Het bericht ‘Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens’ |
|
Jeltje Straatman (CDA), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens (AP)»?1
Ja.
Wanneer raakte u op de hoogte van de klacht van de AP over het register voor het notariaat in de zin van artikel 5 van de Wet op het notarisambt en artikel 8 van het Besluit op het notarisambt? En wat is er namens u besloten nadat de klacht gegrond werd verklaard?
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft op 28 januari 2025 aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) gemeld een brief van de AP te hebben ontvangen, waarna een dag later contact is geweest tussen het ministerie en de KNB over de inhoud van die brief. Vervolgens is in contact tussen JenV en de KNB op 3 februari 2025 besproken dat het niet in strijd met de wet zou zijn als de KNB (voorlopig) de mogelijkheid zou stopzetten om het register online te raadplegen. Ook is besproken dat het verstandig zou zijn te wachten op publicatie van de uitkomsten van het destijds nog lopende Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)-onderzoek naar gegevensbescherming in openbare registers vóórdat de KNB verdere beslissingen zou nemen over het register. De KNB heeft daarna besloten de online toegang tot het register (voorlopig) te beëindigen en feitelijk uitvoering gegeven aan dat besluit.
Bent u van mening dat op dit moment in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt? Zo ja of nee, waarom?
Ja, op dit moment wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt. Een register blijft openbaar, ook wanneer de manier van toegang geven tot gegevens wijzigt of verschilt per doelgroep.2 Het niet online kunnen raadplegen van een register, maar het moeten aanvragen van gegevens door het invullen van een webformulier of per telefoon of post, is geen zodanige hindernis dat effectief de openbaarheid wordt belemmerd.3 Op de website waar voorheen de openbare gegevens van het register voor het notariaat online raadpleegbaar waren, vinden bezoekers nu informatie hoe zij die openbare gegevens kunnen verkrijgen.
Kunt u toelichten waarom namens u is besloten niet in beroep te gaan, waardoor de facto de Wet op het notarisambt niet correct wordt uitgevoerd en het voor mensen niet effectief mogelijk is de integriteit van notarissen te controleren?
De brief van de AP bevat een constatering en geen handhavingsbesluit, zodat een beroep niet aan de orde was. Overigens wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Hoe kan volgens u effectief worden gecontroleerd of notarissen inmiddels wel voldoen aan hun wettelijke verplichting hun nevenbetrekkingen openbaar te maken, nadat in 2024 bleek dat driekwart van de notarissen hun nevenbetrekkingen niet of niet juist heeft doorgegeven?
De controle op het nakomen door notarissen van hun wettelijke verplichtingen is een taak van het Bureau Financieel Toezicht (BFT). Sinds 2022 heeft het BFT de naleving van de verplichting van de notarissen om nevenbetrekkingen op te geven ook nadrukkelijk opgenomen in de reguliere toezichtonderzoeken. Ook wordt door het BFT op reguliere basis aan de hand van het handelsregister gecontroleerd of de inschrijvingen in het register notariaat overeenkomen met de registraties in het handelsregister.
Kunt u bevorderen dat het register zo snel mogelijk weer online komt te staan? Zo ja, welke stappen bent u voornemens hiertoe te zetten?
Voor een aantal wettelijke openbare registers in het domein van JenV is onderzoek uitgevoerd door het WODC4 naar de bescherming van persoonsgegevens. Het register voor het notariaat behoort niet tot de onderzochte registers, maar het in het WODC-onderzoek opgenomen kader voor het toetsen van de gegevensbescherming en de aanbevelingen voor verbetering zijn volgens de onderzoekers toepasbaar op alle openbare registers met persoonsgegevens.
De KNB is vanuit het JenV gewezen op de relevantie van dat WODC-onderzoek voor het beheer van het register voor het notariaat. Dit onderzoek biedt handvatten aan de registerhouder om een goede belangenafweging te kunnen maken tussen gegevensbescherming en de wijze van openbaarheid. Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 3 zullen door JenV geen stappen worden gezet om te bevorderen dat het register (geheel of gedeeltelijk) online te raadplegen is.
Bent u bereid een overzicht te verstrekken van alle overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP al dan niet tijdelijk offline zijn gehaald? Zo nee, waarom niet en kunt u in contact treden met de AP om een overzicht op te stellen?
JenV beschikt niet over een overzicht van alle overheidsregisters die offline zijn gehaald en kan daarom deze gegevens niet aan uw Kamer verstrekken. Voor de openbaarheid van een register is online toegankelijkheid geen noodzakelijke voorwaarde. Daarmee is er voor mij geen reden alsnog een overzicht te laten maken van overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP offline zijn gehaald.
Bent u bereid te bevorderen dat klachten die de AP verstuurt naar bestuursorganen zo snel mogelijk openbaar worden gemaakt, zodat tijdig een weging van belangen kan plaatsvinden en bestuursorganen ook van elkaar kunnen leren? Zo nee, waarom niet?
Voor dit antwoord wordt ervan uitgegaan dat wordt gedoeld op klachten die de AP ontvangt, omdat het in de onderhavige zaak ging om een klacht van een betrokkene bij de AP en omdat de AP zelf geen «klachten» indient. Op grond van artikel 77 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kan iedere betrokkene een klacht indienen bij de AP over niet-naleving van de AVG. Volgens de in het bestuursrecht gebruikelijke terminologie moet een dergelijke klacht worden geduid als «verzoek tot handhaving» aan de AP.5 Een verzoek tot handhaving kan leiden tot een handhavingsbesluit. Openbaarmaking van handhavingsbesluiten is nu in beginsel verplicht op basis van artikel 3.1 Wet open overheid, tenzij de voorzieningenrechter ernstige twijfels heeft over de rechtmatigheid van het besluit. Volgens haar eigen beleidsregels over openbaarmaking publiceert de AP in beginsel alle handhavingsbesluiten, met uitzondering van berispingen.6
Het bericht dat APG meer dan 1000 banen schrapt voornamelijk in Heerlen. |
|
Judith Buhler (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Massaontslag APG harde klap voor personeel en regio» van L1 Nieuws d.d. 10 december 2025?1
Ja
Welke gevolgen, gezien het bredere patroon van grote ontslagen in Zuid-Limburg zoals eerder bij Nedcar en op Chemelot, ziet u voor de werkgelegenheid en economie in Zuid-Limburg?
In algemene zin is mijn verwachting dat de gevolgen voor de werkgelegenheid en economie beperkt blijven, hoewel het natuurlijk ingrijpend blijft voor mensen die het treft. Limburg heeft nu, maar zeker ook in de toekomst te maken met krapte op de arbeidsmarkt.
Bij het eerdere massaontslag bij VDL Nedcar had 90% van de 4000 ontslagen werknemers binnen een jaar een nieuwe baan.2 Een deel van de mensen die nog geen baan had gevonden zat in opleidingstrajecten om arbeidsmarktrelevante vaardigheden op te doen.
Het is nog onduidelijk wat het profiel is van mensen die hun baan bij APG gaan verliezen, maar gezien de krapte op de arbeidsmarkt, verwacht ik dat ook voor hen goede kansen op ander werk zijn.
Kunt u een inschatting geven in welke mate dergelijke ontslagen druk op de arbeidsmarktregioinfrastructuur in Zuid-Limburg opleveren? Kunt u daarbij ook ingaan op de druk op de arbeidsmarktregioinfrastructuur in Zuid-Limburg in vergelijking tot andere arbeidsmarktregio’s?
De inschatting is dat het massaontslag bij APG geen grote aanvullende druk zal opleveren op het Werkcentrum omdat:
De druk op de op de arbeidsmarktinfrastructuur is vergelijkbaar met andere regio’s. Ook in andere regio’s zijn massaontslagen, bijvoorbeeld de sluiting van Bandenfabriek Vredestein in Enschede en de reorganisatie bij Tata Steel in IJmuiden.
Is er naar uw oordeel de arbeidsmarktregio Zuid-Limburg voldoende uitgerust om te ondersteunen van werk naar werk? En welke extra druk brengen de eerdergenoemde grootschalige ontslagen daarbij mee?
Ja. De eerder genoemde grootschalige ontslagen bij VDL Nedcar hebben aanvankelijk extra druk met zich meegebracht. Door de krappe arbeidsmarkt en de periode waarover de reorganisaties plaatsvonden was en is deze druk goed op te vangen. Inmiddels hebben de meeste mensen al ander werk gevonden.
Kunt u aangeven welke impact het verdwijnen van dit soort banen op de sociaaleconomische ontwikkeling? En daarbij ook ingaan op het mogelijke «braindrain» effect?
APG neemt deze maatregel om zich aan te passen aan nieuwe economische omstandigheden. Wanneer in goed overleg met de getroffen werknemers sterk ingezet wordt op om- en bijscholing kan dit juist positieve effecten hebben voor de regio. Dat neemt niet weg dat op persoonlijk vlak het verliezen van je baan een grote impact heeft.
Een mogelijk braindraineffect is op dit moment niet in te schatten en hangt af van factoren die nu nog niet bekend zijn: welke banen verdwijnen, welke mensen verliezen hun baan (wel of niet inwoners van Zuid Limburg) en in hoeverre de mensen die het betreft wel of niet naar ander werk binnen of net buiten de regio begeleid kunnen worden. De regio wil talent voor de regio behouden en zal zich daarvoor inspannen.
Welke bredere economische kansen ziet het kabinet in Zuid-Limburg om deze ontwikkelingen te keren?
Regio Zuid Limburg zet in op een grensoverstijgende circulaire en innovatie (kennis)economie. In het kader van o.a. Regio Deals en het Nationaal Programma Vitale Regio’s werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor bij het benutten van grensoverstijgend economisch potentieel in chemie, life sciences & health, medtech en smart services/AI, bij de verdere ontwikkeling van de campussen in Maastricht, Geleen en Heerlen, bij de Einstein telescoop, bij de verduurzaming van Chemelot en bij de Limburg Defensie Agenda.
Bent u bereid een monitor te maken van de ontwikkeling van de sociaaleconomische status in Zuid-Limburg over de afgelopen 20 jaar?
Een nieuwe monitor maken heeft geen toegevoegde waarde omdat er al veel platformen en kennisbronnen zijn, mede in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio’s (NPVR). Zoals het Nationaal netwerk brede welvaart, de regionale leer- en kennisinfrastructuren (PLEK), en kennisbronnen zoals Zicht op wijken, Wijkwijzer, Leefbarometer, de Regionale monitor brede welvaart van het CBS en Regio in Beeld van UWV.
Bent u van mening dat het verdwijnen van overheidswerkgelegenheid in Limburg meer aandacht verdient? Indien ja, hoe gaat u dat concreet vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Het verdwijnen van overheidswerkgelegenheid uit regio’s, met name buiten de Randstad, heeft onze volle aandacht. Voor de spreiding van rijkswerkgelegenheid is in 2024 een kabinetsbrede aanpak vastgesteld en besproken met uw Kamer. De kabinetsinzet is erop gericht dat inwoners in heel Nederland bij de Rijksoverheid vertegenwoordigd zijn. Dat kan onder meer door overheidsdienstverlening verspreid over Nederland te organiseren en door medewerkers de mogelijkheid te bieden deels vanuit huis of een rijksontmoetingsplein in de regio te werken.
Over de acties die de afgelopen periode zijn ingezet, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Kamer op 19 september 2025 geïnformeerd.3 In de Kamerbrief wordt gemeld dat de rijkswerkgelegenheid in de provincie Limburg in 2024 met 2,6% is gegroeid. Op meerdere plekken in het land wordt gewerkt aan casussen om te komen tot een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid. Daar zit ook een casus in Heerlen bij, met een forse investering in rijksvastgoed voor huisvesting van de Belastingdienst, het CIBG en het nieuwe Instituut Mijnbouwschade Limburg. Het Ministerie van BZK is tevens in gesprek met regionale bestuurders zoals de burgemeesters van Heerlen en Roermond over de kansen voor meer rijkswerkgelegenheid in Limburg.
Kunt u deze vragen één voor één en afzonderlijk beantwoorden?
Conform uw verzoek zijn bovenstaande vragen één voor één en afzonderlijk beantwoord.
De berichtgeving over de verwijdering van portretten van oud-ministers uit het ministerie van OCW en het kunstbeleid voor rijkskantoren |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat de (oudste) portretten van voormalige bewindspersonen die de hal van het Ministerie van OCW opluisteren worden verwijderd en plaatsmaken voor nieuwe kunst?1
Over een aantal jaar verhuist het Ministerie van OCW naar een nieuw pand met minder ruimte voor een galerijwand in de ontvangsthal. Bovendien wordt de collectie schilderijen van oud-bewindspersonen steeds groter: alleen al acht bewindspersonen in de laatste twee jaar. Ik ben geïnformeerd dat dit de aanleiding was om na te denken over de toekomstbestendigheid van de galerij.
Om alvast te anticiperen op de nieuwe omgang met de portrettencollectie en de ontvangsthal in de nieuwbouw is op een van de huidige wanden nieuwe kunst geëxposeerd.
Dit leidde tot Kamervragen en een WOO-verzoek over of overwegingen van diversiteit en inclusie bij het besluit om een deel van de huidige wand leeg te maken een rol speelden. Bij het toekomstbestendig maken van de groeiende collectie portretten heeft dit geen rol gespeeld. Bij de inrichting van de hernieuwde wand is ambtelijk ruim voor mijn aantreden de opdracht verstrekt om in de nieuwe, hedendaagse kunst de verbinding met het terrein van OCW en de samenleving te laten zien onder de noemer van inclusie.
Klopt het dat daarmee de volledigheid van de chronologie van de opvolging van bewindspersonen wordt doorbroken?
Het klopt dat alle portretten na de verhuizing niet meer tegelijkertijd op de oude manier getoond kunnen worden. De collectie met de oorspronkelijke portretten zal op mijn verzoek na de verhuizing prominent te zien zijn in de huisvesting van OCW. De collectie wordt aanvullend ook digitaal in samenhang chronologisch gepresenteerd.
Klopt het bericht in de Telegraaf dat een aantal van de oudste portretten vervolgens alleen nog zichtbaar zijn op een foto maar de kunstwerken zelf in een depot verdwijnen?
De oorspronkelijke portretten zullen op mijn verzoek na de verhuizing prominent te zien zijn in de huisvesting van het Ministerie van OCW.
Klopt het dat ook het portret van bijvoorbeeld voormalig Minister Victor Henri Rutgers, die een belangrijke rol speelde in het Verzet en slachtoffer was van het naziregime, wordt verwijderd?
Het portret van voormalig Minister Rutgers hing aan de eerste wand die is aangepast anticiperend op de nieuwe omgang met de portrettengalerij en de ontvangsthal in de nieuwbouw, zie het antwoord op vraag 1.
Waarom wordt dit gedaan en wat vindt u ervan?
Ik vind het jammer dat de portretten niet meer allemaal op de oude manier tentoongesteld kunnen worden in het nieuwe pand, maar heb er begrip voor dat er een andere vorm moet worden gevonden voor de groeiende collectie. Ik ben van mening dat het niet goed is als de portretten niet meer allemaal tentoongesteld zouden kunnen worden. De collectie met de oorspronkelijke portretten zal daarom op mijn verzoek na de verhuizing in de huisvesting van OCW prominent te zien zijn. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat het juist waardevol en wenselijk is om oud-bewindspersonen op deze manier te eren en de geschiedenis van het departement recht te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat deze herinrichting is uitgevoerd als onderdeel van een project tegen discriminatie en racisme en op welke manier volgt daaruit dat deze portretten weg zouden moeten? Vindt u de aanwezigheid van portretten van oud-bewindspersonen op de een of andere manier in strijd met doelstellingen van inclusie en diversiteit? Zo ja, hoe dan?
Nee het klopt niet dat de aanwezigheid van portretten van oud-bewindspersonen in strijd is met doelstellingen van diversiteit en inclusie. Voor de inrichting van de leeggemaakte wand in het huidige pand, heeft het ministerie een opdracht verstrekt aan FMH Kunstadvies. De opdracht is begeleid door het programma tegen discriminatie en racisme.
Klopt het dat deze wijzigingen zijn uitgevoerd na inbreng en advies van FMH Kunstadvies, de organisatie die het interdepartementale kunstbeleid uitvoert, het kunstadvies verzorgt en verantwoordelijk is voor de kunstinrichting van rijkskantoren in heel Nederland?
Dat klopt.
Welke ideologische aannames en overtuigingen liggen aan dit initiatief ten grondslag en op welke manier zijn die vastgesteld?
Het afwisselen van de tentoonstellingen van (delen van) een collectie is geen ideologisch statement.
Zijn er andere plannen om ook in andere Rijkskantoren de kunstinrichting te wijzigen op grond van vergelijkbare ideologische overwegingen, waarbij opnieuw de geschiedenis plaats zou moeten maken? Graag een toelichting.
Nee. OCW is betrokken bij het rijksbrede kunstbeleid, maar niet bij de kunstinrichting van andere Rijkskantoren.
Het bericht dat de Chinese overheid de namen van enkele medewerkers van inlichtingendiensten AIVD en MIVD heeft gepubliceerd |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe escalatie in Nexperia-vete: China publiceert namen Nederlandse spionnen» van 9 december jl. in de Volkskrant?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er namen van AIVD- en MIVD-medewerkers bekend zijn gemaakt op een Chinese nieuwswebsite in Hongarije?
De conclusies die in het Volkskrant artikel getrokken worden over een verband met het Nexperia-dossier zijn voor rekening van de betreffende journalist. In algemene zin doen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gezien de aard van hun werk in het openbaar nooit uitspraken over personen die al dan niet bij de diensten werken of over internationale samenwerkingen die de diensten al dan niet zouden hebben. Om die reden kan het kabinet ook niet speculeren over hypothetische maatregelen en reacties die het kabinet al dan niet heeft genomen of zal nemen.
Onderschrijft u het feit dat deze actie vanuit China het gevolg is van uw handelen op het Nexperia-dossier?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u het feit dat het opschorten van de maatregelen jegens Nexperia als «blijk van goede wil» tegenover China dus mogelijk niet genoeg is geweest om de situatie te de-escaleren?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u, diplomatiek of anderszins, gereageerd op deze Chinese provocatie?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u al zicht op een reis naar China om de diplomatieke banden te herstellen? Zo ja, wanneer gaat deze reis plaatsvinden en wat zal uw inzet zijn? Zo niet, waarom niet?
Op dit moment zijn er doorlopend en op verschillende niveaus gesprekken, met China over Nexperia.
Zoals toegezegd in het debat van 4 december zal ik de Kamer op de hoogte houden over een bezoek aan China.
Hoe wapent u zich tegen mogelijke verdere vijandige acties vanuit China?
Zoals eerder aangegeven kan de inhoud van de berichtgeving bevestigd noch ontkend worden.
Als het kabinet de vragen kan beschouwen in de bredere zin van dreigingen van statelijke actoren, kan het kabinet het volgende antwoorden.
Veiligheid behoort tot de kerntaken van de overheid. Het is daarom van groot belang dat het kabinet structureel en zorgvuldig reflecteert op de weerbaarheid en veiligheid van Nederland, zeker in de huidige geopolitieke context. Diverse statelijke actoren bedreigen de Nederlandse veiligheidsbelangen via een breed palet aan methodes. In het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren en de jaarverslagen van de AIVD en de MIVD komt dit ook duidelijk naar voren.
Het is cruciaal dat Nederland, in nauwe samenwerking met EU-partners, bondgenoten en gelijkgezinde landen, in staat is om vijandige acties, hybride en statelijke dreigingen nu en in de toekomst het hoofd te bieden. Hiervoor moeten we beschikken over een effectief en samenhangend instrumentarium om dreigingen te voorkomen, te mitigeren en hierop te reageren. De Rijksbrede Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden legt hiervoor de basis. De strategie is een integraal beleidskader om Nederland en het hele Koninkrijk te beschermen tegen een breed scala aan dreigingen, door de weerbaarheid te versterken, verschillende vormen van dreiging te adresseren en samenwerking tussen publieke en private partijen te versterken.
Ook de Rijksbrede aanpak statelijke dreigingen vormt een belangrijk onderdeel van ons instrumentarium. Onder coördinatie van de NCTV wordt de inzet van overheidspartijen, het bedrijfsleven en kennisinstellingen verbonden en wordt ingezet op het versterken van het vermogen om dreigingen te detecteren, het voorkomen van kwetsbaarheden en het waar nodig voorzien in een reactie, in nationaal en internationaal verband.
De dreiging verandert continu. Daarom hecht het kabinet eraan te blijven bezien of de aanpak voldoende aansluit op de veranderende dreiging. De aanpak wordt daarom momenteel doorontwikkeld.2 Uw Kamer wordt op een later moment dit jaar geïnformeerd over deze doorontwikkeling. Indien daar aanleiding toe is, zullen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten uw Kamer via de geëigende kanalen informeren.
Wat doet u om hybride dreigingen zoals deze tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u het idee dat het kabinet voldoende is geëquipeerd om te reageren op dit soort dreigingen waarbij diplomatieke, economische en militaire acties in elkaar overlopen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo niet, wat is er aanvullend nodig?
Zie antwoord vraag 7.
De aanhouding van de moeder van Jalal Oba |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de moeder van Jalal Oba, een oudere vrouw, door de politie is aangehouden onder omstandigheden die volgens haar familie onnodig hard en disproportioneel waren?1
Ja.
Klopt het dat de moeder van Jalal Oba door de politie is aangehouden? Zo ja, kunt u bevestigen wanneer, waar, en onder welke omstandigheden deze aanhouding heeft plaatsgevonden?
Klopt het dat deze aanhouding heeft plaatsgevonden zonder duidelijke aanleiding en dat er sprake lijkt te zijn geweest van een buitenproportionele inzet van politiecapaciteit? Zo ja, hoe verklaart u dit?
