De afsluiting van de A30 in verband met groot onderhoud |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de lokale weerstand tegen de voorgenomen afsluiting van een groot deel van de A30 in verband met groot onderhoud?1, 2
Ja, ik heb kennisgenomen van het feit dat een aantal lokale ondernemers en andere belanghebbenden zorgen hebben geuit over de voorgenomen verkeersmaatregelen en de daarmee gepaard gaande hinder.
Op welke wijze is het participatietraject vormgegeven? In hoeverre zijn lokale ondernemers daarbij betrokken?
Rijkswaterstaat heeft de voorbereiding van de voorgenomen verkeersmaatregelen ingericht volgens de reguliere Hinderaanpak Wegen. In dat kader zijn onder andere de provincies Gelderland en Utrecht, de gemeenten Barneveld en Ede, alsmede nood- en hulpdiensten structureel betrokken tijdens zogeheten GGB-sessies (Gebieds Gericht Benutten). Via deze bestuurlijke partners zijn de belangen van inwoners en het lokale bedrijfsleven vertegenwoordigd, waarmee invulling is gegeven aan de gebruikelijke wijze waarop belangen van inwoners en ondernemers worden betrokken bij groot onderhoud aan rijkswegen.
Bedrijven zijn en worden verder geïnformeerd via de algemene publiekscommunicatie, zoals persberichten, de projectpagina, advertenties, radiocommercials en berichtgeving via social media. Daarnaast hebben diverse grote bedrijven en overige stakeholders informatie ontvangen middels een persoonlijk gesprek en/of per mail met daarin de relevante en benodigde informatie over het project.
Ook is de mogelijkheid geboden aan alle betrokken stakeholders om een informatiebijeenkomst aan te vragen, zodat onder andere lokale ondernemers direct vragen kunnen stellen en toelichting kunnen krijgen op het project. Hier is niet in alle gevallen gebruik van gemaakt.
Is de veronderstelling juist dat: lokaal verkeer nu ook veel gebruik maakt van de A30/A1, dat omrijden via Utrecht of Arnhem voor deze groep verkeersdeelnemers geen optie is en dat volledige afsluiting van een groot deel van de A30 derhalve tot grote druk op het lokale wegennet zal leiden?
Nee, het uitgangspunt van Rijkswaterstaat is om het doorgaande verkeer via omleidingsroutes over het hoofdwegennet te leiden, zodat het onderliggende wegennet zoveel mogelijk beschikbaar blijft voor lokaal verkeer, waaronder inwoners en bedrijven.
Op een gemiddelde werkdag bestaat het verkeer op de A30 voor ongeveer 50% uit doorgaand verkeer en voor ongeveer 50% uit lokaal verkeer. Uit verkeersmodelanalyses blijkt dat het doorgaande verkeer juist bij grootschalige afsluitingen gebruik blijft maken van het hoofdwegennet. Bij een kortere afsluiting, bijvoorbeeld tot aan Lunteren, blijkt een aanzienlijk deel van het doorgaande verkeer juist uit te wijken naar het onderliggende wegennet. Dit leidt tot nog veel meer extra verkeer op lokale wegen en zal naar verwachting leiden tot ernstige verkeershinder en onveilige situaties.
Kunt u aangeven, ook richting betrokken gemeenten, wat de verwachte verkeersintensiteit is op de verschillende lokale (gebiedsontsluitings)wegen bij volledige wegafsluiting en bij een meer gefaseerde afsluiting (zoals voorgesteld door ondernemers)? Kunt u enig inzicht geven in de bijbehorende gevolgen voor doorstroming en verkeersveiligheid?
In onderstaande tabel staat de intensiteit in motorvoertuigen per etmaal op twee van deze lokale wegen weergegeven (de Hessenweg en de Postweg). In alle gevallen neemt de totale verkeersintensiteit toe op de lokale wegen. De toename is bij een afsluiting tussen de A1 en Lunteren en bij een gefaseerde afsluiting echter fors hoger dan bij een hele afsluiting.
Hessenweg
Postweg
Situatie zonder werkzaamheden
7.500
1.400
Hele afsluiting tussen A1 en Ede-Noord
+4.500 extra
+2.600 extra
A30 dicht tussen A1 en Lunteren
+4.600 extra
+8.200 extra
Gefaseerde afsluiting: A30 dicht tussen Scherpenzeel en Lunteren
+0
+14.300 extra
Hoe waardeert u de keuze voor een volledige wegafsluiting in plaats van een meer gefaseerde afsluiting?
Het gefaseerd uitvoeren van werkzaamheden zou de verkeersdrukte op het onderliggende wegennet sterk vergroten, met zeer onveilige en onwenselijke situaties tot gevolg. Deze overlast zou bij een gefaseerde afsluiting ook over een langere periode aanhouden dan bij een volledige afsluiting het geval zou zijn. Een volledige afsluiting heeft ook de voorkeur van de nood- en hulpdiensten vanwege de duidelijke aanrijdroutes en het beschikbaar zijn van een rijstrook voor eventuele nood- en hulpdiensten. Ten slotte blijft bij een volledige afsluiting het onderliggend wegennetwerk beter beschikbaar voor bestemmingsverkeer en daarmee ook voor de te bereiken bestemmingen in Voorthuizen, Barneveld en de gemeente Ede.
Welke maatregelen worden genomen voor een zo vlot en veilig mogelijke doorstroming op lokale wegen tijdens de afsluiting, bijvoorbeeld van en naar de op- en afrit op de A1 bij Voorthuizen en ook aan de zuidkant van Barneveld en in de gemeente Ede?
In overleg met gemeenten, de provincie Gelderland en Utrecht en nood- en hulpdiensten zijn beheersmaatregelen getroffen om de doorstroming op het onderliggend wegennet te optimaliseren. Het gaat dan om het aanpassen van cyclustijden van verkeersregelinstallaties, het inzetten van adviesroutes, het monitoren per motor van sluipverkeer en de inzet van verkeersregelaars. Gedurende de werkzaamheden wordt de situatie gemonitord en waar nodig en mogelijk bijgestuurd binnen een operationeel doorstromingsteam. Dit team bestaat uit Rijkswaterstaat, de aannemer en de betrokken stakeholders.
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse Kustwacht door personeelstekorten beperkt handelingsperspectief heeft bij het signaleren en tegengaan van spionage- en sabotageactiviteiten op de Noordzee, mede in het licht van toenemende (digitale) dreigingen?1
Ja.
Heeft u inzicht in hoe groot het huidige capaciteitstekort is bij de Nederlandse Kustwacht, uitgesplitst naar personeel, vaartuigen en middelen, en wat dit concreet betekent voor het toezicht op de Noordzee? Zo ja, kunt u dit specificeren? Zo niet, wat bent u van plan doen om dit in kaart te brengen?
In 2023 is er een disbalans vastgesteld tussen het takenpakket van de Kustwacht en haar capaciteit. Door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband is besloten om de capaciteit bij de Kustwacht op orde te brengen (toename van 43 FTE). Met deze additionele capaciteit is de Kustwacht in staat om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren. Voor een uitbreiding van taken in het kader van maritime security zullen nieuwe middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Daarnaast ligt er een opdracht vanuit het Kustwachtsamenwerkingsverband om de organisatie en aansturing van de Kustwacht te onderzoeken. Het onderzoek moet antwoord geven op de vraag of het huidige model van de Kustwacht toekomstbestendig is. Ook wordt onderzocht hoe de huidige taken van de Kustwacht (dienstverlening, handhaving en maritime security) zich verhouden tot toekomstige ontwikkelingen, waaronder het op te bouwen National Maritime Security Centre (NMSC) dat onder regie van het Interdepartementaal Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) wordt uitgewerkt.2
In hoeverre acht u de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee, zoals onderzeese kabels, pijpleidingen en windparken, op dit moment voldoende geborgd?
Het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) is opgericht in 2023. Het programma heeft als doel om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. In 2024 en 2025 is door het programma ca. 44 mln. geïnvesteerd in het verbeteren van de beeldopbouw op de Noordzee, in het verhogen van de weerbaarheid van zowel de fysieke als digitale weerbaarheid van de Noordzee infrastructuur, het versterken van de crisisbeheersing, en het verbeteren van de nationale en internationale samenwerking (zowel publiek als privaat). Ook zijn er onderzoeken gedaan naar de meest kritieke infrastructuurpunten op de Noordzee, waar sensoren strategisch kunnen worden geplaatst en naar de governance van maritime security op de Noordzee.
Het onderzoek van ABDTOPConsult heeft aanbevolen om een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC) op te richten, waarin het bijeenbrengen en analyseren van verschillende datastromen moet samenkomen en uitvoerende organisaties sneller kunnen worden ingezet. Voor de zomer van 2025 is een kwartiermaker aangesteld om te kijken hoe het NMSC moet worden ingericht. Er zijn veel initiatieven ontplooid om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. Om het gewenste niveau te bereiken en het Actieplan Strategie ter Bescherming Noordzee Infrastructuur volledig uit te voeren is structurele financiering nodig. Dit besluit wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Om deze periode te overbruggen is door het huidige kabinet geld beschikbaar gesteld.
Acht u de huidige taakverdeling en samenwerking tussen Kustwacht, Koninklijke Marine en andere betrokken diensten passend bij de huidige dreiging van spionage en sabotage op zee? Zo niet, waar zit ruimte voor verbetering?
Alle betrokken uitvoeringsorganisaties werken hard om de dreiging van sabotage en spionage op de Noordzee aan te pakken. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 is één van de aanbevelingen van ABDTOPConsult om de samenwerking ter verbeteren op de Noordzee door o.a. de oprichting van een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC).
Het NMSC is nodig voor het bijeenbrengen en analyseren van alle informatie van (zowel publieke als private) partijen die actief zijn op de Noordzee. Door gestructureerde samenwerking tussen de Kustwacht, Nationale Politie, Defensie, private partijen, buurlanden, inlichtingen- en veiligheidsdiensten moet een completer en actueler beeld van de situatie op de Noordzee ontstaan. Een ander belangrijk onderdeel van het NMSC is om uitvoerende organisaties, zoals de Kustwacht, Maritieme Politie en de Marine sneller te kunnen inzetten bij incidenten. Het beschermen van vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is echter een civiele verantwoordelijkheid die Defensie middels een bijstandsverlening aan het civiele gezag ondersteunt. Andere aanbevelingen gaan over het creëren van een goede wettelijke basis onder de informatiewisseling tussen overheid en private partijen en het zorgen voor voldoende capaciteit bij met name de Kustwacht, Defensie en Politie.
Bent u bereid de Koninklijke Marine een structureel grotere rol te geven bij de bescherming van de cruciale infrastructuur in de Noordzee? Zo niet, waarom niet?
Defensie heeft sinds juli 2023 een permanente taak op de Noordzee bij de bescherming van infrastructuur op de Noordzee. Zo bouwt Defensie beeld en begrip op van dreigingsactoren en factoren op de Noordzee. Daarnaast escorteert Defensie niet-NAVO eenheden door de Nederlandse EEZ. Dit gebeurt in afstemming met bondgenoten en wanneer daar aanleiding voor is.3 Het beschermen van de vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is een civiele verantwoordelijkheid. Defensie en in het bijzonder de Koninklijke Marine kan middels bijstandsverlening het civiele gezag daarin ondersteunen. Deze bijstand wordt op verzoek van het civiele gezag geleverd die de behoefte hiertoe formuleert. De Koninklijke Marine zet de komende jaren stappen om verder te ontwikkelen en vernieuwen. Capaciteiten ter versterking van de bescherming en maritime security op de Noordzee maken hier deel van uit.
Welke rol ziet u voor innovatie en technologische middelen, zoals onderwaterdrones, sensoren, autonome vaartuigen of satellietmonitoring, bij het verkleinen van het capaciteitstekort?
Vanuit Defensie speelt innovatie voor inzet op de Noordzee een centrale rol. Hierbij wordt een ambitie nagestreefd voor het interoperabel optreden van sensoren en effectoren van space naar zeebodem. Daar valt de integratie van de boven genoemde capaciteiten ook onder. Zo is in 2023 het Seabed Security Experimentation Centre (SeaSEC) in Scheveningen geopend, waar Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Finland, Noorwegen en Zweden experimenteel onderzoek uitvoert om onderzeese infrastructuur te beschermen.
Hoe is de samenwerking met andere Noordzeelanden en internationale partners ingericht bij het detecteren en tegengaan van spionage en sabotage, en waar ziet u mogelijkheden tot intensivering?
Veiligheid staat hoog op de agenda van verschillende internationale organisaties en wordt actief vanuit de NAVO en de EU gestimuleerd. Vanuit de NAVO is de Critical Undersea Infrastructure Coordination Cell opgericht, waarin Nederland actief participeert. Daarnaast is er een samenwerkingsverband tussen het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Nederland. Door deze landen is een Joint Declaration of Intent (JDI) getekend om samen de bescherming van de infrastructuur te verbeteren. Dit wordt onder andere gedaan door het delen van informatie over incidenten, dreigingsbeelden en best practices, regelgeving op elkaar aan te sluiten en door het ontwikkelen van een gezamenlijke crisisrespons. De komende tijd wordt ook actiever de samenwerking opgezocht met de samenwerkende landen in de Baltische Zee.
Welke concrete maatregelen op korte en middellange termijn bent u voornemens te nemen om te voorkomen dat toezicht, handhaving en beveiliging op de Noordzee structureel tekortschieten?
De Kustwacht voert in opdracht van de samenwerkende departementen haar toezicht en handhavingsfunctie uit op de Noordzee, hiervoor worden de Kustwachtschepen en het Kustwachtvliegtuig ingezet. Dit najaar wordt een nieuw 24/7 schip operationeel wat de mogelijkheid geeft om langer op zee te zijn. Dit handhavingsvaartuig gaat reguliere toezicht en handhavingstaken uitvoeren. De verkenning naar de vervanging van de huidige handhavingsvaartuigen wordt deze maand opgestart.
Complementair aan deze civiele capaciteiten investeert Defensie, als onderdeel van de Defensienota 2022, in Intelligence, Surveillance and Reconnaissance (ISR-)capaciteit op de Noordzee. Met deze waarnemingscapaciteit kan Defensie dreigingen tegen vitale infrastructuur tijdig onderkennen, lokaliseren en volgen. Daarmee draagt deze capaciteit bij aan de afschrikking van mogelijke plegers van sabotage en spionage. Daarnaast bereidt Defensie de verwerving voor van twee licht-bemande schepen die een taak krijgen op de Noordzee. Met de vaartuigen kan Defensie proactief potentiële dreigingen opsporen en verdachte situaties monitoren. Hiervoor worden de schepen uitgerust met onderwaterapparatuur en sensoren. De schepen worden tevens ingezet om onderzoek te doen bij acute dreigingen en verstoringen. Defensie kan met deze investeringen invulling geven aan de taken die Defensie heeft op de Noordzee en, indien nodig, bijstand verlenen aan de Kustwacht.
Het bericht dat een Nederlandse opiniemaker de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd vanwege haar mening |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse opiniemaker Eva Vlaardingerbroek de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd omdat «haar aanwezigheid niet bevorderlijk wordt geacht voor het algemeen belang» – een paar dagen nadat ze een kritische tweet over de Britse premier Starmer plaatste?1
Bent u het eens dat de vrijheid van meningsuiting een zeer groot goed is, en dat we ook van onze buurlanden en bondgenoten – zoals het Verenigd Koninkrijk – verwachten dat ze deze verworvenheid uitdragen en beschermen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat het een flagrante schending van de vrijheid van meningsuiting is om een persoon de toegang tot het land te ontzeggen vanwege een geuite mening – al dan niet over de premier van het betreffende land?
