Het herhaald niet naleven van afspraken door het Dolfinarium. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium een belangrijke afspraak over het aanpassen van dierverblijven niet is nagekomen, waardoor zeeleeuwen nog steeds in kleine en ondiepe verblijven worden gehouden?1, 2
Kunt u bevestigen dat deze afspraken zijn gemaakt naar aanleiding van een rapport waarin werd vastgesteld dat meerdere verblijven niet voldoen aan de geldende dierenwelzijnsnormen en dat het Dolfinarium vijf jaar de tijd heeft gehad om de verblijven in lijn met deze minimale normen te brengen?3
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Minister Adema het in juni 2024 «kwalijk» noemde toen bleek dat het Dolfinarium zich toen ook al niet aan afspraken hield?4
Kunt u bevestigen dat de toenmalige Staatssecretaris Rummenie het een jaar later opnieuw «kwalijk» noemde toen opnieuw bleek dat het Dolfinarium afspraken schond?5
Wat vindt u ervan dat het Dolfinarium wederom gemaakte afspraken niet nakomt?
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een patroon van structurele niet-naleving van afspraken en normen door het Dolfinarium? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium niet alleen afspraken schendt, maar daarnaast ook nog jarenlang heeft geweigerd om transparantie te verschaffen en definitief af te zien van de mogelijke verkoop van acht dolfijnen aan een Chinees pretpark, ondanks dat de Kamer zich hier duidelijk tegen uit had gesproken (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 73)?
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium ook nog eens uit de Europese branchevereniging voor zeezoogdieren is gezet, omdat ze niet voldoen aan de geldende standaarden?6
Kunt u bevestigen dat wanneer reguliere handhaving niet werkt en de dierentuinvergunning voortdurend wordt overtreden, het mogelijk is om een dierentuin (gedeeltelijk) te sluiten?7
Wanneer is voor u deze grens bereikt?
Deelt u de mening dat er weinig tot geen educatieve waarde gepaard gaat met het houden van dolfijnen in kleine betonnen bakken in gevangenschap, die daar rondjes moeten zwemmen terwijl ze lijden aan chronische stress? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat steeds meer landen, zoals Canada, India, Kroatië en Vlaanderen hebben besloten dat het houden van dolfijnen in gevangenschap moet stoppen?
Bent u bereid om zich bij deze landen aan te sluiten door een einde te maken aan het houden van dolfijnen in gevangenschap? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om het Dolfinarium af te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne niet naar Nederland komt vanwege te veel bureaucratie |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het dat het Oekraïense bedrijf Fire Point, dat volgens het item van Nieuwsuur interesse had om delen van de productie naar Nederland te brengen, daar nu van afziet omdat de bureaucratie in Nederland te zwaar en te traag zou zijn?1
We herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke productie in Nederland. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven.
Herkent u het beeld dat het in Nederland in sommige gevallen anderhalf jaar kan duren voordat een defensiebedrijf een productielijn mag opzetten? Zo ja, welke vergunningen, procedures en toetsingen zijn daarbij in de praktijk meestal de oorzaak van de vertraging?
Het kan per project verschillen of een vergunning nodig is voor militaire productie en zo ja, hoe lang een procedure duurt. Dit is onder andere afhankelijk van de locatie en de complexiteit van het project. Zeker als er gevaarlijke stoffen, milieubelastende behandelingen en/of de assemblage van munitie worden voorzien zijn de vergunningprocedures in Nederland complexer. Daarom staat Defensie in goed overleg met decentrale overheden om te onderzoeken hoe militaire productie zo snel mogelijk van start kan gaan, bijvoorbeeld via een eventuele gedoogconstructie. Uiteindelijk is het aan decentrale overheden als bevoegd gezag om hierover te besluiten.
Klopt het dat de Oekraïense droneproducent Fire Point heeft afgezien van vestiging in Nederland vanwege complexe regelgeving en langdurige vergunningstrajecten?
Nee. We herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven.
Beschouwt u het niet doorgaan van deze vestiging als een gemiste kans voor de Nederlandse defensiecapaciteit, de ontwikkeling van de defensie-industrie en het opdoen van kennis en expertise op het gebied van drone-innovatie?
Deelt u de analyse dat de snelheid van innovatie cruciaal is, gezien het feit dat militaire technologie in Oekraïne zich binnen maanden ontwikkelt en al heel snel veroudert? Zo ja, hoe wordt het inkoopproces van Defensie erop ingericht om innovatie te stimuleren en belonen?
De oorlog in Oekraïne heeft geleid tot een ongekende stroomversnelling in militaire innovatie. Deze ervaringen zijn van onschatbare waarde om mee te nemen in de versterking van de Nederlandse krijgsmacht, waaronder op het gebied van innovatie. Defensie trekt hier dan ook belangrijke lessen uit. Tegelijkertijd is het van belang om te waken voor een te eenzijdige focus op Oekraïne, aangezien de specifieke kenmerken van deze oorlog niet zonder meer representatief zijn voor andere toekomstige militaire conflicten.
Het belang van innovatie voor de slagkracht van onze krijgsmacht is één van de kernideeën achter de D-SII, waarin meerdere maatregelen worden aangekondigd om het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.2 Defensie zet daarbij in op nieuwe vormen van samenwerking met kennisinstellingen, zoals TNO, NLR en Marin, om de nieuwste kennis sneller naar een hoger Technology Readiness Level te brengen, onder meer via constructies zoals scientists on the job. Daarnaast worden nieuwe financieringsinstrumenten gerealiseerd, zoals het SecFund, en wordt private financiering gemobiliseerd om innovatieve bedrijven te stimuleren.
Ook maken we werk van een steeds meer innovatiegericht inkoopproces via het SDIR kader, waarbij ruimte is voor experimenten en het opschalen van bewezen innovaties.3 Verder wordt gewerkt aan een nauwere samenwerking met Oekraïne op het gebied van kennisopbouw en -uitwisseling. Tot slot zal de oprichting van een defensie innovatie autoriteit bijdragen aan het versneld opschalen en implementeren van succesvolle innovaties binnen de krijgsmacht.
Welke concrete stappen zet het kabinet om Nederland aantrekkelijker te maken voor internationale defensiebedrijven, met name op het gebied van drones en andere innovatieve, hightech wapensystemen?
Het verminderen van regeldruk en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland zijn belangrijk onderwerpen in het coalitieakkoord. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.4 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het doel is om generiek tot verbeteringen te komen, er bestaan geen specifieke initiatieven voor de defensie-industrie.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande procedures nog passend zijn bij de huidige veiligheidssituatie?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaatzet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Welke rol spelen bankgaranties, voorfinanciering, auditvereisten en andere financiële waarborgen momenteel bij het vertragen van samenwerking met Oekraïense defensiebedrijven?
Op defensiebedrijven uit Oekraïne zijn dezelfde voorwaarden voor bankgaranties, contractaudits, e.d. van toepassing als op bedrijven uit elk ander land. Om vertraging in samenwerking met Oekraïense bedrijven te voorkomen, worden er ook bankgaranties van Oekraïense banken geaccepteerd. Indien de situatie daar om vraagt kan er gemotiveerd van de vraag om een bankgarantie worden afgeweken. Dit wordt door het Ministerie van Defensie per casus op basis van een risicoanalyse beoordeeld. De minimale eisen voor het aangaan van een verplichting en de verantwoording van publieke middelen blijven van toepassing. Deze regels worden gehandhaafd om de doel- en rechtmatige besteding van publieke middelen te waarborgen.
Bent u bereid om, waar verantwoord en juridisch mogelijk, standaard ruimer gebruik te maken van voorfinanciering of andere versnelde financieringsvormen als alternatief voor trage of belemmerende bankgaranties?
