Een snelle oplossing voor het Noodfonds energie |
|
Suzanne Kröger (GL), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Essent vraagt snelle oplossing Noodfonds energie: «Er is geen vangnet voor kwetsbare huishoudens»»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Klopt het dat er op dit moment geen publieke uitvoerder is die het Publieke Energiefonds op zich wil nemen?
Ja, dat klopt. Na een intensief jaar van verkenning met diverse publieke uitvoeringsorganisaties is de eenduidige conclusie dat een publiek energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het Europese Sociaal Klimaatfonds (SKF) voor zowel huishoudens als uitvoerder zeer complex zou zijn en voor de continuïteit van de bestaande taken en dienstverlening door deze uitvoeringsorganisaties zeer risicovol zou zijn. Dit betreft onder meer het verwachte aantal aanvragen dat handmatig moet worden beoordeeld en de verantwoording over rechtmatige toekenning aan de Europese Commissie. Daarom kwalificeren de uitvoerders dit energiefonds als niet uitvoerbaar en niet verantwoord, zowel op korte (operationeel in de winter van 2026/2027) als op lange termijn. Dit geldt zowel voor alle betrokken uitvoerders individueel als voor uitvoering door een consortium van uitvoerders.
Dit neemt niet weg dat het kabinet inzet op gerichte inkomensondersteuning dit jaar. Het kabinet bereidt daarom een noodfonds energie voor buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF, zoals ook aangekondigd in het coalitieakkoord. Hiertoe worden ook varianten uitgewerkt waarin de infrastructuur van het Tijdelijke Noodfonds Energie wordt benut, zodat de bestaande uitvoerders niet worden belast. Ik zal uw Kamer de komende periode regelmatig informeren over de voortgang.
Klopt het dat het kabinet wel naar uitvoering door vier instanties zoals de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank heeft gekeken, maar die alle vier niet geschikt bleken? Zo ja, waarom bleken deze niet geschikt?
Ja dat klopt. Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven met welke andere organisaties nog meer gesproken is en waarom deze allen niet geschikt bleken als uitvoerder?
Er is gesproken met Uitvoering van Beleid (UVB, onderdeel van SZW), Dienst Toeslagen, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Daarnaast is gesproken met een aantal organisaties, voornamelijk over een ondersteunende rol. Dit betrof de Belastingdienst, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV; inclusief Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)), het Bureau Informatie Diensten Nederland (BIDN, voorheen Stichting Inlichtingenbureau) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Alle organisaties zien dezelfde uitvoeringsproblemen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Per wanneer verwacht u dat de publieke uitvoerder operationeel kan zijn en steun kan uitkeren aan huishoudens?
Het kabinet bereidt een noodfonds energie voor dat voor de komende winter operationeel moet kunnen zijn. Het is van belang dat de meest kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening de komende winter ondersteund kunnen worden. Zoals aangegeven in antwoord 2 zal dit niet het publieke energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF zijn.
Wat zijn de verwachte uitvoeringskosten van het Publieke Energiefonds op jaarbasis?
Dit is niet bekend. De uitvoeringskosten zouden volgen uit de nadere uitwerking met een uitvoerder. Maar de uitvoerders hebben de uitvoering van een publiek energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF als niet uitvoerbaar en niet verantwoord gekwalificeerd. Daarom is het stadium van kostenraming niet bereikt.
Het kabinet bereidt nu een noodfonds energie voor buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF. Daarbij werken we ook varianten uit waarin de infrastructuur van het Tijdelijke Noodfonds Energie wordt benut. Ik zal uw Kamer de komende periode regelmatig informeren over de voortgang en uw Kamer informeren over de verwachte uitvoeringskosten wanneer hier voldoende duidelijkheid over is.
Wat zijn de uitvoeringskosten van het Tijdelijke Noodfonds Energie op jaarbasis? waarbij bij alle varianten wordt berekend wat de budgettaire gevolgen zijn bij 1) een maandelijkse bijdrage van € 80,– per huishouden voor de periode van 6 maanden, 2) een maandelijkse bijdrage van € 90,– per huishouden voor de periode van 6 maanden en 3) een maandelijkse bijdrage van € 100,– per huishouden voor de periode van 6 maanden?
In 2025 bedroegen de uitvoeringskosten € 13,15 miljoen. Voor deze uitvoeringskosten heeft TNE ongeveer 210.000 aanvragen verwerkt en aan ongeveer 120.000 huishoudens uitgekeerd. Dit is een beperkt deel van het aantal huishoudens dat op basis van de gehanteerde criteria in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming vanuit TNE. De uitvoeringskosten van TNE zouden bij volledig bereik van de doelgroep hoger zijn geweest.
Kunt u aangeven wat de actuele inkomensgrenzen zijn voor huishoudens met inkomens tot 130%, 200%, 300% en 350% van het sociaal minimum voor zowel alleenstaanden als samenwonenden? Kunt u voor elke inkomensgrens aangeven om hoeveel huishoudens het gaat?
Onderstaande tabel geeft een schatting van de budgettaire gevolgen (doelgroep x steunbedrag) per variant. De schattingen zijn voor 2026. Deze zijn berekend op basis van CBS Microdata over inkomens en energiekosten uit 2024. De inkomens zijn geïndexeerd naar 2026 o.b.v. de CEP2026. De energiekosten zijn geïndexeerd naar de gemiddelde energietarieven voor consumenten in februari 2026 o.b.v. CBS Statline. Verbeterede isolatie vanaf 2024 en gedragseffecten zijn niet meegenomen. Vanaf 2027 zijn er ook (beleidsmatige) ontwikkelingen zoals stijgende nettarieven, ETS2, en de bijmengverplichting groen gas. Deze zitten nog niet in de schattingen van 2026.
Voor de energiekosten is in onderstaande tabel uitgegaan van het scenario dat energieprijzen 28% stijgen. Dit is ten opzichte van de gemiddelde prijzen in februari 2026 en in lijn met de prijsstijging die we de afgelopen periode hebben gezien. Daarnaast wordt er rekening gehouden met het feit dat veel huishoudens nog vaste contracten hebben. Daarom wordt in de raming uitgegaan dat slechts 55% van de prijsstijging doorwerkt. Als de hoge prijzen aanhouden zijn de structurele kosten dus een stuk hoger.
De grootte van de doelgroep, de hoogte van de tegemoetkoming en daarmee budgettaire gevolgen hangen verder af van de daadwerkelijke energieprijs. Om dit te illustreren: Als er in het eerste jaar van 50% of 76% prijsstijging uitgegaan wordt (i.p.v. 28%), bestaat de doelgroep onder de criteria oorspronkelijke voorwaarden van TNE (variant 7) uit 1.132.000, en respectievelijk 1.240.000 huishoudens in het eerste jaar.
Voor de grenzen van het sociaal minimum is uitgegaan van het gewogen bruto sociaal minimum over heel 2026, inclusief vakantietoeslag. Voor alleenstaanden is dat € 1.790 per maand, voor samenwonenden is dat € 2.500 per maand.
Variant
Aantal huishoudens in variant
Budgettaire gevolgen (x € mln.), exclusief uitvoeringskosten bij:
Zes maanden € 80
Zes maanden € 90
Zes maanden € 100
1
1.200.000
580
650
720
2
890.000
430
480
530
3
1.131.000
540
610
680
4
1.163.000
560
630
700
5
1.165.000
560
630
700
6
1.442.000
690
780
860
7
973.000
470
530
580
8
980.000
470
530
590
9
981.000
470
530
590
De motie Klaver c.s.2 verzoekt om bij het uitwerken van de opties mee te nemen of en hoe middeninkomens aanspraak kunnen maken op het fonds. Bovenstaande en andere varianten betrek ik daarom bij de besluitvorming en voer daarmee deze motie uit. Over de uiteindelijke doelgroep en tegemoetkoming zal ik uw Kamer later nader informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de aanvang van de tweede termijn van de SZW-begroting op 19 maart of, indien eerder ingepland, voor het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor Nederland?
De onderstaande inkomensgrenzen zijn gebaseerd op het gewogen bruto sociaal minimum over heel 2026. Hiervoor is aangesloten bij de bruto normbedragen voor de Toeslagenwet. Deze inkomensgrenzen van TNE waren ook op deze normen gebaseerd. De inkomensgrenzen zijn op maandbasis, bruto, exclusief de inkomensondersteunende toeslagen, inclusief 8% vakantietoeslag en afgerond op tientallen euro. Het aantal huishoudens is geschat voor 2026. De schatting is gemaakt met CBS Microdata over inkomens uit 2024 die zijn geïndexeerd naar 2026. Bij deze schatting is geen rekening gehouden met het energieverbruik.
Percentage sociaal minimum
Bruto inkomensgrens, per huishoudtype
Aantal huishoudens
Alleenstaande
Samenwonenden
130%
€ 2.330
€ 3.260
1.387.000
200%
€ 3.590
€ 5.010
2.804.000
300%
€ 5.380
€ 7.760
4.579.000
350%
€ 6.270
€ 8.760
5.250.000
Het bericht ‘De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?»1
Ja, het kabinet is bekend met het bericht. Jolie heeft mij een aangrijpende brief gestuurd over haar situatie. Die brief raakt mij zeer.
Kunt u uitgebreid toelichten waarom het medicijn Enhertu (trastuzumab deruxtecan) niet wordt vergoed voor borstkankerpatiënten met HER2-low?
Enhertu is een geneesmiddel dat voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker (en andere soorten kanker) is geregistreerd. Door de hoge prijs in combinatie met de hoge verwachte uitgaven is het middel voor alle toekomstige indicaties in de sluis geplaatst. Dat gebeurt als pakketopname van een nieuw geneesmiddel of een nieuwe indicatie vanuit maatschappelijk perspectief risicovol is. Geneesmiddelen en indicaties die in de sluis staan worden pas vergoed vanuit het basispakket als ze voldoen aan de pakketcriteria. Daarvoor kijkt het Zorginstituut of het geneesmiddel effectief is. Een geneesmiddel is effectief als het even goed of beter werkt dan de huidige standaardbehandeling. Ook beoordeelt het Zorginstituut de kosteneffectiviteit, dat zegt of de extra kosten van een geneesmiddel voor een specifieke indicatie, in dit geval Enhertu bij HER2-low borstkanker, in verhouding staan tot de extra effectiviteit.
Enhertu is voor de behandeling van HER2-low borstkanker nog niet opgenomen in het basispakket. Het Zorginstituut heeft geoordeeld dat Enhertu bij HER2-low borstkanker effectief is, maar dat de extra effecten niet opwegen tegen de extra kosten van HER2-low borstkanker (het middel is voor deze indicatie dus niet kosteneffectief). Daarom adviseert het Zorginstituut dit geneesmiddel pas in het basispakket op te nemen nadat de leverancier een aanzienlijke korting heeft gegeven.2
Helaas heeft de prijsonderhandeling voor Enhertu bij HER2-low borstkanker niet tot een positief resultaat geleid. Het valt mij zwaar dat Enhertu niet kan worden opgenomen in het basispakket voor deze indicatie. Dit is teleurstellend voor patiënten, hun naasten en behandelaren die hun hoop hebben gevestigd op dit geneesmiddel.
Enhertu is voor een andere indicatie inmiddels wel vergoed. Dat is voor patiënten met HER2-positieve borstkanker. Deze indicatie stond ook in de sluis en is vervolgens door het Zorginstituut beoordeeld.
Het Zorginstituut adviseert een lagere korting voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker om de extra effecten in balans te brengen met de extra kosten dan bij HER2-low borstkanker.3 Na een onderhandeling wordt Enhertu sinds 11 april 2024 vergoed vanuit het basispakket bij HER2-positieve borstkanker.
Deelt u de mening dat er sprake is van ongelijke behandeling indien een medicijn voor de ene groep borstkankerpatiënten wel vergoed wordt, maar niet voor een andere groep borstkankerpatiënten die evenredig baat heeft bij dit middel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze mening niet. Enhertu is voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker geregistreerd. Het Zorginstituut heeft op basis van de ingediende dossiers van de leverancier twee aparte beoordelingen gegeven, één voor Enhertu bij HER2-postieve borstkanker en een bij HER2-low borstkanker. In het kort komt het erop neer dat de extra effecten en extra kosten voor deze twee groepen borstkankerpatiënten niet gelijk zijn. Dat betekent dat er minder korting nodig is voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker dan bij HER2-low borstkanker.
Klopt het dat het gaat om een groep van 1.500 vrouwen in Nederland?
Er zijn jaarlijks ongeveer 1500 vrouwen met HER2-low borstkanker, maar niet alle patiënten komen in aanmerking voor behandeling met Enhertu. Volgens het pakketadvies van het Zorginstituut komen er jaarlijks ongeveer 585 patiënten met HER2-low borstkanker in aanmerking komen voor behandeling met Enhertu.
Klopt het dat het medicijn in 26 andere Europese landen wel beschikbaar is voor deze groep?
Het kabinet kan niet verifiëren in welke landen Enhertu voor de behandeling van vrouwen met HER2-low borstkanker wordt vergoed. Daar komt bij dat vergoeding van een geneesmiddel niet in elk land hetzelfde betekent als in Nederland, namelijk dat elke patiënt die in aanmerking komt voor de behandeling deze ook daadwerkelijk krijgt.
Hoe legt u aan deze 1.500 vrouwen uit dat u het middel, wat hun leven kan verlengen en kwaliteit van leven kan verbeteren, niet vergoedt?
Het lot van deze patiënten raakt mij zeer. De afweging of Enhertu voor deze patiënten wordt opgenomen in het basispakket van de zorgverzekering, is zorgvuldig gemaakt. Namens het kabinet volg ik daarbij het beleid van mijn voorgangers. Het kabinet begrijpt dat dat zeer teleurstellend is voor Jolie, andere patiënten en hun families.
Daarbij wijst het kabinet op het volgende. Gegeven dat er beperkte financiële middelen zijn, moeten er keuzes worden gemaakt in de zorg. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren. Elke euro kan maar één keer worden uitgegeven. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst behaald worden. Het kabinet houdt rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers – ook als dat betekent dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel. Het kabinet zou willen dat we dergelijke keuzes niet zouden hoeven maken, want het zou patiënten zoals Jolie natuurlijk heel graag een ander bericht geven, maar helaas is dat – en hier moet het kabinet toch ook wijzen op de hoge prijzen van dit soort geneesmiddelen – een luxe die ons niet gegeven is.
Betekent uw reactie op de brief van Jolie Jacobs dat de situatie van patiënten met HER2-low borstkanker «nadrukkelijk uw aandacht heeft» dat u zich niet alleen laat informeren, maar dat u alles zult doen wat in uw mogelijkheden ligt om dit middel zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor deze groep patiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u exact aangeven welke stappen u gaat ondernemen en wat het tijdspad is?
De situatie van patiënten met HER2-low borstkanker heeft nadrukkelijk mijn aandacht. Zo verzoek ik, namens het kabinet, de leverancier of hij nu wel bereid is om een maatschappelijk aanvaardbare prijs overeen te komen. Het kabinet wil patiënten nadrukkelijk geen valse hoop geven, soms lukt het niet om tot overeenstemming te komen met leveranciers.
Bent u bereidt om, zo snel als mogelijk, het besluit van uw voorganger te herzien en om dit medicijn alsnog toe te laten tot het basispakket en daarmee beschikbaar te maken voor de borstkankerpatiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet?
Als de leverancier bereid is om alsnog tot aanvaardbare prijsafspraken te komen, ben ik, namens het kabinet, bereid om Enhertu op te nemen in het basispakket. Het kabinet roept de leverancier op om, in het belang van alle patiënten met HER2-low borstkanker, zijn standpunt te heroverwegen. Ook staat voor de leverancier de mogelijkheid open om nieuwe data aan te leveren bij het Zorginstituut en een herbeoordeling te vragen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
Het MVO rapport van de VanDrie Group en maatregelen rond de import van kalveren uit Ierland |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de VanDrie Group in haar MVO-jaarverslag uit 2020 (uitgebracht op 28 juni 2021, zoals weergegeven op de website van dierenrecht.nl) op pagina 38 bij «Doelen 2021 en verder» het volgende stelde: «Voor 2026 stoppen we met de import van kalveren uit Oost-Europa en Ierland naar Nederland.»?1
Ja, hier ben ik van op de hoogte.
Bent u tevens op de hoogte van het feit dat dit MVO-jaarverslag niet meer is te vinden op site van de VanDrie Group en dat deze ambitie in het MVO jaarverslag van 2024, dat nog wel online staat, is verdwenen?2
Ja, hier ben ik van op de hoogte.
Klopt het dat het niet wenselijk is om achteraf MVO-doelstellingen aan te passen, zonder hierover transparant te communiceren?
