Fouten in processen-verbaal |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Proces-verbaal is vaak een rommeltje»?1
Ja.
Herkent u het probleem dat zaken stuk lopen wegens een onjuist opgemaakt ambtsedig proces-verbaal? Zo nee, waarop baseert u dit? Zo ja, hoe groot is dit probleem of hoe vaak komt dit voor? Welke maatregelen bent u voornemens te nemen om dit te voorkomen?
De politie herkent dat er in sommige gevallen sprake is van processen-verbaal waarin onderzoeksresultaten onjuist zijn weergegeven. De politie is hier zeer alert op en acht een juist opgemaakt proces-verbaal een belangrijke voorwaarde voor een geloofwaardige en betrouwbare politie. Om ten aanzien van verhoren achteraf te kunnen controleren of de weergave in processen-verbaal overeenstemt met de werkelijkheid, worden van verhoren steeds vaker video- of audio-opnamen gemaakt. Beleid op dit vlak is opgenomen in de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten die op 1 september 2010 in werking is getreden.
Het precieze aantal gevallen waarin sprake is van dergelijke onjuist opgemaakte processen-verbaal, en het aantal zaken dat daar eventueel door stuk loopt, is niet bekend.
Wanneer er sprake is van een onjuist opgemaakt proces-verbaal worden in de korpsen passende maatregelen genomen en wordt extra aandacht gevraagd voor een goede kwaliteit van het proces-verbaal. Indien nodig wordt contact gelegd met het politieonderwijs.
Bent u van mening dat bovengenoemd probleem mede veroorzaakt kan worden door de ICT-problemen bij de politie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen?
De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid heeft uit onderzoek naar de ICT-systemen van politie geen informatie verkregen waaruit blijkt dat ICT-problemen gevolgen hebben voor de juistheid van processen-verbaal. Een onjuist opgemaakt proces-verbaal heeft te maken met het handelen van politieambtenaren. Het geschetste probleem is niet terug te voeren naar fouten in of aan het bedrijfsprocessensysteem zelf.
Bent u verder van mening dat bovengenoemd probleem mede veroorzaakt kan worden door het huidige bedrijfsprocessensysteem? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Het niet naleven van de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar door gemeenten |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Ouder in de bijstand moet werken»1 en «Kinderen? Je moet toch solliciteren»?2
Ja.
Bent u bekend met het feit dat veel gemeenten het verzoek tot vrijstelling van de sollicitatieplicht van alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar in tegenstelling tot het met de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders geïntroduceerde recht op ontheffing van de sollicitatieplicht afwijzen? Zo ja, wat is de achterliggende reden dat zij zich niet aan dit recht houden? Waarom kiezen gemeenten er niet voor om invulling te geven aan de scholingsplicht voor deze ouderen?
In de Wet werk en bijstand (WWB) geldt, ook voor alleenstaande ouders, als uitgangspunt dat financiële zelfstandigheid door werk de voorkeur heeft boven uitkeringsafhankelijkheid. Werk leidt tot economische zelfstandigheid en tot participatie in de maatschappij. Alleenstaande ouders in de bijstand moeten, net als andere bijstandsgerechtigden aan het werk.
In 2009 is de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders van kracht geworden. Alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar hebben het recht gekregen om een ontheffing van de sollicitatieplicht aan te vragen voor de duur van maximaal zes jaar. Hieraan is een scholingsplicht gekoppeld om gedurende de ontheffingsperiode de positie op de arbeidsmarkt te verbeteren. De invulling van de scholingsplicht is aan het college.
Omdat uitdrukkelijk niet is beoogd een categoriale ontheffing voor de doelgroep te regelen, moeten alleenstaande ouders zelf een aanvraag doen, staat het gemeenten uiteraard vrij een traject naar werk te stimuleren en zelf te bepalen hoe de voorlichting over de ontheffingsmogelijkheid er uit ziet.
Overigens wil ik u erop wijzen dat het Kabinet voornemens is om deze specifieke ontheffingsmogelijkheid voor alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar af te schaffen. Uw Kamer zal hierover op korte termijn een voorstel ontvangen.
Deelt u de mening dat het handelen van de gemeenten om geen uitvoering te geven aan de bepalingen van de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders ongewenst is? Hoe verhoudt de praktijk dat gemeenten weigeren om vrijstelling van de sollicitatieplicht aan alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar te geven zich tot uw uitspraak dat de ouders niets door het strot geduwd zal worden?3 Bent u bereid om deze gemeenten een bestuurlijke aanwijzing te geven? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u per gemeente cijfermaterieel verstrekken over het aantal alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar dat recht heeft op vrijstelling van de sollicitatieplicht en het specifieke aantal alleenstaande ouders dat op basis van de regeling daadwerkelijk vrijstelling heeft verkregen? Op welke wijze wordt in de praktijk gegarandeerd dat ouders worden betrokken bij de invulling van de scholingsplicht? Bent u bekend met het aantal bezwaren dat is ingediend op beschikkingen waarbij genoemde ouders tegen hun wil in een re-integratietraject zijn geplaatst en om hoeveel bezwaren gaat het dan? Indien u deze informatie niet heeft, bent u dan bereid om het functioneren van de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders op korte termijn te evalueren? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit tegemoet zien?
Eind 2008 waren er 68 260 alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering. Hiervan hebben er 25 160 een kind jonger dan vijf jaar.
Op 21 januari 2010 is, samen met de monitor bestuurlijk akkoord, een onderzoek aan uw Kamer gezonden over de eerste resultaten van de werking van de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders. Hierin is geconcludeerd dat de overgrote meerderheid van de ontheffingen van de doelgroep, tijdelijk en individueel zijn verleend op de algemene ontheffingsgrond van dringende redenen. Gemeenten geven hierbij als reden aan dat ontheffen op deze grond ook voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar volstaat. Het onderzoek biedt geen inzicht in landelijke cijfers over het aantal ontheffingen.
Verder blijkt dat gemeenten verschillende initiatieven ontplooien om de doelgroep te ondersteunen. Gemeenten geven aan dat het aanbod per cliënt verschilt en dat het gaat om maatwerk. Daarbij houden zij rekening met het niveau, interesses en motivatie van de cliënt.
Het onderzoek biedt geen inzicht in eventuele bezwaren die zijn ingediend op beschikkingen over ontheffingen.
In de wet is geregeld dat deze binnen vier jaar na inwerkingtreding zal worden geëvalueerd. Omdat het Kabinet voornemens is om de ontheffingsmogelijkheid voor alleenstaande ouders in de WWB af te schaffen, lijkt het niet opportuun om de evaluatie uit te voeren.
Deelt u de mening dat gemeenten verplicht zijn om alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar te informeren dat zij indien gewenst ontheffing kunnen krijgen van de sollicitatieplicht? Welke maatregelen gaat u nemen om er voor te zorgen dat deze ouders beter worden geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen gaat u daarnaast nemen om de handhaving van de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders door gemeenten daadwerkelijk te garanderen zodat alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar vrijstelling van de sollicitatieplicht verleend krijgen en in aanmerking komen voor een scholingstraject?»
Het geven van ontheffingen is geen doel op zich. Iedereen is zelf verantwoordelijk om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien door te werken. De uitvoering van de WWB is gedecentraliseerd. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk en de systematiek van de WWB stimuleert hen om bijstandsgerechtigden zo snel mogelijk weer aan het werk te krijgen. Het college kan hierbij een of meer re-integratievoorzieningen inzetten. Gemeenten zijn verplicht hun re-integratiebeleid vast te leggen in een verordening. Deze moet tevens blijk geven van een evenwichtige aanpak voor alle doelgroepen.
Omdat het gaat om een gemeentelijke verantwoordelijkheid en gezien het Kabinet voornemens is om de specifieke ontheffingsmogelijkheid voor alleenstaande ouders in de WWB af te schaffen ben ik niet van plan maatregelen ten aanzien van gemeenten te nemen.
Deelt u de mening dat de financiële prikkel die in de Wet werk en bijstand (WWB) voor gemeenten zit om mensen snel aan het werk te helpen er debet aan is dat geen vrijstellingen aan alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar worden afgegeven? Wat gaat u er aan doen dat gemeenten hun inspanningen voor de re-integratie niet richten op deze groep, maar juist op moeilijk in regulier werk plaatsbare groepen als Wajongers en Wsw’ers die extra begeleiding daadwerkelijk nodig hebben?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe kijkt u tegen de instroom van alleenstaande ouders in de WWB aan die veroorzaakt wordt doordat alleenstaande ouders hun alimentatie niet ontvangen? Vindt u het met ons een grotere inspanning wenselijk om te voorkomen dat alleenstaande ouders überhaupt in de WWB terecht komen? Zo nee, waarom niet?
Alimentatieverplichtingen jegens partners en kinderen zijn wettelijk verankerd in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Alimentatieverplichtingen die door de rechter zijn vastgesteld dienen ook te worden nagekomen, mede om te voorkomen dat als gevolg van het uitblijven hiervan een beroep wordt gedaan op de WWB. Binnen dit kader wijs ik op de Wet tot Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) in verband met de inning van partneralimentatie (Kamerstukken 2008–2009, 31 575) die op 1 augustus 2009 inwerking is getreden. Met die wijziging is er ook voor de inning van partneralimentatie een laagdrempelig loket gekomen, ingeval betaling hiervan uitblijft. De interventie van het LBIO – op verzoek van de alimentatieplichtige – bevordert de behoorlijke nakoming van alimentatieverplichtingen. De praktijk bij inning van kinderalimentatie wijst dat uit. In 90% van de gevallen is de inschakeling van het LBIO succesvol. De uitbreiding van het takenpakket van het LBIO met inning van partneralimentatie biedt belangrijke voordelen binnen het bijstandsdomein. Deze wet sluit aan bij de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan in de WWB en vermindert bijstandsafhankelijkheid. Concreet wordt hier gedoeld op het zelf effectueren van vastgestelde alimentatie via het LBIO als deze niet wordt betaald. Hierdoor zijn besparingen op de bijstand mogelijk. Gemeenten worden met deze wet ontlast in de uitvoering van de bevoegdheid tot bijstandsverhaal op onderhoudsplichtigen, in die gevallen waarin alimentatie in een rechterlijke uitspraak is vastgelegd.
Wilt u als regering met een voorstel komen voor de wettelijke verankering van de partneralimentatie, zodat het aantal alleenstaande ouders die geen alimentatie ontvangen zal afnemen waarmee de last op de WWB tevens zal verminderen? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit voorstel verwachten?
Zie antwoord vraag 8.
De integriteitscode voor bewindspersonen |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe wordt verzekerd dat bewindspersonen door het in hun functie nemen van besluiten of andere handelingen – te denken valt aan subsidies, opdrachten en vergunningen – de waarde van hun financiële belangen doen stijgen? Vergt het tegengaan van (schijnbare) belangenverstrengeling niet dat volstrekte openheid wordt betracht over de belangen van bewindspersonen? Bent u bereid hierover informatie aan de Kamer te verschaffen?