Sinds begin dit jaar heeft Defensie versoepelingen in het bevoorschottingsbeleid doorgevoerd. Waar bedrijven geen bankgarantie kunnen leveren bij een voorschot van Defensie, wordt een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het belang van de opdracht enerzijds en het beheersen van financiële en contractuele risico’s anderzijds. Ook blijft Defensie kijken naar alternatieven voor de bankgarantie en andere manieren om de financiering van de defensie-industrie nader te faciliteren. Daarbij blijft Defensie benadrukken dat ook de commerciële financiële sector daarin een rol heeft.
In hoeverre acht u het wenselijk dat andere Europese landen, zoals Denemarken, sneller kunnen schakelen door regelgeving aan te passen, terwijl Nederland hierin achterblijft? Heeft u in kaart gebracht welke regels of procedures in Denemarken anders worden toegepast dan in Nederland?
Omdat er (nog) geen sprake is geweest van het verkennen van de mogelijkheid van het bouwen van een productiefaciliteit voor een Oekraïense producent, is er nog niet in kaart gebracht welke regelgeving hierbij beperkend zou zijn. De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Recent is het eerste coproductieproject gestart, zie antwoord op vraag 4.
Juridisch gezien maakt de Deense regering gebruik van een recent ingevoerde wet die de mogelijkheid biedt om nationale defensie- of crisisgerelateerde projecten versneld door te voeren. Voor het verbeteren van het vestigingsklimaat neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Het bericht 'Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds»?1
Zijn er in Nederland signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het construeren van valse verklaringen of bewijsstukken op grond van seksuele gerichtheid? Acht u het risico reëel dat dit ook in Nederland voorkomt?
Komt het in Nederland voor dat de aanvraag van asielzoekers wordt ingewilligd omdat zij claimen te behoren tot een (vervolgde) lhbtiq+-gemeenschap, om vervolgens na inwilliging een heteroseksuele partner over te laten komen? Zo ja, hoe vaak kwam dit voor in 2025 en 2024?
Wordt binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ketenpartners bijgehouden of sprake is van patronen van gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs bij dit type aanvragen? Zo nee, waarom niet?
Wat gebeurt er als na inwilliging blijkt dat een asielzoeker heeft gelogen over zijn geaardheid om meer kans te krijgen op een verblijfsstatus? Hoe vaak werd dit in 2025 en in 2024 geconstateerd?
Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van het EU Asiel- en Migratiepact geborgd dat screening, identificatie en registratie beter helpen om dit soort misbruik vroegtijdig te herkennen?
Bent u bereid in kaart te brengen of binnen de implementatie van het Pact aanvullende maatregelen nodig zijn om misbruik van asielgronden tegen te gaan, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van daadwerkelijk vervolgde lhbtiq+-personen?
De conferentie in Santa Marta en het Fossil Fuel Treaty Initiative |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u schetsen hoe de inbreng voor de routekaart eruit zal zien, aangezien u in de brief aan de Kamer (Kamerstuk 31 793, nr. 299) stelt dat Colombia en Nederland een constructieve impuls willen geven aan de ontwikkeling van een routekaart voor de transitie weg van fossiele brandstoffen, zoals aangekondigd door het Braziliaanse voorzitterschap van COP30?
Verwacht u concrete tijdslijnen voor uitfasering van de verschillende fossiele brandstoffen in te brengen, waar de koploperlanden zich aan moeten committeren?
Wat bedoelt u met bredere terugkoppeling van de conferentie aan het COP-voorzitterschap? Welke andere terugkoppelingen gaat u doen naast de inbreng voor de roadmap, en met welke intentie?
Worden de uitkomsten van de Santa Marta conferentie door Nederland meegenomen in het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) dat uiterlijk rond Prinsjesdag 2026 naar de Kamer komt?
Erkent u dat voor een geloofwaardige inzet op de conferentie in Santa Marta, een stevige nationale inzet vereist is, aangezien in de brief wordt verwezen naar het Uitfaseerplan fossiele brandstofsubsidies; in dit uitfaseerplan staat: «Vanwege de demissionaire status van dit kabinet is een verdere afbouw van fossiele brandstofsubsidies dan reeds aangekondigd aan een volgend kabinet.»?
Wanneer komt u met plannen voor verdere afbouw van fossiele subsidies in Nederland?
Wat is uw inzet op het agendapunt ISDS tijdens de conferentie in Santa Marta, gezien de internationaal steeds sterker wordende roep om het huidige ISDS-systeem te hervormen?
Bent u bereid om, samen met Colombia en andere gelijkgezinde staten, te verkennen of een internationale coalitie kan worden gevormd gericht op de gezamenlijke afbouw van ISDS?
Kunt u daarnaast toezeggen om op korte termijn – mede vanwege de energiecrisis – de prikkels in kaart te brengen die op dit moment het gebruik van fossiele brandstoffen stimuleren; en daarbij naast prijsprikkels (fossiele subsidies en productkortingen) ook reclame, sponsoring en influencers mee te nemen?
Wat is uw standpunt ten aanzien van verantwoord desinvesteren uit fossiele brandstofactiva?
Bent u bekend met het Fossil Fuel Treaty Initiative1?
Deelt u de opvatting dat het niet ondertekenen van de Treaty de geloofwaardigheid van Nederland als organisator van de conferentie ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid dit initiatief te ondertekenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kunt u tot ondertekening overgaan?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de conferentie in Santa Marta op 24 april?
Het bericht ‘Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, ‘te veel bureaucratie’’ |
|
Claire Martens-America (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Herbert , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het cruciaal is voor de Nederlandse veiligheid én voor onze economische groei dat wij koplopers op het gebied van defensietechnologie, zoals de Oekraïense drone-industrie, faciliteren om zich in Nederland te vestigen?
Ja.
In hoeverre belemmert de huidige Nederlandse terughoudendheid bij de productie van aanvalswapens en -munitie volgens u de samenwerking met innovatieve Oekraïense partners?
Nederland sluit niks uit op het gebied van productie van militair materieel, zolang dit in lijn is met nationale regelgeving en internationale verdragen en past binnen de fysieke leefomgeving. Zo verkent het Ministerie van Defensie op dit moment de mogelijkheden voor coproductie van kapitale en drone- munitieproductie in Nederland. Het kabinet zet dit met prioriteit voort en streeft ernaar munitieproductie binnen drie jaar te realiseren, afhankelijk van factoren die buiten de invloedssfeer van Defensie liggen, zoals vergunningverlening.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe beoordeelt u het feit dat dit bedrijf de Nederlandse bureaucratie omschrijft als «rennen met een loodzware rugzak»?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden.
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren.2 Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.3 Daarnaast werken we hieraan samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de defensie-industrie.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de directeur van Fire Point dat hij in Oekraïne in twee dagen een nieuwe productielijn opzet, terwijl hij in Europa (en Nederland) veel te veel tijd kwijt is aan papierwerk?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de analyse van de Oekraïense inspecteur-generaal Myronenko dat traditionele militaire bureaucratie «de grootste vijand van innovatie» is?
De oorlog in Oekraine laat het sterk toegenomen belang van kortere innovatiecycli zien die zich rechtstreeks vertalen in inzetbare gevechtscapaciteiten. Het is daarom zaak om de vereiste zorgvuldigheid bij verwervingsprocedures te betrachten en tegelijkertijd ruimte in te bouwen voor flexibiliteit en, conform de doelstellingen van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII), het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.4 Zie hiervoor het antwoord onder vraag 14.
Kunt u specifiek toelichten welke Nederlandse of Europese regels en vergunningsplichten (zoals op het gebied van exportcontrole, milieu of ruimtelijke ordening) in dit concrete geval de grootste hindernis vormden voor de vestiging van deze dronebouwer?
Nee. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland.
