Het bericht dat AI-gegenereerde stemhulpen kiezers misleiden. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met verschillende berichten dat AI-gegenereerde stemwijzers onjuiste informatie verstrekken en kiezers misleiden, zoals in Gouda, Leiden en De Ronde Venen?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de grote zorg dat hier stemadviezen worden gegeven op basis van tal van onjuistheden en zelfs met niet bestaande partijen?
Ik deel uw zorgen over de stemadviezen die door AI-gegenereerde stemhulpen (verder: AI-stemhulpen) worden verstrekt. Het is van belang dat de adviezen die kiezers van stemhulpen krijgen betrouwbaar, begrijpelijk en transparant zijn. Met de komst van AI-stemhulpen zie ik dat deze uitgangspunten onder druk komen te staan. AI-stemhulpen zijn namelijk stemhulpen die gebouwd zijn op basis van Large Language Models (LLM’s), bijvoorbeeld keus.nl4 dat claude.ai als basis heeft. Dit soort LLM’s produceert antwoorden door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, niet door deskundig gevalideerde verkiezingsinformatie of lokale programma’s. Daardoor geven ze antwoorden die op het eerste gezicht vaak goed lijken, maar die niet feitelijk juist, of neutraal zijn. Zelfs met zeer strikte instructies aan het algoritme, blijven de antwoorden onbetrouwbaar.
Eerder hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) daarom het gebruik van AI-stemhulpen sterk afgeraden.
De ontwikkeling van stemhulpen maakt onderdeel uit van het publieke debat rondom verkiezingen. Vanwege de neutrale positie die de overheid dient in te nemen in het debat rond verkiezingen, heeft de overheid tot nu toe geen rol ingenomen met betrekking tot stemhulpen, noch invloed uitgeoefend op stemhulpen. Dat geldt ook voor door AI gemaakte stemhulpen. Door het toenemende gebruik van AI-stemhulpen komen uitgangspunten betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie onder druk te staan. Daarom onderzoek ik of de overheid in de borging van deze uitgangspunten een rol kan en moet vervullen en zo ja, binnen welke kaders dat kan. Ik ben voornemens u bij de evaluatie van de Gemeenteraadsverkiezingen die ik voor de zomer aan de Tweede Kamer zal sturen hier nader over te informeren.
Welke gevolgen heeft onjuiste informatieverstrekking voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen en welke aansprakelijkheid geldt er bij het onjuist of onvolledig verstrekken van informatie?
Zie antwoord op vraag 2.
Al eerder werd door de Autoriteit Persoonsgegevens gewaarschuwd voor de uitkomsten van AI-gegenereerde chatbots, die meer dan de helft van de tijd PVV en GroenLinks-PvdA op de eerst plek adviseerden, wat is er met deze bevindingen gedaan? Vindt u dit voldoende, zo ja waarom?
Mede naar aanleiding van dit rapport ben ik in gesprek gegaan met bedrijven die LLM’s als dienst aanbieden over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 noem, onderzoek ik of het wenselijk is of de overheid een rol gaat nemen bij de borging van uitgangspunten van betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie bij de ontwikkeling van stemhulpen. In de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezing zal ik u hier verder over informeren.
Hoe vaak zijn de in de nieuwsartikelen genoemde «stemhulpen» in de afgelopen dagen geraadpleegd? Hoe verhoudt zich dat tot het aantal kiesgerechtigden?
Ik heb daar geen zicht op. Ik verwijs u voor deze cijfers naar de betreffende websites. Voor de volledigheid wijs ik u erop dat de website keus.nl door de initiatiefnemer zelf inmiddels offline is gehaald.
Gaat u na welke initiatiefnemers er achter deze zogenaamde stemhulpen schuil gaan en met welk oogmerk zij actief zijn? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, wie is daar wel voor verantwoordelijk?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de grote zorg dat de democratie actief wordt ondermijnd door desinformatie en dat kwaadwillenden zelfs verder kunnen gaan dan onjuist en onzorgvuldig informeren, en zelfs manipuleren? Zo ja, kunt en gaat u handhaven? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen over de ondermijning van de democratie door desinformatie. De aanpak hiervan is voor mij en het kabinet prioriteit. In het rondetafelgesprek over sociale media en inmenging met de Commissie Digitale Zaken op 4 maart jl. werd er ook op gewezen dat desinformatie ingezet kan worden om LLM’s te beïnvloeden. Naast de onbetrouwbare beantwoording van LLM’s door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, vormt de desinformatie dus ook een serieus risico voor de betrouwbaarheid van de informatie die AI stemhulpen geven. Bij de aankomende gemeenteraadsverkiezingen laten we met verschillende pilots onderzoeken hoe detectie van buitenlandse desinformatie kan plaatsvinden. Over de uitkomsten van deze pilots wordt uw Kamer na de gemeenteraadsverkiezingen nader geïnformeerd.
Waar het gaat om de inzet van AI wordt gewerkt aan een wettelijk kader voor het toezicht in Nederland op de Europese AI-verordening. Bedrijven die diensten leveren die gebruik maken van LLM’s (zoals chatbots) vallen onder de AI-verordening. Binnen deze verordening gelden AI-systemen die worden ingezet voor het beïnvloeden van «natuurlijke personen bij de uitoefening van hun stemrecht bij de verkiezingen of referenda» als hoog risico. AI-toepassingen die een hoog risico vormen, worden aan strengere regels gebonden. De uitvoeringswetgeving is op dit moment nog in ontwikkeling. Op dit moment wordt gewerkt aan de uitvoeringswet die binnenkort in openbare internetconsultatie zal gaan. Tegelijkertijd hebben ook de aanbieders van de LLM’s zelf een verantwoordelijkheid om bias en vertekening te voorkomen en systeemrisico’s te mitigeren; daarop wordt al toegezien door het Europese AI Bureau.
Omdat de huidige nationale wetgeving nog onvoldoende handvatten biedt om het gebruik van de overige AI-chatbots als stemhulp te reguleren, zet het Ministerie van BZK ook in op een dialoog met de aanbieders van AI-chatbots en op bewustwording bij kiezers. Vanwege het internationale karakter van de aanbieders van AI chatbots betrek ik deze casuïstiek ook bij de gesprekken die ik voer met de Europese Commissie.
Kunt u deze stemhulpen aansprakelijk stellen, laten aanpassen of zonodig beëindigen? Zo ja, bent u bereid dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe voorkomt u dat deze aanbieders of anderen hiermee doorgaan?
Zie antwoord op vraag 2.
Op welke wijze raadt u kiezers aan zich te informeren, en hoe waarschuwt de regering burgers voor misleiding en AI-advies waarmee ze knollen voor citroenen aangesmeerd krijgen?
In mijn communicatie inzake de aanstaande gemeenteraadsverkiezing besteed ik aandacht aan de beperkingen van AI-stemhulpen. Ik benadruk hierin dat een stemhulp slechts één van de hulpmiddelen is om informatie over de verkiezing en deelnemende kandidaten te vergaren. Ik adviseer kiezers om daarnaast ook nog andere middelen hiervoor te gebruiken, zoals het volgen van debatten, het lezen van partijprogramma’s en het met anderen in gesprek gaan. Daarnaast adviseer ik politieke partijen als zij fouten aantreffen in een stemhulp om zelf contact op te nemen met de aanbieder van de stemhulp.
Bent u in overleg met lokale overheden om burgers actief te informeren over online stemwijzers die misinformatie verspreiden, over aanpassing van deze sites of zonodig sanctioneren?
In de nieuwsbrief van de Kiesraad zijn gemeenten gevraagd om hun inwoners te informeren over de risico’s van AI-gegeneerde stemhulpen.
Voor wat betreft het aanpassen van deze websites en zo nodig het sanctioneren verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Wie is in Nederland verantwoordelijk voor opsporing en handhaving in deze? Kunt u inzicht geven welke omvang of de regelgeving voldoende instrumenten geeft om met snelheid te acteren en of er voldoende capaciteit is?
Op dit moment is er in Nederland geen instantie die bevoegd is om tegen AI stemhulpen op te treden wanneer die niet aan de uitgangspunten van betrouwbare, transparante en begrijpelijke informatievoorziening voldoen.
Voor de stand van zaken omtrent het juridisch instrumentarium in deze verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 7.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in elk geval laten weten op welke wijze handhavend wordt opgetreden?
Ja.
Het bericht ‘Vuurwerkverkopers zien bedrijf wegvallen, maar vergoeding blijft uit: ‘Heb een gezin te onderhouden’' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vuurwerkverkopers zien bedrijf wegvallen, maar vergoeding blijft uit: «Heb een gezin te onderhouden»»?1
Wat is de stand van de onderhandelingen met de vuurwerkbranche?
Klopt het dat het laatste aanbod van het Rijk aan de vuurwerkbranche een vergoeding is van eenmalig 20 procent van de jaaromzet, plus 15 procent? Zo nee, wat is dan het aanbod dat het Rijk wil doen? Zo ja, bent u ervan op de hoogte dat deze vergoeding door vuurwerkverkopers als (veel) te weinig wordt beschouwd en dat zij tienduizend tot honderdduizenden euro’s aan schade vrezen? Hoe beoordeelt u dit gegeven?
Deelt u de mening dat een eenmalige vergoeding geen recht doet aan de gedane investeringen en toekomstig misgelopen winsten van ondernemers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien het antwoord op vraag 4 bevestigend luidt, bent u bereid een beter aanbod te doen, bijvoorbeeld een vergoeding gebaseerd op meerdere jaren misgelopen omzet en winst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Indien het antwoord op vraag 5 ontkennend luidt, bent u bereid de invoering van het vuurwerkverbod te heroverwegen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bekend met het feit dat verenigingen (na toestemming van de burgemeester) nadat het vuurwerkverbod is ingevoerd nog wel vuurwerk mogen afsteken?
Betekent dit dat de vuurwerkbranche (gedeeltelijk) door kan gaan met het verkopen van vuurwerk? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u over de vooruitzichten voor de vuurwerkbranche zo snel mogelijk duidelijkheid verschaffen, aangezien ondernemers vuurwerk voor de komende jaarwisseling al op zeer korte termijn moeten inkopen? Kunt u aangeven op welke termijn zij deze duidelijkheid van u kunnen verwachten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam ter zake een advocaat die verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Raad van Discipline van 19 januari 2026?1
Ja.
Hoe vaak is sinds de totstandkoming van artikel 60ab van de Advocatenwet een schorsing uitgesproken en hoe vaak is een voorlopige voorziening toegewezen zoals is gebeurd op 19 januari 2026?
Ter beantwoording van deze vraag heb ik, via de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA), gegevens opgevraagd bij de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er in totaal bij de verschillende Raden van discipline 32 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab Advocatenwet, dan wel een verzoek op grond van artikelen 60ab én 60b Advocatenwet, is toegewezen. In 18 van deze 32 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd, in 10 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen en in 4 zaken is enkel een voorlopige voorziening getroffen.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er bij het Hof van discipline 4 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet is toegewezen. In 3 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en in 1 zaak om een ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen.
Wat vindt u ervan dat een advocaat tegen wie een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit bestaat, namelijk deelname aan een criminele organisatie, werkzaamheden als advocaat kan verrichten terwijl de strafzaak nog loopt?
In de zaak waar naar wordt gevraagd is een onafhankelijke tuchtrechter tot het oordeel gekomen dat de schorsing van de advocaat in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk op grond van artikel 60ab, eerste lid, Advocatenwet niet langer kan worden gerechtvaardigd en is in de zaak een voorlopige voorziening getroffen. Als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid laat ik mij niet uit over individuele zaken.