De integriteit van besluitvorming door bewindspersonen wordt verzekerd door de ministeriële verantwoordelijkheid, de controle van hun handelen en nalaten door het parlement, de rechterlijke macht en de Nationale ombudsman, de rol van de media, wet- en regelgeving en voorschriften met betrekking tot de benoeming en handelwijze van bewindspersonen. Hierdoor en door het grondrecht van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt de openheid van belangen van bewindspersonen bepaald.
Is er nagedacht over de vraag welke financiële belangen bewindspersonen in het geheel niet mogen bezitten, ook niet indien zij door derden worden beheerd? Kunt u een opsomming daarvan, per ministerie, aan de Kamer verstrekken?
Ja, hierover is nagedacht. Nee, de departementale indeling is niet bepalend. Voor de bewindspersonen van Financiën gelden striktere criteria ten aanzien van bepaalde belangen.
Bent u bereid nadere informatie te verschaffen over de wijze waarop alle bewindspersonen met financiële belangen het beheer van die belangen op afstand hebben geplaatst, opdat beoordeeld kan worden of met de gekozen constructie in voldoende mate de schijn van belangenverstrengeling wordt vermeden?
Nee. Voor zover het geen gegevens betreft die niet reeds openbaar zijn, is het aan de individuele bewindspersonen om te beoordelen of en in hoeverre zij verstrekking van gegevens in overeenstemming achten met het grondrecht op een persoonlijke levenssfeer van henzelf en anderen.
Is het, gelet op de verwikkelingen met de vakantiewoning van de minister voor Immigratie en Asiel, nog wel juist om er vanuit te gaan, zoals in bijlage 1, onder A, van de code wordt gedaan, dat bij roerende en onroerende zaken die niet commercieel worden geëxploiteerd, geen sprake is van een risico van (schijnbare) belangenverstrengeling? Welke andere bewindspersonen bezitten onroerende zaken in het buitenland en in welke land?
Ja. Enkele bewindspersonen bezitten onroerende zaken in het buitenland.
De verkoop van het belang in het Oostenrijkse Redmail door TNT vanwege de invoering van een nieuwe postwet 'die concurrentie beperkt' |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het nieuwsbericht over de verkoop van het belang in Redmail door TNT vanwege een nieuwe postwet in Oostenrijk die aldaar de concurrentie beperkt?1
Op 13 januari 2010 heeft TNT met een persbericht aangekondigd toekomstige activiteiten van Redmail te zullen beperken tot de bezorging van kranten. Dit naar aanleiding van de bijeenkomst met beursanalisten begin december 2009, waarin TNT heeft besloten per EU-land te kijken of TNT allianties zal vormen dan wel zich terug zal trekken. Het bericht van 2 november jl. heb ik derhalve ter kennisgeving aangenomen.
Is het waar dat in Oostenrijk de brievenbussen, waarin postbedrijven de post bestemd voor bewoners moeten deponeren, op slot zitten en dat alleen het voormalig staatsbedrijf in Oostenrijk de sleutels voor deze brievenbussen heeft waardoor de bezorging door andere postbedrijven feitelijk onmogelijk is?
Voor wat betreft het sleutelprobleem heeft TNT bij navraag in januari 2010 aangegeven dat ongeveer bij 30% van de huisbrievenbussen in Oostenrijk alleen bezorgd kan worden door middel van een sleutel; dergelijke sleutels heeft alleen de Österreichische Post, als verlener van de Universele Dienst.
Deze situatie is door concurrenten op de Oostenrijkse postmarkt langs juridische weg aangevochten, teneinde op dit punt gelijke kansen te creëren voor alle spelers. De klagers zijn weliswaar in het gelijk gesteld, maar in de situatie is de facto niets veranderd, omdat de brievenbussen eigendom zijn van de betreffende woningeigenaren. De postmarkt gaat in Oostenrijk per 1 januari 2011 open, conform de Postrichtlijn. Voor het sleutelprobleem is in het wetsvoorstel (dat op 1 januari 2011 inwerking treedt) bepaald dat uiterlijk 31 december 2012 alle huisbrievenbussen toegankelijk dienen te zijn voor alle postbezorgers.
Heeft u contact met uw Oostenrijkse ambtgenoot over de problemen rond de toegang tot de brievenbussen? Zo nee, waarom niet en bent u alsnog bereid om contact te hebben en de Kamer hierover te informeren?
Er is geen contact met mijn Oostenrijkse ambtgenoot over de problematiek rond de toegang tot de brievenbussen. Dit betreft een binnenlandse aangelegenheid in Oostenrijk, waarbij de Oostenrijkse postwetgeving per 1 januari 2011 zorgt voor de implementatie van de Europese Postrichtlijn. Het is aan de Europese Commissie om te beoordelen of de Oostenrijkse postwetgeving al dan niet in strijd is met de Europese regelgeving.
Deelt u de mening dat er door deze situatie geen sprake is van een gelijk speelveld op de Europese postmarkt en dat het Nederlandse bedrijf TNT in het nadeel is?
In Oostenrijk betreft het een overgangsproblematiek voor 30% van de huisbrievenbussen, die niet van de ene op de andere dag is opgelost. Maar zoals in de nieuwe Oostenrijke Postwet is aangegeven, wordt deze opgelost, waarmee, zij het met enige vertraging, wel een gelijk speelveld ontstaat. Ik wil er op wijzen dat de lidstaten met de grootste postmarkten, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, Nederland voor zijn gegaan met de volledige openstelling van hun postmarkt en dat TNT daar van meet af aan actief is.
Deelt u de mening dat, nu keer op keer op keer blijkt dat in Nederland de nieuwkomers een voordeel hebben ten opzichte van de voormalig monopolist in ons land, TNT, terwijl in andere Europese land juist de nieuwkomers, waaronder het Nederlandse TNT, een concurrentienadeel hebben ten opzichte van voormalige staatsbedrijven, de Europese liberalisering van de postmarkt volledig is mislukt?
Zie antwoord vraag 4.
Wat bent u van plan te gaan doen aan deze situatie?
De Europese Commissie ziet toe op een tijdige en juiste implementatie van de Postrichtlijn. Wanneer lidstaten in gebreke blijven, kan de Europese Commissie een infractieprocedure starten tegen de lidstaat.
Ik ga er vanuit dat de Commissie de implementatie nauwgezet zal volgen, net zoals indertijd bij de openstelling van de telecommunicatiemarkt.
Ik zal hiervoor aandacht vragen bij de Europese Commissie.
Kunt u deze vragen vóór eerstkomend algemeen overleg over de postmarkt beantwoorden?
Deze antwoorden ontvangt u voor het Algemeen Overleg van 15 december a.s., waarin de postmarkt in den brede wordt besproken.
Het onmiddelijk stoppen van ontwikkelingshulp aan Jemen |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Deelt u, gelet op de recent aangetroffen explosieven in vrachtvliegtuigen in Londen en Dubai met als bestemming de Verenigde Staten, de mening dat Jemen een jihad-broeinest is?1 Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel uw mening dat Jemen een jihad-broeinest is niet. De regering maakt zich wel grote zorgen over de ontwikkelingen in Jemen. Het terroristische netwerk Al Qa’ida op het Arabisch Schiereiland pleegt aanslagen op zowel Jemenitische, als buitenlandse doelen in Jemen. Het werkterrein van de terroristische cellen heeft zich uitgebreid naar doelen buiten Jemen. Een groot aantal landen, waaronder Nederland, heeft ondermeer in het kader van het Friends of Yemen proces aangegeven bereid te zijn de Jemenitische overheid bij te staan in haar strijd tegen het terrorisme.
Bent u ermee bekend dat de National Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) heeft besloten dat post en vracht via luchtverkeer uit Jemen in ons land niet meer welkom is? Bent u ermee bekend dat ook bijvoorbeeld de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland geen vrachtvliegtuigen uit Jemen meer toelaten?2
De NCTb heeft inderdaad besloten extra veiligheidsmaatregelen te treffen zodat het tot nader order niet is toegestaan om luchtvracht- en postzendingen die afkomstig zijn uit Jemen via de lucht naar Nederlandse luchthavens te vervoeren, of vanaf Nederlandse luchthavens via de lucht te verzenden. Het is mij bekend dat andere landen soortgelijke maatregelen hebben getroffen.
Bent u bereid, behoudens noodhulp, per direct alle ontwikkelingshulp aan Jemen te stoppen? Zo nee, waarom niet.
Nee. Ontwikkelingssamenwerking kan een belangrijke bijdrage leveren aan het wegnemen van onderliggende oorzaken van radicalisering. Het huidige Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsprogramma in Jemen richt zich op de watersector en integraal waterbeheer, onderwijs en reproductieve gezondheid. Met deze inzet richt het Nederlandse programma zich op de bestrijding van enkele meer structurele oorzaken van het fragiele karakter van Jemen. Daarnaast draagt Nederland bij aan programma’s gericht op het tegengaan van radicalisering, witwassen van geld ten behoeve van terrorismefinanciering en document- en identiteitsfraude. Vanwege de voortgaande destabilisering in Jemen wordt momenteel bezien op welke wijze het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsprogramma in Jemen kan worden aangepast om beter aan te sluiten bij de verslechterende politieke, economische, sociale en veiligheidssituatie. Hier wil ik niet op vooruitlopen.
De Europese inzet ter bescherming van de blauwvintonijn |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het Wereld Natuur Fonds (WWF) Reactive Statement «Two-faced Fisheries Council» over de Visserijraad van 26 oktober?1
Ja.
Deelt u de mening van uw voorganger, die in de voorbereiding op de Raad tijdens het algmeen overleg Visserijraad van 13 oktober 2010 aangaf «dat de inzet van Nederland (...) heel scherp zal moeten zijn» ten aanzien van blauwvintonijn? Klopt het dat u zich tijdens de Raad niet expliciet uitgesproken hebt vóór het voorstel van Eurocommissaris Damanaki?
Tijdens het wetgevingsoverleg visserij op 8 november jl. heb ik mijn interventie tijdens de Raad van 29 oktober toegelicht. Hiervoor verwijs ik naar het verslag van dit overleg, 32500-XIII, nr. 61.
In mijn brief van 23 november jl. (32500-XIII, nr. 138) heb ik mijn inzet uiteengezet inzake het mandaat van de Commissie. Nederland heeft zich lang hard gemaakt voor een mandaat dat uitgaat van een substantiële reductie van de maximaal toegestane vangsthoeveelheid (Total Allowable Catches, TAC), zo dicht mogelijk bij nul.
Na lange en moeilijke onderhandelingen heeft de Commissie de opdracht gekregen namens de EU te pleiten voor een TAC die voortvloeit uit het strikt en objectief volgen van het wetenschappelijk advies, met als doel om met een waarschijnlijkheid van tussen 60 en 77 procent een maximaal duurzame opbrengst (Maximum Sustainable Yield, MSY) te bereiken in 2022. Daarmee zou de TAC nadrukkelijk worden gereduceerd.
Tijdens de ICCAT-top in Parijs is na moeizame onderhandelingen een nieuw meerjaren herstelplan voor de blauwvintonijn vastgesteld. Het betreft in feite een aantal aanpassingen van het bestaande herstelplan. In 2012 zal het plan – en de TAC – op basis van een nieuwe bestandsopname opnieuw worden bezien. Het vangstniveau is voor de komende twee jaar vastgesteld op 12 900 ton. Dit vangstniveau valt binnen het wetenschappelijke advies en binnen het mandaat van de EU.
