Het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bruijn , Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024?1
Erkent u de conclusie dat de hoogste normoverschrijdingen in het grondwater worden gevonden bij bestrijdingsmiddelen en PFAS? Zo nee, op welke wetenschappelijke consensus baseert u zich dan (graag bronvermelding gebruiken)?
Bent u het ermee eens dat het vervuilen van grondwater een ernstige bedreiging vormt voor de drinkwatervoorziening en de natuur? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Welke effecten heeft de normoverschrijding, de aanwezigheid en de stapeling van schadelijke stoffen in ons milieu en voedsel mogelijk op de gezondheid van mensen, op korte en lange termijn en vindt u deze effecten verantwoord?
Kunt u in euro's een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die deze schadelijke stoffen en normoverschrijdingen veroorzaken? Zo nee, kunt u die zo snel mogelijk in kaart laten brengen?
Hoe beoordeelt u het feit dat in 96% van het ondiepe grondwater één of meerdere milieuvreemde stoffen worden aangetroffen, waarbij in 85% van de gevallen PFAS, en waarvan 70% de gehanteerde normen (vaak fors) overschrijdt?
Deelt u de zorgen uit het rapport, wanneer hierin gesproken wordt over «zorgwekkend hoge percentages van normoverschrijdingen in het diepere grondwater» als «een bedreiging voor de bereiding van drinkwater uit grondwater op basis van eenvoudige zuivering»?
Wat zegt dit alles volgens u over de effectiviteit van het huidige PFAS-beleid?
Ziet u voor de bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en milieu en voor het blijven garanderen van schoon drinkwater reden voor meer snelheid en actie om PFAS en andere schadelijke stoffen beter aan te pakken? Zo ja, wat gaat u dan concreet doen op korte termijn en welke tijdlijn hoort daarbij? Zo nee, waarom niet?
Wat gaat u eraan doen om de hoeveelheid schadelijke stoffen minstens terug te brengen onder de normen? Welk tijdpad hoort daarbij?
Wat gaat u op korte termijn concreet doen om richting burgers de transparantie te vergroten over deze schadelijke stoffen en de aanwezigheid daarvan in producten/middelen en uiteindelijk onze leefomgeving? Welk tijdpad hoort daarbij?
Deelt u de zorg dat bestrijdingsmiddelen en PFAS ook in 18% van diepere grondwaterlagen worden teruggevonden, waar drinkwater wordt gewonnen? Welke risico’s ziet u hiervoor op de langere termijn voor de gezondheid, de natuur en het milieu en waar baseert u uw inzichten precies op (graag bronnen vermelden)?
Waarom lukt het ondanks bestaande regelgeving nog steeds niet om normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen terug te dringen? Waar schiet het beleid tekort, wat gaat u precies beter doen en wanneer gaat u dat doen?
Kunt u een uitputtende opsomming geven van alle aanbevelingen en conclusies uit onafhankelijke evaluaties die het ministerie in het verleden heeft ontvangen als het gaat om beleid met betrekking tot bestrijdingsmiddelen? Kunt u daarbij per punt aangeven wat u er wel of niet mee heeft gedaan?
Heeft u ook gelezen dat het rapport ook concludeert dat op grond van de grote verschillen in percentages van normoverschrijdingen tussen enerzijds medische stoffen en anderzijds bestrijdingsmiddelen en PFAS het voor de hand ligt om ter verbetering van de grondwaterkwaliteit het accent te leggen op maatregelen gericht op bestrijdingsmiddelen en PFAS? Erkent u die feiten en welke acties verbindt u aan die conclusie?
Bent u het ermee eens dat het, gezien die feiten, duidelijk onwenselijk is dat bestrijdingsmiddelen met PFAS worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Erkent u – tegen de achtergrond dat Nederland in Europa de officiële positie heeft dat we snel een verbod op PFAS willen, juist omdat het onwenselijk is dat het overal in ons milieu en lichaam terecht komt – dat door het gebruik van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen alsnog PFAS overal in onze bodem, milieu en lichaam terecht kan komen? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Hoe beoordeelt u het risico voor de gezondheid van mens en dier, als PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen steeds in ons voedsel terechtkomen en zo schadelijke stoffen zich in ons lichaam opstapelen, ook gezien het feit dat de meeste Nederlanders nu al te veel PFAS in hun bloed hebben?
Kunt u uitleggen waarom PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen (PFAS-pesticiden) nog altijd op de markt mogen blijven, terwijl bekend is dat PFAS persistent, toxisch en nauwelijks afbreekbaar zijn?
Bent u als eindverantwoordelijke voor gezondheid bereid om ook voor een verbod op PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te pleiten, naar voorbeeld van landen als Denemarken? Zo nee, waarom kan Denemarken het wel en waarom beschermt u de gezondheid van onze burgers niet?
Bent u bereid het gebruik van bestrijdingsmiddelen waar PFAS in zitten op zijn minst te verbieden in grondwaterbeschermingsgebieden?
Hoe waarborgt u dat Nederland gaat voldoen aan de KRW-doelen, nu Europa hierin naar alle waarschijnlijkheid ook PFAS-grensnormen gaat opnemen?
Bent u bereid om de monitoring van PFAS en bestrijdingsmiddelen uit te breiden, zoals aanbevolen in het rapport? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om – gezien het feit dat bij meerdere bedrijven is geconstateerd dat ze goochelen met uitstootcijfers en informatie achterhouden (zoals bij CFS) – meer regie te nemen en meer in te zetten op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken, zodat de controle hierop en de toegang tot wat in de omgeving aan stoffen wordt uitgestoten verbeterd wordt en minder afhankelijk is van bedrijven (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)?
Wanneer wordt aan de toezegging voldaan, inclusief de beloofde vervolgstappen, zoals geuit in de Voortgangsbrief Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28 089, nr. 335) dat eind dit jaar alle onderzoeksresultaten voortvloeiend uit het rapport en actieagenda Industrie en Omwonenden integraal zouden worden gewogen en gedeeld met de Kamer, samen met een tijdpad van mogelijke
acties die hieruit voortvloeien?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk één voor één beantwoorden?
De berichten dat Taiwan een initiatief heeft gelanceerd ter verdediging van onderzeese kabels. |
|
Derk Boswijk (CDA), Henk Jumelet (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over het Taiwanese initiatief ter verdediging van onderzeese kabels genaamd RISK?1
Ja.
Ziet u ook de risico’s van deze onderzeese kabels in het kader van ongelukken met scheepsvaart en/of sabotage in het kader van hybride oorlogsvoering?
Ja, het kabinet erkent de risico’s van het beschadigen van onderzeese kabels. Ongelukken met scheepvaart vormen een belangrijke oorzaak voor dergelijke beschadigingen. Tegelijkertijd is er sprake van een aanhoudende sabotagedreiging, onder andere gericht op maritieme kritieke infrastructuur zoals onderzeese kabels.
Deelt u de mening dat de vrijheden van de internationale wateren niet in het geding mogen komen en dat het doelbewust beschadigen van internationale onderzeese kabels mogelijk hierop een inbreuk maakt? Zo niet, waarom niet?
Ja, Nederland hecht groot belang aan de vrijheden van de volle zee, waaronder de vrijheid van navigatie en de vrijheid om kabels en pijpleidingen te leggen, gecodificeerd in het VN-Zeerechtverdrag. Deze vrijheden gelden onder de voorwaarden die het zeerecht daaraan stelt ook in de exclusieve economische zone. In overeenstemming met het zeerecht, dienen deze vrijheden te worden uitgeoefend en beschermd op een wijze die terdege rekening houdt met rechten en plichten van de kuststaat in de EEZ en de belangen van andere staten op volle zee.
Zijn er overeenkomsten te vinden tussen de Chinese dreiging aan het adres van Taiwan en de Russische dreiging richting Europa wat betreft hybride oorlogsvoering, in het bijzonder als het onderwaterinfrastructuur betreft?
In algemene zin is er zowel in Europa als in de Indo-Pacific sprake van hybride dreigingen en werken landen aan het verbeteren van hun weerbaarheid hiertegen. Sabotage vormt een onderdeel van de dreiging in beide regio’s. Sabotage heeft verschillende verschijningsvormen en kan zich onder meer richten op vitale maritieme infrastructuur zoals data- en elektriciteitskabels.
Deelt u de mening dat in het kader van het beschermen van internationale onderzeese kabels, het zowel in het belang van Nederland is als dat van Taiwan als er meer wordt gewerkt aan het delen van informatie en het samen opbouwen van kennis om zo de kans op beschadigingen of sabotage aan onderzeese kabels in de Noordzee en de wateren rondom Taiwan te verkleinen?
Het beschermen van internationale onderzeese kabels is een gedeeld wereldwijd belang. Internationale samenwerking is dan ook belangrijk en noodzakelijk. Dit doen we binnen de EU en de NAVO en daarbuiten waar nodig en mogelijk.
Bent u bereid zich aan te sluiten bij de vier initiatieven zoals deze worden beschreven in het Taiwanese RISK-initiatief? Zo niet, zou u kunnen uitweiden waarom niet?
Gezien het belang van het beschermen van onderzeese kabels neemt Nederland deel aan verschillende internationale gremia waarin deze thematiek wordt geadresseerd. Nederland is bijvoorbeeld lid van de International Telecommunication Union (ITU) en via het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangesloten bij het International Cable Protection Committee (ICPC). Hierbinnen wordt al in breed internationaal verband gewerkt aan versterking van de weerbaarheid van de onderzeese kritieke infrastructuur door het delen van best practices tussen overheden, de industrie en bedrijven. Nederland ziet derhalve op dit moment geen noodzaak om zich aan te sluiten bij het Taiwanese initiatief, maar zal het belang van internationale samenwerking op dit thema, waar in mondiaal belang ook met Taiwan, blijven voorstaan en de noodzaak van deelname aan verscheidene initiatieven doorlopend blijven wegen.
Zijn er andere staten waarmee u de banden zou willen verstevigen in het kader van het beschermen van onze cruciale infrastructuur en dus onder andere internationale onderzeese kabels?
Ter bescherming van de kritieke onderzeese infrastructuur en maritieme veiligheid in brede zin richt Nederland zich primair op de nabije regio, en werkt daarom actief met de Noordzeelanden, de Scandinavische en Baltische staten.
Daarnaast is in het kader van het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) ook met andere landen kennis uitgewisseld op het gebied van kritieke onderzeese infrastructuur, zoals met Singapore en ASEAN (Association of Southeast Asian Nations). Verder heeft Nederland in het kader van het Indo-Pacific Ministerial Forum op 21 november jl. met diverse andere Europese lidstaten een samenwerking van de EU met de regio op dit terrein voorgesteld, waarbij de EU inzet op samenwerking met partners in de Indo-Pacific regio gericht op uitwisseling van kennis en expertise op het gebied van beschermen van kritieke infrastructuur op zee.
Op welke manieren bent u bereid zich in te zetten voor een betere bescherming, internationaal, van de onderzeese kabelinfrastructuur?
Van belang is een goede informatie-uitwisseling en het delen van best practices. Niet alleen tussen landen onderling maar ook in samenwerking met de industrie die over veel kennis en ervaring beschikt. Zo is samenwerking, nationaal en internationaal, publiek en privaat, een belangrijke actielijn binnen het PBNI. In dit kader is in 2024 een Joint Declaration of Intent ondertekend door de verschillende Noordzeelanden (België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Nederland) om samen te werken aan verbeterde informatie-uitwisseling en het nemen van coherente en gecoördineerde weerbaarheidsmaatregelen.
De nieuwe richtlijnen van de Gezondheidsraad waarin gesteld wordt dat Nederlanders plantaardiger moeten gaan eten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Gezondheidsraad adviseert om onder andere de consumptie van rood vlees terug te brengen tot maximaal 200 gram per week en om plantaardige voeding de norm te maken omdat dit gezonder zou zijn voor mensen en beter voor het milieu?1
Uiteraard ben ik bekend met het advies van de Gezondheidsraad waar u naar verwijst. In dit advies staat niet dat plantaardige voeding de norm moet worden gemaakt. Wel adviseert de Gezondheidsraad, net als in 2015, op basis van de evaluatie van de wetenschappelijke literatuur ten aanzien van gezondheid een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon. De Gezondheidsraad stelt dat een verschuiving naar een meer plantaardig voedingspatroon gunstig is voor de (volks)gezondheid. Bovendien heeft het een lagere milieu-impact. De richtlijn voor rood vlees (zoals rundvlees en varkensvlees) is inderdaad maximaal 200 gram per week.
Wat is uw op deze nieuwe richtlijnen van de Gezondheidsraad?
Ik laat een inhoudelijke appreciatie van het advies aan het nieuwe kabinet, zoals aangegeven in mijn brief van 4 december 2025.2
Wat is volgens u de definitie van «een gezond dieet», aangezien binnen de voedingswetenschappen er veelvuldig discussie is over wat een dieet gezond maakt?
Binnen en zeker ook buiten de voedingswetenschappen, bestaat discussie over wat een dieet (in de zin van een voedingspatroon) gezond maakt. De wetenschap staat niet stil, en het is goed dat er discussie is over de verschillende inzichten. Ik vind het belangrijk dat de Gezondheidsraad periodiek de stand van de wetenschap voor voeding op een rij zet en uitzoekt voor welke relaties tussen voedingsmiddelen en chronische ziekten er een sterk wetenschappelijk bewijs is. Juist vanwege de vele discussies kan het namelijk onduidelijk zijn waarover er wel wetenschappelijke consensus bestaat. Het uitgebrachte advies biedt helderheid en geeft daarmee een eenduidige basis voor de actualisatie van de Schijf van Vijf. In de Schijf van Vijf staan producten die goed zijn voor je gezondheid en die zorgen voor genoeg energie en de voedingsstoffen die je lichaam nodig heeft. Dat is belangrijk voor nu, maar ook voor de gezondheid in de toekomst. Dat is dan ook de hierbij gehanteerde definitie van een gezond dieet.
Welke concrete maatregelen overweegt u naar aanleiding van het feit dat de Gezondheidsraad oproept tot «krachtig overheidsbeleid» om plantaardige voeding de norm te maken?
De inhoudelijke appreciatie van het advies en de uitwerking van eventuele concrete maatregelen wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief van 4 december 2025.
Deelt u de mening dat er in de voedingswetenschap nog altijd geen consensus bestaat over wat gezond en ongezond is – door onder andere de complexiteit van het menselijk lichaam en uiteenlopende onderzoeksresultaten – en daarom voorzichtigheid geboden is bij het normatief voorschrijven van eetpatronen aan de gehele bevolking?
Ik deel uw mening dat het menselijk lichaam complex is en er uiteenlopende onderzoeksresultaten bestaan, ook binnen de voedingswetenschap. De Gezondheidsraad heeft in haar advies op basis van onderzoek, dat voldeed aan vooraf vastgestelde kwaliteitseisen, de totale stand van de wetenschap met betrekking tot eiwitbronnen beschreven. De Gezondheidsraad trekt geen conclusies op basis van individuele onderzoeken. Voor de productgroepen waarvoor richtlijnen zijn opgesteld, is een sterk bewijs voor een effect of verband. Wanneer geen consensus bestaat binnen de voedingswetenschap over een bepaalde productgroep en het gezondheidseffect, bijvoorbeeld wanneer er onvoldoende (goed) onderzoek beschikbaar is, dan staat dit helder beschreven in het advies.
Voorzichtigheid is geboden bij het adviseren over eetpatronen aan de gehele bevolking. Juist daarom hecht ik veel waarde aan dit Gezondheidsraadsadvies, waarbij de wetenschappelijke onderzoeken zorgvuldig zijn afgewogen om zo te komen tot deze richtlijnen. De Richtlijnen goede voeding noch de Schijf van Vijf zijn normatieve voorschriften. Iedereen kan zijn of haar eigen keuzes maken, mede op basis van de betrouwbare informatie van het Voedingscentrum.
Bent u bekend met het feit dat, om het eiwittekort als gevolg van het eten van minder rood vlees aan te vullen, de Gezondheidsraad het eten van peulvruchten adviseert?
De Gezondheidsraad adviseert om 250 gram bereide peulvruchten per week te eten. Dit is afgeleid van de hoeveelheid waarbij in onderzoek een verlaging van het risico op coronaire hartziekten wordt gezien. Het advies om peulvruchten te eten staat op zichzelf en los van de richtlijn over rood vlees.
De Schijf van Vijf van het Voedingscentrum houdt rekening met zowel de Richtlijnen goede voeding als met wat iemand nodig heeft aan voedingsstoffen (zoals eiwitten) en energie. Het Voedingscentrum is momenteel bezig met de doorontwikkeling van de Schijf van Vijf, waarin de herziene Richtlijnen goede voeding worden meegenomen.
Bent u op de hoogte van verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat plantaardige eiwitten minder goed worden opgenomen door het menselijk lichaam?
Ja. Gemiddeld genomen, worden eiwitten uit dierlijke voedingsmiddelen beter opgenomen door het lichaam dan uit plantaardige producten.
Het Gezondheidsraadsadvies Gezonde eiwittransitie3 onderzocht de gevolgen voor de gezondheid van de verschuiving naar een voedingspatroon met 60% plantaardige en 40% dierlijke eiwitten. Dat advies concludeert dat bij de algemene bevolking sprake is van een ruim voldoende inname van eiwit. Hierdoor leidt een verschuiving naar een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon (60% plantaardig, 40% dierlijk) op bevolkingsniveau niet tot problemen in de voorziening van eiwit en essentiële aminozuren.
Bent u bekend met de aanbeveling van de Gezondheidsraad in dit advies om elke dag een handje pinda’s te eten?
Ik ben bekend met het advies van de Gezondheidsraad om 15–30 gram noten per dag te eten, en daarbij te variëren tussen soorten, waaronder pinda’s.
Bent u op de hoogte van verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat er in pinda’s veelvuldig anti-nutriënten aanwezig zijn, zoals lectinen, die de opname van essentiële vitamines en mineralen – bijvoorbeeld zink en calcium – blokkeren?
Ja, pinda’s kunnen lectine bevatten. Bij het opstellen van het advies Richtlijnen goede voeding zijn geen aandachtspunten naar voren gekomen over effecten van lectine in pinda’s. Het advies van de Gezondheidsraad om te variëren tussen nootsoorten (waaronder pinda’s) is onder andere gunstig om eventuele mogelijke nadelige effecten van lectine in bepaalde noten te verminderen.
Bent u bekend met verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat onbewerkt rood vlees nutriënten bevat die buitengewoon goed door het menselijk lichaam opgenomen kunnen worden?
Ja, zowel rood als wit vlees leveren gunstige voedingsstoffen, waaronder eiwit, ijzer, selenium, zink en de vitamines B1, B2, B3, B6 en B12. Dit staat ook in het Gezondheidsraadadvies genoemd.
Bent u bekend met verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat er in onbewerkt rood vlees essentiële micronutriënten te vinden zijn, die in veel mindere mate voorkomen in plantaardige voeding?
Een aantal vitaminen en mineralen (micronutriënten) komt inderdaad meer voor in (rood en wit) vlees dan in plantaardige voeding. Andersom komen in plantaardige producten weer bepaalde micronutriënten voor die nauwelijks in vlees of andere dierlijke producten zitten, denk aan vitamine C.
Bent u bekend met verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat dierlijke voeding een hogere nutriëntendichtheid heeft dan plantaardige voeding?
Nutriëntendichtheid verwijst naar de relatieve hoeveelheid (gunstige) voedingsstoffen in een voedingsmiddel in verhouding tot het aantal calorieën. Gezien plantaardige producten zoals groente en fruit, veelal veel voedingsstoffen (zoals vitaminen, mineralen, vezels) en weinig calorieën bevatten, is de nutriëntdichtheid van de meeste plantaardige voeding hoog. Ook dierlijke voeding kan een hoge nutriëntdichtheid hebben, denk aan (magere) zuivel, ei of mager vlees. Het geschetste verschil in nutriëntendichtheid tussen enerzijds dierlijke voeding en anderzijds plantaardige voeding herken ik niet.
Hoe waarborgt u dat wetenschappelijke advisering, in dit geval door de Gezondheidsraad, onafhankelijk blijft van politieke ideologieën, activistische stromingen en commerciële lobbygroepen?
Een advies van de Gezondheidsraad is gebaseerd op een onbevooroordeelde en transparante weging van wetenschappelijke gegevens. De Gezondheidsraad onderschrijft een code om oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling tegen te gaan. Kandidaat-commissieleden moeten aan de hand van een uitvoerige belangenverklaring inzicht geven in hun mogelijke (financiële) belangen, persoonlijke relaties, reputatiemanagement en extern gefinancierd onderzoek. Het bestuur van de Gezondheidsraad beoordeelt vervolgens of deze belangen het lidmaatschap in de weg staan.
Hoe kunt u uitsluiten dat de richtlijn van de Gezondheidsraad wordt beïnvloed door belangenorganisaties, NGO’s of internationale agenda’s die zijn gericht op het verminderen van de vleesconsumptie, bijvoorbeeld omdat het verminderen van de vleesconsumptie «goed voor het klimaat» zou zijn?
In aanvulling op antwoord 13, zijn de Richtlijnen goede voeding opgesteld door een multidisciplinaire commissie (Commissie Voeding) die zorgvuldig is samengesteld. De belangenverklaringen van de leden van de commissie zijn in te zien op de website van de Gezondheidsraad. Deze belangenverklaringen vormen geen aanleiding om te veronderstellen dat de opstellers van dit advies op welke manier dan ook zijn beïnvloed.
Ook hield de Gezondheidsraad in het voorjaar een openbare commentaarronde voor concepten van achtergronddocumenten behorende bij dit deeladvies van de Richtlijnen goede voeding. De ontvangen commentaren en de reactie daarop zijn in te zien op de website van de Gezondheidsraad. Op deze wijze is het transparant en inzichtelijk wat de input is geweest van o.a. belangenorganisaties en hoe de Gezondheidsraad om is gegaan met deze input.
Welke mogelijke gevolgen ziet u voor de volksgezondheid met betrekking tot risico’s op tekorten aan bepaalde voedingsstoffen in het menselijk dieet bij sterk plantaardige diëten?
Om optimaal te kunnen functioneren is het belangrijk om voldoende voedingsstoffen binnen te krijgen. De Gezondheidsraad heeft in zijn advies Gezonde eiwittransitie onder andere onderzocht of een plantaardiger dieet mogelijk tekorten aan bepaalde voedingstoffen zou opleveren. In het advies wordt geconcludeerd dat het mogelijk is om een sterker plantaardig dieet (60% plantaardige eiwitten) in te vullen zonder dat tekorten aan voedingsstoffen ontstaan. Hierbij wordt wat betreft dierlijke eiwitbronnen uitgegaan van een voedingspatroon waarbij de consumptie van vlees wordt verlaagd en niet meer vis en zuivel wordt geconsumeerd dan wordt geadviseerd. Voor het verhogen van de inname van plantaardige eiwitbronnen wordt geadviseerd om meer peulvruchten en noten te eten en te variëren met eiwitbronnen. Ik zie voor de algemene bevolking geen risico’s op tekorten, wanneer bij de invulling van het dieet de Richtlijnen goede voeding wordt gevolgd.
Welke economische gevolgen voorziet u voor de Nederlandse boeren als deze adviezen beleidsmatig worden gevolgd?
