| Ingediend | 6 februari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 31 maart 2026 (na 53 dagen) |
| Indieners | Songül Mutluer (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
| Beantwoord door | Bruijn , Arno Rutte (VVD) |
| Onderwerpen | jongeren openbare orde en veiligheid politie, brandweer en hulpdiensten zorg en gezondheid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z02619.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1485.html |
Ja.
Met de Femicide Monitor wordt onder meer in beeld gebracht hoeveel kinderen hun moeder hebben verloren door femicide. Geen enkel kind hoort dit mee te maken. Toch laat de Femicide Monitor zien dat dit jaarlijks voor gemiddeld 25 kinderen de realiteit is. De impact van het verlies van een moeder door femicide op een kind is enorm. Bovendien zijn kinderen vanwege hun jonge leeftijd extra kwetsbaar. Wij vinden het daarom zeer belangrijk dat er aandacht is en blijft voor deze groep kinderen.
Voor kinderen en de zorg voor hen na femicide gelden de reguliere voogdij- en gezagsbepalingen uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is per 1 januari 2018 de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding in werking getreden. Dit wettelijk kader regelt onder meer dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) om een voorlopige voogdijregeling kan verzoeken, om zo meteen na partnerdoding de onmiddellijke zorg voor het kind te waarborgen. Het ouderlijk gezag van de verdachte/dader-ouder is dan geschorst en de voorlopige voogdij wordt doorgaans belegd bij de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling is dan als voogd bevoegd om beslissingen over het kind te nemen. Ook zijn er binnen het bijbehorende Handelingsprotocol omgang na partnerdoding (hierna: het protocol) samenwerkingsafspraken gemaakt over wie welke taken op zich neemt en welke expertise op welk moment ingeschakeld kan worden.
De RvdK doet op basis van dit protocol onderzoek naar de wenselijkheid van contact of omgang tussen het kind en de verdachte/dader-ouder. Op basis van dit onderzoek dient de RvdK binnen drie maanden een verzoek bij de kinderrechter in tot vaststelling van een contact- of omgangsregeling of tot ontzegging van contact of omgang.
In 2023 is de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding geëvalueerd door het WODC.3 Uit deze evaluatie volgt dat in vrijwel alle gevallen de wet wordt nageleefd.4
Zie antwoord vraag 3.
Het verliezen van de ene ouder door het toedoen van de andere ouder is een zeer ingrijpende gebeurtenis in het leven van een kind. De (over)plaatsing van een kind moet, net als een contact- of omgangsregeling met (familie van) de overblijvende ouder, altijd in het belang van het kind zijn. Dat is een afweging die door de kinder- of familierechter wordt gemaakt en waarbij alle omstandigheden omtrent het kind worden betrokken.
Uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers en de Blijf Groep volgen verschillende aanbevelingen die onder meer zien op de verblijfplaats van het kind en het contact tussen de daderouder en het kind enerzijds en het contact tussen de familie van de moeder en het kind anderzijds. Daarnaast volgt uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» van het Verwey-Jonker Instituut dat het niet vanzelfsprekend is dat huiselijk geweld en onveiligheid worden meegenomen in rechterlijke beslissingen omtrent zorgregelingen, gezag en omgang. De toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is daarom eind 2025 een verbetertraject gestart, dat als doel heeft te waarborgen dat wanneer er onderbouwde vermoedens zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure. De rechtspraak, maar ook andere organisaties zoals de RvdK en Slachtofferhulp Nederland, werken mee aan dit verbetertraject. Ook wordt de expertise van de advocatuur en van ervaringsdeskundigen en nabestaanden betrokken in dit traject. Zoals eerder toegezegd zal de Minister van Justitie en Veiligheid voor de zomer een bredere reactie op het aanpakplan aan de Tweede Kamer toesturen, wanneer uw Kamer ook wordt geïnformeerd over het genoemde verbetertraject.
Zie antwoord vraag 5.
Zie antwoord vraag 5.
Het klopt dat de Nederlandse wet op dit moment geen regeling kent voor geschillen over de uitvoering van voogdij indien de voogdij wordt uitgeoefend door een gecertificeerde instelling (hierna: GI). In die situatie ligt de dagelijkse zorg voor de minderjarige niet bij de GI maar bij een ander, bijvoorbeeld een nabestaande, en kan een verschil van inzicht ontstaan over de vraag welke gezagsbeslissing het meest in het belang van de minderjarige is.
