Het zich niet uitspreken tegen extreemrechts geweld en het ontbreken van steun van het kabinet voor de getroffen vluchtelingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Erkent het kabinet dat er sprake is van een groei van extreemrechts, waarvoor de veiligheidsdiensten al langer waarschuwen?
De AIVD en NCTV constateren een groeiende normalisatie van het rechts-extremistische narratief. In het AIVD jaarverslag van 2025 staat dat, binnen de rechts-extremistische beweging, er veel personen en subgroepen zijn die het rechts-extremistische geluid willen normaliseren en dit breed geaccepteerd proberen te krijgen. Daarbij presenteren ze hun gedachtegoed veelal in een mildere vorm om zo acceptabeler over te komen, terwijl ze achter de schermen het rechts-extremistische doel van een «blanke etnostaat» nastreven.
Erkent u dat het kabinet een grote verantwoordelijkheid heeft om de groei van extreemrechts effectief tegen te gaan en het in elk geval niet verder te laten doorwoekeren?
Ja. Dit kabinet zet zich in voor het beschermen van de nationale veiligheid tegen de vele dreigingen die onze vrije Nederlandse samenleving kunnen ondermijnen. Daar waar het gaat om het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed acht het kabinet het van belang om zich daartegen uit te spreken en te normeren.
Voor het tegengaan van extremisme bestaat een breed instrumentarium. Sinds twee jaar is de Nationale Extremismestrategie van de Ministers van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van kracht. Hierin wordt een integrale inzet beschreven: van vroege preventie, tot het beschermen van bestuurders en hard optreden bij excessen. Deze strategie is van toepassing op alle vormen van extremisme, waaronder rechts-extremisme. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom rechts-extremisme nauwlettend om zo de ideologie-neutrale aanpak te kunnen versterken waar nodig.
Waarom heeft u het geweld en de brandstichting bij een noodopvanglocatie voor vluchtelingen niet veroordeeld als extreemrechts geweld, maar koos u ervoor om de daders slechts te bestempelen als «een groep relschoppers» die «zorgen» zouden hebben die je «altijd» mag «uitspeken» en heeft u alleen in algemene termen gezegd dat geweld nooit mag?
Het kabinet veroordeelt elke vorm van geweld. Op dit moment wordt er nog volop onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen van de afgelopen weken door het OM en de politie. De conclusies en exacte duiding moeten hieruit volgen, maar dat er meerdere uitingen zijn gedaan die geduid kunnen worden als rechts-extremistisch, zoals het tonen van prinsenvlaggen gecombineerd met bepaalde leuzen, is evident. Dit is absoluut verwerpelijk en onacceptabel. Zoals ook toegelicht in het debat van 26 mei 2026, richt dit geweld schade aan die veel dieper gaat dan alleen tastbare vernieling: het gaat om mensen. Inwoners van steden die niet meer over straat durven, de mensen in de opvanglocaties en medewerkers en vrijwilligers die in angst afwachten tot het geweld voorbij is, hulpverleners die in de vuurlinie staan en bestuurders die geïntimideerd en bedreigd worden. Het kabinet acht dit onacceptabel.
Bent u alsnog bereid om uit te spreken dat het hier ging om extreemrechts geweld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom hebben zowel u als mevrouw Yeşilgöz in haar rol als eerste vicepremier (en uw vervanger bij de persconferentie na de ministerraad van 13 mei) niet expliciet specifiek medeleven betuigd met de vluchtelingen en medewerkers in het pand die slachtoffer zijn geworden van dit intimiderende geweld en de brandstichting bij hun onderkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om op zeer korte termijn een bezoek te brengen aan de bewoners en de medewerkers van de noodopvanglocatie in Loosdrecht om hen alsnog een hart onder de riem te steken en persoonlijk uw medeleven over te brengen, namens het hele kabinet?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn beantwoord binnen de termijn.
Het artikel ‘De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel» en wat is daarop uw reactie?1
Ja.
Hoe past dit verhaal in de beweging naar passende zorg die dit kabinet propageert?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. Het streven is dat passende zorg lonend moet zijn. Daarom wordt ook bezien in hoeverre de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat het kabinet van partijen vraagt. Waar nodig worden deze aangepast.
Ziet u een afname van onnodige zorg in Bernhoven en hoe kijkt u daar tegenaan?
Op basis van de ingezette beweging en de signalen die ziekenhuis Bernhoven hierover heeft gegeven, lijkt het inderdaad het geval dat er een afname is van onnodige zorg. Wanneer er minder zorg wordt geleverd omdat deze niet noodzakelijk bijdraagt aan de gezondheid of kwaliteit van leven van patiënten, dan beschouwt het kabinet dat als een positieve ontwikkeling die aansluit bij de doelstellingen van passende zorg van dit kabinet.
Bent u van mening dat een beweging van passende zorg en minder onnodige zorg verder uitgerold moet worden, en is Bernhoven daar een voorbeeld in? Zo ja waarom en wat gaat u eraan doen om dit verder uit te rollen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De beweging naar passende zorg is een belangrijk speerpunt van dit kabinet. Het kabinet heeft recent in de Beleidsbrief VWS toelichting gegeven op een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel dat passende zorg de norm wordt wil bereiken. Dit pakket aan maatregelen gaat over zowel de zorginhoud, het zorglandschap, de rol van zorgverzekeraars als ook solidariteit, in de zin van hoeveel we als samenleving met zijn allen (mee)betalen aan de zorgkosten en toekomstbestendigheid van onze zorg.
Dit kabinet gaat voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak en bijsturen daar waar men nog niet zover is. Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Om dit mogelijk te maken kijkt het kabinet onder andere of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat het kabinet van zorgaanbieders en zorgverzekeraars vraagt.
In hoeverre zijn de financiële problemen van het ziekenhuis ontstaan door de beweging naar passende zorg?
Het kabinet kan geen uitspraken doen over de financiële situatie van ziekenhuis Bernhoven. In algemene zin geldt dat de financiële positie van een ziekenhuis samenhangt met verschillende factoren, waaronder de bedrijfsvoering, de ontwikkeling van de zorgvraag, personeelskosten en contractafspraken met zorgverzekeraars.
Tegelijkertijd laat de beweging naar passende zorg zien dat het soms nodig is om in een overgangssituatie extra ondersteuning te bieden. Daarom kijkt het kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar het nodig is, wordt dit aangepast. Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen jaren de transformatie ondersteund door aanvullende transformatiemiddelen (nagenoeg 2 miljard) in te zetten. Voor partijen moet het inzetten op passende zorg lonend zijn maar dit betekent ook dat de bedrijfsvoering hierop aangepast moet worden.
Hoe kijkt u aan tegen de prijsprikkels die de spanning tussen passende zorg en minder inkomsten door minder behandelingen veroorzaakt?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zorgaanbieders worden gestimuleerd om passende zorg te leveren. Daarom kijkt het kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat er van deze partijen wordt gevraagd. Waar nodig worden deze aangepast. Tegelijkertijd is er in het bilaterale contracteren tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraar al ruimte om afspraken te maken die passende zorg ondersteunen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zorginstellingen die de beweging naar passende zorg maken daarvoor niet «gestraft» worden?
Het uitgangspunt is dat passende zorg moet lonen. Daarom werkt het kabinet samen met partijen aan bekostiging en contractering die de beweging naar passende zorg ondersteunen. Dit is onderdeel van een samenhangend pakket aan maatregelen waarmee passende zorg altijd en overal de norm wordt.
Bent u voornemens dit verdienmodel te doorbreken zodat het collectieve belang en niet het individuele belang van een ziekenhuis centraal komt te staan?
Het kabinet zet zich in voor een zorgstelsel waarin passende zorg de norm is. Daarbij past niet dat financiële prikkels leiden tot meer of andere zorg dan nodig is. Daarom werkt het kabinet aan een samenhangend pakket aan maatregelen waarmee passende zorg altijd en overal de norm wordt.
Bent u bekend met het bericht «Van vrouwenmars tot kindermars: wat de asielprotesten zeggen over de normalisering van extreemrechts»?1
Ja.
Deelt u de zorgen dat rechts-extremistische groepen bewust maatschappelijke onrust proberen aan te wakkeren rondom asielopvang om hun extreemrechtse ideologie breder te verspreiden?
Ja, die zorgen deel ik. De AIVD en NCTV constateren dat rechts-extremisten de afgelopen jaren vaker toegang krijgen tot en zich consequent mengen in verschillende maatschappelijke debatten. Verschillende rechts-extremisten en organisaties in Nederland zijn doelbewust bezig met het gangbaarder maken van het rechts-extremistische narratief in Nederland. Dit is een zeer zorgelijke ontwikkeling. Façadepolitiek is hier onderdeel van. Hierbij gebruiken zij een verhulde vorm van hun denkbeelden, die op het eerste gezicht acceptabel zijn voor een grotere groep. Dit doen zij bewust; hiermee bereiken zij potentieel meer mensen, zoals bezorgde burgers. Dit doen zij onder andere door het beïnvloeden van het online debat en propaganda in de publieke ruimte, aansluiten bij en kapen van demonstraties, het zoeken naar internationale samenwerking en toenadering tot uiterst rechts.
Welke signalen zijn bij u bekend over de betrokkenheid van extreemrechtse groeperingen bij lokale protesten tegen asielzoekerscentra?
Klopt het beeld dat sprake is van rondreizende rechts-extremisten die asieldemonstraties laten escaleren, vernielingen plegen en politieagenten belagen?
Kunt u inzichtelijk maken welke verschillende rechts-extremistische groepen aanwezig zijn bij dit soort protesten?
Is bekend of er afstemming tussen de verschillende rechts-extremistische groepen plaatsvindt, of dat zij geïsoleerd van elkaar handelen?
Zijn de individuele leden van deze groepen in beeld, en is daarbij een overlap te zien van lidmaatschap van meerdere rechts-extremistische groepen?
In hoeverre worden leden van deze groepen die zich misdragen tijdens demonstraties opgespoord en veroordeeld? Is de pakkans hierbij hoog genoeg volgens u?
De opsporingsinstanties spannen zich ten volste in voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten gepleegd tijdens de rellen bij de asielzoekerscentra. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op 20 mei jl. aangegeven dat in 2026 meer dan vijftig aanhoudingen zijn verricht naar aanleiding van rellen bij asielzoekerscentra en dat de verwachting is dat er meer aanhoudingen zullen volgen. Ik meen dan ook dat de pakkans hoog genoeg is.
Op welke manier kunnen rechts-extremistische leden van groepen die eerder zijn veroordeeld voor (het aanzetten tot) geweld, vernielingen en agressie bij protesten geweerd worden van toekomstige georganiseerde acties waarbij ordeverstoring en geweld de bovenhand voeren, en vreedzaam demonstreren ver te zoeken is?
Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft de burgemeester de bevoegdheid om een demonstratie te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden of te beëindigen. Dat kan alleen als dat noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer, of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Waar noodzakelijk en proportioneel kan opgetreden worden tegen strafbare feiten die tijdens een demonstratie plaatsvinden. Een demonstratie komt bovendien alleen bescherming van art. 9 Gw en art. 11 EVRM toe, wanneer deze vreedzaam is.2 Demonstranten die geweld gebruiken, komen geen bescherming van het demonstratierecht toe.
Het is gebruikelijk dat de politie informatie (vanuit verschillende bronnen, binnen de huidige wettelijke kaders) verstrekt in de driehoek t.a.v. het aantal te verwachten deelnemers en of er bijzonderheden zijn waar rekening mee gehouden moet worden. Dat is cruciaal in de duiding en om een inschatting te kunnen maken van de impact en mogelijke risico’s in het kader van de openbare orde en om vervolgens de juiste (veiligheid)maatregelen te kunnen treffen.
Op het moment dat er signalen zijn van extremistisch gedachtegoed, kan een persoon worden opgenomen in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Dit is een lokale aanpak waarbij gemeente, politie, OM en zorgverleners samenwerken om tot een mix van interventies te komen. Lokale professionals kunnen hulp krijgen om signalen te herkennen, bijvoorbeeld door de training rechts-extremisme te volgen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering of hulp en advies in te winnen van het Landelijk Steunpunt Extremisme.
Welke preventieve maatregelen kunnen extra worden genomen te voorkomen dat dergelijke rondtrekkende rechts-extremistische groepen de lokale demonstraties gijzelen?
Zie antwoord vraag 9.
Welke rol spelen online platforms en Telegramgroepen volgens u bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten?
Het is lastig inzichtelijk te maken hoe groot de rol is van online platformen bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten. In algemene zin hebben ernstige verstoringen van de openbare orde steeds vaker hun wortels in het online domein of worden ze van daaruit aangejaagd of versterkt. In het online domein is dan ook veel informatie te vinden over ernstige verstoringen die essentieel is voor de politie en de burgemeester om hun taak ter handhaving van de openbare orde naar behoren te kunnen uitoefenen. Daarom werk ik aan een wettelijke grondslag voor informatievergaring door de politie voor het voorkomen en/of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen. De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, online gegevens vergaren als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Hiervoor ligt het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde voor advies bij de Raad van State. Het wetsvoorstel gaat over het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het advies van de Raad van State is ook relevant voor dit binnenkort op te starten wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten chatgroepen te kijken. Het streven is om het wetsvoorstel over de besloten groepen in de tweede helft van 2026 in consultatie te brengen. Dit is mede afhankelijk van het advies dat ik ontvang van de Raad van State op het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde.
Bent u bereid te onderzoeken of sprake is van landelijke coördinatie tussen extreemrechtse actiegroepen die actief zijn bij lokale asielprotesten?
De politie doet op dit moment onder het gezag van het OM onderzoek naar mogelijk strafbare handelingen tijdens de asielprotesten.
In algemene zin geldt dat de AIVD, op basis van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, onderzoek kan doen naar personen dan wel organisaties waarvan een ernstig vermoeden bestaat dat zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
In hoeverre kunnen uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed onder de huidige wetgeving strafbaar zijn, ook wanneer deze verhuld plaatsvinden?
Het Wetboek van Strafrecht kent verschillende strafbaarstellingen waarmee in het openbaar gedane uitingen (waaronder ook het tonen van bepaalde afbeeldingen of symbolen) strafrechtelijk kunnen worden aangepakt, zoals opruiing, groepsbelediging en het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. Het is echter afhankelijk van de precieze omstandigheden van het concrete geval of een bepaalde uiting strafbaar is. Daarbij speelt onder meer de context waarin de betreffende uiting is gedaan, de kennelijke bedoeling van de uiting, de doelgroep waarop de uiting was gericht, de plaats of gelegenheid waar de uiting wordt gedaan en de associatie die een bepaalde uiting kan oproepen, een rol. Daarbij kan ook in ogenschouw worden genomen of de openbare uiting op een verhullende manier is gedaan.
Het bovenstaande geldt ook voor uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed. Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of in een concreet geval strafrechtelijke vervolging moeten worden ingesteld. Het uiteindelijke oordeel over de strafbaarheid is aan de rechter.
Welke maatregelen worden genomen om burgemeesters en lokale driehoeken beter te kunnen ondersteunen bij demonstraties waarbij signalen bestaan van radicalisering, geweld en intimidatie?
Het aanpakken van radicalisering richting extremisme of terrorisme begint bij het herkennen van zorgelijke signalen. Om dit te kunnen signaleren, is het belangrijk dat lokale partners beschikken over de juiste kennis en vaardigheden, en een goed netwerk. Gemeenten, politie en andere professionals spelen hierin een cruciale rol. Gemeenten worden hierin ondersteund door middel van de Versterkingsgelden die het Rijk jaarlijks aan hen beschikbaar stelt. Met deze gelden worden onder andere lokale professionals getraind om hun kennis en vaardigheden in het tegengaan van radicalisering en extremisme en het herkennen van signalen te vergroten. Lokale partners worden bovendien actief meegenomen in de ontwikkelingen in de dreiging, zoals die beschreven staan in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Daarnaast biedt de NCTV mogelijkheden aan om kennis te delen over fenomenen van radicalisering. De NCTV heeft een team met lokaal adviseurs die hierin kunnen faciliteren.
In samenwerking met het Rijk zet de VNG ondersteuningsteams op die gemeenten ondersteunen in een aantal aspecten rondom het openen van asielzoekerscentra. Denk hierbij aan communicatie, participatie, openbare orde en veiligheid en bestuurlijke advisering. Dit kan gemeenten ondersteunen in de omgang met onder meer demonstraties.
In het geval van (verwachte) risicovolle demonstraties, kan de politie een binnen de voor hun geldende wettelijke kaders analyse uitvoeren. Dergelijke analyses worden gedeeld in de lokale driehoek ter voorbereiding op de demonstraties. Verder blijft het handelingsperspectief beperkt tot wat tijdens een demonstratie gebeurt of is gebeurd. Graag verwijs ik u ook naar het antwoord op vragen 9 en 10.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de NCTV dat het niet expliciet benoemen van rechts-extremistische motieven kan bijdragen aan verdere normalisering van extremistisch gedachtegoed?
Het kabinet neemt die waarschuwing ter harte en zet zich in voor het beschermen van de nationale veiligheid tegen alle dreigingen die onze vrije Nederlandse samenleving kunnen ondermijnen. In het coalitieakkoord wordt dan ook expliciet stilgestaan bij de dreiging van rechts-extremisme en de normalisering hiervan.
Hoe wordt voorkomen dat inwoners met oprechte zorgen over het plaatsen van asielzoekers worden meegezogen in rechts-extremistische of antidemocratische bewegingen?
Mensen die op een vreedzame manier samenkomen om hun zorgen te uiten richting de (lokale) overheid hebben het volste recht deel te nemen aan een demonstratie. Ook zijn er informatieavonden waarbij gemeenten, het COA en indien nodig de politie de plannen, veiligheid, leefbaarheid en het verloop van de opvang toelichten. Wanneer oprechte zorgen omslaan in extremistische uitingen, bestaat een breed instrumentarium om extremisme tegen te gaan.
Sinds twee jaar is de Nationale Extremismestrategie van de Ministers van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van kracht. Hierin wordt een integrale inzet beschreven: van vroege preventie, tot het beschermen van bestuurders en hard optreden bij excessen. Deze strategie is van toepassing op alle vormen van extremisme, waaronder rechts-extremisme. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom rechts-extremisme nauwlettend om zo de ideologie-neutrale aanpak te kunnen versterken waar nodig.
Op het moment dat er signalen zijn van rechts-extremistisch gedachtegoed, kan een persoon worden opgenomen in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Dit is een lokale aanpak waarbij gemeente, politie, Openbaar Ministerie en zorgverleners samenwerken om tot een mix van interventies te komen. Lokale professionals kunnen hulp krijgen om signalen specifiek op het gebied van rechts-extremisme te herkennen door trainingen te volgen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering. Sinds 2023 is er een online Symbolenbank beschikbaar, die professionals kunnen gebruiken om rechts-extremistische en rechts-terroristische verschijningsvormen te herkennen. Deze Symbolenbank is ontwikkeld door de NCTV en de Nationale Politie. Tot slot biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en burgers in de omgang met radicalisering. Ook gemeenten kunnen hier terecht met vragen.