Wat was de concrete aanleiding tot de aanhouding? Kunt u aangeven of er sprake was van een verdenking? Zo ja, op grond van welk wetsartikel?
Kunt u uitsluiten dat bij deze aanhouding sprake was van etnisch profileren, bewuste targeting of een vooringenomen houding tegenover mensen met een migratieachtergrond?
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus. Ik heb vertrouwen in de manier waarop politiemedewerkers hun taken uitvoeren. Zij doen hun werk op zorgvuldige en professionele wijze zonder daarbij onderscheid te maken tussen iemands afkomst, geloof of levensovertuiging. De Grondwet geldt hierbij als uitgangspunt en vormt het fundament voor de beroepsidentiteit van alle medewerkers. Ik zie geen reden om hieraan te twijfelen.
Klopt het dat de aanhouding op indringende wijze heeft plaatsgevonden? Zo ja, kunt u toelichten waarom dat noodzakelijk werd geacht?
Op basis van welke informatie of verdenking meende de politie te moeten overgaan tot arrestatie van een oudere vrouw? Kunt u de exacte juridische grondslag van het optreden toelichten?
Klopt het dat de moeder van Jalal Oba bij de aanhouding in een situatie terechtkwam die mogelijk een gevaar opleverde voor haar gezondheid en veiligheid? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren en hoe wordt dit onderzocht?
Is de politie bij deze aanhouding afgeweken van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals voorgeschreven in de Ambtsinstructie? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus. De politie is bevoegd om geweld te gebruiken als dat nodig is om haar doel te bereiken. Geweld is het ultimum remedium en wordt, indien mogelijk, pas aangewend als de-escalatie en waarschuwen niet afdoende zijn voor het bereiken van het beoogde doel. Daarbij is de politie gehouden aan de geweldsinstructie, vastgelegd in de Politiewet en de Ambtsinstructie, waarin ook de verplichting is opgenomen om iedere geweldsaanwending ter toetsing te melden. Bij elk optreden is het uitgangspunt dat de politie probeert een situatie zonder gebruik van geweld tot een goed einde te brengen (de-escalatie). De politie past alleen geweld toe in situaties waarin zij daartoe genoodzaakt is, als laatste redmiddel. Er gelden strenge regels voor het gebruik van geweld. Zo mag de politie bij het aanwenden van geweld niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taken.
De wet- en regelgeving voorziet in verschillende procedures voor een onafhankelijk en onpartijdige beoordeling van een concrete geweldsaanwending door de politie. In de afgelopen maanden zijn deze procedures meermaals onder de parlementaire aandacht gebracht, met name in een aantal sets Kamervragen. Voor een uitgebreider overzicht van de in Nederland geldende procedures na politiegeweld, de specifieke kenmerken ervan en de kwaliteitswaarborgen die daarvoor gelden, verwijs ik u naar de beantwoording van betreffende Kamervragen.2
Is de moeder van Jalal Oba na de aanhouding gehoord en/of heengezonden zonder verdere maatregelen? Kunt u toelichten wat de uitkomst van de procedure was?
Zijn er klachten ingediend over de wijze van optreden van de politie in deze zaak? Zo ja, hoe worden deze momenteel onderzocht?
Bent u bereid een onafhankelijk extern onderzoek te laten verrichten naar de rechtmatigheid én de proportionaliteit van het politieoptreden in deze zaak? Zo nee, waarom weigert u onafhankelijk toezicht?
Wat doet u om te voorkomen dat mensen, en zeker ouderen, opnieuw slachtoffer worden van mogelijk onrechtmatig politiegeweld of discriminerend politieoptreden?
De regels waaraan de politie zich op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving moet houden, in het bijzonder met betrekking tot de geweldsbevoegdheid, bieden reeds diverse waarborgen om onrechtmatig of onwenselijk handelen door de politie zoveel mogelijk te voorkomen.
Zo geldt op grond van de geweldsinstructie dat de politie gehouden is om bij iedere aanwending van geweld de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid in acht te nemen alsmede de inzetcriteria die de Ambtsinstructie verbindt aan de geweldmiddelen waarmee de politie is uitgerust. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de rechtsregels, maar ook de omstandigheden van het geval. In de afweging of het toe te passen geweld zal voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit houdt een politieambtenaar met alle feiten en omstandigheden rekening. Daaronder hoort ook de mate van kwetsbaarheid van een persoon. Daarmee wordt zoveel mogelijk rekening gehouden, passend binnen de eis dat geweld redelijk en gematigd is.
Tot slot geldt in het algemeen dat er in de politieorganisatie en bij politieambtenaren continu aandacht is voor het leren van het gebruik van geweld. Dit hoort bij het verantwoord omgaan met de bij wet toegekende geweldsbevoegdheid. De uitwerking hiervan is onder meer vastgelegd in de Stelselherziening Geweldsaanwending Opsporingsambtenaar.
Het bericht 'Politie tussen watermeloenen en Islamic Relief op halal-huishoudbeurs: ’Het is imagobuilding’' |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie tussen watermeloenen en Islamic Relief op halal-huishoudbeurs: «Het is imagobuilding»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de banner waarop de politie in uniforme dienstkleding wordt aangekondigd als «PARTNERSHIP ANNOUNCEMENT», geplaatst in een ontwerp dat duidelijk is vormgegeven in de kleuren en iconografie van de watermeloen, internationaal gebruikt als pro-Gaza-symbool?
Ik heb kennisgenomen van de online gedeelde uitingen waarin de politie in verband wordt gebracht met het Halal Village Festival en zodanig als partner wordt aangekondigd, waaronder uitingen met de door u geduide symboliek. De politie heeft mij laten weten dat het gestelde partnership vooraf niet bekend was en tevens onwenselijk is. De politie heeft hier lessen uit getrokken en zal in de toekomst scherper zijn op het gebruik van beeldmateriaal van de politie door derden. Zo is de uiting met watermeloensymboliek zonder toestemming van de politie geplaatst en daarom op verzoek door de organisatie verwijderd.
Klopt het dat de politie een grote, officieel ingerichte wervingsstand had op het Halal Village Festival, inclusief politiebanner met agenten, geplaatst te midden van uitgesproken activistische symboliek zoals watermeloenen (veelal gebruikt als signaal van anti-Israëlisch protest), en direct naast de omstreden organisatie Islamic Relief?
De plaatsing van de politiestand naast de stand van Islamic Relief is dit jaar toeval geweest. Hiervan was de politie niet op de hoogte gesteld en ook had zij hier zelf geen hand in.
In uitingen op sociale media is de neutraliteit van de politie door de organisatie van het Halal village festival in diskrediet gebracht door een politiefoto te omlijsten met de kleuren van de Palestijnse vlag en watermeloenen. Voor het gebruik van politie-uitingen zoals het gebruik van het logo of het beeldmerk van de politie gelden regels. Voor de aankondiging met de betreffende foto was door de politie geen toestemming gegeven en deze werd op verzoek van de politie direct verwijderd.
De politie evalueert haar deelname aan dit evenement en weegt hierbij de neutraliteit van de politie zwaar mee. Ook wordt er door de politie gewerkt aan richtlijnen die als kader dienen voor organiserende eenheden en teams om de afspraken met externe organisaties aan de voorkant te versterken.
Is deze vormgeving vooraf afgestemd, goedgekeurd of besproken met de politieleiding? Zo ja, welke overwegingen zijn gemaakt om dit beeldmateriaal te accorderen?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat deze afbeelding waarin de politie wordt gepresenteerd als activist voor de anti-Israëlbeweging de de neutraliteit en geloofwaardigheid van de politie schaadt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Aangezien de politie stelt dat de afbeelding waarmee het evenement de politie als «partner» aankondigde, zonder toestemming van de politie is bewerkt; kunt u toelichten op welk moment dit de politie bekend werd, en welke acties zijn ondernomen richting de organisatoren van het Halal Village Festival?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat Islamic Relief Nederland een prominente partner was van het Halal Village Festival, en dat deze organisatie in Duitsland is aangemerkt als verlengstuk van de Moslimbroederschap, en in de Verenigde Arabische Emiraten zelfs op de terreurlijst staat?
Islamic Relief Nederland staat vermeld als partner op de pagina van het Halal Village Festival. Dit is echter niet dezelfde organisatie als Islamic Relief Worldwide.
De Islamic relief die op de beurs stond heeft in Nederland een ANBI status, wat betekent dat zij erkend wordt door de Belastingdienst en dus transparant en controleerbaar is. Voor wat betreft Islamic Relief Worldwide en Islamic Relief Deutschland heeft de Duitse Bondsregering in een officiële beantwoording aan de Bondsdag vermeld dat deze organisaties volgens haar kennis beschikken over «significante persoonlijke relaties» met de Moslimbroederschap of daarmee verbonden organisaties. De Verenigde Arabische Emiraten heeft in 2014 bericht dat Islamic Relief op een door de VAE gepubliceerde terrorisme sanctielijst is geplaatst, hetgeen door de organisatie werd betwist.
Herinnert u zich dat toenmalig Minister Kaag in 2021, na overleg met de veiligheidsdiensten, de subsidierelatie met Islamic Relief heeft beëindigd vanwege zorgen over banden met extremistische netwerken? Acht u het dan gepast dat de politie zich op een evenement presenteert pal naast deze organisatie?
In 2021 is door toenmalige Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besloten geen subsidie te verlenen aan Islamic Relief. Daarbij is informatie ingewonnen bij onder meer andere donoren van Islamic Relief Worldwide.
Deelt u de zorg dat de politie met haar aanwezigheid op deze beurs de indruk wekt indirect legitimiteit te verlenen aan Islamic Relief, een organisatie waar het kabinet eerder bewust afstand van nam? Zo nee, waarom niet?
Het aangaan en onderhouden van relaties en samenwerken met burgers, sleutelfiguren en maatschappelijke partners uit alle groepen in de samenleving is essentieel voor goed politiewerk. De werving op deze, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving. Het is belangrijk dat dit gebeurt op een manier die geen afbreuk doet aan de neutrale en seculiere houding van de politie.
Vindt u het wenselijk dat politiemedewerkers, zichtbaar in uniform en met het politielogo, deelnemen aan een beurs waar een organisatie staat die door diverse landen en veiligheidsinstanties in verband is gebracht met de Moslimbroederschap? Past dat volgens u binnen het integriteits- en neutraliteitskader van de politie?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe beoordeelt u al het bovenstaande in het licht van de aangenomen motie Michon-Derkzen c.s. waarin de regering wordt verzocht ervoor te zorgen dat de gedragscode lifestyle-neutraliteit (Kamerstuk 29 628, nr. 1284) in alle facetten wordt nageleefd?
De motie Michon-Derkzen c.s. vraagt de regering erop toe te zien dat de gedragscode lifestyle-neutraliteit wordt nageleefd. Daaronder valt ook dat de politie alert is op contexten en communicatievormen die de schijn van partijdigheid kunnen wekken. De beroeps- en gedragscode vormt hierbij het uitgangspunt. Deze schrijft voor dat politiemedewerkers bij hun optreden in uniform geen uiting geven aan persoonlijke overtuigingen, religie of levensstijl. De korpsleiding ziet daarbij toe op de neutraliteit en op de juiste interpretatie en uitvoering van de beroeps- en gedragscode.
De politie evalueert haar deelname aan dit evenement. En weegt de neutraliteit van de politie hierbij zwaar mee. Ik zal de korpschef verzoeken te bezien of de interne toetsing- en of afwegingskaders rond publieke (wervings)optredens op evenementen voldoende houvast bieden om dit soort situaties te voorkomen. Ook wordt er door de politie gewerkt aan richtlijnen die als kader dienen voor organiserende eenheden en teams om de afspraken met externe organisaties aan de voorkant te versterken.
Hoe beoordeelt u het werven van politiepersoneel op basis van religie, namelijk op een beurs met religieus oogmerk? Ziet u zelf ook het verschil tussen doelgroepwerving en werving op religieuze gronden?
De politie zet in op werving en promotie van nieuwe medewerkers. De werving op deze beurs, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving.
Wat vindt u ervan dat een journalist die vragen stelde over de neutraliteit van de politie binnen enkele minuten werd geconfronteerd met leden van de organisatie, beveiliging en een verzoek om de zaal te verlaten? Ziet u het risico dat de politie door haar aanwezigheid op zo’n evenement wordt betrokken in situaties waarin kritische journalistiek feitelijk wordt verhinderd?2
Het is aan de organisatie van het betreffende evenement om zorg te dragen voor de veiligheid van haar bezoekers en zo nodig maatregelen te treffen als deze in het geding komt.
Kan u toezeggen dat de politie nooit meer aanwezig zal zijn op deze beurs?
Het is aan de politie om te bepalen op welke beurs zij staan om nieuwe medewerkers te werven. De politie weegt hierin mee of de neutraliteit van de politie kan worden behouden. De politie vindt het belangrijk om verschillende doelgroepen te bereiken voor de werving van nieuw personeel en de verbinding met de samenleving.
De korpschef heeft aangegeven deze casus te evalueren en waar nodig de afwegingskaders aan te scherpen, zodat deelname aan evenementen niet kan leiden tot (de schijn van) aantasting van de neutraliteit of het gezag van de politie. Uit dit voorval is in ieder geval gebleken dat politie aan de voorkant betere afspraken moet maken met de organisatie over het gebruik van het politiebeeldmateriaal. Hieruit heeft zij lessen getrokken.
Fraude in de mondzorg in de Wlz door Vitadent |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van EenVandaag van 10 december 2025?1
Ja.
Was u ervan op de hoogte dat dit soort praktijken plaatsvinden?
Het is mij bekend dat Wlz-uitvoerders aangeven dat het ontbreken van doelmatigheidsnormen rondom mondzorg in de Wlz de controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van deze declaraties complex maakt. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft dat geconstateerd in het rapport «De kosten van onze langdurige zorg in 2024» dat ik op 16 december 20252 aan uw Kamer heb verzonden. Momenteel bestaan er geen richtlijnen ten aanzien van de duur en het aantal behandelingen bij Wlz-cliënten, waardoor Wlz-uitvoerders momenteel lastig kunnen concluderen of sprake is van eventuele overbehandeling. De NZa heeft gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz.
Erkent u dat het bij deze declaraties gaat om ondoelmatige én onrechtmatige zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Geleverde zorg moet verantwoord en doelmatig zijn en geleverd worden door personen die daartoe bevoegd zijn. Van belang is dat er sprake is van multidisciplinair overleg over de mondzorg tussen de medewerkers van het verpleeghuis en de tandartsenpraktijken. Daarbij is doelmatigheid van de verleende mondzorg ook een onderwerp van gesprek. Alleen daadwerkelijk geleverde zorg die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, mag worden gedeclareerd. De basis voor de te leveren zorg ligt vast in het (mond)zorgplan. Declaraties worden gecontroleerd door de Wlz-uitvoerders. Op basis van de uitzending kan ik geen antwoord geven op de vraag of in dit geval sprake is van ondoelmatige of onrechtmatige zorg.
Hoe kan het dat commerciële partijen uren van onbevoegden op naam van de algemeen gegevensbeheer zorgverleners, de agb-code, van een tandarts declareren?
De NZa heeft beleidsregels opgesteld over het declareren van geleverde uren. Alle partijen moeten daaraan voldoen. Onbevoegden mogen geen uren declareren. Wel is het zo dat preventie-assistenten een aantal werkzaamheden zelfstandig mogen uitoefenen, maar de basis daarvan ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts. De Wlz-uitvoerders controleren deze werkwijze.
Is er toezicht op misbruik van Wlz-gelden, oftewel het bewust stoppen met het leveren van mondzorg, of het onbevoegd dan wel niet volgens de geldende standaarden leveren daarvan (maar wel geld ontvangen daarvoor via de dagprijs) in het verpleeghuis?
De dagelijkse mondzorg (o.a. (hulp bij) tandenpoetsen) behoort tot de dagelijkse zorg en wordt geleverd door de medewerkers van het verpleeghuis. Alle zorg – dus ook de tandheelkundige zorg – moet voldoen aan de daartoe geldende wet- en regelgeving. Ik heb geen signalen dat verpleeghuizen stoppen met het leveren van mondzorg of tandheelkundige zorg. Wat ik wel zie, is dat steeds vaker de tandheelkundige zorg geleverd wordt in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis. Dat kan naar mijn idee passende zorg zijn – mits voldaan wordt aan alle daaraan te stellen eisen – en er is geen sprake van misbruik van Wlz-gelden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg die mondzorgprofessionals leveren. Hiernaast houdt de NZa toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders.
Als tijdens een bezoek blijkt dat de mondzorg niet in orde is, zal de IGJ een organisatie aanzetten/verplichten te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en veldnormen ten aanzien van mondzorg.
Hoe is het mogelijk dat mondverzorging (bijv. kunstgebit reinigen) behorend bij de ADL tegen 207 euro gedeclareerd wordt als mondzorg? Hoe oordeelt u hierover?
Het in rekening brengen van mondverzorging via de bekostiging van mondzorg is niet toegestaan. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft prestaties voor mondzorg waarin dit ook duidelijk staat beschreven. Als wordt aangetoond dat een zorgaanbieder mondverzorging uitvoert en daarvoor prestaties mondzorg in rekening brengt, is het aan de Zorgkantoren en eventueel de toezichthouder (NZa) om hiertegen op te treden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat gebitscontroles bij deze kwetsbare groep verpleeghuisbewoners in elk geval bij Vitadent werden uitgevoerd door preventieassistenten in plaats van tandartsen?
De NZa stelt op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) prestaties met bijbehorende tarieven vast. Er is daarbij sprake van functionele bekostiging, hetgeen betekent dat de NZa niet oplegt wie deze zorg mag leveren. De NZa gaat er daarbij wel vanuit dat de uitvoerende zorgaanbieder bevoegd en bekwaam is. Een gebitscontrole is niet als voorbehouden handeling opgenomen in de Wet BIG en mag in beginsel dus ook door niet BIG-geregistreerd zorgverleners worden uitgevoerd. In dit geval is de gebitscontrole dus niet voorbehouden aan tandartsen en mag die ook uitgevoerd worden door andere zorgverleners. De basis van de verrichtingen ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts.
Hoe oordeelt u over het bericht dat controles soms in een keukenstoel werden uitgevoerd en niet in een gewone tandartsstoel?
De huidige richtlijn voor mondzorg pleit ervoor tandheelkundige handelingen in een tandartsomgeving te laten plaatsvinden. Er is geen harde norm of regel die zegt dat dit moet. Uitgangspunt is dat tandartszorg geleverd wordt in een ruimte waarin tandartszorg geboden kan worden. Dit kan ook een mobiele praktijkruimte zijn.
Uitgangspunt is ook dat – als het in het voordeel is van de cliënt – een uitzondering gemaakt kan worden en de tandartszorg wel op de eigen kamer plaatsvindt. Dit omdat een verplaatsing naar een behandelkamer voor veel mensen die Wlz-zorg in een verpleeghuissetting ontvangen, fysiek en/of psychisch belastend kan zijn. Behandeling in de vertrouwde omgeving is dan vaak de minst ingrijpende en meest passende vorm van zorg, waarbij er uiteraard grenzen zijn aan de mogelijkheden om dat ter plekke te doen. Vooralsnog ben ik van mening dat de huidige regelgeving afdoende is om excessen tegen te gaan.
Of de mondzorg in dit geval op een verantwoorde manier werd uitgevoerd hangt dus af van de context.
Is er toezicht op verpleeghuizen die het leveren van mondzorg staken of terugschroeven, en zijn hier overzichten van?
Bij de IGJ is geen informatie bekend over verpleeghuizen die mondzorg staken of terugschroeven, anders dan de recente berichtgeving in de media.
Bent u het eens met de conclusie dat mondzorg in deze situaties in de laatste levensfase gestaakt wordt, met alle mogelijke implicaties voor de gezondheid van dien?
Ik ben van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis.
Kunt u aangeven hoe groot de vergoeding (binnen het Wlz-tarief) voor tandzorg in een verpleeghuis is?
Alle kosten (m.u.v. het honorarium tandarts, de techniekkosten en de kosten voor narcose) die een zorgaanbieder moet maken om de mondzorg voor hun eigen cliënten te faciliteren zitten in het door de NZa vastgestelde tarief voor een zorgzwaartepakket (ZZP) verdisconteerd. Deze kosten zijn niet separaat geoormerkt en daardoor niet gespecificeerd in beeld. Ze zitten dus wel in het tarief, maar onbekend is hoeveel.
Hoeveel geld van het budget wordt «verdiend» als deze zorg achterwege blijft?
In het antwoord op vraag 11 heb ik aangegeven dat de kosten die zijn opgenomen in het ZZP-tarief niet gespecificeerd en daarmee zijn deze vragen niet te beantwoorden. Daarnaast ben ik van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd.
Heeft u inzicht hoeveel geld het in het geheel betreft door deze praktijken? Zo niet, bent u bereid dit te gaan onderzoeken, en op welke manier?
Zie antwoord vraag 12.
Welke acties gaat u nemen om dit in de toekomst te voorkomen?
Er bestaan meerdere richtlijnen specifiek gericht op de mondzorg. Dit zijn onder andere:
Verder is er de standaard wet- en regelgeving in de zorg en het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». De IGJ heeft op basis van de bestaande richtlijnen en wet- en regelgeving een toetsingskader opgesteld voor mondzorg in de verpleeghuizen en een toetsingskader voor taakdelegatie in de mondzorg.
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven heeft de NZa recent gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz. Ik ondersteun deze oproep van de NZa.
Hoe oordeelt u over de constatering dat er te weinig normen zijn voor het leveren van tandzorg aan deze kwetsbare groep?