Vindt u het feit dat de geweigerde persoon, in dit geval Vlaardingerbroek, geen bezwaar kan aantekenen tegen het genomen besluit verenigbaar met de principes van een rechtsstaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Heeft u de Britse regering en/of ambassadeur al om uitleg gevraagd over waarom Vlaardingerbroek de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd? Zo ja, wat was daarop de reactie?
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom heeft u dit nog niet gedaan en bent u bereid om de Britse regering en/of ambassadeur hierover alsnog ter verantwoording te roepen?
Verwacht u dat deze inreisbeperking consequenties heeft voor andere Nederlanders die zich op sociale media kritisch of niet positief hebben uitgelaten over de regering van het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Bent u bekend met recente berichtgeving dat de Britse politie vele duizenden mensen per jaar – zo’n dertig per dag – arresteert wegens het geven van hun mening in vermeende beledigende uitingen op sociale media en andere platforms?2
Wat betekent het genoemde in vraag 7 volgens u voor (de vrijheid van meningsuiting van) Nederlanders die in het Verenigd Koninkrijk verblijven, op vakantie zijn, of daar wonen in verband met bijvoorbeeld werk?
Bent u van mening dat het reisadvies naar het Verenigd Koninkrijk dient te worden aangepast, nu we zien dat de vrijheid van meningsuiting steeds verder wordt ingeperkt en mensen zelfs gevangenisstraffen moeten vrezen of zelfs daadwerkelijk opgelegd krijgen na het uiten van hun mening? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De kansen voor Nederland en Curaçao om te profiteren van de aanlanding en opslag van Venezolaanse olie |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Rijkaart , van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een tanker met Venezolaanse olie is aangemeerd op Curaçao en dat deze olie daar tijdelijk wordt opgeslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling Curaçao opnieuw positioneert als een strategisch knooppunt voor energieopslag en -logistiek in het Caribisch gebied? Zo ja, welke kansen ziet u hierin voor het Koninkrijk der Nederlanden als geheel?
Het is op basis van de berichtgeving nog te vroeg om dat te concluderen. Het gaat immers vooralsnog om tijdelijke activiteiten. Daarnaast is de situatie in Venezuela nog hoogst onzeker. Er bestaan verschillende scenario’s voor een Venezuela post-Maduro. Deze onzekerheid heeft ook betrekking op de olie-industrie. Tegelijkertijd beschikt Curaçao door zijn geografische ligging en bestaande haven- en opslaginfrastructuur over kenmerken die het eiland mogelijk interessant maken voor energielogistiek in de regio. Economische aangelegenheden vallen echter binnen de autonome bevoegdheden van Curaçao en dus buiten het mandaat van Nederland en het Koninkrijk.
Ziet u mogelijkheden om de bestaande olie- en haveninfrastructuur op Curaçao structureel beter te benutten voor opslag, overslag en doorvoer van energieproducten, mede gezien de gunstige geografische ligging van het eiland?
Op dit moment wordt de olie- en haveninfrastructuur hiervoor al benut. Er zijn geen aanwijzingen dat Curaçao meer bedrijvigheid zal kennen als fossiele doorvoerhaven door de huidige ontwikkelingen. Structurele economische keuzes liggen bij Curaçao.
In hoeverre ziet u kansen voor Nederland en Nederlandse bedrijven – onder meer actief in havenontwikkeling, maritieme dienstverlening, energie-logistiek, opslagtechnologie en engineering – om te profiteren van de toegenomen rol van Curaçao in internationale energiestromen, waarbij recente ontwikkelingen meer ruimte hebben gecreëerd voor opslag, overslag en doorvoer, in het licht van de vergrote Amerikaanse betrokkenheid bij de Venezolaanse olie-industrie?
De huidige ontwikkelingen betreffen vooralsnog tijdelijke activiteiten in een specifieke geopolitieke context. Dit maakt het te vroeg om te spreken over structurele kansen voor Nederland of Nederlandse bedrijven. Dat Curaçao beschikt over bestaande haven- en opslagfaciliteiten en een strategische ligging kan het eiland in algemene zin relevant maken als energiehub in de regio. Of en in hoeverre hieruit concrete economische kansen ontstaan, is afhankelijk van verdere ontwikkelingen en betreft in de eerste plaats een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
Is er vanuit het Rijk actief contact met de regering van Curaçao over het versterken van economische samenwerking op het gebied van energie-logistiek en strategische infrastructuur? Zo ja, hoe krijgt deze samenwerking concreet vorm?
De primaire verantwoordelijkheid voor economische keuzes en haven- en industriële activiteiten ligt bij het Land Curaçao. De rol van het Koninkrijk is daarbij onder meer om, waar aan de orde, de Rijksbrede belangen te bewaken (zoals internationale verplichtingen en veiligheid).
Tegelijkertijd is er de afgelopen jaren actief ingezet om samenwerking op het gebied van energielogistiek en strategische infrastructuur te versterken. Zo zijn via de SDE++ middelen beschikbaar gesteld voor het versterken en uitbreiden van de energie-infrastructuur, waaronder netverzwaring en batterijopslag, met als doel de betrouwbaarheid en flexibiliteit van het energiesysteem te vergroten. Daarnaast is de BMKB-regeling opengesteld voor Curaçao om de toegang tot financiering voor het midden- en kleinbedrijf te verbeteren en zo de bredere economische ontwikkeling te ondersteunen. Deze inzet is gericht op het creëren van voorwaarden waarbinnen Curaçao zelfstandig verdere keuzes kan maken.
Ziet u mogelijkheden om Curaçao binnen het Koninkrijk te ontwikkelen tot een structurele energie-hub, vergelijkbaar met de rol die Nederland zelf vervult binnen Noordwest-Europa?
Hoewel Curaçao historisch een rol heeft gespeeld in de regionale energie-infrastructuur, is het op basis van de huidige informatie te vroeg om te spreken over de ontwikkeling van Curaçao tot een structurele energiehub binnen het Koninkrijk. De recente activiteiten geven daarvoor onvoldoende aanknopingspunten en kennen een tijdelijk karakter. De ontwikkeling van een dergelijke rol vergt langdurige investeringen, beleidskeuzes en stabiliteit, waarvoor de verantwoordelijkheid bij het autonome land Curaçao ligt. Nederland kan binnen de bestaande verhoudingen ondersteunen waar dat passend is, maar stuurt hier niet op.
Welke kansen ziet u om deze ontwikkelingen te benutten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao, en daarmee voor een versterking van de sociaaleconomische positie van het eiland binnen het Koninkrijk?
Gezien het vooralsnog tijdelijke karakter van de huidige activiteiten is het op dit moment moeilijk te bepalen wat de exacte mogelijkheden zijn om deze ontwikkelingen in te zetten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao. Dit betreft in de eerste plaats ook een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
In hoeverre wordt bij deze ontwikkelingen gekeken naar synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken en kennisinstellingen, zodat toegevoegde waarde zo veel mogelijk binnen het Koninkrijk blijft?
Op dit moment is er geen sprake van concrete trajecten gericht op structurele synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken of kennisinstellingen. Zolang onduidelijk is of de huidige activiteiten een duurzaam karakter krijgen, ligt de focus op het volgen van de ontwikkelingen. Indien zich op termijn meer bestendige economische activiteiten aandienen, kan worden bezien of en hoe samenwerking binnen het Koninkrijk toegevoegde waarde kan hebben, met respect voor de autonome bevoegdheden van Curaçao.
Bent u bereid om, samen met Curaçao, te verkennen hoe deze ontwikkelingen kunnen worden ingebed in een bredere economische en strategische visie voor het Koninkrijk der Nederlanden op het gebied van energie en logistiek?
Ik ben bereid om hierover met Curaçao in gesprek te blijven, binnen de bestaande overlegstructuren in het Koninkrijk. Daarbij geldt dat een eventuele bredere economische visie rekening moet houden met internationale en juridische kaders (waaronder sanctieregimes voor zover van toepassing), veiligheid en weerbaarheid van strategische infrastructuur; en milieu- en gezondheidsaspecten.
Kunt u aangeven welke vervolgstappen u ziet om deze kansen actief te benutten, en op welke termijn de Kamer hierover nader kan worden geïnformeerd?
De berichtgeving laat zien dat de ontwikkelingen rond Venezolaanse olie in de Cariben veranderlijk zijn en geopolitieke gevoelig liggen. Daarom blijf ik goed in contact met het land Curaçao over de actuele ontwikkelingen en mogelijke implicaties voor het Koninkrijk. Het is aan het autonome land Curaçao om eventuele economische kansen te benutten. Indien Nederland hier een actieve rol in krijgt, breng ik de Kamer hiervan op de hoogte stellen.
Het bericht 'Minder asielaanvragen door IND ingewilligd, vooral door verbeterde situatie in Syrië' |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minder asielaanvragen door IND ingewilligd, vooral door verbeterde situatie in Syrië»?1
Ja.
Zijn er los van de verbeterde situatie in Syrië meer redenen dat het inwilligingspercentage van eerste asielaanvragen gedaald is tot rond het Europese gemiddelde?
Het inwilligingspercentage laat zich niet makkelijk verklaren. De gemiddelde uitkomst van asielaanvragen wordt gevormd door een samenhang van allerlei relevante variabelen, zoals de samenstelling van de instroom en de actuele situatie in landen van herkomst. Ook beleidswijzigingen zijn van invloed.
In 2024 is een nieuw beoordelingskader geïntroduceerd. In dit beoordelingskader is de geloofwaardigheidsbeoordeling meer in lijn gebracht met de Europese richtlijn en is er voor de beoordeling van de vrees een meer individuele beoordeling geïntroduceerd.
Sinds juni 2025 wordt beleidsmatig voor Syrië niet langer in het algemeen uitgegaan van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer, zoals voorheen. Verder is het landenbeleid Jemen in 2024 wezenlijk veranderd. Eerder gold een generiek beschermingsbeleid voor personen uit Jemen, dat is inmiddels niet meer zo. Het betreft nu een meer individuele beoordeling. Dat het inwilligingspercentage daardoor is gezakt, is een gevolg van deze veranderde veiligheidssituatie in dat land. In 2023 en 2024 zijn nog een groot aantal Syrische en Jemenitische zaken afgedaan onder het oude beleid, in het project Bespoediging Afdoening Asiel (BAA). Dit project liep halverwege 2024 af. Vanwege het grote aantal en hoge inwilligingspercentage van deze zaken heeft dat invloed op de ontwikkelingen in de inwilligingscijfers.
Tot slot hebben er ook andere wijzigingen in het landenbeleid plaatsgevonden, bijvoorbeeld ten aanzien van Irak. Ook dit kan van invloed zijn op de inwilligingspercentages, omdat het relatief grote groepen betreft.
In hoeverre heeft de daling van het aantal ingewilligde asielaanvragen geleid tot kortere doorlooptijden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Er is in het algemeen geen sprake van kortere doorlooptijden. De oplopende doorlooptijden worden veroorzaakt doordat er de afgelopen jaren meer asielaanvragen zijn binnengekomen dan waar de IND op is ingericht.
Het afwijzen van een aanvraag kost in beginsel ook meer tijd dan het inwilligen ervan. Dat komt doordat er op dit moment bij een afwijzing eerst een voornemen geschreven moet worden waarin kenbaar gemotiveerd moet worden waarom de IND voornemens is de aanvraag af te wijzen. De advocaat kan hier middels een zienswijze op reageren, waarna de IND een definitief besluit neemt waarbij de IND ook inhoudelijk in gaat op de zienswijze. In het geval van een inwilliging is een voornemen niet nodig en hoeft de beslissing in het besluit slechts kort gemotiveerd te worden. Daarom kost een afwijzing in de regel meer tijd dan een inwilliging.
Wat was in 2025 het inwilligingspercentage als Syrische asielzoekers niet worden meegerekend en hoe staat dit in verhouding tot het Europese gemiddelde?
Gemiddeld EU-27 landen
37%
37%
Nederland
48%
48%
Bron: Eurostat, geraadpleegd op 3-2-2026. De gegevens van kwartaal 4 2025 zijn nog niet volledig beschikbaar.
Gemiddeld EU-27 landen
51%
42%
Nederland
75%
55%
Bron: Eurostat, geraadpleegd op 3-2-2026.
Omdat een vergelijk wordt gevraagd naar het Europees gemiddelde is gebruik gemaakt van de gegevens in Eurostat over beslissingen in eerste aanleg, ook voor Nederland. De definities over beslissingen in eerste aanleg in Eurostat verschillen van de gebruikelijke nationale definities. De tabellen in Eurostat zien op het totaal aantal afdoeningen van eerste asielaanvragen, herhaalde asielaanvragen en herplaatsing (relocatie). Daarnaast zijn Dublinafdoeningen niet in de Eurostat-cijfers opgenomen.
Volgens de gebruikelijke Nederlandse definities wordt het inwilligingspercentage berekend als het aantal ingewilligde eerste asielaanvragen t.o.v. het totaal aantal beslissingen op eerste asielaanvragen.
De inwilligingspercentages, berekend op basis van Eurostat, vallen daardoor hoger uit dan wanneer wordt gekeken naar rapportages volgens de gebruikelijke Nederlandse definities.
Wat is het effect van de verbeterde situatie in Syrië op het aantal Syrische asielzoekers in de locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Het aantal Syrische asielzoekers dat verblijft in de opvanglocaties van het COA is de afgelopen jaren stabiel gebleven. Het aantal Syriërs in de opvang wordt niet alleen bepaald door de actuele situatie in het land van herkomst en het bijbehorende toelatingsbeleid, maar ook door factoren zoals eerdere instroom, de duur van asielprocedures, en de beperkte uitstroom naar huisvesting. Eventuele veranderingen in de veiligheidssituatie in Syrië vertalen zich daarom niet onmiddellijk in lagere aantallen asielzoekers in de opvang. Het kabinet blijft de ontwikkelingen in Syrië nauwlettend volgen en betrekt deze bij het landenbeleid.
Verwacht u dat een daling van het aantal ingewilligde asielaanvragen zal leiden tot verlichting van de druk op het COA?
Een daling van het aantal ingewilligde asielaanvragen kan, zeker gecombineerd met effectief terugkeerbeleid, verlichting bieden op de opvangdruk. Vanwege de vele factoren die invloed hebben is echter niet te zeggen dat of wanneer dit zich vertaalt naar een verminderde vraag voor opvangplekken. Het kabinet investeert op alle mogelijke manieren in een veilig, stabiel Syrië waar terugkeer van Syriërs mogelijk is inclusief beleid voor terugkeerondersteuning.
Kunt u een overzicht geven van de doorlooptijden bij de IND van de verschillende stromen zoals deze zich in de periode 2021–2025 hebben ontwikkeld?
De gemiddelde doorlooptijd van een eerste aanvraag in spoor 1 bedroeg in 2021 97 dagen, in 2022 182 dagen, in 2023 160 dagen, in 2024 126 dagen en in 2025 92 dagen.
