Berichtgeving omtrent de gevolgen van hitte voor ouderen |
|
Jan Struijs (50PLUS), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaande berichtgeving?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het bericht dat tijdens de vorige hittegolf ca. 900 mensen meer overleden dan gemiddeld, met name 80-plussers?
Het overlijden van mensen gaat allereerst om het verdriet voor familie en vrienden, ongeacht de oorzaak. Bij eerdere hittegolven hebben we gezien dat er sprake is van oversterfte. Dat benadrukt dat hitte een reëel gezondheidsrisico is en dat aandacht voor dit onderwerp gerechtvaardigd is.
Hoe oordeelt u over de stelling dat er een wettelijke verplichting op het plaatsen van airco’s in verpleeghuizen zou moeten komen, omdat de meest kwetsbare ouderen grote risico’s lopen door de extreme hitte?
Het is belangrijk dat verpleeghuizen aandacht hebben voor de kwaliteit van leven van ouderen. Ook in een periode van extreme hitte. Naast airco’s zijn er ook andere effectieve maatregelen om de risico’s van extreme hitte voor kwetsbare ouderen te beperken. Ik vind een wettelijke verplichting om airco’s te plaatsen daarom niet passen.
Welke andere maatregelen kunnen worden genomen om kwetsbare verpleeghuisbewoners beter te beschermen tegen de hitte?
Dit is afhankelijk van de lokale situatie en de behoefte van de bewoners. Het kan gaan om aanpassingen in de zorgverlening zoals het beleid rond vochtinname van bewoners. Ook zijn er andere aanpassingen dan airconditioning mogelijk in en rond het gebouw, zoals goede zonwering, plafondventilators of voldoende groenvoorzieningen met schaduw in de directe omgeving van het verpleeghuis.
Hoe oordeelt u over de berichtgeving dat juist zelfstandig wonende ouderen een zo mogelijk groter risico lopen tijdens hittegolven, omdat zij minder goed in de gaten worden gehouden dan mensen die in een instelling wonen?
Ook in de thuissituatie moeten ouderen zo veel mogelijk beschermd zijn tegen de schadelijke effecten van hittegolven. Allereerst hebben zij hier zelf een verantwoordelijkheid om zich te beschermen tegen de gevolgen van hitte. Zij kunnen daarbij worden geholpen door hun mantelzorger of de thuiszorg.
Ook zijn er initiatieven van gemeenten om risicogroepen te inventariseren, hittekaarten te maken en koelteplekken in beeld te brengen. Deze lokale initiatieven ondersteun ik vanuit mijn rol door de bescherming tegen hitte een plaats te geven in de handreiking «Huisbezoeken 75+». Dit is een handreiking opgenomen in de Toolkit voor gemeenten | Eén tegen eenzaamheid.
Wat bent u voornemens te doen om thuiswonende ouderen collectief beter te beschermen in geval van een hittegolf, gezien het feit dat het overheidsbeleid erop gericht is dat ouderen langer zelfstandig wonen?
Zie vraag 5 en 8.
Bent u bereid het onderwerp bescherming tegen hitte op te nemen in de handreiking voor gemeenten «Huisbezoeken 75plus»?
Ja, ik zal het onderwerp hitte opnemen in deze handreiking.
Op welke wijze bent u van plan voorlichting en bewustzijn rondom de gevolgen van een hittegolf voor thuiswonende ouderen te verbeteren, zowel voor de ouderen zelf als voor hun omgeving?
In de Hitte aanpak 2025 en de ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie ’26 beschrijft het kabinet welke maatregelen het wil nemen om in samenwerking met onder andere gemeenten, woningbouwverenigingen en GGD’en, Nederland beter voor te bereiden op toenemende hitte. Een doel van de Hitte aanpak is het verdubbelen van het aantal lokale hitteplannen. In die plannen kunnen gemeenten een aanpak uitwerken voor bescherming en ondersteuning van hun inwoners die het beste past bij hun gemeente, buurt en wijk. Voorlichting en bewustzijn kunnen onderdeel zijn van deze lokale hitteplannen.
Bent u bereid in overleg te gaan met Aedes over een betere isolatie van woningen, niet alleen bescherming tegen de kou, maar ook tegen de hitte?
Ook mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vindt het belangrijk om ouderen te beschermen tegen hitte. Vanuit haar portefeuille voert zij hierover met Aedes overleg. De Minister van VRO zet samen met Aedes stevig in op het isoleren van corporatiewoningen en is doorlopend met Aedes in gesprek over de verduurzamingsopgave. Daarbij is ook volop aandacht voor het tegengaan van hittestress.
Hebben gemeenten inzicht in waar kwetsbare groepen wonen, zodat zij hen in geval van hittegolven koele plekken kunnen aanbieden?
Het is mij niet bekend in hoeverre gemeenten daar een compleet beeld van hebben.
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Marc Vervuurt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Het kabinet juicht de ontwikkeling van nieuwe behandelingen voor bijvoorbeeld therapieresistentie PTSS, depressie en verslavingsproblematiek toe. Het kabinet is zich ervan bewust dat verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica gunstige resultaten laten zien, zoals bijvoorbeeld onderzoek naar MDMA bij posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het is goed om te benadrukken dat het hier gaat om geneesmiddelenonderzoek. Het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van deze en andere therapeutische toepassingen van psychedelica is op dit moment echter nog onvoldoende voor inzet in de praktijk. Het kabinet vindt nationaal en internationaal onderzoek op dit gebied dan ook van groot belang en wacht de resultaten van de lopende studies en beoordeling daarvan door autoriteiten zoals het Europees Medicijn Agentschap (European Medicines Agency, EMA) met belangstelling af.
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Het kabinet heeft daarover inderdaad signalen ontvangen.
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Het kabinet kan niet voorkomen dat patiënten op zoek gaan naar alternatieve behandelingen. Het kabinet heeft begrip voor patiënten die een behandeling willen proberen, maar wil benadrukken dat het in hun eigen belang is dat de behandeling wel effectief en veilig is. Op dit moment is nog onduidelijk welke patiënten precies baat kunnen hebben bij dergelijke therapieën. Het kabinet vindt het daarom belangrijk dat de veiligheid en effectiviteit eerst verder worden onderzocht voordat deze therapieën in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Verder kunnen patiënten informatie over bijvoorbeeld de risico’s van het zelf experimenteren met psychedelica vinden op de websites van het Trimbos1-instituut en van Jellinek2.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de kwaliteit, effectiviteit en veiligheid eerst voldoende zijn aangetoond voordat een dergelijk middel als behandeling wordt ingezet. Daarom hecht het kabinet eraan dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Voor het beschikbaar maken van middelen via een compassionate use programma3 moet aan de voorwaarden van het CBG zijn voldaan4. Er moet bijvoorbeeld zicht zijn op spoedige registratie van het middel. Dit onderstreept nogmaals het belang van gedegen onderzoek naar veiligheid en effectiviteit. Dat neemt niet weg dat het kabinet wel compassie heeft voor patiënten die op zoek zijn naar een behandeling, zoals ook aangegeven bij vraag 3.
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over bijvoorbeeld patiëntselectie en behandelsetting. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het CBG. Dergelijke studies kunnen inzicht geven in de juiste patiëntengroep en de optimale toepassing van het geneesmiddel. In Nederland zijn er verschillende instanties die onderzoekers kunnen adviseren over de opzet van studies met patiënten, bijvoorbeeld de Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO) en het eerdergenoemde CBG.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
In Nederland is al een duidelijk kader ingericht voor compassionate use. Ik verwijs hiervoor naar het CBG5. Een van de vereisten is zicht op registratie, waarvoor het eerder benoemde klinische onderzoek van belang is.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Het kabinet is ervan op de hoogte dat individuele landen zoals Tsjechië regulerende of uitzonderingsroutes hebben ontwikkeld om dergelijke therapieën (onder strikte voorwaarden) mogelijk te maken. Het is echter belangrijk dat de reguliere routes voor geneesmiddelenontwikkeling worden gevolgd zodat autoriteiten zoals het EMA of het CBG de balans tussen werkzaamheid en veiligheid kunnen beoordelen. Juist in het belang van de patiënt.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet is zich bewust van de grote behandelbehoefte bij patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen. Verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica laten gunstige resultaten zien. De toenmalige Minister van VWS heeft daarom, samen met de stichting Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZonMw), 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor nader onderzoek naar psychedelica als behandeling, om de effectiviteit, veiligheid en kwaliteit beter in kaart te brengen6.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Het kabinet refereert hier aan de antwoorden op vraag 7 en 8. Het onderzoek binnen de genoemde ZonMw-subsidie moet daarom, vanwege de genoemde redenen, passen in een eventueel toekomstig registratietraject.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Het kabinet erkent de grote behoefte van patiënten aan nieuwe behandelmogelijkheden, maar vindt het belangrijk dat de effectiviteit en veiligheid van psychedelica als behandeling eerst verder worden onderzocht voordat dergelijke behandelingen in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Het kabinet staat er wel voor open om mogelijkheden te verkennen voor eventuele vervolgfinanciering (bij positieve resultaten) van het ZonMw-onderzoek.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
De Amerikaanse regering heeft beleid geïntroduceerd dat erop is gericht de ontwikkeling en toelating van psychedelische geneesmiddelen te versnellen en de toegang daartoe te vergroten. De ontwikkelingen in de VS vormen voor het kabinet geen aanleiding om van de eigen beleidslijn af te wijken, namelijk inzetten op gedegen onderzoek voordat deze middelen worden ingezet als behandeling. Daar waar wetenschappelijke resultaten uit de VS de inzet van deze middelen in Nederland zou kunnen versnellen is dat natuurlijk welkom.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet ziet op dit moment geen lessen, aandachtspunten of kansen voor Nederlands beleid naar aanleiding van uitspraken van de president van de Verenigde Staten over dit onderwerp.
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
In algemene zin richten veel farmaceutische bedrijven zich primair op de Amerikaanse markt vanwege de hoge prijzen die daar betaald worden voor geneesmiddelen, dat zal hier niet anders zijn.
Het EMA beschikt over verschillende instrumenten om versnelde of eerdere toegang tot innovatieve geneesmiddelen mogelijk te maken. Bedrijven en onderzoekers kunnen deze benutten. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het EMA7. Begin dit jaar heeft een eerste psychedelicum de zogenaamde PRIME status ontvangen door het EMA8. PRIME is een programma van het EMA voor veelbelovende geneesmiddelen die een belangrijke onvervulde medische behoefte kunnen vervullen.
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Het kabinet onderschrijft de noodzaak van effectieve behandelingen bij patiënten met PTSS, waaronder patiënten uit geüniformeerde beroepen.
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Ja.
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Eerder heeft VWS, samen met ZonMw, 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de ontwikkeling van psychedelica als behandeling. Binnen de oproep kan worden gekozen voor een combinatie van één psychedelicum voor de behandeling van één psychiatrische indicatie. Voor een vergelijkbare subsidie op het gebied van neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, is op dit moment helaas geen ruimte in de begroting. Mogelijk kan het Psynapse-consortium, dat is gevormd als onderdeel van de ZonMw-subsidie, een rol spelen bij het ondersteunen van onderzoek naar het effect van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten.
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Het kabinet is verheugd dat het Psynapse-consortium een ontwikkelplan heeft opgesteld om tot meer geregistreerde geneesmiddelen binnen de psychiatrie te komen. Bovendien verkennen en werken diverse partijen, zoals het EMA, het CBG, het landelijk patiëntenplatform MIND, de Hersenstichting en het Psynapse-consortium, aan de mogelijkheden voor onderzoek naar verschillende psychedelica voor psychiatrische aandoeningen11. Het kabinet ziet de samenwerking tussen deze partijen als een goede ontwikkeling.