Is er vanuit de Ministeries van Defensie of Economische Zaken en Klimaat direct contact geweest met Fire Point om de specifieke knelpunten te achterhalen? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden tussen Fire Point en het Ministerie van Defensie of Economische Zaken en Klimaat over mogelijke productie in Nederland omdat de producent deze interesse niet kenbaar heeft gemaakt. Om deze reden is er ook niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek, zie het antwoord op vraag 9 en 10.
Zijn er na de afwijzing door Fire Point nog extra pogingen ondernomen vanuit de overheid of regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) om het bedrijf alsnog te faciliteren in Nederland?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven. Nederland verwelkomt alle initiatieven in het kader van Build with Ukraine en gaat graag met producenten in gesprek over mogelijkheden voor samenwerking met Nederlandse bedrijven, waarbij gezamenlijk wordt verkend hoe productie in Nederland vorm kan krijgen.
Bent u bereid om alsnog proactief het gesprek aan te gaan met Fire Point om te bezien of en op welke manier bureaucratische belemmeringen weggenomen kunnen worden, zodat vestiging in Nederland alsnog mogelijk wordt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is uw reactie op het feit dat Denemarken volgens de dronebouwer wel bereid was om regels «overboord te gooien» om snel zakendoen mogelijk te maken?
Op 2 september 2025 maakte Denemarken bekend dat Fire Point zich in Denemarken vestigt om vaste raketbrandstof te produceren. De Deense regering maakt gebruik van een recent ingevoerde wet die de mogelijkheid biedt om nationale defensie- of crisisgerelateerde projecten versneld door te voeren.
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke lessen trekt u uit de Deense aanpak om het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven concurrerender te maken?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.5 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Bent u bereid om, gezien de noodzaak tot economische groei en versterking van de defensiesector, de vergunningsprocedures voor de defensie-industrie drastisch te versnellen? Bent u bereid om bij de aankomende Vereenvoudigingswet hiervoor concrete vereenvoudigingen door te voeren?
Zie antwoord vraag 12.
Welke (verdere) concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat (militaire) innovaties worden vertraagd, terwijl deze essentieel zijn voor het overleven van onze bondgenoten en onze eigen veiligheid?
Het belang van innovatie voor de slagkracht van onze krijgsmacht is één van de kernideeën achter de D-SII, waarin meerdere maatregelen worden aangekondigd om het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.6 Defensie zet daarbij in op nieuwe vormen van samenwerking met kennisinstellingen, zoals TNO, NLR en Marin, om de nieuwste kennis sneller naar een hoger Technology Readiness Level te brengen, onder meer via constructies zoals scientists on the job. Daarnaast worden nieuwe financieringsinstrumenten gerealiseerd, zoals het SecFund, en wordt private financiering gemobiliseerd om innovatieve bedrijven te stimuleren.
Ook maken we werk van een steeds meer innovatiegericht inkoopproces via het SDIR kader, waarbij ruimte is voor experimenten en het opschalen van bewezen innovaties.7 Verder wordt gewerkt aan een nauwere samenwerking met Oekraïne op het gebied van kennisopbouw en -uitwisseling. Tot slot zal de oprichting van een defensie innovatie autoriteit bijdragen aan het versneld opschalen en implementeren van succesvolle innovaties binnen de krijgsmacht.
Kunt u de Kamer informeren over de huidige status van de gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven en de resultaten die tot nu toe zijn geboekt?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Om deze reden nemen we actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee de coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven mogelijk gemaakt wordt. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend. Op 16 april jl. is hier een belangrijke volgende stap in gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne.
We zoeken actief naar volgende projecten die de industriesamenwerking met Oekraine verder versterken en verwelkomen aanvullende initiatieven voor gezamenlijke productie in Nederland. Over de status van lopende gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven kan geen uitspraak gedaan worden in het kader van commerciële vertrouwelijkheid.
Het bericht dat een Amerikaanse farmaceut miljarden aan belastingvoordeel in NL ontvangt |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amerikaanse farmaceut krijgt miljarden aan belastingvoordeel in Nederland (Trouw)»1?
Kunt u aangeven wat de tien grootste gebruikers van de innovatiebox zijn en wat de budgettaire derving is per bedrijf? Zo nee, waarom kunnen journalisten deze informatie dan wél boven tafel krijgen?
Klopt het dat ruim 90 procent van het voordeel uit de innovatiebox naar ASML, MSD & Booking gaat2? In hoeverre is deze belastingkorting doelmatig en politiek wenselijk volgens u?
Hoe legt u aan gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers uit dat zij jaarlijks een miljard extra belasting moeten betalen voor een belastingkorting aan één bedrijf dat vrijwel al haar activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst?
Wat is de economische onderbouwing achter het extra fiscaal stimuleren van zeer winstgevende uitvindingen uit het verleden? In hoeverre draagt dit daadwerkelijk bij aan extra innovatie bij uitdagers van gevestigde belangen?
Bent u bereid om de innovatiebox zo vorm te geven dat hij wél doelmatig wordt en meer gericht op kleinere bedrijven, bijvoorbeeld door nadere voorwaarden te stellen over maximaal fiscaal voordeel, door het voordeel te maximeren op daadwerkelijk gemaakte kosten voor desbetreffende innovatieve activiteiten of door een temporele beperking?
Bent u bereid om te voorkomen dat bedrijven die hun activiteiten (grotendeels) naar het buitenland verplaatsen nog langer gebruik kunnen maken van de innovatiebox? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eelco Heinen (VVD), Berendsen , Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het FD-artikel «Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek» van 6 april 20261.
Deelt u de vrees van vakbonden dat EU Inc zorgt voor het uithollen van werknemersrechten en een «walhalla voor schijnconstructies en ontduiking» wordt? Waarom wel/niet?
Hoe strookt dit met de ambities van het kabinet om schijnconstructies juist aan te pakken?
Zijn er manieren om als lidstaat de mogelijkheden voor «flits- en brievenbusfirma’s» in te perken? Zo ja, wat zijn de mogelijkheden en zijn deze toereikend?
Bent u het ermee eens dat er sterke landelijke arbeidsrechten moeten zijn omdat een EU Inc daaraan gehouden is? Is het in dat kader verstandig om de meest flexibele arbeidsmarkt van West-Europa te hebben?
Onderschrijft u de zorgen van de FNV dat het voor werknemers totaal onduidelijk is waar zij hun recht zouden kunnen halen?
Kan het zijn dat het minimumloon in het geding komt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, hoe bent u hiervan verzekerd?
Onderschrijft u de zorgen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie dat EU Inc. een afbraak van rechtsbescherming en rechtszekerheid betekent?
Wat betekent dit voor witwaspraktijken, aangezien het volgens VNO-NCW aan robuuste anti-witwasmechanismen ontbreekt?
Vindt u het verschil dat kan ontstaan tussen werknemers met opties onder een EU Inc en werknemers met opties onder andere vennootschapsvormen wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
Vindt u het rechtvaardig dat wanneer een EU Inc failliet gaat de werknemer niet alleen zijn baan verliest maar dat ook het aandelenpakket dat aan de werknemer gegeven kan worden niets meer waard is?
Hoe kan het dat een pensioenregeling ontbreekt?
Het bericht dat er een snelle toename is van het aantal asielzoekers met “nationaliteit onbekend” |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf «Ter Apel stroomt vol met mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Naar welke cijfers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het artikel? Waar zijn die gepubliceerd?
Kunt u verklaren waarom er sprake is van een snelle toename van het aantal asielzoekers met nationaliteit onbekend?
Klopt het dat een groot deel van deze groep bestaat uit Palestijnen?
Klopt het dat sommige vreemdelingen hun nationaliteit niet willen prijsgeven tijdens de procedure? Waarom is dat? En hoe kan hun relaas worden beoordeeld en daarmee het recht op asiel als ze hun nationaliteit niet willen prijsgeven?