De gemiddelde doorlooptijd van een eerste aanvraag in spoor 2 bedroeg in 2021 50 dagen, in 2022 70 dagen, in 2023 83 dagen, in 2024 95 dagen en in 2025 117 dagen.
De gemiddelde doorlooptijd van een eerste aanvraag in spoor 4bedroeg in 2021 335 dagen, in 2022 222 dagen, in 2023 349 dagen, in 2024 429 dagen en in 2025 582 dagen.
De gemiddelde doorlooptijd is niet hetzelfde als de tijd die daadwerkelijk nodig is om tot een beslissing te komen, omdat daaronder vooral de tijd wordt begrepen dat een aanvraag moet wachten op behandeling. De doorlooptijden zijn dan ook slechts in beperkte mate relevant voor beantwoording van de vraag naar de verhouding tussen behandelduur en uitkomst van de aanvraag.
Kunt u de meest recente cijfers geven over het jaar 2025 op het gebied van de instroom van asielzoekers in Nederland?
Eerste asielaanvragen per jaar
2015
43.090
2016
18.170
2017
14.720
2018
20.350
2019
22.530
2020
13.670
2021
24.690
2022
35.540
2023
38.380
2024
32.180
Kunt u de cijfers van 2025 afzetten tegen de cijfers van de instroom van asielzoekers van de afgelopen 10 jaren?
Zie antwoord vraag 8.
Heeft u een overzicht van dezelfde instroomcijfers van de landen om ons heen, zoals Frankrijk, België, Duitsland en Denemarken?
In de tabel staan de eerste asielaanvragen van België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk en Nederland.
2015
39.065
20.855
441.900
70.570
43.035
2016
14.290
6.070
722.365
76.790
19.285
2017
14.055
3.140
198.310
91.965
16.090
2018
18.160
3.495
161.930
126.580
20.465
2019
23.140
2.645
142.510
138.290
22.540
2020
12.930
1.435
102.580
81.735
13.720
2021
19.605
2.015
148.235
103.810
24.755
2022
32.140
4.505
217.775
137.605
35.530
2023
29.305
2.380
329.120
145.160
38.370
2024
32.710
2.210
229.750
129.910
32.000
Welke maatregelen zijn er genomen of gaat u nog nemen om de doorlooptijden bij de IND de komende tijd te verbeteren?
De nieuwe asielprocedure volgend uit het Asiel- en Migratiepact treedt op 12 juni 2026 in werking. Dit is gericht op een goede doorstroom van nieuwe aanvragen en biedt kansen voor een efficiëntere inrichting van de procedure. Dit kan de IND helpen om de doorlooptijden van nieuwe asielaanvragen te verbeteren. De procedure wordt vereenvoudigd en zorgt voor meer flexibiliteit in de procedure. Daardoor verwacht de IND op basis van de huidige inzichten de nieuwe termijnen te kunnen naleven en de instroom te kunnen bijhouden.
Kunt u aangeven hoeveel COA-locaties op dit moment volledig bezet zijn en hoeveel noodopvanglocaties nog in gebruik zijn, uitgesplitst naar reguliere opvang en crisisnoodopvang?
Op 1 januari 2026 waren 362 opvanglocaties operationeel. Uitgesplitst zijn dit 111 reguliere locaties, 215 noodopvanglocaties en 43 Tijdelijke Gemeentelijke Opvanglocaties (TGO’s). COA kampt al tijden met hoge druk op de asielopvang. De bezettingsgraad ligt rond de 101%. Dat betekent dat veel opvanglocaties (over)vol zitten en er beperkte bewegingsvrijheid is. Ook de doorstroom vanuit Ter Apel wordt hierdoor bemoeilijkt. Het COA en het kabinet zetten zich er dagelijks voor in om de bezettingsdruk te doen afnemen en de bestaande capaciteit maximaal uit te blijven nutten.
Is de bezetting van bewoners in COA-locaties in 2025 toegenomen? Hoeveel van deze bewoners zijn statushouders die wachten op een doorstroomwoning?
De bezetting is toegenomen. Op 1 januari 2025 was de bezetting ca 72.500 bewoners op COA-locaties en op 1 januari 2026 ca 79.830. Dit is een toename van ca 7.320 bewoners. Het aantal statushouders in de COA-opvang was op peildatum 1 januari 2026 ca 18.420 (waarvan ca 12.310 bewoners al langer dan 14 weken in de opvang zitten).
Wat is nu al het effect van de genomen maatregel om nareizigers niet langer in COA-locaties onder te brengen?
Het aantal nareizigers dat in de opvang verblijft blijft erg hoog. Op 23 september jl.2 is een tijdelijke actie aangekondigd om nareizigers van wie de referent reeds gehuisvest was direct bij de referent onder te brengen. In de praktijk was dit mogelijk bij kleinere gezinnen. Grote gezinnen konden alleen in overleg met betreffende gemeente worden uitgeplaatst. Door toepassing van deze maatregel zijn er circa 500 nareizigers versneld uitgestroomd. Het effect van deze maatregel is nog niet zichtbaar in de bezettingscijfers omdat er eerst enige aanlooptijd noodzakelijk is voordat nareizigers daadwerkelijk uitgeplaatst konden worden.
Daarnaast is de Regeling stimuleren uitstroom vergunninghouders uit de asielopvang 2026 (HAR+) op 27 januari jl. gepubliceerd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de begroting van Asiel en Migratie?
Dit is helaas niet gelukt.
Het Young Global Leaders programma van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
U schrijft in uw beantwoording dat u «op persoonlijke titel» bent uitgenodigd en deelneemt aan het Young Global Leaders programma van het World Economic Forum, kunnen we daaruit concluderen dat de uitnodiging die u van de YGL Foundation in januari 2025 per e-mail heeft ontvangen dus losstaat van het feit dat u op 2 juli 2024 als Minister van Defensie tot het kabinet bent toegetreden? Betekent dit logischerwijs ook dat in de uitnodiging die u heeft ontvangen dus niet wordt verwezen naar uw ministersambt? Kan de Tweede Kamer deze e-mail met de uitnodiging die u heeft ontvangen doorgestuurd krijgen? Heeft u misschien ook enig idee waarom u, los van uw ministersambt, op persoonlijke titel, bent genomineerd en uitgenodigd door de YGL Foundation?1
De Young Global Leaders Foundation gaat over de selectie van de kandidaten. In de uitnodiging wordt inderdaad niet verwezen naar mijn ministersambt.
U weigert in uw beantwoording, hoewel u dit wordt gevraagd, te reflecteren op de uitspraak van de bedenker en oprichter van de YGL Foundation, de heer Klaus Schwab, een uitspraak waarin hij stelt dat het Young Global Leaders programma – een programma waarvoor u dus, kort na uw beëdiging als Minister, bent genomineerd en uitgenodigd, een uitnodiging waar u, op persoonlijke titel, ook op bent ingegaan – door het World Economic Forum wordt gebruikt om wereldwijd, citaat, «kabinetten te penetreren», waarom? Is dit niet een terechte vraag die een volksvertegenwoordiger, die geacht wordt de regering te controleren, behoort te stellen als een lid van het kabinet deelneemt aan een dergelijk omstreden programma, een vraag die door het kabinet vervolgens ook beantwoord zou moeten worden?
De heer Schwab kiest zijn eigen woorden. Ik blijf dan ook bij mijn eerdere antwoord dat het niet aan mij is om uitspraken van hem te recenseren.
Het kabinet onderschrijft uw visie op het World Economic Forum niet. Zoals in eerdere beantwoording gesteld is de mening van het kabinet dat het World Economic Forum een nuttig platform biedt voor de uitwisseling van ideeën, onderzoeksresultaten en inzichten over actuele thema’s tussen politici, wetenschappers, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, het bedrijfsleven en ngo’s. Het biedt ook een goede gelegenheid om in bilaterale gesprekken met internationale leiders en het bedrijfsleven specifieke onderwerpen te bespreken die van belang zijn voor Nederland.
Is het naar uw mening wenselijk en verstandig, voor een lid van het kabinet, om op persoonlijke titel deel te nemen aan een programma waarvan de oprichter en bedenker, in het openbaar nota bene, zélf heeft aangegeven dat daarmee wordt beoogd om wereldwijd «kabinetten te penetreren»?
Mede in het licht van het antwoord op vraag 2 zie ik geen bezwaren om op persoonlijke titel deel te nemen aan het YGL-programma.
Financiële en personele tekorten voor bescherming tegen spionage en sabotage in de Noordzee |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving waarin wordt gesteld dat financiële en personele tekorten bij de Nederlandse Kustwacht leiden tot verhoogde risico’s op sabotage en spionage? Hoe reflecteert u op deze verontrustende berichten?1
Ik ben bekend met de recente berichtgeving. De dreiging op de Noordzee is actueel, complex en vindt doelbewust plaats in het grijze gebied tussen oorlog en vrede. Nationale en internationale wetgeving dragen eraan bij, de aanpak complex is. In 2023 is door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband besloten om de capaciteit bij de Kustwacht te vergroten met 43 FTE, waardoor de Kustwacht met deze additionele capaciteit in staat is om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren.
Klopt het dat het tekort aan geld en personeel bij de Kustwacht zo nijpend is dat de dienst tot zeker 2027 niet kan worden ingezet om internet- en elektriciteitskabels, pijpleidingen en andere infrastructuur op de Noordzee te beschermen tegen sabotage en spionage?
In 2018 heeft de Raad voor de Kustwacht besloten dat maritime security een aparte hoofdtaak voor de Kustwacht vormt. Deze nieuwe hoofdtaak bevat deeltaken zoals bijvoorbeeld crisiscommunicatie en informatievoorziening, security berichtgeving en pre-arrival analyses. Daarnaast is de Kustwacht sinds juli 2025 het meldpunt voor maritime security; mensen kunnen verdachte situaties melden bij de Kustwacht. Hierdoor kan de Kustwacht eerder adequaat reageren op mogelijke dreigingen. De meldkamer is 24/7 bezet voor het verwerken en uitlopen van deze meldingen. Voor een uitbreiding van taken in het kader van Maritime Security zullen aanvullende structurele middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Het is aan een volgend kabinet om daar een besluit over te nemen.
Kunt u aangeven of er een causale relatie bestaat tussen het capaciteitstekort bij de Kustwacht en concrete incidenten, zoals het Russische spionageschip Eagle S dat twee uur lang ongestoord boven onderzeese kabels bij Terschelling kon varen op 24 november 2023?
De Kustwacht monitort de scheepvaart en verzamelt informatie om te weten wat er op de Noordzee gebeurt om de taken te kunnen uitvoeren. Over de inlichtingenpositie, werkwijze en activiteiten worden in het openbaar geen uitspraken gedaan, om te voorkomen dat tegenstanders en kwaadwillende inzage wordt gegeven in de modus operandi van de Kustwacht of de Koninklijke Marine.
Welke acties onderneemt het kabinet om heel snel een einde te maken aan het gesteggel over geld tussen de departementen die betrokken zijn bij het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI)?
Onder coördinatie van IenW is in 2023 het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee infrastructuur (PBNI) in het leven geroepen. Op dat moment is PBNI met IenW, DEF, JenV, EZ, KGG en BZ aan de slag gegaan met het maken van een Actieplan, analyses van dreigingen en het in kaart brengen van de meest kritieke infrastructuur in en op de Noordzee. PBNI heeft de afgelopen jaren diverse resultaten geboekt. Zo is er onder andere geïnvesteerd in versterkte beeldopbouw met onder meer een extra patrouilleschip, een verbetering van de communicatie op zee voor de Kustwacht, extra satellietcapaciteit, versterking van de publiek-private en de internationale samenwerking en is er een proeftuin gestart voor datafusie.
In deze proeftuin komt data van verschillende organisaties bij elkaar en wordt deze vervolgens gezamenlijk geanalyseerd om zo een betere beeldopbouw (Maritime Situational Awareness en Maritime Situational Understandig) te krijgen op en in de Noordzee. Daarnaast wordt nu intensief gewerkt aan meer handelingsopties om bijvoorbeeld de schaduwvloot aan te pakken. Ook wordt onderzocht hoe een mogelijk NMSC kan worden ingericht en welke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen betrokken departementen (Defensie, JenV en IenW) het meest effectief is. Met deze informatie kan een nieuw kabinet een besluit nemen over het vervolg van PBNI vanaf 2026 en verder, inclusief bijbehorende financiering.
Ziet het kabinet mogelijkheden om een deel van de financiële tekorten via Europese middelen te dekken, gelet op het feit dat Nederland een belangrijke Europese toegangspoort vormt voor trans-Atlantische datakabels?
Momenteel wordt door PBNI onderzocht welke financiële mogelijkheden vanuit de Europese Unie mogelijk zijn, bijvoorbeeld via het EU Action Plan on Cable Security. Echter, dit is geen structurele oplossing voor de financiële middelen die de uitvoering van het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee infrastructuur nodig heeft. De Europese middelen kunnen als aanvulling worden gebruikt voor specifieke projecten, zoals de integratie van data of het gebruik van AI bij de analyse van scheepvaartbewegingen.
Ziet het kabinet daarnaast een rol voor de NAVO bij het versterken van de bescherming van onderzeese datakabels en andere kritieke maritieme infrastructuur?
Het kabinet heeft een goede en intensieve samenwerking met de NAVO voor de versterking van de bescherming van kritieke maritieme infrastructuur. Zo is op het NAVO-hoofdkwartier in Brussel een coördinatiecel ingericht om NAVO-initiatieven op dit gebied te versnellen en is een Critical Undersea Infrastructure Network opgericht om samenwerking en afstemming tussen bondgenoten, NAVO-partners en private partijen te bevorderen. Tevens is er een NATO Maritime Centre for the Security of Critical Undersea Infrastructure (NMCSCUI) bij het NATO Allied Maritime Command ingericht, dat in mei 2024 initial operational capable is verklaard. Wanneer het NMCSCUI gereed is, moet het in staat zijn om te voorzien in situationeel bewustzijn over het maritieme dreigingslandschap met betrekking tot kritieke maritieme infrastructuur. Tot slot patrouilleren beide noordelijke vlootverbanden van de NAVO geregeld in de Noordzee en Oostzee.
Nieuwe problemen met vergoedingen voor gedupeerden |
|
Sandra Beckerman |
|
van Marum |
|
De SP is in bezit van een document van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) waarin staat dat de vaste vergoeding voor zelf aangebrachte voorzieningen (hierna: ZAV) in 2026 6.500 euro zal bedragen, woningbouwcorporatie Wierden en Borgen heeft dit ook aan huurders verteld. Klopt het dat deze aangekondigde hogere vergoeding nu niet doorgaat? Waarom is hiervoor gekozen?
Deelt u onze mening dat het wrang is dat sommige huurders al te horen hebben gekregen dat de forfaitaire ZAV vergoeding verhoogd zou worden en nu niet het bedrag krijgen dat hen in het vooruitzicht is gesteld?
Bent u bereid de forfaitaire ZAV vergoeding alsnog te verhogen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke andere vergoedingen worden in 2026 niet geïndexeerd? Kunt u voor alle vergoedingen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de NCG aangeven welke indexatie er plaatsvindt?
Klopt het dat bewoners in Tjamsweer tijdens een presentatie over de sloop van hun woning beloofd is dat ze in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor zelf aangebrachte voorzieningen en nu alsnog een afwijzing van de NCG krijgen?
