Spuitlicenties voor bestrijdingsmiddelen en vakbekwaamheid |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Wat behelst, in grote lijnen, het behalen van een spuitlicentie voor het spuiten met bestrijdingsmiddelen en wat behelst het verlengen hiervan? Hoe lang is de training? Welke onderwerpen komen aan bod? Met welke frequentie moet iemand met een spuitlicentie deze vernieuwen en wat zijn de vereisten voor vernieuwing?
Een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, ook wel spuitlicentie genoemd, is nodig om professionele gewasbeschermingsmiddelen te mogen gebruiken. Dit is vastgelegd in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, waarop het bijbehorende besluit en regeling is gebaseerd. Er zijn regels vastgesteld over het vereiste kennisniveau voor de onderwerpen uit bijlage I van richtlijn 2009/128/EG, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen distributeurs, voorlichters en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen. Om een bewijs van vakbekwaamheid te halen, dient er een lesprogramma en een examen succesvol afgerond te worden. Het examen toetst verscheidene criteria, deze criteria zijn te vinden in kwalificatiedossiers op de website van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)1. Een bewijs van vakbekwaamheid is 5 jaar geldig. Hierna dient de houder nascholingsbijeenkomsten te volgen om het bewijs van vakbekwaamheid te verlengen. De onderwerpen die tijdens een nascholingsbijeenkomst behandeld worden verschillen per type bewijs van vakbekwaamheid, en zijn terug te vinden in het Examendocument Gewasbescherming2.
Geldt een spuitlicentie voor specifieke teelten, specifieke middelen, of allebei?
Een bewijs van vakbekwaamheid geldt in de basis voor het veilig en verantwoord toepassen van professionele gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen, en is niet strikt beperkt tot één specifiek middel of één specifieke teelt.
Maakt de laatste stand van de wetenschap ten aanzien van de middelen waarvoor de licentie wordt gehaald, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
Ja, er worden nascholingsbijeenkomsten georganiseerd waarin de meest actuele ontwikkelingen en trends binnen het vakgebied worden behandeld. Het reguliere lesprogramma besteedt hier ook aandacht aan, met een focus op het correct en effectief toepassen van gewasbeschermingsmethoden. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan de relevante wijzigingen in wet- en regelgeving, zodat de deelnemers op de hoogte zijn van de laatste normen en eisen.
Maken de risico’s voor omgeving en gezondheid van het gebruik van meerdere middelen tegelijk of na elkaar (cocktails), deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
In de scholing wordt expliciet aandacht besteed aan zorgvuldig middelengebruik, waarbij de nadruk ligt op aspecten zoals tankmengsels, etiketvoorschriften, blootstellingsroutes, driftreductie en geïntegreerde gewasbescherming. Combinaties van middelen en cumulatieve blootstelling maken deel uit van de risicobeheersing die in het lesprogramma aan bod komt. In de scholing wordt deelnemers geleerd dat zij enkel mogen werken conform de toelatingen en de voorschriften op het etiket. Het uitvoeren van eigen experimenten of afwijkingen van de vastgestelde richtlijnen is niet toegestaan, waarmee de veiligheid en naleving van regelgeving strikt gewaarborgd blijven.
Maken de nog onbekende gevolgen voor de gezondheid, ook bij veilig gebruik, op de lange termijn, van middelen, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
De opleiding voor het behalen van een bewijs van vakbekwaamheid is gericht op veilig gebruik binnen de vastgestelde toelatingskaders. Deelnemers leren over gevaar, risico, dosering, blootstelling, en het gebruik van beschermingsmiddelen, evenals het proces van risicobeoordeling. Wetenschappelijke inzichten worden voortdurend verwerkt in de verplichte nascholing, waardoor het systeem actueel blijft. De opleiding benadrukt dat meetbaarheid geen direct risico aanduidt; risico is afhankelijk van dosis, blootstelling en toxicologische eigenschappen. Gevolgen op lange termijn bij veilig gebruik worden niet expliciet behandeld, omdat de focus ligt op de actuele wetenschappelijke risicobeoordeling.
Maakt het belang van omgang met omwonenden, bijvoorbeeld van het inlichten van omwonenden over wat er wordt gespoten en overleg over het moment van spuiten, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
In zowel het reguliere lesprogramma als de nascholingsbijeenkomsten wordt aandacht besteed aan de rol en verantwoordelijkheid van de teler in een maatschappelijk sensitieve context. Onderwerpen zoals het toepassen van drift reducerende technieken, het instellen van bufferzones, het monitoren van weersomstandigheden en het zorgvuldig plannen van gewasbescherming worden behandeld. Daarnaast wordt ingegaan op hoe telers effectief kunnen omgaan met vragen of bezorgdheden van omwonenden. Transparantie en communicatie worden gepositioneerd als belangrijke aspecten van professioneel vakmanschap, gezien de teler opereert in een open landschap waar maatschappelijke acceptatie van wezenlijk belang is voor de verdere ontwikkeling van de sector. Er is ook een handreiking beschikbaar op de rijksoverheid website die praktische mogelijkheden biedt voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in goed nabuurschap voor onder andere omwonenden.3
Aan welke eisen moeten organisaties voldoen die dit soort trainingen geven? Hoe wordt gezorgd dat deze organisaties de vereiste kennis hebben om dit soort trainingen te geven?
De eisen waar de kennisaanbieder aan moet voldoen staan beschreven in het Examendocument gewasbescherming 2. De kennisaanbieder moet onder andere zelf een bewijs van vakbekwaamheid in bezit hebben, en een percentage van de bijeenkomsten wordt bezocht om te inspecteren of ze aan de vooraf opgegeven doelstellingen voldoen.
Wat is de stand van zaken van de motie-Van Campen c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 691) over vakbekwaamheidseisen?
In de tweede helft van 2026 zullen de onderwerpen rond het verminderen van het gebruik van hoog risicomiddelen en het verbeteren van de naleving van gebruikersvoorschriften verplicht aan bod komen in het nieuwe nascholingsaanbod voor de bewijzen van vakbekwaamheid. Ik zal uw Kamer hierover blijven informeren.
Is het (wettelijk) mogelijk bij herhaald overtreden van de regels ten aanzien van bestrijdingsmiddelen (denk bijvoorbeeld aan de recente bevindingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de sierteelt onder glas) de spuitlicentie (tijdelijk) in te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid is mogelijk. Indien tegen de houder van een bewijs van vakbekwaamheid herhaaldelijk overtredingen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden of van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn geconstateerd, kan de Minister het bewijs van vakbekwaamheid maximaal één jaar intrekken. De NVWA heeft in het verleden geen gebruik gemaakt van deze interventiemogelijkheid, omdat het destijds minder perspectief leek te hebben. Het bewijs van vakbekwaamheid is namelijk op naam gesteld en het is zeer moeilijk te bewijzen dat dezelfde persoon herhaaldelijk de aangetoonde overtredingen heeft begaan. Verder is het voor een bedrijf eenvoudig om een andere medewerker in te zetten. Dit geldt vooral voor bedrijven met meerdere medewerkers. De NVWA onderzoekt opnieuw de mogelijkheden van het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid, als één van de sanctie-instrumenten.
Bent u bereid bovenstaande vragen te beantwoorden voor het debat over gewasbescherming?
Ja.
De juridische onhoudbaarheid van financiële steun aan Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van Advocates for the Future waarin wordt gesteld dat de voorgenomen staatssteun van maximaal 2 miljard euro aan Tata Steel Nederland juridisch onhoudbaar, ineffectief en onrealistisch is?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de juridische analyse van Advocates for the Future van 19 december 2025 dat de voorgenomen staatssteun aan Tata Steel in haar huidige vorm niet voldoet aan de vereisten van noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit onder de Europese staatssteunregels (CEEAG), met name omdat niet is aangetoond dat de maatregelen leiden tot daadwerkelijke en additionele klimaat- en gezondheidswinst? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Advocates for the Future heeft de juridische analyse ingediend als reactie op de publieke consultatie van de Joint Letter of Intent met Tata Steel2. Alle reacties op de publieke consultatie worden momenteel samengevat tot een zogenaamd hoofdlijnenverslag. Dit hoofdlijnenverslag wordt binnenkort naar de Kamer verzonden.
De Nederlandse staat wil en zal geen staatssteun verlenen aan een private onderneming in het kader van de maatwerkaanpak om te voldoen aan geldende wet- en regelgeving. De maatregelen onder de maatwerkaanpak moeten dan ook bovenwettelijk zijn. De staat ziet hier streng op toe en ook de Europese Commissie (hierna: EC) controleert dat de steun niet wordt gegeven om aan geldende EU-wetgeving te voldoen. De verwachte CO2-reductie van de projecten in de JLoI wordt onderschreven door het rapport van de technische adviseur van de staat. De Landsadvocaat heeft juridisch advies verleend over de (aanvullende) milieumaatregelen en in het bijzonder de bovenwettelijkheid daarvan. Dit advies is naar de Kamer verzonden.3 De Landsadvocaat concludeert dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet juridisch afdwingbaar zijn zonder maatwerkafspraak. Daarmee is de beoogde gezondheidswinst dus additioneel aan de geldende wet- en regelgeving.
Staatssteun kan rechtmatig worden verleend indien wordt voldaan aan de voorwaarden van een Europees staatssteunkader, in dit geval, de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) (CEEAG). De beoogde steunmaatregel wordt dus conform de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader opgesteld. De EC moet de uiteindelijke steunmaatregel beoordelen en zal de voorgestelde maatregel toetsen aan de hand van dit kader. De juridische borging van het behalen van de doelen wordt uitgewerkt in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
Kunt u aangeven of u een juridische staatssteunanalyse heeft laten opstellen waarin expliciet wordt getoetst aan artikel 107, lderde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het CEEAG-kader en het beginsel «de vervuiler betaalt», en bent u bereid deze analyse met de Kamer te delen vóór verdere besluitvorming? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen en te delen?
De verenigbaarheid met de interne markt van de beoogde steunmaatregel zal door de EC worden getoetst aan de hand van de CEEAG. Om die reden wordt de beoogde steunmaatregel zo vormgegeven dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader wordt voldaan, waaronder bijvoorbeeld het beginsel «de vervuiler betaalt» voor de milieumaatregelen. Dit is geanalyseerd en hierover vinden ook gesprekken plaats met de EC in het kader van de prenotificatiefase van deze steunmaatregel. Echter, het formele notificatietraject van de steunmaatregel bij de EC is nog niet gestart. Op het moment van de formele notificatieprocedure wordt door de EC getoetst of de steunmaatregel voldoet aan alle voorwaarden en verplichtingen uit de CEEAG en of de steunmaatregel verenigbaar is met de interne markt. De EC is exclusief bevoegd om te beoordelen of de steun verenigbaar is met artikel 107, derde lid, VWEU. De steun kan niet worden verleend zonder dat de EC deze heeft beoordeeld en goedgekeurd. Deze goedkeuring, en daarmee de toets aan artikel 107, derde lid, VWEU, wordt openbaar gemaakt en gepubliceerd op de website van de Europese Commissie.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de aan de Kamer verstrekte CO2-reducties zijn berekend en welke aannames daarbij zijn gehanteerd over productievolumes en referentiescenario’s? Kunt u de onderliggende stukken en exacte wetenschappelijke bronnen met de Kamer delen, zodat de Kamer haar controlerende en kaderstellende taak naar behoren kan uitvoeren?
Zoals in eerdere beantwoording aangegeven zijn bij de Kamerbrief4 over de ondertekening van de JLoI ook de berekeningen van de CO2-reductie gepubliceerd5.
Hoe beoordeelt u de kritiek van experts dat de beoogde CO2-reducties grotendeels een «papieren werkelijkheid» betreft omdat een aanzienlijk deel van de uitstoot het gevolg is van capaciteitsafbouw, emissieverplaatsing en aannames? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven zijn de beoogde CO2-reducties getoetst door de technische adviseur van de staat6. Het rapport hierover is met de JLoI meegestuurd naar de Kamer. Wat betreft de punten over capaciteitsafbouw en emissieverplaatsing verwijs ik graag naar eerdere beantwoording waarin wordt aangegeven dat er geen sprake is van capaciteitsafbouw en dat de maatwerkaanpak zich focust op vermindering van de directe CO2-uitstoot bij de bedrijven zelf. De komende periode worden de juridische waarborgen voor het behalen van de doelen uitgewerkt en opgenomen in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
Waarom is bij de beoordeling van de klimaatwinst uitsluitend gekeken naar emissiereducties binnen Nederland (scope 1), terwijl bekend is dat methaanlekken bij gaswinning de totale klimaatimpact substantieel kunnen verhogen?
Een vergelijkbare vraag is eerder gesteld en beantwoord. Voor uw gemak hieronder nogmaals de exacte vraag en het antwoord.
Acht u het verenigbaar met de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord dat het grootste deel van de steun wordt ingezet voor installaties die primair op aardgas zullen gaan draaien, zonder harde verplichting tot tijdige omschakeling naar hernieuwbare energie, terwijl onzeker is of en wanneer omschakeling naar groene waterstof daadwerkelijk mogelijk zal zijn gezien de beperkte beschikbaarheid en concurrerende vraag? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw positie hierin dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
De maatwerkafspraak met TSN beoogt een grote CO2-reductie van 7,2 Mton/jaar en forse verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden te realiseren. Verder is in de JLoI opgenomen dat TSN ernaar streeft om uiterlijk in 2045 en zo snel als redelijkerwijs mogelijk is klimaatneutraliteit te bereiken. Juist vanwege de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord is het van belang om op korte termijn de emissies naar beneden te brengen.