Zie antwoord vraag 14.
Kan gesteld worden dat er wordt gehandeld in strijd met de Wlz, aangezien verpleeghuizen worden betaald tandartsen te faciliteren? Indien dat geld aantoonbaar niet daaraan wordt uitgegeven, wat zijn dan de consequenties? Moet dit geld teruggegeven worden?
In het Wlz-tarief zit ook een component opgenomen om de tandheelkundige zorg voor cliënten die verblijven in een instelling die ook de behandeling levert te kunnen bekostigen. Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangewezen is dat bedrag niet separaat geoormerkt. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is het afhankelijk van de context of de geboden zorg op de kamer van de bewoners verantwoord is.
Heeft u inzicht in de manier waarop mond- en tandzorg in het algemeen geleverd wordt in verpleeghuizen?
In 2015, 2016 en 2017 voerde de IGJ themabezoeken uit in verpleeghuizen gericht op mondzorg. Uit deze bezoeken kwamen over het algemeen positieve bevindingen. De inspectie bracht over deze bezoeken een factsheet uit en deelde deze met het veld.
De inspectie ontving afgelopen jaren een beperkt aantal meldingen over mond- en tandzorg in verpleeghuizen. Deze meldingen gaven in die periode geen aanleiding tot het intensiveren van het toezicht op de mondzorg in verpleeghuizen. De huidige aandacht en signalen geven hier wel aanleiding toe.
Kunt u aangeven wat er in werking is gezet sinds de vorige uitzending van EenVandaag over dit onderwerp, op 18 september 2025?
Ik bespreek dit signaal regelmatig in overleg met brancheorganisaties van aanbieders, zorgkantoren, IGJ en NZa. Ook de NZa heeft in een recent rapport (zie antwoord op vraag 2) aandacht gevraagd voor het ontwikkelen van doelmatigheidsnormen.
De toename van incidenten op de buslijnen van en naar Ter Apel en de beslissing om een gratis pendeldienst in te zetten tussen het azc in Ter Apel en station Emmen. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er een pendelbus speciaal voor asielzoekers rijdt tussen het asielzoekerscentrum (azc) in Ter Apel en station Emmen, georganiseerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de gemeenten Westerwolde en Emmen en gefinancierd door het Ministerie van Asiel en Migratie?
Er rijdt een pendelbus sinds 2019 rechtstreeks tussen het azc Ter Apel en station Emmen om overlast te voorkomen op de reguliere buslijnen. De pendelbus wordt niet enkel gebruikt door asielzoekers. In de bus moet betaald worden voor een rit. Het Ministerie van Asiel en Migratie is financier van de pendelbus. De gemeente Westerwolde voert de aanbesteding van de pendelbus uit voor de periode 2023–2026.
Bent u ervan op de hoogte dat er een stijging is te zien in zowel het aantal incidenten als de ernst ervan op buslijn 73 (Emmen–Ter Apel) en 74 (Emmen–Stadskanaal)?
Het is bekend dat het aantal incidenten op buslijnen 73 en 74 is gestegen. Voor de ernst van de incidenten kan op dit moment geen stijging worden bevestigd. Overlastgevend gedrag is hoe dan ook onacceptabel. Daarom worden verschillende maatregelen genomen en voorbereid om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen.
Kunt u bevestigen dat zowel buschauffeurs als reizigers zich onveilig voelen op genoemde trajecten, zoals eerder ook door FNV Streekvervoer in een brandbrief is gemeld?
De signalen van het gevoel van onveiligheid op de reguliere buslijnen tussen Emmen en Ter Apel onder buschauffeurs en reizigers zijn bekend. Deze signalen worden zeer serieus genomen.
Kunt u een overzicht geven van alle incidenten op deze buslijnen in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar: aard van de incidenten, ernst van de incidenten, herkomst van de daders en de afhandeling – inclusief vervolging en opgelegde sancties?
Een volledig overzicht van alle incidenten op deze buslijn uitgesplitst naar aard en ernst van de incidenten, herkomst van daders en afhandeling, is niet beschikbaar. Wel volgt uit de incidentregistratie van Qbuzz dat in de periode van 1 januari 2025 tot en met 12 oktober 2025 181 incidenten hebben plaatsgevonden op lijnnummer 73 (Emmen–Ter Apel–Stadskanaal). De aard van deze incidenten is bekend bij de vervoerder Qbuzz en betreft onder meer optreden bij betalingsproblemen en verbale agressie.
Acht u het wenselijk dat de Rijksoverheid faciliteert dat asielzoekers – van wie een deel aantoonbaar voor ernstige veiligheidsproblemen zorgt – vrijelijk worden vervoerd van het azc in Ter Apel naar Emmen?
Nee, het is niet de bedoeling dat gratis vervoer beschikbaar wordt voor asielzoekers die overlast veroorzaken. Overlastgevend gedrag dient niet beloond te worden. Het is wenselijk dat het vervoer tussen het azc in Ter Apel en station Emmen ordelijk en veilig verloopt. Daarom is in 2019 de pendelbus gestart om te borgen dat er minder overlast is van asielzoekers op de reguliere buslijnen. In de pendelbus dient iedereen een kaartje te kopen net als in de reguliere buslijn.
Vindt u het niet een fundamenteel problematische ontwikkeling dat de overheid een aparte gratis buslijn opzet, omdat een deel van de asielzoekers zich niet aan basale betalings- en gedragsnormen houdt, waardoor feitelijk niet de overtreders zich aanpassen aan de norm maar de norm aan de overtreders?
Nee. Er is geen aparte gratis buslijn opgezet. Sinds de start van de financiering van de pendelbus vanuit het Ministerie van Asiel en Migratie geldt dat voor gebruik van de pendelbus wordt betaald en dat blijft zo. De norm is dus niet aangepast: reizigers zijn betalingsplichtig en moeten zich houden aan de algemeen geldende OV-regels.
Bent u het eens met de stelling dat het onwenselijk is dat asielzoekers die nog geen verblijfsvergunning hebben, zich nog in hun procedure bevinden en volgens vervoerders en vakbonden voor veiligheidsproblemen zorgen, door de overheid gefaciliteerd vrij kunnen reizen naar Emmen, waar dit tot veiligheidsrisico’s leidt?
Zie antwoord vraag 5.
Indien u dit wel wenselijk acht, kunt u uitvoerig toelichten waarom u het noodzakelijk vindt om dit vervoer te faciliteren, ondanks de veiligheidsproblemen die dit ten gevolge heeft voor Emmen?
Het is wenselijk om dit vervoer te faciliteren om de druk op de reguliere buslijnen te beperken en direct vervoer van station Emmen naar Ter Apel mogelijk te maken. Het faciliteren van de pendelbus maakt daarnaast gericht toezicht en handhaving mogelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat de inzet van de pendelbus op zichzelf extra veiligheidsproblemen veroorzaakt.
Bent u ermee bekend dat – ondanks de inzet van de pendelbus – de incidenten op de reguliere buslijnen blijven toenemen en dat deze maatregel geen structurele verbetering oplevert voor de veiligheid?
De situatie op de reguliere buslijnen is bekend. Dit staat los van de inzet van de pendelbus.
Bent u voornemens om aanvullende maatregelen te nemen om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen?
Er worden verschillende maatregelen genomen en voorbereid om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen. Asielzoekers met een kansarme aanvraag worden over meerdere locaties verspreid. Voor de doelgroep die voor overlast zorgt worden meer vreemdelingrechtelijke maatregelen mogelijk. Hierover lopen gesprekken, onder andere over de inzet van AVIM. Met de gemeente Emmen wordt verkend hoe boa’s uit de flexpool boa kunnen worden ingezet.
Indien het antwoord op vraag 9 bevestigend luidt, welke maatregelen zult u dan nemen?
Zie antwoord vraag 10.
Indien het antwoord op vraag 9 ontkennend luidt, waarom kiest u ervoor om geen aanvullende maatregelen te nemen?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het eens met de stelling dat er een veiligheidsrisico ontstaat, omdat asielzoekers zonder verblijfsvergunning, die zich nog in hun procedure bevinden en van wie de overheid onvoldoende weet wie zij zijn, vrij in Nederland kunnen rondreizen, waardoor het ontbreken van betrouwbare identiteitskennis direct bijdraagt aan de veiligheidsrisico’s?
Nee. Het ontbreken van een verblijfsvergunning tijdens de asielprocedure betekent niet dat de overheid onvoldoende weet wie betrokkene is. Bij de aanmelding worden door de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) persoonsgegevens vastgelegd, vingerafdrukken afgenomen, documenten onderzocht en een foto gemaakt. Preventieve detentie van asielzoekers is juridisch en maatschappelijk onwenselijk en strijdig met mensenrechtenkaders. Asielzoekers kunnen daarom binnen Nederland vrije reisbewegingen maken. Dit is geen vrijbrief: waar sprake is van overlast of risico’s kunnen gerichte en proportionele maatregelen worden getroffen.
Het niet naar behoren beantwoorden van vragen over het reguleren van versterkte gebedsoproepen |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom bedrijfsgevoelige informatie in de opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie zou verhinderen dat correspondentie tussen het ministerie en gemeenten, burgers en andere externe partijen (geanonimiseerd en waar nodig deels gelakt) aan de Kamer wordt verstrekt?
Voorafgaand aan opdrachtverleningen wordt eerst een offerteaanvraag opgesteld. Op basis daarvan verstuurt de opdrachtnemer een offerte, die vervolgens door de opdrachtgever wordt bevestigd. Alle opdrachten aan derde partijen worden afgesloten met één of meerdere eindproducten, bijvoorbeeld een eindrapportage. In een dergelijk eindrapportage is opgenomen hoe de opdracht tot stand is gekomen en welke resultaten er zijn behaald.
Bij de uitvoering van de opdracht worden de relevante stukken – voor zover mogelijk zonder bedrijfsgevoelige informatie en waar nodig gedeeltelijk gelakt – als bijlagen bij het eindproduct (de rapportage) openbaar gemaakt. De offerte, de offerteaanvraag en de dienstverleningsovereenkomst zijn reeds openbaar gemaakt bij de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ergin op 9 september 2025.1
Voor de start van de verkenning heeft er geen correspondentie plaatsgevonden tussen het ministerie (als opdrachtgever) en burgers of andere externe partijen.
Welke concrete passages in de opgevraagde correspondentie kwalificeert u als bedrijfsgevoelig, en op basis van welke wettelijke bepalingen concludeert u dat deze informatie in deze fase niet kan worden gedeeld?
Bedrijfsgevoelige informatie omvat veelal cijfermatige gegevens rondom (uur)tarieven, het aantal uren dat voor bepaalde werkzaamheden wordt besteed en de totale tijdsduur per onderdeel van de opdracht. Zoals hierboven vermeld wordt deze informatie – voor zover relevant – na afloop van de opdracht geopenbaard met inachtneming van het weglaten c.q. lakken van bedrijfsgevoelige informatie.
Waarom is het niet mogelijk om ten minste een inventarislijst van alle relevante documenten (correspondentie, memo’s, adviezen, e-mails en verslagen) te delen, zodat de Kamer kan beoordelen welke stukken onder bedrijfsgevoeligheid zouden kunnen vallen?
Een inventarisatielijst zal ik zo spoedig als mogelijk naar uw Kamer verzenden. Gelet op het enorme aantal documenten waarop een inventarisatie plaats moet vinden, zal dit echter veel tijd kosten. Mijn ambtenaren gaan aan de slag met het voorbereiden van deze stukken. Zodra deze stukken gereed zijn voor verzending, zal ik in ieder geval de volgende documenten aan uw Kamer doen toekomen:
Na afronding van het traject wordt de eindrapportage samen met de volgende bijlagen geopenbaard:
Kunt u bevestigen of verslagen, interne notities, analysememo’s of gespreksverslagen behoren tot de «overige relevante stukken» die volgens uw beantwoording pas na afronding van het traject openbaar worden gemaakt? Zo ja, waarom kunnen deze stukken niet eerder worden verstrekt?
In mijn antwoord op vraag 3 heb ik een overzicht gegeven van de relevante stukken die zo spoedig mogelijk verstrekt worden en daarmee openbaar zullen worden gemaakt. Tijdens dit intensieve traject, gericht op het boven tafel krijgen van alle door uw Kamer gevraagde informatie, is uiteraard veel intern e-mailverkeer geweest tussen betrokkenen. Dit interne e-mailverkeer behoort niet standaard tot de «overige relevante stukken» die na afloop van een traject openbaar worden gemaakt. Het betreft hier o.a. vergaderverzoeken, agenda’s voor overleggen en reacties op concepten.
De analyse van de 0-meting wordt door de opdrachtnemer opgesteld en als bijlage toegevoegd aan de eindrapportage. Interne notities, zoals agendaverzoeken, besprekingen van opgeleverde stukken en het bewaken van de voortgang van het traject, behoren eveneens niet tot de standaard openbaar te maken stukken.
Doordat de verschillende fasen van het traject niet altijd volgordelijk verlopen en verschillende doorlooptijden kennen, zijn de afzonderlijke gespreksverslagen per fase nog niet helemaal afgerond. Deze verslagen zullen wel onderdeel uitmaken van de bijlagen bij het eindrapport van de opdrachtnemer.
Wanneer acht u het traject volledig afgerond, en kunt u een concrete datum of fasering geven waaruit blijkt op welk moment de Kamer de volledige correspondentie wél kan ontvangen?
Dit traject omvat een zeer groot aantal documenten en (gespreks)verslagen, afkomstig uit verschillende, elkaar deels overlappende fasen. Door de betrokkenheid van een groot aantal (samenwerkings)partners, zoals gemeenten, leden van buurtorganisaties, moskeebesturen, experts en koepelorganisaties, is het niet altijd mogelijk om overlegmomenten ver vooruit in te plannen. Dit heeft geleid tot enige vertraging in het traject.
Als beoogde einddatum voor de afronding van het traject is eind mei 2026 voorzien. Daarna zal ik alle documenten delen met uw Kamer.
U verwijst naar tussentijdse resultaten van de nulmeting die «uiterlijk voor het einde van dit jaar» worden toegezonden. Betreft dit uitsluitend uitkomsten, of bent u bereid ook onderliggende documenten zoals vragenlijsten, gespreksformats en analysekaders te verstrekken?
De tussentijdse resultaten betreffen de uitkomsten van de 0-meting. Daarbij horen als onderliggende documenten de vragenlijst en een analyse van de ingestuurde antwoorden. De gespreksformats voor de verdiepende gesprekken volgen in de volgende fase van het traject. Zoals vermeld in het antwoord op uw vraag 3 zullen deze documenten onderdeel uitmaken van de eindrapportage.
U stelt dat verdiepende gesprekken worden gevoerd die geen buurtonderzoek vormen. Kunt u precies omschrijven welke criteria volgens u bepalen of een activiteit wél of niet als buurtonderzoek wordt beschouwd?
Tijdens de verdiepende gesprekken met gemeenten, lokale vertegenwoordigers van buurtbewoners en moskeeën, worden de eerste resultaten van de landelijke 0-meting besproken en wordt de lokale situatie in kaart gebracht. Deze gesprekken vinden plaats in kleine kring en zijn bedoeld om praktijkvoorbeelden te verzamelen over hoe er lokaal wordt omgegaan met versterkte gebedsoproepen.
Het betreft hier een selecte groep deelnemers, niet de hele buurt. Er wordt geen aanvullend onderzoek uitgevoerd of informatie uitgevraagd.
Worden van deze verdiepende gesprekken verslagen, notulen of samenvattingen gemaakt? Zo ja, waarom worden deze stukken niet met de Kamer gedeeld, gelet op hun rol in het formuleren van mogelijke beleidsmaatregelen?
Ja, zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Met hoeveel gemeenten, omwonenden en geloofsgemeenschappen zijn deze gesprekken gevoerd, op welke wijze zijn deelnemers geselecteerd en welke methodiek wordt gebruikt om de opgehaalde informatie te wegen?
Voor de verdiepende gesprekken zijn via verschillende kanalen circa 40 gemeenten benaderd om deel te nemen aan dit onderdeel van het traject. De selectie van deze gemeenten is gebaseerd op drie criteria: de grootte van de gemeente, geografische spreiding in Nederland en de aanwezigheid van versterkte religieuze geluidsuitingen.
Tot nu toe hebben in vier gemeenten verdiepende gesprekken plaatsgevonden. In de komende periode staat nog één verdiepend gesprek gepland in een andere gemeente. De overige gemeenten hebben om uiteenlopende redenen aangegeven niet deel te willen nemen aan deze verdiepende gesprekken.
Kunt u garanderen dat alle stukken die niet expliciet bedrijfsgevoelig zijn, waaronder gespreksverslagen, interne analyses, e-mailwisselingen met gemeenten en beleidsmemo’s uiterlijk tegelijk met de eindrapportage openbaar worden gemaakt?
Zoals ik heb uiteengezet in antwoord op uw vraag 3 zullen de bovengenoemde documenten zo spoedig mogelijk worden gedeeld met uw Kamer. Voor de volledigheid en gelet op de omvang van de overige documenten die niet in deze fase kunnen worden gedeeld, zullen deze bij de oplevering van de eindrapportage als bijlage worden toegevoegd.
Bent u bereid de juridische toetsing die ten grondslag ligt aan uw besluit om correspondentie niet te verstrekken, inclusief afwegingen onder artikel 68 Grondwet, met de Kamer te delen?
Zoals aangegeven ben ik bereid om alle relevante documenten en onderliggende stukken met uw Kamer te delen en daarmee te openbaren. Voor de volledigheid en gelet op de grote hoeveelheid, zullen de documenten die (nog) niet in deze fase worden gedeeld bij de oplevering van de eindrapportage als bijlage worden toegevoegd. Er is geen sprake van een weigering van informatie zoals bedoeld in de Beleidslijn actieve openbaarmaking 2022 zodat een juridisch oordeel bij een beroep op een verschoningsgrond van artikel 68 Grondwet niet aan de orde is. In dit kader verwijs ik ook naar de Verzamelbrief over artikel 68 van de Grondwet en de daarbij gevoegde bijlage, die de Minister van BZK op 20 juni 2025 aan uw Kamer heeft doen toekomen.2
Kunt u alle bovenstaande vragen separaat beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘AFM: Schade door oplichting met beleggingstrucs tien keer hoger dan gedacht’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Van piramide tot ijsberg: de onzichtbare omvang van beleggingsfraude in Nederland» naar aanleiding van een door de Autoriteit Financiële Markten uitgevoerd onderzoek?
Ja.
Deelt u de mening dat beleggingsfraude hard aangepakt dient te worden, zeker als het maatschappelijk wenselijk is dat er steeds meer mensen gaan beleggen zodat de Nederlandse en Europese concurrentiepositie worden verstevigd? Zo nee, waarom niet?
Ja. Beleggingsfraude kan aanzienlijke financiële en emotionele schade veroorzaken bij slachtoffers en ondermijnt het vertrouwen in de financiële markten. Wij onderschrijven dat dit zorgelijk is en vinden dat beleggingsfraude hard moet worden aangepakt. Ook omdat het – zowel op individueel als maatschappelijk niveau – wenselijk is dat Nederlandse huishoudens, die voldoende financiële buffers hebben en waar het past binnen hun risicoprofiel en -bereidheid, verantwoord meer gaan beleggen.
Wat is uw reactie op bovengenoemd rapport? Onderschrijft u de schatting in het rapport dat de omvang van beleggingsfraude mogelijk wel tien keer hoger is dan aanvankelijk gedacht?
Wij waarderen het dat de AFM met dit rapport aandacht vestigt op beleggingsfraude. Het rapport laat duidelijk zien dat beleggingsfraude in Nederland nog veel omvangrijker is dan gedacht. Het is van belang om beleggingsfraude aan te pakken en wij vinden het dan ook positief dat de AFM voorstellen doet om de aanpak van beleggingsfraude te verbeteren. De schatting dat de daadwerkelijke schade mogelijk tien keer hoger ligt dan aanvankelijk gedacht, is afkomstig uit het rapport. Het betreft een ruwe schatting van de AFM op basis van de geregistreerde omvang van beleggingsfraude in Nederland, een verwacht geregistreerd schadebedrag op basis van een internationale vergelijking en een correctie van dit bedrag voor de meldingsbereidheid van mensen. Wij kunnen de werkwijze en de daaruitvolgende schatting van de AFM goed volgen, maar het blijft een schatting en het is niet mogelijk om de omvang exact te bepalen.
Wat zijn volgens u momenteel de grootste problemen in het voorkomen van beleggingsfraude?
Volgens het rapport zijn er meerdere knelpunten die het voorkomen van beleggingsfraude bemoeilijken. Beleggingsfraude en nieuwe modus operandi ontwikkelen zich snel door toenemende digitalisering en internationalisering. Via socialemediaplatformen komen beleggers vaak voor het eerst in contact met fraudeurs. Ze worden verleid met hoge rendementen en bekende personen die vertrouwen creëren en de belegging aanprijzen in nepadvertenties. De AFM wijst dan ook op de verantwoordelijkheid van socialemediaplatformen en andere poortwachters in het voorkomen dat hun diensten worden misbruikt voor malafide doeleinden. Verder constateert de AFM dat de meldingsbereidheid onder slachtoffers laag is, onder meer vanwege gevoelens van schaamte en gebrek aan vertrouwen in het nut van melden. Daarnaast noemt het rapport dat er geen centrale en uniforme registratie is, waardoor meldingen versnipperd zijn over verschillende instanties en het totale beeld van het probleem onvoldoende duidelijk blijft. Beide factoren belemmeren gericht preventief en repressief handelen van instanties, terwijl dit beleggingsfraude deels zou kunnen voorkomen. Wij onderschrijven de knelpunten die de AFM in haar rapport beschrijft. Daarnaast benadrukken wij dat het van belang is dat beleggers- voordat zij een belegging doen -controleren of zij dat doen bij een instelling die daarvoor de vereiste vergunning(en) heeft.
