Mogelijk gevaarlijke squishies voor kinderen |
|
Tamara ten Hove (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Populaire squishy ontploft in gezicht jong kind, product blijft te koop in Nederlandse winkels», waarin wordt gemeld dat een 8-jarige jongen tweedegraads brandwonden heeft opgelopen en een huidtransplantatie moet ondergaan nadat een Cool Mix Supergel tijdens het spelen openbarstte?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat speelgoed dat expliciet wordt verkocht voor kinderen vanaf drie jaar mogelijk ernstige brandwonden kan veroorzaken en stoffen kan bevatten die bij blootstelling gezondheidsrisico’s voor kinderen opleveren?
Speelgoed dient te voldoen aan de gestelde veiligheidseisen conform de Europese Speelgoedrichtlijn en veilig te zijn bij redelijkerwijs te verwachten gebruik.
Is de NVWA bekend met het specifieke incident met de Cool Mix Supergel in Frankrijk en wordt dit product meegenomen in het reeds lopende onderzoek naar squishies? Zo nee, bent u bereid dit met spoed alsnog te laten onderzoeken?
Ja, de NVWA is bekend met het specifieke incident. Dit product was niet meegenomen in het huidige onderzoek, waarin via random selectie 30 Squishy toys zijn bemonsterd. De NVWA zal nu alsnog dit product meenemen in het onderzoek naar vluchtige organische stoffen.
De NVWA waarschuwt reeds dat verhitte squishies kunnen openbarsten en ernstige brandwonden kunnen veroorzaken, wordt onderzocht of gevaarlijke verhitting en drukopbouw ook kunnen ontstaan wanneer speelgoed niet bewust wordt verwarmd, maar bijvoorbeeld tijdens een warme zomerdag in de zon, achter glas of in een auto heeft gelegen?
Op dit moment is nog niet duidelijk wat de toedracht is van het incident in Frankrijk. Zodra meer bekend is zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen. Als uit het Franse onderzoek blijkt dat het gevaar van verhitting bijvoorbeeld ook kan ontstaan als de squishies in een warme auto liggen, zal de NVWA daar ook actief voor waarschuwen.
Acht u het verantwoord dat de betreffende Cool Mix Supergel gedurende dit onderzoek nog steeds in Nederland aan kinderen wordt verkocht? Zo ja, waarom?
Er is op dit moment nog onvoldoende bekend over het incident in Frankrijk en er is geen grond voor een verkoopstop. Leveranciers van speelgoed zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid ervan.
Wanneer er meer bekend is over het incident in Frankrijk dan wel wanneer het onderzoek van de NVWA is afgerond, zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen.
Bent u bereid uit voorzorg te bevorderen dat de verkoop van dit specifieke product wordt gestaakt totdat duidelijk is waardoor het ernstige incident heeft kunnen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals hierboven aangegeven is er op dit moment nog onvoldoende bekend over het incident in Frankrijk en er is geen grond voor een verkoopstop. Leveranciers van speelgoed zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid ervan.
Wanneer er meer bekend is over het incident in Frankrijk dan wel wanneer het onderzoek van de NVWA is afgerond, zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen.
De NVWA heeft bij het lopende onderzoek naar squishies reeds vluchtige organische stoffen aangetroffen, welke stoffen zijn aangetroffen, in welke concentraties en welke specifieke gezondheidsrisico’s leveren deze stoffen op voor jonge kinderen, mede gelet op hun lagere lichaamsgewicht en de mogelijkheid van langdurig huidcontact?
Dit onderzoek loopt op dit moment nog. In verband met zorgvuldigheid worden geen tussentijdse resultaten gedeeld. Voor meer informatie over dit onderzoek: zie het nieuwsbericht NVWA onderzoekt squishy speelgoed | NVWA. Wanneer de onderzoeksresultaten hiertoe aanleiding geven zal de NVWA hier verder over communiceren.
Wordt bij het onderzoek specifiek gekeken naar xyleen en afgeleiden van benzeen en naftaleen, nu deze volgens het bericht in vergelijkbaar speelgoed zijn aangetroffen, en worden daarbij zowel de risico’s van inademing, huidcontact als inslikken onderzocht?
Er wordt in het aanvullende onderzoek ook gekeken naar xyleen, andere afgeleiden van benzeen en naftaleen. De NVWA kijkt hierbij naar de hoeveelheden en maakt een risicoschatting voor de producten waarbij inademing en huidcontact ook worden meegenomen.
Deelt u de mening dat bij speelgoed voor jonge kinderen het voorzorgsbeginsel zwaar moet wegen wanneer er serieuze aanwijzingen bestaan voor risico’s op brandwonden en blootstelling aan mogelijk schadelijke chemische stoffen, en dat niet eerst gewacht moet worden op nieuwe slachtoffers?
Ja. Het incident in Frankrijk of het eerste onderzoek van de NVWA geven echter op dit moment geen serieuze aanwijzingen in die richting.
Hoe kan speelgoed met een CE-markering in Nederland worden verkocht wanneer kennelijk nog onduidelijkheid bestaat over de chemische samenstelling en het risico op openbarsten na verhitting? Is de NVWA bereid de technische documentatie en veiligheidsbeoordeling van de Cool Mix Supergel te controleren?
Een CE-markering is geen merk van goedkeuring. Met het aanbrengen van de CE-markering verklaart de fabrikant dat het product voldoet aan de toepasselijke Europese wet- en regelgeving. De NVWA zal het genoemde product meenemen in haar onderzoek waarbij ook de technische documentatie wordt beoordeeld.
Waarom kunnen Bol.com en verschillende Belgische winkelketens volgens het bericht uit voorzorg besluiten squishies uit de verkoop te halen, terwijl vergelijkbare producten in Nederlandse fysieke winkels en webshops verkrijgbaar blijven? Waarom grijpt de overheid niet eveneens uit voorzorg in?
Marktdeelnemers kunnen zelf ervoor kiezen de verkoop te staken. De NVWA heeft zoals eerder aangegeven geen aanleiding dit af te dwingen.
Bent u bereid ouders en verzorgers, in afwachting van de definitieve onderzoeksresultaten, actief te waarschuwen voor zowel de mogelijke chemische risico’s als het risico op brandwonden bij squishies en daarbij expliciet te waarschuwen voor speelgoed dat in de zon, achter glas of in een hete auto heeft gelegen?
Zoals in antwoord op vraag 4 al is aangegeven is er op dit moment nog geen duidelijkheid over de toedracht van het incident in Frankrijk. Zodra meer bekend is zal de NVWA indien noodzakelijk passende maatregelen nemen; nu is er geen grond voor zo’n waarschuwing.
Bent u bekend met het bericht «Jeugdgezondheidszorg voor twintigduizend asielkinderen is vooralsnog vanaf oktober maanden niet beschikbaar»?1
Deelt u de mening dat een dergelijk gat in zorgcontinuïteit voor deze (kwetsbare) groep een zorgelijke, onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe reflecteert u daarop? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op, zoals Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) in het artikel aangeeft, een dergelijke «versnippering van de collectieve en preventieve jeugdgezondheidszorg» in Nederland? Deelt u de mening dat dit een onwenselijk precedent schept en verschillen in toegang tot zorg oplevert voor kinderen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke effecten en risico’s voorziet u, mocht de in het artikel genoemde situatie werkelijkheid worden? Kunt u per risico aangeven welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op risico’s rond de bestrijding van (infectie)ziekten onder baby’s, kinderen en jongeren in Nederland?
Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheids)zorg, hoe reëel acht u het dat de Arts en Zorg Groep de zorg in de asielzoekerscentra tijdig en volledig over kan nemen voor de beoogde (lagere) prijs, nu het COA in het artikel aangeeft dat hij daarover in gesprek is met de Arts en Zorg Groep?
Welke waarborgen en afspraken zijn er vastgelegd over de zorgcontinuïteit ten tijde van de overgangsperiode van de GGD-GHOR naar de Arts en Zorg Groep, en ten tijde van de periode erna? Indien die er niet zijn, hoe bent u voornemens de zorgcontinuïteit te borgen voor deze groep kinderen in asielzoekerscentra?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van geleverde zorg en wie is verantwoordelijk (zowel politiek/ministerieel als in de uitvoering)? Waar kunnen professionals, burgers en asielzoekers(kinderen) terecht met signalen en klachten over de zorg vanuit de Arts en Zorg Groep (of het gebrek aan zorg)? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met, bijvoorbeeld, de geletterdheid en moedertaal van de doelgroep in kwestie in de asielzoekerscentra?
Welke concrete mogelijkheden zijn er om in te grijpen, in geval van (ernstige) tekortkomingen in de kwaliteit of continuïteit van de (jeugdgezondheids)zorg in de asielzoekerscentra tijdens de overgangsperiode en de periode daarna?
Kunt u deze vragen beantwoorden (ruim) voor het debat Jeugdbeleid van 30 september 2026?
Een wetsvoorstel dat de vrijheid van christelijke organisaties in India verder onder druk zet. |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wetsvoorstel bedreiging voor christelijke organisaties in India»1 waarin wordt gesteld dat het Indiase parlement een wetsvoorstel behandelt dat de Foreign Contribution Regulation Act (FCRA) aanscherpt, waardoor de mogelijkheden van de overheid worden uitgebreid om op te treden tegen maatschappelijke en religieuze organisaties die afhankelijk zijn van buitenlandse financiering?
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgen van Indiase christelijke organisaties dat deze wetswijziging ertoe kan leiden dat kerken, scholen, ziekenhuizen en andere maatschappelijke instellingen hun werkzaamheden niet langer kunnen voortzetten en zelfs eigendommen kunnen verliezen wanneer hun FCRA-registratie vervalt of wordt ingetrokken?
Het kabinet heeft begrip voor de zorgen van het maatschappelijk middenveld, inclusief christelijke organisaties, over de impact van de Foreign Contribution Regulation Act (FCRA) en volgt de ontwikkelingen rondom de voorgestelde wijzigingen op de FCRA nauwgezet. Op 12 augustus is de voorgestelde wetswijziging verwezen naar een Joint Parliamentary Committee voor nadere bestudering van de bepalingen en de mogelijke gevolgen daarvan. De voorgestelde aanscherping moet vervolgens nog verder in het Indiase parlement worden behandeld en is daarom mogelijk nog aan verandering onderhevig.
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van evangeliserende activiteiten van de religieuze activiteiten waarvoor buitenlandse middelen mogen worden aangewend, op gespannen voet staat met de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, zoals beschermd in Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), waaronder ook de vrijheid om een godsdienst of levensovertuiging individueel of gezamenlijk te belijden en uit te dragen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze opvatting.
Hoe beoordeelt u deze wetswijziging in het licht van de bredere verslechtering van de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India, waaronder meldingen van toenemende beperkingen van de vrijheid van godsdienst, geweld en intimidatie?
De Indiase Grondwet definieert het land als seculier en beschermt de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Tegelijkertijd zijn er zorgen over toenemende beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, intimidatie en geweld tegen religieuze minderheden. Een eventuele aanscherping van de FCRA zou een zorgelijke ontwikkeling zijn, omdat zij de kwetsbare positie van religieuze minderheden, waaronder christenen, verder zou kunnen verzwakken.
Heeft de Nederlandse regering haar zorgen over dit wetsvoorstel of over de gevolgen ervan voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging reeds overgebracht aan de Indiase autoriteiten? Zo ja, op welke wijze en met welke boodschap? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja. Nederland, in coördinatie met de andere EU lidstaten, brengt consistent de zorgen over de impact van de FCRA op het in India actieve maatschappelijk middenveld op bij de Indiase autoriteiten. Mede op verzoek van Nederland zijn beide onderwerpen geagendeerd en besproken tijdens de EU-India mensenrechtendialoog die op 24 juni 2026 plaatsvond in New Delhi, India.
Is dit wetsvoorstel of de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India aan de orde gesteld in de politieke dialoog tussen de Europese Unie en India of in andere EU-overleggen met India? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de Europese Unie dit wetsvoorstel en de gevolgen ervan voor de vrijheid van godsdienst expliciet aan de orde stelt bij de Indiase autoriteiten?
De positie van christenen en andere religieuze minderheden is nadrukkelijk onderdeel van de dialoog tussen de Europese Unie en India. Zo is, mede op verzoek van Nederland, dit onderwerp besproken met de Indiase autoriteiten tijdens de meest recente EU-India mensenrechtendialoog die op 24 juni jl. plaatsvond.
Ook de zorgen over de impact van de FCRA – en eventuele amendementen hierop – zijn meermaals schriftelijk en mondeling onder de aandacht gebracht bij de Indiase autoriteiten. Indien de aanscherping van de FCRA door het Indiase parlement zal worden aangenomen, zullen Nederland en de EU, indien daar aanleiding toe is, de negatieve doorwerking ervan op het maatschappelijk middenveld inclusief christelijke organisaties opnemen met de Indiase autoriteiten. Deze inzet sluit aan bij Nederlandse inzet op de vrijheid van religie en levensovertuiging en bij de EU richtlijnen inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging.
Bent u bereid zich zowel bilateraal als in EU-verband actief in te zetten voor de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in India, overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging, en daarbij specifiek aandacht te vragen voor de positie van christelijke organisaties die door dit wetsvoorstel worden geraakt? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in voor de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in India en zal dit blijven doen. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader en richt zich op de bescherming van vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen.
Indien aangenomen, zal het Kabinet de implementatie van de aangescherpte FCRA en de impact op het maatschappelijk middenveld, waaronder christelijke organisaties, nauwgezet blijven volgen en adresseren in de contacten met de Indiase overheid.
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met gelijkgezinde landen binnen de Europese Unie en daarbuiten, de Indiase autoriteiten aan te spreken op hun verplichtingen uit hoofde van het IVBPR en andere internationale mensenrechtenverdragen ten aanzien van de bescherming van religieuze minderheden?
Het kabinet, zowel bilateraal als in EU-verband, spreekt de Indiase autoriteiten aan op hun verplichtingen ten aanzien van de bescherming van religieuze minderheden en zal dit blijven doen.
Rellen op de kermis in Purmerend |
|
Geert Wilders (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Herbert |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op de Kamervragen naar aanleiding van de rellen op de kermis in Purmerend waarin u zei dat de huidige aanpak voldoende handvatten biedt? Hoe verklaart u dan de nieuwe massale ongeregeldheden op de kermis in Dreumel?1
Ja. Zoals eerder toegelicht bij de vragen over Purmerend is de handhaving van de openbare orde primair een verantwoordelijkheid van de burgemeester. De lokale driehoek en andere partners bereiden zich bij (grote) evenementen voor met risico-inschattingen en passende maatregelen. Ook bij Dreumel zijn lokaal maatregelen getroffen. Helaas kunnen incidenten ondanks een goede voorbereiding niet altijd volledig worden voorkomen.
Bent u nu eindelijk bereid incidenten op kermissen en volksfeesten landelijk te registreren want tot op heden had u geen overzicht van soortgelijke incidenten? Zo nee, waarom niet?
Registratie van incidenten vindt plaats binnen de bestaande systemen van politie en OM en is niet specifiek gericht op het type evenement. Een aparte landelijke registratiesystematiek past niet in de huidige werkwijze. Op dit moment zie ik geen aanleiding om hier van af te wijken.
Wanneer komt er een landelijke aanpak in plaats van alleen lokaal maatwerk na wederom grootschalig geweld waarbij opnieuw ondernemers en bezoekers de dupe zijn geworden?
Op grond van artikel 172 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. Landelijk ondersteunen wij de lokale inzet, zo is in 2023 een wegwijzer gemeentelijk kermisbeleid opgesteld met financiering van het Ministerie van EZK en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers. Op 2 juli 2025 heb ik de wegwijzer bij het Strategisch Beraad Veiligheid onder de aandacht gebracht. Daaruit bleek geen behoefte aan aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat bij ordeverstoringen, zoals de eerdere sluiting van de kermis in Purmerend en het afgelasten van festiviteiten door een ondernemer in Dreumel, de financiële gevolgen nu vooral voor de ondernemers zijn en niet voor de relschoppers? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de kosten zoveel mogelijk worden verhaald op de relschoppers die verantwoordelijk zijn voor deze schade?
Ja.
Een beslissing tot eventuele compensatiemaatregelen is aan het lokaal bestuur in overleg met de kermisbranche.
Wanneer komt u met landelijke maatregelen tegen notoire ordeverstoorders, zoals gebiedsverboden, betere informatie-uitwisseling en het verhalen van schade op daders?
Hiervoor verwijs ik in de eerste plaats naar mijn eerdere antwoorden op Kamervragen gesteld door u, die ik op 22 juni jl. met uw Kamer heb gedeeld. Er zijn reeds diverse instrumenten beschikbaar. Zo kan de burgemeester op grond van artikel 172a van de Gemeentewet en lokale verordeningen gebiedsontzeggingen opleggen en bevelen geven ter voorkoming van ordeverstoringen. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Daarnaast is dit voorjaar het wetsvoorstel Wet gegevensvergaring openbare orde voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd. Het wetsvoorstel geeft de politie twee extra bevoegdheden om online gegevens te verzamelen uit publiek toegankelijke bronnen. Het gaat om het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen en online gegevens verzamelen van personen en hun openbare accounts voor zover dat noodzakelijk is om een ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen, te beletten of te beëindigen. Van deze personen moet het vermoeden bestaan dat zij een belangrijke rol spelen bij een (mogelijk) ernstige verstoring van de openbare orde. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de politie en het lokaal gezag beter toe te rusten om snel over voldoende informatie te beschikken om een dreigende ernstige verstoring van de openbare orde tijdig te kunnen voorkomen, beletten of beëindigen. Zo kan de politie bij aanwijzingen dat rellen dreigen uit te breken de noodzakelijke gegevens online verzamelen om tijdig in te grijpen en de verstoring te voorkomen of te stoppen. De burgemeester kan de bevoegdheden alleen inzetten na een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Na deze machtiging geeft de burgemeester een bevel aan de politie, die de bevoegdheden onder zijn gezag uitvoert.
Hoeveel incidenten zijn er nog nodig voordat u erkent dat dit geen op zichzelf staande voorvallen meer zijn, maar een landelijk veiligheidsprobleem rondom kermissen en volksfeesten?
Elk incident is er één te veel. Ieder incident wordt serieus genomen en waar nodig wordt opgetreden. Tegelijkertijd verloopt het overgrote deel van kermissen en volksfeesten ordelijk en veilig. Op dit moment is er geen aanleiding om te spreken van een landelijk veiligheidsprobleem.
Wanneer gaat u werkelijk benoemen dat dit geen «jongeren» zijn, maar allochtone jongeren, in dit geval Syriërs, variërend in leeftijden van 10 tot 20+ jaar die georganiseerd elke keer deze ellende veroorzaken?
De politie en het Openbaar Ministerie registreren geen migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten. Indien bekend kan nationaliteit worden geregistreerd, maar alleen wanneer dit noodzakelijk is voor opsporing of vervolging binnen de kaders van de wet. Deze gegevens worden dan ook niet categorisch verwerkt, omdat de verwerking niet voor alle situaties noodzakelijk zal zijn. Het is aan het lokaal gezag om passende maatregelen te treffen en herhaling te voorkomen.
Kunt U deze vragen met de grootst mogelijke spoed beantwoorden, aangezien het hoogseizoen voor de kermissen is en iedere dag uitstel ertoe kan leiden dat kermisondernemers opnieuw worden geconfronteerd met ordeverstoringen, schade en omzetverlies en goedwillende bezoekers niet langer de dupe zijn?
Ja.
Het artikel 'Palantir betaalt amper belasting door ‘agressieve strategie’, tot woede van Europese vakbonden' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Follow the Money-artikel «Palantir betaalt amper belasting door «agressieve strategie», tot woede van Europese vakbonden»1?