Zoals in eerdere beantwoording aangegeven7 is in de JLoI overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de nieuw te bouwen DRP-installatie zal vervangen door groene waterstof en/of biomethaan. De installatie kan technisch overgaan op groene waterstof en/of biomethaan en hiervoor zijn dus geen technische aanpassingen nodig. Om in de tussenfase dat de DRP op aardgas draait een grotere CO2-reductie mogelijk te maken wordt CCS toegepast. Als is overgestapt op biomethaan kunnen hiermee ook negatieve emissies worden gerealiseerd.
Voor de aankoop van groene waterstof en biomethaan is de Staat voornemens een lening van 200 miljoen euro te verstrekken. De haalbaarheid van de overstap op groene energiebronnen is getoetst door de technische en financiële adviseurs van de staat. Voor groen gas specifiek schat externe adviseur Common Futures het Europese productiepotentieel voor groengasproductie op 100 bcm, ruim voldoende om aan de vraag van TSN van 0.5 bcm te voldoen. De juridische waarborgen voor de overstap op groene energiebronnen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de voorwaarden uit het relevante staatssteunkader van de EC, de CEEAG.
Waarom zijn in de Joint Letter of Intent geen juridisch afdwingbare verplichtingen opgenomen die Tata Steel verplichten om uiterlijk op een vast moment te stoppen met het gebruik van kolen en aardgas? Hoe wordt het risico op een langdurige fossiele lock-in voorkomen, en kunt u de expertbronnen waarop u zich baseert meesturen?
Het proces van de maatwerkaanpak is zo georganiseerd dat de JLoI inspanningsverplichtingen bevat. Zie vraag 7 hierboven voor een nadere toelichting op de afspraken over de overstap van kolen naar aardgas en het voorkomen van een lock-in.
Kunt u toelichten hoe en door wie is getoetst en vastgesteld dat de gesubsidieerde maatregelen niet (gedeeltelijk) zien op naleving van bestaande wettelijke verplichtingen van Tata Steel? Hoe wordt precies voorkomen dat publieke middelen worden ingezet voor kosten die op grond van het beginsel «de vervuiler betaalt» voor rekening van het bedrijf zelf horen te komen?
De maatwerkaanpak richt zich op het realiseren van bovenwettelijke maatregelen, oftewel maatregelen die een grotere reductie bewerkstelligen dan wettelijk verplicht. Er kan dus ook alleen maatwerksteun worden gegeven voor bovenwettelijke maatregelen. De Staat toetst hier streng op. Ook de EC toetst dat de Nederlandse staat alleen maatregelen steunt die verder gaan dan Unienormen. Voor de milieumaatregelen specifiek is een juridische analyse gemaakt door de Landsadvocaat, zie ook het antwoord op vraag 2. Hieruit volgt dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet wettelijk afdwingbaar zijn.8
Aangezien de voorgestelde steun slechts betrekking heeft op een deel van de staalproductie en Tata Steel zelf niet in staat zou zijn om de productie te vergroenen, hoe voorkomt u dat een subsidiefuik ontstaat? Staat niet reeds vast dat Tata Steel straks voor meer subsidie zal aankloppen? En wordt het door de nu voorgestelde steunmaatregelen van 2 miljard euro niet lastiger om deze te weigeren? Kunt u aangeven hoe precies dit scenario wordt voorkomen?
Met de JLoI committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan aanvullende investeringen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro. Daarbovenop is in de JLoI opgenomen dat er geen maatwerksteun wordt voorzien voor de tweede fase van de verduurzaming van TSN. De staat ziet op dit moment ook geen realistisch scenario waarin de tweede fase van de verduurzaming van TSN in aanmerking komt voor maatwerkondersteuning. De tweede fase zal naar de huidige verwachting medio jaren ’30 worden uitgevoerd. Op dat moment zijn naar verwachting hoge EU ETS kosten en een goedwerkende CBAM in combinatie met een mogelijk kolenverbod aan de orde. Dit alles maakt het zeer onwaarschijnlijk dat er überhaupt subsidie mag worden verstrekt voor deze fase. Tegelijkertijd kan dit scenario nooit volledig uitgesloten worden, omdat wet- en regelgeving en klimaatbeleid in de toekomst kan wijzigen. Daarbij is het goed om op te merken dat een individueel bedrijf niet kan worden uitgesloten van eventueel in de toekomst bestaande generieke subsidie-instrumenten. Zie ook de beantwoording van vragen van de leden Kostić (PvdD), Dassen (Volt), Van Oosterhout en Zalinyan (beiden GroenLinks-Pvda) die op 4 februari jl. zijn beantwoord en eveneens zien op het voorkomen van, kort gezegd, een subsidiefuik.9 Zie voor uw gemak hieronder de exacte vragen en beantwoording:
Waarom is er geen volledige en transparante counterfactual analyse gepubliceerd waaruit blijkt welk investeringspad Tata Steel zonder staatssteun zou volgen? Hoe kan zonder zo’n analyse worden vastgesteld dat sprake is van een daadwerkelijk stimulerend effect van de steun?
Het counterfactual scenario bevat bedrijfsvertrouwelijke informatie en is om deze reden, net als de businesscase, niet gepubliceerd. Dit is de gebruikelijke gang van zaken bij dit soort trajecten van individuele ondernemingen. De businesscase en het counterfactual scenario van TSN worden uitvoerig getoetst door de financiële adviseur van de staat. Daarbij moet, voor het verkrijgen van goedkeuring voor de eventuele staatssteun door de EC, zoals de CEEAG voorschrijft, ook inzicht worden geboden in het counterfactual scenario en een onderbouwing van het stimulerend effect worden gegeven. De EC toetst deze dus ook en deze analyse is dus van belang voor het verkrijgen van goedkeuring van de EC voor het verlenen van rechtmatige staatssteun.
Hoe verhoudt het ontbreken van een afgeronde milieueffectrapportage en gezondheidseffectrapportage zich tot het vereiste dat de steun bovenwettelijk is en daadwerkelijk bijdraagt aan de verbetering van de gezondheid van omwonenden? Op welke onafhankelijke wetenschappelijke adviezen baseert u zich precies?
Zie de aanbiedingsbrief bij deze beantwoording, de beantwoording van vraag 2 hierboven en de eerdere beantwoording van vergelijkbare vragen over het MER [PM verwijzing]. Daarbij moet worden opgemerkt dat bovenwettelijkheid wordt afgemeten aan (normen uit) nationale en Europese wetgeving, niet aan een het MER of de GER. Een MER of GER is immers een uitwerking van de effecten van de voorgestelde plannen van Tata Steel waar Tata Steel een vergunning voor aanvraagt. Zie ook het eerder aan de Kamer gestuurde advies van de Landsadvocaat.10
Kunt u toelichten hoe de gezondheidswinst voor omwonenden van Tata Steel onafhankelijk en zoveel mogelijk real time zal worden gemonitord, conform aangenomen motie-Teunissen c.s. over zo snel mogelijk zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel (Kamerstuk 28 089, nr. 302), en welke sancties op welke termijn volgen indien deze uitblijft?
Deze elementen worden nader uitgewerkt richting het sluiten van de maatwerkafspraak. Zie ook de aanbiedingsbrief bij deze beantwoording. Zoals reeds geantwoord11 op 25 november 2025 op een eerdere vraag van de leden Kostić (PvdD) en Koekkoek (Volt) over dit onderwerp is in artikel 8.2.d van de JLoI afgesproken dat TSN onderzoekt hoe ze onafhankelijke en transparante metingen en monitoring kan versterken, boven op de wettelijke verplichtingen die TSN op het gebied van meten en monitoren al heeft.
Kunt u toelichten of de Europese Commissie al een eerste analyse heeft gemaakt van de steunmaatregelen? Wat is de status van de beoordeling door de Commissie? Kunt u het standpunt van de Commissie met de Kamer delen?
Zoals aangeven bij het antwoord op vraag 3 is met de EC gesproken over de voorwaarden vanuit het steunkader waaronder rechtmatige staatssteun zou kunnen worden verleend. De gesprekken met de EC worden doorlopend gevoerd en zijn constructief. Echter, het formele notificatie traject van de steunmaatregel bij de EC is nog niet gestart en de EC heeft dus ook nog geen formele beoordeling afgerond.
Bent u bereid verdere besluitvorming en een eventuele staatssteunmelding bij de Europese Commissie op te schorten totdat (a) een volledige juridische staatssteunanalyse is afgerond en gedeeld met de Kamer, (b) bindende klimaatdoelen en gezondheidsdoelen zijn vastgelegd (in lijn met de onafhankelijke adviezen van o.a. Expertgroep Gezondheid IJmond), en (c) duidelijk is dat de maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan de mondiale klimaatdoelen?
Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 3, zal de verenigbaarheid met de interne markt van de beoogde steunmaatregel door de EC worden getoetst aan de hand van de CEEAG en is de maatregel om die reden zo vormgegeven dat aan de betreffende voorwaarden voldaan kan worden. De maatwerkafspraak met TSN is de snelste en effectiefste weg naar verduurzaming en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden. De inzet voor de maatwerkafspraak is gebaseerd op verschillende adviezen en rapporten, waaronder de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond. De staat heeft experts ingehuurd om de voorstellen en mogelijke afspraken juridisch, technisch en financieel te toetsten. Het kabinet vindt het in het belang van de omwonenden en het klimaat dat Tata Steel op de kortst mogelijke termijn de nodige verbeteringen gaat realiseren. Verdere onderzoeken zullen het proces vertragen terwijl het juist in ons allerbelang is om voortgang te boeken. Zoals eerder in deze en eerdere beantwoording aangegeven worden de juridische waarborgen voor het behalen van de doelen de komende periode verder uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. De EC toetst bepaalde aspecten van deze waarborgen ook bij het beoordelen van de maatregel aan het relevante staatssteunkader, CEEAG. Het goedkeuringsbesluit van de EC wordt openbaar gemaakt.
Herinnert u zich dat eerdere analyses van experts benadrukken dat de transformatie van Tata Steel naar aardgasproductie met CCS de Nederlandse energietransitie belemmert door grootschalige vraag naar (groen)gas, wat mest uit de bioindustrie vereist en daarmee een lock-in van intensieve veehouderij creëert, inclusief greenwashing-effecten? Hoe beoordeelt u deze bevindingen en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u die beoordeling? Erkent u dat industrie afhankelijk maken van de intensieve veehouderij ingaat tegen de aangenomen motie-Tjeerd de Groot om die intensieve veehouderij af te bouwen?2 Hoe wordt precies gewaarborgd dat de stappen die worden genomen met Tata Steel die afbouw niet vertragen of dwarsbomen?
Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen aangegeven13, leidt het gebruik van biomethaan niet tot een afhankelijkheid van mest. Biomethaan kan namelijk ook uit andere rest- en afvalstromen worden geproduceerd. Daarbij wordt ook import van biomethaan voorzien. Er is dus geen sprake van een afhankelijkheid tussen de verduurzaming van de industrie en de intensieve veehouderij. Het milieubeleid en de bijbehorende regelgeving in de landbouw, waar een vermindering van de omvang van de veestapel onderdeel van uitmaakt, bepaalt de hoeveelheid mest die geproduceerd wordt in Nederland. Het kabinet houdt bij de vormgeving van biomethaan beleid rekening met een krimp van de veestapel. Waarbij een daling in de hoeveelheid beschikbare mest geen risico vormt voor het biomethaan beleid.14
Welke maatregelen treft u om te voorkomen dat de 2 miljard euro steun aan Tata Steel leidt tot een afhankelijkheid van gas en biomethaan uit veeteeltmest in plaats van een versnelling van de overstap naar echt hernieuwbare energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie direct voor groene waterstofproductie?
Zie het antwoord op vraag 16.
Kunt u deze vragen individueel en vóór het debat over de Jointetter of Intent met Tata Steel beantwoorden?
Ja.
De bekendheid en vindbaarheid van isolatiesubsidies en vertraging bij de isolatie van woningen. |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Overheden, wijs weg naar isolatiesubsidies»?1
Ja.
Klopt het dat gemeenten in totaal 1,5 miljard euro aan specifieke uitkeringen kunnen ontvangen voor de isolatie van 750.000 koopwoningen? Hoeveel van dit bedrag is tot op heden daadwerkelijk bij de gemeenten terechtgekomen en welk deel daarvan is al daadwerkelijk uitgegeven aan uitgevoerde isolatiemaatregelen? Klopt het tevens dat het deel van deze 1,5 miljard euro dat eind 2030 nog niet is besteed aan isolatie terug zal vloeien naar het Rijk?
Er is in totaal ruim 1,6 miljard euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het isoleren van 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde vereniging van eigenaars (VvE’s). Dit is onderdeel van de lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma (NIP). Deze middelen zijn in drie tranches (in 2023, 2024 en 2025) al volledig uitgekeerd aan gemeenten, met de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie. Ook is een klein deel als onderdeel van de Energiearmoede middelen in 2022 (68,5 miljoen) al uitgekeerd.
Uit de meest recente verantwoording van de besteding van de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie, uit maart 2025, is op te maken dat er tot en met 2024 ongeveer 40 miljoen euro door gemeenten is uitgegeven. Meer recente cijfers over de bestedingen in 2025 zullen in juli 2026 door gemeenten worden aangeleverd. De uitvoeringstermijn voor de Specifieke uitkering loopt tot en met eind 2028, met twee keer een mogelijkheid voor een jaar verlenging. Middelen die niet tijdig of onrechtmatig zijn uitgegeven kunnen worden teruggevorderd en vloeien dan terug naar het Rijk.
Hoe verklaart u dat, ondanks aanvragen van gemeenten voor de isolatie van circa 500.000 woningen, tot nu toe slechts 21.823 woningen daadwerkelijk zijn geïsoleerd? Welke concrete oorzaken liggen ten grondslag aan deze achterblijvende realisatie?