Wat is uw inschatting van de herstelkansen voor de blauwvintonijn, als de maximumgrenzen voor vangsten na de top van de Internationale Commissie voor het beheer van de Atlantische Tonijn (ICCAT) hoger komen te liggen dan 6 000 ton en de zes belangrijkste paaigebieden in de Mediterraanse zee niet worden beschermd tegen vissen, zoals Euro Commissaris Damanaki tijdens de Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteitraad voorgesteld heeft? 4 Kunt u hiervoor bevestigen dat Nederland in de onderhandelingen in de aanloop naar de ICCAT-top in Parijs zich alsnog zal aansluiten bij landen als het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Zweden door steun uit te spreken voor een harde maximumgrens voor het vangen van 6 000 ton en het afsluiten voor visserij van de zes belangrijke paaigebieden in de Mediterraanse zee, zoals voorgesteld door EU-commissaris Damanaki tijdens de Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteitraad?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om tussen nu en de ICCAT-top in te spannen voor het verwerven van steun voor een harde maximumgrens voor vangsten van blauwvintonijn van 6 000 ton en voor het afsluiten voor visserij van de zes belangrijke paaigebieden in de Mediterraanse zee gedurende de ambtelijke overleggen en uw eigen contacten met collega’s van andere landen van de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zich in te zetten voor Nederlandse deelname aan de EU-delegatie aan de ICCAT top?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Wetgevingsoverleg visserij van 8 november aanstaande?
Nederland heeft deel uigemaakt van de EU-delegatie aan de ICCAT-top.
De hoge hypotheekmarges in Nederland |
|
Wouter Koolmees (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de «quick scan» van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa)?1 Hoe beoordeelt u de eerste uitkomsten van het gedane onderzoek?
Ik heb met veel belangstelling kennisgenomen van de quick scan hypotheekrente, die de Nederlandse Mededingingautoriteit (NMa) recentelijk heeft gepubliceerd. Dit betreft het eerste deel van het onderzoek dat de NMa momenteel uitvoert naar de Nederlandse hypotheekmarkt. De quick scan geeft meer duidelijkheid over de ontwikkelingen van de hypotheekmarges in Nederland. Hiervoor heeft de NMa de marges door middel van drie methoden onderzocht. Daarbij heeft zij rekening gehouden met mogelijke stijgingen in de kosten van banken. Uit de quick scan blijkt dat de Nederlandse hypotheekmarges na medio 2009 hoog zijn in historisch perspectief. Deze conclusie geldt voor zowel hypotheken met een variabele rente als voor hypotheken met een langere rentevaste periode. Daarnaast blijkt uit een internationale vergelijking van de hypotheekmarges met Frankrijk, Duitsland en België dat de marges in Nederland relatief hoog zijn.
De eerste uitkomsten van het onderzoek naar de Nederlandse hypotheekmarkt vormen een serieus signaal. De NMa gaat in het eerste deel van haar onderzoek naar de Nederlandse hypotheekmarkt nog niet in op mogelijke oorzaken die aan de hoogte van de marges ten grondslag kunnen liggen. Zij geeft banken en andere stakeholders de gelegenheid te reageren op de bevindingen uit haar quick scan. De reacties van de stakeholders zullen belangrijke aanknopingspunten vormen voor het tweede deel van het onderzoek naar de hypotheekmarkt, waarin de NMa ontwikkelingen in de concurrentieomstandigheden op de hypotheekmarkt in kaart zal brengen en mogelijke gebreken van de marktwerking zal identificeren. Hierdoor zal meer duidelijkheid ontstaan over de oorzaken die aan de hoogte van de marges ten grondslag liggen. Ik ben dan ook zeer benieuwd naar de reacties uit de sector en de bevindingen uit het tweede deel van het onderzoek.
Wat vindt u van het feit dat het NMa-onderzoek pas in het voorjaar van 2011 verwacht wordt? Deelt u de mening dat het slecht is dat consumenten nog een half jaar in onzekerheid blijven over de hoge marges op de hypotheekmarkt en de oorzaken daarvan? Bent u bereid om het onderzoek te versnellen?
Ik vind het tweede deel van het onderzoek van de NMa naar de hypotheekmarkt erg belangrijk, omdat het meer duidelijkheid zal verschaffen over de oorzaken die aan de hoogte van de marges ten grondslag liggen. Voor consumenten, en voor eventuele maatregelen vanuit de overheid, is deze duidelijkheid van groot belang. Ik acht het dan ook wenselijk dat het onderzoek zo spoedig mogelijk wordt afgerond. De NMa heeft mij hierop verzekerd dat het onderzoek prioriteit heeft.
Tegelijkertijd is het noodzakelijk dat het onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd. De consument is niet gebaat bij een onvolledig of onjuist uitgevoerd onderzoek. De NMa heeft aangegeven dat banken en andere stakeholders tot uiterlijk vrijdag 17 december 2010 kunnen reageren op het eerste deel van haar onderzoek. Omdat deze reacties vanuit de sector belangrijke aanknopingspunten zullen vormen voor het onderzoek, vind ik het belangrijk dat zij voldoende gelegenheid krijgen hun zienswijzen kenbaar te maken.
Wat vindt u van het feit dat de Nederlandse hypotheekmarkt niet goed functioneert, ongeacht of dit aan eventuele prijsafspraken ligt? Welke andere oorzaken voor de hoge marges zouden een rol kunnen spelen?
De Nederlandse hypotheekmarkt speelt een belangrijke rol in het economisch verkeer. Gebreken in de marktwerking op de hypotheekmarkt kunnen gevolgen hebben voor de Nederlandse economie. Prijsafspraken tussen banken zouden consumenten de voordelen van concurrentie op de hypotheekmarkt kunnen ontnemen en daarmee een overtreding kunnen vormen van de Mededingingswet.
De NMa ziet hierop toe. Zij heeft aangegeven op dit moment niet te vermoeden dat banken zich schuldig maken aan prijsafspraken.2
Het tweede deel van het onderzoek naar de Nederlandse hypotheekmarkt van de NMa zal meer duidelijkheid verschaffen over de oorzaken die aan de hoogte van de marges ten grondslag liggen. De NMa zal hierbij ontwikkelingen in de concurrentieomstandigheden op de hypotheekmarkt in kaart brengen en mogelijke gebreken van de marktwerking identificeren. Volgens de NMa kunnen hierbij onder meer aan bod komen de ontwikkeling van de marktaandelen, de ontwikkeling van de toetreding- en uittredingsdrempels, de ontwikkeling van de mate van transparantie van de markt, gedragingen die de marktwerking kunnen verstoren en de ontwikkeling van de tarieven van hypotheekaanbieders. De door u genoemde factoren kunnen derhalve in het tweede deel van het onderzoek aan bod komen.
Wat is het doel van het onderzoek? Bent u bereid de NMa te verzoeken om ook de aspecten aanbodstructuur, transparantie van prijsopbouw, vergelijkbaarheid van tarieven, mogelijkheid van overstappen, de Nederlandse hypotheekregels en de gevolgen van de financiële crisis en de staatsteun in het onderzoek mee te nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van mening dat de Nederlandse hypotheekmarkt een oligopolie is? Vermoedt u dat tussen de aanbieders sprake is van «onderling afgestemde feitelijke gedraging»?
Op de Nederlandse hypotheekmarkt is een beperkt aantal ondernemingen actief dat gezamenlijk een groot marktaandeel heeft. Dit maakt het concurrentieproces kwetsbaar. De financiële markten, waaronder de markt voor hypotheken, vormen om die reden een speerpunt in het toezicht van de NMa. Ook is de sector als aandachtsveld opgenomen in de «NMa-Agenda 2010–2011».3
Zoals ik op eerdere van uw vragen heb geantwoord, zal de NMa in het tweede deel van haar onderzoek naar de Nederlandse hypotheekmarkt diepgaand ingaan op de concurrentieomstandigheden en de ontwikkelingen daarvan. Daarbij zullen ook kenmerken van de aanbodstructuur aan bod komen.
Daarnaast houdt de NMa toezicht op de naleving van de Mededingingswet. Onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen aanbieders kunnen een overtreding vormen van de Mededingingswet. De quick scan heeft geen aanleiding gegeven voor een vermoeden van een overtreding van de Mededingingswet. De NMa heeft aangegeven elke concrete aanwijzing die wijst op onderlinge afstemming van gedragingen van banken graag te ontvangen.
Welke gevolgen denkt u dat mogelijke prijsafspraken hebben voor het broze consumentenvertrouwen en de aanhoudende stagnatie op de woningmarkt? Wat gaat u doen om negatieve gevolgen te voorkomen?
Prijsafspraken hebben doorgaans als gevolg dat de concurrentie merkbaar wordt beperkt en de consument de voordelen van een goede marktwerking wordt ontnomen. Zo leiden prijsafspraken over het algemeen tot hogere tarieven, een daling in de kwaliteit en in het niveau van dienstverlening en beperkte keuzevrijheid. Deze gevolgen acht ik zeer onwenselijk. Ook voor het consumentenvertrouwen in de financiële sector is het cruciaal dat banken zich onthouden van prijsafspraken en andere overtredingen van de Mededingingswet. Ik vind het hierom belangrijk dat de NMa extra aandacht besteedt aan het toezicht op de naleving van de Mededingingswet in de financiële sector.
Welke gevolgen denkt u dat deze publicatie heeft voor het consumentenvertrouwen gezien het feit dat nog steeds een op de zes consumenten een hypotheekadvies onder de maat krijgt?
De quick scan naar de ontwikkelingen van de hypotheekmarges in Nederland geeft meer duidelijkheid over de ontwikkelingen van de marges, maar gaat nog niet in op de oorzaken die aan de hoogte van de marges ten grondslag liggen. Het tweede deel van het onderzoek van de NMa zal hier meer duidelijkheid over verschaffen. Voor zowel consumenten en hun vertrouwen in de sector als voor eventuele maatregelen vanuit de overheid is deze duidelijkheid van groot belang.
Kunt een inschatting geven van de gemiddelde economische kosten voor consumenten van deze hoge hypotheekmarges?
Zoals de NMa benadrukt in haar quick scan zijn de gebruikte methodes bedoeld om de ontwikkelingen van de marges te onderzoeken en niet om de absolute niveaus van de marges te bepalen. Ik kan aan hand van de uitkomsten van deze quick scan dan ook geen inschatting maken van de gemiddelde economische kosten voor consumenten.
Bent u van mening dat de totstandkoming van de hypotheekrente voldoende transparant is? Zijn er afspraken gemaakt met De Nederlandse Bank en of het ministerie van Financiën in welke mate deze transparantie gegeven moet worden?
Voor consumenten die overwegen een hypothecaire kredietovereenkomst te sluiten, is het belangrijk dat zij beseffen hoe de rente is opgebouwd. In het tweede deel van haar onderzoek naar de Nederlandse hypotheekmarkt zal de NMa ingaan op de mate van transparantie op de markt.