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak tot wetswijzigingen of beleidsaanpassingen. Bij positieve onderzoeksresultaten kan aanvullende financiering voor vervolgonderzoek wenselijk zijn. Op dit moment is hiervoor onvoldoende ruimte in de begroting.
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Het kabinet vindt dat het volgen van deze ontwikkelingen primair een verantwoordelijkheid is van onderzoekers, maar staat open voor signalen en informatie hierover.
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Het kabinet werkt aan een toekomstbestendig toetsingssysteem dat klinisch onderzoek in het algemeen moet bevorderen. Daarnaast zal het zich bij de Europese onderhandelingen over de Biotech Act I inzetten voor de maatregelen die gericht zijn op versnelling, stroomlijning en voorspelbaarheid van beoordelingsprocedures van klinisch onderzoek12. Wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën kan, zoals eerder aangegeven, eventueel ook worden gefaciliteerd met (vervolg)subsidies, al is daarvoor op dit moment geen ruimte in de begroting.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Het kabinet heeft bij het opzetten van de eerdergenoemde ZonMw-subsidie als voorwaarde gesteld dat het onderzoek moet aansluiten op eerder en lopend nationaal en internationaal onderzoek.
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Het kabinet ziet het niet als haar verantwoordelijkheid om in kaart te brengen welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Het is niet de verantwoordelijkheid van het kabinet om het belang van psychotherapie bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten te waarborgen. Het kabinet wijst er wel op dat openbare informatie laat zien dat het EMA aandacht heeft voor een mogelijke rol van psychotherapie bij de behandeling met psychedelica en de methodologische aspecten daarvan bij het klinisch onderzoek13.
Tegelijkertijd geeft het EMA aan dat, hoewel geneesmiddelenautoriteiten verantwoordelijk zijn voor het toelaten van nieuwe geneesmiddelen op de markt, zij niet bepalen hoe artsen deze geneesmiddelen in de klinische praktijk gebruiken14.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van de documentaire en vindt het onwenselijk dat drugsgebruik als normaal wordt gezien. Gelukkig gebruikt het overgrote deel van de jongeren en jongvolwassenen in Nederland geen drugs.
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
De laatste betrouwbare cijfers van scholieren zijn uit 2023 en komen uit het Peilstationsonderzoek van het Trimbos-instituut. In september volgen voor deze groep nieuwe cijfers uit het HBSC-onderzoek. In 2023 gebruikte 7,0% van de 12- t/m 16-jarige scholieren in het laatste jaar cannabis, 1,3% van deze scholieren gebruikte in het laatste jaar ecstasy en 1,0% van de scholieren gebruikte in het laatste jaar cocaïne.
Daarnaast wordt ook onderzoek gedaan naar het middelengebruik van jongeren op het praktijk- en cluster 4-onderwijs. Jongeren van deze scholen en instellingen zijn door een opstapeling van risicofactoren een kwetsbare groep voor vroeg en riskant gebruik van alcohol, tabak en drugs. Het middelengebruik ligt bij deze groep beduidend hoger dan bij de onderzochte scholieren uit het Peilstationsonderzoek en het HBSC-onderzoek. Zo gebruikte in 2019 onder de 12- t/m 16-jarige leerlingen van het cluster 4-onderwijs 12,4% de afgelopen maand cannabis en 4,3% de afgelopen maand een harddrug. Voor het praktijkonderwijs was dit respectievelijk 4,1% en 2,6% en voor het vmbo-b was dit respectievelijk 5,8% en 2,0%. In september dit jaar volgen nieuwe cijfers.
Onder 16- t/m 19-jarigen is het gebruik van cannabis afgenomen van 18,9% in 2020 naar 16,3% in 2025. Deze trend is niet statistisch getoetst. Het gebruik van andere drugs, waarbij cannabis en lachgas niet zijn meegenomen, ligt lager. In 2020 had 7,6% van de 16- t/m 19-jarigen het laatste jaar een drug anders dan cannabis of lachgas gebruikt. In 2025 gold dit voor 6,6% van de 16- t/m 19-jarigen. Deze percentages zijn niet direct met elkaar te vergelijken aangezien in 2020 lachgas niet werd meegenomen en in 2025 wel. Ondanks de toevoeging van lachgas aan de categorie is het percentage van gebruik gedaald over de afgelopen vijf jaar, alleen is deze trend niet statistisch getoetst.
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Drugsgebruik is nooit zonder risico’s. Op het gebied van fysieke gezondheid, mentale gezondheid en de ontwikkeling van jongeren spelen veel factoren een rol. Voor de groep die drugs gebruikt, is ook het gebruik van drugs hiervan een onderdeel. Hier geldt dat hoe vaker er gebruikt wordt, hoe groter het risico op impact op de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren. In het algemeen lopen jongeren onder de 24 jaar extra gezondheidsrisico’s aangezien hun hersenen nog in ontwikkeling zijn. Voor sommige groepen zijn de risico’s groter, zoals kwetsbare jongeren en jongeren met onderliggende lichamelijke aandoeningen.
Gezien de veelheid aan factoren die van invloed zijn op de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren is het nagenoeg onmogelijk om de gevolgen van drugsgebruik alleen te isoleren. Dat neemt niet weg dat buiten kijf staat dat het gebruik van drugs – en zeker het regelmatige gebruik – veel risico met zich meebrengt en dat het kabinet zich inzet om deze risico’s te voorkomen door het gebruik van drugs te denormaliseren.
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
In 2021 waren 2.638 jongeren onder de 21 jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg als gevolg van drugsgebruik. Dit aantal is in 2025 2.808. Het aandeel geregistreerde drugsgerelateerde incidenten bij de SEH’s van de ziekenhuizen waarbij het ging om personen jonger dan 21 jaar is de afgelopen vijf jaar (2020–2024) stabiel, tussen de 14 en 16%. Hoeveel jongeren er als gevolg van drugsgebruik in aanraking zijn gekomen met de geestelijke gezondheidszorg anders dan de verslavingszorg is moeilijk te kwantificeren. Hoewel er een duidelijk verband bestaat tussen middelengebruik en mentale gezondheid, is deze relatie complex en werkt beide kanten op.
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Het is lastig om de effectiviteit van preventiebeleid eenduidig vast te stellen, omdat niet zichtbaar is hoe de situatie zich zonder deze inzet zou hebben ontwikkeld. Onder minderjarigen is geen sprake van een duidelijke toename van drugsgebruik; het gebruik blijft in deze groep relatief stabiel.
Het preventiebeleid bestaat uit een breed palet aan interventies, gericht op onder meer onderwijs, ouders, jongerenwerk, het uitgaansleven en publieksvoorlichting. Nederland beschikt daarmee over een uitgebreid en goed onderbouwd aanbod van preventieve programma’s. De uitdaging ligt echter vooral in het bereiken van de groepen die het hoogste risico lopen, zoals kwetsbare jongeren.
Juist onder deze groep – zoals ook zichtbaar in de documentaire Nachtkinderen – is vaak sprake van complexe en samenhangende problematiek, waaronder psychische problemen, instabiele thuissituaties en beperkte toekomstperspectieven. In deze context is middelengebruik onderdeel van een bredere problematiek, waardoor generieke preventie minder effectief is.
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat deelt het kabinet en daarom zet het kabinet in op preventie die zowel richt op voorlichting over de risico’s van drugsgebruik als bijdraagt aan het voorkomen ervan. Zo heeft in de zomer van 2025 een campagne gelopen om jongeren bewust te maken van de negatieve gevolgen van drugsgebruik. Deze campagne wordt deze zomer vervolgd. Hierover heeft het kabinet uitgebreider geschreven in de verzamelbrief met ontwikkelingen in het drugsbeleid van 13 juli jl. Tegelijkertijd is het van belang te onderkennen dat kennis over schadelijkheid op zichzelf vaak onvoldoende is om gedrag te veranderen, met name bij kwetsbare jongeren.
De documentaire Nachtkinderen laat zien dat drugsgebruik bij deze kwetsbare jongeren samenhangt met dieperliggende factoren, zoals mentale gezondheidsproblemen, sociale druk, ervaren prestatiedruk, onzekerheid over de toekomst en problemen in de thuissituatie. In dergelijke gevallen is er vaak al sprake van bewustzijn van de risico’s, maar leidt dit niet automatisch tot andere keuzes.
Effectieve voorlichting moet daarom realistisch en doelgroepgericht zijn, en onderdeel vormen van een bredere aanpak die ook oog heeft voor de onderliggende oorzaken van middelengebruik. Dat betekent dat het kabinet naast voorlichting over schadelijkheid zich ook inzet voor een betere mentale gezondheid, weerbaarheid, en opvoedondersteuning. In samenhang kan preventie bijdragen aan het terugdringen van problematisch drugsgebruik.
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Allereerst draagt het kabinet zowel in brieven als publieke uitingen publiekelijk regelmatig uit dat drugsgebruik niet past bij een normale, gezonde leefstijl. Daarnaast wordt er een campagne uitgevoerd die jongeren bewust maakt van de negatieve gevolgen van drugsgebruik voor de maatschappij, gezondheid en het milieu, waar in het antwoord op vraag 6 ook naar verwezen wordt. De verantwoordelijkheid voor het voorkomen van drugsgebruik deelt het kabinet met gemeenten. Ook lokaal zijn er veel goede voorbeelden. Zo hebben samenwerkende gemeenten in Noord Brabant het regioproject SKIP opgezet. SKIP richt zich op het verminderen van middelengebruik onder jongeren en jongvolwassenen. Met het regioproject probeert SKIP een nieuwe norm te realiseren over drugsgebruik, waarbij nauw samen wordt gewerkt met scholen en gemeentes om een effectieve aanpak te realiseren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
De eerdergenoemde campagne om jongeren bewust te maken van de negatieve gevolgen van drugsgebruik op hun gezondheid, de maatschappij en het milieu zal geëvalueerd worden. Voorlichtingscampagnes zijn alleen niet altijd het juiste middel om het drugsgebruik te verminderen, daarvoor is meer nodig.
Daarbij is het belangrijk om onderscheid te maken tussen preventie en een campagne. Een campagne is meestal gericht op het geven van informatie en het beïnvloeden van bewustwording, bijvoorbeeld via voorlichting of communicatieboodschappen. Preventieaanpak is breder en omvat een samenhangend geheel van maatregelen die ook gericht zijn op gedrag en onderliggende factoren die daaraan bijdragen, zoals opvoeding, sociale omgeving en mentale gezondheid. Effectieve drugspreventie bestaat daarom niet uit losse campagnes, maar uit een integrale en langdurige aanpak waarin verschillende interventies en settingen met elkaar worden verbonden.
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Sociale media, influencers en online platforms spelen een duidelijke rol in de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren. Uit het Trimbos-rapport «Van likes tot lessen»1 blijkt dat jongeren regelmatig worden blootgesteld aan drugsgerelateerde content, zoals beelden van gebruik of personen die onder invloed lijken te zijn. Deze zichtbaarheid kan bijdragen aan het idee dat drugsgebruik voorkomt en sociaal geaccepteerd is, en kan daarmee de drempel verlagen om zelf te gebruiken.
Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat de invloed niet eenduidig is: de meerderheid van de jongeren geeft aan dat blootstelling niet direct leidt tot een grotere intentie om zelf drugs te gebruiken. Dit onderstreept dat sociale media één van de factoren zijn binnen een bredere context van beïnvloeding.
