Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Ja.
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Jeugdzorg Nederland rapporteert2 dat er 2216 pleegouders gestopt zijn in 2025.
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Er zijn diverse redenen waarom pleegouders stoppen.
Voorop staat dat een verschil bestaat tussen bestandspleegouders en netwerkpleegouders. Een deel van de pleegkinderen kan binnen het eigen netwerk opgevangen worden, bijvoorbeeld bij een familielid. In dat geval is sprake van netwerkpleegzorg. Het andere deel van pleegkinderen woont in een bestandpleeggezin, zij kennen de pleegouders nog niet voorafgaand aan de start van de plaatsing. We weten op basis van de Factsheet Pleegzorg 2025 dat meer dan helft van pleegouders die stopt (56%) netwerkpleegouder is. Bij netwerkpleegzorg geven de pleegouders zich vaker niet automatisch opnieuw op als pleegouder, wanneer het pleegkind uitstroomt. De motivatie om netwerkpleegouder te worden, verschilt daarin van de motivatie om bestandspleegouder te worden.
In 2019 hebben het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) onderzoek gedaan naar waarom pleegouders stoppen3. Er zijn positieve redenen waarom pleegouders stoppen, bijvoorbeeld als een pleegkind zelfstandig gaat wonen of weer terug gaat naar eigen ouders. Daarnaast zijn er voor pleegouders omstandigheden die ertoe leiden dat zij het besluit nemen om te stoppen: problemen met het zorgsysteem (waaronder de samenwerking met jeugdbescherming of pleegzorgbegeleiding), de impact op het eigen gezin, de problematiek van het pleegkind en een moeizame relatie met de ouders van het pleegkind.
In het eerdergenoemd onderzoek uit 2019 kwam naar voren dat gemiddeld genomen pleegouders voor 6 jaar pleegouder blijven.4 Ik wil – in lijn met de oproep van de NVP – aanvullend onderzoek laten doen naar waarom pleegouders stoppen en wat pleegouders juist helpt om door te gaan. Ik wil dit nieuwe onderzoek dit najaar starten, hierover voer ik momenteel voorbereidend overleg met de sector. Ik verwacht de resultaten voor de zomer van 2027 en zal de Kamer over de voortgang informeren
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Jaarlijks wordt het aantal wachtenden op pleegzorg door Jeugdzorg Nederland in kaart gebracht in de Factsheet Pleegzorg. De cijfers over 2026 worden voor de zomer van 2027 gepubliceerd. Jeugdzorg Nederland rapporteert5 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Voorop staat dat en passende plek prioriteit is bij plaatsing, omdat alleen op deze manier stabiliteit en duidelijkheid aan een pleegkind wordt gegeven.
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Verschillende maatschappelijke factoren en ontwikkelingen in de pleegzorg zijn hierop van invloed, het is lastig om een directe oorzaak aan te wijzen. Maatschappelijke factoren die invloed hebben zijn bijvoorbeeld de stijgende kosten van levensonderhoud en een onzekerdere wereld, de vergrijzing en toenemende vraag naar mantelzorg waardoor er minder vrijwilligers te vinden zijn – waaronder pleegouders. Het zorgen voor een pleegkind met een zware zorgvraag kost veel tijd. Pleegouders werken tegenwoordig vaak beiden, waardoor er minder tijd is om voor een pleegkind te zorgen dan vroeger.
Daarnaast is pleegzorg erg veranderd. De afgelopen jaren wordt steeds meer ingezet op kinderen tijdelijk bij pleegouders te plaatsen en weer terug naar huis te kunnen laten gaan. Langdurige, perspectief biedende plaatsingen die vroeger gebruikelijk waren, zijn minder de basis. Wanneer een plaatsing beëindigt doordat een kind vertrekt, zien we tegenwoordig vaak dat pleegouders zich niet meer opnieuw inzetten voor een nieuw kind. Bij netwerkplaatsingen zien we dit vooral, terwijl dit type plaatsingen steeds vaker voorkomt. Zie ook mijn antwoord onder 3. Aanvullend zetten we in de pleegzorg steeds meer in op gedeeld opvoederschap, met betrokkenheid van de eigen ouders. Dit vraagt van pleegouders dus meer dan «alleen een kind opvangen». Dit is soms anders dan pleegouders hadden verwacht of gehoopt dat pleegzorg zou zijn. Al deze ontwikkelingen en factoren zijn van invloed op het aantal pleeggezinnen.
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
Ik ben voornemens de campagne te verlengen t/m 2027. Met de sector ben ik ondertussen in gesprek over welke landelijke inzet op werving benodigd is voor 2028 en verder.
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
De huidige campagne van «Jouw huis een 2e thuis» wordt positief ontvangen. De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder. Aanvullend ben ik voornemens de campagne te verlengen t/m 2027 en ben ik met de sector in gesprek over 2028 en verder, zoals ook genoemd onder vraag 7.
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Pleegzorgbegeleiders bieden begeleiding en ondersteuning aan pleegouders. Aanvullend kunnen pleegouders terecht bij de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten zij erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
In mijn antwoord op vraag 7 ben ik ingegaan op de inzet op de werving van pleegouders. Voor het behoud van pleegouders is het versterken van de reguliere belgeleiding cruciaal, zie ook mijn antwoord onder 9. Hier zet ik met de sector op in. Aanvullend zal ik zoals eerder genoemd onderzoek doen waarom pleegouders stoppen (zie antwoord 4). Over de uitvoering van motie Hamstra zal ik de Kamer voor het WGO Jeugd van dit najaar nader informeren, zoals verzocht in de motie.
Het bericht ‘Tandartsen slaan alarm: 'We stevenen af op een mondzorginfarct' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandartsen slaan alarm: «We stevenen af op een mondzorginfarct»»?1
Ja.
Deelt u met de beroepsorganisatie van tandartsen, orthodontisten en kaakchirurgen (KNMT) de vrees voor een naderend mondzorginfarct? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS spreekt niet van een naderend mondzorginfarct. De beschikbaarheid van voldoende mondzorgprofessionals vraagt blijvend aandacht. Uit onderzoek van het Capaciteitsorgaan blijkt dat er over het geheel een tekort wordt ervaren door de beroepsgroep, maar dat er sprake is van regionale verschillen. De vacaturegraad loopt uiteen van 5% in Noord-Holland tot 22% in Friesland. Het totaal aantal gepubliceerde online vacatures is toegenomen, maar het aantal langdurig openstaande vacatures neemt iets af. De parameter onvervulde vraag is ingeschat op 2,5%, dat is 1 procentpunt hoger vergeleken met de raming in 2022. Het Capaciteitsorgaan heeft deze ontwikkelingen ook meegenomen in het advies voor de benodigde instroom in de opleiding Tandheelkunde die op 19 december 2025 is uitgebracht. De geadviseerde instroom van het Capaciteitsorgaan is gebaseerd op de verwachte tekorten op de lange termijn, om in 2043 evenwicht te bereiken tussen de vraag naar en aanbod van tandartsen. Op dit moment wordt het advies van het Capaciteitsorgaan over de benodigde opleidingscapaciteit door de Ministeries van VWS en OCW bestudeerd. We verwachten u daar uiterlijk voor het einde van dit jaar over te informeren.
De KNMT heeft n.a.v. de berichtgeving in het AD ook kenbaar gemaakt aan het Ministerie van VWS bereid te zijn om mee te denken in mogelijke oplossingen voor knelpunten in het mondzorglandschap.
Deelt u de observatie van de voorzitter van het KNMT dat er al vijftien jaar te weinig opgeleid is en dat met diverse rapporten niets is gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uitleggen wat de oorzaak is van deze nalatigheid?
De bekostiging van de opleiding Tandheelkunde loopt via de begroting van het Ministerie van OCW. De afgelopen jaren is het financieel niet mogelijk gebleken om de adviezen voor wat betreft de opleiding Tandheelkunde volledig over te nemen. Zo is na het eerdere voornemen van het kabinet Rutte IV – om een deel van de uitbreiding te bekostigen door het verkorten van de opleidingsduur van zes naar vijf jaar – besloten om de bestaande opleidingsduur van 6 jaar te handhaven. Mede gezien de sterke weerstand vanuit de betrokken instellingen. Dit betekende concreet dat het aantal opleidingsplaatsen werd verhoogd met 31 in plaats van 86. Daarmee komt het totale aantal opleidingsplaatsen vanaf studiejaar 2026–2027 op 290. Voor de volledige reactie verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart 20252. In de meest recente raming adviseert het Capaciteitsorgaan 386 opleidingsplaatsen (+96). Op dit moment wordt het advies van het Capaciteitsorgaan nog bestudeerd. We verwachten u daar uiterlijk voor het einde van dit jaar over te informeren.