De inhoudelijke appreciatie van het Gezondheidsraadadvies laat ik aan een volgend kabinet. Indien gekozen wordt voor beleidswijzigingen, kunnen de economische gevolgen hiervan in kaart worden gebracht.
Wanneer is volgens u de grens bereikt tussen het bevorderen van volksgezondheid en individuele keuzevrijheid?
Ik hecht sterk aan individuele keuzevrijheid: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. Een onafhankelijk goed onderbouwd advies vergroot de (geïnformeerde) keuzevrijheid, zeker als dit voor alle Nederlanders toegankelijker wordt gemaakt via voorlichting van het Voedingscentrum, zoals met de Schijf van Vijf. Er is geen sprake van beperking van de keuzevrijheid.
Deelt u de mening dat iemands voedseldieet uiteindelijk een persoonlijke verantwoordelijkheid is en dat het onwenselijk is dat de staat overgaat tot nudging – bijvoorbeeld middels accijnzen – en andere vormen van gedragssturing om de consumptie van dierlijke eiwitten te verminderen?
Ik deel de mening dat wat je eet en drinkt, je eigen persoonlijke verantwoordelijkheid is. Het staat eenieder vrij om zelf te kiezen hoe, wat en wanneer hij of zij eet en drinkt. We zien wel dat de voedselomgeving veel ongezonde voedselkeuzes stimuleert. Daarmee is het voor mensen minder makkelijk om gezonde (en duurzame) voedselkeuzes te maken. De overheid heeft de taak om de volksgezondheid te bevorderen, en kan op basis van deze taak bepaalde keuzes ontmoedigen. Accijnzen zijn slechts van toepassing op tabak en alcohol.
Deelt u de opvatting dat de vrijheid om vlees te eten te allen tijde gewaarborgd moet blijven?
Zie antwoord op vraag 18.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze wordt gewaarborgd dat in de aangekondigde update van de Schijf van Vijf – een veelvuldig gebruikt instrument in het basisonderwijs – uitsluitend wetenschappelijk onderbouwde gezondheidsinformatie wordt opgenomen, en dat er daarbij geen sprake zal zijn van ideologisch of activistisch gedreven gedragssturing, bijvoorbeeld door jonge kinderen aan te leren dat het eten van rood vlees slecht zou zijn voor henzelf of voor de planeet?
De Schijf van Vijf vormt de praktische vertaalslag van de Richtlijnen goede voeding en houdt daarnaast rekening met onder andere de energiebehoefte en het behalen van voedingsnormen4. De Schijf van Vijf is wetenschappelijk onderbouwd.
Deelt u de mening dat gezondheidsadviezen uitsluitend op gezondheidsinformatie moeten worden gebaseerd en dat het dus nooit zo kan zijn dat gezondheidsadviezen (deels) worden gebaseerd op overwegingen die te maken hebben met klimaatbeleid?
Ik ben van mening dat gezondheidsadviezen onderbouwd moeten zijn met wetenschappelijke onafhankelijke informatie met betrekking tot gezondheid. De preventie van chronische ziekten in de Nederlandse bevolking is het hoofddoel van de Richtlijnen goede voeding. Voor de gezondheid van toekomstige generaties is het belangrijk dat ook op de langere termijn voldoende gezond en veilig voedsel beschikbaar is. Dit is voor een groot deel afhankelijk van het milieu, daarom is hier in de Richtlijnen goede voeding ook aandacht aan besteed.
Bent u bekend met de zogenaamde «eiwittransitie»?2 Hoe zou u de «eiwittransitie» zelf in het kort omschrijven?
Ja, met de eiwittransitie wordt de verandering van een consumptiepatroon bedoeld, waarbij in verhouding minder dierlijke en meer plantaardige eiwitten worden geconsumeerd, in vergelijking met ons huidige consumptiepatroon.
Is zo’n «eiwittransitie» volgens u noodzakelijk? En zo ja, waarom?
Uit het Gezondheidsraadadvies blijkt dat een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon gunstig is voor de volksgezondheid, omdat dit het risico op chronische ziekten verlaagt. Daarnaast is volgens de Gezondheidsraad een meer plantaardig voedingspatroon van belang om te zorgen dat toekomstige generaties eveneens kunnen kiezen voor gezond voedsel, vanwege de lagere ecologische voetafdruk. Dit onderschrijft de relevantie van de eiwittransitie.
Maakt dit advies van de Gezondheidsraad onderdeel uit van deze «eiwittransitie»? Met andere woorden, is een van de doelen van dit advies van de Gezondheidsraad om bij te dragen aan de «eiwittransitie»?
Nee, het doel van dit advies is de Richtlijnen goede voeding te actualiseren naar aanleiding van de stand van de wetenschap.6
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.
Geheime detentiefaciliteiten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 over de mysterieuze gevangenhouding van een strafadvocaat? Zo ja, klopt dit bericht?
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat vindt u ervan dat de Inspectie Justitie en Veiligheid als toezichthouder op het gevangeniswezen geen weet had van een detentielocatie, die pas «na héél lang aandringen» bezocht kon worden, waarvan onduidelijk is wie de eindverantwoordelijke locatiedirecteur is en waarvan niet helder is wie uitvoering aan de bewaring geeft?
Ik acht het van belang dat er onafhankelijk toezicht moet kunnen worden uitgeoefend op alle vormen van detentie, ook wanneer het om zeer uitzonderlijke situaties gaat en er sprake is van afgeschermde detentie. Ik vind dan ook dat de Inspectie van Justitie en Veiligheid (IJenV) op de hoogte had moeten zijn van het bestaan van de afgeschermde detentielocatie en van het moment dat deze in gebruik werd genomen. Bij andere vormen van detentie wordt de IJenV niet over een individuele plaatsing geïnformeerd. Gelet op de uitzonderlijkheid van het gebruik van de afgeschermde locatie had het voor de hand gelegen om de IJenV daarvan proactief op de hoogte te stellen. Gezien het feit dat het vanuit veiligheidsoverwegingen een afgeschermde locatie betreft, hadden hier aanvullende afspraken over gemaakt moeten worden tussen de partijen. Door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de IJenV zijn eind 2024 werkafspraken gemaakt die onder andere zien op de wijze waarop een afgeschermde detentielocatie bezocht kan worden door de IJenV. Dergelijke afspraken lagen er op het moment dat de IJenV DJI verzocht de locatie te bezoeken nog niet. Voor een uitgebreidere toelichting verwijs ik u naar de eerdere Kamerbrieven van 7 april 2025 en 9 december 2025 en de beantwoording van de vragen van het lid van Nispen.2
Klopt het dat er meermaals van alles aan gedaan is om informatie over deze mysterieuze geheime detentiefaciliteiten buiten de openbaarheid te houden? Zo nee, waaruit blijkt dat? Zo ja, waarom? Klopt het dat Dienst Justitiële Inrichtingen heeft geweigerd om vragen van de Inspectie Justitie en Veiligheid schriftelijk te beantwoorden? Zo ja, wat was hiervoor de reden en is dat een gebruikelijke gang van zaken?
De ingebruikname van een afgeschermde detentielocatie vindt enkel plaats in uitzonderlijke situaties. Voorbeelden hiervan zijn situaties waarbij het met het oog op de veiligheid en/of het welzijn van de gedetineerden, de veiligheid van de maatschappij, andere gedetineerden en/of DJI-medewerkers het niet gewenst is dat in de openbaarheid bekend is waar de gedetineerde zich in detentie bevindt. Voorafgaand aan de plaatsing in afgeschermde detentie vindt er een afweging door DJI plaats, op basis van de op dat moment beschikbare informatie van bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie of de politie, omtrent de mate van afscherming. Ook gedurende de detentie wordt doorlopend bezien of plaatsing in afgeschermde detentie noodzakelijk is. Indien mogelijk wordt er afgeschaald.
Er gaat een groot belang uit van het niet bekend worden van locaties waar de afgeschermde detentie zich bevindt. Als dergelijke locaties van de afgeschermde detentie bekend raken, zijn deze locaties in beginsel niet meer inzetbaar als afgeschermde detentielocatie. Om deze reden heeft DJI de locatie voor afgeschermde detentie niet schriftelijk met andere partijen, waaronder de IJenV, gedeeld. Dit is een uitzondering, andere detentielocaties worden wel schriftelijk met de IJenV gedeeld. Door DJI is volledige medewerking verleend aan de IJenV. Indien vragen van de IJenV niet schriftelijke konden worden beantwoord heeft beantwoording mondeling plaatsgevonden. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven zijn er werkafspraken gemaakt tussen de IJenV en DJI.
Hoeveel tijd zat tussen het verzoek van de Inspectie ustitie en Veiligheid om de gewraakte locatie te bezoeken en het daadwerkelijke inspectieverzoek? Waarom wordt informatie daarover in de geopenbaarde documenten weggelakt? En waarom wordt geheimzinnig gedaan over wie precies de vestigingsdirecteur is?
Er zaten 17 dagen tussen het eerste gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen de IJenV en DJI omtrent de afgeschermde detentie en het eerste fysieke bezoek aan de locatie. Omdat er op het moment van het eerste fysieke bezoek nog geen werkafspraken lagen tussen de IJenV en DJI dienden er aanvullende veiligheidsmaatregelen te worden getroffen. Aangezien er nu er werkafspraken liggen, is de verwachting dat een fysiek bezoek van de IJenV aan een afgeschermde detentielocatie in het vervolg binnen een korter tijdsbestek kan plaatsvinden. De veiligheid staat in alle gevallen voorop, voor gedetineerden, voor personeel en ook voor de inspecteurs. Dat kan er in resulteren dat bij verzoeken van de IJenV maatwerk wordt toegepast vanwege veiligheidsrisico’s. Zoals reeds aangegeven bij de beantwoording van vraag 3 wordt er enkel van afgeschermde detentie gebruik gemaakt in uitzonderlijke situaties wanneer er een veiligheidsbelang is dat niet op andere wijze gewaarborgd kan worden. In het kader van de veiligheid van de betrokken DJI-medewerkers (waaronder de vestigingsdirecteur) is het van belang dat niet bekend wordt waar de afgeschermde detentie daadwerkelijk plaatsvindt en wie daarbij zijn betrokken.
Vindt u dat in dit geval voldaan wordt aan alle wettelijke en verdragsrechtelijke eisen die aan detentie moeten worden gesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om een nauwgezette weergave hoe deze detentierechten precies geëerbiedigd zijn? Zijn er andere gevallen waarin geheime detentie is toegepast?
Ook in de situatie van afgeschermde detentie moeten en kunnen gedetineerden erop vertrouwen dat hun detentie veilig, zorgvuldig en humaan ten uitvoer wordt gelegd met toepassing van geldende wet- en regelgeving. Zoals aangegeven in de brief van 9 december 2025 zijn inmiddels alle aanbevelingen van de IJenV omtrent afgeschermde detentie opgevolgd en wordt hiermee naar mijn oordeel voldaan aan de vereisten uit de Penitentiaire beginselenwet en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning. Zo zijn er sinds eind 2024 werkafspraken met de IJenV zodat er onafhankelijk toezicht door hen kan worden gehouden op deze vorm van detentie. Naast deze werkafspraken is er ook een Commissie van Toezicht ingesteld voor afgeschermde detentie. Ook door hen kan onafhankelijk toezicht worden uitgeoefend. Tot slot zijn per 1 januari 2026 huisregels in werking getreden voor afgeschermde detentie. Hierdoor is het voor een gedetineerde in deze vorm van detentie inzichtelijk wat diens rechten en plichten zijn en op welke wijze er bijvoorbeeld een klacht kan worden ingediend. Afgeschermde detentie vindt enkel in uitzonderlijke situaties plaats. In de afgelopen decennia is er slechts een enkele keer sprake geweest van een dergelijke plaatsing.
Bent u het met mij eens dat detentie in beginsel niet onder staatsgeheim geschaard mag worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hiervan de reden en hoe wordt voorzien in onafhankelijk toezicht om misbruik en excessen te voorkomen?
In beginsel dient detentie niet onder staatsgeheim geschaard te worden. Het kan in het kader van de nationale veiligheid echter noodzakelijk zijn dat informatie gerubriceerd kan worden als staatsgeheim. Dit kan in uitzonderlijke gevallen ook gelden voor informatie met betrekking tot detentie. Hiermee wordt gewaarborgd dat een locatie waar afgeschermde detentie plaats kan vinden geheim blijft, evenals degene die bij deze vorm van detentie betrokken zijn. Dit mag echter nooit ertoe leiden dat personen volledig afgesloten van de buitenwereld in detentie worden gehouden.
Ten aanzien van het toezicht dat gehouden wordt op afgeschermde detentie verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 5.
Het bericht 'Grote ontslagrondes geen ramp: Nederland heeft een matchingprobleem' |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Grote ontslagrondes geen ramp: Nederland heeft een matchingprobleem»?1
Ja
Hoeveel Nederlanders verliezen door ontslag per jaar hun baan, en hoeveel mensen vinden een nieuwe baan? Hoeveel van die nieuwe banen zijn bij de overheid?
De publieke cijfers van het CBS tonen alleen hoeveel werknemers jaarlijks door faillissement ontslagen worden. Tussen 2015 en 2024 ging dit gemiddeld om 24 duizend mensen per jaar, met als hoogste niveau 47,5 duizend in 2015 en als laagste niveau 7,4 duizend in 2021.
In een verdiepende studie over 2023 gaat het CBS dieper in op beëindigde banen. In dat jaar werden gemiddeld per kwartaal 106 duizend banen op initiatief van de werkgever beëindigd, dus ruim 400 duizend op jaarbasis. Dit was een klein deel van het totaal aantal beëindigde banen, omdat banen vaker op initiatief van de werknemer beëindigd worden. In totaal werden er in 2023 gemiddeld 661 duizend banen per kwartaal beëindigd. In datzelfde jaar vonden per kwartaal gemiddeld 690 duizend mensen een nieuwe baan. Van de mensen waarvan in 2023 de baan eindigde, had 59% binnen drie maanden een nieuwe baan. Van de mensen bij wie het dit op initiatief van de werkgever was, ging het om 47%. In totaal waren er in 2023 79 duizend meer banen van werknemers dan in 2022. Binnen de sector «Openbaar bestuur en overheidsdiensten» was die toename 26,1 duizend.
Hoe beoordeelt u het proces van creatieve destructie op de Nederlandse arbeidsmarkt? Vindt dat wat u betreft voldoende plaats, of juist niet en ondervinden innovatieve sectoren daar nadelen van? Kunt u daarbij ingaan op het recente rapport «Proces van creatieve destructie verzwakt in Nederland»2 van het Centraal Planbureau (CPB)?
Het is belangrijk voor onze productiviteit en welvaart om werkenden in te zetten op die plekken waar zij het meeste waarde toevoegen. Het proces van creatieve destructie is daarbij een belangrijk mechanisme: als werkenden de beweging maken van laagproductieve of niet-levensvatbare bedrijven naar hoogproductieve bedrijven, versterkt dat onze economie.
Het kabinet ziet het verhogen van de arbeidsproductiviteit als grote opgave. Afnemende arbeidsproductiviteitsgroei laat zien dat we er in Nederland onvoldoende in slagen innovatieve bedrijvigheid en de daarbij horende nieuwe banen te creëren. Dat blijkt ook uit het CPB rapport over het proces van creatieve destructie, dat een negatieve trend laat zien in het aantal nieuwe banen dat ontstaat en het aantal banen dat verdwijnt. Dit loopt samen met een afnemende bedrijvendynamiek, waarin er minder nieuwe bedrijven worden opgericht.
Er zijn verschillende factoren die innovatie en creatieve destructie kunnen remmen. Vandaar dat de productiviteitsagenda vijf overkoepelende pijlers heeft, en ook bijvoorbeeld het rapport Wennink spreekt van verschillende randvoorwaarden die gezamenlijk op orde moeten zijn voor een innovatieve economie. De werking van de arbeidsmarkt is één van deze factoren. Het CPB rapport over creatieve destructie laat zien dat de dalende trend in banendynamiek (aantal nieuwe en opgeheven banen) niet samengaat met een dalende dynamiek van werknemers (mate waarin werknemers van werkplek wisselen). In die studie wordt afnemende creatieve destructie dus niet direct verbonden aan knelpunten op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd ziet het kabinet wel degelijk kansen om matching op de Nederlandse arbeidsmarkt te verbeteren, en onze productiviteit te vergroten door betere allocatie van werkenden.
In het artikel wordt gesproken van een matchingprobleem, vindt u dat er op de Nederlandse arbeidsmarkt een matchingsprobleem is? Zo ja, kunt u dan barrières identificeren die de matching bemoeilijken? Welke maatregelen treft de overheid om die barrières weg te nemen? Op basis van welke criteria beoordeelt u dit beleid?
Er gaat veel goed op de Nederlandse arbeidsmarkt. De langdurige werkloosheid is laag en veel mensen vinden relatief snel werk na een periode van werkloosheid. Toch zien we dat er barrières zijn die de matching tussen werkzoekenden en werkgevers bemoeilijken. Met name op de punten:
De overheid neemt maatregelen om deze barrières weg te nemen. Recent ontving uw Kamer de Voortgangsbrief Leven Lang Ontwikkelen, waarin deze maatregelen worden toegelicht. Ook in brieven over het Breed Offensief, de banenafspraak en de infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven, is uw Kamer geïnformeerd over welke stappen worden gezet om meer mensen met een ondersteuningsvraag aan het werk te helpen. Daarnaast kunnen per 1 januari 2026 in alle arbeidsmarktregio’s werkzoekenden, werkenden en werkgevers terecht bij een Regionaal Werkcentrum met vragen over werk, scholing en personeel. Tevens zetten gemeenten en UWV dagelijks in op het begeleiden van uitkeringsgerechtigden naar werk en zetten sociale partners in op de begeleiding Van-Werk-Naar-Werk van werkenden. Daarnaast werken we aan sectorale Ontwikkelpaden. Een Ontwikkelpad maakt zichtbaar welke functies er in een sector zijn, welke skills hiervoor nodig zijn en via welke (delen van) opleidingen mensen op deze functie kunnen in- of doorstromen. Via de SLIM-scholingssubsidie kunnen werkgevers een tegemoetkoming krijgen in de kosten van de opleidingen uit Ontwikkelpaden voor maatschappelijk cruciale sectoren (zoals de zorg, techniek en kinderopvang). Ook heeft het kabinet onderzoek laten doen naar uitbreiding van de wettelijke taak op LLO voor publieke onderwijsinstellingen. Het onderzoek toont hoe de publieke infrastructuur beter kan worden ingericht voor bij- en omscholing. In het voorjaar volgt een reactie op deze verkenning.
Matching is breder dan het SZW beleidsdomein, en betreft ook het onderwijs. Het onderwijs werkt samen met werkgevers aan het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, Bijvoorbeeld door het versterken van loopbaanoriëntatie- en begeleiding, met de Werkagenda mbo en de maatregel Versterking aansluiting beroepsonderwijskolom (vo-mbo-hbo).
Hoeveel investeert de overheid (landelijk, lokaal) jaarlijks in arbeidsbemiddeling en re-integratie? Hoeveel hiervan is voor bij- en omscholing? Worden al deze middelen besteed?
De rijksoverheid investeert in 2026 circa € 1,6 miljard in arbeidsbemiddeling en re-integratie gericht op de matching van werkzoekenden op de reguliere arbeidsmarkt. Daarnaast investeert de overheid circa € 2,1 miljard in het aan het werk helpen van mensen met een grotere ondersteuningsbehoefte via sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk. Ook investeert het Ministerie van SZW in 2026 circa € 0,1 miljard en investeren verschillende vakdepartementen in specifieke scholing voor publieke sectoren (zoals de zorg, onderwijs en defensie). Op basis van de begroting 2026 is in onderstaande tabel een uitsplitsing van dit bedrag naar de verschillende onderwerpen binnen het Ministerie van SZW opgenomen.
2025
2026
2027
2028
2029
2030
Re-integratie inkoopbudget UWV
221
222
220
217
200
198
Dienstverlening aan werkzoekenden UWV1
630
650
650
650
650
650
Hervorming arbeidsmarktinfrastructuur: Impulsbudget arbeidsmarktregio's2
40
29
39
45
0
0
Individuele Plaatsing en Steun
8
12
16
14
12
12
Wet van school naar duurzaam werk
0
12
12
12
12
12
Dienstverlening afgewezen wajongers
0
0
4
8
13
17
Loonkostensubsidie
601
644
703
748
793
837
Scholingsbudget WW
15
15
15
15
15
15
Subsidieregeling ernstige scholingsbelemmeringen
15
15
15
15
15
15
Wet sociale werkvoorziening (Wsw)
1.927
1.837
1.756
1.676
1.596
1.516
Beschut werk
178
192
205
176
187
200
Rijksbijdrage sociale infrastructuur
20
21
23
25
26
28
Impulsbudget sociale infrastructuur
35
31
31
31
31
31
Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen
3
14
14
12
14
12
Stimuleringsregeling LLO in MKB (SLIM)
79
72
77
59
43
41
Werkgeverssubsidie praktijkleren in de derde leerweg
4
3
3
3
3
3
In het jaarplan 2026 verwacht UWV in 2026 € 650 mln. uit te geven aan dienstverlening aan werkzoekenden. Dit budget groeit of daalt mee met de ontwikkelingen in het aantal werkzoekenden (jaarverslag UWV).
De arbeidsmarktregio’s ontvangen in de periode 2025–2028 een tijdelijk impulsbudget om gezamenlijke dienstverlening te ontwikkelen met de partners in de regio.
Gemeenten ontvangen, naast bovenstaande financiering, ook via de algemene uitkering van het gemeentefonds middelen voor de arbeidstoeleiding van mensen die vallen onder de Participatiewet. Dit budget is onderdeel van de algemene uitkering van het gemeentefonds, waardoor niet precies te volgen is hoe de omvang van het budget zich ontwikkelt. Inschatting is dat in 2026 zo’n € 800 tot 900 miljoen aan re-integratiebudget binnen de algemene uitkering beschikbaar is voor gemeenten. Gemeenten bepalen zelf welk deel van de re-integratiemiddelen zij inzetten voor scholing. Van de middelen voor de sociaal ontwikkelbedrijven, beschut werk en loonkostensubsidie kan gesteld worden dat de uitgaven overeenkomen met de budgetten voor deze drie doelen. Voor de re-integratiemiddelen in de algemene uitkering van het gemeentefonds geldt dat ze overeenkomstig de beleidsvrijheid van gemeenten op deze terreinen kunnen worden ingezet en verantwoord. De controle op een doelmatige besteding is belegd bij de gemeenteraden. Hierdoor is het lastig om op macroniveau de omvang van de uitgaven precies vast te stellen. Op basis van recent onderzoek van Significant dat in december aan Uw Kamer is aangeboden blijkt dat gemeenten in 2024 € 1,3 miljard uitgeven aan re-integratie in het kader van de Participatiewet. Hoewel dit bedrag niet zomaar vergeleken kan worden met het bedrag in het gemeentefonds, is het aannemelijk dat gemeenten ook eigen middelen inzetten voor re-integratie. Ook is het, op basis van meerdere rapporten, aannemelijk dat gemeenten met het huidige budget niet iedereen in de doelgroep van de Participatiewet passend kunnen ondersteunen naar werk en dat gemeenten daarom keuzes maken wie ze in meerdere of mindere mate ondersteunen.