Voor preventiebeleid ligt hier een belangrijke kans. Het rapport laat zien dat platforms als TikTok juist ook effectief kunnen worden ingezet om jongeren te bereiken met betrouwbare informatie, misverstanden te corrigeren en in te spelen op wat er leeft onder jongeren. Preventie op sociale media vraagt daarbij om actieve aanwezigheid, doelgroepgerichte communicatie en interactie, bijvoorbeeld door middel van video’s en community management. Daarop zet de overheid nu al in via verschillende sociale media kanalen van het Trimbos.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
Het kabinet zet in op het denormaliseren van het gebruik van harddrugs. Tegelijkertijd blijkt uit het antwoord op vraag twee dat de overgrote meerderheid van de jongeren geen drugs gebruikt. Met doorlopende preventie-inzet wordt getracht dit zo te houden.
Daarnaast blijft het noodzakelijk om oog te houden voor de onderliggende problematiek die samenhangt met middelengebruik, zoals mentale gezondheid, sociale context en toekomstperspectief van jongeren. Het versterken van preventie betekent daarom ook investeren in deze bredere randvoorwaarden, in samenwerking met verschillende domeinen.
Het bericht 'Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen van Nederlandse deskundigen over het verband tussen huiselijk geweld en suïcide?
Uit een eerste onderzoek van de Universiteit Leiden en Forensische Artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR) blijkt uit bijna 550 schouwverslagen van vrouwen die zijn overleden door suïcide, dat een significant deel van deze vrouwen ook zijn blootgesteld aan geweld. Deze eerste resultaten baren mij zorgen en zijn voor mij aanleiding om een driejarig vervolgonderzoek door de Universiteit Leiden mede te financieren, samen met de gemeenten Amsterdam en mogelijk ook Rotterdam. Ook ga ik in gesprek met de politie om te bezien hoe eventuele signalen van huiselijk geweld nu al – vooruitlopend op de uitkomsten van dit vervolgonderzoek – beter kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken.
Ieder jaar overlijden in Nederland ongeveer 1.800 mensen door suïcide, van wie ongeveer 1.200 mannen en 600 vrouwen.2 We weten ook dat huiselijk geweld en kindermishandeling in Nederland een groot probleem vormen. Naar schatting worden ongeveer 1,3 miljoen mensen van 16 jaar en ouder slachtoffer van huiselijk geweld.3 En dit huiselijk geweld kan leiden tot moord of doodslag, waarvan meestal vrouwen het slachtoffer zijn.4 Wat we nog niet goed weten is wat het verband is tussen suïcide, moord/doodslag en huiselijk geweld. Dit is tot nu toe nauwelijks systematisch onderzocht. We weten wel op basis van gesprekken met nabestaanden dat er slachtoffers zijn van huiselijk geweld die suïcide hebben gepleegd, om te ontsnappen aan hun uitzichtloze geweldssituatie of onder bedreiging door de geweldspleger. Ook zijn er zaken waarin de pleger van moord of doodslag het doet vóórkomen dat het slachtoffer suïcide heeft gepleegd. Maar hoe vaak dit alles in Nederland voorkomt is vooralsnog niet bekend. Hierdoor blijft dit verband tussen huiselijk geweld en (ogenschijnlijke) suïcide ook grotendeels onzichtbaar voor hulpverleners, forensisch artsen en de politie.
Met de financiering van het vervolgonderzoek kan het bestaande onderzoek worden opgeschaald naar landelijk niveau en kunnen de eerdere onderzoeksresultaten worden verrijkt met aanvullende data, waaronder die van de politie. Op basis van het vervolgonderzoek moet een scherper beeld komen van de mate waarin huiselijk geweld een rol speelt bij suïcides. Daarnaast kan dit onderzoek de basis vormen voor nieuwe richtlijnen, zodat hulpverleners, politie, forensisch artsen en pathologen signalen van suïcide als gevolg van huiselijk geweld beter kunnen herkennen. Zo kunnen zij beter inschatten of nader onderzoek nodig is in zaken waarin ogenschijnlijk sprake is van suïcide. Op basis daarvan kan onderbouwd antwoord gegeven worden op de vraag of het in deze zaken daadwerkelijk om suïcide gaat of dat er mogelijk ook anderen betrokken zijn bij het overlijden van het slachtoffer en een strafrechtelijk onderzoek nodig is.
Deze beoogde praktijkverbetering is ook relevant in het licht van het Wetsvoorstel inzake de Wet bestemming van lichamen van overledenen (Wblo). Dit wetsvoorstel verduidelijkt onder andere de bevoegdheden van politie en geeft de forensisch arts meer bevoegdheden om na overlijden onderzoek te doen.
Herkent u het beeld dat huiselijk geweld, psychische mishandeling, stalking en dwingende controle belangrijke risicofactoren zijn voor suïcidaliteit onder vrouwen? Zo ja, op welke manier wordt hiermee rekening gehouden in beleid en praktijk?
Ja, op basis van het voornoemde eerste onderzoek van de Universiteit Leiden en FARR en op basis van gesprekken met nabestaanden herken ik dat beeld. En ook in internationale wetenschappelijke literatuur wordt dit beeld bevestigd.5 De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is erop gericht om dit geweld te voorkomen, en als het plaatsvindt, om dit geweld te stoppen en verdere escalatie en dodelijk geweld (waaronder suïcide) te voorkomen. Daarbij is specifieke aandacht voor vormen van geweld die vaak minder zichtbaar zijn, zoals psychische mishandeling en dwingende controle. Het kabinet werkt aan verschillende maatregelen om de aanpak van deze vormen van geweld te versterken. Zo is op 29 juni 2026 een wetsvoorstel in internetconsultatie gebracht waarmee psychische mishandeling en dwingende controle strafbaar worden gesteld. Dit wetsvoorstel beoogt bij te dragen aan een betere herkenning en aanpak van deze vormen van geweld en biedt, naast de bestaande mogelijkheden, een aanvullend strafrechtelijk instrument om slachtoffers beter te beschermen en plegers van geweld aan te pakken. Samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en met gemeenten en betrokken organisaties en experts werk ik aan het versterken van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik verwijs u onder meer naar de recente brief over de voortgang van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.6
Zijn er cijfers bekend waaruit blijkt in hoeveel gevallen van suïcide sprake was van (een voorgeschiedenis van) huiselijk geweld? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe dit beter in beeld kan worden gebracht?
Nee, dit zal worden onderzocht door de Universiteit Leiden, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid te bezien of de registratie van huiselijk geweld, suïcidepogingen en suïcides beter op elkaar kan worden aangesloten, zodat patronen eerder kunnen worden herkend en gerichter beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Bij suïcidepogingen komt de politie meestal niet ter plaatse; eventueel komen er wel hulpverleners bij. Met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal ik bespreken of en hoe hulpverleners die in deze gevallen betrokken worden een eventueel verband tussen huiselijk geweld en de suïcidepoging zouden kunnen herkennen en wat mogelijk is op het gebied van registratie. Bij overlijdens vermoedelijk als gevolg van suïcide doen een forensisch arts en nagenoeg altijd de politie onderzoek. Zoals vermeld in antwoord op vraag 2 zal ik met de politie bespreken hoe eventuele signalen van huiselijk geweld beter kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken; ook registratie komt hierbij aan de orde.
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden voor politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen wanneer er aanwijzingen zijn dat huiselijk geweld, psychische mishandeling of dwingende controle hebben bijgedragen aan een suïcide?
Na een ogenschijnlijke suïcide doen een forensisch arts en nagenoeg altijd de politie onderzoek. Bij dit onderzoek kijkt de politie ook naar de context, mede op basis van wat er over de overledene bekend is in de politiesystemen. De forensisch arts kan contact opnemen met betrokken zorgverleners om navraag te doen over het medisch dossier. Uit dit onderzoek kunnen signalen naar voren komen die aanleiding geven tot het doen van strafrechtelijk onderzoek.
Het bovengenoemde vervolgonderzoek beoogt beter zicht te krijgen op de genoemde aanwijzingen. Vooruitlopend daarop zal ik met de politie in overleg treden hoe signalen van huiselijk geweld beter en eerder kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken.
Bent u bekend met het fenomeen «staged suicide», waarbij een overlijden ten onrechte als suïcide wordt aangemerkt terwijl sprake kan zijn van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre komt dit volgens u voor in Nederland?
Ja, ik ben bekend met het fenomeen staged suicide en dit komt voor in Nederland. Ik verwacht met bovengenoemd vervolgonderzoek van de Universiteit Leiden een scherper beeld hiervan te kunnen krijgen.
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van staged suicide in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie het antwoord op vraag 2.
In hoeverre kan het aangekondigde wetsvoorstel over de strafbaarstelling van psychisch geweld bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling mogelijk leidt tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide?
Met het wetsvoorstel met betrekking tot de verruiming van de strafbaarheid van psychisch geweld, in combinatie met beleidsmaatregelen zoals publiekscampagnes, deskundigheidsbevordering en verbetering van veiligheids- en risicotaxatie en dossiervorming, verwacht ik dat dwingende controle, psychische mishandeling en stalking beter strafrechtelijk kunnen worden aangepakt. Dit moet de betrokken organisaties extra handvatten bieden om deze vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling te stoppen, zodat slachtoffers in veiligheid kunnen leven en zodat plegers hun schadelijke gedrag stoppen. Zodoende zou dit wetsvoorstel kunnen bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling kan leiden tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide.
Op welke wijze wordt binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke risicogroep?
In de vierde Landelijke Agenda Suïcidepreventie die op 24 maart jl. door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met uw Kamer is gedeeld7 is niet specifiek aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als risicogroep. Wel is er een aantal projecten binnen deze agenda waar vaker mensen te vinden zullen zijn die verhoogd risico lopen op overlijden door suïcide, zo mogelijk ook in verband met huiselijk geweld. Dat zijn: Sumona (het programma «suïcidepreventie, monitoring en nazorg» voor mensen die een poging tot suïcide hebben ondernomen), Ter Plekke (een programma voor first responders) en Regio’s (project waarin samenwerkingspartners worden geholpen om regionale vangnetten te creëren voor specifieke groepen).
113 Zelfmoordpreventie zal als onderdeel van het in antwoord op vraag 2 genoemde onderzoek van de Universiteit Leiden een onderzoek uitvoeren met de werktitel «Verborgen fataal geweld: mechanismen onderliggend aan de link tussen huiselijk geweld en suïcide». De planning is dat dit onderzoek in het voorjaar van 2027 gereed is. De bevindingen zullen op dat moment ook met behulp van een factsheet worden gepubliceerd en beschikbaar worden voor hulpverleners.
Het bericht 'Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. ‘Als van uitstel maar geen afstel komt’' |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. «Als van uitstel maar geen afstel komt»» en wat is uw reactie daarop?1
Deelt u de mening dat zeven maanden wachttijd voor zwemles te lang is? Zo ja, wat is volgens u een acceptabele wachttijd? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u aan tegen de vrees van de Nationale Raad Zwemveiligheid dat de diploma-ongelijkheid verder toeneemt?
Hoe gaat u voorkomen dat de portemonnee van de ouders van de kinderen gaat bepalen hoe lang deze kinderen moeten wachten voordat ze op zwemles kunnen?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn gesloten?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn geopend?
Hoe kijkt u aan tegen de dalende trend in het aantal vierkante meters zwembad met het oog op deze lange wachttijden?
Bent u van mening dat de Aanpak wachtlijsten zwemles en landelijk dekkend aanbod2 heeft gewerkt, gezien het feit dat er nog steeds zulke lange wachttijden zijn?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voordat het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Sport op 2 november 2026 plaatsvindt?