Waarom komen deze bewoners niet in aanmerking voor de ZAV regeling van de NCG?
Erkent u dat hier weer ongelijkheid ontstaat tussen bewoners? Waarom wordt hiervoor gekozen?
Bent u bereid de huurders uit Tjamsweer en mogelijke andere huurders die nu niet in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor ZAV via de NCG alsnog voor deze regeling in aanmerking te laten komen?
Waarom stoppen de «Subsidie Verduurzaming Groningen – € 7.000» en de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen – € 17.000» op 31 mei aanstaande?
Gedupeerden in de versterkingsoperatie die nog wachten op een beoordeling van de NCG krijgen nu een afwijzing voor de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen». Kunt u garanderen dat alle rechthebbende gedupeerden alsnog in aanmerking komen voor deze subsidieregelingen? Wanneer dat niet zo is, dan ontstaat toch opnieuw ongelijkheid omdat gedupeerden die «toevallig» eerder een beoordeling kregen van de NCG wél en gedupeerden die nog wachten op een beoordeling niet in aanmerking zijn gekomen voor dit geld?
In Nij Begun is een maatregel (16) opgenomen om mensen die nog wachten op de versterking te compenseren met 2.500 euro. Een deel van de mensen die nu nog wachten hebben dit geld ook nog niet gekregen, waarom is hiervoor gekozen?
Erkent u dat het krom is dat compensatie voor het lange wachten nu alweer jaren op zich laat wachten?
Wanneer zullen alle rechthebbende bewoners dit bedrag ontvangen hebben?
Waarom is geen uitvoer gegeven aan een aangenomen Kamermotie (Kamerstuk 33 529, nr. 1334) om te zorgen dat alle bewoners dit bedrag voor 1 november 2025 zouden hebben ontvangen?
Bewoners die al gebruik hebben kunnen maken van de 2.500 euro regeling (maatregel 16) hebben dit bedrag op de rekening ontvangen, bij bewoners die nog wachten wordt het opgenomen in hun versterkingsbudget en is het dus niet vrij besteedbaar. Waarom is hiervoor gekozen?
Erkent u dat dit weer een keuze voor ongelijkheid tussen gedupeerden is? Bent u bereid dit terug te draaien?
Het artikel 'Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief' |
|
Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief», waarin wordt gesteld dat de invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten kan leiden tot hogere systeemkosten en hogere energierekeningen voor consumenten en bedrijven?1
Ja.
Wat betekent een invoedingstarief voor bestaande projecten die zijn gerealiseerd zonder rekening te houden met een dergelijk tarief?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en het vroegtijdig uit gebruik nemen van bestaande productielocaties. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve impact is mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en overgangsperiode, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten. Dit zou echter niet problemen voorkomen die ontstaan bij projecten met een bestaande SDE++ subsidiebeschikking. Dit wordt nader toegelicht in antwoorden op vraag 4 en 5.
Wat is, op basis van de huidige inzichten, de verwachte impact van een invoedingstarief op de investeringsbereidheid en de businesscase van nieuwe wind- en zonne-energieprojecten, en in andere kapitaalintensieve energieprojecten zoals kerncentrales?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen verwacht u dat een invoedingstarief heeft voor het tijdig halen van de klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder met oog op de uitrol van hernieuwbare elektriciteitsproductie van eigen bodem?
De projecten die bijdragen aan nationale productie van hernieuwbare elektriciteit zijn onmisbaar voor de klimaatdoelstellingen voor 2030. Voor de ontwikkeling of operatie van deze projecten is een acceptabele business case nodig, anders komen de projecten niet tot stand. Als het invoedingstarief niet geabsorbeerd, doorberekend of gecompenseerd kan worden, zal dit een negatief effect hebben op de business case van deze projecten en daarmee op de hoeveelheid nationale productie van hernieuwbare elektriciteit. Projecten die op tijd worden gerealiseerd om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 hebben waarschijnlijk al een subsidiebeschikking ontvangen. Bij deze projecten is het, zoals in het antwoord op vraag 5 hieronder is toegelicht, niet goed mogelijk om rekening te houden met de financiële effecten van een invoedingstarief. Voor projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben, bestaat daardoor een wezenlijk risico op non-realisatie. Er bestaat daarom, afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode, een risico dat een invoedingstarief de realisatie van klimaatdoelstellingen voor 2030 in de weg staat of moeilijker maakt.
Ziet u mogelijkheden om de financiële impact van een invoedingstarief voor bestaande en nieuwe projecten te mitigeren, bijvoorbeeld via de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of een opvolgende subsidieregeling?
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
Hoe beoordeelt u het risico dat kosten die via een invoedingstarief bij producenten worden neergelegd, uiteindelijk via subsidies weer moeten worden gecompenseerd, waardoor per saldo geen kostenbesparing maar juist extra systeemkosten ontstaan?
Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel van dit tarief dat niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, die het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken met financiële middelen van de overheid. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren. Het lijkt dus waarschijnlijk dat de hogere kosten voor producenten deels door de overheid zullen moeten worden gecompenseerd. Dit betekent dat met dezelfde beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden.
De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Een invoedingstarief leidt tot een herverdeling van netkosten tussen afnemers en invoeders, waarbij de afnemers minder netkosten gaan betalen en de invoeders meer. Een voordeel van een invoedingstarief kan daarnaast zijn dat deze producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, zoals het vermijden van invoedingspieken. Dit kan op termijn de noodzaak voor dure netverzwaringen voorkomen. De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Een kwantitatieve schatting van deze effecten en het uiteindelijke resultaat is pas te maken wanneer er sprake is van een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief.
Ziet u risico’s dat een invoedingstarief, door het afremmen van investeringen in binnenlandse productie, ook een negatieve impact kan hebben op de leveringszekerheid van energie in Nederland?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Hoe verhoudt een invoedingstarief zich tot andere maatregelen die netefficiënt gedrag kunnen bevorderen?
Ja, het kabinet is bekend met de conclusies uit de appreciatie van het IBO.
De belangrijkste toegevoegde waarde van een invoedingstarief is dat het producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, waardoor op termijn de kosten van het elektriciteitsnet kunnen afnemen. Een dergelijke prikkel via de nettarieven is binnen de huidige kaders niet vorm te geven, omdat voor invoeding nu geen nettarief wordt gerekend. Tegelijkertijd kunnen vergelijkbare prikkels voor efficiënter netgebruik deels ook via andere instrumenten worden georganiseerd, zoals flexibele aansluit- en transportvoorwaarden, flexibiliteitscontracten, en via aanpassingen in de tendervoorwaarden voor wind op zee of de subsidievoorwaarden van de SDE++. Zo wordt in de SDE++ vereist dat zon-PV slechts op 50% van het piekvermogen wordt aangesloten, om hoge netkosten ter facilitering van piekbelasting te voorkomen. Deze instrumenten zijn moeilijk categorisch te vergelijken met een invoedingstarief, omdat zij op uiteenlopende manieren kunnen worden vormgegeven en vaak verschillende effecten hebben voor verschillende partijen. Of de alternatieve instrumenten een sterkere negatieve impact zouden hebben op de business case is afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief.
Bent u bekend met de conclusies uit de appreciatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) «Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur' (Kamerstuk 29 023, nr. 567), waarin wordt gewezen op aanzienlijke potentiële kostenbesparingen door flexibel netgebruik, en kunt u toelichten in hoeverre deze alternatieven effectiever of doelmatiger zijn dan een invoedingstarief?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre wordt bij de afweging rond een invoedingstarief gekeken naar de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere Europese landen? Wordt een vergelijkbaar tarief elders in Europa ingevoerd, en zo ja, met welke effecten op investeringen en netcongestie?
In haar consultatiedocument over het invoedingstarief heeft de ACM aangegeven dat het mogelijk is om de maximale hoogte van het invoedingstarief te beperken met het oog op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten. De ACM stelt echter ook dat een verlaagd tarief minder kostenreflectief is en minder goede prikkels geeft voor efficiënt netgedrag.
Binnen Europa is slechts zeer beperkt sprake van harmonisatie van nettarieven voor elektriciteit. Hierdoor bestaan tussen lidstaten grote verschillen. In ca. 60% van lidstaten bestaat geen of verwaarloosbaar invoedingstarief. Het aandeel lidstaten met een invoedingstarief lijkt over de jaren wel licht te groeien. In de 40% van de lidstaten met een invoedingstarief is het aandeel van de totale netkosten dat in lidstaten met een substantieel invoedingstarief wordt toegerekend aan invoeders uiteenlopend, verschillend voor transmissie en distributie. Ook worden in lidstaten met een invoedingstarief verschillende soorten kostenposten wel en niet daarin opgenomen. In lidstaten waar een invoedingstarief bestaat, is vervolgens in veel gevallen sprake van ontheffingen of verlagingen van het invoedingstarief, bijvoorbeeld voor kleine producenten, voor bepaalde technieken (zoals offshore wind of batterijen), of vanwege de inzet van een installatie voor bepaalde systeemdoeleinden. Dit maakt een directe vergelijking met andere lidstaten niet goed mogelijk.
De nettarievenstructuur binnen veel lidstaten is in beweging. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
De Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors |
|
Derk Boswijk (CDA), Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors, die stelt dat ruim 388 miljoen christenen wereldwijd te maken hebben met discriminatie en zware vervolging vanwege hun geloofsovertuiging?1
Ja. Op 19 januari jl. heb ik de Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors persoonlijk in ontvangst genomen.
Herkent u de trends, namelijk dat het aantal Christen dat te maken heeft met discriminatie en zware vervolging voor hun geloof toeneemt, die Open Doors in haar onderzoek laat zien?
Het kabinet herkent de zorgelijke trends die in het rapport van Open Doors worden geschetst en ziet eveneens dat christenen in verschillende delen van de wereld in toenemende mate te maken hebben met discriminatie, vervolging en geweld. Dit is, helaas, onderdeel van een bredere ontwikkeling waarin mensenrechten wereldwijd onder toenemende druk staan. De oorzaken zijn divers en omvatten onder meer de opkomst van autoritaire regimes, verslechterende socio-economische omstandigheden, de impact van gewapende conflicten, instabiliteit en escalerend geweld, onder andere in delen van Sub-Sahara Afrika. In deze context worden vaak ook andere religieuze en etnische minderheden getroffen. Vrijheid van religie en levensovertuiging is daarom al jaren één van de kernprioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Het kabinet blijft zich inzetten voor de bescherming van christenen en andere religieuze minderheden wereldwijd.
Heeft u zicht op de veiligheidssituatie in Syrië voor religieuze en etnische minderheden sinds de val van het Assad-regime, en kunt u daarbij specifiek ingaan op de situatie voor Christenen?
De veiligheidssituatie in Syrië is complex en volatiel. Het kabinet onderkent dat minderheden, onder wie christenen, zich hierbij in een kwetsbare positie bevinden. Meldingen van maatschappelijke organisaties, waaronder Open Doors, onderschrijven deze kwetsbaarheid. Tegelijkertijd geldt dat onafhankelijke informatie over de positie van religieuze en etnische minderheden, waaronder christenen, beperkt beschikbaar is en er veel nepnieuws rondgaat op het internet. Het is daarom soms moeilijk te achterhalen wat de precieze feiten zijn.
De Syrische overgangsregering, onder leiding van interim-president al-Sharaa, presenteert tot op heden een hervormingsagenda gericht op een inclusieve politieke transitie, herstel van basisvoorzieningen, wederopbouw en gerechtigheid voor misdaden. In zijn uitlatingen het afgelopen jaar benadrukt Al-Sharaa regelmatig verzoening, inclusiviteit en hervormingen. Tegelijkertijd tonen ernstige geweldsincidenten in onder meer Suweida en de kustregio aan dat de overgangsregering meer concrete stappen moet zetten om de veiligheid en rechten van alle Syrische etnische- en religieuze gemeenschappen te borgen.
Het kabinet spreekt zich in contacten met de Syrische overgangsregering consequent uit over het belang van een inclusieve politieke transitie en bescherming van alle Syrische gemeenschappen, en blijft de ontwikkelingen nauwgezet volgen.
Hoe waardeert u de veranderingen in de veiligheidssituatie voor religieuze en etnische minderheden sinds de val van het Assad-regime? Kunt u in uw antwoord de bevindingen van Open Doors meenemen die een forse toename van het aantal vervolgde Christenen in Syrië laat zien?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden ziet u om via de Syrië-gezant en andere bilaterale of multilaterale contacten met de Syrische regering te pleiten voor grondwetsherzieningen die volledig en gelijk burgerschap garanderen voor alle Syrische burgers, ongeacht religie, etniciteit of geslacht?
Het kabinet zet zich bilateraal en multilateraal in voor een inclusieve politieke transitie in Syrië, gebaseerd op mensenrechten, rechtsstatelijkheid en gelijk burgerschap. Dit gebeurt via diplomatieke kanalen, multilaterale fora en internationale samenwerking.
Wat zijn de mogelijkheden om op nationaal en EU-verband de Syrische regering te stimuleren op te treden bij geweldsincidenten, discriminerende en intimiderende uitingen naar religieuze gemeenschappen en de verantwoordelijken te laten arresteren en vervolgen?
Nederland blijft dit thema zowel nationaal als in EU-verband agenderen via diplomatieke kanalen, multilaterale fora en Europese mensenrechteninzet, met nadruk op bescherming van alle gemeenschappen, naleving van mensenrechten en het bestrijden van straffeloosheid.
Een concreet voorbeeld is het Nederlands lidmaatschap van de Syria Core Group in de VN Mensenrechtenraad. Als lid van deze groep zet Nederland zich in voor een mandaatverlenging van de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (CoI), zodat deze gedegen en onafhankelijk onderzoek kan blijven doen naar mensenrechtenschendingen in Syrië – waaronder tegen religieuze gemeenschappen.
Hoe is uw zicht op de door Open Doors geconstateerde verdere verslechtering van de situatie in veertien landen in Sub-Sahara Afrika, waarbij in Nigeria wederom de meeste moorden op christenen werden gepleegd?
Het kabinet veroordeelt het geweld in Sub-Sahara Afrika en deelt de zorgen over het grote aantal slachtoffers dat hierbij valt, onder wie christenen. Nederland bekijkt voortdurend hoe onze diplomatieke en programmatische inzet te verbeteren op conflictpreventie, stabiliteit en vrijheid van religie en levensovertuiging binnen de beschikbare middelen, en volgt de situatie in de verschillende landen nauwlettend.
Welke kansen ziet u om gebruik te maken van de aankomende Universal Periodic Reviews van de VN-mensenrechtenraad om aandacht te vragen voor mensenrechtenschendingen en misstanden op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging in bijvoorbeeld Niger, Mozambique, Syrië, Somalië en Soedan?
Vrijheid van Religie en Levensovertuiging is een van de prioriteiten waarop Nederland regelmatig aanbevelingen formuleert in Universal Periodic Reviews (UPRs) van andere lidstaten2; het kabinet zal dit ook blijven doen. Wanneer het betreffende land op de agenda van de UPR staat zal gekeken worden naar concrete aandachtspunten om de mensenrechtensituatie aldaar te verbeteren. Waar relevant zullen aanbevelingen op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging daar onderdeel van uitmaken (zie ook het antwoord op vraag 9).
Bent u bereid om het geweld tegen Christenen in Nigeria onder de aandacht te brengen tijdens bilaterale en multilaterale contacten, met een nadruk op de religieuze component van deze grootschalige moorden, zoals wordt aangetoond door Open Doors?