We leven in een dynamische wereld waarbij het soms nodig is om aanpassingen te doen. Aanpassingen in MVO-beleid gaan in mijn ogen altijd gepaard met transparantie, actieve betrokkenheid van stakeholders en duidelijke communicatie. Het is echter aan bedrijven en organisaties zelf om te besluiten over hun MVO-doelstellingen. Zij stellen die zelf op en bepalen ook zelf of doelstellingen haalbaar zijn of niet. Over of het klopt dat aanpassingen niet wenselijk zijn kan ik mij niet uitspreken, maar transparantie en betrouwbaarheid zijn voor mij essentieel voor draagvlak en geloofwaardigheid. Dat zal ik dan ook te allen tijde blijven benadrukken in gesprekken met de sector en in onze eigen beleidsvoering.
Wat vindt u van het feit dat de VanDrie Group blijkbaar haar doelstellingen heeft aangepast ten aanzien van de import van kalveren uit Ierland, zonder transparante communicatie?
De doelstelling om te stoppen met de import van kalveren vanuit Ierland en Oost-Europa, is vanuit het oogpunt van dierenwelzijn een zeer wenselijke en mooie doelstelling. Het staat VanDrie Group vrij om in te spelen op een veranderende markt en daarbij kunnen MVO-doelstellingen ook veranderen. De Europese wet- en regelgeving staat lang transport van ongespeende kalveren ook toe, zij het onder strikte voorwaarden op het gebied van verzorging en rij- en rusttijden. Hieraan moeten ondernemers zich houden. Ik vind het daarbij belangrijk dat bedrijven, in dit geval VanDrie Group, transparant zijn en uitleg geven over aanpassingen van de MVO-doelstelling.
Kunt u deze aanpassing in de ambities van VanDrie Group rijmen met de eerder trots gepresenteerde plannen van de sector ten aanzien van de afbouw van het transport over lange afstanden?
Het actieplan van de sector – Veal Forward – spreekt niet zozeer van het afbouwen van transport van ongespeende kalveren over lange afstanden, maar over het toepassen van het «nee, tenzij principe». Wat betekent dat kalveren alleen over lange afstanden vervoerd zullen worden, wanneer er voldaan wordt aan de in het plan beschreven voorwaarden. De koers waar VanDrie Group voor kiest, kan daar binnen passen. Uit oogpunt van dierenwelzijn vind ik het onwenselijk dat VanDrie Group de eerder getoonde ambitie los heeft gelaten.
Hoe beziet u deze aanpassing in de ambities van VanDrie Group, ook in het licht van de continue berichtgeving over misstanden bij deze transporten, met name ook vanuit Ierland?3
Zoals hierboven al aangegeven, vind ik het vanuit het oogpunt van dierenwelzijn onwenselijk dat VanDrie Group het doel om te stoppen met de import van ongespeende kalveren uit Ierland en Oost-Europa niet terug laat komen in het laatste MVO-verslag. Dat wil niet zeggen dat ze niet meer aan dit doel werken, maar het maakt het in ieder geval een stuk minder transparant. Het is duidelijk dat de maatschappij en Tweede Kamer deze transporten niet meer willen vanwege het effect op het dierenwelzijn onderweg. Maar zolang de Europese wet- en regelgeving toestaat dat ongespeende kalveren over lange afstanden vervoerd mogen worden, volgen deze dierstromen de route van vraag en aanbod. Daarom zet ik in Europa bij de herziening van de Transportverordening alles op alles om lange transporten van ongespeende kalveren te verbieden.
Deelt u de mening van een van uw ambtsvoorgangers, Minister Adema, die in 2024 zei dat de sector blijkbaar stappen wilde zetten in de afbouw van lange afstandstransporten, maar dat hij deze stappen «niet ambitieus genoeg» vond?4 Wat vindt u er van dat deze stappen blijkbaar nog een stukje minder ambitieus zijn geworden?
Ik vind het positief dat de sector zelf aan haar toekomst werkt door middel van een actieplan zoals Veal Forward. Dit plan is sinds de publicatie ervan onveranderd gebleven en niet minder ambitieus geworden.
Deelt u de ambitie van toenmalig Minister Adema die eerder aangaf zich ook in Europa in te zullen zetten om het transport over lange afstanden van kalveren aan banden te leggen? Welke stappen gaat u concreet zetten en wanneer?
Ik vind dierenwelzijn en een goede werking van de interne markt belangrijk. Een betere bescherming van dieren tijdens transport en een goed werkende interne markt kunnen alleen bewerkstellig worden als we binnen de Europese Unie allemaal dezelfde standaarden volgen, ook voor dierenwelzijn. Daarom zet ik mij – net als toenmalig Minister Adema – in voor een verbod op lang transport voor ongespeende dieren én duidelijke regels omtrent voederen en drenken onderweg bij de herziening van de Transportverordening. Deze inzet wordt op ieder mogelijk moment naar voren gebracht bij de Raadswerkgroepen over de herziening van de Transportverordening.
Welke stappen, naast aanpassingen in de transportregels, gaat u zetten om de kalverhouderij in te richten in balans met de belangen van de Nederlandse melkveehouderij, conform de motie-De Groot/Grinwis (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 53)?
De melkvee- en kalversector zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik ben van mening dat door deze beide sectoren bij het ontwikkelen van toekomstig beleid als één sector te zien, recht wordt gedaan aan deze verbondenheid.
Zoals eerder door mijn voorganger beschreven in de Kamerbrief over de inrichting van de kalverhouderij (Kamerstuk 28 624, nr. 372) zijn er een aantal belangrijke stappen te zetten in de kalverhouderij. Dit betreft minder import en korter transport van kalveren, strengere diergezondheidseisen, uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij en emissiereductie. Dat zijn onderwerpen waar ik onverminderd op inzet. Daarnaast zijn er pilots gestart waarin geëxperimenteerd wordt gericht op een gezonde kalverketen. Door Wageningen University and Research (WUR) wordt gewerkt aan het eindrapport over de (monitoring van) de pilots. Hierover wordt uw Kamer na het zomerreces geïnformeerd.
Daarnaast heeft de Europese Commissie aangekondigd met herzieningen te komen op meerdere dierenwelzijnsverordeningen. Ook hierbij zal ik mij inzetten op het verbeteren van de welzijn van kalveren.
Momenteel wordt de omvang van de kalversector niet begrenst door dier- of fosfaatrechten. De wens tot het verbreden van de wettelijke basis voor deze rechten naar de kalverhouderij (en de geitenhouderij) staat opgenomen in het coalitieakkoord. Hiervoor ben ik de opties aan het verkennen.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de eerder aangekondigde regelgeving rond de dierziekten Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR) en Bovine Virus Diarree (BVD)? Bent u bereid hier haast mee te maken?
Met betrekking tot de voortgang van de regelgeving voor IBR verwijs ik naar de brief (Kamerstuk 28 807, nr. 324) die ik op 3 april heb verstuurd. Daarnaast werk ik samen met stakeholders aan een bestrijdingsprogramma voor BVD. Ik doe alles wat binnen mijn mogelijkheden ligt om de regelgeving voor IBR en BVD zo snel mogelijk in werking te laten treden. Voor beide processen ben ik afhankelijk van verschillende verplichte juridische stappen in het proces. Hier heb ik weinig invloed op en versnelling is niet mogelijk. Daarnaast is in het ieders belang dat deze stappen zorgvuldige doorlopen worden. Ik streef er naar dat de Amvb IBR op 1 januari 2027 in werking zal treden. Over het tijdpad voor BVD zal ik de Kamer op een later moment informeren.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het commissiedebat Dieren in de veehouderij en NVWA van 23 april 2026?
Ja, daartoe ben ik bereid.
De rol van voormalig minister Gouke Moes bij een rechtszaak tegen de Staat |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Letschert , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat voormalig Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Gouke Moes zich kort na zijn aftreden heeft aangesloten als vicevoorzitter bij de Stichting Democratische Vernieuwing, die een rechtszaak voorbereidt tegen de Nederlandse Staat onder de noemer «cultuurdefensie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat een voormalig Minister van Cultuur zich binnen enkele weken na zijn aftreden aansluit bij een stichting die een rechtszaak tegen de Staat voorbereidt onder de noemer «cultuurdefensie»?
Het is in de eerste plaats de eigen verantwoordelijkheid van bewindspersonen en voormalige bewindspersonen om te waken voor (mogelijke) belangenverstrengeling. Daarbij zijn zij uiteraard gehouden aan de geldende wet- en regelgeving.
Deelt u de opvatting dat het op zijn minst opmerkelijk en politiek problematisch is wanneer een bewindspersoon die kort daarvoor nog deel uitmaakte van de regering zich vrijwel direct daarna aansluit bij een initiatief dat de Staat juridisch wil aanklagen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Heeft de heer Moes tijdens zijn ministerschap betrokkenheid gehad bij beleid of besluitvorming rond migratie, integratie, cultuurbeleid of maatschappelijke cohesie die mogelijk raakt aan het onderwerp van deze voorgenomen rechtszaak?
De heer Moes nam als Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deel aan de wekelijkse ministerraden en onderraden, waarbij dergelijke onderwerpen zijn besproken. Daarnaast was het onderwerp cultuurbeleid onderdeel van de portefeuille van de heer Moes. Op grond van de artikelen 98 en 272 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van het Reglement van orde van de ministerraad bestaat er een geheimhoudingsplicht ten aanzien van ambtsgeheimen, staatsgeheimen en ten aanzien van hetgeen tijdens vergaderingen van de ministerraad besproken wordt of geschiedt. Dat geldt ook voor vergaderingen van onderraden en van commissies uit de ministerraad. Deze geheimhoudingsplicht blijft ook na ontslag uit het ambt van bewindspersoon bestaan.
Beschikte de heer Moes tijdens zijn ministerschap over vertrouwelijke informatie of beleidsinzichten die relevant zouden kunnen zijn voor de voorbereiding van een rechtszaak tegen de Staat? Zo ja, welke waarborgen bestaan er dat dergelijke informatie niet wordt gebruikt?
Zie antwoord op vraag 4.
Vindt u het passend dat een voormalig Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zich drie weken na zijn aftreden aansluit bij een initiatief dat de Nederlandse Staat wil aanklagen onder de noemer «cultuurdefensie»? Zo ja, waarom?
Zie antwoord op vraag 2.
Klopt het dat, op grond van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen, een gewezen bewindspersoon binnen twee jaar na aftreden het Adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers om advies moet verzoeken over de aanvaardbaarheid van een voorgenomen functie?
Ja, voor zover het gaat om beoogde vervolgfuncties waarop deze wet betrekking heeft, te weten dienstverbanden bij private en semipublieke werkgevers. Ook ten aanzien van beoogde vervolgfuncties in de publieke sector bestaat deze adviesverplichting, tenzij het gaat om één van de uitzonderingen genoemd in artikel 2, tweede lid, van de wet. Bij een dienstverband gaat het om een bezoldigde functie of een betaalde opdracht.
Heeft de heer Moes een dergelijk advies aangevraagd of ontvangen met betrekking tot zijn functie als bestuurder van de Stichting Democratische Vernieuwing? Zo ja, wat was de uitkomst van dit advies en wanneer is dit uitgebracht?
Ik heb van het Adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers (Arpa) begrepen dat de heer Moes geen advies omtrent het aangaan van deze functie heeft gevraagd. Daartoe zou ook geen verplichting bestaan indien het gaat om een onbezoldigde functie. Het Arpa heeft overigens geen actieve onderzoeksplicht.
Indien geen advies is aangevraagd, acht u dat in overeenstemming met de verplichtingen uit de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen?
Indien sprake is van een onbezoldigde functie, bestaat er op basis van de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen geen verplichting tot het vragen van advies aan het Arpa.
Klopt het dat artikel 4 van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen bepaalt dat een gewezen bewindspersoon gedurende twee jaar na aftreden geen zakelijk contact mag hebben met ambtenaren van zijn voormalig ministerie of met ambtenaren van andere ministeries over beleidsterreinen waarbij hij intensief betrokken is geweest?
Ja.
Is bij u bekend of de heer Moes, sinds zijn aantreden als bestuurder van de Stichting Democratische Vernieuwing, contact heeft gezocht of contact heeft laten zoeken met ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of andere ministeries over deze voorgenomen rechtszaak of over het onderwerp «cultuurdefensie»?
De heer Moes heeft, voor zover wij kunnen overzien, geen contact gezocht met ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over deze voorgenomen rechtszaak of over het onderwerp «cultuurdefensie».
Is voor de heer Moes een ontheffing verleend van het verbod op zakelijk contact met ambtenaren zoals bedoeld in de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen? Zo ja, op welke gronden en wanneer?
Nee.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk zou zijn wanneer een voormalig Minister van Cultuur die drie weken na zijn aftreden betrokken raakt bij een initiatief dat de Staat wil aanklagen alsnog ontheffing zou krijgen van het verbod op zakelijk contact met ambtenaren? Zo nee, waarom niet?
In de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen is een lobbyverbod opgenomen dat inhoudt dat een voormalig bewindspersoon gedurende twee jaar na zijn ontslag geen zakelijk contact mag hebben met ambtenaren van zijn voormalig ministerie, en ook niet met ambtenaren van andere ministeries voor zover het gaat om aanpalende beleidsterreinen. Doel van dit lobbyverbod is het tegengaan van (het risico op) belangenverstrengeling. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan door de Minister-President, na een advies van het Arpa, ontheffing van het lobbyverbod worden verleend indien daarom wordt verzocht. Het spreekt voor zich dat de Minister-President met deze bevoegdheid terughoudend omgaat, aangezien ontheffing een afwijking van de wettelijke hoofdregel betekent. In de onderhavige casus is, zoals aangegeven in antwoord 12, geen sprake van ontheffing van het lobbyverbod.
Zijn bij u signalen bekend dat oud-bewindspersonen van kabinet Schoof 1 in vergelijkbare situaties terecht zijn gekomen, bijvoorbeeld door kort na hun aftreden betrokken te raken bij functies op beleidsterreinen waarvoor zij eerder verantwoordelijk waren? Zo ja, zijn daarbij signalen bekend dat regels uit de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen, handboek bewindspersonen en andere integriteitsregels mogelijk zijn overtreden?
De voormalige bewindspersonen uit het kabinet-Schoof zijn gehouden aan de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen.
Vindt u dat de huidige Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen voldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat een oud-bewindspersoon kort na zijn aftreden betrokken raakt bij initiatieven die de Staat juridisch activistisch procederen op beleidsterreinen waarvoor hij zelf eerder verantwoordelijk was?
De verplichting om advies aan het Arpa te vragen over een beoogde vervolgfunctie heeft volgens de wet alleen betrekking op dienstverbanden (met uitzondering van de functies die zijn genoemd in artikel 2, tweede lid, van de wet). Bij een dienstverband gaat het, zoals gezegd, om een bezoldigde functie of een betaalde opdracht. Onbezoldigde functies of opdrachten vallen dus niet onder de adviesverplichting. Als dat wel het geval zou zijn, zou voor allerlei soorten vrijwilligerswerk advies aan het Arpa moeten worden gevraagd. De wetgever heeft dit niet wenselijk geacht.
Op basis van artikel 8 van de wet zal drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie plaatsvinden omtrent de doeltreffendheid en de effecten van de wet. Ik acht het voorstelbaar dat de afbakening voor wat betreft de adviesverplichting onderdeel uitmaakt van deze evaluatie.
Overigens is de reikwijdte van het lobbyverbod op basis van artikel 4, eerste lid, van de wet niet beperkt tot bezoldigde functies of opdrachten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De juridische implicaties van het on hold zetten van gaswinning |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zou een tijdelijk staken van reeds vergunde gaswinning om bepaalde onderzoeken naar de gevolgen ervan af te wachten, neerkomen op contractbreuk met de gaswinningsbedrijven?
In de Mijnbouwwet zijn limitatieve gronden opgenomen die kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van bestaande vergunningen, dan wel kunnen leiden tot het wijzigen of intrekken van instemming met een winningsplan (zie art 21 en art 36 Mijnbouwwet). Buiten deze gronden is geen intrekking of wijziging mogelijk omdat een dergelijk besluit in strijd met de Mijnbouwwet en dus onrechtmatig is.
Tevens betekent het tijdelijk staken van een reeds vergunde gaswinning een inbreuk op het eigendomsrecht van een gaswinningsbedrijf. Dit kan alleen als is voldaan aan de eisen die artikel 1, Eerste Protocol, van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (artikel 1 EP EVRM) stelt voor de bescherming van eigendom.
Heeft u binnen de huidige wetgeving juridische mogelijkheden om een algemene tijdelijke of permanente stop op nieuwe gasboringen in te voeren in een specifiek gebied, inclusief wanneer er exploratievergunningen zijn toegekend? Is er daarbij een verschil tussen projecten die nog in een proefboorfase zitten en projecten die al volop gas aan het winnen zijn? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u?
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat geen mogelijkheid om een algemene tijdelijke of permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, gelden voor bestaande vergunningen en instemmingen limitatieve intrekkings- en weigeringsgronden en moet worden voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM voor de bescherming van eigendom. Dit geldt zowel voor projecten die nog in de proefboorfase zitten als voor projecten die al volop gas aan het winnen zijn.