Wat is bekend over de vraag langs welke route Palestijnse asielzoekers naar Nederland komen? Door hoeveel veilige landen hebben zij gereisd alvorens ze hier zijn aangekomen?
Is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers (of anderen van deze groep nationaliteit onbekend) te relateren of toe te schrijven aan een bepaalde recente keuze, beleidswijziging of besluit door de Nederlandse overheid? Kunt u hier een toelichting op geven?
Of is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers te relateren aan een besluit, beleidswijziging of keuze van een ander land op de route? Kunt u hier een toelichting op geven?
Op welke manier hebben de Belgen het in augustus vorig jaar moeilijker gemaakt voor Palestijnen om bescherming te krijgen in dat land, en in hoeverre speelt dat een rol?
Op welke manier wordt gecontroleerd of Palestijnse asielzoekers lid zijn van, een functie hadden of hebben bij, dan wel banden of affiniteit hebben met Hamas of een andere terreurorganisatie?
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze screening? Bent u van mening dat we adequaat zicht hebben op mogelijke banden met Hamas?
Bent u het eens met de stelling dat deze toename van asielzoekers onwenselijk is? Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dit verder toeneemt?
Overwinsten van olie- en gasbedrijven |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kent u het rapport Excess Oil Profits in Times of War van Energy Comment Hamburg1, waarin wordt geanalyseerd dat oliemaatschappijen in de EU sinds het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten dagelijks meer dan € 80 miljoen extra winst maken door hogere marges op diesel en benzine?
Hoe beoordeelt u de analyse dat de brandstofprijzen aan de pomp veel sterker zijn gestegen dan de onderliggende prijs van ruwe olie, en dat dit wijst op buitensporige winstmarges in de fossiele brandstofsector?
Herkent u de conclusie dat de marges vooral zijn opgelopen in lidstaten met een hoge koopkracht, waaronder Nederland?
Het rapport concludeert dat oliemaatschappijen in Nederland vanwege de oorlog in het Midden-Oosten per dag 2,9 miljoen euro overwinst maken door hogere marges te rekenen voor de prijs van benzine en met name diesel, en dat in geen enkel ander Europees land de prijsstijging van diesel zo fors is als in Nederland; hoe kijkt u aan tegen dit rapport en deze conclusies?
Is er in dit geval volgens u sprake van «graaiflatie», waarbij bedrijven misbruik maken van geopolitieke spanningen om winsten te behalen ten koste van burgers? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk onwenselijk is dat fossiele bedrijven extra profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog, terwijl burgers de rekening betalen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat olie- en gasbedrijven geen misbruik kunnen maken van oorlogssituaties of andere rampen om vervolgens de prijzen op te stuwen?
Welke mogelijkheden ziet u om overwinsten van olie- en gasbedrijven tijdelijk of permanent extra te belasten, zodat deze middelen kunnen worden ingezet voor verlaging van energierekeningen en versnelling van de energietransitie?
Welke nationale of Europese wetgeving is nodig om oorlogswinst of overwinsten van fossiele energiebedrijven zwaarder te belasten?
Welke gesprekken heeft u hierover gevoerd met Europese collega’s of in EU-verband, en bent u bereid dit onderwerp actief op de Europese agenda te zetten?
Zal Nederland de oproep aan de Europese Commissie van Duitsland, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk rond overwinstbelastingen steunen? Ja nee, waarom niet?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie Teunissen over overwinsten van oliebedrijven inzetten voor tijdelijke steun aan kwetsbare huishoudens?
Tijdens het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten gaf de Minister van Financiën aan dat er op dit moment procedures lopen met energiebedrijven, onder andere vanwege definitiekwesties; kunt u aangeven hoeveel juridische procedures er zijn aangespannen door bedrijven tegen de Nederlandse Staat, met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022?
Kunt u een zo volledig mogelijk overzicht geven van alle lopende juridische procedures – zowel nationaal als internationaal – met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022, inclusief de betrokken partijen, het type procedure en de huidige stand van zaken?
Kunt u nader toelichten welke beroepsprocedures in september en oktober bij Nederlandse rechtbanken starten, en welke zaken momenteel aanhangig zijn bij het Europese Hof van Justitie? Wat zijn de centrale juridische geschilpunten in deze procedures?
Kunt u bevestigen welke energiebedrijven betrokken zijn bij deze procedures, en op welke gronden zij de solidariteitsbijdrage aanvechten?
Kunt u bevestigen of en in hoeverre de solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere juridische geschillen met bedrijven zoals Shell en ExxonMobil, bijvoorbeeld in het kader van de arbitrages rond de afbouw van de gaswinning in Groningen?
Kunt u bevestigen of bedrijven internationale arbitrageprocedures zijn gestart tegen Nederland in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage of andere belastingmaatregelen (zoals de conditionele bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden)? Zo ja, om welke zaken gaat het en op basis van welke verdragen worden deze claims ingediend?
Kunt u bevestigen of Petrogas een arbitrageprocedure is gestart op basis van het bilaterale investeringsverdrag tussen Nederland en Oman, en of deze procedure (mede) betrekking heeft op de solidariteitsbijdrage en/of andere fiscale maatregelen?2
U gaf aan dat de solidariteitsbijdrage «waarschijnlijk kwetsbaar» was en dat deze kwetsbaarheid zich nu materialiseert; kunt u nader specificeren waar deze juridische kwetsbaarheid precies uit bestaat?
Welke implicaties hebben deze lopende procedures voor de mogelijkheid om in de toekomst nieuwe belastingen op overwinsten of andere crisisgerelateerde heffingen in te voeren?
Welke bredere juridische risico’s ziet u voor het invoeren of aanpassen van belastingmaatregelen die gericht zijn op het tegengaan van excessieve winsten, belastingontwijking of het beschermen van het publieke belang?
Hoe beoordeelt u het feit dat energiebedrijven, die aanzienlijke winsten hebben behaald als gevolg van geopolitieke crisis, juridische procedures starten tegen maatregelen die bedoeld zijn om deze winsten gedeeltelijk af te romen ten behoeve van huishoudens en de samenleving?
Bent u het ermee eens dat geschillen over belastingmaatregelen primair thuishoren bij de nationale rechter en – in voorkomend geval – het Europese Hof van Justitie, en niet in private arbitrageprocedures?
Welke juridische en financiële risico’s ziet u voortvloeien uit Nederlandse bilaterale investeringsverdragen met investor-state dispute settlement (ISDS) clausules in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage?
Hoe verhouden deze risico’s zich tot het bredere kabinetsbeleid ten aanzien van investeringsbescherming en de hervorming of beëindiging van ISDS, mede in het licht van recente discussies over beleidsruimte voor klimaat- en energiebeleid?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het plenaire debat over de maatregelen van het kabinet inzake de hoge energie- en brandstofprijzen?
Milieunormen voor windturbines op land |
|
Dion Huidekooper (D66), Felix Klos (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
De mediarichtlijn van Fiom over abortus |
|
Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over taalgebruik over abortus?1
Is het Ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom ook te gaan gebruiken?
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen qua objectiviteit en neutraliteit?
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals het pretendeert te zijn?
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen van de morele zwaarte van abortus?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over «pro-life», maar enkel over «anti-abortus»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Erkent u dat «pro-life» een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies in het maatschappelijk debat?
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen «baby», «ongeboren kind», «ongeboren leven» en «meisjes of jongetjes»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen «baby», «meisje» of «jongetje» mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term «ongeboren leven» zich tot het feit dat de term «ongeboren leven» twee keer letterlijk wordt genoemd in de Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde lid, onderdeel b)?
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over «abortus plegen» omdat dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Op basis van welke wetenschappelijke bronnen stelt Fiom dat het «post-abortus syndroom» niet bestaat?