Bent u bekend met het bericht in de Volkskrant «IPCC schrapt rampscenario: opwarming hooguit nog «maar» 3,5 graden in 2100»1 en met het recent gepubliceerde peer-reviewed artikel van Van Vuuren et al., The Scenario Model Intercomparison Project for CMIP7 (ScenarioMIP-CMIP7), in Geoscientific Model Development2?
Kunt u bevestigen dat de auteurs stellen dat de hoge emissieniveaus uit CMIP6, gekwantificeerd als SSP5-8.5, voor de 21e eeuw niet langer plausibel zijn, mede door kostentrends voor hernieuwbare energie, de opmars van kernenergie, bestaand klimaatbeleid en recente emissietrends?
Kunt u bevestigen dat de temperatuurprojecties in het artikel voor de voorgestelde CMIP7-scenarioset uitkomen op een bandbreedte van ongeveer 1,5 graden tot bijna 3,5 graden opwarming in 2100 ten opzichte van 1850–1900, terwijl IPCC AR6 voor SSP5-8.5 voor 2081–2100 een schatting van 4,4 graden rapporteerde, met een zeer waarschijnlijke bandbreedte van 3,3 tot 5,7 graden?
Kunt u bevestigen dat de recente scenarioherijking niet alleen de bovenkant van de scenariobandbreedte raakt, maar dat de auteurs ook aangeven dat meerdere zeer lage CMIP6-emissietrajecten inmiddels niet meer consistent zijn met waargenomen trends in de periode 2020–2030?
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling vraagt om een scherper onderscheid tussen scenario’s, prognoses, plausibiliteit, waarschijnlijkheid, stresstests en beleidsreferenties in kabinetsstukken en publieke communicatie?
Deelt u de opvatting dat klimaatbeleid moet worden gebaseerd op realistische scenario’s en niet mag worden gedomineerd door scenario’s die niet langer als realistische beleidsbasis gelden?
Bent u bereid voortaan bij grote klimaat- en energiebesluiten expliciet te vermelden op welk klimaatscenario of welke scenariobandbreedte het besluit is gebaseerd, welk zichtjaar wordt gebruikt, of het gaat om een centrale beleidsreferentie of om een stresstest, en wat dit betekent voor de inschatting van kosten, baten en risico’s?
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van alle Nederlandse klimaatbeleidsstukken, PBL-, CPB-, KNMI- en RIVM-doorrekeningen, adaptatiestrategieën, maatschappelijke kosten-batenanalyses (mkba’s), schadeanalyses, risicokaarten, kabinetscommunicatie en processtukken sinds 2019 waarin RCP8.5, SSP5-8.5, SSP3-7.0 of vergelijkbare high-endscenario’s zijn gebruikt?
Welke Nederlandse klimaatmaatregelen, normen, investeringsbeslissingen of financiële onderbouwingen zouden materieel anders worden beoordeeld als SSP5-8.5 niet langer als realistische beleidsreferentie wordt gebruikt, maar uitsluitend als historisch vergelijkingspunt of extreme stresstest?
Welke gevolgen heeft deze wetenschappelijke herijking volgens u voor de proportionaliteit en betaalbaarheid van klimaatbeleid voor huishoudens, het midden- en kleinbedrijf (mkb), de industrie, mobiliteit en landbouw, in het bijzonder waar het gaat om energieprijzen, nationale koppen op Europees beleid, netverzwaring, subsidies en verplichtingen?
Bent u bereid de komende Klimaatnota, Energienota en relevante begrotingsstukken te voorzien van een scenarioparagraaf waarin per hoofdmaatregel wordt aangegeven op welk klimaatscenario, emissiepad en welke kosten-batenveronderstellingen de maatregel berust?
Bent u bereid PBL, CPB, KNMI en RIVM te vragen bij toekomstige beleidsdoorrekeningen expliciet aan te geven of uitkomsten robuust zijn onder centrale scenario’s, plausibele high-endscenario’s en extreme stresstestscenario’s, en waar conclusies afhankelijk zijn van een inmiddels minder plausibel high-endscenario?
Bent u bekend met het VU/IVM-onderzoek The Impacts of Climate Change on Bonaire, uitgevoerd in opdracht van Greenpeace Nederland, en kunt u bevestigen dat daarin onder meer SSP5-8.5 en een «SSP5-8.5 Low Confidence»-variant zijn gebruikt?
Kunt u de Kamer een analyse sturen van welke onderdelen van de Bonaire-zaak en de onderliggende rapporten afhankelijk zijn van SSP5-8.5 of van de «SSP5-8.5 Low Confidence»-variant?
Acht u het wetenschappelijk en bestuurlijk verantwoord wanneer beleidsmakers, belangenorganisaties of procespartijen effecten voor Bonaire presenteren op basis van SSP5-8.5 of «SSP5-8.5 Low Confidence», zonder duidelijk te vermelden dat SSP5-8.5 in de nieuwe ScenarioMIP-CMIP7-literatuur niet langer als plausibel high-endemissieniveau voor de 21e eeuw wordt beschouwd?
Bent u bereid de nieuwe ScenarioMIP-CMIP7-inzichten expliciet te betrekken bij de onderbouwing van dat hoger beroep, nu het kabinet heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan in de Klimaatzaak Greenpeace Bonaire en schorsing van de uitspraak te vragen?
Zal de Staat in hoger beroep betogen dat rechterlijke verplichtingen tot nationale, bindende emissiedoelen niet mogen worden gebaseerd op scenario’s die wetenschappelijk niet langer als plausibele beleidsreferentie gelden, maar hooguit als extreme stresstest kunnen dienen?
Kunt u voor Bonaire aangeven welke middelen inmiddels zijn gereserveerd of beschikbaar komen voor klimaatadaptatie, per maatregel uitgesplitst naar budget, verantwoordelijke partij, planning, onderliggend scenario en verwacht risicoreducerend effect?
Deelt u de opvatting dat inwoners van Bonaire het meest geholpen zijn met concrete, lokale adaptatiemaatregelen tegen hitte en wateroverlast en dat eventuele nationale emissiedoelen afzonderlijk en aantoonbaar proportioneel moeten worden onderbouwd?
Kunt u toezeggen dat inwoners van Bonaire niet worden gebruikt als juridisch argument voor steeds zwaardere nationale klimaatdoelen, maar daadwerkelijk worden geholpen met concrete maatregelen die hun veiligheid, leefbaarheid en weerbaarheid vergroten?
Deelt u de opvatting dat de nieuwe scenario’s nopen tot klimaatrealisme: minder alarmistische communicatie, meer transparantie over onzekerheden, meer aandacht voor betaalbaarheid en meer focus op adaptatie die aantoonbaar werkt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Gesprekken die op EU-niveau worden gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Euractiv-artikel waarin vermeld staat dat er voor de zomer gesprekken gevoerd zullen worden tussen EU-ambtenaren en een Talibandelegatie met als doel om Afghanen mogelijk terug te sturen?1
Bent u door de Europese Commissie of andere betrokken landen op de hoogte gesteld van deze gesprekken?
Zullen er ook Nederlandse ambtenaren deelnemen aan deze gesprekken? Op welke manier is Nederland betrokken bij deze gesprekken?
Kunt u de Kamer informeren over wat er besproken zal worden met de Talibandelegatie?
Klopt het dat de gesprekken als doel hebben om mensen met de Afghaanse nationaliteit waaronder asielzoekers in Europa terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, over welke doelgroep gaat het?
Ziet u Afghanistan als een veilig en vrij land, specifiek voor bijvoorbeeld vrouwen en meisjes en mensen die in het verleden kritiek hebben geuit op de Taliban?
Als er Afghaanse asielzoekers terug zouden worden gestuurd naar Afghanistan, kunt u dan zeker weten dat zij daar geen gevaar zullen lopen zoals verplicht onder het non-refoulement principe? Zo ja, hoe?
Is het terugsturen van Afghaanse vrouwen en meisjes naar een land waar zij zeer onderdrukt leven niet überhaupt onethisch?
Ziet u de Taliban als een normale gesprekspartner?
Bent u van mening dat een dergelijke bijeenkomst een stap zet in de richting van het erkennen van het Talibanregime? Acht u dat wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen voor het eerstvolgende commissiedebat op 27 mei a.s. over de JBZ-Raad beantwoorden?
Het geschrapte ‘rampscenario’ van het IPCC |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zijn meest extreme rampscenario (4 tot 6 graden opwarming in 2100) heeft geschrapt?1
Heeft u kennisgenomen van de analyse dat meer dan 80 procent van de mediaberichtgeving gebaseerd zou zijn op dit inmiddels achterhaalde scenario?2
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 1 en 2?
Bent u van mening dat de afgelopen jaren een vertekend en te alarmistisch beeld van de klimaatontwikkelingen is geschetst? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is het huidige Nederlandse klimaatbeleid gebaseerd op aannames en modellen van het IPCC, die inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Acht u het verantwoord om door te gaan met beleid dat een zeer grote economische en maatschappelijke impact heeft, terwijl de onder dat beleid liggende en van het IPCC afkomstige aannames en modellen inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Zo ja, waarom wel? Zo nee, welke wijzigingen bent u bereid door te voeren?
Bent u bereid een volledige herijking uit te voeren van het Nederlandse klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Bent u bereid om, in het licht van deze ontwikkelingen, maatregelen te nemen om de lasten voor burgers te verlagen, bijvoorbeeld door het klimaatbeleid (deels) te schrappen of zelfs terug te draaien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe gaat u voorkomen dat beleid in de toekomst wordt gebaseerd op extreme en onrealistische scenario’s?
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat alle klimaatrechtszaken van de afgelopen jaren zouden verwijzen naar het inmiddels geschrapte rampscenario van het IPCC?3
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10?
Erkent u dat, als de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10 klopt, dit verstrekkende gevolgen heeft voor de juridische grondslagen op basis waarvan rechters de Nederlandse staat en Nederlandse bedrijven hebben veroordeeld tot vergaand en kostbaar klimaatbeleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de vonnissen in klimaatrechtszaken direct of indirect steunen op het rampscenario van het IPCC, dat inmiddels door datzelfde IPCC is geschrapt? Bent u bereid de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In de klimaatrechtszaak inzake Bonaire (ECLI:NL:RBDHA:2026:1344) gaat de rechter onder punt 4.21 uit van een zeespiegelstijging van 27 cm in 2050 en 85 cm in 2100, gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte «rampscenario» SSP5-8.5; hoe beoordeelt u het feit dat deze rechterlijke uitspraak met verstrekkende gevolgen mede gebaseerd is op scenario’s van het IPCC die inmiddels door datzelfde IPCC zijn geschrapt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid om in het hoger beroep tegen de uitspraak inzake Bonaire expliciet mee te nemen dat de rechtbank zich mede heeft gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte SSP5-8.5-scenario, en dat de onderbouwing van de uitspraak daarmee wezenlijk is gewijzigd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Vindt u het zelf niet onthutsend dat u op meerdere volstrekt basale vragen over de politieorganisatie geen enkel concreet inzicht kunt geven?
Sinds wanneer is bij het ministerie bekend dat deze informatie ontbreekt?
Acht u dit niveau van informatievoorziening passend bij een organisatie met een begroting van ruim zes miljard euro?
Op basis waarvan maakt u beleidskeuzes of bezuinigingsafwegingen als deze cijfers ontbreken?
Hoe kan worden vastgesteld of beleid effectief is wanneer de onderliggende data niet beschikbaar is?
Kunt u garanderen dat er geen verspilling van publiek geld plaatsvindt op onderdelen waar nauwelijks inzicht in bestaat?
Welke andere onderdelen binnen de politieorganisatie kennen vergelijkbare «blinde vlekken» in de informatievoorziening?
Hoeveel geld en welk percentage van de totale politiebegroting wordt momenteel uitgegeven aan beleid of programma’s waarvan de exacte kosten niet inzichtelijk zijn?
Klopt het dat binnen de interne telefoongids en personeelsregistraties van de politie eenvoudig gezocht en gefilterd kan worden op tijdelijke functies, ingehuurd personeel, functiecategorieën en functieschaalniveaus? Zo ja, waarom heeft u de Kamer dan meegedeeld dat een uitsplitsing van extern ingehuurd personeel naar functiecategorieën of werkzaamheden «niet beschikbaar» zou zijn?
Waarom is er geen overzicht van externe bureaus en de bedragen die hiermee gemoeid zijn, terwijl het om aanzienlijke publieke uitgaven gaat?
Hoe controleert u op doelmatigheid en afhankelijkheid van externe partijen zonder gedetailleerd inzicht in inhuurstromen?
Herkent u het signaal dat de centralisering van de bedrijfsvoering sinds de reorganisatie van 2015 heeft geleid tot langere doorlooptijden bij reparaties en onderhoud van politievoertuigen, waardoor voertuigen vaker langdurig niet inzetbaar zijn? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u gehad voor de operationele inzetbaarheid van basisteams?
Hoe weet u dat het vervoer van arrestanten geen onevenredig beslag legt op politie-inzet als die uren niet worden geregistreerd?
Hoeveel politiecapaciteit gaat jaarlijks verloren aan het vervoeren van arrestanten naar cellencomplexen buiten het eigen district of de eigen eenheid wegens beperkte beschikbare celcapaciteit, en waarom wordt deze capaciteitsinzet niet structureel geregistreerd?
Hoe kan de politie gericht beleid voeren op mentale weerbaarheid, uitval en Posttraumatische stressstoornis (PTSS) als de aard en omvang van psychische problematiek niet inzichtelijk zijn?
Welke alternatieve indicatoren gebruikt u momenteel om de ontwikkeling van PTSS en psychische problematiek binnen de politie te monitoren?
Hoe kunt u stellen dat politiemedewerkers die dat nodig hebben beschikken over gehoorbescherming, terwijl signalen uit de praktijk erop wijzen dat diverse specialistische eenheden nog altijd werken met middelen waarvan de gehoorbeschermende werking volgens betrokkenen onvoldoende is en agenten daardoor onnodig risico lopen op blijvende gehoorschade? Bent u bereid dit uit te zoeken?
Hoeveel politiecapaciteit en publieke middelen zijn de afgelopen vijf jaar besteed aan externe diversiteits-, cultuur- en bewustwordingsprojecten binnen het programma «Politie voor Iedereen», inclusief ingehuurde theatergroepen, consultants en trainers? Graag een helder overzicht.
Hoe groot is het budget dat eenheden en diensten krijgen voor het realiseren van wervingsactiviteiten die effect hebben op de arbeidsmarkt precies en waaraan wordt dit besteed?
Bent u bereid alsnog een inventarisatie uit te voeren naar de volgende ontbrekende aspecten:
Het bericht dat fondsen geraakt worden door de oorlog in Iran |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte met de inhoud van het artikel?1
Ja.
Was u al eerder bekend met de mogelijkheid dat de oorlog in Iran effect heeft op de pensioenen van Nederlanders? Zo ja, sinds wanneer? Zo nee, hoe verklaart u die onwetendheid?
Ik ben bekend met het feit dat gebeurtenissen in de wereld, waaronder oorlogen en economische crisissen, een effect kunnen hebben op de financiële markten en daarmee ook op de beleggingsresultaten van pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is dat hardwerkende Nederlanders, die keihard werken voor hun inkomen en pensioen, nu indirect financieel benadeeld worden door conflicten op duizenden kilometers verder weg? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de zorg die Nederlanders hebben over hoe de gebeurtenissen in de wereld een effect kunnen hebben op hun pensioenuitkeringen. Pensioenfondsen houden rekening met economische slechtweer-scenario’s bij de vorming van hun beleggingsbeleid. Onder het oude stelsel hebben pensioenfondsen buffers opgebouwd, waarmee tegenvallende resultaten opgevangen kunnen worden. Ook in het nieuwe stelsel hebben fondsen de mogelijkheid om tegenvallers op te vangen bijvoorbeeld door middel van de inzet van de solidariteitsreserve dan wel de risicodelingsreserve, of door spreiding van financiële mee- of tegenvallers over de tijd.
Hebt u inzichtelijk hoeveel pensioenvermogen van Nederlanders sinds de escalatie rond Iran verloren is gegaan bij pensioenfondsen? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten? Zo nee, hoe is het mogelijk dat u die informatie niet heeft?
Pensioenfondsen hebben de taak een goed, levenslang pensioen te bieden tegen aanvaardbare kosten en risico’s. Iedereen moet erop kunnen vertrouwen dat ze goed worden voorzien op hun oude dag en dat deze voorziening levenslang wordt gegeven. Om deze levenslange uitkering te kunnen bieden moet niet alleen worden gekeken naar het rendement dat pensioenfondsen maken op hun vermogenszijde van de balans, maar ook worden gekeken naar de verplichtingenzijde van de balans. Aan de verplichtingenzijde van de balans speelt het renterisico een grote rol. Een stijging van de rente bijvoorbeeld, zal vooral een gunstige invloed hebben op de hoogte van de verwachte en ingegane pensioenen, omdat toekomstige uitkeringen dan als het ware goedkoper worden. Tegelijk worden aan de vermogenszijde obligaties minder waard, waardoor minder rendement gehaald wordt. De verhouding tussen die twee effecten bepaalt de uiteindelijke uitkomst voor pensioenuitkeringen.
Beheersing van het renterisico is en blijft daarom belangrijk voor pensioenfondsen. In het nieuwe stelsel kan de bescherming tegen renterisico’s beter worden gericht op de groepen waarvoor dit het meest relevant is, namelijk de oudere deelnemers en pensioengerechtigden. Pensioenfondsen bieden daarom een beschermingsrendement tegen renterisico aan deze groepen. Voor jonge deelnemers ligt er meer nadruk op het behalen van rendement. Aan hen wordt relatief meer beleggingsrisico toegekend. Het is nog te vroeg om het gehele effect van de oorlog in Iran op de financiële markten en daarmee op de resultaten van pensioenfondsen te kunnen meten, waarbij ook geldt dat dit effect ook moeilijk te isoleren is van andere gebeurtenissen in de wereld.
Hoeveel pensioenvermogen kan nog verdampen door de situatie in Iran?
Behalve dat het effect van de oorlog niet precies te isoleren is, is het verder niet vooraf te bepalen hoe de beleggingsresultaten van pensioenfondsen door de oorlog in Iran verder beïnvloed zullen worden.
Zijn er meer conflicten die op dit moment spelen, of dreigen te ontstaan, die effect hebben op het pensioenvermogen van Nederlanders?
Ik verwijs voor mijn reactie naar de antwoorden op vraag 2 en 3.