Ja. Nederland zet zich zowel bilateraal als multilateraal in voor conflictpreventie en de bescherming van religieuze minderheden in Nigeria en zal dat blijven doen. Deze zorgen zijn in 2025 consistent overgebracht aan de Nigeriaanse overheid, onder meer tijdens de jaarlijkse bilaterale consultaties in november jl., in het gesprek tussen de Minister-President en de President van Nigeria in augustus jl., en tijdens het bezoek van de mensenrechtenambassadeur aan Nigeria in mei jl.
Daarnaast brengt Nederland de positie van christenen en andere religieuze minderheden actief onder de aandacht in multilaterale fora, waaronder de EU en de Verenigde Naties. Zo heeft Nederland binnen de VN Mensenrechtenraad aandacht gevraagd voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nigeria en is dit onderwerp ingebracht tijdens de Universal Periodic Review (UPR) van Nigeria. Ook werkt Nederland samen met gelijkgezinde landen om vrijheid van religie en levensovertuiging te agenderen, onder meer binnen de EU en internationale coalities gericht op geloofsvrijheid.
Welke mogelijkheden ziet u om diplomatieke druk op de Nigeriaanse overheid uit te oefenen, en mogelijk Nederlandse of Europese assistentie te verlenen, om zorg te dragen voor bescherming van christelijke gemeenschappen, ondersteuning bij en veilige terugkeer en accurate vervolging van daders?
Nederland pleit binnen de EU voor het verhogen van veiligheidssteun en conflictpreventieprojecten in Nigeria en krijgt hiervoor steun van andere lidstaten. De EU heeft toegezegd hierop in te zetten, onder andere via een ministeriële conferentie en een vredes- en veiligheidsdialoog gepland in de eerste helft van dit jaar. Daarnaast is Nederland een van de grootste donoren in Nigeria op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging. In de periode 2021–2025 is via het Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA) circa EUR 7 miljoen ingezet in Nigeria.
Binnen het nieuwe FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» is voor de periode 2026–2031 EUR 35 miljoen gereserveerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd. Dit instrument richt zich op meerdere landen die voorkomen op de Ranglijst Christenvervolging, waaronder Nigeria, en heeft als doel de vrijheid van religie en levensovertuiging te versterken, religieuze minderheden te beschermen en lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen.
Welke gelegenheden ziet u om opvolging te geven aan de bilaterale contacten met Algerije om aan te dringen op opening van kerken en andere gebouwen waar christenen samen willen komen, gevallen van strafvervolging tegen predikanten in te trekken en registratieprocedures te vereenvoudigen?
De Nederlandse ambassade in Algiers spreekt regelmatig met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen in Algerije en met het Ministerie van Religieuze Zaken. De ervaring leert dat het uitdagend zal blijven om op korte termijn de gewenste resultaten te behalen. Het is daarnaast vaak niet productief voor de religieuze minderheden om ter plaatse al te vocaal te zijn op dit thema. Waar mogelijk deelt de ambassade echter de Nederlandse visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en/of mensenrechten in brede zin.
Bent u bereid om zich in de EU hard te maken om de benoeming van een speciaal gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging, die al eerder door de voorzitter van de Europese Commissie aangekondigd is, in de EU te bespoedigen?
De benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid ligt bij de Europese Commissie. De Commissie heeft aangegeven dat de selectieprocedure loopt, maar op dit moment is nog geen concrete datum bekend voor afronding en aanstelling. Nederland blijft zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief inzetten voor een spoedige benoeming. Dit gebeurt via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie consequent te benadrukken in relevante EU-fora. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant van groot belang voor een consistente en zichtbare inzet van de EU op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging.
Heeft het kabinet een actieve benadering om digitale controle en vervolging zoals die bijvoorbeeld plaatsvindt in China en ook India bespreekbaar te maken in contacten met deze landen? Zo niet, bent u bereid hieraan te werken?
Toenemende digitale controle en repressie zijn voor het kabinet een punt van zorg. Nederland spant zich internationaal en bilateraal in om dit onderwerp te adresseren. De digitale repressie van religieuze groepen, inclusief christenen, is onderdeel van deze inzet. Nederland was tot voor kort voorzitter van de Freedom Online Coalitie en gebruikt dit platform om verantwoordelijk gebruik van surveillancetechnologie wereldwijd te promoten, bijvoorbeeld via de Guiding Principles on Government Use of Surveillance Technologies. Nederland is tevens actief in de International Freedom of Religion or Belief Alliance, waar het zich specifiek inzet voor de bescherming van religieuze minderheden. De jaarlijkse EU-mensenrechtendialoog met India en China (heropgestart in 2025) fungeert als een vast instrument om deze thema’s in EU-verband te adresseren. Nederland zal deze inzet blijven voortzetten.
Heeft u er zicht op of mogelijk Europese of zelfs Nederlandse technologie gebruikt wordt voor digitale controle en vervolging in China en India? Bent u bereid om zich in te zetten dat Europese en Nederlandse technologie hier niet toe gebruikt kan worden in deze landen?
Het kabinet acht het van groot belang dat Europese en Nederlandse technologie niet wordt ingezet voor digitale controle en vervolging in strijd met mensenrechten. Een van de instrumenten hiertoe is het exportcontrolebeleid. De Europese Dual-Use Verordening is het wettelijk kader waartoe Nederland zich verhoudt als het gaat om goederen voor tweeërlei gebruik. De vergunningplicht geldt daarbij voor bepaalde goederen, is niet gericht op specifieke landen en heeft tot doel om via controle voorafgaand aan de export ongewenst eindgebruik tegen te gaan. Het beleid is daarmee landenneutraal. Deze verordening voorziet in de mogelijkheid om te toetsen op het risico dat bepaalde goederen en technologie op ongewenste wijze worden ingezet met mensenrechtenschendingen als gevolg. Met de introductie van de cybersurveillance-bepaling in de herziene verordening van 2021 zijn mensenrechten een meer centrale rol gaan spelen in exportcontrole.
Bij vergunningaanvragen voor export van gecontroleerde goederen, programmatuur en technologie toetst het kabinet dan ook expliciet op het risico op mensenrechtenschendingen. Bij zorgen over het eindgebruik of de eindgebruiker in relatie tot mensenrechtenschendingen, wordt een vergunningaanvraag in principe afgewezen. Daarnaast verwijst de verordening expliciet naar de verantwoordelijkheid van bedrijven om internationaal maatschappelijk verantwoord te ondernemen.
Young Global Leaders van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente ontkennende antwoord van de Minister van Defensie, namens de regering, op de vraag of de Koning wellicht een World Economic Forum «Young Global Leader» is (geweest)?1
Is het correct dat in de Oostenrijkse krant Der Standard van 21 januari 2005, één van de meest gelezen en gerespecteerde kranten van Oostenrijk, in een artikel over de Young Global Leaders van het World Economic Forum, de Koning (toen kroonprins) expliciet wordt genoemd als één van de Young Global Leaders van het World Economic Forum? Zo nee, waarom niet?2
Hoe verhoudt de bewering in dit Oostenrijkse krantenartikel dat «der niederländische Prinz Willem-Alexander» een van de «ausgewählten Führungspersönlichkeiten» van het Young Global Leaders programma van het World Economic Forum zou zijn, zich tot het antwoord van de Minister van Defensie dat de Koning geen «Young Global Leader» van het World Economic Forum is (geweest)? Is de bewering dat de Koning een Young Global Leader is (geweest) in deze Oostenrijkse krant wellicht feitelijk onjuist?
Bent u op de hoogte van deze (onlangs verwijderde maar via het «internet archief» natuurlijk altijd weer te achterhalen) webpagina op de website van het «Young Global Leaders» programma zélf waarin de Koning (toen kroonprins) expliciet vermeld staat als één van de «Young Global Leaders» van het World Economic Forum?3
Is de vermelding op deze onlangs verwijderde webpagina van het «Young Global Leaders» programma zélf correct? Met andere woorden, was de Koning, als kroonprins, een «Young Global Leader» van het World Economic Forum? Ja of nee?
Hoe kan het zo zijn dat de regering in antwoord op Kamervragen aangeeft dat de Koning geen «Young Global Leader» is (geweest) terwijl op de website van het «Young Global Leaders» programma zélf (en in een Oostenrijks krantenartikel) de Koning (toen kroonprins) expliciet wél wordt genoemd als een «Young Global Leader» van het World Economic Forum?
Kunt u de bovenstaande vragen apart en binnen drie weken beantwoorden?
Het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden en berichtgeving over het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke wettelijke bevoegdheden het voor lokale autoriteiten mogelijk is om lopende kerkdiensten te beëindigen en de voorganger te arresteren? Kunt u toelichten of deze wettelijke bevoegdheden afgelopen vrijdag, 9 januari 2026, juist zijn toegepast?
Het is aan de bevoegde autoriteiten, in het bijzonder de burgemeester, en niet aan mij als Minister om te beoordelen wanneer zij hun bevoegdheden correct kunnen toepassen. De burgemeester legt voor zijn handelen verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg geeft in zijn raadsbrief2 van 13 januari 2026 aan dat op grond van de evenementenregeling in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Tilburg is gehandeld. Op grond van de APV is aan de organisator medegedeeld dat er volgens het oordeel van de burgemeester sprake is van een onvergund evenement, en dat deze daarom op grond van de APV niet is toegestaan.
Hierna richt ik mij in de antwoorden op de gestelde vragen op de uitleg van de relevante wet- en regelgeving als zodanig en zal ik niet ingaan op de casuïstiek in de gemeente Tilburg.
Op grond van artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden mag de politie tijdens godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten slechts bij een ontdekking op heterdaad of na toestemming een ruimte bestemd voor dergelijke bijeenkomsten binnentreden. Voor de toepasselijkheid van deze norm is het dus van belang dat de eredienst bezig is en dat de ruimte bestemd is godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten.
Binnen een gebouw of besloten ruimte kan het belijden van een godsdienst op grond van artikel 6, eerste lid, Grondwet alleen in specifieke gevallen worden beperkt, die in een wet in formele zin worden bepaald. Denk daarbij aan bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, die op grond van de hiervoor genoemde Algemene wet op het binnentreden in uiterste gevallen ook tijdens een godsdienstoefening kunnen worden gehandhaafd. Ook moeten kerken zich houden aan bepaalde algemene regels niet specifiek gericht zijn op het beperken van de vrijheid van godsdienst, zoals brandveiligheidsnormen of regels uit het omgevingsplan, ook als die in lagere regelgeving zijn vastgelegd.
De Wet openbare manifestaties (Wom) geeft het lokale bestuur in lijn met artikel 6, tweede lid, Grondwet, bevoegdheden om religieuze manifestaties en betogingen buiten gebouwen of besloten plaatsen te reguleren, op een wijze die in overeenstemming is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vereniging en vergadering. Van belang is dat de inhoudelijke (religieuze) boodschap van een manifestatie nooit reden kan zijn om over te gaan tot regulering (enkel ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden). In het uiterste geval kan een eredienst buiten een gebouw of besloten ruimte worden beëindigd, indien een van bovengenoemde gronden daar aanleiding toe geeft.
Deelt u de opvatting dat er sprake was van een kerkdienst, in plaats van van een evenement, die niet als vergunningsplichtig kan worden aangemerkt onder het evenementenbeleid van gemeenten? Zo nee, op welke wettelijke basis baseert u dat oordeel? Hoe wordt voorkomen dat via het evenementenbeleid de grondwettelijke vrijheid van godsdienst wordt uitgehold?
Het is aan een gemeente en niet aan mij als Minister om in een concreet geval te bepalen, in overeenstemming met toepasselijke regelgeving, of een bijeenkomst binnen een gebouw als te vergunnen evenement moet worden beschouwd of het karakter heeft van een eredienst. Daarbij geldt in algemene zin het uitgangspunt dat de overheid zich terughoudend opstelt ten aanzien van het oordeel dat een bepaalde situatie geen bescherming geniet onder de vrijheid van godsdienst. Verder geldt dat een reguliere kerkdienst in een gebouw of besloten ruimte niet geldt als evenement in de zin van een vergunningenstelsel uit een gemeenteverordening. Dergelijke beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging kunnen op grond van de Grondwet immers slechts bij wet in formele zin worden gesteld.
Hoe beoordeelt u de besluitvorming van de gemeente en de politie in het licht van de scheiding van kerk en staat en de grondwettelijke vrijheden van godsdienst, meningsuiting en vergadering? Hoe beoordeelt u de uitspraak van de gemeente dat de grondwettelijke vrijheid van godsdienst niet meegenomen is in de afweging?2
Het is aan de bevoegde organen van een gemeente om te beoordelen of een specifieke bijeenkomst in een gemeente bescherming geniet onder een van de genoemde grondwettelijk vrijheidsrechten. Burgemeester en wethouders leggen over de omgang met deze belangrijke grondrechten verantwoording af aan de gemeenteraad.
Als daar aanleiding toe is, zijn de bevoegde organen van een gemeente bij de beoordeling van de aard van een bijeenkomst gehouden rekening te houden met mogelijke gelding van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vergadering en betoging. Het principe van de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van meningsuiting brengen met zich mee dat de (religieuze) boodschap die bij een bijeenkomst wordt uitgedragen op zich geen reden mag zijn om een bijeenkomst te normeren.
Bent u het eens met diverse rechtsgeleerden die zeer kritisch zijn op de gang van zaken en deze «miskleun» een «unicum in de Nederlandse geschiedenis» noemen?3 Zo nee, waarom niet?
In Nederland is het recht om de godsdienst of levensovertuiging gezamenlijk te belijden een groot goed. Dit grondrecht om te kunnen leven volgens de diepste overtuigingen is een fundamentele pijler van de democratische rechtsstaat en wordt gewaarborgd door de Grondwet en mensenrechtenverdragen. Gelovigen kunnen erop vertrouwen dat dit recht wordt beschermd en dat zij hierbij kunnen rekenen op de overheid. Mocht in een concrete situatie sprake blijken van een handelwijze door de overheid die op gespannen voet staat met de vrijheid van godsdienst, dan zijn er verschillende manieren om dit te adresseren of te repareren. Denk hierbij aan het stelsel van checks and balances in de lokale democratie en aan de toegang tot een onafhankelijke rechter die het openbaar bestuur kan corrigeren.
Deelt u de opvatting dat de overheid bij religieuze bijeenkomsten een bijzondere terughoudendheid dient te betrachten en dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is? Was ingrijpen in deze situatie gerechtvaardigd conform vaste rechtsopvattingen dat binnentreding slechts bij hoge uitzondering is toegestaan? In hoeverre was er een risico voor de handhaving van de openbare orde waardoor eventuele stillegging van de bijeenkomst gerechtvaardigd zou kunnen zijn?
Ja, wanneer een bijeenkomst onder de bescherming van de vrijheid van godsdienst valt, moet de overheid bijzonder terughoudend optreden. Onder andere betekent deze terughoudendheid dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk en evenredig is en er geen minder verstrekkende alternatieven zijn. Het voorkomen van wanordelijkheden kan in bepaalde gevallen een reden zijn voor een burgemeester om in te grijpen bij een godsdienstige bijeenkomst in de openbare ruimte. Bij bijeenkomsten binnen gebouwen geldt een nog hogere drempel voor binnentreden en eventuele interventie, zoals ik hierboven heb aangegeven. Of deze bevoegdheid in een specifieke lokale context juist is toegepast, en of bijvoorbeeld een juiste risico-inschatting is gemaakt, is niet aan mij om te beoordelen.