Zoals eerder is geantwoord op Kamervragen van het lid Blanksma-van den Heuvel heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) onderzoek gedaan naar de toereikendheid van de informatieverstrekking door financiële dienstverleners aan consumenten voor het sluiten van een hypotheek met variabele rente. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de verstrekte informatie consumenten onvoldoende inzicht geeft in de fluctuatie en de opbouw van het in rekening gebrachte variabele rentepercentage. Hierdoor kunnen consumenten de risico’s die zij lopen door fluctuatie van de variabele rente niet goed inschatten. Gelet op de uitkomsten van dit onderzoek heeft mijn collega van Financiën aangegeven het wenselijk te vinden nadere regels te stellen aan de informatieverschaffing door aanbieders. Naar aanleiding van de eerste resultaten van het onderzoek van de NMa zal in een breder kader gekeken worden naar de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt. Hiertoe zal de minister van Financiën op korte termijn in overleg treden met marktpartijen en andere stakeholders, waaronder de AFM.
Is er een relatie tussen de kredietcrisis, de verzwakte bankbalansen en de hogere marges die banken aan consumenten vragen? Welke relatie is er met de afspraken die zijn gemaakt met de banken die staatssteun ontvangen en zich niet als prijsvechter mogen gedragen?
De kredietcrisis heeft ontegenzeggelijk invloed gehad op de bankbalansen. In haar quick scan heeft de NMa rekening gehouden met de mogelijke stijgingen in de kosten van banken. Zo heeft zij rekening gehouden met verhoogde risicopremies die banken moeten betalen op de kapitaalmarkt en de mogelijke verschuiving van de financieringsmix van de banken naar relatief dure financieringsbronnen zoals spaargeld. Daarbij heeft de NMa aangegeven dat de gebruikte methodes niet bedoeld zijn om de absolute niveaus van de marges te bepalen. De NMa geeft banken en andere stakeholders de gelegenheid te reageren op haar quick scan.
De NMa legt in haar quick scan geen directe relatie tussen de kredietcrisis, de verzwakte bankbalansen en de marges die hypotheekverstrekkers hanteren. In het tweede deel van het onderzoek naar de hypotheekmarkt zal de NMa diepgaand ingaan op de oorzaken die aan de hoogte van de hypotheekmarges liggen. Meer specifiek zal zij ontwikkelingen in de concurrentieomstandigheden op de hypotheekmarkt in kaart brengen en mogelijke gebreken van de marktwerking identificeren. Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan ontwikkelingen sinds en achtergronden van de financiële crisis. Mijn collega van Financiën en ik willen niet vooruitlopen op de resultaten van dit bredere onderzoek. Zodra de NMa het tweede deel van haar onderzoek naar de hypotheekmarkt heeft afgerond, zal ik dat u doen toekomen.
Wat is de samenhang tussen het feit dat Nederland de hoogste totale hypotheekschuld van Europa heeft en het feit dat Nederland hogere hypotheekmarges heeft dan andere Europese landen?
Zie antwoord vraag 10.
Welke relatie is er tussen de hoge hypotheekmarges en de fiscale faciliering van hypotheekschuld?
Het is de minister van Financiën en mij niet bekend dat er een directe relatie is tussen de hoogte van de hypotheekmarges, zoals onderzocht door de NMa, en de fiscale faciliëring van hypotheekschuld. Zoals eerder is geantwoord op Kamervragen van het lid Sap achten de minister van Financiën en ik het op dit moment niet nodig hiernaar aanvullend onderzoek te doen.
Een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over de aanwezigheid van een advocaat bij het verhoor |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraak in de zaak Brusco vs. Frankrijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (14 oktober 2010)1 en het artikel «Advocaat mag altijd bij verhoor»?2
Ja.
Kan de zinsnede «la Cour rappelle également que la personne placée en garde à vue a le droit d’être assistée d’un avocat dès le début de cette mesure ainsi que pendant les interrogatoires, et ce a fortiori lorsqu’elle n’a pas été informée par les autorités de son droit de se taire», zo worden uitgelegd dat er ook tijdens het verhoor een recht op aanwezigheid van een advocaat bestaat? Zo ja, wat betekent dit voor de Nederlandse praktijk met betrekking tot de aanwezigheid van een advocaat voorafgaande en tijdens het verhoor? Zo nee, waarom niet? Hoe moet die passage dan wel worden gelezen en uitgelegd?
Nee. In Brusco vs. Frankrijk legt het Hof artikel 6 van het EVRM zo uit dat een verdachte de gelegenheid moet hebben zich met een raadsman te verstaan vóór en tijdens het eerste verhoor en volgende verhoren. Door iemand als getuige (en niet als verdachte) te horen en hem evenmin op zijn zwijgrecht te wijzen wordt een schending van artikel 6 door Frankrijk aangenomen. Deze uitspraak leidt niet tot de conclusie dat los van de context van de Franse wetgeving de raadsman in het algemeen ook tijdens het verhoor aanwezig moet kunnen zijn. Er is naar aanleiding van de uitspraak in de zaak Brusco naar mijn oordeel geen aanleiding tot het nemen van aanvullende maatregelen voor de Nederlandse situatie. Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar mijn brief met bijlage aan uw Kamer van 16 november j.l. over de aanwezigheid van de raadsman bij het politieverhoor (TK, 2010–2011, 32 500 VI, nr 15).
Deelt u de mening van de in het bovengenoemde artikel aangehaalde strafpleiter dat «vanaf nu [...] verhoren waarbij dat niet gebeurt zelfs [kunnen] worden uitgesloten van het bewijs» en dat het zaak is voor politie en justitie om een en ander onmiddellijk te gaan regelen»? Zo ja, hoe gaat u dit «onmiddellijk regelen»? Is uitsluiting van bewijs de enige sanctie in het geval dat er geen advocaat bij het desbetreffende verhoor aanwezig was? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 2 en uit de bovengenoemde brief aan uw Kamer m.b.t. de aanwezigheid van de raadsman bij het politieverhoor, is de Nederlandse werkwijze verenigbaar met artikel 6 EVRM.
Overigens heeft een verdachte in geval van verdenking van een misdrijf het recht op consultatie van een raadsman voorafgaand aan het eerste inhoudelijke verhoor. Indien ten onrechte van deze mogelijkheid geen gebruik is gemaakt, dan is het aan de rechter om conform artikel 359a lid 1 Wetboek van strafvordering te bepalen welk gevolg aan dit verzuim wordt gegeven.
Het rappaort Azerbaijan |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport Azerbeidzjan Vulnerable Stability van de International Crisis Group (ICG)?
Ja.
Deelt u de mening van de ICG dat het presidentschap van Ilham Aliyev economische voorspoed heeft opgeleverd door de export van olie, maar dat dit gepaard is gegaan met versterking van zijn autoritaire macht, grotere onderdrukking en corruptie? Kunt u uw mening toelichten?
De uitvoer van olie vormt een belangrijke inkomstenbron voor Azerbeidzjan. De Azerische economie is daardoor met name de laatste jaren sterk gestimuleerd.
De regeringsmacht is sinds 1993 in handen geweest van slechts twee presidenten, Heydar Aliyev en zijn zoon Ilham Aliyev. Gedurende deze periode is er sprake van een gebrekkig functionerende democratie en rechtstaat.
Op de website van het ministerie van Veiligheid en Justitie wordt aangegeven dat er met het ministerie van Binnenlandse Zaken van Azerbeidzjan een goede samenwerking nodig is om te komen tot een effectieve bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, zoals mensenhandel en mensensmokkel, en de bestrijding van illegale migratie. Welke afspraken zijn concreet gemaakt?
Tijdens het bezoek van de voormalige Minister van Justitie aan Azerbeidzjan van 8 tot 12 augustus jl. zijn afspraken gemaakt op basis waarvan kennisuitwisseling en, binnen de wettelijke kaders, samenwerking op het gebied van onder meer bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, zoals mensenhandel en mensensmokkel, en de bestrijding van illegale migratie, kan plaatsvinden. Op dit moment zijn nog geen concrete afspraken voor nadere samenwerking gemaakt.
Wat is de Nederlandse opstelling ten aanzien van Azerbeidzjan als het gaat om de mensenrechtensituatie in het land? Liggen hier ook concrete afspraken aan ten grondslag?
Als lid van de Raad van Europa en OVSE heeft Azerbeidzjan zich gecommitteerd aan de geldende principes op het gebied van democratie en mensenrechten. In de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst, die in 1999 met de EU in werking is getreden, worden in artikel 2 respect voor democratie, beginselen van internationaal recht en mensenrechten genoemd, zoals gedefinieerd in documenten van de Verenigde Naties en de OVSE. De EU steunt Azerbeidzjan met verschillende programma’s (zie ook antwoord op vraag 6), onder meer gericht op «civil society». Regelmatig vinden bijeenkomsten plaats van de Samenwerkingsraad (ministerieel niveau), het Samenwerkingscomité (hoog ambtelijk niveau) en diverse subcomités. In 2010 is een «Subcomité voor Justitie, Vrijheid en Veiligheid en Mensenrechten en Democratie» ingesteld, dat op 30 november en 1 december 2010 voor het eerst bijeen zal komen.
Nederland volgt ontwikkelingen op het terrein van de mensenrechten en moedigt langs bilaterale en in EU- en multilateraal kader Azerbeidzjan aan zijn internationale verplichtingen na te komen, met name waar het de versterking van pluralistische democratie, vrijheid van meningsuiting en media betreft.
Wat is het Nederlandse terugkeerbeleid ten aanzien van Azeri?
Het terugkeerbeleid vloeit in beginsel voort uit het toelatingsbeleid. Indien het asielverzoek wordt afgewezen, dient de asielzoeker terug te keren naar zijn land van herkomst. Beoordeling van asielaanvragen vindt plaats op individuele basis aan de hand van de algemene wet- en regelgeving en de beschikbare landeninformatie. Voor Azerbeidzjan geldt op dit moment geen bijzonder toelatingsbeleid.
Kunt u aangeven op welke manier Nederland bijdraagt aan de bevordering van de rechtsstaat in Azerbeidzjan? Kunt u concreet aangeven welke projecten gericht op verbeteringen op het gebied van administratieve wetten en detentieomstandigheden Nederland ondersteunt en hoeveel geld hiermee gemoeid is?
Nederland draagt bij aan enkele afzonderlijke projecten in Azerbeidzjan. Het gaat om (a) versterking van procesvoering van rechtzaken bij schending van mensenrechten in o.a. Azerbeidzjan. Dit project wordt uitgevoerd door het Nederlands Helsinki Comité en wordt gefinancierd op basis van het Thematische Medefinancierings (TMF)-programma; (b) de verbetering van de gezondheidssituatie in gevangenissen in o.a. Azerbeidzjan, uitgevoerd door de Wereld Gezondheidsorganisatie.; (c) de introductie van nieuw bestuursprocesrecht in Azerbeidzjan. Dit project is onlangs beëindigd en werd uitgevoerd door het Centre for International Legal Cooperation op basis van financiering door de Nederlandse ambassade in Tbilisi.