Wat zijn volgens u momenteel de grootste problemen die repressief handelen tegen beleggingsfraude in de weg staan?
De belangrijkste knelpunten bij de voorkoming van beleggingsfraude (zoals hierboven genoemd) gelden ook als problemen die repressiein de weg staan. Daarnaast geldt voor repressief handelen specifiek dat het internationale en digitale karakter van beleggingsfraude het moeilijk maakt daders te traceren en te vervolgen.
Deelt u de mening dat de integratie van de huidige diverse meldpunten tot één meldpunt voor beleggingsfraude verstandig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid zich hiervoor in te spannen en op welke termijn zou dit dan gereed kunnen zijn?
Op dit moment kunnen wij niet beoordelen of de integratie van de huidige diverse meldpunten tot één centraal meldpunt voor beleggingsfraude verstandig en (juridisch) mogelijk is. De AFM heeft in het rapport opgeroepen tot overleg met ketenpartners en opsporingsdiensten over dit onderwerp om te onderzoeken of deze wens breder gedeeld wordt en, zo ja, hoe hier invulling aan gegeven kan worden. De AFM heeft ons laten weten hiertoe graag het initiatief te nemen. Wij ondersteunen dit initiatief van de AFM. Mede gezien de oproep van de AFM, zien wij op dit moment geen rol voor ons weggelegd in die gesprekken. Wel zullen wij bezien, indien nodig en mogelijk, welke ondersteuning te geven is aan eventuele vervolgstappen die hieruit voortvloeien.
Overweegt u aanvullende maatregelen tegen beleggingsfraude? Zo nee, waarom niet? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u?
Binnen de publiek-private samenwerking voor de integrale aanpak van online fraude werken verschillende publieke en private partijen samen, waaronder de Ministeries van Financiën, van Economische Zaken en van Justitie en Veiligheid, OM, politie, toezichthouders, financiële instellingen en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en consumentenorganisaties om uiteenlopende vormen van fraude te voorkomen, te signaleren en te bestrijden. Voor online beleggingsfraude zijn in 2025 met experts technische barrières en interventies ontwikkeld om online beleggingsfraude te voorkomen.1 Wij willen bezien of het naar aanleiding van voornoemde verkenning noodzakelijk is om aanvullende maatregelen te nemen tegen (online) beleggingsfraude. Daarbij zullen wij met de betrokken partijen optrekken.
Het voorkomen van antisemitische verstoringen van de Chanoekaviering in Amsterdam |
|
Annelotte Lammers (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangekondigde tegendemonstraties rondom de Chanoekaviering met voorzanger Shai Abramson op zondag 14 december 2025 bij het Koninklijk Concertgebouw in Amsterdam, waarbij antisemitische groepen oproepen tot acties die gericht zijn op het verstoren van deze Joodse viering?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de opvatting dat antisemitische groeperingen niet mogen verhinderen dat deze Joodse viering op waardige en veilige wijze kan plaatsvinden?
Het is niet aan het kabinet, maar aan het lokaal gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren, en waar nodig te beperken of in het uiterste geval te verbieden. Om een ongehinderde en veilige instroom van het Concertgebouw mogelijk te maken en ter voorkoming van wanordelijkheden had de burgemeester van Amsterdam besloten dat bij de ingangen van het Concertgebouw geen demonstraties mochten plaatsvinden. In dit geval heeft uiteindelijk de rechter bepaald dat een kleine groep demonstranten onder bepaalde voorwaarden toch mocht demonstreren bij het Concertgebouw. Andere demonstranten konden onder voorwaarden op het Museumplein demonstreren. Waar demonstranten zich niet aan deze voorwaarden hielden, heeft de politie direct opgetreden en aanhoudingen verricht. Het is aan het openbaar ministerie en aan de rechter om te bepalen of er sprake was van strafbare feiten.
Deelt u de zorgen van steeds meer Joodse Nederlanders die vrezen dat zij niet langer zonder risico een religieus-cultureel evenement kunnen bijwonen vanwege antisemitische demonstraties? Bent u bovendien bekend met de open brief van mevrouw Lia Flesschedrager, die een indringend voorbeeld schetst van deze angst doordat haar 88-jarige vader met vasculaire dementie en haar 87-jarige moeder mogelijk niet veilig de Joodse viering kunnen bereiken?4
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om, in overleg met de burgemeester van Amsterdam, alle noodzakelijke maatregelen te treffen om de veiligheid van bezoekers te garanderen en daarbij tevens te bespreken of het afkondigen van een noodverordening wenselijk is om antisemitische verstoringen te voorkomen, mede gezien eerdere antisemitische incidenten bij Joodse evenementen, zoals bij de opening van het Nationaal Holocaustmuseum?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden en wel uiterlijk vóór zondag 14 december 2025?
Helaas is dat niet gelukt. Op 9 januari jl. heb ik uw Kamer een uitstelbericht gezonden.
De uitvoering van de motie Dijk c.s. over één periodieke tandartscontrole per jaar vanuit het basispakket vergoeden |
|
Jimmy Dijk , Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Lager inkomen of opleiding? Grotere kans op kiespijn en kunstgebit»?1
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) monitort de mondgezondheid in Nederland en ziet dat de meeste Nederlanders (73% in 2023) hun mondgezondheid als goed ervaren, maar er zijn verschillen tussen sociaaleconomische groepen, waarbij lagere groepen het minder goed ervaren.2 De (financiële) toegankelijkheid van de mondzorg en het belang van preventieve mondzorg, zoals twee keer per dag poetsen met fluor, verdienen daarom aandacht.
Hoe kijkt u naar het feit dat één op de vijf mensen met een laag inkomen de tandarts mijdt vanwege de kosten?
We zien helaas dat circa 640.000 Nederlanders om financiële redenen niet regelmatig naar de tandarts gaan. Dit is natuurlijk onwenselijk, omdat dit kan leiden tot mondziekten en grotere problemen met de gezondheid. Ik merk op dat de financiële redenen vaak samengaan met andere redenen om de mondzorg te mijden (en dat het vaak begint met goede preventieve mondzorg). Het is daarom belangrijk dat een volgend kabinet de problematiek integraal bekijkt, waaronder de financiële toegankelijkheid van de mondzorg, en daarin keuzes maakt.
Deelt u de mening dat het een bizarre situatie is dat mondzorg nog steeds wordt behandeld als een luxeproduct, door het niet uit de basisverzekering te financieren, terwijl het enorm belangrijk is voor de mondgezondheid, de bredere gezondheid, de arbeidsparticipatie en het welzijn van mensen?
Ik deel noch de mening dat mondzorg «een luxeproduct» is, noch dat de mondzorg zo behandeld wordt. Ik ben wel van mening dat we moeten voorkomen dat we grote kostbare en minder gerichte maatregelen, zoals pakketmaatregelen, om de problemen bij een relatief kleine groep op te lossen. De gehele mondzorg in het basispakket heeft gevolgen voor de betaalbaarheid van de zorg en de zorgpremie, terwijl het gewenste effect «minder ongewenste zorgmijding», maar beperkt wordt behaald. Ik heb uw Kamer daarom op 10 december een brief gestuurd met daarin mogelijke gerichtere maatregelen3 ter overweging aan het volgende kabinet.
Zo ja, bent u bereid om mondzorg voortaan uit de basisverzekering te vergoeden? Zo nee, waarom hecht u zo weinig belang aan het belang van goede mondzorg voor iedereen?
Ik begrijp de vraag vanuit uw Kamer om meer mondzorg vanuit het basispakket te vergoeden. Ook ik hecht er veel waarde aan dat mensen in Nederland een goede mondgezondheid hebben. Het uitbreiden van het pakket met meer mondzorg is echter, zoals ik hierboven heb genoemd, een grote maatregel. Het Zorginstituut Nederland (hierna: Zorginstituut) is daarom gevraagd om te adviseren over een passende aanspraak op mondzorg. Uw Kamer is eerder geïnformeerd over de fases en de tijdlijnen van dit adviestraject.4 , 5
Daarnaast heb ik, mede gezien de roep om de aanspraak op mondzorg uit te breiden, aan het Zorginstituut gevraagd om versneld te toetsen of mondzorg voor volwassenen in beginsel voldoet aan de wettelijke criteria van de Zvw, een zogenaamde principiële toets. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief van dd. 10 december 2025. Het Zorginstituut heeft geconcludeerd dat op preventie gerichte mondzorg in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. De op behandeling gerichte mondzorg voldoet in principe wel aan het ingangscriterium van de Zvw. Dit betekent niet dat het Zorginstituut nu al adviseert om op behandeling gerichte mondzorg in het pakket op te nemen. Om te bepalen welke mondzorg eventueel passend is voor het pakket weegt het Zorginstituut namelijk naast de wettelijke criteria ook de maatschappelijke pakketcriteria mee. Bovendien is besluitvorming over het uitbreiden van het pakket aan een volgend kabinet.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van met een zeer brede meerderheid aangenomen motie Dijk c.s., die de regering verzocht «om één periodieke controle per jaar vanuit het basispakket te vergoeden, en de kosten te dekken door actieve fraudebestrijding in de zorg en door zo spoedig mogelijk nieuwe medisch specialisten alleen nog in loondienst te nemen»?2
Ik heb in mijn brief van dd. 10 december 2025 toegelicht hoe ik de motie Dijk c.s. heb afgedaan. De voorgestelde dekking om (nieuwe) medisch specialisten in loondienst te brengen, is zeer onzeker vanwege de benodigde wetgeving die ingrijpt in eigendom. Deze is moeilijk te onderbouwen en moeilijk uitvoerbaar. Daarbij is er al een opdracht om op de beloning van medisch specialisten 150 miljoen te besparen.7Deze maatregel hangt daar mee samen. Bovendien heeft het Zorginstituut geconcludeerd dat de op preventie gerichte mondzorg zonder medische indicatie in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. Opname in het basispakket van de periodieke controle is dan ook vooralsnog niet aan de orde. Tot slot blijkt uit onderzoek dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben.8
Eén periodieke controle vergoeden vanuit het basispakket biedt daarom geen (volledige) oplossing voor de mensen die om financiële redenen de tandarts vermijden.
Waarom schreef u in antwoord op feitelijke vragen over deze motie dat het «aan het nieuwe kabinet [is] om te bezien of opname in het basispakket wenselijk is en hoe deze extra uitgaven financieel gedekt worden»?3 Waarom voert u dit besluit van een ruime Kamermeerderheid niet gewoon uit, aangezien deze motie heel duidelijk was over de opdracht en de financiële dekking daarvan?
In bovengenoemde brief aan uw Kamer heb ik toegelicht waarom ik de motie heb afgedaan. Ik zal dat normaals kort toelichten: De voorgestelde dekking om (nieuwe) medisch specialisten in loondienst te brengen, is zeer onzeker vanwege de benodigde wetgeving die ingrijpt in eigendom. Deze is moeilijk te onderbouwen en moeilijk uitvoerbaar. Daarbij is er al een opdracht om op de beloning van medisch specialisten 150 miljoen te besparen. Deze maatregel hangt daar mee samen. Bovendien heeft het Zorginstituut geconcludeerd dat de op preventie gerichte mondzorg zonder medische indicatie in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. Opname in het basispakket van de periodieke controle is dan ook vooralsnog niet aan de orde. Tot slot blijkt uit onderzoek dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben. Eén periodieke controle vergoeden vanuit het basispakket biedt daarom geen (volledige) oplossing voor de mensen die om financiële redenen de tandarts vermijden.
Herinnert u zich de uitspraak van Minister-President Schoof tijdens de algemene beschouwingen «U heeft gelijk: die motie is aangenomen en heeft daarmee ook een duidelijk signaal afgegeven. We zullen de motie ter hand nemen – dat is logisch – en het op zo’n manier aanpakken dat het volgende kabinet alle bouwstenen heeft om hiermee verder te gaan. Op die manier hoop ik iets van beweging te krijgen.»? Is het kabinet inmiddels wel bereid om te erkennen dat de Kamer niet demissionair is en aangenomen moties niet kunnen worden overlaten aan het volgende kabinet?
Ja, dat herinner ik mij. Ik heb dan ook, zoals de Minister-President aangaf, de motie serieus in overweging genomen. Het was om bovengenoemde redenen niet haalbaar om de motie uit te voeren. Dit neemt niet weg dat ik het signaal dat er mensen zijn die om financiële redenen de tandarts mijden serieus neem. Ik zet mij nog steeds in om voor deze groep mensen tot een oplossing te komen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één en voor de begrotingsbehandeling VWS te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Rijkswaterstaat en ProRail slaan alarm: 'Achterstand onderhoud meer dan 50 miljard’' |
|
Björn Schutz (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Tieman , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL Nieuws waarin ProRail en Rijkswaterstaat waarschuwen dat de onderhoudsopgave zo groot is dat «het land op slot dreigt te gaan»?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe de achterstanden in het onderhoud van wegen, bruggen, waterwegen, spoor zijn verdeeld en hoe deze in de tijd zijn ontstaan?
Uit het Jaarverslag Mobiliteitsfonds 20242 blijkt dat het uitgesteld onderhoud voor Rijkswaterstaat (RWS) in 2024 is opgelopen tot € 2,16 miljard. Voor het hoofdwegennet bedraagt dit € 1,019 miljard, voor het hoofdvaarwegennet € 871 miljoen en voor het hoofdwatersysteem € 270 miljoen. Dit sluit aan bij de groeiende trend over de periode 2020–2023 en eerdere prognoses, waaronder de prognose uit de rapportage van Rebel Groep. De Kamer is hierover in juni 2024 geïnformeerd via de Kamerbrief «Verhogen productievermogen instandhouding Rijkswaterstaat-netwerken».3
Aan het oplopen van het uitgesteld onderhoud bij Rijkswaterstaat liggen meerdere oorzaken ten grondslag. Veel infrastructuur die aan het eind van de jaren «50 en «60 is gebouwd is aan vervanging toe en slijt sneller door intensiever gebruik en toename van zwaar verkeer. Daarnaast worden er vanuit klimaat, duurzaamheid en weerbaarheid nieuwe eisen gesteld aan de infrastructuur. Ook spelen wijzigende marktomstandigheden, onvoorziene gebeurtenissen die met hoge prioriteit moeten worden opgepakt, een beperkte beschikbaarheid van capaciteit bij Rijkswaterstaat en marktpartijen, evenals een tekort aan beschikbare middelen een belangrijke rol.
Door het toenemende uitgestelde onderhoud neemt de kans op storingen en beperkingen op de netwerken toe. Hierdoor moet er steeds meer worden geïnvesteerd in (kostbare) correctieve en levensduurverlengende maatregelen, wat leidt tot aanzienlijke kosten bovenop de geplande uitgaven. Ook drukt het andere geplande maatregelen naar achteren in de programmering. Als gevolg hiervan neemt de instandhoudingsopgave toe en komen de beschikbare budgetten steeds meer onder druk te staan. De Algemene Rekenkamer heeft berekend dat het tekort tussen het benodigde en beschikbare budget voor Rijkswaterstaat in de periode 2024–2038 € 34,5 miljard bedraagt4.
Op dit moment is er voor ProRail, op enkele plekken op de Havenspoorlijn na, geen achterstand op de exploitatie, het onderhoud en de vernieuwing (in de zin van vervanging). De Staat van de Infrastructuur ProRail 2024 laat zien dat de gemiddelde staat van het spoor als ruim voldoende wordt beoordeeld en dat veiligheid en betrouwbaarheid zijn geborgd. Tegelijkertijd staat dit niveau onder toenemende druk door veroudering van systemen, een stijgend aantal storingen en een oplopende vervangingsopgave. Uit de Kamerbrief «Bijgewerkt beeld financiële opgaven», die in juli 2025 aan de Kamer is aangeboden5, blijkt wel dat er een verschil is tussen budgetbehoefte en beschikbaar budget voor nog uit te voeren opgaven op het spoorwegennet in de periode t/m 2038. Een onderdeel daarvan betreft € 1,8 mld. voor het Basiskwaliteitsniveau spoor zoals berekend door de Algemene Rekenkamer6.
Naast de opgaven op instandhouding zijn er ook tegenvallers en risico’s op de aanlegportefeuille. Over de gehele opgave op het Mobiliteitsfonds is uw Kamer in juli 2025 geïnformeerd7.
Is er een lijst van de top-10 projecten die vanwege de technische staat binnen vijf jaar moeten zijn uitgevoerd?
Rijkswaterstaat en ProRail hanteren geen «top 10». Alle projecten zijn belangrijk en dragen bij aan de bereikbaarheid.
Op 8 december jl. is de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat met de Kamer gedeeld. In deze rapportage wordt een overzicht gegeven van de infrastructuur waar beperkingen voor het weg- en scheepvaartverkeer zijn ingesteld, onderhoud is uitgesteld, een verhoogd inspectieregime van kracht is of waar in 2026 grootschalig onderhoud en vernieuwing is gepland. Het Meerjarenplan Instandhouding 2025–2030, dat in juli 2025 met de Kamer is gedeeld, biedt daarnaast inzicht in het gepland grootschalig onderhoud en vernieuwing voor 2027 en 2028. De planning kan gedurende deze jaren wijzigen door herprioritering, vertragingen of andere ontwikkelingen.
Bij prioritering van de werkzaamheden wordt onder meer gekeken naar beschikbaarheid van budget, beschikbaarheid van capaciteit, zowel bij Rijkswaterstaat als de markt, het belang van het object in het netwerk en de technische staat ervan. Ook wordt het werk afgestemd tussen RWS en ProRail en met andere (regionale) partners en stakeholders om hinder voor gebruikers zoveel mogelijk te beperken. Enkele voorbeelden van gepland grootschalig onderhoud en vernieuwing in het komende jaar zijn het groot onderhoud aan de Algerabrug, de vernieuwing van de Krammersluis, de Marijkesluis, de Brug over de Noord en de Papendrechtsebrug.
In het Masterplan ProRail 2027–20318 presenteert ProRail haar integrale programmering van projectmatige werkzaamheden aan het spoor. Dit plan bevat het overzicht van de noodzakelijke vervanging en uitbreidingsopgave voor het spoor. Enkele voorbeelden van gepland grootschalig onderhoud en vernieuwing in het komende jaar zijn de brug over het Amsterdam-Rijnkanaal, de Waalbruggen en Rijnbrug en bovenbouwvernieuwing op verschillende spoortrajecten zoals Amersfoort-Ede-Wageningen, Amsterdam Westerhaven en Flevolijn & Hanzelijn. In veel van de gepresenteerde uitbreidingsprojecten wordt tevens vervanging en herstelwerk geïntegreerd meegenomen.
Hebben Rijkswaterstaat en ProRail het onderhoudsareaal volledig in zicht of zijn er nog ontbrekende gegevens en data waardoor het tekort verder kan oplopen?
Rijkswaterstaat verbetert stapsgewijs het assetmanagement met als doel om de (areaal)informatie over de staat en het functioneren van de netwerken beter in beeld te krijgen. De ambitie van Rijkswaterstaat is om uiteindelijk te werken volgens de internationale standaard ISO-55001. De informatie moet uniform en samenhangend zijn en bijdragen aan het maken van de juiste keuzes. Zo kan RWS zijn keuzes onderbouwen en werkzaamheden helder prioriteren. De Tweede Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de voortgang aan de hand van het Ontwikkelplan Assetmanagement. De projectramingen kennen nog een onzekerheidsmarge passend bij de huidige projectfase, waardoor de projectkosten en het totale tekort nog kunnen oplopen.
ProRail heeft de assetmanagementsystematiek volgens PwC in lijn met de internationale standaard ISO-550009 ingericht en daarmee de assets goed in beeld. PwC stelt daarbij dat dit vertrouwen geeft dat de reeksen op een logische wijze tot stand zijn gekomen. Dit geeft daarmee ook vertrouwen over de hoogte van de door ProRail aangeleverde budgetbehoefte op basis waarvan het Basiskwaliteitsniveau spoor is opgesteld. Tegelijkertijd kan het inzicht in de exacte onderhouds- en vervangingsbehoefte altijd beter. Voor een deel van de infrastructuur zijn gegevens over de technische conditie en resterende levensduur niet volledig of onvoldoende actueel. Dat kan ook niet altijd, bijvoorbeeld bij kabels die onder de grond liggen. In die gevallen wordt gewerkt met algemene uitgangspunten over levensduur, om de vervangingsopgave vast te stellen en risico’s te onderbouwen. Daarnaast ziet ProRail dat bij de uitvoering van groot onderhoud of vervangingswerken het noodzakelijke herstel vaak groter is dan verwacht. Dat kan in de toekomst tot verdere kostenstijging leiden.
Zijn er onderhoudsprojecten ontstaan door technisch falen in operatie of gebruik van infrastructuur? Welke projecten zijn dit?
Veel infrastructuur in Nederland is aangelegd in de vorige eeuw en heeft meer te verduren door intensiever gebruik en steeds zwaarder verkeer dan waar destijds op werd gerekend. Daardoor is meer onderhoud en in diverse gevallen ook eerder vervanging nodig. Rijkswaterstaat en ProRail hanteren daarom een streng inspectiebeleid, waarbij veiligheid altijd voorop staat. Bij inspecties kunnen onvoorziene situaties aan het licht komen, zoals bij de viaducten op de HSL-Zuid. Incidenteel doen zich situaties voor die niet bij een inspectie aan het licht zijn gekomen. Voorbeelden van dergelijke situaties zijn de omhooggekomen tunnels (Prinses Margriettunnel in de A7 en Vollenhoventunnel in de A28), de ontdekking van waterstofverbrossing in beton (naar aanleiding van de ingestorte Carolabrug in Dresden, Duitsland) en de ontwerpfouten in het verleden bij tand-nokverbindingen in bruggen en viaducten. Ook komt het voor dat objecten op een andere manier beschadigd raken. Voorbeelden zijn aanvaringen van bruggen, zoals de afgelopen jaren is voorgevallen op de Hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl, evenals schade door weersomstandigheden zoals de verzakking van het spoor in Zeeland een aantal jaar geleden.