Deelt u de zorg dat Nederlanders onder het nieuwe pensioenstelsel sneller geconfronteerd kunnen worden met schommelingen in hun pensioenvermogen in tijden van oorlog, crises en wereldwijde onrust? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Dit zijn belangrijke vragen waar ik graag duidelijkheid over wil geven. In het nieuwe pensioenstelsel zullen financiële ontwikkelingen sneller, zowel in positieve als negatieve zin tot uitdrukking kunnen komen in het pensioenvermogen en de pensioenuitkering. Daarbij geldt dat pensioenfondsen hierover hun deelnemers goed informeren, zodat zij realistische verwachtingen hebben. Zoals in voorgaande antwoorden is aangegeven, hebben pensioenfondsen voldoende instrumenten om ook in het nieuwe pensioenstelsel goed te kunnen omgaan met economische fluctuaties. Zo hebben pensioenfondsen in het nieuwe pensioenstelsel bijvoorbeeld een solidariteits- of risicodelingsreserve waarmee schokken op de financiële markten tot op zekere hoogte opgevangen kunnen worden voor pensioenuitkeringen. Daarnaast hebben fondsen de mogelijkheid om resultaten te spreiden over de tijd, waarmee fluctuaties in uitkeringen tot op zekere hoogte kunnen worden gemitigeerd. Daarbij moeten fondsen een evenwichtige afweging maken tussen de belangen van de verschillende leeftijdsgroepen in het deelnemerscollectief en handelen binnen het prudent person-beginsel. Tenslotte geldt in het nieuwe pensioenstelsel dat pensioenfondsen het beleggingsrisico gerichter kunnen toedelen aan jongeren en ouderen. Zij kunnen daarbij beleggingsrisico’s terugnemen voor oudere deelnemers waardoor de invloed van fluctuaties op financiële markten op (verwachte) pensioenuitkeringen kleiner kan worden naarmate een deelnemer dichter tegen het moment van pensionering zit. Tegelijkertijd geldt voor jonge deelnemers dat zij meer beleggingsrisico toegedeeld kunnen krijgen omdat zij nog een langere periode tot de pensioendatum hebben en tussentijdse, grote fluctuaties beter kunnen opvangen dan ouderen.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om Nederlanders en hun pensioen te beschermen tegen invloeden van buitenaf, nu bekend is dat dit hen kan raken in de portemonnee?
Zie antwoord vraag 7.
Welk concreet effect heeft de oorlog in Iran op de uitkering die pensioengerechtigden dit jaar ontvangen? En op de komende tien jaar?
De hoogte van pensioenuitkeringen is een belangrijk onderwerp. Pensioenuitkeringen worden voor een kalenderjaar vastgesteld. Daarmee heeft de oorlog in Iran naar verwachting geen invloed op de reeds ingegane uitkeringen van pensioengerechtigden voor dit jaar. Voor pensioenuitkeringen in aankomende jaren kan dit wel effect hebben. Het is echter niet op voorhand te zeggen wat het effect van de oorlog zal zijn op de pensioenuitkeringen in de komende 10 jaar.
Het bericht ‘Minister laat Gazanen met geldig visum nog altijd niet naar Nederland komen’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland, in tegenstelling tot andere Europese landen, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om Gazanen met een Nederlands studievisum via een internationaal konvooi Gaza te laten verlaten?1
Deelt u de opvatting dat er weinig aanleiding kan zijn om personen van wie door de IND is vastgesteld dat zij recht hebben op tijdelijk studiegerelateerd verblijf in Nederland, geen mogelijkheid te bieden Gaza te verlaten?
Bent u, mede gelet op recente uitspraken van de Raad van State en de rechtbank over uw inspanningsverplichting richting Gazaanse MVV-houders, bereid zich ervoor in te spannen dat Nederlandse visumhouders kunnen deelnemen aan een volgend konvooi, zodat zij in Jordanië hun visumsticker kunnen ophalen?
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen een week beantwoorden?
Het artikel 'VIDEO - ‘Jodenjager Ajax-Maccabi’ webcamt vanuit gevangenis: ‘We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg’' |
|
Maikel Boon (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Jodenjager Ajax-Maccabi» webcamt vanuit gevangenis: «We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg»»1?
Ja.
Klopt het dat de man die in de video te zien is betrokken was bij de Jodenjacht rond Ajax – Maccabi Tel Aviv in Amsterdam op 7 november 2024?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek en de identiteit van personen.
Klopt het dat deze persoon ten tijde van het videogesprek in detentie verbleef, zoals hij zelf beweert in de video? Zo ja, welke concrete maatregelen en sancties zijn tegen deze persoon getroffen?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft naar aanleiding van de video de beelden nader bestudeerd. Op basis van de beelden is het zeer onwaarschijnlijk dat de video afkomstig is uit een Nederlandse penitentiaire inrichting (PI). In zijn algemeenheid kan ik aangeven dat indien er een telefoon (of andere contrabande) wordt aangetroffen in een Nederlandse PI – die herleidbaar is tot een gedetineerde – de vestigingsdirecteur beslist welke disciplinaire straf wordt opgelegd. Er kan dan sprake zijn van plaatsing in een strafcel, het beperken van bezoekrechten, uitsluiting van deelname aan activiteiten en het intrekken van verloven. In regimes waar het Toetsingskader promoveren en degraderen geldt, kan de gedetineerde gedegradeerd worden naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd.
Indien deze persoon daadwerkelijk gedetineerd was: hoe is het mogelijk dat hij vanuit detentie toegang had tot een webcam- of chatplatform en van daaruit antisemitische uitingen kon verspreiden?
Zie het antwoord op vraag 3. Op basis van de beelden stelt DJI dat de beelden niet in een Nederlandse penitentiaire inrichting zijn opgenomen.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat iemand die betrokken was bij antisemitisch geweld vanuit detentie opnieuw antisemitische haat kan verspreiden?
Ja, het verspreiden van antisemitische of andere discriminerende opmerkingen, al helemaal vanuit detentie, is uit den boze.
Hoe kan het dat iemand die openlijk oproept tot Jodenhaat, trots zegt op Joden te hebben «gejaagd» en vanuit detentie opnieuw antisemitische propaganda verspreidt, überhaupt in aanmerking komt voor fasering, verlof of andere vrijheden?
Zoals in de beantwoording van vraag 3 is aangegeven, acht DJI het zeer onwaarschijnlijk dat de video afkomstig is uit een Nederlandse penitentiaire inrichting. Ik kan in algemene zin wel aangeven hoe wordt omgegaan met detentiefasering: het geleidelijk verlenen van meer externe vrijheden om zo te werken aan terugkeer in de samenleving. Hierbij kan gedacht worden aan verlof. DJI besluit omtrent het verlenen van verlof op basis van adviezen van de politie, het openbaar ministerie en de reclassering. Daarnaast kan er gedacht worden aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Hiertoe beslist het Openbaar Ministerie op basis van onder meer adviezen van de directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering, informatie van slachtoffers en andere relevante personen en eventuele informatie van het CJIB). In algemene zin wordt bij beslissingen over vrijheden onder meer het gedrag tijdens detentie betrokken als een van de criteria op basis waarvan een besluit wordt genomen. Dat geldt ook voor eventuele risico’s die worden gezien bij een mogelijke terugkeer in de samenleving. Zo wordt er gekeken naar het recidiverisico en het risico op verstoring van de openbare orde en veiligheid als de vrijheden worden verleend. Daarnaast worden ook de belangen van slachtoffers en nabestaanden meegewogen. Indien bijvoorbeeld risico’s bij terugkeer, met name ten aanzien van slachtoffers of andere beschermingsbehoeftige personen, niet voldoende kunnen worden beperkt en beheerst – ook niet met bijzondere voorwaarden zoals contact- of locatieverboden – wordt afgezien van het verlenen van vrijheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat veroordeelde daders van antisemitisch geweld die vanuit detentie opnieuw antisemitische haat verspreiden of openlijk aanhangen, niet in aanmerking komen voor versoepeling van hun detentie, fasering, verlof of voorwaardelijke invrijheidstelling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De prijsstijgingen van kunstmest als gevolg van de sluiting van de Straat van Hormuz |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD van 5 april 2026, getiteld «Raakt Iran-oorlog ook productie kunstmest en ons voedsel? «Het kan nijpend worden»»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Zoals ik ook heb aangegeven in de antwoorden op de Kamervragen van de leden Lohman en Koorevaar (CDA) is er op dit moment voor Nederland geen aanleiding om te twijfelen aan de leveringszekerheid van kunstmest2.
Bent u bekend met het artikel van RTV Noord van 17 april 2026, getiteld «Boeren voeren eigen mest af en kopen kunstmest: «Volslagen maf»»?2
Ja.
Welke concrete maatregelen neemt u op dit moment om te voorkomen dat de stijgende kunstmestprijzen zich vertalen in hogere voedselproductieprijzen en dalende rentabiliteit voor Nederlandse boeren?
Deze maatregelen worden vooral in Europees verband genomen. Op 19 mei jl. heeft de Europese Commissie het Actieplan Meststoffen (Fertiliser Action Plan) gepresenteerd waarin een scala aan maatregelen wordt gepresenteerd om zo de beschikbaarheid, betaalbaarheid en strategische autonomie van meststoffen in de EU te versterken. Hieronder vallen ook acties om de effecten van gestegen kunstmestprijzen te kunnen mitigeren4. Binnenkort zal de Kamer met een BNC-fiche worden geïnformeerd over het kabinetsstandpunt ten aanzien van de inhoud hiervan.
Kunt u bevestigen dat een Nederlandse boer die zijn gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft bereikt géén extra dierlijke mest meer mag uitrijden – ook niet als hij nog behoefte heeft aan extra stikstof – en daardoor wordt gedwongen kunstmest aan te kopen?
De agrariër mag stikstof aanwenden binnen de totale stikstofgebruiksnorm, waarbij de stikstof vanuit verschillende bronnen (dierlijke mest, minerale meststoffen en andere organische meststoffen dan dierlijke mest) kan worden gebruikt. Een agrariër die zijn stikstofgebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft bereikt mag geen extra dierlijke mest meer uitrijden, ook als er nog behoefte is aan extra stikstof voor de gewasgroei. Sinds 12 juni jl. mag bovenop de stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest onder voorwaarden tot 80 kg stikstof per hectare per jaar uit Renure-meststoffen worden aangewend (binnen de totaal stikstofgebruiksnorm).
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat een agrariër door deze stikstofgebruiksnormen wordt gedwongen extra kunstmest aan te kopen. Een agrariër zal hierin zelf een afweging maken en zal bij deze afweging de prijs van kunstmest en de extra opbrengst die extra stikstofbemesting kan opleveren betrekken. Ook kan worden gekozen voor andere stikstofhoudende meststoffen zoals compost of voor het inzaaien van klaver om stikstof uit de lucht te binden. Tenslotte is de inzaai van vanggewassen ook effectief voor het binden van overgebleven stikstof in de bodem en om deze vastgelegde stikstof in het nieuwe teeltseizoen beschikbaar te maken voor de hoofdteelt.
Acht u het wenselijk dat op dit moment grote hoeveelheden dierlijke mest uit Nederland wordt geëxporteerd, terwijl tegelijkertijd grote hoeveelheden kunstmest naar Nederland wordt geïmporteerd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat nutriënten zoveel mogelijk circulair moeten worden benut, op een manier die verantwoord is met het oog op het voorkomen van verliezen naar het milieu. Om deze reden is het in Nederland sinds 12 juni jl. toegestaan om enkele Renure-meststoffen (stikstof uit bewerkte dierlijke mest die voldoet aan de criteria uit bijlage III van de Nitraatrichtlijn) tot 80 kg stikstof per hectare per jaar te gebruiken bovenop de gebruiksnorm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest.
Er wordt inderdaad kunstmest in Nederland geïmporteerd. Een groot deel wordt echter doorgevoerd naar andere landen. Daarnaast wordt in Nederland zelf ook kunstmest geproduceerd. Per saldo is Nederland een netto exporteur van kunstmest.
Bent u het ermee eens dat het tegenstrijdig en onwenselijk is dat Nederlandse boeren worden gedwongen duurdere en steeds schaarser wordende kunstmest in te kopen terwijl in eigen land dierlijke mest beschikbaar is die deze kunstmest zou kunnen vervangen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 herken ik mij niet in het beeld dat een agrariër wordt gedwongen kunstmest aan te kopen. Het is belangrijk om de nutriënten uit beschikbare dierlijke mest op een verantwoorde manier zoveel mogelijk lokaal en circulair te benutten. De mogelijkheid om Renure-meststoffen aan te wenden bovenop de gebruiksnorm voor dierlijke mest is een goede ontwikkeling om de circulariteit te bevorderen.
Hoeveel kilogram (stikstof en fosfaat uit) kunstmest zou op dit moment per jaar kunnen worden vervangen door het dierlijke mestoverschot volledig uit te rijden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in het antwoord op vraag 4 reeds toegelicht, is het niet mogelijk om meer dierlijke mest aan te wenden dan is toegestaan op basis van de wettelijke stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest (170 kg stikstof per hectare per jaar) en additioneel de sinds 12 juni jl. mogelijke toepassing van enkele Renure-meststoffen. Het is dus niet aan de orde dat toepassing van kunstmest kan worden vervangen door dierlijke mest. Daarbij zijn er ook andere factoren die bepalen welke meststof kan worden aangewend. Zo bepalen onder andere voedselveiligheids- en kwaliteitsaspecten, de fase in het groeiseizoen en landbouwkundige overwegingen de keuze van het type meststof.
Hoeveel kosten zou de Nederlandse agrarische sector daarmee op dit moment per jaar kunnen besparen? Kunt u deze kosten uitsplitsen in afvoerkosten van het dierlijke mestoverschot en aanschafkosten van kunstmest? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunstmest en dierlijke mest zijn niet één-op-één uitwisselbaar en de agrariër is gehouden aan de wettelijke normen voor aanwending van dierlijke meststoffen. Zie ook mijn antwoord op vraag 7.
Wat is het verschil tussen stikstof (en fosfaat) afkomstig uit kunstmest, dierlijke mest en andere bronnen zoals Renure, oftewel verwerkte dierlijke mest?
Het verschil tussen stikstof afkomstig uit kunstmest, dierlijke mest en Renure betreft met name de mate waarin deze stikstof in minerale of in organische vorm aanwezig is. Dit bepaalt dus wanneer deze voedingsstof beschikbaar is voor een gewas. Wat betreft fosfaat is er geen verschil. Voor fosfaat wordt in de wet- en regelgeving dan ook geen onderscheid gemaakt in de herkomst van dit nutriënt.
Erkent u dat enkel de geplande maatregelen om Renure te mogen gebruiken bovenop de bestaande gebruiksnorm voor dierlijke mest onnodige kosten met zich meebrengen, omdat dierlijke mest van zichzelf al gebruiksklaar is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Onbewerkte dierlijke mest kent een hoger aandeel organisch gebonden stikstof dat bij gewassen met een beperkt groeiseizoen kan vrijkomen na de teelt, waardoor er een groter risico is op nitraatuitspoeling dan bij aanwending van Renure-meststoffen.
Bent u bereid de stikstof- en fosfaatgebruiksnormen voor meststoffen per direct te verruimen naar het niveau van vóór afschaffing van de derogatie en de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen te schrappen of tenminste te verhogen – al dan niet met goedkeuring van de Europese Unie – zodat Nederlandse boeren bij oplopende kunstmestschaarste niet zonder betaalbare bemesting komen te zitten, juist nu kunstmestprijzen in één maand met tientallen procenten zijn gestegen – en vervolgens niet zijn gedaald – en verdere schaarste dreigt door de oorlog in het Midden-Oosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De stikstof- en fosfaatgebruiksnormen zijn in algemene zin niet veranderd sinds het vervallen van de derogatie, alleen zijn de stikstofgebruiksnormen in bepaalde gebieden lager geworden. Met het vervallen van de derogatie zie ik geen mogelijkheid om de stikstofgebruiksnorm uit dierlijke mest te verruimen. Het kabinet volgt de ontwikkeling in de kunstmestprijzen en -beschikbaarheid nauwlettend. Op dit moment dreigt er in Nederland geen schaarste voor kunstmest.
Indien het antwoord op vraag 11 ontkennend luidt, bent u dan tenminste bereid zich zo spoedig mogelijk in Europees verband voor deze maatregelen in te zetten? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich in EU-verband jarenlang ingezet om beter gebruik te kunnen maken van stikstof uit dierlijke mest in de vorm van Renure-meststoffen. Dit heeft geresulteerd in een Europese toelating voor enkele Renure-meststoffen.
Ik ben niet voornemens mij in te zetten voor een verruiming van de stikstof- gebruiksnorm voor onbewerkte dierlijke mest, omdat ik hiervoor geen ruimte zie.
Wel zet het kabinet zich in om de reikwijdte van de circulaire productie en het gebruik van meststoffen afkomstig uit dierlijke mest uit te breiden. In het Actieplan Meststoffen van de Europese Commissie is een mogelijke verbreding van de reikwijdte van Renure naar bepaalde vormen van digestaat aangekondigd. De appreciatie van dit Actieplan door het kabinet wordt momenteel uitgewerkt via het traject Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC-fiche). Hierover wordt uw Kamer binnenkort separaat geïnformeerd.
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, bent u dan tenminste bereid zo spoedig mogelijk een tijdelijke ontheffing of verhoogde gebruiksnorm voor dierlijke mest aan te vragen bij de Europese Commissie, zodat boeren minder afhankelijk worden van geïmporteerde kunstmest? Zo nee, waarom niet?
Zoals recentelijk onder meer via mijn brief van 8 april 2026 aan de Tweede Kamer gemeld5, zie ik geen ruimte voor een nieuwe derogatie voor de toepassing van stikstof uit dierlijke mest op de Nitraatrichtlijn.
Kunt u bovenstaande vragen zo snel mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja. Met deze antwoorden beschouw ik tevens het verzoek van het lid ten Hove6 van 12 mei jl. als beantwoord.
Het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Thierry Aartsen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de regels rondom het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland?
Klopt het dat personen die gebruikmaken van de 30%-regeling, zoals kennismigranten, hun buitenlandse rijbewijs uit elk land kunnen omwisselen voor een Nederlands rijbewijs zonder opnieuw examens hoeven af te leggen?
Klopt het dat statushouders daarentegen, bijvoorbeeld afkomstig uit Syrië, hun rijbewijs niet kunnen omwisselen en daardoor opnieuw examens moeten afleggen, kosten moeten maken en daardoor vertraagd worden?
Hoe verklaart u het verschil in behandeling tussen kennismigranten die onder de 30%-regeling vallen en statushouders bij het omwisselen van rijbewijzen?
In hoeverre is dit verschil tussen de behandeling bij bijvoorbeeld een Syrische arbeidsmigrant en een Syrische statushouder gebaseerd op verkeersveiligheid of objectieve kwaliteitseisen, en in hoeverre op andere factoren zoals verblijfsgrond en economische positie?
Tot hoeverre acht u het wenselijk dat de afweging of iemand zijn rijbewijs kan omwisselen of niet, gebaseerd is op verblijfsgrond en economische positie?
Deelt u de opvatting dat het onderscheid tussen groepen migranten op basis van regeling (zoals de 30%-regeling) moeilijk uitlegbaar is wanneer het niet direct samenhangt met verkeersveiligheid?
Bent u bereid te onderzoeken of de regels voor het omwisselen van rijbewijzen eenduidiger en rechtvaardiger kunnen, bijvoorbeeld door één lijn te trekken voor verschillende groepen migranten op basis van objectieve verkeerskwaliteiteisen?
Bent u bekend met de motie van het lid Lahlah over het wegnemen van drempels voor asielzoekers met een W-document om een rijbewijs aan te vragen1 en uw appreciatie waarin u deze motie ontraadt?2
Klopt het dat asielzoekers met een W-document wel theorie- en praktijkexamens kunnen afleggen bij het CBR, maar vervolgens geen Nederlands rijbewijs kunnen aanvragen?