Met de 1,6 miljard euro die aan gemeenten is toegekend zullen ongeveer 750.000 woningen worden geïsoleerd tot en met 2030. Tot maart 2025 waren er 20.191 woningen geïsoleerd. Ik verwacht uiterlijk eind maart meer recente cijfers en de verwachting is dat deze cijfers flink hoger zullen liggen.
In 2024 en 2025 zagen we dat gemeentes een aanloopperiode kenden om te komen tot aanbestedingen, samenwerkingen opbouwen en vertrouwen winnen van bewoners. Ik zie steeds meer goede voorbeelden in het gehele land. Belangrijke aandachtspunten blijven capaciteit, en daarnaast praktische vraagstukken rond het bereiken van de doelgroep, natuurvriendelijk isoleren, de complexiteit bij VvE’s, monitoring en het gebruik van persoonsgegevens.
Om gemeenten te helpen deze knelpunten op te lossen en de nodige versnelling op gang te brengen is vorig jaar 9 miljoen euro via de Specifieke uitkering isolatieopgave Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie
(SpUk isolatieopgave NPLW) uitgekeerd voor extra regionale ondersteuning. Hiermee kunnen regio’s gemeenten snel en praktisch ondersteunen die in hun isolatieaanpak tegen knelpunten aanlopen en waarbij de uitvoering nog niet goed loopt.
Wat doen gemeenten nu om kwetsbare bewoners zoveel mogelijk te ontzorgen tijdens het hele proces van verduurzamen van advies, financiering tot uitvoering?
Uit de rapportage Lokale Warmtetransitie in Beeld 20252 en gesprekken met gemeenten blijkt dat er advies en ondersteuning geboden wordt via fixteams, energiecoaches, energieadviseurs, lokale initiatieven, VvE-cursussen en collectieve inkoop acties. Ook wordt er financiële hulp geboden in de vorm van aanvullende subsidies, goedkope leningen, vouchers voor doe-het-zelvers en gratis isolatiemaatregelen voor bewoners in energiearmoede.
Voor veel huishoudens in energiearmoede is het van belang dat gemeenten in de isolatieaanpak ook samenwerken met het sociaal domein. Op deze manier lukt het om ook achter de voordeur te komen bij mensen, en zo uit te kunnen leggen wat deze aanpak voor hen kan opleveren. Gebruik maken van de netwerken in de wijk is ook van belang om de mensen te bereiken die hulp het hardste nodig hebben.
Aan het begin van het jaar is een aantal praktijkverhalen gepubliceerd op de website van de RVO waarin gemeenten die vorig jaar het verst waren met de lokale opgave hun aanpak delen.3 Zo zet de gemeente Nieuwkoop, die al een derde van de lokale opgave had afgerond, in op een energiebesparingsfonds, energiecoaches, wijkacties en persoonlijke begeleiding bij het isolatieproces.
In hoeverre deelt u de analyse uit het artikel dat het huidige stelsel van landelijke en lokale isolatiesubsidies versnipperd is, waardoor veel huiseigenaren niet weten welke regelingen er bestaan of dat zij landelijke en gemeentelijke subsidies kunnen stapelen?
Ik deel de analyse in zoverre dat het niet vanzelfsprekend is dat alle huishoudens op de hoogte zijn van de ondersteuning die voor hen beschikbaar is. Om verduurzaming te stimuleren is het van belang dat mensen de beschikbare subsidies weten te vinden en benutten. Vooral de doelgroep die extra ondersteuning het hardste nodig heeft.
Hier wordt zowel landelijk als lokaal op ingezet. Allereerst staan op verbeterjehuis.nl naast de landelijke ook lokale subsidies vermeld. Op lokaal niveau gebeurt er veel, via bijvoorbeeld lokale campagnes, adviseurs, coaches en energieloketten. Hierbij worden de mensen voor wie de aanvullende lokale subsidies bedoeld zijn, ook proactief benaderd. Naast advies en ondersteuning bij het verduurzamingsproces zelf, bieden veel gemeenten uitgebreide ondersteuning ook bij het aanvragen van de subsidies en financiering. Zo creëren gemeenten voor deze mensen één aanspreekpunt en worden landelijke en lokale subsidies bij elkaar gebracht.
Welke acties onderneemt u om de bekendheid, begrijpelijkheid en vindbaarheid van deze regelingen te vergroten, in het bijzonder voor minder zelfredzame en kwetsbare huiseigenaren?
Gemeenten communiceren in eerste instantie zelf rechtstreeks met de doelgroep die in aanmerking komt voor de lokale isolatieacties. Vaak gebeurt dit via lokale campagnes, brieven, huis aan huis bezoeken en keukentafelgesprekken. Samen met Milieu Centraal zijn hiervoor ter ondersteuning toolkits ontwikkeld.4
Daarnaast is op verbeterjehuis.nl informatie over zowel landelijke als lokale beschikbare subsidies te vinden via de energiesubsidiewijzer. Ook is er bij het laatste deel van de publiekscampagne «Wie isoleert profiteert» in 2025 aandacht besteed aan de lokale ondersteuning via energieloketten. Gemeenten konden bij deze campagne gebruik maken van de whitelabel communicatiematerialen. Dit zal in campagne van 2026 in de zomervakantie herhaald worden.
Milieu Centraal heeft tevens het energiehulpnetwerk opgericht met subsidie van de Minister van VRO om mensen te ondersteunen die de overheid doorgaans moeilijk weet te bereiken.5 Het energiehulpnetwerk biedt gemeenten en energiehulporganisaties een cultuur sensitieve en inclusieve aanpak voor bewoners met en zonder migratieachtergrond. Hierbij speelt de vertrouwde kring een belangrijke rol. Dit zijn mensen uit de directe omgeving van de huurder of huiseigenaar. Met deze aanpak worden ook moeilijk te bereiken doelgroepen geholpen. Het energiehulpnetwerk is een samenwerking tussen Milieu Centraal, de Nederlandse Schuldhulproute en de Alliantie Inclusieve Energietransitie. Het netwerk bereikt momenteel ruim 200 aangesloten gemeenten en meer dan 230 energiehulporganisaties.
Daarnaast biedt Milieu Centraal gemeenten ondersteuning bij het opzetten van een VvE-aanpak. Door middel van een-op-een adviestrajecten, via een kennisbank voor VvE Professionals en via opleidingsdagen.6 Bij de ondersteuning is in het bijzonder oog voor het in kaart brengen, bereiken en helpen van kwetsbare doelgroepen die in een VvE wonen.
Hoe beoordeelt u het signaal dat bestaande informatievoorziening, zoals de Energiesubsidiewijzer, geen volledig en actueel overzicht biedt van alle beschikbare landelijke en lokale subsidies? Welke stappen worden gezet om te komen tot één integraal en betrouwbaar overzicht van subsidiemogelijkheden?
Uitgebreide informatie over alle landelijke subsidies en financieringsmogelijkheden is beschikbaar via verbeterjehuis.nl en in de energiesubsidiewijzer. Ook lokale subsidies zijn te vinden in deze energiesubsidiewijzer. Doordat gemeenten regelmatig lokale subsidies openstellen of wijzigen kan het zijn dat dit overzicht niet altijd volledig is. Milieu Centraal voert daarom regelmatig verbeteringen door in de energiesubsidiewijzer om te zorgen dat de informatie zo accuraat mogelijk blijft. Sinds kort wordt daarbij gebruik gemaakt van een geautomatiseerd systeem welke alle relevante overheids- en gemeentewebsites controleert voor nieuwe of gewijzigde subsidies, zodat deze kunnen worden toegevoegd.
Daarnaast zijn ook de lokale energieloketten terug te vinden op verbeterjehuis.nl en kunnen zowel huurders als woningeigenaren gebruik maken van de energiehulp tool om hulp en advies in hun buurt te vinden.7 Halverwege maart lanceert Milieu Centraal de helpdesk voor VvE's, waar mensen met specifieke subsidievragen terecht kunnen, zowel telefonisch als per mail.
Op welke wijze wilt u bevorderen dat er meer uniformiteit komt in uitvoering en dat ondersteuning niet afhankelijk is van één commerciële partij per gemeente?
De lokale aanpak biedt gemeenten vrijheid om hun eigen isolatieaanpak te ontwikkelen, zodat de ondersteuning aansluit bij de uiteenlopende behoeften van hun inwoners in hun wijken en dorpen. Bijvoorbeeld door hun plannen af te stemmen op bestaande lokale initiatieven en specifieke doelgroepen en de warmteprogramma’s. Ik zal gemeenten daarom niet beperken in de manier waarop ze hun rol bij de lokale isolatieopgave invullen of in de afspraken die ze maken met private partijen. Wel weet ik dat veel gemeenten voor verschillende onderdelen van hun aanpak al met diverse partijen samenwerken waaronder lokale initiatieven. Bij het wegvallen van één partij valt hierdoor meestal niet de gehele ondersteuningsaanpak weg.
Om deze risico’s verder te verkleinen en daarnaast versnelling mogelijk te maken, bied ik gemeenten ondersteuning en advies over de uitvoering via programma’s als Verbouwstromen, Actienetwerk Energiehulp en het NPLW. Zij richten zich op standaardisatie vertaald naar aanpakken en formats waar gemeenten en ook intermediairs gebruik van kunnen maken. Ook op het gebied van risico’s bij het opstellen van contracten en afspraken over de continuïteit van dienstverlening bij faillissement bestaat ondersteuning. Zo worden geleerde lessen benut en hoeven gemeenten niet het wiel zelf uit te vinden.
Welke mogelijkheden ziet u om de aanvraagprocedures en uitvoeringsvoorwaarden van de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en gemeentelijke regelingen te harmoniseren en te vereenvoudigen, zodat versnippering tussen gemeenten wordt tegengegaan en kwetsbare huiseigenaren beter worden ontzorgd? Hoe gaat u dit bewerkstelligen voordat de gelden na 2030 weer terugvloeien naar het Rijk?
De voorwaarden die gesteld worden aan de maatregelen zelf die kunnen worden gesubsidieerd in de Specifieke Uitkering Lokale Aanpak Isolatie (SpUk LAI) komen al geheel overeen met de ISDE en SVVE voorwaarden. Wel hebben gemeenten met de SpUk LAI ruimte om ook doe-het-zelf maatregelen te subsidiëren en om bij een beperkt aantal woningen maatregelen te treffen die niet voldoen aan de oppervlakte-eis. Hiermee kan een bredere groep geholpen worden in gevallen waar zelfs relatief lage investeringskosten een barrière kunnen vormen voor de verduurzaming.
Verder is het al enige tijd mogelijk om als gemeenten de ISDE-subsidie namens woningeigenaren aan te vragen en te ontvangen om zo volledige ontzorging te bieden aan huiseigenaren die extra ondersteuning nodig hebben. Daarnaast worden de landelijke regelingen en het aanvraagproces regelmatig geëvalueerd en aangepast om deze zo gebruiksvriendelijk mogelijk te maken.
Het bericht dat ruim 600 Nederlanders in het Israëlische leger hebben gediend |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ruim 600 Nederlanders dienden vorig jaar in Israëlische leger»?1
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Van Baarle inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger?2
Wat is uw reactie op de onthulling dat volgens cijfers gepubliceerd door DeclassifiedUK zeker 645 mensen met de Nederlandse nationaliteit in het Israëlische leger gediend zouden hebben? Deelt u de mening dat dienen in het misdadige Israëlische leger onacceptabel en ongewenst is?
Bent u bereid om, vanwege de grove mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden die Israël pleegt, een onderzoek in te lassen naar de mogelijke betrokkenheid van Nederlanders bij misdaden gepleegd door het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u, aangezien de genoemde informatie via een openbaarheidsverzoek beschikbaar zou zijn gekomen, dit niet eerder achterhaald of aan de Kamer gemeld?
Heeft u navraag gedaan bij de Israëlische autoriteiten bij de beantwoording van de eerdere vragen van het lid Van Baarle inzake dit onderwerp? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat bleek hieruit?
Bent u bereid om alsnog navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten over het aantal en de inzet van Nederlanders die dienen in het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Zijn er bij het Openbaar Ministerie indicaties bekend dat mogelijk sprake is van internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger en zijn hier reeds onderzoeken naar gedaan om te bezien of strafrechtelijke vervolging opportuun is?
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in illegaal bezet gebied onacceptabel is en in strijd met het internationaal recht? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij gevechtshandelingen in Gaza het grote risico met zich meebrengt dat deze Nederlanders betrokken zouden kunnen zijn geweest bij oorlogsmisdaden dan wel hier getuige van zouden kunnen zijn geweest? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Had u op enig moment sinds 7 oktober 2023 kennis van Nederlanders die (mogelijk) dienen in het Israëlische leger en waarom is dat niet aan de Kamer gemeld? Wat is er met deze informatie gedaan?
Heeft u op enig moment sinds 7 oktober 2023 contact gehad met Israël inzake Nederlanders die mogelijk dienen in het Israëlische leger? Zo ja, waarom en wat was de strekking van dit contact?
Is het nog steeds zo dat er geen Nederlandse militairen zijn die toestemming hebben gevraagd om in het Israëlische leger te dienen?
Zijn u indicaties of voorbeelden bekend dat Israël of aan Israël gelieerde organisaties in Nederland werven voor het Israëlische leger dan wel bevorderen dat mensen actief worden voor het Israëlische leger? Zo ja, deelt u de mening dat dit volstrekt onwenselijk is en mogelijk zelfs strafbaar?
Is het in alle gevallen zo (geweest) dat de Nederlandse overheid zelf niet bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van een land waarmee Nederland geen gewapend conflict heeft? Klopt het dus dat Nederland op dit moment op geen enkele manier bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van andere landen?