Vindt u het ook onwenselijk dat inmiddels 25 procent van de hier werkzame tandartsen afkomstig is uit het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat vind ik niet onwenselijk. Het kabinet vindt het belangrijk dat voldoende tandartsen beschikbaar zijn om goede en toegankelijke mondzorg te kunnen bieden. Buitenlands gediplomeerde tandartsen die bekwaam en bevoegd zijn leveren hieraan een belangrijke bijdrage. Buitenlands gediplomeerde tandartsen moeten een erkennings- en toelatingsprocedure op grond van de Wet BIG doorlopen bij het CIBG. Alleen als opleidingseisen, (werk)ervaring en taalvaardigheid voldoen aan de gestelde eisen, kunnen zij als tandarts aan de slag in de Nederlandse (mond)zorg. Hiermee worden de kwaliteit en patiëntveiligheid van de individuele beroepsbeoefenaar geborgd.
Buitenlands gediplomeerde tandartsen vormen naar verhouding een steeds groter aandeel van het totaal aantal tandartsen met een actieve BIG-registratie. Uit cijfers van het CIBG3 blijkt dat zowel het aantal Nederlandse tandartsen toeneemt als het aantal buitenlands gediplomeerde tandartsen. De laatste groep stijgt echter verhoudingsgewijs meer waardoor het aandeel buitenlands gediplomeerde tandartsen groter wordt. Tegelijkertijd is diversiteit onder zorgverleners essentieel voor het bieden van de best mogelijke zorg aan alle patiënten in een diverse samenleving.4
Bent u bereid het advies van zowel het KNMT als het Capaciteitsorgaan te volgen en het aantal opleidingsplekken voor 2027 en verder met minimaal 100 te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt het advies voor tandheelkunde door mij en het Ministerie van OCW bestudeerd en wordt bezien of en in hoeverre het mogelijk is om deze adviezen over te nemen, mede in het licht van de additionele middelen die hiervoor nodig zijn, namelijk 27,1 mln structureel. Het Capaciteitsorgaan adviseert de instroom in de opleiding Tandheelkunde te verhogen (+96) naar 386 opleidingsplaatsen. Conform de toezegging aan de Tweede Kamer streven de Minister van OCW en ik er naar om uiterlijk voor het einde van dit jaar duidelijkheid te geven of en hoe we opvolging kunnen geven aan de ramingen voor deze opleidingen.
Deelt u de observatie van de voorzitter van het KNMT dat nieuwe zzp-regelgeving het pensioengerechtigde tandartsen moeilijker maakt langer door te werken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen om langer doorwerken wél aantrekkelijk te maken?
Nee, ik deel deze observatie niet. Het werken als en met zzp’ers is en blijft mogelijk, ook in de zorg, zolang de arbeidsrelatie met de zzp’ers niet kwalificeert als arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst, hangt af van de omstandigheden van het geval. Deze wetgeving is niet gewijzigd.
Senior-tandartsen die hun werkzaamheden voortzetten na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd zijn van hoge toegevoegde waarde om de effecten van het tandartsentekort te verminderen. Hun expertise en vakkennis zijn belangrijk voor de continuïteit van zorg, vooral in praktijken waar het lastig is om nieuwe medewerkers aan te trekken. Daarnaast kunnen jongere generaties tandheelkundigen vaak veel van deze senioren leren.
Om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden om zzp’ers in te huren in de zorg, kan de infographic over het inhuren van zzp in zorg en welzijn5 worden geraadpleegd. Met deze tool krijgen werknemers en werkgevers meer inzicht in hun rechtspositie. Ook op www.hetjuistecontract.nl is meer toelichting te vinden hierover. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan een nieuwe wet: de Zelfstandigenwet. De inbreng vanuit de diverse branches is besproken tijdens een stakeholdersessie met de zorg op 1 juli jl., en wordt meegenomen in de verdere uitwerking van deze wet. Het streven is deze wet per 1 januari 2028 in werking te laten treden.
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Ja.
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Door het dalende aantal pleegouders wachten veel kinderen op een passende plek in een pleeggezin. Wat deze wachttijd tot gevolg heeft, hangt af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. In het licht van het pleegoudertekort wil ik benoemen dat het van belang is om pleegkinderen alleen in een pleeggezin te plaatsen wanneer er voldoende vertrouwen bestaat dat een plaatsing succesvol zal zijn. Alleen zo bieden we pleegkinderen veiligheid, stabiliteit en zekerheid. Jeugdzorg Nederland zegt hierover het volgende2: «Het is meestal dat de match met een pleeggezin op zich laat wachten doordat de vraag niet direct of 1-op-1 aansluit bij het profiel van de beschikbare pleeggezinnen. Het grote tekort aan pleeggezinnen, en daarmee keuzemogelijkheden voor een juiste match is daarbij de voornaamste reden. Er wordt de laatste jaren ook meer ingezet op kindgericht werven, hierbij wordt in het eigen bredere netwerk van het kind gezocht naar een gezin dat iets kan en wil betekenen, dit vergt echter ook meer tijdsinvestering en kan er ook voor zorgen dat een kind langer op een geschikte plek in een pleeggezin moet wachten en er dus meer kinderen op de wachtlijst staan.»
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Jeugdzorg Nederland rapporteert3 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Wat het wachten op een pleeggezin tot gevolg heeft, hangt af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. Er kan daarbij andere hulp worden ingezet.
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Pleegzorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de werving van nieuwe pleegouders, zij zetten zich met man en macht in om voldoende pleegouders te werven. Ik ondersteun hen door de landelijke campagne «Jouw huis een 2e thuis» te financieren, welke ik voornemens ben te verlengen t/m 2027. Deze campagne slaat goed aan. De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet, de naleving van wetgeving en bewaakt de kwaliteit en de veiligheid van de jeugdhulp. Een onderzoek naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen behoort niet tot de rol van de IGJ.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ga opnieuw onderzoek laten doen naar de redenen waarom pleegouders stoppen en wat juist kan helpen om door te gaan, in opvolging van het onderzoek uit 2019 van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP).4 Samen met de sector bespreek ik hoe ik dit onderzoek het best kan vormgeven. Ik verwacht dat het onderzoek dit najaar van start kan gaan, ik zal de Kamer over de voortgang informeren.
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
Nee, dit wordt niet landelijk geregistreerd. Individuele pleegzorgaanbieders houden deze gegevens ook niet altijd bij, en als ze deze gegevens bijhouden doen zij dit elk op een eigen wijze.
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Ik herken het signaal dat het helaas niet altijd lukt om ondersteuning op het juiste moment of in de juiste vorm te bieden aan pleegouders. Het versterken van de begeleiding door pleegzorgwerkers staat hoog op de agenda van de pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, dat pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Eerdergenoemd onderzoek naar de redenen om te stoppen met pleegzorg zal ook aanknopingspunten geven om gerichter de begeleiding van pleegouders te verbeteren. Aanvullend worden pleegouders bijgestaan door de NVP en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Ook kunnen pleegouders in een Mockingbird constellatie onderlinge steun organiseren, dit wordt door steeds meer pleegzorgaanbieders aangeboden.
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Zoals in mijn antwoord onder 2 aangegeven, hangt de impact van het wachten op een pleeggezin af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. Er kan daarbij andere hulp worden ingezet. Mijn inzet om voldoende pleeggezinnen te werven heb ik toegelicht in mijn antwoord onder 4.
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Op basis van de trends die zichtbaar zijn moeten we constateren dat de huidige aanpak niet voldoende is om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen. Het tekort is tweeledig: er zijn te weinig nieuwe pleegouders en te veel bestaande pleegouders stoppen. Daarom is extra inzet benodigd in de werving van nieuwe pleegouders (zie mijn antwoord onder 4) en op het behoud van bestaande pleegouders (zie mijn antwoord onder 8). Het uitgangspunt om eerst te zoeken naar mogelijkheden voor pleegzorg binnen het netwerk is leidend. Vaak wordt dit gedaan door zogenaamd kindgericht werven, waarbij in overleg met het kind en zijn ouder(s) in hun directe en indirecte netwerk wordt gezocht naar een passend pleeggezin. Bij die gesprekken worden ook andere voor hen belangrijke mensen in de omgeving betrokken. Het realiseren van netwerkplaatsingen blijft complex. Netwerkpleegzorg vraagt intensieve begeleiding en voldoende draagkracht binnen het netwerk. Bovendien geven netwerkpleegouders zich vaker niet automatisch opnieuw op als pleegouder, wanneer het pleegkind uitstroomt. De motivatie om netwerkpleegouder te worden, verschilt daarin van de motivatie om bestandspleegouder te worden.
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Ja, maar ik weet dat dit in de praktijk erg ingewikkeld is om altijd te kunnen waarborgen. Ieder geval is anders. Soms is sprake van ontwikkelingsbedreiging voor het kind, maar is er geen acute onveiligheid. Soms is er acuut gevaar en moet het kind per direct op een veilige plek geplaatst worden. In beide situaties kan een kind op de wachtlijst staan voor pleegzorg. Het is aan de betrokken professionals om hier goede afweging en prioritering in te maken, waarbij ook de mogelijkheid is om een jeugdige (tijdelijk) in een andere zorgvorm te plaatsen.