In 2025 zijn niet alle vooraf begrote middelen voor bij- en omscholing besteed. Dit komt voornamelijk doordat middelen voor de Stimuleringsregeling LLO in MKB (SLIM) en duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen naar latere jaren zijn doorgeschoven, zoals toegelicht in de 1e suppletoire begroting 2025. Tevens valt de besteding van SLIM middelen in 2025 lager uit door een lager aantal betalingen vanwege vaststellingen en voorschotten, zoals toegelicht in de Suppletoire Begroting September. Op de budgetten voor re-integratie en arbeidsbemiddeling hebben tot en met de 2e suppletoire begroting geen grote wijzigingen plaatsgevonden. In het Jaarverslag 2025 zal worden gerapporteerd over de definitieve besteding van de middelen in 2025.
Hoeveel investeert de private sector (werknemers, zelfstandigen en particuliere werkgevers) jaarlijks in bij- en omscholing? Indien u deze cijfers niet heeft, kunt u hier een inschatting van maken? Kunt u dit vergelijken met vergelijkbare landen?
Het geven van een volledig antwoord over de investeringen van de private sector in bij- en omscholing is complex. Zo maken werkgevers directe kosten voor scholing, maar financiering kan ook indirect plaatsvinden door (betaald) studieverlof. Daarbij wordt informeel leren veelal buiten beschouwing gelaten, terwijl onderzoek aantoont dat mensen juist via deze weg veel leren op de werkvloer. Ook dragen veel werkgevers jaarlijkse premiebijdragen af aan sectorfondsen (O&O-fondsen) voor scholing en ontwikkeling. Daarnaast kan een werknemer uiteraard ook op eigen initiatief scholing volgen in de eigen tijd.
Op basis van enkele studies kunnen we wel een inschatting maken. Private aanbieders van beroepsopleidingen hebben in 2022 een omzet behaald van circa € 4,5 miljard. Dat geeft een indruk van de omvang aan directe kosten aan scholing. Onderzoek uit 2017 berekende dat bedrijven in 2015 € 6,9 miljard (incl. gederfde arbeidstijd) aan kosten maakten voor bij- en omscholing. Op basis van cijfers van het CBS is het aannemelijk dat investeringen in 2020 van vergelijkbare ordegrootte zijn. Het aandeel van de arbeidskosten dat wordt besteed aan cursusuitgaven incl. gemiste arbeidsuren was in 2015 (2,2%) en in 2020 (2,3%). De nieuwe cijfers over 2025 worden in 2027 verwacht.
Een internationale vergelijking is niet goed te maken. Dit komt doordat er internationaal geen uniforme methode bestaat om investeringen in om- en bijscholing te meten. In algemene zin kan gesteld worden dat Nederland opvalt door een hoge deelname aan scholing, en daarbij behorende investeringen.
Hoeveel fte is gemoeid met arbeidsbemiddeling binnen het UWV? Hoe wordt de effectiviteit van arbeidsbemiddeling door het UWV gemeten?
Met arbeidsbemiddeling binnen UWV zijn ca. 2500 – 2600 directe fte gemoeid. Dit zijn adviseurs werkzoekendendienstverlening met direct klantencontact in het kader van WW-dienstverlening en arbeidsongeschiktheids (AG) dienstverlening en adviseurs Werkgeversdienstverlening voor het deel dat zij zich bezighouden met arbeidsbemiddeling. Naast deze functies met directe klantcontacten zijn er ondersteunende functies en operationeel management. Die zijn buiten beschouwing gelaten.
Om de effectiviteit van overheidsbeleid periodiek te meten is een evaluatiestelsel ingericht waarbij een beleidsterrein iedere vier tot zeven jaar wordt doorgelicht. In de laatste periodieke rapportage (2023) binnen het thema «Werkloosheid werknemers» is aangetoond dat arbeidsbemiddeling door het UWV effectief is. De belangrijkste wetenschappelijke onderbouwing hiervoor is een effectmeting van persoonlijke dienstverlening aan WW-gerechtigden. De effectmeting toont aan dat de inzet van persoonlijke dienstverlening door adviseurs van het UWV een positief effect heeft op het vinden van werk. Daarnaast daalt het beroep op de WW dankzij deze persoonlijke dienstverlening. De maatschappelijke baten zijn blijkens de eindrapportage hoger dan de uitvoeringskosten. Ook de effectiviteit van de dienstverlening aan mensen met een WIA-uitkering is recent onderzocht en effectief gebreken. Met mijn brief van 5 november 2025 (TK 2025/26, 26 448, nr 855) heb ik uw kamer hierover nader geïnformeerd.
In het artikel wordt de suggestie gedaan om een breder beeld van een werkzoekende te krijgen door expliciteren van soft skills en vaardigheden, naast diploma’s en werkervaring, deelt u deze stelling? Zo ja, op welke wijze kunt u dit stimuleren cq faciliteren?
Juist met de toenemende arbeidskrapte wordt matching en ontwikkeling op basis van vaardigheden steeds belangrijker. Zo wordt ieders potentie optimaal benut en kun je veel gerichter omscholen. Om een meer op skills gerichte arbeidsmarkt mogelijk te maken hebben we de skillstaal CompetentNL ontwikkeld, zodat verschillende skillsinitiatieven en organisaties op basis van een objectieve standaard informatie over vaardigheden met elkaar kunnen uitwisselen. In september 2025 is CompetentNL live gegaan en er is veel interesse en enthousiasme bij ontwikkelaars om gebruik te maken van CompetentNL. In de eerste twee maanden zijn er al meer dan honderd afnemers aangesloten op CompetentNL.
Daarnaast stimuleren we de transitie naar een op vaardigheden gerichte arbeidsmarkt. UWV en TNO krijgen de aankomende jaren middelen voor het bevorderen van de adoptie van CompetentNL voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Verder financieren we VNO-NCW om het skillgericht denken bij werkgevers te stimuleren. Via Stichting Nederland onderneemt maatschappelijk! worden werkgevers geïnformeerd en geïnspireerd over de kansen van het skillsgericht werven en selecteren in de zoektocht naar geschikt personeel. Daarbij is ook specifiek aandacht voor de MKB-ondernemers.
Het bericht 'Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten' |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Aukje de Vries (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Het Financieele Dagblad van 12 november 2025, getiteld «Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten»?1
Ja.
Klopt het dat Ahold Delhaize in Servië vanwege aanzienlijke financiële verliezen 25 winkels heeft moeten sluiten en dat honderden werknemers hun baan verliezen als direct gevolg van het prijsplafond dat de Servische regering heeft ingevoerd? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Volgens Ahold Delhaize heeft het door de Servische regering ingestelde prijsplafond aanzienlijke gevolgen gehad voor de activiteiten van Delhaize Servië, waaronder de sluiting van een aantal winkels. Nederland volgt de situatie met zorg en heeft het belang van een voorspelbaar investerings- en ondernemingsklimaat op verschillende niveaus bij Servië onder de aandacht gebracht. Servië voerde deze maatregel in, vanwege hoge inflatiecijfers. Deze zijn echter weer gedaald.
Zo heb ik persoonlijk bij de Servische Ministers van Handel en van Financiën mijn zorgen geuit over de impact van het retail margin cap-decreet op het zaken- en investeringsklimaat in Servië en de gevolgen voor Ahold Delhaize in Servië.
Deelt u de mening dat de Servische regering met deze maatregel ingrijpt in de vrije interne markt?
Het kabinet acht de maatregel marktverstorend en is van mening dat deze op gespannen voet staat met de economische criteria bij EU-toetreding, zoals ook benoemd in de recente kabinetsappreciatie van het jaarlijkse uitbreidingspakket (Kamerstuk 23 987, nr. 398). Nederland weegt dit daarom zeker mee bij het EU-toetredingsproces van Servië. Servië maakt geen onderdeel uit van de interne markt van de EU.
Bent u bereid de Servische regering op te roepen deze maatregel zo spoedig mogelijk in te trekken, omdat deze in strijd is met de Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Servië en de nodige vragen oproept over het Servische EU-kandidaat-lidmaatschap?
Ik heb er bij mijn Servische collega’s voor gepleit de maatregelen zo snel mogelijk in te trekken en geen andere maatregel in te voeren met vergelijkbare gevolgen en impact op het zaken- en investeringsklimaat in Servië.
Bent u bereid de Servische ambassadeur te ontbieden om uitleg te vragen over deze maatregel, die verliezen voor supermarkten veroorzaakt en banen op het spel zet?
Nederland heeft de Servische autoriteiten op verschillende niveaus aangesproken om uitleg te vragen over deze maatregelen en de Servische autoriteiten aan te sporen deze zo spoedig mogelijk op te heffen.
Deelt u de kritiek op Servië, zoals verwoord in het recente toetredingsrapport van de Europese Commissie, dat maatregelen als een prijsplafond de markt verstoren en buitenlandse investeringen ontmoedigen?
Ja, het kabinet deelt de zienswijze dat de maatregelen marktverstorend zijn en een negatieve impact kunnen hebben op het ondernemings- en investeringsklimaat in Servië, en daarmee buitenlandse investeringen ontmoedigen.
Welke acties ondernemen het kabinet en de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat marktverstorende maatregelen door de regering-Vucic zo snel mogelijk worden beëindigd?
Het kabinet heeft de Servische autoriteiten hier op verschillende niveaus op aangesproken. Ook heeft het kabinet de Europese Commissie opgeroepen om haar contacten met Servië aan te wenden om de kwestie ter discussie te stellen. Zowel het kabinet als de Europese Commissie zijn in contact met de Servische autoriteiten over de negatieve gevolgen van het maatregelenpakket.
Het bericht dat Israëlische agenten Palestijnen doden ondanks overgave |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het bericht waarin wordt gemeld dat Israëlische undercoveragenten in Jenin drie Palestijnse mannen zouden hebben doodgeschoten, ondanks dat zij hun handen in de lucht zouden hebben gestoken in een teken van overgave?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van dit bericht waarin wordt beschreven dat twee Palestijnen zijn doodgeschoten door de Israëlische grenspolitie. Het kabinet kan dit specifieke incident niet eigenstandig verifiëren en heeft daarom Israël om opheldering gevraagd. Israël heeft bevestigd dat de Israëlische krijgsmacht het incident onderzoekt. Dit wacht het kabinet af.
Kunt u bevestigen of laten verifiëren of deze gebeurtenis daadwerkelijk heeft plaatsgevonden?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat ook bevriende democratische staten zoals Israël, gehouden zijn aan het internationaal recht en dat Nederland, als voorvechter daarvan, dit nadrukkelijk moet uitdragen?
Ja. Alle staten zijn gebonden aan het internationaal recht.
Hoe verhoudt dit optreden van Israël zich tot het internationaal humanitair recht?
Zie antwoord op vraag 1. Op basis van de berichtgeving in de media lijkt het relevante rechtsregime voor dit optreden niet dat van het humanitair oorlogsrecht, maar was er sprake van rechtshandhaving door Israëlische grenspolitie. Daardoor moet op basis van mensenrechten worden beoordeeld hoe dit optreden zich verhoudt tot het internationaal recht.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze en vergelijkbare incidenten op de Westelijke Jordaanoever? Zo nee, waarom niet?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig. Het is in eerste instantie aan de meest betrokken staat of staten die terzake rechtsmacht hebben om onderzoek te doen. In dit geval heeft Israël aan het kabinet bevestigd dat de Israëlische krijgsmacht het incident onderzoekt. Dit wacht het kabinet af. Nederland roept Israël op, en zal Israël blijven oproepen, het internationaal recht te respecteren, na te leven, en vermeende schendingen te onderzoeken en berechten. Nederland spreekt Israël hier consistent op aan, ook in EU-verband.
Deelt u de mening dat het associatieverdrag met Israël moet worden heroverwogen als er ernstige mensenrechtenschendingen plaatsvinden door Israël? Valt dit incident daar wat u betreft onder?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 5.
Zo ja, bent u bereid om het opschorten van het associatieverdrag bespreekbaar te maken binnen de eerstvolgende EU-Raad Buitenlandse Zaken van 15 december? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie ook de antwoorden op de vragen 1 en 5.
Het bericht 'Nederland koopt opvang migranten af voor 33 miljoen euro' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland de opvang van 1.650 migranten afkoopt bij de EU voor een bedrag van 33 miljoen euro – oftewel 20.000 euro per migrant?1 Hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja. De Raad heeft inmiddels een politiek akkoord bereikt over de vaststelling van de omvang van de solidariteitspool op 21.000 herplaatsingen of 420 miljoen euro. Het aandeel van Nederland is 5,2%, wat neerkomt op een financiële bijdrage van 21,9 miljoen. Nederland heeft steun verleend aan het voorstel en aangegeven financieel te zullen bijdragen.
Waarom zijn de betreffende cijfers uit de zogenoemde «Europese Spreidingswet» niet openbaar gemaakt en is zelfs de Tweede Kamer hierover slechts onder geheimhouding geïnformeerd? Hoe beoordeelt u deze werkwijze in het kader van transparantie en de noodzakelijke democratische controle? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de Asiel- en migratiebeheerverordening is wettelijk vastgelegd dat het Commissievoorstel voor een Raadsbesluit over de vaststelling van de jaarlijkse solidariteitspool niet openbaar gemaakt worden tot de Raad overeenstemming heeft bereikt om het besluitvormingsproces te faciliteren.2 Het stuk is vertrouwelijk met uw Kamer gedeeld.
Kunt u garanderen dat asielzoekers die elders in de EU al asiel hebben aangevraagd, niet alsnog – na afkoop door Nederland – naar ons land reizen en hier opnieuw asiel aanvragen? Zo ja, hoe kunt u dit garanderen? Zo nee, wat is dan het nut van deze afkoopregeling en andere Europese afspraken op het gebied van migratie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn onder het Migratiepact verschillende maatregelen genomen om doorreis van asielzoekers te voorkomen, waaronder maatregelen om het buitengrensbeheer te versterken, zoals betere registratie in Eurodac, verplichte uniforme screening en de asielgrensprocedure.
Daarnaast zijn de Dublinregels integraal onderdeel van het Migratiepact. De Commissie beoordeelt op 12 juli en 15 oktober of de lidstaten onder migratiedruk zich aan deze Dublinregels houden. Indien lidstaten zich niet houden aan de Dublinregels, zal Nederland geen solidariteit leveren.
Onder het Pact is een balans afgesproken tussen verantwoordelijkheid, o.a. door de versterking van de buitengrenzen en het tegengaan van secundaire migratie, van lidstaten aan de ene kant en solidariteit aan de lidstaten die onder migratiedruk staan aan de andere kant. De solidariteitsbijdrage is daarom essentieel onderdeel van het Pact.
Worden biometrische gegevens van asielzoekers centraal en effectief geregistreerd? Zo nee, erkent u dan dat de mogelijkheid bestaat dat asielzoekers hun paspoort weggooien, waardoor zij niet kunnen worden geïdentificeerd en hun reis- en asielgeschiedenis binnen de Europese Unie niet kan worden achterhaald, waarop zij in Nederland alsnog asiel kunnen aanvragen? Acht u dit wenselijk?
Onder de huidige Eurodac-verordening worden biometrische gegevens van asielzoekers worden geregistreerd en opgeslagen. Dit blijft zo onder de nieuwe Eurodac-verordening, maar het type data dat geregistreerd wordt, wordt verbreed, waardoor naast vingerafdrukken bijvoorbeeld ook gezichtsopnamen, identiteitsgegevens en kopieën van identiteits- en reisdocumenten worden opgeslagen. Ook wordt de bewaartermijn voor bepaalde soorten gegevens verlengd. Hierdoor wordt de mogelijkheid van identificatie van asielzoekers EU-breed verbeterd.
Wat is de status van de Dublinverordening, die bepaalt dat asielzoekers moeten worden teruggestuurd naar het EU-land van eerste aankomst? Waarom weigeren landen als Italië momenteel deze asielzoekers terug te nemen en waarom accepteert Nederland deze weigering? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment geldt de Dublinverordening onverkort. Vanaf de inwerkingtreding van het Pact zal de Dublinverordening worden vervangen door de Asiel- en migratiebeheerverordening. Ook hier is, kort gezegd, dat bij het ontbreken van gezinsleden in de EU, lidstaten van eerste aankomst verantwoordelijkheid zijn voor de aanvraag en asielprocedure van de desbetreffende asielzoeker. De Commissie heeft in het Uitvoeringsbesluit ter bepaling van de lidstaten waar sprake is van migratiedruk, van een risico van migratiedruk of van een significante migratiesituatie opgenomen dat de Commissie op 12 juli en 15 oktober zal vaststellen of deze lidstaten het Dublinacquis weer uitvoeren. Indien dit niet het geval is zal Nederland niet verplicht zijn om solidariteit te leveren aan de desbetreffende lidstaten.
Worden migranten die worden opgevangen in landen als Italië of Griekenland ontmoedigd om zich alsnog vrij binnen de Schengenzone te verplaatsen – inclusief richting Nederland? Zo ja, hoe ziet deze ontmoediging eruit en hoe effectief is deze ontmoediging binnen de Europese praktijk van open binnengrenzen? Zo nee, wat is dan het nut van deze afkoopregeling en andere Europese afspraken op het gebied van migratie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onder de asielgrensprocedure zal een deel van de asielzoekers in detentie worden geplaatst en dus ook niet in de gelegenheid zijn om door te reizen naar Nederland. Naar de inzet van Nederland t.a.v. van de Dublinverordening verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
Wordt het bedrag van circa 33 miljoen euro, dat nu dreigt te worden uitgegeven aan de afkoop van migrantenopvang, in mindering gebracht op de Nederlandse netto EU-bijdrage, gezien het feit dat Nederland al jaren een van de grootste nettobetalers aan de Europese Unie is? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog af te dwingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe de bijdrage wordt vastgesteld en op welke wijze dit wordt overgemaakt is vastgelegd in de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Hoe beoordeelt u het feit dat andere landen – zoals Polen, Estland en Oostenrijk – een korting of zelfs vrijstelling hebben kunnen bedingen op de afspraken? Hoe beoordeelt u het feit dat Hongarije weigert aan deze afspraken te voldoen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Commissie heeft Polen, Estland, Oostenrijk, Kroatië en Tsjechië aangemerkt als lidstaten met een significante migratiesituatie vanwege uiteenlopende redenen. Voor Polen en Estland geldt dat zij een hoog aantal Oekraïense ontheemden hebben opgevangen in vergelijking met andere lidstaten over de periode van de afgelopen vijf jaar. Voor Oostenrijk geldt dat er een zeer hoog aantal ontvankelijke asielaanvragen is geregistreerd in vergelijking met andere Europese lidstaten over de afgelopen vijf jaar.
Wat betreft Hongarije onderstreep ik graag het belang dat alle lidstaten zich aan het asielacquis houden, waaronder het Migratiepact.
Neemt u – zeker gezien de feiten zoals benoemd in vraag 7 – een voorbeeld aan de landen zoals genoemd in vraag 8? Bent u het eens met de stelling dat ook Nederland een vrijstelling of tenminste een korting zou moeten bedingen en, indien de Europese Unie deze weigert toe te zeggen, in navolging van Hongarije zou moeten weigeren aan de afspraken te voldoen? Bent u bereid om deze vrijstelling, korting of weigering alsnog af te dwingen – ook na bekendmaking van de verdeelsleutel op maandag aanstaande?
Met de inwerkingtreding van het Migratiepact worden belangrijke stappen gezet naar het versterken van de buitengrenzen en het tegengaan van irreguliere migratie. Het is daarom van belang dat alle lidstaten, ook Nederland, zich houden aan de wet- en regelgeving van het Migratiepact.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk doch uiterlijk vóór aanvang van het Kerstreces beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de berichten «Meisjes krijgen lagere schooladviezen dan jongens terwijl ze beter scoren» en «Doorstroomtoets helpt ook niet tegen onderadvisering meisjes, maar Staatssecretaris schuift aanpassing op lange baan»?1, 2
Ja.
Deelt u de constatering dat meisjes structureel lagere adviezen krijgen dan jongens, ondanks dat zij gemiddeld hoger scoren op de doorstroomtoets én in het voortgezet onderwijs vaker op hoger niveau eindigen? Hoe beoordeelt u dit in het licht van kansenongelijkheid?
Ik deel de constatering dat meiden nog veel te vaak te maken krijgen met onderadvisering in het voorlopig schooladvies. Dat blijkt uit het onderzoek van DUO over onderadvisering bij meiden.3 Uit de jaarlijkse monitor van DUO over het schooladvies en de doorstroomtoets4 weten we dat onderadvisering in het voorlopig schooladvies speelt bij verschillende groepen. Het is niet acceptabel dat er nog steeds groepen leerlingen zijn die bij gelijke geschiktheid géén gelijk advies krijgen. En daarmee geen gelijke onderwijskansen.
Deze onderzoeken onderstrepen het belang van de doorstroomtoets en de maatregel bijstellen schooladvies voor kansengelijkheid in de overgang van po naar vo. Sinds de invoering van deze maatregel over bijstelling van het schooladvies, krijgt ca. 3 op de 4 leerlingen die op de toets hoger scoort dan het voorlopig schooladvies, een bijgesteld schooladvies.5
Wat zijn volgens u de primaire oorzaak voor de toename van de kloof in advisering tussen jongens en meisjes sinds 2017/2018?
DUO doet geen uitspraken over de oorzaak van de toegenomen onderadvisering van meiden op grond van hun onderzoek. De onderzoekers geven aan dat hier verdiepend onderzoek voor nodig is.
OCW zet daarom in op kennisvergroting. Bijvoorbeeld door de leerloopbanen van leerlingen op langere termijn te volgen. En door in 2026 verdiepend onderzoek te starten naar de oorzaken van onderadvisering.6
Ouderlijke druk blijkt een grote invloed te hebben op het verkrijgen van een hoger advies, hoe waarborgt u dat het schooladvies onafhankelijk tot stand komt om zo onderadvisering van meisjes tegen te gaan?
Ik vertrouw op de professionaliteit van het team op de basisschool dat zich bezighoudt met de schooladviesprocedure. Zij wegen verschillende factoren om tot een gedegen schooladvies te komen. Eén van die factoren is de informatie die zij van ouders meekrijgen over de leerling. Onderzoek laat zien dat ouders goed en tijdig betrekken bij de stap van po naar vo zorgt voor een soepelere overgang voor leerlingen. Middels de Handreiking schooladvisering ondersteun ik scholen daarbij.7
Bent u bereid om het door DUO aanbevolen vervolgonderzoek te faciliteren waarbij leerlingen langer worden gevolgd (tussen voorlopig advies en plaatsing in leerjaar 3) om meer inzicht te krijgen in deze problematiek?
Ja, ik ben bereid om dit te faciliteren.
Wat vindt u ervan dat de doorstroomtoets in de praktijk onvoldoende corrigeert voor onderadvisering van meisjes terwijl die toets juist bedoeld was als objectief tegenwicht?
Het probleem van onderadvisering wordt door de toets als objectief gegeven niet geheel opgelost, maar wel al voor een groot deel gecorrigeerd. Voor meiden geldt dat ten tijde van de laatste eindtoets in 2022 ca. 8500 meiden een bijgesteld advies kregen, terwijl dat steeg naar 21.000 meiden na de invoering van de doorstroomtoets en de maatregel bijstellen in 2023.
