan verschillende levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen, waardepatronen, ideeën en gevoelens maakt dat niet altijd een gemakkelijke opgave. Ik steun hen daarin van harte.
Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot het optreden van burgemeesters rond een eenzijdige, historisch incorrecte zogenoemde «Nakba»-herdenking?
De neutraliteit van de burgemeester komt hiermee niet in gevaar, omdat het bijwonen van een herdenking door burgemeesters slechts de maatschappelijke diversiteit weerspiegelt. De rechten van anderen worden hierdoor niet beperkt. Zo bezoeken ambtsdragers ook tal van andere maatschappelijke stromingen en groeperingen.
Vindt u het gepast dat een burgemeester in functie stilstaat bij een herdenking waarbij de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 vanuit één politiek en inaccuraat perspectief wordt gepresenteerd?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Erkent u dat de zogenaamde «Nakba»-herdenking in deze vorm voor veel Joodse Nederlanders niet voelt als een neutrale herdenking, maar als een politieke aanklacht tegen het bestaansrecht van Israël?
Ik heb in algemene zin begrip voor de mogelijke gevoelens van Joodse Nederlanders rondom Nakba-herdenkingen.
Begrijpt u dat Joodse Nederlanders zich door dit optreden van burgemeesters gekleineerd, miskend en in de steek gelaten weten?
Zie mijn antwoord op vraag 15.
Deelt u onze zorg dat deze burgemeesters hiermee niet verbinden, maar polariseren?
Die zorg deel ik niet. Zie ook mijn antwoord op vraag 12.
Bent u bekend met het feit dat de organisator van de Utrechtse herdenking eerder een raadsvergadering in Utrecht verstoorde, waar de veiligheid dusdanig in het geding kwam, dat de politie moest ingrijpen?1
Vindt u het acceptabel dat een burgemeester zich voor het karretje laat spannen van dergelijke organisatoren?
Daarmee ben ik bekend.
Acht u het samenwerken met knokploegen zoals deze door de burgemeester bewust en dus kwalijk, of onbewust en dus bestuurlijk naïef?
Gemeenteraadsvergaderingen zijn in beginsel openbaar. Elke burger of groep burgers mag deze bijwonen. Gemeenten staat het vrij spelregels op te stellen voor burgers om bij vergaderingen in te spreken of anderszins te participeren. Ik vind het van belang dat het gesprek hierover eerst en vooral op gemeentelijk niveau wordt gevoerd. Juist ook omdat dat debat dan kan plaatsvinden op basis van alle relevante – ter plaatse veel beter bekende – feiten en omstandigheden.
Vindt u dat burgemeesters, voordat zij met ambtsketen bij dit soort bijeenkomsten verschijnen, ten minste behoren te weten wie de organisatoren, sprekers en betrokken netwerken zijn?
De afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moeten worden gemaakt. Welke informatie zij voor die afweging gebruiken of willen gebruiken is aan hen.
Heeft u zicht op welke organisaties en personen betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Het kabinet kan hier geen uitspraken over doen. In algemene zin geldt dat mogelijke risico’s voor nationale veiligheid, democratische rechtsorde of de openbare orde door de daarvoor verantwoordelijke instanties worden beoordeeld en indien daartoe aanleiding bestaat, maatregelen worden getroffen.
Zo nee, vindt u dat wenselijk, gezien de aanwezigheid van lokale bestuurders in functie bij deze bijeenkomsten?
De afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moeten worden gemaakt. Welke informatie zij voor die afweging gebruiken of willen gebruiken is aan hen.
Bent u bereid dit alsnog te laten nagaan?
Dat is niet aan mij om te doen. De politieke verantwoording over zaken die onder verantwoordelijkheid van het college of van de burgemeester gebeuren, vindt immers op gemeentelijk niveau plaats.
Heeft het kabinet zicht op eventuele verbanden tussen deze organisaties of personen en netwerken waarover de AIVD, politie of het Openbaar Ministerie (OM) zorgen hebben geuit?
Het kabinet kan geen uitspraken doen over eventueel lopende onderzoeken of onderzoeken naar specifieke organisaties of personen.
Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Zie antwoord vraag 25.
Hoe verhoudt deelname van lokale bestuurders aan dergelijke bijeenkomsten zich tot de waarschuwing van de AIVD dat in Nederland een Hamas-netwerk actief is?
De afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moeten worden gemaakt. Welke informatie zij voor die afweging gebruiken of willen gebruiken is aan hen.
Zonder op de specifieke casuïstiek in te gaan, geldt in algemene zin dat mogelijke risico’s voor nationale veiligheid, democratische rechtsorde of de openbare orde door de daarvoor verantwoordelijke instanties worden beoordeeld en indien daartoe aanleiding bestaat, maatregelen worden getroffen. Zoals in het antwoord op vraag 25 aangegeven, kan het kabinet geen uitspraken over al dan niet lopende onderzoeken.
Bent u bereid gemeenten actief te waarschuwen voor het risico dat bestuurders worden ingezet als legitimatie voor radicale, extremistische of antisemitische agenda’s?
In het algemeen geldt dat dreigingen die de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht, zodat indien nodig passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Heeft u zicht op de financiering van de organisaties die betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
In algemene zin geldt dat nauw wordt samengewerkt door de betrokken veiligheidspartners om, indien mogelijk sprake is van ongewenste buitenlandse financiering, deze tegen te gaan. Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dient de overheid zich te richten op specifieke vormen van financiering. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) notes verbales over financieringsstromen van derde landen ontvangt, kan BZ deze doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 25, kan het kabinet geen uitspraken doen over eventueel lopende onderzoeken of onderzoeken naar specifieke organisaties of personen.
Zo nee, acht u dat verantwoord, gelet op recente zorgen over buitenlandse en/of extremistische beïnvloeding van anti-Israëlische activiteiten in Nederland?
Graag verwijs ik u naar het gegeven antwoord op vraag 29.
Bent u bereid te laten nagaan of de betrokken organisaties direct of indirect financiële steun ontvangen uit het buitenland, van aan Hamas gelieerde netwerken, of van organisaties waarover de AIVD, politie of het OM zorgen hebben geuit?
In het algemeen geldt dat dreigingen die de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Indien er sprake is van heimelijke buitenlandse beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Dat kan onder meer binnen de rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. Voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt daarin gekeken naar mogelijkheden om ongewenste inmengingsactiviteiten te voorzien, verstoren, verijdelen of risico’s te mitigeren.
Daarnaast moest de voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) de overheid onder andere helpen bij het tegengaan van financiering van activiteiten die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Met dit voorstel werd beoogd onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door middel van ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties in Nederland tegen te gaan. Zoals uw Kamer weet, is de Wtmo op 24 maart jl. door de Eerste Kamer verworpen. Het kabinet beziet momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Voor het einde van dit jaar informeert mijn ambtsgenoot van Justitie en Veiligheid uw Kamer over de voortgang hierover.
Kunt u uitsluiten dat bij de organisatie, financiering of ondersteuning van deze herdenkingen sprake is geweest van beïnvloeding door extremistische, antisemitische of aan Hamas gelieerde netwerken?
Het kabinet kan hier geen uitspraken over doen. In algemene zin geldt dat mogelijke risico’s voor nationale veiligheid, democratische rechtsorde of de openbare orde door de daarvoor verantwoordelijke instanties worden beoordeeld en indien daartoe aanleiding bestaat, maatregelen worden getroffen.
Deelt u de mening dat de versie van de «Nakba» die in dit soort bijeenkomsten centraal staat vaak een eenzijdig en historisch verdraaid beeld geeft van 1948, waarbij de aanval van Arabische legers op de pas opgerichte staat Israël buiten beeld blijft?
Of er sprake is van een historisch incorrecte Nakba-herdenking, is niet aan mij.
Zo nee, waarom klopt volgens u dan deze versie van de historie van het gebied?
Zie mijn antwoord op vraag 33.
Deelt u de mening dat het buitengewoon kwalijk is als Nederlandse bestuurders deze eenzijdige geschiedschrijving bestuurlijk legitimeren?
Het is niet aan mij om te beoordelen of hier sprake is van eenzijdige geschiedschrijving. Daarnaast is de afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen er een die door burgemeesters zelf moeten worden gemaakt.
Bent u bereid uit te spreken dat burgemeesters zich niet behoren te lenen voor herdenkingen die het conflict tussen Israël en Hamas importeren in Nederlandse gemeenten?
Nee, de afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door burgemeesters zelf moeten worden gemaakt.
Deelt u de mening dat deze herdenkingen, zeker wanneer zij plaatsvinden bij oorlogsmonumenten, overbodig, polariserend en ongepast zijn?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 35.
Bent u bereid de betrokken burgemeesters aan te spreken op hun optreden en hun verantwoordelijkheid tegenover alle inwoners, waaronder nadrukkelijk ook de Joodse gemeenschap?
Nee, ik ben ervan overtuigd dat de burgemeesters zich ten volle bewust zijn van hun verantwoordelijkheid naar alle inwoners.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en volledig beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de berichten over Naomi Janssen (26) uit Rotterdam, die na afloop van haar jongerenhuurcontract dreigt dakloos te worden omdat zij ondanks jarenlange inschrijving en actieve zoektocht geen vervangende woning kan vinden?1, 2
Ja, ik ben met dat bericht bekend. Het raakt me dat jongeren in Nederland in onzekerheid verkeren over hun huurwoonruimte. Ook ben ik mij bewust van de motie van het lid-Beckerman (Kamerstukken II, 2025–2026, 32 847, nr. 1484) die de regering verzoekt onderzoek te doen naar de omvang van het probleem van dakloosheid onder jongeren met aflopende flexibele huurcontracten.
Deelt u de mening dat het jongerenhuurcontract, dat oorspronkelijk bedoeld was als oplossing voor jongeren op de woningmarkt, door de vastgelopen woningmarkt is veranderd in een instrument dat jongeren na vijf jaar feitelijk op straat kan zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik maak mij zorgen over de onzekere woonsituatie van jongeren en het feit dat de krappe woning- en huurmarkt van invloed is op de wijze waarop zijn hun leven kunnen inrichten. De mening dat het jongerenhuurcontract is verworden tot een instrument dat jongeren op straat zet, deel ik echter niet. Het huurrecht kent verschillende van dit soort «doelgroepcontracten». Uitgangspunt bij deze contractvorm is dat de huur kan worden beëindigd als de huurder niet meer tot de doelgroep behoort waarvoor de woning bedoeld is. Voor jongeren die een woning huren die speciaal voor jongeren is bedoeld, kan de verhuurder ervoor kiezen om een speciaal jongerenhuurcontract aan te bieden.
Het doelgroepcontract voor jongeren is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. In de kern gaat het om een vast huurcontract, met huurbescherming voor onbepaalde tijd, waaraan bijzondere opzeggingsgronden zijn verbonden. Voor een jongerencontract geldt dat dit contract door de verhuurder kan worden opgezegd als:
Een door de verhuurder opgezegde huurovereenkomst blijft, tenzij de huurder schriftelijk met de huurbeëindiging heeft toegestemd, van kracht. Wanneer de huurder niet binnen zes weken schriftelijk met de huurbeëindiging instemt, kan alleen de rechter de huur beëindigen. Het is dan aan de verhuurder om de rechter om beëindiging van de huurovereenkomst te vragen. De rechter weegt bij het oordeel of de huur moet eindigen alle omstandigheden mee.
Voorts is ook specifiek wettelijk bepaald dat de huurder diens inschrijfduur als woningzoekende behoudt als hij een jongerencontract aangaat, waardoor de huurder niet opnieuw inschrijfduur hoeft op te bouwen.
Tot slot merk ik op dat aan de opzeggingsgrond «dringend eigen gebruik» in het Burgerlijk Wetboek expliciet de voorwaarde is verbonden dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is. Maar aan het kunnen opzeggen van een jongerencontract, met het weer aan de doelgroep (jongere/student/ promovendus) kunnen verhuren als dringend eigen gebruik, is deze wettelijke voorwaarde niet verbonden. Deze keuze is door de wetgever in 2015 gemaakt vanuit de overtuiging dat jongeren weten dat hun huurcontract na 5 jaar (of na verlenging maximaal 7 jaar) eindigt en daarmee voldoende tijd hebben om op zoek te gaan naar een volgende woning.
Doelgroepencontracten waaronder het jongerencontract zijn bij de Wet doorstroming huurmarkt 2015 geïntroduceerd. De wet is in 2021 geëvalueerd.3 Ik heb niet eerder signalen ontvangen over dat deze specifieke contractvorm problemen oplevert. Daarmee wil ik zeker niet voorbij gaan aan de moeite die vele jongeren hebben om passende en betaalbare huisvesting te vinden en de onzekere situatie waarin zij zitten.
Hoeveel jongeren in Nederland hebben op dit moment een aflopend of reeds verlopen jongerenhuurcontract en lopen daarmee het risico op dakloosheid? Is dit bij uw ministerie in beeld?
Een huurcontract, waaronder een doelgroepcontract voor jongeren, is een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder. De overheid beschikt niet over cijfers over het gebruik van de verschillende vormen van huurcontracten zoals opgenomen in het Burgerlijk wetboek.
Bent u het eens met advocaat Jennifer Alspeer dat je mensen niet zomaar de dakloosheid of illegaliteit kunt induwen omdat een contracttermijn is verstreken, zeker gezien de huidige staat van de woningmarkt? Zo nee, wat is uw rechtvaardiging voor het handhaven van deze contractvorm onder de huidige omstandigheden?
Ja, ik deel uiteraard het uitgangspunt dat dakloosheid en illegaliteit voorkomen moeten worden. De belangrijkste manier om dit te voorkomen is om te zorgen dat we snel meer woningen toevoegen, zowel met nieuwbouw als in de bestaande voorraad. Dan is er voor meer mensen een plek en dus ook een plek om naar door te stromen.
Welke concrete verplichtingen hebben woningcorporaties naar uw mening richting jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt, mede gelet op de zorgplicht die corporaties hebben ten aanzien van hun huurders? Acht u de huidige verplichtingen afdoende?