In het algemeen kan ik zeggen dat voor iedereen in Nederland die verdacht wordt van het begaan van een strafbaar feit, geldt dat diegene onschuldig wordt geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Voorts wijs ik uw Kamer erop dat er verschillende maatregelen zijn getroffen om voortgezet crimineel handelen in detentie tegen te gaan en advocaten te beschermen. Uw kamer is op 23 januari 2026 geïnformeerd over de voortgang hieromtrent.2
Wat vindt u ervan dat een advocaat die verdacht wordt van het doorgeven van boodschappen vanuit de Extra Beveiligde Inrichting zijn werkzaamheden als advocaat weer kan hervatten en dus ook gebruik kan maken van de bescherming die een advocaat geniet?
Ik laat mij niet uit over individuele zaken. In zijn algemeenheid merk ik op dat voor iedere verdachte in Nederland de onschuldpresumptie geldt. Alle advocaten in Nederland hebben bepaalde plichten, maar ook rechten, zoals het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht beschermt de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt en is van belang voor een goede uitoefening van het beroep advocaat.
Hoe kan een advocaat die verdacht wordt van een zeer ernstig strafbaar feit volgens u voldoen aan alle kernwaarden die gelden voor de advocatuur?
Zoals in de antwoorden hierboven is gezegd, laat ik mij niet uit over individuele zaken. In het algemeen kan ik zeggen dat alle advocaten in Nederland de kernwaarden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, Advocatenwet in acht moeten nemen. De lokale deken houdt in zijn arrondissement onder meer toezicht op de naleving van de verplichtingen op grond van de Advocatenwet. Op grond van artikel 46 Advocatenwet zijn alle advocaten aan tuchtrechtspraak onderworpen onder meer voor het handelen in strijd met de in dat artikel omschreven betamelijkheidsnorm en de Advocatenwet. De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan artikel 46 Advocatenwet. Zoals hierboven ook genoemd, wordt iedere verdachte in Nederland onschuldig geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Kunt u toelichten of er op een andere manier wordt beslist op een verzoek tot opheffing van een schorsing ex artikel 60ab van de Advocatenwet na de voorziene wijziging van de Advocatenwet waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur wordt geïntroduceerd?
In het conceptwetsvoorstel waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur (OTA) wordt geïntroduceerd, is voorzien dat de OTA de bevoegdheid krijgt om, op grond van de artikelen 60ab, 60b en 60c Advocatenwet, diverse ordemaatregelen te verzoeken aan de tuchtrechter. Ik kan niet zeggen of deze voorziene wijziging zal leiden tot een andere manier van beslissen door de tuchtrechter op verzoeken op grond van artikel 60abAdvocatenwet. Het is aan de tuchtrechter om elke zaak op zijn eigen merites te beoordelen.
Het onderzoek “Van Inzicht naar uitvoering van het Verwey-Jonker Instituut in Opdracht van Het Vergeten Kind. |
|
Lisa Westerveld (GL), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de conclusies van de onderzoekers dat er in Nederland geen gebrek is aan kennis over effectieve interventies, maar het niet lukt dit consequent en landelijk toe te passen? Zo ja, wat zijn hier volgens u de belangrijkste redenen voor?
Deelt u de analyse dat uithuisplaatsingen alleen ingezet zouden moeten worden wanneer dit echt noodzakelijk is, gezien de ernstige korte- en langetermijngevolgen voor kinderen? Herkent u ook de analyse van de onderzoekers dat de systeembarrieres, zoals versnippering, risicomijding, hoge werkdruk, volle caseloads en perverse financiele prikkels, ertoe leiden dat het huidige systeem vooral crisisinterventies en korte termijnkostenbeheersing beloont en preventieve inzet te weinig? Welke rol ziet u om hierin bij te sturen?
Erkent u het belang van focus op terugkeer vanaf dag één wanneer uithuisplaatsing onvermijdelijk is, en het beperken van doorplaatsingen? Hoe monitort u dit en welke prikkels/hulpmiddelen zet u in om doorplaatsingen te minimaliseren?
Hoe verklaart u het dat al jaren in communicatie van zowel de rijksoverheid als gemeenten wordt gesteld dat gezinsgericht werken het uitgangspunt is, maar jongeren ouders en ook hulpverleners zelf aangeven dat er nog steeds teveel hulpverleners en instanties over de vloer komen, dit ineffectief is en teveel overlegtijd kost in plaats van daadwerkelijke hulp?
Begrijpt u ook dat kinderen en ouders er soms wanhopig van worden, of in de weerstand staan als ze aan de zoveelste persoon opnieuw hun verhaal moeten vertellen?
Zijn er concrete plannen om domeinoverstijgend werken de norm te maken door het budget flexibeler te maken waardoor gemeenten en utvoerende organisaties daadwerkelijk kunnen samenwerken over de grenzen van jeugdzorg, onderwijs en zorg heen? Welke ruimte ziet u om dit mogelijk te maken?
Hoe maakt u van onderwijs een vaste partner in vroegsignalering en ondersteuning (gezamenlijke plannen, continuïteit rond schoolgang, alternatieve leertrajecten), gezien de bewezen betekenis van school als stabiele factor?
Deelt u de meninig van de onderzoekers dat pilots en projecten enkel zin hebben als de leerpunten daarna structureel verankerd worden? Welke rol heeft uw ministerie daarin?
Op welke manier gaat u zorgen dat overal en structureel vroegtijdig samen met gezin en netwerk een gedeelde verklarende analyse wordt gemaakt als basis voor passende hulp? Erkent u dat dit een randvoorwaarde is vóór uithuisplaatsing?
Deelt u dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen, dat het huidige systeem dit onvoldoende beloont, en welke rol neemt uw ministerie in het delen en opschalen van effectieve interventies?
Bent u bereid om met uw collega’s op Onderwijs en Sociale Zaken in gesprek te gaan met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren? Op welke andere manier kunt u «schotten doorbreken», zoals het advies luidt?
Spuitlicenties voor bestrijdingsmiddelen en vakbekwaamheid |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Wat behelst, in grote lijnen, het behalen van een spuitlicentie voor het spuiten met bestrijdingsmiddelen en wat behelst het verlengen hiervan? Hoe lang is de training? Welke onderwerpen komen aan bod? Met welke frequentie moet iemand met een spuitlicentie deze vernieuwen en wat zijn de vereisten voor vernieuwing?
Een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, ook wel spuitlicentie genoemd, is nodig om professionele gewasbeschermingsmiddelen te mogen gebruiken. Dit is vastgelegd in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, waarop het bijbehorende besluit en regeling is gebaseerd. Er zijn regels vastgesteld over het vereiste kennisniveau voor de onderwerpen uit bijlage I van richtlijn 2009/128/EG, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen distributeurs, voorlichters en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen. Om een bewijs van vakbekwaamheid te halen, dient er een lesprogramma en een examen succesvol afgerond te worden. Het examen toetst verscheidene criteria, deze criteria zijn te vinden in kwalificatiedossiers op de website van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)1. Een bewijs van vakbekwaamheid is 5 jaar geldig. Hierna dient de houder nascholingsbijeenkomsten te volgen om het bewijs van vakbekwaamheid te verlengen. De onderwerpen die tijdens een nascholingsbijeenkomst behandeld worden verschillen per type bewijs van vakbekwaamheid, en zijn terug te vinden in het Examendocument Gewasbescherming2.
Geldt een spuitlicentie voor specifieke teelten, specifieke middelen, of allebei?
Een bewijs van vakbekwaamheid geldt in de basis voor het veilig en verantwoord toepassen van professionele gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen, en is niet strikt beperkt tot één specifiek middel of één specifieke teelt.
Maakt de laatste stand van de wetenschap ten aanzien van de middelen waarvoor de licentie wordt gehaald, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
Ja, er worden nascholingsbijeenkomsten georganiseerd waarin de meest actuele ontwikkelingen en trends binnen het vakgebied worden behandeld. Het reguliere lesprogramma besteedt hier ook aandacht aan, met een focus op het correct en effectief toepassen van gewasbeschermingsmethoden. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan de relevante wijzigingen in wet- en regelgeving, zodat de deelnemers op de hoogte zijn van de laatste normen en eisen.
Maken de risico’s voor omgeving en gezondheid van het gebruik van meerdere middelen tegelijk of na elkaar (cocktails), deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
In de scholing wordt expliciet aandacht besteed aan zorgvuldig middelengebruik, waarbij de nadruk ligt op aspecten zoals tankmengsels, etiketvoorschriften, blootstellingsroutes, driftreductie en geïntegreerde gewasbescherming. Combinaties van middelen en cumulatieve blootstelling maken deel uit van de risicobeheersing die in het lesprogramma aan bod komt. In de scholing wordt deelnemers geleerd dat zij enkel mogen werken conform de toelatingen en de voorschriften op het etiket. Het uitvoeren van eigen experimenten of afwijkingen van de vastgestelde richtlijnen is niet toegestaan, waarmee de veiligheid en naleving van regelgeving strikt gewaarborgd blijven.
Maken de nog onbekende gevolgen voor de gezondheid, ook bij veilig gebruik, op de lange termijn, van middelen, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
De opleiding voor het behalen van een bewijs van vakbekwaamheid is gericht op veilig gebruik binnen de vastgestelde toelatingskaders. Deelnemers leren over gevaar, risico, dosering, blootstelling, en het gebruik van beschermingsmiddelen, evenals het proces van risicobeoordeling. Wetenschappelijke inzichten worden voortdurend verwerkt in de verplichte nascholing, waardoor het systeem actueel blijft. De opleiding benadrukt dat meetbaarheid geen direct risico aanduidt; risico is afhankelijk van dosis, blootstelling en toxicologische eigenschappen. Gevolgen op lange termijn bij veilig gebruik worden niet expliciet behandeld, omdat de focus ligt op de actuele wetenschappelijke risicobeoordeling.
Maakt het belang van omgang met omwonenden, bijvoorbeeld van het inlichten van omwonenden over wat er wordt gespoten en overleg over het moment van spuiten, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
In zowel het reguliere lesprogramma als de nascholingsbijeenkomsten wordt aandacht besteed aan de rol en verantwoordelijkheid van de teler in een maatschappelijk sensitieve context. Onderwerpen zoals het toepassen van drift reducerende technieken, het instellen van bufferzones, het monitoren van weersomstandigheden en het zorgvuldig plannen van gewasbescherming worden behandeld. Daarnaast wordt ingegaan op hoe telers effectief kunnen omgaan met vragen of bezorgdheden van omwonenden. Transparantie en communicatie worden gepositioneerd als belangrijke aspecten van professioneel vakmanschap, gezien de teler opereert in een open landschap waar maatschappelijke acceptatie van wezenlijk belang is voor de verdere ontwikkeling van de sector. Er is ook een handreiking beschikbaar op de rijksoverheid website die praktische mogelijkheden biedt voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in goed nabuurschap voor onder andere omwonenden.3
Aan welke eisen moeten organisaties voldoen die dit soort trainingen geven? Hoe wordt gezorgd dat deze organisaties de vereiste kennis hebben om dit soort trainingen te geven?
De eisen waar de kennisaanbieder aan moet voldoen staan beschreven in het Examendocument gewasbescherming 2. De kennisaanbieder moet onder andere zelf een bewijs van vakbekwaamheid in bezit hebben, en een percentage van de bijeenkomsten wordt bezocht om te inspecteren of ze aan de vooraf opgegeven doelstellingen voldoen.
Wat is de stand van zaken van de motie-Van Campen c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 691) over vakbekwaamheidseisen?
In de tweede helft van 2026 zullen de onderwerpen rond het verminderen van het gebruik van hoog risicomiddelen en het verbeteren van de naleving van gebruikersvoorschriften verplicht aan bod komen in het nieuwe nascholingsaanbod voor de bewijzen van vakbekwaamheid. Ik zal uw Kamer hierover blijven informeren.