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Met bovenstaande beantwoording voldoe ik aan uw verzoek.
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten gemiddeld duurder zijn om te realiseren dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer toegankelijkheidseisen.
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
De doelstelling van 290.000 ouderenwoningen bestaat uit nultredenwoningen, zorggeschikte en geclusterde woningen. Uit de Kamerbrief verstuurd op 6 juli blijkt dat er plannen zijn voor ongeveer 215.000 van de 290.000 woningen.1 De planvorming en bouw van nultredenwoningen ligt ruim op koers. Het klopt dat bij geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen de planvorming en realisatie achterblijft. Met de in bovenstaande Kamerbrief aangekondigde € 420 mln. die binnen de Realisatiestimulans beschikbaar is voor zorggeschikte en geclusterde woningen zet het kabinet vol in op schaalvergroting en versnelling van de bouw van geclusterde en zorggeschikte woningen.
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Nee, het klopt niet dat dit uitsluitend voor ouderenhuisvesting beschikbaar is. Voor de periode 2026 tot en met 2030 staat er € 758 mln. op de begrotingen van VWS en BZK voor het doen van betalingen voor zorggeschikte en geclusterde woningen. Voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) is in totaal € 294,6 mln. beschikbaar op ouderenhuisvesting. Hiervan is € 115,8 mln. al verplicht aan toegekende aanvragen. Voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) staat er nog € 43,8 mln. op de begroting van BZK voor ouderenhuisvesting, waarvan € 4 mln. al verplicht is aan toegekende aanvragen. Binnen de post opslagen onder de Realisatiestimulans is € 420 mln. beschikbaar voor zorggeschikte en geclusterde woningen voor ouderen en aandachtsgroepen.
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Het klopt dat er in de jaren 2026 t/m 2028 € 294,6 mln. op de begroting van VWS staat om goedgekeurde aanvragen te kunnen betalen. Per 1 juni 2026 is voor € 115,6 mln. aan aanvragen toegekend voor 7.866 zorggeschikte woningen. Dat is gemiddeld € 14.690 per zorggeschikte woning. Op basis van het gemiddelde bedrag per woning wordt met het budget van € 294,6 mln. bijgedragen aan de bouw van ongeveer 20.050 zorggeschikte woningen in de sociale huur.
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Niet alle 290.000 ouderenwoningen hebben financiële ondersteuning nodig3. De planvorming en realisatie van nultredenwoningen ligt op koers. Vanuit de SZGW wordt alleen financiële ondersteuning geboden bij zorggeschikte woningen met een sociale huurprijs, omdat meerkosten in dit segment niet of nauwelijks in de huurprijs kunnen worden terugverdiend. Dit gaat om 50% van de 41.000 zorggeschikte woningen. Voor de 94.000 geclusterde woningen in het betaalbare segment (ca. 75%) verwachten we dat ondersteuning gewenst is om tot realisatie van ontmoetingsruimten te komen. Zie verder antwoord 16.
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Het klopt dat er in totaal nog € 43,8 mln. voor de SOO op de begroting van BZK staat in de jaren 2027 en 2029. Dit betekent echter niet dat er in die jaren loketten open zijn. Tot 18 december 2026 staat de vierde tranche van de SOO open met een subsidieplafond van € 39,8 mln. Uitbetaling van 90% van het subsidiebedrag vindt in 2027 plaats. Uitbetaling van de resterende 10% vindt over de daaropvolgende jaren (uiterlijk 7 jaar) plaats op basis van oplevering. Met de resterende € 4 mln. wordt de resterende 10% van toegekende aanvragen uit eerdere tranches betaald.
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Hoeveel ontmoetingsruimten er maximaal kunnen worden gerealiseerd, is afhankelijk van de subsidiebedragen die worden aangevraagd. Dit is weer afhankelijk van de bouwkosten van de ontmoetingsruimte (met een maximum van € 2.500 per m2) en van het aantal woningen in de geclusterde woonvorm (tot een maximum van € 100.000 bij 5 t/m 20 woningen, € 150.000 euro bij 21 t/m 50 woningen en € 175.000 euro bij meer dan 50 woningen per aanvraag). In de eerste drie tranches (2022 t/m 2025) zijn hiermee aanvragen toegekend voor 531 ontmoetingsruimten bij naar schatting 29.000 geclusterde woningen voor ca. 73 miljoen euro5. Een deel van deze aanvragen (41) is later ingetrokken.
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Er is reeds subsidie toegekend aan aanvragen voor 531 ontmoetingsruimten bij naar schatting 29.000 geclusterde woningen. Op basis van de eerdere tranches, schat ik in dat met de beschikbare bedragen in 2026 aanvragen te kunnen toekennen voor ca. 290 ontmoetingsruimten in ca. 16.000 geclusterde woningen. Binnen de extra € 420 miljoen die beschikbaar is gesteld verwacht ik alle resterende ontmoetingsruimten in geclusterde woningen te kunnen financieren binnen de doelstelling voor 290.000 ouderenwoningen.
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Met de SOO wordt bijgedragen aan de bouwkosten van een ontmoetingsruimte. Een voorwaarde hierbij is dat de aanvrager voorziet in activiteiten en een exploitatieplan voor minimaal 5 jaar. De bewoners mogen daarbij ook zelf in de exploitatie van de ruimte voorzien. Vanuit de SOO zijn geen middelen beschikbaar voor de structurele personele bezetting of begeleiding van ontmoetingsruimten. Ook onder het vorige kabinet waren hiervoor geen middelen beschikbaar. Wel was binnen de envelop ouderenzorg een deel van de middelen voorzien voor het stimuleren van gemeenschapsvorming in woonvormen voor ouderen. De nadere invulling en uitwerking daarvan waren onder het vorige kabinet nog niet afgerond. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderzoekt of financiële ondersteuning geboden kan worden aan gemeenschapsvorming.
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Dit is bij de start van de eerste tranche van deze regeling (2022) niet onderzocht. Het doel van deze regeling is om meer ontmoetingsruimten in geclusterde woonvormen voor ouderen te realiseren, en richt zich op de investeringskosten van het vastgoed. In sommige gevallen kan inzet op begeleiding of beheer van de ontmoetingsruimte gewenst zijn, en kan dit leiden tot structurele uitgaven. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderzoekt of financiële ondersteuning geboden kan worden aan gemeenschapsvorming.
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Voor de Realisatiestimulans is in totaal ca. € 2,5 mld. euro beschikbaar gesteld in 2026 t/m 2030. Daarbinnen is een opslag van € 420 mln. beschikbaar in de jaren 2028, 2029 en 2030 voor geclusterde en zorggeschikte woningen.
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Ja, dat klopt. Binnen de Realisatiestimulans is een opslag van € 420 mln. opgenomen voor zorggeschikte en geclusterde woningen. Deze middelen zijn beschikbaar voor de realisatie van deze woningtypes, die inzetbaar zijn voor zowel ouderen als aandachtsgroepen en niet specifiek bestemd per doelgroep. Het gaat om de aandachtsgroepen die vermeld staan in het besluit Versterking regie volkshuisvesting.
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Nee, dit klopt niet. De vaste bijdrage van € 7.000 uit de Realisatiestimulans geldt voor iedere betaalbare woning waarvan de bouw is gestart. Het gaat daarbij om andere activiteiten waaraan een bijdrage wordt verleend om woningen betaalbaar te houden. Met de € 420 mln. voor zorggeschikte en geclusterde woningen is een extra bijdrage voorzien om tegemoet te komen in de specifieke meerkosten van deze woningen, zoals de ontmoetingsruimte en het rolstoelgeschikt maken van de woning. Dit budget staat onder een post opslagen onder de budgetpost Realisatiestimulans. De bijdrage van € 420 mln. is aanvullend ten opzichte van de reeds beschikbare middelen uit de SZGW en de SOO.
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
De opslag van € 420 mln. binnen de Realisatiestimulans voor zorggeschikte en geclusterde woningen staat op de begroting van BZK tot en met 2030. Ik werk momenteel uit via welke regelingen deze middelen worden besteed. Op de bestemming van de genoemde 7 miljard heb ik u reeds antwoord gegeven bij beantwoording van uw vragen van 9 juni 2026.
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Zoals ik in mijn antwoorden op de vragen van lid Keijzer van 9 juni 2026 al heb aangegeven dient het bedrag van € 7 miljard voor woningbouw nog verdeeld te worden.