In het antwoord op vraag 2 ben ik ingegaan op wettelijke bepalingen waaraan de verhuurder gehouden is. Deze acht ik afdoende. Bovendien mag een verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar verlengen. En wanneer de verhuurder de huurovereenkomst niet na vijf jaar (of na de verlengde termijn van maximaal 7 jaar) opzegt om de woning weer aan een jongere (of student/promovendus) te kunnen verhuren, loopt het huurcontract voor onbepaalde tijd door («vast huurcontract»). Daarnaast verwacht ik van verhuurders, en corporaties in het bijzonder, dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de woonsituatie van hun huurder, in het bijzonder in gevallen van dreigende dakloosheid. Op basis van de genoemde krantenartikelen heb ik geen aanleiding te concluderen dat de betrokken verhuurder in deze te kort schiet.
Is het u bekend dat jongeren in wanhoop honderden euro's betalen aan dubieuze tussenpersonen die woonruimte aanbieden via sociale media zoals TikTok, en dat dit leidt tot oplichting? Welke maatregelen neemt u om deze praktijken te bestrijden en kwetsbare woningzoekenden te beschermen?
De problematiek van dubieuze tussenpersonen en woonfraude is niet een direct gevolg van een jongerencontract, maar speelt breder. Ik ben in het antwoord op Kamervragen over woonfraude ingegaan op deze problematiek.4 Ik roep huurders of woningzoekenden die slachtoffer zijn geworden van criminaliteit, bijvoorbeeld van huurbemiddelaars, op om aangifte te doen bij de politie en om dit te melden bij de Fraudehelpdesk. Voorts heb ik op een voorstel voor een huurregister in internetconsultatie gebracht.5 Een huurregister kan uiteenlopende maatschappelijke doelen dienen. Het uit de anonimiteit halen van de huur-verhuurrelatie is er daar één van. Met een huurregister kan de huurder bijvoorbeeld nagaan of de verhurende partij bij het register bekend is. Dat zou voor situaties zoals beschreven een extra waarborg kunnen geven.
Bent u bereid om woningcorporaties via wet- of regelgeving te verplichten dat zij jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt niet uit hun woning mogen zetten zolang er geen passend alternatief beschikbaar is? Zo nee, welke andere maatregelen overweegt u?
Zoals in het antwoord op vraag 4 uiteen is gezet is de aanvullende voorwaarde dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is, in het Burgerlijk wetboek niet verbonden aan het kunnen opzeggen van een specifiek doelgroepcontract. Ik heb geen voornemen de wet op dit punt aan te passen. Ik wijs er nogmaals op dat de verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar kan verlengen. En de inschrijfduur als woningzoekende loopt voor de huurder gedurende de looptijd van het (verlengde) jongerencontract door. Bovendien zet ik in op het vergroten van het aanbod, zodat er meer mogelijkheden zijn voor jongeren om door te stromen en plek te maken voor anderen die tot de doelgroep behoren.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en jongerenorganisaties om een landelijke noodprocedure in te stellen voor jongeren die bij het aflopen van hun jongerenhuurcontract geen vervangende woning kunnen vinden? Zo nee, waarom niet?
De aangehaalde krantenartikelen betreffen het geval van één specifieke huurder, die in de voor haar persoonlijk in de zeer vervelende onzekerheid verkeert over haar woonruimte. Uit de berichtgeving komt ook naar voren dat de betreffende woningcorporatie in gesprek is met de betreffende huurder. Ik zie daarom geen aanleiding om een landelijke noodprocedure in het leven te roepen.
Welke lessen trekt u uit de situatie van Naomi Janssen en andere jongeren in vergelijkbare omstandigheden voor het toekomstige beleid rondom tijdelijke huurcontracten in het algemeen?
Ik ben blij dat deze casus onder mijn aandacht wordt gebracht. Deze casus, net als de vele andere verhalen van woningzoekenden, raken mij. Het motiveert mij om mij iedere dag weer vol in te zetten, samen met alle partners in de volkshuisvesting, om snel meer betaalbare woningen te realiseren.
Ziet u, gezien deze berichtgeving, aanleiding om het voorstel tot uitbreiding van flexibele huurcontracten uit het pakket voor de versoepeling van de Wet betaalbare huur te halen? Zo nee, waarom wilt u de woonsituatie van meer jongeren onzekerder maken?
Het voorstel waar in deze vraag op gedoeld wordt, beoogt een omissie te herstellen waarbij aan studenten die buiten de eigen woonplaats gaan studeren wel een tijdelijk huurcontract aangeboden mag worden en aan studenten die binnen de eigen woonplaats gaan studeren niet. Dit creëert een gelijk speelveld onder studenten en moet ervoor zorgen dat er voor deze groep meer woningen beschikbaar komen, waardoor het dus ook voor méér studenten mogelijk moet worden om in de eigen woonplaats een woonruimte te vinden.
Het bericht dat meldingen van kindermishandeling te traag worden afgehandeld door Veilig Thuis |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Niemand weet hoe vaak het misgaat» over de trage afhandeling van meldingen van kindermishandeling door Veilig Thuis en wat is uw reactie op de zorgen van jeugdrechtadvocaten dat ernstige zaken te lang blijven liggen?1
Klopt het dat meldingen van ernstige kindermishandeling regelmatig langer openstaan dan de wettelijke termijn van tien weken en hoeveel meldingen staan momenteel langer open dan wettelijk toegestaan?
Hoeveel meldingen van vermoedens van ernstige kindermishandeling of huiselijk geweld zijn de afgelopen vijf jaar niet tijdig opgepakt en hoeveel kinderen zijn in diezelfde periode ernstig mishandeld of overleden terwijl er al signalen bekend waren bij hulpinstanties?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen mogelijk maandenlang in een onveilige thuissituatie blijven terwijl instanties al meldingen en signalen hebben ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat ernstige zaken volgens deskundigen «ondersneeuwen» door de grote hoeveelheid meldingen en is er volgens u sprake van personeelstekorten, bureaucratie, falende coördinatie of onvoldoende deskundigheid binnen Veilig Thuis?
Hoeveel fte is er de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis bijgekomen, hoeveel vacatures staan momenteel open en acht u de huidige capaciteit voldoende om kinderen tijdig te beschermen?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de afgelopen vijf jaar ingegrepen, waarschuwingen afgegeven of onderzoeken ingesteld naar Veilig Thuis-organisaties wegens tekortschietende uitvoering?
Hoe wordt momenteel gecontroleerd of meldingen daadwerkelijk leiden tot snelle en adequate actie om kinderen direct in veiligheid te brengen en klopt het dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over meldingen en de voortgang van onderzoeken?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis, jeugdzorg, gemeenten, politie en andere instanties? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen, extra middelen, bevoegdheden of wetswijzigingen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat ernstige meldingen direct prioriteit krijgen en te voorkomen dat kinderen opnieuw slachtoffer worden van langdurige mishandeling door falend toezicht?
Bent u bekend met het feit dat debatcentrum Pakhuis de Zwijger heeft besloten de eminente migratiedeskundige Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn, niet deel te laten nemen aan een debat op 1 juni dit jaar, nadat hij hier eerder wel voor was uitgenodigd?1
Ja.
Pakhuis de Zwijger motiveerde de intrekking van de uitnodiging aan Koopmans met «persoonlijke uitingen op sociale media» van Koopmans, die niet zouden passen bij de «eigen waarden en omgangsvormen» Wat vindt u van deze motivatie?
Voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen geldt dat zij artistiek en inhoudelijk autonoom zijn. Dit is een belangrijk uitgangspunt in een democratische rechtsstaat. Wel geldt in algemene zin dat van instellingen met een publieke debat- of dialoogfunctie mag worden verwacht dat zij een podium geven aan verschillende stemmen en opvattingen in het debat. Het is echter niet aan het kabinet om programmering inhoudelijk te beoordelen of te sturen op specifieke politieke of ideologische vertegenwoordiging.
Hoe een instelling invulling geeft aan de programmering en hoe dit wordt georganiseerd is ter beoordeling van de instelling. De uiteindelijke afweging blijft altijd aan de instelling zelf. De Raad voor Cultuur bevordert het gesprek in de culturele sector over invulling van de maatschappelijke doelstellingen. Een belangrijke aanjager hiervan is het advies «Maken (z)onder druk» dat de Raad voor Cultuur begin dit jaar heeft uitgebracht. In dit advies wordt ingegaan op in welke mate de artistieke vrijheid in Nederland onder druk staat, wat daar mogelijke oorzaken van zijn en welke handelingsperspectieven er zijn voor overheid, het culturele veld en het onderwijs om die vrijheid te beschermen.
Pakhuis de Zwijger ontvangt een subsidie in de context van de Regeling vierjarige instellingssubsidie 2025–2028 van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Het is aan het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie om de toegevoegde waarde van de activiteiten en de programmering van een aanvragende instelling onder deze regeling inhoudelijk te beoordelen. Indien het gaat om BIS- aanvragen: bij de beantwoording van BIS- aanvragen heeft de Raad voor Cultuur, zoals in al zijn advisering, rekening gehouden met de in «Advies aanvraag- en beoordelingsproces BIS 2025–2028» genoemde doelstellingen.
Pakhuis de Zwijger trad in 2023 na een juridische strijd toe tot de Culturele Basisinfrastructuur (BIS), waarna het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie Pakhuis de Zwijger in juli 2024 voor de periode 2025–2028 in het kader van de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» een zogenoemde categorie 1 subsidie toekende van 2,2 miljoen euro. Is uw ministerie betrokken geweest bij deze toekenning en zo, ja hoe?2
OCW is niet betrokken geweest bij het toekennen van de subsidie via de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Dit fonds maakt eigen afwegingen op grond van de in vraag 3 genoemde «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie». De regeling beschrijft ook het selectieproces. Zie hiervoor de eindnoot (a).3
Pakhuis de Zwijger heeft ook aanvragen voor subsidie gedaan bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) en Europese subsidiegelden. Is u bekend of deze aanvragen zijn gehonoreerd en zo ja, om welke bedragen het gaat en wat het totale aandeel is van subsidie in de financieringsmix van Pakhuis de Zwijger?
Verschillende aanvragen zijn gehonoreerd. Voor 2026 zijn de structurele subsidies voor Pakhuis de Zwijger:
De totale begroting van Pakhuis de Zwijger in 2026 bedraagt € 5.760.500. Het percentage subsidie is 19.1%.
Incidentele eenmalige subsidie die ontvangen is in 2026:
€ 35.000 voor 2026 (deel uitmakend van een projectsubsidie voor 2025–2026).
Tevens is Pakhuis de Zwijger de penvoerder van een tweejarige projectsubsidie van de gemeente Amsterdam. Dit gaat om € 250.000 ten bate van de «Alliantie Samen tegen Racisme» die wordt uitgevoerd met een grote groep samenwerkingspartners. Deze subsidie is voor het project, niet voor Pakhuis de Zwijger.
Deelt u de opvatting dat Pakhuis de Zwijger als debatcentrum natuurlijk vrijheid van vereniging geniet en vrij is sprekers uit te nodigen volgens eigen criteria, maar dat het tegelijk door de ruimhartige rijkssubsidie en de status van nationaal debatpodium gehouden is aan een maatschappelijke opdracht om een debat een echt debat te laten zijn door ook ruimte te geven aan standpunten waar de organisatie het niet mee eens is, omdat anders het risico dreigt dat Pakhuis de Zwijger een echokamer wordt die alleen nog de eigen opvattingen van de leiding van de instelling bevestigt?
Zie het antwoord op vraag 2
Hoe beoordeelt u de behandeling van Ruud Koopmans door Pakhuis de Zwijger in het licht van het advies van de Raad voor Cultuur uit 2023 dat «pluriformiteit» noemt als een van de vier doelstellingen waaraan cultuurbeleid in het kader van de BIS moet bijdragen («cultuur geldt als vrijhaven en plek voor debat binnen de maatschappij»)?3
Zie het antwoord op vraag 2
Bent u het eens met de stelling dat het cancelen van Ruud Koopmans niet past bij de inclusiviteit die Pakhuis de Zwijger zelf zegt na te streven zoals blijkt uit de eigen website – «wij willen mensen samenbrengen en zoeken naar de gemeenschappelijke delers, daarbij zijn we niet bang om ongemakkelijke gesprekken aan te gaan» – en uit de aanvraag van Pakhuis de Zwijger voor de Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie die benadrukt dat het debatcentrum in de periode 2025–2028 de focus wil leggen op «het vormgeven van een toekomst waarin iedereen zich thuis kan voelen?»4
Zie het antwoord op vraag 2
Het besteden van miljoenen euro’s belastinggeld aan het uitkopen van een illegaal opererende varkenshouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dit is niet de bedoeling van ons belastinggeld», waaruit blijkt dat een van de grootste varkensbedrijven van Nederland, dat al jarenlang illegaal opereert, via de landelijke beëindigingsregeling aanspraak maakt op minstens vijf miljoen euro aan belastinggeld?1
Kunt u bevestigen dat de betreffende varkenshouder jarenlang meer dieren heeft gehouden dan was toegestaan, niet voldeed aan geldende milieuregels en de omgevingsvergunning niet op orde had?2
Bent u ermee bekend dat de rechtbank Oost-Brabant in 2023 heeft geoordeeld dat het bedrijf al sinds 2004 illegaal opereerde?3
Kunt u bevestigen dat dit bedrijf, ondanks jarenlange juridische procedures, handhavingsverzoeken en rechterlijke uitspraken over illegale bedrijfsvoering, alsnog aanspraak maakt op circa vijf miljoen euro aan belastinggeld? Hoe hoog is het exacte subsidiebedrag?
Onderschrijft u de noodzaak van een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van de 20 miljard euro aan belastinggeld die is vrijgemaakt voor het samenhangende pakket voor landbouw, natuur en stikstof?
Hoe rijmt u het verstrekken van miljoenen euro’s subsidie aan een veehouderijbedrijf dat structureel milieuwetgeving overtreedt met een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van dit geld, terwijl de overheid in dergelijke gevallen ook kan handhaven, illegale situaties kan beëindigen en vergunningen kan intrekken?
Bent u ermee bekend dat de gedeputeerde staten van Noord-Brabant in 2024 nog verklaarden dat aan dit bedrijf geen provinciale subsidies zou worden verleend vanwege structurele overtredingen van milieuregels?4
Wat vindt u ervan dat er nu alsnog miljoenen euro’s aan belastinggeld dreigen te worden uitgekeerd aan precies die locaties waarvan de rechter heeft vastgesteld dat daar jarenlang illegaal is geopereerd?