Het bericht ‘Bijna 300 mensen op zwarte lijst van ziekenhuizen door agressie tegen zorgpersoneel’ |
|
Hilde Wendel (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 300 mensen op zwarte lijst van ziekenhuizen door agressie tegen zorgpersoneel»?1
In welke mate herkent u het signaal dat er een toename is van «zowel het aantal meldingen als de ernst van de incidenten»?
In welke mate herkent u het signaal dat patiënten en andere ziekenhuisbezoekers veeleisender worden, waarbij zij «een kort lontje hebben, snel geëmotioneerd reageren als hun verwachtingen niet uitkomen»?
Ziekenhuis Rijnstate in Arnhem stelt in het artikel dat de polarisatie in de maatschappij van invloed is op het toenemende huftergedrag richting zorgpersoneel, hoe kijkt u hier tegenaan en welke oplossing(en) ziet u hiervoor?
Wat is de invloed van personeelstekorten op agressie in de zorg? Ziet u een verband tussen de werkdruk van personeel en agressie van patiënten of bezoekers?
Het Zuyderland Ziekenhuis geeft in het artikel aan dat (het toenemende) huftergedrag jegens zorgprofessionals een reden is voor hen om te stoppen met hun werk, in welke mate denkt u dat dit een representatief beeld is voor de hele sector?
De Patiëntenfederatie geeft in het artikel aan dat betere communicatie kan helpen in het verminderen van spanningen bij patiënten, bent u van mening dat communicatievoorzieningen van ziekenhuizen tekortschieten?
Veel ziekenhuizen geven agressietrainingen aan hun medewerkers, dit zou hen moeten helpen om situaties te de-escaleren, hoe kijkt u hier tegenaan en welke andere maatregelen ziet u om zorgprofessionals te ondersteunen?
Ziekenhuis Rijnstate merkt op dat aangiftes van agressie in de zorg worden geseponeerd omdat de politie capaciteitsproblemen heeft, hoe kijkt u hiernaar? Ziet u alternatieve mogelijkheden om passende gevolgen voor zorgdelinquenten te realiseren zonder aangifteprocedure? Zo ja, welke?
Hoe kijkt u naar een landelijke zwarte lijst waar ziekenhuizen agressieve patiënten kunnen aanmelden zodat ziekenhuizen maatregelen kunnen treffen bij bekende hufter-patiënten?
De stijging van verplichte zorg in de ggz |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cijfers dwang in de ggz opnieuw gestegen» en de onderliggende cijfers van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?1
Hoe beoordeelt u het feit dat het geregistreerde aantal ggz-cliënten dat te maken kreeg met verplichte zorg is gestegen van 13.022 in 2024 naar 13.722 in 2025, een stijging van ongeveer 5 procent?2, 3
In hoeverre kan deze stijging volgens u worden verklaard door een daadwerkelijke toename van verplichte zorg en in hoeverre door betere registratie? Kunt u dit zo veel mogelijk kwantificeren?
Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal cliënten dat sinds de inwerkingtreding van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) met verplichte zorg te maken heeft gekregen, uitgesplitst per jaar en naar vorm van verplichte zorg?
Hoe beoordeelt u dat zorgprofessionals tegenover de IGJ aangeven dat personeelstekorten, instabiele teams en hoge werkdruk kunnen leiden tot gevoelens van onveiligheid bij zorgverleners, waardoor sneller tot insluiting kan worden overgegaan?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat personeelsproblemen ertoe leiden dat patiënten eerder of vaker worden ingesloten?
Klopt het dat een landelijke registratie van het feitelijke aantal separeerverblijven en Extra Beveiligde Kamers (EBK’s) ontbreekt? Waarom bestaat deze landelijke registratie nog steeds niet?
Hoe kunt u beoordelen of het beleid om separeerverblijven en insluitingen in EBK’s af te bouwen daadwerkelijk succesvol is als niet landelijk bekend is hoeveel van deze ruimtes er zijn?
Kunt u verklaren waarom het aantal geregistreerde toepassingen van een EBK is gestegen van 2.529 in 2024 naar 2.893 in 2025, terwijl wordt ingezet op het terugdringen van insluiting?
Kunt u aangeven hoeveel van de 12.111 geregistreerde toepassingen van insluiting in 2025 daadwerkelijk eenzame opsluiting betroffen? Zo nee, waarom wordt dit niet geregistreerd?
Wanneer wordt de aangekondigde nulmeting naar het aantal klassieke separeercellen uitgevoerd en wanneer ontvangt de Kamer de resultaten?
Welke concrete en meetbare doelstellingen hanteert u voor het verminderen van insluiting en andere vormen van verplichte zorg in de ggz en op welke termijn moeten deze worden bereikt?
Hoeveel middelen heeft de rijksoverheid de afgelopen vijf jaar beschikbaar gesteld voor het terugdringen van dwang en insluiting in de ggz en welke aantoonbare resultaten zijn daarmee bereikt?
De IGJ geeft aan dat de gepubliceerde trendanalyse niet alle zorgaanbieders omvat, bent u bereid ervoor te zorgen dat er een volledig en landelijk vergelijkbaar beeld komt van de toepassing van verplichte zorg, insluiting, separatie en het gebruik van EBK’s?
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de ontwikkeling van verplichte zorg in de ggz, uitgesplitst naar de verschillende vormen daarvan, waaronder afzonderlijk insluiting in een separeerverblijf en een EBK?
De vergoeding van diabetessensoren |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Diabetessensor nodig, maar niet vergoed: wat als je nét buiten de criteria valt?»1
Klopt het dat de vergoedingscriteria voor een glucosesensor die gekoppeld is aan een insulinepomp grotendeels dateren uit 2017? Zo ja, wanneer zijn deze criteria voor het laatst geëvalueerd?
Hoe beoordeelt u het signaal dat mensen met diabetes type 1 deze technologie regelmatig niet vergoed krijgen, omdat zij net buiten de huidige vergoedingscriteria vallen, terwijl hun behandelaar vindt dat zij die nodig hebben?
Hoe kijkt u naar de oproep van diabetesverpleegkundigen en patiëntenorganisaties om bij de beoordeling naast glucosewaarden ook de dagelijkse ziektelast en de kwaliteit van leven mee te wegen?
Hoeveel mensen met diabetes vallen buiten de huidige criteria, terwijl hun behandelaar vindt dat zij medisch baat hebben bij deze technologie? Hoe verhoudt dit zich tot de schatting van Diabetesvereniging Nederland van zo’n 10.000 mensen, en bent u bereid dit nader in kaart te brengen?
Hoe kijkt u ertegenaan dat zorgverzekeraars verwijzen naar de criteria van het Zorginstituut, terwijl het Zorginstituut aangeeft hierin niet aan zet te zijn? Wie is volgens u verantwoordelijk voor het actualiseren van deze criteria?
Hoe past het tijdig inzetten van deze technologie, die complicaties en zorgkosten kan voorkomen, binnen uw inzet op passende zorg?
Bent u bereid zorgverzekeraars, behandelaars en patiëntenorganisaties bij elkaar te brengen om de criteria te laten aansluiten bij de stand van de wetenschap en praktijk, en zo nodig het Zorginstituut om een herbeoordeling te vragen?
De mogelijke gezondheidsrisico’s voor omwonenden van Chemelot |
|
Dion Huidekooper (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Chemelot: de schoorsteen moet roken» over de uitstoot van schadelijke stoffen door Chemelot en de mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden?1
Klopt het dat van slechts een beperkt aantal zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) metingen in de leefomgeving beschikbaar zijn en dat deze metingen bovendien maar op één locatie plaatsvinden? Acht u de huidige meetinfrastructuur toereikend om een representatief beeld te krijgen van de werkelijke blootstelling van omwonenden?
Hoeveel door Chemelot uitgestoten ZZS worden op dit moment níét structureel gemeten in de leefomgeving? Bent u bereid ervoor te zorgen dat er op meerdere locaties en op een breder pallet aan ZZS wordt gemeten?
Hoe controleren de Inspectie Leefomgeving & Transport (ILT) en Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) of de gerapporteerde uitstoot van Chemelot overeenkomt met de daadwerkelijke uitstoot uit de installaties op het Chemelot-terrein? Ziet u aanleiding om meer direct bij de bron te meten?
Klopt het dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) waarschuwt voor een mogelijk verhoogd gezondheidsrisico door de combinatie van verschillende ZZS, ook wanneer deze stoffen afzonderlijk onder de wettelijke normen blijven? Wat betekent deze conclusie volgens u voor de risico’s die omwonenden lopen?
Hoe wordt op dit moment bij vergunningverlening rond Chemelot rekening gehouden met de gecombineerde uitstoot van verschillende ZZS?
Welke mogelijkheden heeft de provincie Limburg volgens u om uit voorzorg vergunningen aan te scherpen of aanvullende eisen te stellen vanwege mogelijke risico’s van de gecombineerde uitstoot van ZZS?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de leefomgeving en volksgezondheid om ervoor te zorgen dat bij de vergunningverlening rond Chemelot voldoende rekening wordt gehouden met deze gecombineerde uitstoot? En welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf?
Hoe beoordeelt u de verschillende opvattingen van het RIVM en de provincie Limburg over de betekenis van de mogelijke risico’s van gecombineerde blootstelling? Deelt u de opvatting dat juist meer metingen nodig zijn om duidelijkheid te krijgen over de daadwerkelijke risico’s voor omwonenden?
Hoe wordt bij besluitvorming over Chemelot de economische betekenis van het industriecomplex afgewogen tegen de bescherming van milieu en de gezondheid van omwonenden? Hoe wordt daarbij geborgd dat economische belangen niet ten koste gaan van de gezondheid van omwonenden?
Kunt u verklaren waarom rond bijvoorbeeld Tata Steel uitgebreid gezondheidsonderzoek plaatsvindt, terwijl het RIVM ook rond Chemelot constateert dat belangrijke kennis ontbreekt en aanvullend onderzoek en metingen adviseert?
Hoe zorgt u ervoor dat de gezondheid van omwonenden van grote industriële complexen in alle regio’s van Nederland voldoende aandacht krijgt en dat Limburg hierin niet achterblijft?
Bent u bereid om samen met de provincie Limburg, het RIVM en de RUD Zuid-Limburg tot een plan van aanpak te komen voor aanvullende metingen en vervolgonderzoek rond Chemelot, en dit plan per Kamerbrief aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Mishandeling van kinderen in sanatoria en het ontbreken van erkenning voor hun leed |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht uit De Gelderlander «Eigen braaksel eten, urenlang onder wollen dekens in de brandende zon: leed sanatoriumkinderen blijkt onbekend»?1 over de duizenden kinderen die met onder meer tuberculose die in sanatoria zijn ondergebracht?
Kunt u zich voorstellen dat kinderen die deze ervaringen hebben, daar de rest van hun leven onder hebben geleden? Is bekend hoeveel kinderen, die inmiddels volwassen zijn of niet meer leven, vernederende straffen en ander leed hebben doorgemaakt in sanatoria?
Deelt u de mening dat deze verhalen en het boek Sanatoriumkind van Inge Mutsaers vragen om erkenning en nader onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Welke informatie is bij de overheid bekend over lichamelijk, psychisch en seksueel geweld en emotionele verwaarlozing van kinderen in Nederlandse sanatoria? Zijn hierover eerder meldingen ontvangen of onderzoeken verricht? Zo ja, wat is daarmee gedaan? Is de behandeling van deze kinderen ooit eerder onderwerp geweest in Kamerdebatten, of in het publieke debat?
Welke verantwoordelijkheid hadden de overheid en de toenmalige inspectiediensten voor de veiligheid van kinderen in sanatoria? Welke informatie is nog beschikbaar over het toezicht, eventuele klachten en het optreden naar aanleiding daarvan?