Dat meiden toch achterblijven in het definitieve advies, ondanks vergelijkbare scores op de toets, kan met verschillende factoren te maken hebben. Niet álle meiden die onderschat zijn, krijgen een bijgesteld advies. Maar bijvoorbeeld ook overadvisering van jongens zou kunnen meespelen. Dat er ook in het definitieve advies nog verschillen zijn, vind ik onwenselijk. En daarom zet ik in op kennisvergroting (zie antwoord8 en daarnaast op ondersteuning van scholen en leerkrachten bij de schooladviesprocedure, bijvoorbeeld met de Handreiking schooladvisering.9
Hoe reflecteert u op de uitspraken van uw ambtsvoorganger dat specifiek meisjes baat hebben bij het naar boven bijstellen van het niveau, maar dat dit in de praktijk niet gebleken is?
Ik ben het eens met mijn ambtsvoorganger, dat meiden baat hebben bij de maatregel bijstellen. Zij doelde op het veel hogere aantal bijstellingen sinds de doorstroomtoets (zie vraag10 en op de cijfers over onderadvisering uit de jaarlijkse monitoring door DUO. Daaruit blijkt dat meiden baat hebben bij de maatregel, omdat zij vaker dan jongens te maken hebben met onderadvisering in het voorlopige schooladvies.11 In 2023 zagen we dat ondergeadviseerde meiden ook nog iets vaker dan ondergeadviseerde jongens daadwerkelijk een bijgesteld schooladvies krijgen.12
Hoe weegt u de uitspraken van onderwijswetenschapper prof. dr. Meeter dat de doorstroomtoets niet functioneert als objectief tegenwicht?
Ik ben het daar niet mee eens. Door de maatregel bijstellen schooladvies krijgen veel meer ondergeadviseerde leerlingen een advies dat past bij de vaardigheden die ze hebben laten zien op de toets. Het probleem van onderadvisering is daarmee nog niet opgelost, maar wel al voor een groot deel gecorrigeerd. Als deze maatregel niet zou worden toegepast, dan zou jaarlijks voor duizenden meiden (en jongens) het voorlopig schooladvies waarin zij zijn onderschat blijven staan.
Kunt u reflecteren op het feit dat meisjes in het voortgezet onderwijs vaker opstromen dan jongens? Deelt u de analyse dat dit een aanwijzing is dat meisjes bij aanvang te laag worden ingeschaald?
Het is niet met zekerheid te zeggen, of de opstroomcijfers op zichzelf betekenen dat leerlingen in het schooladvies onderschat zijn. Echter, de jaarlijks terugkerende hogere mate van discrepantie tussen het voorlopig schooladvies en het toetsadvies bij meiden, is wel een indicatie dat er sprake is van structurele onderadvisering en dat meiden dus bij aanvang worden onderschat.
Voor sommige leerlingen is een directe weg richting een bepaalde onderwijssoort de meest passende route, waar andere leerlingen juist baat hebben bij stapelen of switchen. Ook vertellen opstroom- en afstroomcijfers niet het hele verhaal: niet alle leerlingen die zijn onderschat stromen «op». Leerlingen kunnen ook «afstromen» zonder dat er sprake was van overschatting, bijvoorbeeld wanneer een andere (meer praktische) onderwijssoort beter past bij hun wensen. De data over deze «wisselstroom» houden we goed in de gaten middels monitoring en evaluatie en analyseren we uitgebreider in het aangekondigde vervolgonderzoek naar leerloopbanen.
Hoe beoordeelt u de analyse dat de huidige systematiek van verplichte bijstelling naar boven eerder leidt tot verschillen tussen scholen dan tot eerlijkere kansen tussen leerlingen?
Ik deel deze analyse niet. De maatregel bijstellen schooladvies is nu twee jaar van toepassing geweest. Over het algemeen gesproken zien we dat veel meer leerlingen die op de toets laten zien meer uitdaging aan te kunnen, sinds de invoering van deze maatregel daadwerkelijk een bijgesteld advies krijgen. We zien daarbij verschillen tussen groepen leerlingen, hoe vaak zij voor een bijstelling in aanmerking komen en hoe vaak zij die ook daadwerkelijk krijgen.13 Maar voor alle groepen geldt dat zij nu veel vaker een bijgesteld advies krijgen, dan voorheen. Daarmee zorgt de maatregel voor eerlijkere kansen in de overgang van po naar vo.
Het is belangrijk om te kijken hoe de maatregel bijstellen schooladvies in de komende jaren in de praktijk uitpakt voor verschillende groepen leerlingen. Dat gebeurt in de evaluatie van de Wet doorstroomtoetsen po en het aangekondigde vervolgonderzoek naar leerloopbanen. Daarbij wordt ook gekeken naar analyses zoals die van de PO-raad, over verschillen tussen soorten gemeentes. Ik ben hier met de relevante partijen, zoals de PO-Raad en de Inspectie, over in gesprek.
Hoe beoordeelt u vormen van latere selectie, zoals een landelijk dekkend netwerk van brede brugklassen of uitstel van selectie voor het merendeel van de leerlingen, als oplossing voor deze toetsproblematiek en alle bijkomende druk op twaalfjarige leeftijd?
Vormen van latere selectie zouden kunnen bijdragen aan het verminderen van de druk op het overgangsmoment van po naar vo, zowel voor leerkrachten en scholen als voor leerlingen en hun ouders. Dit is gebleken uit verschillende onderzoeken en rapporten, zoals het advies van de Onderwijsraad over «Later selecteren, beter differentiëren» en de daaropvolgende ex ante beleidsevaluatie «Doorstroom in een kansrijk stelsel».14
In die beleidsevaluatie is de aanbeveling gedaan om vooralsnog het huidige stelsel te behouden, en intussen meer kennis op te bouwen en verder te werken aan «reparatiemogelijkheden» om de nadelige effecten van vroege selectie te ondervangen. OCW zet om die reden in op kennisopbouw en kennisdeling op dit thema. Zo lopen er onder andere via het NRO verschillende leertrajecten. Daarnaast werk ik aan de verkenning naar een breder schooladvies, naar aanleiding van de motie Rooderkerk.
Scholen kunnen ondertussen in de organisatie van hun onderwijs al bewuste keuzes maken om vormen van latere selectie toe te passen. Bijvoorbeeld door tweejarige dakpanklassen aan te bieden.
Bent u bekend met de oproep van de PO-raad om uiterlijk in 2027 over te gaan op één landelijke doorstroomtoets, mede om ongelijkheid tussen toetsaanbieders te verminderen en het stelsel begrijpelijker te maken voor ouders en leerlingen? Hoe reageert u hierop en acht u dit haalbaar?3
Ja, ik ben bekend met de oproep van de PO-Raad. Het is niet haalbaar om uiterlijk in 2027 over te gaan op één landelijke doorstroomtoets, zoals ik ook aan uw kamer heb toegelicht tijdens het debat van 11 december jl. Het snelst mogelijke afnamemoment van één landelijke doorstroomtoets is 2029, waarvan hieronder het tijdpad is weergegeven. Het is goed om te weten dat aan deze versnelde invoering verschillende haken en ogen zitten die zorgvuldig moeten worden gewogen. Een stelselwijziging vraagt om beleidsontwikkeling, een wetswijziging, toetsontwikkeling en implementatie. Kortom, stappen waar geen versnelling op mogelijk is. Ook vind ik het belangrijk om te weten wat de wensen van scholen zijn als het gaat om de doorstroomtoets. Daarnaast is het van belang dat scholen zich goed kunnen voorbereiden en zij de komende jaren niet worden geconfronteerd met verandering op verandering. Dat neemt niet weg dat ik welwillend tegenover een mogelijke stelselovergang naar één doorstroomtoets sta. Binnen de mogelijkheden die er zijn zal ik mijn uiterste beste doen om het traject zo snel mogelijk te laten verlopen.
Q1 t/m Q2
Beleidsmatige voorbereiding
Besluit over stelselovergang
Q3 t/m Q4
Wetsvoorstel ontwerpen
Q1
Internetconsultatie
Q2
Advies Raad van State
Q3 t/m Q4
Indiening wetsvoorstel Tweede Kamer
Q1
Behandeling wetsvoorstel in Tweede Kamer
Q2
Behandeling wetsvoorstel in Eerste Kamer
Q3
Inwerkingtreding
Q1
Eerste afname één landelijke doorstroomtoets
Bedreigingen en intimidatie van bestuurders |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichten over de bedreigingen en intimidaties van lokale bestuurders in onder andere Limburg, in het bijzonder in Venlo, naar aanleiding van de plannen voor asielopvang?1
Ja.
Herkent u het beeld dat lokale bestuurders vaker het gevoel hebben dat zij zich niet gesteund voelen door de landelijke politiek?
Ik wil nogmaals onderstrepen dat het onacceptabel is dat bestuurders en volksvertegenwoordigers bedreigd en geïntimideerd worden. Zij zetten zich in voor ons allemaal en voor onze democratie. Zij verdienen daarvoor alle steun. Bestuurders en volksvertegenwoordigers liggen onder vuur, zo geven bestuurders aan in gesprekken die ik met hen voer over intimidaties en bedreigingen. Zij verwachten hierbij terecht steun vanuit de landelijke politiek.
Wat is uw reactie op de signalen van bestuurders, onder wie gouverneur Roemer, dat de emmer aan het overlopen is en dat het maatschappelijk draagvlak voor lokaal bestuur ernstig onder druk staat door aanhoudende agressie en intimidatie?2
Net als de heer Roemer maak ik me grote zorgen over de ernst en de intensiteit van de agressie en intimidatie richting het lokaal bestuur. Het is een grondrecht in Nederland om als burger je onvrede kenbaar te maken, maar dreigementen en geweld gaan een grens over.
Deelt u de zorgen dat lokale bestuurders steeds vaker tussen twee vuren zitten: enerzijds de wettelijke opvangplicht en anderzijds de vaak felle lokale weerstand?
Ik zie de worsteling van lokale bestuurders die op dit moment nog een besluit moeten nemen over de wettelijke opvangplicht. Zoals ik eerder heb aangegeven, is de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Spreidingswet) nog steeds van toepassing en zal daarom door gemeenten moeten worden uitgevoerd. Tegelijk probeer ik bestuurders vanuit Den Haag zo goed mogelijk te ondersteunen bij deze lastige opgave.
Kunt u zich voorstellen dat lokale bestuurders zich door Den Haag in de steek gelaten voelen bij besluiten rond asielopvang?
Het kabinet steunt het lokale bestuur bij de uitvoering van hun wettelijke taken. Zolang de Spreidingswet van kracht is, dient deze uitgevoerd te worden. Daar staat dit kabinet voor.
Hoe zorgt u ervoor dat democratisch genomen besluiten, op welk bestuursniveau dan ook, actief worden gesteund door het kabinet, om daarmee te voorkomen dat lokale politici in de problemen komen door verwarrende dubbele boodschappen?
Besluiten die volgens de democratische spelregels tot stand zijn gekomen, moeten worden gerespecteerd en uitgevoerd. Daar staat dit kabinet voor en daar zet ik mij als Minister voor in.
Kunt u een overzicht geven van hoe vaak de afgelopen twee jaar meldingen zijn gedaan van bedreigingen of intimidatie aan het adres van gemeentelijke bestuurders? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen per provincie?
Eens per twee jaar laat ik de Monitor Integriteit en Veiligheid uitvoeren. Dit onderzoek rapporteert onder meer over de mate waarin lokale politieke ambtsdragers te maken krijgen met agressie en geweld. In de meest recente Monitor uit 2024 geeft 45% van alle decentrale politieke ambtsdragers aan in het afgelopen jaar te maken te hebben gehad met een vorm van agressie. Dit is een verdubbeling ten opzichte van 2014, toen dit aantal nog 22% was. Het aantal zeer ernstige incidenten is in die tijd ook verdubbeld, van 8% naar 15% van het totaal aantal gevallen van agressie.
Van de politieke ambtsdragers die te maken hebben gehad met agressie of intimidatie, deed slechts zes procent aangifte. Van ernstige incidenten wordt vaker aangifte gedaan (14%).
Deze cijfers zijn op basis van de Monitor niet uit te splitsen per provincie.
Op welke manier wordt de drie miljoen euro ingezet die het kabinet eerder al heeft uitgetrokken om raadsvergaderingen veiliger te laten verlopen?3
De middelen kunnen door gemeenten en provincies worden besteed aan een veiligheidsprotocol, het uitvoeren van een veiligheidsscan of het aanpassen van de vergaderzaal. De gemeenten en provincies gaan er zelf over hoe ze deze middelen besteden. Er is een leernetwerk opgezet om ervaringen uit te wisselen over het verbeteren van de veiligheid en toegankelijkheid van vergaderingen en bijeenkomsten.
Kunt u toelichten welke maatregelen verder worden overwogen of voorbereid om verdere escalatie te voorkomen, ook in andere delen van het land waar gemeenten worstelen met de opvangopgave en maatschappelijke spanningen?
BZK werkt samen met de Ministeries van J&V, AenM en SZW, de VNG, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en de nationale politie aan het programma Maatschappelijke onrust en ongenoegen. Dit programma heeft tot doel gemeenten te ondersteunen bij maatschappelijke spanningen, ongenoegen en onrust. Vanwege de spanningen die gepaard gaan met huisvesting van asielzoekers en statushouders wordt samen met bijvoorbeeld SZW en de VNG, actief ondersteuning aan gemeenten op dit thema geboden.
Gezien de huidige ontwikkelingen moet ik constateren dat de huidige inzet niet afdoende is. Verdere investeringen in bijvoorbeeld de veiligheid van vergaderingen en het tegengaan van escalatie zijn noodzakelijk. Het is aan een volgend kabinet om hier keuzes in te maken.
In hoeverre heeft u zicht op extremistische of georganiseerde groepen die bewust inspelen op onrust rond asielopvanglocaties? Worden gemeenten hierover actief geïnformeerd?
De NCTV heeft door middel van de Wet Coördinatie Terrorismebestrijding en Nationale Veiligheid de bevoegdheid om trends en fenomenen te duiden, maar kan geen onderzoek doen naar personen en groepen. In algemene zin waarschuwt de NCTV al een langere tijd voor de dreiging van rechts-extremisme en dat onder andere de normalisering van rechts-extremistisch gedachtegoed in uiterste gevallen kan leiden tot geweld. Gemeenten worden door de NCTV over de trendmatige ontwikkelingen in de dreiging geïnformeerd, bijvoorbeeld door middel van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN). In het DTN van december 20254 schrijft de NCTV dat rechts-extremisten aanwezig zijn bij protesten tegen opvanglocaties voor asielzoekers en anti-immigratieprotesten en zich voorafgaand aan dergelijke protesten actief mengen in het online debat.
Het bericht ‘Rechters geven op Schiphol betrapte drugskoeriers lagere straf door scheefgroei’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechters geven op Schiphol betrapte drugskoeriers lagere straf door scheefgroei» en het persbericht hierover van de Rechtbank Noord-Holland?1, 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling van de Rechtbank Noord-Holland dat de disbalans tussen opgelegde straffen aan drugskoeriers enerzijds en grote drugscriminelen die zich bezighouden met (de organisatie van) grootschalige drugshandel anderzijds de laatste jaren verder is vergroot door de introductie van procesafspraken?3
Het is aan de rechter om (gevangenis-)straffen op te leggen, ook bij zaken waarin sprake is van procesafspraken. De introductie van procesafspraken kan inderdaad in sommige gevallen bijdragen aan vermindering van de straf voor verdachten, maar dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de zaak. Het OM maakt per individueel geval een afweging die recht moet doen aan de omstandigheden van het geval. Procesafspraken worden door het OM gemaakt op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij acht wordt geslagen op de ernst van het begane strafbare feit, de daarop gestelde maximumstraf en de straf die de rechter op zal leggen. Het maken van procesafspraken door het OM kan een middel zijn om een strafzaak efficiënter af te ronden, met name in gevallen waar er andere belangrijke overwegingen spelen. Het is uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten.
Hoe vaak zijn er tot nu toe procesafspraken gemaakt met verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van grootschalige drugshandel en in hoeveel van deze grote drugszaken wil het Openbaar Ministerie in 2025 en 2026 nog procesafspraken maken?
Er vindt door het OM geen centrale registratie plaats van het aantal zaken waarin procesafspraken worden gemaakt. In algemene zin geldt dat het OM beoordeelt welke zaken geschikt zijn voor procesafspraken, afhankelijk van factoren zoals de ernst van de misdrijven en de impact op de georganiseerde misdaad.
Hoeveel drugszaken zijn er op dit moment in de voorraad te plannen strafzaken waarop de nieuwe uitgangspunten van de Rechtbank Noord-Holland van toepassing zijn en, als dit niet uit de managementsystemen van de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt u dan in contact treden met de Rechtspraak om dit aantal bij benadering te achterhalen?
Het valt niet te zeggen op hoeveel strafzaken de nieuwe uitgangspunten van de Rechtbank Noord-Holland van toepassing zijn. Uit contact met de rechtspraak blijkt dat een dergelijke zoekslag niet in de systemen van de rechtspraak of de Rechtbank Noord-Holland kan worden gemaakt. Het kan dus ook niet bij benadering worden gezegd op hoeveel strafzaken de nieuwe uitgangspunten van toepassing zijn.
Hoeveel procesafspraken zijn er tot nu toe in totaal tot stand gekomen sinds de inwerkingtreding van de OM-aanwijzing in 2023 en in hoeveel zaken streeft het OM naar het maken van procesafspraken in 2025 en 2026?
Er vindt, zoals vermeld in het antwoord op vraag 3, geen centrale registratie plaats van het aantal procesafspraken dat het OM maakt. In algemene zin geldt dat het OM niet vooraf streeft naar het maken van procesafspraken in een bepaald aantal zaken. Het maken van procesafspraken door het OM kan een middel zijn om een strafzaak efficiënter af te ronden, met name in gevallen waar er andere belangrijke overwegingen spelen. Daarmee kan een bijdrage aan de belangen van slachtoffers, verdachten en de maatschappij worden geleverd. Een efficiënte en tijdige afronding van een anders mogelijk omvangrijke strafzaak zorgt immers relatief snel voor duidelijkheid voor eenieder en leidt ertoe dat voortvarender andere zaken kunnen worden opgepakt c.q. behandeld.
Hoe beoordeelt u het feit dat er dankzij procesafspraken een nog grotere kloof is ontstaan tussen opgelegde straffen in drugszaken in Nederland en opgelegde straffen in drugszaken in ons omringende landen zoals België, Duitsland en Frankrijk?
De straffen in Nederland zijn het resultaat van een zorgvuldig afgewogen oordeel dat kijkt naar de omstandigheden van de zaak en de rol van de verdachte. Procesafspraken kunnen leiden tot lichtere straffen, maar daar staat tegenover dat de verantwoorde inzet van procesafspraken kan bijdragen aan een efficiënte rechtsgang. Ook in ons omringende landen, zoals Duitsland, bestaan mogelijkheden om procesafspraken te maken. In elk geval blijft het streven van het OM een effectieve en evenwichtige afhandeling van strafzaken, waarbij de ernst van de misdaad en de impact op de samenleving altijd centraal staan.
Begrijpt u dat criminele netwerken hierdoor een sterkere prikkel krijgen om uithalers en andere drugskoeriers juist naar Nederland te sturen, omdat de opgelegde straffen in Nederland in verreweg de meeste gevallen veel lager zijn dan in België, Duitsland en Frankrijk?
In Nederland is de afgelopen jaren de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit fors is uitgebreid en versterkt. Met de brede aanpak, waarover uw Kamer periodiek wordt geïnformeerd, zet het kabinet vol in op Nederland zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor criminele netwerken om zich hier te vestigen of hun criminele activiteiten voort te zetten. Naast het verhogen van wettelijke strafmaxima op verschillende delicten, zet ik in op het verhogen van de pakkans, het opwerpen van barrières en het voorkomen van gelegenheid. Deze maatregelen zijn effectief en schrikken veelal meer af dan de hoogte vaneen opgelegde straf. Dat is ook terug te zien in de cijfers. Afgelopen jaren zijn flink wat barrières opgeworpen, waaronder de vertrouwensketen in de Rotterdamse haven waardoor pincodefraude bij het ophalen van containers onmogelijk is gemaakt, intensievere controle en de nieuwe strafbaarstelling van art. 138aa van het Wetboek van Strafrecht. Het resultaat van die barrières is onder meer dat het aantal uithalers in de Rotterdamse haven aanzienlijk is gedaald, van 415 in 2021 naar 266 in 2024.
Bent u bereid om mede naar aanleiding van deze berichten in gesprek te gaan met het Openbaar Ministerie om te bevorderen dat geen verdere procesafspraken worden gemaakt in grootschalige drugszaken tot na de behandeling van de eerste aanvullingswet van het Wetboek van Strafvordering in de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding om hierover in gesprek te gaan met het OM. De huidige praktijk wordt genormeerd via door de Hoge Raad gegeven kaders (ECLI:NL:HR:2022:1252) en de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken van het College van Procureurs-Generaal. Binnen die grenzen kunnen procesafspraken worden gemaakt.
Zoals eerder aangegeven, worden procesafspraken door het OM gemaakt op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij acht wordt geslagen op de ernst van het begane strafbare feit, de daarop gestelde maximumstraf en de straf die de rechter op zal leggen. Het is uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten. Als rechters van mening zijn dat er hierbij sprake is van scheefgroei, dan is het goed als hierover binnen de rechtspraak discussie plaatsvindt. Ik vind het van belang om een specifiek wettelijk kader voor procesafspraken in te voeren. Deze regeling is opgenomen in de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Het wetsvoorstel zal spoedig bij uw Kamer worden ingediend. Deze wettelijke regeling geeft de wetgever de mogelijkheid om principiële vragen die samenhangen met procesafspraken van een antwoord te voorzien, waaronder de vraag wat de maximale strafvermindering is die een verdachte via procesafspraken mag krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk en zo volledig mogelijk beantwoord. Er is gepoogd om de gevraagde termijn te behalen, maar dit is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Vuurwerkshows in gevaar na afsteekverbod: 'Dit gaat niet lukken'' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vuurwerkshows in gevaar na afsteekverbod: «Dit gaat niet lukken?»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat er in Nederland slechts twee opleidingen bestaan voor het vak van pyrotechnicus en dat de instroom van nieuwe leerlingen achterblijft, terwijl de vraag naar shows stijgt in verband met het afsteekverbod?
Voor de professionele vuurwerkshows is het goed dat er degelijke opleidingen bestaan die het vak aan gegadigden overbrengen; het is aan de sector zelf om te reageren op een toegenomen vraag in de markt naar professionele vuurwerkshows, mocht hier een stijging in zijn.
In het kader van de Wet veilige jaarwisseling wordt de mogelijkheid uitgewerkt voor georganiseerde groepen burgers om zich voor een ontheffing tot de gemeente te wenden. Met een ontheffing moet het voor verenigingen en stichtingen mogelijk zijn om tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier F2-vuurwerk af te steken. Ik hecht er aan om te benadrukken dat het niet nodig zal zijn om voor een dergelijke ontheffing een opleiding tot pyrotechnicus te volgen. Dat staat dus los van de professionele vuurwerkshows.
Hoe ziet u de groei van de branche voor u, gezien het feit dat zelfs bij voldoende aanbod van opleidingen het probleem blijft bestaan dat certificaten alleen geldig zijn wanneer afstekers voldoende shows (2) per jaar uitvoeren, vergunningprocedures (>200 kg) bovendien 14 weken duren en vergunningen soms niet worden verleend?
