Structureel falen bij de behandeling van meldingen van sextortion en zedenzaken |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten in onder meer Tubantia, Omroep Gelderland, Dagblad van het Noorden en De Telegraaf over de zaak rond Mark S., waarin meerdere slachtoffers aangeven herhaaldelijk aangifte te hebben gedaan maar niet serieus te zijn genomen?1
Deelt u de opvatting dat wanneer meerdere meldingen over een langere periode binnenkomen over dezelfde persoon wegens seksuele afpersing of zedendelicten, dit automatisch moet leiden tot verscherpte beoordeling, verdiepend onderzoek, centrale coördinatie en escalatie? Zo ja, hoe is dit geborgd? Zo nee, waarom niet?
Bestaat er binnen de politie een landelijk werkend systeem dat herhaalde meldingen tegen dezelfde persoon (bij verschillende eenheden) ook als eerdere aangiften niet tot vervolging hebben geleid automatisch signaleert en samenbrengt? Zo ja, hoe wordt voorkomen dat signalen desondanks gefragmenteerd blijven en dus ongezien met alle gevolgen voor slachtoffers? Zo nee, acht u dat verantwoord bij ernstige zedendelicten? En (hoe) bent u bereid om dat in overleg me de politieleiding te veranderen?
Zijn er binnen de politie specifieke en eenduidige richtlijnen voor de behandeling van herhaalde aangiften van minderjarige slachtoffers van seksuele afpersing, mede gelet op hun kwetsbare positie? Zo nee, waarom ontbreken deze en welke maatregelen worden genomen om deze alsnog vast te stellen? Zo ja, worden deze richtlijnen in de praktijk nageleefd?
Kunt u uiteenzetten welke criteria worden gehanteerd bij de keuze om in zedenzaken te volstaan met een zogenoemd «stopgesprek»? Wordt daarbij standaard een risicotaxatie uitgevoerd? Wordt standaard onderzocht of er mogelijk meerdere slachtoffers zijn? Vindt structurele monitoring plaats? Indien dit niet het geval is, waarom wordt dit instrument dan toegepast bij (ernstige) verdenkingen?
Bent u bereid onderzoek te doen naar de effectiviteit van stopgesprekken in zedenzaken, met name bij seksuele afpersing en digitale uitbuiting? Zo nee, waarom niet en waarom wordt een dergelijk ingrijpend instrument zonder onderbouwde effectiviteitsanalyse dan ingezet?
Hoe wordt binnen de politie geborgd dat slachtoffers van sextortion niet secundair worden gecriminaliseerd wanneer zij onder dwang seksueel beeldmateriaal hebben vervaardigd? Bestaan hier expliciete instructies voor? Zo nee, vindt u dat die er moeten komen?
Klopt het dat slachtoffers van zedendelicten bij het doen van aangifte nog altijd worden ontmoedigd, weggestuurd met de opmerking «negeer het» of geconfronteerd met hoge bewijsdrempels voordat tot onderzoek wordt overgegaan? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van sextortion en digitale seksuele uitbuiting de afgelopen drie jaar zijn gedaan, hoeveel daarvan minderjarigen betroffen en in hoeveel gevallen sprake was van meerdere meldingen tegen dezelfde verdachte? Hoeveel van deze meldingen zijn uiteindelijk opgepakt?
Acht u de huidige capaciteit en digitale expertise van de zedenrecherche toereikend in verhouding tot de toename van online seksuele uitbuiting? Zo nee, welke acties worden het komende jaar ondernomen om dit te verbeteren?
Deelt u de opvatting dat «slachtoffers centraal» alleen betekenis heeft als herhaalde meldingen automatisch leiden tot verdiepend onderzoek, ook wanneer bewijscomplexiteit groot is? Hoe kan dit uitgangspunt concreet geborgd worden in beleid en uitvoering?
Welke concrete maatregelen gaat u ondernemen ten aanzien van langdurige sextortionzaken, gericht op: verplichte patroonherkenning, escalatie bij herhaalde meldingen, versterkte bescherming van minderjarigen, en het voorkomen van secundaire victimisatie?
Een MIVD-rapport |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Tweede Kamer, vertrouwelijk, het rapport inzien dat door de MIVD in juni 2022 is verstuurd naar de CIA over een Oekraïens plan om de Nord Stream-gaspijpleiding op te blazen? Zo nee, waarom niet?
Over de inlichtingen, bronnen, werkwijze en samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten van de MIVD worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. In het algemeen geldt dat de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) vertrouwelijk worden geïnformeerd. De CTIVD heeft daarnaast toegang tot de systemen van de diensten en kan gevraagd en ongevraagd rapporteren over het werk van de diensten.
Welke Nederlandse instanties kunnen dit MIVD-rapport (wel) inzien? Kan de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en/of de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten dit rapport (vertrouwelijk) inzien?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan de Tweede Kamer het kabinet controleren als het, ook op vertrouwelijke basis, rapporten van de inlichtingendiensten niet mag inzien en/of als het kabinet zelfs het (wel of niet) bestaan van rapporten van Nederlandse inlichtingendiensten weigert te erkennen?
De diensten kunnen hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen. Uw Kamer wordt over de vertrouwelijke aspecten van de werkzaamheden van de diensten via de geëigende kanalen geïnformeerd.
Massale fouten in vonnissen |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het aantal naamfouten in strafvonnissen veel groter is dan tot nu toe bekend was en dat volgens klokkenluiders de betrokken administratiedienst Justid jarenlang onwettig gegevens heeft aangepast?1 Zo ja, klopt dit bericht?
Klopt de veronderstelling dat het aantal naamfouten in vonnissen mogelijk zo’n 50.000 gevallen betreft? Wat bent u van plan om hierop te ondernemen?
Hoe vindt u dit zich verhouden tot het fundamentele uitgangspunt dat de strafrechter, en niet een uitvoerende dienst zoals Justid, rechtens vaststelt wie voor welk strafbaar feit verantwoordelijk gehouden wordt?
Zijn er daadwerkelijk betrokkenen door dit soort fouten onterecht in detentie genomen? Zo ja, om hoeveel mensen gaat het? Bent u bereid om per omgaande te onderzoeken of er hierdoor mensen onterecht gedetineerd zijn en hoe gaat u om met de concrete gevolgen van deze onterechte detenties? Op welke materiële/immateriële ondersteuning kunnen onterecht gedetineerde mensen rekenen?
Hoeveel mensen zijn als gevolg van deze praktijk ten onrechte op vrije voeten gebleven? Hoe gaat u ervoor zorgen dat het recht alsnog zijn beloop neemt?
Klopt het dat eerdere signalen van medewerkers zijn genegeerd? En wat is er gedaan met de onderzoeken van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk? Is er intern onderzoek gedaan naar deze naamfouten?
Klopt het dat sprake is van een angstcultuur bij Justid? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Bent u van plan te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is geweest van een angstcultuur bij Justid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer over uw bevindingen informeren? Bent u bereid om onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de sociale veiligheid op de werkvloer van Justid en hoe klokkenluiders beschermd worden?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dergelijke fouten voortaan worden voorkomen?
Toezichtrapport 83 |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Is het correct dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) op pagina 9 van Toezichtrapport 83 het volgende schrijft: «De CTIVD heeft door middel van zelfstandig onderzoek in de systemen van de AIVD vastgesteld dat binnen de onderzoeksperiode personen onderwerp van onderzoek zijn geweest die kritiek hadden geuit op het coronabeleid.»?
De parlementaire enquêtecommissie van de Tweede Kamer heeft de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) verzocht te verkennen of er aanleiding is om onderzoek te doen naar het handelen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gericht op critici van en protest tegen coronabeleid.
De CTIVD vat op pagina 3 het volgende samen: «De CTIVD heeft vastgesteld dat het louter uiten van coronakritiek in geen enkel geval aanleiding is geweest onderzoek te doen. In alle gevallen was er sprake van een vermoeden van een dergelijk gevaar dat voortkwam uit uitspraken of gedragingen. Deze uitspraken of gedragingen waren bijvoorbeeld gericht op geweld, het verspreiden van angst of desinformatie, het zaaien van haat of een combinatie van het voorgaande. Gezien het felt dat de diensten een taak hebben om vast te stellen of een vermoedelijke dreiging voor de nationale veiligheid, de democratische rechtsorde of defensiebelangen zich ook daadwerkelijk voordoet, waren er gegronde redenen om deze personen te onderzoeken.»
Op pagina 19 concludeert de CTIVD De diensten hebben de wettelijke taak om onderzoek doen naar personen die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, democratische rechtsorde of voor defensiebelangen. Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat in de onderzoeksperiode anti-overheids-extremisme onderdeel uitmaakte van deze taak. In dat kader hebben de diensten ook onderzoek gedaan naar personen, waarbij ook personen zijn onderzocht die zich kritisch hebben uitgelaten over het coronabeleid. Bij geen van deze personen was die kritiek als zodanig de aanleiding om een onderzoek te starten of bevoegdheden in te zetten.»
Wat vindt u hiervan? Is het wenselijk, in een (formeel) vrije en open samenleving, dat kritische burgers door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in de gaten worden gehouden simpelweg omdat ze kritisch zijn op het regeringsbeleid?
Dit wordt niet door de CTIVD geconcludeerd. Zie antwoord op vraag 1.
Is het correct dat de CTIVD in dit rapport concludeert dat coronacritici onderzocht mogen worden door de inlichtingendiensten als hun kritiek wordt gezien als een vorm van «desinformatie» of een «complottheorie»?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 1. Daarnaast benoemt de CTIVD dat de diensten personen in onderzoek nam, enkel wanneer zij aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormden voor de nationale veiligheid, de democratische rechtsorde of voor defensiebelangen, zoals wettelijk vastgesteld in de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) 2017.
Kunt u een lijst verschaffen met beweringen van coronacritici die door de inlichtingendiensten worden gezien als «desinformatie» of een «complottheorie» en daarmee een onderzoek door de inlichtingendienst naar de Nederlandse burger die die kritiek uit kan rechtvaardigen?
De AIVD kan onderzoek doen zoals beschreven in de WIV 2017. Het is casusafhankelijk of dit in een individueel geval aan de orde is en over de werkwijze die daarbij wordt gehanteerd kan vanwege dezelfde WIV 2017 geen mededeling worden gedaan.
Bent u van mening dat een machtig internationaal netwerk dat gebruik maakt van (seksuele) chantage als drukmiddel (bijvoorbeeld het netwerk van Jeffrey Epstein) een gevaar kan opleveren voor onze democratische rechtsorde?