Deelt u het inzicht dat iedere euro die wordt besteed aan het vrijwillig uitkopen van bedrijven die illegaal opereren, niet meer beschikbaar is voor andere noodzakelijke maatregelen voor de landbouwtransitie, stikstofreductie en natuurherstel?
Erkent u dat het efficiënt, rechtmatig en doelmatig besteden van belastinggeld binnen de stikstofaanpak ook betekent dat wordt gekeken of illegale bedrijfsvoering kan worden beëindigd door handhaving of het intrekken van vergunningen, in plaats van dat er miljoenen euro’s aan vrijwillige uitkoopsubsidies worden verstrekt aan dit soort bedrijven die de wet overtreden?
Bent u bereid om de subsidietoekenning voor dit varkensbedrijf per direct op te schorten en in plaats daarvan met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de provincie en de omgevingsdienst te bezien of de illegale bedrijfsvoering via handhaving, het intrekken van vergunningen of andere maatregelen kan worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om binnen de bredere landbouwaanpak ook te kijken naar alternatieve routes naast vrijwillige uitkoop, zoals striktere handhaving, het intrekken van vergunningen en het beëindigen van illegale situaties, om zo de efficiëntie, doelmatigheid en rechtvaardigheid van de besteding van belastinggeld te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn, maar in ieder geval voordat u de toegezegde aanpak voor landbouw, natuur en stikstof naar de Kamer stuurt, beantwoorden?
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Elles van Ark (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
De stagnatie van de Nederlandse economie volgens het IMF |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Herbert , Hans Vijlbrief (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inzake de Nederlandse economie van 13 mei 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat de economische groei van Nederland stagneert richting één procent en dat sprake is van grote onzekerheid omtrent de economische vooruitzichten?
Het IMF schrijft in het rapport dat het conflict in het Midden-Oosten aanzienlijke onzekerheid creëert rondom het toekomstige ontwikkeling van de economie. Dit geldt voor de Nederlandse economie en de wereldeconomie in den brede. Toonaangevende instituten als CPB, DNB, de grootbanken en de OESO onderschrijven deze conclusies, en zo ook het kabinet.2
De energieschok die het gevolg is van het Midden-Oosten conflict zet bovendien druk op de (wereld)economie. Volgens de ramingen van het CPB komt de bbp-groei van de Nederlandse economie in 2026 uit tussen de 0,3% en 1,0%, afhankelijk van het verdere verloop van het conflict. Deze bandbreedte is in lijn met de raming van het IMF uit het rapport.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen structurele economische groei en conjuncturele schommelingen. De verwachte vertraging van de bbp-groei in 2026 is het gevolg van een naar verwachting tijdelijke energieschok, die los staat van de structurele economische groei. In het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 raamde het CPB een bbp-groei van 1,4% voor 2026. Dit is lager dan in 2025 (1,8%) maar hoger dan in 2024 (1,1%) en 2023 (-0,6%).
Erkent het kabinet dat Nederland in toenemende mate kampt met structurele problemen die investeringen, economische groei en concurrentievermogen onder druk zetten?
Het coalitieakkoord3 onderschrijft dat er uitdagingen bestaan rondom het verdienvermogen van Nederland, conform het rapport-Wennink. Denk hierbij aan krapte op de arbeidsmarkt, netcongestie en bedrijfsfinanciering. Het is belangrijk dat bedrijven meer kunnen en willen investeren in de economie van de toekomst. Het kabinet heeft als ambitie dat Nederland het best investeringsklimaat van Europa heeft. U kunt meer lezen over de aanpak van het kabinet onder de vragen 12, 20, 26, 31, 34, en 35.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat netcongestie, een direct gevolg van de energietransitie, een «binding constraint» (lees: bindende beperking) vormt voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
De problematiek rondom netcongestie belemmert noodzakelijke investeringen voor de energietransitie. Nieuwe bedrijven of bedrijven die willen verduurzamen moeten in sommige regio’s lang wachten op een aansluiting op het elektriciteitsnet. Het kabinet zet met het Landelijk Actieprogramma Netcongestie in op een versnelde aanpak om de problematiek terug te dringen, aan de hand van vier trajecten: 1) sneller uitbreiden van het elektriciteitsnet door o.a. versnellen van vergunningen en betere regionale samenwerking, 2) betere benutting van het elektriciteitsnet door grootverbruikers door o.a. in te zetten op flexcontracten en afspraken met grote stroomverbruikers, 3) betere benutting door kleinverbruikers door het stimuleren van gebruik buiten piekuren en slimmer laden van elektrische auto’s, en 4) slimmer inzicht in beschikbare netcapaciteit door het ontwikkelen van landelijke dataproducten op beter zicht te krijgen op ruimte in het net.
Hoeveel economische schade wordt naar schatting jaarlijks veroorzaakt door netcongestie met als gevolg uitgestelde aansluitingen en vertraagde investeringen?
BCG heeft in haar rapport «Klink uit de kabel» berekeningen gemaakt van de economische schade door netcongestie. Op basis van onderzoek van Ecorys (in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en data van Netbeheer Nederland heeft BCG berekend dat het oplossen van netcongestie op het laag- en middenspanningsnet zo’n 10 tot 40 miljard euro per jaar op kan leveren, verdeeld over economie, duurzaamheid en infrastructuur. Dit is gebaseerd op de bruto kostprijs, die geen rekening houdt met substitutie of adaptatie. Die bedragen kunnen nog verder oplopen als netcongestie in de komende jaren blijft toenemen en bedrijven daardoor minder investeren. Het kabinet vindt het daarom ook belangrijk om zoveel als mogelijk belemmeringen weg te nemen.
Is het antwoord op vraag 6 aanleiding voor het kabinet om haar klimaatambities terug te schroeven en de energietransitie voorlopig te staken?
Zie vraag 8.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Het antwoord op vraag 6 is aanleiding om deze economische baten te realiseren door maximaal in te zetten op het aanpakken van de netcongestieproblematiek en zo de belemmeren in de energietransitie weg te nemen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat stikstofgerelateerde beperkingen een belangrijke belemmering vormen voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
Het kabinet deelt met het IMF dat de stikstofproblematiek de ontwikkeling van onze economie belemmert. Mede daarom werkt het in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof nu aan een brede en samenhangende aanpak van deze problematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Erkent het kabinet dat het huidige stikstofbeleid ertoe leidt dat woningbouw, infrastructuurprojecten, uitbreiding van industrie en economische ontwikkeling ernstig worden vertraagd?
De stikstofproblematiek leidt ertoe dat vergunningsverlening grotendeels tot stilstand is gekomen. Dit is een van de oorzaken waardoor projecten in hun ontwikkeling worden belemmerd. SEO (2025) concludeerde dat stikstofbeperkingen leiden tot uitstel en afstel van investeringen en berekende een bruto effect van stikstofbeperkingen op de omzet van bedrijven van gemiddeld 4,2 miljard per jaar. Dit onderstreept de urgentie om te komen tot een aanpak waarmee de natuur wordt hersteld en Nederland weer van het slot komt. In de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet aan een brede en samenhangende aanpak voor de stikstofproblematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 10 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om deze schadelijke ontwikkelingen een halt toe te roepen?
Het kabinet werkt in de Taskforce Landbouw Natuur en Stikstof aan een aanpak van de stikstofproblematiek. De doelstelling hiervan is om de natuur te herstellen en stikstofemissies te verminderen waardoor op termijn er weer stap voor stap ruimte komt voor vergunningsverlening. De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze aanpak.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat het woningtekort ambitieuze hervormingen vereist?
Het kabinet deelt met het IMF dat het woningtekort vraagt om een ambitieuze aanpak. Mede daarom werk het kabinet al een tijd middels de Taskforce Versnellen Woningbouw aan een Actieplan Versnelling Woningbouw, met daarin de koers richting de realisatie van 100.000 woningen per jaar en de vertaling naar een operationeel plan. In september stuurt het kabinet uw Kamer het Actieplan Versnelling Woningbouw.
Welke rol speelt de bevolkingsgroei als gevolg van immigratie volgens het kabinet bij de voortdurende druk op woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen?
Migratie speelt, naast andere ontwikkelingen zoals kleinere huishoudens, toenemende mobiliteit en de klimaattransitie, een rol bij de druk op de woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen. Tegelijkertijd stelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat een gematigde bevolkingsgroei door migratie, gegeven de negatieve natuurlijke bevolkingsgroei als gevolg van geboortes en sterftes, van belang is in verband met de stagnerende beroepsbevolking en toenemende vergrijzing. Het kabinet zet zich in voor meer woningbouw én meer grip op alle vormen van migratie.
Kan het kabinet uiteenzetten hoeveel extra woningen volgens de huidige prognoses nodig zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei als gevolg van immigratie nu en in de komende tien jaar?
Het onderzoek Primos-prognose 2025 van ABF Research stelt dat van de verwachte toevoegingen aan de woningvoorraad voor de periode 2025–2039 ongeveer 45% nodig is voor de accommodatie van de bevolkingsgroei, dat voor 95% wordt gedreven door het migratiesaldo. Dat komt neer op 42,75% van de bouwopgave voor deze periode.
Daarbij geldt dat een dergelijke demografische toerekening slechts een beperkt beeld geeft van de werkelijke woningbehoefte. De behoefte aan woningen hangt niet alleen samen met de omvang van de bevolkingsgroei, maar ook met factoren als huishoudensvorming, inkomen, verblijfsduur en woonvoorkeuren. Daarnaast geldt dat de vraag naar woningen van migranten afhankelijk is van persoonlijke kenmerken, zoals o.a. verblijfsduur, en daarom niet één-op-één vergelijkbaar is met die van Nederlands ingezetenen. Laagbetaalde arbeidsmigranten delen bijvoorbeeld vaker woningen.
Deelt het kabinet de analyse dat immigratie, een belangrijke oorzaak van het woningtekort, de Nederlandse economie afremt?
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Het Centraal Planbureau (CPB)4 geeft aan dat de economische effecten van migratie afhangen van individuele kenmerken zoals arbeidsparticipatie, opleidingsniveau en (complementaire) vaardigheden. Deze kenmerken verschillen per migratiemotief en per migrant, en zijn ook niet altijd zichtbaar.
Voor arbeidsmigratie concludeert het IBO Arbeidsmigratie5 op basis van het CPB-onderzoek6 aan dat de huidige samenstelling een licht positief effect heeft op de economie. Op de lange termijn is dit effect minder duidelijk omdat arbeidsmigranten en de economie zich over tijd kunnen aanpassen.
Indien het antwoord op vraag 16 ontkennend luidt, waarom niet?
Ik verwijs graag naar het antwoord op vraag 16.
Deelt het kabinet de analyse van het IMF dat de huidige coalitieplannen de lasten op arbeid verhogen, arbeidsparticipatie verminderen en loonkosten verhogen?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de analyse van het IMF. Door de maatregelen uit het coalitieakkoord stijgen de lasten op arbeid, vooral vanwege de bijdrage die van burgers en bedrijven wordt gevraagd voor extra defensie-uitgaven. Dit zorgt ervoor dat de begroting op orde blijft.
Indien het antwoord op vraag 18 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 18 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om hier verandering in te brengen?
Het kabinet neemt maatregelen om de economie structureel te versterken, zoals het oprichten van een nationale investeringsinstelling en investeringen in het onderwijs. Dergelijke maatregelen leiden op termijn tot hogere productiviteit en meer werkgelegenheid, en hebben een positief effect op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal zoals gebruikelijk de effecten van beleidsmaatregelen in de gaten houden. Het kabinet blijft zich inzetten voor een goedwerkende arbeidsmarkt.
Ook zet het kabinet zich in voor de positie van werknemers en het wegnemen van belemmeringen die mensen kunnen ervaren om (meer uren) te gaan werken (zie ook het antwoord op vraag 22).
Waarom kiest het kabinet ervoor arbeid zwaarder te belasten (via onder meer de vrijheidsbijdrage) terwijl het IMF juist waarschuwt dat hogere lasten op arbeid leiden tot minder gewerkte uren en lagere arbeidsparticipatie?
Het kabinet heeft bij de uitwerking van het akkoord keuzes moeten maken ten aanzien van de verdeling van de lasten, rekening houdend met maatschappelijke opgaven zoals defensie. De vrijheidsbijdrage is onderdeel van deze bredere afweging. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, waarbij één van de uitgangspunten is dat werken moet lonen.
Hoe verhoudt dit zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat werken moet lonen?
Het kabinet blijft het uitgangspunt hanteren dat werken moet lonen. Dit betekent dat het beleid erop is gericht dat werkenden een positieve financiële prikkel ondervinden om (meer) te werken. Zo onderzoekt het kabinet maatregelen om meer uren werken lonender te maken.
Naast de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, blijft het kabinet zich inzetten om belemmeringen weg te nemen die mensen ervaren om (meer uren) te gaan werken en het stelsel te vereenvoudigen. Zo wordt in het Nationaal Groeifonds programma Meer Uren Werk! samen met de Universiteit van Utrecht onderzocht hoe belemmeringen om te kiezen voor meer uren werken kunnen worden weggenomen. Verder zal het kabinet zoals opgeschreven in het coalitieakkoord specifieke maatregelen onderzoeken: de voltijdsbonus, het meerurenvoordeel en de arbeidskorting per uur.
Naast bovenstaande zet het kabinet de herziening van de arbeidsmarktinfrastructuur door, waarmee er in iedere arbeidsmarktregio één Werkcentrum beschikbaar komt met alle informatie rond werk en scholing voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers. Ook lanceert het kabinet het actieprogramma «NL Werkt». Dit programma is een brede aanpak gericht op het aan het werk helpen van mensen die nu nog langs de kant staan, en op het gezond en duurzaam aan het werk houden van werkenden. In het najaar informeert de Minister van Werk en Participatie uw Kamer over de contouren van dit actieprogramma. Aanvullend hierop zal de Minister van Werk en Participatie voor de zomer een nieuwe, brede aanpak over werk voor nieuwkomers met de Kamer delen.
Bent u bekend met de recente uitspraak van hoogleraar arbeids- en macro-economie Pieter Gautier2 dat ongeveer een kwart van het bruto binnenlands product naar toeslagen gaat en dat dit het belastingstelsel onnodig complex maakt?