Het is aan de markt om wel of niet in te springen in het gat dat mogelijk ontstaat naar aanleiding van een eventuele groeiende vraag naar professionele vuurwerkshows.
Het vergunningstelsel voor professionele shows is ingevoerd om de veiligheid van de ontstekers en omstanders te waarborgen doordat de vergunninghouders voldoende kennis en ervaring hebben.
Bent u eventueel bereid om de vergunningsprocedures te verkorten of te versoepelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier bent u bereid dit te doen?
Om aangewezen te kunnen worden als persoon met gespecialiseerde kennis die professioneel vuurwerk tot ontbranding mag brengen, is het nodig om in het bezit te zijn van een toepassingsvergunning. Deze vergunning wordt door de Inspectie Leefomgeving en Transport verstrekt. De ILT heeft de tijd nodig om zo’n aanvraag goed te beoordelen. Hetzelfde geldt voor een aanvraag om een ontbrandingstoestemming bij de provincie, die vereist is voor vuurwerkevenementen waarbij meer dan 20 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of 200 kg consumentenvuurwerk tot ontbranding wordt gebracht. Gelet op het waarborgen van de veiligheid bij vuurwerkevenementen, is zorgvuldigheid van belang. De procedure is daarop ingericht.
Deelt u de zorg dat het tekort aan gekwalificeerd personeel gaat leiden tot het niet kunnen organiseren van vuurwerkshows, waardoor burgers in gemeenten met een afsteekverbod alsnog zonder vuurwerkfestiviteiten komen te zitten?
Nogmaals wil ik benadrukken dat in het kader van de Wet veilige jaarwisseling een ontheffingsmogelijkheid wordt uitgewerkt waarmee verenigingen en stichtingen tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier F2-vuurwerk mogen afsteken. Dat staat los van professionele vuurwerkshows.
Bent u van mening dat centrale vuurwerkshows een realistisch, haalbaar en schaalbaar alternatief vormen voor consumentenvuurwerk in alle Nederlandse gemeenten, inclusief kleinere dorpen en kernen waar nauwelijks lokale capaciteit of budget is?
Daar waar gemeenten ervoor kiezen om professionele vuurwerkshows te organiseren, is het een mooi en haalbaar alternatief. Verenigingen of stichtingen kunnen na inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling daarnaast een ontheffing aanvragen voor het afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling. Dit staat los van professionele vuurwerkshows.
Bent u bereid de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling uit te stellen, totdat er voldoende gecertificeerde pyrotechnici beschikbaar zijn om in alle gemeenten minimaal een vuurwerkshow te garanderen?
Nee, in de Wet veilige jaarwisseling wordt niet gesproken over professionele vuurwerkshows, maar over een ontheffing voor georganiseerde groepen burgers juist zonder specialistische kennis.
Kunt u toelichten wat precies bedoeld wordt met «gespecialiseerde kennis» in het gewijzigd amendement van de leden Bikker en Stoffer (Kamerstuk 35 386, nr. 13), waarmee de mogelijkheid wordt gecreëerd om buurtverenigingen een ontheffing te verlenen aan personen met gespecialiseerde kennis?
In het Vuurwerkbesluit2 zijn personen met gespecialiseerde kennis aangewezen. Alleen personen met gespecialiseerde kennis mogen onder voorwaarden beschikken over professioneel vuurwerk. Het gaat dan onder andere om houders van een toepassingsvergunning. Houders van een toepassingsvergunning mogen professioneel vuurwerk ook tot ontbranding brengen wanneer ze daarvoor een ontbrandingstoestemming hebben van de provincie. Om in aanmerking te komen voor zo’n toepassingsvergunning moet je onder andere beschikken over een certificaat vuurwerkdeskundige en een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze professionals hebben een opleiding gevolgd aan een door Kiwa erkend examenbureau.
In de Wet veilige jaarwisseling is geregeld dat door de burgemeester een ontheffing kan worden verleend voor het afsteken van aangewezen consumentenvuurwerk aan personen zonder gespecialiseerde kennis. Momenteel wordt gewerkt aan het Besluit veilige jaarwisseling om deze ontheffingsmogelijkheid nader uit te werken. Daarin wordt ook aandacht besteed aan de voorwaarden waaronder de ontheffing kan worden uitgegeven.
Klopt het dat het begrip «gespecialiseerde kennis» in de praktijk neerkomt op vergelijkbare deskundigheid en certificering als bij professionele pyrotechnici? Zo nee, waar wijkt dit precies van af?
Nee, dit is niet juist. Voor het aanvragen van een ontheffing is beoogd dat het niet nodig is om als persoon met gespecialiseerde kennis te zijn aangewezen. Dit is wel nodig voor het professioneel tot ontbranding brengen van vuurwerk tijdens vuurwerkshows. In het Besluit veilige jaarwisseling wordt nader uitgewerkt waaraan een ontheffing aanvrager moet voldoen.
Hoe realistisch acht u het dat burgers die actief zijn binnen lokale verenigingen bereid en in staat zullen zijn om de vereiste «gespecialiseerde kennis» via een (formele) opleiding te verkrijgen?
Een formele opleiding die een professionele afsteker moet afronden, is in het kader van de ontheffing niet nodig. De Wet veilige jaarwisseling gaat immers juist over georganiseerde groepen burgers zonder specialistische kennis.
Kunt u gedetailleerd aangeven welke eisen gelden voor het opslaan van vuurwerk door verenigingen, inclusief eisen voor bunkers, ruimten, certificering en veiligheidsnormen?
Dit wordt op dit moment nader uitgewerkt in het Besluit veilige jaarwisseling, dat naar verwachting begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure aan beide Kamers zal worden aangeboden.
Hoe beoordeelt u het verbod voor verenigingen om vuurwerk tot ontbranding te brengen anders dan met een aansteeklont, terwijl er eenvoudige elektronische ontstekers beschikbaar zijn die geen bewerking van het vuurwerk vereisen, en hoe weegt u hierbij de veiligheid van de ontbranders tegenover de huidige beperkingen?
Om gebruik te maken van elektronische ontstekers, hebben personen met gespecialiseerde kennis een opleiding gevolgd waarin het gebruik ervan onderdeel is geweest. Het gebruik van een elektronische ontsteker kan namelijk risico’s met zich meebrengen, en professionals weten hoe ze moeten handelen op het moment dat het mis gaat. Daarom is het nu niet toegestaan voor particulier gebruik.
Kunt u bovendien aangeven welke vereisten gelden voor het afsteken van vuurwerk door verenigingen, waaronder deskundigheid, veiligheidsafstanden, toezicht en verzekeringsplichten?
Dit wordt nader uitgewerkt in het Besluit veilige jaarwisseling, dat naar verwachting begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure aan beide Kamers zal worden aangeboden.
Kunt u toelichten waarom in de AMvB gekozen is voor een verplichte inschrijving in het Handelsregister voor aanvragers van een ontheffing, in verband met de laagdrempeligheid die beloofd was voor burgerinitiatieven om vuurwerk af te steken?
Dit wordt nader toegelicht in het Besluit veilige jaarwisseling, dat naar verwachting begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure aan beide Kamers zal worden aangeboden.
Kunt u bij al die voorwaarden aangeven of u dit realistisch acht voor lokale buurverenigingen?
Bij de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid in het kader van de Wet veilige jaarwisseling zijn breed gesprekken gevoerd met alle betrokken partijen. Bij deze uitwerking zijn diverse belangen meegenomen zoals de veiligheid voor afstekers en omstanders en de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Op dit moment worden de reacties die zijn binnengekomen op de internetconsultatie en de toetsen op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid verwerkt. Naar verwachting zal het Besluit veilige jaarwisseling begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure worden aangeboden aan beide Kamers.
Vindt u dat de eerder gedane belofte van politieke partijen dat burgers via buurtverenigingen of centrale shows toch van vuurwerk kunnen genieten, daadwerkelijk kan worden waargemaakt, gezien de huidige praktijk en beperkingen?
Met de mogelijkheid om via een ontheffing aangewezen F2-vuurwerk door verenigingen of stichtingen af te kunnen steken en de eerdere genoemde centrale vuurwerkshows, zijn er voor burgers mogelijkheden om van vuurwerk te kunnen genieten.
Hoe voorkomt u dat het verkrijgen van ontheffingen afhankelijk wordt van de persoonlijke voorkeuren van burgemeesters?
De ontheffingsbevoegdheid is bij amendement van Bikker c.s. (Kamerstuk 35 386, 17) opgenomen in de Wet veilige jaarwisseling en neergelegd bij de burgemeester. Op grond van de Wet veilige jaarwisseling kan de burgemeester een of meer ontheffingen verlenen, maar hoeft dat niet te doen. Hij kan daartoe zelf beleid opstellen en keuzes maken op basis van wat passend is bij de lokale omstandigheden.
Er wordt bij de uitwerking van de Wet veilige jaarwisseling bezien of het wenselijk is om in het kader hiervan een handreiking voor burgemeesters op te stellen.
Hoe voorkomt u willekeur bij gemeenten voor het toekennen van een vuurwerkshow of een vuurwerkevenement via een lokale buurtvereniging?
Bij besluiten zijn bestuursorganen, onder wie burgemeesters, gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarin een verbod op willekeur besloten ligt.
Bent u bereid een landelijke richtlijn of handreiking voor gemeenten op te stellen om zo rechtsongelijkheid te voorkomen?
Bij de uitwerking van de Wet veilige jaarwisseling zal waar nodig gewerkt worden aan handreikingen. Verschil in beleid tussen gemeenten is op zichzelf geen rechtsongelijkheid. Sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat afhankelijk van lokale omstandigheden gemeenten verschillende afwegingen kunnen maken.
Als buurtverenigingen al een vergunning krijgen van hun gemeente, waar moeten zij dan het consumentenvuurwerk kopen als deze niet meer in Nederland mag worden verkocht?
Consumentenvuurwerk zal na inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten nog mogen worden verkocht aan houders van een ontheffing.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de start van het kerstreces? (19 december 2025)
Het is helaas niet gelukt om de beantwoording voor 19 december 2025 te sturen.
De behandeling van patiënten met Ehlers-Dantos. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten die het Ministerie van VWS en de Kamer vragen om zo spoedig mogelijk in actie te komen voor duizenden patiënten die geen, of onvoldoende hulp krijgen? Zo ja, herkent u de signalen en wat heeft u tot nu toe gedaan?
Ik ben bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten en ik neem hun zorgen serieus. De toegankelijkheid van zorg voor patiënten met zeldzame aandoeningen vind ik belangrijk. In het kader van deze oproep heb ik bij verschillende partijen navraag gedaan naar de actuele situatie.
Is bekend hoeveel mensen in Nederland het (hypermobiele) Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben? Hoe is de verdeling naar geslacht?
Het is niet bekend hoeveel mensen in Nederland het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben, noch wat de verdeling naar geslacht is. Er bestaat geen landelijke registratie en er zijn geen betrouwbare nationale prevalentiegegevens beschikbaar.
In de internationale literatuur lopen prevalentieschattingen sterk uiteen, variërend van ongeveer 1 op de 500 tot 1 op de 5.000 personen. Deze verschillen hangen samen met methodologische keuzes, variatie in gebruikte databronnen en verschillen in gehanteerde diagnostische criteria. Hierdoor zijn deze cijfers beperkt vergelijkbaar en niet zonder meer te vertalen naar de Nederlandse situatie.
Hoeveel van hen hebben geen of onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg?
Het is niet bekend welk aandeel van de mensen met het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) momenteel geen of onvoldoende zorg ontvangt. Voor deze specifieke doelgroep worden geen landelijke wachtlijsten bijgehouden en er zijn geen systematische gegevens beschikbaar over zorggebruik of zorgtoegang.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) en Zorgverzekeraars Nederland geven bij navraag aan dat bij hen geen signalen bekend zijn van onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg voor deze patiëntengroep.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC, aan dat hoewel exacte aantallen ontbreken, zowel klinische ervaring als signalen uit patiëntenorganisaties erop wijzen dat een deel van de patiënten in de praktijk onvoldoende toegang heeft tot passende zorg. Deze signalen betreffen met name tijdige diagnostiek, doorverwijzing naar gespecialiseerde zorg en de beschikbaarheid van multidisciplinaire behandeling.
Klopt het dat er nauwelijks artsen zijn met specifieke expertise op het gebied van hEDS en HSD? Hoe kan dit?
Er is in Nederland een beperkt aantal artsen die zich via onderzoek en wetenschappelijke expertise specifiek hebben toegelegd op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). Het betreft aandoeningen met een relatief beperkte patiëntengroep; uitgaande van een prevalentie van circa 1 op de 5.000 personen gaat het naar schatting om ongeveer 3.600 patiënten in Nederland. In Nederland zijn meer dan 7.000 zeldzame aandoeningen erkend. Hierdoor is de beschikbare onderzoeks- en expertisecapaciteit per afzonderlijke aandoening beperkt en bestaan slechts voor een deel van deze aandoeningen gespecialiseerde expertisecentra of onderzoeksgroepen.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan dat voor behandeling specifieke expertise in veel gevallen niet nodig is. Afhankelijk van de zorgvraag kunnen patiënten, op verwijzing van de huisarts of medisch specialist, bij reguliere revalidatie-instellingen terecht voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen.
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC geeft desondanks dat er behoefte is aan meer specifieke expertise. Zij stelt daarbij dat dit samenhangt met het ontbreken van duidelijke afspraken over waar de zorg voor hEDS en HSD structureel is belegd binnen de zorgketen. De zorg bevindt zich op het snijvlak van meerdere disciplines, zonder eenduidige verantwoordelijkheid, wat leidt tot versnippering en belemmeringen in de borging van expertise.
De door het expertisecentrum genoemde onduidelijkheid acht ik onwenselijk. Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Klopt het dat het Erasmus MC het enige academische expertisecentrum is dat zich op hEDS en HSD richt? Klopt het ook dat de wachtlijsten langer zijn dan een jaar en het academische expertisecentrum uitsluitend is voor diagnostiek in de derdelijnszorg? En dat er slechts enkele revalidatieartsen zijn, maar zij wachtlijsten hebben van soms meer dan vijf jaar?
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC is momenteel het enige academische expertisecentrum in Nederland dat zich specifiek richt op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). De zorg binnen dit centrum betreft derdelijnszorg en is primair diagnostisch van aard, aangevuld met advisering richting vervolgzorg in de eerste en tweede lijn.
Het expertisecentrum geeft aan dat de wachttijden voor deze specialistische diagnostiek langer dan een jaar bedragen.
Voor revalidatieartsen met specifieke expertise gericht op hEDS en HSD geldt eveneens dat het om een beperkt aantal zorgverleners gaat en dat wachttijden per regio en instelling sterk kunnen verschillen. Uitspraken over exacte wachttijden, waaronder wachttijden van meerdere jaren, zijn bij het ontbreken van landelijke gegevens niet te onderbouwen.
Niet alle mensen met hEDS of HSD hebben specialistische zorg nodig. Een deel kan volstaan met zelfzorg of begeleiding in de eerste lijn. Indien nodig kunnen patiënten, op verwijzing, terecht bij reguliere revalidatie-instellingen voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen, aldus de VRA.
Bent u het eens met de analyse van de Ehlers-Dantos-patiëntenvereniging dat er in Nederland geen multidisciplinaire aanpak is en ondanks dat internationaal de kennis en ontwikkeling toenemen, patiënten in Nederland hier nauwelijks profijt van hebben? Herkent u hun zorgen dat de problemen alleen maar groter worden?
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan zich niet te herkennen in het beeld dat de zorg voor deze patiëntengroep niet wordt georganiseerd. Vanuit de revalidatiegeneeskunde wordt aangegeven dat multidisciplinaire zorg binnen bestaande zorgstructuren mogelijk is.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC aan de analyse van de patiëntenvereniging te delen dat er geen structureel ingerichte multidisciplinaire aanpak bestaat voor hEDS en HSD. Het expertisecentrum herkent tevens de zorg dat de problematiek zonder structurele oplossingen kan toenemen.
Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Bent u ermee bekend dat revalidatiezorg vanaf 2026 niet meer wordt vergoed door (de meeste) zorgverzekeraars? Kunt u schetsen welke gevolgen dat heeft voor deze groep patiënten?
Ik heb hierover navraag gedaan bij Zorgverzekeraars Nederland. Zij geven aan dit beeld niet te herkennen. De zorg zoals revalidatieartsen die plegen te bieden blijft onderdeel van het vergoede pakket.
In uw vraag wordt vermoedelijk verwezen naar berichtgeving van zorgverzekeraar CZ. CZ heeft aangegeven vanaf 2026 medisch specialistische revalidatie alleen te vergoeden indien deze plaatsvindt in een revalidatiecentrum of ziekenhuis waar minimaal twee revalidatieartsen werkzaam zijn. CZ geeft aan dit van belang te vinden om intake en behandeling op één plek te laten plaatsvinden binnen een multidisciplinaire setting.
Kunt u verklaren waarom de zorg en hulp aan deze patiënten zo slecht toegankelijk is? Wat is uw verantwoordelijkheid hierin en welke verantwoordelijkheid hebben zorgverzekeraars?
Uit het contact met Zorgverzekeraars Nederland blijkt dat bij hen geen signalen bekend zijn dat de zorg voor patiënten met een indicatie voor revalidatiezorg slecht toegankelijk is.
Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en zijn verplicht ervoor te zorgen dat verzekerde zorg in voldoende mate beschikbaar is.
Bent u bereid om voor het einde van 2025 samen met zorgverzekeraars te zorgen voor duidelijkheid over de vergoedingen?
De onderhandelingen over inkoopcontracten lopen momenteel. Zorgverzekeraars zijn op grond van beleidsregels van de NZa verplicht hun verzekerden te informeren over de gevolgen hiervan voor de vergoedingen. Er moet altijd duidelijkheid zijn over de vergoeding van verzekerde zorg. Verzekerden kunnen daarnaast contact opnemen met hun zorgverzekeraar voor nadere informatie.
Deelt u de mening dat de andere problemen zoals wachtlijsten, gebrek aan expertise en kennis ook dienen te worden opgelost? Bent u bereid samen met de patiëntenvereniging, revalidatieartsen en andere deskundigen om tafel te gaan en een plan te maken voor een multidisciplinaire aanpak met oplossingen voor de korte en de lange termijn? Zo ja, op welke termijn gaat u hiermee beginnen? Zo nee, waarom niet?
Passende zorg moet voor alle patiënten toegankelijk zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is.
Vanuit het ministerie zal naar aanleiding van de gestelde vragen contact opgenomen worden met de patiëntenorganisatie om te bespreken welke belemmeringen bestaan om tot afspraken te komen over taken en verantwoordelijkheden binnen het zorgpad.
Kunt u deze vragen met spoed behandelen en uiterlijk in de week van 15 december 2025 de antwoorden aan de Kamer sturen?
Dit is helaas niet gelukt. De afstemming met verschillende partijen, waaronder de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen en Zorgverzekeraars Nederland, heeft meer tijd in beslag genomen.
Het artikel ‘Waterschappen hebben geen zicht op bouwplannen in risicovolle gebieden' |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat er op dit moment nieuwbouwprojecten vertraging oplopen door slepende processen, als gevolg van onenigheid over adviezen van waterschappen, zoals bij de bouw van achtduizend woningen in de Zuidplaspolder?1 Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang van deze vertraging in heel Nederland is?
Waterschappen hebben de taak om de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het waterbeheersysteem te beoordelen en te wegen. Dit is onder de Omgevingswet verankerd in de weging van het waterbelang2. Mijn ervaring is dat dit in het algemeen goed gaat en dat gemeenten de waterschappen bij veel gebiedsontwikkelingen vroegtijdig en blijvend betrekken. Dit gebeurt echter niet altijd, wat inderdaad vertraging kan veroorzaken. Dat hoeft overigens niet het resultaat te zijn van «onenigheid over adviezen». Vertraging kan ook ontstaan doordat noodzakelijke maatregelen te laat aan het licht komen en alsnog moeten worden ingepast.
Het is niet bekend hoeveel projecten door late betrokkenheid vertraging oplopen of wat de omvang van deze vertraging is. In de genoemde casus Cortelande (gemeente Zuidplas) was de verhouding met het waterschap complex en heeft dit zelfs geleid tot beroep bij de Raad van State. Er was in deze casus geen sprake van een gebrek aan betrokkenheid van het hoogheemraadschap. Het masterplan voor het middengebied van de Zuidplaspolder is al in 2021 vastgesteld. Dit gebeurde met vroegtijdige en intensieve inhoudelijke betrokkenheid en steun van het hoogheemraadschap. Het resultaat was een ontwerp waarbij rekening wordt gehouden met het lokale water- en bodemsysteem. Zo wordt er gebouwd op de betere gronden en blijft er veel ruimte vrij voor waterberging. Wel was er sprake van hoge tijdsdruk vanwege het aflopende voorkeursrecht op de gronden.
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van dergelijke processen door betere afstemming tussen gemeenten en waterschappen kan bijdragen aan het versnellen van de woningbouw?
Ik deel de observatie dat vroegtijdige betrokkenheid van het waterschap
vertraging later in het proces kan voorkomen. Dit gaat vaak goed, maar niet altijd. Op de Woontop van eind 2024 heb ik daarom afspraken gemaakt met onder andere waterschappen en gemeenten. Dit houdt in dat waterschappen vroegtijdig worden betrokken bij de planvorming van gemeenten, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de hierboven genoemde weging van het waterbelang zoals dat ook is verankerd in de Omgevingswet. Waterschappen en gemeenten werken in opvolging daarvan aan een convenant waarin zij deze vroegtijdige samenwerking formaliseren.
Kunt u aangeven welke rol u voor de Rijksoverheid ziet in het bevorderen van vroegtijdige betrekking van waterschappen door gemeenten bij bouwplannen?
Zoals hierboven aangegeven, heb ik hierover op de Woontop afspraken gemaakt met de betrokken partijen. Onderdeel van deze afspraken is daarnaast dat we werken aan uniforme kaders voor onder andere wateroverlast. Hiervoor is de Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving als basis genomen. Dit maakt voor alle partijen aan de voorkant duidelijk waar zij rekening mee moeten houden. Dit helpt ook om invulling te geven aan de gemaakte keuze in de Ontwerp-Nota Ruimte dat we bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving systematisch rekening houden met vaker voorkomende extreme weersomstandigheden (zoals lange periodes van droogte, hitte en overvloedige neerslag) en hogere piekafvoeren van de rivieren.
Ook werken we met medeoverheden en het Ministerie van IenW aan ontwerpend onderzoek dat gericht is op een handelingsperspectief voor locaties die een uitdaging hebben ten aanzien van water en bodem. Dit levert bewezen en toepasbare ontwerpoplossingen op voor verschillende water- en bodemtypen, met als doel woningbouwprojecten in deze gebieden vooruit te helpen. Uiteindelijk blijft het aan de daarvoor bevoegde gezagen (veelal gemeenten) om waterschappen vroegtijdig te betrekken bij bouwplannen en daarmee invulling te geven aan de weging van het waterbelang, zo is dat ook afgesproken in de Omgevingswet.
Deelt u de mening dat waterschappen bij gebiedsontwikkelingen een belangrijke, zo niet preferente, rol hebben vanuit het principe Water- en Bodemsturend en de noodzaak piekwaterbergingsgebieden beschikbaar te hebben?