Welke problemen gaan de huidige onderhoudsachterstanden vormen die niet alleen een financiële uitdaging zijn, maar vooral te maken hebben met capaciteit, planning en samenwerking binnen de keten?
Door uitgesteld onderhoud en uitgestelde vernieuwing bij Rijkswaterstaat neemt de kans op storingen en beperkingen op de netwerken toe. Het gevolg hiervan is dat er steeds meer zal moeten worden geïnvesteerd in (kostbare) correctieve en levensduurverlengende maatregelen, in plaats van planmatige en preventieve maatregelen. Deze beheersmaatregelen zullen tot meer hinder voor gebruikers leiden. Bovendien leidt het tot aanzienlijke extra kosten bovenop de geplande uitgaven en drukt het andere geplande maatregelen naar achteren in de programmering. Daarnaast moet er capaciteit worden ingezet die beoogd was om andere maatregelen uit te voeren. Als gevolg hiervan veroudert de infrastructuur verder en nemen de kosten voor instandhouding toe. Hierdoor komen de budgetten en capaciteit steeds verder onder druk te staan.
Verhoging van de productie op instandhouding is nodig om deze ontwikkeling te keren. Uit de recent met de Kamer gedeelde Staat van de Infrastructuur10 en Meerjarenplan Instandhouding11 blijkt dat Rijkswaterstaat binnen het huidige financiële kader niet in staat is om alle projecten uit te voeren die nu in voorbereiding zijn wegens een gebrek aan financiële middelen. Dit zet een rem op de productieverhoging.
Het is aan het nieuwe kabinet om te beslissen over de toekomstige omgang met de infrastructuurnetwerken van zowel Rijkswaterstaat als ProRail. De beschikbaarheid van voldoende structurele middelen is daarvoor een randvoorwaarde. Het alternatief is dat de prestaties van de netwerken naar beneden moeten worden bijgesteld in termen van bereikbaarheid, doorstroming en hinder. Op langere termijn raakt een slechter functionerende infrastructuur aan de welvaart en het welzijn van alle inwoners. Het is van invloed op de veiligheid van de kwetsbare delta en heeft gevolgen voor het vestigingsklimaat en ons concurrentievermogen. Laatstgenoemde komt doordat de verbinding van vitaal economische functies zoals werk, goederen, onderwijs en wonen in het gedrang komen.
Welke concrete proces- en planningsverbeteringen zijn de afgelopen jaren doorgevoerd om onderhoud efficiënter te organiseren zonder dat daar extra financiële middelen voor nodig waren?
Het Ministerie van IenW en Rijkswaterstaat werken sinds 1 januari 2024 op basis van een meerjarenafspraak, waarbij de prestaties en bijbehorende budgetten meerjarig (t/m 2030) zijn afgesproken. Het Basiskwaliteitsniveau (BKN RWS) vormt hiervoor het uitgangspunt. Om het onderhoud efficiënter te organiseren heeft Rijkswaterstaat de volgende initiatieven opgestart:
Deze initiatieven staan meer uitgebreid beschreven in het Meerjarenplan Instandhouding 2025–2030 van Rijkswaterstaat dat op 1 juli 2025 naar de Kamer is gestuurd.12
Het Ministerie van IenW en ProRail hebben in 2024 het Basiskwaliteitsniveau spoor (BKN spoor) uitgewerkt en afspraken gemaakt voor de periode 2026–2037 (inmiddels verlengd tot 2039)13. Het BKN spoor vormt het uitgangspunt voor een efficiënte, duurzame en maakbare instandhoudingsinzet binnen de beschikbare budgetten, waarbij de veiligheid en betrouwbaarheid van het spoornetwerk zijn geborgd. ProRail is na vaststelling van het BKN gestart met de uitwerking en implementatie van maatregelen voor zowel de korte termijn (t/m 2030) evenals de lange termijn (2031–2037). Dit omvat onder andere efficiëntiemaatregelen op het eigen apparaat, maar ook efficiëntiemaatregelen op de werkwijze bij het onderhoud, zoals meer overdag werken. De jaarlijkse subsidiecyclus voor instandhouding werkt net als bij Rijkswaterstaat als een voortrollend meerjarenprogramma waarbij steeds t/m einde looptijd MF (+ 1 jaar) vooruit wordt gekeken.
Welke aanvullende optimalisaties kunnen op korte termijn worden ingevoerd om de achterstanden sneller terug te dringen?
Productieverhoging is nodig om de achterstanden sneller terug te dringen. Naast doorzetten van de ingeslagen weg (zie vraag 7), het creëren van rust, regelmaat en voorspelbaarheid richting de markt en de voortdurende inzet op samenwerking en innovatie, is tijdige (financiële) besluitvorming een randvoorwaarde. Om de voordelen van de portfolioaanpak ten volle te benutten, is er zekerheid nodig over voldoende financiële middelen in de begroting voor de gehele looptijd van zowel het Deltafonds als Mobiliteitsfonds. De besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Zoals bij het antwoord op vraag 2 is aangegeven is er op dit moment – op enkele plekken op de Havenspoorlijn na – geen achterstand op de exploitatie en onderhoud van de Nederlandse spoorweginfrastructuur. Voor het aanpakken van de achterstanden op de Havenspoorlijn is het programma Zee-Zevenaar ingericht. Daarnaast stuurt ProRail met het Masterplan «Integrale programmering van projectmatig werk aan het spoor» vroegtijdig op het integraal programmeren van het projectenportfolio en het maakbaar realiseren van de instandhoudingsopgave en nauwe samenwerking met aannemers. Hiermee wordt de maakbaarheid vergroot en worden mogelijke achterstanden in de toekomst zo veel mogelijk voorkomen.
Welke maatregelen neemt u om ondanks de schaarste aan technisch personeel meer werk in dezelfde tijd te kunnen uitvoeren?
De krapte op de arbeidsmarkt dwingt partijen in de infrasector ertoe om in te zetten op (proces)innovaties om de productiviteit te verhogen. Rijkswaterstaat is ermee gestart om gelijksoortig werk, bijvoorbeeld werk aan tunnels, sluizen, bruggen en viaducten, gebundeld naar de markt te brengen en standaardisatie hierin door te voeren. Andere sporen waarop Rijkswaterstaat inzet om de productiviteit te verhogen zijn kennisontwikkeling, digitalisering en automatisering. Ook past Rijkswaterstaat de komende jaren de interne organisatie aan om te zorgen dat de beschikbare capaciteit beter wordt ingezet en de productie verder kan worden verhoogd.
Met het Masterplan «Integrale programmering van projectmatig werk aan het spoor» helpt ProRail de sector en aannemers om zich voor te bereiden op het werk dat op de markt komt. ProRail organiseert de vervangingsopgave meer in langdurige contracten met aannemers. Dit maakt het mogelijk om het werk meer repeterend in te richten, wat leidt tot een hogere efficiëntie. Denk hierbij aan gebiedsgerichte realisatiecontracten voor bovenbouwvernieuwing. Daardoor heeft de aannemer een grotere stimulans om personeel aan zich te binden. Daarnaast werkt ProRail meer aan standaardisatie van technische systemen zodat er deels pre-fab gebouwd kan worden en minder op piekmomenten in het spoor hoeft te worden gewerkt. Meer standaardiseren van techniek leidt ertoe dat de ontwerpintensiteit afneemt. Een voorbeeld hiervan is het modulaire onderstation.
Hoe wordt geprioriteerd welke trajecten of objecten het eerst worden aangepakt binnen de bestaande middelen, en welke criteria worden daarbij gehanteerd?
Rijkswaterstaat en ProRail werken op basis van een meerjarenprogramma waarin projecten worden geprioriteerd. Bij prioritering van de werkzaamheden van RWS wordt onder meer gekeken naar het belang van het object in het netwerk en de technische staat ervan, de beschikbaarheid van capaciteit bij zowel RWS als de markt én de beschikbaarheid van budget. Binnen het huidige beschikbare budget is het programmeren van nieuwe vernieuwingsprojecten inmiddels alleen nog mogelijk door de uitvoering van andere noodzakelijke vernieuwingsprojecten te vertragen of uit te stellen. Daardoor is er sprake van verdringing in de programmering en kunnen een aantal projecten die in voorbereiding zijn niet in uitvoering worden genomen.
ProRail prioriteert het onderhoud op basis van de ProRail-risicomatrix. Hierbij worden risico’s gewogen op basis van fysieke veiligheid, beschikbaarheid van assets, compliance, duurzaamheid, impact voor omwonenden, reizigers of andere stakeholders én financiën. Ook wordt het werk afgestemd tussen Rijkswaterstaat en ProRail én met andere (regionale) partners en stakeholders om hinder voor gebruikers zoveel mogelijk te beperken.
Welke digitale of innovatieve onderhoudsmethoden kunnen volgens u helpen om de achterstanden sneller in te lopen zonder meer geld?
Het is onmogelijk om de achterstanden volledig in te lopen zonder voldoende financiële middelen. Wel werkt Rijkswaterstaat samen met marktpartijen en onderzoeksinstellingen aan een kennis- en innovatieprogramma om de instandhoudingsopgave sneller, goedkoper, duurzamer, met minder capaciteit én met zo min mogelijk hinder te kunnen uitvoeren. Het meeste wordt verwacht van overbruggingsstrategieën (infrastructuur werkend houden tot het moment van vernieuwing), levensduurverlenging (bijvoorbeeld «verjongingscrème» voor asfalt) en het werken met portfolio’s waarmee gelijksoortig werk gebundeld naar de markt wordt gebracht en wordt gestandaardiseerd. Ook wordt onderzocht op welke manieren digitalisering, AI en robotisering kunnen helpen om werkprocessen te vereenvoudigen en te optimaliseren.
ProRail onderzoekt de meerwaarde van innovatieve onderhoudsmethoden. Zo werkt ProRail sinds kort met beeldinspecties die door AI beoordeeld worden op potentiële afwijkingen. Vervolgens worden de beeldinspecties voorgelegd aan inspecteurs van ProRail ter validatie en beoordeling. Hiermee vergroot ProRail de reikwijdte van zijn inspecteurs. Wel geldt bij de ontwikkeling van innovaties een minimaal vereiste van een kostenneutrale of positieve business case, om daarmee binnen de kaders van beschikbare financiering te blijven.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang bij het verkorten van doorlooptijden en het wegwerken van achterstanden, met nadruk op procesverbeteringen en efficiencywinst?
In het Jaarverslag Mobiliteitsfonds 202414 wordt er gerapporteerd over de omvang van het uitgesteld onderhoud bij Rijkswaterstaat. Aan de hand van deze cijfers wordt inzicht verschaft in hoeverre de onderhoudsachterstanden worden weggewerkt.
Daarnaast wordt er in het Jaarverslag Mobiliteitsfonds gerapporteerd over de financiële omvang van de gerealiseerde productie voor instandhouding bij Rijkswaterstaat en ProRail. In de Kamerbrief «Rapportages Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail 2024» die op 8 december met de Kamer is gedeeld15, is toegezegd om de Kamer op korte termijn te informeren over de wijze waarop de materiële productiegroei bij Rijkswaterstaat inzichtelijk wordt gemaakt zodat het onderscheid met de prijsstijgingen zichtbaar is.
Via de Staat van de Infrastructuur ProRail en op reguliere begrotingsmomenten wordt de Kamer over de voortgang van de instandhoudingsopgave van de spoorweginfrastructuur geïnformeerd.
Hoe gaat u de extra hinder meer inclusief managen voor de omgevingen, regionale economieën en ondernemers?
Hinder als gevolg van de werkzaamheden is in veel gevallen onvermijdelijk. De hinder op het hoofdwegennet wordt zoveel mogelijk beperkt door het toepassen van de hinderaanpak; een gestructureerde methode om verkeersoverlast te verminderen. De hinderaanpak is gestoeld op drie pijlers; slim plannen, slim bouwen en slim reizen. Slim plannen betekent dat werkzaamheden waar mogelijk worden gecombineerd en worden afgestemd met andere wegbeheerders en ProRail. Slim bouwen betekent dat werkzaamheden in één keer worden uitgevoerd en dat de voorkeur uitgaat naar volledig afsluiten van de weg in plaats van langdurig gefaseerd werken. Slim reizen betekent dat weggebruikers tijdig duidelijk worden geïnformeerd en op de hoogte zijn van alternatieve manieren om te reizen. Toepassen van alleen de hinderaanpak vanuit de infrabeheerders zal niet afdoende zijn. Er wordt ook ingezet op de denkkracht en flexibiliteit van omgeving en ondernemers om bij te dragen aan het beperken van de hinder.
ProRail houdt bij de meerjarige programmering van werkzaamheden op het hoofdspoorwegennet zo veel mogelijk rekening met het beperken van herhaaldelijke hinder voor reizigers en goederenvervoerders op specifieke lijnen en in regio’s. Onevenredige hinder wordt waar mogelijk voorkomen. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk dat in bepaalde situaties tijdelijk meer hinder optreedt op de ene locatie dan op de andere. De ervaring van de afgelopen jaren laat zien dat tijdige en duidelijke communicatie essentieel is om overlast te beperken. ProRail past deze lessen, onder meer opgedaan bij eerdere grootschalige buitendienststellingen, structureel toe in de communicatie over geplande werkzaamheden.
Is het denkbaar dat projecten meer integraal in plaats van op zichzelf worden beschouwd qua planning in de jaarkalender, en meer structureel in lijn met belangen van stakeholders?
De planning van werkzaamheden vindt al integraal plaats. In intensieve afstemming tussen infrabeheerders, zowel landelijk als regionaal, wordt gezocht naar maakbare uitvoering van projecten. De maakbaarheid wordt ingekaderd door budget, geografische mogelijkheden, de staat van het object, stikstofruimte, capaciteit bij RWS, ProRail en marktpartijen én mogelijkheden om werkzaamheden te combineren. Een voorbeeld hiervan is het in samenhang plannen van onder meer het werk aan de bruggen en tunnels in de regio Rotterdam-Rijnmond. De uitvoering van projecten is ook in het belang van stakeholders, maar gaat in veel gevallen gepaard met hinder voor de omgeving. Dit kan gevolgen hebben voor de economische en sociale structuur van een gebied.
Met het Masterplan «Integrale programmering van projectmatig werk aan het spoor» stuurt ProRail vroegtijdig op het integraal programmeren van het projectenportfolio en het maakbaar realiseren van de instandhoudingsopgave en samenwerking binnen de keten.
Deelt u de mening dat als mitigerende maatregelen in natura ontoereikend zijn om de onevenredigheid van nadeel voor bepaalde sectoren te voorkomen, en overlastsituaties over een langere periode een meer structureel karakter krijgen, bijvoorbeeld door opvolgende projecten op hetzelfde traject, een andere compensatiestelsel wenselijk is dan de vigerende nadeelcompensatieregeling(en), die vooral bedoeld zijn voor incidenteel nadeel?
Door de intensivering van instandhoudingswerkzaamheden door Rijkswaterstaat en ProRail, is hinder voor gebruikers in veel gevallen onvermijdelijk. Beide organisaties proberen de hinder zoveel mogelijk te beperken. Niet alleen heeft hinder nadelige gevolgen voor gebruikers, het kan ook leiden tot schade voor burgers, bedrijven en/of organisaties. Om dit te voorkomen, zetten Rijkswaterstaat en ProRail mitigerende maatregelen in.
Indien er toch schade of nadeel door een RWS-project wordt ondervonden, kunnen gedupeerden die onevenredig zwaar worden getroffen nadeelcompensatie aanvragen. De aanvragen nadeelcompensatie worden per schade-oorzaak zorgvuldig behandeld door een onafhankelijke adviescommissie. In de beoordeling van de aanvraag worden de aard en duur van de schade meegewogen. Binnen dit kader bestaat tevens de mogelijkheid om rekening te houden met langdurig of blijvend nadeel.
ProRail volgt de geldende afspraken met Rijk en de sector over compensatie door werkzaamheden, zoals vastgelegd in de Netverklaring van ProRail. Ik zie daarom geen aanleiding om een ander compensatiestelsel te introduceren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de behandeling van de begroting?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het NGO Monitor-rapport |
|
Gidi Markuszower (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het NGO Monitor-rapport (hierna: rapport)1, waaruit blijkt dat de internationaal en nationaal geïndiceerde Palestijns-Islamitische terreurgroep Hamas vóór 7 oktober een uitgebreid systeem heeft opgebouwd om humanitaire organisaties te controleren, te infiltreren en te manipuleren, inhoudende dat vertrouwelingen bij met EU-geld gefinancierde ngo’s in Gaza op sleutelposities (bijvoorbeeld bestuursvoorzitter, directeur, onderdirecteur, etc.) werden gestationeerd?2
Ik ben bekend met het rapport.
Hoeveel geld heeft Nederland vanaf 2015 via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen overgemaakt naar de in het rapport bij naam genoemde organisaties? Graag een gedetailleerde specificatie, uitgesplitst naar jaar en organisatie.
Zowel de resultaten als de bedragen per gesteunde organisatie zijn te vinden in het webportaal nlontwikkelingshulp.nl. Het webportaal voor ontwikkelingshulp is zo transparant mogelijk over Nederlandse ontwikkelingsprojecten en bevat ook verantwoordingsinformatie van onze partners. Besluiten om organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen (bijvoorbeeld via zogeheten Organizational Risk and Integrity Assessments).
Van de organisaties die worden genoemd in het rapport zijn er vanuit de gehele BZ- en BHO-begrotingen alleen directe ODA-contracten geweest in de genoemde periode met International Medical Corps, Norwegian Refugee Council, Handicap International, Mercy Corps en Oxfam. De activiteiten met deze organisaties kwamen ten goede aan meerdere landen, waaronder Afghanistan, Irak, Jordanië, Kenia, Laos, Libanon, Nigeria, de Palestijnse Gebieden, Senegal en Syrië.
2015
423.434
2016
1.757.500
2.729.391
25.066.678
2017
489.877
504.000
4.106.468
16.447.989
2018
88.434
900.000
488.400
2.856.647
15.568.000
2019
461.011
620.500
2.310.261
13.946.333
2020
912.931
63.989
458.350
2.133.993
25.546.144
2021
6.191.607
733.562
445.312
6.117.483
2022
2.970.395
202.819
274.546
164.666
34.692.391
2023
2.676.117
39.621
831.250
26.542.085
2024
763.425
489.967
421.788
24.854.128
Hoeveel geld heeft Nederland vanaf 2015 via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen overgemaakt naar de Palestijns-Arabische bevolking, de Palestijnse Gebieden, de Palestijnse autoriteit, de Westoever en/of Gaza en NGO’s actief in de Palestijnse Gebieden? Graag een gedetailleerde specificatie, uitgesplitst naar jaar en organisatie.
Vanaf 2015 tot en met 2025 is er van de BZ- en BHO-begrotingen in totaal 348 miljoen euro in ODA-gelden direct ten goede gekomen aan activiteiten voor de Palestijnse Gebieden.
2015
20.299.408
2016
20.607.310
2017
23.185.882
2018
20.956.949
2019
24.935.692
2020
22.568.401
2021
29.348.275
2022
23.724.577
2023
21.634.549
2024
53.861.486
2025
63.381.514
Hoeveel geld heeft Nederland, na wijziging van de begrotingsstaat samenhangende met de najaarsnota, in totaal begroot aan uitgaven en verplichtingen, zowel voor wat betreft de BHO-begroting alsmede de ODA-gelden op andere begrotingen, voor de Palestijns-Arabische bevolking, de Palestijnse gebieden, de Palestijnse autoriteit, de Westoever en/of Gaza? Graag een totaal, gespecificeerd en gedetailleerd overzicht.
In de onderstaande tabel staan de begrote bedragen voor uitgaven via de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah (gedelegeerde middelen). Afgezien van de voorgenomen bijdrage van 16 miljoen euro aan het humanitaire landenfonds van de VN voor de Palestijnse gebieden in 20263 programmeert het ministerie centrale middelen per thema, niet per land.
Handel en economie
4.000.000
4.000.000
0
0
Water
15.000.000
15.000.000
15.000.000
15.000.000
Veiligheid en stabiliteit
5.400.000
5.000.000
150.000
0
Wat is het Nederlandse aandeel, via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen, in deze mede door de EU-gefinancierde en door Hamas geïnfiltreerde NGO’s?
Het kabinet onderstreept nogmaals altijd zeer serieus om te gaan met signalen over misbruik van ontwikkelingshulpgelden of aantijgingen die wijzen op banden tussen hulporganisaties en terroristische organisaties, zo ook rapporten van NGO Monitor. Er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van NGO Monitor steunt. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties, op orde zijn. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor.4 Ook wijs ik u op de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO monitor5 6.
In hoeverre zijn er signalen bij u bekend dat de betrokken NGO’s op de hoogte waren van het feit dat zij werden gecontroleerd en/of geïnfiltreerd dan wel op andere wijze dienstig waren aan de terreuractiviteiten van Hamas?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om een strafrechtelijke onderzoek naar de betrokken NGO’s te entameren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6. Het is daarnaast aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of een strafrechtelijk onderzoek wordt gestart en vervolgens of, op basis van dit onderzoek, overgegaan wordt tot strafrechtelijke vervolging. Het is niet aan het kabinet om daar in te treden.