Ja.
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, hoe beoordeelt het kabinet deze realiteit?
In 2026 wordt naar verwachting 23 mld. uitgegeven aan toeslagen. Het percentage bbp wat wordt uitgegeven aan toeslagen is daarmee circa 2%. Toeslagen zorgen ervoor dat vitale voorzieningen voor miljoenen mensen in Nederland betaalbaar en toegankelijk worden gemaakt. Tegelijkertijd ben ik het met het lid Schenk eens dat het belasting- en toeslagenstelsel complex is. Door de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen is het ondoorzichtig en onvoorspelbaar geworden voor belastingplichtigen en ontvangers van toeslagen. Daarnaast vindt het kabinet de terugvorderingen die ontstaan problematisch. Dit heeft niet direct te maken met de hoogte van de toeslagen en belastingkortingen, maar met de inkomensafhankelijkheid en andere voorwaarden en definities. Het kabinet werkt daarom aan een stapsgewijze vereenvoudiging in het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel en meer eenvoud in de uitvoering. Dit wil het kabinet bereiken onder meer door stapsgewijs de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit te beperken.
Deelt het kabinet de analyse dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel leidt tot verstorende prikkels, hoge uitvoeringskosten en verminderde transparantie voor Nederlandse burgers en ondernemers?
Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen wat kan leiden tot terugvorderingen of nabetalingen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er een onwenselijke situaties kunnen ontstaan. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat het oplevert om meer te gaan werken.
Een van de argumenten bij de totstandkoming van het toeslagenstelsel was juist efficiëntie in de uitvoering en lagere bijbehorende kosten. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de uitvoering door Dienst Toeslagen even efficiënt lijkt als de uitvoering van andere vergelijkbare uitvoeringsinstellingen. Het toeslagenstelsel gaat uit van een hoge zelfredzaamheid, maar in de praktijk is er een groep mensen die hulp nodig heeft van maatschappelijke partners om te krijgen waar ze recht op hebben en niet geconfronteerd worden met terugvorderingen.
Welke concrete stappen gaat het kabinet zetten om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangegeven om drie sporen parallel uit te werken om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen, te beginnen met een stapsgewijze vereenvoudiging van het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel. Dit wil het kabinet bereiken door bijvoorbeeld te onderzoeken hoe begrippen en voorwaarden van inkomensondersteunende maatregelen geharmoniseerd kunnen worden, door de kinderopvangtoeslag af te schaffen en te vervangen door directe financiering van de kinderopvang en de kinderbijslag en kindgebonden budget samen te voegen in één-kindregeling. Het tweede spoor is gericht op het afronden van de modernisering van het ICT-landschap binnen de Belastingdienst en Dienst Toeslagen. Dit moet bijdragen aan het kunnen uitvoeren van een mogelijke hervorming. Tot slot komt het kabinet voor het einde van 2026 met een hervormingsagenda met concrete mijlpalen in de tijd voor verschillende onderdelen. Uitgangspunten hierbij zijn op eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid en werken moet lonen.
Hoe groot verwacht het kabinet dat de totale klimaatgerelateerde uitgaven zullen zijn richting 2030 en 2050, zeker gezien het feit dat het IMF de oplopende klimaatgerelateerde uitgaven een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën noemt?
Hoeveel Rijksmiddelen er tussen 2030 en 2050 nodig zijn, is uiteindelijk afhankelijk van de beleidsmix van normerend, beprijzend en subsidiërend beleid. In het rapport Routes naar Realisatie (Aanbiedingsbrief rapport «Routes naar realisatie» | Rijksoverheid.nl) zijn illustratieve beleidspakketten uitgewerkt, die variëren in ambitie, uitgaven en lastenontwikkeling voor de klimaat en energietransitie richting 2050. Scenario’s lopen uiteen van budgetneutraal tot € 6 miljard aan additionele jaarlijkse uitgaven.
Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds steeds hogere klimaatgerelateerde lasten en anderzijds het behoud van concurrentievermogen, industrie en economische groei?
Internationaal concurrerende bedrijven en met name de energie-intensieve industrie kennen uitdagingen. Hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen verzwakken de internationale concurrentiepositie. Het is essentieel in te blijven zetten op de groene transitie en nieuw verdienvermogen om ook op de lange termijn concurrerend te kunnen zijn, en minder afhankelijk te worden van de import van fossiele brandstoffen van buiten Europa. Het kabinet kiest voor een industriebeleid waarin concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid juist hand in hand gaan. Daarvoor is het ook belangrijk om de Europese markt effectief te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken of een ongelijk speelveld.
Erkent het kabinet dat hoge energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten bijdragen aan een verslechtering van het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
Energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten dragen bij aan een verslechtering van het vestigings- en investeringsklimaat als deze hoger zijn dan in andere landen. Het kabinet zet daarom in op een gelijk speelveld met buurlanden en aansluiting bij Europees beleid. Daarbij komt dat veel klimaatgerelateerde uitgaven noodzakelijke investeringen in de toekomstige energievoorziening zijn. Door de energietransitie zorgen we ervoor dat er in de toekomst veel hernieuwbare energie van eigen bodem beschikbaar is voor bedrijven. Dit houdt Nederland ook op de lange termijn juist een aantrekkelijk vestigings- en investeringsland. Ook zorgen we voor de ontwikkeling van voor Europa strategische kennis en sectoren. Op dit moment geeft Europa jaarlijks tegen de 300 miljard uit aan de import van fossiele brandstoffen. Door meer te investeren in energie van eigen bodem, kan een deel van deze middelen ook een impuls vormen voor de Europese economie en ons tegelijkertijd weerbaarder maken tegen geopolitieke spanningen.
Indien het antwoord op vraag 29 ontkennend luidt, waarom niet?
n.v.t.
Indien het antwoord op vraag 29 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat te verbeteren?
Hoge energieprijzen zijn inderdaad één van de factoren waardoor de concurrentiepositie van energie-intensieve bedrijven in Nederland is verslechterd. Daarom blijft het kabinet inzetten op het verduurzamen van de industrie, om onze afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen.
In het coalitieakkoord neemt het kabinet een aantal maatregelen om in te zetten op een concurrerende en duurzame industrie in Nederland. Zo verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten voor de industrie om elektrificatie aantrekkelijker te maken. Daarnaast worden de bestaande maatwerkafspraken voortgezet en worden nieuwe maatwerkafspraken gericht op industrieclusters en regio’s. Tot slot wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft.
Hoe beoordeelt het kabinet signalen uit de industrie dat bedrijven en investeringen Nederland verlaten vanwege hoge energiekosten, regeldruk, onzeker beleid en toenemende klimaatverplichtingen?
Het kabinet herkent het beeld niet dat er op grote schaal sprake is van vertrek van bedrijven uit Nederland.8 Het ondernemingsklimaat is de afgelopen jaren gestabiliseerd, en bij dergelijke beslissingen is het vestigingsklimaat niet altijd de aanleiding, maar spelen vaak ook bedrijfsspecifieke redenen.
Het kabinet herkent echter wel dat bedrijven tegen hoge energiekosten en regeldruk aan lopen, en onderneemt daar daarom ook actie op. Denk bijvoorbeeld aan de Aanpak Regeldruk en aan tegemoetkoming in de indirecte kostencompensatie.
Is het kabinet van mening dat het huidige economische beleid de Nederlandse concurrentiepositie ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en China verbetert?
Het kabinetsbeleid richt zich op het versterken van het verdienvermogen, innovatie en het vestigingsklimaat, binnen een context van toenemende geopolitieke concurrentie. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat Nederland open handel wil behouden, maar afhankelijkheden wil verkleinen. Daarmee gaat het eerder om weerbaarheid en brede economische kracht dan om een directe concurrentiestrategie tegenover specifieke landen.
Indien het antwoord op vraag 33 ontkennend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren?
Zoals afgesproken in het Coalitieakkoord kiest het kabinet ervoor om de Nederlandse concurrentiepositie te versterken door het verbeteren van het verdienvermogen van de economie. De nadruk ligt op een aantrekkelijker ondernemingsklimaat, met minder regeldruk, snellere besluitvorming en meer ruimte voor bedrijven om te investeren en te groeien. Daarbij wordt expliciet ingezet op het versterken van productiviteit en het stimuleren van ondernemerschap, zodat Nederland ook op lange termijn een concurrerende en innovatieve economie blijft.
Daarnaast legt het kabinet een sterke focus op toekomstgerichte investeringen, met name in innovatie, technologie en infrastructuur. Door extra inzet op R&D, sleuteltechnologieën en het wegnemen van knelpunten zoals netcongestie en arbeidsmarktkrapte, moet Nederland aantrekkelijk blijven als vestigingsland voor hoogwaardige bedrijvigheid. Het geheel is minder gericht op directe concurrentie met specifieke landen, en meer op het versterken van de structurele economische kracht van Nederland binnen een open Europese economie.
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om verdere stagnatie van de Nederlandse economie, afnemende investeringen en verlies van concurrentievermogen tegen te gaan?
Het kabinet zet zich in voor een groeidoelstelling van 1,5%, die breed wordt gedragen in het kabinetsbeleid en verder worden uitgewerkt in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Daarin richt het kabinet zich onder andere op het aanjagen van investeringen, via de oprichting van een Nationale Investeringsinstelling en Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Ook werkt het kabinet een Talenstrategie uit, gericht op beter en gerichter opleiden, het waar nodig gericht aantrekken van internationaal talent, en het sterk verankeren van up- en reskilling op de arbeidsmarkt. Verder neemt het kabinet maatregelen voor het verbeteren van economische randvoorwaarden, zoals het versnellen van vergunningverlening voor strategische projecten, structurele investeringen in regionale innovatieclusters en het versterken van de digitale infrastructuur. Daarnaast worden regeldruk en administratieve lasten verminderd via onder andere jaarlijkse vereenvoudigingswetgeving. Ook buiten deze taskforce om richt het kabinetsbeleid zich ook op belangrijke randvoorwaarden, zoals het tegengaan van netcongestie met het Wetgevingsprogramma Stroomlijnen energieprojecten en gerichte tegemoetkomingen aan de industrie, en een aanpak voor de stikstofcrisis via de taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Om valorisatie te bevorderen worden de technology transfer offices van onderwijsinstellingen gebundeld in één nationale TTO, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitrol van best practices. In het onderwijs investeert het kabinet in basisvaardigheden. Zo wordt er geïnvesteerd in bewezen aanpakken zoals de rijke schooldag en voor- en vroegschoolse educatie via gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen. Leraren krijgen aantoonbaar meer tijd voor professionele ontwikkeling en werken met bewezen effectieve kennis om de basisvaardigheden duurzaam te verbeteren.
Deelt het kabinet de conclusie van de indiener dat uit de IMF-bevindingen blijkt dat het Nederlandse beleid omtrent klimaat (hoge kosten en investeringen), stikstof (vastlopen uitbreiding huizen en industrie), immigratie (oorzaak woningtekort) en belastingen (geen prikkel om te werken) in grote mate bijdraagt aan de stagnatie van de economie?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 36 ontkennend luidt, waarom niet?
Het IMF spreekt in het rapport niet van structurele stagnatie van de Nederlandse economie. Het IMF spreekt wel over enkele structurele economische uitdagingen, zoals netcongestie, arbeidsmarktkrapte, het woningtekort en druk op de investeringen. Het IMF schrijft dat het coalitieakkoord terecht deze uitdagingen prioriteert en spoort het kabinet aan navolging te geven de plannen uit het coalitieakkoord.
Indien het antwoord op vraag 36 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen aan het beleid omtrent klimaat, stikstof, immigratie en belastingen om de positie van Nederland te verbeteren?
Niet van toepassing.
Wat doet het kabinet in algemene zin met rapporten, adviezen en bevindingen van het IMF?
Het IMF is een internationaal gerenommeerd instituut met hoogwaardige onderzoeken. Het kabinet leest IMF-rapporten, waar ze raken aan beleid in Nederland, en weegt haar adviezen mee in de besluitvorming.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Zou u willen reflecteren op de belangrijkste bevindingen in het artikel over de situatie in Carnisse en de signalen dat woonfraude, uitbuiting en illegale huisvesting van arbeidsmigranten structureel voortduren ondanks nieuwe wetgeving?1
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van sommige arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over huisvesting en inkomen. Arbeidsmigranten verdienen een veilige woonplek, net als iedereen die in Nederland woont.
Het kabinetsbeleid is erop gericht om misstanden aan te pakken en de positie van arbeidsmigranten te versterken. Daarvoor wordt werk gemaakt van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten en de maatregelen van het SER-advies «arbeidsmigratie naar waarde». Het artikel laat zien hoe belangrijk het is om verder te gaan met de uitvoering van deze maatregelen, waaronder het verbeteren van de huurbescherming van arbeidsmigranten en de uitvoering van de Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.
Het artikel laat zien dat een goede lokale uitvoering en handhaving essentieel zijn, maar ook dat de praktijk complex is. Dit benadrukt het belang van maatregelen in de hele keten, van beleid tot handhaving, om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Uw Kamer is over de voortgang van de maatregelen in november jl. geïnformeerd.2 Aan het eind van dit jaar wordt uw Kamer opnieuw over de voortgang geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat, ondanks de invoering van de Wet goed verhuurderschap en andere maatregelen, misstanden in wijken zoals Carnisse onverminderd doorgaan?
In het artikel van de NRC worden ernstige misstanden beschreven rondom de woonsituatie van arbeidsmigranten in de Rotterdamse wijk Carnisse. Vooropgesteld: deze situaties zijn onacceptabel. De inzet van het kabinet is om meer grip te krijgen op arbeidsmigratie en daarnaast van de positie van arbeidsmigranten te verbeteren.
De afgelopen jaren hebben gemeenten meer instrumentarium in handen gekregen om op overtredingen gerelateerd aan de woonsituatie te handhaven, waaronder via de Wet goed verhuurderschap. Als gevolg hiervan kunnen gemeenten beter optreden tegen misstanden als bijvoorbeeld intimidatie en hoge huren, is de informatiepositie van arbeidsmigranten versterkt en moet elke gemeente een meldpunt hebben, waar klachten over ongewenst verhuurgedrag – zo nodig anoniem – kunnen worden gemeld. Een en ander in aanvulling op wettelijke instrumenten die al voor die tijd bestonden, en waarmee bijvoorbeeld al kon worden opgetreden tegen overbewoning. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 14 en 16, werkt het kabinet daarom aan aanvullende maatregelen om misstanden, zoals in Carnisse, tegen te gaan.
Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten hebben bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid. Hoewel zij in beginsel behoren op te treden tegen overtredingen, is het aan de gemeente om de prioriteit en aanpak te bepalen op basis van ernst, maatschappelijke impact, beschikbare capaciteit en beleidsdoelen. Dit signaal uit het NRC artikel laat de knelpunten zien in de uitvoering en handhaving lokaal. Naar aanleiding hiervan wordt het gesprek met de betreffende gemeente en andere betrokken partijen gevoerd.
Kunt u aangeven in hoeverre de doelen van de Wet goed verhuurderschap tot op heden zijn gerealiseerd, specifiek voor de bescherming van arbeidsmigranten?
Het is belangrijk om te zien hoe de Wet goed verhuurderschap (Wgv) in de praktijk functioneert. De doeltreffendheid en praktijkwerking van de Wgv worden momenteel geëvalueerd. Na de zomer, als het onderzoek is afgerond, informeert de Minister van VRO uw Kamer over de uitkomsten hiervan.
Hoe verklaart u dat gemeenten, ondanks uitgebreid dossiermateriaal en herhaalde constateringen van overtredingen, in de praktijk beperkt overgaan tot handhaving?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, hebben gemeenten bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid.
De VNG bevestigt dat de beschikbare bevoegdheden om te handhaven bestaan, maar dat daarmee de feitelijke handhaafbaarheid en effectiviteit niet is gegarandeerd. De VNG signaleert dat bij complexe casussen handhaving niet altijd goed verloopt. Ook geeft de VNG ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is, maar dat die samenwerking niet in alle gevallen goed verloopt. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
In hoeverre is het huidige instrumentarium tot handhaving toereikend, maar in de praktijk onvoldoende effectief? Zo ja, waar zit volgens u de kern van dit probleem?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Zou u, gegeven het feit dat de problematiek samenhangt met de verdeling van verantwoordelijkheden en eventuele gaten hierin, helder in kaart willen brengen welk bestuursniveau (Rijk, gemeente, inspectiediensten) verantwoordelijk is voor:
Gemeenten houden in beginsel toezicht op a) verhuurders, voor zover het handelingen betreft die vallen onder andere de Wet goed verhuurderschap (Wgv) en de Wet betaalbare huur (Wbh) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) met betrekking tot kwaliteit en gevaarlijke bouwkundige situaties, b) handhaving bij illegale bewoning (op basis van de Huisvestingswet 2014 en Omgevingswet) en d) inschrijving in de Basisregistratie Personen (Wet basisregistratie personen). Hiermee worden de verantwoordelijkheden op elkaar afgestemd op een manier die past bij de lokale situatie.
Als het gaat om de aanpak tegen mensenhandel is de Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor de rijksbrede coördinatie van de aanpak van mensenhandel en de Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de aanpak van arbeidsuitbuiting. Hierin wordt gezamenlijk opgetrokken in onder meer het Actieplan Programma «Samen tegen Mensenhandel» met o.a. de Nederlandse Arbeidsinspectie, politie, Koninklijke Marechaussee, VNG en maatschappelijke organisaties zoals Comensha. In het Actieplan wordt in verschillende actielijnen ingezet op onder meer het creëren van brede bewustwording, vergroten van meldingsbereidheid en het verbeteren van de bescherming van slachtoffers.
De Nederlandse Arbeidsinspectie is onder andere verantwoordelijk voor de opsporing van c) arbeidsuitbuiting als vorm van mensenhandel en, zodra de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel in werking treedt, ook voor de opsporing van het delict ernstige benadeling. Ondermaatse huisvesting kan een indicatie zijn van ernstige benadeling of arbeidsuitbuiting.
Ook gemeenten spelen een belangrijke rol bij de aanpak van mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling, door in te zetten op preventie, signalering en handhaving – in het kader van toezichthoudende taken – en hulpverlening, waarbij de gemeente integraal samenwerkt met onder andere de politie en bestuurlijk handhaaft op de naleving van huisvestingsnormen.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, worden vanuit het Rijk de kaders geschept om arbeidsmigratie in goede banen te leiden en om arbeidsmigranten beter te beschermen. Bestaand en voorgenomen beleid op rijksniveau gerelateerd aan de genoemde gebieden wordt toegelicht in het antwoord op vraag 14. Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten zijn, zoals hierboven beschreven, in veel gevallen verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. Er bestaat een integrale samenwerking tussen gemeente(n), de Nederlandse Arbeidsinspectie en politie. Dit is nader toegelicht in het antwoord op vraag 19. De VNG geeft ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is. Dat verloopt niet in alle gevallen goed. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
Zou u willen reflecteren op de vraag of deze verantwoordelijkheden in de praktijk voldoende op elkaar zijn afgestemd?
Zie antwoord vraag 6.
Welke bevoegdheden of instrumenten hebben gemeenten in uw ogen nodig om effectief te kunnen optreden wanneer bewoners de deur niet openen, sprake is van intimidatie, of sprake is van snel wisselende bewoners, de zogenaamde carrouselconstructies?
Gemeenten beschikken reeds over diverse mogelijkheden om op te treden wanneer bewoners de deur niet openen, er sprake is van intimidatie en/of snel wisselende bewoners.
Indien de bewoners de deur niet openen geldt dat toezichthouders de bevoegdheid hebben3 om in bepaalde gevallen een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. In die gevallen is de Algemene wet op het binnentreden van toepassing. Kort gezegd volgt uit deze wet dat bij binnentreden voor andere doeleinden dan strafvordering een machtiging tot binnentreden moet worden afgegeven. Een uitzondering op deze situatie is het bestaan van een noodsituatie (zoals bijvoorbeeld een brand).
Ook wanneer er sprake is van intimidatie geldt dat toezichthouders van de gemeente reeds actie kunnen ondernemen. In de Wet goed verhuurderschap (Wgv) is namelijk bepaald dat een verhuurder niet mag intimideren. Doet de verhuurder dit wel, dan dient de gemeente hierop te handhaven. Dat kan door een waarschuwing te geven, een last onder dwangsom op te leggen, of een bestuurlijke boete. Handhaving kan bijvoorbeeld naar aanleiding van een (anonieme) melding bij het gemeentelijke meldpunt voor ongewenst verhuurgedrag, maar de gemeente kan daarnaast ook zonder voorafgaande melding optreden tegen intimidatie als dit wordt vastgesteld.
Ten aanzien van de zogenaamde «carrouselconstructies» geldt dat het voor de handhaving op overtredingen van zowel de Wgv of de Wet betaalbare huur (Wbh) niet uitmaakt of er inmiddels een andere huurder in de woning woont. Voor wat betreft handhaving van de Wgv en de Wbh geldt namelijk dat het gaat om de overtreding die is begaan. Daarbij is niet relevant jegens welke huurder(s) dat is geweest. Gemeenten kunnen op grond van deze wetten bovendien zwaardere sancties opleggen in het geval van recidive.
Welke mogelijkheden zijn er tot binnentreden of bestuursrechtelijk ingrijpen bij ernstige signalen van uitbuiting en overbewoning?
Voor binnentreding bij handhaving op overbewoning geldt het algemene wettelijke kader beschreven in de antwoorden op vraag 7 en 8. Specifiek voor de Arbeidsinspectie geldt dat de Wet arbeid vreemdelingen en het Wetboek van Strafvordering mogelijkheden bieden voor binnentreden zonder toestemming van de bewoner(s).
Zou u samen met de VNG in kaart willen brengen hoeveel capaciteit gemeenten nodig hebben om een stevige aanpak van deze problematiek neer te zetten, gezien het voorbeeld dat een grote stad als Rotterdam slechts enkele inspecteurs beschikbaar heeft voor toezicht op naleving?
Zoals opgemerkt in eerdere antwoorden wordt in gesprek gegaan met gemeenten en de VNG over de beschikbare bevoegdheden om te handhaven en te bezien wat mogelijke knelpunten zijn.
In het geval van de Wet goed verhuurderschap (Wgv), Wet betaalbare huur (Wbh) en Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten geldt overigens dat in 2025, op verzoek van de VNG, een evaluatie heeft plaatsgevonden van de financiële middelen die gemeenten van het Rijk ontvangen voor de implementatie en uitvoering van de genoemde wetten. Uit dit onderzoek, waarin ook individuele gemeenten zijn geïnterviewd, blijkt dat de financiële middelen voor gemeenten voor het uitvoeren van de wettelijke taken die voortvloeien uit deze drie wetten en het handhaven daarop vooralsnog afdoende zijn. Tegelijk laat dit signaal zien dat het wettelijk instrumentarium alleen niet voldoende is, en dat capaciteit nodig is om lokaal toezicht en handhaving uit te oefenen. Daarom is het gesprek hierover met gemeenten van belang om te horen waar het nu knelt.
Herkent u het beeld dat dossiers blijven liggen, handhaving uitblijft en overtreders feitelijk wegkomen met illegale praktijken?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, 5, 6 en 7 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de handhaving op misstanden in hun gemeente en de wijze waarop zij dat binnen de kaders van de wet vormgeven. Ook heeft de Minister van VRO in 2025 de opstart van een opleiding voor bouw- en woningtoezicht gesteund. Deze opleiding moet bijdragen aan professionalisering en kwaliteitsverbetering van woontoezichthouders en bouwtoezichthouders. Zoals eerder aangegeven wordt met gemeenten in gesprek gegaan over signalen dat de handhaving in de praktijk niet altijd goed verloopt.
Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat constateringen van overtredingen sneller en daadwerkelijk leiden tot sancties?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de kwetsbare positie van arbeidsmigranten die geen huurcontract hebben, afhankelijk zijn van hun werkgever voor huisvesting en uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven doen?
Situaties waarin arbeidsmigranten geen schriftelijk huurcontract hebben, een te grote afhankelijkheid van hun werkgever voor huisvesting hebben, of waarbij zij uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven te doen van misstanden, keurt het kabinet af.
Daarbij moet opgemerkt worden dat, voor het verkrijgen van de huurbescherming of huurprijsbescherming, het juridisch gezien niet uitmaakt of mensen een schriftelijk huurcontract hebben. Een huurovereenkomst kan ook een (impliciete) mondelinge afspraak zijn. Om discussies over het bestaan van een huurrelatie te voorkomen, is in de Wet goed verhuurderschap (Wgv) bovendien een verplichting aan verhuurders opgelegd om een (mondelinge) huurovereenkomst schriftelijk vast te leggen. Daarnaast geldt dat verhuurders – in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten – op grond van de Wgv verplicht zijn om de huurovereenkomst los van de arbeidsovereenkomst vast te leggen om «baan en bed» van elkaar te scheiden.
De huur(prijs)bescherming van arbeidsmigranten is vaak echter nog onvoldoende, omdat gebruik wordt gemaakt van «aard naar korte duur»-contracten. Om de huur(prijs)bescherming te verbeteren is een wetsvoorstel in voorbereiding, zie hiervoor het antwoord op vraag 14.
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn om deze groep beter te beschermen, op het gebied van fatsoenlijke huisvesting, het tegengaan van misstanden en afbouwen van onwenselijke afhankelijkheidsrelaties?
Voor wat betreft de maatregelen aangaande huisvesting verloopt dit onder andere via het instrumentarium dat is beschreven in het antwoord op de vragen 6 en 7.
Naast het reeds beschikbare instrumentarium (zie antwoord vraag 6 en 7) is er een wetsvoorstel in voorbereiding om de huurbescherming van arbeidsmigranten te verbeteren.4 Op dit moment worden verschillende groepen huurders, waaronder arbeidsmigranten, gehuisvest op basis van zogenaamde «short stay»- of logiescontracten. Het huurrecht kent het begrip «short stay»-contracten echter niet. Waar in de sector wordt gesproken over huisvesting op basis van «short stay» wordt binnen het huurrecht een beroep gedaan op de uitzondering in artikel 7:232, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze uitzondering betekent kort gezegd dat de huur(prijs)bescherming niet van toepassing is op deze vorm van huur. De uitzondering in het huurrecht voor huur «naar aard van korte duur» is bedoeld om kenbaar te maken dat er bijvoorbeeld bij het huren van een vakantiehuisje geen huurbescherming is. Het substantiële gebruik van de uitzondering is oneigenlijk. Beleidsinzet is er dan ook opgericht om de wet aan te passen en huur «naar aard van korte duur» wettelijk te begrenzen tot een maximale duur van 30 nachten. Op het moment dat dezelfde woonruimte langer dan 30 nachten aan dezelfde huurder wordt verhuurd, is er dan per definitie sprake van huur(prijs)bescherming.
Ten tweede werkt de Minister van VRO aan een huurregister5. Een huurregister heeft als inzet dat alle verhuurders die woonruimte langer dan 30 nachten verhuren of willen verhuren, zich moeten registreren in een landelijk register. Dat geldt dus dan ook voor alle huisvesting die aan arbeidsmigranten wordt verhuurd. Hiermee wordt het houden van toezicht op de verhuurder gefaciliteerd.
Zoals bij vraag 1 benoemd voert het kabinet de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten uit. Dit gebeurt in interdepartementaal verband met de Ministeries van SZW, BZK, VWS, EZ, LVVN, JenV en de Nederlandse Arbeidsinspectie. Daarbij werkt het kabinet samen met uitvoerings- en handhavingsorganisaties, sociale partners, medeoverheden en andere stakeholders.
Omdat veel arbeidsmigranten in Nederland werken via een uitzendbureau is een belangrijke aanbeveling van het Aanjaagteam het opzetten van een toelatingsstelsel voor uitleners. De Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) is op 15 april 2025 aangenomen in de Tweede Kamer en op 11 november 2025 aangenomen in de Eerste Kamer. Een belangrijke mijlpaal. De voorbereidingen voor de invoering van het toelatingsstelsel zijn in volle gang, met in het bijzonder de oprichting van een nieuwe uitvoeringsorganisatie: de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). De invoeringsdatum voor het toelatingsstelsel is 1 januari 2027. Vanaf 1 januari 2028 gaat de Arbeidsinspectie handhaven op de toelatingsplicht. Daar heeft de Arbeidsinspectie ook extra capaciteit voor gekregen. Door de Wtta kunnen we uitleners die zich niet aan de regels houden van de uitleenmarkt weren. Hiermee beschermen we kwetsbare arbeidskrachten, onder wie arbeidsmigranten. Ook stimuleren we goed werkgeverschap in de uitzendbranche.