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palantir gebruik maakt van «allerlei geitenpaadjes», die ervoor zorgen dat in Europa behaalde winsten neerslaan in de Verenigde Staten, waar zij niet of nauwelijks worden belast?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. In dat verband zijn de maatregelen in de vennootschapsbelasting relevant die voortvloeien uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel, die met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden. Deze maatregelen bewerkstelligen namelijk dat bij belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden. Tot slot kan ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR niet ingaan op individuele fiscale dossiers, eventuele contacten tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst of de fiscale beoordeling van specifieke transacties.
Hoe beoordeelt u het feit dat het effectieve belastingpercentage voor Palantir in 2025 slechts 1,4% van de totale winst bedroeg, ver onder de internationale OESO-norm?
De OESO heeft met de wereldwijde minimumbelasting een systeem ontwikkeld dat beoogt te waarborgen dat grote multinationale ondernemingen effectief ten minste 15% belasting betalen over hun winsten. De berekeningswijze van het «effectieve» belastingpercentage in het rapport waar het genoemde artikel naar verwijst, verschilt van de methodiek die wordt gebruikt in de OESO-modelregels voor de berekening van de wereldwijde minimumbelasting. In het rapport wordt uitgegaan van een wereldwijd «effectief» tarief, waarbij factoren zoals verrekenbare verliezen, aftrekposten en belastingkredieten niet of slechts gedeeltelijk worden meegenomen. Het geschetste beeld is daardoor niet volledig. De OESO-modelregels stellen het effectieve tarief per jurisdictie vast en houden wel rekening met deze factoren. Door met dergelijke factoren rekening te houden, is er minder neerwaartse druk op het effectieve tarief. Het in het rapport genoemde effectieve belastingpercentage laat zich daarom lastig vergelijken met de internationale OESO-norm.
Kunt u motiveren waarom het Palantir, een bedrijf dat notabene antidemocratische retoriek verspreidt, wordt toegestaan hun diensten te verkopen aan overheidsinstanties in Europa, waaronder Nederland, maar vervolgens niet bij te dragen aan de maatschappij door belastingen te ontwijken?
Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen is aangegeven, is het kabinet van mening dat vrijheid van gedachten een recht is dat mensen toekomt, en dat bedrijven niet als zodanig politieke visies kunnen hebben. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.2
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is geworden tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Sinds 1 januari 2021 heeft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.3 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is de wereldwijde minimumbelasting. Hierbij is relevant dat alle EU-lidstaten de wereldwijde minimumbelasting verplicht zijn in te voeren op basis van de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing. Als gevolg hiervan wordt de wereldwijde minimumbelasting op een coherente en gecoördineerde wijze toegepast binnen de EU. In Nederland is de wereldwijde minimumbelasting in de Wet minimumbelasting 2024 geïmplementeerd.
Bent u van mening dat het extreem lage effectieve belastingpercentage bestaande en op te richten Europese alternatieven belemmert in hun concurrentie met Palantir? Zo ja, hoe gaat u dat probleem aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 3 kan op basis van de beschikbare informatie niet worden vastgesteld of het effectieve belastingtarief volgens de OESO-modelregels voor de wereldwijde minimumbelasting in de verschillende jurisdicties waar zich groepsentiteiten van Palantir bevinden, «extreem laag» zou zijn. Ik deel daarom de mening niet dat de wereldwijde minimumbelasting de concurrentiepositie van Europese multinationals zou belemmeren. Daarbij merk ik op dat de wereldwijde minimumbelasting weliswaar een ondergrens stelt aan belastingconcurrentie maar dat niet belemmert dat nationale wetgevers buiten die ondergrens gunstige fiscale regimes in de winstbelasting kunnen invoeren. Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd, heeft het Inclusive Framework (IF) als onderdeel van het Side-by-Side-akkoord van de wereldwijde minimumbelasting afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden geadresseerd om de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen te waarborgen. Een toekomstige evaluatie («stocktake»), die het IF in 2029 wil afronden, is hiervoor voorzien. Het kabinet blijft daarnaast in gesprek met het bedrijfsleven om tijdig signalen van mogelijke concurrentieverstoring op te vangen.
Bent u van mening dat als het kabinet geloofwaardig wil inzetten op afbouw van samenwerking met Palantir, en Europese alternatieven wil stimuleren, deze geitenpaadjes gedicht moeten worden? Waarom wel of niet?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 4 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat, mede als gevolg van de ingevoerde maatregelen, wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van een belastingplichtige.
Bent u voornemens met uw Europese collega's in gesprek te treden om Palantir eerlijk te laten bijdragen en te leren van het Franse voorbeeld?
In het artikel van Follow The Money wordt vermeld dat een onderzoeksrapport is verschenen, gericht op de belastingstructuur van Palantir. In dat rapport is aangegeven dat er geen financiële gegevens beschikbaar zijn van de Nederlandse activiteiten van genoemd bedrijf. Gelet op de geheimhoudingsverplichting van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik hier verder niet op ingaan, evenmin hoe de Belastingdienst in het specifieke geval toezicht houdt. In algemene zin geldt dat de Belastingdienst risicogericht toezicht houdt. Hierbij worden zowel interne als externe signalen meegenomen. De Belastingdienst hanteert voor het toezicht verschillende toezichtsinstrumenten, waaronder controles en boekenonderzoeken. Daarnaast werkt Nederland op Europees en internationaal niveau samen met andere landen om belastingontwijking tegen te gaan en een eerlijke belastingheffing te bevorderen. Daarbij wordt ook informatie van andere landen betrokken en besproken. Indien daartoe aanleiding bestaat, kunnen belastingautoriteiten tevens samenwerken via multilaterale belastingcontroles.
Kunt u aangeven waarom het Frankrijk wel lukt om de winst van Palantir, grotendeels behaald met publieke gelden, eerlijk te belasten?
In het eerdergenoemde onderzoeksrapport wordt melding gemaakt van een controle van Palantir door Franse belastingautoriteiten. De achtergrond en uitkomsten van dit onderzoek blijken niet uit het rapport en zijn evenmin openbaar. Daardoor kan door de onderzoekers niet worden vastgesteld welke betekenis hieraan moet worden toegekend of wat de relevantie daarvan zou zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Gelet op de geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR kan ik bovendien niet ingaan op de fiscale positie van genoemd bedrijf in Nederland.
Bent u bereid om een soortgelijke ingreep als de Franse belastingdienst te doen om te zorgen dat Palantir ook in Nederland een eerlijke belasting betaald? Waarom wel of waarom niet?
Gelet op de geheimhoudingsverplichting op grond van artikel 67 AWR kan ik niet ingaan op de fiscale positie van genoemd bedrijf. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid een overzicht te geven van de overheidsinstellingen die contracten hebben met Palantir en welke onderneming van Palantir daar de contractspartner is, bijvoorbeeld de Amerikaanse moeder, de Britse- of de Nederlandse tak?
Er is geen centraal overheidsbreed overzicht van dergelijke contracten. Departementen en decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering, waaronder ICT-beheer en dienstverlening. In antwoord op diverse Kamervragen van het lid Van Houwelingen (FvD), evenals van de leden Van Vroonhoven en Six Dijkstra (beiden NSC) en van de leden Jagtenberg en El Boujdaini (beiden D66) is aangegeven dat op dit moment binnen de Rijksoverheid de politie en Defensie gebruik maken van Palantir.
Kunt u deze vragen apart en binnen de termijn beantwoorden?
Ja.
Het mogelijk onjuist informeren van de Tweede Kamer over het uitstellen van een besluit inzake arbeidsmigratie. |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-minister liet bewust na de Tweede Kamerverkiezingen weten het arbeidsmigratieplan te schrappen1» en klopt het dat uit vrijgegeven documenten blijkt dat voormalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Paul de bekendmaking van dit besluit bewust heeft uitgesteld tot na de verkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Een tijdlijn, die intern is gereconstrueerd, ziet er als volgt uit:
Voorafgaand aan het voorleggen van de brief aan hun Minister, wil VRO deze eerst ook intern bespreken en afstemmen.
Hoe verhoudt dit zich tot de uitspraken van voormalig Minister Paul tijdens het debat van 27 november 2025, waarin zij onder meer verklaarde dat de timing «werkelijk helemaal niks te maken had»2 met de verkiezingen en dat de vertraging werd veroorzaakt door ambtelijke afstemming en de voorbereiding van de Kamerbrief?
In de brief van 20 november 2025 aan uw Kamer en het daaropvolgende Kamerdebat van 27 november is gemeld dat mijn ambtsvoorganger bij het moment van versturen is uitgegaan van twee uitgangspunten. Ten eerste is terughoudend omgegaan met het versturen van een brief met een beleidswijziging als uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarnaast was de afstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) op woensdag 29 oktober eind van de dag gereed.
Deelt u de opvatting dat de Tweede Kamer, indien de vrijgegeven documenten juist zijn, tijdens dit debat onvolledig en/of onjuist is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met de Kamerbrief van 20 november en het daaropvolgende debat met uw Kamer op 27 november 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de weging en het proces omtrent het besluit over inhoudingen op minimumloon voor huisvesting.
Is naar uw oordeel sprake van een schending van de ministeriële informatieplicht? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met de inlichtingenplicht van bewindspersonen zoals die is opgenomen in artikel 68 van de Grondwet is opgenomen dat de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen ontvangen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat. Met de Kamerbrieven van 30 oktober en 20 november en het debat met uw Kamer op 27 november 2025 is uw Kamer geïnformeerd.
Welke consequenties verbindt u aan deze gang van zaken en bent u bereid alle relevante interne documenten over de besluitvorming en de gekozen communicatietiming alsnog aan de Kamer te verstrekken?
Ja. Alle relevante documenten die op grond van de Woo-verzoeken worden vrijgegeven, worden ook via het internet openbaar gemaakt.
Het bericht dat mensenrechtenorganisaties oordelen dat de dood van de Libanese journalist Amal Khalil een Israëlische oorlogsmisdaad is. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van mensenrechtenorganisaties Human Rights Watch, Amnesty International en het onderzoeksplatform Legal Agenda naar de Israëlische aanval op 22 april op het zuiden van Libanon, waarbij de Libanese journalist Amal Khalil werd gedood?1
De resultaten van het onderzoek van de genoemde mensenrechtenorganisaties baren het kabinet zorgen. Het feit is dat te veel burgers, onder wie journalisten, omkomen in Libanon. Dit moet stoppen. Veiligheid van journalisten in de breedste zin van het woord is en blijft één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Journalisten zijn, in hun hoedanigheid als burgers, beschermd onder internationaal recht. Zij moeten hun belangrijke werk, ook in conflictgebieden, in veiligheid kunnen uitvoeren. Het kabinet veroordeelt elke doelbewust aanval op journalisten overal ter wereld, ook in Libanon.
Herinnert u zich de op 15 april aangenomen motie-Dobbe c.s. (Kamerstuk 36 180, nr. 203) die de regering verzoekt bij te dragen aan onafhankelijk onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden tegen hulpverleners in Libanon, waar mogelijk in EU- en VN-verband? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Mogelijke oorlogsmisdrijven vragen om gedegen en onafhankelijk onderzoek. Dit is ook het geval waar het humanitaire hulpverleners in Libanon betreft. Het is in eerste instantie aan de nationale autoriteiten in Libanon om onderzoek toe doen naar vermeende misdrijven. De Libanese autoriteiten doen dat ook. Nederland ondersteunt hun inspanningen onder meer door bij te dragen aan de versterking van de nationale capaciteit voor bewijsvergaring in Libanon. In dat kader verleent Nederland voor de periode 2026–2029 een financiële bijdrage van EUR 1.200.000,– aan het Libanese Nationale Comité voor Internationaal Humanitair Recht.
Ook steunt Nederland het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de Mensenrechten (OHCHR) op verschillende manieren om onderzoek in de Libanese context te versterken. Ten eerste steunt Nederland het regionale OHCHR kantoor voor de mensenrechten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, gevestigd in Libanon, met een bedrag van EUR 1.250.000,– (2025–2026). Met deze steun draagt Nederland bij aan de monitoring van en rapportage over de mensenrechtensituatie in Libanon. Het OHCHR landenkantoor richt zich onder andere op mensenrechtenschendingen in het conflict tussen Israël en Hezbollah.
Ten tweede steunt Nederland de OHCHR Human Rights Inquiries Branch met een bedrag van EUR 3.500.000,– voor de periode 2025–2027. Middels deze steun kan de Inquiries Branch ondersteuning en capaciteit beschikbaar stellen ten behoeve van het verifiëren, analyseren en documenteren van informatie met betrekking tot vermeende mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Inmiddels heeft de OHCHR Inquiries Branch een beoordelingsteam in Libanon ingezet om bovengenoemde werkzaamheden te verrichten. Het team zal informatie verzamelen over vermeende schendingen begaan door staten en niet-statelijke actoren in de periode vanaf maart 2026. Daarnaast draagt het kabinet dit jaar EUR 450.000 extra bij aan het OHCHR kantoor in Libanon. Het geld is bedoeld om dat kantoor verder te ondersteunen in onderzoek naar mogelijke mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair oorlogsrecht, maar zal ook worden gebruikt voor steun aan eerder genoemd beoordelingsteam.
Bent u bereid om in EU- en VN-verband te pleiten voor onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de aanval op en de dood van de Libanese journalist Amal Khalil zoals waar mensenrechtenorganisaties Human Rights Watch, Amnesty International en het onderzoeksplatform Legal Agenda voor pleiten?
Nederland dringt aan op onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar vermeende internationale misdrijven, waar mogelijk ook bij individuele gevallen, zoals de aanval op de Libanese journalist Amal Khalil. Nederland vraagt internationaal al geruime tijd meer aandacht voor de toenemende straffeloosheid bij geweld tegen journalisten wereldwijd. Dit doet Nederland onder andere in de context van de Media Freedom Coalition, bijvoorbeeld door recente ondertekening van een verklaring over de veiligheid van journalisten en de toegang tot informatie in het Midden-Oosten.2 Daarnaast is, mede op initiatief van Nederland, sterkere taal opgenomen in de Mensenrechtenraadresolutie over vrijheid van meningsuiting. OHCHR heeft hiermee een ruimer mandaat gekregen voor onderzoek naar misdrijven tegen journalisten, met als doel bijdragen aan het tegengaan van straffeloosheid. Ook heeft Nederland tijdens de 62e Mensenrechtenraad in juni jl., samen met de Nederlandse niet-gouvernementele organisatie Free Press Unlimited, een side-event georganiseerd over het belang van de veiligheid van journalisten in conflictgebieden, met bijdragen van journalisten uit Oekraïne, Soedan en Gaza.
Indien onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar deze aanval niet in VN- of EU-verband kan plaatsvinden bent u bereid om ook buiten deze verbanden hier het voortouw te nemen zodat onafhankelijk en onpartijdig onderzoek hiernaar gedaan zal worden?
Zoals omschreven onder vraag 2, wordt door zowel Libanon en in VN-verband reeds het voortouw genomen op onafhankelijk en onpartijdig onderzoek zodat vermeende misdrijven – waaronder ook misdrijven gepleegd tegen hulpverleners en journalisten – niet onbestraft blijven.
Het bericht ‘Minister Mariëlle Paul verzweeg bewust tot na de verkiezingen dat ze een plan ter bescherming van arbeidsmigranten introk’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat uw voorganger al vóór de Tweede Kamerverkiezingen besloot een wetsvoorstel voor de afbouw van looninhoudingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten in te trekken, maar de Tweede Kamer daar pas één dag ná de verkiezingen over informeerde?1
Ja.
Klopt het dat het besluit tot terugtrekking van de wet al eind september was genomen, maar de Kamer daar pas na de verkiezingen over werd geïnformeerd?
Ja. Ik zou graag een tijdlijn met u willen delen, die intern is gereconstrueerd:
Waarom is er door uw voorganger voor gekozen de Kamerbrief pas na de verkiezingen te versturen waardoor kiezers en de Kamer vóór de verkiezingen geen kennis konden nemen van dit besluit?
Bij het moment van versturen is mijn ambtsvoorganger uitgegaan van twee uitgangspunten. Ten eerste is terughoudend omgegaan met het versturen van een brief met een beleidswijziging als uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarnaast was de afstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) op woensdag 29 oktober eind van de dag gereed.
Deelt u de mening dat een demissionair kabinet de Kamer en de samenleving tijdig en volledig moet informeren over ingrijpende beleidswijzigingen, ook in verkiezingstijd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hier misgegaan?
Jazeker. Daarbij kan ik me voorstellen dat terughoudendheid is betracht bij het versturen van een Kamerbrief met een beleidswijziging wanneer uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarmee wordt voorkomen dat in aanloop naar verkiezingen beleidswijzigingen worden voorgesteld die kunnen leiden tot discussie, zonder dat de Kamer daar meteen op kan reageren.
Wat vindt u van het ontijdig informeren van de Kamer en de samenleving door uw voorganger?
De lijn om in verkiezingsreces terughoudendheid te betrachten bij het versturen van Kamerbrieven met beleidswijzingen kan ik volgen.
Bent u bereid het besluit tot terugtrekking van het wetsvoorstel terug te draaien en de looninhouding voor huisvesting alsnog af te bouwen, zoals eerder voorgesteld door het vorige kabinet en onderdeel van de aanbevelingen van onder meer de Commissie Roemer en de Arbeidsinspectie? Zo nee, waarom niet?
In het Kamerdebat op 27 november 2025 zijn twee moties ingediend die verzoeken om de inhoudingsmogelijkheid op het minimumloon voor huisvestingskosten alsnog af te schaffen, zo mogelijk gelijktijdig met het wetsvoorstel van VRO over huurbescherming. Tijdens het Commissiedebat Arbeidsmigratie van 3 juni 2026 heb ik toegezegd uw Kamer over mijn standpunt te informeren. Uw Kamer ontvangt hierover zo snel mogelijk een brief van mij. Mijn inzet is om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting in het minimumloon in lijn met de door de Tweede Kamer aangenomen moties gelijktijdig met de invoering van de huurbeschermingswet af te schaffen.2 3
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Nederland online wordt aangeprezen als een groot asielparadijs. |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland online aangeprezen als een groot asielparadijs: «De deur staat open, neem je hele gezin mee»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Nederland inmiddels de populairste bestemming is om asiel aan te vragen bij Palestijnen, Soedanezen en Jemenieten?
Welke landen van herkomst in aantal veel voorkomen in de jaarlijkse instroomcijfers kunnen per jaar verschillen. Dit heeft te maken met een veelvoud aan factoren en het asielbeleid dat Nederland voert heeft daar slechts in beperkte mate invloed op.
Denkt u dat deze lieden u zullen helpen met het bestrijden van het islamitisch geweld tegen de lhbti-gemeenschap?
Geweld en intimidatie tegen lhbtiq+-personen zijn volstrekt onacceptabel, door wie dan ook gepleegd. Het kabinet zet zich daarom breed in voor de maatschappelijke acceptatie van de lhbtiq+-gemeenschap en voor het tegen gaan van alle vormen van geweld tegen de lhbtiq+-gemeenschap. Nederland moet en wil bescherming bieden aan mensen die hun land ontvluchten om wie ze zijn. Het kabinet verwacht ook van iedereen die naar Nederland komt dat hij de waarden van onze democratische samenleving omarmt, waaronder godsdienstvrijheid, gelijkheid van man en vrouw en acceptatie van lhbtiq+’ers.
Hoe beoordeelt u de abjecte uitspraken uit het artikel, zoals: «Waar kan ik me melden?», Geweldig nieuws voor Soedanese vluchtelingen», «Je kunt je hele gezin meenemen!», «Het is hier uitstekend. Kom gewoon.»?
Zoals uw Kamer bekend, is het verspreiden van onjuiste of onvolledige informatie via sociale media geen nieuw fenomeen. In deze context kan dit mensensmokkelaars in de kaart spelen, die profiteren van mensen die op zoek zijn naar een veilig heenkomen.