Bent u bereid om de betrokken NGO’s, nu zij in Gaza dusdanig onder controle blijken te staan van Hamas, als terroristische organisatie aan te merken en op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6. Het is aan het Openbaar Ministerie de (civielrechtelijke) bevoegdheid toe om op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (BW) aan de rechter een verzoek tot verbodenverklaring van een rechtspersoon, waarvan de werkzaamheid of het doel in strijd is met de openbare orde, te doen. Strijdig met de openbare orde is in ieder geval een doel dat, of werkzaamheid die leidt (of klaarblijkelijk dreigt te leiden) tot een bedreiging van de nationale veiligheid of de internationale rechtsorde of tot de ontwrichting van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag. Daarnaast kán als strijdig met de openbare orde worden gezien de aantasting van de menselijke waardigheid, het leiden tot geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie. Of en wanneer een rechtspersoon voor een verbodenverklaring op grond van artikel 2:20 BW in aanmerking komt, is derhalve aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter om te bepalen.
Het Openbaar Ministerie heeft eveneens de bevoegdheid om strafrechtelijk op te treden tegen organisaties die strafbare feiten plegen of bevorderen. Voor een strafrechtelijk onderzoek is een verdenking vereist; er dient een redelijk vermoeden te bestaan dat de organisatie en/of haar leden zich schuldig maken aan een of meerdere strafbare feiten. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of in een concreet geval sprake is van een verdenking van een strafbaar feit en of er in een bepaald geval strafrechtelijke vervolging dient te worden ingesteld. Het uiteindelijke oordeel, ook over de vraag of er in strafrechtelijke zin sprake is van een terroristische organisatie, is aan de (straf)rechter.
De Minister van Buitenlandse Zaken kan bij voldoende aanwijzingen van betrokkenheid bij terroristische activiteiten, in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Justitie en Veiligheid, een persoon of organisatie op de nationale sanctielijst terrorisme plaatsen. Voldoende aanwijzingen zijn onder meer de instelling van een onderzoek of vervolging door een bevoegde instantie wegens een terroristische activiteit of poging daartoe, een veroordeling door de rechter voor voornoemde feiten of een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst dat geloofwaardige indicaties bevat van betrokkenheid van een persoon of organisatie bij een terroristische activiteit of poging daartoe.
Het plaatsen van personen of organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme is een vergaande en ingrijpende maatregel die een zorgvuldig proces vereist. Alleen wanneer wordt voldaan aan de juridische vereisten voor een dergelijke plaatsing, zal een persoon of organisatie op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst.
Welke maatregelen heeft dit kabinet inmiddels genomen om te voorkomen dat met Nederlands belastinggeld een terreurorganisatie als Hamas via de EU wordt gesteund? Welke maatregelen heeft dit kabinet genomen om er voor zorg te dragen dat de EU hiermee stopt?
Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties, op orde zijn. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Zie ook het antwoord op vraag 5 en 6.
Is dit kabinet voornemens om de aan de betrokken NGO’s overgemaakte gelden terug te vorderen en deze organisaties uit te sluiten voor toekomstige subsidies? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Het bericht dat steeds meer tbs’ers wachten op plek in een kliniek en hiervoor schadevergoeding ontvangen |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer tbs’ers wachten op plek in kliniek en krijgen schadevergoeding» van de NOS van 6 december 2025?1
Ja.
Hoe lang blijft u nog vasthouden aan het falende tbs-stelsel dat inmiddels structureel vastgelopen is, terwijl de samenleving wél opdraait voor de fors oplopende kosten, wachttijden, capaciteitstekorten en bureaucratische chaos? Erkent u dat dit stelsel niet meer te verdedigen is en dat we het gewoon moeten afschaffen?
Nee, deze mening deel ik niet. Het behandelen van ter beschikking gestelden in een hoog beveiligde kliniek draagt bij aan een veilige samenleving. Na een tbs-behandeling ligt de zeer ernstige recidive laag, op 3% na twee jaar en op 9% na tien jaar (tbs-gestelden uitgestroomd met voorwaardelijke beëindiging tussen 2008 en 2021).2 Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) heeft dit onderzocht. Het afschaffen van tbs zou leiden tot meer recidive omdat deze groep justitiabelen dan onbehandeld vrij komt na een gevangenisstraf, met mogelijk nieuwe strafbare feiten met nieuwe slachtoffers tot gevolg. Kortom, ik sta achter het tbs-stelsel en wil het juist versterken zodat het ook op de lange termijn goed blijft functioneren (zie mijn antwoord op vraag 6).
Bent u bereid te onderzoeken op welke wijze de huidige krankzinnige schadevergoedingen aan tbs-veroordeelden, die bij het grote publiek volstrekt onbegrijpelijk zijn, in zijn geheel kunnen worden afgeschaft?
Nee. Het betalen van een passantenvergoeding is verplicht volgens jurisprudentie van de Hoge Raad en van het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Het Europese Hof stelt dat de wachttijd voor plaatsing in een tbs-kliniek niet te lang mag zijn, omdat het een serieuze uitholling zou zijn van het recht op vrijheid (artikel 5, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Op basis van deze uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het verblijf in een gevangenis langer dan vier maanden in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek, onrechtmatig is. De norm van vier maanden is daarna bij wet bepaald in artikel 6.3. Wet Forensische Zorg. Indien plaatsing binnen vier maanden niet lukt, kan de tbs-gestelde aanspraak maken op een passantenvergoeding. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming stelt de hoogte van de vergoeding vast.3
Deelt u de mening dat het tijd wordt te erkennen dat het onhoudbaar is dat daders zich kunnen onttrekken aan een gewone gevangenisstraf door een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid en dat het hoog tijd is om deze schulduitsluitingsgrond af te schaffen zodat ook deze daders simpelweg worden gestraft in plaats van te worden beloond met een tbs-maatregel?
Nee, deze mening deel ik niet. De tbs-maatregel is een combinatie van straf en zorg voor daders met complexe problematiek, die door de rechter geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar worden verklaard. Met de tbs-maatregel onttrekken daders zich niet aan een gewone gevangenisstraf, maar kunnen zij intensief voor hun stoornis worden behandeld. Bovendien hebben rechters de mogelijkheid om een combinatievonnis op te leggen, waarbij een gevangenisstraf en een tbs-maatregel worden gecombineerd.
Deelt u de mening dat de tbs-maatregel in de praktijk is verworden tot een strategisch instrument van tbs-advocaten, dat wordt ingezet wanneer vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging niet binnen bereik ligt en dat dit strategisch gebruik ertoe bijdraagt dat rechters de tbs-maatregel steeds vaker opleggen?
Nee, deze mening deel ik niet. Ik heb veel vertrouwen in het vermogen van rechters om zich eigenstandig een oordeel te vormen, op basis van objectieve deskundigenadviezen van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) over een mogelijke ernstige stoornis of gebrekkige ontwikkeling bij de verdachte.
Wat bent u op korte termijn van plan om te voorkomen dat de kosten fors blijven oplopen?
De huidige situatie waarin ruim 260 tbs-gestelden in een gevangenis wachten op een plek in een tbs kliniek en een passantenvergoeding ontvangen is onwenselijk. Het aantal passanten is het afgelopen jaar toegenomen, evenals de wachttijd. Hierdoor is ook de hoogte van de schadevergoedingen gestegen omdat passanten langer moeten wachten op een plek in een tbs kliniek. Voor de veiligheid van de samenleving en een goede behandeling is het van belang dat tbs-gestelden tijdig in een tbs kliniek worden geplaatst.
Hiermee worden rechterlijke uitspraken adequaat uitgevoerd, en kunnen tbs-gestelden zo snel mogelijk worden behandeld.
Om de capaciteitsdruk binnen de tbs het hoofd te bieden, wordt de komende jaren ingezet op uitbreiden van circa 200 extra plekken op het hoogste beveiligingsniveau. Hiervoor zijn de benodigde middelen gereserveerd.4 De realisatie van deze uitbreidingen is wel afhankelijk van onder meer vergunningen, maatschappelijk draagvlak, en voldoende personeel. Daarnaast zet ik in op het verbeteren van de doorstroom zodat dat tbs-gestelden niet langer dan nodig op de hoog beveiligde plekken verblijven. Ondanks deze inspanningen zal de capaciteitsdruk in de tbs niet op korte termijn worden opgelost.
Achterstallig onderhoud van onze kritieke infrastructuur. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Algemeen Dagblad waaruit blijkt – op basis van informatie van Rijkswaterstaat en ProRail – dat er sprake is van circa 54 miljard euro aan achterstallig onderhoud aan onder meer bruggen, wegen, tunnels, sluizen en spoorlijnen?1
Ja.
Onderschrijft u de analyse dat de huidige onderhoudsachterstand is opgelopen tot circa 54 miljard euro?
Het genoemde bedrag wordt niet herkend als de omvang van de huidige onderhoudsachterstand, maar als het verschil tussen de budgetbehoefte en het beschikbare budget voor Rijkswaterstaat en ProRail in de periode 2024 t/m 2038. Voor Rijkswaterstaat (RWS) gaat het daarbij om een verschil van circa € 34,5 miljard voor de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem, zoals vastgesteld door de Algemene Rekenkamer (ARK)2. Voor ProRail bedraagt het verschil tussen de budgetbehoefte en het begrotingsartikel voor de instandhouding van het spoor circa € 1,8 miljard. In een brief aan de Kamer van afgelopen zomer3 met het bijgewerkte beeld van de financiële opgaven is aangegeven dat de totale financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds optellen tot een veel groter bedrag. Zo is er onder meer ca. € 18 mld. nodig voor belangrijke opgaven zoals de invoering van ERTMS, het herstel en de inbeheername van de HSL, het onderhoud van de Nedersaksenlijn en TEN-T. Deze bedragen zijn nog niet formeel gevalideerd. Gezamenlijk met de door de ARK-gevalideerde bedragen is dit te relateren aan het in het artikel genoemde tekort van € 54 miljard.
Kunt u inzichtelijk maken welke objecten – zoals bruggen, tunnels, sluizen, sporen, wegen – momenteel in een staat verkeren die acuut of middellang onderhoud vereist, inclusief veiligheidsrisico, resterende levensduur en kostenraming?
Op 8 december jl. zijn de rapportages over de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail met de Kamer gedeeld4. In deze rapportages wordt per netwerk inzicht gegeven in de resterende levensduur en veiligheidsrisico's. Kostenramingen worden i.v.m. marktgevoelige informatie niet openbaar gemaakt.
In de RWS-rapportage wordt door middel van het kaartmateriaal een overzicht gegeven van de infrastructuur waar beperkingen voor het weg- en scheepvaartverkeer zijn ingesteld, grootschalig onderhoud en vernieuwing is gepland, onderhoud is uitgesteld of waar een verhoogd inspectieregime van kracht is.
Specifieke informatie over aan te pakken objecten bij ProRail is te vinden op de website www.spoorwerkinmijnbuurt.nl5. Hierop is te zien waar en wanneer er aan het spoor wordt gewerkt, en welke werkzaamheden er plaatsvinden. Deze informatie is beschikbaar vanaf één jaar terug tot één jaar vooruit vanaf het moment waarop de website wordt bezocht. Een verdere vooruitblik is te vinden in het jaarlijks geactualiseerde Masterplan ProRail6. Mede op basis van de staat van de infrastructuur ziet ProRail de komende tien tot vijftien jaar een stijging in de opgave voor vooral (beweegbare) bruggen, bovenleiding systemen, tunneltechnische installaties en beveiligingssystemen (samenhang met ERTMS-programma). Deze vervangingsopgave is in het Masterplan ProRail opgenomen.
Kunt u dit overzicht zo spoedig mogelijk opstellen en delen met de Tweede Kamer?
Dit overzicht is op 8 december jl. gedeeld met de Kamer door middel van de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail.
Welke oorzaken hebben volgens u ertoe geleid dat onderhoud jarenlang onvoldoende is uitgevoerd?
Aan het oplopen van het uitgesteld onderhoud bij Rijkswaterstaat liggen meerdere oorzaken ten grondslag. Veel infrastructuur die aan het eind van de jaren ’50 en ’60 is gebouwd, is aan vervanging toe en slijt sneller door intensiever gebruik en toename van zwaar verkeer. Daarnaast worden er vanuit klimaat, duurzaamheid en weerbaarheid nieuwe eisen gesteld aan de infrastructuur. Ook spelen wijzigende marktomstandigheden, onvoorziene gebeurtenissen die met hoge prioriteit moeten worden opgepakt, een beperkte beschikbaarheid van capaciteit bij Rijkswaterstaat en marktpartijen, evenals een tekort aan beschikbare middelen een belangrijke rol.
Op dit moment is er voor ProRail, op enkele plekken op de Havenspoorlijn na, geen achterstand op de exploitatie, het onderhoud en de vernieuwing.
Gelet op het feit dat deze week bekend is geworden dat er – vanwege financiële meevallers bij verschillende ministeries – circa 700 miljoen euro extra wordt overgemaakt aan Oekraïne: acht u het dan niet verstandiger om dit belastinggeld in te zetten voor het wegwerken van het achterstallig onderhoud aan de Nederlandse infrastructuur, zodat Nederlands belastinggeld direct ten goede komt aan Nederland?
Het kabinet maakt hierin een andere afweging en erkent de wens van de Tweede Kamer om snel extra militaire steun aan Oekraïne te leveren. Voor een verdere toelichting over de invulling van de motie van de Tweede Kamer voor militaire steun aan Oekraïne en de reden waarom dit kabinet de wens van de Tweede Kamer erkent, verwijs ik naar de Kamerbrief van 8 december 20257.
Deelt u de mening dat de overheid de komende jaren minder royaal om dient te gaan met belastinggeld bij uitgaven die niet direct het Nederlands belang dienen – zoals diversiteitssubsidies en ontwikkelingshulp – om zo financiële ruimte te creëren voor het dichten van de onderhoudsachterstand?
Het is aan een nieuw kabinet om de integrale weging te maken tussen verschillende beleidswensen en opgaven binnen de Rijksbegroting waaronder de opgave voor het beheer en onderhoud van onze hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdwatersysteem en ons spoorwegennetwerk.
Zorgwekkende toename van kinderobesitas |
|
Renilde Huizenga (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het AD «Jong kind met ernstig overgewicht «wordt gemiddeld maar 39 jaar oud»: artsen slaan alarm om groeiende groep» van 9 december?1 En bent u bekend met het Panteia-rapport «Monitor Kindermarketing»2, waarin wordt gesteld dat kinderen nog steeds veelvuldig worden blootgesteld aan marketing voor ongezond eten?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u de signalen van kinderartsen over de alarmerende stijging van overgewicht en (ernstige) obesitas bij kinderen (0–18 jaar)? Erkent u de ernstige gezondheidsrisico’s hiervan, zoals leververvetting en diabetes type 2?
Overgewicht en obesitas bij kinderen kennen inderdaad grote gezondheidsrisico’s, zoals de kinderartsen benoemen en uit onderzoek blijkt.3
De CBS-cijfers over de afgelopen vijf jaar (2020–2024) laten zien dat, voor zowel de groep kinderen van 4 tot en met 11 jaar als voor de groep van 12 tot en met 17 jaar, de prevalentie van overgewicht (BMI ≥ 25) en obesitas (BMI ≥ 30) niet significant gestegen is.4
Over een langere periode (tussen 1990 en 2024) is het percentage kinderen en jongeren met overgewicht significant gestegen. Het percentage kinderen en jongeren met obesitas is over die periode niet significant veranderd.
De cijfers tonen nog steeds een te hoog voorkomen van overgewicht, maar de stijging lijkt de laatste jaren minder ernstig dan voorzien.
Hoe kijkt u naar de observatie dat de omgeving kinderen zo ziek maakt dat er de afgelopen vier jaar vijf keer zo vaak is ingegrepen met gewichtsverminderende of eetlustremmende medicatie?
Bij de behandeling van overgewicht en obesitas is het van belang om eerst de onderliggende oorzaken van het overgewicht in kaart te brengen. Op basis daarvan bepalen artsen samen met het kind en de ouders welke vorm van ondersteuning en interventie het meest passend is. Dit gebeurt vanuit een ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas met aanbod uit zowel het medisch als sociaal domein. In de behandelrichtlijnen staat dat (tijdelijke) inzet van medicatie bij kinderen kan worden overwogen, in aanvulling op een Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI). Medicatie is echter nooit de enige noch eerste oplossing.
De observatie van kinderartsen ten aanzien van de «omgeving» is reden tot zorg en tot een breed beeld op alle onderliggende factoren met betrekking tot o.a. voeding en bewegen. Het RIVM heeft hieromtrent een overzicht van determinanten die samenhangen met ongezonde voeding en bewegen.5
Hoe kijkt u naar de cijfers uit het persbericht dat van de € 1,6 miljard die voedselbedrijven jaarlijks besteden aan reclame in totaal 80% gaat naar reclame voor ongezonde producten? Deelt u de zorg dat kindermarketing voor ongezond voedsel toeneemt, zowel in de online als de fysieke omgeving van kinderen?
Deze cijfers zijn ook vermeld in de Monitor Marketing voor Voedingsproducten.6 Bij het aanbieden van deze monitor aan uw Kamer was reeds aangegeven dat het gerapporteerde bedrag van € 1,6 miljard door deskundigen als zeer plausibel werd beoordeeld.7 Daarmee ga ik ervan uit dat de bedragen een redelijk betrouwbaar beeld geven van de werkelijke marketingbestedingen.
In de Monitor Kindermarketing van Voedingsproducten 2024 blijkt dat op onderdelen de kindermarketing van ongezonde voedingsproducten toeneemt.8 De uitkomsten van de monitor bevestigen dat het van belang is om wettelijke beperkingen in te voeren tegen marketing van ongezonde voeding gericht op kinderen.
Wat is uw reactie op het signaal dat kinderartsen in grote steden (Amsterdam, Rotterdam en Den Bosch) een forse toename van patiënten en een verdubbeling van de wachtlijsten zien? Deelt u de zorg dat de zorgcapaciteit voor deze kwetsbare groep onder druk staat?
Ik neem deze signalen serieus. Als kinderen op jonge leeftijd al obesitas of diabetes mellitus type 2 hebben, hebben ze ook meer gezondheidsrisico’s op latere leeftijd. Daarom is er een breed preventiebeleid met een pakket aan maatregelen, waarmee ingezet wordt op het voorkomen en tegengaan van overgewicht en het stimuleren van bijvoorbeeld gezonde (voedsel)keuzes. Dit doe ik – samen met verschillende partijen – vanuit de samenhangende preventiestrategie, waarin ik mij richt op de verschillende leefomgevingen van kinderen en jongeren om daar de gezonde keuze de vanzelfsprekende keuze te maken.
Daarnaast zetten we vanuit het Integraal Zorgakkoord (IZA) al enige jaren in op preventie en op de samenwerking tussen het zorgdomein en het sociaal domein. Deze «beweging naar de voorkant» is verder uitgewerkt in het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), en vanuit het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) versterken we deze beweging. Hiermee kunnen we onze inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas de komende jaren intensiveren. Op deze manier investeren we in een langdurig systeem waarin altijd eerst gekeken wordt naar onderliggende oorzaken, voorkomen we onnodige medicalisering (en bijkomende kosten) en helpen we kinderen en gezinnen door in te zetten op een duurzame behandeling.
Hoe geeft u invulling aan de zorgplicht van de overheid om de kindergezondheid te beschermen? Welke stappen zet u om actiever in te grijpen via wetgeving, bijvoorbeeld door gezonde voeding relatief goedkoper te maken of kindermarketing voor ongezonde voeding en dranken te verbieden?
De overheid heeft een wettelijke taak te handelen in het belang van het kind en hun gezondheid te beschermen.9 Daarom werk ik aan een wetsvoorstel voor het stellen van regels ten aanzien van kindermarketing voor ongezonde voedingsmiddelen. Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger op basis van de aanbevelingen van Berenschot10 het voornemen uitgesproken om via een wetsvoorstel ruimte te creëren voor het nemen van maatregelen met betrekking tot het voedselaanbod in omgevingen waar veel kinderen en jongeren komen, zoals rondom scholen. De aard en reikwijdte van een dergelijk voorstel worden op dit moment verkend.
Ik vind het belangrijk om op te merken dat beide maatregelen niet op zichzelf staan maar passen binnen een breed pakket aan maatregelen om overgewicht terug te dringen. Daaronder valt ook de productverbetering (minder zout, suiker en vet in producten) en belastingmaatregelen zoals een gedifferentieerde verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, evenals de inzet van preventieprogramma’s als Gezonde School en Gezonde Kinderopvang en de inzet van passende zorg en ondersteuning.
Er is geen wetgeving in de maak om gezonde voeding relatief goedkoper te maken. Wel is er door SEO onderzoek gedaan naar het afschaffen van de BTW op groente en fruit.11 De conclusie van dat onderzoek is dat bij een dergelijke maatregel ernstige twijfel bestaat over de juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid. Ook zouden de gezondheidseffecten beperkt zijn en zou de maatregel vooral voordelig uitpakken voor hogere inkomensgroepen. Het aanpassen van het BTW-tarief lijkt dus geen geschikt instrument om gezonde voeding voor iedereen toegankelijker te maken. Ook worden gesprekken gevoerd met de voedingsindustrie en supermarkten om naast of vooruitlopend op wetgeving afspraken te maken met betrekking tot verkoop, aanbod en reclame.
Bent u bereid het advies in het Panteia-rapport over te nemen om de definitie van marketing «gericht op kinderen» in de regelgeving te verbreden? Erkent u dat de huidige definitie te veel ontsnappingsmogelijkheden biedt, waardoor kinderen in de praktijk alsnog worden blootgesteld aan marketing voor ongezonde voeding?
