Het bericht dat Algerije alle protestantste kerken gesloten heeft |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Reformatorisch Dagblad (9 mei 2026) waarin gesteld wordt dat de autoriteiten van Algerije sinds 2017 alle protestantse kerken in het land gesloten hebben?1
Ja.
Deelt u de belangrijkste conclusies uit het onderliggende rapport van het European Centre for Law and Justice (ECLJ)?2 Wat is uw bredere reflectie op de in het rapport beschreven positie van christenen in Algerije?
De bevindingen in het rapport van de ECLJ komen overeen met bevindingen van de VN en INGO’s; namelijk dat religieuze minderheden, waaronder christenen, beperkingen ervaren in het praktiseren van hun geloof in Algerije.
Bent u bereid om de categorische sluiting van protestantse kerken en andere schendingen van godsdienstvrijheid officieel te veroordelen?
In Algerije spreekt Nederland met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen en met het Ministerie van Religieuze Zaken. Waar opportuun deelt Nederland zijn visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en mensenrechten in brede zin. Ook wordt gesproken over de positie van christenen. Nederland blijft voor zover mogelijk geëngageerd op dit thema, in gesprek met relevante actoren.
In algemene zin brengt Nederland waar mogelijk in contacten met relevante autoriteiten en partners het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en mensenrechten in brede zin consequent onder de aandacht. Daarbij vraagt Nederland ook aandacht voor de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, evenals zorgen over de sluiting van kerken en andere religieuze instellingen. Nederland zet zich actief en zichtbaar in door deze onderwerpen structureel te agenderen in bilaterale contacten en multilaterale fora, te investeren in religieuze geletterdheid binnen de diplomatieke dienst en intensief samen te werken met religieuze en maatschappelijke actoren wereldwijd.
Bent u bereid om de Algerijnse ambassadeur te ontbieden? Zo nee, welke diplomatieke druk acht u gepast?
De Nederlandse overheid staat voor het recht op vrijheid van religie. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Wanneer het kabinet constateert dat mensen mogelijk in die vrijheid worden beperkt, wordt dit meegenomen in gesprekken met landen waar dit speelt. Nederland onderhoudt een open en gelijkwaardige dialoog met Algerije, waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen.
Kunt u aangeven op welk niveau er in de Europese Unie (EU) afstemming is over christenvervolging in Algerije?
Binnen de Europese Unie wordt in verschillende gremia gesproken over de mensenrechtensituatie in Noord-Afrikaanse landen, waaronder de positie van christenen en andere (religieuze) minderheden. Waar mogelijk wordt dit thema ook besproken met de relevante autoriteiten.
Kunt u verzekeren dat deze kwestie hoge prioriteit heeft voor Mairead McGuinness, de recent aangestelde Europese gezant voor godsdienstvrijheid? Bent u bereid de strafrechtelijke vervolging van christenen, de opsluiting van religieuze leiders en de sluiting van kerken actief onder haar aandacht te brengen en in EU-verband te bezien welke effectieve drukmiddelen kunnen worden ingezet?
Het kabinet verwelkomt de benoeming van Mairead McGuinness tot EU-gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging. De prioriteiten van de gezant worden vastgesteld door de Europese Commissie en de gezant zelf. Nederland acht deze functie van groot belang voor een consistente, zichtbare en effectieve EU-inzet op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging. Nederland zal daarbij aandacht blijven vragen voor de positie van religieuze minderheden en zorgen over onder andere de sluiting van kerken in Algerije waar mogelijk onder de aandacht brengen in contacten met de gezant. Momenteel verkent het kabinet tevens hoe de nieuwe EU-gezant praktisch kan worden ondersteund, bijvoorbeeld via een mogelijke detachering. Daarnaast zet Nederland zich in voor een complementaire nationale inzet, bijvoorbeeld door verdere opvolging van EU-bezoeken via de Nederlandse Speciaal Gezant in landen waar christenen, en andere religieuze minderheden, onder druk staan.
Op welke wijze heeft Nederland zich eerder richting de Algerijnse autoriteiten ingezet ten aanzien van de positie van christenen en godsdienstvrijheid? Welke rol speelt de Nederlandse Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging hierin?
De Nederlandse Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging (SGRL) zet zich wereldwijd in voor de positie van religieuze minderheden. De gezant draagt bij aan de agendering van dit thema, waaronder de situatie in Algerije, in bilaterale en multilaterale contacten en aan de opbouw en versterking van internationale coalities. Daarnaast onderhoudt de SGRL actief contact met religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen, maatschappelijke organisaties en diasporagroepen, zowel in Nederland als internationaal.
Daarnaast spreekt de Nederlandse ambassade in Algiers met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen in Algerije en met het Ministerie van Religieuze Zaken. Waar mogelijk deelt de ambassade de Nederlandse visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en/of mensenrechten in brede zin. Ook wordt dan gesproken over de positie van christenen. Hierbij is het van belang de religieuze minderheden niet in een kwetsbare positie te brengen. Om te voorkomen dat de Nederlandse inspanningen een tegengesteld effect hebben, is juist het opzoeken van de dialoog van belang.
Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
In het artikel staat dat twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen een streep is gezet door het potentiële kerndoel over dagelijks bewegen. Dit is onjuist. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
De verantwoordelijkheid voor het wettelijk verplicht curriculum ligt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Wat wettelijk verplicht is, ligt vast in kerndoelen. In opdracht van OCW heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) in samenwerking met leraren, vakexperts en curriculumexperts de kerndoelen geactualiseerd.
In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen voor Bewegen en Sport heeft SLO nagedacht over een aanboddoel2. Dit doel had als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. Na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule, is geconstateerd dat dit doel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel. Dit doel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat leerlingen zich ontwikkelen in het bewegen, samen met andere leren bewegen en betekenis kunnen geven aan bewegen.
Het is aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Overgewicht en obesitas ontstaan door een mix van verschillende persoonsgebonden- en omgevingsfactoren. Onder andere gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welzijn dragen bij aan een gezond gewicht en een gezonde leefstijl. Daarnaast zijn ook bredere sociaalmaatschappelijk aspecten van belang zoals een gezonde leefomgeving, bestaanszekerheid en kansengelijkheid in het onderwijs. We zetten hier op in via onder andere de Gezonde School-aanpak en het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Ook werkt het kabinet momenteel de ambitie uit om kinderen in het primair- en voortgezet onderwijs schoolfruit aan te bieden. Het kabinet werkt bovendien aan een omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken naar een gedifferentieerde verbruiksbelasting op suikergehalte als aan een suikerbelasting op eetwaren. Het doel is om de suikerconsumptie via dranken en eetwaren terug te dringen. Voor beide fiscale maatregelen werkt het kabinet toe naar een wetgevingspakket dat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer zal worden.4
Het stimuleren tot bewegen is en blijft onderdeel van het pakket aan maatregelen in de aanpak van overgewicht en obesitas. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld via het programma Gezonde School er zelf voor kiezen om naast de bestaande aandacht voor sport en bewegen in het lesprogramma extra aan de slag te gaan met de thema’s bewegen en voeding.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Voldoende bewegen draagt eraan bij om beter te leren. Wij delen dan ook het belang van bewegen. De kerndoelen zijn echter niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe en met welke roosters ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Scholen richten hun onderwijs in met kennis, uit wetenschap en praktijk, en goed afgestemd op hun leerlingen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag. Bijvoorbeeld met bewegen door de dag heen, om kinderen beter te laten leren. Ze doen dit in de vorm van de dynamische schooldag, maar ook via het programma Gezonde school of een initiatief als de Koningsspelen.
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit. Met de Samenhangende preventiestrategie zetten we met gerichte, samenhangende maatregelen in op het gezonder maken van leefomgevingen van kinderen en jongeren zoals thuis, op school en in de wijk, zodat de gezonde keuze vanzelfsprekender wordt. Bij vraag 4 benoemde ik al de voorgenomen plannen voor een suikerbelasting op eten en drinken en het aanbieden van schoolfruit. Maar we doen meer. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op de Gezonde Kinderopvang en Gezonde School om een groot bereik van deze programma’s te realiseren en kinderopvangcentra en scholen te ondersteunen bij de implementatie. Ook kunnen scholen in het voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs met de toolbox voor een gezonde leeromgeving van het Voedingscentrum aan de slag om eten en drinken in kantines gezonder en duurzamer te maken. De Samenhangende preventiestrategie staat niet op zichzelf. Wij werken met diverse programma’s en akkoorden, zoals het Sportakkoord II, Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) om tot de gezondste generatie ooit te komen in 2040.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Het kabinet zet in op een mix van universele en geïndiceerde preventie om overgewicht en obesitas bij kinderen te voorkomen en terug te dringen. Hierbij gebruiken wij diverse instrumenten van informatievoorziening en voorlichting, tot het financieren van preventieprogramma’s (denk aan de Gezonde School en Gezonde Kinderopvang), beleidsmonitoring en -evaluatie en waar nodig wetgeving.
Ook in het coalitieakkoord zijn afspraken opgenomen om overgewicht bij kinderen aan te pakken. Zo krijgen kinderen in het primair en voortgezet onderwijs gratis schoolfruit en voeren we een wet in die kindermarketing reguleert. Het kabinet wil afspraken maken over de introductie van een suikerbelasting en werkt aan wetgeving om gemeenten aanvullende bevoegdheden te geven om op grond van gezondheid maatregelen te nemen om met name voor kinderen en jongeren de gezonde voedselkeuze makkelijker te maken. Met supermarkten worden aanvullend afspraken gemaakt over het vergroten van het verkoopaandeel gezonde producten.
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Het kabinet zet zich ervoor in dat bewegen in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking gestimuleerd wordt. Buitenspelen is voor alle kinderen, met en zonder beperking, de belangrijkste vorm van bewegen. Helaas speelt maar 44 procent van de kinderen 4–11 jaar (bijna) elke dag buiten. Daarom stimuleert het kabinet de inzet op meer buitenspelen, (inclusief) buitenspeelbeleid, en de realisatie van inclusieve speeltuinen en groenblauwe schoolpleinen. Dit gebeurt via gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties. Zie ook antwoorden 6 en 7. Eigenlijk zou ieder kind buiten moeten kunnen spelen, ongeacht de omstandigheden waarin een kind opgroeit.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75 procent van de tijd niet op school zijn. Daarom is er een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd om kinderen gezond te laten opgroeien en voldoende te laten bewegen. Hieronder valt ook op actieve wijze naar school te gaan. Met de City deal Fietsen voor iedereen en de City deal Ruimte voor lopen heeft het kabinet onder andere als doel om meer kinderen op een actieve manier naar school te laten gaan.
Het is belangrijk dat kinderen sporten. We zien uiteraard dat niet elk gezin de financiële middelen hiervoor heeft of de tijd en ruimte om hier verantwoordelijkheid voor te dragen. Daarom bestaan er verschillende regelingen om kinderen en ouders financieel en praktisch te ondersteunen om bewegen te stimuleren. Bijvoorbeeld de financiering van de pilots met de Sportpas vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke initiatieven om kinderen en gezinnen financieel te ondersteunen zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Gemeenten bieden vaak ook eigen regelingen aan. Binnen de eerdergenoemde Brede Regeling Combinatiefuncties zijn in 99 procent van de gemeenten combinatiefunctionarissen actief in het onderwijs om het sport- en beweegaanbod te vergroten en te versterken.
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor de gezondste generatie ooit en dat is een verantwoordelijkheid die bij ons allemaal ligt: ouders en andere verzorgers, scholen, sportverenigingen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Ieder kind verdient het om op te groeien in een liefdevolle, veilige en stimulerende omgeving waarin gezond opgroeien vanzelfsprekend is. Bewegen speelt daarbij een belangrijke rol.
Voldoende beweging draagt niet alleen bij aan een gezonde fysieke ontwikkeling, maar helpt kinderen en jongeren ook om sociale vaardigheden te ontwikkelen, zelfvertrouwen op te bouwen en beter om te gaan met uitdagingen en tegenslagen. Daarmee levert sport en bewegen een belangrijke bijdrage aan hun weerbaarheid en mentale gezondheid. Ook leefstijlpreventie is hierbij essentieel, zoals beschreven in antwoord 6 en 7.
Investeren in een actieve leefstijl op jonge leeftijd betekent daarom investeren in de gezondheid en het welzijn van toekomstige generaties. In het coalitieakkoord zet het kabinet nadrukkelijk in op preventie en welzijn, met als doel te komen tot de gezondste generatie ooit. Dit probeert zij te realiseren door in verschillende akkoorden van de Samenhangende preventiestrategie tot het AZWA hierover afspraken te maken, maar ook via de verschillende regelingen en initiatieven gericht op bewegen en sporten op scholen en in de leefomgeving zoals hiervoor beschreven in antwoord 8.
Dit kabinet doet er alles aan om de gezondheid van kinderen te stimuleren, maar er is ook een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd. Indien nodig met steun van hun naaste omgeving en beschikbare hulp en ondersteuning.
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
We hechten waarde aan een constructieve dialoog. Een juridische procedure is niet altijd de geëigende route daartoe, maar het staat in Nederland iedereen vrij om naar de rechter te stappen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 2 en 3 zijn in samenhang beantwoord.
Het bericht ‘Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis’ |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Nederlands belastinggeld, bedoeld voor het volgen van hoger onderwijs, verloren gaat doordat oud-studenten zich aan terugbetaling van hun studieschuld onttrekken?
Ja, wanneer personen met een studieschuld (hierna: debiteur) bewust geen contactgegevens doorgeven bij vertrek naar het buitenland, en daarmee het terugbetalen van hun studieschuld proberen te vermijden, vind ik dat onacceptabel. Tegelijkertijd komt het in de praktijk niet vaak voor dat studieschulden verjaren doordat debiteuren in het buitenland onbereikbaar zijn. Dit licht ik nader toe bij het antwoord op vraag 3. DUO slaagt er bovendien al in om met de meeste debiteuren van wie de contactgegevens ontbreken weer in contact te komen. Ik erken wel dat de invordering van studieschulden in het buitenland verder verbeterd kan worden. Daarom neem ik in het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering een aantal maatregelen hiertoe.
Klopt het dat studieschulden momenteel in bepaalde gevallen na vijf jaar verjaren wanneer oud-studenten in het buitenland niet traceerbaar zijn en is u bekend hoeveel schulden hierdoor de afgelopen vijf jaar zijn verjaard?
Indien een debiteur het maandelijkse aflosbedrag aan studieschuld niet terugbetaalt, is er sprake van een achterstallige schuld voor dat gedeelte van de studieschuld. Een achterstallige schuld is direct opeisbaar, waardoor DUO op elk gewenst moment het recht heeft om die te innen bij de debiteur. Een vordering op een achterstallige schuld kan alleen verjaren na vijf jaar als DUO geen actie onderneemt. DUO verricht handelingen om de verjaring van de achterstallige schuld te voorkomen, door de vordering van de debiteur te stuiten. Dit doet DUO door zowel tijdige berichten als betaalverzoeken richting de debiteur in de MijnDUO-omgeving aan te maken en door adresonderzoek uit te voeren. Hierdoor gaat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar lopen en blijft het niet-betaalde gedeelte van de studieschuld opeisbaar.
De inschatting is dat het niet vaak voorkomt dat achterstallige gedeelten van studieschulden verjaren doordat debiteuren in het buitenland niet-traceerbaar zijn. Het gaat naar verwachting om incidentele gevallen.2 Het exacte aantal gevallen is niet bekend, omdat DUO geen overzicht bijhoudt van het totaal aan verjaarde studieschulden in de afgelopen vijf jaar.
Welke landen werken op dit moment mee aan gegevensuitwisseling ten behoeve van het innen van studieschulden en lopen er op dit moment gesprekken met andere landen om dit mogelijk te maken?
Een aantal buitenlandse overheidsorganisaties verleent medewerking wanneer DUO vraagt om gegevens van debiteuren, zodat contact met hen kan worden gelegd. Daarnaast heeft DUO in het afgelopen jaar contact gelegd en gesprekken gevoerd met een aantal nieuwe buitenlandse overheidsinstanties ten behoeve van het uitbreiden van gegevensuitwisseling. Om berekenend gedrag van debiteuren zoveel mogelijk te voorkomen, kies ik ervoor om geen opsommende lijst van individuele buitenlandse overheidsinstanties in deze beantwoording op te nemen. Overigens geven de meeste debiteuren met wie DUO het toch gelukt is om contact te leggen aan dat het niet actueel houden van een adres een kwestie van slordigheid en onoplettendheid was. Zij treffen dan ook in veel gevallen regelingen met DUO om de achterstanden in te lopen.
Naast gegevens opvragen bij buitenlandse overheidsinstanties is gegevensopvraging ook in enkele landen een mogelijkheid via een contractpartner3. De gecontracteerde partij kan via lokale advocaten of deurwaarders toegang krijgen tot adresregisters die DUO niet zelfstandig kan raadplegen.