Naast goede wet- en regelgeving moeten arbeidsmigranten beter op de hoogte zijn van hun rechten en moet hen meer (juridische) hulp worden geboden. Dat kan ook hulp zijn bij problemen met huisvesting. Daarom heeft dit kabinet met het project Work in NL (WIN) fysieke en mobiele informatiepunten door heel het land geopend. Dit jaar wordt de website workinnl.nl vernieuwd en geeft het de mogelijkheid om ook regionale informatie te plaatsen. Daarnaast wordt verder gewerkt aan concrete actie binnen de Alliantie Work in NL, waarin werkgevers en huisvesters ondersteuning bieden aan arbeidsmigranten en zetten we verdere stappen om informatie in landen van thuiskomst te versterken.
Daarnaast ligt op dit moment de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel ter behandeling in de Eerste Kamer.6 De modernisering heeft als centrale doelstelling het effectiever maken van de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel, waardoor de vervolging van daders en de bescherming van slachtoffers wordt verbeterd.
Kortom, het kabinet zet tal van maatregelen door om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren.
Bent u bekend met signalen dat uitzendbureaus en huisvesters arbeidsmigranten ontmoedigen of zelfs intimideren om zich in te schrijven bij gemeenten? Deelt u de opvatting dat dit volstrekt onnacceptabel is?
Het is ontoelaatbaar dat sommige uitzendbureaus of huisvesters de inschrijving van arbeidsmigranten in de BRP dwarsbomen. Dit kabinet zet in op een breed pakket aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten in de BRP te verbeteren. Een van de belangrijkste maatregelen is om uitzenders een verantwoordelijkheid te geven in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Daarom streven we naar inwerkingtreding van de zorgplicht voor uitleners per 1 januari 2027.
Op verzoek van uw Kamer is met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) een wettelijke basis geïntroduceerd voor de zorgplicht van uitzenders in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Dit betekent dat uitzenders een rol krijgen in de correcte registratie van hun werknemers. Dit zal in beginsel gaan om een bevorderings- en vergewisplicht. De uitzender moet bevorderen dat zijn werknemer goed is ingeschreven en vergewissen dat deze werknemer na 6 maanden ook ingeschreven staat bij de gemeente. Momenteel werkt de Minister van SZW de bevordering-, vergewis in lagere regelgeving uit. Optioneel is het in de toekomst ook mogelijk dat er een meldplicht komt, waarmee uitzenders verplicht worden om melding te doen als een werknemer niet goed ingeschreven staat bij de gemeente. De uitwerking van lagere regelgeving gebeurt onder meer in nauwe samenwerking met uitleners, vakbonden en uitvoeringsorganisaties.
Op termijn zullen in het normenkader van de Wtta eisen worden opgenomen ten aanzien van de naleving van de zorgplicht. Deze norm zal worden toegevoegd nadat het toelatingsstelsel volledig is ingericht en de capaciteit van inspectie-instellingen voldoende is.
Daarnaast wordt er gewerkt aan andere maatregelen om in de breedte zicht op arbeidsmigranten te verbeteren. Zo gaat de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens deze zomer e-mails sturen naar arbeidsmigranten die zich hebben ingeschreven in de registratie niet-ingezetenen om hen uitleg te geven over inschrijving in de BRP. Ook ziet het kabinet goede voorbeelden, zoals in de gemeente Meijerijstad, waar het WorkinNL-punt actief op pad gaat naar werk- en woonlocaties om daar mensen in te schrijven in de BRP.
Welke acties onderneemt u tegen uitzendbureaus of huisvesters die arbeidsmigranten ontmoedigen of intimideren om zich in te schrijven in de BRP?
Zie antwoord vraag 15.
Welke sancties staan momenteel op het belemmeren van inschrijving, en in hoeverre en hoeveel worden deze in de praktijk toegepast?
In de situatie zoals beschreven in het artikel vindt er een combinatie van misstanden plaats waarop in gezamenlijkheid gehandhaafd moeten worden. We verwijzen daarom naar het antwoord op vraag 8 waarin beschreven wordt welke handvatten er voor gemeenten zijn om dit aan te pakken. Als het gaat om inschrijving is ervoor gekozen om nu sancties in te stellen voor de uitleners die hun zaken niet goed op orde hebben als het gaat om de registratie van werknemers. Zoals in de vorige vraag beschreven komt er per 1 januari 2027 een zorgplicht voor uitleners waarmee zij een verantwoordelijkheid krijgen in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Op termijn wordt handhaving hiervoor ook ingeregeld via het toelatingsstelsel.
Zou u inzicht willen geven in welke maatregelen er nog meer mogelijk zijn, zoals een meldplicht voor huisvesting van arbeidsmigranten, strengere vergunningseisen voor uitzendbureaus, of koppeling van huisvesting en registratiecontrole?
Zoals in het antwoord op vraag 14 en 16 reeds is toegelicht zijn er verschillende bestaande en in ontwikkeling zijnde maatregelen om misstanden tegen te gaan die zien op de in de vraag genoemde terreinen.
Hoe wordt de samenwerking tussen gemeenten, de Arbeidsinspectie, politie en andere instanties momenteel vormgegeven, en waar schiet deze tekort?
Het algemene beeld is dat de samenwerking in de meeste gevallen goed verloopt. Wel zijn er signalen dat in situaties van meervoudige problematiek, waarbij handhaving nodig is op verschillende overtredingen die aan elkaar gerelateerd zijn en afstemming tussen meerdere instanties vereist, het nodige wordt gevraagd van de betrokken organisaties. Het kabinet gaat daarover in gesprek met onder andere gemeenten en de VNG.
Om een aantal voorbeelden te geven van waar de samenwerking goed gaat: gemeenten en de Arbeidsinspectie werken samen bij het uitwisselen van meldingen, gezamenlijke controles en via meer structurele samenwerkingsverbanden (zoals via het Haags Economisch Interventie Team). Ook heeft de VNG in afstemming met onder meer de Arbeidsinspectie de handreiking opgesteld voor beter toezicht op huisvesting en registratie van EU-arbeidsmigranten.
Politie en de Arbeidsinspectie werken onder meer samen tijdens controles, waar de politie geregeld meegaat ter bescherming van de arbeidsinspecteurs. Daarnaast haalt de politie waar nodig voertuigen van de openbare weg naar controlelocaties zodat arbeidsinspecteurs kunnen controleren op de naleving van arbeidswetten ten behoeve van onder andere vrachtwagenchauffeurs en maaltijdbezorgers.
Bent u bereid te komen tot een landelijke, integrale aanpak waarbij huisvesting, arbeid en migratiebeleid nadrukkelijker met elkaar worden verbonden?
Het kabinet werkt onder coördinatie van de Minister van SZW aan een landelijke, integrale aanpak, zoals ook genoemd in het antwoord op vraag 14.
Welke concrete aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om situaties zoals in Carnisse daadwerkelijk te beëindigen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 tot en met 8 aangegeven is het doorgaans de gemeente die verantwoordelijk is voor het directe toezicht en de handhaving op de misstanden die in het artikel staan beschreven. Zoals terug te lezen is in het antwoord op vraag 14 en 16 zet het kabinet verschillende maatregelen door om misstanden tegen te gaan. Ook bij evaluaties van bestaande wetten, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur, zal er aandacht zijn voor de effectiviteit van de geëvalueerde wetten, en de praktijkwerking daarvan.
Dit neemt niet weg dat de in het artikel beschreven situatie schrijnend is en dat de handhaving in sommige gemeenten te kort kan schieten. Het kabinet gaat hierover het gesprek met gemeenten, VNG, de Arbeidsinspectie en andere betrokken partijen graag aan.
De vleesgigant JBS |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Greenpeace wil uitbreidingsplannen vleesgigant JBS in Nigeria blokkeren via Nederlandse rechtbank»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een bedrijf met een Nederlands hoofdkantoor volledige transparantie moet bieden over de impact van dergelijke miljardenprojecten op het klimaat, de lokale biodiversiteit en de rechten van lokale gemeenschappen in Nigeria?
De EU-richtlijn inzake de duurzaamheidsrapportering, de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), waarvan de implementatievoorstellen momenteel in het parlement aanhangig zijn, verplicht een onderneming niet tot transparantie over de duurzaamheidsgevolgen van een specifiek voorgenomen project tot uitbreiding van de onderneming. Pas zodra de uitbreiding is gerealiseerd, dient die meegenomen te worden in de duurzaamheidsrapportering door de onderneming als zij onder de CSRD-verplichtingen valt.
Een onderneming valt onder de CSRD-verplichtingen in Nederland indien zij een statutaire zetel in Nederland heeft of een beursvennootschap is met Nederland als land van herkomst, een netto-omzet van meer dan € 450 miljoen heeft en meer dan duizend werknemers. Indien de onderneming een dochtermaatschappij met statutaire zetel in Nederland is met een netto-omzet van meer dan € 200 miljoen, waarvan de moedermaatschappij buiten de EU is gevestigd en in de EU een netto-omzet van meer dan € 450 miljoen heeft, dan dient die dochtermaatschappij een verslag inzake duurzaamheid openbaar maken waarin verslag wordt gedaan over de duurzaamheid van het hele concern van de moedermaatschappij.
Bent u bereid om te onderzoeken of de groeiplannen van JBS in Nigeria (waaronder zes nieuwe vleesverwerkingsfabrieken) verenigbaar zijn met de internationale klimaatdoelen die Nederland heeft onderschreven?
Elke partij levert volgens het Parijs-akkoord op basis van hun «National Determined Contribution» een bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering. Dat zijn vrijwillige bijdragen van de individuele landen. Het is dus niet aan Nederland om naar bovenstaande onderzoek te gaan doen in Nigeria; dit is aan Nigeria als partij aan het Parijs-akkoord.
Wel zal de Nederlandse regering via de Wet Internationaal Verantwoord Ondernemen (Wivo) de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) implementeren en handhaven. De Wivo ziet erop toe dat in Nederland gevestigde bedrijven zich wereldwijd inspannen om misstanden, zoals klimaatschade en mensenrechtenschendingen, te voorkomen.
Gaat de Nederlandse overheid de «zorgplicht» actief handhaven nu JBS een Nederlands bedrijf is, zeker gezien de link met illegale ontbossing in de Amazone en de recente schikkingen wegens kinderarbeid in de VS?
Als met zorgplicht de verplichting voor bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen bedoeld wordt, is het inderdaad de bedoeling hiervoor adequaat toezicht in te richten. Gepaste zorgvuldigheid komt terug in verschillende Europese wetten die binnenkort van kracht worden. Zo is het kabinet momenteel bezig eerdergenoemde CSDDD te implementeren met de eerdergenoemde Wivo. De CSDDD dient uiterlijk 26 juli 2028 omgezet te zijn in nationale wetgeving en een jaar later moeten bedrijven aan de wet voldoen. De Wivo zal ondernemingen die binnen het toepassingsbereik van de wet vallen verplichten om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun waardeketen. Dit betekent dat grote ondernemingen feitelijke en potentiële nadelige gevolgen voor mens en milieu, inclusief meetbare milieuschade zoals schadelijke emissies, in hun keten moeten identificeren en deze vervolgens moeten voorkomen, beperken of beëindigen. Beoogd toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM) zal op de naleving hiervan toezien.
Daarnaast zal de Europese Ontbossingsverordening (EUDR) van toepassing worden vanaf 2027. Deze verordening verplicht bedrijven die onder haar toepassingsbereik vallen om aan te tonen dat hun producten niet afkomstig zijn van recent ontboste gebieden en dat zij legaal zijn geproduceerd. De bevoegde autoriteiten zullen toezicht houden op de naleving en kunnen bij overtredingen handhavend optreden. Of in een specifiek geval, zoals dat van JBS, handhaving aan de orde is, hangt af van de specifieke omstandigheden en het oordeel van de toezichthouders.
Is de regering bereid om, in het kader van de Wet Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO), strengere eisen te stellen aan bedrijven die Nederland enkel als juridische uitvalsbasis gebruiken voor activiteiten die elders ter wereld leiden tot grootschalige natuurverwoesting (klimaatverandering en mensenrechtenschendingen)?
De Wet Internationaal Verantwoord Ondernemen (Wivo), de wet die de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) implementeert, wordt momenteel geschreven en geldt nog niet. De CSDDD dient uiterlijk 26 juli 2028 omgezet te zijn in nationale wetgeving en een jaar later moeten bedrijven aan de wet voldoen. De Wivo zal ondernemingen die binnen het toepassingsbereik van de wet vallen verplichten om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun waardeketen. Dit betekent dat grote ondernemingen feitelijke en potentiële nadelige gevolgen voor mens en milieu, inclusief meetbare milieuschade zoals schadelijke emissies, in hun keten moeten identificeren en deze vervolgens moeten voorkomen, beperken of beëindigen.
Ondernemingen vallen onder het toepassingsbereik van de Wivo wanneer zij binnen Nederland gevestigd zijn en een jaaromzet van ten minste € 1,5 miljard en 5.000 medewerkers hebben. Indien JBS aan deze criteria voldoet wanneer de wet in juli 2028 in werking treedt, zal het onder de handhaving van de Nederlandse toezichthouder vallen.
Nederland hecht groot belang aan een zo hoog mogelijk niveau van harmonisatie bij de implementatie van de CSDDD in de lidstaten, om een gelijk speelveld binnen de Europese Unie te waarborgen. De Wivo wordt mede daarom zuiver en lastenluw geïmplementeerd.
Welke stappen gaat u ondernemen om te voorkomen dat Nederland een «safe haven» wordt voor multinationals die hun expansie financieren ten koste van het klimaat en de natuur elders?