Ook bij een wijziging van de Mijnbouwwet moet worden voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM.
Welke juridische mogelijkheden heeft u om reeds verleende vergunningen voor gasboringen weer in te trekken?
Zie het antwoord bij vraag 1.
Heeft u juridische mogelijkheden om reeds lopende gaswinningsprojecten tijdelijk of permanent stil te leggen in een specifiek gebied? Zo ja, welke?
Zie het antwoord bij vraag 2.
In welke van deze gevallen zullen betrokken bedrijven financieel gecompenseerd moeten worden en in welke gevallen is dat niet nodig?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven kan het tijdelijk of permanent stilleggen van reeds lopende gaswinningsprojecten alleen als sprake is van één van de limitatieve gronden uit de Mijnbouwwet en daarnaast wordt voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM voor de bescherming van eigendom. Hierbij zijn de volgende voorwaarden van belang. De inmenging moet rechtmatig zijn, dat wil zeggen bij wet voorzien (legaliteitsbeginsel) en de inmenging moet een legitieme doelstelling hebben die dient ter bevordering van het algemeen belang (legitimiteitsbeginsel). Als aan deze voorwaarden is voldaan, dan moet sprake zijn van een «fair balance» oftewel een redelijk evenwicht tussen de eisen van het algemeen belang waarvoor de inmenging nodig zou zijn, en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, in casu de getroffen vergunninghouders (evenredigheidsbeginsel). Om aan die laatste eis te voldoen, zou een financiële compensatie een mogelijkheid kunnen zijn.
Zijn er omstandigheden waarin u meer ruimte heeft om vergunningen in te trekken of vergunde projecten stil te leggen, bijvoorbeeld in het geval van nieuwe inzichten over risico’s die bij op het moment van vergunningverlening niet bekend waren of als minder riskant werden ingeschat?
Zoals bij antwoord 1 aangeven zijn in de Mijnbouwwet limitatieve gronden opgenomen die kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van bestaande vergunningen, dan wel kunnen leiden tot het wijzigen of intrekken van instemming met een winningsplan. Tevens moet worden voldaan aan de eisen met betrekking tot de bescherming van eigendom volgens artikel 1 EP EVRM, zoals in het antwoord op vraag 5 toegelicht.
De situatie bij Fivoor |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van de eerdere Kamervragen over de situatie in de gemeente Zeist over de situatie van Fivoor in Den Dolder en de Kamerbrief van 16 april 2025 over de toekomst van de klinieken in Den Dolder?1, 2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke gesprekken er zijn gevoerd sinds april 2025 om ervoor te zorgen dat concrete vertrekplannen van Fivoor uit Den Dolder worden gerealiseerd? Kunt u de laatste stand van zaken geven?
In 2025 zijn vier Regionale Regietafels georganiseerd om de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor te begeleiden. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht. Hiermee onderstrepen we de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de regio om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden. Het voorzitterschap ligt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De tafel wordt voorgezeten door de verantwoordelijk Staatssecretaris of een vertegenwoordiger van het ministerie. Ik zet die inzet voort.
Er wordt gewerkt langs twee sporen:
Er zijn drie locaties in beeld voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op het lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties deel ik daarom nu niet.
Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) is op dit moment niet actief betrokken bij de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor. In het voorjaar van 2025 heeft het RVB meerdere specifieke locaties onderzocht. Zoals mijn voorganger in de brief aan de Tweede Kamer van 16 april 2025 heeft toegelicht, betrof dit vastgoed dat in gebruik is bij het Ministerie van Defensie.3 Dat vastgoed is primair bestemd voor de opgaven van Defensie. Gezien de huidige geopolitieke situatie en de noodzaak de Nederlandse defensiecapaciteit uit te breiden, heeft Defensie laten weten om die reden geen terreinen te verkopen. Daarom loopt er momenteel geen traject via het RVB. Mochten er in de toekomst locaties in beeld komen waar de RVB kan bemiddelen, dan is de afspraak dat zij direct worden aangehaakt.
Welke locatie of locaties zijn op dit moment in beeld om Fivoor te huisvesten en in hoeverre is het Rijksvastgoedbedrijf gecommiteerd aan de inzet om verhuizing van Fivoor mede mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen zijn er in de tussentijd getroffen om de veiligheid in Den Dolder te waarborgen?
JenV ondersteunt gemeente Zeist bij de maatregelen die zij treft om de veiligheid te borgen tot 1 januari 2027, met de optie dit te verlengen als Fivoor langer blijft en de maatregelen effectief blijken. Maatregelen die door de gemeente worden genomen zijn:
Doel van de inzet is om het veiligheidsgevoel te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorgangers om ook zelf in gesprek te gaan en te blijven met de omwonenden? Zo ja of nee, waarom?
Ja, zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, continueer ik de inzet van mijn voorganger. Ik ga op een passend moment graag in gesprek met de omwonenden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóór het commissiedebat over tbs op 25 maart 2026?
Ja.
De positie van gedupeerde ouders in het buitenland en rechtsbescherming binnen de hersteloperatie |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat gedupeerde ouders dossiers ontvangen waarin delen zijn gelakt, terwijl deze betrekking hebben op hun eigen persoonsgegevens?
Dat is mij niet bekend. De standaard werkwijze is dat de eigen persoonsgegevens van de gedupeerde niet worden gelakt. Ook zijn er controlemechanismen bij UHT ingesteld om te voorkomen dat dit wel gebeurt. Indien dit voorkomt, dan kan via het Serviceteam van UHT hier melding van worden gemaakt en kan dit worden gecorrigeerd.
Indien er stukken naar een ex-partner van een gedupeerde worden verstuurd, bijvoorbeeld omdat deze zich heeft aangemeld voor compensatie, dan worden de gegevens van de gedupeerde gelakt vanaf het moment dat zij geen toeslagpartners meer waren.
Hoe verhoudt het verstrekken van gelakte dossiers zich tot de verplichting voor ouders om hun werkelijke schade aannemelijk te maken?
Het lakken heeft geen invloed op het aannemelijk maken van aanvullende schade. De werkwijze is dat UHT namen en persoonsgegevens van medewerkers en van derden lakt. Dat heeft geen impact op de inhoudelijke informatie; deze informatie blijft leesbaar aanwezig in het dossier.
Hebben externe partijen die betrokken zijn bij schadebeoordelingen toegang tot ongelakte dossiers?
De Commissie Werkelijke Schade (CWS) en de Commissie van Wijzen ontvangen ongelakte dossiers van UHT. Externe schade-experts die door de CWS worden ingezet, ontvangen geen stukken van UHT noch van CWS. Zij krijgen een vraagstelling en een machtiging van de ouder om stukken bij bijvoorbeeld de medische behandelaren op te vragen. Een schade-expert op het gebied van inkomen ontvangt met toestemming van de ouder diens inkomensgegevens om een inkomensschadeberekening op te stellen.
Hoe waarborgt u het beginsel van wapengelijkheid als beoordelaars over meer informatie beschikken dan ouders zelf?
Ouders en gemachtigde beschikken via het ouderdossier over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Overige informatie die niet op de zaak betrekking heeft, wordt niet betrokken bij de beoordeling. Daarnaast worden bij het lakken alleen namen en persoonsgegevens gelakt en geen inhoudelijke passages.
Hoe beoordeelt u verschillen tussen gemeenten in ondersteuning van gedupeerde ouders via de SPUK-regeling?
Brede ondersteuning is maatwerk, passend bij de situatie van de rechthebbende. Het is inherent aan deze maatwerkaanpak dat er verschillen bestaan in ondersteuning en dat daarmee de kosten voor het realiseren van een plan van aanpak sterk kunnen verschillen.
Tegelijkertijd heb ik samen met de VNG het advies van de commissie Van Dam ter harte genomen en is er sinds begin 2025 ingezet op de verdere harmonisering van gemeentelijk beleid ten aanzien van de brede ondersteuning, zodat ouders en jongeren meer duidelijkheid wordt geboden over wat zij kunnen verwachten.
Om meer harmonisatie te bereiken zijn er termijnen voor materiële verstrekkingen en voor de looptijd van een plan van aanpak ingevoerd met de wetswijziging per 1 januari 2025. Daarnaast heeft de VNG model beleidsregels gepubliceerd in juni 2025, samen met een implementatiehandleiding voor gemeenten. Ook organiseert de VNG bijvoorbeeld trainingen en regiokringen die bijdragen aan een meer uniforme uitvoering van de brede ondersteuning.
Naast deze maatregelen heeft de bestuurlijk regisseur Paul Blokhuis de opdracht zich in te zetten voor versterking, verbetering en harmonisering van de ondersteuning aan gedupeerde ouders en hun gezinnen vanuit gemeenten. Daarmee heeft hij ook de opdracht namens de VNG en mij gekregen om te werken aan verdere harmonisatie van de brede ondersteuning door gemeenten. Daarbij blijft er altijd ruimte voor maatwerk in de ondersteuning. De bestuurlijk regisseur is over de uitvoering van de brede ondersteuning in gesprek met gedupeerde ouders, jongeren en gemeenten; toetst of gemeenten de beleidsregels hebben vastgesteld, haalt goede werkpraktijken op en stimuleert kennisuitwisseling tussen gemeenten zodat zij van elkaar leren.
Erkent u dat hierdoor verschillen in ondersteuning ontstaan afhankelijk van de woonplaats van gedupeerde ouders?
Zie antwoord vraag 5.
Welke maatregelen neemt u om te zorgen voor een uniform niveau van ondersteuning voor alle gedupeerden?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze wordt binnen herstelroutes rekening gehouden met immateriële schade van jongeren die direct zijn geraakt door de toeslagenaffaire?
Gedupeerde ouders ontvangen compensatie voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de toeslagenaffaire. Deze compensatie is bedoeld voor het hele gezin. Er zijn twee hoofdroutes voor ouders om een aanvullende schadevergoeding aan te vragen: de route van Stichting (Gelijk)waardig Herstel de route MijnHerstel. Beide routes hanteren hetzelfde ruimhartige forfaitaire schadekader. In dit uniforme schadekader zijn er verschillende immateriële schadeposten die zijn gerelateerd aan het ervaren leed van het gezin, onder meer: ontoereikende waarborging levensstandaard kinderen, verlies van gelijke kansen in het gezin, impact door inperking ouderschap, impact door ongewenste onthechting, gevoelde discriminatie. Daarnaast biedt het uniforme schadekader de mogelijkheid om, wanneer zich binnen het gezin een uitzonderlijke impactvolle gebeurtenis heeft voorgedaan, hiervoor aanvullende compensatie te ontvangen.
Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor het inkomensverlies.
Is er voor jongeren die te maken hebben gehad met uithuisplaatsing een afzonderlijk traumasensitief traject ingericht?
Het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen ondersteunt gezinnen, ouders en kinderen die te maken hebben gehad met de toeslagenaffaire en een uithuisplaatsing. Het Ondersteuningsteam helpt gedupeerde ouders en hun kinderen om het contact te herstellen en de situatie te verbeteren. In de aanpak van het team staat een traumasensitieve werkwijze centraal: de professionals werken in hun begeleiding vanuit kennis over de impact van (chronische) stress en ingrijpende ervaringen op gedrag, vertrouwen en relaties.
Hoe wordt voorkomen dat dossiers van jongeren vastlopen in dezelfde administratieve processen als die van hun ouders?
Om het leed dat kinderen mogelijk hebben ervaren als gevolg van de toeslagenaffaire te erkennen, ontvangen zij de kindregeling. Kinderen hebben automatisch recht op de kindregeling als vastgesteld wordt dat een van hun ouders gedupeerd is. Zij hoeven hier in beginsel geen aanvraag voor te doen. Kinderen ontvangen dus ook geen dossier, aangezien het recht op de kindregeling bepaald wordt door de gedupeerdheid van een ouder en de gebeurtenissen die hiertoe geleid hebben. Kinderen ontvangen een financiële tegemoetkoming en kunnen zich vanaf hun zestiende jaar zelfstandig melden bij hun gemeente voor brede ondersteuning. Als er behoefte is aan een luisterend oor of lotgenotencontact, kunnen jongeren terecht bij het jongerennetwerk Unity Works van Stichting Lotgenotencontact.
Hoeveel gedupeerde ouders bevinden zich volgens uw gegevens momenteel buiten Nederland?
Per 31 december 2025 zijn er bij het OTB 1.656 gezinnen aangemeld uit 45 verschillende landen.
Hoeveel van deze ouders beschikken niet over een BSN, DigiD of geldig Nederlands identiteitsdocument?
In principe heeft iedere Nederlander een BSN, ook als je in het buitenland woont. Daarmee kan een DigiD worden aangevraagd.
Kinderen die in het buitenland zijn geboren en geen BSN hebben, maar wel in aanmerking komen voor de kindregeling, kunnen hiervoor contact opnemen met het Serviceteam van UHT.
In hoeverre iemand een geldig identiteitsdocument heeft is geen onderdeel van de hersteloperatie en hierover zijn de gegevens niet bekend.
Hoe kunnen deze ouders hun dossier opvragen en deelnemen aan herstelprocedures?
Ouders in het buitenland, die zijn erkend als gedupeerde, kunnen via de persoonlijk zaakbehandelaar hun dossier opvragen. Zij doorlopen het herstelproces op vergelijkbare wijze als gedupeerden in Nederland. Ook kunnen gedupeerde ouders in het buitenland in aanmerking komen voor hulp via het Ondersteuningsteam Buitenland (OTB, https://hetotb.nl/).
Ouders in het buitenland zonder DigiD kunnen telefonisch contact opnemen met het Serviceteam. Er is een telefoonnummer beschikbaar waar zij vanuit het buitenland naar kunnen bellen, of zij kunnen een terugbelverzoek achterlaten op de herstelwebsite https://herstel.toeslagen.nl/contact/contact-vanuit-het-buitenland/.
Daarnaast is er altijd een mogelijkheid om UHT via post te benaderen.
Gedupeerde ouders van de kindertoeslagaffaire in Caribisch Nederland kunnen aanvullend terecht bij Belastingdienst Caribisch Nederland (BCN) voor hulp en ondersteuning.
Welke inspanningen worden verricht om gedupeerde ouders in het buitenland actief te traceren en te informeren over hun rechten binnen de hersteloperatie?
UHT houdt niet bij waar iemand woont, alleen of deze gedupeerde hulp door het OTB wenst. Het OTB voorziet ouders in het buitenland van informatie en biedt hen hulp en ondersteuning. In België en in het Caribisch gebied verblijven de meeste ouders die naar het buitenland zijn vertrokken. In deze landen is vanaf de start van de hersteloperatie daarom regelmatig ingezet op extra communicatie in de media van deze landen. Ook weten de ouders in het buitenland veelal hun weg te vinden in de diverse oudercontactgroepen in de betreffende landen.
Alle ouders krijgen tijdens hun traject bij UHT informatie over hun rechten binnen de hersteloperatie. Dit is voor ouders in het buitenland niet anders dan in Nederland.
Kunt u aangeven hoeveel gedupeerde ouders volgens uw gegevens in het buitenland verblijven, in welke landen zij zich bevinden en hoeveel van hen nog geen contact hebben gehad met een persoonlijke zaakbehandelaar?
Per 31 december 2025 zijn er bij het OTB 1.656 gezinnen aangemeld uit 45 verschillende landen. Er zijn geen signalen bekend dat ouders geen contact kunnen krijgen met de casemanagers bij Radar/OTB.
Op welke wijze onderzoekt u welke gedupeerde ouders in het buitenland mogelijk nog niet zijn bereikt of niet hebben gereageerd, en welke stappen worden genomen om deze groep alsnog actief te benaderen?
Het OTB biedt ondersteuning aan gedupeerde ouders die in 45 verschillende landen over de wereld leven. In landen waar veel (potentieel) gedupeerde ouders wonen, met name in België en in het Caribisch gebied, is veel gedaan om deze ouders te bereiken met communicatie in de media van het betreffende land.
De mogelijkheid voor aanmelding voor gedupeerde ouders is in principe gesloten sinds 1 januari 2024. Mochten zich nu nog ouders melden, is er de mogelijkheid om een beroep te doen op verschoonbare termijnoverschrijding.
Zijn er afspraken met buitenlandse schuldeisers om te voorkomen dat herstelbetalingen direct in beslag worden genomen? Zo nee, bent u bereid deze vorm te geven?
De wet- en regelgeving zoals in de hersteloperatie is vormgegeven, geldt niet in het buitenland. We kunnen schuldeisers in het buitenland niet dwingen om invorderingen te pauzeren, zoals we dit met de pauzeknop van 1 jaar (moratorium) in Nederland hebben afgesproken.
Met de Belgische overheid hebben we afspraken kunnen maken over toepassing van invorderingsrust en deelname aan de afwikkeling van schulden.