Is het (wettelijk) mogelijk bij herhaald overtreden van de regels ten aanzien van bestrijdingsmiddelen (denk bijvoorbeeld aan de recente bevindingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de sierteelt onder glas) de spuitlicentie (tijdelijk) in te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid is mogelijk. Indien tegen de houder van een bewijs van vakbekwaamheid herhaaldelijk overtredingen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden of van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn geconstateerd, kan de Minister het bewijs van vakbekwaamheid maximaal één jaar intrekken. De NVWA heeft in het verleden geen gebruik gemaakt van deze interventiemogelijkheid, omdat het destijds minder perspectief leek te hebben. Het bewijs van vakbekwaamheid is namelijk op naam gesteld en het is zeer moeilijk te bewijzen dat dezelfde persoon herhaaldelijk de aangetoonde overtredingen heeft begaan. Verder is het voor een bedrijf eenvoudig om een andere medewerker in te zetten. Dit geldt vooral voor bedrijven met meerdere medewerkers. De NVWA onderzoekt opnieuw de mogelijkheden van het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid, als één van de sanctie-instrumenten.
Bent u bereid bovenstaande vragen te beantwoorden voor het debat over gewasbescherming?
Ja.
De juridische onhoudbaarheid van financiële steun aan Tata Steel |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van Advocates for the Future waarin wordt gesteld dat de voorgenomen staatssteun van maximaal 2 miljard euro aan Tata Steel Nederland juridisch onhoudbaar, ineffectief en onrealistisch is?1
Hoe beoordeelt u de juridische analyse van Advocates for the Future van 19 december 2025 dat de voorgenomen staatssteun aan Tata Steel in haar huidige vorm niet voldoet aan de vereisten van noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit onder de Europese staatssteunregels (CEEAG), met name omdat niet is aangetoond dat de maatregelen leiden tot daadwerkelijke en additionele klimaat- en gezondheidswinst? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Kunt u aangeven of u een juridische staatssteunanalyse heeft laten opstellen waarin expliciet wordt getoetst aan artikel 107, lderde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het CEEAG-kader en het beginsel «de vervuiler betaalt», en bent u bereid deze analyse met de Kamer te delen vóór verdere besluitvorming? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen en te delen?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de aan de Kamer verstrekte CO2-reducties zijn berekend en welke aannames daarbij zijn gehanteerd over productievolumes en referentiescenario’s? Kunt u de onderliggende stukken en exacte wetenschappelijke bronnen met de Kamer delen, zodat de Kamer haar controlerende en kaderstellende taak naar behoren kan uitvoeren?
Hoe beoordeelt u de kritiek van experts dat de beoogde CO2-reducties grotendeels een «papieren werkelijkheid» betreft omdat een aanzienlijk deel van de uitstoot het gevolg is van capaciteitsafbouw, emissieverplaatsing en aannames? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Waarom is bij de beoordeling van de klimaatwinst uitsluitend gekeken naar emissiereducties binnen Nederland (scope 1), terwijl bekend is dat methaanlekken bij gaswinning de totale klimaatimpact substantieel kunnen verhogen?
Acht u het verenigbaar met de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord dat het grootste deel van de steun wordt ingezet voor installaties die primair op aardgas zullen gaan draaien, zonder harde verplichting tot tijdige omschakeling naar hernieuwbare energie, terwijl onzeker is of en wanneer omschakeling naar groene waterstof daadwerkelijk mogelijk zal zijn gezien de beperkte beschikbaarheid en concurrerende vraag? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw positie hierin dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Waarom zijn in de Joint Letter of Intent geen juridisch afdwingbare verplichtingen opgenomen die Tata Steel verplichten om uiterlijk op een vast moment te stoppen met het gebruik van kolen en aardgas? Hoe wordt het risico op een langdurige fossiele lock-in voorkomen, en kunt u de expertbronnen waarop u zich baseert meesturen?
Kunt u toelichten hoe en door wie is getoetst en vastgesteld dat de gesubsidieerde maatregelen niet (gedeeltelijk) zien op naleving van bestaande wettelijke verplichtingen van Tata Steel? Hoe wordt precies voorkomen dat publieke middelen worden ingezet voor kosten die op grond van het beginsel «de vervuiler betaalt» voor rekening van het bedrijf zelf horen te komen?
Aangezien de voorgestelde steun slechts betrekking heeft op een deel van de staalproductie en Tata Steel zelf niet in staat zou zijn om de productie te vergroenen, hoe voorkomt u dat een subsidiefuik ontstaat? Staat niet reeds vast dat Tata Steel straks voor meer subsidie zal aankloppen? En wordt het door de nu voorgestelde steunmaatregelen van 2 miljard euro niet lastiger om deze te weigeren? Kunt u aangeven hoe precies dit scenario wordt voorkomen?
Waarom is er geen volledige en transparante counterfactual analyse gepubliceerd waaruit blijkt welk investeringspad Tata Steel zonder staatssteun zou volgen? Hoe kan zonder zo’n analyse worden vastgesteld dat sprake is van een daadwerkelijk stimulerend effect van de steun?
Hoe verhoudt het ontbreken van een afgeronde milieueffectrapportage en gezondheidseffectrapportage zich tot het vereiste dat de steun bovenwettelijk is en daadwerkelijk bijdraagt aan de verbetering van de gezondheid van omwonenden? Op welke onafhankelijke wetenschappelijke adviezen baseert u zich precies?
Kunt u toelichten hoe de gezondheidswinst voor omwonenden van Tata Steel onafhankelijk en zoveel mogelijk real time zal worden gemonitord, conform aangenomen motie-Teunissen c.s. over zo snel mogelijk zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel (Kamerstuk 28 089, nr. 302), en welke sancties op welke termijn volgen indien deze uitblijft?
Kunt u toelichten of de Europese Commissie al een eerste analyse heeft gemaakt van de steunmaatregelen? Wat is de status van de beoordeling door de Commissie? Kunt u het standpunt van de Commissie met de Kamer delen?
Bent u bereid verdere besluitvorming en een eventuele staatssteunmelding bij de Europese Commissie op te schorten totdat (a) een volledige juridische staatssteunanalyse is afgerond en gedeeld met de Kamer, (b) bindende klimaatdoelen en gezondheidsdoelen zijn vastgelegd (in lijn met de onafhankelijke adviezen van o.a. Expertgroep Gezondheid IJmond), en (c) duidelijk is dat de maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan de mondiale klimaatdoelen?
Herinnert u zich dat eerdere analyses van experts benadrukken dat de transformatie van Tata Steel naar aardgasproductie met CCS de Nederlandse energietransitie belemmert door grootschalige vraag naar (groen)gas, wat mest uit de bioindustrie vereist en daarmee een lock-in van intensieve veehouderij creëert, inclusief greenwashing-effecten? Hoe beoordeelt u deze bevindingen en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u die beoordeling? Erkent u dat industrie afhankelijk maken van de intensieve veehouderij ingaat tegen de aangenomen motie-Tjeerd de Groot om die intensieve veehouderij af te bouwen?2 Hoe wordt precies gewaarborgd dat de stappen die worden genomen met Tata Steel die afbouw niet vertragen of dwarsbomen?
Welke maatregelen treft u om te voorkomen dat de 2 miljard euro steun aan Tata Steel leidt tot een afhankelijkheid van gas en biomethaan uit veeteeltmest in plaats van een versnelling van de overstap naar echt hernieuwbare energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie direct voor groene waterstofproductie?
Kunt u deze vragen individueel en vóór het debat over de Jointetter of Intent met Tata Steel beantwoorden?
Private equity bedrijven die geld verdienen met medische keuringen. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Buitenlandse investeerder verdient aan medische keuringen: «Absurd en frustrerend»»?1
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten de medische keuringen worden verzorgd door een private equity-partij?
Kunt u nader toelichten of er op dit moment richtlijnen bestaan voor de bedragen die gefactureerd worden voor (telefonische) consulten voor bijvoorbeeld het herkeuren voor een gehandicaptenparkeerkaart? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat voor deze diensten een private equity-partij, die primair gericht is op het maken van winst, wordt gecontracteerd? Deelt u de mening dat dit onwenselijke prikkels in de hand werkt?
Deelt u de mening dat dergelijke essentiële diensten primair thuishoren in de publieke of semi-publieke sector en niet in handen zouden moeten zijn van een organisatie die primair winstgedreven is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat deze keuringen in publieke handen komt?
Kunt u ingaan op de wenselijkheid van hoge kosten voor dergelijke keuringen en hoe dit zich verhoudt tot de hogere kosten die mensen met een beperking of chronische ziekte al maken vanwege hun beperking of chronische ziekte?
Hoe verhouden de extra kosten die mensen met een beperking maken, zoals bijvoorbeeld voor de Gehandicaptenparkeerkaart, zich tot het VN-Verdrag voor de Rechten van personen met een handicap? Kunt u inschatten hoeveel extra kosten gemaakt worden door mensen vanwege hun beperking?
Ontvangt u ook signalen van mensen, met een duidelijk zichtbare beperking zoals bijvoorbeeld een amputatie van een been, die desondanks opnieuw gekeurd moeten worden? Bent u bereid de herkeuringen zo in te richten dat alleen mensen van wie het duidelijk en aannemelijk is dat hun fysieke gesteldheid beter kan worden, herkeurd hoeven te worden?
Kunt u nader toelichten op basis waarvan de afweging is gemaakt dat dergelijke keuringen ook uitgevoerd mogen worden door basisartsen, die niet specifiek zijn opgeleid voor het geven van sociaal-medisch advies?
Kunt u aangeven hoeveel personen op jaarbasis de opleiding volgen voor medisch adviseur?
Klopt het dat de verantwoordelijkheid voor investeren in opleiding en professionalisering van artsen voor medisch advies nu bij werkgevers ligt? Zo ja, op welke wijze wordt dan gegarandeerd dat elk van de artsen hetzelfde «basisniveau van deskundigheid heeft?
De bekendheid en vindbaarheid van isolatiesubsidies en vertraging bij de isolatie van woningen. |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Overheden, wijs weg naar isolatiesubsidies»?1
Ja.
Klopt het dat gemeenten in totaal 1,5 miljard euro aan specifieke uitkeringen kunnen ontvangen voor de isolatie van 750.000 koopwoningen? Hoeveel van dit bedrag is tot op heden daadwerkelijk bij de gemeenten terechtgekomen en welk deel daarvan is al daadwerkelijk uitgegeven aan uitgevoerde isolatiemaatregelen? Klopt het tevens dat het deel van deze 1,5 miljard euro dat eind 2030 nog niet is besteed aan isolatie terug zal vloeien naar het Rijk?
Er is in totaal ruim 1,6 miljard euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het isoleren van 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde vereniging van eigenaars (VvE’s). Dit is onderdeel van de lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma (NIP). Deze middelen zijn in drie tranches (in 2023, 2024 en 2025) al volledig uitgekeerd aan gemeenten, met de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie. Ook is een klein deel als onderdeel van de Energiearmoede middelen in 2022 (68,5 miljoen) al uitgekeerd.
Uit de meest recente verantwoording van de besteding van de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie, uit maart 2025, is op te maken dat er tot en met 2024 ongeveer 40 miljoen euro door gemeenten is uitgegeven. Meer recente cijfers over de bestedingen in 2025 zullen in juli 2026 door gemeenten worden aangeleverd. De uitvoeringstermijn voor de Specifieke uitkering loopt tot en met eind 2028, met twee keer een mogelijkheid voor een jaar verlenging. Middelen die niet tijdig of onrechtmatig zijn uitgegeven kunnen worden teruggevorderd en vloeien dan terug naar het Rijk.