Bent u bekend met het artikel «Zijn bedrijf wordt verdacht van fraude, maar toch verdient deze taxibaas miljoenen bij Defensie» van Follow the Money?1
Ja.
Overwegende dat volgens berichtgeving bedrijven in het netwerk van een Nederlandse ondernemer worden verdacht van fraude in internationale munitiehandel, terwijl aan ditzelfde netwerk defensieopdrachten van grote waarde zijn verstrekt, hoe reflecteert u op deze berichtgeving?
Zakelijke integriteit, waaronder het tegengaan van fraude en corruptie, is een onderwerp dat wij zeer serieus nemen. Door de geopolitieke context, de grote behoefte aan (specialistische) militaire producten en de korte tijdspanne waarin deze geleverd moeten worden, neemt de kans op het manifesteren van fraude- en corruptierisico’s toe. Dit is ook door de Audit Dienst Rijk (ADR) gesignaleerd en Defensie werkt daarom aan verschillende verbeteringen om beter met deze toegenomen risico’s om te gaan. Voorbeelden hiervan zijn het voorbereiden van een defensiebrede frauderisicoanalyse en het ontwikkelen van een frauderisicomanagementsysteem waarin aandacht is voor de preventie, herkenning en detectie van fraude en corruptie.
Klopt het dat bedrijven gelieerd aan deze ondernemer betrokken zijn bij contracten met het Ministerie van Defensie voor de levering van wapens, munitie, boten of ander militair materieel? Zo ja, om welke contracten en bedragen gaat het precies?
Het klopt dat Defensie overeenkomsten heeft met bedrijven die aan deze ondernemer gelieerd zijn. Om operationeel en commercieel vertrouwelijke redenen doet Defensie geen uitspraak over de aard en omvang van de opdrachten.
Wanneer en op welke wijze is het Ministerie van Defensie geïnformeerd over eventuele strafrechtelijke onderzoeken of verdenkingen van fraude met betrekking tot bedrijven die betrokken zijn bij deze contracten?
Op 15 november 2025 heeft Defensie kennisgenomen van een krantenartikel in De Limburger waarin melding werd gemaakt van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie van een van de bedrijven, op grond van fraude met eindgebruikerscertificaten.
Op 18 november 2025 heeft de ondernemer Defensie over de achtergronden en oorzaken geïnformeerd. Op die datum had Defensie enkele contracten met het bedrijf dat onderwerp was van het fraudeonderzoek en waarvan de erkenning op grond van de Wet Wapens en Munitie werd ingetrokken. Defensie is niet voornemens om nieuwe overeenkomsten met dit bedrijf te sluiten. De uitvoering van deze contracten is door een ander bedrijf, dat wel over de juiste vergunningen beschikt, overgenomen zodat Defensie nog steeds over de producten kon beschikken die waren aangekocht.
Overwegende dat volgens het artikel sprake zou zijn geweest van het gebruik van valse of misleidende eindgebruikerscertificaten bij internationale munitiehandel, was het Ministerie van Defensie hiervan op de hoogte? Zo ja, wanneer en welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke integriteits-, veiligheids- en betrouwbaarheidstoetsen worden standaard uitgevoerd bij bedrijven die defensiecontracten verkrijgen, met name wanneer het gaat om handel in wapens en munitie?
Nederlandse bedrijven die wapens of munitie leveren dienen een erkenning te hebben ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan daarnaast een eigen verklaring gevraagd worden van een leverancier, een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis, een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) of een autorisatie door de MIVD ingevolge de Algemene Beveiligingseisen voor Defensieopdrachten (ABDO) c.q. de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). Voor buitenlandse bedrijven bestaan equivalente verklaringen, waar Defensie op dezelfde wijze mee omgaat.
In hoeveel gevallen heeft Defensie sinds de Russische invasie van Oekraïne gebruikgemaakt van nieuwe leveranciers of tussenhandelaren bij de inkoop van militair materieel? Welke extra risico’s op fraude of misbruik brengt dit volgens u met zich mee?
Door de Russische invasie zijn er vele en snelle ontwikkelingen en innovaties op het gebied van militair materieel en de wijze van militair optreden. Dit brengt met zich mee dat er nieuwe bedrijven zijn waar Defensie mee samenwerkt en waar Defensie militair materieel van inkoopt. In sommige gevallen zijn dit kleine en relatief onbekende bedrijven, vaak omdat zij in staat zijn specifiek materieel goed en snel te leveren. Voorbeelden hiervan zijn droneontwikkelaars. De snelheid van levering en de leveringszekerheid zijn in deze tijden van materieelschaarste voor Defensie een van de belangrijkste criteria waarop leveranciers worden geselecteerd, uiteraard naast andere factoren als de prijs en kwaliteit van het materieel en betrouwbaarheid van de leverancier. De intensievere samenwerking met externe partners, waaronder tussenhandelaren, in tijden van schaarste vraagt van Defensie extra aandacht voor de beheersing van risico’s op het gebied van fraude en corruptie. Hiervoor werkt Defensie inmiddels aan verbeteringen en blijft dit de komende jaren ook doen. Een aantal concrete voorbeelden hiervan hebben we benoemd in ons antwoord onder vraag 2.
Overwegende dat in het artikel wordt gesteld dat bepaalde betrokken bedrijven mogelijk niet voldoen aan NAVO- of ISO-kwaliteitsstandaarden voor defensieleveranciers, kunt u aangeven aan welke kwaliteits- en certificeringsvereisten bedrijven moeten voldoen om als leverancier voor Defensie op te treden?
Defensie stelt bij de inkoop van materieel eisen aan de leverancier, aan het product en aan de kwaliteitszorg. Welke eisen gesteld worden, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald. Bij alle contracten die Defensie sluit, dus ook bij contracten met bedrijven waar deze ondernemer bij betrokken is, wordt vooraf gecontroleerd of het bedrijf en de te leveren producten aan alle gestelde eisen voldoen.
Welke controles voert het ministerie uit om te waarborgen dat materieel dat via tussenhandelaren wordt ingekocht daadwerkelijk voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en niet tegen onnodig hoge prijzen wordt geleverd?
Materieel dat gekocht wordt, wordt bij ontvangst gecontroleerd. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan een testplan worden afgesproken, een acceptatietest in de fabriek, en/of een acceptatietest na installatie bij de gebruiker. Ook wordt garantie bedongen voor productie- en/of ontwerpfouten. Welke testen en garantie worden bedongen wisselt naar gelang de aard van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald.
Bij het inkopen zonder concurrentiestelling, wordt bij contracten van meer dan € 2,5 miljoen geëist dat de ADR een onderzoek naar de prijsstelling kan uitvoeren. Daarbij wordt onder meer het winstpercentage beoordeeld. De resultaten van het ADR-onderzoek kunnen aanleiding zijn voor aanvullende onderhandelingen en bijstelling van de prijs.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat bedrijven die worden verdacht van fraude of andere integriteitsschendingen betrokken raken bij defensiecontracten of leveringen van militair materieel?
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld.
Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Bent u bereid lopende contracten met bedrijven uit het genoemde netwerk opnieuw te beoordelen op integriteit, betrouwbaarheid en prijsstelling? Zo nee, waarom niet?
Wij zien nu geen aanleiding om deze beoordeling opnieuw uit te voeren. De lopende contracten zijn beoordeeld op betrouwbaarheid en prijsstelling. De genoemde bedrijven hebben voorafgaand aan contractering een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis overlegd en er is voorcalculatorisch onderzoek uitgevoerd door de ADR. Wel is een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van dit signaal betreffende informatieverstrekking aan een leverancier.