Klopt het dat Nederland ook niet bijhoudt of er sprake is van dienen in het leger van landen die in oorlog zijn en waarbij er een risico bestaat op schendingen van het internationaal recht?
Bent u bereid om deze vragen elk afzonderlijk te beantwoorden?
De dodelijke mishandeling van een 23-jarige student door extreemlinkse militanten in Lyon |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de 23-jarige Franse student Quentin op 12 februari 2026 in Lyon zwaar is mishandeld door een groep extreemlinkse militanten en op 14 februari aan zijn verwondingen is overleden?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit incident niet beschreven kan worden als geweld tussen politieke groeperingen, gelet op het feit dat Quentin alleen was en belaagd werd door circa 25 militanten? Zo ja, deelt u de opvatting dat lynching een accuratere benaming is voor het incident?
Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is echter niet aan mij om inhoudelijke uitspraken te doen over een lopend strafrechtelijk onderzoek in Frankrijk.
Deelt u de kwalificatie van de Franse Minister van Justitie Gérald Darmanin dat Quentin «onmiskenbaar door ultra-links» is gedood?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de dodelijke aanval op Quentin past in een breder patroon gericht geweld vanuit extreemlinkse hoek?3, 4 Zo nee, waarom niet?
In de extreemlinkse beweging is antifascisme een prominent thema dat kan leiden tot acties tegen politieke tegenstanders. Over het algemeen is de geweldsbereidheid binnen de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en lijkt deze ook niet toe te nemen. In landen met een radicalere antifascistische beweging kan ook sprake zijn van geweld tegen politieke tegenstanders.
Bent u bereid het dreigingsniveau ten aanzien van links-extremistisch geweld opnieuw te laten beoordelen in het licht van het Europese patroon van dodelijk extreemlinks geweld? Zo nee, waarom niet?
De NCTV rapporteert twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en gewelddadig extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Hieraan ligt onderzoek ten grondslag naar alle vormen van terrorisme en gewelddadig extremisme, ongeacht ideologische signatuur.
In 2018 is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar links-extremistische groeperingen in Nederland.5 In dit onderzoek werd geconcludeerd dat buitenwettelijke handelingen zoals gewelds- en vermogensdelicten nadrukkelijk tot de modus operandi van sommige links-extremistische groepen behoren. Het onderzoek stelt tevens dat verhoudingsgewijs de meeste links-extremistische groeperingen zich manifesteren op de thema’s antifascisme en mensenrechten.
De meest recente dreigingsbeelden geven op dit moment geen aanleiding om opnieuw specifiek onderzoek te doen naar het radicaliseringsproces van links-extremistische groeperingen. De links-extremistische scene in Nederland bestaat voornamelijk uit anarchisten en communisten. In het DTN van december 2025 constateert de NCTV dat het georganiseerde links-extremisme in Nederland al langere tijd gefragmenteerd, klein in omvang en ideologisch divers is. Ook wordt in het DTN van december 2025 stilgestaan bij de geweldsbereid van de links-extremistische actiescene in omringende landen. In het DTN wordt beschreven dat de linkse actiescene in andere landen vaak radicaler is dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zouden zijn om geweld te gebruiken dan hier. In Nederland is de geweldsbereidheid binnen zowel de links-extremistische beweging beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen. Daarbij is het belangrijk om te constateren dat de omvang van geweldbereide links-extremisten in landen als Duitsland, Frankrijk of Italië niet in verhouding staat tot Nederland. In Duitsland gaat het bijvoorbeeld om ruim 11.000 personen. In Nederland gaat het hooguit om enkele tientallen insurrectionele of geweldsbereide anarchisten.
In de afgelopen jaren zijn personen afkomstig uit het buitenland in toenemende mate onderdeel gaan uitmaken van de Nederlandse scene. Radicalere buitenlandse activisten kunnen zich afkeren van de – in hun ogen gematigde Nederlandse protestcultuur – en op zoek gaan naar gelijkgestemden. Dit heeft echter tot op heden niet geleid tot een toegenomen geweldsbereidheid van links-extremisten in Nederland. Vanzelfsprekend houdt NCTV de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en rapporteert over ontwikkelingen in de dreiging in het eerstvolgende DTN.
Bent u bekend met het feit dat de term «Antifa» in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (december 2025) niet één keer voorkomt, terwijl Antifa-gelieerde groeperingen in meerdere Europese landen aantoonbaar betrokken zijn bij zwaar geweld tegen personen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) te verzoeken in het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland expliciet aandacht te besteden aan gewelddadige extreemlinkse groeperingen in Europa en mogelijke spillover-effecten naar Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer kan de Kamer de toegezegde brief verwachten over de uitvoering van de motie-De Vos c.s. (Kamerstuk 36 800, nr. 47) inzake het aanmerken van Antifa als terroristische organisatie, die vóór het kerstreces van 2025 zou worden toegezonden?
Uw Kamer heeft op 18 september 2025 de motie van het lid De Vos (FvD) c.s. aangenomen die verzoekt «Antifa» in Nederland als terroristische organisatie aan te merken.6 Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is niet aan mij om daar inhoudelijke uitspraken over te doen. Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Is de dodelijke aanval in Lyon voor u aanleiding om de uitvoering van bovengenoemde, door een Kamermeerderheid aangenomen, motie te versnellen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat buitenlandse extreemlinkse militanten naar Nederland reizen om hier geweld te plegen?
In zijn algemeenheid geldt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij het beoordelen van verblijfsaanvragen alert is op signalen die kunnen wijzen op een mogelijke dreiging voor de nationale veiligheid. De IND deelt zulke signalen, binnen de geldende wettelijke kaders, met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de politie.
Indien blijkt dat een vreemdeling een bedreiging voor de openbare of nationale veiligheid vormt zal de IND de mogelijkheden bezien om deze persoon te weren.
Daarnaast staan de Nederlandse politie en andere overheidspartners in voortdurend contact met buitenlandse partners. Hierbij kunnen ook signalen worden gewisseld over dat mogelijk gewelddadige extremisten over landgrenzen zullen reizen.
Bent u bekend met het feit dat een van de verdachten van de dodelijke aanval op Quentin een parlementair medewerker is van La France Insoumise-Kamerlid Raphaël Arnault, wiens partij in het Europees Parlement aangesloten is bij de Linkse Fractie – waar tevens twee Nederlandse partijen bij zijn aangesloten, te weten de Socialistische Partij en de Partij voor de Dieren?5
Ja.
Bent u tevens bekend met het feit dat Arnault zelf medeoprichter is van de wegens gewelddadig activisme ontbonden groepering La Jeune Garde?6
Ja.
Wat concludeert u hieruit over de houding ten opzichte van het gebruik van geweld binnen extreemlinkse kringen?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vragen 5, 6 en 7. De linkse actiescene is in omringende landen vaak radicaler dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zijn geweld te gebruiken dan hier.
Het bericht ‘Ontslaggolf bij bedrijven in volle gang: 'Einde nog niet in zicht'' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ontslaggolf bij bedrijven in volle gang: «Einde nog niet in zicht»»?1
Ja.
Welke economische ontwikkelingen verwacht het kabinet voor de komende jaren?
Op 20 februari 2026 publiceerde het CPB de doorrekening van het coalitieakkoord. Deze werd gemaakt op basis van ramingen uit een tussenversie van het Centraal Economisch Plan 2026. De definitieve raming wordt op 12 maart 2026 gepubliceerd.
In de doorrekening van het CPB is de verwachting dat het Bruto Binnenlands Product jaarlijks met gemiddeld 1,2%-punt groeit tussen 2027 en 2030. De verwachting is dat de werkgelegenheid in gewerkte uren jaarlijks gemiddeld met 0,4%-punt stijgt tussen 2027 en 2030 en de werkloosheid in 2030 uitkomt op 4,2%. Deze cijfers kunnen duiden op een aanhoudende arbeidsmarktkrapte.
Hoelang verwacht het kabinet dat deze reorganisatiegolf nog zal duren?
In 2025 waren er volgens het UWV 42% meer meldingen collectief ontslag (Wet melding collectief ontslag) van bedrijven en organisaties die een voorgenomen reorganisatie aankondigden.2 In totaal gaat het om 355 bedrijven en waren er 25.000 werknemers bij betrokken (36% meer als ten opzichte van 2024).
Het is moeilijk te voorspellen hoe het aantal reorganisaties zich in de toekomst zal ontwikkelen. Met het oog op aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt zal er druk op bedrijven blijven bestaan om processen efficiënter in te richten en hetzelfde werk met minder personeel te doen. Dit kan nodig zijn voor bedrijven om productiever te worden en concurrerend te blijven. Dit kan mogelijk bijdragen aan een toename van het aantal reorganisaties. De reorganisatie van bedrijven biedt in tijden van krapte kansen om de allocatie van arbeid te verbeteren. Dit kan de productiviteit verhogen, wat vervolgens meer ruimte zou kunnen bieden voor loongroei. Het werkloosheidspercentage ligt historisch gezien nog steeds laag en volgens het CPB (doorrekening coalitieakkoord) zal de totale werkgelegenheid (gewerkte uren) in Nederland toenemen met gemiddeld 0,4% per jaar tussen 2027 en 2030.
Bij hoeveel bedrijven verwacht het kabinet de komende jaren ook een reorganisatie? Om hoeveel medewerkers zal dit gaan?
Er kan geen precieze schatting gemaakt worden over het aantal bedrijven dat de komende jaren gaat reorganiseren. Bij de keuze voor herstructurering van een bedrijf spelen verschillende factoren een rol, bijvoorbeeld de hoogte van kostenstijgingen, economische onzekerheid en technologische ontwikkelingen. Veel van deze factoren worden beïnvloed door mondiale ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen zijn per definitie onzeker. Hoewel een precieze schatting niet kan worden gegeven, kunnen de actuele cijfers wel worden geduid.
De cijfers van UWV laten zien dat het aantal collectieve reorganisaties sinds 2023 toeneemt, zoals aangegeven in antwoord op vraag 3. Op dit moment is er geen indicatie dat deze trend komende tijd zal veranderen. Het is aannemelijk dat het aantal reorganisaties in 2026 relatief hoog blijft. Daartegenover tonen de cijfers van het UWV een daling in het aantal faillissementen. In 2025 betrof dit ruim 2.000 bedrijven en bijna 20.000 werknemers. Desondanks blijft de arbeidsmarkt krap. Het werkloosheidspercentage ligt met 4,0% historisch gezien laag (Q4 2025). Ook het aantal vacatures per werklozen ligt met 93 vacatures per 100 werklozen hoog.
Wat doet het kabinet om de mensen die nu hun baan verliezen te begeleiden naar nieuw werk?
Wie zijn baan verliest en aan de voorwaarden voldoet, kan zich melden bij UWV voor een WW-uitkering en bijbehorende ondersteuning bij het vinden van een nieuwe baan. Wie niet aan de voorwaarden voor een WW-uitkering voldoet kan zich voor ondersteuning, en mogelijk een bijstandsuitkering, melden bij de gemeente. UWV en gemeenten richten zich daarbij op de individuele client en de ondersteuning die voor hem/haar passend is. Dit instrumentarium wordt ook aangeboden via de Werkcentra. In de Werkcentra kan daarnaast intensieve begeleiding op maat worden aangeboden aan wie dat nodig heeft, bijvoorbeeld aan oudere werkzoekenden of diegene die met behulp van scholing een baan kan vinden. Ook kunnen goede voorbeelden worden gedeeld binnen en tussen de Werkcentra. Daarnaast stimuleert het kabinet leven lang ontwikkelen in den brede, wat vervolgens de positie van mensen in de arbeidsmarkt versterkt.
Hoeveel procent van de werknemers, die de afgelopen twee jaar hun baan hebben verloren, heeft ondertussen nieuw werk gevonden?
Op basis van CBS-cijfers kan gekeken worden naar de baansituatie en WW-situatie van personen met een WW-uitkering na instroom in de WW3. Deze cijfers volgen de personen tot 2 jaar na instroom in de WW. Voor mensen die niet de WW instromen zijn geen exacte cijfers te berekenen. Hun situatie is lastig te volgen, omdat deze niet altijd bekend is. Het kan zijn dat zij niet aan de voorwaarden voldoen voor een WW-uitkering of al snel weer een nieuwe baan gevonden hebben.
Van de mensen die in 2021 instroomden in de WW heeft 66% één jaar later een werknemersbaan. Na 2 jaar is dit percentage vrijwel gelijk gebleven. Van het aantal mensen dat in 2021 instroomde in de WW heeft 67% twee jaar later een werknemersbaan. Van de totale instroom in de WW in 2021 geldt voor 77% dat zij op enig moment de WW zijn uitgestroomd én een nieuwe baan als werknemer hebben gevonden (vervolgens kan de baan- of uitkeringssituatie nogmaals veranderen, bijvoorbeeld door baanverlies of pensionering)4. Voor de mensen die in 2022 instroomden in de WW heeft 62% één jaar later een werknemersbaan. Cijfers over de baansituatie na één jaar zijn nog niet bekend.
Welke gevolgen zal de voorgenomen korting op de Werkloosheidswet (WW-)duur hebben voor de mensen die de komende jaren vanwege deze ontslaggolf hun baan dreigen te verliezen?
In het coalitieakkoord wordt voorgesteld om vanaf 1 januari 2028 de maximale WW-duur te verkorten van 24 naar 12 maanden. Bovendien wordt voorgesteld om vanaf 1 januari 2030 de opbouw van WW-rechten te vertragen. Nu geldt voor de eerste 10 jaren arbeidsverleden een opbouw van een hele maand WW-recht en voor de jaren daarna een halve maand WW-recht. Dat wordt een halve maand WW-recht voor alle jaren. Na invoering van deze maatregelen ontvangen werkloze werknemers een kortere WW-uitkering. De inkomensbescherming bij baanverlies wordt hierdoor beperkter. Overigens hecht ik eraan te benaderukken dat ik over de uitwerking van de WW-maatregelen graag in gesprek ga met sociale partners, maatschappelijke organisaties, werkzoekenden en ook met uw Kamer.