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Mijn verwachting is dat de doelstelling voor geclusterde en zorggeschikte woningen haalbaar is met de extra stimulans van € 420 mln. Ik werk momenteel uit via welke regelingen de beschikbare middelen worden ingezet en welke bedragen daarbij horen. Dit kan leiden tot bijstellingen in de berekeningen. Ik kan daarom nu geen exacte raming geven. Bij de uitwerking van de regelingen voor geclusterde en zorggeschikte woningen zal ik inzicht geven in hoeveel geclusterde en zorggeschikte woningen met de beschikbare middelen kunnen worden gerealiseerd. Daarbij zal ik uw Kamer een inschatting geven van de verdeling tussen ouderen en aandachtsgroepen. Ik verwacht uw Kamer te informeren over de regelingen in het najaar.
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Zie het antwoord op vraag 16.
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Dat is niet juist. Dit kabinet zet de komende jaren juist € 420 miljoen extra in om de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen verder te stimuleren.
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Ik zie de noodzaak om voldoende financiële ondersteuning te bieden om 290.000 ouderenwoningen te realiseren. Zie verder de antwoorden op vragen 16 en 21.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
In de bijlage wordt een overzicht gegeven van de middelen die beschikbaar zijn voor budgetposten SZGW, SOO en onder de Realisatiestimulans. Daarnaast had het kabinet Schoof oorspronkelijk € 600 mln. gereserveerd voor de verbetering van de kwaliteit van de ouderenzorg (envelop ouderenzorg), waaronder de moderne verzorgingshuizen. Hiervan resteerde ten tijde van het vorige kabinet nog € 470 mln. (zie vraag 22). Deze middelen zijn naar de algemene middelen gegaan en als zodanig betrokken bij het uitwerken van het huidige coalitieakkoord. Over de middelen voor de kwaliteit van de ouderenzorg – inclusief huisvesting voor ouderen – van het vorige kabinet heeft geen besluitvorming plaatsgevonden. De middelen onder de Realisatiestimulans zijn wel direct bestemd voor huisvesting. Daarmee zijn nu meer middelen beschikbaar in het kader van de huisvesting.
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen 9, 10 en 12 van uw vragen van 9 juni 2026. De middelen die onder het vorige kabinet waren gereserveerd voor de kwaliteit van de ouderenzorg konden ook worden ingezet voor de moderne verzorgingshuizen. Uit het onderzoek van PWC bleek dat bij de terugkeer van moderne verzorgingshuizen vooral kosten zouden ontstaan met betrekking tot het bijbehorende zorg- en welzijnsconcept, door een aanzienlijke toename van de zorginzet. Het huidige kabinet betrekt de doelgroep van de moderne verzorgingshuizen bij het actualiseren van de woningbouwopgave en onderzoekt of de ondersteuning van gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende afspraken bij het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). Voor de bouw van geclusterde en zorggeschikte woningen zijn middelen beschikbaar via de SOO, de SZGW en onder de post opslagen bij de Realisatiestimulans.
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
In de beantwoording van de feitelijke Kamervragen over de Miljoenennota 2026 (vraag 47) is gedetailleerd beschreven op welke wijze de middelen uit de envelop ouderenzorg zijn aangewend. Een deel van de middelen uit de envelop ouderenzorg uit het coalitieakkoord Rutte IV is tijdelijk ingezet voor de afspraken in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg. Het vorige kabinet heeft € 150 mln. ingezet voor dekking van problematiek op de Rijksbegroting. De resterende middelen zijn vervolgens in het coalitieakkoord «Aan de slag» komen te vervallen. In de bijlage is de vrijgevallen reeks voor ouderenzorg weergegeven.
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Ik verwacht geen vertraging op de realisatie van de bouwopgave door het stopzetten van het plan van de moderne verzorgingshuizen. Er lagen immers al woondealafspraken over de 290.000 ouderenwoningen. Er heeft een verkenning plaatsgevonden door PwC over mogelijke terugkeer van de verzorgingstehuizen. Er zijn geen verdere afspraken gemaakt over de inzet van de envelop ouderenzorg. Er zijn dus ook geen wijzigingen aangebracht in de bouwprogrammering. De woonbehoefte van de doelgroep voor moderne verzorgingshuizen wordt meegenomen in het actualisatieproces van de bouwopgave in de woondeals. Door de beschikbaarheid van onder meer de realisatiestimulans acht ik het nog steeds realistisch om vast te houden aan doelstelling van 290.000 ouderenwoningen.
Het bericht ‘Zorgondernemer met strafblad gaat 'gewoon' door met opvang kwetsbare cliënten’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Zorgondernemer met strafblad gaat gewoon door met opvang kwetsbare cliënten»? Deelt u de woede dat kwetsbare mensen kennelijk opnieuw worden toevertrouwd aan een zorgondernemer over wie zulke ernstige signalen bestaan?1
Hoe is het mogelijk dat Zorg en Research na beëindiging van de contracten door Menzis wegens fraudesignalen alsnog via een andere aanbieder doorgaat? Welke instanties wisten hiervan, wanneer wisten zij dit en wie heeft daadwerkelijk ingegrepen?
Hoeveel zorggeld moet er nog in de zakken van fraudeurs verdwijnen voordat u daadwerkelijk ingrijpt? Waarom krijgen zorgcriminelen alle ruimte en blijven uw beloften over een harde aanpak zonder resultaat?
Erkent u dat ieder onnodig verloren zorgmiljoen ook het gevolg is van falend overheidsoptreden? Hoe verantwoordt u dat patiënten moeten wachten op zorg, terwijl u de fraude niet weet te stoppen?
Vindt u het zelf nog geloofwaardig om daadkracht te beloven terwijl zorgondernemers na ernstige fraudesignalen kennelijk gewoon via een andere aanbieder verder kunnen?
Wanneer stopt u met praten en gaat u zorgfraudeurs daadwerkelijk aanpakken, gestolen zorggeld terughalen en malafide bestuurders uit de zorg weren? Welke concrete resultaten levert u dit jaar?
Het artikel 'Wim (80) dreigt dakloos te worden én moet 10.000 euro betalen' |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van dit fragment van 13 oktober en zo ja wat vindt u hiervan?1
Hoe reflecteert u in dit licht op uw besluit van 3 juli om het plan voor wonen in vakantiehuisjes, dat een oplossing zou bieden aan ongeveer 60.000 bewoners, te schrappen? Is dit volgens u nog steeds de juiste beslissing? Bent u bereid uw besluit te heroverwegen?
Welke stappen heeft u gezet om het plan van uw voorganger om permanente bewoning voor een periode te legaliseren, die volgens u onuitvoerbaar zou zijn, uitvoerbaar te maken?
Hoe gaat het, kijkend naar deze casus, volgens u zelf met de afspraken met gemeenten dat mensen die al in een vakantiehuisje wonen daar mogen blijven?
Is volgens u de inhoud van Kamerbrieven staand beleid? Zo ja hoe reflecteert u, kijkend naar deze casus, op de zin «In beginsel geldt dat de gemeente ervoor zorgt dat permanente bewoners van recreatiewoningen nooit zomaar op straat komen te staan: de menselijke maat is het uitgangspunt»? Is deze casus de menselijke maat die u voor ogen heeft (Kamerstuk 32 847, nr. 1497)? Zo, nee waarom niet en wat gaat u er aan doen?
Is er volgens u in deze casus sprake van een permanente bewoner die moet worden beschermd? Zo ja waarom wordt deze bewoner dan alsnog zijn woning uit gezet en waar moet meneer heen?
Waar kunnen ouderen, zoals Wim, volgens u naar toe, kijkend naar uw uitspraak dat «jongeren gelukkig nog bij hun ouders kunnen wonen»?
Welke maatregelen treft u om dit soort schrijnende situaties in de toekomst te voorkomen, bent u bereid de Instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen alsnog uit te voeren?
Kan u nogmaals via de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) een oproep doen aan gemeenten om niet te handhaven? Zo ja kan u de Kamer een afschrift hiervan sturen?
Bent u bereid om in deze beantwoording expliciet gemeente Berkelland erop aan te spreken niet te handhaven? Zo ja wat gaat u zeggen? Zo nee waarom niet?
Ziet u uw beleid, wat bestaat uit onder andere het schrappen van de Instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen, nog als succesvol?
Hoeveel asielzoekers, ontheemden en geëvacueerden wonen momenteel op vakantieparken, in recreatiewoningen en/of hotels terwijl het Omgevingsplan of de huisvestingsregelgeving dat niet toestaan? Voor zover u die cijfers zelf niet heeft, wilt u deze vragen aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ministeries en of overheden die deze cijfers wel hebben? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting' |
|
Bart Bikkers (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting»?1
Wat vindt u ervan dat middelen van Preventie met Gezag (PmG) terechtkomt bij een organisatie die betrokken is bij witwaspraktijken?
Hoeveel middelen vanuit PmG via de gemeente Amsterdam zijn terechtgekomen bij de alliantie ONE Jongerenwerk en de daarin deelnemende stichtingen? Zo ja, om welke bedragen gaat het?