Kunt u deze vragen tijdig voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Online beïnvloeding van jongeren en regelgeving rondom influencers |
|
Harmen Krul (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Joris Lohman (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Aerdts , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onderzoeken van Wijzer in Geldzaken en de Universiteit Utrecht dat veel jongeren zich bij financiële beslissingen laten beïnvloeden voor finfluencers met loze beloften over snel geld verdienen en dat met name kwetsbare jongeren hierdoor in de problemen kunnen komen, terwijl finfluencers vooral hun eigenbelang dienen?1, 2
Bent u bekend met het recente onderzoek van de Radboud Universiteit dat influencers zonder medische achtergrond mensen met hun gezondheidsadviezen medische misinformatie kunnen verstrekken, bijvoorbeeld met oproepen om geen zonnebrand meer te gebruiken of te stoppen met hormonale anticonceptie?3
Bent u bekend met de recente waarschuwingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautorteit (NVWA) over de risico’s van supplementen, waar verboden of onveilige stoffen in kunnen zitten, bijvoorbeeld bij teveel inname of verkeerde combinaties waardoor schade aan de gezondheid kan ontstaan, en de publicatie van een Blocklist?4
Deelt u de zorg dat jongeren in toenemende mate informatie over onder meer financiële zaken, gezondheid en maatschappelijke vraagstukken verkrijgen via sociale media en influencers, en dat dit risico’s kan meebrengen wanneer informatie onjuist, onvolledig of misleidend is?
Bent u bekend met het artikel ««Geen diploma, geen video»: nieuwe Chinese wetgeving voor influencers leidt tot verhit online debat»? En het initiatief van de Chinese overheid om eisen te stellen aan influencers te beschikken over aantoonbare deskundigheid wanneer zij over bepaalde maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën adviseren?5
Vind u dat ook in Nederland strengere regels zouden moeten gelden voor influencers die over maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën mogen adviseren, zoals het beschikken over aantoonbare deskundigheid of expliciete vermelding dat hiervan geen sprake is, omdat zulke adviezen niet zonder risico’s zijn?
Kunt u onderzoeken of het mogelijk is om aanvullende eisen aan deskundigheid te stellen bij adviseren op terreinen waar desinformatie een verhoogd risico inhoudt, met name voor kwetsbare groepen, zoals over financiën, voedings- (en specifiek over Voedingssupplementen en kruidensupplementen) en gezondheidsadviezen?
Zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn een disclaimer te verplichten bij posts van influencers waaruit voor een breed publiek eenvoudig te herleiden is dat het niet om deskundig advies gaat, bijvoorbeeld #NietDeskundig, #GeenDiploma of #GeenExpert
Bent u bereid om ook in Europees verband in te zetten op betere consumentenbescherming bij online advisering over mogelijk risicovolle producten, en met name op aanvullende eisen aan (informatie over) deskundigheid? Bijvoorbeeld via Digital Services Act, richtlijnen voor consumentenbescherming of de Digital Fairness Act?
Het bericht 'Gegevens 200.000 leden Basic-Fit gelekt, ook bij Booking klantgegevens gestolen' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over hacks bij Basic-Fit en Booking.com waarbij klantgegevens zijn buitgemaakt?1
Hoe beoordeelt u deze incidenten als indicatie van structurele tekortkomingen in de beveiliging van persoonsgegevens bij grote, digitaal opererende bedrijven?
Heeft u voldoende structureel inzicht in de aard, omvang en frequentie van datalekken en cyberaanvallen in Nederland? Zo ja, hoe wordt dit overzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Deelt u de opvatting dat herhaalde datalekken kunnen wijzen op onvoldoende structurele naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming? Zo ja, welke systeemfouten signaleert u hierbij? Zo nee, waarom niet?
Acht u de toezicht- en handhavingscapaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens toereikend om structurele naleving af te dwingen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke versterkingen zijn nodig?
Ziet u aanleiding om te komen tot strengere, afdwingbare beveiligingsnormen voor bedrijven die op grote schaal persoonsgegevens verwerken? Zo nee, waarom niet?
In het kader van dataminimalisatie: ziet u kansen dat de ontwikkeling van de EDI-wallet in Nederland kan bijdragen aan het verkleinen van het risico op datalekken bij organisaties, doordat consumenten hun persoonsgegevens minder vaak rechtstreeks hoeven te delen met verschillende partijen?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het artikel ‘Hoe corporaties huurders passeren bij ingrijpende verbouwingen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat woningcorporaties grootschalige verduurzamingsprojecten classificeren als «groot onderhoud» in plaats van «renovatie», waardoor huurders geen instemmingsrecht hebben en de werkzaamheden moeten gedogen?1
Is dit een fenomeen dat bij u al bekend was? Zo ja, welke stappen heeft u ondernomen of onderneemt u om dit recht te zetten? Zo nee, hoe gaat u er in de toekomst voor zorgen dat u sneller op de hoogte kan komen van vergelijkbare problematiek onder kwetsbare huurders?
Bent u bereid om te reageren op het Trendbeeld 2025 van Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland (SVWN) waarin zij zich kritisch uitten over de handelwijze van corporaties met betrekking tot bewonersparticipatie?2
Deelt u de mening dat het financiële belang van corporaties er in de praktijk toe leidt dat corporaties bewust kiezen voor de kwalificatie «groot onderhoud» om kosten te drukken, ten koste van kwetsbare huurders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u aangeven hoeveel sociale huurwoningen de afgelopen drie jaar zijn verduurzaamd onder de noemer «groot onderhoud» of «dringende werkzaamheden», terwijl er naar het oordeel van huurders of hun juridisch vertegenwoordigers sprake was van renovatie? Beschikt u over deze cijfers, en zo nee, bent u bereid deze te laten inventariseren?
In het aangekondigde Wetsvoorstel instemmingsrecht en initiatiefrecht wordt het onderscheid tussen groot onderhoud, dringende werkzaamheden en renovatie niet scherper omschreven. Waarom niet, en bent u bereid dit alsnog te doen?
De komende jaren zullen meer huurders te maken krijgen met de komst van warmtenetten, deelt u de mening dat initiatiefrecht van huurders daarin verankerd moet zijn?
Hoe vaak zijn warmtenetten aangelegd waarbij deze werden gepresenteerd als «dringende werkzaamheden»? Hoe vaak als «groot onderhoud»? Deelt u onze mening dat dit onwenselijk is omdat het rechten van huurders kan schaden?
Bent u van mening dat huurders die maandenlang worden blootgesteld aan geluidsoverlast van meer dan 100 decibel, lekkages en schade aan hun inboedel, zoals beschreven in de projecten in Monnickendam, De Westereen en Huizen, recht hebben op een wisselwoning en adequate schadevergoeding, ongeacht de juridische kwalificatie van de werkzaamheden? Zo ja, hoe gaat u dit borgen?
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de sociale huursector eenzijdig op de schouders van de meest kwetsbare huurders terechtkomt, en dat draagvlak voor verduurzaming wordt ondermijnd?
Is er een toezichthouder bevoegd en toegerust om te handhaven op de juiste kwalificatie van verduurzamingswerkzaamheden door corporaties? Zo nee, bent u van plan een toezichter deze taak te geven?
Deelt u de mening dat er sprake is van een fundamentele machtsongelijkheid tussen woningcorporaties en sociale huurders, nu corporaties eenzijdig kunnen bepalen hoe ingrijpende werkzaamheden worden geclassificeerd, huurders juridisch en financieel nauwelijks in staat zijn om hiertegen op te komen, en de toegang tot de rechter in de praktijk onbetaalbaar is voor de betrokken bewoners?
Bewoners in Monnickendam zeggen dat zij de regie over hun eigen leven zijn kwijtgeraakt. Deelt u de mening dat zeggenschap over de eigen woning en woonomgeving een basisrecht is, en dat de huidige wetgeving dit recht voor sociale huurders in de praktijk onvoldoende waarborgt?