DUO zet ook in op samenwerking met andere rijksdiensten voor het innen van studieschulden. Zo heeft een pilot plaatsgevonden met de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in Turkije die DUO hielp om studieschulden te innen.
Kunt u toelichten hoe de beperkte mogelijkheden in internationale gegevensuitwisseling voor DUO zich verhouden tot de forse toename in internationalisering in het hoger onderwijs?
Het gaat bij onbereikbare debiteuren voornamelijk om Nederlandse debiteuren die nu in het buitenland wonen. Van de onbereikbare debiteuren heeft namelijk 78,7% de Nederlandse nationaliteit. Veel van hen woonden op het moment dat zij studiefinanciering ontvingen in de grensregio’s met Duitsland en België.
Het vermoeden van OCW en DUO is verder dat het voor een deel gaat om personen met de Nederlandse nationaliteit die na hun studietijd in Nederland naar het buitenland zijn verhuisd. Daarnaast bestaat waarschijnlijk een deel van de onvindbare debiteuren uit personen die in het buitenland hebben gestudeerd met behoud van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 en die nu nog steeds in het buitenland wonen.
Het aantal (on)vindbare debiteuren in het buitenland is daardoor dus niet direct te relateren aan het aantal internationale studenten in het hbo en wo. Wel is het aannemelijk dat de toename van het aantal internationale studenten ertoe leidt dat in de toekomst een groter aandeel van de debiteuren vanuit het buitenland hun studieschuld zal aflossen. Met het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering, dat nu in internetconsultatie is, wil ik DUO extra instrumenten geven om studieschulden in het buitenland effectiever te kunnen innen. Hier ga ik bij het antwoord op vraag 9 nader op in.
Kunt u aangeven hoeveel van deze onbereikbare debiteuren de Nederlandse nationaliteit hebben of studiefinanciering hebben ontvangen op basis van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V?
In onderstaande tabel is het aantal onbereikbare debiteuren opgenomen uitgesplitst naar nationaliteit.
Nationaliteit
Aantal
Aandeel
Nederlands
18.076
78,7%
EER
1.444
6,3%
Overig*
3.460
15,0%
totaal
22.980
100%
Studenten die studiefinanciering ontvangen op grond van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V maken onderdeel uit van de categorie overig. Het is niet mogelijk om deze apart inzichtelijk te maken.4
Heeft u inzicht in hoeveel internationale studenten op dit moment Nederlandse studiefinanciering ontvangen dan wel lenen via DUO? Hoeveel van hen keren na hun studie terug naar of verblijven in het buitenland?
In 2025 ontvingen circa 76.000 niet-Nederlandse studenten5 een vorm van studiefinanciering. Van hen maakten circa 19.500 gebruik van een rentedragende leningen en/of collegegeldkrediet. Het gaat hierbij om mbo-, hbo- en wo-studenten die in 2025 minimaal één maand studiefinanciering van DUO ontvingen.
Het overgrote deel van de niet-Nederlandse studenten dat studiefinanciering ontvangt, komt uit landen binnen de EER. Uit onderzoek van Nuffic naar de stayrates van internationale afgestudeerden studenten6 blijkt dat van de groep die in studiejaar 2018–2019 is afgestudeerd, na vijf jaar 24,3% nog in Nederland woont en werkt.
Naast niet-Nederlandse studenten met Nederlandse studiefinanciering is het ook belangrijk te benadrukken dat Nederlandse studenten óók internationale studenten kunnen zijn die in het buitenland studeren met behoud van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 (meeneembare studiefinanciering). In 2025 ging het om totaal 14.692 studenten waarvan ruim 91% de Nederlandse nationaliteit had.
Welke mogelijkheden heeft DUO op dit moment om oud-studenten die in het buitenland verblijven op te sporen en hun studieschuld te innen?
Het in contact komen met debiteuren in het buitenland is arbeidsintensiever voor DUO in het buitenland dan in Nederland, omdat DUO niet geautomatiseerd beschikt over actuele adresgegevens van debiteuren die buiten Nederland wonen. DUO is hiervoor grotendeels afhankelijk van informatie die door de debiteur zelf wordt verstrekt. Naast het versturen van berichten via de Mijn DUO-omgeving zijn er verschillende andere mogelijkheden om (te proberen) in contact te komen met de debiteur.
Wanneer een studieschuld niet wordt terugbetaald en het adres van de debiteur niet bekend is bij DUO, worden deze intern DUO overgedragen voor adresonderzoek (traceren) en proactieve benadering. Het doel hiervan is om betalingsachterstanden zo veel als mogelijk te voorkomen en op te lossen, met oog voor de situatie van de debiteur. Zo kan DUO via een eigen account op sociale media de debiteuren benaderen of op basis van sociale media proberen om meer informatie te verkrijgen over de verblijfplaats van de debiteur. Indien sprake is van een land waar succesvol gegevens aan de buitenlandse overheidsinstantie kunnen worden gevraagd, kan vervolgens een adresbevraging worden gedaan bij een buitenlandse overheidsinstantie.
In het buitenland kan DUO niet zelfstandig een dwangbevel uitvaardigen om zonder tussenkomst van de rechter executiemaatregelen op te kunnen leggen, zoals beslaglegging. DUO moet daar gebruik maken van buitenlandse incassobureaus voor de inning van studieschulden, voor zover bekend is waar de oud-student verblijft.
Indien een oud-student niet vrijwillig betaalt of meewerkt via het incassobureau, kan DUO ook rechtszaken tegen debiteuren voeren in het buitenland. Deze gerechtelijke procedures vinden plaats volgens de toepasselijke internationale privaatrechtelijke regels. Deze procedures verschillen per land en zijn doorgaans tijdrovender, duurder en complexer dan in Nederland. Bovendien is gerechtelijke inning niet in alle landen mogelijk, bijvoorbeeld doordat er geen toepasselijk verdrag bestaat of de lokale regelgeving onvoldoende mogelijkheden biedt voor het effectief uitvoeren van een rechterlijke uitspraak of beslissing.
Wanneer een studieschuld niet wordt betaald, de betalingsachterstand hoger is dan € 5.000,– en er geen bekend buitenlands adres is kan DUO gebruik maken van paspoortsignalering bij Nederlandse debiteuren. De student krijgt dan pas een nieuw paspoort als de achterstand is betaald of een betalingsregeling is overeengekomen met DUO. Bij een zeer hoge achterstand (vanaf € 45.000) kan DUO gegevens van een debiteur laten opnemen in het systeem Executie en Signalering, waarbij het paspoort wordt ingenomen wanneer de debiteur Nederland binnenkomt.
Zijn deze huidige instrumenten volgens u voldoende effectief? Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om het innen van dit soort studieschulden te verbeteren?
DUO slaagt erin het merendeel van alle maandelijkse aflosbedragen van studieschulden binnen twaalf maanden na opeisbaarheid te innen. Dit laat zien dat het inningsbeleid over het algemeen effectief is. Tegelijkertijd blijkt dat de inning van studieschulden bij debiteuren in het buitenland uitdagender is dan bij debiteuren in Nederland. Hoewel DUO met veel debiteuren van wie de contactgegevens ontbreken uiteindelijk in contact komt, erken ik dat de invordering van studieschulden in het buitenland verder verbeterd kan worden. Daarom stel ik, met het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering dat nu in internetconsultatie is, een aantal maatregelen voor om het innen van studieschulden in het buitenland te verbeteren:
De nationale organisatie van HCID-zorg, quarantainebeleid en infectiepreventie naar aanleiding van de hantavirusuitbraak op de MV Hondius |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Dit weten we nu over de hantavirus-uitbraak»1, «Medewerkers Radboudumc in quarantaine vanwege fouten rond hantavirus»2, «Honderden in quarantaine op cruiseschip Ambition door uitbraak norovirus»3 en «Opnieuw norovirus op cruiseschip: een dode, 1.700 mensen in quarantaine»4?
Ja.
Hoeveel personen – passagiers, bemanning, ziekenhuispersoneel en contacten – bevinden zich momenteel op Nederlands grondgebied in (thuis)quarantaine naar aanleiding van de uitbraak op de MV Hondius, en hoe wordt feitelijk gecontroleerd dat deze quarantaine ook wordt nageleefd?
De Nederlandse passagiers en Nederlandse bemanningsleden zonder klachten zijn veilig en professioneel naar hun thuisadres vervoerd en in thuisquarantaine gegaan. De passagiers met andere nationaliteiten, die niet direct naar huis kunnen gaan, zijn in quarantaine gegaan op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, tenzij het thuisland bereid is om gedurende de quarantaineperiode zorg te dragen voor veilig vervoer van hun inwoner(s) naar eigen land. De quarantaineperiode duurt zes weken.
De mensen die thuis in quarantaine zijn, worden begeleid door de GGD van hun woonplaats. Er zijn duidelijke instructies, zoals twee keer per dag temperatuur opmeten en er is dagelijks telefonisch contact. Zo zorgt de GGD ervoor dat zij eventuele symptomen opmerken, zodat snel goede zorg gegeven kan worden.
Momenteel zitten in totaal 85 personen in thuisquarantaine of in een daarvoor ingerichte quarantainelocatie.5
Kunt u bevestigen dat het Radboudumc sinds mei 2022 als enige ziekenhuis in Nederland beschikt over een high-level isolation unit (HLIU) en dat desondanks na internationale afstemming bewust is besloten de hantaviruspatiënt níét in deze HLIU op te nemen, maar op een reguliere verpleegafdeling?
Dit klopt niet. Er zijn meerdere ziekenhuizen met een high-level isolation unit (HLIU). Er is inderdaad besloten, na afstemming met nationale en internationale experts, dat de zorg voor deze patiënt niet in de HLIU geleverd hoeft te worden, maar dat dit ook mogelijk is in een speciale isolatiekamer op de intensive care of verpleegafdeling. Daarbij gaat het om een speciale isolatiekamer, waar de luchtverversing en de afzuiging van de lucht goed geregeld is en er extra beschermende maatregelen gelden voor de medewerkers (FFP2 mondmasker, schort met lange mouwen, handschoenen en bril).
Hoe beoordeelt u het feit dat twee dagen ná deze vakinhoudelijke afweging twaalf medewerkers van het Radboudumc zes weken in quarantaine moesten omdat bloed en urine niet volgens de juiste internationale voorschriften zijn verwerkt, en dat het ziekenhuis stelt dat «het meest actuele internationale voorschrift nog niet beschikbaar was» voor de medewerkers?
Het betrokken ziekenhuis zal eerst zelf zorgvuldig vaststellen wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht.
Bent u bekend met de infectiologische, microbiologische, IC- en Euregio-capaciteiten van het Maastricht UMC+, alsmede met het feit dat Maastricht in 2014 werd genoemd met ebola-bedcapaciteit, en kunt u toelichten waarom Maastricht UMC+ thans niet formeel is aangewezen als VHK/HCID-behandelcentrum voor Zuid-Nederland, mede gezien de geografische spreiding van de huidige aangewezen centra?
Het Platform Preparatie A-ziekten van het RIVM heeft geïnventariseerd bij de UMC’s welke opvang en behandelcapaciteit zij hebben. Vijf van de zeven UMC’s hebben aangegeven dat in principe te kunnen. Maastricht UMC+ heeft aangegeven hierin alleen in een vroeg stadium van het ziektebeeld een rol te kunnen spelen.
Wie is er, in het Nederlandse stelsel, eindverantwoordelijk voor het tijdig beschikbaar stellen van de meest actuele internationale infectiepreventie- en controleprotocollen (IPC-protocollen) aan behandelende ziekenhuizen vóórdat een patiënt met een hoogrisico-infectieziekte wordt opgenomen – het RIVM, de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), of het ziekenhuis zelf? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment sluitend?
De Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM bepaalt welke vorm van isolatie en infectiepreventie bij de betreffende ziekte noodzakelijk is. De ziekenhuizen vertalen dit, vanuit de beroepsverenigingen van inhoudsdeskundigen, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie, zelf naar protocollen voor op de werkvloer. Zij maken hierbij ook gebruik van de landelijke richtlijnen voor ziekenhuizen van het Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie. De IGJ is de toezichthoudende instantie. Deze verantwoordelijkheidsverdeling werkt goed.
Hoeveel patiënten met een high consequence infectious disease (HCID) heeft de Nederlandse zorg in de afgelopen vijf jaar opgenomen, in welke ziekenhuizen, en in hoeveel van deze gevallen is daadwerkelijk gebruikgemaakt van een HLIU? Bent u bereid dit overzicht aan de Kamer te doen toekomen?
Afgelopen vijf jaar zijn acht personen met een verdenking van virale hemorragische koorts (VHK)6 opgenomen in de Nederlandse zorg. Zeven personen zijn in één van de voor VHK aangewezen ziekenhuizen opgenomen in hun HLIU: vijf keer Radboud MC, één keer LUMC en één keer UMCU.
Bent u ermee bekend dat in het Verenigd Koninkrijk Andesvirus formeel is geclassificeerd als «airborne HCID»5, dat behandeling uitsluitend plaatsvindt in een beperkt aantal aangewezen Airborne HCID Treatment Centres6 en dat dwingende, gestandaardiseerde IPC- en PPE-protocollen gelden zodra deze classificatie van toepassing is?
Ja. Het Verenigd Koninkrijk classificeert het andesvirus als een airborne high consequence infectious disease (HCID). Wel geeft het Verenigd Koninkrijk aan dat onduidelijk is hoe de overdracht van mens op mens plaatsvindt. Volgens het Verenigd Koninkrijk lijkt het erop dat nauw contact met een besmet persoon noodzakelijk is, en dat airborne overdracht daarbij in overweging genomen dient te worden. Verder is het kabinet bekend met de bijbehorende protocollen. Ook in Nederland wordt Andesvirusinfectie als HCID geclassificeerd en zijn er bijbehorende richtlijnen en protocollen, die op enkele onderdelen afwijken van de richtlijnen en protocollen in het Verenigd Koninkrijk. De Nederlandse protocollen zijn volledig in lijn met (en zelfs nog wat strikter dan) de WHO-aanbevelingen voor isolatie van personen met Andesvirusinfectie.
Erkent u dat het Britse model – een formele HCID-classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra – risico’s structureel uitsluit die het Nederlandse model, waarin per geval een afweging wordt gemaakt, toelaat? Erkent u dat juist deze week is gebleken dat het Nederlandse «case-by-case»-model in dit geval heeft gefaald?
Ook een model waarin sprake is van formele classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra, sluit het risico op menselijke fouten niet uit. Daarnaast zijn de verschillen tussen het Britse en het Nederlandse model marginaal.
Waarom kent Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk, geen formele nationale HCID-lijst conform ECDC-standaard, geen vooraf aangewezen behandelcentra voor HCID-categorieën en geen dwingende virus-specifieke IPC-protocollen? Welke afweging ligt hieraan ten grondslag, en wanneer is deze afweging voor het laatst herzien?
Nederland gebruikt weldegelijk een formele HCID-lijst en deze wordt als uitgangspunt genomen bij het Platform Preparatie A-ziekten.9 Daarnaast is sprake van afspraken met behandelcentra en van protocollen, die op het moment van de uitbraak met landelijke experts nogmaals tegen het licht zijn gehouden.
Bent u bereid toe te zeggen dat u vóór novermber 2026: en de Kamer hierover uiterlijk in novermber 2026 schriftelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Er is reeds sprake van een 24/7 adviesfunctie vanuit het RIVM, over richtlijnen en protocollen voor onder andere HCID’s. Op 8 mei 2026 heeft de Kamer het advies van het RIVM over het aanwijzen van het andesvirus als A2-infectieziekte ontvangen. Het RIVM adviseert hierin om op grond van artikel 34 van de Wet publieke gezondheid een ziekenhuis aan te wijzen, waar patiënten gedwongen in isolatie kunnen worden geplaatst, indien zij besmet zijn met een infectieziekte.10 Dit sluit aan bij de vraag om ziekenhuizen formeel aan te wijzen. Momenteel wordt dit door het Platform Preparatie A-ziekten, samen met de universitaire medische centra, verder uitgewerkt.
Bent u bereid, als noodzakelijke aanvulling op de in vraag 10 gevraagde HCID-structuur, een verplicht en structureel auditkader op de naleving van HCID- en IPC-protocollen in Nederlandse ziekenhuizen in te voeren, met ten minste de volgende elementen:
Nee, het kabinet is niet voornemens om op dit moment een verplicht en structureel auditkader met de genoemde elementen in te voeren.