Wat vindt u van het feit dat dat bedrijven veel winst boeken, maar toch besluiten om te reorganiseren en werknemers te ontslaan?
De reorganisatie van bedrijven biedt in tijden van krapte kansen om de allocatie van arbeid te verbeteren. Er wordt gekeken of hetzelfde werk efficiënter gedaan kan worden. Dit geldt ook voor bedrijven waarbij het (relatief) goed gaat. Dit kan namelijk een bijdrage leveren aan het verlichten van de arbeidsmarktkrapte. Technologische vooruitgang vindt zijn weerslag op de arbeidsmarkt. Denk bijvoorbeeld aan de vele berekeningen die vroeger door werknemers handmatig werden gedaan, maar nu deels deels computers worden uitgevoerd. Dergelijke vooruitgang waarin het type werk zich ontwikkelt, is van belang voor economische vooruitgang. Dit is namelijk nodig voor een hogere productiviteitsgroei. Deze hogere productiviteit biedt vervolgens ruimte voor loongroei en komt daardoor deels bij de werknemers terecht.
Daarnaast is in tijden van arbeidsmarktkrapte de kans op het vinden een andere baan relatief groot. Dit neemt niet weg dat we ervoor moeten zorgen dat er geen mensen achterblijven, zelfs in zo’n goede arbeidsmarkt. Dit vergt goede begeleiding, zoals beschreven in het antwoord op vraag 5.
Een ondernemer heeft de vrijheid om, binnen de grenzen van de regelgeving, de onderneming naar eigen inzicht in te richten. Als werkgever hoeft een ondernemer niet in financiële problemen te zijn gekomen voordat hij of zij (personele) maatregelen treft. Daar mag men op anticiperen. Bij een eventuele ontslagaanvraag moet de ondernemer aan UWV wel duidelijk kunnen maken dat de maatregelen noodzakelijk zijn in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering, en dat deze maatregelen leiden tot het structureel verval van arbeidsplaatsen (over een periode van minimaal 26 weken). UWV toetst dit bij een ontslagaanvraag om bedrijfseconomische redenen marginaal. UWV toetst of de juiste ontslagvolgorde (afspiegelingbeginsel) is gehanteerd en of het aannemelijk is dat de werknemer niet binnen de redelijk termijn herplaatst kan worden. Het voorgaande neemt echter niet weg dat een reorganisatie voor de getroffen werknemers een vervelende situatie kan betekenen, met in sommige gevallen forse gevolgen voor de inkomenspositie van mensen.
Waarom bent u van plan op de WW-duur te korten terwijl de WW-pot vol zit en deze wordt gevuld door werknemers en werkgevers? Vindt u dit eerlijk?
Het verkorten van de WW-duur verbetert de overheidsfinanciën. Deze besparingen op de WW maken de gehele WW meer activerend. Hiermee wordt het arbeidsaanbod verhoogd in tijden van krapte op de arbeidsmarkt. Het kabinet kiest ervoor het activerende effect van de WW te vergroten maar ook om de WW de eerste twee maanden te verhogen naar 80%. Zo hebben werkenden meer zekerheid en rust om snel passend nieuw werk te vinden.
De aanwezigheid van fondsvermogen is geen reden om wel of niet te bezuinigen op de uitgaven die uit het fonds worden gedaan. Het kabinet kijkt naar alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten en zorgt ervoor dat het begrotingstekort blijft voldoen aan de Europese normen. Het coalitieakkoord zelf bevat zowel bezuinigingen als extra uitgaven. Extra uitgaven worden voornamelijk door het Rijk gedaan (defensie, wonen, stikstof). Een deel van de bezuinigingen vindt plaats bij uitgaven die worden gedaan bij de sociale fondsen (waaronder ook de zorgfondsen). De uitgaven van de sociale fondsen nemen hierdoor af, terwijl hun inkomsten niet veranderen of zelf toenemen.
Het kabinet is zich ervan bewust dat bij de sociale fondsen de inkomsten al een tijd lang hoger zijn dan de uitgaven. Hierdoor is, met name bij de UWV-fondsen, een flink fondsvermogen opgebouwd. Ook het vermogen van het werkloosheidsfonds is sinds 2023 weer positief. Daarmee is het vermogenstekort dat was ontstaan tijdens de financiële crisis weer ingelopen. Daarbij heeft het ook geholpen dat de NOW-regeling, die door het Rijk is betaald, tijdens de coronacrisis veel werkloosheidsuitgaven heeft voorkomen. Daarnaast kijkt het kabinet naar alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten.
Bent u het ermee eens dat het een aanval op de rechten van werknemers is om tijdens een reorganisatiegolf te gaan tornen aan de rechten van werknemers, zoals bijvoorbeeld de WW-duur? Zo nee, waarom niet?
Het coalitieakkoord geeft een duidelijke richting van het kabinet ten aanzien van de WW. Dit is geen aanval op werknemers, maar het kabinet wil wel zorgen dat iedereen die aan het werk kan gaan, dat zo snel mogelijk doet. Gelukkig doen de meeste mensen dat ook. Voor werknemers zelf is een nieuwe baan het fijnste. De aanhoudende arbeidsmarktkrapte benadrukt deze noodzaak voor onze economie. Daarnaast heeft het kabinet de opdracht voor gezonde overheidsfinanciën te zorgen. Zoals bij vraag 7 aangegeven, ga ik voor de uitwerking van de WW-maatregelen graag in gesprek met sociale partners, maatschappelijke organisaties, werkzoekenden en ook met uw Kamer.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja. Zie hierboven.
Het bericht dat omwonenden van het azc in Lochem geld krijgen om hun eigen veiligheid te regelen |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV), Tamara ten Hove (PVV) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Rijkaart , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de gemeente Lochem omwonenden en ondernemers rond het geplande asielzoekerscentrum (azc) € 1.000 wil geven om hun «gevoel van veiligheid en leefbaarheid» te vergroten?1
Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van de gemeente Lochem heeft een conceptsubsidieregeling voorgesteld waarop omwonenden en ondernemers tot medio maart kunnen reageren. Er is nog geen definitief besluit genomen, op basis van inspraak bepaalt het college de definitieve regeling. Het voorstel voor de financiële tegemoetkoming voor omwonenden is een regeling van de gemeente waarbij het Ministerie van Justitie en Veiligheid niet betrokken is.
Bent u het eens met de stelling dat veiligheid geen taak is van burgers, maar van de overheid en dus de verantwoordelijkheid van de burgemeester?
De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde, het Openbaar Ministerie voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De burgemeester en het OM voeren daarover binnen de lokale driehoek overleg met de politie.
Erkent u dat dit voorstel een impliciete erkenning is dat de komst van het azc grote veiligheidsrisico’s met zich meebrengt die de gemeente schijnbaar niet onder controle heeft? Zo nee, waarom niet?
Het voorstel betreft een autonome, lokale keuze van het college. De toelichting en motivering van deze lokale subsidieregeling zijn aan de gemeente.
Bent u het eens met de stelling dat dit azc er dan nooit mag komen, omdat de veiligheid van de inwoners op één moet staan?
De veiligheid van inwoners heeft prioriteit en de veiligheidssituatie wordt continu gemonitord en indien nodig wordt direct opgetreden om de veiligheid van bewoners en omwonenden te borgen. Er zijn op dit moment geen incidenten bekend bij de gemeente Lochem met betrekking tot de huidige opvanglocatie voor alleenstaande minderjarige vluchtelingen (AMV’ers) en er is geen aanleiding om van de komst van het azc af te zien.
Bent u bereidt een streep door de komst van dit azc te zetten? Zo nee, bent u bereid om desnoods, in overleg met de Minister van Defensie, militairen in te zetten om de veiligheid van de inwoners te garanderen?
Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 4 is dit niet aan de orde. Er zijn geen incidenten bekend met betrekking tot de huidige opvanglocatie.
De mogelijke betrokkenheid van door Nederland (mede) gefinancierde NGO’s bij verkiezingsprocessen in EU-lidstaten |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «German NGOs sue Elon Musk’s X again over election research data access» in EUobserver, alsmede de recente publieke uitingen van de denktank MCC Brussels over dit onderwerp?1
Ja.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat de organisatie Democracy Reporting International (DRI) samen met andere partijen juridische stappen onderneemt tegen het platform X om toegang te verkrijgen tot data in het kader van de aankomende verkiezingen in Hongarije, met een beroep op de Digital Services Act (DSA)?
Dat klopt. Op 17 februari jl. stelde een rechtbank in Berlijn Democracy Reporting International in het gelijk.2
Kunt u aangeven of, en zo ja in welke mate, de Nederlandse staat financiële bijdragen levert of heeft geleverd aan Democracy Reporting International? Klopt de informatie uit openbare transparantieregisters (LobbyFacts) dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de periode januari 2024–december 2024 een bedrag van 880.217 euro heeft bijgedragen aan deze organisatie?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken levert financiële bijdragen aan Democracy Reporting International. In de periode januari 2024–december 2024 ging het om ca. EUR 1,79 miljoen. Het parlement wordt via de reguliere begrotings- en verantwoordingscyclus geïnformeerd over subsidiestromen.
Indien er sprake is van Nederlandse financiering, kunt u de Kamer dan een gedetailleerd overzicht doen toekomen van de specifieke doelstellingen, voorwaarden en prestatieafspraken die aan deze subsidie ten grondslag liggen? Is bij de toekenning overwogen dat deze middelen (in)direct ingezet zouden kunnen worden voor juridische procedures tegen online platforms of activiteiten rondom verkiezingen in andere Europese Unie (EU)-lidstaten?
Gedetailleerde informatie over de subsidieafspraken kunnen niet aan uw Kamer worden toegestuurd omdat openbaarmaking van deze informatie betrokkenen kan schaden.
Hoe beoordeelt u de onafhankelijkheid van niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) zoals DRI, indien blijkt dat een zeer groot deel van hun budget (volgens openbare bronnen tot 74 procent) afkomstig is van overheidsinstanties, waaronder de Duitse overheid, de EU en de Nederlandse overheid? Hoe beoordeelt u dat de bijdrage van Nederlands belastinggeld aan dergelijke NGO’s mogelijk wordt ingezet voor het beïnvloeden van verkiezingen via regulaties op sociale media betreffende termen, standpunten en visies?
De onafhankelijkheid van een maatschappelijke organisatie wordt voor een belangrijk deel bepaald door haar governance-structuur. Ngo’s worden onafhankelijk bestuurd en opereren autonoom. Publieke financiering van maatschappelijke organisaties is gebruikelijk en vindt plaats op basis van vooraf vastgestelde doelstellingen, geldende subsidievoorwaarden en wet- en regelgeving. Indien organisaties handelen in strijd met de geldende subsidievoorwaarden of wet- en regelgeving, kan dit gevolgen hebben voor de subsidierelatie. Het kabinet heeft geen signalen ontvangen dat hier in het geval van Democracy Reporting International sprake van is.
Deelt u de opvatting dat NGO’s die deels direct door (lid)staten (Nederland, Duitsland) en deels indirect via staten (door de EU) worden gesubsidieerd, geen «NGO’s» zijn?
Het ontvangen van publieke financiering doet niet af aan de status van een organisatie als niet-gouvernementeel, zolang deze organisatie onafhankelijk bestuurd wordt en autonoom opereert. Het staat ngo’s vrij om te kiezen waar zij financiering aanvragen. Bij het verstrekken van financiering aan ngo’s vindt het kabinet echter wel van belang dat, met het oog op de onafhankelijkheid van de organisatie, ook naar de bestaande financieringsconstructies wordt gekeken.
Ziet u in dat dergelijke (statelijke, of supranationale) actoren een prikkel hebben om verkiezingen bij te sturen naar een pro-EU resultaat, omdat zij «skin in the game» hebben bij verkiezingen waarover zij zich buigen?
Het kabinet heeft geen signalen dat door Nederland of de EU gefinancierde organisaties ongeoorloofde invloed uitoefenen op verkiezingsprocessen.
Hoe verhoudt de inzet van de Digital Services Act (DSA) (mede) door overheden gefinancierde actoren om toegang te eisen tot gevoelige verkiezingsdata en het al dan niet censureren van politieke opvattingen en uitingen zich volgens u tot het beginsel van nationale verkiezingssoevereiniteit? Erkent u het risico dat dergelijke acties door lidstaten kunnen worden uitgelegd als een politiek gemotiveerde actie van een supranationale actor?
De Digital Services Act (DSA) geeft overheden of organisaties die publieke financiering ontvangen geen bevoegdheid om informatie te laten verwijderen. De DSA biedt organisaties die publieke financiering ontvangen ook geen grondslag om toegang te verkrijgen tot enige verkiezingsdata. De DSA biedt enkel erkende onderzoekers de mogelijkheid om toegang te krijgen tot data van zeer grote online platforms om onderzoek te doen naar de systeemrisico’s zoals de DSA die definieert. Bovendien gelden er strikte regels om de bescherming van (persoons)gegevens te waarborgen.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor het terugfluiten van initiatieven die via «NGO’s» invloed trachten uit te oefenen op de digitale infrastructuur en het publieke debat tijdens verkiezingsperiodes in (andere) lidstaten?