Ook hebben we procesafspraken gemaakt met Sociale Banken Nederland (SBN) indien een ouder daar een schuld bij een buitenlandse schuldeiser indient. SBN doet dan altijd pogingen om de buitenlandse schuldeiser te benaderen om afspraken te maken. Dit gebeurt telefonisch en met brieven die in meerdere talen beschikbaar zijn. Hierin wordt ook informatie gedeeld over de voordelen van meewerken aan de schuldenregeling en uitleg gegeven over de toeslagenaffaire.
U geeft in de voortgangsrapportage aan dat er wordt gewerkt aan een steunpunt waar gedupeerde ouders en getroffen jongeren terecht kunnen voor vragen over psychosociale hulp. Ligt de ontwikkeling nog steeds op schema, nu het tweede kwartaal van dit kalenderjaar snel nadert?
Deze ontwikkeling ligt zeker op schema. Sinds maandag 16 maart 2026 is het Landelijk Steunpunt Mentaal Welzijn geopend voor de leerfase. Aanmelding van gedupeerde ouders en jongeren van 18 jaar en ouder verloopt in deze leerfase via gemeenten en een aantal ketenpartners (Stichting Lotgenotencontact, KOTA-Rapportage en lokale netwerken). Daarnaast is het steunpunt in de leerfase beschikbaar voor advies en vragen van gemeenteambtenaren brede ondersteuning en professionals mentaal welzijn.
Vanaf 1 juli 2026 gaat het steunpunt volledig open. Iedereen kan vanaf die datum op eigen initiatief contact opnemen.
Effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie. |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel medewerkers zijn momenteel werkzaam bij het Politiedienstencentrum? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar vaste medewerkers en ingehuurde krachten?
Voordat ik inga op uw vragen wil ik graag benadrukken dat ik als Minister van Justitie en Veiligheid jaarlijks verantwoording afleg over de begroting van mijn ministerie, waarin het begrotingsartikel 31 Politie is opgenomen. Daarnaast kent de politie een eigen begroting en jaarverantwoording waarin de korpschef verantwoording aflegt over het gevoerde beleid en de uitgaven. Dit is in lijn met andere organisaties binnen de Rijksoverheid. Bij enkele van uw vragen wordt gevraagd naar een dieperliggend detailniveau als het gaat om gevraagde overzichten en uitsplitsingen. In de beantwoording heb ik mij tot het uiterste ingespannen om uw vragen te beantwoorden. Daar waar de gevraagde gegevens niet voorhanden zijn, kan ik deze niet aan u verstrekken.
De bezetting van de totale niet-operationele sterkte beslaat momenteel ruim 13.000 fte. Hier valt de klassieke bedrijfsvoering onder, maar ook bijvoorbeeld de docenten aan de Politieacademie. Van de ruim 13.000 fte werken er bij het Politiedienstencentrum ongeveer 8.000 fte. De overige ongeveer 5.000 fte zijn werkzaam bij andere organisatieonderdelen en eenheden van de politie.
Daar waar de niet-operationele functies overbezet zijn, heb ik met de korpschef afgesproken dat deze overbezetting wordt afgebouwd. Dit is ook nodig om de politiebegroting op orde te krijgen. Ik monitor de afbouw van genoemde overbezetting.
Bij de politie zijn 1256 medewerkers werkzaam (excl. Politieacademie) op basis van externe inhuur, waarvan 911 bij het Politiedienstencentrum (peildatum 01-04-2026). Hiermee kunnen fluctuaties in werkbelasting worden opgevangen en kan specifieke expertise (zoals bijvoorbeeld bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen, IV-specialisme) tijdelijk ingezet worden als deze niet binnen de organisatie voor handen is.
Wat bedragen de bestuurskosten van de korpsleiding van de Nationale Politie? Kunt u deze kosten per jaar uitsplitsen over de periode 2020 tot en met heden?
De bestuurskosten van de korpsleiding van de politie worden maandelijks gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid (Rijksoverheid.nl). Hiermee sluit de politie aan bij de systematiek die wordt gehanteerd bij de openbaarmaking van de bestuurskosten van bewindspersonen en topambtenaren in de sector Rijk. Vanaf april 2026 zullen deze gegevens op open.overheid.nl worden gepubliceerd.
De hoogte van de bestuurskosten zijn redelijk stabiel, met uitzondering van de jaren 2020 en 2021. Dit had te maken met de toen geldende COVID-maatregelen.
Zie hieronder het overzicht van bestuurskosten van de korpsleiding sinds 2020:
Jaar bedrag
2020 17.240,27 euro
2021 23.501,46 euro
2022 26.705,73 euro
2023 32.856,33 euro
2024 28.850,05 euro
2025 30.986,34 euro
Hoe hebben de bestuurskosten van de korpsleiding zich ontwikkeld sinds 2020 en wat zijn de belangrijkste oorzaken van eventuele stijgingen of dalingen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat wordt binnen de Nationale Politie verstaan onder de begrippen «operationele sterkte» en «operationele slagkracht»? Kunt u toelichten hoe deze begrippen binnen de organisatie worden gehanteerd en gebruikt in de sturing van de politieorganisatie?
Het begrip «operationele sterkte» is vastgelegd in regelgeving (Art. 1 besluit verdeling sterkte en middelen), heeft betrekking op de operationele formatie en bezetting en is verdeeld in de werksoorten gebiedsgebonden politie (GGP), opsporing, informatiefunctie, intake & service en meldkamer, beveiliging, overige operationele functies, en leiding. De formatie is de door mij gefinancierde politiesterkte (in fte’s). Deze wordt ieder jaar vastgesteld als bijlage bij het begrotings- en beheerplan. De bezetting is het personeel dat daadwerkelijk in dienst is bij de politie, oftewel de mate waarin de formatie gevuld is.
Het begrip «operationele slagkracht» is niet vastgelegd in regelgeving. Ik versta hieronder de mate waarin de politie operationeel effectief is.
Hoeveel personen worden momenteel door de Nationale Politie ingehuurd? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar functiecategorieën of typen werkzaamheden?
Momenteel worden er door de politie ongeveer 1250 personen extern ingehuurd. Een uitsplitsing naar functiecategorieën of typen werkzaamheden is niet beschikbaar. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, werkt een groot deel van deze externe krachten bij het Politiedienstencentrum, bijvoorbeeld bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen en IV-specialisten.
De gemiddelde duur van een extern inhuurcontract is 2,2 jaar. Er zijn personen die langer worden ingehuurd. Eén persoon wordt sinds de vorming van de nationale politie ingehuurd voor meerdere opdrachten op verschillende plekken binnen de politieorganisatie. Deze persoon heeft gereageerd op meerdere opdrachten. Bij een nieuwe opdracht wordt er een nieuwe aanbesteding in de markt gezet, waarop een kandidaat kan reageren. Hierbij is er geen bijzondere aandacht voor het gegeven of iemand al werkzaam is binnen de organisatie. Dit kan er in de praktijk toe leiden dat de aaneengesloten periode waarin iemand werkzaam is op inhuurbasis in sommige gevallen langer uit kan pakken.
Het uitgangspunt blijft dat de persoon die het beste past op de opdracht, de opdracht gegund krijgt.
De kosten voor externe inhuur zijn te vinden in de jaarverantwoordingen van de politie voor de desbetreffende jaren. In 20241 betroffen de kosten voor externe inhuur € 184 mln. op de totale personeelskosten van € 6 miljard. Het per jaar aan externe inhuur bestede bedrag is ongeveer 3% van de totale personeelskosten van de politie. Dat is ruimschoots minder dan de Roemernorm van 10%, die voor overheidsorganisaties geldt.
Bij de externe inhuur van de politie zijn verschillende partijen betrokken. Zo wordt er een partij ingezet voor de inhuur van uitzendkrachten tot en met mbo niveau (exclusief IV-functies), twee partijen voor inhuurprofessionals vanaf hbo niveau en alle IV-functies en zijn er specialistische raamcontracten.
Hoeveel geld heeft de Nationale Politie in de jaren 2020 tot en met heden per jaar uitgegeven aan externe inhuur? Kunt u deze bedragen per jaar specificeren?
Zie antwoord vraag 5.
Met welke externe bureaus of organisaties doet de Nationale Politie momenteel zaken in het kader van externe inhuur?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de langst aaneengesloten periode waarvoor een externe kracht door de Nationale Politie is ingehuurd en wat is de gemiddelde duur van externe inhuurcontracten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van het programma «Politie voor Iedereen» sinds de start van dit programma? En wilt u deze kosten per jaar uitsplitsen en aangeven welk budget hiervoor de komende jaren is gereserveerd?
Bij de beantwoording van de Kamervragen over het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid van verschillende uitvoerings- en sui generis organisaties, waaronder de politie, heb ik aangegeven op welke wijze dit beleid doorwerkt in de structuur en bedrijfsvoering van een organisatie. In de jaarverantwoording politie legt de korpschef verantwoording af over het gevoerde beleid van de organisatie en haar uitgaven. De politie heeft geen apart overzicht van alle (zowel interne als externe middels inhuur en dergelijke) inzet, kosten en specifieke bijdragen per functie of per eenheid.2
In de begroting en beheerplan politie 2025–2029 is opgenomen hoe het korps inzet op diversiteit en inclusie. Voor de opgave Politie voor Iedereen wordt jaarlijks tussen de 3 en 5,5 miljoen euro begroot. Alle eenheden en diensten krijgen een budget voor het realiseren van die wervingsactiviteiten die effect hebben op de arbeidsmarkt.
Kunt u een specificatie geven van de uitgaven binnen het programma «Politie voor Iedereen», zoals kosten voor personeel, trainingen, communicatiecampagnes, onderzoek, evenementen en overige activiteiten?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre worden binnen het programma «Politie voor Iedereen» externe bureaus, consultants of trainers ingehuurd? Kunt u aangeven welke organisaties hierbij betrokken zijn en welke bedragen hiermee gemoeid zijn geweest, uitgesplitst per jaar?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van alle politie-iftars – incusief het uitsplitsen van de kosten per georganiseerde iftar? En kunt u deze kosten ook doen toekomen van voorgaande jaren en welk budget voor aankomende jaren hiervoor gereserveerd is?
Zie antwoord vraag 9.
Herkent u of de korpsleiding signalen uit de organisatie dat er feitelijk sprake is van bezuinigingen op eenheidsniveau, bijvoorbeeld doordat voertuigen met schade niet worden gerepareerd of doordat bureaus keuzes moeten maken tussen functies vanwege budgettaire beperkingen? Hoe duidt u deze signalen?
In de door mijn voorganger verstuurde Kamerbrief van 21 januari 2026 over de financiële situatie bij de politie, heb ik u geïnformeerd dat de eenheden binnen de politie zelf sturen binnen het per eenheid beschikbare budget.
Voor 2026 zullen daarbij de basisteams (de gebiedsgebonden politie en de opsporing in de basisteams) helemaal buiten beschouwing worden gelaten. Hiermee wordt geborgd dat de aanwezigheid van de politie in buurt, wijk, stad en gemeente en de opsporing in de basisteams niet geraakt worden. Met andere woorden: blauw op straat blijft dus buiten beschouwing. Daarnaast zullen in 2026 de bijzondere bijdragen (zoals voor de Dienst Specialistische Interventies en ondermijning) ongemoeid blijven. Er wordt in 2026 ook niet getornd aan de instroom van aspiranten en er worden geen mensen ontslagen.
Hoeveel medewerkers van de Nationale Politie zitten momenteel thuis met een diagnose van posttraumatische stressstoornis (PTSS) dan wel andere psychische klachten?
De korpsleiding herkent dit signaal niet. Vanaf 1 april 2025 is het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten in werking getreden. Nieuwe meldingen van politiemedewerkers met beroepsgerelateerde klachten vallen onder dit nieuwe stelsel. Zodra een politiemedewerker zich meldt met gezondheidsklachten, en deze meer dan 1% beroepsgerelateerd zijn, ontvangt de politiemedewerker direct de benodigde begeleiding, zorg en gerichte vergoedingen. Dat geldt bij alle gezondheidsklachten. In dit stelsel staat aandacht en zorg voor de politiemedewerker voorop. Politiemedewerkers kunnen makkelijker en sneller aanspraak maken op voorzieningen uit de rechtspositie, omdat er wordt gewerkt vanuit vertrouwen in plaats van een juridische erkenningsprocedure.
Voor het maken van aanspraak op de voorzieningen in het nieuwe stelsel is de medische diagnose niet relevant. Hierdoor zijn er geen aantallen beschikbaar van politiemedewerkers met een diagnose van PTSS of andere psychische klachten. In 2025 zijn er 1804 meldingen geregistreerd die vallen onder het nieuwe stelsel met een toekenning van 1% beroepsgerelateerde gezondheidsklachten. Of deze politiemedewerkers thuis zitten of (gedeeltelijk) aan het werk zijn is afhankelijk van de individuele casuïstiek. Hierover kan ik geen uitspraken doen.
Het nieuwe stelsel wordt continue gemonitord en na drie en vijf jaar geëvalueerd. De eerste monitor van het nieuwe stelsel is positief, waaronder op de gemiddelde doorlooptijden van een melding, het advies op de melding en het besluit daarover.
Herkent u of de korpsleiding signalen dat verzuimmeldingen, in het bijzonder bij PTSS, niet altijd adequaat worden opgevolgd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en welke maatregelen worden genomen om dit te verbeteren?
Zie antwoord vraag 14.
Klopt het dat politiemedewerkers in de eenheid Midden-Nederland, met name in Utrecht, arrestanten regelmatig moeten vervoeren naar cellencomplexen in andere plaatsen in de regio, zoals Amersfoort, Houten of andere locaties, omdat in Utrecht zelf onvoldoende capaciteit beschikbaar is voor insluiting?
Het vervoeren van arrestanten door de politie is onderdeel van de taakuitvoering van de politie. De politie geeft het vervoer van arrestanten zo efficiënt als mogelijk vorm en houdt hierbij rekening met de inzetbaarheid van de agenten op straat. Zij doen dit bijvoorbeeld door meerdere arrestanten tegelijk te vervoeren door de inzet van arrestantenbussen bemenst met medewerkers van de Teams Arrestantentaken in elke regionale eenheid. Daarbij komt het enkele keren voor dat er niet direct een arrestantenbus kan rijden door gebrek aan capaciteit. Binnen de portefeuille arrestantenzaken wordt doorlopend gereflecteerd op hoe het proces efficiënter kan worden ingericht.
Het overbrengen van arrestanten naar het Politie Cellencomplex (PCC) in Houten is de standaardprocedure van de politie in de eenheid Midden-Nederland en is al sinds langere tijd van kracht. De bureaus in Utrecht, ook het bureau in Utrecht Centrum (Kroonstraat), beschikken niet over cellen, wel over ophoudruimten. In die ruimten kunnen en mogen arrestanten slechts korte tijd opgehouden worden. Overnachten kan en mag alleen in een Politie Cellencomplex, zoals in Houten. Arrestanten worden daarom in principe altijd naar de cellencomplexen vervoerd. District Utrecht beschikt over een eigen ophoudgebied waar arrestanten in de piekmomenten ondergebracht kunnen worden. Daarmee is een zorgvuldige afweging over wanneer het efficiënter is om met arrestanten naar Houten te rijden of wanneer het efficiënter is om politiecapaciteit vrij te maken om de arrestanten in het ophoudgebied te laten verblijven. Zo wordt er geen kostbare politiecapaciteit vastgezet in het ophoudgebied op de momenten dat daar (vrijwel) geen arrestanten zitten. Vanuit Houten worden de arrestanten, indien van toepassing, zoals overeengekomen met de Dienst Vervoer en Ondersteuning en van de Dienst Justitiële Inrichtingen, overgebracht naar een locatie van het gevangeniswezen.
De inzet voor het vervoer van arrestanten naar de PCC’s in de eenheid vindt plaats volgens een op basis van ervaring vastgesteld roosterschema. De bussen doen vanuit efficiëntie meerdere bureaus in de eenheid Midden-Nederland aan. Een registratie van het aantal uren per inzet per politiemedewerker zou een onevenredige administratiedruk op de politie betekenen en is daarom ook niet opgelegd.
Deelt u de zorg dat het vervoeren van arrestanten over langere afstanden politiecapaciteit kost, doordat agenten tijd kwijt zijn aan het heen- en terugbrengen van arrestanten, en dat dit ten koste kan gaan van de inzetbaarheid van politie op straat? Zo ja, welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen of te beperken?
Zie antwoord vraag 16.
Hoe vaak is het in de afgelopen drie jaar voorgekomen dat arrestanten vanuit Utrecht naar een andere plaats in de regio moesten worden vervoerd wegens gebrek aan beschikbare cellencapaciteit en hoeveel politiecapaciteit (bijvoorbeeld in uren of inzet van medewerkers) is hiermee gemoeid geweest?
Zie antwoord vraag 16.
Krijgen de 1.700 agenten die een niet-verzonden brief hebben gekregen, een aantekening in hun personeelsdossier of blijft dit op een ander manier zichtbaar en daarmee kleven aan de betreffende dienders?
Zoals met uw Kamer gedeeld, zijn de eerder uitgereikte brieven ingetrokken.3 Indien de brieven in het personeelsdossier waren opgenomen, worden deze verwijderd.