Azerbeidzjan is één van de zes partnerlanden van de Europese Unie in het Oostelijk Partnerschap. In dit Partnerschap zijn vier zogenaamde multilaterale platforms ingesteld, waaronder één inzake «Democratie, Goed Bestuur en Stabiliteit». Het werkprogramma 2009–2011 van dit platform richt zich met name op: (1) beter functioneren van het gerechtelijke systeem, (2) hervormingen van het openbaar bestuur en (3) strijd tegen corruptie. Naar aanleiding van een Nederlands voorstel is voor het uitvoeren van programma’s in deze sectoren € 4 miljoen over 2 jaar aan de Raad van Europa ter beschikking gesteld.
Welke follow up wordt gegeven aan de veroordelingen door het Europees Hof van de Rechten van de Mens inzake martelingen in detentie, de vrijlating van de journalist Fatullayev en van de repressieve NGO-wet?
Het Comité van Ministers van de Raad van Europa (CM) houdt op grond van artikel 46 lid 2 EVRM toezicht op de tenuitvoerlegging van uitspraken van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM). Dit gebeurt in aparte bijeenkomsten die vier keer per jaar worden gehouden. Het is de verwachting dat de genoemde kwesties binnenkort op de agenda van het CM staan. De eerstvolgende bijeenkomst vindt plaats op 30 november tot en met 3 december aanstaande. Zodra deze kwesties aan de orde komen zal Nederland zich actief opstellen.
Op 11 november jl. heeft het hooggerechtshof van Azerbeidzjan zich gebogen over de uitspraak van het EHRM. Het heeft de veroordeling van de heer Fatullayev, in lijn met de EHRM-uitspraak, vernietigd. Echter, de heer Fatullayev blijft in hechtenis in verband met een aanklacht voor drugsbezit tijdens zijn huidige detentie.
Ook de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, waarin ook leden van uw Kamer zitting hebben, heeft diverse resoluties aangenomen om de naleving van Hofuitspraken te bespoedigen. De resolutie van 31 mei 2010 over Azerbeidzjan is daarvan een recent voorbeeld.
Op welke wijze zullen onafhankelijke waarnemers de aanstaande parlementsverkiezingen monitoren?
In totaal waren 406 waarnemers uit 42 landen betrokken bij de internationale waarnemingsmissie op 7 november. Door de OVSE/ODIHR werden 36 lange termijn waarnemers (waaronder 1 Nederlandse) en 270 korte termijn waarnemers (5 Nederlanders) ingezet. De Parlementaire Assemblee van de OVSE zond 51 mensen uit en PACE had 33 vertegenwoordigers als waarnemer in het land. Het Europese Parlement zond 16 vertegenwoordigers naar Azerbeidzjan voor de verkiezingen. Behalve de 406 waarnemers die onder de paraplu van de gezamenlijke ODIHR-OVSE-RvE-EP missie deelnamen waren ook in totaal meer dan 1 000 waarnemers betrokken, waaronder parlementariërs uit GOS-landen en Turkije.
Hebben in de aanloop naar de verkiezingen ongeregeldheden plaatsgevonden? Is in de aanloop naar de verkiezingen de vrijheid van meningsuiting van media, organisaties en burgers verder onder druk komen te staan? Zo ja, kunt u voorbeelden geven?
Volgens de OVSE-waarnemingsmissie was de aanloop naar de verkiezingen vreedzaam en verliep de verkiezingsdag zelf ook zonder gewelddadige incidenten. Wel is de OVSE kritisch over de beperkingen in mediavrijheid, vrijheid van vergadering en een gebrekkige kandidaatstellingsregistratie, alsmede onregelmatigheden bij het tellen van de stemmen, hinderen van lokale waarnemers voor de oppositie en zichtbare fraude met stembiljetten.
Wat is de stand van zaken van de onderhandelingen over de Nabucco pijplijn?
In juli 2009 is door de regeringsleiders van Turkije, Roemenië, Bulgarije, Hongarije en Oostenrijk een Intergouvernementeel Akkoord ondertekend over de Nabucco gaspijpleiding, waarmee een politiek en juridisch raamwerk is gecreëerd voor het project. In juni dit jaar heeft Turkije ook een overeenkomst met Azerbeidzjan gesloten over de aankoop en doorvoer van gas. Europese energiebedrijven voeren momenteel besprekingen met leveranciers in Azerbeidzjan, Turkmenistan en Irak over de levering van gas, dat via Nabucco getransporteerd zou kunnen worden.
In september hebben de internationale financiële instellingen EBRD, EIB en IFC (Wereldbank) aangekondigd een grote bijdrage aan de financiering van Nabucco te overwegen, in samenwerking met commerciële banken. Dit financieringspakket kan oplopen tot circa € 4 miljard. De totale kosten van het project worden door het Nabucco-secretariaat (ingesteld door betrokken (staats) energiemaatschappijen) geschat op € 7,9 miljard. De definitieve investeringsbeslissing van het Nabucco-consortium wordt in de loop van 2011 verwacht.
Kunt u deze vragen vóór de parlementsverkiezingen van 7 november a.s. in Azerbeidzjan beantwoorden of anders zo spoedig mogelijk?
Het bleek niet mogelijk de vragen die op 4 november waren ontvangen vóór 7 november te beantwoorden.
Het bericht dat vier technologische topinstituten voor farmacie en biotechnologie dreigen te verdwijnen |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Weer tegenslag farmasector»?1
Is het waar dat u geen geld meer uittrekt voor de tweede financieringsronde van vier jaar van topinstituut TI Pharma? Zo ja, hoe verhoudt zich deze bezuiniging met het eerder verstrekte budget om TI Pharma op te richten en tot de recente private toezeggingen van 53 miljoen euro voor matching van een mogelijke vervolgsubsidie vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES)?2
Er is door het Kabinet geen tweede financieringsronde van 4 jaar toegezegd. Bij de start van de topinstituten is aangegeven dat de FES-middelen waren bedoeld als eenmalige investeringsimpuls om publiek private samenwerking op te starten. Daarin zijn de topinstituten, ook TI Pharma, geslaagd. Het is nu vooral aan de deelnemende partijen om kansrijke resultaten uit deze samenwerking te valoriseren en om te zetten in waardevolle producten.
Zoals in het regeerakkoord is aangegeven zal de onbelegde ruimte in het FES ten goede komen aan de algemene middelen en zal geen additionele voeding van het FES plaatsvinden. Daarmee is er geen mogelijkheid meer om TI Pharma vanuit FES een vervolgfinanciering te bieden. De projecten waarvoor reeds financiering is verkregen kunnen gewoon doorgang vinden. Door het vorige kabinet is recentelijk besloten om voor TI Pharma een overbruggingsfinanciering ter grootte van € 6 mln. met een looptijd tot 1 juli te reserveren, zodat een volgend kabinet een besluit zou kunnen nemen over de toekomst van TI Pharma. Deze periode biedt gelegenheid om tot een transitie over te gaan binnen de nieuwe beleidscontext.
De genoemde intentieverklaringen (neergelegd in zgn. «letters of intent») vanuit de private sector stammen uit 2009 en werden alle gegeven onder de conditie dat de overheid voor minimaal hetzelfde bedrag subsidie zou toezeggen. Echter, het bedrijfsleven heeft ook een eigen verantwoordelijkheid om de innovatiekansen te benutten die onder de vlag van TI Pharma van de grond zijn gekomen, en deze met eigen middelen verder te ontwikkelen..
Erkent u dat TI Pharma zorgt voor vertrouwen van het internationale bedrijfsleven in onze kenniseconomie en -infrastructuur, mede gezien de resultaten van de midtermreview?2 Zo ja, kunt u nader toelichten welk vervolg u aan de resultaten van de midtermreview geeft?
Zie ook mijn antwoord op vraag 2 van lid Verhoeven (2010Z15847).
Een positieve midtermreview was door het kabinet als voorwaarde gesteld voor het verstrekken van overbruggingsfinanciering van TI Pharma. Mede op basis van de positieve midterm review heeft het kabinet € 6 mln. overbruggingsfinanciering aan TI Pharma verstrekt.
Op basis van het Regeerakkoord zal er geen nieuwe financieringsronde vanuit FES-middelen plaatsvinden. Meer in algemene zin geldt dat het in het regeerakkoord Life Sciences is genoemd als een van de economische topgebieden. Hierin zal, samen met partijen, vanuit een brede benadering worden gekeken naar de wijze waarop innovatie en economische groei het beste gestimuleerd kunnen worden. In de vormgeving van dit beleid, dat voortbouwt op hetgeen al is bereikt, zullen de resultaten uit de midtermreview van TI Pharma uiteraard worden meegenomen.
Welke actie koppelt u aan het benoemen van farma- en biotech-onderzoek als topgebied in Nederland? Op welke manier wilt u zorgen voor de benodigde kennisinfrastructuur en randvoorwaarden om kennisintensieve bedrijven en kapitaal aan te trekken en te behouden?
Hierop zal ik nader terugkomen in de door mij aangekondigde nota Bedrijfslevenbeleid.
Wat betekent het verdwijnen van technologische topinstituten voor de toekomst van experimenteel onderzoek in de farmasector? Wat betekent het voor de andere in het bericht genoemde sectoren? Hoe beziet u de toekomst van de vele kenniswerkers in de farmasector?
De topinstituten waar het hier om gaat, zijn virtuele instituten die publiek-private onderzoeksprogramma’s organiseren. Het onderzoek zelf vindt plaats binnen reguliere kennisinstellingen en, zij het in mindere mate, bij de betrokken bedrijven.
In welke mate het lopende onderzoek in kennisinstellingen en het bedrijfsleven de komende jaren zal teruglopen, nu er geen zicht is op een nieuwe financieringsimpuls vanuit de FES middelen is thans niet goed te overzien.
Natuurlijk ga ik hierover in gesprek met de betrokken partijen. Ik zie dat als een logisch onderdeel van de topgebiedenaanpak waarbij ik in dialoog met publieke en private partijen de agenda voor de komende jaren wil ontwikkelen. Dit gesprek zal ik ook koppelen aan de uitkomst van de thans lopende midtermreview van het innovatieprogramma Life Sciences & Health, die eind dit jaar wordt afgerond.
Wat betekent het stilvallen van publiek-private financiering voor de betrokken universiteiten, zoals Leiden, Groningen, Nijmegen en de Universiteit van Amsterdam? Erkent u dat het wegvallen van topinstituten ook banen op het spel zet in het MKB en bij Life Science Parken, zoals in Leiden? Wat heeft het voor gevolgen voor universitaire opleidingen, die in bachelor- en mastertrajecten zwaar hebben ingezet op dit type onderzoek?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven, brancheverenigingen, universiteiten, topinstituten, Life Science Parken en lokale overheden in gesprek te gaan over de toekomst van toponderzoek en kennisinfrastructuur?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de begrotingsbehandeling Economische Zaken, Landbouw en Innovatie?
Ja.
De kritiek van Shell op subsidies voor windmolens |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kritiek ceo Shell op subsidie windpark»?1
Ja.
Bent u bereid te reageren op de kritiek van Shell aangaande het strooien van belastinggeld voor windmolenparken? Zo nee, waarom niet?