Klopt het dat er op dit moment tussen en binnen gemeentes verschillen zijn in de mogelijkheden voor asielzoekers om een rijbewijs te kunnen aanvragen na afgelegde theorie- en praktijkexamens?
Kunt u nader toelichten hoe het woonlandbeginsel uit de Europese rijbewijsrichtlijn wordt geïnterpreteerd in relatie tot asielzoekers met een W-document?
In hoeverre biedt dit woonlandbeginsel ruimte voor nationale interpretatie, en benut Nederland deze ruimte maximaal?
Hoe gaan andere EU-lidstaten om met asielzoekers die een rijbewijs willen aanvragen voordat zij een definitieve verblijfsstatus hebben? Zijn er voorbeelden van landen waarbij asielzoekers wel een rijbewijs kunnen aanvragen?
Deelt u de opvatting dat het toestaan van examens zonder de mogelijkheid om een rijbewijs te verkrijgen kan leiden tot inefficiëntie, kosten en frustratie bij betrokkenen?
Deelt u de opvatting dat, indien dit juridisch mogelijk is, wie zijn rijexamens heeft gehaald ook een rijbewijs moet kunnen krijgen?
In uw appreciatie van de eerder genoemde motie van het lid Lahlah geeft u aan dat er wordt gewerkt aan een implementatie van de vierde rijbewijsrichtlijn vanuit Brussel; zal deze implementatie ruimte kunnen bieden voor de wetgever om iets te doen aan onze invulling van «gewone verblijfplaats» en het woonlandbeginsel?
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen de bestaande Europese kaders, deze belemmeringen te verminderen of weg te nemen?
In hoeverre bent u bereid zich in te spannen om bestaande belemmeringen weg te nemen voor asielzoekers, met name wanneer deze niet direct voortvloeien uit verkeersveiligheidseisen maar uit administratieve of verblijfsrechtelijke voorwaarden? Op welke manier bent u van plan om die inspanning invulling te geven en met welk tijdspad?
De Timmermans-taks |
|
Geert Wilders (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Timmermans-taks» tegen CO2-uitstoot gaat ons tot 70 euro per maand extra kosten: «Ingrepen van politiek nodig»»?1
Ja.
Bent u ervan op hoogte dat de energierekening en autorijden voor heel veel mensen onbetaalbaar is geworden en circa 500.000 huishoudens in energiearmoede leven?
Het kabinet ziet de impact van hogere energieprijzen op huishoudens. Vanwege de actuele energieschok als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten heeft het kabinet het Actieplan Weerbaarheid Energieschok aangekondigd.
De actuele hoge prijzen bevestigen deels de kwetsbare positie van Nederland als gevolg van de afhankelijkheid van import van fossiele brandstoffen. Om minder afhankelijk en kwetsbaar te worden moeten we overschakelen naar duurzame alternatieven.
Het ETS-2 geeft vanaf 2028 een extra prikkel voor het overschakelen naar duurzame energiedragers. Daarbij hebben huishoudens hulp nodig, die het kabinet biedt door middel van het Actieplan Weerbaarheid, het Warmtefonds, het Noodfonds Energie en het Sociaal Klimaatfonds. Met het omschakelen naar duurzame energiebronnen versterken we de weerbaarheid van Nederland.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat door de aanstaande Europese CO2-heffing Emissions Trading System (ETS2) – de Timmermans-taks – gas, benzine en diesel nóg duurder zullen worden en dat huishoudens daardoor tot € 70 per maand, oftewel € 840 per jaar méér gaan betalen? Zo nee, hoe kunt u deze absurde lastenverhogende klimaattaks verdedigen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusie dat de € 720 miljoen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, waarop Nederland ter compensatie van ETS2 beroep kan doen, neer zou komen op eenmalig € 85 per huishouden en dus niets anders is dan een doekje voor het bloeden?
De € 720 mln. die Europees beschikbaar wordt gesteld, wordt conform verplichting door Nederland aangevuld tot ongeveer € 1 mld. Deze middelen kunnen worden gebruikt om kwetsbare huishoudens, kwetsbare micro-ondernemingen en kwetsbare vervoergebruikers te ondersteunen bij verduurzaming.
Het kabinet zal de Kamer binnenkort nader informeren over de besteding van de middelen uit het Sociaal Klimaatfonds.
Wat vindt u ervan dat de energierekening inmiddels voor meer dan de helft (58%) uit belastingen (energiebelasting en btw) en transportkosten bestaat en dat de Nederlanders, op Zweden na, het meest voor hun gas van heel Europa betalen? Wat vindt u ervan dat de Nederlandse benzineprijzen, op enkele landen na, tot de allerhoogste ter wereld behoren?
Voor een huishouden met een gemiddeld jaarverbruik (gas en elektriciteit) bestaat de rekening voor ongeveer 10% uit energiebelasting; dit lagere percentage komt o.a. door de korting op de energiebelasting met een vast bedrag, een belastingvermindering die de afgelopen jaren bovendien verhoogd is.2 Ik ben bekend met de relatieve hoogte van de Nederlandse benzineprijzen. Generieke verlaging van de prijs aan de pomp is echter een maatregel die veel geld kost: de Minister van Financiën heeft dit in debat over het Actieplan Weerbaarheid aan de Kamer toegelicht.3 Een lagere energiebelasting of brandstofaccijns zou betekenen dat er alternatief beleid nodig is om de klimaatdoelen te halen en om de budgettaire derving op te vangen.
Deelt u dan ook de conclusie dat niet alleen de gestegen energieprijzen problematisch zijn, maar dat óók de belastingen op energie in Nederland veel te hoog zijn? Deelt u de mening dat deze belastingen niet steeds verder omhoog, maar juist omlaag moeten en dat er überhaupt geen nieuwe energiebelastingen, zoals ETS2, ingevoerd moeten worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ertoe bereid de Timmermans-taks naar de prullenbak te verwijzen en de Nederlanders te behoeden voor deze links-ideologische klimaatgekte? Zo nee, hoe reageert u dan op de oproep van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om «snel passende maatregelen te nemen om alle negatieve effecten voor kwetsbare huishoudens te beperken»? Gaat u dat doen? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Het PBL noemt als mogelijkheid het instellen van een prijsplafond in het ETS-2. In het ETS-2 is tenminste tot 2030 een prijsbeheersingsmechanisme ingebouwd, waardoor de prijs niet hoger zal oplopen dan € 45/ton CO2 (in 2020-prijzen). Bij de uitwerking van de Europese klimaatarchitectuur voor na 2030 zal opnieuw het gesprek gevoerd worden over welk prijsniveau acceptabel wordt geacht.
Daarnaast beveelt het PBL aan om naast het ETS-2 aanvullend nationaal klimaatbeleid te voeren in ETS-2 sectoren, om te voorkomen dat omwille van doelbereik de prijs tot maatschappelijk onacceptabele hoogte moet stijgen. Het kabinet betrekt deze aanbeveling in de klimaatbesluitvorming.
Een dreigend tekort aan benzine en kerosine |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de bevindingen van de Rabobank?1
Ja.
In hoeverre rijmt de uitkomst van dit onderzoek van de Rabobank met uw woorden van 18 april 2026, waarin u aangeeft dat er voldoende voorraad kerosine is?2
De uitspraken van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de kerosinevoorraad tijdens het Vragenuur van 18 april zijn in overeenstemming met de uitkomst van het Rabobank-onderzoek. Beiden hebben betrekking op verschillende scenario’s en op de korte respectievelijk langere termijn.
Zoals eerder aangegeven beschikken Nederland en Europa op dit moment over voldoende voorraden kerosine. Er is momenteel dus geen sprake van acute tekorten. Tegelijkertijd is het noodzakelijk dat wij ons voorbereiden op scenario’s voor het geval de situatie in het Midden-Oosten verder escaleert of langdurig aanhoudt.
Het onderzoek van Rabobank kan gezien worden als een analyse van juist dat langdurige scenario. De bank wijst op het risico dat de beschikbaarheid van kerosine na verloop van tijd onder druk kan komen te staan wanneer de verstoring van aanvoer via de Straat van Hormuz langere tijd aanhoudt bij een vergelijkbaar blijvende vraag.
Hoe lang is de huidige Europese olievoorraad nog toereikend? Kunt u daarbij het meest negatieve en meest positieve scenario ook uitlichten? Kunt u ook toelichten hoe lang Nederland zelfstandig kan functioneren met die voorraad?
Nederland en Europa beschikken over relatief grote olievoorraden die voor vijf maanden toereikend zijn. De daadwerkelijke duur waarvoor deze voorraden volstaan, hangt sterk af van de ontwikkeling van de verstoring, de mate waarin handelsstromen zich aanpassen, de vraagontwikkeling en de inzet van raffinaderijen. Een vaste termijn is daarom niet goed te geven. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zet in op zoveel mogelijk energiebesparing door de energie-efficiëntie in de luchtvaart verder te verbeteren. Leveringen ruwe olie gaan door en de vraag kan worden bediend. We zien dat handelsstromen en raffinaderijen zich aanpassen op de ontwikkelingen in de oliemarkt. Er komt op dit moment meer import uit landen als de Verenigde Staten en Nigeria en de raffinagesector schaalt productie op naar waar de vraag het grootst is; op dit moment kerosine en diesel. Tegelijkertijd zien we wel dat er krapte ontstaat in de markt en dat prijzen stijgen en volatiel blijven. De markt staat dus onder druk, maar er is in Nederland op dit moment geen sprake van tekorten.
In Nederland en Noordwest-Europa is op dit moment voldoende voorraad beschikbaar. De beschikbare dekking verschilt per product: voor kerosine is deze beperkter dan voor diesel en benzine, maar ook daar is nog voorraad beschikbaar. Voor diesel en benzine is de dekking ruimer en gaat het eerder om maanden dan om weken, afhankelijk van handelsstromen, raffinage-inzet en vraagontwikkeling.
Bent u van mening dat de Nederlander niet nóg meer de dupe mag worden van de situatie rondom de Straat van Hormuz en bent u bereid maatregelen te nemen ten voordele van de Nederlander? Zo ja, welke maatregelen wilt u nemen? Zo nee, waarom niet?
De situatie in het Midden-Oosten is veranderlijk en onvoorspelbaar. Ook in Nederland zijn de economische gevolgen merkbaar. Dit leidt bij mensen tot begrijpelijke zorgen over prijzen, energie en bestaanszekerheid. Het kabinet heeft daarom op 20 april een pakket aan maatregelen gepresenteerd.3 Met dat pakket wordt ondersteuning geboden aan huishoudens en bedrijven die door de hogere energieprijzen acuut in de problemen kunnen komen. Zo is de maximale onbelaste reiskostenvergoeding verhoogd, en krijgen bedrijven meer toegang tot financiering en liquiditeit via een uitbreiding van de toegang tot garantieregelingen. Bovendien zet het kabinet in op verhoging van de weerbaarheid, door de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Huishoudens worden geholpen met energiebesparing en isolatie, voor bedrijven worden verduurzamingsmaatregelen aantrekkelijker door de verhoging van het aftrekpercentage van de Energie-investeringsaftrek (EIA) en het wegvervoer wordt tijdelijk ondersteund door een verlaging van de vrachtwagenheffing.
Het kabinet heeft in de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok verschillende scenario's geschetst voor het geval dat de situatie rondom de Straat van Hormuz zou verslechteren. Een mogelijke inzet van nieuwe maatregelen vraagt om een zorgvuldige weging. De realiteit is ook dat de economische effecten niet altijd weg te nemen zijn door te compenseren. Maatregelen die de energieprijs dempen, hebben immers als direct effect dat de vraag toeneemt en de schaarste toeneemt.
Bent u concreet bezien bereid de accijns op benzine te schrappen, al dan niet te verlagen, als er fysieke brandstoftekorten dreigen te ontstaan? Zo nee, waarom niet?
In de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok4 van 20 april jl. heeft het kabinet een aantal concrete maatregelen aangekondigd en uiteengezet welk type maatregel kan worden overwogen in scenario’s waarin de situatie verder verslechtert. Denk aan situaties waarin de Straat van Hormuz langdurig blijft gesloten of als er sprake is van een fysiek brandstoftekort. Dit vraagt op dat moment een zorgvuldige weging, waar het kabinet nu niet op gaat vooruitlopen.
Kunt u garanderen dat een verhoging van de brandstofaccijns in elk geval van tafel is, zolang de blokkade van de Straat van Hormuz nog aan de orde is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke alternatieven worden door het kabinet onderzocht voor het geval de straat van Hormuz dicht zal blijven en de aanvoer van energie via die weg onbetaalbaar zal worden?
Het kabinet bereidt zich voor op alle mogelijke scenario's. We houden rekening met mogelijk langdurige verstoringen en potentieel grote economische gevolgen. Hoe langer het conflict duurt en hoe meer energie-infrastructuur beschadigd raakt, hoe groter de impact op de prijzen en leveringszekerheid. Het kabinet is opgeschaald naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie waarin de situatie intensief wordt gemonitord om tijdig voorbereid te zijn op mogelijke verdere verslechtering.
Zoals genoemd zien we op dit moment dat de wereldwijde oliemarkt zich aanpast en effectief is in het opvangen van de aanbodverstoring. De oliemarkt is wereldwijd en ongereguleerd. Dit betekent dat marktpartijen kunnen importeren uit andere delen van de wereld en handelsstromen kunnen verplaatsen, hetzij tegen een hogere prijs als gevolg van concurrentie.
Er is op dit moment geen sprake van fysieke tekorten en Nederland en Europa beschikken over relatief grote voorraden, waarmee bij een aanhoudende aanbodverstoring maanden vooruit kan. Voor het mogelijk inzetten van de strategische voorraden zijn we in continu contact met het IEA, de Europese Commissie, andere lidstaten en marktpartijen. Om die zo effectief mogelijk te laten zijn en weglekeffecten te voorkomen is het belang ze op strategische en gecoördineerde wijze in te zetten. Het kabinet is voorbereid om de strategische voorraden in te zetten wanneer signalen rond de leveringszekerheid daartoe aanleiding geven.
Bent u van mening dat bestaanszekerheid, energiezekerheid en betaalbaarheid prioriteit moeten genieten boven (ideologisch) klimaatbeleid en dat dus maatregelen ten voordele van de portemonnee van de Nederlander altijd de voorkeur moeten genieten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De crisis in het Midden-Oosten onderstreept het belang om de afhankelijkheid van buitenlandse energiebronnen, zoals olie en gas, te verminderen. Dit vergroot de leveringszekerheid en leidt tot stabielere energieprijzen voor burgers en bedrijven. Het toewerken naar meer hernieuwbare energie van eigen bodem en het halen van de klimaatdoelen gaan dus hand in hand.
In hoeverre overweegt het kabinet de snelheid waarmee Nederland afstand neemt van de eigen gasproductie en fossiele levenszekerheid, nu internationale energieaanvoerlijnen steeds instabieler lijken? En waarom?
Gezien de huidige geopolitieke situatie zet het kabinet in op verdere vraagbeperking en het zo veel mogelijk beperken van de importafhankelijkheid van gas. In het kader van de importafhankelijkheid blijft gaswinning op de Noordzee en land van belang, mits dat veilig en verantwoord gewonnen kan worden en met oog voor de omgeving. Hierover zijn afspraken gemaakt in het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie.
De evacuatie van Gazanen met een Nederlandse verblijfsvergunning |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Raad van State en de rechtbank Den Haag waarin is geoordeeld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire ondersteuning moet bieden aan Gazanen met een geldige Nederlandse verblijfsvergunning bij hun vertrek uit Gaza?1
Het kabinet is bekend met de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Raad van State en de rechtbank Den Haag waarin is geoordeeld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire bijstand moet bieden aan betrokkenen, die een positief besluit op hun machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)-aanvraag hebben ontvangen.
Klopt het dat het gaat om tientallen Palestijnen uit Gaza die beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) voor studie en werk in Nederland?
Het gaat om een groep personen in het bezit van een inwilliging voor een machtiging tot voorlopig verblijf op grond van verschillende verblijfsdoelen, waaronder studie en wetenschappelijk onderzoek. De feitelijke afgifte van de mvv kan pas plaatsvinden na biometrie-afname en vaststelling van de identiteit bij een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland.
Klopt het dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich momenteel beperkt tot het versturen van een zogenaamde Note Verbale, terwijl bekend zou zijn dat dit op zichzelf onvoldoende is om evacuatie daadwerkelijk mogelijk te maken?
Nee. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken geeft conform de uitspraak uitvoering aan de opgelegde voorlopige voorziening, zodat betrokkenen Gaza op korte termijn kunnen verlaten.
In dat kader zijn de Israëlische autoriteiten al eerder verzocht toestemming te verlenen voor de uitreis van betrokkenen uit de Gazastrook. Voor twee personen werd de toestemming voorafgaand aan de organisatie van een transport door een ander land ontvangen. Zij hebben Gaza op 1 juni via dit transport verlaten. Voor een gedeelte van de resterende groep werd toestemming na de coördinatie van dit transport ontvangen. Over die personen staat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met de relevante autoriteiten.
COGAT heeft tegenover de NOS verklaard dat Nederland de betreffende personen niet heeft aangemeld voor evacuatie, terwijl daar volgens COGAT wel de mogelijkheid toe bestaat.2 Hoe moet dit beoordeeld worden in het licht van uw inzet om aan de verplichting als opgelegd door de voorzieningenrechter te voldoen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft bij de Israëlische autoriteiten, waaronder COGAT, een verzoek ingediend voor de uitreis van de betrokkenen. Voor een gedeelte van de groep is inmiddels toestemming ontvangen. Twee van hen hebben inmiddels Gaza verlaten. Over de rest van de groep staat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met de relevante autoriteiten. Daarmee wordt voldaan aan de inspanningsverplichting die door de voorzieningenrechter is opgelegd.
Heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken sinds de uitspraken de namen van MVV-houders actief doorgegeven aan de Israëlische autoriteiten of andere betrokken instanties ten behoeve van evacuatie? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Welke contacten heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken sinds maart 2026 onderhouden met Jordaanse autoriteiten, COGAT, internationale organisaties of andere landen over de praktische uitvoering van evacuatie van deze MVV-houders?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op verschillende momenten contact gehad met de relevante autoriteiten over deze groep. Over de exacte inhoud van diplomatieke contacten doen wij in het openbaar terughoudend mededelingen om de vertrouwelijkheid en effectiviteit van diplomatieke contacten te waarborgen.
Hoe verhoudt deze beperkte inzet zich volgens u tot de rechterlijke uitspraken waarin is geoordeeld dat Nederland consulaire hulp moet verlenen?
In de uitspraak van de voorzieningenrechter is bepaald dat de Minister zich diplomatiek moet inspannen zodat de verzoekers Gaza kunnen verlaten. De opgelegde inspanningsverplichting wordt uitgevoerd.
Deelt u de opvatting dat het bieden van uitsluitend minimale administratieve ondersteuning, terwijl bekend is dat dit feitelijk niet leidt tot evacuatie, onvoldoende uitvoering geeft aan de zorgplicht van de Nederlandse staat?