Dat laat onverlet dat goede voorbereiding op de opvang van patiënten met een hoog-risico-infectieziekte van groot belang is. Binnen de bestaande systematiek zijn daarvoor al verschillende waarborgen aanwezig. Ziekenhuizen zijn zelf verantwoordelijk voor veilige zorg, waaronder adequate infectiepreventie, voldoende scholing en training van personeel, passende protocollen en het beschikbaar hebben van noodzakelijke voorzieningen en persoonlijke beschermingsmiddelen. Daarnaast zijn er bestaande werkwijzen gericht op kwaliteitsverbetering, waaronder toezicht door de IGJ op de naleving van professionele standaarden en richtlijnen en het lerend vermogen van de betreffende instelling.
Naar aanleiding van de casus waarnaar in deze vragen wordt verwezen, vindt het kabinet het van belang dat het betrokken ziekenhuis eerst zorgvuldig vaststelt wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De IGJ kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht. Indien de IGJ op basis van haar toezicht tot de conclusie komt dat sprake is van tekortkomingen, beschikt zij reeds over de gebruikelijke toezicht- en handhavingsinstrumenten om daarop passend te acteren. Daarbij zal ook worden betrokken of de bestaande systematiek rond voorbereiding, oefening, toezicht en borging van infectiepreventie bij HCID-opvang voldoende functioneert, of dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
De IGJ is onafhankelijk in de inrichting van haar toezicht en bepaalt zelf haar toezicht- en handhavingssystematiek. De wijze waarop de IGJ invulling geeft aan het toezicht op de naleving van infectiepreventie- en HCID-protocollen in ziekenhuizen – waaronder de frequentie en de inzet van specifieke toezichtsinstrumenten – behoort tot de verantwoordelijkheid van de inspectie zelf.
Wat zijn de totale geraamde kosten van de repatriëringsoperatie van de MV Hondius (evacuatievluchten, ambassade-inzet, SCOT-team, RIVM/GGD-inzet, zes weken thuisquarantaine en de Radboudumc-quarantaine inclusief vervangende inzet), en in hoeverre worden deze kosten verhaald op de rederij, de reisverzekeraars of de individuele passagiers? Bent u bereid een gespecificeerd kostenoverzicht aan de Kamer te sturen?
De totale kosten van de repatriëringsoperatie van de m/v Hondius (waaronder evacuatievluchten, inzet van ambassadepersoneel, het SCOT-team, RIVM- en GGD-inzet, quarantainevoorzieningen en de inzet in het Radboudumc inclusief vervangende capaciteit) worden momenteel nog in kaart gebracht. Een volledig en gespecificeerd kostenoverzicht is op dit moment nog niet beschikbaar.
Het uitgangspunt bij de uitvoering van de operatie was het snel en adequaat handelen in het belang van de veiligheid en gezondheid van alle betrokkenen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal van deze kosten.
Acht u het redelijk dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de kosten van repatriëring en nasleep van een commerciële cruise waarop het besmettingsrisico is opgelopen? Welke wettelijke en verzekeringstechnische instrumenten ziet u om dit principieel anders te regelen voor toekomstige uitbraken?
Bij een situatie als deze staat de bescherming van de gezondheid en veiligheid van passagiers en bemanning voorop. Dat betekent dat noodzakelijke maatregelen ongeacht de uiteindelijke kostenverdeling worden getroffen om verantwoord en snel te kunnen handelen.
De kosten van de operatie worden momenteel in kaart gebracht. Tegelijkertijd wordt bezien in hoeverre het redelijk en juridisch mogelijk is om deze kosten te verhalen op de rederij, reisverzekeraars of andere betrokken partijen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal.
Kunt u bevestigen dat op het Britse cruiseschip Ambition voor de kust van Bordeaux 1.700 opvarenden in quarantaine zijn geplaatst, dat een 92-jarige Britse passagier vermoedelijk is overleden aan het norovirus en dat ten minste vijftig passagiers ziek zijn geworden? Hoeveel Nederlanders bevinden zich aan boord, en welke ondersteuning krijgen zij op dit moment van de Nederlandse ambassade en het Snel Consulair Ondersteuningsteam (SCOT)?
De regionale gezondheidsautoriteiten van Nouvelle-Aquitaine hebben op 13 mei een persbericht gedeeld over de situatie op het Britse cruiseschip Ambition.11 Zij gaven in het persbericht aan dat het ging om het norovirus. De regionale gezondheidsautoriteiten hebben de rederij geadviseerd over passende maatregelen. Op het cruiseschip is ook een medisch team aanwezig. Er was geen noodzaak om de autoriteiten of de rederij vanuit de Nederlandse ambassade of met inzet van het Snel Consulair Ondersteuningsteam te ondersteunen. Vanuit de Ambition is er ook geen consulair hulpverzoek binnengekomen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u ermee bekend dat in dezelfde week ook op het cruiseschip Caribbean Princess een uitbraak van het norovirus is vastgesteld, waarbij meer dan honderd passagiers en tien bemanningsleden ziek zijn geworden? Hoe beoordeelt u het feit dat in een tijdsbestek van enkele weken drie grote virusuitbraken (Hondius, Ambition, Caribbean Princess) op cruiseschepen plaatsvinden, en is er naar uw oordeel sprake van een structureel falen van de hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken.
Bent u bereid om – gelet op deze opeenvolgende uitbraken – een structurele preventieve informatieplicht in te voeren waarbij Nederlandse burgers die een cruise overwegen vóór boeking actief en eenduidig worden geïnformeerd over recente uitbraken, de uitbraakgeschiedenis per rederij en route, en de gezondheidsrisico’s van langdurig verblijf op cruiseschepen, bijvoorbeeld via een centrale «cruise-risicopagina» op nederlandwereldwijd.nl?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken. Daarom acht het kabinet het invoeren van een structurele preventieve informatieplicht niet nodig.
Bent u bereid om, in samenwerking met het RIVM, de European Maritime Safety Agency (EMSA) en het ECDC, bepaalde cruiseroutes of -regio’s waar zich recent uitbraken hebben voorgedaan tijdelijk als «verhoogd risico» aan te merken, met aanvullende preventieve verplichtingen voor rederijen die deze routes bevaren (zoals verplichte screening bij inscheping, verscherpte hygiëneprotocollen en een meldplicht bij verdachte ziektegevallen)? Zo nee, waarom niet?
De cruisesector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Aanvullende preventieve verplichtingen worden daarom niet nodig geacht.
Bent u bereid een vast protocol «Snelle Repatriëring Nederlanders» vast te stellen voor infectieziekte-uitbraken op cruiseschepen, met heldere afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie, zodat Nederlanders bij toekomstige uitbraken niet langer dagen of weken hoeven te wachten op evacuatie, zoals bij de MV Hondius het geval was? Bent u bereid dit protocol vóór 1 januari 2027 aan de Kamer voor te leggen?
De evacuatie van de m/v Hondius is uitermate spoedig en zorgvuldig geregeld, in nauwe en goede samenwerking met alle nationale en internationale betrokken partijen. Daarnaast is er een vast protocol «Beleidskader consulaire repatriëringen en evacuaties», die voorziet in een spoedige afhandeling. Een aanvullend vast protocol is om die reden niet nodig.
De financiële problemen bij ziekenhuis Bernhoven door de weigerachtige houding van meerdere zorgverzekeraars om het ziekenhuis voldoende te financieren |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat het ziekenhuis Bernhoven in de financiële problemen dreigt te geraken doordat zij minder zorg gericht op productie levert, maar passende zorg gericht op de patiënt als uitgangspunt?1, 2, 3
Ja. Het kabinet is op de hoogte van de uitdagingen waarvoor ziekenhuis Bernhoven staat. Hierover is de afgelopen jaren regelmatig contact geweest tussen ziekenhuis Bernhoven, het Ministerie van VWS, het Zorginstituut Nederland, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Nederlandse Zorgautoriteit. Ziekenhuis Bernhoven heeft daarbij ook aandacht gevraagd voor de knelpunten die zij ervaart bij de financiering van passende zorg.
Bent u op de hoogte van het feit dat vijf zorgverzekeraars, te weten: Zilveren Kruis/Achmea, Menzis, ONVZ, ASR en Salland die samen een marktaandeel van twintig procent hebben in het werkgebied van Bernhoven, weigeren om – net als de andere zorgverzekeraars Bernhoven aanvullend te financieren zodat de financiële toekomst van Bernhoven kan worden gegarandeerd?
Ja, het kabinet is op de hoogte van het feit dat een aantal zorgverzekeraars recentelijk nog in gesprek was met ziekenhuis Bernhoven over het contract voor 2026 en daarover nog geen finale overeenstemming hadden. Volgens informatie op de website van ziekenhuis Bernhoven (stand per 25 juni 2026) heeft het ziekenhuis inmiddels een contract gesloten met alle zorgverzekeraars, behalve met zorgverzekeraars Achmea, A.S.R. en Menzis. Met de zorgverzekeraars Achmea en A.S.R. is de status «in onderhandeling», terwijl de status van zorgverzekeraars Menzis wordt omschreven als «in onderhandeling maar nog geen zicht op contract».
Bent u het ermee eens dat alle zorgverzekeraars gezamenlijk de plicht hebben het ziekenhuis Bernhoven langjarig voldoende te financieren om te voorkomen dat het ziekenhuis failliet gaat en/of gedwongen zou worden te fuseren met een ander ziekenhuis in de omgeving waardoor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de ziekenhuiszorg voor 280.000 patiënten in de regio Oss, Bernheze, Maashorst, Meijerijstad onder druk komt te staan?
Elke zorgverzekeraar heeft individueel een wettelijke zorgplicht voor zijn verzekerden. De zorgverzekeraar moet voor zijn verzekerden ervoor zorgen dat deze binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang hebben tot alle zorg uit het basispakket. De Nederlandse Zorgautoriteit houdt toezicht op nakoming van de zorgplicht door zorgverzekeraars en borgt daarmee de bereikbaarheid en toegankelijkheid van zorg in een regio.
Dit kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland, ongeacht woon- of verblijfplaats, toegang heeft tot goede zorg. Toegankelijke medisch-specialistische zorg vraagt om gezamenlijke doorontwikkeling en afstemming van de organisatie van zorg in ons land. Regionale ziekenhuizen zoals Bernhoven, vervullen een essentiële rol in het zorglandschap. Om lange termijn afspraken te bevorderen zet het kabinet in op een passend regionaal zorglandschap, waarbij het actiever gaat sturen op de organisatie van zorg in de regio èn op de rol van de zorgverzekeraars. Het kabinet verwacht van zorgverzekeraars dat zij meer gaan inzetten op de beschikbaarheid van passende zorg.
Wanneer er een gezamenlijke visie is over de toekomstige inrichting van het regionale zorglandschap en welke aanpak nodig is om dit toekomstbeeld te realiseren, dan is het uitgangspunt dat hier regionale afspraken over worden gemaakt vanuit een meerjarig perspectief. De doorvertaling van deze regionale afspraken naar de zorginkoop is hierbij van groot belang en is een van de afspraken waar zorgverzekeraars en gemeenten zich reeds in het IZA aan hebben gecommitteerd. Of een ziekenhuis moet afslanken of fuseren is onderdeel van deze gezamenlijke regionale afspraken.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is wanneer een ziekenhuis financieel gestraft wordt voor het inzetten op passende zorg, terwijl uw kabinet juist expliciet wil inzetten op passende zorg?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. Het streven is dat de inzet op passende zorg lonend moet zijn en dus niet moet worden bestraft. De keuze van ziekenhuis Bernhoven om de organisatie volledig te richten op het implementeren van passende zorg past bij de richting die het kabinet voor ogen heeft.
Tegelijkertijd laat de bredere beweging naar passende zorg zien dat het soms nodig is om in een overgangssituatie extra ondersteuning te bieden. Daarom kijkt het kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar het nodig is, wordt dit aangepast. Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen jaren de transformatie ondersteund door aanvullende transformatiemiddelen (nagenoeg 2 miljard) in te zetten. Voor partijen moet het inzetten op passende zorg lonend zijn maar dit betekent ook dat de bedrijfsvoering hierop aangepast moet worden.
Deelt u de mening van uw voorganger dat de werkwijze van het ziekenhuis Bernhoven een voorbeeld is dat navolging verdient? Kunt u dit toelichten?4
Ja. De werkwijze van ziekenhuis Bernhoven lijkt goed aan te sluiten bij de uitgangspunten van passende zorg. De ervaringen die daar zijn opgedaan kunnen waardevolle lessen bieden voor zorgverzekeraars en voor andere zorgaanbieders.
Klopt het dat een aantal verzekeraars de gemaakte afspraken uit het continuïteitsplan uit 2024 niet nakomt? Kunt u dit toelichten?
Uit navraag bij de Nederlandse Zorgautoriteit is gebleken dat de vijf genoemde zorgverzekeraars menen dat het continuïteitsplan zich uitstrekte over de periode 2024 en 2025. Zij zijn daarom daarna met ziekenhuis Bernhoven weer de normale
onderhandelingscyclus gestart om tot nieuwe contractsafspraken te komen voor 2026. Uit informatie op de website van ziekenhuis Bernhoven (stand per 25 juni 2026) blijkt dat het ziekenhuis inmiddels een contract gesloten heeft met alle zorgverzekeraars, behalve met zorgverzekeraars Achmea, A.S.R. en Menzis. Met de zorgverzekeraars Achmea en A.S.R. is de status «in onderhandeling», terwijl de status van zorgverzekeraars Menzis wordt omschreven als «in onderhandeling maar nog geen zicht op contract».
Overigens is er volgens de Nederlandse Zorgautoriteit op dit moment geen sprake van (acute) financiële problemen bij ziekenhuis Bernhoven, maar is het voor de toekomstbestendigheid van het ziekenhuis wel belangrijk dat er goede contractafspraken komen met alle zorgverzekeraars. Daarbij geven de zorgverzekeraars nadrukkelijk aan dat zij zich richten op de continuïteit van ziekenhuis Bernhoven, omdat zij vinden dat het ziekenhuis een belangrijke regionale rol in het zorglandschap vervult.
Hoe groot is het risico dat een deel van de zorg uit het ziekenhuis Bernhoven zal verdwijnen?
Het kabinet heeft op dit moment geen signalen ontvangen dat ziekenhuis Bernhoven voornemens is delen van de zorg af te stoten of dat de continuïteit van zorg voor patiënten in de regio in het geding is. Bernhoven heeft aangegeven geen plannen te hebben om zorg af te stoten of te fuseren. Daarnaast heeft ziekenhuis Bernhoven eerder aangegeven afspraken te hebben met de twee grootste zorgverzekeraars – CZ en VGZ – tot en met 2028. Ook zijn inmiddels met meerdere andere zorgverzekeraars contracten gesloten.
Bent u bereid de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) te vragen te bemiddelen dan wel in te grijpen bij het conflict tussen een aantal zorgverzekeraars en ziekenhuis Bernhoven om te komen tot een eerlijke en reële financiering door alle zorgverzekeraars waarbij enerzijds verkeerd uitpakkende productieprikkels worden vermeden en anderzijds het ziekenhuis langjarig financiële zekerheid kan worden geboden?
De Nederlandse Zorgautoriteit is op de hoogte van de situatie in ziekenhuis Bernhoven en houdt vanuit haar rol als onafhankelijke toezichthouder een vinger aan de pols. Het kabinet ziet vanuit haar rol en verantwoordelijkheid op dit moment geen aanleiding om de Nederlandse Zorgautoriteit te verzoeken aanvullende stappen te zetten. De Nederlandse Zorgautoriteit geeft aan dat het op dit moment gaat om een contracteringsvraagstuk en niet om een continuïteitsprobleem. Het is in eerste instantie aan ziekenhuis Bernhoven om samen met de zorgverzekeraars tot passende afspraken te komen.
Bent u het ermee eens dat ten alle tijde moet worden voorkomen dat het ziekenhuis Bernhoven failliet gaat? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel als de toegankelijkheid van de zorg nog verder achteruitgaat?
Ja. In algemene zin moet een ongecontroleerd faillissement van een ziekenhuis worden voorkomen. Tegelijkertijd zijn er op dit moment geen aanwijzingen dat een faillissement van ziekenhuis Bernhoven aan de orde is. Bernhoven geeft aan dat er geen reden is voor angst op een faillissement en dat de toegankelijkheid van zorg op dit moment is gewaarborgd. De Nederlandse Zorgautoriteit volgt de situatie en ziet toe op de zorgplicht van zorgverzekeraars. Mochten er risico’s ontstaan voor de continuïteit van zorg, dan bestaan daarvoor procedures en instrumenten om tijdig passende maatregelen te treffen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
Ja, die zorgen deel ik. Ik sta pal voor de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen in onze samenleving en maak mij samen met anderen hard voor de veiligheid en vrijheid van vrouwen.
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Ja, professionals zien dat de manosfeer hierbij een rol kan spelen.