Opwekking van duurzame energie is op dit moment niet concurrerend met gebruik van fossiele bronnen zoals kolen, gas en kernenergie. Dat kan in de toekomst veranderen door enerzijds kostendalingen bij duurzame opties en anderzijds prijsstijgingen door CO2-beprijzing en schaarser wordende fossiele brandstoffen.
Windenergie op zee behoort momenteel tot een van de duurdere vormen van duurzame energie. Desondanks vind ik de vergelijking van kosten van windenergie op zee met die van investeringskosten van gascentrales in het bewuste artikel van het Financieele Dagblad onvolledig. Wanneer bijvoorbeeld ook de (hogere) variabele kosten van gascentrales worden meegenomen en vervolgens de kosten per opgewekte kWh met elkaar worden vergeleken, dan komen de kosten bij windenergie op zee relatief lager uit. Desalniettemin zijn de kosten per kWh van windenergie op zee nog steeds vele malen hoger dan de kosten per kWh bij elektriciteitsopwekking in gascentrales. Op 4 november 2010 verscheen in het Financieele Dagblad een commentaar geschreven door Ebel Kemeling van Spring Associates, met een soortgelijke analyse over het buiten beschouwing laten van relevante kosten in de vergelijking.
Dat neemt niet weg dat dit kabinet in de verduurzaming van de energievoorziening kritisch kijkt naar het gebruik van belastinggeld, en deze zo efficiënt mogelijk zal besteden. Ik zal u op korte termijn informeren over de opties voor duurzame energie, die in deze kabinetsperiode in aanmerking komen voor subsidie.
Aflossingsvrije hypotheken |
|
Bas Jan van Bochove (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van berichten in de media (in het bijzonder RTL-Z) dat de Rabobank geen 100% aflossingsvrije hypotheken meer verstrekt in bepaalde regio’s?1
Ja.
Is het waar dat dit beleid wordt ingezet vanuit de veronderstelling dat er in de genoemde regio sprake is van bevolkingskrimp?
Ik heb van de Rabobank begrepen dat er geen beleid is om te stoppen met het verstrekken van aflossingsvrije leningen. Ook niet in gebieden waar de bevolking krimpt. De Rabobank benadrukt dat de persoonlijke situatie van de klant het advies bepaalt. Bij dit advies is de betaalbaarheid van de hypotheeklasten als vanzelfsprekend een belangrijk uitgangspunt.
In zijn algemeenheid wordt de betaalbaarheid getoetst door de zogenaamde Loan-to-income norm (LTI-norm). Deze bepaalt de leencapaciteit van een consument voor een hypothecair krediet in relatie tot zijn inkomen. Echter, ook de waarde van de woning speelt een rol bij het tegengaan van overkreditering. Als consumenten door omstandigheden in de situatie komen dat zij hun huis moeten of willen verkopen bestaat het risico op een restschuld.
Dit restschuldrisico zal ook deel uitmaken van het advies van kredietverstrekkers. Het is dan ook voor de hand liggend dat een kredietverstrekker veelal zal adviseren om ook spaardeel in de hypotheek op te nemen, of om aflossing in de hypotheek in te bouwen. Ook dat draagt bij aan beperking van het restschuldrisico. Dit alles moet wel worden bezien vanuit een specifieke klantsituatie.
Wat vindt u van het beleid van de Rabobank waaruit blijkt dat er in het land twee soorten bevolkingsgroepen zijn, namelijk zij die wel en zij die geen aflossingsvrije hypotheek kunnen afsluiten?
Zie antwoord vraag 2.
Is hier sprake van gelijke behandeling en gelijkwaardigheid van alle klanten?
Het geven van een persoonlijk, op de hypotheeknemer gericht advies is niet per definitie een vorm van ongelijke behandeling. Zoals besproken bij vraag 2 kunnen aanvullende vereisten namelijk bijdragen aan het bereiken van legitieme doelen, zoals het beperken van financiële risico’s. Het is hierbij van belang dat de mogelijke risico’s zoveel mogelijk op individueel niveau worden bepaald.
Vrij ondernemerschap impliceert dat individuele hypothecair financiers evenals aanbieders van andere producten en diensten (binnen de grenzen van de wet) vrijelijk bepalen op welk (geografisch) deel van de markt zij zich richten bij het aanbieden van hun producten en onder welke voorwaarden die producten worden aangeboden. Echter, het enkele feit dat de hypothecair te verbinden woning is gelegen in een bepaald postcodegebied kan volgens de Gedragscode Hypothecaire Financiering geen grond zijn om de aanvraag af te wijzen.
Ten aanzien van hypotheekverstrekking geldt artikel 4.34 van de Wet financieel toezicht. Daarin een open norm voor verantwoorde kredietverstrekking opgenomen. Die open norm wordt op dit moment voor hypotheekverstrekking ingevuld door de Gedragscode Hypothecaire Financiering. In deze gedragscode (artikel 6, lid2 staat weergegeven dat discriminatie bij hypotheekverstrekking op grond van wijk of postcodegebied verboden is.
Leidt een dergelijke handelwijze van de Rabobank niet juist tot een versterking van ongewenste krimpeffecten?
Zoals aangegeven bij vraag 2 en 4 hanteert de Rabobank naar eigen zeggen geen beleid om te stoppen met het verstrekken van aflossingsvrije leningen. Ook niet in gebieden waar de bevolking krimpt. Het is de persoonlijke situatie van de klant welke het advies bepaalt.
Bent u bereid met banken te komen tot afspraken die leiden tot gelijke behandeling van alle klanten in alle regio’s van het land?
Zie antwoord vraag 5.
De eventuele verkoop van het Malieveld en het Haagse Bos |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Malieveld en Haagse Bos in de verkoop»?1
Ja.
Deelt u de mening in het artikel dat het hier om enorme geldverspilling zou gaan, omdat Staatsbosbeheer wellicht maar tien procent van de waarde van de gronden terug zou krijgen waarvoor deze gronden destijds aangekocht en ingericht zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel niet de mening dat het om enorme geldverspilling gaat. De investeringen die in deze terreinen zijn gedaan voor aankoop en inrichting worden niet teniet gedaan door de verkoop van deze terreinen aan particuliere natuurbeheerders. Het gaat mij er om dat particulieren en agrariërs een grotere rol krijgen in het natuurbeheer in Nederland. Pas als de planologische functie «natuur» zou veranderen, kan er mogelijk sprake zijn van een desinvestering. Ik zal de mogelijkheden onderzoeken om in die gevallen het rijk mee te laten profiteren van de gestegen waarde van het terrein. Overigens schrijft de Wet verzelfstandiging voor dat bij verkoop instemming nodig is van de minister van Financiën.
Bent u zich bewust van het feit dat Staatsbosbeheer ook eigenaar is van veel gronden zonder natuurfunctie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Staatsbosbeheer heeft niet veel terreinen die geen natuurfunctie hebben.
De terreinen zonder natuurfunctie hebben vaak een andere functie, voortkomend uit de wettelijke taakopdracht. Het gaat hier om terreinen voor recreatie, landschap en educatie. Gronden buiten de EHS hebben ook meestal de planologische functie natuur.
Bent u bereid Staatsbosbeheer aan te sporen over te gaan tot verkoop van gronden die geen strikte natuurfunctie hebben? Zo nee, waarom niet?
Ja. In het regeerakkoord is afgesproken dat gronden, die niet nodig zijn voor het realiseren van rijksdoelen in beginsel zullen worden verkocht. Tijdens het wetgevingsoverleg natuur met uw Kamer van 8 november 2010 heb ik aangegeven mijn plannen uit te werken in een grondnota, die ik uw Kamer doe toekomen.
Bent u bereid om in lijn met de aangenomen moties Snijder-Hazelhoff c.s. en Snijder-Hazelhoff2 over te gaan tot teruggave van gronden die geen strikte natuurfunctie hebben? Zo ja, welke stappen gaat de staatssecretaris ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De overname van personeel en zorgbehoevenden in de gemeente Haarlemmermeer |
|
Renske Leijten |
|
Bent u op de hoogte van de situatie in de Haarlemmermeer, waar 400 thuishulpen met collectief ontslag zijn gestuurd doordat hun werkgever buiten de aanbesteding van de huishoudelijke zorg is gevallen?1
Ja.
Bent u van mening dat de gemeente goed beleid voert door de keuze voor drie nieuwe aanbieders, waardoor de oude aanbieder zijn personeel moet ontslaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gemeenten zijn binnen de kaders van de wet verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van hun burgers. Ze zijn hierbij vrij in de wijze waarop ze deze ondersteuning vormgeven. Het is niet aan mij om een oordeel te vellen over de vraag voor welke aanbieders de gemeente kiest, dit behoort tot de vrijheid van gemeenten.
Wat is uw oordeel over het feit dat zeker de helft van de 400 thuishulpen moeten solliciteren voor hetzelfde werk, maar dat zij wel een schaal lager betaald zullen krijgen?
Arbeidsvoorwaarden zijn primair een zaak van betrokken werkgevers en werknemers. De gemeente Haarlemmermeer heeft aangegeven van aanbieders van huishoudelijke verzorging te eisen dat zij hun personeel belonen conform de CAO VVT. Verder moeten thuiszorginstellingen voldoen aan de kwaliteitseisen van de Kwaliteitswet zorginstellingen. De IGZ houdt hier toezicht op. Vanzelfsprekend is het personeel van groot belang bij het streven naar goede kwaliteit.
Erkent u dat het de inzet van de thuishulpen is die maakt of een aanbieder kwaliteit levert? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw oordeel dat juist zij salaris moeten inleveren?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw oordeel over de werkwijze van de nieuwe aanbieder T-zorg die enkel iemand aanneemt wanneer diegene de huidige cliënten meebrengt naar deze aanbieder?2
De cliënt kiest de aanbieder van huishoudelijke verzorging. Vanzelfsprekend zijn er cliënten die graag hun eigen hulp willen behouden en er daarom voor kiezen om gebruik te maken van de diensten van de nieuwe werkgever van deze hulp. In die zin kan het in stand houden van de relatie tussen cliënt en medewerker voor alle partijen wenselijk zijn. De keuze hiervoor blijft echter voorbehouden aan de cliënt.
Een aanbieder kan dus niet van een toekomstige medewerker eisen dat deze zijn cliënten «meeneemt» naar deze aanbieder. Bij de gemeente Haarlemmermeer zijn ook geen gevallen bekend, waarbij de nieuwe aanbieder eist dat de potentiële medewerker cliënten meeneemt.
Bent u van mening dat de eis om cliënten mee te nemen een ordentelijke eis is om iemand een contract aan te bieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de indruk dat de aanbieder niet geïnteresseerd is in het toekomstig personeelslid, maar enkel in diens cliënten?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe oordeelt u over het feit dat cliënten die geen keuze maken voor één van de nieuwe aanbieders, geen zorg meer krijgen in 2011?3
De gemeente heeft een compensatieplicht waar het gaat om het bieden van ondersteuning bij het voeren van een huishouding, in natura of in de vorm van een PGB. Als een cliënt geen keuze maakt voor één van de nieuwe aanbieders, dan laat dit de compensatieplicht van de gemeente onverlet. De gemeente Haarlemmermeer heeft mij verzekerd, dat zij ten aanzien van alle cliënten aan deze compensatieplicht voldoet en blijft voldoen.