Welke richtlijnen en instructies gelden er momenteel voor politie en lokale overheden bij handhaving rond religieuze bijeenkomsten en acht u deze richtlijnen voldoende duidelijk om dit soort situaties te voorkomen?
Het is niet aan mij als Minister om me uit te spreken over hoe lokale overheden gemeentelijke normen handhaven. Het eventueel opstellen van richtlijnen en instructies daarbij is een kwestie van lokale autonomie. De gemeenteraad en in het uiterste geval de rechter controleren en beoordelen of deze bevoegdheden juist zijn toegepast.
Hoe beoordeelt u het standpunt van de gemeente Tilburg dat het gebruik van een pand voor religieuze bijeenkomsten mogelijk in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en deelt u de opvatting dat het juridisch vergezocht is om op die grond een kerkdienst te beëindigen?
Het opstellen en handhaven van een omgevingsplan is aan het gemeentebestuur. Wat precies mogelijk is onder een bestemming of functie in het omgevingsplan, is afhankelijk van de gebruiksregels die in een specifiek omgevingsplan aan de functie zijn gekoppeld. Functies in een omgevingsplan worden gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wat binnen een functie wel of niet mogelijk is moet gemotiveerd zijn door de evenwichtige functietoedeling aan locaties. Dat betekent dat wordt gekeken naar de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van een bepaald gebruik, zoals de toestroom van bezoekers en de geluidsproductie. Enkel het religieuze karakter van een activiteit kan geen reden zijn dat deze niet past binnen een bepaalde functie. Het kan wel zo zijn dat een bepaalde functie het houden van bijeenkomsten zoals een eredienst uitsluit, maar ook andere gebruiken met vergelijkbare gevolgen. In het algemeen geldt verder dat met een beroep op de godsdienstvrijheid niet zomaar aanspraak kan worden gemaakt op vrijstelling van een omgevingsplan.
Hoe beoordeelt u het voornemen van de gemeente Tilburg om te onderzoeken welke panden en locaties zonder vergunning worden gebruikt voor religieuze bijeenkomsten en de handhaving hierop te intensiveren? Ziet u hierin het risico dat een precedent wordt geschapen voor verdere inperking van religieuze vrijheden?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het ermee eens dat de interpretatie dat maatschappelijke of onderwijsbestemmingen religieuze bijeenkomsten uitsluiten onjuist is, zeker gezien het feit dat veel kerken in Nederland samenkomen in dergelijke gebouwen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe voorkomt u dat religieus analfabetisme bij lokale overheden leidt tot onbegrip, escalatie en onrechtmatige inperking van grondwettelijke vrijheden? Ziet u aanleiding om de handreiking die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten is opgesteld opnieuw onder de aandacht te brengen bij gemeenten en bestuurders om religiestress te voorkomen en adequaat optreden van gemeenten te realiseren?4
Zonder een oordeel te vellen over deze kwestie, kan ik vaststellen dat zich in Nederland nauwelijks situaties voordoen waarbij een dienst wordt beperkt door het lokale bestuur of politieoptreden. Zoals ik hierboven heb aangegeven is het normenkader ten aanzien van de vrijheid van godsdienst van hoog niveau, en zijn er voldoende correctiemogelijkheden, mocht dit in uitzonderlijke gevallen niet juist worden toegepast. Ik zie dan ook op dit moment geen reden om, als verantwoordelijke Minister voor het stelsel van grondrechten in de Grondwet, stappen te ondernemen. De vrijheid van godsdienst is goed gewaarborgd.
Wel kan ik wijzen op de – ook door de Kamerleden aangehaalde – handreiking Tweeluik religie en publiek domein, dat in 2019 is gepubliceerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG. In 2023 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer door middel van een brief uitgelegd hoe deze handreiking blijvend onder de aandacht wordt gebracht van de gemeentebesturen.6
Welke stappen bent u bereid te zetten om de ontstane onrust onder kerken en gelovigen weg te nemen en te waarborgen dat kerkdiensten en andere religieuze bijeenkomsten niet onnodig of lichtvaardig worden beperkt door het lokaal bestuur of politieoptreden?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht 'Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden' |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden»?1
Bent u op de hoogte van het incident waarbij AI-chatbot Grok door gebruikers werd aangespoord om seksuele deepfakes van minderjarige meisjes te genereren, en dat deze beelden tot wel 12 uur online hebben gestaan voordat ze werden verwijderd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit incident in het licht van de Digital Services Act (DSA) verplichtingen ten aanzien van bescherming van minderjarigen?
Welke stappen onderneemt Nederland binnen de Raad en richting de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat DSA-verplichtingen met betrekking tot bescherming van minderjarigen en voorkomen van AI-malafide content effectief worden nageleefd door grote platforms?
Bent u op de hoogte van de lopende onderzoeken van meerdere landen (o.a. Frankrijk, Zweden, Australië) tegen X over de stroom aan deepfakes en seksueel expliciete AI-beelden? Zo ja, wat is de Nederlandse positie en rol hierin?
Onder DSA zijn grote platformen verplicht om duidelijke, gebruiksvriendelijke mechanismen voor het rapporteren van illegale content te hebben en deze snel te behandelen, hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige mechanismen van X, mede gezien het feit dat sommige beelden pas na journalistieke publiciteit werden verwijderd?
Hoeveel meldingen van AI-gegenereerde illegale content, waaronder deepfakes en beelden met minderjarigen, zijn via het DSA-transparantiesysteem aan de Europese Commissie en nationale autoriteiten gerapporteerd, en wat is daarvan de uitkomst?
Kunt u duidelijkheid geven over hoe momenteel toezicht en handhaving is ingericht op het gebied van deepfake incidenten in Nederland? En is dit alleen meldings-gedreven of ook door middel van actieve detectie?
Hoe verhoudt de handhaving van de AVG zich tot de handhaving van de DSA in dit soort gevallen, en ziet u mogelijkheden om deze instrumenten gezamenlijk effectiever in te zetten?
Vindt u dat «nudify»-apps en dergelijke functies van AI-chatbots überhaupt bestaansrecht hebben? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Bent u bereid om aan te dringen op effectieve handhaving tegen X in de kwestie van AI-gegenereerde beelden van minderjarigen en zo ja, welke nationale en Europese maatregelen kunnen er genomen worden of welke sancties kunnen er worden opgelegd?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Chemiereus Sabic verkoopt twee fabrieken: gevolgen voor honderden werknemers nog niet duidelijk»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe taxeert u de langetermijneffecten van deze transacties op de basisindustrie in Nederland in het algemeen?
Op 8 januari jl. heeft SABIC aangekondigd voornemens te zijn haar Europese assets grotendeels te verkopen. Het gaat hierbij om twee transacties. De Europese petrochemische activiteiten worden verkocht aan het Duitse AEQUITA en de Europese en Amerikaanse activiteiten in engineering thermoplastics (ETP) aan het Duitse Mutares. Vanuit het Ministerie van KGG staan we in nauw contact met SABIC over deze ontwikkelingen en de komende periode zullen we ook met deze nieuwe eigenaren in gesprek gaan over hun toekomstplannen. De inzet daarbij is zoveel mogelijk (hoogwaardige) activiteiten en werkgelegenheid die bijdragen aan versterking van de Nederlandse basisindustrie te behouden. De precieze langetermijneffecten zijn nu nog niet bekend.
Wel is reeds bekend dat AEQUITA recent ook soortgelijke Europese assets van LyondellBasell heeft gekocht. De investeringsmaatschappij heeft daarmee straks een significant deel van de Europese petrochemiemarkt in handen. In haar persbericht spreekt AEQUITA uit te willen consolideren naar een nieuwe Europese plastics speler. De geplande grote onderhoudsstop in 2026 wordt uitgevoerd volgens planning. Dit straalt vertrouwen uit naar de toekomst.
Mutares heeft geen andere chemieactiviteiten. De installaties die Mutares overneemt van SABIC, waaronder de fabriek in Bergen op Zoom, richten zich op meer gespecialiseerde materialen en vormen ook binnen SABIC een zelfstandig bedrijfsonderdeel met een eigen markt.
Tegelijkertijd staat het investeringsklimaat voor de basisindustrie in Europa, en zeker ook in Nederland, op dit moment sterk onder druk. AEQUITA en Mutares betalen aan SABIC een lage overnameprijs, waarbij betaling ook (deels) voorwaardelijk is aan toekomstige prestaties. Dit laat de zeer uitdagende concurrentiepositie van deze Europese installaties zien. Het is belangrijk op Europees niveau te zoeken naar gezamenlijke oplossingen. Hiervoor is op initiatief van de Europese Commissie recent de Critical Chemical Alliance opgericht, waarin Nederland een grote rol speelt.
Hoe taxeert u het langetermijneffect op het samenhangende basisindustrie ecosysteem van de Chemelot campus in Geleen in het bijzonder?
De transacties zullen waarschijnlijk pas in Q4 2026 worden afgerond. Met verkoop lijkt sluiting van de kraker voorlopig van de baan, al moet wel rekening worden gehouden met mogelijke sluitingen en reorganisaties binnen het bredere portfolio van AEQUITA in de toekomst. Sluiting van de kraker zou grote gevolgen hebben voor de site Chemelot. Daarom is vanuit het Ministerie van KGG nauw contact met SABIC en zullen ook contacten worden gelegd met de nieuwe eigenaren, zoals eerder aangegeven in antwoord op vraag 2.
Bent u van plan zich in te zetten voor het in Nederland vestigen van het hoofdkantoor van de chemische activiteiten van Aequita, net zoals het hoofdkantoor van Sabic zich op dit moment al in Amsterdam bevindt?
Het hoofdkantoor van SABIC, de productie van een aantal speciale polymeren in Bergen op Zoom en de R&D faciliteit van SABIC in Bergen op Zoom en op Chemelot zijn geen onderdeel van de transacties. Deze blijven in Nederland.
De hoofdkantoren van AEQUITA en Mutares bevinden zich momenteel in Duitsland. Door de gesprekken met deze partijen proberen we een beter beeld te krijgen van hun toekomstplannen. Mocht oprichting van een zelfstandig hoofdkantoor voor de chemische activiteiten van AEQUITA aan de orde komen, dan is gezien het belang van deze activiteiten voor Nederland de verwachting dat ingezet zal worden op aantrekken van dit nieuwe hoofdkantoor. De uiteindelijke inzet zou in samenwerking met de Netherlands Foreign Investment Agency2 worden bepaald en uitgevoerd, op basis van de verwachte toegevoegde waarde voor Nederland. Het is nu nog te vroeg hier verder uitspraken over te doen.
Kunt u faciliteren dat relevante arbeidsmarktregio’s en de nieuwe eigenaar om de tafel gaan om de effecten op personeelsgebied zo snel mogelijk in kaart te brengen?
Dit is niet aan de orde. De verantwoordelijkheid ligt bij de betreffende werkgever en de nieuwe eigenaar om met de betrokken vakbonden in gesprek te gaan over de effecten op personeelsgebied en een eventueel sociaal plan.
Kunt u aangeven welke stappen u zet om, samen met werkgevers, vakbonden en regionale overheden, alles in het werk te stellen om de werkgelegenheid en de economische vitaliteit in de betrokken regio’s te borgen, nu de Nederlandse SABIC-activiteiten zijn verkocht aan investeerders?
Regio Zuid Limburg zet in op een grensoverstijgende circulaire en innovatieve (kennis)economie. In het kader van o.a. Regiodeals en het Nationaal Programma Vitale Regio’s werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor bij het benutten van grensoverstijgend economisch potentieel in chemie, life sciences&health, medtech en smart services/AI, bij de verdere ontwikkeling van de campussen in Maastricht, Geleen en Heerlen, bij de Einstein telescoop, bij de verduurzaming van Chemelot en bij de Limburg Defensie Agenda.
Regio West Brabant zet in op een innovatieve plantaardige economie met toegepaste technologie als speerpunt en biotechnologie als focus voor de toekomst. In het kader van o.a. Regiodeals werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor op terreinen als voeding, bouw, chemie en farma.
Het bericht 'Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: ’Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»»?1
Ja. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in kwetsbare situaties. Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervanuit kunnen gaan dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Fraude en criminaliteit in de zorg zijn ernstig, onaanvaardbaar en moeten stevig worden aangepakt.
Kunt u een overzicht geven van de huidige aantallen personeel met frauduleuze diploma’s binnen de jeugdzorg, inclusief uitgesplitst naar eventuele meldingen van criminelen, personen met een strafrechtelijk verleden en personen met een onbekende achtergrond?
Op basis van het nog lopende onderzoek naar EVC-dossiers van geregistreerde professionals heeft de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) tot nu toe circa 50 professionals uitgeschreven. Op de website van SKJ is zichtbaar welke professionals de afgelopen drie jaar zijn uitgeschreven. Dat betreft mensen wier registratie is doorgehaald vanwege fraude, maar ook mensen die met pensioen zijn gegaan of wier registratie om andere redenen verlopen is. Andere informatie is mij niet bekend. Deze zou overigens ook niet kunnen worden gedeeld vanwege privacywetgeving.
Bent u bereid om geanonimiseerde gegevens te verstrekken over de demografische profielen (zoals leeftijd, geslacht, herkomst, eerdere beroepsachtergrond) van personen die zijn betrapt op het werken met nep-diploma’s in de jeugdzorg, zodat de Kamer kan beoordelen of er sprake is van specifieke patronen die beleidsinterventies vereisen?
Deze gegevens zijn mij niet bekend.
Welke structurele maatregelen neemt u om er in de breedste zin voor te zorgen dat de jeugdzorgsector niet langer functioneert als een «toegangspoort» voor criminele ronselaars en bent u bereid om iedere medewerker die werkzaam is in de Jeugdzorg op basis van een ervaringscertificaat, per direct op non-actief te zetten?
Vanuit diens stelselverantwoordelijkheid heeft de Minister van VWS vorig jaar met de collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten. Ook is toen extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. Voor het jeugddomein wil ik dat wettelijk verankeren door de vergewisplicht in te voeren. De internetconsultatie hiertoe is gepland in april. Tenslotte heb ik met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek.
In het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord zijn afspraken gemaakt met zorgpartijen tegen zorgfraude. Deze aanpak rust op drie pijlers: strengere toelatingseisen voor aanbieders tot de zorg, meer en beter toezicht met meer fysieke controles en harder optreden als fraude zich toch voordoet. Dit betekent onder andere aanscherping en verkenning van uitbreiding van de vergunningplicht in de zorg, uitbreiding van de VOG-plicht voor bestuurders van zorgorganisaties en betere toepassing van het instrument BIBOB bij de toetreding van het zorgdomein. Voor zorgaanbieders geldt specifiek ook dat het onder goed werkgeverschap valt om medewerkers te screenen bij aanname en ook om later – als daar aanleiding en een onderbouwing voor is – een medewerker op non-actief te zetten.
Erkent u dat, nu criminelen met een nepdiploma via het jeugdzorgsysteem toegang hebben gekregen tot kwetsbare minderjarigen om hen vervolgens te verleiden of te dwingen tot prostitutie of criminele activiteiten, dit niet slechts een incident betreft maar een fundamenteel falen van de overheid in haar kerntaak om kinderen te beschermen, en zo ja, welke bestuurlijke verantwoordelijkheden verbindt u hieraan?
Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervan uit kunnen gaan dat zorgprofessionals over de juiste kwalificaties beschikken. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in een kwetsbare situatie. Fraude met EVC-certificaten doet zich zorgbreed voor en vraagt een brede aanpak. Deze heeft, zoals ik in vraag 4 beschreef, mijn voortdurende aandacht.
Het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken |
|
Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt de wet onder druk van boerenlobby» van Follow The Money?1
Kunt u bevestigen dat belangenorganisaties uit de vee-industrie grootschalig gecoördineerde acties hebben georganiseerd tegen het openbaar maken van informatie, waardoor de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) werd geconfronteerd met talloze bezwaren en verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen Wet open overheid (Woo)-besluiten?2
Kunt u bevestigen dat de NVWA naar aanleiding hiervan besloot om deze procedures niet volgens de regels af te handelen, maar overging op een nieuwe werkwijze waarbij gegevens van alle bezwaarmakers niet meer openbaar worden gemaakt zolang het bezwaar loopt, wat er in feite op neerkomt dat de rechter er niet meer te pas komt bij het beoordelen van voorlopige voorzieningen en bezwaarschriften?
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie ernstig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat dit er in de praktijk toe leidt dat indieners van Woo-verzoeken een stuk later de gevraagde informatie krijgen en om verder uitstel te voorkomen zijn aangewezen op een civiele procedure, wat leidt tot aanzienlijk hogere kosten en drempels? Wat vindt u hiervan?
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van Woo-jurist Tim van Alten, die in de praktijk ervaart dat deze nieuwe werkwijze van de NVWA leidt tot onevenredige inspanningen en drempels voor indieners van Woo-verzoeken, waardoor het moeilijker wordt om bijvoorbeeld misstanden in de vee-industrie aan het licht te brengen?3 Deelt u deze zorgen?
Bent u ermee bekend dat als gevolg van de huidige werkwijze bij de NVWA Woo-verzoekers worden geconfronteerd met een situatie waarin de bezwaartermijn tegen een Woo-besluit aanvangt, terwijl de onderliggende documenten nog voor onbepaalde tijd niet zijn verstrekt?
Erkent u dat deze werkwijze ertoe leidt dat Woo-verzoekers bezwaar moeten maken tegen een besluit zonder de onderliggende documenten te hebben kunnen inzien, en dat het daardoor feitelijk onmogelijk is om te beoordelen of de openbaarmaking volledig is en of informatie ten onrechte is geweigerd of gelakt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onder deze omstandigheden voor Woo-verzoekers praktisch ondoenlijk is om binnen de geldende bezwaartermijn inhoudelijke bezwaargronden te formuleren en dat dit de rechtsbescherming van Woo-verzoekers ernstig onder druk zet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA in deze situaties in de regel weigert om de termijn voor het indienen van inhoudelijke bezwaargronden te verlengen tot een moment waarop de documenten daadwerkelijk zijn verstrekt en hooguit een beperkte hersteltermijn van maximaal acht weken hanteert, terwijl binnen die termijn zelden op de bezwaren van derde-belanghebbenden is beslist?
Erkent u dat Woo-verzoekers onder normale omstandigheden zes weken de tijd hebben om, met kennisneming van de verstrekte documenten, hun bezwaar inhoudelijk te onderbouwen, en dat deze systematiek door de huidige werkwijze van de NVWA feitelijk wordt doorkruist?
Deelt u de opvatting dat deze praktijk onwenselijk is vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming en strijdig is met het doel en de strekking van de Wet open overheid? Zo nee, waarom niet?
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie onevenredig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat de NVWA bij invoering van deze nieuwe werkwijze zelf heeft aangegeven dat deze «niet geheel in overeenstemming is met hetgeen bepaald is in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Woo»? Onderschrijft u deze constatering? Zo nee, waarom niet en op welk juridisch advies baseert u zich dan (graag het advies meesturen)?
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Cornelis van der Sluis, advocaat en oprichter van het Nederlands Kenniscentrum Open Overheid, die deze werkwijze van de NVWA «volledig in strijd met de wet» noemt? Wat gaat u hiermee doen?
Wanneer bent u, als politiek eindverantwoordelijk bewindspersoon voor de Wet open overheid, geïnformeerd over het besluit van de NVWA om deze nieuwe werkwijze in te voeren?
Kunt u aangeven op welk moment u de Kamer heeft geïnformeerd over dit ingrijpende besluit van de NVWA om af te wijken van de wettelijke procedures uit de Awb en de Woo?
Kunt u bevestigen dat de NVWA al over was gegaan op deze nieuwe werkwijze voordat de motie van het lid Van der Plas over Woo-verzoeken werd aangenomen door de Kamer?4 Hoe verklaart u dit?
Kunt u bevestigen dat de NVWA deze werkwijze vervolgens heeft uitgebreid naar Woo-verzoeken met minder dan vijftig belanghebbenden, terwijl uw ministerie op dat moment nog bezig was met een juridische analyse? Wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat de Kamer niet werd geïnformeerd op het moment dat de NVWA overging op deze nieuwe werkwijze en deze later uitbreidde? Waarom is dat niet gebeurd en wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat door uw ministerie aan Follow the Money is geantwoord dat de motie-Van der Plas nog niet kan worden uitgevoerd omdat hiervoor «een wetswijziging nodig [is]»?
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het feit dat de NVWA al langere tijd een nieuwe werkwijze toepast waarmee wordt afgeweken van de bestaande wettelijke kaders?
Onderschrijft u dat de NVWA met deze nieuwe werkwijze in strijd met de Woo en de Awb handelt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de NVWA op te roepen deze werkwijze te beëindigen en te waarborgen dat Woo-verzoekers pas worden gehouden aan het formuleren van inhoudelijke bezwaargronden nadat alle onder het Woo-besluit vallende documenten daadwerkelijk aan hen zijn verstrekt, met een redelijke termijn van ten minste vier weken? Zo nee, waarom niet?
Erkent u het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid, wat daarnaast ook nog vele andere voordelen heeft voor de maatschappij zoals in kaart gebracht in het recente onderzoek De baten van transparantie van Instituut Maatschappelijke Innovatie en de Open State Foundation?5
Erkent u dat tijdige toegang tot informatie essentieel is voor die controle en dat langdurige procedures en vertragingen ertoe kunnen leiden dat informatie haar waarde, nut en maatschappelijke relevantie verliest?
Bent u bereid om de NVWA op te roepen om de nieuwe werkwijze in te trekken en de Woo-verzoeken, bezwaren en voorlopige voorzieningen te behandelen conform de geldende wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Heeft u gezien dat mediaorganisaties er bij het opvragen van informatie op basis van de Woo ook nog eens tegenaanlopen dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) haar bevoegdheid misbruikt, waardoor informatie niet, of pas veel later, wordt geopenbaard?6
Heeft u gezien dat deze mediaorganisaties zich genoodzaakt voelen om opnieuw juridische stappen te ondernemen tegen de Minister van LVVN, omdat «vrije nieuwsgaring onmogelijk» wordt gemaakt? Wat vindt u hiervan?
Heeft u gezien dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding zich tot twee keer toe heeft uitgesproken tegen de handelwijze van de Minister van LVVN, maar dat haar advies nog altijd niet worden opgevolgd?7
Bent u bereid om de Minister van LVVN op te roepen om een einde te maken aan dit misbruik van haar bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het artikel 'Groei maskeert kwetsbaarheid kleinbedrijf: microbedrijven lopen op cashmuur af' |
|
Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Groei maskeert kwetsbaarheid kleinbedrijf: Microbedrijven lopen op cashmuur af» in het Financiële Dagblad van 9 januari 2026, waaruit blijkt dat de financiële positie van micro- en kleine mkb-bedrijven (tot € 2 miljoen omzet) snel verslechtert, ondanks omzetgroei?1
Ja
Herkent u het geschetste beeld dat deze bedrijven steeds minder rendement halen en nauwelijks nog financiële buffers hebben?
Uit de langjarige cijfers van de Conjunctuurenquête2 van het CBS blijkt dat sinds 2022, na de coronacrisis, een aantal bedrijven in alle grootteklassen aangeeft financiële beperkingen te ondervinden. Het aandeel nam toe van ongeveer 5% in 2022 tot ongeveer 10% eind december 2025. Het aandeel specifiek in het kleinbedrijf (met 5–50 werkzame personen) dat financiële beperkingen ervaart nam toe van 6,8% in 2022 naar 12,9% in 2025. Dit brengt het aandeel terug richting percentages die voor corona zijn gemeten. Het aandeel bedrijven dat financiële beperkingen ervaart, blijft nog steeds een kleine minderheid.
Deze trend wordt bevestigd in recente enquêtes van de Kamer van Koophandel3 en panelonderzoek4 uit oktober 2025 van Qredits. Tegelijkertijd blijkt uit de Conjunctuurenquête dat 90% van de ondervraagde bedrijven niet aangeeft financiële beperkingen te ervaren. Via de Financieringsmonitor en de Conjunctuurenquête, beiden uitgevoerd door het CBS, en andere onderzoeken blijf ik continu de financiële positie van het mkb monitoren.
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het onderzoek dat veel ondernemers hun coronasteun en andere leningen hebben moeten gebruiken om kosten te dekken in plaats van te investeren?
Zoals de onderzoekers van Teamleader aangegeven is er onvoldoende data om deze conclusie te trekken. Wel hebben de onderzoekers aangegeven dit te vermoeden. Ik zie dit als een logisch gevolg van de uitzonderlijke omstandigheden tijdens en na de coronaperiode. Voor veel ondernemers was het noodzakelijk om steun en leningen in te zetten om acute verplichtingen na te komen.
De coronasteunmaatregelen waren hoofdzakelijk gericht op het behoud van banen en werkgelegenheid, de voortgang van bedrijfsactiviteiten en het behoud van economische groei. De steunmaatregelen droegen bij aan een verbetering van de liquiditeit en solvabiliteit van bedrijven. Afgelopen jaar heb ik uw Kamer de evaluatie van de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS) en Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) gestuurd.5 Recentelijk heeft ook de Minister van Financiën, mede namens het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), uw Kamer de synthesestudie coronasteunmaatregelen6 gestuurd. Dit syntheseonderzoek concludeert, op basis van eerdere evaluaties, dat het coronasteunpakket als geheel doeltreffend was in het behoud van werkgelegenheid en waardeketens.
Welke lessen trekt u hieruit voor de opzet en de inzet van toekomstige steun- of stimuleringsregelingen?
Alle maatregelen en financiële instrumenten voor het bedrijfsleven worden (periodiek) geëvalueerd en lessen hieruit zullen worden meegenomen bij een eventuele crisis.
In hoeverre deelt u de zorgen dat microbedrijven als «kanarie in de kolenmijn» bij een kleine tegenvaller al in grote problemen komen, mede doordat marges onder druk staan en vaste lasten en rentes stijgen?
Ik onderschrijf het grote belang van het microbedrijf. De financiële knelpunten die zich nu voordoen, hebben meerdere oorzaken, zoals stijgende lonen, energie- en huurprijzen. Alle bedrijven hebben te maken met deze prijsstijgingen. Echter, in combinatie met de smalle marges die door de kostenstructuur in een aantal sectoren bestaan, zoals horeca en detailhandel, kunnen de kostenstijgingen daar meer effect hebben. Onder reguliere omstandigheden is het een gebruikelijk proces dat bedrijven verdwijnen die financieel niet gezond zijn, een zwak businessmodel hebben of zich niet kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden. De huidige stijging van het aantal bedrijven dat vrijwillig stopt, kan een indicatie zijn dat er nu een inhaalslag plaatsvindt. Hierdoor blijven financieel gezonde bedrijven over die een stabiele basis vormen voor de economie. Ik blijf de ontwikkelingen in het mkb zorgvuldig monitoren.
Ziet u aanleiding voor aanvullend beleid om deze bedrijven weerbaarder te maken?
Ik zie nu geen aanleiding tot aanvullend beleid. Op verschillende manieren ondersteunen we al het mkb. Denk bijvoorbeeld aan Qredits, dat zich richt op mkb-ondernemers die financiering of coaching nodig hebben, maar niet in het reguliere financieringscircuit terecht kunnen. Of aan de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB). Er is een samenhangend palet van instrumenten om financiële problemen tijdig te herkennen en aan te pakken. Zo speelt het Ondernemersklankbord (OKB) een belangrijke rol bij het vroegtijdig signaleren van financiële kwetsbaarheid en het bieden van onafhankelijke begeleiding aan ondernemers. Daarnaast biedt Geldfit Zakelijk ondernemers laagdrempelig inzicht in hun financiële situatie en toegang tot passende ondersteuning bij (dreigende) schulden. OKB en Geldfit Zakelijk worden financieel ondersteund door Economische Zaken en dragen eraan bij dat ondernemers eerder hulp zoeken en problemen niet onnodig escaleren. Ook zijn er fiscale instrumenten die zich specifiek richten op het mkb, zoals de Zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling.
Hoe kijkt u aan tegen de verslechterende toegang tot financiering voor met name micro-ondernemingen?
Uit de meeste recente CBS-Financieringsmonitor blijkt geen verslechtering in de toegang tot financiering voor het microbedrijf. De afgelopen jaren weet het microbedrijf juist vaker aan financiering te komen. Zo zijn er meer microbedrijven overgegaan tot een financieringsaanvraag en hebben deze aanvragen ook vaker geleid tot financiering. Dit is goed nieuws. Toch blijven er microbedrijven, die lastig financiering weten te vinden. Voor deze ondernemers is er onder andere de FinancieringsGids (voor informatie en advies) en Qredits (voor microkredieten).
Welke concrete stappen neemt u om de toegang tot krediet, inclusief non-bancaire financieringsvormen, te verbeteren?
Allereerst kunnen ondernemers terecht bij de FinancieringsGids. Hier vinden ondernemers informatie over kredietverleners (bancair en non-bancair) en financieringsadviseurs. Daarnaast staat er op de FinancieringsGids ook informatie over, bijvoorbeeld, hoe je het beste een financieringsaanvraag kunt indienen. Voor ondernemers die meer hulp nodig hebben is er ook de optie om een financieringsadviseur van de KvK te spreken of contact op te nemen met een private financieringsadviseur die is aangesloten bij het keurmerk Erkend Financieringsadvies MKB. Net als vorig jaar blijf ik dit jaar de FinancieringsGids door ontwikkelen.
Voor directe kredieten is er bovendien Qredits. Qredits verstrekt met name microkredieten, vooral aan starters en microbedrijven. In 2025 heb ik hierom een garantie afgegeven op een lening van de Europese Investeringsbank (EIB) aan Qredits. Met deze lening van € 40 mln. kan Qredits kredieten aan ondernemers verstrekken.
Ook stimuleer ik de professionalisering van de non-bancaire sector en financieringsadviseurs via stichting Finankeur. Deze stichting heeft drie gedragscodes: Erkend MKB Financier, Kort Zakelijk Krediet en Erkend Financieringsadvies MKB. Door deze gedragscodes wordt het voor ondernemers overzichtelijker welke financiers en financieringsadviseurs betrouwbaar zijn. Finankeur gaat komend jaar in gesprek met de sector over de versterking van de codes.