Uit een uitvraag onder betrokken organisaties blijkt dat professionals van Politie, Openbaar Ministerie, reclassering en forensische zorg die werken met personen die grensoverschrijdend gedrag vertonen, bekend zijn met online beïnvloeding vanuit onder meer de manosfeer. Zij geven aan dat dit in sommige gevallen een van de risicofactoren kan zijn voor seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld, en ander geweld tegen vrouwen en meisjes. Tegelijkertijd benadrukken zij dat een direct causaal verband moeilijk is vast te stellen en dat online beïnvloeding moet worden bezien in samenhang met andere persoonlijke, sociale en contextuele factoren.
Bij Slachtofferhulp Nederland, Veilig Thuis, Centrum Seksueel Geweld en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) zijn op dit moment geen structurele signalen bekend. Dat betekent echter niet dat dergelijke online invloeden geen rol kunnen spelen in individuele zaken. Zo betrekt de RvdK het online gedrag van jongeren bij jeugdcriminaliteitszaken in de risicotaxatie, waardoor ook mogelijke invloeden vanuit online omgevingen, waaronder de manosfeer, kunnen worden meegewogen. Ook onderwijsprofessionals geven volgens het onderzoek van Stichting School & Veiligheid aan dat ze de invloed van de manosfeer op school merken. Bijvoorbeeld als het gaat om ideeën over genderverhoudingen, zoals kwaliteiten of rolverdeling van mannen en vrouwen of negatieve uitspraken over en gedragingen richting mensen die transgender, non-binair of homo zijn.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met betrokken organisaties en houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja. De aanpak van (seksueel) geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld bevat onder andere specifieke inzet op het bevorderen van gendergelijkheid, het tegengaan van schadelijke genderstereotypen en opvattingen, zowel in de fysieke als in de online leefomgeving. Hierbij is ook specifieke aandacht voor jongens en mannen, bijvoorbeeld via het ondersteunen van de stichting Emancipator4, de publiekscampagne in het kader van het Nationaal Actieprogramma seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld («Man, zeg er wat van») en de ontwikkeling van de Mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide. Deze inzet draagt bij aan het tegengaan van de invloed van, en weerbaarheid tegen, de manosfeer. Tegelijkertijd zijn er meer en specifiekere maatregelen mogelijk, zowel offline als online.
Bij de ontwikkeling van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en het versterkingsplan lhbtiq+ wordt de invloed van de manosfeer meegenomen. We ontwikkelen dit in coördinatie met andere betrokken departementen. In de Emancipatienota die de Tweede Kamer in september 2026 ontvangt wordt u hier nader over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Na de zomer start de Nationaal Coördinator met de ontwikkeling van een nieuw nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Hierin wordt meegenomen welke behoeften er zijn aan onderzoek bij de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en op welke wijze dit geprioriteerd kan worden binnen de beschikbare middelen. Dit geldt ook voor het versterkingsplan lhbtiq+. Een onderzoek naar de rol van de manosfeer in het ontstaan en voortduren van grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen behoort hierbij tot de mogelijkheden.
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Op dit moment loopt, in opdracht van de Ministeries van VWS en JenV, een traject waarin door Regioplan samen met de VNG en verschillende zorg- en strafpartners wordt gewerkt aan een plan van aanpak voor het verbeteren van deskundigheid ten aanzien van gendergerelateerd geweld. Hierbij is aandacht voor (onbewuste) gendernormen en stereotypen. Het plan van aanpak wordt voor de zomer met uw Kamer gedeeld via de voortgangsbrief aanpak geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.
Binnen verschillende sectoren die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag is aandacht voor het herkennen en bespreekbaar maken van risicofactoren, waaronder online beïnvloeding. Professionals van onder andere Halt en de Raad voor de Kinderbescherming worden bijvoorbeeld ondersteund met signalerings- en risicotaxatie instrumenten5, handreikingen, factsheets en andere hulpmiddelen. De kennis over de specifieke invloed van de manosfeer is echter nog in ontwikkeling en verdere deskundigheidsbevordering blijft van belang.
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Het is al langer bekend dat negatieve opvattingen over vrouwen of vrouwelijke autoriteitsfiguren, die ook al vóór de opkomst van de manosfeer voorkwamen, in sommige gevallen een rol kunnen spelen in de hulpverleningsrelatie. Online beïnvloeding, waaronder vanuit de manosfeer, kan dergelijke opvattingen versterken. Tegelijkertijd geven de betrokken organisaties aan geen aanwijzingen te hebben voor een toename van wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners als gevolg van deze beïnvloeding. Dat neemt niet weg dat dergelijke situaties kunnen voorkomen en dat alertheid op signalen hiervan van belang blijft.
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Uit het onderzoek blijkt dat bijna 80% van de professionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door online content over mannelijkheid, genderidentiteit en omgang met vrouwen. Dit benadrukt de mogelijke impact van de manosfeer op het gedrag en de dynamiek in de klas. Dat onderstreept dat de samenleving, de sector en de overheid de taak hebben om te werken aan gelijkwaardigheid en veiligheid voor iedereen.
Ik ben in gesprek met onderwijsprofessionals over dit onderwerp, hun behoefte aan ondersteuning en handvatten om hiermee om te gaan, en manieren om het gesprek in de klas hierover te stimuleren.
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Ik vind het zorgwekkend dat bijna driekwart van de professionals een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosfeer. Het is complex om op basis van dit onderzoek één specifieke oorzaak aan te wijzen, maar de toenemende online blootstelling aan polariserende en antifeministische denkbeelden, zoals uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid blijkt, draagt mogelijk bij aan de toename van dit gedrag.
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Ja. Uit het onderzoek blijkt dat 52% van de meiden en 58% van de lhbtiq+ leerlingen zich minder veilig voelen door uitlatingen en gedragingen die voortkomen uit de manosfeer. Dat geldt in mindere mate, maar nog steeds ook, voor jongens (39%). Ook ervaart 29% van de ondervraagde vrouwelijke onderwijsprofessionals dat hun autoriteit wordt ondermijnd vanwege hun vrouw-zijn. Uit gesprekken met leerkrachten worden deze signalen bevestigd.
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Scholen, overheden en ouders hebben een verantwoordelijkheid en rol in het creëren van gelijkwaardigheid en ondersteunen van veiligheid voor meisjes en vrouwen, jongens en mannen. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school, en de opdracht om leerlingen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Gelijkwaardigheid is daar onderdeel van. Ook mediawijsheid en digitale geletterdheid dragen bij aan het herkennen van online beïnvloeding.
Het is nodig om te begrenzen én aandacht te hebben voor gedrag en uitlatingen van jongeren, om hen zo beter te begrijpen, gerichter te kunnen ondersteunen en waar nodig tijdig te kunnen bijsturen. Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ondersteunen we scholen hierbij. Dat gebeurt via Stichting School & Veiligheid, het Expertisepunt Burgerschap en het Netwerk Mediawijsheid.
Ook ouders hebben een belangrijke rol. Zij hebben, hoe moeilijk dat soms ook kan zijn, een taak om thuis het gesprek aan te gaan over waarden als gelijkwaardigheid en respect, en om zicht te hebben op de online invloeden waaraan hun kinderen blootgesteld worden. Het is van belang dat zowel vaders als moeders hier verantwoordelijkheid in nemen. Daarnaast is een goede samenwerking tussen ouders en de school nodig waarbinnen heldere en duidelijke afspraken gelden die ook consequent worden gehandhaafd. Daarmee wordt een positief pedagogisch klimaat gecreëerd waarin iedere leerling en onderwijsprofessional zich veilig kan voelen.
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Het betekent dat de manosfeer bij kan dragen aan een onveilig schoolklimaat, waarbij vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker te maken krijgen met onacceptabel gedrag. Dit ondermijnt hun autoriteit en de kwaliteit van het onderwijs. Het benadrukt de noodzaak om grenzen te stellen en normen te handhaven, zowel op school als in de samenleving.
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Zie het antwoord op vraag 11.
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Op dit moment kunnen scholen en leraren gebruikmaken van ondersteuning via het Expertisepunt Burgerschap, waar subsidie aangevraagd kan worden voor trainingen om schurende gesprekken te voeren. Daarnaast biedt Stichting School & Veiligheid (SSV) ondersteuning bij het bevorderen van een veilig schoolklimaat. Daarnaast vraagt dit van schoolleiders en bestuurders dat zij voor hun medewerkers gaan staan en hen adequate ondersteuning bieden. Ik ben in gesprek met leerkrachten of dit voldoende handvatten biedt.
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Uit het onderzoek en de gesprekken die ik met leerkrachten voer blijkt dat er behoefte is aan ondersteuning. Die is onder andere beschikbaar via het Expertisepunt Burgerschap en Stichting School & Veiligheid. Samen met Stichting School & Veiligheid zijn we voortdurend in contact met leraren om te vernemen wat werkt en of meer nodig is. Dit contact hebben we ook met scholieren.
Het artikel ‘Het pensioendrama APG’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het pensioendrama APG» van 7 mei 2026?1
Ja.
In het jaarverslag van het ABP staat dat duurzaam en verantwoord beleggen voor «enige remming» van de rendementen heeft gezorgd. Risicovrij beleggen levert ongeveer 4% per jaar op en daar zit het APG onder. Hoe beoordeelt u de tegenvallende resultaten op de aandelenportefeuille?
Zoals gebruikelijk is, geef ik geen oordeel over de prestaties van individuele pensioenfondsen of pensioenuitvoeringsorganisaties. Het fonds legt verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan over het gevoerde beleggingsbeleid en de daarbij behorende resultaten.
Bent u het eens dat het de taak van de pensioenfondsen moet zijn om in het belang van de deelnemers maximaal rendement te halen?
Een pensioenfonds moet handelen in het belang van de deelnemers, waarmee in ieder geval wordt bedoeld dat het financieel belang van deelnemers moet worden gewaarborgd. Dit is ook wettelijk vastgelegd. In het beleggingsbeleid moeten fondsen rekening houden met de risicohouding van de deelnemers. In de risicohouding worden het minimum-rendement en het maximum-risico bepaald waarbinnen het strategische beleggingsbeleid wordt vormgegeven. Pensioenfondsen dienen daarin een afweging te maken tussen de groei en de zekerheid van de uitkering die zij aan gepensioneerden willen bieden.
Bent u bereid om het ABP een nadere toelichting te vragen op deze tegenvallende resultaten en wilt u de Kamer informeren over deze nadere toelichting?
Het fonds dient richting haar deelnemers en gepensioneerden verantwoording af te leggen over de behaalde resultaten en daarbij toelichting te geven. Voor de verantwoording die fondsen af moeten leggen gelden wettelijke normen en procedures. Er zijn mij geen signalen bekend dat ABP hierin tekort is geschoten en ik behoef daarom ook geen nadere toelichting.
Volledigheidshalve verwijs ik u naar het openbare jaarverslag van ABP. In dit jaarverslag geeft ABP een toelichting op de beleggingsresultaten. De dekkingsgraad ontwikkelde zich positief in 2025 door de stijging van de rente. Per 1 januari 2026 zijn pensioenen verhoogd met 2,84%. Dat is hetzelfde als de prijsstijging in de periode van september 2024 tot en met september 2025. Hiermee is per 2026 de indexatie-ambitie geheel waargemaakt.
De Kamer heeft de motie van het lid Aartsen c.s. aangenomen waarin wordt gesteld dat het rendement centraal moet staan en geen ruimte is voor activistisch of ideëel beleggen2. Hoe wordt deze motie uitgevoerd?
Eerder heeft mijn ambtsvoorganger uitvoering gegeven aan de motie Aartsen, waarin is verkend hoe toetsingskaders kunnen worden aangescherpt om te waarborgen dat wordt belegd in het belang van de deelnemer.3, 4 Zoals genoemd bij antwoord 3, is het wettelijk voorgeschreven dat pensioenfondsen een beleggingsbeleid moet voeren waarbij er wordt belegd in het belang van de deelnemer. Daarmee wordt in ieder geval bedoeld dat het financiële belang van deelnemers gewaarborgd moet worden.
Hoe ziet het door u aangekondigde onderzoek naar achterblijvende rendementen eruit? Wat is de onderzoeksopdracht, wie voert het onderzoek uit en wanneer krijgt de Kamer de resultaten?
Het onderzoek is met de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» aan de Kamer verzonden en is verricht door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarbij sectorexperts zijn betrokken.
Bent u het eens dat meer transparantie over de resultaten noodzakelijk is? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe ziet dit er dan volgens u uit?
Duidelijke communicatie richting deelnemers over het beleggingsbeleid vormt een belangrijk onderdeel van de verantwoording door pensioenfondsen aan deelnemers. Pensioenfondsen bieden transparantie over hun beleggingen en beleggingsresultaten in hun jaarverslagen en leggen verantwoording hierover af aan de actieve deelnemers en gepensioneerden, die zijn vertegenwoordigd in het verantwoordingsorgaan. Ook worden alle deelnemers en gepensioneerden jaarlijks individueel geïnformeerd via het Uniform Pensioenoverzicht (UPO).
Op welke wijze kunnen pensioenfondsen worden gestimuleerd om in het belang van hun deelnemers meer transparantie te geven over de behaalde beleggingsresultaten?
Zie antwoord vraag 7.
Bij wie ligt de taak om verantwoording af te leggen over de resultaten van de fondsen, de uitvoerder of het fonds? Bent u het eens dat deze taak explicieter moet worden gemaakt? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe ziet dit er dan volgens u uit?
Goede verantwoording is belangrijk, omdat dit de deelnemer vertrouwen biedt in het pensioenstelsel en het fonds waarbij ze hun pensioen opbouwen. Pensioenfondsen leggen verantwoording af over de resultaten die ze behalen, alsook over alle onderdelen van de uitvoering. Denk bijvoorbeeld aan vermogensbeheer of administratie als deze zijn uitbesteed. Daarnaast leggen pensioenfondsen verantwoording af over de (verwachte) pensioenuitkering, of deze stabiel is en of deze verhoogd kan worden in het licht van de prijsontwikkeling. Maar ook over de inspanning vooraf wordt verantwoording afgelegd aan de deelnemers. Het gaat dan bijvoorbeeld om het beleggingsbeleid, waarin met diverse biometrische en financiële risico’s en met economische en globale ontwikkelingen rekening gehouden wordt. Verantwoording wordt afgelegd op de website, in het jaarverslag van het fonds en ook aan het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan, waarin deelnemers en gepensioneerden zijn vertegenwoordigd.
In de Pensioenwet zijn de verantwoordingsvereisten die gesteld worden aan individuele pensioenfondsen vastgelegd. Daarmee is expliciet duidelijk dat het individuele fonds en niet de betreffende pensioenuitvoeringsorganisatie verantwoording moet afleggen over de resultaten aan de deelnemers.
Er kunnen voor een pensioenuitvoeringsorganisatie evenwel andere, buiten de Pensioenwet gelegen, wettelijke en statutaire verplichtingen zijn om een jaarverslag te publiceren. Dergelijke jaarverslagen kunnen niet in de plaats treden van de verantwoordingsverplichtingen die een individueel fonds heeft naar zijn deelnemers. Er zijn mij geen signalen bekend dat hiervan sprake zou zijn of dat er voor deelnemers(organen) sprake is van verwarring. Uiteraard staat het iedereen vrij om ook de inzichten uit de openbare jaarverslagen van pensioenuitvoeringsorganisaties tot zich te nemen en hierover bijvoorbeeld in nieuwsmedia te publiceren.
Welke mogelijkheden heeft een verantwoordingsorgaan of belanghebbendenorgaan af te dwingen dat een pensioenfonds bij het beleggingsbeleid nadrukkelijker rekening houdt met het belang van deelnemers om rendement te maximaliseren? Bent u bereid om deze mogelijkheden te verruimen?
Ik begrijp uw zorg rondom de inspraak van deelnemers en gepensioneerden over het beleggingsbeleid. Deelnemers en gepensioneerden hebben inspraak in het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Ze zijn onder meer vertegenwoordigd in de pensioenfondsbesturen. Het bestuur stelt het beleggingsbeleid vast. Verder is het verantwoordingsorgaan, waarin deelnemers zitting hebben, bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur zoals over het gevoerde beleggingsbeleid. Dit oordeel wordt opgenomen in het bestuursverslag. In het algemeen is te zien dat pensioenfondsen in toenemende mate de individuele pensioenfondsdeelnemers actief betrekken bij de vormgeving van hun beleggingsbeleid. In het kader van de motie Palland zal een onderzoek worden verricht naar de governance van pensioenfondsen. De huidige wijze van deelnemersbetrokkenheid zal daarin ook worden beschouwd. Op basis van die inzichten ga ik graag te zijner tijd in gesprek met uw Kamer.
Wie houdt toezicht op de wijze van beleggen door de pensioenfondsen?