Wanneer heeft u besloten dat Nederland als het gaat om asiel de gestoorde dorpsgek van Europa moet worden?
Het Europese asielbeleid, zoals recent volledig is herijkt via het Asiel- en Migratiepact, is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten die in Europese gezamenlijkheid zijn onderstreept. Bij de verwerking naar het Nederlandse toelatingsbeleid is gekozen voor een zo sober mogelijke implementatie.
De Uitvoerings- en implementatiewet van het Asiel- en migratiepact bevat daarnaast ook maatregelen als de invoering van een tweestatusstelsel, de aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het verkorten van de geldigheidsduur van de verblijfstitel en het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.
Derhalve geeft het kabinet met een breed pakket aan maatregelen, welke vanzelfsprekend verenigbaar zijn met de grondrechten en het Europese en internationale recht en rechtsbeginselen, uitvoering aan maatregelen met als doel de instroom van asielzoekers en nareizigers te verminderen en de asielprocedure efficiënter in te richten.
Kortom, het Nederlandse asielbeleid voldoet aan de minimale Europeesrechtelijke normen en is in lijn met het beleid van andere lidstaten.
Bent u er trots op dat uw opengrenzenbeleid en het aanbieden aan asielzoekers van gratis opvang, zorg, leefgeld, maaltijden, geen eigen risico, geen eigen bijdrage en het met voorrang geven van sociale huurwoningen aan statushouders – de aantrekkingskracht van Nederland als walhalla voor asielprofiteurs heeft gemaximaliseerd?
Asielzoekers verblijven tijdens de behandeling van hun asielaanvraag tijdelijk in een opvangvoorziening. De voorzieningen die zij daar ontvangen, kunnen niet één-op-één worden vergeleken met de financiële positie en vaste lasten van personen die buiten de opvang wonen. De opvang biedt onderdak en andere basisvoorzieningen, maar gaat gepaard met beperkte keuzevrijheid ten aanzien van onder meer de woonlocatie en de inrichting van het dagelijks leven. Asielzoekers met inkomsten uit arbeid en of vermogen betalen daarnaast een eigen bijdrage aan de opvang.
Personen die buiten de opvang wonen hebben eigen lasten voor huisvesting, zorg en levensonderhoud, maar kunnen afhankelijk van hun situatie aanspraak maken op inkomensondersteunende regelingen en beschikken over rechten en zekerheden, zoals een eigen woonruimte en huurbescherming, die de opvang naar haar aard niet biedt.
Het kabinet onderkent dat de druk op de woningmarkt voor veel mensen groot is en dat betaalbare woonruimte voor veel woningzoekenden moeilijk beschikbaar is. Deze problematiek kent echter meerdere oorzaken en kan niet worden teruggebracht tot de huisvesting van statushouders of de voorzieningen die aan asielzoekers in de opvang worden geboden. Het kabinet zet daarom onverminderd in op zowel het vergroten als het beter benutten van de huidige woningvoorraad.
Tot slot maakt dit kabinet zich hard voor meer grip op migratie door uitvoering te geven aan het Europese Asiel- en Migratiepact, met meer uniformiteit in de wetgeving en beleid omtrent asiel in de EU lidstaten, het versterken van de Europese buitengrenzen, het invoeren van effectievere asielprocedures met kortere behandeltermijnen en het invoeren van een zogeheten solidariteitsmechanisme.
Realiseert u zich dat onze eigen mensen helemaal niets gratis, krijgen en zich blauw betalen aan huren en boodschappen en geen huis kunnen vinden of betalen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat dit beleid ongepast en kwaadaardig is? Zo ja, wilt u onmiddellijk aftreden? Zo nee, wilt u ook onmiddellijk aftreden?
Nee.
Hoeveel Nederlanders moeten nog jarenlang op een woning wachten, hoeveel miljarden aan belastinggeld moeten nog worden verspild aan de asielgekte, hoeveel wijken moeten nog verloederen, hoeveel Nederlanders moeten zich nog vreemde in eigen wijk, dorp of stad voelen, hoeveel homo’s moeten er nog in elkaar worden geslagen en hoeveel meisjes en vrouwen nog aangerand en vermoord, voordat u eindelijk bereid bent de Nederlandse grenzen te sluiten voor asielzoekers en hun gezinsleden en een totale asielstop in te voeren?
Dit kabinet kiest voor meer grip op migratie met als inzet de instroom te verlagen en vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers te verhogen. Zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop. Het Asiel- en migratiepact moet ons meer grip op de instroom in de Europese Unie geven. Om effectieve terugkeer en vertrek van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen te bevorderen is het streven van het kabinet om met de nieuwe Terugkeerverordening de terugkeerprocedure simpeler, efficiënter en doeltreffender te maken en de samenwerking met landen buiten de Europese Unie te versterken, onder andere via migratiepartnerschappen.
Het wetsvoorstel Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en de daarbij horende novelle die thans voorligt bij de Eerste Kamer zorgt eveneens voor een verbetering van het terugkeerbeleid en creëert een bestuursrechtelijk kader voor vreemdelingenbewaring. Met deze wet moet terugkeer beter kunnen worden afgedwongen als vreemdelingen moet vertrekken uit Nederland.
Wilt u deze vragen één voor één en binnen tien dagen beantwoorden?
Ik heb geprobeerd uw vragen zo spoedig mogelijk en waar mogelijk één voor één te beantwoorden.
Het onttrekkingsverbod van het Hoogheemraadschap van Delfland en de gevolgen voor de glastuinbouw. |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Hoogheemraadschap van Delfland vanaf woensdag 5 augustus een volledig verbod instelt op het onttrekken van oppervlaktewater en alle sluizen in het beheergebied sluit?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de constatering van Delfland dat dit de meest verstrekkende maatregel is die het waterschap ooit heeft genomen? Hoe beoordeelt u de omvang en urgentie van deze situatie?
Het hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) noemt het onttrekkingsverbod op zijn website een uitzonderlijke situatie met grote gevolgen voor inwoners en bedrijven, maar geeft aan dat de maatregel onvermijdelijk is om grotere schade aan de leefomgeving te beperken. Die beschouwing deel ik. De droogte is in heel Nederland voelbaar en het neerslagtekort is in alle regio’s, ook die van Delfland, groot. De situatie van Delfland verschilt met andere regio’s vanwege de volgende aspecten: het neerslagtekort in deze regio is nog groter dan het gemiddelde in Nederland en de aanvoer van zoet water in het gebied is beperkt mogelijk. Bovendien is de watervraag vanuit de tuinbouw hoog en er liggen veel droogtegevoelige keringen in het beheergebied.
Delfland heeft de zorgplicht voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid van haar inwoners en het gebied. Vanwege het behoud van de peilen in het gebied zijn de verstrekkende maatregelen ingezet, omdat de situatie urgent is. Vanuit de verdringingsreeks, zoals vastgelegd in de wet, gaat bij watertekorten de veiligheid van keringen vóór op andere functies zoals landbouw. Dat is inmiddels ook bekend bij alle betrokken sectoren, zie ook bijlage 1. Daarbij wordt continue gekeken of maatregelen niet langer dan noodzakelijk van kracht zijn. Dit heeft er ook toe geleid dat Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk heeft opgeheven tot en met 26 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Klopt het beeld dat de verminderde beschikbaarheid van zoetwater via het Brielse Meer en de Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA) wordt veroorzaakt door een combinatie van aanhoudende droogte, een historisch lage afvoer van de Rijn en toenemende verzilting? Kunt u toelichten hoe de zoetwateraanvoer naar West-Nederland zich de afgelopen weken heeft ontwikkeld?
Ja, via de grote rivieren (met zeer lage en nog steeds afnemende afvoeren) en de klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA+) wordt zoetwater aangevoerd naar West-Nederland. Water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek wordt met behulp van gemalen, watergangen en stuwen naar Midden- en West-Nederland gepompt, om daar watertekorten en verzilting zo veel mogelijk tegen te gaan. Door de hoge temperaturen is de verdamping erg groot, waardoor niet aan de volledige watervraag kan worden voldaan.
Hoe kan het dat tot voor kort de verwachting was dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren, terwijl de aanvoer inmiddels is stopgezet? Op welk moment werd duidelijk dat dit noodzakelijk was? Was deze ontwikkeling, gelet op de al langer bekende lage Rijnafvoer en toenemende verzilting, eerder te voorzien?
Tot voor kort was de verwachting dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren. Door de aanhoudend lage Rijnafvoer en toenemende verzilting kwam de zoetwatervoorziening echter onder druk te staan. De aanvoer uit het Brielse Meer is niet stopgezet. Het Brielse Meer loopt wel risico op verzilting. Verzilting vormt een probleem voor onder andere de landbouw omdat gewassen niet tegen zilt water kunnen. Ook voor andere functies die water uit het Brielse Meer gebruiken is verzilting een probleem, zoals voor de natuur en industrie.
Zijn de sector en de betrokken ondernemers naar uw oordeel tijdig betrokken en geïnformeerd over de maatregelen en stappen die worden genomen tijdens periodes van droogte, zoals we die momenteel kennen, zodat zij hierop adequaat kunnen anticiperen? Worden ook andere sectoren en ondernemers elders in het land, die te maken krijgen met uitzonderlijke maatregelen, zoals op het Twentekanaal2, tijdig geïnformeerd en meegenomen, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden?
Na het genomen besluit zijn alle stakeholders, waaronder de glastuinbouw, direct geïnformeerd. Het besluit is na 5 dagen in werking getreden, waarmee betrokkenen zich konden voorbereiden op het besluit.
Ook elders in het land worden sectoren en ondernemers geïnformeerd over de droogtesituatie, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden. Om betrokken partijen tijdig te informeren, wordt via verschillende kanalen informatie gedeeld over de ontwikkeling van droogte en de beschikbaarheid van zoetwater. Zo wordt onder meer via de Droogtemonitor Rijkswaterstaat (RWS) en binnen de Regionale Droogte Overleggen (RDO’s) informatie uitgewisseld over de actuele situatie en de te verwachten ontwikkelingen. Ook waterschappen informeren betrokken partijen hierover vanuit hun eigen verantwoordelijkheid.
Op welke wijze worden ondernemers die direct worden geraakt door dergelijke verstrekkende maatregelen na de inwerkingtreding daarvan betrokken bij de vervolgstappen, zodat zij tijdig duidelijkheid krijgen over het toekomstperspectief en hun bedrijfsvoering daarop kunnen afstemmen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Heeft u, dan wel Rijkswaterstaat, de afgelopen weken actief contact gehad met Delfland en de andere betrokken waterschappen over de aanvoer van zoetwater? Had het Rijk – bijvoorbeeld via de Landelijke Commissie Waterverdeling (LCW) – met een andere sturing op het hoofdwatersysteem deze acute situatie geheel of gedeeltelijk kunnen voorkomen, en welke rol pakt het Rijk nu? . Welke onomkeerbare schade ontstaat volgens u wanneer een onttrekkingsverbod slechts gedeeltelijk wordt ingesteld? Kunt u daarbij aangeven welke schade, naast schade aan dijken en de waterveiligheid, wordt voorkomen? Hoe verhoudt deze schade zich tot de gevolgen die een volledig onttrekkingsverbod heeft voor de glastuinbouw?
Ja, binnen het regionale droogteoverleg West Midden is er in de afgelopen weken continu afstemming geweest tussen de waterbeheerders (Rijkswaterstaat, Hoogheemraadschappen van Rijnland, Delfland, Schieland en de Krimpenerwaard, De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht). Ook zijn de Staatssecretaris van LVVN en ik op 13 augustus jl. op werkbezoek geweest in het Westland en hebben daar samen met Glastuinbouw Nederland ondernemers in de glastuinbouw gesproken.
Vanaf begin juli vindt aanvullend landelijke afstemming en coördinatie plaats binnen de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) en sinds half juli in het Managementteam Watertekorten (MTW). Binnen de LCW en MTW wordt de watervraag in de verschillende regio’s zo goed mogelijk bediend en wordt het water verdeeld conform de verdringingsreeks, maar de hoeveelheid beschikbaar water is te klein om aan alle waterbehoeften te voldoen. Vandaar ook de opschaling naar fase 2: feitelijk watertekort.
Welk beeld heeft u van de gevolgen van het onttrekkingsverbod voor de glastuinbouw? Hoeveel glastuinbouwbedrijven worden volgens u direct door het verbod geraakt? Bent u ermee bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins deze week droog dreigen te komen te staan, ondanks de gerealiseerde extra opvangcapaciteit? Zo ja, hoe beoordeelt u deze situatie?
Het algehele onttrekkingsverbod in het beheergebied van Delfland is genomen met het oog op de waterveiligheid. In het algemeen geldt dat de categorieën 1 en 2 van de verdringingsreeks maatschappelijke functies betreft, waarbij het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting centraal staat. De categorieën 3 en 4 betreffen economische functies en overige behoeftes.
Worden er op dit moment noodoplossingen onderzocht om de sector door deze periode te helpen? Is bijvoorbeeld gezuiverd effluent uit rioolwaterzuiveringen inzetbaar, of andere alternatieve bronnen? Welke rol kan het Rijk daarbij spelen?
Binnen het beheergebied van Delfland bevinden zich circa 1.500 glastuinbouwbedrijven. Naar schatting teelt 10% hiervan in de volle grond en is afhankelijk van water uit sloten en regenbassins. Deze bedrijven worden direct geraakt door het onttrekkingsverbod van Delfland. Bij een langdurig verbod kan schade ontstaan aan gewassen en daarmee aan de productie en bedrijfscontinuïteit. De overige 90% van de bedrijven zijn niet volledig afhankelijk van het gebruik van oppervlaktewater. Deze bedrijven kunnen recirculeren en/of alternatieve waterbronnen inzetten.
Het is mij bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins droog dreigen te komen te staan. Dit onderstreept de ernst van de situatie. Tegelijkertijd sta ik achter de keuze van Delfland om binnen de geldende wettelijke kaders en de daarbij behorende verdringingsreeks te handelen en een onttrekkingsverbod in te stellen.
Wanneer de situatie verbetert en oppervlaktewater weer beschikbaar komt: op welke wijze wordt bepaald welke sectoren en organisaties als eerste weer water mogen gebruiken? Deelt u de opvatting dat daarbij gekeken moet worden naar de partijen die de grootste en meest onomkeerbare schade lijden, zoals teelten, jonge natuur- en groenaanplant en sportvelden?
Ja, met betrokkenheid van mijn departement wordt momenteel onder leiding van Delfland met urgentie onderzocht of- en onder welke voorwaarden aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren aan de sector beschikbaar zijn. Er liggen meerdere opties op tafel, zoals bijvoorbeeld ontzilting van brak- of zoutwater, hergebruik van effluent en wateraanvoer vanuit het Hollands Diep via tankwagens. Tevens heeft Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk opgeheven (t/m 26 augustus) voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Welke structurele maatregelen neemt u, samen met de waterschappen en de betrokken sectoren, om de zoetwatervoorziening in Nederland toekomstbestendig te maken en herhaling van situaties zoals de huidige zo veel mogelijk te voorkomen? Welke aanvullende of specifieke maatregelen acht u daarbij noodzakelijk voor West-Nederland, gelet op de kwetsbaarheid van deze regio voor zoetwatertekorten?
Zolang er nog sprake is van watertekorten, blijft opschalingsniveau 2 van kracht. Water wordt dan verdeeld volgens de verdringingsreeks. Als de situatie zodanig verbetert dat er meer water beschikbaar is dan nodig in categorie 1 en 2, wordt gekeken hoe maatschappelijk gezien binnen categorie 3 en vervolgens categorie 4 het water zo goed mogelijk verdeeld kan worden. In de praktijk wordt gestuurd op het zoveel mogelijk voorkomen van schade. Welke sectoren binnen de categorieën van de verdringingsreeks dan in welke volgorde worden bediend, verschilt per regio en is afhankelijk van het weer en de waterhuishoudkundige situatie.
Hoe kan er, in samenwerking met waterschappen en regionale overheden, voor gezorgd worden dat ondernemers in het Westland, maar ook elders in Nederland die door droogte of de daaruit voortvloeiende maatregelen kunnen worden geraakt, tijdig worden geïnformeerd en betrokken, zodat zij zich adequaat kunnen voorbereiden en in hun bedrijfsvoering kunnen anticiperen op de gevolgen van dergelijke maatregelen?
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018, 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken, het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement. Met de huidige klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen, maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers en sectoren.
Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit programma3. Deze maatregelen zijn ook van belang voor de regio West-Nederland.
Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale watersysteem, waaronder dat van West-Nederland. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Naast fysieke maatregelen wordt onderzoek voorbereid, waaronder een Kennisimpuls Externe Verzilting. Dit is voor de regio West-Nederland van groot belang. Of de maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds4. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke maatregelen het meest urgent zijn.
Bent u bereid deze vragen, gelet op de urgentie en het acute karakter voor de betrokken ondernemers, met spoed en bij voorkeur binnen enkele weken te beantwoorden?
Er is nauw contact tussen de ondernemers en de waterbeheerders. De huidige droogtesituatie kent een lange aanloop en betrokkenen zijn in de reguliere overlegsituaties daar al zoveel mogelijk op voorbereid. Dit betreft niet alleen informatievoorziening over de actuele situatie maar ook meer structureel bij het opstellen van procedures en protocollen. Dit geldt zowel bij hoogwatersituaties als bij neerslagtekorten. Dit was ook één van de punten die uit de evaluatie van de droogte in 2018 en 2022 volgde.
Ook in het kader van het Deltaprogramma wordt al sinds langere tijd gesproken over «waterbeschikbaarheid». Ondernemers weten inmiddels ook dat 100% waterbeschikbaarheid niet bestaat. Als ondernemers de risico’s voor hun bedrijfsvoering te groot vinden, dan kunnen ze daar zelf aanvullende maatregelen voor nemen. Bijvoorbeeld met een groter bassin, grijswateraanvoer of waterbesparende maatregelen. Veel ondernemers hebben dat ook al gedaan. De ervaringen van deze droogte zullen waar mogelijk worden vertaald naar aanvullende maatregelen en afspraken en kunnen mogelijkerwijs leiden tot aanpassingen in de bedrijfsvoering. Daarbij zijn echter ook beperkende factoren aan de orde, zoals gebrek aan ruimte voor wateropslag en de gesteldheid van de bodem.
De opname van aangiftes van slachtoffers die zich hebben verdedigd na een geweldsincident |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lizzy (21) uit het niets zwaar mishandeld door getinte spierbundel: «Hij stormde op me af en begon me in mijn gezicht te slaan»»?1
Ja.
Hoe vaak is sinds 1 januari 2026 geweigerd dan wel afgeraden een aangifte van een geweldsslachtoffer op te nemen omdat de politie meende dat sprake was van een conflict tussen beide partijen, wederzijds geweld of noodweer/zelfverdediging? Wordt dit geregistreerd? Zo nee, waarom niet?
Wanneer er vermoedens zijn van een strafbaar feit, wordt er altijd aangeraden en aangemoedigd om hiervan aangifte te doen bij de politie.
De politie is verantwoordelijk voor toegankelijke en zorgvuldige dienstverlening aan iedere burger. Aangiften worden, ongeacht de ernst van het misdrijf, opgenomen wanneer zij aan de wettelijke vereisten voldoen. Dit wordt niet geregistreerd, omdat de politie geen gegevens vastlegt over aangiftes die niet zijn opgenomen.
Kunt u aangeven op grond van welke wettelijke bepalingen, beleidsregels of werkinstructies de politie kan besluiten een aangifte van een geweldsincident niet op te nemen? Op basis van welke criteria beoordeelt de politie of een aangifte wel of niet wordt opgenomen?