Zoals in antwoord op vraag 7 staat, heeft het kabinet geen signalen dat organisaties die publieke financiering van Nederland of de EU ontvangen ongeoorloofde invloed uitoefenen op verkiezingsprocessen. Mocht het kabinet dergelijke signalen ontvangen of bemerken, zal het kabinet waar opportuun dit in EU-verband aankaarten.
Kunt u inzichtelijk maken welke parlementaire controle er op dit moment mogelijk is op de politieke activiteiten van door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gesubsidieerde internationale NGO’s? Bent u bereid de subsidierelatie met organisaties die zich op deze wijze mengen in buitenlandse verkiezingen te heroverwegen?
Zoals in antwoorden op vragen 3 en 5 staat, wordt het parlement via de reguliere begrotings- en verantwoordingscyclus geïnformeerd over subsidiestromen. Het is aan de organisaties om verantwoording af te leggen over gebruikte en uitgekeerde middelen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken beoordeelt deze verantwoording zorgvuldig. Indien organisaties handelen in strijd met de geldende subsidievoorwaarden of wet- en regelgeving, kan dit gevolgen hebben voor de subsidierelatie.
Heeft u zicht op de rol van NGO’s als verlengstuk van de EU in Nederland zelf? Met andere woorden; staat ons land in dergelijke gevallen altijd aan de subsidiërende (beïnvloedende?) kant, of zijn er ook signalen die suggereren, of feiten die bevestigen, dat ook Nederland getroffen is – of kan worden – door dergelijke verkiezingsbeïnvloeding vanuit organisaties als DRI?
Maatschappelijke organisaties opereren zelfstandig en niet als verlengstuk van de Europese Unie of van de Nederlandse Staat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk, compleet en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Deze Kamervragen zijn zo spoedig en compleet mogelijk beantwoord.
De naleving van de verplichting tot het registreren van nevenfuncties van hoogleraren |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit Leiden noemt niet-gemeld nevenwerk van hoogleraar Kinneging voor pro-Orbán denktanks «uit hoofde van zijn functie»»?1
Ja.
Bent u van mening dat alle nevenfuncties, waaronder activiteiten voor denktanks in Hongarije, een docentschap in Polen en een voorzitterschap van een ANBI-stichting, opgenomen hadden moeten worden in het register voor nevenfuncties? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse Universiteiten beschrijft welke nevenwerkzaamheden meldingsplichtig zijn.2 Daarin staat dat hoogleraren transparant moeten zijn over hun nevenfuncties en hun betaalde nevenfuncties en daarnaast onbetaalde nevenfuncties waarbij sprake is van belangenverstrengeling moeten melden bij hun universiteit. Deze regeling nevenwerkzaamheden maakt deel uit van de cao Nederlandse Universiteiten als zelfstandige bijlage. De verantwoordelijkheid ligt dus primair bij de werknemers én werkgevers en ik verwacht dan ook dat zij zich aan deze regeling houden. Het is belangrijk dat het register nevenfuncties volledig, kloppend, vindbaar en actueel is.
Wat vindt u van de uitspraak van de rector magnificus van de Universiteit Leiden dat de nevenfuncties bij denktanks en als docent «uit hoofde van zijn functie zijn» en derhalve niet in het register hoeven te worden opgenomen? Wordt deze route om het register te omzeilen vaker genomen?
Werkzaamheden die behoren bij de functie van een wetenschapper worden binnen universiteiten bepaald op basis van de indeling in het functieprofiel van het Universitair Functie-Ordeningsysteem (UFO), het takenpakket zoals opgesteld door de universiteit en/of andere gemaakte afspraken. Het is dus aan de instelling om te beoordelen of werkzaamheden tot het reguliere takenpakket van de universiteit behoren. Omdat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de werkgever ligt, doe ik geen inhoudelijke uitspraken over een specifieke casus.
Signalen dat het register via deze route omzeild wordt, zijn bij mij niet bekend.
De Tweede Kamer heeft de afgelopen jaren meermalen aandacht gevraagd voor casussen waarin nevenfuncties niet of onvolledig werden geregistreerd, welke stappen zijn gezet om uitvoering te geven aan de aangenomen motie Heite c.s.?2
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer in december jl. geïnformeerd over deze stappen.4 UNL geeft aan dat zij de actuele registratie van nevenfuncties in november jl. heeft besproken met de HR-directeuren van de universiteiten en in januari jl. met de dossierhouders die de opdracht hebben om dit bestand en de publieke gegevens actueel te houden. In deze gesprekken werd het belang van een zorgvuldige registratie van nevenfuncties benadrukt. Ook geeft UNL aan dat er in 2025 aanvullende afspraken zijn gemaakt met de universiteiten. Dat waren de volgende afspraken: de universiteiten publiceren vier keer per jaar een bijgewerkt overzicht van nevenwerkzaamheden hoogleraren; de nevenwerkzaamheden van hoogleraren in het medische domein worden ook gepubliceerd; de universiteiten blijven inzetten op verbetering van het register nevenwerkzaamheden, en zullen ten minste één keer per jaar daarvoor samenkomen.
Daarnaast verwacht ik eind 2026 de vernieuwde Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit waarbij mijn voorganger extra aandacht heeft gevraagd voor transparantie, onafhankelijkheid en het vermelden van het register nevenfuncties.
Heeft de toegezegde agendering door Universiteiten van Nederland (UNL) van een actuele registratie van nevenfuncties tijdens het jaarlijkse evaluatiemoment reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hebben de toegezegde gesprekken door UNL met alle HR-directeuren van universiteiten over de actuele registratie van nevenfuncties reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er cijfers te noemen hoe vaak overtredingen de afgelopen jaren zijn geconstateerd en hoe vaak zijn er maatregelen genomen in navolging van de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024, waarin is opgenomen dat bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties, het aan de universiteit is wetenschappers hierop aan te spreken.
UNL geeft aan dat deze specifieke cijfers over overtredingen of maatregelen niet bekend zijn. Mocht er een (vermeende) schending zijn van wetenschappelijke integriteit, dan is het aan de instelling om de wetenschapper hierop aan te spreken. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er op basis van artikel 1.14 van de cao Nederlandse Universiteiten maatregelen genomen worden door de werkgever. Dit artikel verplicht werknemers om nevenwerkzaamheden te melden bij de werkgever.
Welke extra aandachtspunten aangaande de registratie van nevenfuncties worden opgenomen in de dit jaar te verschijnen nieuwe Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI)?
De NGWI is een code die wordt opgesteld en onderschreven door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenshappen (KNAW), Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de samenwerkende organisaties in toegepast onderzoek (TO2-federatie), de Universitair Medische Centra van Nederland (UMCNL), Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH). Mijn ambtsvoorganger heeft de schrijfcommissie verzocht om bij de herziening van de vernieuwde NGWI extra aandacht te besteden aan de principes transparantie en onafhankelijkheid en hierbij ook het register nevenfuncties te vermelden. Op basis van de internetconsultatie, in 2025, over de NGWI door genoemde partijen heb ik vernomen dat de schrijfcommissie het voornemen heeft om dit ook te doen.
Transparantie en onafhankelijkheid zijn cruciaal voor de wetenschap, herkent u dat het het vertrouwen in de wetenschap kan schaden wanneer nevenfuncties onvermeld blijven?
Ja, ik vind het belangrijk dat hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties en onafhankelijk hun werk kunnen doen, omdat deze transparantie bijdraagt aan het vertrouwen van de samenleving in de wetenschap.
Acht u het nodig dat de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024 moet worden aangescherpt en kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, dit acht ik niet nodig. De regeling biedt in combinatie met de NGWI als toetsingskader voldoende handvatten voor de instellingen om onder andere de principes onafhankelijkheid en transparantie van het wetenschappelijk integer handelen te waarborgen.
Het onderbrengen van nareizigers in hotels door het COA |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u nauwgezet aangeven welke stappen er gezet zijn door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en u sinds uw aankondiging in december rond het onderbrengen van nareizigers in hotels?1
Klopt het dat het COA voornemens is om deze of volgende week de eerste lichting nareizigers gaat onderbrengen in een hotel in de gemeente Schouwen-Duiveland?2 Zo nee, wanneer dan wel?
Kunt u de Kamer voorzien van een overzicht van voorgenomen plaatsingen die op dit moment bekend zijn en/of reeds verricht zijn? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer tevens voorzien van alle communicatie vanuit het Rijk en/of het COA richting gemeenten over deze regeling?
Klopt het dat gemeenten hooguit geïnformeerd worden door het COA wanneer er nareizigers in een hotel worden ondergebracht, maar verder geen zeggenschap hebben?
Bij hoeveel procent van de nareizigers die u voornemens bent in hotels te plaatsen is er sprake van dat het nagereisde familielid al wel huisvesting heeft in de koppelgemeente, maar dat deze niet geschikt wordt geacht voor meerdere bewoners?
Wat wordt in dezen verstaan onder al dan niet geschikt voor meerdere bewoners? Welke criteria gelden hiervoor en wie bepaalt deze?
Deelt u de mening dat het onuitlegbaar is om nareizigers op kosten van de belastingbetaler onder te brengen in hotels wanneer hun familielid al huisvesting in diezelfde gemeente heeft, ook als die misschien niet ideaal is voor meerdere bewoners? Zo nee, waarom niet?
Waarom geeft u het COA expliciet de opdracht om nareizigers in hotels in of nabij de koppelgemeente te plaatsen, terwijl u op 23 september jl. in uw Kamerbrief nog sprak over intrekken door de nareizigers bij hun familielid of het samen met de gemeente zoeken naar andere huisvesting in de buurt (Kamerstuk 19 637, nr. 3476)? Deelt u de conclusie dat uw Kamerbrief op essentiële onderdelen afwijkt van de manier waarop deze regeling vervolgens is uitgerold?
Wat heeft u doen besluiten om de koers te verleggen naar onderbrengen van nareizigers in hotels buiten gemeenten om?
Wat is uw reactie geweest op gemeenten, waaronder in ieder geval de gemeente Castricum, die u hebben aangesproken op deze koerswijziging en de onduidelijkheid daaromtrent?
Wat zijn de totale voorziene kosten van deze hele operatie, inclusief het financieren van het hotelverblijf gedurende de eerste zes maanden door het COA?
Kunt u nauwgezet uiteenzetten hoe het semipermanent (ten minste een half jaar) huisvesten van nareizigers in hotels zich verhoudt tot landelijke en lokale wet- en regelgeving?
Wat is uw inschatting van de economische schade voor ondernemers in gemeenten waar hotelkamers worden gehuurd voor nareizigers in plaats van door toeristen en andere bezoekers?
Wat verwacht u van gemeenten met betrekking tot de financiering van de huisvesting van nareizigers in hotels wanneer het hen niet lukt om binnen zes maanden vervangende huisvesting voor hen te regelen?
Hoe verhoudt het onderbrengen van nareizigers in hotels zich tot de reguliere wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders? Deelt u de conclusie dat u met deze werkwijze de reguliere interventieladder omzeilt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke gronden denkt u dit te kunnen doen?
Deelt u de conclusie dat het buiten de gemeente om huisvesten van nareizigers in hotels een maatregel is die feitelijk neerkomt op indeplaatsstelling conform de hoogste trede op de interventieladder? Zo nee, waarom niet en wat is het verschil?
Indien u ook voornemens bent nareizigers te plaatsen in hotels in gemeenten die zich op een lagere trede van de interventieladder bevinden, erkent u dan dat u dergelijke gemeenten hiermee opzadelt met een bovenwettelijke last? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat deze maatregel opnieuw een schoolvoorbeeld is van dweilen met de kraan open? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie dat Nederland de 53.000 verzoeken om nareis die momenteel in de pijplijn zitten simpelweg niet aankan? Zo ja, bent u bereid om in navolging van Oostenrijk alle mogelijkheden aan te grijpen om nareis te stoppen, in plaats van de hotelbranche voor astronomische bedragen om te vormen tot onderdeel van het COA?
De maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa kunnen oplopen tot honderden miljarden euro’s?1 Hoe beoordeelt u dit Europese rapport en deze raming voor Nederland?
Klopt het dat een aanzienlijk deel van deze kosten momenteel bij waterschappen, gemeenten en dus bij belastingbetalers terechtkomt? Acht u dit in lijn met het beginsel «de vervuiler betaalt»?
Heeft u een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van een vergaand nationaal PFAS-verbod? Zo ja, hoe verhouden de huidige kosten voor monitoring, zuivering en sanering zich tot de economische baten van het gebruik van PFAS in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dit alsnog te laten doen?
Hoe reflecteert u op het eigen handelen van het Rijk en de snelheid waarmee stappen worden gezet, terwijl de maatschappelijke kosten en effecten voor de gezondheid van natuur en mens steeds groter worden?
Ziet u door het nieuwe onderzoek aanleiding om het beleid rondom een verbod en de snelheid waarmee het wil handelen aan te passen?
Bent u het ermee eens eens, dat door niet adequaat handelen van de overheid, de samenleving opdraait voor de kosten van vervuiling van bedrijven? Hoe eerlijk acht u dit?
Deelt u de opvatting dat uitstel van streng beleid leidt tot hogere toekomstige kosten, zoals sanerings- en zorgkosten? Zo ja, hoe wordt dit meegewogen in huidige beleid?
Deelt u de stelling dat elke jaar uitstel van streng beleid betekent dat de rekening verder oploopt voor toekomstige generaties?
Bent u bereid voortaan sneller in te grijpen door bijvoorbeeld nationale maatregelen te treffen, nu steeds duidelijker wordt hoe groot de schade is, ook als Europese besluitvorming langer duurt?
Deelt u de conclusie dat het, gezien de omvang van de huidige en toekomstige kosten, ook economisch niet langer te verantwoorden is om de productie en toepassing van niet-essentiële PFAS toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Waarom kiezen we er nog steeds voor om niet-essentiële PFAS-toepassingen toe te staan, terwijl de kosten voor gezondheid en milieu blijven stijgen?