Er zijn verschillende stappen in de beleggingscyclus te onderscheiden, zoals ook uitgebreid beschreven in de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen». DNB ziet erop toe dat de voorgeschreven stappen doorlopen worden om te komen tot een passend beleggingsbeleid door het pensioenfonds, en dat het bestuur de strategie periodiek herijkt indien nodig. Daarbij wordt ook gekeken of verantwoordingsorganen in voldoende mate worden betrokken.5 AFM ziet toe op de wettelijk verplichte uitvoering van het risicopreferentieonderzoek door pensioenfondsen.
Het bericht dat migratiedeskundige Ruud Koopmans niet langer welkom zou zijn als spreker bij een bijeenkomst van Pakhuis de Zwijger |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat socioloog en migratiedeskundige Ruud Koopmans niet langer welkom zou zijn als spreker bij een bijeenkomst van Pakhuis de Zwijger vanwege uitingen op sociale media?
Ja.
Ontvangt Pakhuis de Zwijger direct of indirect rijkssubsidie, dan wel financiering via rijksfondsen, semipublieke instellingen of andere publieke middelen? Zo ja, om welke bedragen gaat het in de afgelopen vijf jaar?
Pakhuis de Zwijger heeft een bijdrage ontvangen van € 745.000 in de context van de Culturele Basisinfrastructuur (BIS) 2021–2024 van het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. Voor de periode 2025–2028 ontvangt Pakhuis de Zwijger een bijdrage van € 550.000 per jaar via het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Pakhuis de Zwijger ontvangt tevens subsidie vanuit het Kunstenplan van de gemeente Amsterdam. Andere inkomstenbronnen zijn publieksinkomsten, partnerbijdragen, horeca en zaalverhuur. Voor 2026 heeft Pakhuis de Zwijger een begroting van in totaal € 5.760.500.
Deelt u de opvatting dat van publiek gefinancierde debatinstellingen een zekere mate van pluriformiteit en openheid mag worden verwacht, juist waar het gaat om maatschappelijk controversiële onderwerpen zoals migratie?
Ik acht het in algemene zin van belang dat er ruimte is voor debat over politiek-maatschappelijke thema’s met een diversiteit aan perspectieven. Echter is het niet aan mij om de programmering van een culturele instelling te beoordelen. Hoe invulling wordt gegeven aan debat en programma en wat hiervoor wordt georganiseerd of wie wordt uitgenodigd is aan de instelling. In onderhavig geval heeft de Adviesraad Migratie overigens besloten de bijeenkomst op een andere locatie te houden.
Hoe verhoudt het weren van een spreker vanwege publieke politieke of maatschappelijke uitingen zich volgens u tot het publieke doel van debatinstellingen die zeggen ruimte te bieden aan het maatschappelijk gesprek?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het wenselijk dat een gerenommeerd migratiewetenschapper wordt geweerd wegens online uitingen, terwijl hij juist was uitgenodigd om over migratie in debat te gaan?
Zie antwoord vraag 3.
Welke criteria gelden voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen op het gebied van maatschappelijke dialoog, democratische vorming of publiek debat ten aanzien van ideologische diversiteit en pluriformiteit?
Voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen geldt dat zij artistiek en inhoudelijk autonoom zijn. Dit is een belangrijk uitgangspunt in een democratische rechtsstaat. Wel geldt in algemene zin dat van instellingen met een publieke debat- of dialoogfunctie mag worden verwacht dat zij een podium geven aan verschillende stemmen en opvattingen in het debat. Dit gesprek wordt momenteel uitvoerig gevoerd binnen de sector. Een belangrijke aanjager hiervan is het advies «Maken (z)onder druk» van de Raad voor Cultuur, hierin wordt o.a. gekeken naar de verantwoordelijkheid van de instelling. De uiteindelijke afweging blijft echter altijd aan de instelling zelf. Het is niet aan het kabinet om programmering inhoudelijk te beoordelen of te sturen op specifieke politieke of ideologische vertegenwoordiging.
Volgens de missie en visie van Pakhuis de Zwijger stelt men zich ten doel om met een duurzame, inclusieve, pluriforme, humane, verbonden en toekomstgerichte programmering bij te dragen aan vrije gedachtewisseling op het gebied van de dynamiek van de stedelijke samenleving1. Het is, indien gevraagd wordt om een Rijksbijdrage via de Basisinfrastructuur (BIS), aan de Raad voor Cultuur om de toegevoegde waarde van de activiteiten en de programmering van een instelling inhoudelijk te beoordelen.
Deelt u de zorg dat er een situatie kan ontstaan waarin gesubsidieerde debatinstellingen in de praktijk vooral sprekers uitnodigen die passen binnen een relatief smal ideologisch spectrum?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er bij het Rijk of subsidieverstrekkers waarborgen of evaluatiecriteria aanwezig om te voorkomen dat publiek gefinancierde instellingen bijdragen aan institutionele uitsluiting van legitieme maatschappelijke opvattingen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de spanning tussen enerzijds codes of conduct van debatinstellingen en anderzijds het publieke belang van open debat, juist tussen fundamenteel verschillende perspectieven?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid in overleg te treden met publiek gefinancierde debatinstellingen over de vraag hoe ideologische pluriformiteit en ruimte voor controversiële, maar democratisch legitieme stemmen beter kunnen worden gewaarborgd?
Zie antwoord vraag 6.
Het artikel ‘De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel» en wat is daarop uw reactie?1
Ja.
Hoe past dit verhaal in de beweging naar passende zorg die dit kabinet propageert?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. Het streven is dat passende zorg lonend moet zijn. Daarom wordt ook bezien in hoeverre de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat het kabinet van partijen vraagt. Waar nodig worden deze aangepast.
Ziet u een afname van onnodige zorg in Bernhoven en hoe kijkt u daar tegenaan?
Op basis van de ingezette beweging en de signalen die ziekenhuis Bernhoven hierover heeft gegeven, lijkt het inderdaad het geval dat er een afname is van onnodige zorg. Wanneer er minder zorg wordt geleverd omdat deze niet noodzakelijk bijdraagt aan de gezondheid of kwaliteit van leven van patiënten, dan beschouwt het kabinet dat als een positieve ontwikkeling die aansluit bij de doelstellingen van passende zorg van dit kabinet.
Bent u van mening dat een beweging van passende zorg en minder onnodige zorg verder uitgerold moet worden, en is Bernhoven daar een voorbeeld in? Zo ja waarom en wat gaat u eraan doen om dit verder uit te rollen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De beweging naar passende zorg is een belangrijk speerpunt van dit kabinet. Het kabinet heeft recent in de Beleidsbrief VWS toelichting gegeven op een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel dat passende zorg de norm wordt wil bereiken. Dit pakket aan maatregelen gaat over zowel de zorginhoud, het zorglandschap, de rol van zorgverzekeraars als ook solidariteit, in de zin van hoeveel we als samenleving met zijn allen (mee)betalen aan de zorgkosten en toekomstbestendigheid van onze zorg.
Dit kabinet gaat voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak en bijsturen daar waar men nog niet zover is. Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Om dit mogelijk te maken kijkt het kabinet onder andere of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat het kabinet van zorgaanbieders en zorgverzekeraars vraagt.
In hoeverre zijn de financiële problemen van het ziekenhuis ontstaan door de beweging naar passende zorg?
Het kabinet kan geen uitspraken doen over de financiële situatie van ziekenhuis Bernhoven. In algemene zin geldt dat de financiële positie van een ziekenhuis samenhangt met verschillende factoren, waaronder de bedrijfsvoering, de ontwikkeling van de zorgvraag, personeelskosten en contractafspraken met zorgverzekeraars.
Tegelijkertijd laat de beweging naar passende zorg zien dat het soms nodig is om in een overgangssituatie extra ondersteuning te bieden. Daarom kijkt het kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar het nodig is, wordt dit aangepast. Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen jaren de transformatie ondersteund door aanvullende transformatiemiddelen (nagenoeg 2 miljard) in te zetten. Voor partijen moet het inzetten op passende zorg lonend zijn maar dit betekent ook dat de bedrijfsvoering hierop aangepast moet worden.
Hoe kijkt u aan tegen de prijsprikkels die de spanning tussen passende zorg en minder inkomsten door minder behandelingen veroorzaakt?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zorgaanbieders worden gestimuleerd om passende zorg te leveren. Daarom kijkt het kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat er van deze partijen wordt gevraagd. Waar nodig worden deze aangepast. Tegelijkertijd is er in het bilaterale contracteren tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraar al ruimte om afspraken te maken die passende zorg ondersteunen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zorginstellingen die de beweging naar passende zorg maken daarvoor niet «gestraft» worden?
Het uitgangspunt is dat passende zorg moet lonen. Daarom werkt het kabinet samen met partijen aan bekostiging en contractering die de beweging naar passende zorg ondersteunen. Dit is onderdeel van een samenhangend pakket aan maatregelen waarmee passende zorg altijd en overal de norm wordt.
Bent u voornemens dit verdienmodel te doorbreken zodat het collectieve belang en niet het individuele belang van een ziekenhuis centraal komt te staan?
Het kabinet zet zich in voor een zorgstelsel waarin passende zorg de norm is. Daarbij past niet dat financiële prikkels leiden tot meer of andere zorg dan nodig is. Daarom werkt het kabinet aan een samenhangend pakket aan maatregelen waarmee passende zorg altijd en overal de norm wordt.
De toegankelijkheid van het notariaat op Bonaire |
|
Jeltje Straatman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Ministerie verwijst bij klachten notarissen Bonaire naar toezichthouder»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de in het artikel geschetste zorgen over aanhoudende lange wachttijden, de verminderde toegang tot het notariaat en de signalen van mogelijk ongelijke behandeling? Kunt u aangeven op welke wijze daar tot nu toe vanuit het ministerie aandacht voor is geweest?
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is stelselverantwoordelijk voor de toegankelijkheid van notariële dienstverlening, ook op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Uiteraard hebben de in het artikel geschetste ervaringen de aandacht van het kabinet. Met regelmaat is er contact met de notarissen op Bonaire. De toegang tot het recht, waaronder ook het notariaat, is van groot belang. Ik kan u aangeven dat een notaris ministerieplicht heeft en daarmee in beginsel geen onderscheid dient te mogen maken tussen het type zaken of cliënten dat op zijn kantoor in behandeling wordt genomen. Dienst weigeren is alleen met een gegronde reden toegestaan.2 Dit is niet uniek voor de Caribische delen van het Koninkrijk. De ministerieplicht kennen wij ook in de Wet op het notarisambt in Europees Nederland. Het is mij bekend dat de verplichte dienstverlening ook hier regelmatig leidt tot oplopende wachttijden.
Indien een notaris tekortschiet in de uitoefening van zijn wettelijke taken jegens een client in de Caribische delen van het Koninkrijk, dan heeft de client de mogelijkheid om zich te wenden tot de Kamer van Toezicht aan het Gemeenschappelijk Hof.
Bent u het ermee eens dat een goed functionerend en toegankelijk notariaat op Bonaire essentieel is voor niet alleen de lokale economie, maar ook voor de rechtszekerheid en rechtsbescherming op Bonaire?
Ja, het kabinet onderschrijft het belang van een goed functionerend en toegankelijk notariaat in de Caribische delen van het Koninkrijk. Dat is niet alleen belangrijk voor particuliere rechtshandelingen, zoals het opstellen van een testament of de overdracht van een huis, maar ook voor ondernemers. Daarom zet het kabinet in op onder andere ondernemerschap, bestaanszekerheid en een slagvaardige overheid in de Caribische delen van het Koninkrijk.3 Daarvoor is een goed werkend notariaat op alle eilanden randvoorwaardelijk.
Notarissen hebben een belangrijke functie in toegang tot het recht. Zij verschaffen rechtszekerheid door het verrichten van onderzoek naar rechtsfeiten voordat er een rechtshandeling notarieel wordt vastgelegd. Tevens fungeren notarissen als poortwachters in het rechtsverkeer en controleren zij transacties op mogelijke witwas- en frauderisico’s.
Kunt u, gezien het gegeven dat direct toezicht bij de Kamer van Toezicht van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie belegd is, aangeven hoeveel klachten bij de Kamer van Toezicht zijn binnengekomen over het functioneren van het notariaat op Bonaire en in hoeverre dit heeft geleid tot verdere maatregelen? Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag of naar uw oordeel de rol als toezichthouder voldoende bekend is om effectief te functioneren?
Volgens de informatie die het Gemeenschappelijk Hof aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid verstrekt heeft, zijn er over het jaar 2025 geen klachten tegen de notarissen ingediend.
De rol van de toezichthouder en de wijze waarop de klachten kunnen worden ingediend bij de Kamer van Toezicht staan benoemd in de Wet op het notarisambt BES.4 Op de website van de Kamer van Toezicht Notariaat staat de wijze waarop de klachten kunnen worden ingediend omschreven, evenals het verdere verloop van de procedure.5 Naar aanleiding van de recente berichtgeving over de onduidelijkheid van de klachtprocedure6 heeft het Gemeenschappelijk Hof deze informatie ook aan de pers verschaft en is de eerdergenoemde link naar de website van de Kamer van Toezicht Notariaat in een nieuwsartikel verspreid.7
Welke mogelijkheden ziet u om de situatie te verbeteren?
In opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) regelmatig contact met de notarissen op Bonaire, Saba en Sint-Eustatius. In 2024 heeft de KNB dan ook de grootste knelpunten van de notariële praktijk op de eilanden in kaart gebracht. Hieruit kwam naar voren dat de lange wachttijden en de hoge werkdruk primair te verklaren zijn door een ingewikkelde toegang tot informatie van cliënten (KvK, Kadaster en persoonsgegevens) en moeizame uitwisseling van notarieel personeel tussen de eilanden en Europees Nederland.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als stelselverantwoordelijke voor basisregistraties, werkt aan het opzetten van verschillende digitale registers.8 Hierbij wordt samengewerkt met de inhoudelijk verantwoordelijke departementen en openbare lichamen. Volgende stap is het digitaal toegankelijk maken van deze registers met derden waaronder notarissen. Ook wordt binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid momenteel verkend of de wettelijke eisen voor het uitwisselen van notarieel personeel kunnen worden geconcretiseerd en versoepeld. Hiermee pogen wij de notariële praktijk te voorzien van de juiste hulpmiddelen voor een efficiëntere bedrijfsvoering en daarmee een afname van de klachten die ten gronde van deze vragen staan.9
Het zich niet uitspreken tegen extreemrechts geweld en het ontbreken van steun van het kabinet voor de getroffen vluchtelingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Erkent het kabinet dat er sprake is van een groei van extreemrechts, waarvoor de veiligheidsdiensten al langer waarschuwen?
De AIVD en NCTV constateren een groeiende normalisatie van het rechts-extremistische narratief. In het AIVD jaarverslag van 2025 staat dat, binnen de rechts-extremistische beweging, er veel personen en subgroepen zijn die het rechts-extremistische geluid willen normaliseren en dit breed geaccepteerd proberen te krijgen. Daarbij presenteren ze hun gedachtegoed veelal in een mildere vorm om zo acceptabeler over te komen, terwijl ze achter de schermen het rechts-extremistische doel van een «blanke etnostaat» nastreven.
Erkent u dat het kabinet een grote verantwoordelijkheid heeft om de groei van extreemrechts effectief tegen te gaan en het in elk geval niet verder te laten doorwoekeren?
Ja. Dit kabinet zet zich in voor het beschermen van de nationale veiligheid tegen de vele dreigingen die onze vrije Nederlandse samenleving kunnen ondermijnen. Daar waar het gaat om het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed acht het kabinet het van belang om zich daartegen uit te spreken en te normeren.
Voor het tegengaan van extremisme bestaat een breed instrumentarium. Sinds twee jaar is de Nationale Extremismestrategie van de Ministers van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van kracht. Hierin wordt een integrale inzet beschreven: van vroege preventie, tot het beschermen van bestuurders en hard optreden bij excessen. Deze strategie is van toepassing op alle vormen van extremisme, waaronder rechts-extremisme. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom rechts-extremisme nauwlettend om zo de ideologie-neutrale aanpak te kunnen versterken waar nodig.
Waarom heeft u het geweld en de brandstichting bij een noodopvanglocatie voor vluchtelingen niet veroordeeld als extreemrechts geweld, maar koos u ervoor om de daders slechts te bestempelen als «een groep relschoppers» die «zorgen» zouden hebben die je «altijd» mag «uitspeken» en heeft u alleen in algemene termen gezegd dat geweld nooit mag?
Het kabinet veroordeelt elke vorm van geweld. Op dit moment wordt er nog volop onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen van de afgelopen weken door het OM en de politie. De conclusies en exacte duiding moeten hieruit volgen, maar dat er meerdere uitingen zijn gedaan die geduid kunnen worden als rechts-extremistisch, zoals het tonen van prinsenvlaggen gecombineerd met bepaalde leuzen, is evident. Dit is absoluut verwerpelijk en onacceptabel. Zoals ook toegelicht in het debat van 26 mei 2026, richt dit geweld schade aan die veel dieper gaat dan alleen tastbare vernieling: het gaat om mensen. Inwoners van steden die niet meer over straat durven, de mensen in de opvanglocaties en medewerkers en vrijwilligers die in angst afwachten tot het geweld voorbij is, hulpverleners die in de vuurlinie staan en bestuurders die geïntimideerd en bedreigd worden. Het kabinet acht dit onacceptabel.