Er is sprake van een dreiging voor de democratische rechtsorde wanneer de democratische rechtstaat en de open samenleving onder druk staat. Of er sprake is van een gevaar voor de democratische rechtsorde is afhankelijk van de daadwerkelijke gedragingen die worden ondernomen en welke intenties daar achter zitten.
Verricht de AIVD onderzoek naar dit soort netwerken in het algemeen en het netwerk van Epstein in het bijzonder? Zo nee, waarom niet?
Vanwege de WIV 2017 kan ik, in het openbaar geen uitspraken doen over al dan niet lopende onderzoeken bij de diensten.
Zou de AIVD, wat u betreft, onderzoek moeten doen naar dit soort internationale machtsnetwerken die een gevaar kunnen vormen voor onze democratische rechtsorde? Meer specifiek: zou de AIVD niet veel en veel beter onderzoek kunnen gaan doen naar bijvoorbeeld het netwerk van Epstein en de mogelijk corrumperende werking daarvan op onze democratie in plaats van kritische burgers die waarschuwen voor dit soort netwerken (van kwaadaardige elites welteverstaan) te onderzoeken omdat deze kritische burgers daarmee «complottheorieën» aanhangen en een «kwaadaardig elite-narratief» verspreiden?
De AIVD kan, op basis de WIV 2017, onderzoek verrichten met betrekking tot alle organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de nationale veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat.
De aanhouding van een man in de binnenstad van Tiel wegens het zwaaien met een wapen vanuit een woningraam |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Man aangehouden in Tielse binnenstad, zou met wapen uit raam hebben gezwaaid»?1
Klopt het dat in de woning van betrokkene zowel een vuurwapen als een luchtdrukwapen zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen?
Heeft de politie signalen of meldingen ontvangen dat het wapen vanuit de woning is gericht in de richting van de vrouweningang van de Stichting Ahmet Yesevi Moskee in Tiel? Zo ja, wordt dit betrokken bij het strafrechtelijk onderzoek en de duiding van het incident?
Wordt in het onderzoek expliciet bezien of sprake is van een mogelijk haatmotief of gerichte intimidatie van een religieuze instelling, en welke maatregelen zijn genomen om de veiligheid van bezoekers van de moskee te waarborgen?
Het artikel 'Verpleeghuisbewoners opsluiten mag niet meer: ook mensen met dementie zijn bovenal vrije burgers' |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? zo ja wat vindt u hiervan?1
Ja. Het bericht geeft een juiste weergave van de bedoeling van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) met betrekking tot het openen van deuren en het inzetten van vormen van gedwongen zorg. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel (ultimum remedium) worden verleend als er sprake is van ernstig nadeel en er geen mogelijkheden meer zijn voor vrijwillige zorg. Daarbij geeft het artikel de emotie weer die het openen van deuren voor familie en naasten soms met zich meebrengt, waarbij het gevoel dat een cliënt niet veilig is en risico’s loopt een grote rol speelt. Tegelijkertijd hebben cliënten het recht op de vrijheid om te gaan en staan waar zij willen. Ik zie ook dat cliënten en hun familie en naasten steeds vaker aangeven dat risico’s bij het leven horen en het volledig proberen risico’s uit te sluiten (bijvoorbeeld door deuren gesloten te houden) niet bijdraagt aan de kwaliteit van leven van de cliënt. En iemand insluiten raakt cliënten, maar óók zorgverleners. Daarom moeten de zorgprofessionals altijd onderzoeken of er vrijwillige of minder ingrijpende oplossingen zijn. Indien er écht geen andere oplossing is dan de deur sluiten, dan moet dit zo kort mogelijk, zorgvuldig en in nabijheid van een zorgprofessional plaatsvinden. En altijd op basis van een wettelijke grondslag, in dit geval de Wzd. Het is belangrijk dat zorgprofessionals goed in gesprek blijven met cliënten, familie en naasten over dit onderwerp en de afwegingen die daarbij worden gemaakt delen.
Kunt u een actueel beeld geven van het aantal verpleeghuizen dat sinds 2020 met een opendeurenbeleid werkt en het aantal verpleeghuizen waar dat nog niet het geval is?
Nee, ik heb geen inzicht in de aantallen verpleeghuizen met een zogenoemd open deurenbeleid. Ieder verpleeghuis dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden. In het kader van opendeurenbeleid is dat de Wzd.
Kunt u de geest van de beweging achter het opendeurenbeleid schetsen en welke verandering vraagt dit van bestuurlijk Nederland in de langdurige zorg?
Ieder mens heeft het recht om in vrijheid te leven en eigen keuzes te maken: zelf beslissen hoe je de dag doorbrengt en waar je woont. Dit recht geldt ook voor mensen met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening, zoals dementie, die (langdurige) zorg ontvangen. Van zorgorganisaties mag worden verwacht dat zij zich maximaal inzetten om mensen in staat te stellen het leven naar eigen inzicht in te richten. Het gedeelde beeld2 is dat een duidelijke focus op het openen van deuren zal helpen in het vergroten van eigen regie en vrijheid. De ervaring is dat wanneer de cliënt zijn of haar leven zoveel mogelijk naar eigen inzicht kan inrichten en daarbij wordt aangesloten bij de behoeften en (vroegere) gewoonten van de cliënt er meer vrijheid wordt ervaren. Het nauw betrekken van familie en naasten is hierbij van groot belang. Het streven naar meer vrijheid is een van de pijlers van de Wzd. Steeds meer zorgaanbieders zijn daarom al aan de slag om deuren te openen. Het meer openen van deuren is één van de manieren om vrijheid te vergroten.
Tegelijkertijd wordt ook niet gevraagd van zorgorganisaties om alle deuren zonder meer te openen. Als er bij mensen met dementie ernstig nadeel optreedt als zij de veilige setting van een afdeling of locatie verlaten, mag deze deur gesloten blijven. De Wzd vraagt om een zorgvuldige en individuele afweging.
De meest betrokken veldpartijen (zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) hebben met de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wzd (december 2023) afgesproken zich ervoor in te zetten om het openen van deuren te stimuleren, hier aandacht aan te besteden en het lerende effect tussen zorgaanbieders en professionals te versterken. Vilans heeft hieraan bijgedragen met onder andere de campagne «Een deur kan op veel manieren open»3 als onderdeel van een breder Wzd-programma 2023–2025.
Welke factoren helpen volgens u om de invoering van het opendeurenbeleid te versnellen, en waar liggen nog kansen voor ondersteuning van de VVT-sector en het voeren van de maatschappelijke dialoog hierover?
Vilans heeft met het programma «Een deur kan op veel manier open» zorgorganisaties geholpen bij het openen van deuren, inclusief de daarbij horende afwegingen. Ook heeft Vilans in 2025 de week van de passende vrijheid georganiseerd. In deze week stond het verminderen van gedwongen zorg door teamleren, praktijkvoorbeelden en het openen van deuren centraal. Het programma heeft een belangrijke stimulans gegeven aan het bieden van vrijheid door het openen van afdelingen en aan meer persoonsgerichte zorg. In het kader van de doorlopende kennisfunctie van Vilans worden de kennisproducten over het openen van deuren onderhouden en blijvend onder de aandacht van de zorgprofessionals gebracht door Vilans4.
Welke goede voorbeelden zijn er die laten zien hoe de Wet zorg en dwang nageleefd kan worden in de context van VVT-organisaties en het niet hebben van de gesloten afdeling?
Vanuit de praktijk zijn in de afgelopen jaren diverse methodieken en kennisproducten ontwikkeld die zorgverleners helpen bij het zoeken naar alternatieven voor gedwongen zorg. Zo zijn er goede voorbeelden van aanbieders die de komst van de Wzd hebben aangegrepen om te starten met «opendeurenbeleid», waardoor bewoners met dementie meer vrijheid hebben gekregen om naar buiten te gaan voor een wandeling. Een goed voorbeeld hiervan is De Vijverhof5, maar ook zorgaanbieder Aafje heeft een stappenplan ontwikkeld om het opendeurenbeleid in de dagelijkse praktijk te laten werken6. Op de website van Vilans zijn meer goede voorbeelden te vinden7.
Hoe zet de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) haar toezicht momenteel in om instellingen te helpen tempo te maken, en welke lessen komen daaruit naar voren?
In 2024 zag de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat het insluiten van cliënten of patiënten in alle zorgsectoren nog vaak voorkomt. Het aantal registraties van afgesloten deuren stijgt elk jaar8. De IGJ maakt zich zorgen over deze ontwikkeling en besloot thematisch toezicht9 uit te voeren op de gesloten deuren. In 2025 bezocht de IGJ ruim 100 instellingen in de gehandicaptenzorg, verpleeghuiszorg, geestelijke gezondheidszorg en jeugdhulp. De inspecteurs zijn zonder aankondiging bij instellingen langsgegaan, om te kijken of zij de deuren hebben geopend. En als de deuren toch dicht zijn of de besluitvorming en uitvoering wel zorgvuldig verlopen. Eind maart 2026 publiceert de IGJ vanuit het thematisch toezicht een Infographic met de succesfactoren en knelpunten voor het openen van de deuren. Daarnaast organiseert de IGJ eind maart drie webinars om de bevindingen vanuit de bezoeken te delen met zorgaanbieders. Ook vertellen enkele zorgaanbieders tijdens deze webinars over hun ervaringen met het openen van de deuren.
Is bekend hoe mensen met dementie, familieleden en medewerkers het opendeurenbeleid na verloop van tijd ervaren?
Vanuit het Ministerie van VWS wordt veelvuldig gesproken met cliëntenorganisaties, cliëntenvertegenwoordigers, ervaringsdeskundigen, naasten en de organisatie voor cliëntenvertrouwenspersonen (Stemgever) over gedwongen zorg. Het is bekend dat familieleden en naasten een open deur niet altijd als veilig ervaren en soms ook in situaties terechtkomen waarin zij regelmatig dierbaren moeten zoeken en ophalen. Tegelijkertijd horen we dat de kwaliteit van leven van cliënten erop vooruitgaat als zij zich meer in vrijheid kunnen bewegen. Het is van belang dat zorgprofessionals in overleg met de familie en naasten van een cliënt een goede afweging maken. Om deze afweging zorgvuldig voor elke individuele cliënt te kunnen maken heeft Vilans in 2024 een handreiking10 gemaakt ter ondersteuning van zorgprofessionals. Vilans heeft over de handreiking actief gecommuniceerd naar zorgprofessionals, onder andere via hun nieuwsbrief over gedwongen zorg.
Hoe verhoudt de beweging in de langdurige zorg zich tot de geest van de Wet zorg en dwang in de context van het ziekenhuis (en de geslotenheid van bijvoorbeeld geriatrieafdelingen)?