Welke eisen stelt het Rijk aan gemeenten die PmG-middelen doorverstrekken aan stichtingen en andere uitvoeringsorganisaties, als het gaat om de integriteit van de ontvanger? Is een integriteitstoets, zoals een Bibob-toets, daarbij een voorwaarde? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat bijna alle gemeenten subsidies in hun Bibob-beleid hebben opgenomen, maar dat het instrument bij subsidies in de praktijk weinig wordt ingezet en dat vooralsnog geen enkele verleende subsidie naar aanleiding van een Bibob-onderzoek is ingetrokken?
Bent u bereid om, samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), te bevorderen dat gemeenten bij meerjarige subsidies boven een bepaald drempelbedrag aan organisaties die werken met kwetsbare of risicojongeren standaard een Bibob-toets uitvoeren? Bent u bereid dit als voorwaarde te verbinden aan de besteding van PmG-middelen?
Op welk detailniveau ontvangt u verantwoordingsinformatie over PmG: alleen op programmaniveau, of ook per interventie en per uitvoerende organisatie en bent u van mening dat u voldoende zicht heeft op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de middelen die worden besteed via PmG?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk om PmG-middelen terug te vorderen of te korten wanneer blijkt dat deze onrechtmatig, in strijd met de doelstellingen zijn besteed of waarvan de doelmatigheid niet kan worden vastgesteld?
In hoeverre voldoen de interventies die de gemeente Amsterdam met PmG-middelen financiert aan het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit?
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te voorkomen dat PmG-middelen worden ingezet bij witwasconstructies?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het tweeminutendebat Jeugdcriminaliteit beantwoorden?
Herindicaties en de continuïteit van medische kindzorg |
|
Eveline Tijmstra (CDA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Ontvangt u ook signalen dat zorgverzekeraars bij kinderen die intensieve verpleegkundige zorg ontvangen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) aandringen op een aanvraag voor de Wet langdurige zorg (Wlz), ook wanneer het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) eerder geen Wlz-indicatie heeft afgegeven?
Deelt u de mening dat ouders van ernstig zieke kinderen hun tijd en energie moeten kunnen besteden aan hun kind, in plaats van telkens te moeten bewijzen dat noodzakelijke zorg nog steeds nodig is of vast te lopen door gedoe met instanties over wie deze zorg betaalt? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen?
Deelt u de mening dat het voor ouders die laaggeletterd zijn, een licht verstandelijke beperking hebben of de Nederlandse taal minder goed beheersen, niet te doen is om alle regels en instanties te kennen? Hoe zorgt u ervoor dat de kinderen van deze ouders ook de zorg krijgen die nodig is?
Welke verantwoordelijkheid heeft een zorgverzekeraar wanneer deze van mening is dat een kind onder de Wlz zou moeten vallen, terwijl het CIZ geen Wlz-indicatie heeft afgegeven? Kan uitsluitend dit verschil van inzicht aanleiding zijn om noodzakelijke Zvw-zorg te weigeren, te verminderen of niet te verlengen? Kunt u de juridische grondslag van uw antwoord toelichten?
Onder welke omstandigheden mag een zorgverzekeraar na een eerdere afwijzing door het CIZ opnieuw aandringen op een Wlz-aanvraag? Welke nieuwe feiten of veranderingen in de zorgbehoefte moeten daarvoor aanwezig zijn en wie beoordeelt dit?
Hoe wordt bij deze beoordeling onderscheid gemaakt tussen een intensieve verpleegkundige zorgbehoefte in een geneeskundige context en een zorgbehoefte die toegang geeft tot de Wlz? Hoe worden de ouders, indicerend kinderverpleegkundige en hoofdbehandelaar hierbij betrokken?
Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheden over het toepasselijke wettelijke kader, beoordeling of geschillen over een Wlz-aanvraag, leiden tot een onderbreking van de zorg? Wie is verantwoordelijk voor het voorkomen van een onderbreking?
Hoeveel signalen over dergelijke geschillen zijn de afgelopen twee jaar ontvangen door uw ministerie, Het Juiste Loket en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)? Hoe vaak ging dit gepaard met vertraging, vermindering of onderbreking van zorg? Bent u bereid dit uit te zoeken wanneer deze gegevens ontbreken?
Hoe geeft u voor kinderen met een chronische ziekte of blijvende beperking uitvoering aan door ons eerder ingediende moties en de afspraak uit het coalitieakkoord dat zij hun aandoening niet telkens opnieuw hoeven aan te tonen? Welke maatregelen gelden daarbij voor medische kindzorg vanuit de Zvw, zowel bij zorg in natura als bij een persoonsgebonden budget (pgb)?
Deelt u de mening dat het evalueren van de ontwikkeling en actuele zorgbehoefte van een kind iets anders is dan het opnieuw moeten aantonen dat een aandoening blijvend is? Hoe wordt dit onderscheid in het herindicatieproces toegepast?
Hoe verhoudt het slechts bij uitzondering toestaan van tweejarige indicaties en toekenningen zich tot de aangenomen motie-Mohandis/Werner1 en motie-Beckerman c.s.2 die vragen om indicaties van minstens twee jaar als standaard en de aangenomen motie-Westerveld/Krul3 die vraagt om het uitgangspunt dat in alle zorgwetten langjarige indicaties worden afgegeven. Bent u bereid de uitvoering hiervan opnieuw te bezien in het licht van het coalitieakkoord? Bent u bereid een vereenvoudigde verlenging mogelijk te maken wanneer de indicerend kinderverpleegkundige en het gezin vaststellen dat de zorgbehoefte niet wezenlijk is veranderd?
Hoeveel kinderen hebben sinds de landelijke afspraak uit juli 2025 een tweejarige Zvw-pgb-toekenning gekregen, uitgesplitst naar zorgverzekeraar? Hoe wordt gecontroleerd of alle verzekeraars deze mogelijkheid daadwerkelijk toepassen en ouders hierover informeren?
Wat is de stand van zaken van de aangekondigde opname van deze afspraak in de Bestuurlijke afspraken Zvw-pgb en van de evaluatie van de Handreiking Indicatieproces Kindzorg en de Toolbox? Welke verbeteringen zijn doorgevoerd in de betrokkenheid van de hoofdbehandelaar?
Hoe wordt nagegaan of bij herindicaties bestaande informatie wordt hergebruikt en medische documentatie door de indicerend verpleegkundige wordt opgevraagd, zoals eerder afgesproken? Hoe voorkomt u dat ouders alsnog telkens dezelfde stukken moeten verzamelen en aanleveren?
Welke eisen gelden voor de zorginhoudelijke onderbouwing wanneer een zorgverzekeraar afwijkt van de verpleegkundige indicatie of een lager budget toekent? Hoe wordt gezorgd dat ouders een schriftelijke uitleg ontvangen in begrijpelijke taal? Hoe wordt gezorgd dat er overleg is met de indicerend kinderverpleegkundige voordat noodzakelijke zorg wordt verminderd?
Welke laagdrempelige, onafhankelijke ondersteuning krijgen gezinnen bij een geschil over een herindicatie of de afbakening tussen de Zvw en Wlz? Wie neemt de regie wanneer bestaande ondersteuningsroutes geen tijdige oplossing bieden en de zorgcontinuïteit in gevaar komt?
Hoe voorkomt u dat vertraging of vermindering van professionele zorg ertoe leidt dat ouders noodgedwongen extra verpleegkundige zorg overnemen, minder gaan werken of overbelast raken? Hoe wordt bij herindicaties rekening gehouden met de draagkracht van het gehele gezin, waaronder eventuele broers en zussen?
Bent u bereid de knelpunten bij herindicaties en de afbakening tussen Zvw en Wlz expliciet mee te nemen in de toekomstvisie op integrale medische kindzorg waarom de aangenomen motie-Westerveld c.s. vraagt?4 Wanneer ontvangt de Kamer deze visie en welke concrete verbeteringen kunnen gezinnen al eerder verwachten?
Het bericht dat bewoners van verzorgingshuis Tamarinde in de kou zitten met dikke luiers en vet haar |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bewoners van verzorgingshuis Tamarinde in de kou zitten met dikke luiers en vet haar?1
Hoe reageert u op de reactie van de vakbonden op deze problemen?2
Hoe kan het gebeuren dat ouderen een jaar lang niet gedoucht worden, zonder dat er wordt ingegrepen?
Waarom is er op basis van de meldingen niet ingegrepen door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Deelt u de mening dat er een link is tussen de misstanden die hier bestaan en het afbraakbeleid dat door de afgelopen kabinetten en het huidige kabinet op de ouderenzorg is gevoerd?
Deelt u de mening dat het aantrekkelijker moet worden gemaakt om als vaste kracht te werken in de ouderenzorg, door in ieder geval fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden te bieden?
Het bericht 'Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. ‘Als van uitstel maar geen afstel komt’' |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. «Als van uitstel maar geen afstel komt»» en wat is uw reactie daarop?1
Deelt u de mening dat zeven maanden wachttijd voor zwemles te lang is? Zo ja, wat is volgens u een acceptabele wachttijd? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u aan tegen de vrees van de Nationale Raad Zwemveiligheid dat de diploma-ongelijkheid verder toeneemt?