Bent u alsnog bereid om uit te spreken dat het hier ging om extreemrechts geweld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom hebben zowel u als mevrouw Yeşilgöz in haar rol als eerste vicepremier (en uw vervanger bij de persconferentie na de ministerraad van 13 mei) niet expliciet specifiek medeleven betuigd met de vluchtelingen en medewerkers in het pand die slachtoffer zijn geworden van dit intimiderende geweld en de brandstichting bij hun onderkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om op zeer korte termijn een bezoek te brengen aan de bewoners en de medewerkers van de noodopvanglocatie in Loosdrecht om hen alsnog een hart onder de riem te steken en persoonlijk uw medeleven over te brengen, namens het hele kabinet?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn beantwoord binnen de termijn.
Bent u bekend met het bericht «Van vrouwenmars tot kindermars: wat de asielprotesten zeggen over de normalisering van extreemrechts»?1
Ja.
Deelt u de zorgen dat rechts-extremistische groepen bewust maatschappelijke onrust proberen aan te wakkeren rondom asielopvang om hun extreemrechtse ideologie breder te verspreiden?
Ja, die zorgen deel ik. De AIVD en NCTV constateren dat rechts-extremisten de afgelopen jaren vaker toegang krijgen tot en zich consequent mengen in verschillende maatschappelijke debatten. Verschillende rechts-extremisten en organisaties in Nederland zijn doelbewust bezig met het gangbaarder maken van het rechts-extremistische narratief in Nederland. Dit is een zeer zorgelijke ontwikkeling. Façadepolitiek is hier onderdeel van. Hierbij gebruiken zij een verhulde vorm van hun denkbeelden, die op het eerste gezicht acceptabel zijn voor een grotere groep. Dit doen zij bewust; hiermee bereiken zij potentieel meer mensen, zoals bezorgde burgers. Dit doen zij onder andere door het beïnvloeden van het online debat en propaganda in de publieke ruimte, aansluiten bij en kapen van demonstraties, het zoeken naar internationale samenwerking en toenadering tot uiterst rechts.
Welke signalen zijn bij u bekend over de betrokkenheid van extreemrechtse groeperingen bij lokale protesten tegen asielzoekerscentra?
Klopt het beeld dat sprake is van rondreizende rechts-extremisten die asieldemonstraties laten escaleren, vernielingen plegen en politieagenten belagen?
Kunt u inzichtelijk maken welke verschillende rechts-extremistische groepen aanwezig zijn bij dit soort protesten?
Is bekend of er afstemming tussen de verschillende rechts-extremistische groepen plaatsvindt, of dat zij geïsoleerd van elkaar handelen?
Zijn de individuele leden van deze groepen in beeld, en is daarbij een overlap te zien van lidmaatschap van meerdere rechts-extremistische groepen?
In hoeverre worden leden van deze groepen die zich misdragen tijdens demonstraties opgespoord en veroordeeld? Is de pakkans hierbij hoog genoeg volgens u?
De opsporingsinstanties spannen zich ten volste in voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten gepleegd tijdens de rellen bij de asielzoekerscentra. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op 20 mei jl. aangegeven dat in 2026 meer dan vijftig aanhoudingen zijn verricht naar aanleiding van rellen bij asielzoekerscentra en dat de verwachting is dat er meer aanhoudingen zullen volgen. Ik meen dan ook dat de pakkans hoog genoeg is.
Op welke manier kunnen rechts-extremistische leden van groepen die eerder zijn veroordeeld voor (het aanzetten tot) geweld, vernielingen en agressie bij protesten geweerd worden van toekomstige georganiseerde acties waarbij ordeverstoring en geweld de bovenhand voeren, en vreedzaam demonstreren ver te zoeken is?
Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft de burgemeester de bevoegdheid om een demonstratie te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden of te beëindigen. Dat kan alleen als dat noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer, of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Waar noodzakelijk en proportioneel kan opgetreden worden tegen strafbare feiten die tijdens een demonstratie plaatsvinden. Een demonstratie komt bovendien alleen bescherming van art. 9 Gw en art. 11 EVRM toe, wanneer deze vreedzaam is.2 Demonstranten die geweld gebruiken, komen geen bescherming van het demonstratierecht toe.
Het is gebruikelijk dat de politie informatie (vanuit verschillende bronnen, binnen de huidige wettelijke kaders) verstrekt in de driehoek t.a.v. het aantal te verwachten deelnemers en of er bijzonderheden zijn waar rekening mee gehouden moet worden. Dat is cruciaal in de duiding en om een inschatting te kunnen maken van de impact en mogelijke risico’s in het kader van de openbare orde en om vervolgens de juiste (veiligheid)maatregelen te kunnen treffen.
Op het moment dat er signalen zijn van extremistisch gedachtegoed, kan een persoon worden opgenomen in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Dit is een lokale aanpak waarbij gemeente, politie, OM en zorgverleners samenwerken om tot een mix van interventies te komen. Lokale professionals kunnen hulp krijgen om signalen te herkennen, bijvoorbeeld door de training rechts-extremisme te volgen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering of hulp en advies in te winnen van het Landelijk Steunpunt Extremisme.
Welke preventieve maatregelen kunnen extra worden genomen te voorkomen dat dergelijke rondtrekkende rechts-extremistische groepen de lokale demonstraties gijzelen?
Zie antwoord vraag 9.
Welke rol spelen online platforms en Telegramgroepen volgens u bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten?
Het is lastig inzichtelijk te maken hoe groot de rol is van online platformen bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten. In algemene zin hebben ernstige verstoringen van de openbare orde steeds vaker hun wortels in het online domein of worden ze van daaruit aangejaagd of versterkt. In het online domein is dan ook veel informatie te vinden over ernstige verstoringen die essentieel is voor de politie en de burgemeester om hun taak ter handhaving van de openbare orde naar behoren te kunnen uitoefenen. Daarom werk ik aan een wettelijke grondslag voor informatievergaring door de politie voor het voorkomen en/of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen. De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, online gegevens vergaren als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Hiervoor ligt het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde voor advies bij de Raad van State. Het wetsvoorstel gaat over het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het advies van de Raad van State is ook relevant voor dit binnenkort op te starten wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten chatgroepen te kijken. Het streven is om het wetsvoorstel over de besloten groepen in de tweede helft van 2026 in consultatie te brengen. Dit is mede afhankelijk van het advies dat ik ontvang van de Raad van State op het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde.
Bent u bereid te onderzoeken of sprake is van landelijke coördinatie tussen extreemrechtse actiegroepen die actief zijn bij lokale asielprotesten?
De politie doet op dit moment onder het gezag van het OM onderzoek naar mogelijk strafbare handelingen tijdens de asielprotesten.
In algemene zin geldt dat de AIVD, op basis van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, onderzoek kan doen naar personen dan wel organisaties waarvan een ernstig vermoeden bestaat dat zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
In hoeverre kunnen uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed onder de huidige wetgeving strafbaar zijn, ook wanneer deze verhuld plaatsvinden?
Het Wetboek van Strafrecht kent verschillende strafbaarstellingen waarmee in het openbaar gedane uitingen (waaronder ook het tonen van bepaalde afbeeldingen of symbolen) strafrechtelijk kunnen worden aangepakt, zoals opruiing, groepsbelediging en het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. Het is echter afhankelijk van de precieze omstandigheden van het concrete geval of een bepaalde uiting strafbaar is. Daarbij speelt onder meer de context waarin de betreffende uiting is gedaan, de kennelijke bedoeling van de uiting, de doelgroep waarop de uiting was gericht, de plaats of gelegenheid waar de uiting wordt gedaan en de associatie die een bepaalde uiting kan oproepen, een rol. Daarbij kan ook in ogenschouw worden genomen of de openbare uiting op een verhullende manier is gedaan.
Het bovenstaande geldt ook voor uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed. Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of in een concreet geval strafrechtelijke vervolging moeten worden ingesteld. Het uiteindelijke oordeel over de strafbaarheid is aan de rechter.
Welke maatregelen worden genomen om burgemeesters en lokale driehoeken beter te kunnen ondersteunen bij demonstraties waarbij signalen bestaan van radicalisering, geweld en intimidatie?
Het aanpakken van radicalisering richting extremisme of terrorisme begint bij het herkennen van zorgelijke signalen. Om dit te kunnen signaleren, is het belangrijk dat lokale partners beschikken over de juiste kennis en vaardigheden, en een goed netwerk. Gemeenten, politie en andere professionals spelen hierin een cruciale rol. Gemeenten worden hierin ondersteund door middel van de Versterkingsgelden die het Rijk jaarlijks aan hen beschikbaar stelt. Met deze gelden worden onder andere lokale professionals getraind om hun kennis en vaardigheden in het tegengaan van radicalisering en extremisme en het herkennen van signalen te vergroten. Lokale partners worden bovendien actief meegenomen in de ontwikkelingen in de dreiging, zoals die beschreven staan in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Daarnaast biedt de NCTV mogelijkheden aan om kennis te delen over fenomenen van radicalisering. De NCTV heeft een team met lokaal adviseurs die hierin kunnen faciliteren.
In samenwerking met het Rijk zet de VNG ondersteuningsteams op die gemeenten ondersteunen in een aantal aspecten rondom het openen van asielzoekerscentra. Denk hierbij aan communicatie, participatie, openbare orde en veiligheid en bestuurlijke advisering. Dit kan gemeenten ondersteunen in de omgang met onder meer demonstraties.
In het geval van (verwachte) risicovolle demonstraties, kan de politie een binnen de voor hun geldende wettelijke kaders analyse uitvoeren. Dergelijke analyses worden gedeeld in de lokale driehoek ter voorbereiding op de demonstraties. Verder blijft het handelingsperspectief beperkt tot wat tijdens een demonstratie gebeurt of is gebeurd. Graag verwijs ik u ook naar het antwoord op vragen 9 en 10.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de NCTV dat het niet expliciet benoemen van rechts-extremistische motieven kan bijdragen aan verdere normalisering van extremistisch gedachtegoed?
Het kabinet neemt die waarschuwing ter harte en zet zich in voor het beschermen van de nationale veiligheid tegen alle dreigingen die onze vrije Nederlandse samenleving kunnen ondermijnen. In het coalitieakkoord wordt dan ook expliciet stilgestaan bij de dreiging van rechts-extremisme en de normalisering hiervan.
Hoe wordt voorkomen dat inwoners met oprechte zorgen over het plaatsen van asielzoekers worden meegezogen in rechts-extremistische of antidemocratische bewegingen?
Mensen die op een vreedzame manier samenkomen om hun zorgen te uiten richting de (lokale) overheid hebben het volste recht deel te nemen aan een demonstratie. Ook zijn er informatieavonden waarbij gemeenten, het COA en indien nodig de politie de plannen, veiligheid, leefbaarheid en het verloop van de opvang toelichten. Wanneer oprechte zorgen omslaan in extremistische uitingen, bestaat een breed instrumentarium om extremisme tegen te gaan.
Sinds twee jaar is de Nationale Extremismestrategie van de Ministers van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van kracht. Hierin wordt een integrale inzet beschreven: van vroege preventie, tot het beschermen van bestuurders en hard optreden bij excessen. Deze strategie is van toepassing op alle vormen van extremisme, waaronder rechts-extremisme. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom rechts-extremisme nauwlettend om zo de ideologie-neutrale aanpak te kunnen versterken waar nodig.
Op het moment dat er signalen zijn van rechts-extremistisch gedachtegoed, kan een persoon worden opgenomen in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Dit is een lokale aanpak waarbij gemeente, politie, Openbaar Ministerie en zorgverleners samenwerken om tot een mix van interventies te komen. Lokale professionals kunnen hulp krijgen om signalen specifiek op het gebied van rechts-extremisme te herkennen door trainingen te volgen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering. Sinds 2023 is er een online Symbolenbank beschikbaar, die professionals kunnen gebruiken om rechts-extremistische en rechts-terroristische verschijningsvormen te herkennen. Deze Symbolenbank is ontwikkeld door de NCTV en de Nationale Politie. Tot slot biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en burgers in de omgang met radicalisering. Ook gemeenten kunnen hier terecht met vragen.
Bent u bekend met het bericht in de Volkskrant «IPCC schrapt rampscenario: opwarming hooguit nog «maar» 3,5 graden in 2100»1 en met het recent gepubliceerde peer-reviewed artikel van Van Vuuren et al., The Scenario Model Intercomparison Project for CMIP7 (ScenarioMIP-CMIP7), in Geoscientific Model Development2?
Kunt u bevestigen dat de auteurs stellen dat de hoge emissieniveaus uit CMIP6, gekwantificeerd als SSP5-8.5, voor de 21e eeuw niet langer plausibel zijn, mede door kostentrends voor hernieuwbare energie, de opmars van kernenergie, bestaand klimaatbeleid en recente emissietrends?
Kunt u bevestigen dat de temperatuurprojecties in het artikel voor de voorgestelde CMIP7-scenarioset uitkomen op een bandbreedte van ongeveer 1,5 graden tot bijna 3,5 graden opwarming in 2100 ten opzichte van 1850–1900, terwijl IPCC AR6 voor SSP5-8.5 voor 2081–2100 een schatting van 4,4 graden rapporteerde, met een zeer waarschijnlijke bandbreedte van 3,3 tot 5,7 graden?
Kunt u bevestigen dat de recente scenarioherijking niet alleen de bovenkant van de scenariobandbreedte raakt, maar dat de auteurs ook aangeven dat meerdere zeer lage CMIP6-emissietrajecten inmiddels niet meer consistent zijn met waargenomen trends in de periode 2020–2030?
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling vraagt om een scherper onderscheid tussen scenario’s, prognoses, plausibiliteit, waarschijnlijkheid, stresstests en beleidsreferenties in kabinetsstukken en publieke communicatie?
Deelt u de opvatting dat klimaatbeleid moet worden gebaseerd op realistische scenario’s en niet mag worden gedomineerd door scenario’s die niet langer als realistische beleidsbasis gelden?
Bent u bereid voortaan bij grote klimaat- en energiebesluiten expliciet te vermelden op welk klimaatscenario of welke scenariobandbreedte het besluit is gebaseerd, welk zichtjaar wordt gebruikt, of het gaat om een centrale beleidsreferentie of om een stresstest, en wat dit betekent voor de inschatting van kosten, baten en risico’s?
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van alle Nederlandse klimaatbeleidsstukken, PBL-, CPB-, KNMI- en RIVM-doorrekeningen, adaptatiestrategieën, maatschappelijke kosten-batenanalyses (mkba’s), schadeanalyses, risicokaarten, kabinetscommunicatie en processtukken sinds 2019 waarin RCP8.5, SSP5-8.5, SSP3-7.0 of vergelijkbare high-endscenario’s zijn gebruikt?
Welke Nederlandse klimaatmaatregelen, normen, investeringsbeslissingen of financiële onderbouwingen zouden materieel anders worden beoordeeld als SSP5-8.5 niet langer als realistische beleidsreferentie wordt gebruikt, maar uitsluitend als historisch vergelijkingspunt of extreme stresstest?
Welke gevolgen heeft deze wetenschappelijke herijking volgens u voor de proportionaliteit en betaalbaarheid van klimaatbeleid voor huishoudens, het midden- en kleinbedrijf (mkb), de industrie, mobiliteit en landbouw, in het bijzonder waar het gaat om energieprijzen, nationale koppen op Europees beleid, netverzwaring, subsidies en verplichtingen?
Bent u bereid de komende Klimaatnota, Energienota en relevante begrotingsstukken te voorzien van een scenarioparagraaf waarin per hoofdmaatregel wordt aangegeven op welk klimaatscenario, emissiepad en welke kosten-batenveronderstellingen de maatregel berust?
Bent u bereid PBL, CPB, KNMI en RIVM te vragen bij toekomstige beleidsdoorrekeningen expliciet aan te geven of uitkomsten robuust zijn onder centrale scenario’s, plausibele high-endscenario’s en extreme stresstestscenario’s, en waar conclusies afhankelijk zijn van een inmiddels minder plausibel high-endscenario?
Bent u bekend met het VU/IVM-onderzoek The Impacts of Climate Change on Bonaire, uitgevoerd in opdracht van Greenpeace Nederland, en kunt u bevestigen dat daarin onder meer SSP5-8.5 en een «SSP5-8.5 Low Confidence»-variant zijn gebruikt?
Kunt u de Kamer een analyse sturen van welke onderdelen van de Bonaire-zaak en de onderliggende rapporten afhankelijk zijn van SSP5-8.5 of van de «SSP5-8.5 Low Confidence»-variant?