Eenieder die kennis draagt van een strafbaar feit mag hiervan aangifte doen. Aangiften worden, ongeacht de ernst van het misdrijf, opgenomen wanneer zij aan de wettelijke vereisten voldoen. Bij de verdere opvolging en prioritering van zaken weegt de politie onder meer de ernst van het misdrijf, de situatie van het slachtoffer en het belang van eventueel opsporingsonderzoek mee.
Het maken van keuzes in de opsporing behoort standaard tot het werk van het Openbaar Ministerie en de politie en vindt plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.
Deelt u de opvatting dat slachtoffers die zich hebben verdedigd, niet ontmoedigd mogen worden om aangifte te doen? Zo nee, waarom niet?
Slachtoffers hebben altijd recht om aangifte te doen. De politie moedigt het juist aan om aangifte te doen wanneer er sprake is, of vermoedens zijn van een strafbaar feit. Er zijn verschillende manieren voor slachtoffers om aangifte te doen.
Zo ontwikkelt de politie haar dienstverlening steeds meer in een omnichannel-vorm, ook voor het doen van aangifte. Dat houdt in dat burgers, afhankelijk van de aard van hun melding, via de juiste route worden geholpen, zodat het contact aansluit bij hun situatie en behoefte. Voor het doen van aangifte zijn politie.nl en 0900-8844 in principe de primaire ingangen. Via deze kanalen kan voor een aantal strafbare feiten direct aangifte worden gedaan. In andere gevallen adviseert en verwijst de politie bijvoorbeeld om telefonisch aangifte te doen of een afspraak te maken voor een aangifte op het bureau.
Op welke wijze wordt de politie geïnstrueerd om onderscheid te maken tussen een aanvaller en iemand die uit noodweer of zelfverdediging heeft gehandeld?
De opleiding BOA Intake en Service van de Politieacademie leidt de deelnemers op als eerste aanspreekpunt voor burgers aan de telefoon of aan de balie. Wat betreft de opname van aangiftes wordt van de politiemedewerkers verwacht dat zij de richtlijnen volgen, maar hier ook beargumenteerd van kunnen afwijken als de situatie daarom vraagt.
De politiemedewerkers worden getraind om bij het opnemen van aangiftes gesprekstechnieken toe te passen en de hulpvraag en de situatie te verduidelijken, zodat de feitelijke gegevens zo goed mogelijk op papier komen. Het is aan het OM om op basis van alle verklaringen in het proces-verbaal te beoordelen of er sprake is van noodweer of zelfverdediging.
Acht u het wenselijk dat de politie slachtoffers actief informeert over de mogelijkheid om aangifte te doen, ook wanneer zij zich tijdens het incident hebben verdedigd? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat slachtoffers nooit de indruk mogen krijgen dat zij geen aangifte kunnen doen omdat zij zich tegen een aanval hebben verdedigd? Welke maatregelen neemt u om dit te waarborgen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de werkinstructies voor de politie aan te scherpen, zodat slachtoffers van geweld niet worden ontmoedigd aangifte te doen en aangiften in beginsel altijd worden opgenomen?
De politie heeft voldoende handvatten om aangiftes goed en professioneel op te pakken. Er zijn mij geen signalen bekend die vragen om aanscherping van de werkinstructies van de politie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk, in ieder geval vóór 9 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
De onveilige situatie bij zorgcentrum Pelgromhof in Zevenaar |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Dochter krijgt telefoontje van zorgcentrum en ontdekt dat er maar één medewerker is voor 26 ouderen»1 en «Eigen personeel van zorgcentrum hoopt dat werkgever omvalt: «Dat is voor iedereen beter»»?2
Ja, ik heb de artikelen gelezen. Ze schetsen een ernstig beeld van de situatie bij deze zorgaanbieder. Ik ben geschrokken van de berichtgeving, want ik vind het belangrijk dat ouderen veilige en liefdevolle zorg en ondersteuning krijgen die voldoet aan het kwaliteitskader dat hiervoor geldt. De IGJ doet onafhankelijk onderzoek naar de meldingen die bij hen zijn gemaakt.
Klopt het dat bij zorgcentrum Pelgromhof één jonge medewerker alleen verantwoordelijk was voor 26 kwetsbare ouderen en dat er geen avond- en nachtdienst aanwezig was?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Deelt u de mening dat het volstrekt onverantwoord is dat één medewerker alleen wordt gelaten met 26 kwetsbare bewoners? Zo nee, waarom niet?
Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van de IGJ kan ik geen uitspraken doen over de kwaliteit en veiligheid van zorg op de locaties Maria Postel en Pelgromhof van Pecura Zorg. Meer in het algemeen moeten zorgaanbieders voldoen aan de normen en regels met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Klopt het dat er twaalf diensten openstonden, dat medewerkers zelf vervanging moesten regelen en dat aan familieleden werd gevraagd bij te springen? Hoe worden onder deze omstandigheden de continuïteit en veiligheid van de zorg gegarandeerd?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de meldingen over een bewoner die ’s nachts in het eigen braaksel lag, een bewoner die tijdens het lopen haar katheter verloor en een bewoner die ten val kwam? Zijn deze incidenten gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Klopt het dat zorgverleners in opleiding zelfstandig nachtdiensten draaien en dat diensten worden uitgevoerd door zzp’ers die niet altijd voldoende gekwalificeerd zijn? Vindt u dit verantwoord?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de signalen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk meermaals is overtreden en dat zieke medewerkers onder druk worden gezet om snel weer aan het werk te gaan? Welke stappen worden hiertegen genomen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding van een vakbond ontvangen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk is overtreden. Tevens is gemeld dat er sprake is van hoge werkdruk en onderbezetting en het ontbreken van een basiscontract. Gezien het faillissement van Percura Zorg zullen deze meldingen niet meer onderzocht worden.
Klopt het dat Percura Zorg sinds 13 mei jl. niet meer beschikt over een arbodienst en daardoor ook geen bedrijfsarts heeft, nadat de arbodienst de dienstverlening wegens wanbetaling heeft beëindigd? Welke gevolgen heeft dit voor de begeleiding en bescherming van medewerkers en welke maatregelen worden genomen om deze situatie zo snel mogelijk te herstellen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding hierover ontvangen. Gelet het faillissement van Percura zorg zal deze melding niet meer worden onderzocht.
Hoeveel meldingen hebben de IGJ en de Nederlandse Arbeidsinspectie ontvangen over Percura Zorg en welke maatregelen zijn tot nu toe genomen?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in de jaren 2024 en 2026 in totaal 9 meldingen over Percura Zorg ontvangen. In 2024 heeft onderzoek plaatsgevonden, waarin 3 meldingen zijn onderzocht, met als resultaat één overtreding waarvoor een waarschuwing is gegeven. Zoals ook is aangegeven bij vragen 7 en 8, zijn recent twee meldingen door een vakbond gedaan, die vanwege het faillissement van Percura zorg niet worden onderzocht. De overige meldingen lagen niet op het werkterrein van de Nederlandse Arbeidsinspectie of kwamen niet in aanmerking voor onderzoek.
Op welke wijze wordt voorkomen dat de financiële problemen van Percura Zorg, waaronder wanbetaling aan uitzendkrachten en andere dienstverleners, ten koste gaan van de veiligheid en continuïteit van de zorg voor de bewoners?
Percura Zorg B.V. is per 11 augustus 2026 failliet verklaard. De zorg die geleverd werd op de locatie Maria Postel is inmiddels overgenomen door een nieuwe partij. Voor de locatie Pelgromhof wordt nog gezocht naar een overnemende partij. De curator is verantwoordelijk voor de afwikkeling van het faillissement van Percura zorg B.V. De zorg voor de ruim 20 bewoners loopt ondertussen door, aldus de curator. Het toezicht van de IGJ richt zich de komende periode op de kwaliteit van de zorg die nog geleverd wordt en een zorgvuldige overgang van cliënten naar een nieuwe zorgaanbieder. IGJ is daarover in gesprek met de bestuurder en de curator. Het zorgkantoor is vanuit diens zorgplicht hard aan het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. De NZa houdt hier toezicht op.
Waarom is bij de locatie Pelgromhof nog niet ingegrepen, terwijl medewerkers al langere tijd waarschuwen voor ondermaatse zorg en de locatie Maria Postel inmiddels failliet is verklaard?
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de uitkomsten van de onderzoeken van beide inspecties en over de maatregelen die worden genomen?
De recente meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie worden vanwege het faillissement van Percura zorg niet onderzocht.
De IGJ zal zodra het onderzoek afgerond is haar rapport publiceren op haar website.
Het bericht ‘Klap voor woonminister: ING verwacht veel minder nieuwe woningen dan ministerie voorspelde’ |
|
René Claassen (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Klap voor woonminister: ING verwacht veel minder nieuwe woningen dan ministerie voorspelde»?1
Ja.
Deelt u de opvatting van sectoreconoom bouw Maurice van Sante van ING dat uw claim over 100.000 woningen in 2027 gebaseerd was op een onjuiste weergave van de feiten (noch een nieuwbouwgetal, noch een woningvoorraadgetal)?
De ING-econoom stelt in het artikel dat alleen naar de nieuwbouw gekeken zou moeten worden. Als toevoegingen zoals transformaties en splitsingen daarbij opgeteld worden dan zou het aantal gesloopte woningen in mindering moeten worden gebracht.
Zoals eerder met uw Kamer is gecommuniceerd (zie jaarlijkse ABF-rapporten en bijbehorende Kamerbrieven2, voortgangsrapportages programma woningbouw, Staat van de Volkshuisvesting), betreft de woningbouwdoelstelling een «bruto doelstelling». Dat wil zeggen: de doelstelling is zo geformuleerd dat we rekening houden met de noodzakelijke compensatie van de geraamde sloop van woningen. Om die reden wordt sloop niet van de doelstelling afgetrokken. Deze zit al in de doelstelling verwerkt. Het aan u aangeboden Primos 2026 rapport, het rapport waar in het artikel op wordt gereageerd, is duidelijk over woningbouw, sloop en over het effect hiervan op de woningvoorraad.
Voor de woningbouwdoelstelling tellen bovendien niet alleen nieuwbouwwoningen, want elke nieuwe woning is er één. Woningbouw betreft woningen die gerealiseerd worden door nieuwbouw van woningen (het realiseren van woningen op een lege kavel) en de woningen die gerealiseerd worden door «verbouw» van reeds bestaande gebouwen tot (meer) woningen. Denk daarbij aan het realiseren van woningen in voormalige kantoorgebouwen (transformatie), optoppen (toevoegen van woningen op reeds bestaande gebouwen) of het splitsen van woningen zodat meer woningen ontstaan.3 Deze transformaties, splitsingen en optoppingen vormen onderdeel van het beter benutten van de bestaande voorraad gebouwen. In de communicatie met uw Kamer, zoals de hierboven genoemde voorbeelden, wordt ook telkens expliciet duidelijk gemaakt dat dergelijke toevoegingen meetellen in de woningbouwdoelstelling, en benadruk ik dat er veel potentie is om dit nog beter te benutten.
Er is dan ook geen sprake van een onjuiste weergave van feiten. Er wordt transparant gecommuniceerd over onze doelstelling.
Hoe beoordeelt u het feit dat u een misleidende berekening heeft gebruikt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre begrijpt u de urgentie van de problemen op de Nederlandse woningmarkt? Realiseert u zich dat de woningcrisis Nederlandse jongeren enorm schaadt? Wist u dat 66 procent van de thuiswonende starters graag uit huis zou willen, maar dat niet kan door de problemen op de woningmarkt en dat de ontwikkeling van jongvolwassenen wordt belemmerd door langdurig thuiswonen omdat zij hierdoor later (financieel) zelfstandig worden en meer moeite hebben om relaties te vormen? Wist u dat ernstige woningtekorten bovendien gekoppeld zijn aan uitstel (en soms zelfs afstel) van belangrijke levensgebeurtenissen, zoals trouwen, samenwonen en kinderen krijgen? Wist u dat onderzoek laat zien dat de hogere woonlasten in Nederland leiden tot slechtere mentale gezondheid bij de mensen die hiervan last hebben?
De problematiek op de woningmarkt en de urgentie ervan is mij volstrekt duidelijk.
Vindt u dat u als Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verantwoordelijk bent voor het oplossen van de woningcrisis in Nederland?
Ja, hier werk ik elke dag aan.
Hoe beoordeelt u dan het falen van kabinet op kabinet om dit probleem op te lossen?
Het terugdringen van het woningtekort is geen eenvoudige opgave en iets wat een lange adem vraagt. Het kabinet maakt zich hier hard voor. Zo is onlangs de wet regie aangenomen door beide Kamers, heeft het kabinet een veelomvattend stikstofplan gepresenteerd die ook de woningbouw verder zal helpen en werk ik met collega Ministers aan een actieplan (Taskforce versnelling woningbouw) om meer, sneller en beter te bouwen.
Denkt u dat u kunt doen wat uw voorgangers niet is gelukt, namelijk dit probleem daadwerkelijk oplossen? Zo nee, wanneer treedt u af als Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en laat u iemand anders het proberen die wél denkt dit te kunnen oplossen?
Het terugdringen van het woningtekort is zoals de econoom in het in het desbetreffende artikel noemt, een «veelkoppig monster». Er zijn veel complexe problemen. Ik ben zeer gemotiveerd om het probleem aan te pakken en wil een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van de woningnood. Ik draag ministeriële verantwoordelijkheid voor mijn portefeuille en leg daarover verantwoording af aan uw Kamer.
Als u denkt dit probleem wel te kunnen oplossen, bent u dan bereid uw eigen lot te verbinden aan de resultaten die u op dit domein bereikt? Simpeler gezegd: bent u bereid af te treden als de doelstelling van 100.000 woningen per jaar niet binnen twee jaar wordt gehaald? Zo nee, waarom niet? Betekent dat dat u falen acceptabel vindt? Vindt u het acceptabel dat het falen van een minister het leven van jongvolwassenen ruïneert? Vindt u dat dit falen geen gevolgen hoeft te hebben?
Zie antwoord vraag 7.
Het artikel noemde hoge bouwkosten als één van de oorzaken van de woningproblemen; wanneer gaat u zelf bouwregels zoeken die geschrapt kunnen worden, in plaats van enkel de suggesties van het programma STOER over te nemen (die inmiddels alweer bijna een jaar oud zijn)?
Samen met andere departementen, medeoverheden, marktpartijen en woningcorporaties ben ik actief aan de slag met de brede vereenvoudigingsopgave voor de fysieke leefomgeving en volkshuisvesting. Naast de uitwerking van de actieagenda STOER4, zetten we nadrukkelijk in op het ophalen en uitwerken van nieuwe vereenvoudigingsvoorstellen, waaronder de modernisering van het Besluit Bouwwerken en Leefomgeving (Bbl). Deze voorstellen worden onder andere geïnventariseerd voor de jaarlijkse vereenvoudigingswet. Daarmee kijken we dus verder dan de voorstellen die al in het STOER-actieplan zijn opgenomen. Over de voortgang van de actieagenda en de eerste aanpassingen aan het Bbl heb ik uw Kamer 10 juli geïnformeerd5. Daarin meld ik onder meer dat de in het Bbl aangewezen NEN-normen voortaan kosteloos digitaal beschikbaar worden gesteld waarmee kosten zijn verlaagd en regelgeving toegankelijker is gemaakt voor initiatiefnemers en bouwpartijen. Ook breder in het kabinet worden stappen gezet: onlangs heeft de Staatssecretaris van IenW besloten tot een grootschalige verlaging van geluidproductieplafonds bij spoorwegen waarmee eenvoudiger en goedkopere woningbouw kan worden ontwikkeld in de buurt van spoorwegen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit u daadwerkelijk lukt en dat u niet over een halfjaar in dezelfde situatie zit als uw collega van Economische Zaken, die zelfs haar eigen doel niet kon halen?
In het Actieplan van de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw die ik na de zomer uw Kamer zal toekomen, zal ik ingaan op de wijze waarop ik, in samen met de andere partijen die voor de woningbouw van belang zijn, de woningbouw beoog te versnellen.
Bent u ook van plan uit te zoeken of ruimtelijke regels versoepeld kunnen worden omdat ook deze de woningbouw aanzienlijk duurder maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit aanpakken? En op welke domeinen wilt u dit gaan doen?
In het kader van de vereenvoudigingsopgave wordt onderzocht waar regelgeving en procedures die de woningbouw onnodig vertragen of duurder maken, kunnen worden vereenvoudigd. In het Actieplan STOER is daarbij expliciet aandacht voor de stapeling van regelgeving en voor bovenwettelijke eisen. Deze kunnen leiden tot extra tijd, capaciteit en kosten en daarmee een negatief effect hebben op de businesscase van woningbouwprojecten.
Daarom werken de ministeries in het fysieke domein aan een bredere vereenvoudigingsopgave. Onderdeel hiervan zijn onder meer de verdere uitvoering van de Actieagenda STOER, de modernisering van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), de jaarlijkse verbetering van het stelsel van de Omgevingswet en een nadere verkenning van de mogelijkheden om experimenteerruimte binnen de Omgevingswet beter te benutten. Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden die de Omgevingswet al biedt om activiteiten bijvoorbeeld in het omgevingsplan vergunning vrij te maken.
Hiermee wordt specifiek gewerkt aan het standaardiseren, opschalen en moderniseren van de bouwregelgeving. De inzet is daarmee niet om regels generiek te versoepelen, maar om gericht te bezien waar regelgeving en aanvullende eisen onnodige kosten, vertraging of complexiteit veroorzaken en waar vereenvoudiging mogelijk is, met behoud van de noodzakelijke publieke belangen.
Het ontbreken van maatschappelijke organisaties onder het Convenant toekomstbestendige gewasbescherming |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief die AARDige Buren, Urgenda, Parkinson Vereniging, Vogelbescherming Nederland, Caring Doctors, Greenpeace, Pesticide Action Network Netherlands, Meten=Weten, De Vlinderstichting en de Bijenstichting aan u hebben gestuurd, waarin wordt gesteld dat het Convenant toekomstbestendige gewasbescherming zou zijn «geklapt»?
Ik ben bekend met deze brief.
Klopt het dat het hoofdlijnenconvenant is ondertekend door drie overheden, vier sectorpartijen en één ketenpartij, maar door geen enkele maatschappelijke organisatie? Welke maatschappelijke organisaties waren betrokken bij de totstandkoming van het convenant, welke daarvan waren daadwerkelijk uitgenodigd om het convenant te ondertekenen en welke hebben uiteindelijk van ondertekening afgezien?
Dat klopt. De betrokken maatschappelijke organisaties waren Natuur & Milieu en LandschappenNL. Beide partijen waren uitgenodigd het convenant te ondertekenen en hebben hiervan afgezien. Ik betreur het dat beide partijen na het voorleggen van het onderhandelingsakkoord aan hun achterban besloten hebben het convenant niet te tekenen.
Welke redenen hebben de betrokken maatschappelijke organisaties afzonderlijk aangevoerd om het convenant niet te ondertekenen?
Binnen het onderhandelingsproces van het hoofdlijnenconvenant is afgesproken dat de gesprekken met elkaar in vertrouwen kunnen worden gevoerd. Ik wil het daarom aan de organisaties zelf laten om een eventuele toelichting te geven, waarom zij dit convenant niet hebben willen ondertekenen.
Deelt u de mening dat deelname aan een convenant van alle partijen vraagt dat zij niet alleen verlangens op tafel leggen, maar ook bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen, compromissen te sluiten en zich aan gezamenlijke afspraken te committeren?
Ja die mening deel ik. De kern van onderhandelingen en het afsluiten van een convenant is het sluiten van compromissen, een bereidheid van geven en nemen. Dat houdt ook in dat er door de deelnemers aan het convenant verantwoordelijkheid moet worden genomen voor de afspraken die we in het hoofdlijnenconvenant hebben gemaakt. Uiteraard is het uiteindelijk aan organisaties zelf of zij bereid zijn om het hoofdlijnenconvenant wel of niet te tekenen. Dat neemt niet weg dat ik het spijtig vind dat de organisaties niet bereid waren deze stap te zetten.