Wat zijn volgens u essentiële toepassingen en belangrijker nog, niet-essentiële toepassingen en hoe verhouden die twee zich tot elkaar in volumen?
Als strengere PFAS-voorschriften die leiden tot minder PFAS-vervuiling, bedrijven geld kosten, en geen nieuwe voorschriften bedrijven geld besparen, bent u het er dan mee eens, dat burgers met hun gezondheid betalen voor deze kostenbesparing van bedrijven? Vindt u dit, alles afwegende, nog economisch en moreel te verdedigen?
Banden tussen het World Economic Forum en Jeffrey Epstein |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Epstein, zoals uit de miljoenen vrijgegeven documenten is gebleken, banden had met het World Economic Forum (WEF) in het algemeen en de huidige voorzitter van het World Economic Forum, de heer Brende, in het bijzonder?
Ik ben ervan op de hoogte dat er contacten zijn geweest tussen Jeffrey Epstein en Børge Brende. Ik heb tevens vernomen dat de heer Brende inmiddels heeft besloten af te treden als president en CEO van het World Economic Forum.
Bent u ervan op de hoogte dat Epstein op 16 september 2018 een e-mail heeft gestuurd naar de heer Brende waarin hij stelt dat het WEF («Davos») de Verenigde Naties (VN) kan vervangen, een suggestie waar de heer Brende een dag later per e-mail positief op reageert: «Exactly – we need a new global architecture. World Economic Forum (Davos) is uniqely [sic] positioned-public private»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat, nog geen jaar later, op 13 juni 2019, de VN en het WEF een «strategisch samenwerkingsverband» hebben ondertekend voor het versneld invoeren van «Agenda 2030»?
Ja.
Bent u nog steeds van mening dat het WEF geen eigen agenda heeft en slechts een neutraal platform biedt voor discussie, of, in de woorden van oud-premier Rutte «slechts de zaaltjes regelt»?
Ja.
Bent u het eens met de voorzitter van het WEF, met andere woorden, zou de premier het ook een goede zaak vinden als het WEF de VN zou vervangen?
Het kabinet zou het geen goede zaak vinden als het WEF de VN zou vervangen, en acht dit ook onrealistisch.
Bent u, ook na het vrijkomen van de Epstein files, in navolging van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), (nog steeds) van mening dat de bewering dat er een «kwaadaardig elite» zou bestaan «feitelijk onjuist» is?
Ja, mijn mening is daarbij onveranderd. Daarbij hecht ik er aan te benadrukken dat er in de Epstein-files zelf afschuwelijke feiten aan het licht zijn gekomen en het van belang is dat er zorgvuldig onderzoek wordt gedaan in alle gevallen van seksueel misbruik. Tevens wil ik benadrukken dat het van belang is dat er erkenning is voor de slachtoffers van deze misdrijven.
Overwegende dat het onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) is gefinancierd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ISN Academie, een onderdeel van de Islamitische Stichting Nederland (ISN), de Nederlandse tak van Diyanet, het Turkse Presidium voor Godsdienstzaken, dat moskeeën beheert, imams opleidt en de politieke ideologie van de AKP-partij van president Recep Tayyip Erdogan uitdraagt, waarom is gekozen voor samenwerking met Diyanet? Graag een toelichting welke overwegingen en opvattingen daaraan ten grondslag liggen.1
Volgens de wetenschapster Semiha Sözeri van de Universiteit Utrecht e.a. vormen de imams en de koranscholen van Diyanet een schild tegen wat als «assimilatiekrachten» in de Nederlandse samenleving wordt ervaren. Vindt u dat Diyanet in het licht van deze achtergrond een geschikte partner is om mee samen te werken in een onderzoek naar moslimdiscriminatie?
Overwegende dat de onderzoeken van Regioplan en de Universiteit Utrecht en van het Kennisplatform Inclusief Samenleven berusten op zeer bescheiden steekproeven (het gaat om respectievelijk 38 en 57 respondenten), en zijn aangevuld met een literatuurstudie, bent u van mening dat onderzoek met een dergelijke beperkte opzet de conclusie kan rechtvaardigen dat moslimdiscriminatie in Nederland een «structureel probleem» is? Zo ja waarom bent u die opvatting toegedaan?
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) heeft de 57 respondenten voor «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» deels geworven via een oproep op sociale media en deels gebruik gemaakt van personen die eerder meewerkten aan onderzoek van KIS; bent u van mening dat deze methode voldoende robuust is? Zo ja, waar baseert u dat op?
Wat heeft het ministerie uitgegeven aan beide onderzoeken? Meent u dat dit geld welbesteed is?
Bent u bekend met het werk van de Franse antropologe en kenner van de netwerken van de Moslimbroederschap in Europa Florence Bergeaud-Blackler, die erop wijst dat de klacht over islamofobie een cruciaal onderdeel is van een «soft power strategie» van islamistische lobbyisten? En dat deze lobbyisten steeds herhalen dat men slachtoffer is van haat en discriminatie omdat zij op die manier de kans denken te vergroten dat hun eisen voor bijvoorbeeld gebedsruimtes op scholen en hoofddoeken bij de politie worden ingewilligd? Bergeaud-Blackler waarschuwt autoriteiten om zich niet te laten lenen voor deze agenda. Wat vindt u van deze analyse?
Het bericht 'Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer maar regeling voelt als mager compromis' |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer, maar regeling voelt als mager compromis»?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Kunt u toelichten hoe dit bericht zich verhoudt tot het aangenomen amendement-Mutluer/Van Nispen, dat beoogt te komen tot een gelijkwaardige en uniforme landelijke ondersteuning en regeling voor brandweerlieden met PTSS, waarvoor 1,75 miljoen euro is vrijgemaakt?2
Kunt u gespecificeerd uiteenzetten wat er met deze middelen is gebeurd? Waaraan zijn ze concreet besteed?
Welke PTSS-regeling is voorts per 1 januari 2026 ingevoerd? Kunt u de kernonderdelen van deze regeling beschrijven? Is deze regeling zowel voor brandweerlieden als voor vrijwilligers begrijpelijk, uitvoerbaar en snel toegankelijk?
Klopt het dat in tegenstelling tot regelingen voor politie en defensie, in de PTSS-regeling voor brandweerpersoneel geen recht op automatische immateriële schadevergoeding (smartengeld) is opgenomen en dat de hoogte van eventuele vergoeding afhankelijk blijft van de specifieke veiligheidsregio (25 regio’s)? Zo ja, waarom is hiervan afgeweken en welke overwegingen hebben tot deze keuze geleid? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat hierdoor rechtsongelijkheid kan ontstaan? Zo ja, welke maatregelen treft u om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is de financiering zoals voorzien in het amendement-Mutluer/Van Nispen, toereikend voor de daadwerkelijke uitvoering van een landelijke regeling? Welke signalen ontvangt u van veiligheidsregio’s over uitvoerbaarheid en kosten? Wat is er (financieel) nodig om te komen tot een regeling die daadwerkelijk uniform en gelijkwaardig is, inclusief een vorm van immateriële schadevergoeding?
Welke activiteiten onderneemt u om ervoor te zorgen dat ook vrijwilligers binnen de veiligheidsregio’s op gelijke wijze kunnen profiteren van de regeling en dat eventuele praktische belemmeringen bij hun toegang tot ondersteuning worden weggenomen?
Het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann |
|
René Claassen (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann waarin wordt gesteld dat meerdere theaters en zalen onder druk zijn gezet door linkse actiegroepen vanwege geplande optredens van Rogier Kahlmann en dat dit in diverse gevallen heeft geleid tot de annulering van voorstellingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat culturele instellingen door georganiseerde druk en dreigementen worden bewogen om programmering aan te passen of te schrappen?
Ik zie dit als een ongewenste en zorgwekkende ontwikkeling die de artistieke vrijheid van makers en culturele instellingen onder druk zet. Artistieke vrijheid vormt een fundament van onze democratische rechtstaat, waarin iedereen de ruimte moeten krijgen om zichzelf te uiten, ook als dit schuurt.
Deelt u de opvatting dat het intimideren van podia en programmeurs vanwege de inhoud van een voorstelling een ernstige aantasting vormt van de artistieke vrijheid en de vrijheid van meningsuiting?
Ja, die opvatting deel ik.
In hoeverre acht u het wenselijk dat een kleine, activistische linkse minderheid via dreiging met klachten, reputatieschade of meldingen bij instanties feitelijk een veto kan uitspreken over culturele programmering?
Culturele instellingen hebben de vrijheid om zelf te bepalen wie zij wel of niet programmeren. Burgers hebben de vrijheid om iets van deze programmering te vinden, maar dat moet wel op een correcte wijze. Ik acht iedere inmenging die culturele instellingen onder druk zet om hun keuzes aan te passen onwenselijk.
Kunt u aangeven of en hoe vaak gesubsidieerde culturele instellingen zich bij uw ministerie hebben gemeld vanwege druk, bedreiging of intimidatie rondom programmering in de afgelopen jaren?
Er zijn mij enkele incidenten bekend van door OCW gesubsidieerde culturele instellingen die te maken kregen met druk, bedreiging of intimidatie vanwege hun programmering. Bezien vanuit een breder perspectief constateer ik dat makers en culturele instellingen druk ervaren op hun artistieke vrijheid, bijvoorbeeld in polariserende discussies over programmeringskeuzes. Deze signalen ontving de Raad voor Cultuur ook en bewogen hem ertoe om een advies uit te brengen over artistieke vrijheid, dat de Raad 21 januari jl. aan uw kamer heeft aangeboden.2 Op dit moment bereid ik een reactie op dit advies voor.
Welke verantwoordelijkheid ziet u voor de overheid om culturele instellingen te beschermen tegen ongeoorloofde druk en intimidatie, juist wanneer deze instellingen afhankelijk zijn van publieke middelen?
Ik vind het belangrijk een inclusieve, pluriforme en toegankelijke culturele sector te waarborgen. Als de samenleving polariseert en de spanningen toenemen, moet de culturele en creatieve sector een veilig podium blijven bieden voor het vrije woord, artistieke expressie en dialoog. Om instellingen hierin te ondersteunen heeft mijn ambtsvoorganger de Handreiking Weerbare Cultuursector3 van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt. Deze handreiking en het onderliggende onderzoek bieden culturele instellingen houvast om zorgvuldige afwegingen te maken in de dynamiek van maatschappelijke spanningen, polarisatie en toenemende druk om positie te kiezen.
Deelt u de zorg dat het normaliseren van dergelijke actiemethoden leidt tot zelfcensuur binnen de culturele sector, waarbij instellingen uit angst voor repercussies bepaalde artiesten of thema’s mijden?
Ik deel de zorg dat acties die culturele instellingen onder druk zetten bepaalde keuzes te maken de druk op de artistieke vrijheid vergroot. In tijden van maatschappelijke spanningen en polarisatie is het daarom extra belangrijk om culturele instellingen handvatten te bieden voor de omgang met maatschappelijke druk. Hiervoor heeft mijn voorganger onlangs de handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt.
Bent u bereid in overleg te treden met de culturele sector over richtlijnen of ondersteuning voor instellingen die te maken krijgen met georganiseerde intimidatie of dreiging rondom hun programmering?
Hierover ben ik reeds in gesprek met de sector. De handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut is het resultaat van een onderzoek dat tot stand is gekomen aan de hand van meerdere gesprekken met de sector.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om culturele instellingen te beschermen tegen druk en intimidatie rondom hun programmering?
Ik neem dit onderwerp zeer serieus. Daarom beraad ik me op dit moment goed op het eerder genoemde advies van de Raad voor Cultuur over artistieke vrijheid. Ik zal in mijn reactie op dit advies ook ingaan op de druk en intimidatie rondom programmering van culturele instellingen.
Het bericht ‘Walibi laat medewerkers document ondertekenen waarin staat dat arbeidsvoorwaarden 'redelijk' zijn: 'Te bizar voor woorden' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Walibi laat medewerkers document ondertekenen waarin staat dat arbeidsvoorwaarden «redelijk» zijn: «Te bizar voor woorden»» van maandag 16 februari 2026?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat Walibi Holland werknemers een verklaring laat tekenen waarin wordt gesteld dat zij de arbeidsvoorwaarden «redelijk» vinden?
Het is in principe aan werknemer en werkgever om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de wettelijke kaders, waaronder de wetgeving voor een gelijke behandeling tussen tijdelijke en vaste werknemers, en de geldende cao’s. Daarnaast dienen werkgevers zich te houden aan de in Nederland geldende beginselen waaronder ook goed werkgeverschap. Het is uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of daaraan wordt voldaan.
In hoeverre druist het ondertekenen van een verklaring zoals die is opgesteld door Walibi Holland in tegen bijvoorbeeld het stakingsrecht?
Het recht op collectieve actie is verankerd in artikel 6, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest. Daarin staat dat werkgevers en werknemers het recht hebben om collectief op te treden als sprake is van een belangengeschil, met inbegrip van het stakingsrecht. De werkgever kan zijn werknemers niet zomaar verbieden te staken of beperkingen opwerpen. Het is aan de rechter om te toetsen of bij het ondertekenen van een bepaalde verklaring sprake is van een inbreuk op het stakingsrecht. Tevens kan de rechter toetsen of een dergelijke verklaring in strijd is met andere wettelijke kaders, desbetreffende cao en de rechtsbeginselen.
Welke bescherming hebben werknemers wanneer zij na het ondertekenen van het contract toch in actie komen tegen de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland?