Hoe verklaart u dat, ondanks aanvragen van gemeenten voor de isolatie van circa 500.000 woningen, tot nu toe slechts 21.823 woningen daadwerkelijk zijn geïsoleerd? Welke concrete oorzaken liggen ten grondslag aan deze achterblijvende realisatie?
Met de 1,6 miljard euro die aan gemeenten is toegekend zullen ongeveer 750.000 woningen worden geïsoleerd tot en met 2030. Tot maart 2025 waren er 20.191 woningen geïsoleerd. Ik verwacht uiterlijk eind maart meer recente cijfers en de verwachting is dat deze cijfers flink hoger zullen liggen.
In 2024 en 2025 zagen we dat gemeentes een aanloopperiode kenden om te komen tot aanbestedingen, samenwerkingen opbouwen en vertrouwen winnen van bewoners. Ik zie steeds meer goede voorbeelden in het gehele land. Belangrijke aandachtspunten blijven capaciteit, en daarnaast praktische vraagstukken rond het bereiken van de doelgroep, natuurvriendelijk isoleren, de complexiteit bij VvE’s, monitoring en het gebruik van persoonsgegevens.
Om gemeenten te helpen deze knelpunten op te lossen en de nodige versnelling op gang te brengen is vorig jaar 9 miljoen euro via de Specifieke uitkering isolatieopgave Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie
(SpUk isolatieopgave NPLW) uitgekeerd voor extra regionale ondersteuning. Hiermee kunnen regio’s gemeenten snel en praktisch ondersteunen die in hun isolatieaanpak tegen knelpunten aanlopen en waarbij de uitvoering nog niet goed loopt.
Wat doen gemeenten nu om kwetsbare bewoners zoveel mogelijk te ontzorgen tijdens het hele proces van verduurzamen van advies, financiering tot uitvoering?
Uit de rapportage Lokale Warmtetransitie in Beeld 20252 en gesprekken met gemeenten blijkt dat er advies en ondersteuning geboden wordt via fixteams, energiecoaches, energieadviseurs, lokale initiatieven, VvE-cursussen en collectieve inkoop acties. Ook wordt er financiële hulp geboden in de vorm van aanvullende subsidies, goedkope leningen, vouchers voor doe-het-zelvers en gratis isolatiemaatregelen voor bewoners in energiearmoede.
Voor veel huishoudens in energiearmoede is het van belang dat gemeenten in de isolatieaanpak ook samenwerken met het sociaal domein. Op deze manier lukt het om ook achter de voordeur te komen bij mensen, en zo uit te kunnen leggen wat deze aanpak voor hen kan opleveren. Gebruik maken van de netwerken in de wijk is ook van belang om de mensen te bereiken die hulp het hardste nodig hebben.
Aan het begin van het jaar is een aantal praktijkverhalen gepubliceerd op de website van de RVO waarin gemeenten die vorig jaar het verst waren met de lokale opgave hun aanpak delen.3 Zo zet de gemeente Nieuwkoop, die al een derde van de lokale opgave had afgerond, in op een energiebesparingsfonds, energiecoaches, wijkacties en persoonlijke begeleiding bij het isolatieproces.
In hoeverre deelt u de analyse uit het artikel dat het huidige stelsel van landelijke en lokale isolatiesubsidies versnipperd is, waardoor veel huiseigenaren niet weten welke regelingen er bestaan of dat zij landelijke en gemeentelijke subsidies kunnen stapelen?
Ik deel de analyse in zoverre dat het niet vanzelfsprekend is dat alle huishoudens op de hoogte zijn van de ondersteuning die voor hen beschikbaar is. Om verduurzaming te stimuleren is het van belang dat mensen de beschikbare subsidies weten te vinden en benutten. Vooral de doelgroep die extra ondersteuning het hardste nodig heeft.
Hier wordt zowel landelijk als lokaal op ingezet. Allereerst staan op verbeterjehuis.nl naast de landelijke ook lokale subsidies vermeld. Op lokaal niveau gebeurt er veel, via bijvoorbeeld lokale campagnes, adviseurs, coaches en energieloketten. Hierbij worden de mensen voor wie de aanvullende lokale subsidies bedoeld zijn, ook proactief benaderd. Naast advies en ondersteuning bij het verduurzamingsproces zelf, bieden veel gemeenten uitgebreide ondersteuning ook bij het aanvragen van de subsidies en financiering. Zo creëren gemeenten voor deze mensen één aanspreekpunt en worden landelijke en lokale subsidies bij elkaar gebracht.
Welke acties onderneemt u om de bekendheid, begrijpelijkheid en vindbaarheid van deze regelingen te vergroten, in het bijzonder voor minder zelfredzame en kwetsbare huiseigenaren?
Gemeenten communiceren in eerste instantie zelf rechtstreeks met de doelgroep die in aanmerking komt voor de lokale isolatieacties. Vaak gebeurt dit via lokale campagnes, brieven, huis aan huis bezoeken en keukentafelgesprekken. Samen met Milieu Centraal zijn hiervoor ter ondersteuning toolkits ontwikkeld.4
Daarnaast is op verbeterjehuis.nl informatie over zowel landelijke als lokale beschikbare subsidies te vinden via de energiesubsidiewijzer. Ook is er bij het laatste deel van de publiekscampagne «Wie isoleert profiteert» in 2025 aandacht besteed aan de lokale ondersteuning via energieloketten. Gemeenten konden bij deze campagne gebruik maken van de whitelabel communicatiematerialen. Dit zal in campagne van 2026 in de zomervakantie herhaald worden.
Milieu Centraal heeft tevens het energiehulpnetwerk opgericht met subsidie van de Minister van VRO om mensen te ondersteunen die de overheid doorgaans moeilijk weet te bereiken.5 Het energiehulpnetwerk biedt gemeenten en energiehulporganisaties een cultuur sensitieve en inclusieve aanpak voor bewoners met en zonder migratieachtergrond. Hierbij speelt de vertrouwde kring een belangrijke rol. Dit zijn mensen uit de directe omgeving van de huurder of huiseigenaar. Met deze aanpak worden ook moeilijk te bereiken doelgroepen geholpen. Het energiehulpnetwerk is een samenwerking tussen Milieu Centraal, de Nederlandse Schuldhulproute en de Alliantie Inclusieve Energietransitie. Het netwerk bereikt momenteel ruim 200 aangesloten gemeenten en meer dan 230 energiehulporganisaties.
Daarnaast biedt Milieu Centraal gemeenten ondersteuning bij het opzetten van een VvE-aanpak. Door middel van een-op-een adviestrajecten, via een kennisbank voor VvE Professionals en via opleidingsdagen.6 Bij de ondersteuning is in het bijzonder oog voor het in kaart brengen, bereiken en helpen van kwetsbare doelgroepen die in een VvE wonen.
Hoe beoordeelt u het signaal dat bestaande informatievoorziening, zoals de Energiesubsidiewijzer, geen volledig en actueel overzicht biedt van alle beschikbare landelijke en lokale subsidies? Welke stappen worden gezet om te komen tot één integraal en betrouwbaar overzicht van subsidiemogelijkheden?
Uitgebreide informatie over alle landelijke subsidies en financieringsmogelijkheden is beschikbaar via verbeterjehuis.nl en in de energiesubsidiewijzer. Ook lokale subsidies zijn te vinden in deze energiesubsidiewijzer. Doordat gemeenten regelmatig lokale subsidies openstellen of wijzigen kan het zijn dat dit overzicht niet altijd volledig is. Milieu Centraal voert daarom regelmatig verbeteringen door in de energiesubsidiewijzer om te zorgen dat de informatie zo accuraat mogelijk blijft. Sinds kort wordt daarbij gebruik gemaakt van een geautomatiseerd systeem welke alle relevante overheids- en gemeentewebsites controleert voor nieuwe of gewijzigde subsidies, zodat deze kunnen worden toegevoegd.
Daarnaast zijn ook de lokale energieloketten terug te vinden op verbeterjehuis.nl en kunnen zowel huurders als woningeigenaren gebruik maken van de energiehulp tool om hulp en advies in hun buurt te vinden.7 Halverwege maart lanceert Milieu Centraal de helpdesk voor VvE's, waar mensen met specifieke subsidievragen terecht kunnen, zowel telefonisch als per mail.
Op welke wijze wilt u bevorderen dat er meer uniformiteit komt in uitvoering en dat ondersteuning niet afhankelijk is van één commerciële partij per gemeente?
De lokale aanpak biedt gemeenten vrijheid om hun eigen isolatieaanpak te ontwikkelen, zodat de ondersteuning aansluit bij de uiteenlopende behoeften van hun inwoners in hun wijken en dorpen. Bijvoorbeeld door hun plannen af te stemmen op bestaande lokale initiatieven en specifieke doelgroepen en de warmteprogramma’s. Ik zal gemeenten daarom niet beperken in de manier waarop ze hun rol bij de lokale isolatieopgave invullen of in de afspraken die ze maken met private partijen. Wel weet ik dat veel gemeenten voor verschillende onderdelen van hun aanpak al met diverse partijen samenwerken waaronder lokale initiatieven. Bij het wegvallen van één partij valt hierdoor meestal niet de gehele ondersteuningsaanpak weg.
Om deze risico’s verder te verkleinen en daarnaast versnelling mogelijk te maken, bied ik gemeenten ondersteuning en advies over de uitvoering via programma’s als Verbouwstromen, Actienetwerk Energiehulp en het NPLW. Zij richten zich op standaardisatie vertaald naar aanpakken en formats waar gemeenten en ook intermediairs gebruik van kunnen maken. Ook op het gebied van risico’s bij het opstellen van contracten en afspraken over de continuïteit van dienstverlening bij faillissement bestaat ondersteuning. Zo worden geleerde lessen benut en hoeven gemeenten niet het wiel zelf uit te vinden.
Welke mogelijkheden ziet u om de aanvraagprocedures en uitvoeringsvoorwaarden van de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en gemeentelijke regelingen te harmoniseren en te vereenvoudigen, zodat versnippering tussen gemeenten wordt tegengegaan en kwetsbare huiseigenaren beter worden ontzorgd? Hoe gaat u dit bewerkstelligen voordat de gelden na 2030 weer terugvloeien naar het Rijk?
De voorwaarden die gesteld worden aan de maatregelen zelf die kunnen worden gesubsidieerd in de Specifieke Uitkering Lokale Aanpak Isolatie (SpUk LAI) komen al geheel overeen met de ISDE en SVVE voorwaarden. Wel hebben gemeenten met de SpUk LAI ruimte om ook doe-het-zelf maatregelen te subsidiëren en om bij een beperkt aantal woningen maatregelen te treffen die niet voldoen aan de oppervlakte-eis. Hiermee kan een bredere groep geholpen worden in gevallen waar zelfs relatief lage investeringskosten een barrière kunnen vormen voor de verduurzaming.
Verder is het al enige tijd mogelijk om als gemeenten de ISDE-subsidie namens woningeigenaren aan te vragen en te ontvangen om zo volledige ontzorging te bieden aan huiseigenaren die extra ondersteuning nodig hebben. Daarnaast worden de landelijke regelingen en het aanvraagproces regelmatig geëvalueerd en aangepast om deze zo gebruiksvriendelijk mogelijk te maken.
Het bericht dat ruim 600 Nederlanders in het Israëlische leger hebben gediend |
|
Stephan van Baarle (DENK), Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Foort van Oosten (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ruim 600 Nederlanders dienden vorig jaar in Israëlische leger»?1
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Van Baarle inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger?2
Wat is uw reactie op de onthulling dat volgens cijfers gepubliceerd door DeclassifiedUK zeker 645 mensen met de Nederlandse nationaliteit in het Israëlische leger gediend zouden hebben? Deelt u de mening dat dienen in het misdadige Israëlische leger onacceptabel en ongewenst is?