In de uitspraak is nadrukkelijk overwogen dat de opgelegde inspanningsverplichting uitsluitend ziet op een diplomatieke inspanning. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de inspanningsverplichting vloeit daarmee voort uit de door de rechter opgelegde voorziening. Overigens ligt er in deze gevallen geen (juridische) zorgplicht bij de Nederlandse staat.
Kunt u uiteenzetten welke belemmeringen het kabinet momenteel ziet om de betrokken personen daadwerkelijk uit Gaza te laten vertrekken, en welke diplomatieke inspanningen worden verricht om deze belemmeringen weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 3, 4 en 5.
In de NOS-rapportage werd melding gemaakt van het feit dat u heeft aangegeven dat er sprake is van een situatie die nog «onder de rechter is»3; bent u er zich van bewust dat er tegen de voorlopige voorzieningen die zijn opgelegd, op basis waarvan u dient te doen wat nodig is om evacuatie te realiseren, geen beroep aangetekend kan worden en deze per direct uitgevoerd dienen te worden?
Ja. Aan de voorlopige voorzieningen wordt dan ook uitvoering gegeven. Desalniettemin heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het oordeel van de voorzieningenrechter niet bindend in de bodemprocedure, waar de zaak inhoudelijk wordt behandeld.
In hoeverre onderscheidt het bewust uitvoeren van een rechterlijke opdracht op een wijze die bij voorbaat ineffectief is zich volgens u van het feitelijk niet uitvoeren van die opdracht?
De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de inspanningsverplichting vloeit voort uit de door de rechter opgelegde voorziening. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid om, mede gezien de humanitaire situatie in Gaza en de uitspraken van de rechter, per direct intensievere consulaire en diplomatieke inspanningen te leveren om deze mensen veilig uit Gaza te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie zal zich conform de uitspraak van de voorzieningenrechter blijven inspannen zodat deze groep Gaza op korte termijn kan verlaten om de mvv op te halen.
Zoals aan uw Kamer gecommuniceerd op 1 december jl. is het Ministerie van Buitenlandse Zaken per 1 december jl. teruggekeerd naar de reguliere consulaire bijstandverlening in Gaza, waarmee de ondersteuning bij vertrek uit Gaza in het geheel is beëindigd. Wel zal het ministerie blijven voorzien in de reguliere consulaire dienstverlening aan houders van een mvv-inwilliging uit Gaza, in de vorm van visumafgifte en in voorkomend geval (nood-)reisdocumentenafgifte.
Kunt u deze vragen met spoed binnen twee weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
De publicatie 'De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens' van het CPB van 6 mei 2026. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van het CPB en hoe beoordeelt u in grote lijnen de conclusies van het CPB?1
Ik heb met interesse kennisgenomen van het CPB-rapport «De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens». Dit rapport geeft aan dat economische verschillen tussen huishoudens kunnen toenemen als inkomen uit vermogen verschillend wordt belast. Wanneer deze verschillen blijven toenemen, dan kan dat leiden tot minder kansengelijkheid en een afname van de toekomstige welvaart. Het CPB geeft daarbij aan dat het in die zin een aanknopingspunt kan zijn voor beleid en bijvoorbeeld mee worden gewogen bij keuzes voor het belastingstelsel. Deze boodschap van CPB zijn helder en relevant om ter harte te nemen. Tegelijkertijd is deze boodschap niet nieuw. In 2022 is het IBO Vermogensverdeling verschenen met dezelfde boodschap. De analyse van het CPB over de belastingdruk op het inkomen betreft de jaren 2011–2019. In de afgelopen jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zo is per 2023 het lage Vpb-tarief verhoogd van 15% naar 19% en de bijbehorende schijfgrens verlaagd van € 395.000 naar € 200.000, is in 2023 de Wet excessief lenen ingevoerd en is in 2024 een tweede schijfgrens in box 2 ingevoerd. Deze maatregelen zien met name op het tegengaan van belastinguitstel in box 2. Verwacht mag worden dat deze maatregel de effectieve belastingdruk van de top 1% hebben verhoogd. De Wet excessief lenen wordt dit jaar geëvalueerd en de introductie van de tweede schijf in box 2 volgend jaar. Op basis van deze evaluaties verwacht ik een goed beeld te kunnen schetsen van de effecten van de maatregelen. Verder is het maximum pensioengevend loon in 2025 en 2026 niet geïndexeerd en gelijk aan het in 2024 geldende maximum van € 137.800 euro. In het coalitieakkoord is afgesproken dit maximum ook voor de komende 6 jaren geldt. Daardoor wordt de fiscale ondersteuning voor pensioenopbouw bij hogere inkomens beperkt. Ook werkt dit kabinet aan het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement belast in box 3, wat ook voor meer evenwicht gaat zorgen. Het wetsvoorstel daartoe ligt in de Eerste Kamer. Tot slot zet het kabinet stappen op andere aanbevelingen van het CPB, onder andere in de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Het kabinet komt dit jaar met een hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel. Het kabinet gaat door met vereenvoudigen en verbeteren waar mogelijk en zorgt dat de basis op orde wordt gebracht en dat er een stip op de horizon wordt gezet om daarnaartoe te werken. Ik zie deze CPB-studie als een extra aanmoediging om stappen te zetten met deze hervormingsagenda.
Is het volgens u terecht dat vermogen in box 2 volledig in de inkomens- en vermogenspositie van DGA’s wordt meegenomen, terwijl hier uiteindelijk bij uitkering toch een keer belasting over betaald zal moeten worden?
Het kabinet volgt de inkomens- en vermogensstatistieken van het CBS die ook internationaal gangbaar zijn. De statistische definitie van vermogen van huishoudens luidt als volgt: Alle financiële en niet-financiële bezittingen van huishoudens (spaargelden, aandelen, deelnemingen in bedrijven, ondernemingsvermogen, de eigen woning, overig onroerend goed en overige bezittingen) minus de schulden en leningen. Het aanmerkelijk belang (deelneming in bedrijven) behoort dus tot het vermogen van huishoudens.
Het Nederlandse belastingstelsel belast inkomen uit vermogen in de inkomstenbelasting. Volgens de inkomensstatistieken van het CBS maken winsten van ondernemingen deel uit van het inkomen van aanmerkelijkbelanghouders op het moment dat ze uitgekeerd worden. Dat is tevens het moment dat ze worden belast in box 2.
Bent u van mening dat de vermogenspositie van DGA’s verder genuanceerd zou moeten worden omdat in het box 2 vermogen ook de oudedagsvoorziening is opgebouwd, terwijl pensioenvermogen van werknemers (opgeteld zo’n € 1.800 miljard) opgebouwd in de tweede pijler niet wordt meegenomen in de vergelijking?
Pensioenvermogen dat is opgebouwd via pensioenfondsen telt niet mee in reguliere statistieken over het vermogen van huishoudens. De reden daarvan is dat mensen hun collectief opgebouwde pensioenvermogen niet direct in handen hebben en het ook niet aan iemand anders kunnen geven. Wordt het pensioenvermogen wel bij het vermogen van huishoudens meegeteld, dan maakt het 35% uit van het totale vermogen van huishoudens begin 2024. Het meetellen van collectief opgebouwde pensioenvermogens vermindert de vermogensongelijkheid. Verder geldt dat – net als het collectief opgebouwde pensioenvermogen – het pensioen eigen beheer (PEB) respectievelijk de oudedagsvoorziening (ODV) die in de bv zijn opgebouwd, ook niet zijn meegenomen in de vermogensstatistiek. Het PEB en ODV behoren niet tot het eigen vermogen van een bv (het betreft immers een pensioentoezegging) en daarmee niet tot het aanmerkelijk belang. Ten slotte zij voor de volledigheid vermeld dat ook individuele oudedagsvoorzieningen bij een bank, verzekeraar of beleggingsinstelling (het zogeheten derde pijler oudedagsvoorzieningen) niet worden meegenomen in de vermogensstatistiek.2
Klopt het dat het wel meenemen van pensioenvermogen in de vermogensvergelijking in een eerdere analyse van het CPB de verschillen met ca. 10% verkleinde?
Het CBS heeft voor de jaren 2006 tot en met 2021 ook de vermogensverschillen tussen huishoudens berekend waarbij het collectief opgebouwde pensioenvermogen is meegenomen.3 Het meenemen van het collectief opgebouwde pensioenvermogen verkleint de vermogensongelijkheid in termen van de Gini-coëfficiënt4 en het aandeel van de top 1% in de vermogensverdeling van huishoudens. Dit komt doordat huishoudens met weinig of geen vermogen vaak wel pensioenvermogen in de tweede pijler hebben. De meer vermogende huishoudens hebben uiteraard ook vaak pensioenvermogen in de tweede pijler, maar voor hen is het aandeel van pensioenvermogen in hun totale vermogen relatief kleiner. Daarom wordt het verschil tussen huishoudens aan de onderkant en de bovenkant in verhouding kleiner als het pensioenvermogen wordt meegenomen in de verdeling. Het CBS heeft voor het jaar 2021 berekend dat de 10 procent meest vermogende huishoudens zonder het collectief opgebouwd pensioenvermogende 59% van het totale vermogen van huishoudens bezit. Mét pensioenvermogens was dat 48%. In 2021 was de Gini-coëfficiënt van het vermogen exclusief pensioen 0,74. Inclusief pensioenvermogen is dat bijna 0,10 lager.
Wat is volgens u de verwachte invloed op aanmerkelijk belangvermogen als gevolg van maatregelen die na 2019 zijn genomen, zoals een hoger en beperkter opstaptarief in de Vpb, twee tarieven in box 2 en inperking van lenen bij de eigen vennootschap, aangezien het CPB zich baseert op de geobserveerde groei tussen 2011 en 2019?
Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van de totale waarde van het aanmerkelijk belang van huishoudens in Nederland volgens de vermogensstatistiek van het CBS.5 De toename van de waarde van het aanmerkelijk belang bedroeg daarmee 44% in de periode 2019 -2024. Hierbij betreft 2024 nog een voorlopig cijfer. In de periode 2011–2019 steeg de totale waarde van het aanmerkelijk belang met 80%. In beide perioden was de gemiddelde groei per jaar vrijwel gelijk: 7,6% per jaar.
390
431
400
492
580
563
Wat het effect van de genoemde maatregelen op de ontwikkeling van de totale waarde van het aanmerkelijk belang is geweest in de periode na 2019 is niet bekend. Hiervoor moet het effect van de maatregelen worden gescheiden van effecten als gevolg van economische ontwikkelingen. De Wet excessief lenen die in 2023 van kracht is geworden wordt dit jaar geëvalueerd en de invoering van een tweede schijf in box 2 van de inkomstenbelasting per 2024 volgend jaar. Pas na verloop van tijd kunnen uitspraken worden gedaan over de structurele effecten van de opeenvolgende beleidsmaatregelen sinds 2019.
Klopt het dat het rapport niet alleen laat zien dat de hoogste inkomens en vermogens het sterkst zijn gegroeid en relatief minder belastingdruk ervaren, maar ook dat de welvaart in bredere zin in vrijwel alle inkomens- en vermogensgroepen is toegenomen?
Het doorsnee vermogen van huishoudens in de afgelopen decennia sterk is gestegen. Deze toename hangt samen met de stijging van de materiële welvaart in Nederland in het algemeen en met de stijgende huizenprijzen in het bijzonder. De vermogensontwikkeling wordt door twee trends gedreven. Deze trends zijn de sterk stijgende huizenprijzen die woningeigenaren ten goede zijn gekomen en die vooral in het midden en de top van de verdeling zitten, en daarnaast de toename van de aanmerkelijk-belangvermogens van de dga’s onder de meest vermogenden. De vermogensverschillen tussen eigenwoningbezitters en huurders en tussen dga’s en andere type werkenden zijn door deze twee trends groter geworden. Hierdoor zijn in absolute zin de vermogens van de meest vermogenden het sterkst gestegen en zijn de vermogens van de middengroepen in relatieve zin sterker gestegen.
Klopt het dat de groeiende vermogens bij doorsnee huishoudens vooral het gevolg zijn van eigenwoningbezit en klopt het dat de verschillen tussen kopers en huurders door de stijgende woningprijzen steeds groter worden?
Ja.
Klopt het dat aan de onderkant van de inkomensverdeling een grote herverdeling plaatsvindt met toeslagen en belastingkortingen, die in het rapport niet in de vergelijking wordt meegenomen?
Er vindt via de collectieve uitgaven (waaronder toeslagen) en overdrachten in geld en natura een grote herverdeling plaats van hogere inkomens naar lagere inkomens. Het CPB heeft in zijn rapport gekeken naar de rol van het belastingstelsel in de verdeling van vermogen van huishoudens en stelt dat het belastingstelsel bestaande inkomens- en vermogensverschillen tussen huishoudens eerder vergroot dan verkleind. Belastingkortingen maken deel uit van het belastingstelsel. Toeslagen betreffen uitgavensubsidies en verhogen inkomens van huishoudens. Het betoog van het CPB is dat de overheid nauwelijks herverdeelt via belastingen maar vooral door middel van collectieve uitgaven en overdrachten in geld (waaronder toeslagen) en in natura. Het CPB heeft dit geanalyseerd voor het jaar 2016 en hierover in de CPB Policy Brief «Inkomens en herverdeling» uit 2022 gepubliceerd.6 Onderstaande figuren uit het CPB rapport uit 2022 tonen respectievelijk de betaalde belastingen en sociale premies als aandeel van het bruto inkomen per inkomensgroep respectievelijk de overheidsuitgaven als aandeel van het bruto inkomen per inkomensgroep in 2016.
Overheidsuitgaven per type (als% inkomen), 2016 aandeel%
Onderstaande infographic uit het CPB-rapport uit 2022 illustreert de herverdeling via belastingen versus overheidsuitgaven per inkomensgroep op een wat andere manier. Deze infographic laat zien dat in 2016 50% van de mensen een aandeel had van 19% van het totale inkomen in Nederland en daarmee een gemiddeld bruto jaarinkomen had van € 17.524 en daarover 55% aan belastingen betaalde en een bedrag aan overheidsuitgaven kreeg toebedeeld gelijk aan 129% van hun inkomen. Verder had 40% van de mensen in 2016 een aandeel 49% van het totale inkomen in Nederland, had daarmee gemiddeld een bruto jaarinkomen van € 54.865 en betaalde daarover 40% aan belastingen en kreeg een bedrag aan overheidsuitgaven toebedeeld van omgerekend gemiddeld 24% van hun bruto inkomen. En ten slotte ontving 10% van de mensen in 2016 32% van het totale inkomen in Nederland, en had daarmee gemiddeld een bruto jaarinkomen van € 142.584, betaalde daarover 36% aan belastingen en kreeg omgerekend 8% van hun gemiddeld inkomen aan overheidsuitgaven toebedeeld.
Verdeling: wie verdient welk deel van de taart
Klopt het dat vooral de belastingdruk (na herverdeling) op de middenklasse, ten opzichte van de laagste en hoogste inkomens, relatief hoger is?
Nederland heeft een progressieve inkomstenbelasting. Dat betekent dat huishoudens met de hoogste inkomens gemiddeld genomen een hogere belastingdruk hebben dan huishoudens in de middenklasse. En dat huishoudens in de middenklasse gemiddeld genomen een hogere belastingdruk hebben dan inkomens in de lagere klassen van het inkomensgebouw. Het CPB laat dat ook zien, zie onderstaande figuur uit het CPB-rapport. Het CPB neemt daarbij de stelling in dat de inkomstenbelasting alleen in theorie progressief is, doordat de top 1% inkomens weliswaar met de hoogste belastingtarieven te maken hebben, maar in de praktijk de top 1% een lagere belastingdruk kennen doordat zij een groot deel van hun vermogen in een bv aanhouden en box 2-belasting langdurig kan worden uitgesteld. Anders dan in de fiscaliteit telt het CPB ingehouden winsten van een bv wel mee als inkomen van huishoudens waardoor de belastingdruk bij de top 1% bij CPB lager uitvalt dan op basis van de fiscale inkomensgrondslag het geval zou zijn geweest. Er kunnen ook goede bedrijfseconomische redenen zijn om winst van een bv niet uit te keren vanwege toekomstige investeringen of vanwege een noodzakelijke liquiditeitsreserve en daarmee zal een deel van de winst nooit tot uitkering komen aan aandeelhouders. Het CPB geeft verder aan dat als alle winsten van een bv zouden worden uitgekeerd aan huishoudens het belastingstelsel gemiddeld genomen ook progressief uitpakt voor de top 1%.
Gemiddeld genomen hebben huishoudens uit de middenklasse een hogere belastingdruk dan huishoudens uit de lagere inkomensklassen. Als gevolg van de gunstige fiscale behandeling van de eigenwoning en collectieve pensioenopbouw kunnen echter grote verschillen in belastingdruk ontstaan bij huishoudens met een gelijk bruto-inkomen. Met andere woorden, een deel van de huishoudens in de middenklasse (die met een eigen woning vaak gepaard met een relatief groot collectief pensioenvermogen) kent een lagere belastingdruk dan een ander deel van de huishoudens in die klasse (die met een huurwoning gepaard met een laag tot geen pensioenvermogen).
Deelt u de mening dat, hoewel er iets af te dingen is op de mate van ongelijkheid die het CPB constateert, de boodschap van het rapport vooral is dat we moeten opletten dat welvaartsgroei zich niet te veel bij een of enkele groepen concentreert omdat dit negatieve effecten kan hebben voor de samenleving?
Het kabinet deelt de constatering van het CPB dat als economische welvaartsgroei zich sterk concentreert bij een beperkt aantal huishoudens, dit op termijn kan leiden tot een afname van de toekomstige welvaart en daarmee tot negatieve effecten voor de samenleving als geheel.
Hoewel het CPB ook constateert dat niet te zeggen is wat een optimale mate van ongelijkheid in een samenleving is, bent u van mening dat de inkomens- en vermogensverdeling op dit moment te scheef aan het verdelen is en dat maatregelen nodig zijn om meer balans te brengen?
Wat als een redelijke verdeling van inkomen en vermogen kan worden gezien, is deels een kwestie van voorkeuren. Een relatief lage inkomensongelijkheid en een goed functionerend vangnet en een toegankelijk zorgstelsel zijn belangrijk voor het welbevinden van mensen. Mede door directe inkomensondersteuning in de vorm van toeslagen en uitkeringen voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en de AOW behoort Nederland al decennia samen met Zweden, Denemarken en België tot de landen met de meest gelijk verdeelde inkomens binnen de EU. Nederland kent met de AOW en de mogelijkheid om via de werkgever dan wel via een bank- of verzekeraar fiscaal gefaciliteerd pensioen op te bouwen een van de beste pensioenstelsels ter wereld. Ook dat is cruciaal voor het welbevinden van mensen. Qua vermogensverdeling scoort Nederland volgens de World Inequality Database van Thomas Piketty beter dan landen als Duitsland, Frankrijk, Denemarken, Zweden en Finland. Het kabinet heeft daarmee geen reden aan te nemen dat de inkomens- en vermogensverdeling in Nederland op dit moment te scheef is. De inkomens- en vermogensverdeling blijken ook vrij constant over de jaren heen. Door voortdurend alert te zijn op een evenwichtige jaarlijkse koopkrachtontwikkeling tracht het kabinet dat zo te houden.