Het uitgangspunt van de Wzd is dat gedwongen zorg alleen wordt toegepast als uiterste middel en er geen mogelijkheden meer zijn voor vrijwillige zorg. Dit uitgangspunt geldt ook in het ziekenhuis.
Als een cliënt in het ziekenhuis wordt opgenomen met een zorgplan waarin gedwongen zorg, zoals bepaald in de Wzd, is opgenomen, dan mag het ziekenhuis de in het zorgplan opgenomen gedwongen zorg verlenen. De zorgverlening vindt dan plaats op basis van dat plan dat een andere zorgaanbieder dan het ziekenhuis heeft gemaakt.
Als een cliënt in het ziekenhuis wordt opgenomen zonder een zorgplan met gedwongen zorg, maar er toch gedwongen zorg moet worden verleend, kan worden teruggevallen op de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo). Een voorbeeld is het beperken van de bewegingsvrijheid, waarbij de cliënt de afdeling niet mag verlaten. Het gaat in deze situaties namelijk altijd om een korte opname in een ziekenhuis, gericht op geneeskundige behandeling. Een arts in het ziekenhuis en een cliënt die wordt opgenomen, sluiten – juridisch gezien – een «behandelingsovereenkomst.» Een oudere cliënt met bijvoorbeeld dementie kan veelal zelf geen toestemming geven voor verrichtingen ter uitvoering van die behandelingsovereenkomst, ook niet als zijn bewegingsvrijheid moet worden beperkt. De zorgverlener heeft dan toestemming nodig van de vertegenwoordiger van de cliënt, tenzij onverwijlde uitvoering van de verrichting kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de cliënt te voorkomen.
Hoe kunt u vanuit de systeemverantwoordelijkheid ruimte creëren richting zorgorganisaties om meer te kijken naar de individuele levenskwaliteit? En wat is de rol van het zorgkantoor in het faciliteren en toetsen hiervan?
De Wzd gaat juist over beslissingen per individu: de inzet van gedwongen zorg is dan ook per cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. Ook bespreekt de IGJ, als toezichthouder, met een zorgaanbieder of er een individuele afweging gemaakt is en of aantoonbaar is waarom een cliënt op een gesloten afdeling moet verblijven. Mocht blijken dat deze individuele afweging niet is gemaakt en/of niet aantoonbaar in het zorgdossier van de cliënt is vastgelegd, vraagt de IGJ om een verbetermaatregel bij de zorgaanbieder. De zorgaanbieder moet dan binnen een gegeven termijn aantonen dat hierover het gesprek is gevoerd met de cliënt(vertegenwoordiger), alle bij de cliënt betrokken disciplines en deze afweging is vastgelegd in het zorgdossier.
Een zorgkantoor en een zorgverzekeraar hebben een zorgplicht. Dit houdt in dat zij zich moeten inspannen en zoveel mogelijk moeten doen om het recht van de cliënt (de verzekerde) op passende (gedwongen) zorg te realiseren. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het verlenen van goede en passende zorg aan de cliënt. Dit kan ook, met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving, een vorm van gedwongen zorg betreffen.
Hoe ziet u de rol van de Specialist Ouderengeneeskunde in deze ontwikkeling en hoe kunnen zij hier nog beter in ondersteunen? En wat kunt u doen om hen hierin te faciliteren?
Ook de beroepsvereniging Verenso heeft de Bestuurlijke Afspraken Uitvoering Wzd ondertekend en zich daarmee gecommitteerd aan de afspraken over het openen van deuren. De kennisproducten en opleidingspagina11 van Vilans bieden ook voor specialisten ouderengeneeskunde handvatten bij het implementeren van het opendeurenbeleid. Specialisten ouderengeneeskunde hebben in het besluitvormingsproces ten aanzien van gedwongen zorg voor een cliënt vaak de rol van deskundige of Wzd-functionaris. Vanuit deze rollen kunnen zij het opendeurenbeleid bij hun zorgorganisatie stimuleren, waarborgen en het belang daarvan uitleggen.
Wat is uw rol als bewindspersoon in het voorkomen dat we terugvallen op het systeem van de gesloten afdeling en/of op zoek gaan naar een nieuwe vorm voor een soortgelijk systeem van collectieve veiligheid boven individuele levenskwaliteit bij toekomstige incidenten?
Terecht wordt gesteld dat voorkomen moet worden dat bij toekomstige incidenten teruggevallen wordt op het systeem van de gesloten afdeling of andere vormen van collectieve veiligheid die een onevenredige inbreuk maken op de individuele levenskwaliteit. Daarmee wil ik niet zeggen dat een gesloten afdeling per definitie verkeerd is, maar dat in alle gevallen sprake moet zijn van een zorgvuldige individuele afweging om ernstig nadeel te voorkomen. Plaatsing op een gesloten afdeling mag nooit een automatisme zijn, de Wzd biedt het wettelijk kader om cliënten hiertegen te beschermen. Ik zie het als mijn rol om deze belangrijke waarborgen te bewaken, ook bij aanpassing van de wetgeving12. Hierbij handel ik conform de Grondwet en de voor Nederland geldende internationale mensenrechtenverdragen. De bescherming van fundamentele rechten, waaronder het recht op persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit, is daarbij leidend.
Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat het wettelijk kader zo is ingericht dat rechtsbescherming en veiligheid duurzaam met elkaar in balans blijven.
Het bericht ‘Hamas heeft ook bij Nederlandse hulporganisaties zoals Oxfam Novib stevige vinger in de pap’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hamas heeft ook bij Nederlandse hulporganisaties zoals Oxfam Novib stevige vinger in de pap»?1
Ja.
Klopt het dat Nederlands belastinggeld mogelijk bij Hamas terecht is gekomen zoals NGO Monitor, een Israëlische waakhond, stelt? Zo ja, hoe groot acht u de kans dat dit is gebeurd en hoe beoordeelt u dit feit? Zo nee, wat is er volgens uw informatie wel gebeurd?
Er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van NGO Monitor steunt.
Het kabinet heeft vertrouwen in de neutraliteit en onafhankelijkheid van het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke contexten als Gaza waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties, op orde zijn. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor2, 3 en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor.4, 5
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling kan zijn dat terroristische organisaties zoals Hamas, al dan niet indirect, gefinancierd worden met Nederlands belastinggeld? Zo nee, waarom niet?
Ja.
In het coalitieakkoord «Aan de slag» is afgesproken dat er tevens wordt ingezet op samenwerking met andere hulporganisaties in de regio. Welke kansen ziet u om de hulpverlening te diversificeren en bent u bereid om hiermee aan de slag te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft zich inzetten voor humanitaire hulp in de regio, en zet daarbij in op de ondersteuning van verschillende professionele hulporganisaties, waaronder de Verenigde Naties, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de Dutch Relief Alliance. Nederland ondersteunt deze organisaties met ongeoormerkte, flexibel inzetbare bijdragen. Dit stelt de organisaties in staat snel, wendbaar en doelgericht hulp te bieden, óók in de Palestijnse gebieden. Daarnaast steunt Nederland ook crisis-specifieke fondsen, namelijk de Country-Based Pooled Funds (CBPF’s), waarmee de VN snel en gecoördineerd steun kan verlenen aan hulporganisaties die in een door crisis getroffen gebied actief zijn, waaronder ook in de Palestijnse gebieden. Via deze fondsen worden middelen gealloceerd aan partners die bekend zijn met de context, zoals (internationale) ngo's, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de VN.
Kunt u een overzicht geven van de totale financiële middelen die in de afgelopen vijf jaar vanuit Nederland via de Dutch Relief Alliance (DRA) beschikbaar zijn gesteld voor hulpverlening in de Gazastrook?
Ja.
1. Gaza Humanitarian Joint response project 2021
25-06-2021 – 24-12-2021
EUR 2 mln.
2. Gaza Humanitarian Joint response project 2023–2024
14-10-2023 – 13-10-2024
EUR 7 mln.
3. Gaza Humanitarian Joint response project 2025
24-01-2025 – 23-10-2025
EUR 3 mln.
4. Gaza Humanitarian Joint response project 2025–2026
24-10-2025 – 23-07-2026
EUR 3 mln. (is nog lopend)
Project nummer 2 was een DRA response voor 2 miljoen euro waarop de DRA op 14 november 2023 een aanvullende bijdrage van 5 miljoen euro ontving van de Nederlandse overheid. Dit betreft een totaalbedrag van 7 miljoen euro en niet 10 miljoen euro zoals wordt vermeld in het rapport van «NGO Monitor».
Welke bedragen zijn er voor de komende jaren begroot of reeds gereserveerd voor de uitvoering van projecten door de DRA in de Gazastrook?
Zie antwoord op vraag 5. Behalve het deels nog uit te voeren project nummer 4, zijn er voor de komende jaren geen fondsen begroot of gereserveerd voor de uitvoering van projecten door DRA in de Gazastrook. Het subsidiebeleidskader Humanitaire Hulp 2022–2026 waarmee de DRA gefinancierd wordt loopt in 2026 af. Ik ben voornemens medio dit jaar een nieuw kader te publiceren voor de periode 2027–2031. Subsidies uit dit kader zullen onder andere ten goede komen aan de DRA. Op basis van de hoogste noden, bepaalt de DRA zelf waar deze ongeoormerkte, flexibele bijdragen worden ingezet.
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport van NGO Monitor, zorg te dragen voor een striktere en onafhankelijke screening van de partners binnen de DRA om te voorkomen dat hulpfondsen bij aan Hamas gelieerde organisaties terechtkomen?
Nee. Zie antwoord op vraag 2
Wat is uw reactie op de bevinding dat de door Nederland gefinancierde niet-gouvernementele organisatie (ngo)'s significant meer berichten op sociale media plaatsen over Israël dan over alle andere wereldconflicten samen?
Het is aan de ngo’s om zelfstandig keuzes te maken over hun publieke communicatie, waaronder het al dan niet plaatsen van berichten op sociale media. Die ruimte is een fundamenteel onderdeel van hun onafhankelijkheid en valt onder de vrijheid van meningsuiting. Het ministerie kan alleen afspraken maken met ngo’s over de publieke communicatie rond door Nederland gefinancierde specifieke activiteiten.