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 5, wordt momenteel gewerkt aan de implementatie van de CSDDD in de nationale wetgeving. Daarmee ontstaat een gelijk speelveld op het gebied van gepaste zorgvuldigheid in de Europese Unie en kan Nederland op dat gebied geen «safe haven» worden.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat financiële instellingen buiten de reikwijdte van de EU-ontbossingsverordening (EUDR) vallen, waardoor investeringen in ontbossingsbedrijven zoals JBS ongehinderd doorgaan, en bent u bereid zich in Europees verband hard te maken om deze tekortkoming in de wetgeving alsnog aan te pakken?
Het kabinet is van mening dat de EUDR in de huidige vorm geen geschikt instrument is voor het controleren van financiële stromen, omdat deze zich richt op toeleveringsketens van fysieke producten.
Het artikel ‘Nieuwe Bulgarenfraude nog groter dan gedacht: met eerst geld en controle achteraf blijft Belastingdienst kwetsbaar voor zwendel’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over een nieuwe grootschalige Bulgarenfraude waarbij criminelen opnieuw misbruik zouden maken van Belastingen en toeslagen en gebrekkige controles bij de Belastingdienst?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de overheid fraude daadkrachtig moet aanpakken en dat georganiseerde fraudeurs geen ruimte mogen krijgen om misbruik te maken van publiek geld?
Ja.
Hoe verklaart u dat Nederland, ondanks de lessen uit eerdere fraudezaken, opnieuw kwetsbaar blijkt voor georganiseerde fraude?
In mijn brief van 18 mei 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over een patroon dat de Belastingdienst heeft geconstateerd van aangiften, verzoeken en bezwaren (hierna aanvragen) in de inkomensheffingen die onregelmatigheden bevatten. Ook heb ik in deze brief aangegeven dat er sprake lijkt te zijn van personen die zich in georganiseerd verband melden voor een DigiD.2
De Belastingdienst is een project gestart om meer inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Daaruit moet ook meer duidelijk worden over de opzet en organisatie achter dit patroon. Ik streef ernaar snel meer duidelijkheid te bieden over dit patroon en de vervolgacties en zal uw Kamer daarover periodiek informeren in de stand-van-zakenbrief Belastingdienst. Daarbij zal ik ook ingaan op de belangrijkste lessen uit eerdere fraudezaken.
In hoeveel gevallen is de afgelopen vijf jaar sprake geweest van vermoedens van georganiseerde fraude met belastingen of toeslagen? Hoeveel geldbedragen zijn hiermee gemoeid?
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren prioriteit gegeven aan de aanpak van (vermoedelijke) BTW-netwerkfraude, BTW-carrouselfraude, verschillende vormen van verhuld vermogen en BPM-fraude. Over de keuzes voor onderzoek naar en aanpak van fenomenen informeer ik de Tweede Kamer middels het jaarplan van de Belastingdienst. De resultaten van de aanpak leest u terug in de jaarrapportages van de Belastingdienst. Voor BTW-carrouselfraude, die per definitie in georganiseerd verband plaatsvindt, worden onder meer het aantal meldingen conform AAFD-protocol en het correctieresultaat uit toezicht gerapporteerd:
2022
2023
2024
2025
Correctieresultaat
€ 50 mln.
€ 142 mln.
€ 58 mln.
€ 78 mln.
Vanwege het inherent verhulde karakter van fraude kan ik geen onderbouwde uitspraak doen over de grootte van het totale fiscale nadeel. Voor Toeslagen geldt daarnaast dat het intensieve toezicht, in lijn met de aangenomen motie Van Eijk,3 pas recent is opgestart, waardoor voor Toeslagen nog geen actueel beeld te vormen is over de omvang van eventuele georganiseerde fraude in de afgelopen vijf jaar.
Is er volgens u binnen de Belastingdienst en betrokken uitvoeringsinstanties sprake van terughoudendheid of verlegenheid om stevig op te treden tegen fraude uit angst om fouten te maken richting burgers?
Nee, terughoudendheid en verlegenheid zie ik niet bij de Belastingdienst en Toeslagen. Wel zie ik dat er meer aandacht in deze organisaties is voor de juiste toepassing van wet- en regelgeving, waaronder de AVG. Dit betekent ook dat er soms voorzichtiger en zorgvuldiger wordt geopereerd. Na de Toeslagenaffaire, de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en het stopzetten van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) is er veel is veranderd in de werkwijze van Dienst Toeslagen en de Belastingdienst. Processen zijn of worden waar zij nog niet volledig voldeden aan wet- en regelgeving in snel tempo aangepast. Hier stuurt de Belastingdienst ook op via de Meerjarenstrategie Belastingdienst 2026–2030.
Dit heeft ook gevolgen gehad voor het intensieve toezicht en de fraudebestrijding. Zo heeft het proces van meldingen van mogelijke niet-compliantie na het stopzetten van FSV langere tijd stilgelegen, net als het intensieve toezicht voor Toeslagen. Het perspectief van burgers en bedrijven is meer dan daarvoor centraal komen te staan in het werk van de Belastingdienst. Medewerkers zijn zich er nu meer van bewust wat de gevolgen kunnen zijn van het ingrijpen van de overheid.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om fraude eerder te signaleren en frauduleuze aanvragen direct te blokkeren voordat uitbetaling plaatsvindt?
In de Kamerbrief die ik op 18 mei 2026 aan de Tweede Kamer stuurde heb ik de maatregelen voor personen die bij dit patroon betrokken zijn uiteen gezet.
Daarnaast worden aanvullende maatregelen onderzocht. U kunt hierbij denken aan een aanscherping van selectieregels bij beoordeling van aanvragen inkomensheffingen. Het bestrijden van fraude is een belangrijk onderdeel van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (UHS) en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. Hier ga ik in het antwoord op de vragen 12 en 13 nader op in.
Bent u bereid om risicogerichte controles (intensief toezicht) voorafgaand aan uitbetaling uit te breiden, zodat evident verdachte aanvragen sneller kunnen worden tegengehouden?
Zoals aangegeven is de Belastingdienst een project gestart met als doel inzicht te krijgen in de aard en omvang van de problematiek, om op basis daarvan een uitvoerbare aanpak in gang te zetten. Diverse onderdelen van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen onderzoeken het patroon. Daarbij wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen beschouwd, wordt onderzocht hoe onregelmatigheden als deze in de toekomst kunnen worden voorkomen en welke aanvullende maatregelen verder moeten worden genomen.
Hoe zorgt u ervoor dat georganiseerde fraudeurs hard worden aangepakt, terwijl tegelijkertijd goedwillende burgers zorgvuldig en rechtvaardig worden behandeld?
Ik sta voor een zorgvuldige en rechtvaardige behandeling van burgers en ondernemers. In de behandeling van aanvragen, die grotendeels geautomatiseerd afgehandeld worden door de Belastingdienst, moet een balans gevonden worden. Maatregelen moeten een zo beperkt mogelijk effect op goedwillende burgers hebben en tegelijk onterechte uitbetalingen zoveel mogelijk voorkomen. Om invulling te geven aan de zorgvuldigheid, kan de Belastingdienst in bepaalde gevallen eerst een vragenbrief sturen als er een aanvraag wordt gedaan die mogelijk onregelmatigheden bevat, waarna de aanvrager de mogelijkheid heeft om die aanvraag toe te lichten. Bij afwijzing van een aanvraag kan daartegen bezwaar worden gemaakt, zodat eventuele fouten hersteld kunnen worden. Mochten onjuiste aanvragen toch tot betaling zijn gekomen, dan probeert de Belastingdienst dat bedrag terug te vorderen.
Ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke aanpak met ketenpartners. Zo heeft een bank door het bevriezen van rekeningen het wegvloeien van publiek geld weten te voorkomen en worden maatregelen in samenspraak met Logius onderzocht. Over de strafrechtelijke kant en de inzet van de FIOD, gaat het Openbaar Ministerie (OM).
Welke concrete stappen onderneemt u in deze casus om het gestolen geld terug te krijgen?
Er wordt beslag gelegd op de rekeningen die door een bank zijn bevroren. Dit bedraagt circa € 2,3 miljoen. Op basis van eerdere ervaringen in soortgelijke en omvangrijke fraudezaken verwacht de Belastingdienst dat de resterende € 4,4 mln. waarschijnlijk als oninbaar beschouwd moet worden. Deze bedragen zijn, na uitkering, overgemaakt naar buitenlandse bankrekeningnummers, contant opgenomen of omgezet in crypto valuta. De Belastingdienst onderzoekt welke vervolgstappen mogelijk zijn met betrekking tot de invordering.
Heeft u aangifte gedaan tegen de praktijken van deze criminele Bulgaarse groep of bent u voornemens dat te doen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst is nu als fiscale toezichthouder aan zet om onderzoek te doen naar dit patroon. Op basis van het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen kan de Belastingdienst signalen van mogelijke belastingfraude aan de FIOD en het Openbaar Ministerie melden.4 In dit protocol zijn aanmeldings- en wegingscriteria opgenomen om te bepalen of een vermoeden van belastingfraude kwalificeert voor strafrechtelijke vervolging. Na een dergelijke melding kan de FIOD onder het gezag van het OM een strafrechtelijk onderzoek starten. Over individuele meldingen conform het Protocol wordt geen mededeling gedaan.
Bent u bereid in overleg te treden met uw Bulgaarse evenknie om deze kwestie te bespreken, daar het ook niet de eerste keer is dat dit met Bulgaarse ingezetenen gebeurt?
Zoals ik schreef in mijn brief van 18 mei 2026, wordt het patroon op dit moment nog verder onderzocht. Als ik meer duidelijkheid heb over wat er aan de hand is, dan informeer ik de Tweede Kamer daarover. Ik zal de Tweede Kamer dan ook informeren of ik meerwaarde zie in een overleg met Bulgarije.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat belastinggeld opnieuw op grote schaal in handen valt van fraudeurs?
Zoals ik in mijn brief van 18 mei 2026 heb aangegeven is in dit specifieke geval een project gestart waarin diverse onderdelen van de Belastingdienst deelnemen. Het doel van het project is inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Zo wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen onderzocht. De Belastingdienst zal uiteraard zorgvuldigheid betrachten in de te nemen maatregelen om zoveel mogelijk te voorkomen dat goedwillende burgers hierdoor worden benadeeld. Daarnaast wordt zoals hiervoor genoemd, gewerkt aan een aanpak met ketenpartners om fraude zoveel mogelijk te voorkomen.
In algemene zin merk ik op dat het bestrijden van fraude een belangrijk onderdeel is van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de UHS en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. De strategie is erop gericht om het gedrag van belastingplichtigen zo te beïnvloeden dat zij structureel uit zichzelf hun fiscale verplichtingen nakomen. En daar waar belastingplichtigen regels bewust niet willen naleven dwingt de belastingdienst naleving af. De aanpak van georganiseerde belastingfraude maakt onderdeel uit van de UHS en vraagt om een doorlopende inzet en voortdurende aanpassing van maatregelen aan nieuwe fraudefenomenen en patronen. Om die reden ligt een afzonderlijk plan van aanpak voor het bestrijden van georganiseerde belasting- en toeslagfraude op dit moment niet voor de hand. Uw Kamer wordt, zoals gebruikelijk, geïnformeerd over relevante ontwikkelingen, zoals ik ook heb gedaan in mijn brief van 18 mei 2026.
Kan de Kamer vóór de zomer een plan van aanpak ontvangen met concrete voorstellen om georganiseerde belasting- en toeslagen fraude daadkrachtiger te bestrijden?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht 'Gaza-flotilla: vloot weer tegengehouden door Israël, nu ter hoogte van Cyprus' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Sumud Flotilla opnieuw is onderschept door Israël?1
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden
Klopt het dat onder de bemanning van de Flotilla zich zes Nederlanders bevinden?
Het kabinet is ermee bekend dat zich zes Nederlanders onder de opvarenden van de Flotilla bevonden.
Klopt het dat Europese burgers, waaronder Nederlanders, gevangen zijn genomen zonder aanleiding of aanklacht?
Het klopt dat Europese burgers, waaronder Nederlanders, zijn aangehouden door de Israëlische autoriteiten. Het kabinet heeft van de Israëlische autoriteiten geen informatie over een aanklacht jegens de Nederlandse Flotilladeelnemers ontvangen.
Kunt u onderschrijven dat Europees eigendom wordt vernietigd door een bondgenoot?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over de vermeende vernietiging van Europees eigendom rondom de onderschepping van de Flotilla.
Kunt u inzage krijgen in de precieze gebeurtenissen rondom de onderschepping van 18 mei? Mocht u daar geen feitenrelaas over hebben, bent u bereid deze op te vragen bij onze Israëlische bondgenoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten verzocht om een juridische onderbouwing van de onderschepping. Deze is tot dusverre niet ontvangen. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Het kabinet heeft kennisgenomen van de schokkende en ontoelaatbare beelden van de aangehouden Flotilladeelnemers die de Israëlische Minister Ben-Gvir op 20 mei jl. heeft gedeeld. Volgens het kabinet gaat deze behandeling in tegen de menselijke waardigheid. Het kabinet heeft de Israëlische regering daarop aangesproken en de Israëlische ambassadeur ontboden om opheldering te vragen. Daarbij heeft het kabinet opnieuw benadrukt dat alle opvarenden in lijn met het internationaal recht moeten worden behandeld, de veiligheid van Nederlandse opvarenden moet worden gegarandeerd en ze zo snel mogelijk moeten worden vrijgelaten. Ook heeft het kabinet om formele excuses van de Israëlische regering gevraagd. Deze oproep heeft Nederland ook herhaald in Europees verband in lijn met de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3421). Israël ging de dag erna, op 21 mei jl., over tot vrijlating van alle deelnemers.
Conform de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3420), steunt het kabinet verder de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., richting de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden.
Wat is uw reactie op dat de Israëlische regering operaties uitvoert in internationale wateren? Deelt u de mening dat dit een schending is van het internationaal recht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat humanitaire hulpverlening niet belemmerd mag worden? Wat is uw reactie dat dit nu, weer en nog steeds, gebeurt?