'De Blauwe Haven' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente mediaberichten over grensoverschrijdend gedrag binnen politieonderdeel De Blauwe Haven, waaruit blijkt dat meerdere medewerkers zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ongewenst gedrag richting (vrouwelijke) collega’s?
Klopt het dat er eerder melding is gemaakt van ten minste meerdere slachtoffers binnen de politieorganisatie? Wat is op dit moment het totaal aantal bekende meldingen en slachtoffers binnen dit dossier?
Herkent u de signalen dat het daadwerkelijke aantal slachtoffers hoger ligt dan tot nu toe publiekelijk bekend is gemaakt? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, waarop baseert u dat?
Kunt u aangeven op welke wijze slachtoffers binnen de politieorganisatie momenteel worden ondersteund, en of u van mening bent dat deze ondersteuning toereikend is?
Klopt het dat het lopende onderzoek zich momenteel richt op slechts een beperkt aantal (circa twee) medewerkers? Zo ja, waarom is ervoor gekozen om het onderzoek in eerste instantie tot deze groep te beperken?
Deelt u de opvatting dat, gezien de ernst van de signalen en het mogelijke grotere aantal betrokkenen, een breder en diepgaander onderzoek noodzakelijk is om alle misstanden binnen deze eenheid boven tafel te krijgen? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zijn bij u signalen bekend dat de korpschef, Janny Knol, reeds eerder op de hoogte was van (een deel van) deze meldingen? Zo ja, sinds wanneer? Welke acties zijn naar aanleiding daarvan ondernomen? Acht u dit handelen adequaat?
Hoe beoordeelt u de informatiepositie van de korpsleiding in dit dossier? Zijn er aanwijzingen dat signalen onvoldoende zijn opgepakt of intern zijn gebleven?
Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om het onderzoek niet volledig onafhankelijk extern te laten uitvoeren, maar (deels) binnen of in opdracht van de politieorganisatie zelf plaatsvindt?
Deelt u de mening dat, gezien de aard van de beschuldigingen en de mogelijke cultuurproblemen binnen de organisatie, een volledig onafhankelijk onderzoek noodzakelijk is om vertrouwen van slachtoffers en de samenleving te waarborgen? Zo ja, bent u bereid alsnog een onafhankelijk extern onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt momenteel geborgd dat slachtoffers en betrokkenen zich veilig voelen om zich te melden, mede gezien signalen van angst en terughoudendheid?
Wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat alle (mogelijke) slachtoffers en getuigen zich anoniem, veilig en laagdrempelig kunnen melden, bijvoorbeeld via onafhankelijke meldpunten buiten de politieorganisatie?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om drempels voor melden weg te nemen, zoals:
Hoe wordt geborgd dat meldingen die alsnog binnenkomen ook daadwerkelijk worden betrokken bij het lopende onderzoek en niet buiten beschouwing blijven vanwege de huidige afbakening van het onderzoek?
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dergelijke situaties zich in de toekomst opnieuw voordoen binnen de politieorganisatie?
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel'' |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder: 2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken, getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel, met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid, en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie, naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt? Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd, indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende partijen is besproken?
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve model meer onderbouwing vraagt?
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien in een apotheek?
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
De grote kostenstijging van de 24-uurs bezorging van rouwkaarten |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro’s per kaart kosten»?1
Ja.
Klopt het dat vanaf juli voor bezorging van rouwpost binnen 24 uur een apart en aanzienlijk hoger tarief zal gaan gelden dan het reguliere posttarief? Zo ja, hoe wordt dit tarief vastgesteld?
Ja, voor bezorging van rouwpost binnen 24 uur gaat per 1 juli 2026 inderdaad een hoger tarief gelden. Voor rouwpost is PostNL bezig een apart proces in te richten, waarbij deze post via het pakketnetwerk meegenomen en bezorgd wordt. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in het hogere tarief. Burgers hebben ook de mogelijkheid om een brief niet als rouwbrieven aan te bieden, maar als reguliere UPD-brief. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief binnen twee dagen bezorgd tegen het tarief van reguliere UPD-post.
De tariefruimte en tarieven voor de UPD-post worden elk jaar getoetst door de ACM, waarna PostNL daarbinnen de tarieven per UPD-postsoort kan vaststellen. Na de beoordeling door de ACM, zal PostNL hierover extern communiceren wat de definitieve tarieven worden.
Vind u het wenselijk dat nabestaanden in een periode van rouw mogelijk geconfronteerd worden met fors hogere kosten voor het informeren van familie en kennissen?
De periode na het overlijden van een dierbare is voor mensen een roerige tijd, daar ben ik mij bewust van. Per 1 juli 2026 worden de kwaliteitseisen voor de UPD-post aangepast. Vanaf dan geldt voor reguliere UPD-post een bezorgtermijn van twee dagen (D+2), met een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 90%. De kwaliteitseisen voor rouwpost blijven ongewijzigd, namelijk bezorging binnen één dag (D+1) met 95% bezorgzekerheid.
Om te kunnen blijven voldoen aan bezorging van rouwpost binnen één dag richt PostNL een apart proces in. Deze post zal voortaan via het pakketnetwerk bezorgd worden. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in een nieuw, hoger tarief.
De burger heeft ook de keuze om rouwpost niet als zodanig aan te bieden, maar als reguliere UPD brief te versturen. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief bezorgd binnen de voor reguliere UPD-post geldende termijn van twee dagen (en per 1 juli 2027 drie dagen). Hiervoor hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post. Gelet op het speciale karakter van deze post, komt PostNL wel met een passende rouwpostzegel.
Daarbij hebben mensen ook de mogelijkheid om rouwpost met een langere overkomstduur tegen een lager tarief te versturen, of te kiezen voor een digitaal bericht. Dat wordt al veel gedaan.
Hoe groot is het aandeel van rouwpost binnen de universele postdienst, zowel in aantallen als in verhouding tot het totale postvolume?
Van PostNL begrijp ik dat zij in 2025 ongeveer 5 miljoen stukken rouwpost heeft verwerkt. In 2025 bedroeg het totale aantal UPD-brieven ongeveer 115 miljoen. Rouwpost vertegenwoordigt daarmee zo’n 4% van het totale aantal UPD-brieven. De volumedaling van rouwpost gaat met hetzelfde percentage als het totale brievenvolume: in 2025 ongeveer 8% ten opzichte van 2024.
Overigens gebruiken mensen voor het snel informeren over het overlijden van iemand al veelvuldig digitaal verzonden berichten.
Vindt u dat er voldoende wettelijke of beleidsmatige waarborgen bestaan om een tijdige, toegankelijke en betaalbare bezorging van rouwpost te bewerkstelligen?
In het gewijzigde Postbesluit heb ik de bestaande eisen voor de overkomstduur en bezorgbetrouwbaarheid van deze postsoort gehandhaafd. Daarmee blijft de wettelijke verplichting voor de UPD-verlener om rouwpost en medische post binnen 24 uur te bezorgen. De ACM stelt ieder jaar de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten.
Zolang PostNL invulling geeft aan de wettelijke verplichting om rouwpost binnen één dag te bezorgen, is het aan PostNL om eventueel ook dit soort post als een reguliere UPD-brief te bezorgen waarbij een andere overkomstduur of tarief van toepassing is. Het is vervolgens aan de burger om op basis van deze opties een keuze te maken.
In hoeverre bent u van mening dat rouwpost een bijzondere maatschappelijke functie vervult die een uitzonderingspositie rechtvaardigt ten opzichte van reguliere post?