Bent u bekend met het recent gepubliceerde Amerikaanse onderzoeksrapport d.d. 3 februari jl. The foreign censorship threat, part II: Europe’s decade-long campaign to censor the global internet and how it harms American speech in the United States, waarin wordt verwezen naar Europese en nationale betrokkenheid bij moderatie van politiek-inhoudelijke uitingen op sociale media?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat de EU in 2023 een handboek opstelde voor techbedrijven om te modereren bij de volgende onderwerpen: «populist rhetoric», «anti-government/anti-EU»-content, «anti-elite»-content, «political satire», «anti-migrants and Islamophobic content», «anti-refugee/immigrant sentiment», «anti-LGBTIQ... content» en «meme subculture»?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
Het opgestelde handboek in 2023 van de Europese Unie (EU) heeft betrekking op zogeheten borderline content. Hoewel borderline content geen strikt illegaal karakter heeft en niet per definitie tot geweld hoeft te leiden, kan zij de veiligheid van burgers en instituties ernstig ondermijnen. Dit kan bijvoorbeeld doordat dergelijke uitingen aanzetten tot haat of opruiing, of doordat extremistisch gedachtengoed erdoor wordt genormaliseerd. Dit type content draagt bij aan radicaliseringsprocessen en is zeer zorgelijk. Het EU-handboek betreft een niet-bindende leidraad voor online platformen bij het omgaan met online risico’s, en daarmee het voorkomen dat de veiligheid van burgers en instituties wordt ondermijnd door terroristische en schadelijke content. In het kader van dit EU-handboek staat de vrijheid van meningsuiting centraal: uitingen zoals politieke satire, kritiek op de overheid of zogenoemde populistische retoriek maken deel uit van het democratisch debat.
Hoe beoordeelt u het feit dat de EU via de Permanent Task-Force Crisis Response Group «desinformatie bestreed» op het gebied van onderwerpen zoals bijvoorbeeld COVID-19 en een potentieel verband tussen de sancties tegen Rusland en de Europese energiecrisis? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het staat de Europese Commissie vrij om haar eigen werkprocessen en informatiestromen vorm te geven in lijn met de in de Verdragen neergelegde bevoegdheden. Het instellen van een interne taskforce om de EU Code of Practice on Disinformation effectief uit te werken valt binnen deze bevoegdheid.
Acht u het wenselijk dat de EU techbedrijven aanmoedigt dan wel opdraagt zich te bemoeien met legale, niet-gewelddadige politieke uitingen op sociale media? Kunt u uw antwoord toelichten?
De EU draagt techbedrijven niet op om zich te bemoeien met legale, niet-gewelddadige politieke uitingen op sociale media. Wel is er de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA»), die voorschrijft dat zogenaamde zeer grote online platforms de systeemrisico’s, die voortvloeien uit het ontwerp of de werking van hun diensten, moeten identificeren. En waar nodig maatregelen te nemen. Hieronder vallen ook negatieve effecten op het publieke debat en verkiezingsproces. Of sprake is van systeemrisico’s, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en dat moet in eerste instantie door het platform zelf beoordeeld worden. Het kabinet staat achter deze wetgeving. Daarbij is het uiteraard van belang dat rekening wordt gehouden met alle toepasselijke grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Dit brengt bijvoorbeeld mee dat maatregelen tegen schadelijke content niet zozeer gericht zullen zijn op het verwijderen van die content, maar bijvoorbeeld op het markeren daarvan.
Kunt u aangeven of het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 door de Europese Commissie is aangewezen als «trusted flagger» in het kader van de Digitale Dienstenverordening (DSA)? Zo ja, per welke datum gold deze aanwijzing en welke bevoegdheden en taken waren daaraan verbonden?
Dit klopt niet. De Europese Commissie kan deze status ook niet verlenen binnen de DSA. Dit is toebedeeld aan de nationale toezichthouder op basis van de DSA. Wel heeft het ministerie met de platformen van X, Meta, TikTok, Google, en Snapchat de vrijwillige afspraak dat zij meldingen van het Ministerie van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelden. Hierbij blijft het platform te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de afhandeling en de beoordeling van de melding die gedaan wordt, in relatie tot geldende regelgeving en de gebruikersvoorwaarden.
Het Ministerie van BZK heeft via deze kanalen geen bevoegdheid content te laten verwijderen.
Kunt u inzicht geven in het aantal en het type meldingen dat door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, of namens Nederland, als «trusted flagger» is gedaan bij sociale mediaplatforms in de periode voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 en 2025? Kunt u daarbij specificeren in hoeverre deze meldingen betrekking hadden op politieke of maatschappelijke uitingen? Kan de Kamer deze meldingen ontvangen of vertrouwelijk inzien? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van BZK maakt het contact met de platformen na afloop van de verkiezingen openbaar in een rapport via de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.3 In dit rapport is te lezen dat het Ministerie van BZK niet kijkt naar en geen uitspraken doet over verkiezingsbeloften of politieke of maatschappelijke uitingen. Het Ministerie van BZK zet dit middel met grote terughoudendheid in en alleen wanneer berichtgeving op sociale media platformen de integriteit van het verkiezingsproces mogelijk in gevaar brengt. Bijvoorbeeld bij berichtgeving over de verkeerde verkiezingsdatum, of feitelijk onjuiste informatie hoe en waar te stemmen.
Hoe beoordeelt u de rol van ministeries als «trusted flagger» in perioden waarin verkiezingen plaatsvinden? Erkent u dat hier automatisch sprake is van conflicterende belangen, aangezien de Minister van Binnenlandse Zaken tijdens verkiezingen het risico loopt te worden weggestemd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan mij hier niet in vinden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 neemt het Ministerie van BZK enkel contact op met een platform wanneer er een risico bestaat voor de organisatie, uitvoering en integriteit van het verkiezingsproces.
Een voorbeeld van de inzet van de flagger status bij de Provinciale Staten en waterschapsverkiezingen in 2023: Het Ministerie van BZK heeft bij X melding gemaakt van berichten die kiezers die op FvD zouden willen stemmen opriepen de naam van de landelijke fractievoorzitter op het stembiljet bij te schrijven. Het bijschrijven van een naam op een stembiljet leidt tot een ongeldige stem. In de evaluatie van deze verkiezing is deze melding aan de Tweede Kamer gerapporteerd.4
Kunt u toelichten in hoeverre Nederland, via overleg met de Europese Commissie of via directe contacten met socialemediaplatforms, betrokken is geweest bij afspraken of maatregelen over moderatie van uitingen in relatie tot verkiezingen of specifieke politieke onderwerpen zoals bijvoorbeeld de oorlog in Oekraïne, immigratie of het coronabeleid? Kunt u de Kamer informeren over de aard en omvang van deze betrokkenheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in vraag 6, kunt u het contact met de platformen terugvinden in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.
In het betreffende Amerikaans onderzoeksrapport wordt op pagina 106 geschreven dat «between 2023 and 2025, the Commission engaged with platforms and pressured them to aggressively censor content ahead of national elections in [...] the Netherlands [...]»: kunt u aangeven hoe u deze constatering beoordeelt, of u zich hierin herkent?
Het kabinet herkent zich niet in de uitspraken die worden gedaan in het rapport. Anders dan het rapport suggereert, schrijft de DSA geen censuur voor. De vrijheid van meningsuiting staat centraal in de DSA. De Europese Commissie is in gesprek gegaan met platformen over hun verantwoordelijkheden en verplichtingen op grond van de DSA. Het kabinet steunt de Europese Commissie volledig in het handhaven van de Europese digitale wetgeving, waaronder de DSA.
Kunt u de Kamer alle correspondentie doen toekomen tussen de Europese Commissie (of de EU in het algemeen) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken (of Nederland in het algemeen) met betrekking tot «trusted flagger»-meldingen rond de verkiezingen van 2023 en 2025? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in vraag 6 is het contact met de platformen reeds openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.
Klopt het, zoals op pagina 107 van het Amerikaanse overheidsrapport te lezen is, dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken aanwezig was bij de «Verkiezingsbijeenkomst TikTok», georganiseerd door de Europese Commissie in Den Haag op vrijdag 10 november 2023? Wat was de inbreng/rol van het ministerie tijdens deze bijeenkomst? Wie waren bij deze bijeenkomst aanwezig? Wat was het programma? Kunt u de Kamer de verslagen/notulen doen toekomen die zijn gemaakt tijdens deze bijeenkomst, evenals correspondentie voorafgaand aan en na afloop daarvan? Zo nee, waarom niet?
Dit klopt niet. De bijeenkomsten die het Ministerie van BZK heeft bijgewoond kunt u terugvinden in de Kamerbrief Contact platformen in aanloop naar TK25 verkiezing.5
Klopt het dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) zes weken voor de verkiezingen in 2025 een bijeenkomst heeft georganiseerd over de verkiezingen, in het kader van de DSA en met vertegenwoordigers van de Europese Commissie, Alphabet, Meta, Microsoft, TikTok en X? Klopt het dat hier is gesproken over het censureren van «schadelijke content» in het kader van de verkiezingen? Hoe werd «schadelijke content» gedefinieerd? Kunt u een aantal voorbeelden van dergelijke «schadelijke content» geven?
Op 15 september 2025 heeft de ACM een rondetafelbijeenkomst georganiseerd over de DSA en de Tweede Kamerverkiezing van 29 oktober 2025.6 Tijdens de bijeenkomst spraken de deelnemers met elkaar aan de hand van vier thema’s: synthetische (door AI-genereerde) content, aanbevelingssystemen (algoritmen), toegang tot data voor onderzoekers, en viraliteit. De nadruk lag onder andere op zaken als transparantie, de praktische uitvoerbaarheid van maatregelen en de mogelijke invloed op het verkiezingsproces. Zo werd er onder andere stilgestaan bij het risico van online bedreigingen van politici en journalisten en de maatregelen die platforms hiertegen nemen. Ook kwam de mogelijke impact aan bod van AI-gegenereerde antwoorden op platforms en zoekmachines op verkiezingsgerelateerde vragen over bijvoorbeeld partijprogramma’s en kandidaten. De ACM heeft kort na afloop van de bijeenkomst ook een verslag gepubliceerd, met daarin informatie over de deelnemers en de gespreksthema’s.
Welke afspraken zijn gemaakt tijdens de bijeenkomst genoemd in vraag 12? Kunt u de Kamer de gespreksverslagen/notulen van deze bijeenkomst doen toekomen, waaronder in elk geval de presentatie van de Europese Commissie, van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en van Manon Leijten (bestuurslid van de ACM)? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de rondetafel zijn er geen specifieke afspraken gemaakt tussen de ACM en aanwezigen. Doel van de rondetafel was kennisuitwisseling. De ACM heeft kort na afloop van de bijeenkomst ook een verslag gepubliceerd, met daarin informatie over de deelnemers en de gespreksthema’s.7 De Europese Commissie heeft tijdens de rondetafel uitleg gegeven over de werking van het raamwerk van relevante Europese regelgeving, waaronder de DSA en de Europese Verordening betreffende transparantie en gerichte politieke reclame (VPR). Hiervan zijn geen slides beschikbaar. Het Ministerie van BZK heeft een presentatie gegeven over de inrichting van het verkiezingsproces in Nederland. De daarbij gebruikte slides zijn opgenomen als bijlage. De ACM heeft de bijeenkomst geopend met een kort welkomstwoord en heeft de middag technisch voorgezeten. Er is vanuit de ACM geen presentatie gegeven.