Hoe gaat u voorkomen dat de portemonnee van de ouders van de kinderen gaat bepalen hoe lang deze kinderen moeten wachten voordat ze op zwemles kunnen?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn gesloten?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn geopend?
Hoe kijkt u aan tegen de dalende trend in het aantal vierkante meters zwembad met het oog op deze lange wachttijden?
Bent u van mening dat de Aanpak wachtlijsten zwemles en landelijk dekkend aanbod2 heeft gewerkt, gezien het feit dat er nog steeds zulke lange wachttijden zijn?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voordat het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Sport op 2 november 2026 plaatsvindt?
Het bericht ‘Bijna 300 mensen op zwarte lijst van ziekenhuizen door agressie tegen zorgpersoneel’ |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 300 mensen op zwarte lijst van ziekenhuizen door agressie tegen zorgpersoneel»?1
In welke mate herkent u het signaal dat er een toename is van «zowel het aantal meldingen als de ernst van de incidenten»?
In welke mate herkent u het signaal dat patiënten en andere ziekenhuisbezoekers veeleisender worden, waarbij zij «een kort lontje hebben, snel geëmotioneerd reageren als hun verwachtingen niet uitkomen»?
Ziekenhuis Rijnstate in Arnhem stelt in het artikel dat de polarisatie in de maatschappij van invloed is op het toenemende huftergedrag richting zorgpersoneel, hoe kijkt u hier tegenaan en welke oplossing(en) ziet u hiervoor?
Wat is de invloed van personeelstekorten op agressie in de zorg? Ziet u een verband tussen de werkdruk van personeel en agressie van patiënten of bezoekers?
Het Zuyderland Ziekenhuis geeft in het artikel aan dat (het toenemende) huftergedrag jegens zorgprofessionals een reden is voor hen om te stoppen met hun werk, in welke mate denkt u dat dit een representatief beeld is voor de hele sector?
De Patiëntenfederatie geeft in het artikel aan dat betere communicatie kan helpen in het verminderen van spanningen bij patiënten, bent u van mening dat communicatievoorzieningen van ziekenhuizen tekortschieten?
Veel ziekenhuizen geven agressietrainingen aan hun medewerkers, dit zou hen moeten helpen om situaties te de-escaleren, hoe kijkt u hier tegenaan en welke andere maatregelen ziet u om zorgprofessionals te ondersteunen?
Ziekenhuis Rijnstate merkt op dat aangiftes van agressie in de zorg worden geseponeerd omdat de politie capaciteitsproblemen heeft, hoe kijkt u hiernaar? Ziet u alternatieve mogelijkheden om passende gevolgen voor zorgdelinquenten te realiseren zonder aangifteprocedure? Zo ja, welke?
Hoe kijkt u naar een landelijke zwarte lijst waar ziekenhuizen agressieve patiënten kunnen aanmelden zodat ziekenhuizen maatregelen kunnen treffen bij bekende hufter-patiënten?
De stijging van verplichte zorg in de ggz |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cijfers dwang in de ggz opnieuw gestegen» en de onderliggende cijfers van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?1
Hoe beoordeelt u het feit dat het geregistreerde aantal ggz-cliënten dat te maken kreeg met verplichte zorg is gestegen van 13.022 in 2024 naar 13.722 in 2025, een stijging van ongeveer 5 procent?2, 3
In hoeverre kan deze stijging volgens u worden verklaard door een daadwerkelijke toename van verplichte zorg en in hoeverre door betere registratie? Kunt u dit zo veel mogelijk kwantificeren?
Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal cliënten dat sinds de inwerkingtreding van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) met verplichte zorg te maken heeft gekregen, uitgesplitst per jaar en naar vorm van verplichte zorg?
Hoe beoordeelt u dat zorgprofessionals tegenover de IGJ aangeven dat personeelstekorten, instabiele teams en hoge werkdruk kunnen leiden tot gevoelens van onveiligheid bij zorgverleners, waardoor sneller tot insluiting kan worden overgegaan?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat personeelsproblemen ertoe leiden dat patiënten eerder of vaker worden ingesloten?
Klopt het dat een landelijke registratie van het feitelijke aantal separeerverblijven en Extra Beveiligde Kamers (EBK’s) ontbreekt? Waarom bestaat deze landelijke registratie nog steeds niet?
Hoe kunt u beoordelen of het beleid om separeerverblijven en insluitingen in EBK’s af te bouwen daadwerkelijk succesvol is als niet landelijk bekend is hoeveel van deze ruimtes er zijn?
Kunt u verklaren waarom het aantal geregistreerde toepassingen van een EBK is gestegen van 2.529 in 2024 naar 2.893 in 2025, terwijl wordt ingezet op het terugdringen van insluiting?
Kunt u aangeven hoeveel van de 12.111 geregistreerde toepassingen van insluiting in 2025 daadwerkelijk eenzame opsluiting betroffen? Zo nee, waarom wordt dit niet geregistreerd?
Wanneer wordt de aangekondigde nulmeting naar het aantal klassieke separeercellen uitgevoerd en wanneer ontvangt de Kamer de resultaten?
Welke concrete en meetbare doelstellingen hanteert u voor het verminderen van insluiting en andere vormen van verplichte zorg in de ggz en op welke termijn moeten deze worden bereikt?
Hoeveel middelen heeft de rijksoverheid de afgelopen vijf jaar beschikbaar gesteld voor het terugdringen van dwang en insluiting in de ggz en welke aantoonbare resultaten zijn daarmee bereikt?
De IGJ geeft aan dat de gepubliceerde trendanalyse niet alle zorgaanbieders omvat, bent u bereid ervoor te zorgen dat er een volledig en landelijk vergelijkbaar beeld komt van de toepassing van verplichte zorg, insluiting, separatie en het gebruik van EBK’s?
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de ontwikkeling van verplichte zorg in de ggz, uitgesplitst naar de verschillende vormen daarvan, waaronder afzonderlijk insluiting in een separeerverblijf en een EBK?
De vergoeding van diabetessensoren |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Diabetessensor nodig, maar niet vergoed: wat als je nét buiten de criteria valt?»1
Klopt het dat de vergoedingscriteria voor een glucosesensor die gekoppeld is aan een insulinepomp grotendeels dateren uit 2017? Zo ja, wanneer zijn deze criteria voor het laatst geëvalueerd?
Hoe beoordeelt u het signaal dat mensen met diabetes type 1 deze technologie regelmatig niet vergoed krijgen, omdat zij net buiten de huidige vergoedingscriteria vallen, terwijl hun behandelaar vindt dat zij die nodig hebben?
Hoe kijkt u naar de oproep van diabetesverpleegkundigen en patiëntenorganisaties om bij de beoordeling naast glucosewaarden ook de dagelijkse ziektelast en de kwaliteit van leven mee te wegen?
Hoeveel mensen met diabetes vallen buiten de huidige criteria, terwijl hun behandelaar vindt dat zij medisch baat hebben bij deze technologie? Hoe verhoudt dit zich tot de schatting van Diabetesvereniging Nederland van zo’n 10.000 mensen, en bent u bereid dit nader in kaart te brengen?
Hoe kijkt u ertegenaan dat zorgverzekeraars verwijzen naar de criteria van het Zorginstituut, terwijl het Zorginstituut aangeeft hierin niet aan zet te zijn? Wie is volgens u verantwoordelijk voor het actualiseren van deze criteria?
Hoe past het tijdig inzetten van deze technologie, die complicaties en zorgkosten kan voorkomen, binnen uw inzet op passende zorg?
Bent u bereid zorgverzekeraars, behandelaars en patiëntenorganisaties bij elkaar te brengen om de criteria te laten aansluiten bij de stand van de wetenschap en praktijk, en zo nodig het Zorginstituut om een herbeoordeling te vragen?
De mogelijke gezondheidsrisico’s voor omwonenden van Chemelot |
|
Dion Huidekooper (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Chemelot: de schoorsteen moet roken» over de uitstoot van schadelijke stoffen door Chemelot en de mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden?1
Klopt het dat van slechts een beperkt aantal zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) metingen in de leefomgeving beschikbaar zijn en dat deze metingen bovendien maar op één locatie plaatsvinden? Acht u de huidige meetinfrastructuur toereikend om een representatief beeld te krijgen van de werkelijke blootstelling van omwonenden?
Hoeveel door Chemelot uitgestoten ZZS worden op dit moment níét structureel gemeten in de leefomgeving? Bent u bereid ervoor te zorgen dat er op meerdere locaties en op een breder pallet aan ZZS wordt gemeten?
Hoe controleren de Inspectie Leefomgeving & Transport (ILT) en Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) of de gerapporteerde uitstoot van Chemelot overeenkomt met de daadwerkelijke uitstoot uit de installaties op het Chemelot-terrein? Ziet u aanleiding om meer direct bij de bron te meten?