Acht u het wetenschappelijk en bestuurlijk verantwoord wanneer beleidsmakers, belangenorganisaties of procespartijen effecten voor Bonaire presenteren op basis van SSP5-8.5 of «SSP5-8.5 Low Confidence», zonder duidelijk te vermelden dat SSP5-8.5 in de nieuwe ScenarioMIP-CMIP7-literatuur niet langer als plausibel high-endemissieniveau voor de 21e eeuw wordt beschouwd?
Bent u bereid de nieuwe ScenarioMIP-CMIP7-inzichten expliciet te betrekken bij de onderbouwing van dat hoger beroep, nu het kabinet heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan in de Klimaatzaak Greenpeace Bonaire en schorsing van de uitspraak te vragen?
Zal de Staat in hoger beroep betogen dat rechterlijke verplichtingen tot nationale, bindende emissiedoelen niet mogen worden gebaseerd op scenario’s die wetenschappelijk niet langer als plausibele beleidsreferentie gelden, maar hooguit als extreme stresstest kunnen dienen?
Kunt u voor Bonaire aangeven welke middelen inmiddels zijn gereserveerd of beschikbaar komen voor klimaatadaptatie, per maatregel uitgesplitst naar budget, verantwoordelijke partij, planning, onderliggend scenario en verwacht risicoreducerend effect?
Deelt u de opvatting dat inwoners van Bonaire het meest geholpen zijn met concrete, lokale adaptatiemaatregelen tegen hitte en wateroverlast en dat eventuele nationale emissiedoelen afzonderlijk en aantoonbaar proportioneel moeten worden onderbouwd?
Kunt u toezeggen dat inwoners van Bonaire niet worden gebruikt als juridisch argument voor steeds zwaardere nationale klimaatdoelen, maar daadwerkelijk worden geholpen met concrete maatregelen die hun veiligheid, leefbaarheid en weerbaarheid vergroten?
Deelt u de opvatting dat de nieuwe scenario’s nopen tot klimaatrealisme: minder alarmistische communicatie, meer transparantie over onzekerheden, meer aandacht voor betaalbaarheid en meer focus op adaptatie die aantoonbaar werkt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Gesprekken die op EU-niveau worden gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Euractiv-artikel waarin vermeld staat dat er voor de zomer gesprekken gevoerd zullen worden tussen EU-ambtenaren en een Talibandelegatie met als doel om Afghanen mogelijk terug te sturen?1
Ja
Bent u door de Europese Commissie of andere betrokken landen op de hoogte gesteld van deze gesprekken?
Ja
Zullen er ook Nederlandse ambtenaren deelnemen aan deze gesprekken? Op welke manier is Nederland betrokken bij deze gesprekken?
EU-lidstaten, inclusief Nederland, hebben de week voorafgaand aan het gesprek de uitnodiging ontvangen voor dit gesprek in Brussel. Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Dit gesprek was hier onderdeel van. Naar aanleiding van deze uitnodiging is besloten dat een Nederlandse ambtenaar op operationeel niveau het gesprek zou bijwonen.
Kunt u de Kamer informeren over wat er besproken zal worden met de Talibandelegatie?
Op 16 oktober jl., hebben verschillende lidstaten, waaronder Nederland, een brief gestuurd aan Eurocommissaris Brunner met de oproep om op Europees niveau vrijwillige terugkeer van personen zonder verblijfsrecht in de EU te stimuleren en de mogelijkheden voor gedwongen terugkeer naar Afghanistan te onderzoeken, voor lidstaten die dat willen. Uw Kamer heeft een afschrift van deze brief ontvangen2. De Commissie heeft gevolg gegeven aan deze oproep door over deze onderwerpen op operationeel niveau met de facto autoriteiten te spreken. De gesprekken in Brussel waren een voortzetting hierop.
Klopt het dat de gesprekken als doel hebben om mensen met de Afghaanse nationaliteit waaronder asielzoekers in Europa terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, over welke doelgroep gaat het?
Zie antwoord op vraag 4.
Ziet u Afghanistan als een veilig en vrij land, specifiek voor bijvoorbeeld vrouwen en meisjes en mensen die in het verleden kritiek hebben geuit op de Taliban?
De situatie in Afghanistan is onverminderd ernstig, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, die te maken hebben met vergaande beperkingen van hun rechten en vrijheden. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Als er Afghaanse asielzoekers terug zouden worden gestuurd naar Afghanistan, kunt u dan zeker weten dat zij daar geen gevaar zullen lopen zoals verplicht onder het non-refoulement principe? Zo ja, hoe?
Zoals ook benadrukt in antwoord op vraag 6, is de situatie in Afghanistan onverminderd ernstig, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, die te maken hebben met vergaande beperkingen van hun rechten en vrijheden. Het niet naleven van deze leefregels kan voor vrouwen en meisjes verstrekkende gevolgen hebben voor hun veiligheid, bewegingsvrijheid, toegang tot onderwijs, werk en maatschappelijke participatie.
In de systematiek van het tot stand komen van landgebonden asielbeleid wordt er op basis van de informatie uit het door Buitenlandse Zaken gepubliceerde ambtsbericht gekeken welke (groepen) personen risico lopen op vervolging of ernstige schade. Een geüpdatet versie van het landgebonden asielbeleid is 28 mei jl. met uw Kamer gedeeld. Wanneer daarvan sprake is, verzet het beginsel van non-refoulement zich tegen afwijzing van de asielaanvraag. Afhankelijk van de mate van vervolging kan er worden geoordeeld dat er sprake is van groepsvervolging of kan een risicoprofiel worden aangewezen. Uiteindelijk gaat het om een individuele beoordeling waarbij geldt dat ook personen die niet onder groepsvervolging vallen of niet zijn aangemerkt als risicoprofiel nog steeds in aanmerking kunnen komen voor bescherming. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Momenteel leidt die individuele beoordeling bij Afghaanse vrouwen en meisjes in vrijwel alle gevallen tot vergunningverlening. Nederland blijft zich in EU- en VN-verband inzetten voor het beschermen van mensenrechten, en roept in deze gremia de Taliban op om mensenrechten te beschermen, in het bijzonder de rechten van vrouwen en meisjes, te respecteren in overeenstemming met internationale verdragsverplichtingen.
Is het terugsturen van Afghaanse vrouwen en meisjes naar een land waar zij zeer onderdrukt leven niet überhaupt onethisch?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u de Taliban als een normale gesprekspartner?
Nederland erkent het Taliban-regime niet als de legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Wel onderhoudt Nederland minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. De gesprekken in Brussel passen in dit kader.
Bent u van mening dat een dergelijke bijeenkomst een stap zet in de richting van het erkennen van het Talibanregime? Acht u dat wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Nee, het onderhouden van minimale operationele contacten is geen stap richting erkenning van het Taliban regime. Het kabinet steunt het initiatief van de Europese Commissie en gelooft dat er middels het operationele EU spoor mogelijk een handelingsperspectief is om terugkeer naar Afghanistan vanuit EU lidstaten te bevorderen. Erkenning van het Taliban regime is niet aan de orde.
Kunt u deze vragen voor het eerstvolgende commissiedebat op 27 mei a.s. over de JBZ-Raad beantwoorden?
Nee.
Het geschrapte ‘rampscenario’ van het IPCC |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zijn meest extreme rampscenario (4 tot 6 graden opwarming in 2100) heeft geschrapt?1
Heeft u kennisgenomen van de analyse dat meer dan 80 procent van de mediaberichtgeving gebaseerd zou zijn op dit inmiddels achterhaalde scenario?2
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 1 en 2?
Bent u van mening dat de afgelopen jaren een vertekend en te alarmistisch beeld van de klimaatontwikkelingen is geschetst? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is het huidige Nederlandse klimaatbeleid gebaseerd op aannames en modellen van het IPCC, die inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Acht u het verantwoord om door te gaan met beleid dat een zeer grote economische en maatschappelijke impact heeft, terwijl de onder dat beleid liggende en van het IPCC afkomstige aannames en modellen inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Zo ja, waarom wel? Zo nee, welke wijzigingen bent u bereid door te voeren?
Bent u bereid een volledige herijking uit te voeren van het Nederlandse klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Bent u bereid om, in het licht van deze ontwikkelingen, maatregelen te nemen om de lasten voor burgers te verlagen, bijvoorbeeld door het klimaatbeleid (deels) te schrappen of zelfs terug te draaien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe gaat u voorkomen dat beleid in de toekomst wordt gebaseerd op extreme en onrealistische scenario’s?
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat alle klimaatrechtszaken van de afgelopen jaren zouden verwijzen naar het inmiddels geschrapte rampscenario van het IPCC?3
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10?
Erkent u dat, als de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10 klopt, dit verstrekkende gevolgen heeft voor de juridische grondslagen op basis waarvan rechters de Nederlandse staat en Nederlandse bedrijven hebben veroordeeld tot vergaand en kostbaar klimaatbeleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de vonnissen in klimaatrechtszaken direct of indirect steunen op het rampscenario van het IPCC, dat inmiddels door datzelfde IPCC is geschrapt? Bent u bereid de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In de klimaatrechtszaak inzake Bonaire (ECLI:NL:RBDHA:2026:1344) gaat de rechter onder punt 4.21 uit van een zeespiegelstijging van 27 cm in 2050 en 85 cm in 2100, gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte «rampscenario» SSP5-8.5; hoe beoordeelt u het feit dat deze rechterlijke uitspraak met verstrekkende gevolgen mede gebaseerd is op scenario’s van het IPCC die inmiddels door datzelfde IPCC zijn geschrapt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid om in het hoger beroep tegen de uitspraak inzake Bonaire expliciet mee te nemen dat de rechtbank zich mede heeft gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte SSP5-8.5-scenario, en dat de onderbouwing van de uitspraak daarmee wezenlijk is gewijzigd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Minister laat Gazanen met geldig visum nog altijd niet naar Nederland komen’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland, in tegenstelling tot andere Europese landen, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om Gazanen met een Nederlands studievisum via een internationaal konvooi Gaza te laten verlaten?1
Deelt u de opvatting dat er weinig aanleiding kan zijn om personen van wie door de IND is vastgesteld dat zij recht hebben op tijdelijk studiegerelateerd verblijf in Nederland, geen mogelijkheid te bieden Gaza te verlaten?
Bent u, mede gelet op recente uitspraken van de Raad van State en de rechtbank over uw inspanningsverplichting richting Gazaanse MVV-houders, bereid zich ervoor in te spannen dat Nederlandse visumhouders kunnen deelnemen aan een volgend konvooi, zodat zij in Jordanië hun visumsticker kunnen ophalen?
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen een week beantwoorden?
Het artikel 'VIDEO - ‘Jodenjager Ajax-Maccabi’ webcamt vanuit gevangenis: ‘We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg’' |
|
Marjolein Faber (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Jodenjager Ajax-Maccabi» webcamt vanuit gevangenis: «We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg»»1?
Ja.
Klopt het dat de man die in de video te zien is betrokken was bij de Jodenjacht rond Ajax – Maccabi Tel Aviv in Amsterdam op 7 november 2024?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek en de identiteit van personen.
Klopt het dat deze persoon ten tijde van het videogesprek in detentie verbleef, zoals hij zelf beweert in de video? Zo ja, welke concrete maatregelen en sancties zijn tegen deze persoon getroffen?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft naar aanleiding van de video de beelden nader bestudeerd. Op basis van de beelden is het zeer onwaarschijnlijk dat de video afkomstig is uit een Nederlandse penitentiaire inrichting (PI). In zijn algemeenheid kan ik aangeven dat indien er een telefoon (of andere contrabande) wordt aangetroffen in een Nederlandse PI – die herleidbaar is tot een gedetineerde – de vestigingsdirecteur beslist welke disciplinaire straf wordt opgelegd. Er kan dan sprake zijn van plaatsing in een strafcel, het beperken van bezoekrechten, uitsluiting van deelname aan activiteiten en het intrekken van verloven. In regimes waar het Toetsingskader promoveren en degraderen geldt, kan de gedetineerde gedegradeerd worden naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd.
Indien deze persoon daadwerkelijk gedetineerd was: hoe is het mogelijk dat hij vanuit detentie toegang had tot een webcam- of chatplatform en van daaruit antisemitische uitingen kon verspreiden?
Zie het antwoord op vraag 3. Op basis van de beelden stelt DJI dat de beelden niet in een Nederlandse penitentiaire inrichting zijn opgenomen.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat iemand die betrokken was bij antisemitisch geweld vanuit detentie opnieuw antisemitische haat kan verspreiden?
Ja, het verspreiden van antisemitische of andere discriminerende opmerkingen, al helemaal vanuit detentie, is uit den boze.
Hoe kan het dat iemand die openlijk oproept tot Jodenhaat, trots zegt op Joden te hebben «gejaagd» en vanuit detentie opnieuw antisemitische propaganda verspreidt, überhaupt in aanmerking komt voor fasering, verlof of andere vrijheden?
Zoals in de beantwoording van vraag 3 is aangegeven, acht DJI het zeer onwaarschijnlijk dat de video afkomstig is uit een Nederlandse penitentiaire inrichting. Ik kan in algemene zin wel aangeven hoe wordt omgegaan met detentiefasering: het geleidelijk verlenen van meer externe vrijheden om zo te werken aan terugkeer in de samenleving. Hierbij kan gedacht worden aan verlof. DJI besluit omtrent het verlenen van verlof op basis van adviezen van de politie, het openbaar ministerie en de reclassering. Daarnaast kan er gedacht worden aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Hiertoe beslist het Openbaar Ministerie op basis van onder meer adviezen van de directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering, informatie van slachtoffers en andere relevante personen en eventuele informatie van het CJIB). In algemene zin wordt bij beslissingen over vrijheden onder meer het gedrag tijdens detentie betrokken als een van de criteria op basis waarvan een besluit wordt genomen. Dat geldt ook voor eventuele risico’s die worden gezien bij een mogelijke terugkeer in de samenleving. Zo wordt er gekeken naar het recidiverisico en het risico op verstoring van de openbare orde en veiligheid als de vrijheden worden verleend. Daarnaast worden ook de belangen van slachtoffers en nabestaanden meegewogen. Indien bijvoorbeeld risico’s bij terugkeer, met name ten aanzien van slachtoffers of andere beschermingsbehoeftige personen, niet voldoende kunnen worden beperkt en beheerst – ook niet met bijzondere voorwaarden zoals contact- of locatieverboden – wordt afgezien van het verlenen van vrijheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat veroordeelde daders van antisemitisch geweld die vanuit detentie opnieuw antisemitische haat verspreiden of openlijk aanhangen, niet in aanmerking komen voor versoepeling van hun detentie, fasering, verlof of voorwaardelijke invrijheidstelling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De prijsstijgingen van kunstmest als gevolg van de sluiting van de Straat van Hormuz |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Silvio Erkens (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD van 5 april 2026, getiteld «Raakt Iran-oorlog ook productie kunstmest en ons voedsel? «Het kan nijpend worden»»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Zoals ik ook heb aangegeven in de antwoorden op de Kamervragen van de leden Lohman en Koorevaar (CDA) is er op dit moment voor Nederland geen aanleiding om te twijfelen aan de leveringszekerheid van kunstmest2.
Bent u bekend met het artikel van RTV Noord van 17 april 2026, getiteld «Boeren voeren eigen mest af en kopen kunstmest: «Volslagen maf»»?2
Ja.
Welke concrete maatregelen neemt u op dit moment om te voorkomen dat de stijgende kunstmestprijzen zich vertalen in hogere voedselproductieprijzen en dalende rentabiliteit voor Nederlandse boeren?
Deze maatregelen worden vooral in Europees verband genomen. Op 19 mei jl. heeft de Europese Commissie het Actieplan Meststoffen (Fertiliser Action Plan) gepresenteerd waarin een scala aan maatregelen wordt gepresenteerd om zo de beschikbaarheid, betaalbaarheid en strategische autonomie van meststoffen in de EU te versterken. Hieronder vallen ook acties om de effecten van gestegen kunstmestprijzen te kunnen mitigeren4. Binnenkort zal de Kamer met een BNC-fiche worden geïnformeerd over het kabinetsstandpunt ten aanzien van de inhoud hiervan.
Kunt u bevestigen dat een Nederlandse boer die zijn gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft bereikt géén extra dierlijke mest meer mag uitrijden – ook niet als hij nog behoefte heeft aan extra stikstof – en daardoor wordt gedwongen kunstmest aan te kopen?
De agrariër mag stikstof aanwenden binnen de totale stikstofgebruiksnorm, waarbij de stikstof vanuit verschillende bronnen (dierlijke mest, minerale meststoffen en andere organische meststoffen dan dierlijke mest) kan worden gebruikt. Een agrariër die zijn stikstofgebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft bereikt mag geen extra dierlijke mest meer uitrijden, ook als er nog behoefte is aan extra stikstof voor de gewasgroei. Sinds 12 juni jl. mag bovenop de stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest onder voorwaarden tot 80 kg stikstof per hectare per jaar uit Renure-meststoffen worden aangewend (binnen de totaal stikstofgebruiksnorm).