Met het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt voorgesteld een geschillenregeling te introduceren voor geschillen die de uitvoering van de voogdij door de GI betreffen. Deze mogelijkheid wordt opengesteld voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt (bijvoorbeeld nabestaanden), de RvdK, de GI en de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp waar de minderjarige is geplaatst. Ook geldt voor minderjarigen die jonger zijn dan twaalf jaar een informele rechtsingang, zodat ook zij zich tot de rechter kunnen wenden als sprake is van een geschil over de uitoefening van de voogdij. Op basis van deze regeling krijgen dus ook kinderen van femicideslachtoffers en nabestaanden die hen opvoeden en verzorgen toegang tot de rechter bij geschillen over de uitoefening van de voogdij door de GI. Het bereik van de geschillenregeling is beperkt tot de genoemde groep om te voorkomen dat minderjarigen onderwerp kunnen worden van extra juridische procedures begonnen door personen die geen directe verantwoordelijkheid hebben voor de verzorging of opvoeding van het kind.
Wat betreft andere mogelijkheden voor toegang tot de rechter biedt de wet op dit moment al de mogelijkheid aan nabestaanden om de rechter te verzoeken de voogdij van een natuurlijke persoon (bijvoorbeeld een andere nabestaande) of een GI te beëindigen als zij – kort gezegd – menen dat de voogdij niet op een verantwoorde wijze wordt uitgeoefend en de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd (artikel 1:329, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:327 en 1:328 BW). Deze mogelijkheid staat open voor bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad. Daaronder vallen onder andere grootouders, ooms en tantes en meerderjarige broers en zussen. Zij kunnen de rechter ook verzoeken om hen daarna met de voogdij te belasten (artikel 1:334, lid 1 en 2, BW). Nabestaanden kunnen daarnaast, indien zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot de minderjarige, een verzoek tot vaststelling, wijziging of ontzegging van het recht op omgang indienen bij de rechtbank (artikel 1:377a en 1:377e BW).
De wet schrijft voor dat de kinderrechter die een beslissing neemt over een minderjarige van twaalf jaar of ouder (zoals een beslissing over de voogdij), die minderjarige eerst in de gelegenheid stelt om zijn mening te geven, bijvoorbeeld tijdens een kindgesprek (artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt, in aansluiting op de huidige rechtspraktijk, voorgesteld om deze wettelijke leeftijdsgrens te verlagen naar acht jaar. Indien daar aanleiding voor is kan de rechter overigens ook minderjarigen die jonger zijn dan acht jaar in de gelegenheid stellen hun mening kenbaar te maken.
Zie antwoord vraag 8.
De beleidsregels van het Openbaar Ministerie zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in onder meer de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (hierna: Aanwijzing). In algemene zin gaat de Aanwijzing uit van de bescherming van kwetsbaren, waaronder kinderen, en benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de veiligheid binnen het gezin. Op dit moment is niet in een beleidsregel van het Openbaar Ministerie expliciet opgenomen dat getuige zijn van huiselijk geweld en/of (een poging tot) partnerdoding leidt tot strafrechtelijke vervolging wegens kindermishandeling. De in de vraag benoemde waarborging ligt in het in de Aanwijzing opgenomen uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie in een concrete zaak kan vervolgen wegens kindermishandeling in voornoemde gevallen, afhankelijk van de feiten, omstandigheden en de bewijsbaarheid. Het Openbaar Ministerie kan overigens ook ambtshalve vervolgen, behoudens in het geval van klachtdelicten.
In het kader van de aanbevelingen uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» wordt gekeken naar de werking en mogelijke verbetering van het bestaande Handelingsprotocol omgang na partnerdoding. Daarin nemen wij deze wens uit de praktijk mee. Zoals in de beantwoording van vragen 5, 6 en 7 is aangegeven, zal de Minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer voor de zomer een bredere reactie op dit aanpakplan toesturen.
Wij achten het van belang dat de rechters die oordelen over zaken waarin vormen van (ernstig) huiselijk geweld spelen, beschikken over de juiste kennis hierover. Uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» door het Verwey-Jonker Instituut volgt dat kennis over huiselijk geweld en geweldspatronen tot de algemene basiskennis van (familie)rechters zou moeten behoren. Dit is onderdeel van het verbeterplan waar in de vraag naar wordt verwezen, dat onder meer ziet op het verbinden van het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de familierechter. Daarnaast ziet het verbeterplan ook op deskundigheidsbevordering binnen alle rechtsgebieden van de rechtspraak en van officieren van justitie. Hierover worden momenteel gesprekken gevoerd met de rechtspraak en het Openbaar Ministerie. De scholing van rechters en officieren van justitie is ook onderdeel van deze gesprekken. De Rechtspraak is momenteel in samenwerking met SSR, het opleidingsinstituut van zowel de rechtspraak als het Openbaar Ministerie, het cursusaanbod over huiselijk geweld aanzienlijk aan het uitbreiden.
Zoals hiervoor aangegeven, wordt de Tweede Kamer voor de zomer nader geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Zie antwoord vraag 12.
Hierbij deel ik u, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede dat de schriftelijke vragen van de leden Mutluer en Westerveld (beiden GroenLinks-PvdA), van uw Kamer aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de positie van kinderen en familieleden van femicideslachtoffers (ingezonden 6 februari 2026) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.