Hoe beoordeelt u in dat licht de opstelling van organisaties die niet tekenen, maar vervolgens wel oproepen het gehele convenant stop te zetten? Deelt u de mening dat partijen die zelf besluiten niet deel te nemen daarmee geen vetorecht kunnen verkrijgen over afspraken die overheden, landbouworganisaties en ketenpartijen wel bereid zijn uit te voeren?
Het staat organisaties uiteraard vrij deze mening erop na te houden. Uiteindelijk gaan de partijen die het convenant hebben getekend zelf over het wel of niet slagen van het convenant. Niet-deelnemende partijen hebben daar inderdaad geen vetorecht over. Wij gaan ambitieus door met de grote meerderheid van partijen die wel getekend hebben, waarvoor ik hen dankbaar ben.
Deelt u de mening dat het onverantwoord zou zijn om het convenant stop te zetten, nu daarmee ook afspraken over reductie van milieubelasting, innovatie, waterkwaliteit, natuur, leefomgeving en een landelijk uniform beleidskader zouden worden vertraagd of verloren zouden gaan?
Ik zie geen aanleiding om het convenantstraject stop te zetten. Integendeel, het is juist nu van belang door te gaan om de gemaakte afspraken daadwerkelijk verder uit te werken en vorm te geven. Met het hoofdlijnenconvenant zijn er immers belangrijke afspraken gemaakt over een breed pakket om tegemoet te komen aan de maatschappelijke vraagstukken die bestaan rondom het thema gewasbescherming en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op basis van milieubelastingspunten fors te beperken.
Welke gevolgen heeft het ontbreken van maatschappelijke ondertekenaars voor de bestuurlijke en juridische status van het hoofdlijnenconvenant? Is het convenant naar uw oordeel rechtsgeldig tot stand gekomen en kunnen alle ondertekenende partijen onverkort aan hun afspraken worden gehouden?
Het ontbreken van deze partijen heeft geen gevolgen voor de juridische status van het hoofdlijnenconvenant. Het convenant is rechtsgeldig tot stand gekomen. De bestuurlijke gevolgen zijn deze twee partijen zich bestuurlijk niet aan het convenant en het vervolgproces van de uitwerking hebben verbonden.
Hoe verhoudt de mededeling van de rijksoverheid dat het hoofdlijnenconvenant «op zichzelf niet juridisch bindend» is zich tot artikel 1.1, derde lid, waarin staat dat de afspraken bindend zijn voor de partijen en dat zij de nakoming daarvan zullen borgen? Kunt u precies aangeven welke afspraken momenteel politiek, bestuurlijk dan wel juridisch bindend zijn en welke pas bindend worden na vaststelling van de deelconvenanten?
Het hoofdlijnenconvenant moet worden gezien als het kader voor het vervolgproces waarin de afspraken nader worden uitgewerkt in deelconvenanten. De mededeling dat het hoofdlijnenconvenant op zichzelf niet juridisch bindend is, bedoelt dat de in het hoofdlijnenconvenant opgenomen afspraken en ambities nog verder moeten worden uitgewerkt in concrete, juridisch afdwingbare verplichtingen. Voor de uitvoering van veel afspraken zijn immers nog nadere uitwerking, concretisering en afspraken nodig over onder meer instrumentarium, financiering, uitvoerbaarheid en verantwoordelijkheden nodig. Het hoofdlijnenconvenant en de deelconvenanten zullen samen het definitieve convenant zijn dat wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Welke concrete waarde heeft het huidige hoofdlijnenconvenant zolang het nationale reductiedoel, de sectorale reductiedoelen, de governance, de terugvalopties en een groot deel van de uitvoeringsmaatregelen nog niet zijn uitgewerkt? Aan welke onderdelen zijn de ondertekenaars reeds nu daadwerkelijk gebonden?
De waarde van dit hoofdlijnenconvenant moet worden gezien als een gezamenlijk vastgesteld kader voor de verdere uitwerking van de afspraken in de deelconvenanten. Met de ondertekening committeren de partijen zich politiek en bestuurlijk aan alle onderdelen van het convenant en de daarin opgenomen richting, ambities en uitgangspunten.
Welke gevolgen heeft het ontbreken van maatschappelijke ondertekenaars voor de voorgenomen omgevingsdialoog en de doelstelling om het maatschappelijke draagvlak te vergroten? Hoe voorkomt u dat niet-ondertekenende organisaties via het vervolgtraject wel invloed uitoefenen, maar geen verantwoordelijkheid dragen voor de haalbaarheid en uitvoering van de uiteindelijke afspraken?
De insteek voor de omgevingsdialoog is om dit breder te organiseren dan alleen de deelnemers van het convenant. Het ontbreken van maatschappelijke ondertekenaars van het hoofdlijnenconvenant hoeft daarom niet te betekenen dat de omgevingsdialoog daarmee niet van de grond kan komen. De onafhankelijk voorzitter van het convenant bewaakt de totstandkoming van het vervolgtraject en de inbreng die hiervoor wordt geleverd.
Bent u voornemens maatschappelijke organisaties opnieuw uit te nodigen voor de uitwerking van de deelconvenanten, onder de duidelijke voorwaarde dat deelname is gericht op het bereiken van uitvoerbare afspraken en niet op het alsnog openbreken of blokkeren van het reeds gesloten hoofdlijnenconvenant?
«Ten eerste wil ik graag de eerder deelnemende maatschappelijke organisaties oproepen het hoofdlijnenconvenant alsnog te tekenen en weer aan te sluiten, juist om tot een breed gedragen convenant te komen. Indien zij het hoofdlijnenconvenant niet tekenen, ben ik niet van plan deze organisaties opnieuw uit te nodigen voor het vervolgtraject. Verder wil ik in overleg met de onafhankelijk voorzitter en de andere convenantspartners bekijken hoe partijen die niet aan het convenant deelnemen wel hun mening kunnen delen, bijvoorbeeld via position papers, zodat dit in het verdere proces meegewogen kan worden.»
Bent u voornemens bij de inrichting van de governance een duidelijk onderscheid te maken tussen convenantspartijen, die zich committeren aan de afspraken en daarop aanspreekbaar zijn, en overige belanghebbenden die worden gehoord of geconsulteerd maar geen medebeslissingsrecht hebben?
Hiermee wordt rekening gehouden bij de inrichting van de governance. De precieze invulling wordt nader bepaald door de onafhankelijk voorzitter, in overleg met de convenantspartijen.
Kunt u garanderen dat het ontbreken van maatschappelijke ondertekenaars niet leidt tot uitstel van de deelconvenanten, het vaststellen van concrete en afrekenbare reductiedoelen, de oprichting van de gegevensautoriteit en de ontwikkeling van landelijke kaders voor waterkwaliteit, Natura 2000-gebieden en gevoelige functies?
Het ontbreken van de maatschappelijke ondertekenaars doet niets af aan de gestelde deadlines in het hoofdlijnenconvenant. Deze afspraken blijven staan en de bereidheid onder deelnemende partijen is groot om deze deadlines ook te halen.
Welke voorwaarden verbindt u aan de indicatief gereserveerde 250 miljoen euro? Worden deze middelen uitsluitend beschikbaar gesteld voor concrete, meetbare en controleerbare maatregelen die aantoonbaar bijdragen aan de doelen van het convenant?
De inzet van de indicatief gereserveerde middelen wordt gekoppeld aan de verdere uitwerking van het convenant. Daarbij is het vanzelfsprekend, zoals dat hoort bij overheidsuitgaven, dat de maatregelen concreet, uitvoerbaar en doelmatig moeten zijn en dat de uitgaven bijdragen aan de doelen van het convenant.
Bent u bereid de Kamer uiterlijk vóór de start van het deelconvenantentraject te informeren over de precieze status en afdwingbaarheid van het hoofdlijnenconvenant, de partijen die wel en niet deelnemen aan de deelconvenanten, de governance en besluitvormingsregels en de wijze waarop wordt voorkomen dat partijen zonder commitment de uitvoering kunnen vertragen?
Ik hoop dat met het beantwoorden van de bovenstaande vragen uw Kamer verder is geïnformeerd over deze onderwerpen. Daarnaast ben ik voornemens om voor het geplande Kamerdebat van 8 oktober een Kamerbrief te sturen over het vervolgproces van het hoofdlijnenconvenant en over de door u gevraagde onderwerpen.
Een marineschip in aanbouw dat verplicht rondjes moest varen in Turkse wateren |
|
Maikel Boon (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een mijnenjager uit het Belgisch-Nederlandse mijnenjagerproject twee maanden rondjes heeft gevaren in Turkse wateren?1
Ja.
Klopt het dat het defensieverdrag tussen Frankrijk en Cyprus de reden is geweest dat de Turken de mijnenjager in aanbouw hebben gegijzeld in de Zwarte Zee?
Nederland is niet betrokken geweest bij het diplomatieke proces tussen Frankrijk en Turkije en kan dus ook niet beoordelen wat de vertraging heeft veroorzaakt. Nederland heeft daarnaast geen verzoek tot bemiddeling ontvangen en voorziet voor toekomstige Nederlandse schepen geen problemen.
Traden België en Nederland gezamenlijk op om aan Turkije duidelijk te maken dat wij niet gediend zijn van dat Turkse optreden dat de voortgang van het gezamenlijk Belgisch-Nederlands project om mijnenjagers te bouwen hinderde? Zo ja, wat heeft u gedaan?
Nee. Nederland is niet betrokken geweest bij het diplomatieke proces met Turkije.
Heeft u gedurende deze periode contact gehad met uw Turkse ambtsgenoot om het schip weer uit de Zwarte Zee te krijgen en op weg naar Frankrijk te helpen?
Nee. Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om de Turkse ambassadeur op het matje te roepen en te berispen voor deze absurde gang van zaken die een NAVO-lidstaat onwaardig is? Zo nee waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Wilt u deze kwestie tijdens de aankomende NAVO-bijeenkomst van Ministers van Buitenlandse Zaken aan de orde brengen en Turkije hiervoor snoeihard veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
De openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) is verlengd tot en met 27 januari 2027?1
Ja, van dat bericht heb ik kennisgenomen.
Op 22 juli jl. is de openstellingsperiode van de Sem verlengd tot en met 27 januari 2027 in plaats van de initiële einddatum van 29 juli 2026. In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd om vergunningverlening weer op gang te brengen. Een belangrijk onderdeel daarvan is het ondersteunen van boerenbedrijven bij het nemen van maatregelen die bijdragen aan het verminderen van emissies, waaronder extensivering. De Sem is één van de maatregelen waarmee het kabinet ondernemers ondersteunt. De verlenging van de openstelling van de Sem sluit daarmee aan bij de aanpak van het kabinet om weer ruimte te maken voor vergunningverlening en boeren te ondersteunen naar een toekomstbestendig bedrijf.
Klopt het dat zich tot op heden 42 melkveehouders hebben aangemeld voor de SEM? Zo ja, hoeveel kilogram fosfaatrechten vertegenwoordigen deze aanmeldingen?
Het klopt dat tot op heden 42 melkveehouders zich hebben aangemeld voor de Sem. Zie voor het aantal aanvragers dat zich heeft teruggetrokken en het aantal kilogram fosfaatrechten het antwoord op vraag 1 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Wat is de aanleiding geweest om de openstelling van de SEM te verlengen? In hoeverre houdt deze verlenging verband met de tot nu toe beperkte belangstelling voor de regeling?
Zie voor de aanleiding om de openstelling van de Sem te verlengen het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven welke signalen u uit de sector heeft ontvangen over de beperkte belangstelling voor de SEM?
De sector heeft aangegeven signalen te hebben gehad dat melkveehouders hebben gewacht op de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw» van 26 juni jl. Onder andere de voorgestelde koppeling van de bedrijfsspecifieke emissienormen voor melkveebedrijven aan fosfaatrechten geeft onzekerheid. De sector geeft aan dat dit onder andere leidt tot het willen behouden van dieren en fosfaatrechten. Daarnaast geeft de sector aan dat een rol speelt dat de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem lager is dan de huidige marktwaarde.
Houdt de beperkte belangstelling naar uw oordeel verband met de knelpunten waarover eerder schriftelijke vragen (Kamerstuk 2026Z15702) zijn gesteld, waaronder het gebruik van 2025 als referentiejaar, de voorwaarden ten aanzien van het graslandareaal en de hoogte van de vergoeding voor fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?
Zie voor het antwoord op deze vraag de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Verwacht u dat de verlenging van de openstelling zal leiden tot een substantiële toename van het aantal aanvragen? Waarop baseert u die verwachting?
In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd. Nu daar meer over bekend is, kunnen melkveehouders de aangekondigde maatregelen betrekken bij de toekomstplannen voor hun bedrijf. Ik verwacht dat er melkveehouders zullen zijn die de langere openstellingsperiode zullen gebruiken voor de keuze om al dan niet deel te nemen aan de Sem. Dit zijn individuele ondernemersbeslissingen. Het is niet in te schatten hoe groot de toename van het aantal aanvragen zal zijn. Het definitief aantal deelnemende veehouders zal na de sluiting van de openstelling bekend zijn.
De benoeming van de heer Timmermans tot minister van staat, naar aanleiding van nieuwe informatie over de door hem beweerde leerstoelen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Timmermans weer op de grill voor jokken», waarin wordt gemeld dat de heer Timmermans in een interview met het Algemeen Dagblad claimde «een paar leerstoelen aan universiteiten in Oxford, Florence en Bologna» te hebben?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Universiteit van Bologna, naar aanleiding van een verzoek van onderzoeksjournalist Arthur van Amerongen, schriftelijk heeft laten weten géén enkele band te hebben (gehad) met de heer Timmermans?2
Dit kan ik niet bevestigen.
Klopt het dat nader onderzoek, mede met inzet van zoekmachines en AI-hulpmiddelen, heeft uitgewezen dat de heer Timmermans niet voorkomt in de lijsten van hoogleraren, onderzoekers, gastdocenten of bestuurders van de universiteiten van Oxford, Bologna en Florence en evenmin wordt genoemd bij de drie UNESCO Chairs die de Universiteit van Florence huisvest?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting van onze fractie dat deze expliciete, schriftelijke ontkenning door een universiteit zelf een aanmerkelijk zwaarder signaal is dan een enkel ontbreken van documentatie en dat dit een nieuw, zelfstandig voorbeeld vormt van het in mijn eerdere vragen beschreven patroon van feitelijk onjuiste uitspraken van de heer Timmermans? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Verandert deze nieuwe informatie iets aan uw eerdere antwoorden over of de optelsom van deze kwesties zwaarder weegt dan een enkel incident en of het kabinet bereid is een besluit tot intrekking van de titel Minister van staat voor te bereiden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid formeel bij de universiteiten van Oxford en Florence na te (laten) vragen of zij de bevindingen ten aanzien van Bologna bevestigen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid ook deze vragen op de meest spoedige termijn en één voor één te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Verlenging mestuitrij-seizoen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van gevolgen van de droogte en warmte voor het uitrijden van mest?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat een droge bodem de opname remt van meststoffen doordat mineralisatie en nutriëntentransport stagneren?
Ja, door suboptimale vochtvoorziening wordt de groei van een gewas beperkt. Daarnaast kan het uitrijden van drijfmest op droge grond inderdaad zorgen voor meer gasverlies en verzouting rond de wortels. Deze emissies zijn onder natte en koude omstandigheden lager dan onder de huidige droge en warme omstandigheden. Ook kan het voorkomen dat het toedienen van drijfmest onder droge omstandigheden bijdraagt aan extra scheurvorming op met name klei- en veengronden.
Bent u ervan op de hoogte dat planten voedingsstoffen niet kunnen oplossen of opnemen via de wortels en het uitrijden van drijfmest op harde, droge grond zorgt voor extra scheurvorming, gasverlies (ammoniakemissie) en verzouting rond de wortels?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat meststoffen essentieel zijn voor de groei van gras en gewassen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Voor de groei van gewassen is het toedienen van voldoende nutriënten van belang. De opname van nutriënten wordt bepaald door een combinatie van neerslag, vochtleverend vermogen van de bodem en het gewastype. Het huidige neerslagtekort heeft een negatieve invloed op de gewasproductie door de verminderde opname van nutriënten.
Acht u voedselproductie en voedselzekerheid van het grootste belang voor de weerbaarheid en stabiliteit in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat bij een gebrek aan mineralen en nutriënten oogsten minder opbrengen en de voedselproductie kan stagneren dan wel oogsten kunnen mislukken?
De opname van nutriënten door gewassen is essentieel voor de gewasopbrengsten. Droogte kan zorgen voor lagere opbrengsten. Het is uiteraard niet wenselijk dat oogsten mislukken.
Vindt u dit wenselijk? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat het vanuit zowel landbouwkundig als milieukundig oogpunt onwenselijk is wanneer agrariërs vanwege een vaste einddatum voor het uitrijden van mest feitelijk worden gedwongen mest uit te rijden op een moment waarop de weers- en bodemomstandigheden daarvoor ongunstig zijn, terwijl uitstel tot gunstigere omstandigheden kan leiden tot een betere benutting van nutriënten en minder verliezen naar het milieu? Zo nee, waarom niet?
De uitrijdperiodes voor dierlijke mest op bouwland en grasland zijn geregeld in Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en komen voort uit een verplichting vanuit de Europese Nitraatrichtlijn en richten zich op het doel om een goede grond- en oppervlaktewaterkwaliteit te bewerkstelligen. De kalenderlandbouwmaatregel voor het inzaaien van vanggewassen is opgenomen in het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn en is daarmee onderdeel van de afspraken die zijn gemaakt met de Europese Commissie over dit actieprogramma.
Het hanteren van een uitrijdperiode heeft tot doel om de uitspoeling van nutriënten uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te beperken. Dit brengt met zich mee dat het zinvol is om uitrijdperiodes te reguleren, binnen welke de dierlijke mest mag worden uitgereden en optimaal kan worden benut door de gewassen. In sommige jaren leidt dit tot problemen voor de landbouwpraktijk, waarbij weers- en bodemomstandigheden het uitrijden van dierlijke mest kunnen beperken met als gevolg dat de agrariër mogelijk onvoldoende ruimte heeft om de gewassen optimaal te voorzien van dierlijke meststoffen. Het vaststellen van uitrijddata is echter noodzakelijk vanuit milieukundig oogpunt, waar slechts bij hoge uitzondering van kan worden afgeweken mits hiertoe een landbouwkundige noodzaak is en er geen nadelige milieukundige effecten zijn.
Deelt u de opvatting dat kalenderlandbouw moet worden voorkomen en dat de daadwerkelijke weers- en bodemomstandigheden leidend zouden moeten zijn bij het bepalen van het moment voor het uitrijden van mest? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u ervan op de hoogte dat in 2024 het mestuitrijseizoen in 2024 ook is verlengd vanwege weersomstandigheden in die zomer?
Vanwege de extreem natte weersomstandigheden vanaf het najaar 2023 tot en met het voorjaar van 2024 konden agrariërs niet tijdig alle dierlijke mest binnen de beschikbare gebruiksruimte plaatsen. Vanwege deze extreme weersomstandigheden in het voorjaar is op basis van een advies van een Expertcommissie, samengesteld uit wetenschappers op het vlak van waterkwaliteit, plantengroei, het KNMI en vertegenwoordigers van sectorpartijen, besloten om de uitrijdperiode van dierlijke drijfmest op grasland te verlengen van 31 augustus naar 15 september1.