Bent u het met ons eens dat fiscaliteit voor ondernemers vooral gericht moet zijn op het stimuleren van investeren, innoveren en werkgeverschap, en niet enkel op het «zijn» van ondernemer?
Het kabinet is van mening dat het verstandig is om activiteiten met positieve externe effecten te stimuleren. Denk daarbij aan innovaties, investeringen en werkgelegenheid. Dit kabinet zet met het Coalitieakkoord stevig in om investeringen te stimuleren en het vestigingsklimaat en de financieringsketen te versterken. Dit wil het kabinet onder andere doen door bedrijven te ondersteunen in investeringen die passen bij onze economie van de toekomst, door uitbreiding van de WBSO voor ontwikkeling van AI en technologie en behoud van de Innovatiebox. Daarbij wil het kabinet de fiscale energie-aftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de regeling die het mogelijk maakt milieu-investeringen willekeurig af te schrijven (VAMIL) waar mogelijk samenvoegen tot één robuuste investeringsregeling. Het kabinet is hier hard mee bezig.
Bent u bereid, naar het voorstel van het CPB, in kaart te brengen of en hoe actief ondernemingsvermogen en passief beleggingsvermogen in BV’s gescheiden kan worden, zodat vermogen op de juiste plaats belast kan worden?
Het CPB geeft onder andere een beleidsrichting aan die zorgt voor minder economische verstoringen en verschillen in belastingdruk bij een gelijk inkomen kleiner maakt. Het CPB geeft hierbij als beleidsoptie dat fiscale regelingen die niet doelmatig of doeltreffend zijn, worden afgeschaft of vervangen door regelingen die beter bijdragen aan het nagestreefde beleidsdoel. Dit sluit ook aan bij de ambitie van het kabinet om fiscale regelingen die ingewikkeld zijn en hun doel niet of nauwelijks bereiken en het stelsel nodeloos complex maken, te schrappen en op die manier het stelsel eenvoudiger en voorspelbaarder maken. Daarnaast geeft het CPB aan dat fiscale prikkels beter gericht worden op ondernemerschap, risicobereidheid en innovatie. Het CPB benoemt hier het scheiden van ondernemings- en beleggingsvermogen in bv’s als beleidsoptie.
Tegelijkertijd geeft het CPB daarbij aan dat in de praktijk deze vermogens lastig te scheiden zijn, en dat het daarom kansrijker is om in te zetten op het tegengaan van fiscaal gedreven gedrag door ondoelmatige of ondoeltreffend fiscale regelingen te versoberen, af te schaffen en de opbrengsten daarvan gericht te gebruiken voor het stimuleren van innovaties. Dit strookt met de ambities van het kabinet. Het kabinet deelt de opvatting van het CPB dat het in praktijk lastig zal zijn om ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen in een bv te scheiden en is met CPB van mening dat het dan kansrijker is om in te zetten op versoberen en afschaffen van fiscale regelingen en de opbrengst gerichter in te zetten op het stimuleren van innovaties. Dit beschouw als aan van mijn belangrijkste taken deze kabinetsperiode.
Een tweede beleidsrichting van het CPB is om belastingen meer naar draagkracht te heffen, door het gelijker belasten van verschillende vormen van inkomen en vermogen. Het kabinet hecht belang aan het evenwichtig belasten van inkomen uit vermogen. In de afgelopen jaren zijn er diverse maatregelen genomen om daarin meer evenwicht aan te brengen. Denk aan het verhogen van het lage Vpb-tarief van 15% naar 19% in 2023, de invoering van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap in 2023 en het invoeren van een tweede schijf in box 2 in 2024. Zoals vorige kabinetten en diverse ambtelijke rapporten hebben benadrukt, is het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement in box 3 belast een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van vermogen. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat dit beoogt, ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het nieuwe box 3 stelsel op werkelijk rendement wordt daarna doorontwikkeld naar een vermogenswinstsystematiek.
Ten aanzien van de mogelijkheid tot arbitrage tussen box 2 en box 3, welke effecten verwacht u van het voorgenomen nieuwe box 3-stelsel en vervolgens van de verdere doorontwikkeling tot een volledige vermogenswinstbelasting?
Het belasten van werkelijk rendement van box 3-vermogen is een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen. De prikkel voor box-arbitrage neemt hierdoor in algemene zin af omdat hierdoor – net als in box 2 – belasting wordt geheven over het werkelijke rendement in plaats van over een forfaitair rendement. Als box 3 wordt doorontwikkeld tot een volledige vermogenswinstbelasting, dan nemen de verschillen met box 2 verder af.
Wat zijn volgens u de oorzaken van de door het CPB geconstateerde (relatief) lage effectieve belasting over erfenissen van 12% en over schenkingen van 6%? Hoe zou dit, met het oog op de verwachte omvangrijke vermogensoverdrachten van ouders aan kinderen, meer in de buurt kunnen worden gebracht van de beoogde progressieve tarieven in de erf- en schenkbelasting?
De betreffende percentages die in het onderhavige CPB-rapport worden vermeld zijn door CPB berekend over het jaar 2015. Het CPB heeft daarover in 2019 gepubliceerd.7 Op het titelblad van dit rapport benoemt het CPB dat in 2015 de gemiddelde belastingdruk voor erfenissen en schenkingen waarover belastingaangifte is gedaan 12% voor erfenissen bedroeg en 6% voor schenkingen. Dat de effectieve tarieven voor de schenk- en erfbelasting lager uitkomen dan de statutaire progressieve tarieven komt allereerst door diverse vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting. Door het verlagen van deze vrijstellingen kunnen de effectieve tarieven meer in de buurt worden gebracht van de statutaire progressieve tarieven. Onderstaande tabellen tonen de actuele tarieven en vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting. De schenk- en erfbelasting kennen een progressieve tariefstructuur met een tarief eerste schijf en een tarief tweede schijf, waarbij de progressieve tarieven afhankelijk zijn van de relatie met de verkrijger. Daarnaast kent de schenk- en erfbelasting verschillende vrijstellingen afhankelijk van de relatie met de verkrijger.
10%
18%
30%
20%
36%
40%
€ 828.035
€ 2.769 (jaarlijks)
€ 26.230
€ 6.908 (jaarlijks)
€ 33.129 (eenmalig)
€ 69.009 (eenmalig voor dure studie)
€ 78.671
€ 62.110
€ 26.230
€ 2.769 (jaarlijks)
€ 2.769
€ 2.769 (jaarlijks)
Het partnerbegrip is voor ongehuwden anders dan voor andere belastingen. Belangrijke voorwaarden zijn een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgverplichting of ten minste 5 jaar samenwonend.
De jaarlijkse ouder-kindschenkvrijstelling (€ 6.908 in 2026) is recent geëvalueerd en op 2 maart jl. naar uw Kamer verzonden.8 Een kabinetsreactie volgt later dit jaar. Verder zijn in 2024 de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstellingen voor een dure studie en de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling voor een vrij te besteden doel geëvalueerd en naar de Tweede Kamer verzonden.9 Naast deze vrijstellingen kent de schenk- en erfbelasting de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). De BOR bestaat uit een algehele vrijstelling in de schenk- en erfbelasting voor ondernemingsvermogen tot circa € 1,5 miljoen en een vrijstelling van 75% over het bedrag daarboven. In 2022 is de BOR geëvalueerd.10 Daaruit blijkt dat erfenissen en schenkingen onder de BOR relatief groot zijn ten opzichte van de gemiddelde schenking en erfenis en een veel lagere belastingdruk kennen. Uit de evaluatie blijkt dat het bij de BOR in de periode 2010–2017 gemiddeld genomen om een erfenis of schenking ging van € 1,3 miljoen euro aan ondernemingsvermogen, waarover 2% belasting bij een schenking en 5% bij een erfenis werd betaald. Naar aanleiding van de evaluatie is de BOR op verschillende aspecten aangepast en robuuster gemaakt tegen oneigenlijk gebruik. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken de BOR niet verder te versoberen.
Verder kunnen papieren schenkingen de effectieve belastingdruk verlagen. Papieren schenkingen zorgen voor een lagere grondslag van de (toekomstige) erfbelasting. Een papieren schenking kan eenmalig worden gedaan, maar ook meerdere jaren of jaarlijks. De schenker betaalt jaarlijks 6% rente aan de betreffende begiftigden over het totaal van het aan die persoon op papier geschonken bedrag. De rentevergoeding is fiscaal gezien geen schenking en betekent daarom een voor de schenkbelasting onbelaste vermogensoverdracht. In bijlage 7 van de Voorjaarsnota zijn beleidsopties beschreven om papieren schenkingen tegen te gaan.11 Met de beschrijving van deze opties is invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Staatssecretaris van Financiën Heijnen om opties in kaart te brengen om papieren schenkingen tegen te gaan.12
Ten slotte zorgen verouderde forfaits in schenk- en erfbelasting voor een lagere effectieve belastingdruk. Sinds 1979 geldt er een rekenrente (forfait) van 6% in de schenk- en erfbelasting. De rekenrente wordt het meest toegepast bij onderbedelingsvorderingen die ontstaan bij het openvallen van nalatenschappen. Rentedragende onderbedelingsvorderingen zijn een manier om de nalatenschap van de langstlevende in de toekomst voor de kinderen te verkleinen aangezien de rente die niet tijdens het leven door de langstlevende ouder is betaald, een schuld in diens nalatenschap vormt en op die manier de erfbelasting van de kinderen drukt. Hoe hoger de rekenrente des te groter het drukkend effect. In januari jl. is een ambtelijke uitwerking van een actualisatie van de forfaits in de schenk- en erfbelasting naar de Tweede Kamer gestuurd op basis van de huidige marktrentes en de huidige levensverwachting.13 Over de modernisering van de forfaits in de schenk- en erfbelasting heeft geen besluitvorming plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat ook een inkomensonafhankelijke arbeidskorting per gewerkt uur ondoelmatige inkomensverschillen tussen groepen kan verkleinen omdat dit economisch effectiever kan uitwerken als daadwerkelijke beloning voor meer werken?
Een van de ambities uit het coalitieakkoord van dit kabinet is dat het moet lonen om meer uren te werken. Nu loont dat soms te weinig. Onderzoek naar het omzetten van de huidige arbeidskorting in een arbeidskorting per gewerkt uur is een van de onorthodoxe maatregelen die het kabinet daartoe wil onderzoeken. Het inkomensonafhankelijk maken van de arbeidskorting maakt ook nadrukkelijk deel uit van de agenda uit het coalitieakkoord om het belasting- en toeslagenstelsel te hervormen en te vereenvoudigen. Dit kan het voor mensen inzichtelijker maken hoeveel meer uren werken daadwerkelijk loont.
Bent u voornemens om in uw plannen voor herziening van het belastingstelsel de boodschap van het CPB mee te nemen, namelijk om verschillende soorten inkomen en vermogen gelijker te belasten en fiscale regelingen die inefficiënt en scheef verdeeld zijn aan te pakken om economische verstoring te voorkomen?
Het kabinet hecht belang aan het evenwichtig belasten van inkomen uit vermogen. In de afgelopen jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zoals vorige kabinetten en diverse ambtelijke rapporten hebben benadrukt, is het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement in box 3 belast een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van vermogen. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat dit beoogt, ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het kabinet zet verder stappen op de aanbevelingen van het CPB over ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen én in de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Het kabinet komt dit jaar met een hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel. Het kabinet gaat door met vereenvoudigen en verbeteren waar mogelijk en zorgt dat de basis op orde wordt gebracht en dat er een stip op de horizon wordt gezet om daarnaartoe te werken. Ik zie deze CPB-studie als een extra aanmoediging om stappen te zetten met deze hervormingsagenda.
Het bericht 'Studenten gewaarschuwd voor phishing na hack softwarebedrijf' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Letschert , Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat hackersgroep ShinyHunters, die eerder verantwoordelijk was voor de hack bij Odido, nu ook gegevens van miljoenen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers via onderwijsplatform Canvas heeft buitgemaakt?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de ernst van dit datalek, mede gelet op de gevoeligheid van de buitgemaakte persoonsgegevens en mogelijk ook privécommunicatie van studenten, docenten en onderwijsmedewerkers?
De hack en de tijdelijke ontkoppeling van het systeem Canvas zorgde voor een enorm vervelende situatie voor diegenen van wie mogelijk data is buitgemaakt en voor studenten en medewerkers die hiervan hinder hebben ondervonden in het onderwijs en hun werk. De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat het op dit moment niet volledig is vastgesteld welke gegevens de hackersgroep precies heeft buitgemaakt. Hierover is contact tussen de instellingen en het bedrijf Instructure als leverancier van Canvas. Dit betekent dat er op dit moment nog geen goede schatting kan worden gemaakt door de instellingen van hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers naar schatting zijn getroffen. De AVG is van toepassing op inbreuken in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalekken). Er is door instellingen een voorlopige melding gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers van Nederlandse onderwijsinstellingen zijn naar schatting getroffen en welke typen persoonsgegevens zijn daarbij buitgemaakt?
De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat op dit moment alleen bekend is welke instellingen getroffen zijn. Zij geven aan dat Instructure, de leverancier van Canvas, nog niet heeft aangegeven welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Vermoedelijk gaat het om gegevens zoals namen en e-mailadressen van studenten en medewerkers en berichtenverkeer. De instellingen staan in contact met Instructure om hier meer duidelijkheid over te krijgen. Dat doen zij afzonderlijk van elkaar in verband met de individuele contracten van instellingen met deze leverancier. Instructure heeft de instellingen toegezegd dit overzicht op korte termijn te zullen verschaffen. Op dit moment kan er daarom nog geen goede schatting worden gemaakt van het aantal personen dat is getroffen door de hack.
Welke gevolgen kan dit datalek hebben voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers, bijvoorbeeld in de vorm van phishing, identiteitsfraude of andere vormen van digitale criminaliteit en hoe kan worden voorkomen dat zij hiervan slachtoffer worden?
Als er sprake is van een datalek is het belangrijk om nu en in de komende tijd extra waakzaam te zijn voor mogelijke phishingmails en andere verzoeken waarbij persoonsgegevens of inloggegevens worden gevraagd. De instellingen wijzen hun studenten en medewerkers hier ook op. Op dit moment is nog niet volledig vastgesteld welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Zodra hierover meer duidelijk is, zullen betrokkenen volgens de geldende procedures door de instellingen hierover worden geïnformeerd. De instellingen hebben hun studenten en medewerkers ook opgeroepen om zich te melden als zij getroffen worden naar aanleiding van de hack en zullen waar nodig passende ondersteuning bieden.
Heeft u contact met de onderwijskoepels over wat nodig is om de gevolgen van dit datalek te beperken? Zo nee, bent u bereid hierover alsnog contact met hen op te nemen?
Het Ministerie van OCW heeft nauw contact met de onderwijskoepels en SURF over de situatie en gevolgen van de hack. De instellingen houden zelf, als contracthouders met Instructure voor deze onderwijssoftware, contact met de leverancier. Daarin is het ministerie geen partij. Voorts nemen de instellingen hun verantwoordelijkheid in het informeren van hun studenten en medewerkers over de situatie en de gevolgen van de hack.
Welke ondersteuning en informatie worden momenteel geboden aan getroffen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers om misbruik van hun persoonsgegevens te voorkomen? Acht u deze ondersteuning voldoende en welke rol ziet u hierin voor uzelf?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4 en vraag 5.
Is voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers voldoende duidelijk welke persoonsgegevens via onderwijsplatformen zoals Canvas worden verwerkt, met welke externe partijen deze gegevens worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd?
Het is de bevoegdheid van instellingen zelf om te bepalen of, en zo ja hoe, zij onderwijsplatformen zoals Canvas inzetten. Het is daarbij hun verantwoordelijkheid zich bewust te zijn van de gegevens die daarmee worden verwerkt. Daarbij zijn ze gehouden aan de hiervoor geldende wet- en regelgeving (AVG). Het verschilt per instelling welke keuzes zij daarbij hebben gemaakt en welke gegevens worden verwerkt, met welke externe partijen deze worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd. Conform de geldende wet- en regelgeving is de instelling vervolgens ook zelf verantwoordelijk om in een (privacy) statement aan de betrokkenen gebruikers aan te geven welke gegevens er worden verwerkt en hoe deze worden beschermd.
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse onderwijsinstellingen onderhandelen met hackersgroep ShinyHunters naar aanleiding van het ultimatum rondom de hack op Canvas, waarbij wordt gedreigd buitgemaakte gegevens van studenten, docenten en medewerkers openbaar te maken, of bent u van mening dat overheids- en onderwijsinstellingen nooit zouden moeten ingaan op dergelijke eisen van cybercriminelen?
Instellingen geven aan niet benaderd te zijn door de hackgroep om losgeld te betalen. Instructure heeft gemeld een akkoord te hebben gesloten met de hackers en dat de buitgemaakte gegevens zouden zijn vernietigd. Instructure zegt hiervan bewijs te hebben ontvangen. Of er losgeld is betaald door Instructure is mij en de instellingen niet bekend. Het is aan ieder bedrijf om een eigen afweging te maken. Het dringende advies vanuit de overheid is om geen losgeld te betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand en lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op organisaties uit.
Welke lessen trekt u uit dit incident en op welke wijze wordt deze kwestie betrokken bij de ontwikkeling van een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken?2
De instellingen hebben aangegeven dit incident zowel afzonderlijk als in de sector te evalueren en de lessen die hieruit getrokken worden mee te nemen in de verdere ontwikkeling van hun beleid. Ik blijf hierover met hen in contact.
Het kabinet geeft in overleg met betrokken toezichthouders en andere experts uitvoering aan de motie-Rajkowksi c.a. (36 800 VII, nr.78), opdat een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van grote datalekken beschikbaar is. Ook de relevante lessen uit dit incident worden daarbij betrokken. Het streven is om uw Kamer spoedig nader te informeren over de uitvoering van deze motie.
Het NRC-artikel ‘Website voor extreme ‘drogeerporno’ draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Website voor extreme «drogeerporno» draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze normloze grensoverschrijdende video’s walgelijk zijn en dat alles in het werk moet worden gesteld om vrouwen en meisjes te beschermen en daders op te sporen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Ja, die mening deel ik. De online netwerken waarin seksueel misbruik wordt gefaciliteerd, aangemoedigd en verspreid zijn misselijkmakend. Het is volstrekt onacceptabel dat mensen elkaar zouden aanmoedigen om anderen, soms zelfs hun eigen partner, te drogeren en te misbruiken, en daar vervolgens beeldmateriaal van te maken en te verspreiden. Het kabinet tolereert dergelijk gedrag in Nederland niet. De politie en het Openbaar Ministerie (OM) doen onderzoek naar de website. Ik kan daar niet op vooruitlopen.