Klopt het dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) waarschuwt voor een mogelijk verhoogd gezondheidsrisico door de combinatie van verschillende ZZS, ook wanneer deze stoffen afzonderlijk onder de wettelijke normen blijven? Wat betekent deze conclusie volgens u voor de risico’s die omwonenden lopen?
Hoe wordt op dit moment bij vergunningverlening rond Chemelot rekening gehouden met de gecombineerde uitstoot van verschillende ZZS?
Welke mogelijkheden heeft de provincie Limburg volgens u om uit voorzorg vergunningen aan te scherpen of aanvullende eisen te stellen vanwege mogelijke risico’s van de gecombineerde uitstoot van ZZS?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de leefomgeving en volksgezondheid om ervoor te zorgen dat bij de vergunningverlening rond Chemelot voldoende rekening wordt gehouden met deze gecombineerde uitstoot? En welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf?
Hoe beoordeelt u de verschillende opvattingen van het RIVM en de provincie Limburg over de betekenis van de mogelijke risico’s van gecombineerde blootstelling? Deelt u de opvatting dat juist meer metingen nodig zijn om duidelijkheid te krijgen over de daadwerkelijke risico’s voor omwonenden?
Hoe wordt bij besluitvorming over Chemelot de economische betekenis van het industriecomplex afgewogen tegen de bescherming van milieu en de gezondheid van omwonenden? Hoe wordt daarbij geborgd dat economische belangen niet ten koste gaan van de gezondheid van omwonenden?
Kunt u verklaren waarom rond bijvoorbeeld Tata Steel uitgebreid gezondheidsonderzoek plaatsvindt, terwijl het RIVM ook rond Chemelot constateert dat belangrijke kennis ontbreekt en aanvullend onderzoek en metingen adviseert?
Hoe zorgt u ervoor dat de gezondheid van omwonenden van grote industriële complexen in alle regio’s van Nederland voldoende aandacht krijgt en dat Limburg hierin niet achterblijft?
Bent u bereid om samen met de provincie Limburg, het RIVM en de RUD Zuid-Limburg tot een plan van aanpak te komen voor aanvullende metingen en vervolgonderzoek rond Chemelot, en dit plan per Kamerbrief aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Mishandeling van kinderen in sanatoria en het ontbreken van erkenning voor hun leed |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht uit De Gelderlander «Eigen braaksel eten, urenlang onder wollen dekens in de brandende zon: leed sanatoriumkinderen blijkt onbekend»?1 over de duizenden kinderen die met onder meer tuberculose die in sanatoria zijn ondergebracht?
Kunt u zich voorstellen dat kinderen die deze ervaringen hebben, daar de rest van hun leven onder hebben geleden? Is bekend hoeveel kinderen, die inmiddels volwassen zijn of niet meer leven, vernederende straffen en ander leed hebben doorgemaakt in sanatoria?
Deelt u de mening dat deze verhalen en het boek Sanatoriumkind van Inge Mutsaers vragen om erkenning en nader onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Welke informatie is bij de overheid bekend over lichamelijk, psychisch en seksueel geweld en emotionele verwaarlozing van kinderen in Nederlandse sanatoria? Zijn hierover eerder meldingen ontvangen of onderzoeken verricht? Zo ja, wat is daarmee gedaan? Is de behandeling van deze kinderen ooit eerder onderwerp geweest in Kamerdebatten, of in het publieke debat?
Welke verantwoordelijkheid hadden de overheid en de toenmalige inspectiediensten voor de veiligheid van kinderen in sanatoria? Welke informatie is nog beschikbaar over het toezicht, eventuele klachten en het optreden naar aanleiding daarvan?
In hoeverre zijn ervaringen van voormalige sanatoriumkinderen betrokken bij eerdere onderzoeken naar geweld en misbruik in instellingen, waaronder de onderzoeken van de commissies-Deetman, -Samson en -De Winter? Kunt u per onderzoek toelichten of deze kinderen binnen de onderzoeksopdracht vielen en of hun ervaringen daadwerkelijk zijn onderzocht?
Deelt u de mening dat de aard van de instelling waarin een kind verbleef niet mag bepalen of vergelijkbare ervaringen van geweld en vernedering worden onderzocht en erkend? Hoe voorkomt u dat voormalige sanatoriumkinderen tussen de afbakeningen van eerdere onderzoeken en erkenningsregelingen blijven vallen?
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met voormalige sanatoriumkinderen, hun vertegenwoordigers en onderzoekers om hun ervaringen en behoeften in kaart te brengen? Hoe zorgt u ervoor dat ook mensen worden bereikt die hun ervaringen tot nu toe niet hebben durven delen of nooit die gelegenheid hebben gehad?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek mogelijk te maken naar geweld, misbruik en verwaarlozing van kinderen in sanatoria, met aandacht voor de rol van instellingen, religieuze organisaties en de overheid? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat getuigenissen en archiefmateriaal verloren gaan, gezien de hoge leeftijd van veel betrokkenen? Bent u bereid vooruitlopend op eventueel onderzoek te bevorderen dat getuigenissen zorgvuldig worden vastgelegd en relevante archieven worden veiliggesteld?
Welke mogelijkheden hebben voormalige sanatoriumkinderen om hun eigen dossiers en relevante instellingsarchieven terug te vinden en in te zien? Welke ondersteuning kunt u bieden wanneer een instelling is opgeheven, dossiers ontbreken of onduidelijk is wie de archieven beheert?
Kunnen voormalige sanatoriumkinderen aanspraak maken op eerdere regelingen voor erkenning of financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld en misbruik in instellingen? Zo ja, onder welke voorwaarden? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken welke vorm van erkenning en tegemoetkoming voor deze groep passend is?
Bent u ervan op de hoogte dat uw ambtsvoorganger eerder in antwoord op schriftelijke vragen over de mishandeling van een jongere in een jeugdzorginstelling benadrukte dat de erkenningsmaatregelen naar aanleiding van de commissie-De Winter ook bedoeld zijn voor slachtoffers van wie de individuele zaak inmiddels is verjaard?2 Deelt u deze mening? Zo ja, deelt u de mening dat dit ook consequenties heeft voor de overheid als het gaat over kinderen die zijn mishandeld, maar niet onder de onderzoeksopdracht vielen van commissies Samson, Deetman of De Winter?
Welke lessen uit de evaluatie van de erkenningsmaatregelen naar aanleiding van de commissie-De Winter zijn relevant voor voormalige sanatoriumkinderen, in het bijzonder waar het gaat om mensen die door de afbakening buiten een regeling vallen? Hoe betrekt u daarbij de aangenomen motie-Westerveld over het meenemen van de lessen uit het traject-De Winter en de mening van ervaringsdeskundigen en nabestaanden in het plan voor erkenning en herstel?3
Waar kunnen voormalige sanatoriumkinderen op dit moment terecht voor lotgenotencontact, ondersteuning en zo nodig gespecialiseerde psychologische hulp? Bent u bereid om samen met hen de behoeften in kaart te brengen?
Bent u bereid de betrokkenen te vragen of en zo ja, aan welke vormen van publieke erkenning zij behoefte hebben en passend zijn, zoals excuses of het zichtbaar maken van deze geschiedenis? Kunt u daarbij zorgen dat hun wensen daarbij leidend zijn en dat erkenning ook wordt verbonden aan concrete ondersteuning?
Zorgplafonds en de wachttijden in de ggz |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Pointer over de invloed van door zorgverzekeraars opgelegde zorgplafonds op de wachttijden in de GGZ?1 Deelt u de mening dat dit niet de eerste keer is dat wordt gewezen op deze relatie?
wat vindt u ervan dat bij vier op de tien onderzochte ggz-aanbieders de zorgverzekeraar mede bepaalt hoe lang iemand moet wachten? Wat vindt u ervan dat bijna een kwart van de aanbieders gedurende de onderzoeksperiode een patiëntenstop had voor verzekerden door een zorgplafond, terwijl verzekerden van andere zorgverzekeraars daar nog wel terechtkonden?
Vindt u het net als PRO onacceptabel dat mensen met precies dezelfde zorgvraag bij dezelfde aanbieder verschillende wachttijden hebben, enkel omdat zij bij een andere zorgverzekeraar verzekerd zijn? Zo nee, hoe legt u dit dan uit?
Hoe verhouden de bevindingen van Pointer zich tot de woorden van uw ambtsvoorganger die stelde dat omzetplafonds bijdragen aan doelmatigheid van zorg? Hoe verhouden de bevindingen van Pointer zich met de woorden «Ook is het niet zo dat er onderscheid is in het recht op zorg bij verschillende zorgverzekeraars»?2 Dit valt toch niet met elkaar te rijmen? Bent u bereid het standpunt van het kabinet op basis van deze nieuwe bevindingen te herzien?