Het ondertekenen van het contract laat onverlet dat een werknemer in actie kan komen tegen onredelijke arbeidsomstandigheden. In dat geval worden zij op meerdere manieren beschermd. In algemene zin zijn werknemers beschermd tegen oneigenlijke behandeling van hun werkgever. Zo geldt voor veel gelijke behandelingsregels, waaronder die tussen tijdelijke en vaste werknemers, bescherming tegen benadeling. Zie ook het antwoord op vraag 8. In deze gevallen kunnen werknemers zich wenden tot het College voor de Rechten van de Mens. In andere gevallen kan de werknemer zich, al dan niet met hulp van de vakbond of rechtsbijstandverlener richten tot de rechter. De wet bevat meerdere artikelen (bijvoorbeeld artikel 6:248, tweede lid BW) die het contract tussen werknemer en werkgever kunnen aantasten. Daarnaast biedt het arbeidsrecht een bepaalde minimumbescherming (bijvoorbeeld ontslagbescherming) die dwingendrechtelijk van aard is. In veel gevallen zullen werkgevers dit goed willen oplossen en is het niet nodig om hier juridische stappen op te ondernemen.
Bent u het eens met de Horecabond dat op deze manier druk uitoefenen kan bijdragen aan een angstcultuur waarin werknemers terughoudend worden om misstanden aan te kaarten en dat dit in strijd is met goed werkgeverschap?
Iedere situatie waarin er oneigenlijk druk uitgeoefend wordt op werknemers om misstanden niet aan te kaarten vind ik onwenselijk, en kan geen onderdeel zijn van een gezonde bedrijfscultuur. In hoeverre dat in deze situatie het geval is, kan ik niet beoordelen.
Wat vindt u van de uitspraken van Marc Guffens, directielid bij Walibi Holland, die stelt dat medewerkers akkoord moeten gaan met de arbeidsvoorwaarden en anders niet in dienst mogen komen?
Het is in principe aan werknemers en werkgevers om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Wel gelden hiervoor wettelijke kaders, cao’s en algemene beginselen. Deze regels zien in het bijzonder op bescherming tegen ongelijke behandeling, waaronder ook die tussen tijdelijke en vaste werknemers. In hoeverre dat in deze situatie het geval is, kan ik niet beoordelen.
Bent u het ermee eens dat de uitspraken van Guffens op gespannen voet staan met de praktijk van arbeidsverhoudingen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord bij vraag 6.
Wat vindt u van het feit dat Walibi Holland bij seizoensmedewerkers niet kiest voor de horeca-cao waardoor deze minder goede arbeidsvoorwaarden hebben dan vaste krachten?
Ik kan deze specifieke situatie niet beoordelen. Tegelijkertijd wil ik in algemene zin wel benadrukken dat het een werkgever verboden is om onderscheid te maken tussen werknemers in de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomst, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Dit is geregeld in artikel 7:648 BW. Indien een werknemer denkt dat hier sprake van is, kan hij of zij zich tot het College voor de Rechten van de Mens wenden. Het College kan onderzoeken of een dergelijk verboden onderscheid is of wordt gemaakt. Het is een werkgever verboden om een werknemer te benadelen die een beroep doet op dit gelijke behandelingsrecht.
Wanneer heeft de laatste inspectie van de Nederlandse Arbeidsinspectie plaatsgevonden bij Walibi Holland? Zijn er toen fouten geconstateerd rond arbeidsomstandigheden?
De Arbeidsinspectie was voor het laatst in juni 2025 bij Walibi Holland. Er zijn toen geen overtredingen geconstateerd.
Kunt u hierbij schriftelijk verklaren dat wanneer werknemers in actie komen tegen de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland zij dit recht mogen uitoefenen en vanwege een (vakbonds)actie dus niet op straat kunnen komen te staan?
Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3. Het recht op collectieve actie is verankerd in artikel 6, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest. Daarin staat dat werkgevers en werknemers het recht hebben om collectief op te treden als sprake is van een belangengeschil, met inbegrip van het stakingsrecht. Dit recht mag niet zomaar worden beperkt of bestraft. Het is aan de rechter om te toetsen of sprake is van een inbreuk op het stakingsrecht.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De miljoenen euro’s aan dwangsommen die worden uitgekeerd aan asielzoekers |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van NOS van 14 januari jl., waaruit blijkt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in 2024 in totaal 36,8 miljoen euro aan dwangsommen heeft uitgekeerd aan asielzoekers?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat voor miljoenen euro’s aan dwangsommen worden uitgekeerd aan asielzoekers en dat deze dwangsommen per zaak kunnen oplopen tot 37.000 euro?
Het is onwenselijk dat de kosten oplopen. Daarnaast is de lange wachttijd onwenselijk vanuit het perspectief van de aanvrager die recht heeft op tijdige behandeling van zijn of haar aanvraag.
De IND geeft bovendien aan dat dwangsomprocedures het proces niet bespoedigen. Het afschaffen van de rechterlijke dwangsom is onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet, die momenteel voorligt ter behandeling bij de Eerste Kamer. De maatregel kan direct na inwerkingtreding van de wet geïmplementeerd worden. Tot die tijd geef ik uitvoering aan bestaande wetgeving en daaruit volgende rechterlijke uitspraken.
Hoeveel heeft de IND in 2025 uitgekeerd aan dwangsommen en wat was het maximum per zaak?
De IND heeft in 2025 in totaal2 79 miljoen euro aan dwangsommen betaald. Het maximum per zaak is afhankelijk van de vraag of de vreemdeling wel of geen (opvolgend) «beroep niet tijdig beslissen (BNTB)» indient en wat de rechter in de individuele zaak aan dwangsom oplegt.
Voor wat betreft de zaken waarin de IND nog een bestuurlijke dwangsom op basis van ingebrekestelling (zonder tussenkomst van de rechter) moet uitbetalen3, bedraagt dit maximaal € 1.442,– per zaak. Voor wat betreft de rechterlijke dwangsom heeft de rechter de vrijheid om te bepalen hoe hoog de dwangsommen zijn, maar volgt daarbij normaliter de beleidslijnen die binnen de rechtspraak zijn afgesproken4.
Wanneer na een eerdere uitspraak (Beroep Niet Tijdig Beslissen – BNTB) nog steeds niet is beslist op de aanvraag, kan de vreemdeling een opvolgend BNTB indienen bij de rechtbank. Het aantal keer dat een vreemdeling een opvolgend BNTB kan indienen is – zolang niet is beslist op de aanvraag – niet aan een maximum verbonden.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat asielzoekers tienduizenden euro’s kunnen ontvangen via dwangsommen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven bij vraag 2 is het onwenselijk dat asielzoekers te maken hebben met lange wachttijden en draagt dit bij aan de inzet tot het afschaffen van de rechterlijke dwangsom.
Het gevolg daarvan is dat IND in gebreke kan worden gesteld en dat een beroep niet tijdig beslissen kan worden ingediend. Dit draagt niet bij aan het verkorten van de wachttijden en heeft oplopende kosten tot gevolg. De IND werkt hard aan het verminderen van de wachttijden en daarmee het beperken van de oplopende kosten.
Deelt u de opvatting, van zowel het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de dwangsomregeling is bedoeld als bestuurlijke prikkel voor tijdige besluitvorming en niet als financiële tegemoetkoming of inkomensbron voor asielzoekers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik volg de lijn van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2026.
Deelt u de mening van de indiener dat de huidige dwangsomregeling een perverse prikkel kan vormen, waarbij het voor asielzoekers aantrekkelijk wordt om hun procedure zo veel mogelijk te dwarsbomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Op het moment dat aanvragers niet meewerken aan hun procedure kan dit reden tot afwijzing zijn. Gevallen waarbij de aanvrager de procedure vertraagt om een dwangsom te verbeuren zijn mij niet bekend. Indien dit zich wel zou voordoen kan de IND het besluit en daarmee de dwangsom onder (bij wet) bepaalde voorwaarden, zoals overmacht, toerekening of instemming opschorten.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om dwangsommen aan asielzoekers af te schaffen of in elk geval te verlagen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen is onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet, die momenteel voorligt ter behandeling bij de Eerste Kamer.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om dwangsommen niet langer uit te keren aan asielzoekers, maar aan werkende Nederlanders in de vorm van een jaarlijkse belastingkorting? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een onderzoek naar de vraag of een dergelijke handelwijze (juridisch) haalbaar is bevindt zich buiten mijn beleidsterrein. Daarnaast ligt het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen ter behandeling voor bij de Eerste Kamer.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat omwonenden van azc Lochem 1000 euro krijgen om hun eigen veiligheid te regelen. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat omwonenden van het asielzoekerscentrum (azc) in Lochem maximaal 1.000 euro per huishouden krijgen van de gemeente om zelf «preventieve maatregelen» te nemen voor hun veiligheid, zoals camera’s en hekken, vanwege de onrust en onveiligheid veroorzaakt door asielzoekers?1
Erkent u dat dit het keiharde bewijs is dat asielzoekers structureel zorgen voor overlast, intimidatie, bedreigingen en onveiligheid in Nederland, en dat omwonenden nu letterlijk met hun eigen portemonnee (via belastinggeld) hun bescherming moeten regelen tegen deze asielwaanzin? Zo nee, waarom ontkent u de verschrikkelijke realiteit die talloze Nederlanders dagelijks ervaren?
Kunt u exact uiteenzetten hoeveel incidenten van geweld, diefstal, bedreigingen, aanrandingen en andere overlast door asielzoekers in en rond het azc Lochem zijn gemeld bij de politie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en hoeveel van deze meldingen zijn verzwegen of niet serieus zijn genomen?
Deelt u de mening dat het volstrekt absurd en schandalig is dat belastinggeld wordt verspild om omwonenden te «compenseren» voor de onveiligheid die dit kabinet veroorzaakt door overlastgevers niet uit te zetten, de Spreidingswet te handhaven en geen asielstop in te voeren?
Bent u het ermee eens dat de enige oplossing het sluiten van het azc is? Zo nee, hoeveel slachtoffers van intimidatie, diefstal of geweld moeten er nog bijkomen?
Bent u bereid om alsnog de Spreidingswet per direct in te trekken en een volledige asielstop in te stellen? Zo nee, waarom prioriteert u asielzoekers boven de veiligheid van de eigen bevolking?
Het bericht 'Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis' |
|
Harmen Krul (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis»?1
Hoe beoordeelt u het gegeven dat van de ongeveer 130.000 meldingen per jaar bij Veilig Thuis slechts ongeveer 350 meldingen afkomstig zijn van kraamverzorgers en verloskundigen, terwijl zij juist bij gezinnen achter de voordeur komen?
Bent u het ermee eens dat de kraamtijd een kwetsbare periode is waarin onveilige situaties kunnen ontstaan, waardoor vroegsignalering van onveilige situaties essentieel is? Zo ja, hoe kunt u die signaleringsfunctie versterken?
Welke rol speelt volgens u de angst voor represailles en welke maatregelen neemt u om de veiligheid van zorgprofessionals die melden, te waarborgen?
Hoeveel gevallen zijn er bekend waarbij de melder te maken heeft gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld na contact met Veilig Thuis?
Bent u van mening dat het niet anoniem kunnen doen van een melding meespeelt in de terughoudendheid van kraamverzorgers en verloskundigen?
Bent u het met Veilig Thuis eens dat anoniem melden niet past bij professioneel handelen van de zorgverlener? Zo nee, waarom niet?
Is het volgens u voldoende bekend dat kraamverzorgers wel altijd anoniem kunnen bellen met Veilig Thuis voor advies, zonder dat officieel een melding hoeft te worden gemaakt? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat die bekendheid toeneemt?
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat toch sneller meldingen worden gemaakt van onveilige situaties bij gezinnen door zorgverleners, om erger te voorkomen en op tijd in te kunnen grijpen?
Welke rol spelen personeelstekorten en werkdruk in de kraamzorg bij het missen of niet melden van signalen van onveiligheid? En welke maatregelen kunt u nemen om dit te verbeteren?
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld, middelengebruik of verwaarlozing in de eerste levensfase van kinderen onopgemerkt blijven?
De F-35 |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Is het technisch mogelijk een F-35, net zoals een iPhone, te «jailbreaken»? Zo nee, waarom zegt u dit dan?
De uitspraak van de vorige Staatssecretaris van Defensie was een reactie in een gesprek over een zeer onwaarschijnlijke en ongewenste situatie, en moet in de bredere context van het interview worden geplaatst. De vorige Staatssecretaris heeft niet gepleit voor het schenden van de ondertekende F-35 overeenkomsten. Nederland blijft het F-35 programma onverminderd steunen. Het kabinet hecht groot belang aan voortzetting van de nauwe samenwerking en onderlinge vertrouwensband met de Verenigde Staten en andere partners binnen het F-35 programma.
Laten de contracten die met de Verenigde Staten zijn getekend in verband met de aankoop van de F-35 door Nederland een «jailbreak» toe?
Zie antwoord vraag 1.
Is het kabinet bereid, zoals u stelt, eventueel tot een «jailbreak» van de F-35 over te gaan?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er, voor zover bij het kabinet bekend, Nederlandse oud-militairen (veteranen) die op contractbasis voor Oekraïne (in de F-16) gevechtsmissies vliegen?
Het kabinet doet geen uitspraken over de berichtgeving omtrent Nederlandse vliegers die actief zijn in Oekraïne. Het kabinet heeft sinds het uitbreken van de oorlog meermaals aangegeven dat het onverstandig is om naar Oekraïne af te reizen en mee te vechten. Het kabinet kan echter geen beperkingen opleggen aan de bewegingsvrijheid van Nederlanders die dit op eigen initiatief doen. Tevens geldt er een negatief reisadvies voor geheel Oekraïne. Tot slot benadrukt het kabinet dat deze personen op geen enkele wijze Nederland vertegenwoordigen in de eventuele gevechtshandelingen die zij ondernemen.