In het Panteia-rapport wordt geadviseerd om voor een betere definitie van «kindgericht» te zorgen.12 Bij wetgeving is het van belang dat de juridische afbakening duidelijk en uitvoerbaar is. Daarom richt het nu voorbereide wetsvoorstel zich op marketingtechnieken die veelvuldig gebruikt worden bij kinderen of waar kinderen met name gevoelig voor zijn. Er worden enkele marketingtechnieken verboden, gelet op het effect van deze technieken op kinderen, ongeacht of in een specifiek geval daadwerkelijk sprake is van marketing die zich tot kinderen richt. Zodoende wordt voorkomen dat per geval discussie kan ontstaan of sprake is van marketing gericht op kinderen.
Vindt u het niet onwenselijk dat de invoering van een wettelijk verbod op kindermarketing voor ongezonde voeding keer op keer vertraging oploopt? Zo ja, kunt u aangeven wanneer het wetsvoorstel naar de Kamer wordt gestuurd?
Bij een wetgevingstraject is het van essentieel belang dat processen zorgvuldig worden doorlopen opdat wetgeving zelf zorgvuldig is, effectief, uitvoerbaar en handhaafbaar. Hiertoe zijn toetsen en consultaties van belang.
Mijn inzet is om het concept-wetsvoorstel op korte termijn klaar te maken voor de internetconsultatie. Andere stappen in het proces bestaan uit o.a. toezicht- en handhaafbaarheidstoetsen, een regeldruktoets, notificatie bij de Europese Commissie en advisering door de Raad van State. Daarna wordt het wetsvoorstel behandeld in achtereenvolgens de Tweede Kamer en Eerste Kamer.
Welke inzet pleegt u om tot Europese afspraken te komen gericht op het verbieden van kindermarketing voor ongezonde voeding en dranken, zowel in de online als de fysieke omgeving van kinderen?
Wij volgen de Europese ontwikkelingen nauwlettend. Daarnaast nemen we via de Wereldgezondheidsorganisatie en UNICEF ook deel aan bijeenkomsten en gesprekken over dit thema.
Hoe gaat u gehoor geven aan de dringende oproep van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) tot een «stevig preventiebeleid»? Welke concrete maatregelen neemt u om de omgeving van het kind gezonder te maken?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat naast gezond eten ook sporten en bewegen belangrijk is om overgewicht te voorkomen en fysiek en mentaal sterker te worden? Welke aanvullende maatregelen op het gebied van sporten en bewegen liggen voor naar aanleiding van deze zorgwekkende berichtgeving?
Ja, bewegen en sport maken onderdeel uit van de aanpak van overgewicht. Kinderen en jongeren die nu actief zijn, hebben de rest van hun leven baat bij de positieve fysieke, mentale en sociale effecten van bewegen en sport. Ik vind het van belang dat kinderen in aanraking komen met goed en divers aanbod, waarbij het uitproberen van verschillende sport- en beweegvormen (sterk) aangemoedigd wordt. In de Kamerbrief «Toekomstig sportbeleid» van december 202513 schets ik mijn ambitie en aanpak om de jeugd meer te laten sporten en bewegen. Deze inzet is georganiseerd langs drie pijlers:
Ook zijn bewegen en sport belangrijke onderdelen van de eerdergenoemde samenhangende preventiestrategie. Zo zorgen we ervoor dat schoolbestuurders meer kennis krijgen over hoe zij leerlingen tijdens en na de schooldag kunnen activeren. Verder investeren we ook in gezonde schoolpleinen: met een extra impuls in 2025 voor de subsidie «Gezonde Schoolpleinen» kunnen 100 beweegvriendelijke schoolpleinen gerealiseerd worden. Deze pleinen nodigen uit tot buiten spelen en bewegen in een natuurlijke omgeving.
Tot slot stimuleer ik gemeenten om, via de inzet van een functionaris onder de Brede Regeling Combinatiefuncties (zoals een buurtsportcoach of beweegcoach), specifiek aandacht te besteden aan groepen die achterblijven met bewegen.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan een eerstvolgende debat kinderobesitas dan wel het WGO Jeugd beantwoorden?
Ja.
De overstap van de Belastingdienst naar Microsoft |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
van Marum , Heijnen |
|
|
|
|
Bent u nog steeds van mening dat de overstap van de Belastingdienst naar Microsoft1 slechts is voorzien van «een zeer magere onderbouwing»?2
In de afgelopen periode is er intensief overleg geweest tussen de Belastingdienst, CIO Rijk en het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Hieruit is naar voren gekomen dat er, gezien de (technische) keuzes van de Belastingdienst in het verleden, op korte termijn geen alternatief is voor de overgang naar Microsoft 365 (M365), anders dan gebruik blijven maken van de huidige verouderde werkomgeving.
De Belastingdienst heeft aangegeven dat ze sindsdien opnieuw onderzocht hebben of er nu wel Europese alternatieven zijn. Uit verkennende gesprekken blijkt dat er op dit moment nog geen volledig geïntegreerd Europees alternatief is voor M365.
Staat u nog steeds achter uw stelling dat de Belastingdienst niet heeft onderbouwd dat er geen Europese alternatieven voor Microsoft zouden zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Voldoet de onderbouwing voor de overstap van de Belastingdienst aan het geldende cloudbeleid?3 Kunt u hard maken dat tijdig aan alle eisen is voldaan?
Ja, de overstap voor de kantoorautomatisering van de Belastingdienst naar M365 voldoet aan het rijksbrede cloudbeleid (2022) en het daaruit volgende cloudbeleid van het Ministerie van Financiën. Dat geldt zowel voor het besluit uit 2021 als de verkenning naar mogelijke alternatieven (terwijl de werkplek zelf al was uitgerond) in 2025. Zo heeft de Belastingdienst een cloudtoets gedaan. Er zijn een risicoanalyse en exitstrategie opgesteld. Deze zijn vertrouwelijk aan uw Kamer aangeboden. Verder is er een DPIA opgesteld en heeft de Belastingdienst voor de definitieve besluitvorming afstemming gezocht met de CIO Rijk.
Heeft de Belastingdienst, door zich in 2021 te committeren aan de overstap naar Microsoft, het onmogelijk gemaakt om alsnog af te wijken van dit besluit en tijdig een Europees alternatief te implementeren?
De Belastingdienst is in 2021 gestart met het traject om de werkplekken te vervangen en moderniseren. Hierdoor zijn de mogelijkheden om over te stappen op een alternatief beperkt. De nieuwe uitgerolde werkplek, in de vorm van laptops, is namelijk ingericht op het gebruik van M365. In het geval dat er wel een geschikt Europees alternatief zou zijn, moet er een geheel nieuwe werkomgeving worden ontworpen en geïmplementeerd. De doorlooptijd hiervan is aanzienlijk en is afhankelijk van de te configureren oplossing. De verwachting is dat dit in ieder geval enkele jaren zal kosten.
Deelt u de mening dat, gezien (geo)politieke ontwikkelingen en de duidelijke wens van de Kamer om de digitale autonomie van Nederland te bevorderen, de overstap van de Belastingdienst naar Microsoft alsnog heroverwogen dient te worden?
De Belastingdienst heeft bij de aanvang van het traject in 2021 gekozen voor de implementatie van M365 bij het inrichten van de werkplekken en het vervangen en moderniseren van de werkomgeving. De (geo)politieke situatie was destijds anders dan nu en het beperken van de afhankelijkheid van niet-Europese partijen speelde toen een beperktere rol in de afwegingen.
In 2025 heeft de Belastingdienst gekeken of er nog mogelijkheden bestonden om af te wijken van het pad dat in 2021 is ingeslagen en zijn er mogelijke alternatieve oplossingen bekeken. Zoals uitgelegd in de technische briefing van 4 februari jl. over dit onderwerp heeft dit heeft niet tot een andere uitkomst geleid.
Bent u op de hoogte van het rapport van de Cyber Safety Review Board uit 2024 over de beveiliging van Microsoft, waaruit blijkt dat het bedrijf de cyberveiligheid structureel niet op orde heeft?4, 5 Hoe beoordeelt u het argument dat Microsoft de beste beveiliging biedt in het licht van de conclusies uit dit rapport?
Ja, ik ben op de hoogte van het genoemde rapport. In reactie op het rapport heeft Microsoft onder de naam «Secure Future Initiative» (https://blogs.microsoft.com/on-the-issues/2024/06/13/microsofts-work-to-strengthen-cybersecurity-protection/) de verantwoordelijkheid voor de incidenten geaccepteerd en actie ondernomen om zowel de producten en diensten als de operatie van Microsoft 365 te verbeteren.
Bent u bereid om, in samenwerking met de Belastingdienst, duidelijk te maken welke aanvullende middelen, expertise of capaciteit nodig zijn om alsnog af te zien van de overstap naar Microsoft en zo snel mogelijk een Europees alternatief te realiseren?
Volgens de Belastingdienst is er op dit moment geen geïntegreerd Europees alternatief, met een vergelijkbaar niveau als M365, beschikbaar. Zelfs als dit alternatief er zou zijn kost het de Belastingdienst, afhankelijk van de te configureren oplossing, enkele jaren om dit te implementeren. Dit betekent dat er in de tussentijd wordt doorgewerkt op een nieuwe werkplek waarbij rekening is gehouden met de implementatie van M365. Daardoor worden medewerkers geconfronteerd met workarounds en productiviteitsverlies.
Vragen over toekomstige keuzes laat ik aan mijn opvolger.
Welke «workarounds» worden nu gebruikt door ambtenaren in hun digitale werkomgeving? Bent u bereid om te onderzoeken of deze belemmeringen weg te nemen zijn zonder de overstap naar Microsoft te maken?
De workarounds zijn ontstaan omdat medewerkers nu doorwerken in een verouderde omgeving vanaf nieuwe werkplekken die zijn ingericht op een M365-omgeving. De workarounds zijn (inefficiënte) manieren om vanaf deze nieuwe werkplekken met de beperkingen van de huidige werkomgeving om te gaan. Deze workarounds zijn vrij technisch van aard. Een voorbeeld is dat bepaalde bestanden niet worden ondersteund door de uitgerolde Digitale Brug Overheid (DBO)-werkplek. Medewerkers zijn nu genoodzaakt deze bestanden naar een postbus op te sturen zodat het handmatig in het gewenste bestandsformaat kan worden omgezet en teruggestuurd. Een ander voorbeeld is dat bepaalde applicaties die deurwaarders nodig hebben op de DBO-werkplek alleen te gebruiken zijn vanuit de fysieke kantooromgeving. Met de implementatie van M365 worden dit soort problemen opgelost. Het wegnemen van deze workarounds zonder de overstap te maken naar M365 betekent dat de Belastingdienst alsnog gaat investeren in de huidige verouderde werkomgeving.
Waarom zijn de CIO Rijk en de overige IT-dienstverleners van het Rijk «pas in een zeer laat stadium» betrokken in het proces van de Belastingdienst? Wanneer is dit gebeurd, en waarom pas op dat zeer late moment?6
Uw Kamer is reeds in het najaar van 2024 geïnformeerd over de overgang maar Microsoft 365 voor de werkplekken.7 Zoals ook aangegeven in mijn brief van 2 oktober jl. is dit voornemen ook door mijn ambtsvoorganger met u gedeeld in het Jaarplan Belastingdienst 2025. 8
In het afgelopen jaar is er contact geweest tussen de Belastingdienst, CIO Rijk en het Ministerie van Binnenlandse Zaken over de overstap. In de loop van 2025 heeft de Belastingdienst ook contact gezocht met SSC-ICT om een oriënterende verkenning te laten plaatsvinden naar de mogelijkheid om de functionaliteiten voor mail en agenda onder te brengen bij SSC-ICT. Daaruit is geconcludeerd dat dit geen optie is voor de korte- of middellange termijn.
Deelt u de mening dat de Belastingdienst in 2021, door uit te gaan van Microsoft 365 en Windows 11 als «gouden standaard,» geen gedegen verkenning heeft gedaan van Europese alternatieven?
De keuze voor M365 is gemaakt in 2021. De (geo)politieke situatie was destijds anders dan nu, het versterken van de autonomie speelde destijds een beperkte rol in de afwegingen. Daarom werd destijds niet de noodzaak gevoeld voor een gedegen verkenning gedaan naar Europese alternatieven en heeft deze dus ook niet plaatsgevonden. De Belastingdienst heeft toen, net zoals veel andere overheidsorganisaties en private organisaties, de keuze gemaakt voor de standaard van Windows 11 en M365 en heeft deelgenomen aan de contractonderhandelingen met het Strategisch Leveranciersmanagement Microsoft voor de rijksoverheid (SLM Rijk).
Deelt u de mening dat de scenario’s van de Belastingdienst, zoals die in de (beslis)nota van 28 juni 2025 zijn beschreven,7 onvolledig zijn omdat ze in de basis uitgaan van een werkomgeving die is ingericht voor Microsoft?
Het klopt dat de nota uitgaat van een werkomgeving die is ingericht voor Microsoft, omdat de uitgerolde werkplekken hiervoor zijn ingericht en is geschreven vanuit de uitgangspositie waarin de Belastingdienst zich destijds bevond. Elk (Europees) alternatief zou hier op moeten worden aangesloten. Daarmee is geen sprake van onvolledigheid, omdat iedere andere uitgangspositie een nieuw werkplekconcept behoeft.
Wanneer heeft de Belastingdienst precies besloten om deze scenario’s uit te werken? Welke specifieke «(geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen» gaven hier aanleiding toe?8
Na onder andere de door uw Kamer ingediende moties heeft de Belastingdienst in het voorjaar besloten om de andere scenario’s nader uit te werken.
Acht u de keuze van de Belastingdienst om voor de werkomgeving over te stappen naar Microsoft inmiddels onafhankelijk en voldoende onderbouwd?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 1 en 2.
In het geval u de mening deelt van de indieners dat er geen degelijke onafhankelijke verkenning is uitgevoerd naar Europese alternatieven, kunt u er op toezien dat deze alsnog op korte termijn wordt uitgevoerd met als doel om een alternatieve Europese route voor de cloudmigratie van de Belastingdienst te schetsen?
Zoals aangegeven in de oplegbrief beperk ik mij tot het beantwoorden van de feitelijke vragen. Ik acht het passend de beantwoording van vragen die toezien op toekomstige keuzes aan mijn opvolger te laten.
Waarop baseert de Belastingdienst de aanname dat de onderzochte scenario’s «naar verwachting binnen het aangepaste cloudbeleid passen dat momenteel door BZK wordt herzien»?9 Kunt u duidelijk uitleggen waar dit uit blijkt, aangezien dit beleid nog niet is vastgesteld en er sindsdien ook Kamermoties10 zijn aangenomen om de eisen voor soevereiniteit verder aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u per scenario, uitgewerkt door de Belastingdienst, een realistische schatting maken van de aanvullende kosten die hier bij gemoeid zouden zijn? Welk scenario acht u vanuit het soevereiniteitsbelang het meest geschikt?
Ik ga ervan uit dat u doelt op de scenario’s zoals opgenomen in de nota «Scenario’s overstap kantoorautomatisering naar cloud» van 27 juni 2025. In deze nota zijn de kosten per scenario op hoofdlijnen uitgedrukt. Een nadere uitwerking met als doel om tot een meer precies bedrag per scenario uit te werken zou niet hebben geleid tot een andere uitkomst en heeft daarom niet plaatsgevonden. Daarnaast zijn er ook niet-financiële knelpunten zoals doorlooptijden, stroomvoorziening en datacenter capaciteit. De beantwoording van het tweede deel van de vraag laat ik, zoals aangegeven in de oplegbrief, aan mijn opvolger.
Wat bedoelt u met uw antwoord dat «de Belastingdienst de ontwikkelingen van Europese en soevereine alternatieven [volgt]» en «[actief] kijkt naar de mogelijkheden van soevereine en of Europese cloudoplossingen»? Zijn er afspraken gemaakt over wat dit concreet betekent en welke verwachtingen heeft u precies van de Belastingdienst?11, 12
Zoals aangegeven in de oplegbrief beperk ik mij tot het beantwoorden van de feitelijke vragen. Ik acht het passend de beantwoording van vragen die toezien op toekomstige keuzes aan mijn opvolger te laten.
Waarom «volgt» de Belastingdienst enkel de ontwikkeling van een soeverein alternatief als MijnBureau, in plaats van dat zij dit met overtuiging afneemt? Ziet u mogelijkheden voor een schaalbare pilot binnen de Belastingdienst om een soeverein alternatief voor Microsoft op de werkvloer uit te proberen?
De Belastingdienst volgt het initiatief MijnBureau, omdat een (grootschalige) implementatie hiervan binnen de Belastingdienst op dit moment niet realistisch en uitvoerbaar is.
Een pilot van dit initiatief kan alleen plaatsvinden als het een voldoende hoog volwassenheidsniveau heeft bereikt en moet tegen die tijd gecontroleerd en zorgvuldig plaatsvinden. Dat neemt niet weg dat op termijn, zodra deze oplossing voldoende volwassen is, de Belastingdienst kan aansluiten bij een (rijksbrede) pilot van MijnBureau.
Daarnaast richt de Belastingdienst zich niet alleen op MijnBureau, maar wordt er ook actief onderzoek gedaan naar de ervaringen van andere Europese partijen die een overstap voorbereiden of dit al hebben gedaan. Hierbij wordt nauw opgetrokken met onder andere CIO Rijk.
Deelt u de mening dat meer departementen en uitvoerders MijnBureau moeten afnemen om het project levensvatbaar te maken en waardevolle inzichten op te doen voor soevereine werkplekken?
Ja, in algemene zin deel ik deze mening. De levensvatbaarheid van een soeverein initiatief als MijnBureau is daarbij gebaat en dat kan leiden tot waardevolle inzichten. Het is wel belangrijk dat dit zorgvuldig en gecontroleerd plaatsvindt. Kleinschalig starten bij kleine overheidsorganisaties is daarbij belangrijk om zodoende op basis van ervaringen te werken aan de volwassenheid als voorbereiding op een eventuele grootschalige uitrol bij grote uitvoeringsorganisaties zoals de Belastingdienst. Daarnaast geldt dat de integratie van kantoorautomatisering in een uitvoeringsorganisatie complexer is dan bij een beleidsdepartement.
Welke aanvullende afspraken zijn met Microsoft gemaakt om de risico’s in het voorkeursscenario van de Belastingdienst «zo beheersbaar mogelijk» te maken?13 Beaamt de CIO Rijk dat de risico’s zo veel als mogelijk zijn beheerst?
De aanvullende afspraken tussen de Belastingdienst en Microsoft zijn niet met CIO Rijk gedeeld, er kan daarom geen oordeel over worden geveld.
Acht u het acceptabel dat het mailverkeer van de Belastingdienst, waarin fiscale informatie en informatie over «rulings» wordt gecommuniceerd, straks afhankelijk wordt van Microsoft?14
De Belastingdienst werkt continu aan het creëren van meer bewustzijn bij medewerkers om nog bewuster om te gaan met het versturen van gevoelige informatie. Daarvoor worden werkinstructies opgesteld om te voorkomen dat gevoelige informatie zoals rulings in de cloud kunnen belanden. Ook na de overstap naar M365 blijft het voor de medewerkers mogelijk om (gevoelige) informatie veilig on-premises op te slaan en onderling (en met een derde) te delen via het Belastingdienst-file-transfer. Dit is een applicatie voor medewerkers van de Belastingdienst waarmee zij (grote) bestanden kunnen delen.
Acht u het acceptabel dat het mailverkeer van de Belastingdienst onder Amerikaanse surveillancewetgeving zoals de CLOUD Act, sectie 702 van de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), en Executive Order 12333 komt te vallen? Hoe verhoudt dit zich tot de fiscale geheimhoudingsplicht?15
Ik ben niet naïef over de mogelijkheid dat de informatie waarover de Belastingdienst beschikt interessant kan zijn voor de Amerikaanse overheid. De Belastingdienst is zich bewust van de werking van de door u genoemde extraterritoriale Amerikaanse wetgeving. Dit risico is meegewogen in de risicoanalyse en waar mogelijk beperkt. Zoals ik ook heb aangegeven in antwoord op uw eerdere vragen betekent de overstap naar M365 een vergroting van de afhankelijkheid van de Verenigde Staten.18
Deelt u de mening dat het rapport uit 2022 van GreenbergTraurig, waarin wordt gesteld dat het risico dat de VS gebruik maakt van de CLOUD Act klein is, achterhaald is door de geopolitieke ontwikkelingen nu ook de AIVD en de MIVD minder informatie met de Amerikanen delen?16
Ik erken dat de geopolitieke situatie ten opzichte van 2022 is veranderd, dat heeft een ander risicobeeld met zich meegebracht. De Belastingdienst heeft dit meegenomen in de opgestelde risicoanalyse en dit expliciet meegewogen. Deze risicoanalyse heb ik vertrouwelijk aan uw Kamer ter inzage aangeboden.
Beschikt Microsoft in het geval er «double key encryption» wordt toegepast over een sleutel naar deze data? Zo ja, hoe is het versleutelen van data dan een geschikte mitigerende maatregel?
U doelt daarmee op een maatregel zoals is voorgesteld in de nota «Scenario’s overstap kantoorautomatisering naar cloud» van 27 juni 2025 bij een specifiek product van Microsoft. De maatregel van «double key encryption» wordt niet toegepast. Door gebruik te maken van «double key encryption» zijn verschillende functionaliteiten niet meer mogelijk. Zo kunnen bijvoorbeeld verschillende bestanden dan niet langer geïndexeerd worden. Deze maatregel is tevens afgewogen in de eerdergenoemde risicoanalyse.
De Belastingdienst is continu op zoek naar nieuwe oplossingen die een betere bescherming van de data mogelijk maken en het risico van het ongeautoriseerd toegang hebben tot data mitigeren.