Bent u van mening dat de gemeente mensen die zorg nodig hebben, en in het bezit zijn van een indicatie, mag uitschrijven wanneer zij niet kiezen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de gemeente te wijzen op haar compensatieplicht voor mensen die een indicatie hebben en te verzoeken mensen die geen keuze hebben gemaakt voor 2011 niet de zorg te weigeren in het nieuwe jaar?
Zie antwoord vraag 8.
Bestrijding van cybercrime |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Politie weet weinig van internetcrimineel»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat geschetst wordt in het artikel dat politie te weinig kennis heeft van internetcriminaliteit? Zo nee, waarom niet?
Ik herken dit beeld slechts gedeeltelijk. Ik verwijs u hieromtrent naar het antwoord op vraag 7 van het lid Recourt van uw Kamer (Kamervragen 2010Z15331, ingezonden 27 oktober 2010) en voeg daaraan toe dat het verbeteren van de intake van cybercrimezaken onderdeel is van het Programma Aanpak Cybercrime van de politie.
Is de geschetste kennis van de politie over internetcriminaliteit bij de zes politiekorpsen tekenend voor de kennis van de politie op dit punt bij alle politiekorpsen?
Het onderzoek waaraan in het Algemeen Dagblad (1 november 2010) gerefereerd wordt, is verricht in het kader van het Programma Aanpak Cybercrime van de politie. Het doel was inzicht te verkrijgen in de manier waarop de politie omgaat met het werkaanbod aan cybercrimezaken. Binnen dit programma bestaat in zijn algemeenheid goed inzicht in de ontwikkelingen binnen de politie. Op basis daarvan verwacht ik dat de uitkomsten van dit onderzoek grotendeels ook gelden voor de andere politiekorpsen. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vragen 2, 4 en 7.
Wat moet er gebeuren om de kennis bij de politie op het gebied van de bestrijding van cybercrime te vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt de bestrijding van cybercrime in de regel regionaal of landelijk opgespoord? Welke zaken worden regionaal opgespoord en welke landelijk?
Op landelijk (en internationaal) niveau is het team High Tech Crime van het KLPD verantwoordelijk voor de aanpak van de zwaardere vormen van cybercrime, zoals het bestrijden van botnets. De bovenregionale rechercheteams (BRT’s) en de regionale korpsen zijn verantwoordelijk voor de aanpak van overige vormen van cybercrime.
Hoeveel zaken zijn het afgelopen jaar niet door het landelijk team opgespoord? In hoeveel zaken heeft dit geleid tot vervolging en in hoeveel zaken heeft dit geleid tot een veroordeling?
In antwoord op vragen van het lid Gesthuizen van uw Kamer (Kamerstukken II, 2010–2011, Aanhangsel Handelingen 158) heeft de toenmalige Minister van Justitie aangegeven dat cybercrime een veelomvattend begrip is. Om die reden wordt cybercrime niet als apart fenomeen geregistreerd in de systemen van de politie en het Openbaar Ministerie. Ik kan de gevraagde cijfers daarom niet verstrekken.
Hoe is de kennis ten aanzien van cybercrime en de aanpak daarvan bij de politiekorpsen geborgd?
Zie antwoord vraag 2.
Gedwongen ontslagen bij de Belastingdienst |
|
Pierre Heijnen (PvdA), Ed Groot (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Mes gaat in Belastingdienst»?1
Ja.
Is het waar dat de directeur-generaal van de Belastingdienst via een interne boodschap de vrees voor gedwongen ontslagen heeft uitgesproken? Zo ja, in hoeverre is die vrees gerechtvaardigd? Zo nee, wat was de boodschap dan wel?
De directeur-generaal Belastingdienst heeft zijn medewerkers via een intern interview op de hoogte gebracht van de bezuinigingstaakstellingen waarvoor de Belastingdienst staat. De taakstellingen uit de vorige kabinetsperiode bedragen ca € 270 mln. structureel, terwijl uit het Regeerakkoord een aanvullende taakstelling van ongeveer € 125 mln. structureel in 2015 voortvloeit. In totaal gaat het om een bedrag van ca € 400 mln. structureel in 2015. Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over de precieze invulling van de taakstelling. Wel heeft de directeur-generaal in het interview aangegeven dat het onvermijdelijk is dat de formatie moet inkrimpen. De reden hiervoor is dat het grootste deel van het budget wordt besteed aan personele kosten.
Binnen de Belastingdienst wordt op dit moment uitgewerkt welke maatregelen nodig zijn om de taakstellingen in te vullen. Daarbij wordt ook gekeken naar de doelstellingen die de Belastingdienst zich voor de komende jaren stelt. Dit maakt het mogelijk expliciete keuzes te maken op welke wijze de taakstellingen doorwerken in het takenpakket van de Belastingdienst. Een onafhankelijk onderzoek naar de consequenties van de taakstellingen voor de taakuitoefening van de Belastingdienst is dan ook niet aan de orde.
Nadat er meer duidelijkheid is over de invulling van de taakstellingen bij de Belastingdienst zal ik uw Kamer daarover informeren. Overigens is de natuurlijke mobiliteit van medewerkers van de Belastingdienst naar de huidige stand bijzonder laag. Sowieso staat dan ook al wel vast dat moet worden ingezet op het verder stimuleren van hun mobiliteit. Daarbij is het streven zoveel mogelijk binnen fase 2 van het sociaal flankerend beleid te blijven, dit om de volgende fase – gedwongen mobiliteit – te voorkomen.
Kunt u de Kamer informeren over de omvang van het aantal gedwongen ontslagen, het sociaal plan, de kosten ervan en de pogingen die worden ondernomen om overtollige medewerkers elders in de rijksdienst aan het werk te helpen ?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel extern personeel werkt er bij de Belastingdienst en voor welk bedrag? Kan daarmee de taakstelling niet worden opgevangen?
Bij de invulling van de taakstellingen worden alle mogelijkheden in kaart gebracht. Niet alleen wordt gekeken naar efficiënter te werken, ook worden vereenvoudigingen van wet- en regelgeving geïnventariseerd en blijft de Belastingdienst kritisch kijken naar de noodzaak van externe inhuur.
De Belastingdienst huurde in 2008 voor ca. € 320 mln aan extern personeel in. Het betrof ca. 2 900 fte uitzendkrachten en ca. 700 fte ander extern personeel. In 2009 ging het om ca. € 270 mln (ca. 2 700 fte uitzendkrachten en ca. 550 fte ander extern personeel). Naar verwachting zullen de uitgaven voor de inhuur van extern personeel voor 2010 ca. € 170 mln bedragen (ca. 2 100 fte uitzendkrachten en 300 fte ander extern personeel).
Een efficiënte bedrijfsvoering brengt met zich mee dat ook in de toekomst in voorkomende gevallen van externe inhuur gebruik zal worden gemaakt. Te denken valt bijvoorbeeld aan de inzet van uitzendkrachten in de flexibele schil van de Belastingtelefoon, waarmee effectief kan worden ingespeeld op fluctuaties in het aanbod van telefonische vragen. In de praktijk zal het ook incidenteel blijven voorkomen dat door middel van externe inhuur moet worden voorzien in een tijdelijke behoefte aan specifieke expertise.
Bent u bereid om onafhankelijk onderzoek te doen plaatsvinden naar de vraag of de belastinginning op hetzelfde niveau kan blijven na realisatie van de opgelegde taakstelling, bijvoorbeeld door de Algemene Rekenkamer?
Zie antwoord vraag 2.
Het feit dat de Europese aanbesteding voor politievoertuigen slechts één aanbieder kent |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie wint kort geding: vrij baan Pon en BMW» alsmede de situatie zoals deze in bijgevoegde mailwisseling is beschreven?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze aanbesteding op een dusdanige manier is geschreven dat er slechts één leverancier aan de voorwaarden kan voldoen?
Aanbestedende diensten zijn zelf verantwoordelijk voor het formuleren van de opdracht. Daarbij is het belangrijk dat zij dit op een dusdanige manier doen, dat ondernemers een eerlijke kans maken op de opdracht. Bij deze opdracht heeft uiteindelijk per perceel maar één bedrijf een offerte ingediend, PON voor de twee percelen autovoertuigen en BMW voor het perceel motoren. In dergelijke gevallen heeft de aanbestedende dienst de keuze om de opdracht te gunnen of opnieuw aan te besteden, bijvoorbeeld in meerdere percelen. In dit geval heeft de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland ervoor gekozen de opdracht te gunnen, aangezien de ingediende offertes van PON en BMW aan de gestelde eisen voldeden en besparingen opleverden.
Wat is de reden dat ervoor is gekozen de aanbesteding zo te clusteren dat er slechts één leverancier aan de voorwaarden zou kunnen voldoen? Zou het op deze manier niet beter zijn gewoon een offerte te vragen, aangezien de concurrentie tussen de aanbieders niet aanwezig is en er dus geen keuze tussen prijs/kwaliteit en diensten kan worden gemaakt door de aanbestedende dienst?
Uit navraag bij de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland is gebleken dat de mogelijkheid tot besparing een belangrijke beweegreden is geweest om de aanbesteding op deze wijze vorm te geven. De voertuigen moesten kant-en-klaar worden geleverd en de leverancier werd belast met het aanbrengen van de noodzakelijke aanpassingen en in- en opbouw van de «kale» voertuigen. Vooraf is een marktverkenning gehouden, waarbij geen enkel bedrijf heeft aangegeven op basis van deze voorwaarden niet te kunnen inschrijven. Op basis daarvan is de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland er vanuit gegaan dat er voldoende concurrentie zou zijn in de markt.
Vindt u dit een gewenste gang van zaken? Zo nee, op welke manier bent u van plan ervoor te zorgen dat dit in de toekomst niet meer voor zal komen? Zo ja, wat is de reden dat er nog aanbestedingen plaatsvinden waarbij met meerdere aanbieders wordt gewerkt?
In het Regeerakkoord is opgenomen dat cluster- en raamcontracten moeten worden teruggedrongen. Door cluster- en raamcontracten krijgen het midden- en kleinbedrijf en zelfstandigen zonder personeel moeilijker toegang tot aanbestedingen. Het wetsvoorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet bevat reeds een aantal belangrijke elementen die de toegang van kleine ondernemers bij aanbestedingen verbetert. Door middel van een nota van wijziging bij het wetsvoorstel zal de toegang van kleine ondernemers verder worden verbeterd. Het proportionaliteitsbeginsel zal zodanig worden aangepast dat het clusteren van opdrachten hier ook onder valt.
Op welke manier wilt u deze clustering in de toekomst aanpakken?
Zie antwoord vraag 4.