Bent u bereid om zich in te spannen om het mestuitrij-seizoen dat tot 31 augustus duurt, te verlengen en daarvoor de Commissie Deskundigen Meststoffen per omgaande (met de grootste spoed) een advies te vragen? Zo nee, waarom niet?
Voor een uitstel van de uitrijddata dierlijke mest moet een afweging worden gemaakt tussen de weersomstandigheden en hoe zich dit ontwikkelt tot en met eind augustus, het effect van eventueel verlengen van de uitrijddata op de waterkwaliteit (en andere milieukundige aspecten) en de landbouwkundige noodzaak voor de gewasgroei om de uitrijddata te verlengen. In het verleden zijn in enkele jaren uitrijddata verlengd vanwege droogte (2018, 2021) of juist natheid in het betreffende jaar (2024, zie antwoord vraag 10). Ook zijn in andere jaren verzoeken gedaan, waarbij bovengenoemde afweging niet leidde tot een uitstel van uitrijdperiodes. Bij een uitstel van een uitrijdperiode voor dierlijke mest moet in ieder geval de Europese Commissie worden geïnformeerd, omdat hiermee wordt afgeweken van eerdere afspraken over de vastgestelde uitrijddata.
Naast uw vragen heeft LTO Nederland op 11 augustus jongstleden een verzoek gedaan voor het verlengen van de uitrijdperiode voor aanwending van mest op grasland.
Ik zal de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) vragen om een advies voor de verlenging van de uitrijdperiode van dierlijke drijfmest op grasland. Verder blijf ik de weers- en bodemomstandigheden monitoren en daarbij blijf ik in nauw contact staan met de sector. Zodra de CDM een advies heeft opgesteld zal ik op basis van dit advies een afweging maken over een eventuele verlenging van de uitrijdperiode van dierlijke mest. Indien ik zal besluiten tot een eventuele verlenging van de uitrijdperiode, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Kunt u deze vragen, gezien de tijdsdruk, per omgaande beantwoorden, doch uiterlijk vrijdag 7 augustus?
De beantwoording is zo spoedig als mogelijk naar uw Kamer verzonden.
Het wolven – en natuurbeleid |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat we in een biodiversiteitscrisis zitten (zie onder andere de gezamenlijke conclusies van het Intergouvernementeel Wetenschaps- en Beleidsplatform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC))? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het gaat inderdaad over het algemeen niet goed met natuur en biodiversiteit in Nederland. Dit blijkt, naast uit de rapporten van IPBES en IPCC, ook uit nationale rapportages zoals die van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en de elfde Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 472).1 We zien dat lokaal ook verbetering plaats vindt door natuurherstelmaatregelen, maar over het geheel bezien nemen bijzondere, van oorsprong hier voorkomende natuurwaarden nog steeds af. De natuur wordt daarmee steeds eenvormiger in plaats van (bio)diverser. De nationale rapportages voor Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn over de periode 2019–2024 laten zien dat slechts 6 van de 52 habitattypen (12%) en 20 van de 91 Habitatrichtlijnsoorten (22%) in gunstige staat zijn. De vogels laten een iets rooskleuriger beeld zien, maar daarvoor worden alleen aantallen en trends gerapporteerd en niet of die aantallen voldoende zijn.
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat wolven een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan herstel van natuur en biodiversiteit in Nederland en daarmee bijdragen aan een gezondere en veiligere toekomst voor de mens? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Een wolf is een groot roofdier en heeft een belangrijke sturende rol in het ecosysteem. Hij staat bovenaan in de voedselpiramide.
Bent u bereid om te werken aan initiatieven die meer bekendheid geven aan de positieve bijdrage van wolven voor Nederland? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Via het Landelijk Informatiepunt Wolven (LIW) wordt bekendheid gegeven aan de aanwezigheid van wolven in Nederland. Het LIW biedt feitelijke, actuele en toegankelijke informatie over wolven in Nederland en is een centrale plek waar iedereen terecht kan met vragen over wolven.
Kunt u bevestigen dat wetenschappers van onder andere het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) aangeven dat Nederland meer ruimte moet maken voor natuur?
Dit blijkt inderdaad uit onderzoek van PBL en ook uit bijvoorbeeld de hiervoor aangehaalde rapportage over soorten en habitattypen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR).2 Een belangrijke voorwaarde voor de duurzame instandhouding van VHR-beschermde natuur is voldoende ruimte. De natuurherstelverordening bevat bindende en tijdsgebonden verplichtingen en maakt de noodzaak voor meer ruimte voor natuur daarmee extra urgent.
Naast deze wettelijke verplichtingen toont onderzoek aan dat investeringen in natuur tal van maatschappelijke en economische voordelen hebben.
Hoeveel schapen houden we in Nederland en hoeveel worden er per jaar geslacht? Hoeveel daarvan is voor de export?
In 2025 was het gemiddeld aantal schapen in Nederland ongeveer 900.500 schapen. In dat jaar zijn ongeveer 481.000 slachtingen gemeld. Het is niet bekend hoeveel geslachte schapen bestemd waren voor de export.
Kunt u bevestigen dat Nederland het meest veedichte land is van Europa?
Ja.
Deelt u de opvatting dat daar iets aan moet veranderen en er zo meer ruimte moet komen voor natuur en in het wild levende dieren, zoals wolven? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de wettelijke verplichting om te zorgen voor de duurzame instandhouding van VHR-beschermde soorten en habitattypen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat daarvoor meer ruimte nodig is. Dat hoeft niet allemaal te worden ingevuld met gebieden met een exclusieve natuurfunctie; leefgebieden van veel soorten kunnen bijvoorbeeld goed samengaan met andere functies. De ruimtelijke inpassing van de Nederlandse natuurdoelen vraagt zorgvuldige afweging met andere ruimtelijke opgaven.
Kunt u met de Kamer delen met welke diersoorten het niet goed gaat, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om die negatieve trend aantoonbaar te keren en welke tijdlijn daarbij hoort, aangezien er een duidelijke opdracht vanuit de Kamer ligt (motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 21 501–08, nr. 942)) aan het kabinet om met maatregelen te komen om ervoor te zorgen dat de negatieve trend voor verschillende dierpopulaties zo snel mogelijk wordt gekeerd en dat er extra maatregelen worden getroffen om aan alle bestaande natuurafspraken te voldoen? Kunt u met de Kamer ook delen aan welke bestaande (Europese) afspraken rondom natuur het kabinet nog niet voldoet, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om hier alsnog aan te voldoen en welke tijdlijn daarbij hoort?
Zoals aangegeven in de meest recente rapportage van de VHR gaat het met een aanzienlijk deel van de Nederlandse beschermde soorten niet goed. Via verschillende instrumenten en programma’s wordt gewerkt aan populatieherstel (bijvoorbeeld Programma Natuur, Groen in en om de Stad, Basiskwaliteit Natuur). In het kader van de NHV worden aanvullende maatregelen ontwikkeld om de situatie te verbeteren. Voor diersoorten bevat de NHV een algemene verplichting om voor alle VHR-soorten voldoende leefgebied van voldoende kwaliteit te verzekeren. Daarnaast zijn er ook tijdgebonden kwantitatieve verplichtingen voor specifieke soortgroepen (boerenlandvogels, bosvogels, mariene soorten en bestuiverpopulaties). Het kabinet geeft invulling aan deze verplichtingen in het Natuurplan. Voor het voldoen aan de bestaande Europese afspraken rondom natuur heeft het kabinet extra maatregelen genomen met het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof (Kamerstuk II 2025–2026, 36 800 XIV, nr. 87).
Erkent u dat het belangrijk is dat we leren samenleven met de wolven en dat de overheid een cruciale rol speelt in het faciliteren daarvan? Zo nee, waarom niet?
De wolf is er nu eenmaal in Nederland, dus we moeten manieren vinden om daar op een goede manier mee om te gaan. Hierbij heb ik extra oog voor de veiligheid van inwoners in wolvengebieden. Via het LIW en nationale regelgeving geef ik invulling aan mijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het omgaan met wolven in Nederland.
Deelt u de opvatting dat samenleven met de wolf betekent dat wij mensen ons ook aanpassen aan de aanwezigheid van wolven in Nederland, zoals we ons ook aanpassen aan andere dieren (denk aan broedende vogels, zwanen met kleintjes, et cetera)? Welke wettelijke of bestuurlijke aanpassingen, bijvoorbeeld in ruimtelijke ordening of recreatiegedrag, gaat u in dat kader nemen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Deelt u de opvatting dat het uitbreiden van het natuurareaal en wegwerken van de versnippering van natuur in Nederland de kans kleiner zou maken op zogenaamde «probleemsituaties met een wolf»? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijk bronnen baseert u zich? Zo ja, bent u bereid zich daar meer voor in te zetten en wat gaat u concreet extra doen?
Het ligt in de verwachting dat een uitbreiding of ontsnippering van dat habitat ertoe leidt dat er in beginsel ruimte komt voor het bestaand aantal roedels wolven. Of het ook leidt tot een kleinere kans op probleemsituaties met wolven kan ik nu niet zeggen, er is geen onderzoek naar gedaan.
Voor zover het gaat om wolvenaanvallen op vee heeft Wageningen Environmental Research, zoals ik u in mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 484) heb gemeld, een ruimtelijke analyse uitgevoerd van de schade in Nederland. De onderzoekers concluderen dat het grootste deel van de aanvallen door gevestigde wolven vallen binnen beperkte gebieden die aangewezen zouden kunnen worden als preventiezones waar wolfwerende maatregelen nodig zijn. Momenteel bezie ik wat deze resultaten betekenen voor de invulling van de open norm uit het Besluit houders van dieren met een beleidsregel en voor andere beleidsdossiers. Dit wordt mede onderwerp van gesprek tijdens het Nationaal Wolvenberaad in december.
Erkent u dat de algemene maatregel van bestuur (AMvB) wel nieuwe beoordelingsregels introduceert voor de begrippen «probleemwolf» en «probleemsituatie met een wolf», maar niet concreet vastlegt welk handelingsprotocol geldt wanneer zich morgen een incident met een wolf voordoet? Zo nee, waarom niet?
Provincies zijn bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen voor een flora- en fauna-activiteit. De amvb vult de beoordelingsregels voor een flora- en fauna-activiteit voor handelingen met betrekking tot een wolf in afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) aan met specifieke regels voor het geval sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» (de nieuwe artikelen 8.74la en 8.74lb Bkl). Deze aanvullende beoordelingsregels zijn bedoeld om het bevoegd gezag specifieke handvatten te bieden voor de toetsing aan de vereisten voor vergunningverlening. Het is aan bevoegd gezag om hieraan invulling te geven in het kader van de daadwerkelijke vergunningverlening.
Worden onafhankelijke wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts gevraagd om advies bij verdere invulling van de AMvB en wordt dit advies leidend? Zo nee, waarom niet? Hoe ziet de tijdlijn voor het vervolgproces eruit?
De amvb behoeft geen verdere invulling en er is hiervoor daarom geen vervolgproces waar wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts bij worden betrokken. Wel moeten provincies, als bevoegd gezag, als zij bij de vergunningverlening gebruik maken van de mogelijkheden die de amvb biedt, gebruikmaken van het oordeel van wolvendeskundigen bij de vraag of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf». Provincies kunnen zelf bepalen welke deskundigheid er in specifieke gevallen nodig is en eventueel nadere eisen stellen aan de in te schakelen deskundige.
Kunt u per situatie aangeven welke landelijke scenario’s, draaiboeken of protocollen inmiddels gereed zijn voor situaties, zoals: een wolf nabij bebouwing, een wolf bij honden, een wolf bij goed beschermd vee, een wolf op of nabij een speelplek, een wolf die een mens verwondt? Wie gaat in zulke gevallen ter plaatse? Wie stelt de feiten vast? Wie duidt het gedrag van de wolf? Wie communiceert met omwonenden en wie neemt het besluit om op te schalen? Hoe wordt geborgd dat de betrokkenen geen jagersbelangen hebben?
Het opstellen van draaiboeken en protocollen, als ook het per geval vaststellen of er sprake is van een probleemsituatie of een probleemwolf is de bevoegdheid van gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen op welke manier het dit plaatsvindt.
Is het uitgangspunt om alles te doen om te voorkomen dat wolven moeten worden gedood en dat dus eerst alle alternatieven moeten zijn uitgeprobeerd? Zo nee, waarom wordt gemakzuchtig omgegaan met het doden van een prachtig dier dat recht heeft op ruimte in Nederland?
De Europese regelgeving bepaalt de algemene kaders van het Nederlandse wolvenbeleid. Het verlenen van een vergunning voor het doden, of vangen, van een wolf is binnen deze kaders mogelijk, wanneer aan bepaalde vereisten is voldaan. Het eerste vereiste is dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, het tweede vereiste is de aanwezigheid van een goede rechtvaardigingsgrond voor de handeling. Het derde vereiste is dat het ingrijpen geen afbreuk doet aan het streven om de wolf in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het bevoegd gezag toetst dus bij de beoordeling van een vergunningaanvraag onder meer of er geen minder ingrijpende alternatieve maatregelen dan het opzettelijk doden van de wolf zijn. Er wordt in de praktijk serieus omgegaan met deze voorwaarden en er wordt niet lichtzinnig omgegaan met het doden van wolven.
Klopt het dat door de gewijzigde beschermingsstatus verjaging of verstoring van wolven in bepaalde situaties zonder omgevingsvergunning kan plaatsvinden, maar dat daarbij nog steeds de specifieke zorgplicht geldt? Hoe voorkomt u dat deze wijziging in de praktijk wordt opgevat als een vrijbrief voor burgers, dierhouders of andere partijen om zelfstandig wolven te verjagen?
Het klopt dat het enkel verstoren van wolven niet langer vergunningplichtig is nu de wolf is toegevoegd aan bijlage IX bij artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Wel valt verstoring onder de specifieke zorgplicht, die is geregeld in artikel 11.27 van het Bal. Provincies zijn voor de specifieke zorgplicht het bevoegd gezag. Die zorgplicht houdt kort gezegd in dat van de initiatiefnemer van een activiteit die nadelige gevolgen kan hebben voor een soort, wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen daadwerkelijk nadelige gevolgen kan hebben en ook hoe hij die gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen. Het uitgangspunt van deze specifieke zorgplicht is ook dat handelingen met mogelijk nadelige gevolgen voor in het wild levende planten en dieren achterwege worden gelaten. Dit betekent dat verstoring op een zorgvuldige manier moet gebeuren om nadelige gevolgen voor in dit geval de wolvenpopulatie te voorkomen. Provincies kunnen daarover maatwerkregels stellen of in individuele gevallen maatwerkvoorschriften geven, om duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop bij het verstoren van wolven aan de zorgplicht invulling kan worden gegeven (artikelen 11.29 en 11.31 van het Bal). In de praktijk zal de verstoring vaak gebeuren door gespecialiseerde eenheden die in opdracht van de provincie werken. Hiermee is gewaarborgd dat er geen sprake kan zijn van een vrijbrief en dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met het verjagen van wolven.
Welke middelen zijn volgens u toegestaan om wolven te verjagen? Wie mag die middelen inzetten? Onder wiens verantwoordelijkheid gebeurt dat? Wie handhaaft en wanneer komt er een landelijk protocol voor zorgvuldige en deskundige aversieve conditionering?
De toegestane middelen zijn niet gespecificeerd en er is, mits het legaal toegestane middelen betreft, geen beperking aan diegenen die deze middelen mogen gebruiken. Er wordt in de praktijk van uitgegaan dat alle legale middelen zijn toegestaan, mits deze niet dodelijk zijn en geen inbreuk maken op de staat van instandhouding, waaronder middelen die geluid- en lichtsignalen verspreiden. Het bevoegd gezag kan, desgewenst met behulp van een wolvendeskundige, bepalen welke middelen in welke situatie en op welke ingezet kunnen worden. Het verjagen en verstoren van de wolf valt daarnaast onder de specifieke zorgplicht die is geregeld in artikel 11.27 van het Bal. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 16.
Kunt u zich herinneren dat de Raad van State erop heeft gewezen dat de rol, onafhankelijkheid en expertise van de wolvendeskundige onvoldoende duidelijk waren uitgewerkt? Kunt u aangeven aan welke harde criteria een onafhankelijke wolvendeskundige moet voldoen? Hoe belangenverstrengeling met bijvoorbeeld jagers en agrarische sector wordt uitgesloten en of provincies verplicht worden gebruik te maken van een landelijk deskundigenteam?
In het advies is de Afdeling advisering van de Raad van State inderdaad ingegaan op de door het bevoegd gezag bij de beoordeling van vergunningaanvragen te betrekken wolvendeskundige. In de nota van toelichting ben ik daarom nader ingegaan op de rol van deze wolvendeskundige bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag. Een wolvendeskundige heeft expertise op het gebied van wolvengedrag, wetgeving of sociale impact en heeft daarom kennis over de interactie tussen wolven en hun leefomgeving, hoe een roedel functioneert, migreert of jaagt. Vanuit zijn expertise kan hij bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Zijn deskundigheid kan blijken uit kennis en ervaring op een specifiek onderwerp over de wolf door wetenschappelijke publicaties of breed erkende meerjarige professionele ervaring. Het is aan het bevoegd gezag om een deskundige te kiezen en eventueel nadere eisen te stellen aan de in te schakelen deskundige. Hierbij is het van belang dat de onafhankelijkheid en expertise van de geraadpleegde wolvendeskundige maatschappelijk niet ter discussie staat. De deskundige zal bijvoorbeeld zelf geen direct belang mogen hebben bij het doden of vangen van wolven en geen deel mogen uitmaken van een actiegroep of een organisatie waarvan de maatschappelijke integriteit rond de positie van de wolf ter discussie staat. Er kan voor een deskundige uit het nog op te richten Landelijk Deskundigenteam Wolven worden gekozen, dit is niet verplicht.
Wanneer is duidelijk hoe dit deskundigenteam wordt samengesteld, welk mandaat het krijgt, hoe het wordt gefinancierd en binnen welke termijn het na een incident ter plaatse kan zijn?
De provincies hebben het voortouw bij de inrichting van dit team. Om provincies hierbij te helpen, ondersteun ik bij de oprichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven, dat zal bestaan uit deskundigen met brede expertise, waaronder deskundigheid over wolvengedrag, juridische kennis en diergeneeskundige deskundigheid. Het doel van dit Landelijk Deskundigenteam is de bevoegde overheden van duiding en onafhankelijk advies te voorzien bij incidenten. Naar verwachting is dit team op voor het eind van het jaar operationeel.
Bent u bereid om in lijn met de aangenomen motie-Podt/Kostic (Kamerstuk 33 576, nr. 438) een instructie mee te geven aan provincies om bij de oprichting van het landelijk deskundigenteam mee te nemen in het advies van de kwartiermaker dat dit team multidisciplinair moet zijn en de aanstelling van leden niet gebaseerd mag zijn op politieke voorkeuren, maar gebaseerd moet zijn op objectieve profielen van deskundigheid en ervaring en om te zoeken naar een organisatorische structuur die de onafhankelijkheid van het team waarborgt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik u in mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 484) heb gemeld, hebben de provincies het voortouw bij de inrichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven. Hierbij wordt rekening gehouden met deskundigheid en objectiviteit van de leden. Het past niet bij de bevoegdheidsverdeling tussen Rijk en provincies om hier een instructie over mee te geven.
Kunt u bevestigen dat de Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat in de toelichting een overtuigende motivering ontbreekt waarom een vergunning op voorhand binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan een individuele vergunning voor afschot van een «probleemwolf» en dat de Afdeling ook opmerkt dat ook met een individuele vergunning snel en adequaat kan worden opgetreden?
Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025/26, 33 576, nr. 486) heb aangegeven, heeft de Raad van State in haar advies van 20 mei jl. aangegeven de toelichting van de meerwaarde van deze vergunning op voorhand nog niet overtuigend te vinden en geadviseerd nader te motiveren waarom dit een passend instrument is voor de aanpak van ernstige incidenten, hoe dit instrument kan dienen om snelheidswinst te behalen ten opzichte van de individuele vergunningen, en hoe het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling moet worden geduid. Naar aanleiding van dit advies heb ik de nota van toelichting daarom aangevuld en heb ik daarnaast de bepaling over feitelijke vaststelling gewijzigd.
Waarom houdt u vast aan de mogelijkheid van een vergunning op voorhand voor het doden van wolven die in toekomstige situaties mensen letsel toebrengen, terwijl de Raad van State dus vragen heeft bij de meerwaarde, snelheid, rechtsbescherming en juridische duiding van dit instrument?
Als een mens door een wolf is aangevallen en er daarbij ook letsel is toegebracht, is er sprake van een zeer ernstige situatie met grote maatschappelijke onrust tot gevolg. In zo’n situatie moet er snel kunnen worden gehandeld en moet worden voorkomen dat op dat moment nog een volledige vergunningprocedure moet worden doorlopen. Daarom vind ik het van belang dat het voor deze meest ernstige situatie van agressie mogelijk is om vooraf een vergunning te verlenen voor het doden van een wolf. Als voor deze situaties op voorhand al een vergunning is verleend, ligt deze vergunning als het ware al op de plank en kan snel worden ingezet. Gelet op de vragen van de Raad van State heb ik de nota van toelichting op dit punt aangevuld, waarbij nader is ingegaan op de passendheid, wenselijkheid en meerwaarde van het instrument van de vergunning op voorhand voor toekomstige situaties, en op de specifieke waarborgen die zijn verbonden aan deze vergunning. Daarnaast heb ik naar aanleiding van de vragen van de Raad van State over het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling – zoals ook toegelicht in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025/26, 33 576, nr. 486) – de bepaling over deze feitelijke vaststelling gewijzigd in een advies- en informatieplicht waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Dat voorschrift houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning in het specifieke geval – waarbij het bevoegd gezag een deskundige raadpleegt – en vervolgens het bevoegd gezag moet informeren over de wijze waarop hij bij het gebruik van de vergunning gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag en de wolvendeskundige. Met deze wijziging worden onduidelijkheden over het rechtskarakter voorkomen en blijft de snelheid van het proces behouden. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Kunt u alsnog een onderbouwde argumentatie geven waarom een vergunning op voorhand binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan een individuele vergunning voor afschot van een wolf? Kunt u daarbij concreet aangeven hoeveel sneller de vergunning op voorhand in de praktijk zou werken dan een individuele vergunning? Kunt u aangeven welke extra risico's op fouten daar tegenover staan?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 22 heb aangegeven, is er als een mens door een wolf is aangevallen en daarbij ook letsel is toegebracht, sprake van een zeer ernstige situatie met grote maatschappelijke onrust tot gevolg. In zo’n geval moet er snel kunnen worden ingegrepen. Het kan dan immers noodzakelijk zijn om direct in te grijpen om te voorkomen dat de situatie zich herhaalt of dat het gevaarlijke gedrag wordt overgenomen door andere wolven van dezelfde roedel, wat mogelijk tot grootschaliger ingrijpen met voor de populatie grotere gevolgen zou kunnen noodzaken. Bij deze incidentele gevallen gaat het daarnaast om de meest ernstige situaties van agressie van een wolf naar een mens, waarbij het belang van leven en gezondheid van mensen zwaar weegt. Artikel 8.74lb, tweede lid, van het Bkl maakt het mogelijk dat er voor deze meest ernstige situatie van agressie op voorhand een vergunning is verleend, zodat deze op de plank ligt als zo’n situatie zich voordoet en er niet nog een volledige vergunningprocedure doorlopen moet worden.
Omdat het gaat om een vergunning voor toekomstige situaties, waarbij op het moment van vergunningverlening nog onduidelijk is welke wolf het betreft, wordt aan deze vergunning een advies- en informatieplicht verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie (zie ook mijn antwoord op vraag 22).
Aangezien de Raad van State zich afvraagt of de combinatie van het verlenen van de vergunning op voorhand en het later «activeren» daarvan niet averechts kan werken, doordat op twee momenten juridische procedures kunnen ontstaan, onderschrijft u dit risico, en zo ja, hoe weegt u dit risico af tegen de beoogde snelheidswinst?
Nee. Zoals ik mijn antwoorden op de vragen 22 en 23 heb toegelicht, is de bepaling over de feitelijke vaststelling naar aanleiding van het advies van de Raad van State gewijzigd. In deze antwoorden heb ik toegelicht dat dit gewijzigde voorschrift is vormgegeven in een advies- en informatieplicht. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Aangezien de Raad van State het een tekortkoming noemt dat het kabinet geen duidelijkheid geeft over het rechtskarakter van de vaststelling dat een wolf letsel aan een mens heeft toegebracht, kwalificeert u deze vaststelling als een zelfstandig appellabel besluit, als een bestuurlijk rechtsoordeel of als een louter feitelijke handeling en welke rechtsmiddelen staan in elk van die gevallen open voor belanghebbenden?
Zie mijn antwoorden op de vragen 22, 23 en 24.
Hoe waarborgt u dat ook bij gebruik van een koepelvergunning steeds een individuele, feitelijke en ecologische beoordeling plaatsvindt, inclusief toetsing aan niet-dodelijke alternatieven en de staat van instandhouding? Kunt u toelichten of en hoe u hier wetenschappers bij gaat betrekken?
Het gaat om een vergunning op voorhand voor toekomstige situaties. Bij de verlening van deze vergunning is het bewijsvermoeden van overeenkomstige toepassing, waardoor het bevoegd gezag bij de beoordeling in beginsel kan uitsluiten dat er minder ingrijpende alternatieve maatregelen beschikbaar zijn en ervan uit kan gaan dat er een rechtvaardigingsgrond is. Ook kan op het moment van verlening worden getoetst of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding. Gelet op het feit dat het hier om zeer incidentele gevallen gaat, want gekoppeld aan de meest ernstige situatie van agressie en bovendien in een context van een nog steeds groeiende populatie, zal een negatief effect op de populatie naar verwachting kunnen worden uitgesloten. Daarnaast moet ook het van hogere orde zijnde universele recht op leven en verbod van foltering (artikelen 2 en 3 van het EVRM en artikel 2 van het Handvest grondrechten van de Europese Unie) in de afweging bij de verlening van deze vergunning worden betrokken. Deze grondrechten vragen de overheid immers om actief invulling te geven aan het voorkomen van inbreuken op deze rechten en in te grijpen en zich in te spannen om het leven en welzijn van ingezetenen te beschermen als er een acuut risico dreigt voor dat leven of het oplopen van verwondingen.
Omdat op het moment van vergunningverlening nog niet is vastgesteld om welke wolf het gaat, is het van belang dat extra wordt geborgd dat deze vergunning alleen wordt gebruikt in die situatie waarvoor de vergunning is bedoeld. Daartoe is in de amvb geregeld dat aan zo’n vergunning een advies- en informatieplicht is verbonden. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 22 en 23.
Bent u bereid provincies te verzoeken geen koepelvergunning te verlenen of te gebruiken zolang de juridische houdbaarheid, rechtsbescherming, onafhankelijke deskundigheid en provinciale uitvoering niet aantoonbaar zijn geborgd? Zo nee, waarom niet?
Het is aan gedeputeerde staten als bevoegd gezag om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om een vergunning op voorhand te verlenen. Ik verzoek hen juist om van deze mogelijkheid gebruik te maken.
Bent u bereid om begrippen als «verstoring», «aversieve conditionering», «pogingen», «hetzelfde gebied» en «geïnteresseerd lijkt» alsnog nader te duiden in een ministeriële regeling, beleidsregel of werkinstructie voor wolvendeskundigen en bevoegde gezagen, om eenduidige toepassing tussen provincies te waarborgen en misbruik of rechtsonzekerheid te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Hoe borgt u dan een eerlijke bescherming van de wolven?
Het is aan gedeputeerde staten als bevoegd gezag om een nadere invulling te geven aan deze begrippen. Ik zie geen reden om deze begrippen nader in te vullen.
Kunt u aangeven of het klopt dat nog steeds in meerderheid van gevallen van aanvallen op landbouwdieren blijkt dat boeren hun dieren onvoldoende tot niet hadden beschermd? Hoeveel aanvallen waren er op landbouwdieren afgelopen jaren en in hoeveel gevallen hadden de boeren onvoldoende of geen maatregelen genomen om hun dieren te beschermen? Kunt u de cijfers daarover per jaar (in de afgelopen vier jaar) met de Kamer delen?
Op basis van de beschikbare gegevens van BIJ12 over schademeldingen in het kader van aanvallen op landbouwdieren door wolven blijkt dat in een aanzienlijk deel van de gevallen sprake was van beschermingsmaatregelen die niet in overeenstemming waren met de provinciale adviesnormen. De exacte cijfers per jaar (2022–2025) zijn hieronder weergegeven.3
JAAR
TOTAAL AANTAL SCHADEMELDINGEN1
AANTAL GEVALLEN MET ONVOLDOENDE OF GEEN BESCHERMING
PERCENTAGE ONVOLDOENDE BESCHERMING
2022
312
308
99%
2023
427
418
98%
2024
804
773
96%
20252
1.121
1.040
92%
Het totaal aantal aanvallen betreft alleen de gevallen waarbij een schadeclaim is ingediend en waarbij de schade (vermoedelijk) is veroorzaakt door een wolf.
Deze getallen wijken af van de BIJ12 jaarrapportage wolf 20253. Dit komt omdat er ten tijde van de publicatie van de jaarrapportage nog 13 meldingen in behandeling waren.
Kunt u ook delen hoeveel geld elk jaar is gegeven aan dierhouders ter compensatie voor wolvenaanvallen?
Uit informatie van BIJ12 blijkt dat de provincies de afgelopen jaren de volgende tegemoetkoming in de wolvenschade hebben uitgekeerd:4
2022: € 300.708,00
2023: € 366.818,00
2024: € 928.382,00
2025: € 1.551.602,00
Wordt er op deze zorgplicht van dierhouders gehandhaafd? Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Hoe en hoe vaak wordt dan gecontroleerd en door wie? Kunt u in details schetsen hoe dat precies in praktijk gaat?
De NVWA behandelt jaarlijks een groot aantal meldingen over dierenwelzijn. Meldingen van onvoldoende bescherming van vee tegen wolven vallen daar ook onder. Er is geen specifieke capaciteit toebedeeld aan inspecties over bescherming tegen wolven. Meldingen over onvoldoende bescherming tegen roofdieren worden beoordeeld en risicogericht opgepakt. Er wordt daarvoor gekeken hoeveel aanvallen er hebben plaatsgevonden, in welk gebied deze hebben plaatsgevonden en welke maatregelen de houder lijkt te hebben genomen.
De NVWA richt haar toezicht nu op situaties waarbij duidelijk sprake is van een exces. Dit in afwachting van de nadere invulling van de norm voor bescherming tegen wolven. In geval van een exces wordt er een fysieke inspectie uitgevoerd door een inspecteur dierenwelzijn. Er wordt gekeken welke dieren aanwezig zijn, in welk gebied ze staan en op welke manier bescherming wordt geboden tegen wolven. De NVWA benut hierbij de fauna preventiekit van BIJ12. Indien een overtreding wordt geconstateerd, volgt een interventie en een herinspectie.
Hoe vaak zijn in afgelopen vier jaar straffen/boetes opgelegd aan boeren die hun landbouwdieren niet volgens richtlijnen van experts hebben beschermd met wolfwerendemaatregelen en dus niet aan hun zorgplicht hebben voldaan? Wat waren dan de straffen/boetes precies?
In 2022 en 2023 heeft de NVWA geen inspecties uitgevoerd op de bescherming van gehouden dieren tegen wolven. Dit heeft er mee te maken dat de terugkomst van wolven naar Nederland een nieuwe ontwikkeling was, waar nog kennis over opgedaan moest worden en waar veehouders zich nog op moesten aanpassen. Eind 2024 heeft de NVWA één inspectie uitgevoerd en voor het eerst een officiële waarschuwing op dit onderwerp gegeven. In 2025 tot en met juni 2026 zijn er 8 inspecties uitgevoerd. In 6 gevallen is er een overtreding geconstateerd en een officiële waarschuwing gegeven. Ook zijn er 3 herinspecties uitgevoerd. Bij deze herinspecties bleek de situatie op orde.
Met welke extra maatregelen gaat u ervoor zorgen dat dierhouders hun dieren eindelijk volgens adviezen van experts gaan beschermen en dus aan hun zorgplicht voldoen?
Dierhouders zijn verantwoordelijk voor het beschermen van hun dieren tegen roofdieren, waaronder wolven. Om deze verplichting concreter te maken, wordt gewerkt aan een beleidsregel. Deze zal helderheid bieden over de verwachtingen en normen voor veebescherming. Dit draagt bij aan een effectiever toezicht en handhaving. Daarnaast zetten overheden in op het ondersteunen van dierhouders bij het treffen van adequate wolfwerende maatregelen. Dit vergt namelijk aanzienlijke inspanningen, specifieke kennis en expertise. Om dierhouders hierbij te ondersteunen, zijn de volgende maatregelen genomen:
Er zijn diverse initiatieven gestart of in ontwikkeling, zoals de Drentse praktijkproef met mobiele wolfwerende rasters. Deze initiatieven dragen bij aan kennisontwikkeling en praktische toepassing van beschermingsmaatregelen. Uit de huidige ontwikkelingen blijkt dat dierhouders in toenemende mate gebruikmaken van de beschikbare ondersteuningsmogelijkheden. Dit onderstreept het belang van deze regelingen en initiatieven voor de praktijk.
Wanneer wordt het uitkeren van een schadevergoeding strikt gekoppeld aan naleving van de preventienorm door dierenhouders? Kunt u een concrete tijdlijn schetsen? Zo nee, waarom niet?
Het uitkeren van tegemoetkomingen bij schade door wolven is een provinciale bevoegdheid. De provincies bepalen zelf de voorwaarden en vereisen momenteel geen preventieve maatregelen om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming in de schade. Het is aan provincies om te bepalen wanneer er wat hen betreft voldoende praktische en doelmatige mogelijkheden tot ingrijpen zijn die het opportuun maken om preventieve maatregelen als voorwaarde te stellen.
Kunt u delen hoe de gesprekken met de provincies zijn verlopen over de rapporten die ten gevolge van de aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33 576, nr. 436) zijn opgesteld? Welke concrete afspraken zijn er gemaakt? Was er ondersteuning van het ministerie gewenst vanuit de provincies voor Europese aanvragen en is die ondersteuning geboden? Zo ja, kunt u aangeven hoe vaak dit is voorgekomen?
De rapporten zijn met de provincies gedeeld en besproken. Daarbij is afgesproken dat provincies bezien hoe de uitkomsten kunnen worden betrokken bij hun subsidieregelingen. Ook is aangeboden provincies te ondersteunen bij aanvragen voor Europese fondsen. Van dit aanbod is tot op heden geen gebruik gemaakt. Wel wordt op initiatief van LVVN en Gelderland gekeken of deelname aan het Europese LIFE-project «Wild Wolf» haalbaar is. De provincies Drenthe, Noord-Brabant en Groningen hebben aangegeven ook interesse te hebben in deelname.
Welke rol van het ministerie is vastgelegd wat betreft de suggesties en conclusies uit de rapporten? Kunt u een overzicht geven welke conclusies en suggesties uit de rapporten zijn overgenomen en welke niet en uitleggen waarom wel en niet?
Provincies zijn verantwoordelijk voor de subsidieregelingen voor wolfwerende maatregelen. Het ministerie verkent de aanvullende inzet van rijksregelingen binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en kan provincies ondersteunen bij Europese aanvragen. De aanbevelingen om bestaande regelingen toegankelijker en eenvoudiger te maken, het verhoogde de-minimisplafond te benutten en Europese financieringsmogelijkheden nader te onderzoeken, worden onderschreven. Provincies bepalen zelf of en hoe zij hun regelingen aanpassen. Voor LIFE en Horizon Europa zijn samenwerkingsprojecten en een langdurige voorbereiding vereist. Het EFRO biedt binnen de huidige programmaperiode weinig financiële ruimte. Deze mogelijkheden zijn daarom tot op heden niet omgezet in afzonderlijke landelijke subsidieregelingen.
Kunt u per jaar aangeven hoeveel geld er afgelopen vier jaar is besteed aan maatregelen die helpen bij het leren samenleven met de wolf en het voorkomen van mens-wolfconflicten en ook waar dat geld precies aan is besteed?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, biedt het LIW feitelijke, actuele en toegankelijke informatie over wolven in Nederland. Specifieke gegevens over maatregelen die helpen bij het leren samenleven met de wolf worden niet structureel bijgehouden. In 2025 en 2026 is er € 2.653.000
besteed aan het LIW.
Kunt u een overzicht geven hoeveel geld er binnen het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), het Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en Horizon Europa beschikbaar is en hoeveel er in de afgelopen jaren (per jaar) in Nederland is benut, specifiek óók voor preventie van wolf-mensconflicten en betere bescherming van landbouwdieren door veehouders, ook per provincie?1
De gevraagde informatie is niet op dit detailniveau beschikbaar. Europese fondsen registreren uitgaven naar programma en projectdoel en niet afzonderlijk als preventie van mens-wolfconflicten of bescherming van landbouwdieren. Daardoor kan de Nederlandse benutting niet per jaar en provincie worden uitgesplitst. Uit de uitgevoerde verkenning blijkt dat binnen Horizon Europa maximaal € 37 miljoen beschikbaar was voor relevante oproepen en binnen LIFE maximaal € 3,5 miljoen per project, hier is door Nederland nog geen gebruik van gemaakt. Binnen het GLB is voor de regeling Productieve investeringen Groen-Blauw en dierenwelzijn voor 2023–2028 in totaal € 50 miljoen beschikbaar, in ieder geval Gelderland heeft hier een subsidiemogelijkheid voor gerealiseerd. EFRO biedt binnen de huidige programmaperiode naar verwachting weinig ruimte. Provincies maken voor wolfwerende maatregelen vooralsnog beperkt gebruik van Europese fondsen; wel worden dus rijksmiddelen en provinciale middelen ingezet, zie ook mijn antwoord op vraag 33.
Kunt u aangeven of uw verkenning naar aanleiding van aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33 576, nr. 436) ertoe heeft geleid dat meer houders van landbouwdieren hun dieren beter en volgens officiële instructies zijn gaan beschermen? Wat heeft het kabinet precies gedaan in het licht van de motie en wat waren de resultaten?
Dit verband kan niet causaal worden vastgesteld. Het aantal dierhouders dat maatregelen treft, wordt niet landelijk op uniforme wijze geregistreerd. Ter uitvoering van de motie heeft het kabinet de provinciale subsidieregelingen en de Europese financieringsmogelijkheden laten onderzoeken, de uitkomsten met provincies gedeeld en ondersteuning bij Europese aanvragen aangeboden. Uit het onderzoek blijkt dat acht provincies begin 2025 een subsidieregeling hadden en dat in meerdere provincies budgetten zijn verhoogd of regelingen zijn vereenvoudigd. Dit wijst op een toenemend gebruik van wolfwerende maatregelen, maar maakt niet inzichtelijk welk deel daarvan rechtstreeks het gevolg is van de motie.
Kunt u delen wat provincies hebben gedaan met uw oproep naar aanleiding van de aangenomen motie-Kostic/Graus (Kamerstuk 33 576, nr. 437) om een tijdelijk stop in te stellen op beheer van en jacht op de belangrijkste prooien van de wolf?