Hoeveel politiemedewerkers beschikken momenteel over gehoorbescherming en hoeveel medewerkers beschikken daar nog niet over?
Alle politiemedewerkers die op straat werken en voor wie dat nodig is, beschikken over gehoorbeschermingen. De politie heeft in 2026 een budget beschikbaar voor de gehoorbescherming van 2,2 miljoen euro.
Welke kosten zijn gemoeid met het verstrekken van gehoorbescherming aan politiemedewerkers en welk budget is hiervoor gereserveerd?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over politie van 25 maart 2026?
Het bericht 'Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Vlaanderen per 1 januari 2026 de regels voor gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen heeft aangescherpt, onder meer door de toegang voor laaggeschoolde arbeid te beperken en de lijst met beroepen voor een versnelde procedure te verkorten? Is dat een route die u ook voor Nederland wenselijk acht?
Lidstaten maken hun eigen afwegingen in het arbeidsmigratiebeleid dat gaat over werknemers van buiten de Europese Unie, afhankelijk van hun arbeidsmarkt, demografie en maatschappelijke context.
In Nederland geldt, op basis van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav), dat voor alle beroepen waarvoor werkgevers een reguliere tewerkstellingsvergunning (twv) of een reguliere gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) willen aanvragen, eerst drie maanden gezocht moeten worden naar arbeidsaanbod op de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt. Dit is onderdeel van de arbeidsmarkttoets die UWV uitvoert. Het nieuwe beleid in Vlaanderen rondom gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen voor niet-EU-werknemers is, ook na aanscherping, soepeler dan in Nederland. Vlaanderen werkt met een beroepenlijst waarvoor een versnelde procedure geldt. Vlaanderen heeft sinds dit jaar het aantal beroepen op de beroepenlijst ingekort. Voor beroepen die niet op de lijst staan, geldt dat werkgevers eerst negen weken moeten zoeken naar arbeidsaanbod op de Belgische en Europese arbeidsmarkt. Het Nederlandse beleid is dus strenger dan het beleid dat Vlaanderen voert. Voor kennismigranten past Nederland wel uitnodigender beleid toe.
Verder is in deze context relevant dat in het Coalitieakkoord is aangekondigd dat Nederland een pilot zal starten van drie jaar voor een programma dat gericht is op het, onder strenge voorwaarden, actief en gericht naar Nederland halen van goed geschoolde krachten die hier toegevoegde waarde in vooraf afgebakende sectoren hebben. Onderdeel van deze voorwaarden zijn een salariseis en huisvestingseis en een maximale termijn van drie jaar.
Beschikt u over signalen dat aanscherping van toelatingsvoorwaarden voor arbeidsmigratie, zoals in Vlaanderen, kan bijdragen aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt?
Het doel van het Nederlandse arbeidsmigratiebeleid in de Wet arbeid vreemdelingen is dat arbeidsmigratie aansluit op de concrete behoefte op de arbeidsmarkt en de hier geldende arbeidsvoorwaarden- en omstandigheden. Door de toepassing van een arbeidsmarkttoets conform de Wav kunnen werkgevers over de benodigde werknemers beschikken terwijl Nederlandse en Europese werknemers niet worden verdrongen. De toelatingsvoorwaarden dragen bij aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Zo toetst het UWV bij de aanvraag van een twv of gvva of de werkgever zich houdt aan de arbeidsvoorwaarden, zoals de betaling van marktconform loon, en of de werkgever de arbeidswetgeving eerder niet heeft overtreden. Als dit niet in orde is, wordt geen werkvergunning afgegeven.
Een kanttekening hierbij is dat op het moment dat de toelatingsvoorwaarden voor werknemers van buiten de Europese Unie strikt zijn, werkgevers op andere manieren proberen mensen van buiten de Europese Unie naar Nederland te halen. Een route hiervoor is via detachering vanuit andere EU lidstaten. Werkgevers hoeven dan geen werkvergunning aan te vragen waardoor UWV geen controle vooraf kan uitvoeren op de arbeidsvoorwaarden. Om die reden zet het kabinet in op de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat werkgevers beter kunnen weten wat wel en niet is toegestaan en ook beter toezicht mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre in Nederland, mede in het licht van de krapte op de arbeidsmarkt, eerst zwaarder moet worden ingezet op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod voordat werkgevers werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken?
Het uitgangspunt van het Nederlandse beleid is reeds dat werkgevers eerst moeten inzetten op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod, voordat zij werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken. Dit gebeurt door middel van de onder vraag 2 genoemde arbeidsmarkttoets. Hierbij toetst het UWV een aanvraag op de volgende drie punten: 1. De aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod (Nederlanders, overige EU-burgers en derdelanders die mogen werken zonder werkvergunning); 2. tijdige melding van de vacature; 3. de wervingsinspanningen om prioriteitgenietend aanbod te vinden.
Bij laaggeschoolde arbeid concludeert UWV in de praktijk dat er in Nederland prioriteit genietend aanbod is, dus wordt geen werkvergunning afgegeven.
Hoe verhoudt de Vlaamse aanpak zich volgens u tot de Nederlandse inzet om grip te krijgen op arbeidsmigratie en misstanden tegen te gaan?
De Vlaamse aanpak lijkt met de aanpassing van de regelgeving iets meer in lijn te komen met de Nederlandse inzet. De Nederlandse inzet is op dit punt nog wel restrictiever.
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van de ervaringen in Vlaanderen, te bezien of de Nederlandse systematiek voor arbeidsmigratie van buiten de Europese Unie verder moet worden aangescherpt, juist waar het gaat om laagbetaald werk, huisvesting, registratie en de maatschappelijke draagkracht in regio’s en gemeenten?
Met de Wav voert Nederland reeds beleid welke mee ademt met de behoefte op de arbeidsmarkt. Alleen als een werkgever voor de aanvraag van een reguliere twv of gvva kan aantonen echt personeel nodig te hebben van buiten de EU, én als dat personeel niet reeds binnen Nederland en de EU beschikbaar is, is dit mogelijk. Voor laagbetaalde arbeid geldt dat er geen twv’s of gvva’s worden verstrekt, vanuit het uitgangspunt dat hiervoor prioriteitgenietend aanbod in Nederland en/of de EU aanwezig is. Het kabinet is zich goed bewust van de risico’s die er zijn op misstanden voor arbeidsmigranten in laagbetaalde arbeid. En ook van de druk op huisvesting, problemen rondom registratie, en het belang van maatschappelijke draagkracht in de regio’s en gemeenten.
Schimmelwoningen |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schimmel, scheuren en schaamte: huurders jarenlang in ongezonde woningen»?1
Ja, ik ben bekend met dit nieuwsbericht.
Zou u de omvang van het aantal meldingen van vocht- en schimmelproblematiek in huurwoningen in kaart willen brengen, in samenwerking met corporaties en gemeenten?
Ik onderschrijf het belang van een landelijk beeld van de omvang van vocht- en schimmelproblematiek in woningen. In dat kader wordt bij het driejaarlijkse WoON-onderzoek uitvraag gedaan naar vocht- en schimmelproblematiek. Huishoudens worden voor dit onderzoek gevraagd naar onderhoudskwaliteit van de woning en naar vocht- en schimmelproblematiek in de woning. Er worden geen vragen gesteld over de mate van de problematiek.
In 2024 gaf 20 procent van de huishoudens aan last te hebben van vocht en schimmel in de woning, vergeleken met 15 procent in 2021. Voor corporatiehuurders nam de vocht- en schimmelproblematiek volgens WoON2024 toe van 24% in 2021 naar 29% in 2024. In de private huur was er in deze periode een toename van 23% naar 31%.
Tegelijkertijd worden het aantal meldingen bij corporaties en gemeenten niet centraal geregistreerd. Ik heb met de VNG, Aedes en de Woonbond afgesproken dat zij bij hun achterban aandacht blijven vragen voor meldingsbereidheid van huurders, hierbij hoort ook het in kaart brengen van de meldingen op lokaal niveau. De oorzaken en de aard van de meldingen lopen zeer uiteen, landelijke conclusies trekken uit deze cijfers is moeilijk. In de lokale prestatieafspraken kunnen afspraken gemaakt worden over het in kaart brengen van de meldingen, lokale partijen (gemeente, huurdersorganisaties en verhuurders) hebben de problematiek, de oorzaken en een passende lokale aanpak het beste in beeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Beckerman (Kamerstuk 28 847, nr. 1325), waarin de regering wordt verzocht met spoed met een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen en dit uiterlijk in het najaar van 2025 aan de Kamer te presenteren?
Welke concrete stappen zijn sinds de aanneming van deze motie gezet om tot een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen?
Welke organisaties – zoals woningcorporaties, gemeenten, huurdersorganisaties en gezondheidsinstanties – zijn tot nu toe betrokken bij de uitwerking van dit actieplan?
Wanneer verwacht u het actieplan tegen schimmelwoningen daadwerkelijk aan de Kamer te kunnen presenteren?
Zou u inzicht willen geven in de manier waarop het Rijk momenteel regie neemt op de aanpak van schimmelproblematiek in woningen?
Welke concrete doelstellingen en resultaten wilt u met dit actieplan bereiken, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal woningen waarin schimmelproblematiek structureel wordt aangepakt?
Hoe reflecteert u op signalen dat huurders zich in dergelijke situaties soms niet serieus genomen voelen door verhuurders en instanties?
Ik herken het signaal dat huurders zich niet altijd serieus voelen genomen door verhuurders als het gaat om vocht- en schimmelmeldingen. Door middel van de aanpak zoals genoemd in de beantwoording van vraag 3 t/m 8 is de verwachting dat het vertrouwen van huurders zal toenemen. De afspraak met woningcorporaties is dat zij zich proactief zullen opstellen bij de aanpak vocht- en schimmel, ik roep Aedes, VNG en de Woonbond op om meer aandacht te besteden aan meldingsbereidheid en bij ernstige problematiek kan een onafhankelijk vocht- en schimmelexpert worden ingezet.
Hoe verhoudt de aanpak van schimmelproblematiek zich tot het Nationaal Isolatieprogramma, en op welke wijze wordt geborgd dat isolatiemaatregelen altijd gepaard gaan met adequate ventilatievoorzieningen?
Verduurzaming leidt vaak tot een beter te verwarmen woning en meer wooncomfort. Tegelijk moet ervoor worden gewaakt dat er geen vocht- en schimmelproblemen ontstaan, zoals wanneer er in een verduurzamingsplan onvoldoende aandacht is voor ventilatievoorzieningen of wanneer er nieuwe koudebruggen ontstaan. Daarom besteedt VRO in campagnes speciale aandacht aan ventileren in combinatie met isoleren en wordt in voorlichting bijvoorbeeld via verbeterjehuis.nl aandacht besteed aan een juiste manier van isoleren waarbij bouwfysische problemen worden voorkomen.
Hoe gaat u borgen dat de aanpak van schimmelwoningen daadwerkelijk prioriteit krijgt bij woningcorporaties en gemeenten?
Hoe wordt er op toegezien of corporaties en gemeenten lokaal afspraken maken over de aanpak van vocht- en schimmelproblematiek, zoals afgesproken in de Nationale Prestatieafspraken?
Hoe wordt geborgd dat dergelijke afspraken daadwerkelijk zorgen voor voldoende voortgang op het gebied van schimmelaanpak?
Hoe gaat u bevorderen dat woningcorporaties beschikken over voldoende expertise om schimmelproblematiek snel en effectief aan te pakken, bijvoorbeeld door inzet van specialistische kennis of onafhankelijke experts?
De inzet van vocht- en schimmelexperts vloeit voort uit de Nationale Prestatieafspraken tussen het Rijk, Aedes en de VNG. Voor de periode 2027 tot en met 2029 stelt het Rijk hiervoor jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar. Deze experts worden ingezet wanneer huurder en verhuurder (woningcorporatie) er samen niet uitkomen, nadat de corporatie al onderzoek heeft gedaan. De expert brengt vervolgens een onafhankelijk rapport uit met conclusies en aanbevelingen. Deze aanpak is gebaseerd op de succesvolle werkwijze van de gemeente Den Haag.
Het uitgangspunt blijft dat verhuurders verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van hun woningen, inclusief het oplossen van vocht- en schimmelproblemen. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om de inzet van onafhankelijke experts te stimuleren en de urgentie van deze problematiek te benadrukken. Daarom kies ik voor een gerichte en uitvoerbare aanpak die aansluit bij bestaande lokale initiatieven en verantwoordelijkheden.
In deze aanpak dragen verhuurders 75% van de kosten voor een vocht- en schimmelonderzoek, terwijl het Rijk via een subsidie aan gemeenten de overige 25% voor zijn rekening neemt. De uitvoering vindt plaats op het niveau van woningmarktregio’s, waarbij centrumgemeenten een coördinerende rol hebben. Dit sluit aan bij bestaande samenwerkingsstructuren en maakt regionaal maatwerk mogelijk.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat huurders goed geïnformeerd worden over hun rechten en mogelijkheden om schimmelproblematiek aan te kaarten, bijvoorbeeld via de Huurcommissie?
Wanneer bewoners van mening zijn dat de verhuurder te lang wacht met het aanpakken van vocht- en schimmelproblemen, beschikken zij over verschillende mogelijkheden om onderhoud af te dwingen. Huurders kunnen terecht bij de Huurcommissie, die in zulke gevallen een tijdelijke huurverlaging kan opleggen zolang gebreken niet zijn verholpen. Daarnaast kunnen alle huurders een procedure starten bij de kantonrechter om herstel af te dwingen. Bij ernstige klachten over de bouwtechnische staat van de woning kunnen huurders zich bovendien wenden tot het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht. Ik ga met de Woonbond en de Huurcommissie in gesprek of er meer duidelijkheid moet komen over de mogelijkheden die huurders hebben om vocht- en schimmelproblematiek aan te kaarten.
Hoe gaat u bevorderen dat huurders snel geholpen worden wanneer zij schimmelproblematiek melden bij hun verhuurder?
Zie hiervoor de beantwoording op vraag 3 t/m 8. Door middel van de afspraken uit de NPA verwacht ik een grote verbetering te zien bij woningcorporaties wat betreft en proactief oppakken van vocht- en schimmelproblematiek.
De uitspraak van geschillencommissie GIP in geschil 2024-0536 |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfonden (GIP) in geschil 2024-0536?1
Ja. De zaak ging in kort om het volgende. Hierbij is de samenvatting in de uitspraak geschillencommissie GIP aangehouden.
Wat vindt het kabinet ervan dat de ouderdomspensioenuitkering van de indiener in deze zaak door het ABP is verlaagd, omdat verzoeker is gaan samenwonen?
Het kabinet spreekt zich niet uit over de juistheid of de onderbouwing van individuele uitspraken van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen. De Geschilleninstantie Pensioenfondsen functioneert onafhankelijk en volgt haar eigen procedurele en inhoudelijke afwegingen. Tegen de uitspraak van 10 februari 2026 is bovendien door ABP beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep. Het is aan deze onafhankelijke beroepsinstantie om de uitspraak verder te beoordelen. Gelet hierop en in het belang van een zorgvuldige behandeling van dit lopende beroep past het kabinet terughoudendheid in de beantwoording van uw vragen.
Welke juridische grondslag is er voor pensioenfondsen om pensioenuitkeringen te verlagen, enkel en alleen omdat de pensioengerechtigde gaat samenwonen?
Zie antwoord op vraag 2.
In dit geschil ging het om een verlaging per 1 januari 2024 van het vóór 1 januari 1995 opgebouwde ouderdomspensioen omdat de verzoeker (in verband met samenwonen) vanaf 1 september 2022 het AOW-bedrag voor een gehuwde ontvangt.
ABP heeft zich op het standpunt gesteld dat het pensioenreglement leidend is. Het bevat(te) toen en nu de regel dat ABP het pensioen vermindert als een gepensioneerde is gaan samenwonen en dus een AOW voor samenwonenden geniet. De pensioenregeling bij ABP viel tot 1 januari 1996 onder de Algemene burgerlijke pensioenwet (Wet ABP). Op grond daarvan en van toepasselijke reglementen geldt bij een pensioenopbouw tot 1995 een onderscheid werd gemaakt tussen franchisebedragen, afhankelijk van de burgerlijke staat. In de uitkeringsfase werkt dit onderscheid door: het pensioen wordt vastgesteld met een correctiefactor en een gewijzigde franchise die aansluit bij de feitelijke AOW-situatie op het moment van uitbetaling. Per 1 januari 1995 zijn de aanspraken omgerekend naar het ABP-reglement. Deelnemers hebben een eindbeslissing gehad over de omrekening en konden kenbaar maken of ze het eens waren met de eindbeslissing. Destijds werd aangenomen dat iedereen de wet kende. ABP heeft ook gewezen op de toegezonden UPO’s die het verschil duidelijk maakte tussen gehuwd en alleenstaand.