Bent u bereid om, vanwege de grove mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden die Israël pleegt, een onderzoek in te lassen naar de mogelijke betrokkenheid van Nederlanders bij misdaden gepleegd door het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u, aangezien de genoemde informatie via een openbaarheidsverzoek beschikbaar zou zijn gekomen, dit niet eerder achterhaald of aan de Kamer gemeld?
Heeft u navraag gedaan bij de Israëlische autoriteiten bij de beantwoording van de eerdere vragen van het lid Van Baarle inzake dit onderwerp? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat bleek hieruit?
Bent u bereid om alsnog navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten over het aantal en de inzet van Nederlanders die dienen in het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Zijn er bij het Openbaar Ministerie indicaties bekend dat mogelijk sprake is van internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger en zijn hier reeds onderzoeken naar gedaan om te bezien of strafrechtelijke vervolging opportuun is?
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in illegaal bezet gebied onacceptabel is en in strijd met het internationaal recht? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij gevechtshandelingen in Gaza het grote risico met zich meebrengt dat deze Nederlanders betrokken zouden kunnen zijn geweest bij oorlogsmisdaden dan wel hier getuige van zouden kunnen zijn geweest? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Had u op enig moment sinds 7 oktober 2023 kennis van Nederlanders die (mogelijk) dienen in het Israëlische leger en waarom is dat niet aan de Kamer gemeld? Wat is er met deze informatie gedaan?
Heeft u op enig moment sinds 7 oktober 2023 contact gehad met Israël inzake Nederlanders die mogelijk dienen in het Israëlische leger? Zo ja, waarom en wat was de strekking van dit contact?
Is het nog steeds zo dat er geen Nederlandse militairen zijn die toestemming hebben gevraagd om in het Israëlische leger te dienen?
Zijn u indicaties of voorbeelden bekend dat Israël of aan Israël gelieerde organisaties in Nederland werven voor het Israëlische leger dan wel bevorderen dat mensen actief worden voor het Israëlische leger? Zo ja, deelt u de mening dat dit volstrekt onwenselijk is en mogelijk zelfs strafbaar?
Is het in alle gevallen zo (geweest) dat de Nederlandse overheid zelf niet bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van een land waarmee Nederland geen gewapend conflict heeft? Klopt het dus dat Nederland op dit moment op geen enkele manier bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van andere landen?
Klopt het dat Nederland ook niet bijhoudt of er sprake is van dienen in het leger van landen die in oorlog zijn en waarbij er een risico bestaat op schendingen van het internationaal recht?
Bent u bereid om deze vragen elk afzonderlijk te beantwoorden?
Het onderbrengen van nareizigers in hotels door het COA |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u nauwgezet aangeven welke stappen er gezet zijn door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en u sinds uw aankondiging in december rond het onderbrengen van nareizigers in hotels?1
Klopt het dat het COA voornemens is om deze of volgende week de eerste lichting nareizigers gaat onderbrengen in een hotel in de gemeente Schouwen-Duiveland?2 Zo nee, wanneer dan wel?
Kunt u de Kamer voorzien van een overzicht van voorgenomen plaatsingen die op dit moment bekend zijn en/of reeds verricht zijn? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer tevens voorzien van alle communicatie vanuit het Rijk en/of het COA richting gemeenten over deze regeling?
Klopt het dat gemeenten hooguit geïnformeerd worden door het COA wanneer er nareizigers in een hotel worden ondergebracht, maar verder geen zeggenschap hebben?
Bij hoeveel procent van de nareizigers die u voornemens bent in hotels te plaatsen is er sprake van dat het nagereisde familielid al wel huisvesting heeft in de koppelgemeente, maar dat deze niet geschikt wordt geacht voor meerdere bewoners?
Wat wordt in dezen verstaan onder al dan niet geschikt voor meerdere bewoners? Welke criteria gelden hiervoor en wie bepaalt deze?
Deelt u de mening dat het onuitlegbaar is om nareizigers op kosten van de belastingbetaler onder te brengen in hotels wanneer hun familielid al huisvesting in diezelfde gemeente heeft, ook als die misschien niet ideaal is voor meerdere bewoners? Zo nee, waarom niet?
Waarom geeft u het COA expliciet de opdracht om nareizigers in hotels in of nabij de koppelgemeente te plaatsen, terwijl u op 23 september jl. in uw Kamerbrief nog sprak over intrekken door de nareizigers bij hun familielid of het samen met de gemeente zoeken naar andere huisvesting in de buurt (Kamerstuk 19 637, nr. 3476)? Deelt u de conclusie dat uw Kamerbrief op essentiële onderdelen afwijkt van de manier waarop deze regeling vervolgens is uitgerold?
Wat heeft u doen besluiten om de koers te verleggen naar onderbrengen van nareizigers in hotels buiten gemeenten om?
Wat is uw reactie geweest op gemeenten, waaronder in ieder geval de gemeente Castricum, die u hebben aangesproken op deze koerswijziging en de onduidelijkheid daaromtrent?
Wat zijn de totale voorziene kosten van deze hele operatie, inclusief het financieren van het hotelverblijf gedurende de eerste zes maanden door het COA?
Kunt u nauwgezet uiteenzetten hoe het semipermanent (ten minste een half jaar) huisvesten van nareizigers in hotels zich verhoudt tot landelijke en lokale wet- en regelgeving?
Wat is uw inschatting van de economische schade voor ondernemers in gemeenten waar hotelkamers worden gehuurd voor nareizigers in plaats van door toeristen en andere bezoekers?
Wat verwacht u van gemeenten met betrekking tot de financiering van de huisvesting van nareizigers in hotels wanneer het hen niet lukt om binnen zes maanden vervangende huisvesting voor hen te regelen?
Hoe verhoudt het onderbrengen van nareizigers in hotels zich tot de reguliere wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders? Deelt u de conclusie dat u met deze werkwijze de reguliere interventieladder omzeilt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke gronden denkt u dit te kunnen doen?
Deelt u de conclusie dat het buiten de gemeente om huisvesten van nareizigers in hotels een maatregel is die feitelijk neerkomt op indeplaatsstelling conform de hoogste trede op de interventieladder? Zo nee, waarom niet en wat is het verschil?
Indien u ook voornemens bent nareizigers te plaatsen in hotels in gemeenten die zich op een lagere trede van de interventieladder bevinden, erkent u dan dat u dergelijke gemeenten hiermee opzadelt met een bovenwettelijke last? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat deze maatregel opnieuw een schoolvoorbeeld is van dweilen met de kraan open? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie dat Nederland de 53.000 verzoeken om nareis die momenteel in de pijplijn zitten simpelweg niet aankan? Zo ja, bent u bereid om in navolging van Oostenrijk alle mogelijkheden aan te grijpen om nareis te stoppen, in plaats van de hotelbranche voor astronomische bedragen om te vormen tot onderdeel van het COA?
De maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa kunnen oplopen tot honderden miljarden euro’s?1 Hoe beoordeelt u dit Europese rapport en deze raming voor Nederland?
Klopt het dat een aanzienlijk deel van deze kosten momenteel bij waterschappen, gemeenten en dus bij belastingbetalers terechtkomt? Acht u dit in lijn met het beginsel «de vervuiler betaalt»?
Heeft u een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van een vergaand nationaal PFAS-verbod? Zo ja, hoe verhouden de huidige kosten voor monitoring, zuivering en sanering zich tot de economische baten van het gebruik van PFAS in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dit alsnog te laten doen?
Hoe reflecteert u op het eigen handelen van het Rijk en de snelheid waarmee stappen worden gezet, terwijl de maatschappelijke kosten en effecten voor de gezondheid van natuur en mens steeds groter worden?
Ziet u door het nieuwe onderzoek aanleiding om het beleid rondom een verbod en de snelheid waarmee het wil handelen aan te passen?
Bent u het ermee eens eens, dat door niet adequaat handelen van de overheid, de samenleving opdraait voor de kosten van vervuiling van bedrijven? Hoe eerlijk acht u dit?
Deelt u de opvatting dat uitstel van streng beleid leidt tot hogere toekomstige kosten, zoals sanerings- en zorgkosten? Zo ja, hoe wordt dit meegewogen in huidige beleid?
Deelt u de stelling dat elke jaar uitstel van streng beleid betekent dat de rekening verder oploopt voor toekomstige generaties?
Bent u bereid voortaan sneller in te grijpen door bijvoorbeeld nationale maatregelen te treffen, nu steeds duidelijker wordt hoe groot de schade is, ook als Europese besluitvorming langer duurt?
Deelt u de conclusie dat het, gezien de omvang van de huidige en toekomstige kosten, ook economisch niet langer te verantwoorden is om de productie en toepassing van niet-essentiële PFAS toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Waarom kiezen we er nog steeds voor om niet-essentiële PFAS-toepassingen toe te staan, terwijl de kosten voor gezondheid en milieu blijven stijgen?
Wat zijn volgens u essentiële toepassingen en belangrijker nog, niet-essentiële toepassingen en hoe verhouden die twee zich tot elkaar in volumen?
Als strengere PFAS-voorschriften die leiden tot minder PFAS-vervuiling, bedrijven geld kosten, en geen nieuwe voorschriften bedrijven geld besparen, bent u het er dan mee eens, dat burgers met hun gezondheid betalen voor deze kostenbesparing van bedrijven? Vindt u dit, alles afwegende, nog economisch en moreel te verdedigen?
De dodelijke mishandeling van een 23-jarige student door extreemlinkse militanten in Lyon |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de 23-jarige Franse student Quentin op 12 februari 2026 in Lyon zwaar is mishandeld door een groep extreemlinkse militanten en op 14 februari aan zijn verwondingen is overleden?1
Deelt u de opvatting dat dit incident niet beschreven kan worden als geweld tussen politieke groeperingen, gelet op het feit dat Quentin alleen was en belaagd werd door circa 25 militanten? Zo ja, deelt u de opvatting dat lynching een accuratere benaming is voor het incident?
Deelt u de kwalificatie van de Franse Minister van Justitie Gérald Darmanin dat Quentin «onmiskenbaar door ultra-links» is gedood?2 Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de dodelijke aanval op Quentin past in een breder patroon gericht geweld vanuit extreemlinkse hoek?3, 4 Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het dreigingsniveau ten aanzien van links-extremistisch geweld opnieuw te laten beoordelen in het licht van het Europese patroon van dodelijk extreemlinks geweld? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat de term «Antifa» in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (december 2025) niet één keer voorkomt, terwijl Antifa-gelieerde groeperingen in meerdere Europese landen aantoonbaar betrokken zijn bij zwaar geweld tegen personen?
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) te verzoeken in het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland expliciet aandacht te besteden aan gewelddadige extreemlinkse groeperingen in Europa en mogelijke spillover-effecten naar Nederland?
Wanneer kan de Kamer de toegezegde brief verwachten over de uitvoering van de motie-De Vos c.s. (Kamerstuk 36 800, nr. 47) inzake het aanmerken van Antifa als terroristische organisatie, die vóór het kerstreces van 2025 zou worden toegezonden?
Is de dodelijke aanval in Lyon voor u aanleiding om de uitvoering van bovengenoemde, door een Kamermeerderheid aangenomen, motie te versnellen?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat buitenlandse extreemlinkse militanten naar Nederland reizen om hier geweld te plegen?