Ik ben van mening dat tijdige en betrouwbare bezorging in het geval van zowel rouwpost als medische post belangrijk is. Daarom heb ik in het gewijzigde Postbesluit ook gekozen voor andere wettelijke kwaliteitseisen voor bezorging van rouwpost en medische post ten opzichte van de reguliere UPD-post. Daarmee is bezorging van rouwpost en medische post binnen 24 uur en met een betrouwbaarheid van 95% nog steeds gewaarborgd. Tegelijkertijd ben ik niet van mening dat het een dusdanig bijzondere maatschappelijke functie vervult om daarvoor een uitzondering te maken.
Zijn er alternatieven onderzocht om de kosten voor rouwpost te beperken, bijvoorbeeld via een sociaal tarief, compensatieregeling of uitzonderingsregeling? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel ik mij kan voorstellen dat de prijsstijging van de rouwpost voor mensen in tijden van rouw zwaar kan vallen, is het PostNL dat ervoor kiest om de hogere kosten die zij maakt voor de bezorging van rouwpost ook door te voeren in de prijs die mensen ervoor betalen. De verhoging is namelijk een weerspiegeling van stijgende kosten. Verder past het binnen de wettelijke tariefruimte.
Welke rol spelen de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en het kabinet bij de beoordeling van nieuwe tarieven voor spoedpost, waaronder rouwpost?
Rouwpost en medische post zijn onderdeel van de UPD. De ACM stelt jaarlijks de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten. Eind mei 2026 verstrekt PostNL de gegevens aan de ACM die nodig zijn voor de vaststelling van de tariefruimte voor 2027.
Het staat PostNL overigens vrij om te bepalen hoe ze de bezorging van UPD-post, waaronder rouwpost, logistiek organiseert. PostNL kan ervoor kiezen rouwpost via haar pakketnetwerk te bezorgen.
Het kabinet heeft de wettelijke kaders bepaald waarbinnen de ACM de tariefruimte voor de UPD vaststelt. De ACM toetst of de tarieven van UPD-producten daarbinnen passen. Het kabinet heeft geen rol bij de vaststelling van tarieven die PostNL rekent voor UPD en niet-UPD post.
PostNL heeft aan ACM laten weten dat er een algemeen prioriteitsproduct buiten de UPD komt voor consumentenpost met bezorging binnen 24 uur. Rouwpost en medische post vallen niet onder dit prioriteitsproduct. Daarnaast bieden ook andere marktpartijen prioriteitsproducten aan. Het prioriteitsproduct van PostNL wordt binnen één dag (D+1) bezorgd en PostNL zal hiervoor een hogere prijs rekenen dan voor de UPD-post. Het prioriteitsproduct valt buiten de reikwijdte van de UPD en het tarief ervan maakt dan ook geen deel uit van de tariefmelding door PostNL aan de ACM.
Verwacht u dat de aangekondigde wijzigingen ook gevolgen zullen hebben voor medische post of andere maatschappelijk urgente poststromen? Zo ja, welke?
Zoals in vraag 3 en 5 toegelicht, heb ik in het gewijzigde Postbesluit gekozen voor behoud van de huidige wettelijke verplichting van de UPD-verlener om bezorging van rouwpost en medische post binnen 24 uur en met een hoge bezorgzekerheidseis van ten minste 95% aan te bieden. De voorgenomen wijziging in het Postbesluit om de overkomstduur naar D+2 te verlengen voor reguliere UPD-post vanaf 1 juli 2026 heeft dus geen invloed op de overkomstduur en bezorgzekerheid van rouwpost en medische post.
PostNL heeft ervoor gekozen om medische post – net als rouwpost – vanaf juli 2026 via het pakkettennetwerk te gaan bezorgen tegen een hoger tarief. Het voorgenomen nieuwe tarief voor medische post is vergelijkbaar met het voorgenomen nieuwe tarief voor rouwpost binnen de UPD en is onderdeel van de tariefmelding bij de ACM. Voor rouwpost en medische post die binnen twee dagen wordt bezorgd, hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post.
Bent u bereid in overleg te treden met PostNL en relevante stakeholders om te voorkomen dat tijdige bezorging van rouwpost voor mensen onbetaalbaar wordt, en de Kamer hierover te informeren?
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de UPD ben ik regelmatig in contact met de ACM, PostNL en andere relevante stakeholders. Het is aan de ACM om te toetsen of de voorgenomen tarieven van PostNL voor producten onder de reikwijdte van de UPD vallen binnen de door de ACM volgens de wettelijke kaders vastgestelde tariefruimte.
Toenemende regeldruk voor lokale gemeenschapsactiviteiten |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Herbert , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Tentfeesten in gevaar door regels en kosten» van Hart voor Nederland en «Meer regels voor evenementen: onderzoek naar natuur soms nodig» van Omroep Land van Cuijk?1, 2
Deelt u de opvatting dat door de stapeling van regels en administratieve verplichtingen lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten onder druk komen te staan?
Hoe beoordeelt u de uitkomst van de landelijke enquête onder organisatoren van dorpsfeesten door Landelijke Vereniging Kleine Kernen (LVKK) dat 79 procent van de organisatoren van dorpsfeesten gemeentelijke regelgeving als een belemmering ervaart?3
Hoe verklaart u dat vooral de eisen rond veiligheid, vergunningen en bureaucratie als grootste struikelblokken worden genoemd? Welke rol ziet u voor de landelijke overheid om, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, hier regeldruk te verminderen?
Kunt u in kaart brengen aan welke landelijke regelgeving voldaan moet worden bij het organiseren van lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten? Zou u daarin per relevante wetgeving aan kunnen geven welke verplichtingen daaruit voort kunnen vloeien?
Kunt u aangeven welke ruimte er is voor gemeenten om binnen de Omgevingswet regeldruk in het buitengebied tegen te gaan?
Bent u van mening dat van lokale gemeenschapsactiviteit zoals dorpsfeesten niet verwacht kan worden dat zij aan dezelfde administratieve verplichtingen zouden moeten voldoen als grootschalige evenementen zoals festivals?
Is het binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk om voor lokale gemeenschapsactiviteiten versoepelde vergunningsprocedures te laten gelden? Zo nee, bent u bereid om te verkennen op welke manier gemeenten in staat gesteld kunnen worden om voor bepaalde lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten versoepelde procedures te laten gelden?
Bent u bereid om samen met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en maatschappelijke organisaties, zoals de LVKK, op te trekken om te kijken hoe regelgeving voor lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten, versoepeld kan worden?
Groen gas |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom is besloten om de GvO correctie voor de subsidieregeling voor groen gas toe te passen met terugwerkende kracht over 2025, terwijl deze korting in de voorlopige correctiebedragen en voorschotberekeningen voor 2025 niet was aangekondigd?
Erkent u dat groen gasondernemers hierdoor geen reële mogelijkheid hadden om hun contracten, prijsafspraken of productie keuzes aan te passen, aangezien zij mochten vertrouwen op de officiële publicaties van eind 2024 waarin geen GvO correctie voor 2025 was opgenomen?
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ondernemers die – op basis van de gepubliceerde cijfers – in 2025 bewust kozen voor gesubsidieerde productie, nu worden geconfronteerd met substantiële financiële achteruitgang die bij tijdige communicatie voorkomen had kunnen worden?
Bent u bereid compensatie of herstelopties te overwegen voor ondernemers die door de retroactieve korting financieel zijn benadeeld, mede gezien het feit dat een deel van hen bij tijdige kennisgeving had gekozen voor ongesubsidieerde productie, wat financieel gunstiger zou zijn geweest?
Waarom acht u deze maatregel zó noodzakelijk dat u ervoor kiest ondernemers met terugwerkende kracht te belasten, terwijl een aangekondigde invoering vanaf 2026 beter zou passen bij voorspelbaar, realistisch en uitvoerbaar energiebeleid, zoals ook in diverse beleidsadviezen en politieke programma’s wordt benadrukt?