Er is tot op heden door de provincies geen vervolg gegeven aan deze oproep, want er zijn momenteel bij de provincies geen aanwijzingen dat er sprake is van een tekort aan voedsel voor wolven in de leefgebieden. Daarnaast is het beheer van grote hoefdieren in deze gebieden vaak een onderdeel van een breder beleid, zoals het voorkomen van aanrijdingen en biodiversiteitsherstel door graasdrukvermindering. De impact van wolven op de populatie is niet voldoende om die doelstellingen te bereiken.
Bent u bereid deze oproep opnieuw te doen aan de provincies en daar afspraken over te maken, gezien uw leidende rol in het wolvenbeleid? Zo nee, waarom drukt u dan onder het mom van «spoed» wel een AMvB zonder een debat door de Kamer, maar weigert u ervoor te zorgen dat de meest basale, belangrijke maatregelen die wolf-mensconflicten kunnen voorkomen (zoals het stoppen van jagen in bepaalde gebieden) worden genomen?
De oproep is bekend bij de provincies. Het is aan hen als bevoegd gezag om te besluiten over de invulling van het natuurbeleid. Zie ook mijn antwoord op vraag 40.
Kunt u een overzicht geven van extra maatregelen die het kabinet heeft getroffen of nog gaat treffen (met tijdlijn) in het kader van preventie van conflicten tussen mensen en wolven en het leren samenleven met wolven, zoals (maar niet uitsluitend) goede en wijdverspreide en makkelijk toegankelijke voorlichting over wat wel/niet te doen en het afsluiten van natuurgebieden?
Via het LIW, het landelijk initiatief veebescherming en de amvb zet me ik in om informatie beschikbaar te stellen en preventieve maatregelen mogelijk te maken en te ondersteunen waarmee incidenten met wolven kunnen worden voorkomen. Zie in dit verband ook mijn antwoord op de vragen 3 en 37.
Is er met onafhankelijke wolvenexperts en wetenschappers gesproken over welke maatregelen het beste getroffen zouden kunnen worden voor het faciliteren van samenleven met wolven? Welke van die maatrgelen zijn wel en niet overgenomen?
Het LIW en BIJ12 maken bij hun informatievoorziening gebruik van wetenschappelijke informatie en praktijkervaringen. Er wordt niet bijgehouden welke informatie wel en niet wordt overgenomen.
Kunt u aangeven welke juridische risico’s werden bedoeld in de beslisnota over de AMvB (Kamerstuk 2026D20155) in de zin: «De conclusie is dat er sowieso juridische risico's zitten aan de figuur van de vergunning op voorhand»? Wie heeft deze risico-inschatting gemaakt en op basis van welke analyse? Waarom is deze passage niet, of niet in vergelijkbaar expliciete bewoordingen teruggekomen in de Kamerbrief van 24 april 2026 (Kamerstuk 33 576, nr. 480) zelf?
In de Kamerbrief van 24 april jl. heb ik aangegeven dat ik verschillende varianten van de vergunning op voorhand voor toekomstige situatie heb verkend en dat juridische risico’s in dit verband niet zijn uit te sluiten. De juridische risico’s waarover het in de bijbehorende beslisnota ging, zagen op de juridische houdbaarheid van een dergelijke op voorhand verleende vergunning, waarbij onder meer onzekerheid over de staat van instandhouding van de wolf, toetsing van de situatie in het individuele geval en vraagstukken over rechtsbescherming een rol spelen. Juristen van mijn ministerie hebben over deze varianten een risico-inschatting gemaakt en deze is ook onderschreven door de Landsadvocaat. Met de vormgeving van de vergunning op voorhand met aanvullende waarborgen zoals deze nu in de amvb is opgenomen zijn de risico’s zoveel mogelijk beperkt. Zekerheidshalve heb ik – zoals ook in die brief genoemd – het ontwerpbesluit opnieuw aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025–2026, 33 576, nr. 484) en ook in mijn antwoord op uw vragen 21, 22 en 23 heb toegelicht, heb ik vervolgens naar aanleiding van dat advies de toelichting nog aangevuld en het aan die vergunning verbonden voorschrift gewijzigd.
Bent u bereid in het kader van Artikel 68 van de Grondwet de volledige beslisnota, inclusief de hier geciteerde passage, ongeschoond openbaar te maken? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt dat zich tot Artikel 68 van de Grondwet?
De beslisnota is, op persoonsgegevens na, reeds volledig openbaar.
Kunt u uitleggen hoe een systeem van vooraf verleende vergunningen, die later moeten worden «geactiveerd» na vaststelling dat de juiste wolf is betrokken, praktisch uitvoerbaar is als het kabinet zelf erkent dat die identificatie in veel gevallen onmogelijk is? Welke concrete identificatiemethode (bijvoorbeeld DNA-onderzoek of camerabeelden) wordt bij activering van een vergunning op voorhand als minimaal vereist beschouwd, door welke onafhankelijke actoren wordt dat uitgevoerd en binnen welke termijn moet deze beschikbaar zijn voordat tot doden wordt overgegaan?
Aan de vergunning op voorhand is een advies- en informatieplicht verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij in een concrete situatie daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie (artikel 8.74sa Bkl).
De adviesverplichting houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning voor het doden van de wolf in kwestie. Het bevoegd gezag geeft dit advies na raadpleging van een wolvendeskundige. In het advies gaat het bevoegd gezag in op vraag of het hier daadwerkelijk om de wolf gaat die letsel heeft toegebracht. Er is geen vereiste identificatiemethode of -termijn vastgelegd en er kan altijd een mate van onzekerheid bestaan bij identificatie ten tijde van spoed. Omdat er sprake is van letsel zal er waarschijnlijk DNA van de wolf aanwezig zijn, zodat hierbij DNA-onderzoek kan worden verricht. Het advies kan ook gaan over de verificatie van uiterlijke of gedragskenmerken van de wolf. Na ontvangst van dit advies moet de vergunninghouder het bevoegd gezag informeren over de wijze waarop hij in dat individuele geval gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag (de informatieplicht).
Wat gebeurt er als bij twijfel over de identiteit van de wolf toch tot afschot wordt overgegaan en achteraf blijkt dat de verkeerde wolf is gedood? Welke juridische en beleidsmatige consequenties heeft dat en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Zoals ik in onder meer mijn antwoord op vraag 46 heb aangegeven, is aan de vergunning op voorhand een voorschrift bestaande uit een adviesverplichting in combinatie met een informatieplicht verbonden, waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Het voorschrift verzekert dat het bevoegd gezag voor elk concreet geval waarbij daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de vergunning op voorhand, na raadpleging van een wolvendeskundige, heeft kunnen adviseren en daarmee toezicht kan uitoefenen. Er kan altijd een mate van onzekerheid bestaan bij identificatie ten tijde van spoed. Als er twijfel is over de identiteit van de wolf in kwestie, zal het bevoegd daaraan in het advies aandacht besteden. De vergunninghouder zal bevoegd gezag vervolgens moeten informeren over de wijze waarop hij gevolg geeft aan het advies. Indien nodig kan het bevoegd gezag, als de vergunninghouder bijvoorbeeld in afwijking van het advies wil handelen, handhavend optreden, met bijvoorbeeld een last onder bestuursdwang.
Provincies zijn voor de vergunningverlening het bevoegd gezag en hebben daarmee ook de verantwoordelijkheid voor bestuursrechtelijke handhaving. Het handelen in strijd met de voorschriften van een vergunning is ook strafbaar op grond van de Wet op de economische delicten. Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving. Dit geldt overigens niet specifiek voor de vergunning op voorhand voor elke vergunning voor flora- en fauna-activiteit met betrekking tot een wolf.
Het grootste deel van de aanvallen door gevestigde wolven valt binnen beperkte gebieden, zo blijkt uit de ruimtelijke analyse van Wageningen Environmental Research. We onderzoeken in het kader van het vaststellen van de Beleidsregel ter invulling van de open norm de mogelijkheid om die gebieden aan te wijzen als preventiezones waar wolfwerende maatregelen noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren tijdens mijn werkbezoek aan Nedersaksen: er zijn roedels wolven die schuw zijn en geen overlast veroorzaken en ook roedels die dat wel doen. We moeten ons richten op de roedels die overlast veroorzaken. Met beheer en met schuw maken. Dan zou het aantal incidenten ook omlaag kunnen gaan.
Erkent u dat een onbekende staat van instandhouding, gelet op vaste Europese rechtspraak (waaronder ECLI:EU:C:2019:851), een verhoogde motiveringsplicht en een voorzorgsbenadering met zich meebrengt bij elk voornemen tot versnelde of verruimde vergunningverlening voor het doden van wolven? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik deel het uitgangspunt dat er gelet op de onbekende staat van instandhouding vanuit voorzorg moet worden uitgegaan van een ongunstige staat van instandhouding en er gelet op vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie alleen in uitzonderlijke situaties kan worden overgegaan tot het aan de natuur onttrekken van wolven door doden of vangen. Dat uitgangspunt is ook gehanteerd bij de in de amvb opgenomen specifieke beoordelingsregels. Ik vind het van belang dat er een brede afweging van belangen plaatsvindt, waarbij het recht op leven prevaleert.
Op welke datum wordt het in uw brief (Kamerstuk 33 576, nr. 480) aangekondigde aanvullende Staat van Instandhouding (SvI)-onderzoek aan de Kamer toegezonden? Bent u, zolang dit onderzoek nog niet beschikbaar is, bereid de onderdelen van de AMvB die zien op versnelde vergunningverlening niet toe te passen? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik zal uw Kamer voor het eind van het jaar het onderzoeksrapport toesturen. De amvb is op 11 juli jl. in werking getreden. De invulling van de specifieke beoordelingsregels is zodanig dat is verzekerd dat het onttrekken van wolven aan de natuur in een situatie dat de soort nog niet in een gunstige staat van instandhouding verkeert overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt beperkt tot uitzonderlijke situaties, namelijk de meest ernstige gevallen van agressie, en met waarborgen is omgeven.
Aangezien de wolvenpopulatie tussen vergunningverlening en daadwerkelijk gebruik (mogelijk jaren later) kan zijn afgenomen en de staat van instandhouding nu al als ongunstig geldt, op welk momenten vindt toets aan de staat van instandhouding plaats en kan het bevoegd gezag een vergunning intrekken als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding geeft? Zo nee waarom niet? Is bevoegd gezag daartoe verplicht als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding geeft? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik heb de afgelopen periode aanpassingen aan de amvb gedaan om deze juridisch houdbaar te maken, waaronder het goed verwerken van het laatste advies van de Raad van State. Zoals ook toegelicht in de nota van toelichting is daarbij rekening gehouden met de staat van instandhouding van wolven in Nederland.De toets over de vraag of het ingrijpen afbreuk doet aan het streven om de wolf in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat te laten voortbestaan vindt plaats bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag.
Het bevoegd gezag kan de vergunning intrekken, of de voorschriften van een vergunning wijzigen, als er sprake is van een situatie die ertoe had geleid dat de aanvraag op dat moment geweigerd had kunnen worden (artikel 8.97 van het Bkl). Daarvan zou sprake kunnen zijn als de toets aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding een andere uitkomst zou hebben. Het bevoegd gezag is hiertoe niet verplicht.
Hoe beoordeelt u het risico dat het wettelijk vermoeden dat in een «probleemsituatie» geen minder schadelijke alternatieven bestaan en een rechtvaardigingsgrond voor ingrijpen aanwezig is, de bewijslast in bezwaar- en beroepsprocedures feitelijk verschuift van het bevoegd gezag naar degene die het vermoeden wil weerleggen, zoals natuurorganisaties?
Deze specifieke regels vinden hun rechtvaardiging in het bijzondere karakter van wolven, waardoor deze als zij gewend zijn geraakt aan mensen en mensen niet langer ontwijken, daadwerkelijk een gevaar kunnen vormen voor de mens. Tevens zijn zij als grote roofdieren een bedreiging voor door de mens gehouden dieren. Bij incidenten met een wolf die daadwerkelijk een gevaar vormt voor mensen en gehouden dieren en bij wolven die die een probleem kunnen gaan vormen moet snel en adequaat kunnen worden opgetreden. Het gaat bij deze zogenaamde «probleemwolven» en «probleemsituaties met een wolf» om nauwkeurig in het tweede en derde lid van artikel 8.74la van het Bkl omschreven gevallen. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituaties met een wolf» wordt ook in alle gevallen een wolvendeskundige geraadpleegd. Het gaat hier om een wettelijk bewijsvermoeden, waarbij ruimte is voor tegenbewijs en ook voor een nadere afweging van het bevoegd gezag in een concreet geval.
Hoe verhoudt dit risico zich tot vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder de Finse wolvenzaak (ECLI:EU:C:2019:851), waarin is bepaald dat de bewijslast voor het ontbreken van alternatieven bij het bevoegd gezag zelf ligt?
Het bevoegd gezag kan gebruik maken van het wettelijk bewijsvermoeden, waarbij de specifieke beoordelingsregels zo zijn vormgegeven dat alleen als sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» zoals nauwkeurig is omschreven in artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl, wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn.
Welke concrete, verifieerbare gegevens moeten zijn vastgelegd voordat een beroep op dit bewijsvermoeden gerechtvaardigd is en bent u bereid dit als toetsbare voorwaarde in de AMvB of de onderliggende beleidsregel vast te leggen?
De specifieke beoordelingsregels zijn zo vormgegeven dat als sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» zoals nauwkeurig is omschreven in artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl, wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn en er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Alleen als aan de hier omschreven situatie wordt voldaan kan met gebruikmaking van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl een omgevingsvergunning voor het (tijdelijk) vangen of doden worden verleend. Bij de omschrijving van de omstandigheden waaronder de wolf kan worden beschouwd als een «probleemwolf», is verzekerd dat het in alle gevallen om de meest ernstige situaties gaat, namelijk situaties van gebleken agressie van een wolf tegen mensen of gehouden, goed beschermde dieren. En bij de lichtere categorie van een «probleemsituatie met een wolf» is geregeld dat de specifieke beoordelingsregels alleen van toepassing zijn bij het slechts voor korte duur uit de natuur halen van wolven, met het oog op monitoring of verplaatsing. Naar mijn idee is dit voldoende concreet in artikel 8.74la van het Bkl opgenomen.
Hoe waarborgt u dat het wettelijke vermoeden niet ertoe leidt dat de escalatieladder uit de interventierichtlijnen in de praktijk wordt overgeslagen of onvoldoende wordt gedocumenteerd, terwijl juist het bevoegd gezag moet aantonen dat minder schadelijke alternatieven daadwerkelijk zijn benut of onderzocht?
Het is aan provincies als bevoegd gezag om te bepalen op welke manier de provinciale interventierichtlijnen worden toegepast. Deze richtlijnen vormen geen verplichting voor provincies. Bij het beoordelen of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» waaraan het bewijsvermoeden van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl is verbonden, betrekt het bevoegd gezag altijd het oordeel van een wolvendeskundige. Een deskundige kan vanuit zijn expertise bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Hiermee is geborgd dat er in de betreffende situatie daadwerkelijk sprake is van een probleemwolf als bedoeld in dat artikel waarbij wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn.
Deelt u de constatering dat het criterium voor een «probleemsituatie» met een wolf dat deze «ten minste twee keer getolereerd heeft dat mensen naderen tot minder dan 30 meter» mede afhankelijk is van menselijk gedrag waar de wolf geen controle over heeft en dat natuurlijk, niet-agressief gedrag van de wolf daardoor tot een probleemkwalificatie kan leiden, terwijl de aanleiding (mede) in menselijk gedrag ligt? Denk aan de wolven die voortdurend wordt opgezocht door recreanten en fotografen en wordt gevoerd met pannenkoeken?2 3 Wat gaat u doen om te voorkomen dat wolven op deze manier worden bestraft voor verkeerd gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet en met welke wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik vind het van groot belang dat mensen zo veel mogelijk afstand houden tot wolven. Maar het kan desondanks voorkomen dat mensen en wolven elkaar tegenkomen. Dit kan leiden tot probleemsituaties. Ik keur het lokken of bewust benaderen van wolven af. Via het LIW wordt informatie verstrekt hoe het publiek met deze situatie om moet gaan. Het is aan provincies en gemeenten als bevoegd gezag, met ondersteuning van een deskundige, om in specifieke situaties te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een probleemsituatie.
Welke maatregelen zijn genomen of worden genomen om te voorkomen dat mensen die tegenstander zijn van de aanwezigheid van wolven doelbewust dicht bij een wolf gaan staan, een wolf benaderen of een wolf lokken om zo een «probleemsituatie» in de zin van dit artikel te creëren? Kunt u dit uitgebreid toelichten en aangeven hoe de maatregelen zijn afgestemd met wetenschappers en onafhankelijke wolvenexperts?
Zoals ik mijn antwoord op vraag 55 heb aangegeven, keur ik het lokken of bewust benaderen van wolven af. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat mensen bewust «probleemsituaties» uitlokken.
Bent u bereid dit criterium te schrappen of te herformuleren zodat uitsluitend gedrag van de wolven zelf, en niet het verkeerde gedrag van de mens, bepalend is voor de kwalificatie en dus om te voorkomen dat wolven onnodig worden bestraft voor verkeerd gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 49 heb aangegeven, is de amvb op 11 juli jl. in werking getreden en zie ik geen aanleiding om hier aanpassingen aan te doen.
U heeft tegen een aangenomen motie van de Kamer de AMvB zonder debat met de Kamer definitief vastgesteld, maar was daarvoor de definitieve, na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 20 mei 2026, aangepaste tekst van het ontwerpbesluit met nader rapport aan de Kamer toegezonden (los van uw brieven) en was de door de vaste commissie voor LVVN gevraagde reactie op de notitie van Werkgroep Wolf Leusden van 12 mei 2026 daarvoor verzonden? Klopt het dat vragen vanuit de Eerste Kamer nog niet waren beantwoord, voordat u de AMvB definitief had gemaakt? Kunt u een precieze tijdlijn delen?
In mijn beantwoording van vragen van uw Kamer op 6 juli jl. (Kamerstukken II 2025–2026, 33 576, nr. 512) heb ik aangegeven dat ik uw Kamer inzicht heb gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, dat ik uw Kamer heb gewezen op het belang van spoedige vaststelling van het besluit en dat het afwachten van een oordeel van uw Kamer geen vereiste is in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit.
Een reactie op de twee brieven van de Werkgroep Wolf Leusden (Kamerstukken II 2025–2026, 2026Z09907/2026D23750 en 2026Z14671/2026D34934) heeft uw Kamer op 27 augustus ontvangen in mijn brief over de ontwikkelingen in het wolvenbeleid (Kamerstuk II 2025–2026, nr. 2026Z17340).
Op 6 juli jl. heb ik de Eerste Kamer de beantwoording toegestuurd van nadere vragen over wijziging Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) toegestuurd (Kamerstukken I 2025–2026, 33 118, HH). De amvb is op 10 juli jl. gepubliceerd en op 11 juli jl. in werking getreden.
Wie gaat toezicht houden, monitoren en handhaven op correcte en tijdige uitvoering van de wet en Europese afspraken rondom wolven? Hoe wordt dit precies gecontroleerd? Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Is er extra capaciteit door dit kabinet vrijgemaakt hiervoor en zo ja, hoeveel en voor wat precies?
Provincies zijn het bevoegd gezag voor het uitvoeren van en controleren van het wolvenbeleid. In het Wolvenplan 2025 hebben provincies hun gezamenlijke beleid vastgelegd. Daarnaast zijn er verschillende provincies die aanvullend beleid hebben geformuleerd. Het is mij niet bekend hoe elke provincie de controle uitvoert en welke capaciteit hiervoor wordt ingezet, omdat er geen centrale registratie plaatsvindt van de provinciale inzet. Het kabinet heeft geen extra capaciteit vrijgemaakt voor controle van het wolvenbeleid.
Kunt u deze vragen één voor één voor het debat over de wolf beantwoorden?
Ja.