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat een agrariër door deze stikstofgebruiksnormen wordt gedwongen extra kunstmest aan te kopen. Een agrariër zal hierin zelf een afweging maken en zal bij deze afweging de prijs van kunstmest en de extra opbrengst die extra stikstofbemesting kan opleveren betrekken. Ook kan worden gekozen voor andere stikstofhoudende meststoffen zoals compost of voor het inzaaien van klaver om stikstof uit de lucht te binden. Tenslotte is de inzaai van vanggewassen ook effectief voor het binden van overgebleven stikstof in de bodem en om deze vastgelegde stikstof in het nieuwe teeltseizoen beschikbaar te maken voor de hoofdteelt.
Acht u het wenselijk dat op dit moment grote hoeveelheden dierlijke mest uit Nederland wordt geëxporteerd, terwijl tegelijkertijd grote hoeveelheden kunstmest naar Nederland wordt geïmporteerd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat nutriënten zoveel mogelijk circulair moeten worden benut, op een manier die verantwoord is met het oog op het voorkomen van verliezen naar het milieu. Om deze reden is het in Nederland sinds 12 juni jl. toegestaan om enkele Renure-meststoffen (stikstof uit bewerkte dierlijke mest die voldoet aan de criteria uit bijlage III van de Nitraatrichtlijn) tot 80 kg stikstof per hectare per jaar te gebruiken bovenop de gebruiksnorm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest.
Er wordt inderdaad kunstmest in Nederland geïmporteerd. Een groot deel wordt echter doorgevoerd naar andere landen. Daarnaast wordt in Nederland zelf ook kunstmest geproduceerd. Per saldo is Nederland een netto exporteur van kunstmest.
Bent u het ermee eens dat het tegenstrijdig en onwenselijk is dat Nederlandse boeren worden gedwongen duurdere en steeds schaarser wordende kunstmest in te kopen terwijl in eigen land dierlijke mest beschikbaar is die deze kunstmest zou kunnen vervangen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 herken ik mij niet in het beeld dat een agrariër wordt gedwongen kunstmest aan te kopen. Het is belangrijk om de nutriënten uit beschikbare dierlijke mest op een verantwoorde manier zoveel mogelijk lokaal en circulair te benutten. De mogelijkheid om Renure-meststoffen aan te wenden bovenop de gebruiksnorm voor dierlijke mest is een goede ontwikkeling om de circulariteit te bevorderen.
Hoeveel kilogram (stikstof en fosfaat uit) kunstmest zou op dit moment per jaar kunnen worden vervangen door het dierlijke mestoverschot volledig uit te rijden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in het antwoord op vraag 4 reeds toegelicht, is het niet mogelijk om meer dierlijke mest aan te wenden dan is toegestaan op basis van de wettelijke stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest (170 kg stikstof per hectare per jaar) en additioneel de sinds 12 juni jl. mogelijke toepassing van enkele Renure-meststoffen. Het is dus niet aan de orde dat toepassing van kunstmest kan worden vervangen door dierlijke mest. Daarbij zijn er ook andere factoren die bepalen welke meststof kan worden aangewend. Zo bepalen onder andere voedselveiligheids- en kwaliteitsaspecten, de fase in het groeiseizoen en landbouwkundige overwegingen de keuze van het type meststof.
Hoeveel kosten zou de Nederlandse agrarische sector daarmee op dit moment per jaar kunnen besparen? Kunt u deze kosten uitsplitsen in afvoerkosten van het dierlijke mestoverschot en aanschafkosten van kunstmest? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunstmest en dierlijke mest zijn niet één-op-één uitwisselbaar en de agrariër is gehouden aan de wettelijke normen voor aanwending van dierlijke meststoffen. Zie ook mijn antwoord op vraag 7.
Wat is het verschil tussen stikstof (en fosfaat) afkomstig uit kunstmest, dierlijke mest en andere bronnen zoals Renure, oftewel verwerkte dierlijke mest?
Het verschil tussen stikstof afkomstig uit kunstmest, dierlijke mest en Renure betreft met name de mate waarin deze stikstof in minerale of in organische vorm aanwezig is. Dit bepaalt dus wanneer deze voedingsstof beschikbaar is voor een gewas. Wat betreft fosfaat is er geen verschil. Voor fosfaat wordt in de wet- en regelgeving dan ook geen onderscheid gemaakt in de herkomst van dit nutriënt.
Erkent u dat enkel de geplande maatregelen om Renure te mogen gebruiken bovenop de bestaande gebruiksnorm voor dierlijke mest onnodige kosten met zich meebrengen, omdat dierlijke mest van zichzelf al gebruiksklaar is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Onbewerkte dierlijke mest kent een hoger aandeel organisch gebonden stikstof dat bij gewassen met een beperkt groeiseizoen kan vrijkomen na de teelt, waardoor er een groter risico is op nitraatuitspoeling dan bij aanwending van Renure-meststoffen.
Bent u bereid de stikstof- en fosfaatgebruiksnormen voor meststoffen per direct te verruimen naar het niveau van vóór afschaffing van de derogatie en de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen te schrappen of tenminste te verhogen – al dan niet met goedkeuring van de Europese Unie – zodat Nederlandse boeren bij oplopende kunstmestschaarste niet zonder betaalbare bemesting komen te zitten, juist nu kunstmestprijzen in één maand met tientallen procenten zijn gestegen – en vervolgens niet zijn gedaald – en verdere schaarste dreigt door de oorlog in het Midden-Oosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De stikstof- en fosfaatgebruiksnormen zijn in algemene zin niet veranderd sinds het vervallen van de derogatie, alleen zijn de stikstofgebruiksnormen in bepaalde gebieden lager geworden. Met het vervallen van de derogatie zie ik geen mogelijkheid om de stikstofgebruiksnorm uit dierlijke mest te verruimen. Het kabinet volgt de ontwikkeling in de kunstmestprijzen en -beschikbaarheid nauwlettend. Op dit moment dreigt er in Nederland geen schaarste voor kunstmest.
Indien het antwoord op vraag 11 ontkennend luidt, bent u dan tenminste bereid zich zo spoedig mogelijk in Europees verband voor deze maatregelen in te zetten? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich in EU-verband jarenlang ingezet om beter gebruik te kunnen maken van stikstof uit dierlijke mest in de vorm van Renure-meststoffen. Dit heeft geresulteerd in een Europese toelating voor enkele Renure-meststoffen.
Ik ben niet voornemens mij in te zetten voor een verruiming van de stikstof- gebruiksnorm voor onbewerkte dierlijke mest, omdat ik hiervoor geen ruimte zie.
Wel zet het kabinet zich in om de reikwijdte van de circulaire productie en het gebruik van meststoffen afkomstig uit dierlijke mest uit te breiden. In het Actieplan Meststoffen van de Europese Commissie is een mogelijke verbreding van de reikwijdte van Renure naar bepaalde vormen van digestaat aangekondigd. De appreciatie van dit Actieplan door het kabinet wordt momenteel uitgewerkt via het traject Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC-fiche). Hierover wordt uw Kamer binnenkort separaat geïnformeerd.
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, bent u dan tenminste bereid zo spoedig mogelijk een tijdelijke ontheffing of verhoogde gebruiksnorm voor dierlijke mest aan te vragen bij de Europese Commissie, zodat boeren minder afhankelijk worden van geïmporteerde kunstmest? Zo nee, waarom niet?
Zoals recentelijk onder meer via mijn brief van 8 april 2026 aan de Tweede Kamer gemeld5, zie ik geen ruimte voor een nieuwe derogatie voor de toepassing van stikstof uit dierlijke mest op de Nitraatrichtlijn.
Kunt u bovenstaande vragen zo snel mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja. Met deze antwoorden beschouw ik tevens het verzoek van het lid ten Hove6 van 12 mei jl. als beantwoord.
Het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD), David van Weel (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de regels rondom het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland?
Klopt het dat personen die gebruikmaken van de 30%-regeling, zoals kennismigranten, hun buitenlandse rijbewijs uit elk land kunnen omwisselen voor een Nederlands rijbewijs zonder opnieuw examens hoeven af te leggen?
Klopt het dat statushouders daarentegen, bijvoorbeeld afkomstig uit Syrië, hun rijbewijs niet kunnen omwisselen en daardoor opnieuw examens moeten afleggen, kosten moeten maken en daardoor vertraagd worden?
Hoe verklaart u het verschil in behandeling tussen kennismigranten die onder de 30%-regeling vallen en statushouders bij het omwisselen van rijbewijzen?
In hoeverre is dit verschil tussen de behandeling bij bijvoorbeeld een Syrische arbeidsmigrant en een Syrische statushouder gebaseerd op verkeersveiligheid of objectieve kwaliteitseisen, en in hoeverre op andere factoren zoals verblijfsgrond en economische positie?
Tot hoeverre acht u het wenselijk dat de afweging of iemand zijn rijbewijs kan omwisselen of niet, gebaseerd is op verblijfsgrond en economische positie?
Deelt u de opvatting dat het onderscheid tussen groepen migranten op basis van regeling (zoals de 30%-regeling) moeilijk uitlegbaar is wanneer het niet direct samenhangt met verkeersveiligheid?
Bent u bereid te onderzoeken of de regels voor het omwisselen van rijbewijzen eenduidiger en rechtvaardiger kunnen, bijvoorbeeld door één lijn te trekken voor verschillende groepen migranten op basis van objectieve verkeerskwaliteiteisen?
Bent u bekend met de motie van het lid Lahlah over het wegnemen van drempels voor asielzoekers met een W-document om een rijbewijs aan te vragen1 en uw appreciatie waarin u deze motie ontraadt?2
Klopt het dat asielzoekers met een W-document wel theorie- en praktijkexamens kunnen afleggen bij het CBR, maar vervolgens geen Nederlands rijbewijs kunnen aanvragen?
Klopt het dat er op dit moment tussen en binnen gemeentes verschillen zijn in de mogelijkheden voor asielzoekers om een rijbewijs te kunnen aanvragen na afgelegde theorie- en praktijkexamens?
Kunt u nader toelichten hoe het woonlandbeginsel uit de Europese rijbewijsrichtlijn wordt geïnterpreteerd in relatie tot asielzoekers met een W-document?
In hoeverre biedt dit woonlandbeginsel ruimte voor nationale interpretatie, en benut Nederland deze ruimte maximaal?
Hoe gaan andere EU-lidstaten om met asielzoekers die een rijbewijs willen aanvragen voordat zij een definitieve verblijfsstatus hebben? Zijn er voorbeelden van landen waarbij asielzoekers wel een rijbewijs kunnen aanvragen?
Deelt u de opvatting dat het toestaan van examens zonder de mogelijkheid om een rijbewijs te verkrijgen kan leiden tot inefficiëntie, kosten en frustratie bij betrokkenen?
Deelt u de opvatting dat, indien dit juridisch mogelijk is, wie zijn rijexamens heeft gehaald ook een rijbewijs moet kunnen krijgen?
In uw appreciatie van de eerder genoemde motie van het lid Lahlah geeft u aan dat er wordt gewerkt aan een implementatie van de vierde rijbewijsrichtlijn vanuit Brussel; zal deze implementatie ruimte kunnen bieden voor de wetgever om iets te doen aan onze invulling van «gewone verblijfplaats» en het woonlandbeginsel?
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen de bestaande Europese kaders, deze belemmeringen te verminderen of weg te nemen?
In hoeverre bent u bereid zich in te spannen om bestaande belemmeringen weg te nemen voor asielzoekers, met name wanneer deze niet direct voortvloeien uit verkeersveiligheidseisen maar uit administratieve of verblijfsrechtelijke voorwaarden? Op welke manier bent u van plan om die inspanning invulling te geven en met welk tijdspad?
De Timmermans-taks |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Timmermans-taks» tegen CO2-uitstoot gaat ons tot 70 euro per maand extra kosten: «Ingrepen van politiek nodig»»?1
Ja.
Bent u ervan op hoogte dat de energierekening en autorijden voor heel veel mensen onbetaalbaar is geworden en circa 500.000 huishoudens in energiearmoede leven?
Het kabinet ziet de impact van hogere energieprijzen op huishoudens. Vanwege de actuele energieschok als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten heeft het kabinet het Actieplan Weerbaarheid Energieschok aangekondigd.
De actuele hoge prijzen bevestigen deels de kwetsbare positie van Nederland als gevolg van de afhankelijkheid van import van fossiele brandstoffen. Om minder afhankelijk en kwetsbaar te worden moeten we overschakelen naar duurzame alternatieven.
Het ETS-2 geeft vanaf 2028 een extra prikkel voor het overschakelen naar duurzame energiedragers. Daarbij hebben huishoudens hulp nodig, die het kabinet biedt door middel van het Actieplan Weerbaarheid, het Warmtefonds, het Noodfonds Energie en het Sociaal Klimaatfonds. Met het omschakelen naar duurzame energiebronnen versterken we de weerbaarheid van Nederland.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat door de aanstaande Europese CO2-heffing Emissions Trading System (ETS2) – de Timmermans-taks – gas, benzine en diesel nóg duurder zullen worden en dat huishoudens daardoor tot € 70 per maand, oftewel € 840 per jaar méér gaan betalen? Zo nee, hoe kunt u deze absurde lastenverhogende klimaattaks verdedigen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusie dat de € 720 miljoen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, waarop Nederland ter compensatie van ETS2 beroep kan doen, neer zou komen op eenmalig € 85 per huishouden en dus niets anders is dan een doekje voor het bloeden?
De € 720 mln. die Europees beschikbaar wordt gesteld, wordt conform verplichting door Nederland aangevuld tot ongeveer € 1 mld. Deze middelen kunnen worden gebruikt om kwetsbare huishoudens, kwetsbare micro-ondernemingen en kwetsbare vervoergebruikers te ondersteunen bij verduurzaming.
Het kabinet zal de Kamer binnenkort nader informeren over de besteding van de middelen uit het Sociaal Klimaatfonds.
Wat vindt u ervan dat de energierekening inmiddels voor meer dan de helft (58%) uit belastingen (energiebelasting en btw) en transportkosten bestaat en dat de Nederlanders, op Zweden na, het meest voor hun gas van heel Europa betalen? Wat vindt u ervan dat de Nederlandse benzineprijzen, op enkele landen na, tot de allerhoogste ter wereld behoren?
Voor een huishouden met een gemiddeld jaarverbruik (gas en elektriciteit) bestaat de rekening voor ongeveer 10% uit energiebelasting; dit lagere percentage komt o.a. door de korting op de energiebelasting met een vast bedrag, een belastingvermindering die de afgelopen jaren bovendien verhoogd is.2 Ik ben bekend met de relatieve hoogte van de Nederlandse benzineprijzen. Generieke verlaging van de prijs aan de pomp is echter een maatregel die veel geld kost: de Minister van Financiën heeft dit in debat over het Actieplan Weerbaarheid aan de Kamer toegelicht.3 Een lagere energiebelasting of brandstofaccijns zou betekenen dat er alternatief beleid nodig is om de klimaatdoelen te halen en om de budgettaire derving op te vangen.
Deelt u dan ook de conclusie dat niet alleen de gestegen energieprijzen problematisch zijn, maar dat óók de belastingen op energie in Nederland veel te hoog zijn? Deelt u de mening dat deze belastingen niet steeds verder omhoog, maar juist omlaag moeten en dat er überhaupt geen nieuwe energiebelastingen, zoals ETS2, ingevoerd moeten worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ertoe bereid de Timmermans-taks naar de prullenbak te verwijzen en de Nederlanders te behoeden voor deze links-ideologische klimaatgekte? Zo nee, hoe reageert u dan op de oproep van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om «snel passende maatregelen te nemen om alle negatieve effecten voor kwetsbare huishoudens te beperken»? Gaat u dat doen? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Het PBL noemt als mogelijkheid het instellen van een prijsplafond in het ETS-2. In het ETS-2 is tenminste tot 2030 een prijsbeheersingsmechanisme ingebouwd, waardoor de prijs niet hoger zal oplopen dan € 45/ton CO2 (in 2020-prijzen). Bij de uitwerking van de Europese klimaatarchitectuur voor na 2030 zal opnieuw het gesprek gevoerd worden over welk prijsniveau acceptabel wordt geacht.
Daarnaast beveelt het PBL aan om naast het ETS-2 aanvullend nationaal klimaatbeleid te voeren in ETS-2 sectoren, om te voorkomen dat omwille van doelbereik de prijs tot maatschappelijk onacceptabele hoogte moet stijgen. Het kabinet betrekt deze aanbeveling in de klimaatbesluitvorming.