Bent u bekend met het feit dat een van de verdachten van de dodelijke aanval op Quentin een parlementair medewerker is van La France Insoumise-Kamerlid Raphaël Arnault, wiens partij in het Europees Parlement aangesloten is bij de Linkse Fractie – waar tevens twee Nederlandse partijen bij zijn aangesloten, te weten de Socialistische Partij en de Partij voor de Dieren?5
Bent u tevens bekend met het feit dat Arnault zelf medeoprichter is van de wegens gewelddadig activisme ontbonden groepering La Jeune Garde?6
Wat concludeert u hieruit over de houding ten opzichte van het gebruik van geweld binnen extreemlinkse kringen?
De mogelijke betrokkenheid van door Nederland (mede) gefinancierde NGO’s bij verkiezingsprocessen in EU-lidstaten |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «German NGOs sue Elon Musk’s X again over election research data access» in EUobserver, alsmede de recente publieke uitingen van de denktank MCC Brussels over dit onderwerp?1
Kunt u bevestigen of ontkennen dat de organisatie Democracy Reporting International (DRI) samen met andere partijen juridische stappen onderneemt tegen het platform X om toegang te verkrijgen tot data in het kader van de aankomende verkiezingen in Hongarije, met een beroep op de Digital Services Act (DSA)?
Kunt u aangeven of, en zo ja in welke mate, de Nederlandse staat financiële bijdragen levert of heeft geleverd aan Democracy Reporting International? Klopt de informatie uit openbare transparantieregisters (LobbyFacts) dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de periode januari 2024–december 2024 een bedrag van 880.217 euro heeft bijgedragen aan deze organisatie?
Indien er sprake is van Nederlandse financiering, kunt u de Kamer dan een gedetailleerd overzicht doen toekomen van de specifieke doelstellingen, voorwaarden en prestatieafspraken die aan deze subsidie ten grondslag liggen? Is bij de toekenning overwogen dat deze middelen (in)direct ingezet zouden kunnen worden voor juridische procedures tegen online platforms of activiteiten rondom verkiezingen in andere Europese Unie (EU)-lidstaten?
Hoe beoordeelt u de onafhankelijkheid van niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) zoals DRI, indien blijkt dat een zeer groot deel van hun budget (volgens openbare bronnen tot 74 procent) afkomstig is van overheidsinstanties, waaronder de Duitse overheid, de EU en de Nederlandse overheid? Hoe beoordeelt u dat de bijdrage van Nederlands belastinggeld aan dergelijke NGO’s mogelijk wordt ingezet voor het beïnvloeden van verkiezingen via regulaties op sociale media betreffende termen, standpunten en visies?
Deelt u de opvatting dat NGO’s die deels direct door (lid)staten (Nederland, Duitsland) en deels indirect via staten (door de EU) worden gesubsidieerd, geen «NGO’s» zijn?
Ziet u in dat dergelijke (statelijke, of supranationale) actoren een prikkel hebben om verkiezingen bij te sturen naar een pro-EU resultaat, omdat zij «skin in the game» hebben bij verkiezingen waarover zij zich buigen?
Hoe verhoudt de inzet van de Digital Services Act (DSA) (mede) door overheden gefinancierde actoren om toegang te eisen tot gevoelige verkiezingsdata en het al dan niet censureren van politieke opvattingen en uitingen zich volgens u tot het beginsel van nationale verkiezingssoevereiniteit? Erkent u het risico dat dergelijke acties door lidstaten kunnen worden uitgelegd als een politiek gemotiveerde actie van een supranationale actor?
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor het terugfluiten van initiatieven die via «NGO’s» invloed trachten uit te oefenen op de digitale infrastructuur en het publieke debat tijdens verkiezingsperiodes in (andere) lidstaten?
Kunt u inzichtelijk maken welke parlementaire controle er op dit moment mogelijk is op de politieke activiteiten van door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gesubsidieerde internationale NGO’s? Bent u bereid de subsidierelatie met organisaties die zich op deze wijze mengen in buitenlandse verkiezingen te heroverwegen?
Heeft u zicht op de rol van NGO’s als verlengstuk van de EU in Nederland zelf? Met andere woorden; staat ons land in dergelijke gevallen altijd aan de subsidiërende (beïnvloedende?) kant, of zijn er ook signalen die suggereren, of feiten die bevestigen, dat ook Nederland getroffen is – of kan worden – door dergelijke verkiezingsbeïnvloeding vanuit organisaties als DRI?
Kunt u deze vragen afzonderlijk, compleet en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Ontslaggolf bij bedrijven in volle gang: 'Einde nog niet in zicht'' |
|
Jimmy Dijk |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «Ontslaggolf bij bedrijven in volle gang: «Einde nog niet in zicht»»?1
Ja.
Welke economische ontwikkelingen verwacht het kabinet voor de komende jaren?
Op 20 februari 2026 publiceerde het CPB de doorrekening van het coalitieakkoord. Deze werd gemaakt op basis van ramingen uit een tussenversie van het Centraal Economisch Plan 2026. De definitieve raming wordt op 12 maart 2026 gepubliceerd.
In de doorrekening van het CPB is de verwachting dat het Bruto Binnenlands Product jaarlijks met gemiddeld 1,2%-punt groeit tussen 2027 en 2030. De verwachting is dat de werkgelegenheid in gewerkte uren jaarlijks gemiddeld met 0,4%-punt stijgt tussen 2027 en 2030 en de werkloosheid in 2030 uitkomt op 4,2%. Deze cijfers kunnen duiden op een aanhoudende arbeidsmarktkrapte.
Hoelang verwacht het kabinet dat deze reorganisatiegolf nog zal duren?
In 2025 waren er volgens het UWV 42% meer meldingen collectief ontslag (Wet melding collectief ontslag) van bedrijven en organisaties die een voorgenomen reorganisatie aankondigden.2 In totaal gaat het om 355 bedrijven en waren er 25.000 werknemers bij betrokken (36% meer als ten opzichte van 2024).
Het is moeilijk te voorspellen hoe het aantal reorganisaties zich in de toekomst zal ontwikkelen. Met het oog op aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt zal er druk op bedrijven blijven bestaan om processen efficiënter in te richten en hetzelfde werk met minder personeel te doen. Dit kan nodig zijn voor bedrijven om productiever te worden en concurrerend te blijven. Dit kan mogelijk bijdragen aan een toename van het aantal reorganisaties. De reorganisatie van bedrijven biedt in tijden van krapte kansen om de allocatie van arbeid te verbeteren. Dit kan de productiviteit verhogen, wat vervolgens meer ruimte zou kunnen bieden voor loongroei. Het werkloosheidspercentage ligt historisch gezien nog steeds laag en volgens het CPB (doorrekening coalitieakkoord) zal de totale werkgelegenheid (gewerkte uren) in Nederland toenemen met gemiddeld 0,4% per jaar tussen 2027 en 2030.
Bij hoeveel bedrijven verwacht het kabinet de komende jaren ook een reorganisatie? Om hoeveel medewerkers zal dit gaan?
Er kan geen precieze schatting gemaakt worden over het aantal bedrijven dat de komende jaren gaat reorganiseren. Bij de keuze voor herstructurering van een bedrijf spelen verschillende factoren een rol, bijvoorbeeld de hoogte van kostenstijgingen, economische onzekerheid en technologische ontwikkelingen. Veel van deze factoren worden beïnvloed door mondiale ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen zijn per definitie onzeker. Hoewel een precieze schatting niet kan worden gegeven, kunnen de actuele cijfers wel worden geduid.
De cijfers van UWV laten zien dat het aantal collectieve reorganisaties sinds 2023 toeneemt, zoals aangegeven in antwoord op vraag 3. Op dit moment is er geen indicatie dat deze trend komende tijd zal veranderen. Het is aannemelijk dat het aantal reorganisaties in 2026 relatief hoog blijft. Daartegenover tonen de cijfers van het UWV een daling in het aantal faillissementen. In 2025 betrof dit ruim 2.000 bedrijven en bijna 20.000 werknemers. Desondanks blijft de arbeidsmarkt krap. Het werkloosheidspercentage ligt met 4,0% historisch gezien laag (Q4 2025). Ook het aantal vacatures per werklozen ligt met 93 vacatures per 100 werklozen hoog.
Wat doet het kabinet om de mensen die nu hun baan verliezen te begeleiden naar nieuw werk?
Wie zijn baan verliest en aan de voorwaarden voldoet, kan zich melden bij UWV voor een WW-uitkering en bijbehorende ondersteuning bij het vinden van een nieuwe baan. Wie niet aan de voorwaarden voor een WW-uitkering voldoet kan zich voor ondersteuning, en mogelijk een bijstandsuitkering, melden bij de gemeente. UWV en gemeenten richten zich daarbij op de individuele client en de ondersteuning die voor hem/haar passend is. Dit instrumentarium wordt ook aangeboden via de Werkcentra. In de Werkcentra kan daarnaast intensieve begeleiding op maat worden aangeboden aan wie dat nodig heeft, bijvoorbeeld aan oudere werkzoekenden of diegene die met behulp van scholing een baan kan vinden. Ook kunnen goede voorbeelden worden gedeeld binnen en tussen de Werkcentra. Daarnaast stimuleert het kabinet leven lang ontwikkelen in den brede, wat vervolgens de positie van mensen in de arbeidsmarkt versterkt.
Hoeveel procent van de werknemers, die de afgelopen twee jaar hun baan hebben verloren, heeft ondertussen nieuw werk gevonden?
Op basis van CBS-cijfers kan gekeken worden naar de baansituatie en WW-situatie van personen met een WW-uitkering na instroom in de WW3. Deze cijfers volgen de personen tot 2 jaar na instroom in de WW. Voor mensen die niet de WW instromen zijn geen exacte cijfers te berekenen. Hun situatie is lastig te volgen, omdat deze niet altijd bekend is. Het kan zijn dat zij niet aan de voorwaarden voldoen voor een WW-uitkering of al snel weer een nieuwe baan gevonden hebben.
Van de mensen die in 2021 instroomden in de WW heeft 66% één jaar later een werknemersbaan. Na 2 jaar is dit percentage vrijwel gelijk gebleven. Van het aantal mensen dat in 2021 instroomde in de WW heeft 67% twee jaar later een werknemersbaan. Van de totale instroom in de WW in 2021 geldt voor 77% dat zij op enig moment de WW zijn uitgestroomd én een nieuwe baan als werknemer hebben gevonden (vervolgens kan de baan- of uitkeringssituatie nogmaals veranderen, bijvoorbeeld door baanverlies of pensionering)4. Voor de mensen die in 2022 instroomden in de WW heeft 62% één jaar later een werknemersbaan. Cijfers over de baansituatie na één jaar zijn nog niet bekend.
Welke gevolgen zal de voorgenomen korting op de Werkloosheidswet (WW-)duur hebben voor de mensen die de komende jaren vanwege deze ontslaggolf hun baan dreigen te verliezen?
In het coalitieakkoord wordt voorgesteld om vanaf 1 januari 2028 de maximale WW-duur te verkorten van 24 naar 12 maanden. Bovendien wordt voorgesteld om vanaf 1 januari 2030 de opbouw van WW-rechten te vertragen. Nu geldt voor de eerste 10 jaren arbeidsverleden een opbouw van een hele maand WW-recht en voor de jaren daarna een halve maand WW-recht. Dat wordt een halve maand WW-recht voor alle jaren. Na invoering van deze maatregelen ontvangen werkloze werknemers een kortere WW-uitkering. De inkomensbescherming bij baanverlies wordt hierdoor beperkter. Overigens hecht ik eraan te benaderukken dat ik over de uitwerking van de WW-maatregelen graag in gesprek ga met sociale partners, maatschappelijke organisaties, werkzoekenden en ook met uw Kamer.
Wat vindt u van het feit dat dat bedrijven veel winst boeken, maar toch besluiten om te reorganiseren en werknemers te ontslaan?