Zoals aangegeven ben ik inderdaad van mening dat waterschappen een belangrijke rol hebben bij gebiedsontwikkelingen. Zij kunnen de volledige breedte van de regionale wateropgaven overzien, ruimte voor (piek)waterbergingen is daar een onderdeel van. Ruimtelijke keuzes worden integraal gemaakt, dus geen enkel belang heeft een preferente rol, zo staat dat ook omschreven in de Ontwerp-Nota Ruimte. Zoals de Minister van IenW in zijn brief van oktober 20243 heeft aangegeven (en in het verlengde van voorgaande) is de lijn van dit kabinet «rekening houden met water en bodem» en niet «water en bodem sturend».
Uiteindelijk worden de bouwlocaties aangewezen door de daarvoor bevoegde gezagen, op basis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat kader worden de verschillende (o.a. ruimtelijke) belangen afgewogen. Het advies van het waterschap op het omgevingsplan wordt hierbij betrokken, via de weging van het waterbelang. Zo staat dat ook in de Omgevingswet.
Kunt u toelichten in welke mate de Ontwerp-Nota Ruimte mogelijkheden biedt voor het stroomlijnen van besluitvorming rondom de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen?
In de Ontwerp-Nota Ruimte reikt dit kabinet twee concrete instrumenten aan die partijen helpen bij het maken van keuzes voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, in relatie tot het water- en bodemsysteem:
Dit instrument helpt partijen bij de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen, in relatie tot het water- en bodemsysteem.
Dit instrument helpt partijen bij keuzes rondom inrichting van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, in relatie tot het water- en bodemsysteem.
Aanvullend maakt het kabinet in de Ontwerp-Nota Ruimte de keuze om, met het oog op risico’s op overstromingen, nieuwe bebouwing in de uiterwaarden niet langer toe te staan en om, met het oog op het behoud van de zoetwatervoorziening, terughoudend te zijn met landaanwinning en buitendijks bouwen in het IJsselmeergebied.
Op deze manier tracht het kabinet de besluitvorming rondom nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te stroomlijnen. Tevens heb ik op de Woontop (2024), zoals eerder benoemd, afspraken gemaakt die ook bijdragen aan het stroomlijnen van deze besluitvorming.
Uiteindelijk blijven keuzes ten aanzien van locatie (buiten de eerder genoemde uiterwaarden en IJsselmeergebied) en inrichting van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de verantwoordelijkheid van de daarvoor aangewezen bevoegde gezagen.
Hoe is de behoefte aan piekbergingsruimte zoals geuit door de waterschappen meegenomen en vastgelegd in de ontwerp-Nota Ruimte?
In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt aangegeven dat een robuust en toekomstbestendig hoofdwatersysteem ook voldoende ruimte vereist voor (piek)waterberging. Deze gebieden voor waterberging zijn bedoeld om overloop te creëren en daarmee wateroverlast op andere plekken te voorkomen, deels vanuit het hoofdwatersysteem en deels in de regionale watersystemen. Daarom wordt in de Ontwerp-Nota Ruimte aangegeven dat er (lokaal) voldoende ruimte wordt gereserveerd voor (piek)waterberging, het doel wordt nagestreefd om in diepe polders 5–10% ruimte te reserveren voor waterberging en ontwikkelingen op gronden die bijzonder geschikt zijn voor infiltratie te vermijden.
Specifiek voor het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal zijn de zoekgebieden voor (piek)waterberging op kaarten aangegeven omdat ze een belangrijke rol vervullen in de beheersmogelijkheden van wateroverlast. In deze gebieden spelen daarnaast ook nog andere ruimtelijke opgaven. Zo betreft een deel van het zoekgebied bij het Noordzeekanaal de Houtrakpolder waar opgaven vanuit energie, economie en water en bodem samenkomen. Dit gebied is op dit moment gereserveerd voor uitbreiding van de haven. De locatiebepaling voor waterberging rond het Noordzeekanaal vergt daarom nog nader onderzoek, dit wordt uitgewerkt in de gebiedsgerichte aanpak van het regionale Deltaprogramma Centraal Holland. De integrale besluitvorming hierover vindt plaats in de gebiedsgerichte aanpak in het NOVEX-gebied Noordzeekanaalgebied.
Acht u naar aanleiding van het signaal van de waterschappen aanvullingen op de ontwerp-Nota Ruimte noodzakelijk?
In reactie op de rapportage van Nieuwsuur heb ik aangegeven dat ik het belangrijk vind dat gemeenten waterschappen vroegtijdig betrekken bij bouwplannen, maar dat het verder institutionaliseren van de rol van waterschappen de processen stroperiger en duurder maakt. Het belang van het rekening houden met water en bodem staat voldoende benoemd in de Ontwerp-Nota Ruimte, ik zie daarom geen aanleiding om de Ontwerp-Nota Ruimte op dit punt aan te vullen.
Het doodschieten van een wolf. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Wat ging er door u heen toen u kennisnam van het bericht van provincie Utrecht dat op de Utrechtse Heuvelrug een wolf is doodgeschoten?1
Van de provincie Utrecht heb ik vernomen dat de houder van de afschotvergunning voor probleemwolf GW3237m de provincie heeft geïnformeerd dat er een wolf is afgeschoten op de Utrechtse Heuvelrug, waarvan werd aangenomen dat het probleemwolf GW3237m was. Ik ben blij dat de provincie en houder van de afschotvergunning adequaat hebben kunnen optreden, omdat er grote zorgen leefden in de omgeving over deze probleemwolf.
Kunt u bevestigen dat de jager op het moment van schieten niet met zekerheid kon vaststellen of het om wolf Bram, het dier waarvoor een afschotvergunning is verleend, ging?
Of het hier de probleemwolf GW3237m betrof moest DNA-onderzoek uitwijzen. Op 12 december jongstleden werd bevestigd dat het hier inderdaad probleemwolf GW3237m betrof.
Kunt u bevestigen dat het verboden is om een beschermd dier te doden wanneer op het moment van schieten onduidelijk is of voor dat specifieke dier een afschotvergunning is afgegeven? Zo nee, hoe wordt dan voorkomen dat beschermde dieren onnodig worden gedood?
Het doden van een wolf is door de wijziging van de beschermingsstatus onder de Habitatrichtlijn in Nederland niet langer vergunningplichtig. Om het doden van een wolf weer vergunningplichtig te maken, is nodig dat het ontwerp-Besluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de bescherming van de wolf en goudjakhals van kracht wordt. De behandeling in uw Kamer van het voorgehangen ontwerpbesluit is evenwel nog niet afgerond, nu uw Kamer op 18 juni 2025 heeft verzocht ter zake geen onomkeerbare stappen te zetten (Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 295).
Het doden van een wolf kan in strijd zijn met de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is aan provincies om erop toe te zien en eventueel bij maatwerkvoorschrift te verzekeren dat binnen de kaders van de specifieke zorgplicht wordt gehandeld. Dit betekent dat alle zorgvuldigheid in acht moet worden genomen om te voorkomen dat een wolf wordt gedood waarvoor dat niet gerechtvaardigd is. Voor de volledigheid deel ik u mee dat de afschotvergunning betreffende wolf GW3237m is afgegeven onder het eerdere beschermingsregime voor wolven.
Welke sancties staan op het doden van beschermde wolven, waarvoor geen afschotvergunning is verleend?
Handelen in strijd met artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving – dat zijn grondslag vindt in artikel 4.3 van de Omgevingswet – kan een strafbaar feit opleveren op grond van artikel 1a, aanhef en onder 1°, van de Wet economische delicten. Als sprake is van opzettelijk handelen dan geldt het strafbaar feit als een misdrijf en kan een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Is geen sprake van opzet, dan geldt het strafbaar feit als een overtreding waarvoor hechtenis van ten hoogste een jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd. Verwezen wordt naar de artikelen 2 en 6 van de Wet economische delicten.
Kunt u bevestigen dat handhavend zal worden opgetreden, omdat op het moment van schieten onduidelijk was of voor de wolf een afschotvergunning is verleend? Zo nee, waarom niet?
Ik heb hierover navraag gedaan bij de provincie Utrecht. De provincie Utrecht geeft aan dat voor wolf GW3237m een afschotvergunning is verleend. De provincie Utrecht geeft aan dat er op dit moment geen aanleiding is tot handhaving.
Kunt u bevestigen dat tevens handhavend zal worden opgetreden als blijkt dat niet wolf Bram, maar een andere wolf is doodgeschoten? Zo nee, waarom niet en hoe rijmt dit met de wet?
Zie mijn antwoorden op de vragen 2 en 5.
Bent u bereid om provincie Gelderland per direct op te roepen om de afschotvergunning voor wolf Hubertus in te trekken om te voorkomen dat meer wolven worden doodgeschoten, terwijl blijkbaar niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het om het juiste dier gaat? Zo nee, waarom niet?
De bevoegdheid ligt hier bij gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, niet bij mij. Ik kan en ga mij niet mengen in de bevoegdheid van een ander bestuursorgaan. En ik doe er alles aan om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en om te verzekeren dat – als deze zich toch voordoen – er daadkrachtig kan worden opgetreden. Daar strekt ook het in het antwoord op vraag 3 genoemde ontwerpbesluit toe, dat voor de zomer 2025 bij de Tweede Kamer en de Eerste Kamer is voorgehangen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is helaas niet binnen één week gelukt.
Het gebruik van robots in de ouderenzorg |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Regels voor robots in ouderenzorg nodig: «De menselijke maat moet gehandhaafd blijven»»?1
Het nieuwsitem geeft een beeld hoe de ouderenzorg zich ontwikkelt en welke vraagstukken er spelen als het gaat om innovatieve technologie.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots in de ouderenzorg alleen een aanvulling kan zijn op de inzet van zorgverleners als mensen dat zelf willen en dat ouderen dus de optie moeten houden van menselijke zorg?
Ja, daar ben ik het mee eens. Zoals in het HLO is beschreven kan slimme digitale ondersteuning directe voordelen bieden voor ouderen en zorgverleners. Robots kunnen een aanvulling zijn op de inzet van zorgverleners zodat zorgverleners tijd hebben om de intensieve zorg uit te blijven voeren. Ouderen behouden hierdoor de menselijke zorg.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots vooral nuttig kan zijn bij taken waarbij sociaal contact minder belangrijk is en veel minder voor zorgtaken die ook een belangrijke sociale functie hebben?
Ja, hier ben ik het mee eens. Robots moeten ingezet worden zodat mensen het mensenwerk kunnen doen.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots geen alternatief is voor een echte inzet op het oplossen van het personeelstekort in de zorg? Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de motie-Dobbe, die opriep «om een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling over te informeren»?2
Het inzetten van robots is één van de vele technologieën die wordt ingezet om het personeel in de zorg te ondersteunen om invulling te geven aan het personeelstekort. Daarbij kan inzet van technologie wel degelijk een bijdrage leveren aan het oplossen van het arbeidsmarktvraagstuk. Naast de voordelen op het gebied van personeel kan inzet van technologie de zorg ook aanvullen en zorgen voor betere ondersteuning aan de cliënt. Een voorbeeld is zorgrobot Tessa die al bij meer dan 175 zorgorganisaties wordt gebruikt. Tessa begeleidt cliënten verbaal en herinnert hen aan (zorg)taken zodat ze de taken ook uitvoeren wat hun zelfredzaamheid vergroot.
De motie-Dobbe roept op om een wervingscampagne in de zorg te starten. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor het brede arbeidsmarktbeleid in de zorg. Hij merkt op dat werving van personeel de verantwoordelijkheid is van werkgevers in zorg en welzijn. Het Ministerie van VWS is, in tegenstelling tot het Ministerie van Defensie, geen werkgever. Tevens zijn er in vele maatschappelijke sectoren personeelstekorten en acht hij het gelet daarop ook niet passend om een dergelijke grootschalige wervingscampagne vanuit het Ministerie van VWS op te zetten. Dit is in lijn met de brede arbeidsmarktagenda van dit kabinet, waarin voor de sectorale inzet juist de afstemming en samenwerking tussen sectoren wordt onderstreept 3.
Om deze redenen ziet de Minister van VWS af van de uitvoering van deze motie. Wel is hij, gelet op de urgentie van de personeelstekorten in de sector, bereid om te onderzoeken welke andere opties er zijn om met de beschikbare middelen invulling te geven aan de gedachte achter deze motie. In het AZWA is bijvoorbeeld afgesproken dat bestaande loopbaaninstrumenten die bijdragen aan de instroom, doorstroom en behoud van medewerkers geïntegreerd voortgezet worden. Hij zal uw Kamer voor de begrotingsbehandeling nader informeren over de uitkomst hiervan.
Bent u het ermee eens dat robots niet ingezet mogen worden voor zorg of ondersteuning bij ouderen tenzij deze goedgekeurde en getest zijn en ouderen nooit proefkonijn mogen zijn voor bedrijven? In hoeverre wordt dit nu gegarandeerd?
Robots moeten goedgekeurd en getest zijn voordat ze worden ingezet. Zo bestaat er Europese en Nederlandse normering voor zorgtechnologie. Veiligheid, privacy en betrouwbaarheid zijn absolute randvoorwaarden voor de inzet van zorgtechnologie. Ouderen mogen niet als proefkonijn dienen en onderzoek wordt getoetst bij regionale Medisch Ethische Toetsingscommissies.
Bent u het ermee eens dat, als robots worden ingezet voor ondersteuning, deze toegankelijk en betaalbaar moeten zijn voor iedereen en niet alleen voor mensen die geld hebben? In hoeverre wordt hier nu rekening mee gehouden?
Zorg moet altijd toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit zijn, dat geldt ook voor robots die worden ingezet in de zorg.
Bent u het ermee eens dat er regels nodig zijn om te bepalen wanneer robots verantwoord kunnen worden ingezet in de zorg?
De stelselverantwoordelijkheid van VWS reikt niet tot ontwikkelaars van zorgtechnologie. Daarnaast stelt de sector zelf kwaliteitskaders op voor de langdurige zorg, zoals in de ouderenzorg het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». Inzet van technologie is hier onderdeel van. Als er vanuit de zorgsector behoefte is om richtlijnen/ ethische regels aan te scherpen dan kan de zorgsector daartoe zelf het initiatief nemen.
Welke stappen worden momenteel gezet om regels op te stellen voor de inzet van robots in de ouderenzorg? In hoeverre wordt daarbij ook rekening gehouden met het feit dat commerciële producenten van zorgrobots niet altijd dezelfde belangen hebben als de ouderen en zorgverleners die deze gebruiken?
Ik ben niet bekend met regels die op dit moment worden ontwikkeld voor de inzet van robots in de ouderenzorg. Wel worden door organisaties zoals Vilans handvaten aan de sector aangeboden om digitaal hybride zorgtechnologie goed te organiseren.
Het artikel 'In deze stad wordt nu de meeste cocaïne gebruikt, en het is niet Amsterdam' |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente publicaties over het rioolwateronderzoek waaruit blijkt dat Leeuwarden momenteel de hoogste concentratie cocaïnegebruik van Nederland kent, en dat ook het gebruik van amfetamine daar fors is gestegen?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat drugsgebruik niet normaal en ongezond is, en bovendien de onderwereld spekt en de samenleving verpest doordat het leidt tot criminele ondermijning, explosies en liquidaties? Bent u bereid dit in de stelligste en meest expliciete termen te veroordelen?
Ja. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Criminele netwerken verdienen aan het gebruik van drugs. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een crimineel verdienmodel. Dit schadelijke aspect van drugsgebruik wordt benadrukt in de campagne «Drugs raakt ons allemaal» waarmee de afgelopen maanden in uitvoering van de motie Bikker over een landelijke campagne veel jongeren zijn bereikt.2 Deze inzet op bewustwording en preventie laat onverlet dat mensen met verslavingsproblematiek tijdig passende ondersteuning kunnen krijgen wanneer dat nodig is.
Hoe duidt u de in het artikel geschetste ontwikkeling in het licht van de landelijke aanpak tegen drugscriminaliteit en -gebruik? Ziet u hierin een trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken?
Dit kabinet zet in op het terugdringen van drugscriminaliteit en drugsgebruik. Ik neem signalen die op een trend in de andere richting lijken te wijzen dan ook serieus. In dit geval wil ik echter wel opmerken dat op basis van dit artikel slechts beperkt conclusies kunnen worden getrokken over de landelijke aanpak van drugscriminaliteit en drugsgebruik.
In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Welke verklaringen heeft u voor het feit dat juist Leeuwarden zo slecht scoort? Speelt de beschikbaarheid van drugs, de aanwezigheid van criminele netwerken of andere sociaaleconomische factoren hierbij een rol?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.3 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan.
Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt.
Wordt er op dit moment voldoende ingezet op preventie en handhaving in regio’s buiten de Randstad, zoals Friesland? Zo ja, kunt u toelichten welke maatregelen daar specifiek worden genomen?
Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het schrijven van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
De gemeente Leeuwarden heeft een lokaal gezondheidsbeleid «Samen Gezond» en geeft uitvoering aan het Preventie- en Handhavingsplan Drugs, Alcohol & Tabak. Eén van de concrete uitwerkingen is de implementatie van Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (OKO). OKO is een landelijk preventieprogramma van het Trimbos en het Nederlands Jeugdinstituut dat dit jaar is gestart. Momenteel loopt er een OKO-monitor op het voortgezet onderwijs, is er een pilotinterventie «Pauzesport» opgestart en zijn er interactieve ouderavonden in ontwikkeling. Preventie van middelengebruik vraagt om een aanpak voor de lange termijn en een integrale benadering. De gemeente Leeuwarden werkt daarom nauw samen met ketenpartners zoals de GGD Fryslân, Verslavingszorg Noord-Nederland en diverse welzijnsorganisaties. Daarnaast maken Friese gemeentes onderdeel uit van het provinciale samenwerkingsverband «Nuchtere Fries», als onderdeel van de Friese Preventieaanpak.
Aan de hand van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) wordt in Leeuwarden-Oost gewerkt aan het doorbreken van intergenerationele armoede en het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid. Het lange termijn doel is om dit tot een gebied te maken waar kinderen kansrijk kunnen opgroeien, zonder armoede. Hierop wordt ingezet via de pijlers gezondheid, wonen, leren en werken, de thema’s leefbaarheid en veiligheid worden integraal in deze pijlers meegenomen. Via dit programma, dat een horizon heeft van twintig jaar, zet de gemeente Leeuwarden sterk in op het vergroten van perspectief van de bewoners en een vermindering van de invloed van criminelen op deze wijken.
Leeuwarden neemt deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te houden en te halen. Dit wordt op verschillende manieren gedaan. De PmG-partners zetten hun expertise in vanuit hun kerntaken en we versterken de onderlinge samenwerking waardoor zo effectief mogelijk kan worden gewerkt.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interventies die vanuit het NPLV-programma Leeuwarden-Oost worden ingezet. Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor kennen de professionals elkaar inmiddels goed en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit ook de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
De aanpak van ondermijning is in de gemeente Leeuwarden geprioriteerd. Vanuit de aanpak wordt een extra impuls gegeven aan het tegengaan van ondermijning (preventie), de bestrijding ervan (repressie) en het creëren van bewustwording en weerbaarheid. Hiervoor heeft de gemeenteraad een incidenteel budget beschikbaar gesteld van € 600.000 voor de periode 2025–2027. Naar aanleiding van de extra impuls wordt actief ingezet op de toepassing van de wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Bibob) en het intensiveren van bestuurlijke controles door een interventieteam ondermijning. Deze interventies leiden onder andere regelmatig tot de sluiting van drugspanden door burgemeester van Leeuwarden op grond van art. 13b Opiumwet.
Bent u het er mee eens dat de strijd tegen de drugsproblematiek en de criminele ondermijning die daarmee gepaard gaat, onmogelijk door gemeenten alleen kan worden opgelost?
Hier ben ik het mee eens.
Hoe wilt u gemeenten tegemoetkomen en ondersteunen om drugs en aanverwante ondermijning tegen te gaan? Welke intensivering zou daarvoor nodig zijn, en bent u bereid deze middelen uit te trekken?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Zoals in het antwoord op vraag 5 is toegelicht worden gemeenten ondersteund via GGD’en, preventiecoalities en regionale zorgaanbieders. Daarnaast bieden landelijk gefinancierde kennisinstellingen, zoals het Trimbos-instituut en Verslavingskunde Nederland hierbij concrete handvatten.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC-LIEC bestel wordt vanuit het Rijk gefinancierd. Meer specifiek gericht op de aanpak van jeugdcriminaliteit in gemeenten is PmG al genoemd. De eerste resultaten van dit programma zijn positief. Gelet op deze bestaande instrumenten en de huidige inzichten ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om de ondersteuning vanuit het Rijk te intensiveren.
Bent u bereid om, samen met gemeenten en politie, extra aandacht te geven aan de aanpak van drugsgebruik en -handel in Leeuwarden en vergelijkbare steden?
Zoals in antwoord 7 is aangegeven, zet dit kabinet vol in op de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit en het terugdringen van drugsgebruik. Hierbij stelt het kabinet middelen en instrumenten beschikbaar om het (lokale) gezag te equiperen deze problematiek aan te pakken. Het gaat hier in veel gevallen om een meerjarige, langdurige inzet. Er is goed contact met de gemeente Leeuwarden en vergelijkbare steden over de lokale situatie.
Hoe beoordeelt u het instrument van rioolwateronderzoek als middel om trends in drugsgebruik te monitoren? Overweegt u om dit structureel en landelijk uit te breiden, zodat er een vollediger beeld ontstaat?
In november 2023 hebben JenV en VWS opdracht gegeven aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Trimbos-instituut om een pilotstudie uit te voeren naar het gebruik van drugs door middel van rioolwateronderzoek. Dit onderzoek is op 5 november jl. gepubliceerd. De studie heeft uitgewezen dat rioolwateronderzoek een goede, objectieve aanvulling kan zijn op het landelijke beeld van drugsgebruik dat op basis van andere bronnen wordt samengesteld. De onderzoekers stellen dat één rioolwatermeting per jaar, ieder jaar op hetzelfde moment, voldoende is om het landelijke beeld te onderhouden. Meer metingen zijn niet nodig, omdat het drugsgebruik in Nederland volgens de metingen van het RIVM het hele jaar relatief constant is. Ik ben momenteel, samen met de Staatssecretaris van JPS, in gesprek met het RIVM en het Trimbos-instituut over de wijze waarop wij een vervolg willen geven aan deze pilot. De Staatssecretaris JPS en ik informeren uw Kamer hier zo spoedig mogelijk meer uitgebreid over.
Het nieuws dat er een deal is gesloten tussen het kabinet en de NAM over de gaswinning bij Ternaard |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de overeenkomst tussen u en de NAM tot stand zijn gekomen?
Welke afspraken heeft u wanneer met wie gehad om tot deze deal te komen en wat is daar besproken?
Kunt u de voorbereiding en verslagen van deze onderhandelingen delen? Zo nee, waarom niet?
Hoe zijn de bedragen waarmee deze overeenkomst gepaard gaan berekend en welke gegevens en berekeningen heeft u gebruikt om te beoordelen of dit bedrag gerechtvaardigd is? Kunt u een toelichting geven op het rekenmodel dat u hiervoor heeft gebruikt?