Kunt u bovenstaande vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Explosief gestegen onderhoudskosten zijn raadsel voor corporaties' |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Explosief gestegen onderhoudskosten zijn raadsel voor corporaties» van 30 januari jongstleden?1
Hoe kijkt u naar het feit dat woningcorporaties te kampen hebben met een snel oplopend financieel tekort dat de nieuwbouw- en verduurzamingsplannen bedreigt, opgelopen van 5 miljard tot ruim 19 miljard euro?
Bent u bekend met de waarschuwing van de Autoriteit Woningcorporaties dat «de opgaven en middelen van corporaties niet meer in evenwicht» zijn? En dat deze toezichthouder aanbeveelt om «robuuste, structurele maatregelen» te nemen? Welke maatregelen bent u van plan om te nemen om te zorgen dat corporaties genoeg middelen hebben voor hun opgave om voor betaalbare huisvesting te zorgen?
Klopt het dat de Autoriteit Woningcorporaties ook heeft geconstateerd dat corporaties in zeven jaar tijd zo’n 60 procent meer kwijt zijn aan onderhoud, en dit een belangrijke oorzaak is voor het financiële tekort? Hoe verklaart u de stijgende onderhoudskosten?
Bent u bereid de aanbeveling van de Autoriteit Woningcorporaties over te nemen en een breed onderzoek te starten naar wat achter de sterk stijgende onderhoudskosten zit?
Deelt u de analyse van de Autoriteit Woningcorporaties dat private-equityfirma’s hier een rol spelen, omdat deze in toenemende mate de onderhoudsbedrijven overnemen die werken in de corporatiesector? Bent u bereid om prijsvorming, winstuitkeringen en contractafspraken bij onderhoudsbedrijven, en specifiek de invloed van private equity op tarieven en contracten, mee te nemen in het onderzoek?
Wat zijn volgens u alternatieven of oplossingen voor corporaties om meer grip op onderhoudskosten te krijgen, of de kosten te verlagen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting beantwoorden?
De ruimte voor efficiënte biomassaketels in warmtetransitiegebieden |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke wijze u tot uw stelling bent gekomen dat een goede, efficiënte bioketel met eenvoudige aanvullingen, zoals isolatie en inregelen, aan de voorgestelde grenswaarde van 0,7 voor de energieprestatie van technische bouwsystemen voor ruimteverwarming in het Ontwerpbesluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie kan voldoen (Kamerstuk 36 387, nr. 50)?
Wat zijn de aanvullingen die nodig zijn voor een bioketel om aan de grenswaarde van 0,7 te voldoen en in hoeverre acht u deze aanvullingen eenvoudig te zijn?
Kunt u de bijbehorende berekeningen met de Kamer delen?
Op welke wijze gaat u, zoals aangegeven tijdens het genoemde tweeminutendebat, de vinger aan de pols houden om na te gaan of er in de praktijk problemen ontstaan nadat het genoemde besluit in werking is getreden?
Vermeende Piramidespelen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u de berichten dat tientallen Brabantse jongeren lid zijn van het vermeende piramidespel «For the people»1? Zo ja, wat vindt u van deze berichten?
Ja, ik ken deze berichten. Wanneer sprake is van wetsovertredingen of onrechtmatigheden vind ik het belangrijk dat hiertegen wordt opgetreden en dat mogelijke slachtoffers geholpen worden. Ik merk daarbij op dat op basis van de aangehaalde berichtgeving het niet om een piramidespel lijkt te gaan, maar om multi-levelmarketing.2 Waar in een concreet geval sprake van is, is ter beoordeling aan de toezichthouders.
Kunt u een indicatie geven van de aard en de omvang van het probleem van op sociale media aangeboden initiatieven die gekwalificeerd kunnen worden als piramidespel? Hoeveel initiatieven op sociale media zijn u bekend, waarbij met name jongeren worden geworven voor het aanschaffen van een «cursus», die op hun beurt worden ingezet om aan zoveel mogelijk anderen dezelfde «cursus» te verkopen?
Er zijn mij geen representatieve cijfers bekend over de aard en omvang van dergelijke initiatieven op sociale media.
Hoe wordt met het oog op de Wet op de kansspelen hierop gehandhaafd?
De Kansspelautoriteit (Ksa) houdt toezicht op de naleving van de Wet op de kansspelen (Wok) en beoordeelt of er in een specifiek geval sprake is van een piramidespel. Indien dat het geval is kan de Ksa handhaven door bijvoorbeeld een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom op te leggen.
Bent u het met de in het bericht genoemde wetenschapper eens dat de wetgeving zoveel gaten vertoont, dat bijna niet aan te tonen is dat een bepaald aanbod een piramidespel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u zich voor om de rechtsbescherming van slachtoffers te versterken en de bestrijding van het aanbieden van piramidespelen te optimaliseren?
De ACM, de AFM en de Ksa hebben binnen de huidige geldende wet- en regelgeving voldoende bevoegdheden om onrechtmatigheden aan te pakken. Daarnaast kunnen gedupeerden zich wenden tot de civiele rechter.3 Per individueel geval zal beoordeeld moeten worden of er sprake is van een piramidespel zoals bedoeld in de Wok of andere frauduleuze verkoopmethodes. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders zelf om dit te beoordelen.
De hongercrisis in Afghanistan |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wereldvoedselprogramma: hongercrisis in Afghanistan, mede door bezuinigingen voedselhulp»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van het bericht.
Wat is uw reactie op het feit dat volgens het Wereldvoedselprogramma in maart waarschijnlijk 17,4 miljoen mensen in Afghanistan in voedselonzekerheid zullen leven en 4,9 miljoen kinderen en moeders ondervoed zullen zijn?2
Het kabinet is bezorgd over de humanitaire situatie in Afghanistan, in het bijzonder over berichten dat Afghanistan afstevent op grootschalige voedseltekorten.
Klopt het dat het budget van het Wereldvoedselprogramma in Afghanistan in 2024 600 miljoen dollar bedroeg, dat dit in 2025 werd gehalveerd en dat dit jaar het budget ongeveer 200 miljoen zal zijn? Zo ja, deelt u de mening dat het onacceptabel is dat er zoveel minder budget gaat naar het helpen van mensen in een van de meest acute voedselcrises ter wereld?
Het klopt dat WFP te maken heeft met financieringstekorten door wereldwijde bezuinigingen op humanitaire hulp. Hierdoor worden het WFP en andere VN-organisaties gedwongen om moeilijke keuzes te maken. Ook budgetten die WFP beschikbaar heeft voor hulpverlening in specifieke crises worden noodgedwongen verlaagd, zoals in Afghanistan. De combinatie van verlaagd budget en stijgende noden maakt dat WFP in Afghanistan zich nu richt op de meest urgente noden, op de acuut ondervoede mensen, met speciale focus op kinderen.
Nederland heeft de bijdrage aan WFP stabiel gehouden en blijft ook de komende jaren een stabiele en ongeoormerkte donor voor humanitaire hulp en maakt zich zorgen over de wereldwijde daling van humanitaire financiering. Het kabinet roept andere landen op om meerjarige, ongeoormerkte financiering te geven aan VN-organisaties, zodat zij effectief en efficiënt hulp kunnen verlenen daar waar de noden het hoogst zijn.
Welke gerichte bijdrage doet Nederland om de mensen met honger in Afghanistan te helpen?
De humanitaire noden in Afghanistan blijven onverminderd hoog, en dat zal naar verwachting door de huidige conflicten in de regio niet snel veranderen. Daarom maakt Nederland humanitaire hulpverlening in Afghanistan mogelijk door flexibel inzetbare financiering via meerdere kanalen: VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging, en de Dutch Relief Alliance. De Nederlandse inzet op voorspelbare en flexibel inzetbare financiering stelt organisaties in staat om wendbaar te zijn en snel in te spelen op veranderende noden wereldwijd, en dus ook in Afghanistan. Daarnaast is Nederland een van de grootste donoren van het het centrale VN-noodhulpfonds (CERF), evenals van het humanitaire landenfonds van de VN voor Afghanistan. Deze fondsen maken, mede dankzij onze financiering, regelmatig geld vrij voor hulpverlening in Afghanistan, waarmee o.a. voedselhulp aan hulpbehoevende Afghanen kan worden geleverd, alsook hulp na natuurrampen.
Bent u bereid om een aanvullende bijdrage te doen voor voedselhulp in Afghanistan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 4. De Nederlandse humanitaire inzet blijft, conform de Kamerbrief over de financiële invulling van humanitaire hulp in 2026 van dd. 12 januari 2026 (Kamerstuk 36 180, nr. 189), gestoeld op meerjarige, flexibel inzetbare financiering aan onze humanitaire partners. Deze professionele partners, waaronder WFP, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en Dutch Relief Alliance bepalen op basis van noden en de bijdragen van andere organisaties waar en in welke mate zij hulp verstrekken Deze partners zijn betrokken bij de hulpverlening in Afghanistan en kunnen er voor kiezen hun activiteiten met Nederlandse financiering op te schalen. Regelmatig spreken we met onze partners over de ontwikkelingen in Afghanistan.
Bent u bereid om met urgentie in internationaal verband de noodzaak te bespreken voor acuut meer inzet en budget voor voedselhulp in Afghanistan? Zo nee, waarom niet?
Nederland pleit in internationaal verband frequent voor het belang van voldoende humanitaire financiering en aandacht voor onderbelichte crises. Deze inzet zal het kabinet voortzetten.
Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd?
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de betrokken gebieden?
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen bij georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen van crimineel ronselen?
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Het bericht 'Seksueel wangedrag op school: 'Ik denk dat we niet half weten hoeveel het voorkomt'' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Seksueel wangedrag op school: «Ik denk dat we niet half weten hoeveel het voorkomt»»?1
Hoe verklaart u dat het aantal meldingen bij de vertrouwensinspecteurs over seksueel grensoverschrijdend gedrag al meerdere jaren toeneemt?
Kunt u de betreffende cijfers over de afgelopen vijf jaar verstrekken, uitgesplitst naar primair onderwijs, voortgezet onderwijs en mbo en kunt u daarbij tevens aangeven hoeveel meldingen betrekking hebben op het gedrag van (a) leerlingen onderling en (b) medewerkers richting leerlingen?
Bent u het ermee eens dat het zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat jongeren die te maken krijgen met seksueel overschrijdend gedrag geen melding doen omdat ze denken dat het niet erg genoeg was, zich schamen, of geen vertrouwen hebben in de opvolging van de melding?