Het kabinet deelt de zorgen van de initiatiefnemers van de Global Sumud Flotilla over de catastrofale humanitaire situatie in Gaza. Er is dringend meer humanitaire hulp nodig. Tegelijkertijd is de humanitaire hulp die de Sumud Flotilla af hoopte te leveren voornamelijk symbolisch van aard en niet voldoende om de hoge noden in Gaza werkelijk te verlichten. In oktober 2025 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat Israël als bezettende macht verplicht is essentiële humanitaire hulp door onpartijdige (VN-)organisaties toe te staan, wanneer de lokale bevolking onvoldoende voorzien is van dergelijke hulpgoederen. Professionele en gemandateerde humanitaire organisaties dienen veilige, ongehinderde, en onvoorwaardelijke toegang te krijgen tot Gaza. Nederland roept de Israëlische autoriteiten op om de toegang van desbetreffende humanitaire organisaties te verbeteren en meer humanitaire hulp toe te laten, zowel bilateraal als in multilateraal-verband.
Bent u van plan een internationaal onafhankelijk onderzoek te eisen naar de gewelddadige interventies door Israël tegen de Flotilla, mogelijk met andere betrokken landen? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3420), steunt het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., aan de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden. Het kabinet zal in dat kader in contact blijven met landen die hierover ook duidelijkheid willen, ook in Europees verband.
Bent u bereid de bescherming van bemanningsleden van deze en toekomstige Flotilla’s in internationale wateren te waarborgen tijdens humanitaire missies? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin ligt de verantwoordelijk voor de veiligheid van zeevarenden op internationale wateren, afhankelijk van de situatie, primair bij de vlaggenstaat of kuststaat, naast de rol van de kapitein en de eventuele reder.
Deelt u de mening dat de kans op mishandeling van de opvarenden significant is, gezien ervaringen in het verleden en dat Nederland alles moet doen om de veiligheid van deze Nederlanders te beschermen? Zo ja, hoe gaat u de veiligheid van de bemanningsleden prioriteren? Zo nee, waarom niet?2
Zie het antwoord op vraag 5 en 6. Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten.
Bent u bereid om hulp en bijstand te leveren en alles op alles te zetten om de deelnemers van de Sumud Flotilla veilig te stellen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Nederlandse deelnemers aan de Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders. Zie ook het antwoord op vraag 5, 6 en 10.
Onderschrijft u de constatering van zeerechtenexpert Fred Soons, dat het ingrijpen van de Israëlische marine op internationale wateren in strijd is met het internationaal recht? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen? Zo nee, waarom niet?3
Zie het antwoord op vraag 1, 5 en 6.
Het biedlogboek en een fatsoenlijk koopproces |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de oplopende discussie rond het biedlogboek en de oproep van Vereniging Eigen Huis (VEH)?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de signalen dat het huidige systeem van biedlogboeken onvoldoende transparantie en controle biedt voor woningzoekenden?
Naar aanleiding van de signalen over onvoldoende transparantie rondom het (ver)koopproces van woningen, zijn de afgelopen jaren verschillende stappen gezet om dit proces transparanter te maken. Daarbij is er vanuit het Verbeterplan ingezet op meer transparantie en duidelijkere regels.2 Het biedlogboek is hier een voorbeeld van. Ik neem de signalen dat de invoering van het biedlogboek het koopproces nog niet voldoende transparant heeft gemaakt serieus. Ik ga daarom binnenkort met de ondertekenaars van het Verbeterplan in gesprek.
Deelt u de opvatting dat transparantie bij biedprocessen essentieel is voor een eerlijke woningmarkt, mede gezien het uitgangspunt dat de woningzoekende centraal moet staan?
Het Verbeterplan is met de sector opgesteld omdat er een gebrek was aan vertrouwen en integriteit in het koopproces. Transparantie bij biedprocessen is belangrijk voor een eerlijke woningmarkt. Als het biedlogboek correct wordt gebruikt, is het koopproces inzichtelijk en achteraf controleerbaar.
Welke concrete stappen heeft u tot op heden gezet om de werking en naleving van het biedlogboek te verbeteren?
Branchepartijen hebben zelf gezamenlijke afspraken gemaakt over het gebruik van het biedlogboek door hun leden. Om verschillen in de uitvoering van het biedlogboek te voorkomen, is de ontwikkeling van een Nederlands Technische Afspraak (NTA) geïnitieerd bij de NEN. De afgelopen maanden zijn er verschillende gesprekken gevoerd met de betrokken partijen over de naleving van deze afspraken. Daarnaast is er onderzoek uitgevoerd naar de branchesamenstelling van de makelaardij. De zelfopgelegde verplichting voor het biedlogboek geldt namelijk enkel voor makelaars die zijn aangesloten bij een beroepsorganisatie. De resultaten van dit onderzoek heb ik recent met uw Kamer gedeeld.3 Ten slotte ga ik binnenkort met de ondertekenaars van het Verbeterplan in gesprek om de handhaving van de zelfopgelegde regels te bespreken.
In hoeverre en op welke manier wordt momenteel gecontroleerd of makelaars zich houden aan de regels rond biedlogboeken? Acht u deze controle toereikend?
De verantwoordelijkheid voor de handhaving van de zelfopgelegde regels over het biedlogboek ligt op dit moment bij de brancheorganisaties zelf omdat er sprake is van zelfregulering. RIGO heeft in de evaluatie van het Verbeterplan aangegeven dat de handhaving op regels zoals biedlogboeken tekortschiet. Een consument moet zelf een klacht indienen over het ontbreken van een biedlogboek, maar dit wordt niet proactief gecontroleerd door de brancheorganisaties. RIGO stelt in hun evaluatie van het Verbeterplan dat actievere handhaving door de sector had bijgedragen aan een betere praktische uitvoering van het Verbeterplan waaronder het biedlogboek.
Bent u bereid te onderzoeken welke meerwaarde onafhankelijk toezicht en strengere handhaving op biedprocessen zou kunnen hebben?
Onderzoek wijst uit dat op dit moment circa 80% van de makelaarskantoren al is gereguleerd via de brancheorganisaties. Uit de evaluatie door RIGO blijkt dat er door de brancheorganisaties geen proactieve handhaving plaatsvindt onder leden. Zoals eerder genoemd, ga ik daarom binnenkort in gesprek met de sectorpartijen over mogelijke opties voor strengere handhaving. Hierover informeer ik uw Kamer na de zomer.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat biedprocedures bij koopwoningen transparant en controleerbaar zijn, zodat woningzoekenden erop kunnen vertrouwen dat biedingen eerlijk worden behandeld?
Zoals aangegeven in mijn eerdere antwoord zijn er verschillende stappen gezet om het biedproces transparant en controleerbaar te maken zoals het Verbeterplan en de ontwikkeling van een NTA. Om opvolging hieraan te geven, ga ik binnenkort met de ondertekenaars van het Verbeterplan in gesprek over de handhaving. Tussentijds onderzoek ik de mogelijkheden voor wet- en regelgeving. De resultaten hiervan deel ik na de zomer met de uw Kamer.
Zou u in kaart willen brengen welke aanvullende maatregelen er mogelijk zijn om de positie van kopers, in het bijzonder starters, te versterken bij het aankoopproces van woningen?
Het biedlogboek is een instrument voor consumenten om het biedproces transparanter te maken, maar er kunnen meer stappen gezet worden in het koopproces ter bevordering van transparantie. Op dit moment lopen er verschillende gesprekken met de branche om de mogelijkheden hiervoor in kaart te brengen. Hier informeer ik uw Kamer na de zomer over.
Hoe verhouden de huidige ontwikkelingen rondom biedlogboeken zich tot de bredere doelstelling om de woningmarkt eerlijker, toegankelijker en beter functionerend te maken?
Het biedlogboek is een belangrijk middel voor consumenten om inzicht te krijgen in het verloop van het biedproces. Ik acht het van belang dat het koopproces transparant en eerlijk verloopt, waarbij iedereen een eerlijke kans verdient op het kopen van een woning. Ik ben er van overtuigd dat dat weer bijdraagt aan een eerlijker, toegankelijker en beter functionerende woningmarkt. Het feit dat het biedlogboek nog onvoldoende wordt toegepast is dan ook geen positieve ontwikkeling.
Zou in kaart willen brengen of er signalen zijn dat makelaars structureel regels omzeilen of verschillend interpreteren? Indien dit het geval is, welke maatregelen gaat u treffen?
Op dit moment wordt er onderzoek uitgevoerd door het Verwey-Jonker instituut naar de ervaringen van consumenten met makelaars. Door dit onderzoek wordt duidelijk waar woningzoekers en verkopers tegenaan lopen in het koopproces. De resultaten van het onderzoek verwacht ik na de zomer met uw Kamer te kunnen delen. Daarnaast kunnen consumenten met klachten momenteel laagdrempelig terecht bij de Geschillencommissie Makelaardij. In haar openbare jaarverslag publiceert de Geschillencommissie cijfers over het aantal ingediende klachten en behandelde geschillen met betrekking tot makelaars die zijn aangesloten bij een beroepsorganisatie.
Op welke manier gaat u samenwerken met brancheorganisaties en consumentenorganisaties om te komen tot een aangescherpt en beter handhaafbaar systeem van biedtransparantie?
Zoals aangegeven in een eerder antwoord ga ik binnenkort met de ondertekenaars van het Verbeterplan: de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM), Vereniging Eigen Huis (VEH) en Vastgoed Nederland (VN) in gesprek om te onderzoeken op welke manier de afspraken vanuit het Verbeterplan beter gehandhaafd kunnen worden dan nu het geval is.
Hoe beoordeelt u de naleving van het Verbeterplan «Vertrouwen in het koopproces», nu blijkt dat kandidaat-kopers het biedlogboek in de praktijk nog vaak niet ontvangen?
Uit de eerdergenoemde evaluatie van RIGO over het Verbeterplan «Vertrouwen in het Koopproces» bleek dat kandidaat-kopers inderdaad vaak het biedlogboek niet ontvangen. Het RIGO-rapport geeft duidelijk aan dat de naleving van het Verbeterplan beter kan.
Zou u op korte termijn in gesprek willen gaan over naleving en aanscherping van het Verbeterplan met de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM), Vastgoed Nederland en VEH, en de uitkomsten van deze gesprekken met de Kamer willen delen? Zo ja, wat wordt u inzet bij deze gesprekken?
Dit gesprek staat op korte termijn gepland. Mijn inzet hierbij is onder meer om te kijken of en op welke manier de brancheorganisaties mogelijkheden zien om verdere concrete stappen te zetten richting een transparanter en eerlijker koopproces. Dat zou onder meer kunnen door een betere naleving van het Verbeterplan. Ik informeer uw Kamer hier na de zomer over.
Klopt het dat de door het kabinet in april 2025 toegezegde poging om NVM alsnog mee te laten doen, gestrand is? Zo ja, zou u willen toelichten waarom? Zo ja, zou u willen toelichten welke inspanningen er worden verricht om NVM alsnog hierbij te betrekken?
Ter aanvulling op het Verbeterplan zijn er onderhandelingen geweest over de NTA 8061:2025. Deze NTA heeft als doel om minimale eisen vast te leggen over het biedproces ten behoeve van het biedlogboek. De NTA is uiteindelijk door alle werkgroepleden uit de sector ondertekend, behalve de NVM. De NVM wilde in de NTA een vierde verkoopmethode opnemen genaamd de «Inschrijving met biedtermijn». Bij deze verkoopmethode brengen kandidaten blind een bod uitbrengen voor een deadline, maar hebben de makelaar en verkopende partij wel tussentijds inzicht. De overige leden van de werkgroep hebben de toevoeging van de verkoopmethode aan de NTA niet geaccepteerd. Uiteindelijk heeft de NVM ervoor gekozen om de NTA niet te ondertekenen. Verschillen in de minimale eisen die gelden aan het biedlogboek zijn onwenselijk voor de consument. Er zijn al verschillende gesprekken gevoerd om te bezien of er toch nog een oplossing mogelijk is. Binnenkort ga ik met de ondertekenaars van het Verbeterplan nog een keer om tafel om te onderzoeken of en hoe we tot één norm kunnen komen.
Zou u willen toelichten van de stand van zaken is van de implementatie van de NTA? In hoeverre is eerdere evaluatie hiervan opportuun?
De NTA 8061 is een sectorproduct waarbij de ontwikkeling, uitvoering en handhaving is belegd bij de sector. Sinds de publicatie hebben de uitvoerende partijen die zich committeren aan de NTA zich ingezet om de IT-systemen aan te passen op de nieuwe werkwijze zodat het biedlogboek gebruikt kan worden door aangesloten makelaars. De NTA is gepubliceerd in maart 2025, en geldt daarom tot begin 2028. Voor die tijd zal aan de betrokken partijen worden gevraagd of zij de NTA willen blijven handhaven, intrekken of wijzigen.
Zou u willen reflecteren op de vraag waar voor u de grens ligt om zelf te gaan reguleren, onafhankelijk toezicht in te stellen op het biedlogboek?
De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de uitkomsten van de gesprekken die ik zal voeren met de ondertekenaars van het Verbeterplan. Vooralsnog ga ik ervan uit dat de sector, gelet op de hoge organisatiegraad, zelf verantwoordelijkheid neemt voor het toezicht en de borging van de kwaliteit binnen de makelaardij. De ondertekenaars van het Verbeterplan hebben eerder laten zien gezamenlijk stappen te kunnen zetten ter bevordering van een transparant en eerlijk koopproces. Indien de sector hierin onvoldoende verantwoordelijkheid neemt, kan regelgeving worden overwogen. Daarbij geldt wel dat beroepsregulering wordt begrensd door Europese regelgeving, wetgeving doorgaans een langdurig en kostbaar traject is en de kosten van toezicht en handhaving uiteindelijk kunnen neerslaan bij consumenten. Om die reden ben ik terughoudend met aanvullende regelgeving wanneer dit niet noodzakelijk is. Ik zal de Kamer na de zomer informeren over de mogelijkheden van eventuele vervolgstappen.
In hoeverre en op welke manier heeft u grip op het naleven van het eigen protocol van NVM door hun leden? Op welke manier bent u in gesprek met NVM dat dit protocol ook zorgt voor transparantie bij biedingsprocessen?
De uitvoering en handhaving van het biedlogboek is belegd bij de sectorpartijen. Ik ben van mening dat het voor de consument verwarrend is als er meerdere minimale eisen aan het biedlogboek worden gesteld. Om dit op te lossen ga ik binnenkort met de ondertekenaars van het Verbeterplan in overleg om te onderzoeken of we alsnog tot één gezamenlijke norm kunnen komen.