De reorganisatie van bedrijven biedt in tijden van krapte kansen om de allocatie van arbeid te verbeteren. Er wordt gekeken of hetzelfde werk efficiënter gedaan kan worden. Dit geldt ook voor bedrijven waarbij het (relatief) goed gaat. Dit kan namelijk een bijdrage leveren aan het verlichten van de arbeidsmarktkrapte. Technologische vooruitgang vindt zijn weerslag op de arbeidsmarkt. Denk bijvoorbeeld aan de vele berekeningen die vroeger door werknemers handmatig werden gedaan, maar nu deels deels computers worden uitgevoerd. Dergelijke vooruitgang waarin het type werk zich ontwikkelt, is van belang voor economische vooruitgang. Dit is namelijk nodig voor een hogere productiviteitsgroei. Deze hogere productiviteit biedt vervolgens ruimte voor loongroei en komt daardoor deels bij de werknemers terecht.
Daarnaast is in tijden van arbeidsmarktkrapte de kans op het vinden een andere baan relatief groot. Dit neemt niet weg dat we ervoor moeten zorgen dat er geen mensen achterblijven, zelfs in zo’n goede arbeidsmarkt. Dit vergt goede begeleiding, zoals beschreven in het antwoord op vraag 5.
Een ondernemer heeft de vrijheid om, binnen de grenzen van de regelgeving, de onderneming naar eigen inzicht in te richten. Als werkgever hoeft een ondernemer niet in financiële problemen te zijn gekomen voordat hij of zij (personele) maatregelen treft. Daar mag men op anticiperen. Bij een eventuele ontslagaanvraag moet de ondernemer aan UWV wel duidelijk kunnen maken dat de maatregelen noodzakelijk zijn in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering, en dat deze maatregelen leiden tot het structureel verval van arbeidsplaatsen (over een periode van minimaal 26 weken). UWV toetst dit bij een ontslagaanvraag om bedrijfseconomische redenen marginaal. UWV toetst of de juiste ontslagvolgorde (afspiegelingbeginsel) is gehanteerd en of het aannemelijk is dat de werknemer niet binnen de redelijk termijn herplaatst kan worden. Het voorgaande neemt echter niet weg dat een reorganisatie voor de getroffen werknemers een vervelende situatie kan betekenen, met in sommige gevallen forse gevolgen voor de inkomenspositie van mensen.
Waarom bent u van plan op de WW-duur te korten terwijl de WW-pot vol zit en deze wordt gevuld door werknemers en werkgevers? Vindt u dit eerlijk?
Het verkorten van de WW-duur verbetert de overheidsfinanciën. Deze besparingen op de WW maken de gehele WW meer activerend. Hiermee wordt het arbeidsaanbod verhoogd in tijden van krapte op de arbeidsmarkt. Het kabinet kiest ervoor het activerende effect van de WW te vergroten maar ook om de WW de eerste twee maanden te verhogen naar 80%. Zo hebben werkenden meer zekerheid en rust om snel passend nieuw werk te vinden.
De aanwezigheid van fondsvermogen is geen reden om wel of niet te bezuinigen op de uitgaven die uit het fonds worden gedaan. Het kabinet kijkt naar alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten en zorgt ervoor dat het begrotingstekort blijft voldoen aan de Europese normen. Het coalitieakkoord zelf bevat zowel bezuinigingen als extra uitgaven. Extra uitgaven worden voornamelijk door het Rijk gedaan (defensie, wonen, stikstof). Een deel van de bezuinigingen vindt plaats bij uitgaven die worden gedaan bij de sociale fondsen (waaronder ook de zorgfondsen). De uitgaven van de sociale fondsen nemen hierdoor af, terwijl hun inkomsten niet veranderen of zelf toenemen.
Het kabinet is zich ervan bewust dat bij de sociale fondsen de inkomsten al een tijd lang hoger zijn dan de uitgaven. Hierdoor is, met name bij de UWV-fondsen, een flink fondsvermogen opgebouwd. Ook het vermogen van het werkloosheidsfonds is sinds 2023 weer positief. Daarmee is het vermogenstekort dat was ontstaan tijdens de financiële crisis weer ingelopen. Daarbij heeft het ook geholpen dat de NOW-regeling, die door het Rijk is betaald, tijdens de coronacrisis veel werkloosheidsuitgaven heeft voorkomen. Daarnaast kijkt het kabinet naar alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten.
Bent u het ermee eens dat het een aanval op de rechten van werknemers is om tijdens een reorganisatiegolf te gaan tornen aan de rechten van werknemers, zoals bijvoorbeeld de WW-duur? Zo nee, waarom niet?
Het coalitieakkoord geeft een duidelijke richting van het kabinet ten aanzien van de WW. Dit is geen aanval op werknemers, maar het kabinet wil wel zorgen dat iedereen die aan het werk kan gaan, dat zo snel mogelijk doet. Gelukkig doen de meeste mensen dat ook. Voor werknemers zelf is een nieuwe baan het fijnste. De aanhoudende arbeidsmarktkrapte benadrukt deze noodzaak voor onze economie. Daarnaast heeft het kabinet de opdracht voor gezonde overheidsfinanciën te zorgen. Zoals bij vraag 7 aangegeven, ga ik voor de uitwerking van de WW-maatregelen graag in gesprek met sociale partners, maatschappelijke organisaties, werkzoekenden en ook met uw Kamer.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja. Zie hierboven.
Banden tussen het World Economic Forum en Jeffrey Epstein |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Epstein, zoals uit de miljoenen vrijgegeven documenten is gebleken, banden had met het World Economic Forum (WEF) in het algemeen en de huidige voorzitter van het World Economic Forum, de heer Brende, in het bijzonder?
Ik ben ervan op de hoogte dat er contacten zijn geweest tussen Jeffrey Epstein en Børge Brende. Ik heb tevens vernomen dat de heer Brende inmiddels heeft besloten af te treden als president en CEO van het World Economic Forum.
Bent u ervan op de hoogte dat Epstein op 16 september 2018 een e-mail heeft gestuurd naar de heer Brende waarin hij stelt dat het WEF («Davos») de Verenigde Naties (VN) kan vervangen, een suggestie waar de heer Brende een dag later per e-mail positief op reageert: «Exactly – we need a new global architecture. World Economic Forum (Davos) is uniqely [sic] positioned-public private»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat, nog geen jaar later, op 13 juni 2019, de VN en het WEF een «strategisch samenwerkingsverband» hebben ondertekend voor het versneld invoeren van «Agenda 2030»?
Ja.
Bent u nog steeds van mening dat het WEF geen eigen agenda heeft en slechts een neutraal platform biedt voor discussie, of, in de woorden van oud-premier Rutte «slechts de zaaltjes regelt»?
Ja.
Bent u het eens met de voorzitter van het WEF, met andere woorden, zou de premier het ook een goede zaak vinden als het WEF de VN zou vervangen?
Het kabinet zou het geen goede zaak vinden als het WEF de VN zou vervangen, en acht dit ook onrealistisch.
Bent u, ook na het vrijkomen van de Epstein files, in navolging van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), (nog steeds) van mening dat de bewering dat er een «kwaadaardig elite» zou bestaan «feitelijk onjuist» is?
Ja, mijn mening is daarbij onveranderd. Daarbij hecht ik er aan te benadrukken dat er in de Epstein-files zelf afschuwelijke feiten aan het licht zijn gekomen en het van belang is dat er zorgvuldig onderzoek wordt gedaan in alle gevallen van seksueel misbruik. Tevens wil ik benadrukken dat het van belang is dat er erkenning is voor de slachtoffers van deze misdrijven.
Het bericht dat omwonenden van het azc in Lochem geld krijgen om hun eigen veiligheid te regelen |
|
Annelotte Lammers (PVV), Tamara ten Hove (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Klopt het dat de gemeente Lochem omwonenden en ondernemers rond het geplande asielzoekerscentrum (azc) € 1.000 wil geven om hun «gevoel van veiligheid en leefbaarheid» te vergroten?1
Bent u het eens met de stelling dat veiligheid geen taak is van burgers, maar van de overheid en dus de verantwoordelijkheid van de burgemeester?
Erkent u dat dit voorstel een impliciete erkenning is dat de komst van het azc grote veiligheidsrisico’s met zich meebrengt die de gemeente schijnbaar niet onder controle heeft? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat dit azc er dan nooit mag komen, omdat de veiligheid van de inwoners op één moet staan?
Bent u bereidt een streep door de komst van dit azc te zetten? Zo nee, bent u bereid om desnoods, in overleg met de Minister van Defensie, militairen in te zetten om de veiligheid van de inwoners te garanderen?
De naleving van de verplichting tot het registreren van nevenfuncties van hoogleraren |
|
Sandra Beckerman |
|
Moes |
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit Leiden noemt niet-gemeld nevenwerk van hoogleraar Kinneging voor pro-Orbán denktanks «uit hoofde van zijn functie»»?1
Ja.
Bent u van mening dat alle nevenfuncties, waaronder activiteiten voor denktanks in Hongarije, een docentschap in Polen en een voorzitterschap van een ANBI-stichting, opgenomen hadden moeten worden in het register voor nevenfuncties? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse Universiteiten beschrijft welke nevenwerkzaamheden meldingsplichtig zijn.2 Daarin staat dat hoogleraren transparant moeten zijn over hun nevenfuncties en hun betaalde nevenfuncties en daarnaast onbetaalde nevenfuncties waarbij sprake is van belangenverstrengeling moeten melden bij hun universiteit. Deze regeling nevenwerkzaamheden maakt deel uit van de cao Nederlandse Universiteiten als zelfstandige bijlage. De verantwoordelijkheid ligt dus primair bij de werknemers én werkgevers en ik verwacht dan ook dat zij zich aan deze regeling houden. Het is belangrijk dat het register nevenfuncties volledig, kloppend, vindbaar en actueel is.
Wat vindt u van de uitspraak van de rector magnificus van de Universiteit Leiden dat de nevenfuncties bij denktanks en als docent «uit hoofde van zijn functie zijn» en derhalve niet in het register hoeven te worden opgenomen? Wordt deze route om het register te omzeilen vaker genomen?
Werkzaamheden die behoren bij de functie van een wetenschapper worden binnen universiteiten bepaald op basis van de indeling in het functieprofiel van het Universitair Functie-Ordeningsysteem (UFO), het takenpakket zoals opgesteld door de universiteit en/of andere gemaakte afspraken. Het is dus aan de instelling om te beoordelen of werkzaamheden tot het reguliere takenpakket van de universiteit behoren. Omdat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de werkgever ligt, doe ik geen inhoudelijke uitspraken over een specifieke casus.
Signalen dat het register via deze route omzeild wordt, zijn bij mij niet bekend.
De Tweede Kamer heeft de afgelopen jaren meermalen aandacht gevraagd voor casussen waarin nevenfuncties niet of onvolledig werden geregistreerd, welke stappen zijn gezet om uitvoering te geven aan de aangenomen motie Heite c.s.?2
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer in december jl. geïnformeerd over deze stappen.4 UNL geeft aan dat zij de actuele registratie van nevenfuncties in november jl. heeft besproken met de HR-directeuren van de universiteiten en in januari jl. met de dossierhouders die de opdracht hebben om dit bestand en de publieke gegevens actueel te houden. In deze gesprekken werd het belang van een zorgvuldige registratie van nevenfuncties benadrukt. Ook geeft UNL aan dat er in 2025 aanvullende afspraken zijn gemaakt met de universiteiten. Dat waren de volgende afspraken: de universiteiten publiceren vier keer per jaar een bijgewerkt overzicht van nevenwerkzaamheden hoogleraren; de nevenwerkzaamheden van hoogleraren in het medische domein worden ook gepubliceerd; de universiteiten blijven inzetten op verbetering van het register nevenwerkzaamheden, en zullen ten minste één keer per jaar daarvoor samenkomen.