Hoe beoordeelt u het functioneren van het huidige meld- en opvolgingssysteem?
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om de meldbereidheid onder jongeren te vergroten en het vertrouwen in opvolging te versterken en kunt u daarbij aangeven op welke termijn deze maatregelen effect moeten hebben?
Herkent u het beeld dat jongeren niet goed herkennen wat seksueel grensoverschrijdend gedrag is en daardoor geen melding doen terwijl er mogelijk wel sprake is van seksueel overschrijdend gedrag?
Bent u bereid om maatregelen te nemen, zowel voor leerlingen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als het mbo, om ervoor te zorgen dat de bewustwording bij jongeren over seksueel overschrijdend gedrag wordt vergroot? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u voor beide groepen nemen?
Herkent u signalen dat scholen in sommige gevallen terughoudend zijn met het melden van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij de vertrouwensinspecteur?
Het bericht dat AI-gegenereerde stemhulpen kiezers misleiden. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met verschillende berichten dat AI-gegenereerde stemwijzers onjuiste informatie verstrekken en kiezers misleiden, zoals in Gouda, Leiden en De Ronde Venen?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de grote zorg dat hier stemadviezen worden gegeven op basis van tal van onjuistheden en zelfs met niet bestaande partijen?
Ik deel uw zorgen over de stemadviezen die door AI-gegenereerde stemhulpen (verder: AI-stemhulpen) worden verstrekt. Het is van belang dat de adviezen die kiezers van stemhulpen krijgen betrouwbaar, begrijpelijk en transparant zijn. Met de komst van AI-stemhulpen zie ik dat deze uitgangspunten onder druk komen te staan. AI-stemhulpen zijn namelijk stemhulpen die gebouwd zijn op basis van Large Language Models (LLM’s), bijvoorbeeld keus.nl4 dat claude.ai als basis heeft. Dit soort LLM’s produceert antwoorden door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, niet door deskundig gevalideerde verkiezingsinformatie of lokale programma’s. Daardoor geven ze antwoorden die op het eerste gezicht vaak goed lijken, maar die niet feitelijk juist, of neutraal zijn. Zelfs met zeer strikte instructies aan het algoritme, blijven de antwoorden onbetrouwbaar.
Eerder hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) daarom het gebruik van AI-stemhulpen sterk afgeraden.
De ontwikkeling van stemhulpen maakt onderdeel uit van het publieke debat rondom verkiezingen. Vanwege de neutrale positie die de overheid dient in te nemen in het debat rond verkiezingen, heeft de overheid tot nu toe geen rol ingenomen met betrekking tot stemhulpen, noch invloed uitgeoefend op stemhulpen. Dat geldt ook voor door AI gemaakte stemhulpen. Door het toenemende gebruik van AI-stemhulpen komen uitgangspunten betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie onder druk te staan. Daarom onderzoek ik of de overheid in de borging van deze uitgangspunten een rol kan en moet vervullen en zo ja, binnen welke kaders dat kan. Ik ben voornemens u bij de evaluatie van de Gemeenteraadsverkiezingen die ik voor de zomer aan de Tweede Kamer zal sturen hier nader over te informeren.
Welke gevolgen heeft onjuiste informatieverstrekking voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen en welke aansprakelijkheid geldt er bij het onjuist of onvolledig verstrekken van informatie?
Zie antwoord op vraag 2.
Al eerder werd door de Autoriteit Persoonsgegevens gewaarschuwd voor de uitkomsten van AI-gegenereerde chatbots, die meer dan de helft van de tijd PVV en GroenLinks-PvdA op de eerst plek adviseerden, wat is er met deze bevindingen gedaan? Vindt u dit voldoende, zo ja waarom?
Mede naar aanleiding van dit rapport ben ik in gesprek gegaan met bedrijven die LLM’s als dienst aanbieden over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 noem, onderzoek ik of het wenselijk is of de overheid een rol gaat nemen bij de borging van uitgangspunten van betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie bij de ontwikkeling van stemhulpen. In de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezing zal ik u hier verder over informeren.
Hoe vaak zijn de in de nieuwsartikelen genoemde «stemhulpen» in de afgelopen dagen geraadpleegd? Hoe verhoudt zich dat tot het aantal kiesgerechtigden?
Ik heb daar geen zicht op. Ik verwijs u voor deze cijfers naar de betreffende websites. Voor de volledigheid wijs ik u erop dat de website keus.nl door de initiatiefnemer zelf inmiddels offline is gehaald.
Gaat u na welke initiatiefnemers er achter deze zogenaamde stemhulpen schuil gaan en met welk oogmerk zij actief zijn? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, wie is daar wel voor verantwoordelijk?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de grote zorg dat de democratie actief wordt ondermijnd door desinformatie en dat kwaadwillenden zelfs verder kunnen gaan dan onjuist en onzorgvuldig informeren, en zelfs manipuleren? Zo ja, kunt en gaat u handhaven? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen over de ondermijning van de democratie door desinformatie. De aanpak hiervan is voor mij en het kabinet prioriteit. In het rondetafelgesprek over sociale media en inmenging met de Commissie Digitale Zaken op 4 maart jl. werd er ook op gewezen dat desinformatie ingezet kan worden om LLM’s te beïnvloeden. Naast de onbetrouwbare beantwoording van LLM’s door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, vormt de desinformatie dus ook een serieus risico voor de betrouwbaarheid van de informatie die AI stemhulpen geven. Bij de aankomende gemeenteraadsverkiezingen laten we met verschillende pilots onderzoeken hoe detectie van buitenlandse desinformatie kan plaatsvinden. Over de uitkomsten van deze pilots wordt uw Kamer na de gemeenteraadsverkiezingen nader geïnformeerd.
Waar het gaat om de inzet van AI wordt gewerkt aan een wettelijk kader voor het toezicht in Nederland op de Europese AI-verordening. Bedrijven die diensten leveren die gebruik maken van LLM’s (zoals chatbots) vallen onder de AI-verordening. Binnen deze verordening gelden AI-systemen die worden ingezet voor het beïnvloeden van «natuurlijke personen bij de uitoefening van hun stemrecht bij de verkiezingen of referenda» als hoog risico. AI-toepassingen die een hoog risico vormen, worden aan strengere regels gebonden. De uitvoeringswetgeving is op dit moment nog in ontwikkeling. Op dit moment wordt gewerkt aan de uitvoeringswet die binnenkort in openbare internetconsultatie zal gaan. Tegelijkertijd hebben ook de aanbieders van de LLM’s zelf een verantwoordelijkheid om bias en vertekening te voorkomen en systeemrisico’s te mitigeren; daarop wordt al toegezien door het Europese AI Bureau.
Omdat de huidige nationale wetgeving nog onvoldoende handvatten biedt om het gebruik van de overige AI-chatbots als stemhulp te reguleren, zet het Ministerie van BZK ook in op een dialoog met de aanbieders van AI-chatbots en op bewustwording bij kiezers. Vanwege het internationale karakter van de aanbieders van AI chatbots betrek ik deze casuïstiek ook bij de gesprekken die ik voer met de Europese Commissie.
Kunt u deze stemhulpen aansprakelijk stellen, laten aanpassen of zonodig beëindigen? Zo ja, bent u bereid dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe voorkomt u dat deze aanbieders of anderen hiermee doorgaan?
Zie antwoord op vraag 2.
Op welke wijze raadt u kiezers aan zich te informeren, en hoe waarschuwt de regering burgers voor misleiding en AI-advies waarmee ze knollen voor citroenen aangesmeerd krijgen?
In mijn communicatie inzake de aanstaande gemeenteraadsverkiezing besteed ik aandacht aan de beperkingen van AI-stemhulpen. Ik benadruk hierin dat een stemhulp slechts één van de hulpmiddelen is om informatie over de verkiezing en deelnemende kandidaten te vergaren. Ik adviseer kiezers om daarnaast ook nog andere middelen hiervoor te gebruiken, zoals het volgen van debatten, het lezen van partijprogramma’s en het met anderen in gesprek gaan. Daarnaast adviseer ik politieke partijen als zij fouten aantreffen in een stemhulp om zelf contact op te nemen met de aanbieder van de stemhulp.
Bent u in overleg met lokale overheden om burgers actief te informeren over online stemwijzers die misinformatie verspreiden, over aanpassing van deze sites of zonodig sanctioneren?
In de nieuwsbrief van de Kiesraad zijn gemeenten gevraagd om hun inwoners te informeren over de risico’s van AI-gegeneerde stemhulpen.
Voor wat betreft het aanpassen van deze websites en zo nodig het sanctioneren verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Wie is in Nederland verantwoordelijk voor opsporing en handhaving in deze? Kunt u inzicht geven welke omvang of de regelgeving voldoende instrumenten geeft om met snelheid te acteren en of er voldoende capaciteit is?
Op dit moment is er in Nederland geen instantie die bevoegd is om tegen AI stemhulpen op te treden wanneer die niet aan de uitgangspunten van betrouwbare, transparante en begrijpelijke informatievoorziening voldoen.
Voor de stand van zaken omtrent het juridisch instrumentarium in deze verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 7.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in elk geval laten weten op welke wijze handhavend wordt opgetreden?
Ja.
Het bericht ‘Vuurwerkverkopers zien bedrijf wegvallen, maar vergoeding blijft uit: ‘Heb een gezin te onderhouden’' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vuurwerkverkopers zien bedrijf wegvallen, maar vergoeding blijft uit: «Heb een gezin te onderhouden»»?1
Wat is de stand van de onderhandelingen met de vuurwerkbranche?
Klopt het dat het laatste aanbod van het Rijk aan de vuurwerkbranche een vergoeding is van eenmalig 20 procent van de jaaromzet, plus 15 procent? Zo nee, wat is dan het aanbod dat het Rijk wil doen? Zo ja, bent u ervan op de hoogte dat deze vergoeding door vuurwerkverkopers als (veel) te weinig wordt beschouwd en dat zij tienduizend tot honderdduizenden euro’s aan schade vrezen? Hoe beoordeelt u dit gegeven?
Deelt u de mening dat een eenmalige vergoeding geen recht doet aan de gedane investeringen en toekomstig misgelopen winsten van ondernemers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien het antwoord op vraag 4 bevestigend luidt, bent u bereid een beter aanbod te doen, bijvoorbeeld een vergoeding gebaseerd op meerdere jaren misgelopen omzet en winst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Indien het antwoord op vraag 5 ontkennend luidt, bent u bereid de invoering van het vuurwerkverbod te heroverwegen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bekend met het feit dat verenigingen (na toestemming van de burgemeester) nadat het vuurwerkverbod is ingevoerd nog wel vuurwerk mogen afsteken?