De aanpak van (online) seksueel misbruik heeft hoge prioriteit binnen de politie. De politie beschikt over gespecialiseerde zedenrechercheurs die zijn opgeleid om dergelijke signalen te herkennen en op een sensitieve manier in gesprek te gaan met slachtoffers van seksueel misbruik. Zij helpen bij het in kaart te brengen wat het slachtoffer is overkomen, geven een beeld van de strafbaarheid van de feiten en brengen de verwachtingen, vragen en behoeften van het slachtoffer in kaart. Deze zedenrechercheurs staan in nauw contact met organisaties als Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Centrum Seksueel Geweld en Offlimits en zullen slachtoffers verwijzen indien bijvoorbeeld behoefte is aan herstelvoorzieningen.
De strafrechtelijke aanpak van online criminaliteit is complex door snelle technologische ontwikkelingen en het vaak grensoverschrijdende karakter van deze zaken. Omdat online criminaliteit niet ophoudt bij de landsgrenzen zit aan deze zaken vaak een internationale component. Deze complexe en tijdrovende onderzoeken vergen veel capaciteit van zowel politie als OM, terwijl die capaciteit schaars is. Politie en OM spannen zich ten uiterste in om deze vormen van criminaliteit aan te pakken.
Een concreet voorbeeld van een opsporingsonderzoek werd bekend op 4 juni jl. Nadat informatie was binnengekomen van overheidsdiensten uit Duitsland en Engeland is een onderzoek gestart door het Team Seksuele Misdrijven en de Dienst Regionale Recherche van de eenheid Rotterdam. Uit informatie bleek dat mogelijk meerdere vrouwen in Nederland gedrogeerd waren door iemand uit hun directe omgeving. Vervolgens zijn er seksuele handelingen bij de slachtoffers verricht, terwijl zij werden gefilmd. Het gaat hier niet om de website Motherless, maar om besloten social media-groepen waar de verdachten zich in begaven, informatie werd gedeeld en tips werden gegeven over hoe je slachtoffers het beste kan drogeren. Ook werden er beelden van het misbruik uitgewisseld. Rechercheurs van de eenheid Rotterdam konden acht verdachten identificeren. Op woensdag 27 en donderdag 28 mei heeft de politie op meerdere plaatsen in Nederland woningen doorzocht en vier verdachten aangehouden. De rechercheurs van Team Seksuele Misdrijven uit verschillende eenheden doen nu verder onderzoek naar de verdachten binnen hun eenheid.
Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers. De impact van seksueel misbruik op slachtoffers en hun omgeving is enorm en kan langdurig doorwerken.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit dit artikel, zeker gelet op de rol van Nederlandse bedrijven die de verantwoordelijkheid van zich afschuiven in deze zaak?
Elke website heeft een plek nodig om die website te laten draaien: een server. Servers wordt verhuurd door hostingproviders. Het artikel beschrijft dat de website waarop het illegale materiaal is aangetroffen, «Motherless», wordt gehost door een Nederlandse hostingprovider.
Nederland beschikt over een van de sterkste digitale infrastructuren ter wereld, mede dankzij het internetknooppunt AMS-IX, snelle verbindingen en een groot aantal datacenters. Daardoor heeft de Nederlandse hostingsector internationaal een sterke positie opgebouwd. De voordelen hiervan zijn groot voor legale digitale dienstverlening en economische activiteiten. Het hosten van de website in Nederland betekent overigens niet automatisch dat de personen die het materiaal bekijken of verspreiden zich in Nederland bevinden. Gebruikers en verspreiders kunnen zich overal ter wereld bevinden.
De keerzijde van onze sterke digitale infrastructuur, is dat deze helaas ook kan worden misbruikt voor criminele doeleinden, waaronder de verspreiding van illegale content, zoals materiaal van seksueel misbruik. Om deze reden heeft Nederland de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in een stevige infrastructuur voor meldingen, ondersteuning en bestrijding van online seksueel misbruik. Zo spelen organisaties als Offlimits en de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) een belangrijke rol bij het melden, laten verwijderen en tegengaan van illegaal online materiaal en het ondersteunen van slachtoffers.
Het kabinet acht het van groot belang om malafide hostingpraktijken en kwaadwillende klanten van hostingaanbieders effectief aan te pakken. Omdat digitale infrastructuur en online criminaliteit grensoverschrijdend zijn, is samenwerking op Europees en internationaal niveau daarbij essentieel. Mijn ministerie zet zich hier actief voor in. In het kader van de aanpak van zogenoemde «bad hosting» worden gesprekken gevoerd om de urgentie van een gezamenlijke Europese aanpak verder te vergroten. Daarnaast is in het recente non-paper over het Europese Tech Sovereignty Package aandacht gevraagd om misbruik van digitale infrastructuurdiensten tegen te gaan.
Bovendien werken de politie, het OM en verschillende publieke en private partners al jaren samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede helft van 2025 is de aanpak tegen bad hosting ook een speerpunt geworden van het European Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten brede bestrijding van schadelijke hosting.
Ten aanzien van de Digital Service Act (DSA) werkt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) vanuit haar rol als digitaledienstencoördinator (DSC) waar nodig samen met de Europese Commissie en de DSCs in andere lidstaten. Gezamenlijk vormen zij de Europese Raad voor digitale diensten. Verder zet de ACM als DSC zich in voor nationale samenwerking over toezichtsterreinen heen. Onder haar voorzitterschap is het Samenwerkingsplatform Digitale Toezichthouders (SDT) opgericht, waaraan twaalf organisaties deelnemen, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), het Openbaar Ministerie en de politie. Binnen het SDT is een DSA Kamer ingericht met als doel kennis en ervaring over toezicht en handhaving ten aanzien van online tussenhandelsdiensten te bundelen en uit te wisselen. Dit draagt bij aan versterking van verschillende vormen van handhaving, zoals bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. Wanneer tussenhandeldiensten niet goed meewerken met autoriteiten die illegale inhoud bestrijden of onvoldoende bereikbaar zijn, overtreden zij daar mogelijk de DSA mee. De DSA bepaalt echter niet welke inhoud illegaal is. De ACM kan dan ook geen verwijdering van illegale inhoud vorderen. Bevoegde autoriteiten, zoals het Openbaar Ministerie en de ATKM, kunnen dat wel. De DSA draagt indirect wel bij aan het tegengaan van illegale inhoud. Diverse verplichtingen die gelden voor tussenhandeldiensten maken het voor autoriteiten, betrouwbare flaggers (zoals Offlimits), en personen namelijk makkelijker om illegale inhoud te melden en tegen te gaan.
Deelt u de beoordeling dat het vervaardigen, verspreiden en bekijken van dergelijk beeldmateriaal kan vallen onder meerdere strafbare feiten, waaronder verkrachting, aanranding en het vervaardigen en verspreiden van strafbaar pornografisch materiaal? Zo ja, wat betekent dat voor alle betrokken bij NForce, motherless.com, vervaardigers, verspreiders en gebruikers?
Ik deel de beoordeling. Afhankelijk van de specifieke gedragingen en de context waarin deze zijn begaan, en of sprake is van een meerderjarig of minderjarig persoon waarvan het materiaal is gemaakt, kan sprake zijn van verschillende strafbare feiten, waaronder aanranding (240, 241, 245, 247, 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)), verkrachting (242, 243, 246, 248 en 250 Sr), misbruik van seksueel beeldmateriaal (254ba Sr) en seksueel kindermisbruik (252 Sr).
Zoals bij vraag 2 geantwoord, doen de politie en het OM onderzoek naar de website. Ik kan daar niet op vooruitlopen. Zie het antwoord bij vraag 8 over mogelijkheden tot aanpak in algemene zin.
Deelt u de opvatting dat het vervaardigen van deze beelden de lichamelijke en geestelijke integriteit van vrouwen en meisjes ernstig aantast? Zo ja, welke hulp is er voor deze vrouwen beschikbaar en hoe beschermd u hen in het vervolg? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die opvatting. Mocht iemand vermoeden slachtoffer te zijn van een soortgelijke situatie, dan kan diegene zich melden bij de politie. De politie zal dan in gesprek met het slachtoffer beoordelen wat zij voor het slachtoffer kan betekenen.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun, praktische hulp en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Centrum Seksueel Geweld, Fier, Offlimits en Fonds Slachtofferhulp vormen samen een consortium tegen online seksueel geweld. Dit consortium is opgericht in 2021 en heeft als doel online seksueel geweld te adresseren, te bestrijden en slachtoffers sneller en beter te kunnen helpen. Zo kunnen slachtoffers van (online) seksueel geweld bij het CSG terecht voor forensische, medische en psychische hulp. Fier is een ggz- en jeugdhulpinstelling en landelijk expert op het gebied van (seksueel) geweld, uitbuiting en eerkwesties. Offlimits biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik. Offlimits kan bijvoorbeeld helpen met het laten verwijderen van online illegaal materiaal.
De hulplijn van Offlimits heeft weinig meldingen ontvangen die specifiek betrekking hebben op deze netwerken. Offlimits merkt daarbij op dat het mogelijk is dat slachtoffers zich er niet altijd van bewust zijn dat zij slachtoffer zijn geworden, bijvoorbeeld wanneer zij buiten bewustzijn waren doordat zij waren gedrogeerd op het moment dat opnames werden gemaakt.
Bij het meldpunt van Offlimits – specifiek voor beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik – bestond een aanzienlijk deel van de meldingen over Motherless uit beeldmateriaal dat wordt gemeld, maar juridisch gezien niet direct als illegaal wordt gekwalificeerd, omdat het niet gaat om beeldmateriaal van seksueel kindermisbuik maar om seksueel beeldmateriaal van volwassenen, dat alleen illegaal is indien het zonder toestemming is gemaakt en verspreid.
Op grond van artikel 44 lid 4 van de Wet op rechtsbijstand heeft een slachtoffer van een ernstig seksueel misdrijf, zoals verkrachting, recht op kosteloze rechtsbijstand door een slachtofferadvocaat, indien het slachtoffer in aanmerking komt voor een tegemoetkoming van het Schadefonds geweldsmisdrijven en er een verdachte is.
In hoeverre is het bij u bekend dat Nederlandse mensen en/of bedrijven betrokken zouden zijn bij het uploaden dan wel verspreiden van dit beeldmateriaal, en wat betekent dit voor de opsporingsprioriteit?
De politie geeft aan bekend te zijn met het fenomeen van online «verkrachtingsacademies». De politie geeft daarbij aan meldingen te hebben ontvangen over beeldmateriaal waarbij het vermoeden is dat het slachtoffer is gedrogeerd en seksueel misbruikt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 2 heeft de politie op woensdag 27 en donderdag 28 mei op meerdere plaatsen in Nederland woningen doorzocht en vier verdachten aangehouden. Op dit moment is nog niet duidelijk hoeveel slachtoffers er zijn. Daarvoor is aanvullend onderzoek nodig. Het OM voert het gezag over het strafrechtelijk onderzoek en maakt daarbij een afweging over de inzet van capaciteit en de prioriteit die aan het onderzoek wordt gegeven.
De politie benadrukt dat als mensen vermoeden dat zij slachtoffer zijn van dergelijke zaken, zij zich kunnen melden bij de politie. De politie zal in gesprek gaan met deze (vermoedelijke) slachtoffers om te kijken wat zij in de betreffende situatie het beste kunnen doen en betekenen voor het slachtoffer.
Ook internationaal (o.a. in Europol-verband en bilateraal) werkt de politie samen voor het uitwisselen van ervaring, kennis en expertise op dit gebied, en wordt gezamenlijk opgetrokken in strafrechtelijk onderzoeken.
Deelt u de mening dat Nederland er wereldwijd slecht op staat als het gaat om de verspreiding van pornografisch materiaal? Zo ja, welke doelstelling heeft u om dit te veranderen?
Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3, betekent het enkele feit dat bepaalde websites met kinderpornografisch materiaal in Nederland worden gehost, niet dat Nederland ook relatief veel vervaardigers of verspreiders van dergelijk materiaal kent. Hostinglocatie en daderschap zijn twee verschillende zaken; vervaardigers en uploaders kunnen zich wereldwijd bevinden.
Ik ben trots op de aanpak die in Nederland is ingericht om online seksueel misbruik en de verspreiding van illegaal materiaal tegen te gaan. Er staat een brede en goed functionerende keten, waarin onder meer Offlimits, de ATKM, de ACM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de politie en het OM nauw samenwerken, samen met de hostingsector in publiek-private samenwerking. Deze keten zorgt ervoor dat meldingen worden opgepakt, materiaal waar mogelijk snel wordt verwijderd en strafrechtelijk wordt opgetreden waar dat kan.
Tegelijkertijd is het van belang dat de beschikbaarheid van illegaal materiaal, via in Nederland gehoste infrastructuur, wordt tegengegaan. Dat vraagt voortdurende inzet, zie in dat kader onder andere ook het antwoord op vraag 12 met betrekking tot hostingdiensten.
Relevant in dit verband is dat de DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. De DSA zal in november 2027 door de Europese Commissie worden geëvalueerd, wat kan resulteren in een herziening. Dat biedt een belangrijk moment om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten wenselijk en nodig zijn, en of een onderwerp zoals een «know your customer» verplichting voor hostingdiensten, daarin kan worden meegenomen. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat servers in Nederland worden gebruikt voor het hosten van websites waarop strafbaar materiaal wordt verspreid en welke wettelijke instrumenten bestaan er om hostingproviders te verplichten deze content te verwijderen of servers offline te halen?
Op grond van de DSA gelden diverse zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten. Deze verplichtingen beogen onder meer de verspreiding van illegale content tegen te gaan. Hostingdiensten en online platforms dienen meldingen van illegale content adequaat te behandelen en hierover tijdig een beslissing te nemen. Indien sprake is van systematische niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van het toezicht op de naleving van de DSA geldt dat de Europese Commissie de bevoegde toezichthouder is voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de ACM aangewezen als bevoegde nationale toezichthouder.
Wanneer iemand aangifte of melding doet van strafbare online content, dan kunnen het Openbaar Ministerie en politie een verzoek tot vrijwillige verwijdering doen, omdat dit het snelst resultaat biedt. De politie kan dit verzoek alleen doen als bekend is wie de aanbieder is van de content en waar die aanbieder is gevestigd. Als dit niet het gewenste effect heeft, kan de Officier van Justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken. Een wettelijk verwijderbevel kan nodig zijn als de aanbieder niet bereid is om op basis van een vrijwillig verwijderverzoek de gegevens ontoegankelijk te maken.
Voor zover de genoemde platforms kunnen worden gekwalificeerd als aanbieder van communicatiediensten, en indien beheerders en gebruikers als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek zijn aangemerkt, kunnen opsporingsdiensten onder voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen2. Als de identiteit van betrokkenen kan worden vastgesteld, kan strafrechtelijke vervolging volgen. Daders weten in de praktijk echter goed gebruik te maken van anonimiserings-technieken, waardoor veel rechtshulp nodig is om gegevens op te vragen. Dit bemoeilijkt het onderzoek.
Indien er sprake is van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, heeft de Officier van Justitie ook de mogelijkheid een doorzoeking te doen en gegevens in beslag nemen.
Welke bevoegdheden heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) en worden die als voldoende beoordeeld?
De ATKM werd in 2023 opgericht en bestrijdt de verspreiding van beeldmateriaal van kindermisbruik door actief onderzoek te doen en online content te beoordelen. Dit doet zij op basis van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, die de bevoegdheid geeft om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken. Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
De AP is aangewezen als de toezichthoudende autoriteit op de toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). De AP is een onafhankelijke toezichthouder die per geval – uit eigen beweging of op verzoek – beoordeelt of wordt voldaan aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). Om dat te kunnen doen, heeft de AP diverse onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving en in het kader daarvan audits uitvoeren en gegevensverwerkingen inzien. Wanneer de AP een overtreding constateert, zoals in het geval van niet-consensuele uitkleedbeelden, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzetten van gegevensverwerkingen. Het is de AP zelf die bepaalt of zij tot handhaving overgaat en zo ja, in welke vorm dat gebeurt. Belanghebbenden kunnen hier ook om vragen door middel van een handhavingsverzoek, waarin de AP wordt verzocht om van haar bevoegdheden gebruik te maken.
Deelt u de opvatting dat individuele gebruikers die strafbare content plaatsen moeten worden opgespoord en vervolgd?
Ja die opvatting deel ik. Individuele gebruikers die naaktbeelden die zonder toestemming zijn gemaakt of beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik plaatsen zijn strafbaar op grond van respectievelijk de artikelen 254ba en 252 Sr en dienen te worden opgespoord en vervolgd. Wel verdient het hierbij de opmerking dat opsporingscapaciteit bij politie en OM per definitie schaars is en dat soms de afweging gemaakt moet worden wat wel en niet verder onderzocht kan worden.
In hoeverre beschikken politie en Openbaar Ministerie over voldoende capaciteit, technische expertise en juridische mogelijkheden om deze vormen van online seksueel geweld effectief op te sporen en te vervolgen? Kunt u dit cijfermatig onderbouwen?
De Wet seksuele misdrijven, die op 1 juli 2024 in werking is getreden, gaat uit van het uitgangspunt dat online en offline handelingen even strafwaardig zijn. Hierdoor zijn meer vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, ook online, strafbaar gesteld en zijn straffen, onder andere voor seksueel misbruik van kinderen, verhoogd. Met deze verhoging van de strafmaxima wordt de ernst van deze vormen van misbruik benadrukt.
Binnen de politie zijn de teams opsporing seksuele misdrijven belast met de opsporing van seksuele misdrijven, zowel in de offline wereld als online. Op 31 december 2025 was de formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen zedenteams) 708fte en de bezetting was op dat moment 669 fte.
Een melding of aangifte komt in de meeste gevallen in eerste instantie binnen bij de gebiedsgebonden politie. De interne werkinstructie seksuele delicten3 schrijft voor dat alle meldingen van (online) seksuele misdrijven voor advies dienen worden voorgelegd aan de frontoffices van de teams opsporing seksuele misdrijven. De frontoffice beoordeelt de melding vervolgens, waarbij gekeken wordt naar spoedhandelingen, slachtofferbehoeften en passende interventies. In bepaalde situaties kan de inzet van een gespecialiseerde zedenrechercheur noodzakelijk of wenselijk zijn, terwijl in andere situaties een wijkagent bijvoorbeeld sneller en effectiever kan handelen. Daar waar het een minderjarig slachtoffer betreft, of in gevallen waar er bijvoorbeeld sprake is van dwang of een meer dan gering leeftijdsverschil tussen dader en slachtoffer, ligt de opsporing altijd bij de teams opsporing seksuele misdrijven.
De opsporing van online seksuele misdrijven heeft de volle aandacht van de politie. Door digitalisering, groeiend gebruik van online communicatiemiddelen en technologische ontwikkelingen (waaronder AI en end-to-end-encryptie) heeft de politie te maken met een enorme stijging van het aantal meldingen en is ook de complexiteit van zaken enorm toegenomen. Het aantal online seksuele misdrijven in 2025 met 46% gestegen is ten opzichte van het voorgaande jaar, naar ongeveer 3000 registraties. Ook benadrukt de politie dat online seksuele misdrijven een andere manier van opsporen vragen dan fysieke seksuele misdrijven, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal geen verdachte bekend is en er vaak meerdere slachtoffers gemaakt worden. Omdat bewijsverzameling vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten. Daarnaast kan de inzet van (nieuwe) technologische middelen helpen bij het in kaart brengen van eventuele seriematigheid in de meldingen. Daders die meerdere slachtoffers maken zullen hierdoor eerder in beeld komen en ook nieuwe fenomenen kunnen sneller worden herkent.