In hoeverre zijn ervaringen van voormalige sanatoriumkinderen betrokken bij eerdere onderzoeken naar geweld en misbruik in instellingen, waaronder de onderzoeken van de commissies-Deetman, -Samson en -De Winter? Kunt u per onderzoek toelichten of deze kinderen binnen de onderzoeksopdracht vielen en of hun ervaringen daadwerkelijk zijn onderzocht?
Deelt u de mening dat de aard van de instelling waarin een kind verbleef niet mag bepalen of vergelijkbare ervaringen van geweld en vernedering worden onderzocht en erkend? Hoe voorkomt u dat voormalige sanatoriumkinderen tussen de afbakeningen van eerdere onderzoeken en erkenningsregelingen blijven vallen?
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met voormalige sanatoriumkinderen, hun vertegenwoordigers en onderzoekers om hun ervaringen en behoeften in kaart te brengen? Hoe zorgt u ervoor dat ook mensen worden bereikt die hun ervaringen tot nu toe niet hebben durven delen of nooit die gelegenheid hebben gehad?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek mogelijk te maken naar geweld, misbruik en verwaarlozing van kinderen in sanatoria, met aandacht voor de rol van instellingen, religieuze organisaties en de overheid? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat getuigenissen en archiefmateriaal verloren gaan, gezien de hoge leeftijd van veel betrokkenen? Bent u bereid vooruitlopend op eventueel onderzoek te bevorderen dat getuigenissen zorgvuldig worden vastgelegd en relevante archieven worden veiliggesteld?
Welke mogelijkheden hebben voormalige sanatoriumkinderen om hun eigen dossiers en relevante instellingsarchieven terug te vinden en in te zien? Welke ondersteuning kunt u bieden wanneer een instelling is opgeheven, dossiers ontbreken of onduidelijk is wie de archieven beheert?
Kunnen voormalige sanatoriumkinderen aanspraak maken op eerdere regelingen voor erkenning of financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld en misbruik in instellingen? Zo ja, onder welke voorwaarden? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken welke vorm van erkenning en tegemoetkoming voor deze groep passend is?
Bent u ervan op de hoogte dat uw ambtsvoorganger eerder in antwoord op schriftelijke vragen over de mishandeling van een jongere in een jeugdzorginstelling benadrukte dat de erkenningsmaatregelen naar aanleiding van de commissie-De Winter ook bedoeld zijn voor slachtoffers van wie de individuele zaak inmiddels is verjaard?2 Deelt u deze mening? Zo ja, deelt u de mening dat dit ook consequenties heeft voor de overheid als het gaat over kinderen die zijn mishandeld, maar niet onder de onderzoeksopdracht vielen van commissies Samson, Deetman of De Winter?
Welke lessen uit de evaluatie van de erkenningsmaatregelen naar aanleiding van de commissie-De Winter zijn relevant voor voormalige sanatoriumkinderen, in het bijzonder waar het gaat om mensen die door de afbakening buiten een regeling vallen? Hoe betrekt u daarbij de aangenomen motie-Westerveld over het meenemen van de lessen uit het traject-De Winter en de mening van ervaringsdeskundigen en nabestaanden in het plan voor erkenning en herstel?3
Waar kunnen voormalige sanatoriumkinderen op dit moment terecht voor lotgenotencontact, ondersteuning en zo nodig gespecialiseerde psychologische hulp? Bent u bereid om samen met hen de behoeften in kaart te brengen?
Bent u bereid de betrokkenen te vragen of en zo ja, aan welke vormen van publieke erkenning zij behoefte hebben en passend zijn, zoals excuses of het zichtbaar maken van deze geschiedenis? Kunt u daarbij zorgen dat hun wensen daarbij leidend zijn en dat erkenning ook wordt verbonden aan concrete ondersteuning?
Zorgplafonds en de wachttijden in de ggz |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Pointer over de invloed van door zorgverzekeraars opgelegde zorgplafonds op de wachttijden in de GGZ?1 Deelt u de mening dat dit niet de eerste keer is dat wordt gewezen op deze relatie?
wat vindt u ervan dat bij vier op de tien onderzochte ggz-aanbieders de zorgverzekeraar mede bepaalt hoe lang iemand moet wachten? Wat vindt u ervan dat bijna een kwart van de aanbieders gedurende de onderzoeksperiode een patiëntenstop had voor verzekerden door een zorgplafond, terwijl verzekerden van andere zorgverzekeraars daar nog wel terechtkonden?
Vindt u het net als PRO onacceptabel dat mensen met precies dezelfde zorgvraag bij dezelfde aanbieder verschillende wachttijden hebben, enkel omdat zij bij een andere zorgverzekeraar verzekerd zijn? Zo nee, hoe legt u dit dan uit?
Hoe verhouden de bevindingen van Pointer zich tot de woorden van uw ambtsvoorganger die stelde dat omzetplafonds bijdragen aan doelmatigheid van zorg? Hoe verhouden de bevindingen van Pointer zich met de woorden «Ook is het niet zo dat er onderscheid is in het recht op zorg bij verschillende zorgverzekeraars»?2 Dit valt toch niet met elkaar te rijmen? Bent u bereid het standpunt van het kabinet op basis van deze nieuwe bevindingen te herzien?
Deelt u de analyse dat niet de personele capaciteit maar de financiering de feitelijke toegang tot zorg beperkt, bij aanbieders die wel capaciteit beschikbaar hebben, maar vanwege een omzetplafond geen nieuwe patiënten meer mogen aannemen? Hoe legt u dit uit aan mensen die op de wachtlijst belanden en aan behandelaren?
Hoe beoordeelt u het risico dat zorgverzekeraars omzetplafonds inzetten om verzekerden die relatief veel of dure ggz-zorg nodig hebben indirect te ontmoedigen, waardoor volgens DSW feitelijk sprake kan zijn van risicoselectie? Welke rol speelt de risicoverevening hierin? Welke maatregelen neemt u om dit soort prikkels weg te nemen?
Is een wachttijd van negen maanden door een bereikt omzetplafond volgens u verenigbaar met de wettelijke zorgplicht van een zorgverzekeraar en de Treeknormen? Zo ja, kunt u juridisch onderbouwen waarom? Zo nee, wie moet in zo’n situatie ingrijpen?
Hoe verklaart u het feit dat mensen maanden moeten wachten terwijl er behandelcapaciteit beschikbaar is, met de woorden van uw ambtsvoorganger dat zorgverzekeraars, als zorgbemiddeling niet leidt tot een tijdig en passend alternatief, bij de oorspronkelijke aanbieder moet bijcontracteren?3
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord is afgesproken om proactieve zorgbemiddeling te realiseren, hoeveel zorgverzekeraars bieden dit inmiddels daadwerkelijk aan, hoeveel wachtenden zijn daarmee benaderd en hoeveel mensen hebben hierdoor binnen de Treeknorm passende zorg gekregen?
Delt u de mening dat zorgbemiddeling alleen een oplossing is wanneer het alternatief inhoudelijk passend, tijdig bereikbaar en uitvoerbaar is voor de patiënt, en niet wanneer iemand met bijvoorbeeld autisme of complexe problematiek opnieuw naar een aanbieder wordt verwezen die deze zorg niet levert? Hoe wordt de kwaliteit en passendheid van zorgbemiddeling vanuit het perspectief van patiënten getoetst?
Wat is uw reactie op het signaal dat de informatie over patiëntenstops en wachttijden op websites van aanbieders soms niet klopt? Wie is verantwoordelijk voor de juistheid van deze informatie en hoe houdt de NZa hierop toezicht?
Bent u bereid om patiëntenstops als gevolg van omzetplafonds centraal en actueel inzichtelijk te maken, uitgesplitst naar zorgverzekeraar, aanbieder, regio en type ggz-zorg, zodat patiënten, verwijzers, de NZa en de Kamer kunnen zien waar beschikbare behandelcapaciteit om financiële redenen niet wordt benut?
Gaat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) naar aanleiding van de bevindingen van Pointer onderzoek doen naar de naleving van de zorgplicht door de genoemde zorgverzekeraars? Zo nee, bent u bereid de NZa te vragen dit te doen?
Hoeveel keer heeft de NZa in de afgelopen vijf jaar vastgesteld dat een zorgverzekeraar door een te laag omzetplafond of onvoldoende bijcontractering niet aan zijn zorgplicht voor de GGZ voldeed? Welke aanwijzingen, lasten onder dwangsom of boetes zijn daarbij opgelegd?
Hoe vaak hebben ggz-aanbieders in 2025 en 2026 per zorgverzekeraar om ophoging van hun omzetplafond gevraagd? Hoeveel van deze verzoeken zijn geheel of gedeeltelijk toegewezen, hoeveel zijn afgewezen en binnen welke gemiddelde termijn werd hierover beslist?
Welke inhoudelijke criteria gebruiken zorgverzekeraars bij het beoordelen van een verzoek om bijcontractering of ophoging van een omzetplafond? Hoe wordt voorkomen dat een administratief geschil tussen aanbieder en verzekeraar wordt afgewenteld op een patiënt die dringend zorg nodig heeft?
Waarom heeft u aangenomen moties die verzoeken het gebruik van omzetplafonds in de ggz te verbieden, nog niet uitgevoerd?4 Wanneer kan de Kamer de concrete uitvoering verwachten?
Bent u in afwachting van een definitieve stelselwijziging bereid omzetplafonds in ieder geval niet toe te staan wanneer een aanbieder aantoonbaar behandelcapaciteit heeft, er geen tijdig alternatief is en de Treeknorm wordt overschreden? Zo nee, waarom laat u een financieel instrument dan zwaarder wegen dan het recht op tijdige zorg?
Kunt u deze vragen vóór het einde van het overstapseizoen en de afronding van de zorginkoop voor 2027 beantwoorden, zodat mensen bij de keuze voor een zorgverzekering weten welke gevolgen het gebruik van omzetplafonds kan hebben voor hun toegang tot ggz-zorg?
Mantelzorgers die op straat dreigen te belanden |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Eindhovens Dagblad waarin valt te lezen dat iemand die al jaren voor haar ongeneeslijk zieke moeder zorgt op straat dreigt te komen op het moment dat haar moeder komt te overlijden?1
Deelt u de mening, kijkende naar wat de betreffende persoon allemaal doet voor haar moeder met betrekking tot mantelzorg er onmiskenbaar sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onverklaarbaar is hoe de genoemde woningcorporatie zich heeft opgesteld met betrekking tot de vraag van de betreffende persoon om als medehuurder op het huurcontract te komen, kijkende naar al haar mantelzorgactiviteiten de afgelopen jaren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat mantelzorgers een onmisbare rol vervullen in de Nederlandse samenleving en dat dergelijke schrijnende casussen een negatieve invloed kunnen hebben op het aantal mensen dat mantelzorgactiviteiten wil ondernemen met alle gevolgen van dien? Zo nee, waarom niet?
Heeft u een beeld van hoe vaak schrijnende zaken zich voordoen in Nederland inzake naasten die op straat dreigen te komen na het overlijden van de hoofdhuurder en wat bent u bereid met relevante partners te ondernemen om dergelijke zaken zoveel mogelijk te voorkomen? Mocht u geen beeld hebben van de geschetste problematiek, bent u dan bereid zo snel mogelijk een diepgravend onderzoek in te stellen?
Deelt u de mening dat woningcorporaties en gemeenten zich altijd coulant dienen op te stellen in dergelijke casussen, niet alleen inzake de tijdsduur die mensen hebben om een nieuwe huurwoning te vinden, maar ook door het zo actief mogelijk begeleiden van mensen naar een nieuwe huurwoning (maatwerk) en mantelzorgers niet af te rekenen als zij niet in hun eigen huurwoning kunnen wonen door verblijf bij bijvoorbeeld ouders voor mantelzorgactiviteiten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening, in het verlengde van vraag zes, dat het uitgangspunt altijd zou moeten zijn, dat als naasten (die samenwoonden met een overleden hoofdhuurder) niet binnen de beschikbare termijn een nieuwe huurwoning weten te vinden, er nooit kan worden overgegaan in het op straat zetten van deze mensen?