Betekent dit dat de vuurwerkbranche (gedeeltelijk) door kan gaan met het verkopen van vuurwerk? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u over de vooruitzichten voor de vuurwerkbranche zo snel mogelijk duidelijkheid verschaffen, aangezien ondernemers vuurwerk voor de komende jaarwisseling al op zeer korte termijn moeten inkopen? Kunt u aangeven op welke termijn zij deze duidelijkheid van u kunnen verwachten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam ter zake een advocaat die verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Raad van Discipline van 19 januari 2026?1
Ja.
Hoe vaak is sinds de totstandkoming van artikel 60ab van de Advocatenwet een schorsing uitgesproken en hoe vaak is een voorlopige voorziening toegewezen zoals is gebeurd op 19 januari 2026?
Ter beantwoording van deze vraag heb ik, via de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA), gegevens opgevraagd bij de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er in totaal bij de verschillende Raden van discipline 32 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab Advocatenwet, dan wel een verzoek op grond van artikelen 60ab én 60b Advocatenwet, is toegewezen. In 18 van deze 32 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd, in 10 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen en in 4 zaken is enkel een voorlopige voorziening getroffen.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er bij het Hof van discipline 4 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet is toegewezen. In 3 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en in 1 zaak om een ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen.
Wat vindt u ervan dat een advocaat tegen wie een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit bestaat, namelijk deelname aan een criminele organisatie, werkzaamheden als advocaat kan verrichten terwijl de strafzaak nog loopt?
In de zaak waar naar wordt gevraagd is een onafhankelijke tuchtrechter tot het oordeel gekomen dat de schorsing van de advocaat in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk op grond van artikel 60ab, eerste lid, Advocatenwet niet langer kan worden gerechtvaardigd en is in de zaak een voorlopige voorziening getroffen. Als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid laat ik mij niet uit over individuele zaken.
In het algemeen kan ik zeggen dat voor iedereen in Nederland die verdacht wordt van het begaan van een strafbaar feit, geldt dat diegene onschuldig wordt geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Voorts wijs ik uw Kamer erop dat er verschillende maatregelen zijn getroffen om voortgezet crimineel handelen in detentie tegen te gaan en advocaten te beschermen. Uw kamer is op 23 januari 2026 geïnformeerd over de voortgang hieromtrent.2
Wat vindt u ervan dat een advocaat die verdacht wordt van het doorgeven van boodschappen vanuit de Extra Beveiligde Inrichting zijn werkzaamheden als advocaat weer kan hervatten en dus ook gebruik kan maken van de bescherming die een advocaat geniet?
Ik laat mij niet uit over individuele zaken. In zijn algemeenheid merk ik op dat voor iedere verdachte in Nederland de onschuldpresumptie geldt. Alle advocaten in Nederland hebben bepaalde plichten, maar ook rechten, zoals het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht beschermt de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt en is van belang voor een goede uitoefening van het beroep advocaat.
Hoe kan een advocaat die verdacht wordt van een zeer ernstig strafbaar feit volgens u voldoen aan alle kernwaarden die gelden voor de advocatuur?
Zoals in de antwoorden hierboven is gezegd, laat ik mij niet uit over individuele zaken. In het algemeen kan ik zeggen dat alle advocaten in Nederland de kernwaarden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, Advocatenwet in acht moeten nemen. De lokale deken houdt in zijn arrondissement onder meer toezicht op de naleving van de verplichtingen op grond van de Advocatenwet. Op grond van artikel 46 Advocatenwet zijn alle advocaten aan tuchtrechtspraak onderworpen onder meer voor het handelen in strijd met de in dat artikel omschreven betamelijkheidsnorm en de Advocatenwet. De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan artikel 46 Advocatenwet. Zoals hierboven ook genoemd, wordt iedere verdachte in Nederland onschuldig geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Kunt u toelichten of er op een andere manier wordt beslist op een verzoek tot opheffing van een schorsing ex artikel 60ab van de Advocatenwet na de voorziene wijziging van de Advocatenwet waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur wordt geïntroduceerd?
In het conceptwetsvoorstel waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur (OTA) wordt geïntroduceerd, is voorzien dat de OTA de bevoegdheid krijgt om, op grond van de artikelen 60ab, 60b en 60c Advocatenwet, diverse ordemaatregelen te verzoeken aan de tuchtrechter. Ik kan niet zeggen of deze voorziene wijziging zal leiden tot een andere manier van beslissen door de tuchtrechter op verzoeken op grond van artikel 60abAdvocatenwet. Het is aan de tuchtrechter om elke zaak op zijn eigen merites te beoordelen.
Het onderzoek “Van Inzicht naar uitvoering van het Verwey-Jonker Instituut in Opdracht van Het Vergeten Kind. |
|
Marijke Synhaeve (D66), Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de conclusies van de onderzoekers dat er in Nederland geen gebrek is aan kennis over effectieve interventies, maar het niet lukt dit consequent en landelijk toe te passen? Zo ja, wat zijn hier volgens u de belangrijkste redenen voor?
Deelt u de analyse dat uithuisplaatsingen alleen ingezet zouden moeten worden wanneer dit echt noodzakelijk is, gezien de ernstige korte- en langetermijngevolgen voor kinderen? Herkent u ook de analyse van de onderzoekers dat de systeembarrieres, zoals versnippering, risicomijding, hoge werkdruk, volle caseloads en perverse financiele prikkels, ertoe leiden dat het huidige systeem vooral crisisinterventies en korte termijnkostenbeheersing beloont en preventieve inzet te weinig? Welke rol ziet u om hierin bij te sturen?
Erkent u het belang van focus op terugkeer vanaf dag één wanneer uithuisplaatsing onvermijdelijk is, en het beperken van doorplaatsingen? Hoe monitort u dit en welke prikkels/hulpmiddelen zet u in om doorplaatsingen te minimaliseren?
Hoe verklaart u het dat al jaren in communicatie van zowel de rijksoverheid als gemeenten wordt gesteld dat gezinsgericht werken het uitgangspunt is, maar jongeren ouders en ook hulpverleners zelf aangeven dat er nog steeds teveel hulpverleners en instanties over de vloer komen, dit ineffectief is en teveel overlegtijd kost in plaats van daadwerkelijke hulp?
Begrijpt u ook dat kinderen en ouders er soms wanhopig van worden, of in de weerstand staan als ze aan de zoveelste persoon opnieuw hun verhaal moeten vertellen?
Zijn er concrete plannen om domeinoverstijgend werken de norm te maken door het budget flexibeler te maken waardoor gemeenten en utvoerende organisaties daadwerkelijk kunnen samenwerken over de grenzen van jeugdzorg, onderwijs en zorg heen? Welke ruimte ziet u om dit mogelijk te maken?
Hoe maakt u van onderwijs een vaste partner in vroegsignalering en ondersteuning (gezamenlijke plannen, continuïteit rond schoolgang, alternatieve leertrajecten), gezien de bewezen betekenis van school als stabiele factor?
Deelt u de meninig van de onderzoekers dat pilots en projecten enkel zin hebben als de leerpunten daarna structureel verankerd worden? Welke rol heeft uw ministerie daarin?
Op welke manier gaat u zorgen dat overal en structureel vroegtijdig samen met gezin en netwerk een gedeelde verklarende analyse wordt gemaakt als basis voor passende hulp? Erkent u dat dit een randvoorwaarde is vóór uithuisplaatsing?
Deelt u dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen, dat het huidige systeem dit onvoldoende beloont, en welke rol neemt uw ministerie in het delen en opschalen van effectieve interventies?
Bent u bereid om met uw collega’s op Onderwijs en Sociale Zaken in gesprek te gaan met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren? Op welke andere manier kunt u «schotten doorbreken», zoals het advies luidt?
De juridische onhoudbaarheid van financiële steun aan Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van Advocates for the Future waarin wordt gesteld dat de voorgenomen staatssteun van maximaal 2 miljard euro aan Tata Steel Nederland juridisch onhoudbaar, ineffectief en onrealistisch is?1
Hoe beoordeelt u de juridische analyse van Advocates for the Future van 19 december 2025 dat de voorgenomen staatssteun aan Tata Steel in haar huidige vorm niet voldoet aan de vereisten van noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit onder de Europese staatssteunregels (CEEAG), met name omdat niet is aangetoond dat de maatregelen leiden tot daadwerkelijke en additionele klimaat- en gezondheidswinst? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Kunt u aangeven of u een juridische staatssteunanalyse heeft laten opstellen waarin expliciet wordt getoetst aan artikel 107, lderde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het CEEAG-kader en het beginsel «de vervuiler betaalt», en bent u bereid deze analyse met de Kamer te delen vóór verdere besluitvorming? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen en te delen?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de aan de Kamer verstrekte CO2-reducties zijn berekend en welke aannames daarbij zijn gehanteerd over productievolumes en referentiescenario’s? Kunt u de onderliggende stukken en exacte wetenschappelijke bronnen met de Kamer delen, zodat de Kamer haar controlerende en kaderstellende taak naar behoren kan uitvoeren?
Hoe beoordeelt u de kritiek van experts dat de beoogde CO2-reducties grotendeels een «papieren werkelijkheid» betreft omdat een aanzienlijk deel van de uitstoot het gevolg is van capaciteitsafbouw, emissieverplaatsing en aannames? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Waarom is bij de beoordeling van de klimaatwinst uitsluitend gekeken naar emissiereducties binnen Nederland (scope 1), terwijl bekend is dat methaanlekken bij gaswinning de totale klimaatimpact substantieel kunnen verhogen?
Acht u het verenigbaar met de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord dat het grootste deel van de steun wordt ingezet voor installaties die primair op aardgas zullen gaan draaien, zonder harde verplichting tot tijdige omschakeling naar hernieuwbare energie, terwijl onzeker is of en wanneer omschakeling naar groene waterstof daadwerkelijk mogelijk zal zijn gezien de beperkte beschikbaarheid en concurrerende vraag? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw positie hierin dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Waarom zijn in de Joint Letter of Intent geen juridisch afdwingbare verplichtingen opgenomen die Tata Steel verplichten om uiterlijk op een vast moment te stoppen met het gebruik van kolen en aardgas? Hoe wordt het risico op een langdurige fossiele lock-in voorkomen, en kunt u de expertbronnen waarop u zich baseert meesturen?
Kunt u toelichten hoe en door wie is getoetst en vastgesteld dat de gesubsidieerde maatregelen niet (gedeeltelijk) zien op naleving van bestaande wettelijke verplichtingen van Tata Steel? Hoe wordt precies voorkomen dat publieke middelen worden ingezet voor kosten die op grond van het beginsel «de vervuiler betaalt» voor rekening van het bedrijf zelf horen te komen?