Anders dan bij kinderporno zijn de juridische mogelijkheden voor opsporing van verdachten in dit soort zaken zonder dat een (volwassen) slachtoffer zich heeft gemeld of bekend is, zeer beperkt. Op basis van alleen het materiaal zelf is vaak moeilijk vast te stellen of die beelden onrechtmatig tot stand zijn gekomen.
De politie en het OM hebben in het kader van het «Actieplan versterken ketenaanpak zedenzaken» extra geld gekregen om, waar mogelijk, de capaciteit voor de behandeling van zedenzaken binnen de organisatie uit te breiden. Ook wordt gewerkt aan het verkorten van de doorlooptijden en het verbeteren en verder professionaliseren van de aanpak van zedenzaken. Het OM hanteert bij de behandeling van deze dossiers het bestaande wettelijk kader. Op elk arrondissementsparket is een coördinerend officier seksuele misdrijven aangesteld en zijn alle officieren van justitie, die belast zijn met de behandeling van zaken met betrekking tot seksuele misdrijven, gecertificeerd.
De ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden, zal in de uitwerking dan ook een bredere invulling krijgen. Er wordt een impuls gegeven aan de aanpak van online seksuele misdrijven om te komen tot een meer multidisciplinaire aanpak, met verschillende specialismen (o.a. digitale en tactische expertise, en op het gebied van zeden), meer datagedreven en intel-gestuurd en met behulp van analysetools. In de beleidsbrief van het Ministerie van JenV over de nadere uitwerking van het coalitieakkoord4 is de Kamer geïnformeerd over de investeringen in de aanpak van onder meer online seksueel misbruik. Bij de presentatie van de JenV-ontwerpbegroting (Prinsjesdag) zal ik de Kamer informeren over hoe de middelen voor de politie precies worden besteed.
Welke rol ziet u voor hostingbedrijven en datacenters bij het voorkomen van misbruik van hun diensten voor de verspreiding van strafbaar materiaal en welke consequenties ervaren zij bij het verspreiden van deze mensonwaardige troep?
Voor zover het hier gaat om online diensten die kwalificeren als hostingdiensten onder de DSA zijn deze in beginsel niet verantwoordelijk voor hetgeen door gebruikers op hun servers wordt geplaatst. Dat zijn in eerste instantie hun gebruikers of klanten zelf. De DSA bevat enerzijds een kader voor (de uitsluiting van) de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten, voor informatie die door hun gebruikers wordt verstrekt en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze aanbieders aan moeten voldoen bij het verlenen van hun diensten. Het aansprakelijkheidskader voor tussenhandeldiensten harmoniseert binnen de Europese Unie de voorwaarden op grond waarvan deze aanbieders niet aansprakelijk zijn voor informatie van derden die zij opslaan of doorgeven. Om een beroep te kunnen doen op de aansprakelijkheidsvrijstelling voor hostingdiensten mag de aanbieder bijvoorbeeld niet daadwerkelijk kennis hebben van illegale inhoud die zijn klanten bij hem opslaan en moet hij, wanneer hij die kennis wel krijgt, prompt handelen om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Indien een hostingdienst hier niet aan voldoet, kan deze zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling.
Indien een strafbaar feit wordt begaan met gebruikmaking van een communicatiedienst, is strafrechtelijke vervolging van de tussenpersoon als zodanig uitgesloten indien hij voldoet aan een bevel tot ontoegankelijkmaking als bedoeld in artikel 125p Sv of een beslissing tot verwijdering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Verordening terroristische online-inhoud of een bevel tot ontoegankelijkmaking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Voldoet een tussenpersoon hier niet aan dan is aansprakelijkheid niet uitgesloten en kan vervolging mogelijk zijn.
In Nederland nemen veel hostingdiensten uit eigen beweging maatregelen om misbruik tegen te gaan op basis van de Gedragscode Abusebestrijding.5 Deze is enkele jaren geleden door de sector zelf opgesteld. Het zogeheten «Know your customer beleid» maakt onderdeel uit van de deze gedragscode. Hostingdiensten kunnen zich vrijwillig aan de code committeren.
De Kamer is eerder geïnformeerd over de aanpak van malafide hostingpartijen.6 Binnen deze aanpak worden verschillende maatregelen tegen aanbieders, die geen of weinig maatregelen nemen tegen het faciliteren van malafide activiteiten in de online omgeving, verkend. Als onderdeel hiervan wordt er onder andere gekeken naar de mogelijkheid om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid) voor de hostingsector wettelijk te verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten klanten van hostingpartijen sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten. De Kamer wordt hierover later dit jaar nader geïnformeerd.
Hoe wordt voorkomen dat slachtoffers opnieuw worden geschaad, bijvoorbeeld doordat beelden langdurig online blijven staan of telkens opnieuw worden gedeeld?
Er wordt in Nederland ingezet op het zo snel mogelijk verwijderen van online illegale content, zoals materiaal van seksueel kindermisbruik en naaktbeelden zonder toestemming, om hernieuwde schade bij slachtoffers te voorkomen. Daarbij is een duidelijke taakverdeling ingericht tussen Offlimits en de ATKM.
Offlimits doet, vanuit haar rol als trusted flagger, verwijderverzoeken richting aanbieders van hostingdiensten. In Nederland is via de Gedragscode Notice-and-Take-Down met de hostingsector afgesproken dat meldingen van Offlimits in principe binnen 24 uur worden behandeld. In de praktijk werken vrijwel alle hostingpartijen hier goed aan mee en wordt illegaal materiaal snel offline gehaald. Hoewel die 24-uursnorm met name bij kleinere partijen niet altijd volledig wordt gehaald, is de respons over het algemeen adequaat en wordt illegaal materiaal doorgaans snel verwijderd. Wanneer een hostingpartij structureel niet of onvoldoende reageert, kan de ATKM, in het geval van materiaal van seksueel kindermisbruik, bestuursrechtelijk optreden tegen deze partijen en een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen.
Sinds 7 april 2025 kan de ATKM formele verwijderbevelen uitvaardigen. Op grond van artikel 6, vierde lid, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet in zo’n bevel een concrete termijn worden opgenomen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt maximaal twaalf uur. Dit maakt het mogelijk om in hardnekkige gevallen snel en bindend in te grijpen.
Daarnaast geldt op grond van artikel 15 van de DSA dat aanbieders van online diensten jaarlijks transparantierapporten moeten publiceren over hun contentmoderatie. Daarin wordt onder meer inzicht gegeven in de mediane reactietijd op bevelen van autoriteiten en meldingen van trusted flaggers, waardoor de effectiviteit van de aanpak ook op systeemniveau inzichtelijk wordt gemaakt.
Bent u bereid aanvullende maatregelen te verkennen, zoals verscherpt toezicht op hosting van risicovolle content, snellere blokkadebevoegdheden of zwaardere sancties voor nalatige dienstverleners?
Zie hiertoe mijn antwoorden op vragen 7 en 12.
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat over mensenhandel en prostitutie op 20 mei 2026 informeren over eventuele vervolgstappen die u naar aanleiding van deze signalen overweegt?
Dit is helaas niet gelukt.
De spreidingswet |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Hoe vaak is, sinds de inwerkingtreding van de spreidingswet, een gemeente door u daadwerkelijk gedwongen (door middel van een aanwijzingsbesluit en dus tegen de zin van de gemeente in) asielzoekers op te vangen? Welke gemeenten betrof dit en om hoeveel asielzoekers ging het?
Volgens de Spreidingswet hebben alle Nederlandse gemeenten een wettelijke taak om asielopvangplekken mogelijk te maken. Het toezicht op deze taak is belegd bij de Minister van Asiel en Migratie. Op 9 april hebben alle gemeenten in dat kader een toezichtbrief ontvangen, waarin wordt aangegeven of zij voldoen of nog niet voldoen, en dus naar de volgende trede gaan. Gemeenten die niet voldeden, ontvingen een informatieverzoek. Daarnaast heeft het ministerie informatie opgevraagd bij het COA.
Op 26 mei heeft het ministerie alle 209 gemeenten die op basis van de beschikbare informatie niet voldoen aan hun wettelijke taak een uitnodiging gestuurd voor een ambtelijk gesprek. Tijdens een ambtelijk gesprek wordt de gemeente gevraagd toe te lichten wat de huidige realisatie in hun gemeente is en op welke termijn zij verwacht alsnog te voldoen. Inmiddels hebben de eerste gesprekken plaatsgevonden. Indien nodig gaan deze gemeenten door naar trede 3, waarbij zij worden uitgenodigd voor een bestuurlijk gesprek. Daarmee komt een gemeente onder actief toezicht te staan.
Momenteel bevindt geen enkele gemeente zich in de laatste stap, waarbij indeplaatsstelling plaatsvindt. De inzet is om er altijd samen met gemeenten uit te komen.
Welke gemeenten hebben zelf, uit eigen beweging, sinds de inwerkingtreding van de spreidingswet, deels of geheel voldaan aan het verdeelbesluit dat voor de desbetreffende gemeente is vastgesteld?
Op dit moment voldoen 119 gemeenten aan de opgave uit het verdeelbesluit. Ik ga niet in op de individuele casuïstiek van gemeenten.
Kan de Tweede Kamer een lijst krijgen met de aantallen asielzoekers die gemeenten vrijwillig hebben opgevangen, als gevolg van verdeelbesluiten, of gedwongen na een aanwijzingsbesluit, besluiten die dus zijn genomen op basis van en sinds de inwerkingtreding de spreidingswet?
Zoals toegelicht onder vraag 1, bevindt geen enkele gemeente zich in de laatste stap van het interbestuurlijk toezicht, waarbij indeplaatsstelling plaatsvindt. De meeste asielopvangplekken die tot nu toe zijn gerealiseerd, zijn door gemeenten zelf aangeboden. In de provincies die geen sluitende provinciale opgave hebben aangeleverd in de provinciale verslagen eind 2024, is in de verdeelbesluiten de restopgave verdeeld over de gemeenten die geen of onvoldoende plekken hebben aangeleverd. Ik verwijs u hierbij naar de verdeelbesluiten van 20 december 2024.
Het oplopende medicijntekort |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort dreigt op te lopen»?1
Ja.
Klopt het dat steeds meer fabrikanten stoppen met de productie van goedkope medicijnen in Nederland?
Nee, dat klopt niet. Er zijn in Nederland ongeveer 36 geneesmiddelenfabrikanten. Het kabinet heeft geen duidelijke aanwijzingen voor een afnemende trend in het aantal fabrikanten dat generieke geneesmiddelen in Nederland produceert. Wel ontvangt het kabinet signalen dat het bedrijfsmodel van deze fabrikanten onder druk staat. Deze signalen neemt het kabinet zeer serieus.
Het kabinet heeft geen informatie over het totaal aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie. Een fabrikant is niet hetzelfde als een handelsvergunninghouder. Een fabrikant produceert het geneesmiddel, terwijl de handelsvergunningshouder verantwoordelijk is voor het op de markt brengen en leveren ervan. Het aantal handelsvergunningshouders zegt iets over de verschraling van de markt.
De marktconcentratie van handelsvergunninghouders neemt toe, zoals te lezen in het nieuwsartikel waarnaar verwezen wordt. Onderzoek van de Stichting Farmaceutische Kengetallen2 laat zien dat er per generiek geneesmiddel in 2024 minder handelsvergunninghouders actief zijn op de Nederlandse markt dan in 2014. Ook neemt de marktconcentratie in het algemeen toe: steeds vaker is het marktaandeel van de grootste handelsvergunninghouder veel groter dan het marktaandeel van andere leveranciers.
Verschraling van het aantal handelsvergunninghouders is onwenselijk. Ten eerste kunnen tekorten eerder ontstaan. Het terugtrekken van de handelsvergunningshouders kan namelijk minder goed opgevangen worden door de op de markt overgebleven handelsvergunningshouders. Ook bestaat het risico dat de laatste leverancier stopt. In dat geval is het geregistreerde geneesmiddel niet meer beschikbaar voor Nederlandse patiënten. Bij geneesmiddelen waar geen vraag meer naar is, is dat geen probleem. Maar voor een deel van deze geneesmiddelen bestaat nog wel medische behoefte. In die gevallen is het verdwijnen van het laatste geregistreerde geneesmiddel problematisch.
Het kabinet spant zich in om te stimuleren dat deze geneesmiddelen in Nederland in de handel blijven. Binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is hierover een afspraak gemaakt met koepels van zorgaanbieders, zorgprofessionals, zorgverzekeraars en leveranciers. De partijen zetten zich samen in om te voorkomen dat het niet meer op de markt brengen van geneesmiddelen (doorhaling van registraties) leidt tot onwenselijke verschraling van aanbod. Tegelijkertijd onderzoekt het kabinet maatregelen om in urgente gevallen zelf actie te ondernemen om registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal gestopte fabrikanten in de afgelopen 10 jaar?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het kabinet interpreteert uw vraag als het aantal handelsvergunninghouders dat de afgelopen tien jaar een geneesmiddel definitief uit de handel heeft genomen.
Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten rapporteert hier jaarlijks over sinds 2017. Dit aantal is over de tijd redelijk constant gebleven, namelijk rond de driehonderd meldingen per jaar, met uitzonderingen in 2017 (87 meldingen) en 2021 (227 meldingen). Sinds 2017 heeft het Meldpunt 2.488 meldingen ontvangen dat een geneesmiddel definitief uit de handel wordt genomen.3
Zoals eerder vermeld hoeft het verdwijnen van een registratie geen negatieve impact te hebben op patiënten, bijvoorbeeld omdat ondertussen een betere behandeling beschikbaar is. Waar dit wel het geval is, werkt het kabinet binnen het AZWA en met eigen beleid aan oplossingsrichtingen.
Klopt het dat de twintig meest gebruikte medicijnen in veel gevallen maar twee of drie producenten hebben? Zo ja, wat vindt u daar van?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet heeft geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het aantal handelsvergunninghouders per geneesmiddel is wel openbaar. Van de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen hebben er vijf geneesmiddelen drie of minder handelsvergunninghouders. Eén van de twintig geneesmiddelen heeft slechts één handelsvergunningshouder. In veruit de meeste gevallen zijn er drie of meer handelsvergunningshouders voor de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen.
Onderschrijft u de woorden van apothekersvereniging LEF dat dit beangstigend is voor de mensen die deze medicijnen nodig hebben?
In het vorige antwoord is gesteld dat in veruit de meeste gevallen er drie of meer handelsvergunningshouders zijn voor de twintig meest gebruikte geneesmiddelen. Desondanks is het begrijpelijk dat patiënten zich ongerust voelen als er wel maar weinig leveranciers zijn die hun geneesmiddel in Nederland leveren. Ik heb hierover gesproken met apothekersvereniging Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en hen gevraagd om data over verschraling van de markt met mij te delen. Daarnaast onderzoekt het kabinet samen met partijen om onwenselijke verschraling van het aanbod te voorkomen en registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Wat gaat u doen om het medicijntekort op te lossen?
Het kabinet heeft zich gecommitteerd om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren. Want ondanks dat het aantal geneesmiddeltekorten voor het tweede jaar op rij gedaald, blijft het geneesmiddeltekort een hardnekkig probleem dat veel patiënten raakt.
Op 1 april 2026 is de Kamer geïnformeerd over de kabinetsaanpak.4 Het kabinet zet maatregelen in om tekorten zo veel mogelijk te voorkomen, voorbereid te zijn op leveringsonderbrekingen en tekorten op te lossen als ze er zijn. Het kabinet werkt onder meer met het veld aan de herziening van het prijs- en vergoedingssysteem, het inkoopbeleid en het preferentiebeleid om tekorten te voorkomen. Ook zet het kabinet samen met betrokken partijen zich via het AZWA in op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van geneesmiddelen. Binnen de Europese Unie wordt gewerkt om de productie binnen Europa te stimuleren en toegang tot kritieke geneesmiddelen te verbeteren. Daar werkt het kabinet langs de hierboven geschetste lijnen aan door.
Het eerlijke verhaal is dat geneesmiddelentekorten geen snelle oplossing kennen. Het kabinet kan niet uitsluiten dat geneesmiddelentekorten ontstaan. Want de geneesmiddelenketen is internationaal verweven en complex. En, net als Nederland, hebben ook andere landen te maken met medicijntekorten. Daarnaast zijn gegevens over tekorten verspreid over de keten en soms commercieel gevoelig en hebben partijen uit de geneesmiddelenketen uiteenlopende belangen. Dat bemoeilijkt het komen tot oplossingen en vraagt dus om een zorgvuldige en volhoudende aanpak.
Heeft u zicht op hoeveel extra zorgkosten ontstaan doordat patiënten moeten overstappen op alternatieve geneesmiddelen, bijvoorbeeld door extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames of aanvullende behandelingen?
Nee, het kabinet beschikt niet over deze cijfers, maar acht dat wel van belang. Daarom is één van de afspraken binnen het AZWA om te onderzoeken wat de impact is van tekorten op de zorg, waaronder de relatie met de patiënt, de kosten en de werkzaamheden van zorgverleners. Het kabinet neemt hierin het voortouw en pakt dit voortvarend op met alle betrokken partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat generieke geneesmiddelen slechts circa 0,45 procent van de totale zorguitgaven uitmaken, terwijl volgens betrokken partijen juist op deze middelen extreem wordt bezuinigd?
Het kabinet herkent het beeld dat op generieke geneesmiddelen extreem wordt bezuinigd niet. Ook herkent het kabinet het genoemde percentage van 0,45% van het totale zorgbudget niet. Voor de gehele zorgsector geldt wel dat de budgettaire houdbaarheid al geruime tijd de aandacht heeft en voorlopig zal houden. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot taakstellingen van het vorige en het huidige kabinet op zelfzorggeneesmiddelen. Dat zijn doorgaans generieke geneesmiddelen.
Vanwege genoemde budgettaire houdbaarheid hebben zorgverzekeraars de taak geneesmiddelen doelmatig in te kopen, net als zij bij andere verzekerde zorg doen. Het preferentiebeleid maakt het voor zorgverzekeraars mogelijk om rechtstreeks bij leveranciers tenders uit te zetten. De leverancier die voldoet aan de inkoopcriteria en die het beste aanbod doet, wint de tender en daarmee een gegarandeerde afzetmarkt voor de looptijd van de overeenkomst. Kortom, zorgverzekeraars kunnen nooit een lagere prijs bedingen dan leveranciers bereid zijn te bieden. Om beter in kaart te brengen wat de kosten en baten van het preferentiebeleid zijn, bijvoorbeeld voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen, laat het kabinet op verzoek van de Kamer een onafhankelijke evaluatie uitvoeren. Deze evaluatie wordt eind van het jaar met de Kamer gedeeld.
Bent u bereid met zorgverzekeraars, apothekersorganisaties en fabrikanten in gesprek te gaan over aanpassing van het preferentiebeleid om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bereid om, in eerste instantie met zorgverzekeraars, in gesprek te gaan om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen in hun inkoopbeleid. Ook worden de uitkomsten van de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid besproken met betrokken partijen.