Het gat met betrekking tot BTW-berekening bij zelfstandigen die onderwijs verzorgen |
|
Manja Smits |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
Is het waar dat er een gat zit in de procedures met betrekking tot de BTW-berekening voor zelfstandigen die onderwijs verzorgen, doordat deze zelfstandigen slechts geen BTW in rekening mogen brengen als ze staan ingeschreven bij het Centraal Register Kort Beroepsonderwijs (CRKBO) en als onderaannemer werken voor een onderwijsinstelling en tegelijkertijd het hoge BTW-tarief moeten rekenen als ze direct voor een klant werken, terwijl ze wettelijk gezien slechts één BTW-tarief voor al hun klanten in rekening mogen brengen?1 Zo nee, waarom niet?
De vóór 1 juli jl. bestaande Nederlandse BTW-vrijstelling voor beroepsonderwijs was naar de mening van de Europese Commissie niet in overeenstemming met de BTW-Richtlijn. De Europese Commissie heeft daarom een inbreukprocedure tegen Nederland geopend. In verband daarmee is de nationale wetgeving op dit punt aangepast.
De BTW-Richtlijn kent een vrijstelling van BTW voor onderwijs door «publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaten als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend».
Voor een groot deel van het beroepsonderwijs in Nederland bestond geen erkenningsregeling. Dit zou tot gevolg hebben dat dit deel van het beroepsonderwijs voortaan met BTW belast moest worden. Daarom is in overleg met de onderwijswereld een register ingesteld.
Aanbieders van beroepsonderwijs kunnen zich aanmelden bij het Centraal Register Kort Beroepsonderwijs (RKBO) en na het doorlopen van een audit kunnen zij – bij voldoende resultaat – worden ingeschreven in het RKBO.
Voor beroepsonderwijs dat door zelfstandigen wordt verstrekt via een onderwijsinstelling geldt een lichtere audit. Die mogelijkheid is speciaal gecreëerd om de kosten te beperken voor die groep zzp’ers die alleen via een onderwijsinstelling hun beroepsonderwijs verstrekken. Indien een zelfstandige echter (tevens) direct, dus zonder tussenkomst van een instelling, beroepsonderwijs verstrekt, kan geen gebruik worden gemaakt van de lichtere audit. Voor deze laatste categorie zzp’ers is bepaald dat er een andere audit nodig is om de kwaliteit van het door hen rechtstreeks aan studenten/cursisten te verstrekken beroepsonderwijs te toetsen en te garanderen. Toepassing van de normale audit brengt hier tevens met zich dat iedereen die rechtstreeks beroepsonderwijs verstrekt voor de audit op dezelfde wijze wordt behandeld.
Bij de in de vraag geschetste casus moet de zelfstandige dus de normale audit doorlopen, aangezien hij zowel via een onderwijsinstelling als rechtstreeks beroepsonderwijs verstrekt. Voor hem geldt de lichtere procedure niet. Indien de zelfstandige de normale audit met goed resultaat afsluit en wordt opgenomen in het register, is al het beroepsonderwijs dat deze zelfstandige verstrekt vrijgesteld van BTW. Anders dan in de onderhands verstrekte e-mail is aangegeven, is het dus wel mogelijk dat de zelfstandige voor het onderwijs dat hij rechtstreeks verstrekt onder de BTW-vrijstelling valt.
Er is dus geen sprake van een gat in de procedures, maar van een beoogd verschil in behandeling bij de audit van het erkenningregister, waarbij zelfstandigen in procedureel opzicht zoveel als mogelijk worden ontzien.
Is het waar dat de oplossingen voor Zelfstandigen Zonder Personeel (zzp’ers) om dit gat te omzeilen, zoals het inschrijven als instelling, of het oprichten van meerdere ondernemingen, duur en omslachtig zijn vanwege extra hoge kosten en/of extra lasten zoals verzwaarde accountantscontrole? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid te nemen om dit gat te dichten?
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 naar voren is gekomen, is het niet nodig om meerdere ondernemingen op te richten om al het beroepsonderwijs dat zelfstandigen verstrekken vrij te stellen van BTW. Het enig onderscheid is dat zelfstandigen die rechtstreeks onderwijs aan hun afnemers aanbieden, geen gebruik kunnen maken van de verlichte procedure voor zelfstandigen die alleen beroepsonderwijs via een instelling aanbieden.
Compensatie van woekerpolissen |
|
|
|
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Kassa van 30 oktober 2010 over woekerpolissen?1
Heeft u redenen om aan te nemen dat de in de uitzending geschetste voorbeelden onjuist zijn waarbij twee polishouders beter af zijn door over te stappen naar een andere verzekering omdat dit uiteindelijk voordeliger is dan de compensatie aan het einde van de looptijd van hun huidige verzekering?
Zijn deze twee voorbeelden volgens u representatief voor houders van woekerpolissen of heeft u redenen om aan te nemen dat deze voorbeelden niet representatief zijn?
Deelt u de mening dat de klant centraal stellen door verzekeraars in dit geval met zich meebrengt dat een verzekeraar er zijn klanten op wijst dat ze beter af zijn zonder compensatie maar met een ander goedkoper product bijvoorbeeld in de vorm van banksparen?
Ik denk niet dat een verzekeraar die de klant centraal stelt, tegen zijn klant moet zeggen dat ze beter af zijn zonder compensatie. Een klant die onder de getroffen regelingen recht heeft op compensatie krijgt die. Iets anders is dat verzekeraars hun klanten wel goed moeten informeren en geen onnodige overstapbelemmeringen moet opwerpen.
Bent u bereid verzekeraars te verzoeken om polishouders actief te informeren in de gevallen waarin het voordeliger is voor polishouders om over te stappen?
Ja, dat heb ik besproken met verzekeraars en zij hebben mij daarover in bijgevoegde brief 2aangegeven dat zij inderdaad actief willen communiceren over mogelijkheden tot aanpassing of omzetting van bestaande producten. Of het in concrete situaties wel in het belang van de klant is om van deze mogelijkheden gebruik te maken, is echter een adviesvraag die veelal op de weg van de verzekeringsadviseur ligt.
Vindt u het juist dat in één van de voorbeelden bij eventuele overstap hoge extra kosten in rekening worden gebracht terwijl de polishouder al jarenlang hoge kosten heeft betaald?
Ik heb mij laten uitleggen dat er geen sprake is van extra kosten, maar van kosten die over de hele looptijd van het product worden verdeeld en die bij tussentijdse afkoop ineens in rekening worden gebracht in plaats van gespreid. De regelingen bevatten overigens afspraken over compensatie bij voortijdige beëindiging.
Deelt u de mening dat verzekeraars in zo’n geval geen extra overstapkosten meer in rekening zouden moeten brengen waarbij Achmea een positief voorbeeld is?
Ik vind inderdaad dat er geen sprake zou moeten zijn van extra overstapkosten of boetes. Maar dat is wat anders dan het in rekening brengen van kosten op het moment van afkoop die anders over de gehele looptijd in rekening gebracht zouden worden.
Wat vindt u van de recente uitspraak van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) die in de uitzending wordt aangehaald?
Het is niet aan mij om een oordeel te geven over uitspraken van de Beroepscommissie van het Kifid.
Vindt u het wenselijk als mensen alsnog via een procedure hun recht gaan halen? Zo nee, is de Wabekelnorm dan een goed instrument om tot een alternatieve oplossing te komen?
Het staat een ieder vrij om via een procedure hun recht te gaan halen. Ik denk alleen dat dit voor veel mensen niet meer nodig is, gegeven de compensatie die nu overeengekomen is. Tegenover de kans op een gunstiger uitkomst bij het ingaan van een procedure staat het nadeel van een langere periode van onzekerheid.
Wordt de Wabekelnorm tussentijds nog geëvalueerd?
De Wabekenorm dient als richtpunt in het civiele geschil tussen polishouders en verzekeraars en behoeft als zodanig geen evaluatie.
De aan Oxfam Novib toegezegde honderden miljoenen euro's belastinggeld |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Wist u dat Oxfam Novib een deel van de anti-Israëlbeweging financiert, een beweging die uit is op het discrediteren van de enige echte democratie in het Midden-Oosten: de Joodse staat Israël?1,2
Nee. Wel is mij bekend dat Oxfam Novib uit eigen middelen activiteiten steunt van organisaties die zich op vreedzame wijze inzetten voor een oplossing van de Israëlisch-Palestijnse kwestie. Het staat Oxfam Novib vrij om dit te doen.
Wist u dat Oxfam Novib de organisatie «Nederland Bekent Kleur» financierde2, één van de organisaties achter het politieke proces tegen de voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de Partij voor de Vrijheid? Onderschrijft u de stelling «het proces komt van links»?
Het is mij bekend dat Oxfam Novib in 2008 een bijdrage van 2000 leverde aan de organisatie «Nederland bekent kleur» voor een manifestatie tegen racisme en discriminatie. Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden van voormalig minister Koenders op schriftelijke vragen van het lid Wilders (PVV), 23 juli 2007, Vergaderjaar 20062007, Aanhangsel van de Handelingen nr. 2414 en van het toenmalig lid Boekestijn (VVD), 8 december 2009, Vergaderjaar 20092010, Aanhangsel van de Handelingen nr. 920.
Over de aard van het proces tegen de voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de Partij voor de Vrijheid doe ik geen uitspraken.
Wist u dat Oxfam Novib projecten financiert in bijvoorbeeld Brazilië, de negende, en China, de tweede economie ter wereld?3 Deelt u de verontwaardiging over met Nederlands belastinggeld gefinancierde hulpprojecten in grotere economieën dan de onze? Zo nee, waarom niet?
Brazilië en China staan op de landenlijst van het Ontwikkelingscomité van de OESO4. Daarmee kwalificeren zij voor ontwikkelingshulp.
Wist u dat Oxfam Novib-directrice Farah Karimi onder valse voorwendselen naar Europa verkaste4, lid was van een Iraanse terroristische organisatie4 en 150 asielaanvragen vervalste?5 Hoeveel geld hebben deze praktijken van mevrouw Karimi de Nederlandse belastingbetaler gekost? Deelt u de mening dat het mevrouw Karimi zou sieren als zij haar functies van directrice van Oxfam Novib en voorzitster van de Samenwerkende Hulporganisaties zou neerleggen? Zo nee, waarom niet?
Uit het antwoord van toenmalig minister Verdonk op schriftelijke vragen van het lid Nawijn (Groep Nawijn), 19 juni 2006, Vergaderjaar 20052006, Aanhangsel der Handelingen nr. 1676, blijkt dat mevrouw Karimi regulier is toegelaten tot Nederland en eveneens regulier het Nederlanderschap verwierf. Ik verwijs naar dit antwoord.
Ik heb kennisgenomen van het boek van mevrouw Karimi alsmede van het artikel van HP/De Tijd. Ik zie geen relatie tussen de beschreven activiteiten van mevrouw Karimi en de kosten voor de Nederlandse belastingbetaler. Ik zie geen reden de positie van mevrouw Karimi als directrice van Oxfam Novib en voorzitter van de Samenwerkende Hulporganisaties ter discussie te stellen.
Deelt u de mening dat er geen enkele belastingcent meer naar Oxfam Novib moet gaan? Bent u bereid de aan Oxfam Novib toegezegde honderden miljoenen alsnog in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding om de aan Oxfam Novib toegekende subsidie alsnog te schrappen.