In de uitspraak heeft de geschillencommissie GIP vooropgesteld dat voor het bepalen van de rechten van de deelnemer maatgevend is de tekst van het pensioenreglement dat geldt op het moment van de verlaging (in dit geval september 2022). De geschillencommissie heeft daarbij onder andere overgangsbepaling K1 van het pensioenreglement 2022 overwogen. Daarin is een bepaling opgenomen over omrekening van het tot 1 januari 1996 opgebouwde pensioen. De geschillencommissie heeft geconcludeerd dat de door ABP aangedragen grondslagen de toegepaste verlaging van ouderdomspensioen niet kunnen dragen.
Het ABP heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.
Deelt het kabinet de conclusie alsmede de onderbouwing van de conclusie van de uitspraak van de geschillencommissie? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt het kabinet de waarneming, dat er hoogstwaarschijnlijk meer personen zijn getroffen door de interpretatie van de regels door het ABP? Zijn er indicaties die erop wijzen dat pensioenverlagingen op deze grondslag vaker zijn voorgekomen?
In dit geschil is een voor 1 januari 1996 opgebouwd ouderdomspensioen verlaagd omdat de gepensioneerde na ingang van het ouderdomspensioen is gaan samenwonen. Het kabinet deelt de waarneming dat er hoogstwaarschijnlijk vergelijkbare gevallen zijn. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 heeft ABP beroep ingesteld tegen de uitspraak van de geschillencommissie GIP.
Is het aannemelijk dat ook andere pensioenfondsen pensioenverlagingen hebben doorgevoerd op basis van dezelfde (afgewezen) grondslag en interpretatie van regels?
De uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen heeft uitsluitend betrekking op de pensioenregeling van Stichting Pensioenfonds ABP en op de toepassing daarvan in het voorliggende individuele geval. Pensioenfondsen beschikken ieder over een eigen pensioenregeling, met eigen bepalingen en systematiek. In hoeverre het aannemelijk is dat andere pensioenfondsen vergelijkbare bepalingen hanteren of op basis van eenzelfde interpretatie besluiten hebben genomen, is op dit moment niet in te schatten.
Is het mogelijk om te achterhalen hoeveel pensioendeelnemers precies zijn getroffen door pensioenverlagingen in dit verband?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 5 zijn er hoogstwaarschijnlijk wel vergelijkbare gevallen. Het kabinet beschikt echter niet over cijfers. Een verlaging van opgebouwd ouderdomspensioen in vergelijkbare gevallen hoeft niet te betekenen dat deze verlaging ten onrechte heeft plaatsgevonden. De uitspraak van de geschillencommissie GIP betrof een uitspraak in een individueel geval. ABP heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de geschillencommissie voor de deelnemers die met een vergelijkbare pensioenverlaging te maken hebben gehad?
Zie antwoord op vraag 7.
Wordt de uitspraak gecommuniceerd aan de deelnemers in kwestie en worden de verlagingen in dit verband dan automatisch en met terugwerkende kracht teruggedraaid of moeten zij zelf in actie komen? Kunt u een toelichting geven?
Zie antwoord op vraag 7.
Het bericht ‘Bewoners Westerdraai in Appingedam blokkeren straat voor bouwverkeer’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bewoners Westerdraai in Appingedam blokkeren straat voor bouwverkeer» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ken het bericht. Ik begrijp de frustratie van bewoners heel goed. De situatie laat goed zien dat de versterking een complex, langdurig en ingrijpend proces is voor bewoners en omwonenden. Ook zie ik dat de verschillen in deze buurt leiden tot sociale onrust. Het is belangrijk om deze bewoners duidelijkheid te geven over de vervolgstappen.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in één wijk, Westerdraai in Appingedam, 98 woningen worden gesloopt voor sloop/nieuwbouw, terwijl 52 woningen (nog) niet worden gesloopt?
Erkent u dat dit beleid leidt tot verschillen tussen bewoners binnen dezelfde wijk en daarmee bijdraagt aan de groeiende ongelijkheid onder gedupeerden?
Wanneer kunnen de 52 huishoudens die (nog) niet in aanmerking komen voor sloop/nieuwbouw duidelijkheid verwachten?
Hoe kijkt u aan tegen de onzekerheid die dit beleid oplevert voor bewoners van wie de woning (nog) niet wordt gesloopt?
Is het tegengaan van de steeds groeiende ongelijkheid ook prioriteit voor u?
Ja, het zoveel mogelijk verkleinen van verschillen heeft voor mij hoge prioriteit. Daarom zet ik de aanpak voort die door mijn ambtsvoorgangers is ingezet.
Zet u de ambitie van uw ambtsvoorganger voort om verschillen zoveel mogelijk te verkleinen?2
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt de gecreëerde ongelijkheid in de wijk Westerdraai in Appingedam zich tot maatregel 12, «Meer maatwerk om verschillen tegen te gaan», uit Nij Begun?3
Voor de aanpak van verschillen richt het kabinet zich op het creëren van een gelijkwaardige uitkomst voor alle bewoners in het gebied. Dit zoals ook geadviseerd door de commissie van Geel. Dat betekent voor deze bewoners dat ze een volledige vergoeding krijgen voor het isoleren en ventileren van de woning tot aan de isolatiestandaard.
Tegelijkertijd constateert de commissie dat in buurten waar veel sloop-nieuwbouw plaatsvindt het kan zijn dat deze gelijkwaardige uitkomst onvoldoende tegemoet komt aan de verschillen in die buurt. Om vast te stellen of dit aan de orde is hebben de gemeenten en NCG de eerder genoemde routekaart ontwikkeld. Met het doorlopen van deze routekaart wordt, zoals aangegeven in maatregel 12 van Nij Begun, daar waar nodig maatwerk geboden om verschillen te verkleinen.
Bent u bereid extra budget beschikbaar te stellen zodat de hele wijk sloop/nieuwbouw krijgt conform maatregel 12 van Nij Begun, «Het kabinet stelt extra budget beschikbaar zodat de NCG bijvoorbeeld sloop/nieuwbouw kan aanbieden op plekken waar verschillen tussen bewoners tot onbegrip en sociale spanningen hebben geleid»? Zo nee, waarom niet?
Voor het verkleinen van de onaanvaardbare verschillen in de versterking heeft het kabinet € 240 miljoen vrijgemaakt. Dit is bovenop de middelen voor het dempen van verschillen die als onderdeel van het bestuurlijke afspraken 2020 aan gemeenten beschikbaar is gesteld met hetzelfde doel, namelijk het verkleinen van verschillen in de regio. Met deze middelen kunnen we betekenisvolle stappen zetten in het verkleinen van verschillen. Indien er tekorten hierbij ontstaan dan gaat het Kabinet op zoek naar oplossingen.
Kunt u toelichten in hoeverre de regeringscommissaris ruimte heeft om zelfstandig keuzes te maken, en in welke mate is hij daarbij gebonden aan de coalitieafspraken die in Den Haag zijn gemaakt?
Op 13 maart is uw Kamer geïnformeerd over de profielschets voor de regeringscommissaris4. Daarin staat dat een duidelijke opdracht en mandaatverlening aan de regeringscommissaris essentieel is. Na aanstelling van de regeringscommissaris zal de opdracht worden opgesteld, zodat duidelijk is wat er van de regeringscommissaris wordt verwacht en binnen welke kaders hij of zij handelt. Daarom is het op dit moment te vroeg om al een uitspraak te doen over het mandaat van de regeringscommissaris. Wel kan ik zeggen dat de regeringscommissaris handelt onder mijn volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Dat betekent dat de regeringscommissaris zich net als ik aan het regeerakkoord moet houden. Wel kan de regeringscommissaris gevraagd of ongevraagd advies uitbrengen. Dit advies kan mij aanleiding geven om binnen het Kabinet het gesprek aan te gaan, over wat er nodig is om dit advies uit te voeren.
Heeft de regeringscommissaris bijvoorbeeld het mandaat om te besluiten om de hele wijk Westerdraai sloop/nieuwbouw aan te bieden?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het plenaire debat over de wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen?
Ja.
Het bericht ‘Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: «Mensen smeken erom dood te mogen gaan»»?1
Ja.
Hoeveel zorgbehoevende ouderen wonen er op dit moment nog in De Steeg?
Voor zover bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bekend, verblijven er op dit moment nog zes ouderen in De Steeg.
Vindt u het verantwoord dat zorgbehoevende ouderen daar op dit moment nog verblijven? Hoe garandeert u de veiligheid van en goede zorg aan deze bewoners?
Derman woonzorg is verantwoordelijk om de wet- en regelgeving na te leven en bewoners goed te verzorgen. Momenteel doen twee toezichthouders onderzoek, ik wacht de conclusies van de IGJ af voordat ik verdere maatregelen neem. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en de Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede en veilige zorg.
Hoe kan het dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nooit is ingegrepen? Is hier sprake van incidenteel falen of van systeemfalen? Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de rol van alle betrokken instanties en de uitkomsten met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer leveren de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hun onderzoek op?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Het rapport van het laatste toezichtbezoek zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd.
Onderzoeken de Arbeidsinspectie en de IGJ ook alle andere activiteiten van Derman Zorg? Zo nee, bent u bereid hen een aanwijzing te geven tot diepgaand onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht van de IGJ en de Arbeidsinspectie beslaat tezamen alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg van deze zorgaanbieder. Ik zie daarom geen aanleiding om een aanwijzing te geven.
Bent u bereid in te zetten op verscherpt toezicht op zorginstellingen en zorgorganisaties met een verhoogd risico op een zwijgcultuur? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De beslissing om in deze casus al dan niet verscherpt toezicht in te zetten is aan de IGJ als onafhankelijke toezichthouder. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Een verscherpt toezicht behoort daarbij tot de mogelijkheden. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid
Bent u bereid aan te sturen op het direct sluiten van die verpleeghuis en het elders onderbrengen van de zorgbehoevende ouderen? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is als onafhankelijk toezichthouder verantwoordelijk voor toezicht op de veiligheid en kwaliteit van zorg. Zij doen onderzoek naar Derman woonzorg en zetten op basis daarvan passende toezichtsmaatregelen in. Het rapport van het laatste toezichtbezoek door de IGJ zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd. Ik wacht de conclusies van de IGJ af.
Het artikel 'Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan'' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van bovengenoemd artikel?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de constatering dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nog nooit is ingegrepen bij de misstanden in genoemd huis?
De berichtgeving is verschrikkelijk om te lezen. De situatie die wordt beschreven is heftig en onacceptabel. Ik herken niet het beeld dat er nooit is ingegrepen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft in 2021 en 2022 meerdere keren reguliere toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg. Na maatregelen heeft de inspectie het bezoek afgesloten. De toezichtsrapporten hiervan zijn openbaar. Ook is Derman Thuiszorg is bezocht in september 2023 met een hertoets in maart 2024; dit toezichtstraject werd afgesloten nadat verbetermaatregelen werden doorgevoerd.
Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste bezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede zorg en veilige zorg.
Volgens het artikel voeren de Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd momenteel uitvoerig onderzoek uit. Gezien de ernst van de signalen, kan er op korte termijn resultaat worden verwacht?
Het rapport van het lopende toezicht door de IGJ zal naar verwachting in april openbaar worden. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid.
De Arbeidsinspectie heeft aangegeven niet vooruit te kunnen lopen op de datum van afronding van haar onderzoek.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige ouderenmishandeling?
Zie antwoord bij vraag 3.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige zorgfraude?
Dat is niet aan mij om hier een oordeel over te vellen. Gemeenten en zorgkantoren zijn gemachtigd om zelfstandig hun eigen onderzoeken naar (zorg)fraude te doen. Over eventuele (lopende) strafrechtelijke onderzoeken van de recherche zorgfraude door de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie kan ik geen uitspraken doen.
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er zijn dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze totaal onbevoegd personeel kan inzetten in verzorging en verpleging voor deze kwetsbare ouderen, met alle nare gevolgen van dien, en dat hier ondanks de signalen die er volgens het artikel al geweest zijn, niet op is ingegrepen?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. Vervolgens is in februari dit jaar nog een toezichtbezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze, kwetsbare ouderen kan laten verkeren in gevaarlijk onhygiënische omstandigheden, en dat dit ondanks signalen zo lang voortduurt?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er sprake is van grensoverschrijdend gedrag?
Ik vind het afschuwelijk voor bewoners en werknemers als sprake is van grensoverschrijdend gedrag. Op basis van enkel de inhoud van het artikel kan ik niet beoordelen in hoeverre dit daadwerkelijk het geval is. Dit is onderwerp van onderzoek door de verschillende organisaties, daar waar dat binnen hun toezichtmandaat valt.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er hier hoge sommen zorggeld worden ontvangen voor zorg die niet geleverd wordt?
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er is fraude geconstateerd. Ook zijn er dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe oordeelt u over het misbruik van de persoonsgegevens van de al dan niet bevoegde medewerkers?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe is het mogelijk dat met alle signalen dit huis überhaupt nog geopend is?
Zie antwoord bij vraag 2 en 6.
Worden alle andere verzorgingshuizen van dezelfde ondernemer ook onderzocht, en is het mogelijk deze ondernemer de mogelijkheden van werk verrichten in de zorg af te nemen?
Het toezicht van de IGJ beslaat alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg in De Steeg. Zie verder antwoord bij vraag 3.
Kunt u deze vragen gezien de ernst van de situatie binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is meteen ter hand genomen. Gezien de afstemming met de IGJ en de Arbeidsinspectie is de termijn van een week overschreden.
Het bericht dat de Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt: 80 banen weg in Ter Apel» van RTV Noord?1
Wat is uw reactie op het feit dat deze 80 mensen ineens ontslagen worden? Begrijpt u dat het voor hen voelt als een klap in het gezicht?
Waarom is er dan niet voor gekozen om de 80 banen van de DISA in Ter Apel te laten doorvloeien naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Klopt het dat de foutmarge bij de screening onder de DISA is teruggebracht naar onder de 5 procent? Klopt het dan dat deze werknemers geschikt zijn voor dit werk en sneller aan de slag kunnen dan nieuw op te leiden werknemers?
Wat is de impact op Oost-Groningen dat er 80 banen verdwijnen? Wat is het signaal dat hiermee wordt afgegeven aan Ter Apel?
Wat zijn de kosten van het zo snel optuigen en weer afschaffen van deze dienst?
Begrijpt u dat medewerkers spreken over weggegooid geld, omdat er 40 miljoen in een dienst is gestoken die na een jaar weer verdwijnt?
Kunt u specifiek reageren op de uitspraak van een van hen, die aangeeft: «Je tuigt met belastinggeld iets op en dan gooi je het in de prullenmand. Inclusief personeel»?
Hoeveel kosten had het gescheeld als de werknemers bij de dienst wel waren overgenomen door de IND?
Het bericht dat 3,3 miljard euro aan IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid is stopgezet |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Rechter dwarsboomt IT-aanbesteding rijksoverheid van € 3 mrd» (Financieel Dagblad, 9 maart 2026)?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met de uitspraak van de rechter in Den Haag, die stelt dat twee IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid ter waarde van 3,3 miljard euro gestaakt moeten worden?2
Ja.
Wat is uw reactie op de berichtgeving en de rechterlijke uitspraak?
De Staat werkt momenteel aan verduidelijking en, waar nodig, aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden, in lijn met het vonnis.
Mede omdat de zaak onder de rechter is, wordt niet in algemene zin ingegaan op de berichtgeving. Dat is anders ten aanzien van concrete vragen die de Kamer stelt.
Kunt u toelichten welke aanpassingen u gaat doorvoeren of al heeft doorgevoerd in de aanbestedingsvoorwaarden om aan de rechterlijke uitspraak te voldoen?
Nee, op dit moment nog niet. Het onderzoek naar de mogelijkheden om de aanbestedingsvoorwaarden te verduidelijken danwel aan te passen loopt nog.
Zouden de IT-aanbestedingen, indien ze doorgang vinden, de digitale autonomie van Nederland vergroten of verkleinen? Kunt u dit onderbouwen?
Op dit moment kan niet concreet worden gezegd of de aanbestedingen de digitale autonomie van Nederland vergroten danwel verkleinen. Echter, op de Europese Aanbesteding Programmatuur 2025 (EAP-2025) aanbestedingen waren en blijven de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT) van toepassing. De ARBIT bevat ook voorwaarden die bijdragen aan digitale autonomie en soevereiniteit, zoals voorwaarden met betrekking tot exit, opzegging, ontbinding en informatieveiligheid.
Met de aanbestedingen wordt beoogd raamovereenkomsten te sluiten met daartoe geschikt bevonden resellers. Dat zijn resellers die zich aan de aanbestedingsvoorwaarden conformeren. De deelnemers doen binnen de raamovereenkomsten met de resellers nadere uitvragen voor de levering van specifieke producten. De impact op de digitale autonomie is vooral afhankelijk van de inhoud van deze nadere uitvragen.
Hoe houdt u de komende vier jaar de mogelijkheid om de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven via aanbestedingen te verkleinen conform de wens van de Tweede Kamer,3 nu u middels een raamovereenkomst de voorwaarden voor nieuwe inkoop jarenlang vastlegt?