In hoeverre herkent u het belang van goed betalingsgedrag in de keten als essentieel instrument om de liquiditeitspositie van kleine ondernemers te verbeteren? Welke aanvullende maatregelen overweegt u om dit te bevorderen, bijvoorbeeld via strengere handhaving van betaaltermijnen?
Goed betalingsgedrag is essentieel voor de liquiditeitspositie van kleine ondernemers en speelt een belangrijke rol in het voorkomen van schulden. Ik onderschrijf het belang van tijdige betalingen en blijf inzetten op de bewustwording en naleving van wettelijke betaaltermijnen. Daarnaast wordt er gekeken naar mogelijkheden om handhaving en transparantie rondom betaalgedrag verder te versterken.
Het onderzoek van de Gezondheidsraad naar het voorschrijven van puberteitsremmers aan minderjarigen met genderdysforie |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van prof. mr. J.L. Smeehuijzen «De Gezondheidsraad en het reguleringsklimaat rond puberteitsremming bij minderjarigen» in het Nederlands Juristenblad?1
Wat is uw reactie op de bevindingen van prof. Smeehuijzen ten aanzien van de onafhankelijkheid en de schijn van belangenverstrengeling van de leden van de commissie van de Gezondheidsraad die onderzoek doet naar gezondheidsrechtelijke en medische aspecten van het gebruik van puberteitsremmers bij minderjarigen met genderdysforie?
Hoe verhoudt in uw ogen de samenstelling van de genoemde commissie zich tot de «Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling» die de Gezondheidsraad verplicht zijn commissies zo samen te stellen dat het risico op kleuring van de oordeelsvorming door institutionele, professionele of persoonlijke belangen wordt geminimaliseerd en de geloofwaardigheid van het advies gewaarborgd blijft?
Hoe reageert u met name op het feit dat de helft van de commissie op een wezenlijke manier verbonden is met de interventie die zij moet beoordelen?
Kunt u aangeven hoe de interne controlemechanismen bij de Gezondheidsraad zijn georganiseerd als het gaat om de onafhankelijkheid van haar onderzoeken en de betrokken onderzoekers?
Hoe reflecteert u op de zeer beperkte juridische expertise die, blijkens de samenstelling ervan, in de commissie aanwezig is? Heeft u er vertrouwen in dat de commissie in staat is om een gefundeerd oordeel te vellen hoe de praktijk in Nederland zich verhoudt tot het geldende gezondheidsrechtelijke kader?
Wat is uw reactie op de zorgelijke opmerkingen die prof. Smeehuijzen maakt over het bredere Nederlandse reguleringsklimaat rond puberteitsremming? Hoe wordt, bij alle verwevenheid tussen klinische zorg, onderzoek en beleidsvorming, de onafhankelijkheid en onbevangenheid van wetenschappelijk onderzoek gewaarborgd?
Hoe waarborgt u als Minister van VWS uw eigen positie in dezen? Voert u, naast uw contacten met de betrokken Universitair Medisch Centra (UMC’s), ook het gesprek met artsen en wetenschappers die kritisch zijn op de Nederlandse praktijk ten aanzien van puberteitsremmers? Zo ja, hoe krijgt dit gestalte en in welke mate?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken van het onderzoek van de Gezondheidsraad precies is? Wanneer verwacht de commissie het onderzoek af te kunnen ronden?
Is het de bedoeling dat de herziening van het Kwaliteitskader Transgenderzorg pas wordt voltooid na ommekomst van het advies van het onderzoek van de Gezondheidsraad?
Diplomafraude in de jeugdzorg |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»«?1
Ja.
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van de diplomafraude in de jeugdzorg, waarbij volgens Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) mogelijk circa 800 personen werkzaam zijn met een vervalst ervaringscertificaat (EVC) en een deel van hen kwetsbare kinderen ronselt voor criminele activiteiten?
Ja. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen, zeker aan kinderen en jongeren in kwetsbare situaties. Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervan uit kunnen gaan dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Fraude en criminaliteit in de zorg zijn ernstig, onaanvaardbaar en moeten stevig worden aangepakt.
Hoe wordt concreet gecontroleerd of de EVC’s waarmee huidige professionals werken authentiek zijn en niet frauduleus verkregen? Wie is hiervoor verantwoordelijk, en welke bevoegdheden zijn daarvoor beschikbaar?
Uit de steekproef van SKJ blijkt bij 18 van de 22 EVC-aanbieders onregelmatigheden in de EVC-trajecten voor te komen. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Het Nationaal Kenniscentrum EVC (NKC) fungeert als toezichthouder van het EVC-stelsel. Het NKC verleent de erkenning als EVC-aanbieder aan een organisatie en ziet toe op de kwaliteit van EVC. Vervolgens is het aan werkgevers om te controleren dat werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden.
De resultaten van de steekproef worden in het antwoord op vraag 5 besproken. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg hiervan.
Welke verantwoordelijkheid neemt het kabinet, vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de jeugdzorg, voor het voorkomen en opsporen van diplomafraude, en welke concrete maatregelen zijn genomen of worden overwogen?
Registratie in het kwaliteitsregister Jeugd kon tot en met vorig jaar op basis van een diploma (onderwijsroute) en op basis van een EVC-certificaat (arbeidsmarktroute). De bijbehorende EVC-standaard is begin januari 2026 door de standaardeigenaren2 ingetrokken op basis van de uitkomsten van de steekproef van SKJ. De registratieroute op basis van EVC is daarmee geen mogelijkheid meer.
In de onderwijsroute heeft de Minister van OCW, vanuit diens stelselverantwoordelijkheid voor het formeel onderwijs, in juni 2025 alle onderwijsinstellingen opgeroepen om permanent terughoudend te zijn met het verlenen van vrijstellingen op basis van EVC-certificaten. Daarnaast heeft Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in 2025 een tool opgeleverd waarmee werkgevers op de website van DUO eenvoudig kunnen controleren of een mbo-, hbo- of wo-diploma echt is.
De arbeidsmarktroute is met het EVC-stelsel privaat georganiseerd. Vanuit diens stelselverantwoordelijkheid heeft de Minister van VWS vorig jaar met de collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten. Ook is toen extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. Voor het jeugddomein wil ik dat wettelijk verankeren door de vergewisplicht in te voeren. De internetconsultatie hiertoe is gepland in april. Tenslotte heb ik met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek.
Hoeveel kinderen en jongeren staan naar schatting gemiddeld onder begeleiding of toezicht van de circa 800 personen die mogelijk met een nepdiploma werkzaam zijn (geweest) in de jeugdzorg?
SKJ heeft de data van de 274 onderzochte EVC-dossiers uit de steekproef geëxtrapoleerd naar de hoog risico EVC-dossiers onder het totale aantal van 65.000 geregistreerden in het register. Dat leidt tot de inschatting van het aantal van 800 dossiers waar SKJ in dit artikel over rept. Het is niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk in totaal op basis van een frauduleus EVC-certificaat geregistreerd staan en hoeveel daarvan werkzaam zijn in de jeugdhulp. Dat laat onverlet dat ik het van groot belang vind dat de jeugdsector kan rusten op een betrouwbaar systeem waarin professionals met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn. Hierover ben ik met de betrokken partijen in gesprek.
Deelt u de zorgen over de veiligheid en het welzijn van deze kwetsbare kinderen en jongeren en heeft u zicht op de schade die is veroorzaakt door deze circa 800 personen?
Schade aan jeugdigen vanwege fraude in de jeugdhulp is onacceptabel. Ik vind het zorgelijk dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in kwetsbare situaties. De kwaliteit en veiligheid van zorg aan kinderen en hun gezinnen moeten gewaarborgd zijn. Meerdere partijen in de sector hebben hierin een rol: werkgevers moeten de competenties van professionals toetsen, de SKJ registreert professionals die aan kwaliteitseisen moeten voldoen en de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Waar kunnen jeugdzorgorganisaties, professionals en bestuurders terecht als zij concrete zorgen of signalen hebben over medewerkers die jongeren ronselen voor criminaliteit, zoals prostitutie, drugshandel of andere vormen van georganiseerde misdaad?
Deze partijen kunnen hun vermoedens online of telefonisch melden bij Meld misdaad anoniem of bij het centrale meldpunt zorgfraude op de website van de Nederlandse Zorgautoriteit. Bij zorgen over de kwaliteit van zorg kan een melding worden gedaan bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Tenslotte kan men ook aangifte doen bij de politie.
Acht u de huidige meldpunten en instanties (zoals IGJ, SKJ en/of politie) voldoende toegerust om dergelijke signalen snel, deskundig en veilig op te pakken?
Omdat het EVC-stelsel geen direct toezicht vanuit de overheid kent, hebben instanties zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) geen formele rol. Wel hebben zij een belangrijke rol gespeeld bij het signaleren en agenderen van de EVC-problematiek. Bij strafrechtelijke overtredingen kan de strafrechtketen, waaronder de Politie, een rol spelen.
Per 1 januari 2025 heeft de Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) de wettelijke taak gekregen signalen van zorgfraude te bundelen en delen met toezichthouders en opsporingsdiensten. Alle gemeenten zijn verplicht vermoedens van zorgfraude bij het IKZ te melden. Dankzij de wettelijke grondslag van het IKZ is doelmatige gegevensdeling tussen onderlinge instanties eenvoudiger. Dit versterkt de aanpak van fraude in de zorg.
Het Nationaal Kenniscentrum EVC is de toezichthouder van het EVC-stelsel, maar heeft onvoldoende handhavingsmogelijkheden. Daarom hebben de EVC-standaardeigenaren de EVC-standaard voor het jeugddomein ingetrokken. Dit is een ingrijpende, maar noodzakelijke stap. De jeugdzorgsector werkt nu aan een beter systeem opdat mensen met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn in de jeugdzorg. Hierover ben ik met de sector in gesprek.
Hebben deze instanties voldoende doorzettingsmacht om direct in te grijpen wanneer sprake is van ernstige risico’s voor jongeren, bijvoorbeeld door tijdelijke schorsing, verscherpt toezicht of het uit het register verwijderen van betrokken professionals?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Welke stappen zijn tot nu toe gezet richting personen die bewust met een vervalst diploma in de jeugdzorg zijn gaan werken en staan deze in verhouding tot de ernst van de mogelijke schade?
De SKJ is momenteel bezig met de aangifte tegen EVC-bureaus waar ernstige onregelmatigheden in de EVC-dossiers zijn geconstateerd. SKJ beziet nog of ook aangifte tegen individuele personen kan worden gedaan. Van de groep geregistreerden bij wie onrechtmatigheden in hun EVC-dossiers is gevonden, is de registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd inmiddels doorgehaald. Dat betekent dat zij niet langer inzetbaar zijn voor taken in de jeugdhulp die vanwege o.a. complexiteit en risiconiveau de inzet van een geregistreerde professional eisen.
Worden deze personen uitsluitend administratief uit het register verwijderd, of wordt ook gekeken naar strafrechtelijke vervolging en beroepsverboden?
Doorhaling van een registratie in het Kwaliteitsregister is niet slechts een administratieve verwijdering. Professionals die in het register staan ingeschreven mogen voorbehouden taken uitvoeren in risicovolle en complexe casussen, conform het Kwaliteitskader Jeugd. Bij doorhaling is voor iedereen, in het publiek te raadplegen register, zichtbaar welke professionals niet langer aan de eisen voldoen om deze taken uit te mogen voeren. Dat is daarmee een zorgvuldig proces. Behalve doorhaling van de registratie, is SKJ in het proces van aangifte doen tegen EVC-bureaus met als doel strafrechtelijke vervolging, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 10. Het Openbaar Ministerie kan in een strafrechtelijk proces als onderdeel van de straf een beroepsverbod eisen.
Hoe beoordeelt u het feit dat SKJ aangeeft onvoldoende middelen te hebben om nader onderzoek te doen naar mogelijk frauduleuze registraties, terwijl toezicht op kwaliteit, toetsing en scholing van jeugdzorgprofessionals tot haar kerntaken behoort en welke stappen neemt u om dit op te lossen?
Jeugdigen en ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat geboden jeugdhulp van goede kwaliteit is. De steekproef en het vervolgdossieronderzoek komen bovenop de reguliere taken van SKJ. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor dit EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg.
Acht u het wenselijk dat toezicht op EVC-aanbieders en de controle op diploma’s in de zorg grotendeels privaat is georganiseerd en niet onder direct overheidstoezicht valt ondanks dat dit tot deze misstanden heeft geleid?
Het kabinet acht overheidstoezicht op private EVC-aanbieders een onvoldoende oplossing om de huidige misstanden aan te pakken en te voorkomen. Het is allereerst aan werkgevers om te controleren of werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden. Examencommissies van onderwijsinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het beoordelen of iemand voldoende kennis en kunde heeft om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van een (deel van een) examen. De focus moet daarom liggen op werkgevers en onderwijsinstellingen die deze expertise en verantwoordelijkheden hebben, en niet op het al dan niet publiek toezien op een privaat stelsel. De sociale partners in de jeugdzorg nemen hierin hun verantwoordelijkheid en hebben besloten, na onderzoek naar de kwaliteit van de vakbekwaamheidsbewijzen op basis van EVC-trajecten, te stoppen met erkenning van deze bewijsstukken.
Deelt u de zorg dat personen met slechte intenties zich, nu de jeugdzorg strenger wordt, mogelijk verplaatsen naar andere zorgsectoren waar EVC’s nog wel worden erkend, zoals de wijkverpleging of gehandicaptenzorg?
Ik deel die zorg. Daarom heeft de Minister van VWS vorig jaar met collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten, vanwege de signalen van fraude. Ik roep ook de veldpartijen in andere zorgsectoren op kritisch te kijken naar de kwaliteit van EVC-certificaten en in hoeverre deze kan worden geborgd, net zoals de sociale partners in de jeugdzorg hebben gedaan.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat deze problematiek zich verplaatst naar andere delen van de zorg, en om kwetsbare cliënten daar eveneens beter te beschermen?
Zoals in antwoord 14 aangegeven is vorig jaar een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken met professionals op basis van EVC-certificaten. Er is extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. De Minister van VWS beziet samen met de Ministers van OCW, SZW en JenV welke aanvullende maatregelen noodzakelijk en effectief zijn. Zij zullen de Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het WGO Jeugd beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Is reeds uitgewerkt hoe bij deze ontwikkelingen wordt geborgd dat geen verslechtering van de ecologische of chemische toestand van de betrokken waterlichamen optreedt?1
Nee, nog niet. Dit is pas zinvol als de plannen verder zijn uitgewerkt. Net als bij elk project zal ook hier voldaan moeten worden aan de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.
Is inzichtelijk gemaakt hoe deze plannen zich verhouden tot het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) richting 2027, op waterlichaamniveau?
Zie het antwoord op vraag 1.
En op welk moment in het besluitvormings- en vergunningentraject vindt de expliciete EU-rechtelijke KRW-toets plaats?
De verdere uitwerking van de plannen moet voldoen aan de eisen die de KRW stelt, net als aan andere regelgeving omtrent milieu en natuur. Toetsing hieraan gebeurt tijdens het uitwerken van de plannen, bijvoorbeeld bij de ontwerpeisen en tijdens de Plan-MER, en later in detail tijdens concrete vergunningstrajecten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Water van 2 februari aanstaande?
Ja.