Klopt het dat de exitstrategie, waarin binnen negen maanden data uit de Microsoft-cloudomgeving wordt gehaald, «met hulp van Microsoft» wordt uitgevoerd?17 Is de exitstrategie om wég te komen van Microsoft daardoor niet ook afhankelijk geworden van Microsoft?
Nee, de exitstrategie bevat namelijk in algemene zin twee scenario’s. Een scenario waarbij de leverancier meewerkt en de Belastingdienst negen maanden de tijd krijgt om de bestanden te migreren naar een nieuwe gewenste omgeving. Daarnaast is er ook een scenario waarin rekening wordt gehouden met een acuut vertrek, bijvoorbeeld nadat de leverancier onder statelijke druk de diensten stopt. Voor dit scenario heeft de Belastingdienst een back-up en wordt er teruggevallen op de huidige on-premises omgeving.
Kunt u de garantie van Microsoft, dat zij zich tegen alle vormen van politieke druk vanuit de VS zullen verzetten, hard maken? Welke concrete afspraken zijn hierover gemaakt? Kunt u bijpassende documentatie met de Kamer delen?
Microsoft heeft de zogenaamde EU-commitments gepubliceerd. Dat laat niet onverlet, dat in een extreem geval, Microsoft onder statelijke druk gedwongen kan worden om te stoppen met leveren van diensten. Dit is in de recente geschiedenis alleen onder specifieke sanctiewetgeving gebeurd. Daarbij wil ik wel opmerken dat dit, tot op zekere hoogte, ook geldt voor on-premises oplossingen. Want ook daar is sprake van afhankelijkheid van Amerikaanse techleveranciers.
Zijn er nog meer nota’s of notities met betrekking tot de overstap naar Microsoft die gebruikt zijn om de afweging te maken, maar nog niet gedeeld zijn met de Kamer? Kunt u deze alsnog openbaar maken?
In de bijlage vindt u een aantal aanvullende stukken die zijn geagendeerd op het bestuursteam Belastingdienst van 27 mei 2025.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden en toezeggen dat u, tot deze beantwoord zijn, zich ten volste in zal spannen om een Europees alternatief voor de kantoorautomatisering van de Belastingdienst alsnog mogelijk te maken?
Zoals ik heb aangegeven in de brief die u bij deze antwoorden heeft ontvangen heb ik mij beperkt tot het beantwoorden van de feitelijke vragen en ben ik terughoudend geweest in het beantwoorden van vragen die over de toekomst gaan. Daarom zijn niet alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoord. De Belastingdienst zet wat betreft de grootschalige uitrol van M365 geen verdere stappen tot het aantreden van een nieuw bewindspersoon.
Nicotinesticks |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met nicotinesticks zonder tabak, zoals de Levia-sticks van Philip Morris en de Veo-sticks van British American Tobacco die sinds 2024 op de Nederlandse markt zijn verschenen?
Ja.
Bent u bekend met de recente kennisnotitie van het RIVM1 waarin wordt geconcludeerd dat deze nicotinesticks de advieswaarden voor maximale nicotine-emissie tot wel 25 keer overschrijden, en daarmee potentieel ernstige gezondheidsrisico’s opleveren?
Ja.
Wat is uw reactie op dit rapport van het RIVM?
Het RIVM heeft van VWS de opdracht gekregen een risicobeoordeling uit te voeren van nicotineproducten zonder tabak (NZT) die geïnhaleerd worden. Uit deze beoordeling blijkt dat de gemeten nicotinesticks de door het RIVM geadviseerde maximale nicotine emissie tot wel 25 keer overschrijden.2 Daarom wordt een ministeriële regeling voorbereid die een maximum stelt aan het nicotinegehalte van nicotinesticks, waarbij de waarden uit het adviesrapport van het RIVM worden overgenomen. Het voorstel voor de regeling wordt naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 voor internetconsultatie gepubliceerd.
Deelt u de zorg dat deze producten, mede door het gebruik van smaakstoffen, extra aantrekkelijk zijn voor jongeren en niet-rokers, en daarmee kunnen bijdragen aan een nicotineverslaving onder de jeugd?
Ik deel de zorg dat de smaakstoffen in nicotinesticks deze producten extra aantrekkelijk maken voor jongeren en niet-rokers om te beginnen met het gebruik van deze producten. Dit vergroot het risico op een nicotineverslaving en kan een opstap vormen naar andere tabaksproducten, met alle gezondheidsrisico’s van dien.
Kunt u toelichten hoe de overheid momenteel de jeugd en andere kwetsbare groepen beschermt tegen de risico’s van deze nicotinesticks, mede in het licht van het feit dat vapes met smaakjes inmiddels wél verboden zijn?
Jongeren en kwetsbare groepen worden beschermd door verschillende maatregelen die van toepassing zijn op NZT. Zo geldt een leeftijdsgrens voor verkoop vanaf 18 jaar, mogen NZT net als tabaksproducten op steeds minder plekken worden verkocht, geldt een verbod op marketing en online verkoop en mag je NZT niet gebruiken op locaties waar een rookverbod geldt. Deze maatregelen hebben het doel om de blootstelling aan tabaksproducten en aanverwante producten voor minderjarigen te verminderen en het gebruik te ontmoedigen. Daarnaast is de eerdergenoemde ministeriële regeling in voorbereiding, waarin de advieswaarden van het RIVM voor het maximale nicotinegehalte zullen worden overgenomen.3 Naar verwachting zullen nicotinesticks door deze regeling veel onaantrekkelijker worden.
Vallen nicotinesticks zonder tabak op dit moment volledig onder de Tabaks- en rookwarenwet? Zo ja, welke concrete producteisen en handhavingsinstrumenten gelden er op dit moment voor deze producten? Zo nee, wat zijn dan de handhavingsmogelijkheden voor?
Sinds 1 januari 2025 gelden grotendeels dezelfde regels voor NZT als voor tabaksproducten en andere aanverwante producten4, met uitzondering van de verpakkingseisen. De NVWA neemt bij de geldende regels de NZT in haar toezicht mee. Momenteel is de eerdergenoemde ministeriële regeling in voorbereiding, waarmee producteisen aan het maximale nicotinegehalte worden gesteld voor nicotinesticks.
Kunt u aangeven welke aanvullende maatregelen u bereid bent te nemen om te voorkomen dat nicotinesticks verder aan populariteit winnen, in het bijzonder onder jongeren?
Zoals gemeld werk ik momenteel aan een ministeriële regeling ten aanzien van dit product. Deze regeling schrijft een maximaal gehalte nicotine voor met als doel het minder aantrekkelijk maken van nicotinesticks. Dit nicotinegehalte is zeer laag en niet verslavend. Dit voorkomt dat deze producten aan populariteit winnen en draagt bij aan het ontmoedigen van het gebruik.
Op welke wijze wordt de inhoud en impact van de RIVM-kennisnotitie over nicotinesticks door de overheid gecommuniceerd richting de tabaksindustrie en richting verkopers?
Er is in beginsel geen contact vanuit de overheid met de tabaksindustrie, voortvloeiend uit de verplichtingen uit artikel 5, derde lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging. De tabaksindustrie en verkopers kunnen zelf kennis nemen van het rapport via openbare informatie, bijvoorbeeld de website van het RIVM.
Bent u bekend met de marketing van tabaksfabrikanten die deze sticks verkopen als een minder schadelijke optie voor roken?
Ja.
Hoe voorkomt de overheid dat de tabaksindustrie via het zogenaamde «harm-reduction»-narratief het tabaksontmoedigingsbeleid vertraagt of ondermijnt?
We proberen dit narratief te voorkomen door onder andere door onafhankelijk onderzoek door het RIVM naar de risicobeoordeling van nicotinesticks en de maximale aanbevolen hoeveelheid nicotine.5, 6 Deze wetenschappelijke rapporten weerleggen het «harm-reduction»-narratief van de tabaksindustrie en ondersteunen het tabaksontmoedigingsbeleid. Er is in beginsel geen contact vanuit de overheid met de tabaksindustrie, voortvloeiend uit de verplichtingen uit artikel 5, derde lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, om te voorkomen dat de tabaksindustrie het tabaksontmoedigingsbeleid kan beïnvloeden. Daarnaast is het eerder beschreven pakket aan maatregelen van toepassing op NZT, waaronder een marketing- en online verkoopverbod, wat het tabaksontmoedigingsbeleid ondersteunt.
Kunt u uiteenzetten hoe Nederland zich op dit moment verhoudt tot de Europese wetgeving omtrent nicotineproducten zonder tabak, en welke ruimte er is voor nationale aanscherping van regels?
Nicotinesticks vallen momenteel niet onder de Europese Tabaksproductenrichtlijn (TPD). Hierdoor kan Nederland via een ministeriële regeling eisen stellen aan ingrediënten van NZT, waaronder de maximale hoeveelheid nicotine. Voor producten die wel onder de TPD vallen, zoals normale sigaretten of e-sigaretten, is dit beperkt mogelijk, omdat het nationaal beperken of verbieden van producten die aan de regels van de TPD voldoen niet is toegestaan voor aspecten die door de TPD geregeld worden. Op 21 maart 2025 heeft Nederland samen met 11 andere lidstaten Eurocommissaris Várhelyi, middels een brief, opgeroepen nieuwe nicotineproducten onder Europese regelgeving te brengen en hier strenge regels aan te stellen, bijvoorbeeld met betrekking tot smaakjes en het nicotinegehalte.7 Inmiddels is duidelijk dat de Europese Commissie komend jaar verdere stappen zal zetten ten aanzien van de herziening van de TPD. Dat houd ik nauwlettend in de gaten.
Waarom worden verhitte nicotineproducten zonder tabak op dit moment nog steeds anders behandeld dan reguliere sigaretten en shag als het gaat om accijns, verkooppunten en verpakkingsvoorschriften?
Per 1 januari 2025 is een wetswijziging in werking getreden waardoor NZT onder de Tabaks- en rookwarenwet vallen.8 Hierdoor gelden voor deze producten grotendeels dezelfde regels als voor andere tabaksproducten, inclusief de verkooppuntbeperkingen. Er zijn nog geen verpakkingsvoorschriften van toepassing. Het invoeren van verpakkingsvoorschriften heeft momenteel geen prioriteit, omdat de nicotinesticks naar verwachting door de eerdergenoemde ministeriële regeling, die eisen aan het nicotinegehalte van NZT stelt, veel onaantrekkelijker worden. Wat betreft de accijns hangt het af van de inhoud van het verhitte nicotineproduct hoe het product wordt behandeld. Nicotineproducten die geen tabak bevatten maar wel voldoen aan de andere voorwaarden voor rooktabak, in de zin van de Wet op de accijns, worden belast met accijns. Indien zij niet voldoen aan die voorwaarden worden de producten in principe niet belast met accijns. Dat komt omdat ze in dat geval buiten de reikwijdte van de Wet op de accijns vallen. Omdat de Wet op de accijns een uitwerking is van Europese regelgeving, moet op Europees niveau geregeld worden dat deze producten wel met accijns belast kunnen worden. Op dit moment wordt de Europese richtlijn tabaksaccijns (TTD) herzien en zet Nederland zich in voor de mogelijkheid om accijns te heffen op alle nicotineproducten die op dit moment niet binnen de reikwijdte van de TTD vallen.
Bent u bereid om nicotinesticks volledig gelijk te stellen aan sigaretten en shag in de regelgeving, zodat voor deze producten dezelfde restricties gelden ten aanzien van accijns, verpakkingen, verkooppunten en reclame? Zo nee, waarom niet?
Voor NZT gelden al veelal dezelfde maatregelen als voor andere tabaksproducten, waaronder de leeftijdsgrens, verminderen van verkooppunten, verbod op marketing en online verkoop en rookverboden. Nederland zet zich bij de herziening van de TTD in voor de mogelijkheid om accijns te heffen op nicotineproducten die op dit moment niet binnen de reikwijdte van de TTD vallen. Het stellen van verpakkingseisen of het verbieden van smaken voor NZT heeft nu geen prioriteit, omdat de nicotinesticks naar verwachting door de eerdergenoemde ministeriële regeling die eisen aan het nicotinegehalte van NZT stelt, veel onaantrekkelijker worden.
Waarom zijn nicotinesticks op dit moment aanzienlijk goedkoper dan reguliere tabaksproducten, en acht u dit prijsverschil wenselijk gezien het grote risico op instroom van jonge gebruikers?
Het is niet wenselijk dat nicotinesticks goedkoper zijn dan andere tabaksproducten, omdat dit de drempel voor het gebruik van nicotinesticks verlaagt. Als er geen accijns op nicotinesticks wordt geheven, kan dat bijdragen aan het prijsverschil. Over nicotinesticks met tabak wordt op dit moment accijns geheven. Ook over nicotinesticks die geen tabak bevatten wordt accijns geheven, in het geval de sticks voldoen aan de overige voorwaarden voor rooktabak in de zin van de Wet op de accijns. Als de sticks niet aan die overige voorwaarden voldoen, vallen zij buiten de reikwijdte van de Wet op de accijns en zijn zij dus niet belast met accijns. Nederland zou graag over alle nicotinesticks accijns heffen, maar hiervoor is een aanpassing van de TTD nodig. Op het moment vinden onderhandelingen voor een herziening van deze richtlijn plaats. De Nederlandse inzet is onder andere het verbreden van de reikwijdte van de TTD, zodat over meer tabaks- en tabaksgerelateerde producten accijns kan worden geheven.9 Hiernaast is de verwachting dat het gebruik voldoende wordt ontmoedigd wanneer de eerder genoemde ministeriële regeling wordt ingevoerd.
Deelt u de opvatting dat producten waarvan het RIVM vaststelt dat zij de gezondheidskundige advieswaarden voor nicotine-emissie fors overschrijden, in feite als onveilig moeten worden beschouwd? Zo ja, waarom zijn deze producten dan nog steeds niet van de markt gehaald?
Ik deel de opvatting dat de producten die de advieswaarden voor nicotine-emissie overschrijden als onveilig moeten worden beschouwd. Zoals eerder genoemd is de ministeriële regeling in voorbereiding, waarbij een maximum aan het nicotinegehalte gesteld wordt van nicotinesticks. Naar verwachting zal het voorstel in het eerste kwartaal van 2026 ter internetconsultatie komen.
Hoe reflecteert u op de opkomst van vapes in Nederland?
De opkomst van vapes laat zien dat nieuwe tabaks- en nicotineproducten snel populair kunnen worden, vooral onder jongeren. Dit heeft effecten die indruisen tegen de ambitie van een rookvrije generatie, namelijk nicotineverslaving en vaak ook gebruik van andere tabaksproducten. Daarom is het van belang onverminderd alert te blijven op de opkomst van nieuwe producten en deze tijdig te reguleren om het gebruik zo veel mogelijk te ontmoedigen.
Ziet u paralellen tussen de opkomst van vapes en de opkomst van nicotinesticks?
Beide producten worden aantrekkelijk gemaakt voor jongeren en niet-rokers door het toevoegen van smaken, de lage prijs en het «harm-reduction»-narratief van de industrie. Daarom geldt ook voor NZT het eerder genoemde pakket aan maatregelen en is de ministeriële regeling in voorbereiding om het gebruik te ontmoedigen en jongeren en niet-rokers te beschermen.
Welke lessen trekt u uit de opkomst van vapes en kan u toepassen op de opkomst van nicotinesticks?
Belangrijke lessen zijn dat vroege regulering, verkoopbeperkingen en producteisen kunnen helpen om de aantrekkelijkheid en toegankelijkheid van de producten te verminderen om het gebruik onder jongeren en niet-rokers te ontmoedigen. Dit alles zetten we dus nu in gang.
Anti-verstikkers/-verslikkers |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met anti-verstikkers/-verslikkers zoals ChokeBuddy en LifeVac1 en de waarschuwing van de Food- and Drug Administration (FDA) om dit soort instrumenten niet te gebruiken voordat de gevestigde methodes als de Heimlichgreep zijn toegepast?
Ik ben bekend met de anti-verstikkers/-verslikkers en de waarschuwing van de FDA hierover. Het is belangrijk dat burgers eerst de gevestigde methodes toepassen bij verstikking of verslikking, zoals wordt geadviseerd in de Richtlijnen Reanimatie van de Nederlandse Reanimatie Raad2.
Zijn LifeVac en ChokeBuddy veilig te gebruiken?
De LifeVac en de ChokeBuddy zijn medische hulpmiddelen. Dit betekent dat deze producten moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving voor medische hulpmiddelen; de Medical Device Regulation (MDR). Als een product hieraan voldoet, ontvangt het een CE-markering, waarna het in de Europese Unie in de handel mag worden gebracht. De MDR stelt hoge kwaliteits- en veiligheidseisen aan medische hulpmiddelen, en deze worden geclassificeerd in risicoklassen: I, IIa, IIb en III. Hulpmiddelen in risicoklasse II en III ontvangen een CE-certificaat na externe beoordeling door een beoordelingsinstantie, zogeheten notified body, waarna het product een CE-markering mag krijgen. De IGJ ziet dat deze anti-verstikkers/-verslikkers door fabrikanten meestal op de markt worden gebracht als medische hulpmiddelen van risicoklasse I. Voor deze risicoklasse is de fabrikant er zelf verantwoordelijk voor dat het product voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. Hiervoor ontvangt de fabrikant overigens geen CE-certificaat, maar mag de fabrikant wel een CE-markering op het product aanbrengen. De IGJ onderzoekt of deze producten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Er zijn overigens tot nu toe geen meldingen van incidenten met deze producten ontvangen van burgers of zorgverleners.
Wat is de beste manier van handelen als iemand zich verslikt?
De recent gepubliceerde Richtlijnen Reanimatie van de Nederlandse Reanimatie Raad adviseert hoe te handelen wanneer iemand zich verslikt of verstikt.
Waar zijn de claims op gebaseerd dat ze MHRA, FDA-geregistreerd en CE-gemarkeerd (LifeVac) en CE-gecertificeerd en medisch goedgekeurd (ChokeBuddy) zijn?
Voor risicoklasse I medische hulpmiddelen geldt dat de fabrikant zelf de verantwoordelijkheid draagt dat het medisch hulpmiddel voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. Een fabrikant stelt in dat geval een Verklaring van Overeenstemming op, en plaatst de CE-markering op het medisch hulpmiddel. Hiervoor moet de fabrikant kunnen aantonen dat er een passende conformiteitsbeoordeling is uitgevoerd. Op deze manier verklaart de fabrikant dat het hulpmiddel voldoet aan de geldende kwaliteits- en veiligheidsbepalingen van de MDR. Ik heb geen zicht op hoe de certificering, inclusief onderliggende claims, in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk tot stand is gekomen. Wel ben ik bekend met de waarschuwingsbrieven die de FDA heeft verstuurd aan de fabrikanten van deze producten, waarin zij aangeeft dat deze producten niet de juiste goedkeuring hebben om in de handel gebracht te worden.
Wat is het CE-certificaat van Sungo Global/Sungo Europe B.V. op de website van ChokeBuddy waard?2 Is dit bedrijf bevoegd om veiligheidscertificaten uit te geven?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, is een CE-certificaat voor medische hulpmiddelen van klasse I niet noodzakelijk om aan te tonen dat deze voldoen aan de MDR. De IGJ herkent de term «CE-medisch certificaat» op de website niet. Daarom is de IGJ een onderzoek gestart.
Bent u ermee bekend dat de FDA actief dit soort producten uit de markt aan het halen is en import van niet-geautoriseerde anti-verstikkers tegenhoudt?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat de FDA waarschuwingsbrieven heeft verstuurd aan de fabrikanten van een aantal van deze hulpmiddelen. Daarnaast heeft de FDA gepubliceerd dat deze producten niet op de Amerikaanse markt in de handel mogen worden gebracht.
Wat is uw reactie op de onveilige anti-verstikkers/-verslikkers en de manier waarop de schijn wordt gewekt dat ze een erkend medisch hulpmiddel zijn?
Het is belangrijk dat burgers altijd de aanbevolen methoden toepassen zoals in de Nederlandse Richtlijnen en in de internationale richtlijnen geadviseerd worden, zoals te vinden op websites van het Rode Kruis en Huisarts.nl. Dit betekent dat deze hulpmiddelen niet de eerste keuze zijn bij verslikking of verstikking. Verder verwijs ik graag naar mijn antwoorden op vraag 4 en 5 met betrekking tot de markttoelating van medische hulpmiddelen.
Wilt u de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) onderzoek laten doen naar de veiligheid van anti-verstikkers/-verslikkers?
De IGJ houdt toezicht op fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs van medische hulpmiddelen die in Nederland gevestigd zijn en deze producten in de handel brengen of op de Europese markt aanbieden. Als een product wel op de Nederlandse markt wordt aangeboden, maar de verantwoordelijke marktdeelnemer niet in Nederland is gevestigd, werkt de IGJ samen met de bevoegde autoriteiten in de andere lidstaten van de Europese Unie. Zoals eerder aangegeven is de IGJ een onderzoek gestart. Als uit dit onderzoek blijkt dat producten niet voldoen aan de geldende wet- en regelgeving, kan de IGJ passende maatregelen nemen. De IGJ bepaalt deze maatregelen aan de hand van het interventiebeleid MDR/IVDR. Het interventiebeleid MDR/IVDR is een openbaar document en is gepubliceerd op de website van de IGJ. https://www.igj.nl/documenten/2022/03/17/interventiebeleid-mdr-ivdr
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat onveilige anti-verstikkers/-verslikkers niet verspreid worden? Bent u eventueel bereid deze instrumenten van de markt te halen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen de bedrijven die deze anti-verstikkers/-verslikkers verkopen en ten onrechte claimen dat ze veilig zijn?
Zie antwoord vraag 8.