Bij aanpassing van de aanbestedingsstrategie en -voorwaarden wordt, waar van toepassing en mogelijk, (nieuw) rijksbreed beleid geborgd, waaronder rijksbreed beleid inzake digitale autonomie en soevereiniteit.
Deelnemers moeten binnen hun inkoopvraagstukken borgen dat zij gericht besluiten nemen inzake de reductie van het risico op afhankelijkheid. Dat betekent dat zij bestaande producten vervangen door alternatieven die minder / geen risico op afhankelijkheid kennen. Voor nieuwe producten dienen zij voor hun nadere uitvragen binnen de raamovereenkomsten aanvullende eisen en voorwaarden op te nemen, passend bij de specifieke opdracht, om te borgen dat het risico op afhankelijkheid beheersbaar blijft.
Ziet u met de rechterlijke uitspraak en de noodzaak om de aanbestedingsvoorwaarden aan te passen ook de mogelijkheid om digitale autonomie zwaarder mee te wegen als criterium?
Deze vraag kan op dit moment nog niet worden beantwoord. De categorie Software Rijk onderzoekt nog of en zo ja, in welke mate de aanbestedingsvoorwaarden ten aanzien van digitale soevereiniteit en autonomie verder moeten worden aangepast.
Welke gevolgen heeft de rechterlijke uitspraak voor de twee IT-aanbestedingen ter waarde van 3,3 miljard euro? Kunt u een overzicht geven van lopende contracten waar deze uitspraak mogelijk ook gevolgen voor heeft?
Voor het antwoord op de eerste vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3. De aanbestedingen zijn gestaakt. De Staat onderzoekt de noodzaak en mogelijkheden voor aanpassing of herziening van de aanbestedingsvoorwaarden en neemt op basis van de bevindingen een besluit inzake de vervolgaanpak. Ter overbrugging zijn de bestaande raamovereenkomsten verlengd, om te voorkomen dat de inkoop van standaardprogrammatuur tussentijds stilvalt.
De uitspraak van de rechter heeft gevolgen voor alle opdrachten (nadere overeenkomsten) die worden afgesloten onder de verlengde raamovereenkomsten van het Ministerie van Defensie en van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De ministeries zijn hierover geïnformeerd.
Wat is het doel en de noodzaak van de twee IT-aanbestedingen? Welke diensten zouden precies ingekocht worden bij Microsoft en Oracle, en in welke ministeries en overheidsorganisaties zouden deze gebruikt worden?
Zoals toegelicht bij vraag 6 is het doel van de aanbestedingen om voor de inkoop van standaardprogrammatuur (zowel nieuwe, als uitbreidingen op bestaande software) een duidelijk en rechtmatig afsprakenkader te creëren. Deze aanbestedingen hebben niet specifiek betrekking op software van Microsoft of Oracle.
De noodzaak van de aanbestedingen is drieledig, namelijk:
Diensten die worden ingekocht zijn: de levering van standaardsoftware, onderhoud en support, helpdeskondersteuning, adviesdiensten, installatie en configuratie van standaardsoftware en trainingen en opleidingen.
De aanbestedingen worden uitgevoerd ten behoeve van het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De lijst met deelnemende organisaties staat onderaan de beantwoording van deze lijst met vragen en antwoorden.
Waarom vraagt u in de aanbesteding voor deze grote IT-projecten om «levering van standaardprogrammatuur van vendor Microsoft» in plaats van dat u de technische eisen uitvraagt van de software die u wil inkopen?4
Binnen de lopende raamovereenkomsten moet het voor deelnemers mogelijk zijn om, indien nodig, het aantal licenties voor het gebruik, onderhoud en/of beheer van deze programmatuur uit te kunnen breiden. Een uitvraag op basis van technische eisen kan leiden tot aanbod van een ander typen licenties, hetgeen praktisch niet wenselijk is en tot kostenverhoging kan leiden.
Wat bedoelt u met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft? Op welke toepassingen gaat dit, en waarom neemt u deze af via de tussenhandelaar?5
Met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft wordt de closed source- en open source, software bedoeld die softwareleveranciers gebruiken voor het leveren van hun software(diensten). Dat is ook van toepassing voor software(diensten) van Microsoft (Perceel6. Binnen deze aanbesteding is het leveren van open-source software(diensten) voorbehouden aan een ander Perceel, Perceel 2. Om te voorkomen dat dit voorbehoud ervoor zorgt dat de software van de softwareleverancier in Perceel 1 niet meer werkt, danwel wordt uitgesloten, omdat deze open source software bevat, is de uitzonderingsgrond toegevoegd dat ook software(diensten) met gerelateerde open source toepassingen in Perceel 1 kunnen worden aangeboden.
De Staat neemt deze oplossingen af via resellers omdat de Staat de software op deze wijze op basis van eenduidige voorwaarden (ARBIT) in kan kopen.
Hoe verhoudt het niet opnemen van technische eisen voor de af te nemen software zich tot artikel 2.75–2.77 van de Aanbestedingswet 2012, nu ook de term «of gelijkwaardig» (2.76, lid 4, subartikel b) ontbreekt?6
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (> 4.000) kunnen leveren. De concrete, technische eisen worden niet in de raamovereenkomst vastgelegd, maar pas bij elke afzonderlijke nadere offerteaanvraag van een deelnemer. Die offerteaanvraag kan:
Waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat, geldt die ook voor de betreffende nadere offerteaanvraag voor standaardprogrammatuur en bijbehorende dienstverlening. Dat kan bijvoorbeeld in de volgende situaties:
Samengevat: de technische specificaties worden per opdracht geformuleerd binnen het raamwerk, en waar de wet uitzonderingen of een lichter regime toelaat, wordt dat op die specifieke nadere offerteaanvraag toegepast.
Zijn de toepasselijke (verplichte of aanbevolen) standaarden van het Forum Standaardisatie uitgevraagd in deze aanbestedingen? Zo nee, waarom niet, en hoe verzekert u dan dat ook gegadigden naast Microsoft en Oracle aan de aanbesteding kunnen voldoen?
Ja, de standaarden van het Forum Standaardisatie zijn uitgevraagd.
Zijn de IT-aanbestedingen gericht op het inkopen van software of het vinden van softwareverkopers? Gaan deze aanbestedingen niet feitelijk over het aangaan van een licentieovereenkomst, waarbij het softwarebedrijf als rechthebbende eenzijdig de voorwaarden bepaalt?
De EAP-aanbestedingen zijn gericht op het contracteren van meerdere resellers (softwareverkopers) die binnen de raamovereenkomst in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (>4.000 softwareproducten) kunnen leveren.
De deelnemers doen binnen de (rijksinkoopvoorwaarden van de) raamovereenkomst bij de gecontracteerde resellers nadere offerteaanvragen die leiden tot het aangaan van licentieovereenkomsten. De licentieovereenkomsten worden echter gesloten onder de voorwaarden van de Rijksoverheid en niet eenzijdig onder voorwaarden van de softwareleverancier.
Zijn Microsoft en Oracle de énige techbedrijven die kunnen voldoen aan de technische en operationele eisen die u stelt in de aanbesteding? Zo ja, bent u het dan met de indieners eens dat de aanbesteding toeschrijft naar Microsoft en Oracle?
Nee, niet alleen Microsoft of Oracle kunnen aan de aanbestedingseisen voldoen.
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe een zeer breed scala aan standaardprogrammatuur (meer dan 4.000 producten) kunnen leveren. De EAP2025-aanbestedingen schrijven daarom niet toe naar Microsoft of Oracle.
Wat bedoelt de Staat met de stelling dat «80 tot 85% van de offerteaanvragen een productgerichte offerteaanvraag [betreft]»? Kan er sprake zijn van een open aanbesteding als het merendeel van offertes om één specifiek product vraagt?
Met «80–85%» wordt gedoeld op het aandeel nadere offerteaanvragen dat productgericht is en middels minicompetities binnen de raamovereenkomsten wordt uitgevraagd. Het doen van productgerichte uitvragen binnen een raamovereenkomst is wettelijk toegestaan in die gevallen waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat. Zie ook de beantwoording op vraag 12.
De aanbesteding is open want deze heeft tot doel meerdere opdrachtnemers te contracteren die in staat zijn om de gevraagde standaard programmatuur te kunnen leveren.
Hoeveel van deze 80 tot 85% van deze productgerichte offerteaanvragen worden uiteindelijk bij Microsoft en Oracle afgenomen? Kunt u dit inzichtelijk maken?
Nee, die informatie kan niet inzichtelijk worden gemaakt, omdat deze informatie niet centraal wordt geregistreerd.
Zorgen deze productgerichte offerteaanvragen ervoor dat het op voorhand vrijwel zeker is dat software van Microsoft en Oracle zal worden gekozen? Zo nee, waarom is er dan gekozen voor productgerichte offerteaanvragen? Zo ja, is het dan terecht om te stellen dat er sprake is van een vendor lock-in?
Nee, een productgerichte offerteaanvraag zorgt ervoor dat door één van de gecontracteerde resellers een specifiek product (standaardprogrammatuur) wordt uitgevraagd en geleverd. Dit kan Microsoft of Oracle betreffen, maar ook andere standaardprogrammatuur.
Voor een productgerichte uitvraag wordt gekozen, omdat er bijvoorbeeld sprake is van uitbreiding van de licenties van een oplossing die reeds in gebruik is. Zie ook de beantwoording van vraag 12.
Een productgerichte uitvraag betekent op zichzelf niet dat sprake is van een vendor lock-in.
Deelt u de analyse van de indiener dat deze mate van productgerichte offerteaanvragen een vendor lock-in van enkele grote techbedrijven in de hand speelt? Zo nee, kunt u onderbouwen dat dit niet het geval is?
Nee, de analyse wordt niet gedeeld.
In de vraag worden oorzaak en gevolg omgedraaid. Immers, het uitgangspunt is dat een deelnemer standaardprogrammatuur functioneel uitvraagt, tenzij op grond van de Aanbestedingswet 2012 voor de concrete opdracht een lichter regime of een uitzondering geldt. In dat geval kan de deelnemer een productgerichte uitvraag doen bij de gecontracteerde reseller.
Een vendor lock-in kan ontstaan ná ingebruikneming van de oplossing met de beste prijs-kwaliteitverhouding. In die situatie kan die afhankelijkheid een grond zijn om bij uitbreidingen of vernieuwing productgericht uit te (moeten) vragen.
Is software van Microsoft en Oracle de enige manier om uw dienstverlening te kunnen handhaven? Zo nee, waarom is dan gekozen voor de productgerichte offerteaanvragen?
Nee, software van Microsoft en Oracle is niet de enige manier om dienstverlening te kunnen handhaven. De vraag of een deelnemer zonder software van bijvoorbeeld Microsoft, Oracle of een andere fabrikant kan, wordt op deelnemer niveau vastgesteld.
Centraal inzicht in overwegingen die ten aanzien van besluitvorming over offerteaanvragen van individuele deelnemers ten grondslag ligt, ontbreekt; die gegevens zijn niet centraal bijgehouden en geregistreerd.
Is dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren, eerder toegepast bij IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid, zoals gesteld wordt in de berichtgeving? Zijn er lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is?
Ja, dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren is eerder toegepast bij uitgevoerde aanbestedingen voor raamovereenkomsten van de Rijksoverheid inzake de levering van standaardprogrammatuur.
Ja, er zijn lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is.
Hoe verhouden deze productgerichte offerteaanvragen bij Microsoft en Oracle zich tot de Aanbestedingswet 2012, artikel 1.10a, in het bijzonder lid 2, namelijk het verbod om opdrachten te ontwerpen «met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen»?7
In dit kader kan worden verwezen naar het antwoord op vraag 18. Overigens zien productgerichte uitvragen niet alleen toe op Microsoft en Oracle. De gronden om productgericht uit te vragen, gelden in gelijke mate voor de softwareproducten (> 4.000) van alle vendors.
Bent u bekend met (in omvang) vergelijkbare aanbestedingen van ICT die op een soortgelijke manier, door het noemen van de merknaam, een of meer Europese leveranciers bevoordelen? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom is dit bij Amerikaanse bedrijven dan wel het geval?
Nee. In dit kader kan verder worden verwezen naar de beantwoording op vraag 10.
De aanbestedingen richten zich niet specifiek op de levering van producten van Amerikaansen vendors, maar op producten (> 4.000) die de deelnemers via de gecontracteerde resellers afnemen.
Kunt u alle relevante stukken die betrokken zijn bij de (voorbereiding van) deze twee IT-aanbestedingen aan de Kamer doen toekomen, inclusief risico-analyses en voorbereidende notities?
Ja, in de bijlagen treft u de relevante aanbestedingsstukken en nota’s van inlichtingen aan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, en toezeggen dat u de IT-aanbestedingen niet doorzet totdat deze juridisch houdbaar zijn en de Kamer volledig is geïnformeerd?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Toegezegd wordt dat de aanbestedingen worden voortgezet nadat op basis van de resultaten van de in- en externe consultaties een besluit is genomen over de (mate van) aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden en de vervolgaanpak. De Kamer zal tegelijkertijd met de markt worden geïnformeerd op de wijze waarop de aanbesteding zal worden hervat.
Het bericht dat Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, '40 miljoen in prullenbak' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, «40 miljoen in prullenbak»»?1
Klopt het dat bij de oprichting van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) al duidelijk was dat deze dienst tijdelijk zou zijn en dat de taken per 12 juni 2026 in verband met het Europese Asiel- en Migratiepact door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zouden worden overgenomen? Zo ja, waarom is desondanks gekozen voor de oprichting van een aparte dienst?
Klopt het dat voor DISA een nieuw computersysteem is ontwikkeld dat circa 40 miljoen euro heeft gekost? Wat gebeurt er met dit systeem na opheffing van DISA en in hoeverre blijft dit systeem bruikbaar voor de IND?
Klopt het dat de 120 medewerkers van DISA niet overgaan naar de IND? Zo ja, waarom is daarvoor gekozen, en hoe voorkomt u dat de binnen DISA opgebouwde kennis en expertise op het gebied van identificatie en screening verloren gaan?
Hoe waarborgt u dat de overdracht van deze taken aan de IND niet leidt tot meer fouten, nieuwe achterstanden of extra druk op de IND, mede gelet op signalen dat DISA de foutmarge juist aanzienlijk zou hebben teruggebracht?
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1, 2
Ja
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over inkomsten, huisvesting en beperkte toegang tot voorzieningen en zorg. Het is ongelofelijk naar dat deze vrouwen soms, als gevolg van de lastige omstandigheden waarin zij zich bevinden, constateren dat het niet gaat lukken om hun kind op te voeden. De aangrijpende situatie van Jagoda staat helaas niet op zichzelf. Ieder jaar is er een beperkt aantal arbeidsmigranten dat zich bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of Fiom meldt voor een begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie. De zorgen om deze groep onbedoeld zwangere arbeidsmigranten zijn binnen de Rijksoverheid bekend, onder andere doordat Fiom deze bij het Ministerie van J&V en het Ministerie van VWS onder de aandacht heeft gebracht.
Het kabinet voelt mee en begrijpt dat de situatie van zwangere arbeidsmigranten veel oproept bij de groep afstandsmoeders én afgestanen uit het verleden. Het kabinet snapt ook dat er overeenkomsten worden gezien tussen de situatie van toen en nu. Uit het rapport «Schade door schande» van commissie De Winter blijkt overduidelijk dat moeders, en soms ook vaders, in de jaren 1956–1984 in veel gevallen geen of nauwelijks zelfbeschikking hadden en kregen. Inmiddels is de keuzevrijheid van zwangeren gelukkig verbeterd ten opzichte van de periode die in het rapport wordt beschreven. Er is toegang tot onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie.3 Ook is er hulp en zorg nadat de keuze is gemaakt, ongeacht de uitkomst. Deze ondersteuning wordt ook geboden aan arbeidsmigranten. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor iedereen maximaal is. Ook voor vrouwen die onder moeilijke omstandigheden hun afwegingen moeten maken, zoals vrouwen die in Nederland als arbeidsmigrant zijn gekomen en werken in risicovolle banen met een laagbetaald loon. Voor deze groep vrouwen is extra aandacht nodig. Het kabinet zet zich hier voor in. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar (Engels, Pools, Roemeens en Hongaars), kunnen tolken worden ingeschakeld in de hulpverlening en ontwikkelde Fiom een routekaart speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht.
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure, een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang zet?
Organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van vrouwen (of stellen) met een voornemen tot het doen van afstand ter adoptie hebben hun samenwerkingsafspraken vastgelegd in het «Protocol afstand ter adoptie».4
Het klopt dat de vrouw, en indien van toepassing en relevant ook de partner, in het kader van de procedure afstand ter adoptie wordt gevraagd om een document te ondertekenen. De ondertekening is vrijwillig en niet verplicht.