Om tot een marktconforme waardering te komen is een nauwkeurig proces doorlopen. Hierbij zijn de potentiële baten van toekomstige gaswinning in Ternaard als basis genomen. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat een deel van de opbrengsten van gaswinning via EBN en via belastingafdrachten van NAM en EMPN terug zouden vloeien naar de staat. Hiertoe is een rekenmodel opgesteld. Dit rekenmodel gaat uit van onderbouwde aannames voor het winningsprofiel, de gasprijs, discontovoet, de kapitaalinvesteringen en de operationele kosten in de periode 2026–2037. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er grote onzekerheden zijn, waardoor een aanpassing in aannames tot grote veranderingen in de uitkomst kan leiden. In de berekening zijn de kosten en baten met elkaar verrekend en de geldende afdrachtensystematiek toegepast. Dit resulteert in een jaarlijkse vrije kasstroom. Deze toekomstige kasstroom is vervolgens tot één bedrag in het heden verdisconteerd. Het resultaat is de netto contante waarde van het Ternaard gasveld.
Wat waren de hoogste en laagste mogelijke waarden die uit de scenario’s van KPMG en TNO kwamen?
TNO heeft zich geconcentreerd op het beoordelen van de mogelijk winbare volumes. Hierbij hebben zij gegeven de huidige gebruiksruimte per winningsprofiel (laag/midden/hoog) bepaald hoeveel gas er binnen de gebruiksruimte gewonnen kan worden. Daarnaast is er per profiel gerekend met een «open» en een «gesloten» breukscenario, waarbij er veel dan wel weinig gas tussen de breukblokken stroomt. Het resultaat van drie profielen met elk twee variaties levert zes verschillende waardes op in de bandbreedte 0,7 t/m 2,1 bcm. KGG heeft deze zes waardes teruggebracht tot een gewogen gemiddelde van 1,67 bcm.
KPMG heeft deze 1,67 bcm als gegeven aangenomen. KPMG heeft opgemerkt dat, vergeleken met de volumescenario’s uit het winningsplan, dit volume aan de lage kant is. KPMG heeft in haar doorrekeningen geen verschillende scenario’s gepresenteerd die tot een heldere bandbreedte leiden. Wel heeft KPMG voor een aantal elementen een gevoeligheidsanalyse gemaakt. Het meest van invloed is de gehanteerde discontovoet. Een discontovoet van 10% leidt tot een netto contante waarde (NCW) voor NAM van 55,8 mln. Een discontovoet van 15% leidt tot een NCW voor NAM van 40,5 mln. Deze laatste discontovoet is in de uiteindelijke waardering gehanteerd.
Gezien u stelt dat NAM en EMPN vinden dat de commerciële waarde «veel hoger» ligt dan de huidige compensatie van 163 miljoen, heeft u deze hogere waardering gezien? Zo ja, kan dit met de Kamer worden gedeeld?
In één van de ambtelijke gesprekken is door NAM mondeling een indicatie gegeven van de commerciële waarde die NAM aan het project toe kent. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie.
Waarom is gekozen voor een bedrag dat volledig de door het kabinet ingeschatte winst compenseert, terwijl het commerciële risico normaal geheel bij de onderneming ligt?
In de waardering is bij voorbaat al uitgegaan van een hoog commercieel risicoprofiel. Dit heeft een significante neerwaartse druk gegeven op het totaalbedrag. Dit zit hem in de gehanteerde (hoge) discontovoet van 15% waarmee als het ware reeds een afslag is gemaakt voor het commerciële risico van deze operatie. Het commerciële risico zit dus verwerkt in de waardering.
Waarom is het eerdere plan voor het Gebiedsfonds volledig komen te vervallen, en is overwogen alsnog een vorm van natuurinvestering te koppelen aan de beëindiging van de gaswinning?
De afspraken rondom batendeling waren gekoppeld aan daadwerkelijke winning. Wel heeft NAM aangegeven de dwangsom (€ 75.000) (die de Staat NAM nog verschuldigd was in verband met het niet tijdig nakomen van de laatste uitspraak van de Raad van State) te verdubbelen en (wederom) aan het gebied ter beschikking te zullen stellen.
Hoe verhoudt deze deal zich tot andere gesprekken en procedures tussen u en de NAM?
De overeenkomst over Ternaard staat geheel los van de andere gesprekken en procedures met NAM en/of haar aandeelhouders.
Heeft u het in de onderhandelingen voor deze overeenkomst enkel gehad over Ternaard of is het ook gegaan over andere activiteiten van de NAM?
Bij het sluiten van deze overeenkomst is enkel Ternaard besproken.
Welke wederzijdse belangen zijn besproken en welke (financiële) verzoeken zijn in die bredere gesprekken door NAM, Shell of ExxonMobil op tafel gelegd, gezien u schrijft dat de gesprekken eerder deel uitmaakten van een bredere onderhandeling over onder meer Groningen?
In het voorjaar van 2025 zijn verkennende gesprekken gevoerd met Shell en ExxonMobil in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hierbij is gesproken over het schadeherstel en de versterkingsoperatie in Groningen, de inzet van de gasopslagen en de gaswinning in Ternaard. Die verkennende gesprekken hebben niet geleid tot onderhandelingen, zie het antwoord op vragen 1 tot en met 3.
Vanaf de zomer van 2025 is door het Ministerie van Klimaat en Groene Groei separaat doorgesproken met Shell en ExxonMobil over de gasopslagen en Ternaard. Hierna is met Shell en ExxonMobil afgesproken dat over Ternaard afzonderlijk zou worden verder gesproken tussen de staat en NAM. Daar is de huidige overeenkomst uit voortgekomen. Deze staat dus geheel los van de overige dossiers.
Kunt u uitsluiten dat deze deal effecten heeft gehad op andere lopende dossiers, zoals de schadeafhandeling in Groningen?
Ja. Het dossier Ternaard is geheel in isolatie behandeld. Dit blijkt ook uit de vaststellingsovereenkomst: deze gaat over Ternaard en niet over enig ander onderwerp.
Hoe voorkomt u dat deze deal als precedent gebruikt wordt door andere vergunninghouders die in (ecologisch) gevoelige gebieden actief zijn en straks eveneens compensatie zullen eisen om van winning af te zien?
De overeenkomst betreft een in de ogen van de staat marktconforme transactie en geen compensatie. Op die manier kan er dus geen precedentwerking werking zijn voor compensatie voor andere vergunninghouders.
Kunt u garanderen dat voor andere bestaande aanvragen of winningsplannen geen vergelijkbare financiële compensatieregelingen zullen worden overeengekomen? Zo nee, waarom niet?
De gesprekken en uiteindelijke overeenkomst tussen de staat en NAM zijn tot stand gekomen omdat het kabinet op grond van de wet en de weging van de ontvangen adviezen instemming met het winningsplan niet kon weigeren en er tegelijk politiek en maatschappelijk geen draagvlak is voor instemming. Daarbij weegt mee dat de gaswinning plaats zou vinden onder een wereldwijd uniek getijdengebied dat bovendien Unesco werelderfgoed is. Het kabinet is tegen gaswinning onder de Waddenzee, maar staat ook voor een betrouwbare overheid die geen onrechtmatige besluiten neemt. Om dit dilemma op te lossen is het kabinet met NAM in gesprek gegaan, hetgeen een intensief proces is geweest. Zoals ook in het antwoord op vraag 13 gemeld, betreft het in de ogen van de staat een marktconforme transactie en geen compensatie.
Heeft u juridisch advies ingewonnen over de houdbaarheid van deze deal? Zo ja, kunt u dit advies delen? Zo nee, waarom niet?
De landsadvocaat heeft in mijn opdracht de conceptovereenkomst opgesteld, was bij alle gesprekken met NAM over de vaststellingsovereenkomst aanwezig en heeft naar aanleiding van de gesprekken de definitieve overeenkomst opgesteld. Op specifieke elementen heeft de landsadvocaat schriftelijk geadviseerd. Deze procesadviezen van de landsadvocaat worden niet openbaar in verband met de procespositie van de staat.
Wat zijn de gevolgen van deze deal voor andere gas- en zoutwinningprojecten onder de Wadden en in de Noordzeekustzone bij de Waddeneilanden?
Wat zijn de gevolgen van deze deal voor andere mijnbouwactiviteiten op de Noordzee?
Wat zijn de gevolgen van deze overeenkomst voor andere mijnbouwactiviteiten op land?
Betekent deze overeenkomst dat u geen gaswinning en andere vormen van mijnbouw, zoals zoutwinning, zal gaan vergunnen?
Bent u bereid op korte termijn het Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden te herzien?
Het gebruiksruimtebesluit is op 25 april 2024 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 vastgesteld op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze geldt tot 1 januari 2029. Indien er tussentijds nieuwe inzichten zijn, kan het kabinet deze eerder aanpassen. Deltares heeft een studie uitgevoerd naar het meegroeivermogen van de kombergingen gerelateerd aan de kritische zeespiegelstijgingssnelheid voor verdrinking in de Nederlandse Waddenzee. Tevens heeft TNO een verkenning uitgevoerd naar de haalbaarheid van een zuiver probabilistische gebruiksruimtetoets. U bent hier eerder over geïnformeerd in de Kamerbrief «Stand van zaken gebruik diepe ondergrond Waddenzee»2. De huidige «hand-aan-de-kraan»- methode is op deze punten conservatiever (veiliger) dan eerder gedacht. Het is aan een volgend kabinet hoe om te gaan met deze nieuwe inzichten die meer ruimte lijken te geven voor activiteiten in de Waddenzee dan het huidige vastgestelde »hand-aan-de-kraan»-beleid. Daarbij worden de adviezen van SodM en TNO vanzelfsprekend betrokken.
Daarnaast wordt verwacht dat in 2026 de Raad van State zitting zal plaatsvinden voor het huidige gebruiksruimtebesluit, omdat meerdere partijen tegen dit besluit in beroep zijn gegaan. Als de Raad van State aangeeft dat de gebruiksruimte (tussentijds) moet worden herzien dan zal het kabinet dat natuurlijk doen.
Bent u bereid aan het KNMI te vragen een actualisatie van het Gebruiksruimtebesluit Waddenzee te laten maken op basis van de meest recente wetenschappelijk inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging?
Zie antwoord op vraag 20. Een actualisatie van het zeespiegelstijgingsadvies zal, naar verwachting, niet leiden tot een significant andere gebruiksruimte omdat de nieuw beschikbare data en modellen beperkt zijn of niet toegespitst op de Nederlandse situatie.
Gelden de uitgangspunten van het huidige Gebruiksruimtebesluit Waddenzee nog wel nadat op de COP30 duidelijk werd dat het doel van het Parijsakkoord (opwarming van de aarde beperken tot 1,5 graad) uit zicht raakt, doordat klimaatverandering sneller gaat dan verwacht en de zeespiegel sneller stijgt?
In het advies onderliggend aan het gebruiksruimtebesluit geven de wetenschappers aan dat ze uitgegaan zijn van een scenario waarbij de opwarming van de aarde beperkt blijft tot 2,7 graden in 2100. Het uitgangspunt voor het gebruiksruimtebesluit is daarmee hoger dan de 1,5 graden die hierboven wordt genoemd.
Wanneer komt de herziening van de Mijnbouwwet naar de Kamer?
Het demissionair kabinet werkt aan de herziening van de Mijnbouwwet. Het doel van deze herziening is onder andere een herijkt wettelijk kader voor veilig en financieel, maatschappelijk en ruimtelijk verantwoord gebruik van de diepe ondergrond, met meer regie bij de overheid, dat past bij afwegingen met betrekking tot de schaarse ruimte, de veranderde rol van de diepe ondergrond en het maatschappelijk perspectief op het gebruik ervan. Er wordt hard gewerkt aan de inhoudelijke uitwerking van de verschillende beleidsthema’s en de afstemming van concept-wetteksten met alle betrokken partijen en adviseurs. Daarna zal nog tijd nodig zijn voor het voldoen aan de verschillende verplichtingen (bv. regeldruk en notificatie) en om de formele stappen te doorlopen. Het doel is om in Q2 van 2026 het wetsvoorstel open te stellen voor internetconsultatie. Het demissionair kabinet heeft als streven dat de herziening van de Mijnbouwwet medio 2027 bij de Tweede Kamer wordt ingediend. De precieze timing en het moment van indienen van de herziene Mijnbouwwet is aan een nieuw kabinet.
Kunt u deze vragen ruim voor de behandeling van de suppletoire begroting beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Ja. Zie onderstaande beantwoording op vragen over dit artikel.
Kunt u specifiek reageren op de bevindingen van Pointer waaruit blijkt dat de Indonesische marine wel degelijk een rol speelt bij mensenrechtenschendingen, zoals illegale uithuiszettingen en martelingen?
Het ministerie toetst elke vergunningaanvraag individueel aan de hand van de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole2 waarbij per ingediende aanvraag wordt gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik en (de situatie in) het land van eindbestemming. De toetsing wordt gedaan op grond van de actuele situatie waarbij alle relevante ontwikkelingen, waaronder de mensenrechtensituatie in het land van eindbestemming, worden meegenomen.
Daaruit volgt dat om te komen tot een negatieve toetsing van het EUGS (waaronder het criterium dat ziet op het bestaan van een duidelijk risico dat de goederen gebruikt worden voor het begaan van ernstige schendingen van mensenrechten en/of het humanitair oorlogsrecht) er een duidelijk (potentieel) verband moet bestaan tussen de uit te voeren goederen en de geconstateerde zorgen. Algemene zorgen over bepaalde ontwikkelingen in een land van eindbestemming leiden niet direct tot een afwijzing van een vergunningaanvraag. Dat geldt eveneens voor de betrokkenheid van een dienstonderdeel van een krijgsmacht bij dergelijke punten van zorg. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen met als eindgebruiker de Indonesische marine niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in het artikel van Pointer genoemde vergunningaanvragen.
Is dit nieuwe informatie voor u of was u al op de hoogte van de in het artikel genoemde aanwijzingen voor betrokkenheid van de marine bij mensenrechtenschendingen?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen werken diverse directies binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken nauw samen, in afstemming met de betrokken ambassade(s) en waar relevant ook met andere departementen. Ook openbare bronnen en informatie die voortvloeit uit het lokale netwerk van de ambassade(s) worden in de toetsing meegenomen.
Het ministerie is op de hoogte van de genoemde punten van zorg in de door Pointer aangehaalde bronnen. Om te komen tot een negatieve toetsing moet echter sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. In dat licht en gelet op de specifieke aard van de goederen en het eindgebruik is in de toetsingen voor eerdere afgegeven vergunningen een dergelijk risico niet vastgesteld.
Kunt u toelichten hoe u in het verleden bent gekomen tot de conclusie, zoals verwoord in brieven aan de Tweede Kamer, dat de Indonesische marine, «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen? Welke bronnen zijn geraadpleegd en leidden tot deze conclusie? Is de publiekelijk beschikbare informatie geraadpleegd door Pointer hierbij meegewogen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u zich ervan bewust dat het zeer moeilijk is om informatie over de situatie in West-Papoea te krijgen, omdat internationale journalisten West-Papoea niet binnen komen, lokale journalisten worden geïntimideerd, en ook de VN-mensenrechtencommissaris niet welkom is? Is het u bekend dat West-Papoea om deze reden door experts een «black box» wordt genoemd, vergelijkbaar met Tsjetsjenië, Xinjiang en Tibet?
Het is bekend dat het voor internationale journalisten lastig kan zijn om een vergunning te krijgen om naar de Papoea provincies van Indonesië te reizen. Er zijn echter verschillende organisaties die rapporteren over de mensenrechtensituatie in Indonesië, bijvoorbeeld de organisaties die worden aangehaald in het betreffende artikel van Pointer. Daarnaast heeft de ambassade een uitgebreid netwerk in de verschillende regio’s van Indonesië, inclusief de Papoea provincies, waarmee Nederland de mensenrechtensituatie in Papoea nauwlettend kan en blijft volgen.
Als er zo weinig informatie over de situatie in West-Papoea beschikbaar is, vindt u het dan van gepaste zorgvuldigheid getuigen om export toe te staan omdat de Indonesische marine «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen?
Wapenexportcontrole bestaat uit een zorgvuldige risicoanalyse van alle beschikbare informatie die op het moment van toetsing beschikbaar is. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in deze vraag genoemde vergunningaanvragen met betrekking tot de uitvoer van schepen en scheepsonderdelen. Ter illustratie: in het geval van de uitvoer van scheepsonderdelen is na zorgvuldige analyse geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type goed gezien de aard en specificaties zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover wordt bericht.
Bent u het eens dat Europese regelgeving vraagt om uitvoer niet toe te staan bij alleen al het risico op mensenrechtenschendingen? Hoe is uw ministerie in tegenstelling tot mensenrechtenexperts tot de conclusie gekomen dat dit risico niet bestaat?
Nee. Het EU Gemeenschappelijk Standpunt vraagt van lidstaten onder meer te onderzoeken of er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologie kunnen worden gebruikt voor het toepassen of faciliteren van binnenlandse onderdrukking, ernstige daden van op gender gebaseerd geweld of ernstige daden van geweld tegen vrouwen en kinderen of andere ernstige schendingen van de mensenrechten. Het kabinet erkent in algemene zin dat naleving van de, ook in de Indonesische Grondwet vastgelegde, mensenrechten op verschillende terreinen een punt van zorg is, bijvoorbeeld in de Papoea provincies van Indonesië. Ten aanzien van de voor uitvoer naar Indonesië afgegeven vergunningen geldt echter dat vanwege de aard van de uit te voeren goederen er bij de toetsingen op grond van toepasselijke juridische kaders geen duidelijk risico op ongewenst eindgebruik is vastgesteld dat deze goederen gebruikt zullen worden voor het begaan van de schendingen waarover wordt gerapporteerd.
Wapenexportbeleid is geen sanctiebeleid, waarmee eventuele afkeuring van het beleid van een ander land kenbaar wordt gemaakt. Om een dergelijk gesprek vorm te geven gebruikt het kabinet andere kanalen.
Is het onderzoek van Pointer aanleiding voor u om de uitvoer van materiaal naar de Indonesische marine te heroverwegen? Zo ja, hoe gaat u de kamer over het herbeoordelingsproces informeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat het staande wapenexportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Met inachtneming van de algemene punten van zorg ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Indonesië is het kabinet, gelet op de aard van de onder lopende vergunningen uit te voeren goederen, niet voornemens om lopende vergunningen voor uitvoer naar Indonesië opnieuw te beoordelen.
Wordt het onderzoek van Pointer bij toekomstige beoordeling van uitvoer naar Indonesië meegewogen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen maakt het kabinet gebruik van diverse informatiebronnen. Op het moment dat nieuwe informatie zich aandient, wordt ook deze informatie meegewogen; dat geldt ook voor het onderzoek van Pointer.
Bent u van plan uw Indonesische ambtsgenoot te spreken over de bevindingen uit het onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De bilaterale relatie met Indonesië is breed en hecht, wat het bespreken van de mensenrechtensituatie vergemakkelijkt. Op verschillende niveaus wordt de mensenrechtensituatie besproken, zowel in bilateraal, EU- als multilateraal verband. Daarbij kijkt het kabinet nadrukkelijk naar wat de meest effectieve wijze is om zorgen over mensenrechten over te brengen, dat geldt ook voor de bevindingen uit het onderzoek.
Deelt u de zorgen van de inzet van drones voor mensenrechtenschendingen in West-Papoea, bijvoorbeeld doordat burgers ermee worden aangevallen?2
In algemene zin deelt het kabinet de zorgen over de inzet van drones door de Indonesische strijdkrachten daar waar deze inzet door onafhankelijke berichtgeving in verband wordt gebracht met mensenrechtenschendingen. In het geval van de eerder verleende exportvergunning voor de uitvoer van drones is na zorgvuldige analyse echter geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type drone, gezien de aard en specificaties, zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover is bericht. Op grond van de wapenexporttoets heeft het ministerie geen gronden voor afwijzing gevonden. Ook hier geldt dat het feit dat drone-inzet heeft plaatsgevonden niet een op een wordt vertaald naar een exportverbod op alle typen drones. Die weging wordt per geval gedaan.
Kunt u uitsluiten dat door Nederland geleverde drones in Indonesië worden ingezet bij mensenrechtenschendingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u het ermee eens dat ook dual use exportvergunningen voor drones heroverwogen dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
De uitvoer van dual-use goederen voor militair eindgebruik wordt langs dezelfde lijnen beoordeeld als de uitvoer van militaire goederen. Daarmee geldt dat het kabinet van mening is dat het staande exportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de termijn van drie weken beantwoorden?
De vragen zijn binnen een termijn van drie weken beantwoord. Daar waar dit passend werd geacht zijn enkele vragen gebundeld.
Het bericht 'Bedrijven zetten recherche in bij ziekmeldingen werknemers: ’Toen bleek hij ergens anders aan het werk te zijn’' |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is volgens u de oorzaak van het feit dat Nederland meer (deels) arbeidsongeschikten heeft dan de meeste andere Europese landen? Bent u het ermee eens dat er in ons stelsel in Nederland juist «prikkels» zijn die erop gericht zijn om dit te voorkomen? Welke van dit soort prikkels zijn er aanwezig in ons stelsel? Welke hiervan liggen bij werkgevers, welke bij werknemers en welke bij uitvoeringsinstanties?1 2 3 4
Er zijn diverse verklaringen voor waarom het aandeel arbeidsongeschikten per land verschillend is. Voor een deel zitten de verschillen bijvoorbeeld al in de definitie van arbeidsongeschiktheid en de voorwaarden om recht te krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. En in welke soorten uitkeringen in de statistieken meetellen als arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Een van de verklaringen voor de internationale verschillen die ook in één van de in de vraag aangehaalde krantenartikelen staat, is dat in Nederland wordt beoordeeld in hoeverre iemand nog wel kan werken naast een arbeidsbeperking. Dat is niet in alle andere landen zo. Hierdoor zijn er weliswaar in verhouding meer mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar een relatief groot deel van die mensen werkt ook naast de uitkering. Daarnaast spelen de relatief hoge arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in Nederland mogelijk een rol. Ook heeft Nederland relatief veel mensen die werken in een tijdelijke arbeidsovereenkomst en blijft de re-integratie van deze groep werknemers achter.5 Verschillen tussen socialezekerheidsstelsels en statistieken daarover daarvan moeten altijd met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Vooral na problemen met de hoge instroom in de toenmalige WAO, zijn verschillende prikkels ingevoerd om re-integratie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid te bevorderen en het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te beheersen. Die prikkels zitten door het hele stelsel, vanaf de periode van loondoorbetaling bij ziekte tot in de uitkeringshoogte en premiebetaling voor de ZW en de WIA. Voor werkgevers zijn de belangrijkste prikkels de wettelijke verplichting om gedurende de eerste twee jaar van ziekte 70% van het loon door te betalen en zich in te spannen voor re-integratie. De wettelijke loondoorbetaling van 70% geeft de werknemer ook een financiële prikkel om zo snel mogelijk het werk te hervatten, hoewel werkgevers en werknemers in CAO’s vaak bovenwettelijke aanvullingen afspreken tot 100% loondoorbetaling waarmee deze prikkel vermindert of verdwijnt. Ook heeft de werknemer in deze periode de verplichting om mee te werken aan re-integratie.
Als de werknemer na die twee jaar recht krijgt op een WIA-uitkering, dan betaalt de (oud-) werkgever nog maximaal 10 jaar mee aan de uitkering van deze werknemer. Als de werknemer instroomt in de WIA en nog arbeidsvermogen heeft, bestaan de belangrijkste prikkels voor de werknemer uit:
In hoeverre is het hoge verzuimniveau te verklaren door macrotrends, zoals een stijging van mentale klachten, de «hypernerveuze» samenleving, deeltijdcultuur met voltijdse taaklast, een krappe arbeidsmarkt en toegenomen werkdruk?