Deelt u de mening dat het een ongelooflijke schande zou zijn en volslagen onverkoopbaar aan de samenleving als naasten die bijvoorbeeld jaren voor hun ongeneeslijk zieke ouders zorgen op straat komen te staan, terwijl statushouders voorrang krijgen op huurwoningen?
De sluiting van Huize Soria in Spanje en de veiligheid van Nederlandse kinderen |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Valenciaanse overheid Huize Soria in Aspe heeft bevolen de activiteiten onmiddellijk te beëindigen omdat de instelling zonder de vereiste vergunning opereerde?1
Bent u bekend met het project Adios Holanda en de relatie met Huize Soria? Kunt u de geschiedenis van beide namen, de betrokken rechtspersonen en bestuurders en eventuele wijzigingen daarin uiteenzetten, in ieder geval vanaf 2016 en waar relevant ook daarvoor?2
Hoeveel Nederlandse kinderen verbleven bij Huize Soria toen dit besluit werd genomen? Waar bevinden zij zich nu en wie controleert ter plaatse of zij veilig zijn?
Bent u bereid deze kinderen met spoed naar Nederland terug te halen en voor ieder kind passende opvang en aansluitende hulp te organiseren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Welke Nederlandse gemeenten, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen hebben kinderen bij Huize Soria geplaatst? Wie had vóór plaatsing moeten controleren of de vereiste vergunning aanwezig was en waarom is dit niet gebeurd?
Wanneer ontvingen uw ministerie, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de betrokken plaatsende instanties de eerste signalen over mogelijke misstanden bij Huize Soria of het project Adios Holanda? Welke concrete maatregelen zijn vervolgens genomen?
Zijn na deze eerste signalen nog kinderen bij Huize Soria geplaatst of bestaande plaatsingen verlengd? Zo ja, door wie en op welke gronden?
Beschikt u over het onderzoeksrapport waarin volgens het bericht signalen staan over voedselbeperkingen, fysieke fixatie, bestraffing en beperkingen van privécontact met familie of voogden? Bent u bereid dit rapport, zo nodig geanonimiseerd, aan de Kamer te verstrekken?
Hoe zorgt u ervoor dat huidige en voormalige bewoners onafhankelijk worden gehoord, zonder aanwezigheid van medewerkers van Huize Soria, en zo nodig medische zorg, traumabehandeling en ondersteuning bij het doen van aangifte krijgen?
Hoeveel Nederlands publiek geld is aan plaatsingen bij Huize Soria en het project Adios Holanda besteed, uitgesplitst per jaar en betalende instantie? Bent u bereid te laten onderzoeken of betalingen kunnen worden stopgezet en middelen kunnen worden teruggevorderd?
Bent u bereid onafhankelijk te laten onderzoeken wie verantwoordelijk is voor het plaatsen en laten verblijven van kinderen bij een instelling zonder de vereiste vergunning, en welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden? Neemt u daarbij ook de volledige voorgeschiedenis onder de naam Adios Holanda en eventuele andere handelsnamen of rechtspersonen mee?
Bent u bereid onmiddellijk te controleren of andere buitenlandse instellingen waar Nederlandse kinderen verblijven over de vereiste vergunningen beschikken en daadwerkelijk onder toezicht staan? Wat doet u wanneer de veiligheid van kinderen daar onvoldoende kan worden gegarandeerd?
Wilt u bij de beantwoording over eerdere plaatsingen, signalen, toezicht, financiering en nazorg expliciet ook het project Adios Holanda betrekken, in ieder geval vanaf 2016 en waar relevant ook daarvoor, en uw onderzoek niet beperken tot de huidige naam Huize Soria?
Kunt u de vragen over de huidige verblijfplaats, veiligheid en terugkeer van de kinderen binnen 48 uur beantwoorden en de overige vragen afzonderlijk zo spoedig mogelijk?
Bent u bekend met het bericht «Amsterdam moet proef met vervanging voor crack stoppen, maar Inspectie legt niet uit waarom» en wat is daarop uw reactie?1
Kunt u toelichten waarom de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de productie van het middel dexamfetamine plots heeft stilgelegd?
Welke stappen gaat u zetten om deze of soortgelijke proeven zo snel mogelijk (weer) plaats te laten vinden met als doel crackgebruikers te helpen?
Hoe kijkt u tegen dit besluit aan in het licht van de toenemende gebruikers en problemen in de grote steden door crackgebruik?
Hoe is de IGJ tot dit besluit gekomen terwijl burgermeesters en wethouders expliciet vragen om deze pilot?
Heeft u alternatieven om de crackcrisis tegen te gaan?
Kunt u, gelet op de urgentie, deze vragen voor 15 oktober a.s. beantwoorden?
De bescherming van minderjarigen tegen plegers van seksuele misdrijven |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waaruit blijkt dat iemand die is veroordeeld wegens seksueel misbruik van minderjarigen, ondanks een opgelegd beroepsverbod, gedurende het hoger beroep beroepsmatig met minderjarigen kan blijven werken?1
Deelt u de zorgen dat deze casus een bredere kwetsbaarheid blootlegt, namelijk de bescherming van minderjarigen, omdat iemand na een veroordeling wegens een seksueel misdrijf tegen minderjarigen nog steeds beroepsmatig toegang tot hen kan houden zolang de veroordeling niet onherroepelijk is?
Welke wettelijke mogelijkheden heeft een rechter op dit moment om na een veroordeling in eerste aanleg onmiddellijk te voorkomen dat iemand die is veroordeeld wegens een seksueel misdrijf tegen een minderjarige, in afwachting van hoger beroep beroepsmatig met minderjarigen blijft werken?
Ziet u hierin een leemte in de huidige wetgeving, waaronder de Wet seksuele misdrijven en de regels rond beroepsverboden? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of een beroepsverbod ter bescherming van minderjarigen onder strikte voorwaarden direct uitvoerbaar moet kunnen worden verklaard, met behoud van de nodige rechtsbescherming?
Klopt het dat voor dansdocenten geen wettelijke VOG-plicht geldt en zij ook niet onder een systeem van continue screening vallen? Vindt u deze situatie verantwoord voor een beroep waarin volwassenen intensief en soms één-op-één met minderjarigen werken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken voor welke beroepen en sectoren waarin volwassenen structureel met minderjarigen werken geen VOG-plicht of continue screening geldt, en of aanvullende wettelijke waarborgen voor deze beroepen noodzakelijk zijn?
Klopt het dat de Opvolgingscommissie Dansen in januari 2026 in hun rapport concludeerde dat voor 28 van de 33 aanbevelingen uit Schaduwdansen (2023) nog aanvullende maatregelen nodig waren? Zo ja, hoe beoordeelt u dan tegen die achtergrond de voortgang bij het structureel veiliger maken van de danssector?
Hoeveel publiek geld is sinds de verschijning van Schaduwdansen besteed aan de Alliantie Dans Veilig en andere maatregelen gericht op sociale veiligheid in de danssector en welke concrete en meetbare verbeteringen als het gaat om de bescherming van (minderjarige) dansers zijn met deze middelen gerealiseerd? Kunt u dit uitgebreid beantwoorden?
Kunt u specifiek aangeven hoeveel dansaanbieders inmiddels aantoonbaar werken met concrete veiligheidswaarborgen, zoals een VOG, gedragscode, onafhankelijk meldpunt en adequate opvolging van signalen en welk aandeel dit vormt van de totale danssector? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat, ondanks jarenlange aandacht, rapporten en publieke financiering, structurele waarborgen zoals een algemene VOG-plicht, continue screening en een sluitend systeem om personen die een risico vormen voor minderjarigen uit de sector te weren nog altijd ontbreken?
Welke concrete wettelijke en andere maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de overheid en de sector zelf preventief en structureel bescherming organiseren?
De vergoeding van psychosociale hulphonden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hulphond Zingo moet al na 6,5 jaar met pensioen, maar Kaj kan hem niet missen: «Hij gaf mij een doel in het leven»»?1
Bent u het met ons eens dat het verhaal van Kaj van Diemen, die door zijn hulphond Zingo zelfstandiger kan leven, minder snel overprikkeld raakt, op tijd zijn medicijnen inneemt en zich veiliger door het verkeer beweegt, staat voor de situatie van veel meer mensen? Erkent u ook dat een psychosociale hulphond mensen met een specifieke hulpvraag soms letterlijk hun leven teruggeeft?
Ziet u ook dat er sinds de vorige Kamervragen van de indiener in 2022, alleen maar meer onderzoek is gekomen waaruit blijkt dat psychosociale hulphonden fors kunnen bijdragen aan mentaal welzijn, zelfstandigheid en levenskwaliteit? Bent u bijvoorbeeld bekend met het langdurige onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen naar de inzet van hulphonden waarnaar in het artikel wordt verwezen?
Wat is de stand van zaken van de in 2022 aangekondigde landelijke afspraken over de definitie van een assistentiehond, de certificering van hondenscholen, de conformiteitsbeoordeling en het toezicht op de opleiding van assistentiehonden? Welke onderdelen zijn inmiddels gerealiseerd en welke nog niet?
Op welke manier zijn de resultaten van de diverse onderzoeken en het project «Met een hond kan ik het leven aan», meegenomen in het beleid rondom mentale gezondheid? Worden de richtlijnen voor gemeenten en zorgverzekeraars over vergoedingen ook overal geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om zich hiervoor in te zetten?2
Erkent u dat de inzet van hulphonden in voorkomende gevallen juist kostenbesparend is, omdat mensen zelfredzamer en zowel fysiek als mentaal gezonder worden?
Begrijpt u het dat er onbegrip is over het feit dat mensen met PTSS door hun werk bij Defensie of de politie wel voor specifieke vergoedingen of voorzieningen in aanmerking komen, terwijl mensen die door een andere oorzaak PTSS hebben opgelopen vaak afhankelijk zijn van de keuze van de gemeente waar ze wonen? Vindt u het, los van de juridische financieringsgrondslag, uitlegbaar dat twee mensen met vergelijkbare beperkingen en dezelfde behoefte aan ondersteuning verschillend worden behandeld vanwege de oorzaak van hun PTSS?3
Hoe verhoudt dit onderscheid zich volgens u tot het VN-verdrag Handicap, waarin de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte en de mogelijkheid om zelfstandig aan de samenleving deel te nemen centraal staan? Deelt u de mening dat niet de oorzaak van een beperking, maar de gevolgen daarvan en de individuele ondersteuningsbehoefte leidend zouden moeten zijn?
Hoeveel aanvragen voor psychosociale hulphonden zijn in de jaren 2022 tot en met 2026 bij gemeenten ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015?
Hoeveel aanvragen zijn geheel of gedeeltelijk toegekend en hoeveel zijn afgewezen? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar gemeente en reden voor afwijzing?
Zijn er inmiddels wel gegevens beschikbaar over het aantal assistentiehonden dat wordt verstrekt? Zo nee, hoe kunt u zonder deze informatie beoordelen of mensen met een vergelijkbare ondersteuningsbehoefte in verschillende gemeenten gelijkwaardig worden behandeld?
Klopt het beeld uit het artikel dat gemeenten geen gezamenlijk beoordelingsprotocol hanteren en dat de kans op vergoeding daardoor sterk afhankelijk kan zijn van de gemeente waarin iemand woont? Zo ja, acht u deze postcodeafhankelijkheid wenselijk? Zo nee, hoe zit het dan wel?