Wanneer een vrouw (of stel) afstand ter adoptie overweegt, dan doet de RvdK onderzoek. De vrouw houdt daarbij altijd de regie over de procedure. In het onderzoek van de RvdK wordt de moeder onder andere gevraagd of zij informatie over- en begeleiding bij haar voornemen om afstand te doen heeft (gehad) van bijvoorbeeld Fiom. Ook wordt met de moeder nogmaals bekeken welke (on)mogelijkheden er zijn met betrekking tot haar zwangerschap en geboorte van haar kind. Er worden alternatieven voor afstand ter adoptie besproken zoals opgroeien bij de vader/verwekker of bij een familielid.
Tijdens het onderzoek wordt besproken wat de mogelijkheden zijn, mocht de moeder de in gang gezette afstandsprocedure willen stoppen. Als de moeder bij haar voornemen blijft om afstand te doen, dan biedt de RvdK haar aan een document te lezen en ondertekenen waarin de moeder uit dat zij de afstandsprocedure wil voortzetten en eventueel haar keuze zelf kan toelichten. Dit gebeurt op een belangrijk moment in de procedure, namelijk ongeveer drie maanden na de geboorte en op het moment dat het kind van het tijdelijke pleeggezin naar de aspirant adoptieouders gaat. Het document wordt samen met de raadsonderzoeker of hulpverlener zorgvuldig doorgenomen en eventuele vragen over de procedure kunnen gesteld worden. Hiermee krijgt de moeder (of krijgen de ouders) een stem in het dossier, naast de andere stukken die door de betrokken partijen worden opgesteld. Doordat de moeder zelf ondertekent, is dit een extra waarborg waarmee een belangrijk keuzemoment in de procedure wordt gemarkeerd. In het document staat ook dat moeder totdat de adoptie is uitgesproken terug kan komen op haar keuze voor adoptie en wordt haar bijvoorbeeld gevraagd of ze haar keuze voor afstand ter adoptie heeft gedaan uit vrije wil zonder het ervaren van bedreiging of dwang.
Aangezien een moeder soms niet in de rechtbank aanwezig kan of wil zijn indien de rechter besluit over de adoptie, geeft een dergelijk document de moeder een uitdrukkelijkere stem. De rechter beslist vervolgens op basis van het gehele dossier over de adoptie. Dit maakt ook dat een ondertekend document niet noodzakelijk is in de procedure, maar wel waarde kan toevoegen.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (CBAA) is inmiddels met alle betrokken partners het afstandsprotocol geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat partijen willen afzien van het gebruik van de term «afstandsverklaring». Partijen realiseren zich dat dit onbedoeld een lading heeft gekregen die op geen enkele manier past bij de wijze waarop een ondertekend document op dit moment nog wordt gebruikt. Hiervoor in de plaats wordt op dit moment gewerkt met een «Verzoek tot voortzetten afstandsprocedure» waarin de stem van de moeder een uitdrukkelijkere plek krijgt in het dossier en zij aan de instanties met het zetten van een handtekening het (symbolische) verzoek doet om de procedure voort te zetten. Echter, deze Kamervragen en de reacties op het artikel «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af» maken dat de protocolpartners alternatieven voor het met een handtekening markeren van een belangrijke moment in de procedure zullen onderzoeken.
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind? Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document binnen de huidige adoptieprocedure?
Het document is onderdeel van het protocol afstand ter adoptie waarin de samenwerkingsafspraken van meerdere betrokken partijen zijn vastgelegd. Het document is geen onderdeel van de begeleiding door Fiom, maar van het onderzoek door de RvdK. Het heeft geen juridische betekenis en wordt al geruime tijd niet als zodanig gepresenteerd. Het wordt voorgelegd aan alle vrouwen en/of stellen die drie maanden na de geboorte van hun kind de procedure tot afstand ter adoptie wensen voort te zetten. Vrouwen kunnen, zo staat ook in het document zelf, op ieder moment tijdens de procedure terugkomen op hun besluit tot afstand ter adoptie.
De RvdK registreert het aantal getekende documenten in de afgelopen 5 jaar niet. Wel publiceert Fiom jaarlijks cijfers over binnenlandse afstand en adoptie in de Landelijke Registratie Afstand Ter Adoptie (LATAR). Sinds de jaren negentig is het aantal vrouwen dat in Nederland besluit tot afstand ter adoptie gestabiliseerd tot gemiddeld 20 per jaar. Onderstaande tabel geeft per jaar de data van de afgelopen vijf jaar weer5:
Voornemen afstand ter adoptie
Zelf voor het kind zorgen
(Netwerk) pleegplaatsing
Afstand ter adoptie
Anders / onbekend1
2020
77
46
7
19
5
2021
54
31
5
14
4
2022
69
39
4
21
5
2023
51
19
10
21
1
2024
56
27
11
16
2
Anders/onbekend: o.a. de vrouw heeft het contact met de instelling verbroken, de vrouw heeft ervoor gekozen de zwangerschap af te breken of het kind is na de geboorte overleden.
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt van afstandsverklaringen?
In algemene zin is voor een document, zoals de zogenaamde afstandsverklaring, geen wettelijke basis vereist. Het is wel heel relevant welke betekenis en waarde hieraan in de begeleiding wordt gegeven, zodat de schijn van een juridische betekenis of bindende, onomkeerbare status nooit kan en zal ontstaan.
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
De bij de afstandsprocedure betrokken organisaties bespreken gedurende de hele begeleiding tijdens de zwangerschap en na de geboorte met ouders de mogelijkheden om op een besluit terug te komen tot aan het moment dat de adoptie wordt uitgesproken. Teugkomen op een (voorgenomen) besluit kan namelijk tot aan het moment dat de adoptie door de rechter wordt uitgesproken. Dit is niet eerder dan wanneer het kind één jaar in het aspirant-adoptiegezin gewoond heeft, het kind is dan minimaal 1 jaar en 3 maanden. Deze mogelijkheid om op het besluit terug te komen, staat ook expliciet in het te ondertekenen document genoemd.
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Zowel de RvdK als de instantie die de ouder(s) begeleidt bespreekt met de ouder(s) de procedure en de keuze die zij willen maken zorgvuldig door. Wanneer de RvdK tijdens het onderzoek spreekt met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, wordt gebruik gemaakt van een erkende (eventueel telefonisch aanwezige) tolk. Vóór het document voorgelegd wordt aan de ouder(s) wordt het document toegelicht en besproken. Daarnaast wordt gevraagd of de ouder(s) gebruik willen maken van een vertaling van het document. Bij de behandeling ter zitting worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor hun wensen. De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol ten aanzien van de verzoeken die worden ingediend bij afstand ter adoptie. Bovendien is er sinds een aantal jaar de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van een advocaat bij gezagsbeëindiging.
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden, maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de berichten over arbeidsmigranten die in heel lastige omstandigheden een keuze moeten maken over hun zwangerschap veel oproepen bij belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestanen. Het is ook begrijpelijk en belangrijk dat zij, vanuit hun eigen ervaringen in het verleden, aandacht vragen voor de situatie van deze groep vrouwen en hun kinderen. Het kabinet neemt de signalen, die overigens via onder andere Fiom reeds bekend waren, serieus en gaat hiermee aan de slag.
Sinds de periode 1956–1984 zijn er grote aanpassingen gedaan in de begeleiding van onbedoeld en/of ongewenst zwangere vrouwen, juist omdat de situatie in het verleden zich niet mag herhalen. Er is toegang tot informatie en onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie en nazorg na de keuze indien gewenst. Zowel de RvdK als Fiom hebben hier in ieder individuele gesprekken oog voor. Juist doordat er geleerd is van het verleden, wordt de begeleiding door deze partijen en het bespreken van alternatieven voor adoptie nu met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Ook voor de vrouwen die als arbeidsmigrant in Nederland wonen en werken. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar, kunnen tolken worden ingeschakeld bij keuzehulptrajecten en is een routekaart ontwikkeld speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht. Fiom organiseerde onlangs een kennissessie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap voor de hulpverleners en contactpersonen voor arbeidsmigranten bij Stichting Barka.
Het gebruik van de afstandsverklaringen komt als belangrijk aandachtspunt naar voren in het rapport van CBAA. De verklaringen kenden nooit juridische waarde of grondslag maar werden in sommige gevallen wel als dusdanig aan moeders gepresenteerd. Daarmee werkten de verklaringen voor ouders als drukmiddel; zij dachten immers vaak: «ik heb zelf getekend en kan nu niet meer terug». Dit had niet zo mogen gaan en leidt zeer terecht tot veel boosheid en verdriet bij moeders die een kind moesten afstaan en bij afgestanen. Het document dat op dit moment wordt voorgelegd aan de moeder om haar een stem te geven in het dossier verschilt sterk van de afstandsverklaring zoals die werd gehanteerd in de periode die de CBAA heeft onderzocht.
Op uitnodiging van het Ministerie van JenV en VWS zijn er in de tweede helft van vorig jaar en begin van dit jaar diverse reflectiebijeenkomsten georganiseerd waarin op de eigen rol en verantwoordelijk ten aanzien van afstand en adoptie in het verleden is stilgestaan. Ook Fiom en de RvdK namen hieraan deel. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief met daarin een uitgebreide terugkoppeling van dit traject, alsmede de herstelmaatregelen voor moeders, vaders en afgestanen. In deze brief zullen ook de door de RvdK en Fiom geleerde lessen terugkomen, waarbij ook de werkwijze ten aanzien van de verklaringen de aandacht krijgt.
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
In het Protocol afstand ter adoptie zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken organisaties beschreven. De organisatie die de ouder(s) ondersteunt (zoals Fiom) begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing, biedt informatie over de keuzeopties, benoemt de belangen van het kind en de verwekker, bespreekt de impact van de keuze die in het nu gemaakt wordt, begeleidt bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de RvdK. De RvdK is verantwoordelijk voor het goede verloop van de (juridische) procedures in het kader van (voorlopige) voogdijmaatregelen en voor het bewaken van de bijbehorende termijnen. Tevens is de RvdK verantwoordelijk voor het voordragen van geschikte aspirant adoptieouders. Dit doet de RvdK in zorgvuldig overleg met de ouders. In het protocol heeft de RvdK de taak om het document aan de ouder(s) toe te lichten en hen te vragen of zij dit wensen te ondertekenen (of niet). Als de ouder(s) dit wille(n) kan de begeleider van Fiom hier ter ondersteuning bij aanwezig zijn.
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke betrekkingen?
Vanzelfsprekend vormt het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, en zo mogelijk ook de vader, een belangrijke waarde in de begeleiding van moeders of stellen die overwegen om afstand te doen van hun kind. Het belang van het kind wordt hier nadrukkelijk in meegenomen. Ook is er in de begeleiding van Fiom en de RvdK aandacht voor externe factoren die de autonomie van de ouder(s) beïnvloeden en voor de impact van de beslissing van nu op de toekomst. Ondanks zorgvuldige begeleiding en het bespreekbaar maken van alternatieven kan de moeder of kunnen de ouders zelf tot het besluit komen om afstand te doen van hun kind. Het uitgangspunt daarbij is het zelfbeschikkingsrecht.
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke betrekkingen?
En vrouw heeft in Nederland vier keuzeopties6 bij twijfels over een (onbedoelde en/of ongewenste) zwangerschap. Afstand ter adoptie is in Nederland één van de keuzes die in vrijheid gemaakt kan en mag worden. Dit is nooit een lichtzinnige beslissing en vrouwen/stellen worden desgewenst intensief begeleid bij het komen tot een keuze en het verder leven hiermee. In de begeleiding die door Fiom wordt geboden komen alle keuzeopties aan bod en worden alternatieven uitgebreid onderzocht. Dat neemt niet weg dat er inderdaad vrouwen zijn die, vanwege de omstandigheden waarin zij leven, moeten concluderen dat het doen van afstand voor hen de enige mogelijke keuze is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Er bestaan helaas geen snelle en makkelijke oplossingen voor de complexe omstandigheden van deze groep vrouwen en stellen. Maar het kabinet moet en wil hier wel heel goed naar kijken. De ministeries van JenV, SZW en VWS zijn daarom al met elkaar en met betrokken veldpartijen in contact om te verkennen wat nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten op de behoeften van zwangere arbeidsmigranten.
Het Ministerie van SZW werkt aan een breed pakket aan maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren, waaronder op het gebied van huisvesting en huurbescherming.
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Elk kind in Nederland dient onder gezag te staan. Het gezag ligt bij de biologische ouders of bij één van de biologische ouders. Als het gezag niet door de biologische ouder(s) uitgeoefend wordt, omdat de ouder(s) afstand wil(len) doen dan is het de taak van de Raad voor de Kinderbescherming om in het gezag over de minderjarige te voorzien en/of, indien noodzakelijk, een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken.
De RvdK doet in de procedure waarbij een vrouw afstand ter adoptie overweegt onderzoek. Tijdens het raadsonderzoek spreekt de RvdK met de ouder(s). Als er een vermoeden bestaat dat de ouder(s) niet vrijwillig de keuze voor afstand maakt/maken, dan wordt dat besproken met ouder(s) en wordt dit opgenomen in het raadsrapport. De alternatieven voor afstand ter adoptie worden in die gevallen opnieuw met de ouder(s) doorgenomen. Zo worden de mogelijkheden besproken om zelf voor het kind te zorgen en de mogelijkheden tot ondersteuning daarbij. Soms kan (langdurige) pleegzorg een alternatieve oplossing bieden.
Als de ouder(s) bij het voornemen tot afstand blijft/blijven verzoekt de RvdK aan de rechter om definitief in het gezag te voorzien. Bij de behandeling van dit verzoek ter zitting wordt/worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor de wensen van de ouder(s). De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol in de procedures die betrekking hebben op afstand ter adoptie.
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan, expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk, inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Huisvesting, werk en inkomen zijn zonder meer belangrijke onderwerpen in de begeleiding aan alle vrouwen en stellen die afstand ter adoptie overwegen. Als de vrouw dit wil, wordt samengewerkt met het andere zorg- of hulpverleners om oplossingen te vinden voor problemen met huisvesting of inkomsten. Voor een deel van de arbeidsmigranten die zich voor begeleiding bij afstand ter adoptie aanmeldt, betekent deze hulp ook dat zij er uiteindelijk voor kiezen om zelf voor het kind te gaan zorgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen- en familierecht op 16 april 2026?
Ja.
Het bericht dat Koningin Máxima aanwezig is bij de viering van het 70-jarig jubileum van Oxfam Novib |
|
Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Koningin Máxima op 31 maart 2026 aanwezig zal zijn bij de viering van het 70-jarig jubileum van Oxfam Novib in Den Haag?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Oxfam Novib Israël, een bondgenoot van Nederland, beschuldigt van «genocide», «apartheid» en een «bezettingsregime», en oproept tot een verbod op handel en investeringen?
Het kabinet is bekend met het standpunt van Oxfam Novib. Ngo’s maken zelfstandig keuzes over hun standpunten en publieke communicatie. Die ruimte is een fundamenteel onderdeel van hun onafhankelijkheid en valt onder de vrijheid van meningsuiting. Het is een democratische verworvenheid dat maatschappelijke organisaties zich kritisch mogen uitlaten over dergelijke kwesties, ook wanneer dat niet in lijn is met het standpunt van het kabinet.
Deelt u de mening dat deze ongefundeerde aantijgingen één-op-één Hamas-propaganda zijn en neerkomen op het delegitimeren van de Joodse staat?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met recente berichtgeving, waar eerder ook schriftelijke vragen over zijn gesteld2, waaruit blijkt dat de terroristische organisatie Hamas een «flinke vinger in de pap heeft» bij organisaties als Oxfam Novib?3
Ja, het kabinet is bekend met deze berichtgeving. Echter, er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van deze berichtgeving of het rapport van NGO Monitor waarin deze aantijgingen worden gedaan, steunt. Partnerorganisaties waar Nederland mee werkt zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke contexten als Gaza waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen, die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties, op orde zijn. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat het Koninklijk Huis een jubileum bijwoont van een organisatie die antisemitische propaganda verspreidt, een bondgenoot delegitimeert en aan het koordje van Hamas loopt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3, maken ngo’s zelfstandig keuzes over hun standpunten en communicatie. Het kabinet heeft daarbij vertrouwen in de betrouwbaarheid en professionaliteit van onze partnerorganisaties. Dit geldt ook voor Oxfam Novib.
Hoe is het bezoek aan deze organisatie te rijmen met de toespraak van de Koning, die zich in 2024 rechtstreeks tot Joodse Nederlanders richtte met de woorden «blijf, wij horen samen», terwijl deze organisatie actief bijdraagt aan een klimaat waarin Joden ons land worden uitgejaagd?4
Dit bezoek staat volledig los van hetgeen Zijne Majesteit de Koning heeft gezegd in 2024. Die oproep geldt overigens nog steeds.
Bent u bereid met het Koninklijk Huis in gesprek te gaan om te voorkomen dat deze aanwezigheid bij het jubileum van Oxfam Novib doorgang vindt?
Het kabinet ziet hier geen enkele reden toe.
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.