Daarnaast verwacht ik eind 2026 de vernieuwde Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit waarbij mijn voorganger extra aandacht heeft gevraagd voor transparantie, onafhankelijkheid en het vermelden van het register nevenfuncties.
Heeft de toegezegde agendering door Universiteiten van Nederland (UNL) van een actuele registratie van nevenfuncties tijdens het jaarlijkse evaluatiemoment reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hebben de toegezegde gesprekken door UNL met alle HR-directeuren van universiteiten over de actuele registratie van nevenfuncties reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er cijfers te noemen hoe vaak overtredingen de afgelopen jaren zijn geconstateerd en hoe vaak zijn er maatregelen genomen in navolging van de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024, waarin is opgenomen dat bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties, het aan de universiteit is wetenschappers hierop aan te spreken.
UNL geeft aan dat deze specifieke cijfers over overtredingen of maatregelen niet bekend zijn. Mocht er een (vermeende) schending zijn van wetenschappelijke integriteit, dan is het aan de instelling om de wetenschapper hierop aan te spreken. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er op basis van artikel 1.14 van de cao Nederlandse Universiteiten maatregelen genomen worden door de werkgever. Dit artikel verplicht werknemers om nevenwerkzaamheden te melden bij de werkgever.
Welke extra aandachtspunten aangaande de registratie van nevenfuncties worden opgenomen in de dit jaar te verschijnen nieuwe Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI)?
De NGWI is een code die wordt opgesteld en onderschreven door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenshappen (KNAW), Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de samenwerkende organisaties in toegepast onderzoek (TO2-federatie), de Universitair Medische Centra van Nederland (UMCNL), Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH). Mijn ambtsvoorganger heeft de schrijfcommissie verzocht om bij de herziening van de vernieuwde NGWI extra aandacht te besteden aan de principes transparantie en onafhankelijkheid en hierbij ook het register nevenfuncties te vermelden. Op basis van de internetconsultatie, in 2025, over de NGWI door genoemde partijen heb ik vernomen dat de schrijfcommissie het voornemen heeft om dit ook te doen.
Transparantie en onafhankelijkheid zijn cruciaal voor de wetenschap, herkent u dat het het vertrouwen in de wetenschap kan schaden wanneer nevenfuncties onvermeld blijven?
Ja, ik vind het belangrijk dat hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties en onafhankelijk hun werk kunnen doen, omdat deze transparantie bijdraagt aan het vertrouwen van de samenleving in de wetenschap.
Acht u het nodig dat de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024 moet worden aangescherpt en kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, dit acht ik niet nodig. De regeling biedt in combinatie met de NGWI als toetsingskader voldoende handvatten voor de instellingen om onder andere de principes onafhankelijkheid en transparantie van het wetenschappelijk integer handelen te waarborgen.
Overwegende dat het onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) is gefinancierd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ISN Academie, een onderdeel van de Islamitische Stichting Nederland (ISN), de Nederlandse tak van Diyanet, het Turkse Presidium voor Godsdienstzaken, dat moskeeën beheert, imams opleidt en de politieke ideologie van de AKP-partij van president Recep Tayyip Erdogan uitdraagt, waarom is gekozen voor samenwerking met Diyanet? Graag een toelichting welke overwegingen en opvattingen daaraan ten grondslag liggen.1
Volgens de wetenschapster Semiha Sözeri van de Universiteit Utrecht e.a. vormen de imams en de koranscholen van Diyanet een schild tegen wat als «assimilatiekrachten» in de Nederlandse samenleving wordt ervaren. Vindt u dat Diyanet in het licht van deze achtergrond een geschikte partner is om mee samen te werken in een onderzoek naar moslimdiscriminatie?
Overwegende dat de onderzoeken van Regioplan en de Universiteit Utrecht en van het Kennisplatform Inclusief Samenleven berusten op zeer bescheiden steekproeven (het gaat om respectievelijk 38 en 57 respondenten), en zijn aangevuld met een literatuurstudie, bent u van mening dat onderzoek met een dergelijke beperkte opzet de conclusie kan rechtvaardigen dat moslimdiscriminatie in Nederland een «structureel probleem» is? Zo ja waarom bent u die opvatting toegedaan?
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) heeft de 57 respondenten voor «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» deels geworven via een oproep op sociale media en deels gebruik gemaakt van personen die eerder meewerkten aan onderzoek van KIS; bent u van mening dat deze methode voldoende robuust is? Zo ja, waar baseert u dat op?
Wat heeft het ministerie uitgegeven aan beide onderzoeken? Meent u dat dit geld welbesteed is?
Bent u bekend met het werk van de Franse antropologe en kenner van de netwerken van de Moslimbroederschap in Europa Florence Bergeaud-Blackler, die erop wijst dat de klacht over islamofobie een cruciaal onderdeel is van een «soft power strategie» van islamistische lobbyisten? En dat deze lobbyisten steeds herhalen dat men slachtoffer is van haat en discriminatie omdat zij op die manier de kans denken te vergroten dat hun eisen voor bijvoorbeeld gebedsruimtes op scholen en hoofddoeken bij de politie worden ingewilligd? Bergeaud-Blackler waarschuwt autoriteiten om zich niet te laten lenen voor deze agenda. Wat vindt u van deze analyse?
Het bericht 'Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer maar regeling voelt als mager compromis' |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer, maar regeling voelt als mager compromis»?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Kunt u toelichten hoe dit bericht zich verhoudt tot het aangenomen amendement-Mutluer/Van Nispen, dat beoogt te komen tot een gelijkwaardige en uniforme landelijke ondersteuning en regeling voor brandweerlieden met PTSS, waarvoor 1,75 miljoen euro is vrijgemaakt?2
Kunt u gespecificeerd uiteenzetten wat er met deze middelen is gebeurd? Waaraan zijn ze concreet besteed?
Welke PTSS-regeling is voorts per 1 januari 2026 ingevoerd? Kunt u de kernonderdelen van deze regeling beschrijven? Is deze regeling zowel voor brandweerlieden als voor vrijwilligers begrijpelijk, uitvoerbaar en snel toegankelijk?
Klopt het dat in tegenstelling tot regelingen voor politie en defensie, in de PTSS-regeling voor brandweerpersoneel geen recht op automatische immateriële schadevergoeding (smartengeld) is opgenomen en dat de hoogte van eventuele vergoeding afhankelijk blijft van de specifieke veiligheidsregio (25 regio’s)? Zo ja, waarom is hiervan afgeweken en welke overwegingen hebben tot deze keuze geleid? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat hierdoor rechtsongelijkheid kan ontstaan? Zo ja, welke maatregelen treft u om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is de financiering zoals voorzien in het amendement-Mutluer/Van Nispen, toereikend voor de daadwerkelijke uitvoering van een landelijke regeling? Welke signalen ontvangt u van veiligheidsregio’s over uitvoerbaarheid en kosten? Wat is er (financieel) nodig om te komen tot een regeling die daadwerkelijk uniform en gelijkwaardig is, inclusief een vorm van immateriële schadevergoeding?
Welke activiteiten onderneemt u om ervoor te zorgen dat ook vrijwilligers binnen de veiligheidsregio’s op gelijke wijze kunnen profiteren van de regeling en dat eventuele praktische belemmeringen bij hun toegang tot ondersteuning worden weggenomen?
Het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann |
|
René Claassen (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann waarin wordt gesteld dat meerdere theaters en zalen onder druk zijn gezet door linkse actiegroepen vanwege geplande optredens van Rogier Kahlmann en dat dit in diverse gevallen heeft geleid tot de annulering van voorstellingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat culturele instellingen door georganiseerde druk en dreigementen worden bewogen om programmering aan te passen of te schrappen?
Ik zie dit als een ongewenste en zorgwekkende ontwikkeling die de artistieke vrijheid van makers en culturele instellingen onder druk zet. Artistieke vrijheid vormt een fundament van onze democratische rechtstaat, waarin iedereen de ruimte moeten krijgen om zichzelf te uiten, ook als dit schuurt.
Deelt u de opvatting dat het intimideren van podia en programmeurs vanwege de inhoud van een voorstelling een ernstige aantasting vormt van de artistieke vrijheid en de vrijheid van meningsuiting?
Ja, die opvatting deel ik.
In hoeverre acht u het wenselijk dat een kleine, activistische linkse minderheid via dreiging met klachten, reputatieschade of meldingen bij instanties feitelijk een veto kan uitspreken over culturele programmering?
Culturele instellingen hebben de vrijheid om zelf te bepalen wie zij wel of niet programmeren. Burgers hebben de vrijheid om iets van deze programmering te vinden, maar dat moet wel op een correcte wijze. Ik acht iedere inmenging die culturele instellingen onder druk zet om hun keuzes aan te passen onwenselijk.
Kunt u aangeven of en hoe vaak gesubsidieerde culturele instellingen zich bij uw ministerie hebben gemeld vanwege druk, bedreiging of intimidatie rondom programmering in de afgelopen jaren?
Er zijn mij enkele incidenten bekend van door OCW gesubsidieerde culturele instellingen die te maken kregen met druk, bedreiging of intimidatie vanwege hun programmering. Bezien vanuit een breder perspectief constateer ik dat makers en culturele instellingen druk ervaren op hun artistieke vrijheid, bijvoorbeeld in polariserende discussies over programmeringskeuzes. Deze signalen ontving de Raad voor Cultuur ook en bewogen hem ertoe om een advies uit te brengen over artistieke vrijheid, dat de Raad 21 januari jl. aan uw kamer heeft aangeboden.2 Op dit moment bereid ik een reactie op dit advies voor.
Welke verantwoordelijkheid ziet u voor de overheid om culturele instellingen te beschermen tegen ongeoorloofde druk en intimidatie, juist wanneer deze instellingen afhankelijk zijn van publieke middelen?
Ik vind het belangrijk een inclusieve, pluriforme en toegankelijke culturele sector te waarborgen. Als de samenleving polariseert en de spanningen toenemen, moet de culturele en creatieve sector een veilig podium blijven bieden voor het vrije woord, artistieke expressie en dialoog. Om instellingen hierin te ondersteunen heeft mijn ambtsvoorganger de Handreiking Weerbare Cultuursector3 van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt. Deze handreiking en het onderliggende onderzoek bieden culturele instellingen houvast om zorgvuldige afwegingen te maken in de dynamiek van maatschappelijke spanningen, polarisatie en toenemende druk om positie te kiezen.
Deelt u de zorg dat het normaliseren van dergelijke actiemethoden leidt tot zelfcensuur binnen de culturele sector, waarbij instellingen uit angst voor repercussies bepaalde artiesten of thema’s mijden?
Ik deel de zorg dat acties die culturele instellingen onder druk zetten bepaalde keuzes te maken de druk op de artistieke vrijheid vergroot. In tijden van maatschappelijke spanningen en polarisatie is het daarom extra belangrijk om culturele instellingen handvatten te bieden voor de omgang met maatschappelijke druk. Hiervoor heeft mijn voorganger onlangs de handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt.
Bent u bereid in overleg te treden met de culturele sector over richtlijnen of ondersteuning voor instellingen die te maken krijgen met georganiseerde intimidatie of dreiging rondom hun programmering?
Hierover ben ik reeds in gesprek met de sector. De handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut is het resultaat van een onderzoek dat tot stand is gekomen aan de hand van meerdere gesprekken met de sector.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om culturele instellingen te beschermen tegen druk en intimidatie rondom hun programmering?
Ik neem dit onderwerp zeer serieus. Daarom beraad ik me op dit moment goed op het eerder genoemde advies van de Raad voor Cultuur over artistieke vrijheid. Ik zal in mijn reactie op dit advies ook ingaan op de druk en intimidatie rondom programmering van culturele instellingen.