Bent u bereid om samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, ervaringsdeskundigen, gemeenten en deskundigen, zoals betrokken bij het project «Met een hond kan ik het leven aan», tot een landelijk afwegingskader te komen voor aanvragen van psychosociale hulphonden, waarbij de individuele ondersteuningsbehoefte en de bijdrage aan zelfredzaamheid en participatie centraal staan?4
Hoe wordt erop toegezien dat gemeenten uitvoering geven aan het standpunt van uw ambtsvoorganger uit 2024 dat zij een assistentiehond in de regel moeten toekennen wanneer uit zorgvuldig Wmo-onderzoek blijkt dat deze voor de inwoner de enige passende oplossing is, en aanvragen niet bij voorbaat afwijzen met een algemene verwijzing naar het ontbreken van voldoende wetenschappelijk bewijs?5
Hoe voorkomt u dat mensen eerst een langdurige bezwaar- en beroepsprocedure moeten voeren om een passende maatwerkvoorziening af te dwingen, terwijl zij juist vanwege hun beperking vaak niet de energie, financiële middelen of ondersteuning hebben om zo’n procedure te doorlopen?
Worden bij het beoordelen van de kosteneffectiviteit ook mogelijke besparingen op ambulante begeleiding, ggz-behandeling, crisiszorg, opname, mantelzorg en Wmo-ondersteuning betrokken, evenals de maatschappelijke opbrengsten van meer zelfstandigheid, participatie en deelname aan onderwijs of werk? Zo nee, waarom niet?
Welke ondersteuning is beschikbaar voor mensen van wie de huidige hulphond vanwege ouderdom of ziekte moet stoppen, maar die geen vergoeding kunnen krijgen voor een opvolgende hond? Hoe voorkomt u dat zij hierdoor hun zelfstandigheid verliezen of opnieuw afhankelijk worden van intensievere en mogelijk duurdere zorg en ondersteuning?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat mensen voor een noodzakelijke voorziening van € 25.000 tot € 35.000 afhankelijk zijn van crowdfunding, fondsen of donaties, waardoor financiële draagkracht en het vermogen om een succesvolle inzamelingsactie te organiseren mede bepalen wie zelfstandig kan blijven leven? Welke concrete stappen gaat u zetten om deze willekeur te verminderen?
Het kabinetsbesluit ten aanzien van medische evacuaties uit Gaza |
|
Suzanne Kröger (PRO), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het pakket van € 12 miljoen wordt vrijgemaakt? Uit welke begrotingspost komen deze gelden? Komen deze gelden nog in 2026 beschikbaar uit het extra geld dat in 2026 voor ontwikkelingssamenwerking is vrijgemaakt bij de voorjaarsbesluitvorming? Hoe zijn deze verdeeld over de vier genoemde bestemmingen: World Health Organization (WHO), Jordanië, Save the Children, Egypte, WHO Health Emergency Appeal en het Rode Kruis?
Op welke termijn worden de toegezegde bijdragen daadwerkelijk uitgekeerd aan de WHO, Save the Children en het Rode Kruis, en wanneer verwacht u dat de eerste effecten (bijvoorbeeld de eerste evacuaties naar Jordanië) zichtbaar zullen zijn?
In welk tempo verwacht het u dat de 250 kinderen naar Jordanië geëvacueerd kunnen worden? Klopt het dat landen in de regio verlangen dat eerder geëvacueerde patiënten het land verlaten, alvorens zij nieuwe patiënten toelaten voor evacuatie?
Kunt u bevestigen dat het pakket van € 12 miljoen voor de evacuatie van kinderen uit Gaza naar naburige landen, geen middelen bevat voor nieuwe medische evacuaties van zieke kinderen uit Gaza naar Nederland dit jaar?
Sluit u met deze keuze feitelijk verdere evacuaties naar Nederland uit, of blijft dit een optie? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Klopt het dat meerdere EU-lidstaten dit jaar wel door zijn gegaan met het evacueren van kinderen uit Gaza? Klopt het dat Spanje in 2026 nog 20 kinderen heeft geëvacueerd (waarmee het totaal op 85 komt), Italië nog 26 kinderen (waarmee het totaal op 272 komt) en ons buurland België nog 4 kinderen (waarmee het totaal op 26 komt)? Waarom maken deze landen een andere afweging dan Nederland? Waarom gingen zij dit jaar wel door met medische evacuaties en Nederland niet?
Klopt het dat EU-lidstaten sinds begin 2026 slechts 1% van alle medisch geëvacueerde patiënten uit Gaza hebben opgevangen? Hoe beoordeelt u de Nederlandse en Europese bijdragen in dit licht, en vindt u dit aandeel proportioneel gezien de Nederlandse medische capaciteit?
Bent u bekend met de constatering van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde dat er een groep kinderen is met «hoogcomplexe en meervoudige problematiek» (ernstig trauma, complexe aangeboren aandoeningen, oncologische aandoeningen) die niet in Gaza, Jordanië of Egypte behandeld kan worden? Erkent u deze doelgroep? Welk toekomstperspectief biedt u nu aan deze kinderen?
Kunt u aangeven hoe groot deze doelgroep is? Hoeveel van de circa 18.500 patiënten die naar inschatting van de WHO wachten op evacuatie, behoeven zorg die alleen in landen als Nederland beschikbaar is?
Op basis van welke medische criteria en door wie wordt bepaald welke kinderen wél naar Jordanië en Egypte kunnen en welke kinderen mogelijk toch specialistische zorg nodig hebben die alleen in Europa beschikbaar is (bijv. bepaalde vormen van oncologische zorg, complexe reconstructieve chirurgie)?
Bent u bekend met de bevestiging van de Nederlandse kinderartsen dat zij beschikbare capaciteit in hun ziekenhuizen hebben om kinderen op te vangen, zonder verdringing van reguliere zorg?
Bent u ermee bekend dat Nederlandse artsen een uitgewerkte, Standard Operating Procedure hebben, waarin het hele zorgproces van kinderen inclusief begeleiding is vastgelegd, die in 2025 is gebruikt en uitgebreid geëvalueerd?
Acht u Nederlandse ziekenhuizen daarmee voldoende voorbereid op nieuwe medische evacuaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dan niet gekozen om Nederlandse ziekenhuizen in staat te blijven stellen om kinderen uit Gaza op te vangen?
Is uw doeltreffendheidsargumentatie, namelijk meer patiënten per euro in Jordanië dan in Europa, leidend? Of spelen ook overwegingen van politieke uitlegbaarheid en maatschappelijk draagvlak een rol bij het niet kiezen voor Nederland? Kunt u dit toelichten?
Sluit u uit dat het, indien blijkt dat de Jordaanse en Egyptische capaciteit ontoereikend is voor kinderen met de meest complexe zorgvragen, alsnog een aanvullend besluit neemt over evacuatie naar Nederland?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Informele Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling (van 8 en 9 oktober 2026) van 1 oktober 2026?
Het bericht ‘Vrouw (83) uren na noodoproepen op vloer uitgedroogd gevonden tussen zakken ontlasting: ‘Iedereen moet op non-actief’' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw (83) uren na noodoproepen op vloer uitgedroogd gevonden tussen zakken ontlasting: «Iedereen moet op non-actief»»?1
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze mevrouw, die meerdere keren per week zorg en ondersteuning kreeg van verschillende organisaties, uitgedroogd en in een ernstig vervuilde woning werd gevonden?
Aangezien de vrouw rond 10.00 uur en rond 12.00 uur op haar alarmknop drukte en beide meldingen zijn doorgestuurd naar de thuiszorg, terwijl zij pas rond 13.30 uur op de vloer werd aangetroffen, vindt u dit een aanvaardbare opvolging van een noodoproep? Welke normen of afspraken gelden voor de tijd waarbinnen op een persoonsalarm moet worden gereageerd?
Is u bekend dat de vrouw in het ziekenhuis werd opgenomen met onder meer een vochttekort, vitaminetekort en ernstig oedeem en dat zij volgens de familie vooral snacks en kant-en-klaarmaaltijden at, terwijl zij ondersteuning kreeg bij boodschappen en maaltijden? Hoe beoordeelt u dit en wordt bij kwetsbare ouderen voldoende gecontroleerd of de geboden ondersteuning ook daadwerkelijk leidt tot voldoende en passende voeding, en vochtinname?
Bent u ermee bekend dat de familie heeft aangegeven dat zij vier weken na de ziekenhuisopname nog steeds geen duidelijk beeld heeft gekregen van wat er rond de twee alarmmeldingen is gebeurd? Vindt u ook dat cliënten en hun vertegenwoordigers na een ernstige gebeurtenis snel en volledig duidelijkheid moeten krijgen over de feitelijke gang van zaken? Welke regels gelden hiervoor?
Deelt u de mening dat bij ernstige signalen over de veiligheid of mogelijke verwaarlozing van een thuiswonende oudere ook de vaste contactpersoon of gemachtigde tijdig moet worden geïnformeerd, voor zover de privacyregels dat toestaan? Is volgens u voldoende duidelijk wanneer zorgverleners hiertoe moeten overgaan?
Kunt u aangeven of deze casus bekend is bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en of de inspectie hierin aanleiding ziet voor onderzoek? Ziet u daarnaast aanleiding om breder te laten onderzoeken hoe de opvolging van persoonsalarmering en de regie bij thuiswonende mensen met dementie in de praktijk zijn georganiseerd?
Hoe gaat u voorkomen dat dit soort hartverscheurende situaties in de toekomst weer gebeuren?
Waarom acht u het verantwoord om door te gaan met de plannen voor het schrappen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo en het invoeren van een eigen bijdrage in de wijkverpleging, wetende dat daardoor nog minder mensen achter de voordeur zullen komen met alle gevolgen van dien, zoals escalatie van problemen, verwaarlozing en vereenzaming?
Het bericht ‘Al dagen dood in verpleeghuis’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Al dagen dood in verpleeghuis»?1
Wat vindt u ervan dat zorgmedewerkers twaalf dagen achter elkaar hebben gerapporteerd dat zij deze bewoonster niet hadden gezien, zonder dat iemand bij haar is gaan kijken?
Hoe kan het dat het dagenlang niet zien van een kwetsbare bewoner kennelijk geen aanleiding was om te controleren of het wel goed met haar ging?
Klopt het dat met deze bewoonster was afgesproken dat er dagelijks op twee momenten contact met haar zou zijn, onder meer voor haar medicatie en eten? Zo ja, hoe kan het dat het uitblijven van deze contactmomenten niet eerder tot actie heeft geleid?
Rivas Zorggroep stelt volgens het artikel dat medewerkers zo hebben gehandeld omdat mevrouw zorg meed. Welke verantwoordelijkheid heeft een zorginstelling wanneer een kwetsbare bewoner zorg mijdt? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot wat hier is gebeurd?
Zijn er landelijke regels of afspraken over wat medewerkers in een verpleeghuis moeten doen wanneer zij een bewoner meerdere dagen niet zien of geen contact met die bewoner kunnen krijgen? Zo ja, zijn die regels hier gevolgd?
Klopt het dat de kamer van mevrouw langere tijd niet was schoongemaakt als gevolg van gebrekkige communicatie tussen het schoonmaakbedrijf en de zorgorganisatie? Hoe kan zoiets binnen een verpleeghuis zo lang onopgemerkt blijven?
Hoe heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) deze melding beoordeeld en welke maatregelen heeft de IGJ naar aanleiding daarvan genomen?
Heeft de IGJ onderzocht of de problemen die hier naar voren komen, zoals het niet nakomen van afgesproken contactmomenten en gebrekkige overdracht en communicatie, ook bij andere bewoners van deze locatie spelen?