Een deel van het verzuim in Nederland kan door macrotrends en ontwikkelingen in de samenleving en op arbeidsmarkt worden verklaard.
Uit de tweejaarlijkse Arbobalans6 van TNO, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, volgt dat van het totale ziekteverzuim in Nederland ongeveer 8% komt door psychische klachten. Na griep, verkoudheid en virusinfecties zijn psychische klachten hiermee de tweede reden die werknemers voor 2024 opgeven voor verzuim.7
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat meer mensen psychische problemen ervaren en vaker verzuimen op het werk. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) concludeert in een recent rapport dat onze «hypernerveuze samenleving» de mentale gezondheid onder druk zet.8 De toename van uitval door psychische klachten komt voort uit een samenspel van maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren. De toename van psychische aandoeningen in de WIA-instroom is geen uniek Nederlands verschijnsel en is ook niet inherent verbonden aan ons stelsel. Het past in een bredere, internationale, trend.9
Afgaande op de laatste vier metingen van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden over 2021–2024 lijkt er geen toename te zijn qua werkdruk, maar juist een afname. Wel blijft werkdruk als voornaamste reden van verzuim veroorzaakt door het werk in de periode 2022–2024 vrij stabiel rond de 27%.10 Eveneens blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden dat in de periode 2021–2024 het aandeel werknemers met burn-outklachten niet verder is gestegen.11, 12, 13, 14
Met betrekking tot het huidige en toekomstige verzuimniveau speelt een rol dat werknemers steeds langer doorwerken en dat het aandeel oudere werknemers is toegenomen. Hierdoor neemt het aandeel werknemers met chronische klachten en het daaraan gerelateerde verzuim toe.
De toegenomen instroom in de WIA kan voor een deel worden verklaard door de dubbele vergrijzing. Ongeveer de helft van de stijging tussen 2006 en 2024 is toe te schrijven aan het langer doorwerken van oudere werknemers. Dit is het gevolg van het afbouwen van vroegpensioenregelingen en de beleidsmatige verhoging van de AOW-leeftijd.15
Houdt uw ministerie een integraal en actueel overzicht bij van knelpunten in het stelsel van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, zoals ervaren door werkgevers? Zo ja, kunt u dit overzicht, inclusief eventuele oplossingsrichtingen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog structureel te gaan monitoren?
De (belangrijkste) knelpunten binnen het ziekte- en arbeidsongeschiktheidsstelsel zijn recent in het kader van onder meer de probleemanalyse en het advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS)16, 17.
Mijn voorgangster heeft OCTAS verzocht om deze knelpunten en de mogelijke oplossingsrichtingen in kaart te brengen en daarover een advies uit te brengen. De probleemanalyse van deze commissie geeft de belangrijkste knelpunten weer en in het eindrapport wordt verder ingegaan op de mogelijke oplosrichtingen. Beide documenten zijn aan de Tweede Kamer aangeboden.18
Het nieuwe kabinet kan keuzes maken op basis van deze gesignaleerde actuele knelpunten en gepresenteerde oplossingsrichtingen en aanbevelingen.
Daarnaast zijn we altijd in gesprek met sociale partners over knelpunten die zij ervaren in het huidige stelsel. Mede op basis van die input en aanbevelingen wordt als onderdeel van arbeidsmarktpakket gewerkt aan een wetsvoorstel dat werkgevers eerder duidelijkheid gaat geven over de re-integratie en vervanging van langdurig zieke werknemers.
Ook werken we aan een wetsvoorstel om per 2028 het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend te maken bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en neemt het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Treft de regering aanvullend beleid om ziekteverzuim in Nederland terug te dringen?
In Nederland zijn werkgevers verplicht ervoor te zorgen dat hun werknemers veilig en gezond kunnen werken. De mate van bescherming die zij moeten bieden, is door de overheid vastgelegd in de Arbowet. Hiertoe dient elk bedrijf arbobeleid te voeren. Een goed arbobeleid leidt tot duurzame inzetbaarheid en verhoogde productiviteit. Het arbobeleid beperkt de gezondheidsrisico’s, vermindert het ziekteverzuim en bevordert de re-integratie.
In de Arbovisie 2040 presenteerde het kabinet de missie van nul doden door werk («zero death») en zo min mogelijk ongevallen en zieken door werk. Daarbij is focus op preventie essentieel. Met de Arbovisie 2040 is een traject ingezet om te komen tot een toekomstbestendig arbostelsel. Structurele verbeteringen zijn alleen te realiseren door een stevig commitment en goede samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de overheid en door inspanning van alle betrokkenen. Het realiseren van een trendbreuk van «zero-death» vraagt om een meerjarige, gefaseerde aanpak, die door het kabinet uiteen is gezet in de kabinetsreactie op het SER-advies «Gezond en veilig werken door effectieve regels en preventie».19
Daarnaast voert het kabinet een gezondheidsbeleid om te voorkomen dat mensen ziek worden en moeten verzuimen. Er zijn bijvoorbeeld landelijke afspraken en samenwerkingen voor een gezonde leefstijl, zoals het Preventieakkoord20, het Integraal Zorgakkoord21 en aanvullend zorg- en welzijnsakkoord22. Om te bevorderen dat zieke werkenden tijdens hun behandeling (deels) aan het werk kunnen blijven of na behandeling sneller weer aan het werk kunnen is samenwerking tussen arbeidsgerelateerde zorg en curatieve zorg essentieel.
Initiatieven vanuit de beroepsgroepen van bedrijfsartsen en medisch specialisten dragen hier inmiddels aan bij, met ondersteuning van het Ministerie van SZW.23
Beschikt de regering over cijfers of schattingen van misbruik van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon- of WIA-voorschotten? Indien dergelijke cijfers ontbreken: waarom worden deze niet systematisch verzameld en bent u bereid dit te verbeteren?
De regering beschikt niet over cijfers die inzichtelijk maken of en in welke mate er door werknemers misbruik zou worden gemaakt van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon. Bij eventuele twijfel over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer kan de werkgever de bedrijfsarts vragen daar op basis van diens medische expertise een inschatting van te laten maken. Ik zie in centrale registratie van deze cijfers, als die überhaupt mogelijk zou zijn, onvoldoende toegevoegde waarde. Daarnaast zou dit voor werkgevers aanzienlijke extra administratieve lasten en kosten met zich meebrengen.
Ook over eventueel misbruik van WIA-voorschotten zijn geen cijfers beschikbaar. Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.24 Hierop ga ik verder in bij het antwoord op vraag 13. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
Bent u het ermee eens dat de rechten die ziekte meebrengt voor werknemers, en de plichten die ziekte meebrengt voor werkgevers soms tot complexiteit en mogelijk misbruik leiden? Zijn u cijfers bekend van misbruik van ziekmeldingen en het recht op doorbetaling?
Voor wat betreft uw vraag over de aanwezigheid van eventueel misbruik van ziekmeldingen en het recht op loondoorbetaling verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
In veel situaties zal er bij de werkgever geen aanleiding zijn om te twijfelen aan de ziekmelding van de werknemer. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 uiteen heb gezet, heeft een werkgever, in het geval er toch aanleiding voor twijfel is over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer, de mogelijkheid de bedrijfsarts te vragen op basis van diens medische expertise een inschatting te maken.
Een ziekmelding is voor de werknemer overigens niet vrijblijvend. Voor zowel de werkgever als werknemer gelden na een ziekmelding verplichtingen om te werken aan spoedige en duurzame re-integratie van de werknemer terug naar arbeid. Bij het (verwijtbaar) niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen heeft de werkgever mogelijkheden om over te gaan tot, waarschuwen, loonopschorting, loonstop of – in ernstige gevallen – ontslag (zie ook mijn antwoord op vraag25.
Ik kan mij enerzijds voorstellen dat het advies van de bedrijfsarts, en in sommige gevallen beperkt inzicht in de toestand van de werknemer, soms tot onduidelijkheid en vragen leidt bij werkgevers en daarmee dus ook extra complexiteit met zich meebrengt. Anderzijds is het voor een zorgvuldige inschatting in het belang van zowel de werkgever als de werknemer noodzakelijk dat juist een deskundig en onafhankelijk arts die inschatting maakt. Daarbij geldt dat van de bedrijfsarts verwacht mag worden dat hij een duidelijke inschatting maakt van wat de werkgever, bij medische beperkingen van de werknemer, wel en niet mag verwachten in het kader van het re-integratietraject. Dat moet de werkgever voldoende duidelijkheid en houvast geven om goede afspraken met de werknemer te maken over een passend re-integratietraject.
Waar het stelsel enerzijds effectief is gebleken waar het gaat om het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid26 begrijp ik anderzijds dat werkgevers, en zeker kleine, werkgevers dit als zwaar en complex kunnen ervaren. We werken dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers bij de verplichtingen rondom loondoorbetaling bij ziekte te ontlasten:
Tot slot is het ook aan het nieuwe kabinet om keuzes te maken naar aanleiding van de aanbevelingen en adviezen van de OCTAS en het IBO-WIA, gericht op een beter uitlegbaar, betaalbaar en uitvoerbaar stelsel voor ziekte- en arbeidsongeschiktheid, ook voor werkgevers. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3.
Klopt het dat er in de praktijk beperkt sancties worden uitgedeeld aan werknemers die hun re-integratieverplichtingen niet nakomen? Hoe verhoudt dit zich tot sancties die aan werkgevers opgelegd worden? Kunnen werkgevers loonsancties opgelegd krijgen door verwijtbaar handelen van de werknemer? Zo nee, zijn er signalen (zoals uit het artikel) dat dit wel gebeurt? Bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Wanneer een werknemer niet of onvoldoende meewerkt aan de re-integratie en daarmee (verwijtbaar) geen gevolg geeft aan diens wettelijke verplichtingen, heeft de werkgever verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Denk daarbij aan het, na een (schriftelijke) waarschuwing, eventueel opschorten van het loon, een loonstop, of -in ernstige gevallen- ontslag wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie. Voor de onderbouwing van een dusdanig ontslagverzoek bij de kantonrechter is in ieder geval een deskundigenoordeel van UWV nodig. Over in hoeveel situaties gebruik wordt gemaakt van die mogelijkheden zijn geen cijfers.
Verschillende door de rechtspraak gepubliceerde uitspraken geven inzicht in voorbeelden maar kunnen niet als indicatie gebruik worden voor het daadwerkelijk aantal gevallen. In het door werkgevers laten registreren van dit soort cijfers zie ik overigens onvoldoende meerwaarde, temeer omdat dit voor werkgevers extra administratieve lasten en (regeldruk)kosten met zich mee zou brengen.
Een verlenging van de loondoorbetalingsplicht bij het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen (de loonsanctie) kan alleen door UWV opgelegd worden aan een werkgever. Wel kan UWV bij de conclusie dat de werknemer onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht een maatregel opleggen zoals een korting op de WIA-uitkering.
Wanneer een werknemer onvoldoende re-integratieverplichtingen verricht kan dit een rol spelen bij het opleggen van een loonsanctie. Uit cijfers van UWV blijkt dat loonsancties die (mede) door verwijtbaar handelen van de werknemer aan de werkgever worden opgelegd nauwelijks voorkomen (0,6% van de loonsancties in de periode 2022–2024). Daarbij is van belang op te merken dat een loonsanctie in deze situaties alleen opgelegd kan worden indien de werkgever onvoldoende heeft gedaan om de werknemer tot medewerking te bewegen. Wanneer de werkgever aan diens verplichtingen heeft voldaan, waaronder in voldoende mate heeft gepoogd de werknemer te activeren, maar de werknemer niet, dan is dat geen aanleiding voor het opleggen van een loonsanctie aan de werkgever.
Ik acht het met u van groot belang dat een werkgever geen loonsanctie opgelegd krijgt indien hij in het kader van de re-integratie van de werknemer heeft gedaan wat van hem verwacht wordt. In dat kader wordt zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 6, onder meer gewerkt aan het wetsvoorstel dat bij de RIV-toets van UWV het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend maakt, dit wetsvoorstel geeft de werkgever vooraf (vóór de RIV-toets van UWV) meer zekerheid over wat van hem in het kader van de re-integratie verwacht mag worden.
Hoe duidt u de scherpe stijging van mentale klachten als verzuimreden, onder zowel werknemers als zelfstandigen? Kunt u aangeven in hoeverre deze klachten volgens wetenschappelijke inzichten werkgerelateerd zijn, dan wel voortkomen uit privéomstandigheden of maatschappelijke druk?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is, op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden werkdruk als verzuimreden veroorzaakt door het werk, voor werknemers in de afgelopen drie jaar stabiel rond de 27% gebleven. Uit de Arbobalans 2024 blijkt voor werknemers dat 75% van de psychische klachten als verzuimreden, hoofdzakelijk of deels, werkgerelateerd is.
Daarvan uitgaande kan worden verondersteld dat de overige 25% wordt veroorzaakt door privéomstandigheden en/of maatschappelijke oorzaken.
Op basis van de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat psychische klachten, overspannenheid en burn-out als verzuimreden voor zelfstandigen in de periode 2021–2025 is gezakt van 6,4% naar 4,5%.27, 28, 29
Uit de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat verzuim hoofdzakelijk of deels veroorzaakt door werk is gezakt van 30% naar 19%. Hierin is een te hoge werkdruk als belangrijkste reden van verzuim gezakt van 26% naar ongeveer 20%.
Zoals beschreven zijn psychische klachten door het werk een groot deel van de totale verzuimkosten zijn. Het is daarom van belang om in de aanpak van werkstress en werkdruk te blijven investeren.30 Niet alleen is het vervelend als een werknemer zijn beroep niet kan uitoefenen of dat een werkgever zijn arbeidskracht moet missen. Ook brengt een (langdurig) uitvallende werknemer de nodige maatschappelijke kosten met zich mee.
Zijn de re-integratietrajecten die toegepast worden op mentale problematiek in lijn met de wetenschappelijke inzichten die we hebben over mentale klachten? Hoe worden werkgevers hierbij betrokken? Hebben zij inspraak in de re-integratieaanpak? Is dat wat u betreft voldoende effectief?
Een aanzienlijk deel van het ziekteverzuim (ongeveer 8%) heeft betrekking op psychosociale klachten.31 Wat voor medische behandeling eventueel wordt toegepast bij mentale problematiek hangt af van de diagnose en de aard van de aandoening en klachten. Vaak zal de behandelaar (of behandelend arts) op basis van de huidige kennis over de specifieke problematiek een eventuele behandeling voorschrijven.
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (NVAB) heeft voor bedrijfsartsen en verzekeringsartsen een richtlijn voor het handelen bij werkenden met psychische problemen.32 De bedrijfsarts zal bij (potentieel) langdurig verzuim op basis van de medische klachten een probleemanalyse opstellen die ook ingaat op de belastbaarheid van de werknemer. Op basis van de probleemanalyse van de bedrijfsarts wordt uiterlijk in de achtste ziekteweek een plan van aanpak opgesteld door werkgever en werknemer. In dat plan van aanpak worden afspraken gemaakt over de re-integratie-inspanningen die nodig zijn om weer te komen tot een duurzame en (waar mogelijk) spoedige terugkeer van de werknemer naar werk. De werkgever heeft daarbij inspraak en een belangrijke rol bij de totstandkoming van het plan van aanpak (en dus ook het re-integratietraject) alsmede bij de regelmatige evaluatie en, waar nodig, aanpassing daarvan.
Deze bovenstaande aanpak is onderdeel van de Wet verbetering poortwachter. De Wet verbetering poortwachter is vanaf de invoering effectief gebleken in het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.33 Tegelijkertijd vraagt het veel van werkgevers en werken we dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers op dit vlak te ontlasten. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3 en vraag 7.
Voor mensen met mentale problematiek stelt UWV voor de UWV- en gemeentelijke doelgroep het instrument IPS (Individuele Plaatsing en Steun) ter beschikking.
IPS is wetenschappelijk onderbouwd en is dé methode om mensen met een ernstige psychische aandoening te helpen bij het verkrijgen en behouden van betaald werk. GGZ-instellingen die voldoen aan het door kenniscentrum Phrenos opgestelde kwaliteitskader voor de implementatie van IPS kunnen dit instrument in overleg met een cliënt aanvragen. De uitvoering van dit instrument gebeurt door mensen die door Phrenos zijn opgeleid als IPS-begeleider. Naast IPS voor mensen met ernstige psychische aandoeningen wordt ook geëxperimenteerd met IPS voor lichtere psychische aandoeningen (IPS-CMD). Naast IPS biedt UWV aan mensen met mentale problematiek en een UWV uitkering persoonlijke ondersteuning bij hun re-integratie, waarbij UWV ook de mogelijkheid heeft om re-integratie trajecten en of scholing in te kopen.
UWV heeft daarnaast via de werkgeversdienstverlening ook aandacht voor werkgevers rond dit thema. Zo biedt de divisie Werkbedrijf proactief kennis aan, bijvoorbeeld middels kennissessies over een mentaal gezonde werkvloer. Maar ook door middel van gerichte begeleidingstrajecten worden werkgevers ondersteund.
Hoort bij alle mentale klachten automatisch het advies tot volledige arbeidsongeschiktheid, of is er sprake van een mismatch tussen klachten en de feitelijke medische noodzaak van ziekmelding? Hoe wordt voorkomen dat ziekmelding een «toevluchtsoord» wordt bij conflicten, werkdruk of privéproblemen? Welke rol mogen werkgevers hierin spelen?
De aanwezigheid van mentale klachten leidt niet per definitie tot de conclusie dat de betreffende werknemer niet of in het geheel niet in staat is diens of andere passende werkzaamheden te verrichten, noch leidt dit per definitie tot de conclusie dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Indien een werknemer zich ziekmeldt ten gevolge van mentale klachten kan de werkgever de bedrijfsarts om advies vragen vanuit diens medische expertise over in welke mate die klachten de werknemer beperken om diens werkzaamheden uit te oefenen.
Indien de klachten geen medische oorzaak blijken te hebben maar bijvoorbeeld voortkomen uit een conflict (denk aan zogenaamde «situatieve arbeidsongeschiktheid» bij een conflict), dan gaat het niet om uitval door ziekte maar zijn er andere redenen voor de werkgever en werknemer om samen om de tafel te gaan zitten. Daarbij komt aan de werkgever als een van de twee partijen in de arbeidsrelatie uiteraard een essentiële rol toe.
Het is aan diegene met medische expertise om te kunnen beoordelen of er sprake is van arbeidsuitval door ziekte of niet. Daarvoor zijn in ons stelsel de bedrijfsarts en verzekeringsarts de aangewezen deskundigen.
Klopt het dat werkgevers niet mogen vragen naar de aard of oorzaak van de ziekte, maar wel volledig verantwoordelijk zijn voor re-integratie en voor naleving van alle verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter? Zijn er signalen bij u bekend dat werkgevers problemen ervaren met de privacywetgeving omtrent zieke werknemers? Hoe beoordeelt u deze asymmetrie? Kunt u aangeven welke informatie een werkgever minimaal zou moeten kunnen krijgen om effectief en verantwoordelijk te kunnen re-integreren zonder de privacywetgeving te schenden?
Gegevens over zieke werknemers zijn bijzondere, zeer privacygevoelige persoonsgegevens. Daarvoor gelden strenge regels. Het vastleggen en delen (verwerken) van bijzondere persoonsgegevens over zieke werknemers door de werkgever is verboden. Dit betekent dat bij een ziekmelding de werkgever alleen voor hem noodzakelijke gegevens mag registreren, bijvoorbeeld of ziekte verband houdt met een arbeidsongeval. Elke werkgever in Nederland moet een basiscontract hebben afgesloten met een gecertificeerde arbodienst of BIG-geregistreerde bedrijfsarts. Zij ondersteunen de werkgever bij preventieve taken en verzuimbegeleiding. Bij langdurig verzuim is het aan de arbodienst of bedrijfsarts om de werkgever te informeren over de verwachte duur van de ziekte en te adviseren over de belastbaarheid van de werknemer in geval van herstel en re-integratie. De bedrijfsarts dient die informatie ook inzichtelijk te maken in de, uiterlijk in de zesde week van ziekte op te stellen, probleemanalyse. Inzicht in de belastbaarheid van de werknemer is voor de werkgever van belang om samen met de werknemer een effectief en verantwoord re-integratietraject tot stand te kunnen brengen zonder dat daarmee medische gegevens gedeeld hoeven te worden. De probleemanalyse van de bedrijfsarts biedt de werkgever en werknemer dan ook een belangrijke basis voor het opstellen van het plan van aanpak waarin onderlinge afspraken worden gemaakt over de re-integratie van de werknemer.
Klopt het dat werkgevers geen inspraak hebben in de door UWV opgelegde stappen in het plan van aanpak, maar wel aansprakelijk zijn voor het niet tijdig of volledig uitvoeren hiervan? Bent u bereid te onderzoeken of de positie van werkgevers hierin evenwichtiger kan worden ingericht?
Uiterlijk in de zesde week van het ziekteverzuim dient een gesprek met de bedrijfsarts plaats te vinden waarna deze (de bedrijfsarts of de arbodienst) een probleemanalyse opstelt. In die probleemanalyse wordt onder meer inzicht gegeven in welke belastbaarheid de werknemer heeft.
Uiterlijk in de achtste week van het ziekteverzuim dienen werkgever en werknemer het plan van aanpak op te stellen. Daarbij heeft het UWV geen rol maar gaat het dus om de afspraken die werkgever en werknemer onderling maken over het te volgen re-integratietraject. Zij gebruiken daarbij wel de probleemanalyse van de bedrijfsarts en zo nodig kunnen andere deskundigen adviseren (zoals een arbeidsdeskundige).
Op dit moment wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat er toe moet leiden dat de inschatting van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend is bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers, o.a. bij het vormgeven van het plan van aanpak, blijven uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en hoeven zij zich geen zorgen te maken over de vraag of de verzekeringsarts van UWV, na twee jaar, mogelijk een andere inschatting over de belastbaarheid maakt. Daarmee neemt voor de werkgever het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarin arbeidsongeschikten een voorschot houden wanneer UWV bij de uiteindelijke beoordeling vaststelt dat de werknemer niet of minder arbeidsongeschikt is dan eerder aangenomen? Geldt dit ook wanneer sprake is van aantoonbare misleiding of kwade trouw? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, hoe waarborgt u dat misbruik wordt aangepakt?
Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.34 Op dit moment is dat beleid tegenwettelijk en daarom was het beleid altijd tijdelijk. Vanwege de verwachting dat het beleid langer nodig is, zijn afgelopen voorjaar middelen vrijgemaakt om het tijdelijke kwijtscheldbeleid van WIA-voorschotten structureel te maken.35 Dit geeft mensen de zekerheid dat zij het voorschot dat ze krijgen in afwachting van de WIA-claimbeoordeling niet hoeven terug te betalen. Wel kan het voorschot verrekend worden met een WGA- of WW-uitkering als na de WIA-claimbeoordeling blijkt dat er tijdens de voorschotperiode recht was op een dergelijke uitkering. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
De afgelopen periode is er gewerkt aan het creëren van een wettelijke grondslag voor dit beleid. Het wetsvoorstel hiertoe wordt naar verwachting voor de zomer aan uw Kamer aangeboden.