Aangezien de voorgestelde steun slechts betrekking heeft op een deel van de staalproductie en Tata Steel zelf niet in staat zou zijn om de productie te vergroenen, hoe voorkomt u dat een subsidiefuik ontstaat? Staat niet reeds vast dat Tata Steel straks voor meer subsidie zal aankloppen? En wordt het door de nu voorgestelde steunmaatregelen van 2 miljard euro niet lastiger om deze te weigeren? Kunt u aangeven hoe precies dit scenario wordt voorkomen?
Waarom is er geen volledige en transparante counterfactual analyse gepubliceerd waaruit blijkt welk investeringspad Tata Steel zonder staatssteun zou volgen? Hoe kan zonder zo’n analyse worden vastgesteld dat sprake is van een daadwerkelijk stimulerend effect van de steun?
Hoe verhoudt het ontbreken van een afgeronde milieueffectrapportage en gezondheidseffectrapportage zich tot het vereiste dat de steun bovenwettelijk is en daadwerkelijk bijdraagt aan de verbetering van de gezondheid van omwonenden? Op welke onafhankelijke wetenschappelijke adviezen baseert u zich precies?
Kunt u toelichten hoe de gezondheidswinst voor omwonenden van Tata Steel onafhankelijk en zoveel mogelijk real time zal worden gemonitord, conform aangenomen motie-Teunissen c.s. over zo snel mogelijk zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel (Kamerstuk 28 089, nr. 302), en welke sancties op welke termijn volgen indien deze uitblijft?
Kunt u toelichten of de Europese Commissie al een eerste analyse heeft gemaakt van de steunmaatregelen? Wat is de status van de beoordeling door de Commissie? Kunt u het standpunt van de Commissie met de Kamer delen?
Bent u bereid verdere besluitvorming en een eventuele staatssteunmelding bij de Europese Commissie op te schorten totdat (a) een volledige juridische staatssteunanalyse is afgerond en gedeeld met de Kamer, (b) bindende klimaatdoelen en gezondheidsdoelen zijn vastgelegd (in lijn met de onafhankelijke adviezen van o.a. Expertgroep Gezondheid IJmond), en (c) duidelijk is dat de maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan de mondiale klimaatdoelen?
Herinnert u zich dat eerdere analyses van experts benadrukken dat de transformatie van Tata Steel naar aardgasproductie met CCS de Nederlandse energietransitie belemmert door grootschalige vraag naar (groen)gas, wat mest uit de bioindustrie vereist en daarmee een lock-in van intensieve veehouderij creëert, inclusief greenwashing-effecten? Hoe beoordeelt u deze bevindingen en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u die beoordeling? Erkent u dat industrie afhankelijk maken van de intensieve veehouderij ingaat tegen de aangenomen motie-Tjeerd de Groot om die intensieve veehouderij af te bouwen?2 Hoe wordt precies gewaarborgd dat de stappen die worden genomen met Tata Steel die afbouw niet vertragen of dwarsbomen?
Welke maatregelen treft u om te voorkomen dat de 2 miljard euro steun aan Tata Steel leidt tot een afhankelijkheid van gas en biomethaan uit veeteeltmest in plaats van een versnelling van de overstap naar echt hernieuwbare energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie direct voor groene waterstofproductie?
Kunt u deze vragen individueel en vóór het debat over de Jointetter of Intent met Tata Steel beantwoorden?
Spuitlicenties voor bestrijdingsmiddelen en vakbekwaamheid |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Wat behelst, in grote lijnen, het behalen van een spuitlicentie voor het spuiten met bestrijdingsmiddelen en wat behelst het verlengen hiervan? Hoe lang is de training? Welke onderwerpen komen aan bod? Met welke frequentie moet iemand met een spuitlicentie deze vernieuwen en wat zijn de vereisten voor vernieuwing?
Een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, ook wel spuitlicentie genoemd, is nodig om professionele gewasbeschermingsmiddelen te mogen gebruiken. Dit is vastgelegd in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, waarop het bijbehorende besluit en regeling is gebaseerd. Er zijn regels vastgesteld over het vereiste kennisniveau voor de onderwerpen uit bijlage I van richtlijn 2009/128/EG, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen distributeurs, voorlichters en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen. Om een bewijs van vakbekwaamheid te halen, dient er een lesprogramma en een examen succesvol afgerond te worden. Het examen toetst verscheidene criteria, deze criteria zijn te vinden in kwalificatiedossiers op de website van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)1. Een bewijs van vakbekwaamheid is 5 jaar geldig. Hierna dient de houder nascholingsbijeenkomsten te volgen om het bewijs van vakbekwaamheid te verlengen. De onderwerpen die tijdens een nascholingsbijeenkomst behandeld worden verschillen per type bewijs van vakbekwaamheid, en zijn terug te vinden in het Examendocument Gewasbescherming2.
Geldt een spuitlicentie voor specifieke teelten, specifieke middelen, of allebei?
Een bewijs van vakbekwaamheid geldt in de basis voor het veilig en verantwoord toepassen van professionele gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen, en is niet strikt beperkt tot één specifiek middel of één specifieke teelt.
Maakt de laatste stand van de wetenschap ten aanzien van de middelen waarvoor de licentie wordt gehaald, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
Ja, er worden nascholingsbijeenkomsten georganiseerd waarin de meest actuele ontwikkelingen en trends binnen het vakgebied worden behandeld. Het reguliere lesprogramma besteedt hier ook aandacht aan, met een focus op het correct en effectief toepassen van gewasbeschermingsmethoden. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan de relevante wijzigingen in wet- en regelgeving, zodat de deelnemers op de hoogte zijn van de laatste normen en eisen.
Maken de risico’s voor omgeving en gezondheid van het gebruik van meerdere middelen tegelijk of na elkaar (cocktails), deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
In de scholing wordt expliciet aandacht besteed aan zorgvuldig middelengebruik, waarbij de nadruk ligt op aspecten zoals tankmengsels, etiketvoorschriften, blootstellingsroutes, driftreductie en geïntegreerde gewasbescherming. Combinaties van middelen en cumulatieve blootstelling maken deel uit van de risicobeheersing die in het lesprogramma aan bod komt. In de scholing wordt deelnemers geleerd dat zij enkel mogen werken conform de toelatingen en de voorschriften op het etiket. Het uitvoeren van eigen experimenten of afwijkingen van de vastgestelde richtlijnen is niet toegestaan, waarmee de veiligheid en naleving van regelgeving strikt gewaarborgd blijven.
Maken de nog onbekende gevolgen voor de gezondheid, ook bij veilig gebruik, op de lange termijn, van middelen, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
De opleiding voor het behalen van een bewijs van vakbekwaamheid is gericht op veilig gebruik binnen de vastgestelde toelatingskaders. Deelnemers leren over gevaar, risico, dosering, blootstelling, en het gebruik van beschermingsmiddelen, evenals het proces van risicobeoordeling. Wetenschappelijke inzichten worden voortdurend verwerkt in de verplichte nascholing, waardoor het systeem actueel blijft. De opleiding benadrukt dat meetbaarheid geen direct risico aanduidt; risico is afhankelijk van dosis, blootstelling en toxicologische eigenschappen. Gevolgen op lange termijn bij veilig gebruik worden niet expliciet behandeld, omdat de focus ligt op de actuele wetenschappelijke risicobeoordeling.
Maakt het belang van omgang met omwonenden, bijvoorbeeld van het inlichten van omwonenden over wat er wordt gespoten en overleg over het moment van spuiten, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
In zowel het reguliere lesprogramma als de nascholingsbijeenkomsten wordt aandacht besteed aan de rol en verantwoordelijkheid van de teler in een maatschappelijk sensitieve context. Onderwerpen zoals het toepassen van drift reducerende technieken, het instellen van bufferzones, het monitoren van weersomstandigheden en het zorgvuldig plannen van gewasbescherming worden behandeld. Daarnaast wordt ingegaan op hoe telers effectief kunnen omgaan met vragen of bezorgdheden van omwonenden. Transparantie en communicatie worden gepositioneerd als belangrijke aspecten van professioneel vakmanschap, gezien de teler opereert in een open landschap waar maatschappelijke acceptatie van wezenlijk belang is voor de verdere ontwikkeling van de sector. Er is ook een handreiking beschikbaar op de rijksoverheid website die praktische mogelijkheden biedt voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in goed nabuurschap voor onder andere omwonenden.3
Aan welke eisen moeten organisaties voldoen die dit soort trainingen geven? Hoe wordt gezorgd dat deze organisaties de vereiste kennis hebben om dit soort trainingen te geven?
De eisen waar de kennisaanbieder aan moet voldoen staan beschreven in het Examendocument gewasbescherming 2. De kennisaanbieder moet onder andere zelf een bewijs van vakbekwaamheid in bezit hebben, en een percentage van de bijeenkomsten wordt bezocht om te inspecteren of ze aan de vooraf opgegeven doelstellingen voldoen.
Wat is de stand van zaken van de motie-Van Campen c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 691) over vakbekwaamheidseisen?
In de tweede helft van 2026 zullen de onderwerpen rond het verminderen van het gebruik van hoog risicomiddelen en het verbeteren van de naleving van gebruikersvoorschriften verplicht aan bod komen in het nieuwe nascholingsaanbod voor de bewijzen van vakbekwaamheid. Ik zal uw Kamer hierover blijven informeren.
Is het (wettelijk) mogelijk bij herhaald overtreden van de regels ten aanzien van bestrijdingsmiddelen (denk bijvoorbeeld aan de recente bevindingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de sierteelt onder glas) de spuitlicentie (tijdelijk) in te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid is mogelijk. Indien tegen de houder van een bewijs van vakbekwaamheid herhaaldelijk overtredingen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden of van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn geconstateerd, kan de Minister het bewijs van vakbekwaamheid maximaal één jaar intrekken. De NVWA heeft in het verleden geen gebruik gemaakt van deze interventiemogelijkheid, omdat het destijds minder perspectief leek te hebben. Het bewijs van vakbekwaamheid is namelijk op naam gesteld en het is zeer moeilijk te bewijzen dat dezelfde persoon herhaaldelijk de aangetoonde overtredingen heeft begaan. Verder is het voor een bedrijf eenvoudig om een andere medewerker in te zetten. Dit geldt vooral voor bedrijven met meerdere medewerkers. De NVWA onderzoekt opnieuw de mogelijkheden van het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid, als één van de sanctie-instrumenten.
Bent u bereid bovenstaande vragen te beantwoorden voor het debat over gewasbescherming?
Ja.