Heeft de IGJ de afgelopen jaren vaker meldingen ontvangen waarbij bewoners van een verpleeghuis pas dagen na hun overlijden werden aangetroffen? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat het?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bevindingen van de IGJ in deze zaak en over eventuele maatregelen die naar aanleiding hiervan zijn of worden genomen?
Twee meisjes die kerkasiel aanvragen en zeggen bang te zijn voor hun vader en de jeugdzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meisjes van 11 en 14 vragen kerkasiel aan «omdat we bang zijn voor onze vader en de jeugdzorg»» van Trouw van 20 september 2026?1
Wat vindt u ervan dat twee meisjes van 11 en 14 jaar weglopen, zeggen bang te zijn voor hun vader én de jeugdzorg, om kerkasiel vragen en vervolgens weer bij hun vader terechtkomen?
Wie heeft in deze zaak vastgesteld dat het voor deze meisjes veilig was om terug te keren naar hun vader en op basis waarvan is dat vastgesteld?
Deelt u de mening dat wanneer kinderen van 11 en 14 jaar weglopen en aangeven bang te zijn voor de ouder bij wie zij verblijven, dit een zeer serieus veiligheidssignaal is dat zorgvuldig moet worden onderzocht voordat zij worden teruggebracht? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat kinderen vrijuit hun verhaal kunnen doen wanneer zij aangeven óók bang te zijn voor de jeugdbescherming die bij hun situatie betrokken is? Wie komt er in zo’n situatie onafhankelijk voor deze kinderen op?
Kunt u aangeven in hoeveel gevallen SAVE de afgelopen vijf jaar betrokken is geweest bij situaties waarin een kind bij een ouder verbleef of werd geplaatst terwijl het kind nadrukkelijk aangaf daar niet te willen verblijven of geen contact met die ouder te willen? Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Klopt het dat SAVE bij ouder-kindcontactproblemen gebruik heeft gemaakt van kennis of expertise van professionals die werken vanuit ideeën over ouderverstoting? Zo ja, welke rol speelt deze kennis binnen de huidige werkwijze van SAVE en op welke wetenschappelijke onderbouwing is deze werkwijze gebaseerd?
Hoe wordt voorkomen dat signalen van mishandeling, misbruik of andere onveiligheid ten onrechte worden gezien als beïnvloeding door de andere ouder, met het risico dat een kind terechtkomt bij een ouder voor wie het zegt bang te zijn?
Hoe beoordeelt u deze nieuwe signalen in samenhang met de eerdere problemen rond SAVE, waaronder de plaatsingen van Nederlandse kinderen in Spanje waarbij de vereiste procedure niet in alle gevallen is gevolgd? Ziet u aanleiding om, naast het reeds aangekondigde onderzoek naar de buitenlandse plaatsingen, ook breder naar de werkwijze van SAVE te kijken?
Bent u bereid bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aandacht te vragen voor deze signalen en te bezien of nader toezicht op de werkwijze van SAVE nodig is, in het bijzonder waar het gaat om veiligheidssignalen en het horen van kinderen? Wilt u de Kamer hierover informeren?
Het bericht ‘Onderzoeksraad: 7000 kinderen in asielnoodopvang structureel verwaarloosd’ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoeksraad: 7000 kinderen in de asielnoodopvang structureel verwaarloosd?»1
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar dat kinderen in Nederland mogelijk permanente schade oplopen door een tekort aan opvangplekken? Zo nee, wat gaat u op korte termijn doen om dit te voorkomen?
Wat vindt u ervan dat Nederland zich niet houdt aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Kunt u toelichten binnen welke termijn kinderen uit de noodopvang kunnen worden gehaald en kunnen worden geplaatst in reguliere opvang bestemd voor kinderen? Welk doel stelt u uzelf om dit voor elkaar te krijgen?
Wat is er in de afgelopen twee jaar, sinds voorzitter van het Kinderrechtencollectief Marc Dullaert aan de bel trok, gebeurd om kinderen uit de noodopvang te krijgen?
Hoe staat het met de uitvoering van aangenomen motie Westerveld om geen nieuwe kinderen meer te plaatsen op (crisis)noodopvangplekken (Kamerstuk 19 637, nr. 3513)?
Kunt u toezeggen dat er op korte termijn een overzicht wordt gemaakt van alle onveilige plekken in noodopvanglocaties en deze worden verholpen om de veiligheidssituatie voor kinderen te verbeteren? Zo ja, binnen welke termijn wordt dit opgepakt?
Kunt u toezeggen het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid ook te betrekken bij de gesprekken met gemeenten die onder bestuurlijk toezicht staan om de noodzaak van het realiseren van reguliere opvang voor kinderen te benadrukken en hen expliciet te vragen om opvang voor kinderen en gezinnen te realiseren?
Kunt u aangeven wat de voortgang is van de uitvoering van de motie Podt over psychosociale ondersteuning voor kinderen in de noodopvang (Kamerstuk 19 637, nr. 2486)? Waarom is dit programma nog niet uitgerold en binnen welke termijn verwacht u dit alsnog te kunnen doen?
Kunt u toelichten hoeveel kinderen in de noodopvang op dit moment geen toegang hebben tot onderwijs? Kunt u toezeggen dat deze kinderen alsnog een vorm van (tussentijds) onderwijs krijgen om te voorkomen dat zij een achterstand oplopen?
Kunt u reageren op elk van de aanbevelingen uit het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, waarbij u in ieder geval aangeeft hoe u opvolging geeft aan de aanbevelingen?
Kunt u reflecteren op de constatering van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat er «robuust bestuur» nodig is om de veiligheid in de noodopvang te herstellen? Hoe bent u voornemens hier gehoor aan te geven?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het volgende debat over vreemdelingen- en asielbeleid?
Kwetsbare ouderen die maandenlang zonder verwarming zitten |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners bejaardenflat in de kou: zieke Jan (71) ligt elke nacht rillend in zijn bed»?1
Wat vindt u ervan dat bewoners van een seniorencomplex, onder wie zieke en slecht ter been zijnde ouderen, al maanden zonder werkende collectieve verwarming zitten en inmiddels aangeven daadwerkelijk kou te lijden?
Vindt u het vanuit het oogpunt van goede en veilige ouderenzorg verantwoord dat een 71-jarige man met de ziekte van Parkinson naar eigen zeggen ’s nachts rillend in bed ligt en uit bed moet om warm te worden? Zo ja, waarom?
Hoe verhoudt deze situatie zich volgens u tot het kabinetsbeleid om ouderen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen in een passende en veilige woonomgeving?
Vindt u dat bij langdurige uitval van een essentiële voorziening als verwarming in een seniorencomplex actief moet worden nagegaan welke bewoners vanwege ouderdom, ziekte of beperkte mobiliteit extra kwetsbaar zijn en onmiddellijk ondersteuning of een passende noodvoorziening nodig hebben?
Wat vindt u ervan dat bewoners volgens het artikel voor een elektrische noodkachel werden verwezen naar een vestiging van woningcorporatie Ymere in Weesp, ruim twintig kilometer verderop, terwijl het onder andere gaat om zieke en slecht ter been zijnde ouderen?
Vindt u het aanvaardbaar dat kwetsbare ouderen zelf achter een noodkachel moeten aangaan en vervolgens ook de extra elektriciteitskosten daarvan moeten dragen wanneer de collectieve verwarming langdurig buiten gebruik is?
Bent u bereid vanuit uw verantwoordelijkheid voor ouderenzorg en ouderenhuisvesting met uw collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te bezien wat in deze concrete situatie nodig is om te voorkomen dat kwetsbare ouderen in de kou blijven zitten?
Zijn er momenteel landelijke waarborgen die ervoor zorgen dat bij langdurige uitval van essentiële voorzieningen in seniorencomplexen kwetsbare bewoners tijdig in beeld komen en daadwerkelijk een bruikbare noodvoorziening krijgen? Zo ja, welke? Zo nee, acht u aanvullende afspraken noodzakelijk?
Hoe beoordeelt u het bericht «Vier ziekenhuizen en elf ggz-locaties in gebied met hoog risico op natuurbrand» van Skipr, en het onderliggende onderzoek «189 gebouwen met kwetsbare mensen in gebieden met hoog natuurbrandrisico» door Pointer (KRO-NRCV)?1 2
Liggen er voor elk van deze locaties noodscenario’s klaar die ook uitvoerbaar zijn als een natuurbrand zich snel uitbreidt en er weinig tijd is om kwetsbare mensen zoals patiënten/cliënten/leerlingen te evacueren?
Zijn er voor elk van deze locaties uitwijklocaties aangewezen en is daar in de regio genoeg plek en vervoer voor?
Welke maatregelen zijn getroffen om deze locaties in gebieden met hoog risico op natuurbrand ook te beschermen tegen een brand van buitenaf?
Klopt het dat de brandweer voor bescherming van deze locaties tegen brand van buitenaf alleen kan adviseren en geen maatregelen kan afdwingen zoals ze dat wel kan voor brandveiligheid binnen in de gebouwen? Zo ja, hoe beoordeelt u die situatie en bent u voornemens daar iets aan te doen?
Hoe neemt u het risico op natuurbranden in de buurt van zorginstellingen mee in de plannen rond het weerbaarder maken van de zorg?
Het bericht 'RIVM: tien nieuwe patiënten gemeld met het westnijlvirus' |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «RIVM: tien nieuwe patiënten gemeld met het westnijlvirus» van RTL Nieuws?1
Hoeveel besmettingen zijn er dit jaar in Nederland vastgesteld, uitgesplitst naar regio, leeftijd en ernst van ziektebeeld?
Is er reden om aan te nemen dat de infectie met het westnijlvirus heeft bijgedragen aan het overlijden van de patiënt die onlangs is overleden en geïnfecteerd is geraakt door het ontvangen van een besmet bloedproduct?
Zijn er naar aanleiding van dit overlijden extra maatregelen genomen om de veiligheid van bloedproducten te garanderen? Indien ja, welke?
Beschouwt u het stijgend aantal infecties met het westnijlvirus bij patiënten als een tijdelijk incident, of beschouwt u dit als een structurele vestiging van het westnijlvirus in Nederland?
Overweegt u een publiekscampagne op te zetten om mensen zo goed als redelijkerwijs mogelijk te informeren over wat mensen zelf kunnen doen om besmetting te voorkomen?
Welke (andere) maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat mensen in Nederland niet besmet raken met het westnijlvirus?
Is onze zorgketen voldoende in staat om symptomen te herkennen bij mensen die geïnfecteerd zijn met het westnijlvirus, en deze patiënten vervolgens te behandelen?
Ziet u raakvlakken met andere infectieziekten die potentieel overgedragen kunnen worden door muggen, en het risico dat deze infectieziekten zich structureel vestigen in Nederland? Zo ja, welke risico's brengen deze ziekten met zich mee en welke maatregelen neemt u om hier adequaat op voorbereid te zijn?
Wat kan Nederland leren van hoe het Caribisch deel van het Koninkrijk, maar ook andere (Europese) landen omgaan met de aanwezigheid en de dreigingen van het westnijlvirus of andere infectieziekten – aangezien het westnijlvirus relatief nieuw is in Europees Nederland, maar in andere (Europese) landen structureel is gevestigd?
Hoe haalt u best practices op uit andere landen die Nederland zouden kunnen helpen bij het bestrijden van het westnijlvirus?
Kunt u toezeggen de Kamer periodiek te informeren over de ontwikkelingen van het westnijlvirus en andere infectieziekten die door muggen of andere dieren worden overgedragen in Nederland, bijvoorbeeld via bestaande structurele rapportages?