Deelt u de analyse dat niet de personele capaciteit maar de financiering de feitelijke toegang tot zorg beperkt, bij aanbieders die wel capaciteit beschikbaar hebben, maar vanwege een omzetplafond geen nieuwe patiënten meer mogen aannemen? Hoe legt u dit uit aan mensen die op de wachtlijst belanden en aan behandelaren?
Hoe beoordeelt u het risico dat zorgverzekeraars omzetplafonds inzetten om verzekerden die relatief veel of dure ggz-zorg nodig hebben indirect te ontmoedigen, waardoor volgens DSW feitelijk sprake kan zijn van risicoselectie? Welke rol speelt de risicoverevening hierin? Welke maatregelen neemt u om dit soort prikkels weg te nemen?
Is een wachttijd van negen maanden door een bereikt omzetplafond volgens u verenigbaar met de wettelijke zorgplicht van een zorgverzekeraar en de Treeknormen? Zo ja, kunt u juridisch onderbouwen waarom? Zo nee, wie moet in zo’n situatie ingrijpen?
Hoe verklaart u het feit dat mensen maanden moeten wachten terwijl er behandelcapaciteit beschikbaar is, met de woorden van uw ambtsvoorganger dat zorgverzekeraars, als zorgbemiddeling niet leidt tot een tijdig en passend alternatief, bij de oorspronkelijke aanbieder moet bijcontracteren?3
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord is afgesproken om proactieve zorgbemiddeling te realiseren, hoeveel zorgverzekeraars bieden dit inmiddels daadwerkelijk aan, hoeveel wachtenden zijn daarmee benaderd en hoeveel mensen hebben hierdoor binnen de Treeknorm passende zorg gekregen?
Delt u de mening dat zorgbemiddeling alleen een oplossing is wanneer het alternatief inhoudelijk passend, tijdig bereikbaar en uitvoerbaar is voor de patiënt, en niet wanneer iemand met bijvoorbeeld autisme of complexe problematiek opnieuw naar een aanbieder wordt verwezen die deze zorg niet levert? Hoe wordt de kwaliteit en passendheid van zorgbemiddeling vanuit het perspectief van patiënten getoetst?
Wat is uw reactie op het signaal dat de informatie over patiëntenstops en wachttijden op websites van aanbieders soms niet klopt? Wie is verantwoordelijk voor de juistheid van deze informatie en hoe houdt de NZa hierop toezicht?
Bent u bereid om patiëntenstops als gevolg van omzetplafonds centraal en actueel inzichtelijk te maken, uitgesplitst naar zorgverzekeraar, aanbieder, regio en type ggz-zorg, zodat patiënten, verwijzers, de NZa en de Kamer kunnen zien waar beschikbare behandelcapaciteit om financiële redenen niet wordt benut?
Gaat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) naar aanleiding van de bevindingen van Pointer onderzoek doen naar de naleving van de zorgplicht door de genoemde zorgverzekeraars? Zo nee, bent u bereid de NZa te vragen dit te doen?
Hoeveel keer heeft de NZa in de afgelopen vijf jaar vastgesteld dat een zorgverzekeraar door een te laag omzetplafond of onvoldoende bijcontractering niet aan zijn zorgplicht voor de GGZ voldeed? Welke aanwijzingen, lasten onder dwangsom of boetes zijn daarbij opgelegd?
Hoe vaak hebben ggz-aanbieders in 2025 en 2026 per zorgverzekeraar om ophoging van hun omzetplafond gevraagd? Hoeveel van deze verzoeken zijn geheel of gedeeltelijk toegewezen, hoeveel zijn afgewezen en binnen welke gemiddelde termijn werd hierover beslist?
Welke inhoudelijke criteria gebruiken zorgverzekeraars bij het beoordelen van een verzoek om bijcontractering of ophoging van een omzetplafond? Hoe wordt voorkomen dat een administratief geschil tussen aanbieder en verzekeraar wordt afgewenteld op een patiënt die dringend zorg nodig heeft?
Waarom heeft u aangenomen moties die verzoeken het gebruik van omzetplafonds in de ggz te verbieden, nog niet uitgevoerd?4 Wanneer kan de Kamer de concrete uitvoering verwachten?
Bent u in afwachting van een definitieve stelselwijziging bereid omzetplafonds in ieder geval niet toe te staan wanneer een aanbieder aantoonbaar behandelcapaciteit heeft, er geen tijdig alternatief is en de Treeknorm wordt overschreden? Zo nee, waarom laat u een financieel instrument dan zwaarder wegen dan het recht op tijdige zorg?
Kunt u deze vragen vóór het einde van het overstapseizoen en de afronding van de zorginkoop voor 2027 beantwoorden, zodat mensen bij de keuze voor een zorgverzekering weten welke gevolgen het gebruik van omzetplafonds kan hebben voor hun toegang tot ggz-zorg?
Mantelzorgers die op straat dreigen te belanden |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Eindhovens Dagblad waarin valt te lezen dat iemand die al jaren voor haar ongeneeslijk zieke moeder zorgt op straat dreigt te komen op het moment dat haar moeder komt te overlijden?1
Deelt u de mening, kijkende naar wat de betreffende persoon allemaal doet voor haar moeder met betrekking tot mantelzorg er onmiskenbaar sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onverklaarbaar is hoe de genoemde woningcorporatie zich heeft opgesteld met betrekking tot de vraag van de betreffende persoon om als medehuurder op het huurcontract te komen, kijkende naar al haar mantelzorgactiviteiten de afgelopen jaren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat mantelzorgers een onmisbare rol vervullen in de Nederlandse samenleving en dat dergelijke schrijnende casussen een negatieve invloed kunnen hebben op het aantal mensen dat mantelzorgactiviteiten wil ondernemen met alle gevolgen van dien? Zo nee, waarom niet?
Heeft u een beeld van hoe vaak schrijnende zaken zich voordoen in Nederland inzake naasten die op straat dreigen te komen na het overlijden van de hoofdhuurder en wat bent u bereid met relevante partners te ondernemen om dergelijke zaken zoveel mogelijk te voorkomen? Mocht u geen beeld hebben van de geschetste problematiek, bent u dan bereid zo snel mogelijk een diepgravend onderzoek in te stellen?
Deelt u de mening dat woningcorporaties en gemeenten zich altijd coulant dienen op te stellen in dergelijke casussen, niet alleen inzake de tijdsduur die mensen hebben om een nieuwe huurwoning te vinden, maar ook door het zo actief mogelijk begeleiden van mensen naar een nieuwe huurwoning (maatwerk) en mantelzorgers niet af te rekenen als zij niet in hun eigen huurwoning kunnen wonen door verblijf bij bijvoorbeeld ouders voor mantelzorgactiviteiten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening, in het verlengde van vraag zes, dat het uitgangspunt altijd zou moeten zijn, dat als naasten (die samenwoonden met een overleden hoofdhuurder) niet binnen de beschikbare termijn een nieuwe huurwoning weten te vinden, er nooit kan worden overgegaan in het op straat zetten van deze mensen?
Deelt u de mening dat het een ongelooflijke schande zou zijn en volslagen onverkoopbaar aan de samenleving als naasten die bijvoorbeeld jaren voor hun ongeneeslijk zieke ouders zorgen op straat komen te staan, terwijl statushouders voorrang krijgen op huurwoningen?
Bent u bekend met het bericht «Amsterdam moet proef met vervanging voor crack stoppen, maar Inspectie legt niet uit waarom» en wat is daarop uw reactie?1
Kunt u toelichten waarom de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de productie van het middel dexamfetamine plots heeft stilgelegd?
Welke stappen gaat u zetten om deze of soortgelijke proeven zo snel mogelijk (weer) plaats te laten vinden met als doel crackgebruikers te helpen?
Hoe kijkt u tegen dit besluit aan in het licht van de toenemende gebruikers en problemen in de grote steden door crackgebruik?
Hoe is de IGJ tot dit besluit gekomen terwijl burgermeesters en wethouders expliciet vragen om deze pilot?
Heeft u alternatieven om de crackcrisis tegen te gaan?
Kunt u, gelet op de urgentie, deze vragen voor 15 oktober a.s. beantwoorden?
De bescherming van minderjarigen tegen plegers van seksuele misdrijven |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waaruit blijkt dat iemand die is veroordeeld wegens seksueel misbruik van minderjarigen, ondanks een opgelegd beroepsverbod, gedurende het hoger beroep beroepsmatig met minderjarigen kan blijven werken?1
Deelt u de zorgen dat deze casus een bredere kwetsbaarheid blootlegt, namelijk de bescherming van minderjarigen, omdat iemand na een veroordeling wegens een seksueel misdrijf tegen minderjarigen nog steeds beroepsmatig toegang tot hen kan houden zolang de veroordeling niet onherroepelijk is?
Welke wettelijke mogelijkheden heeft een rechter op dit moment om na een veroordeling in eerste aanleg onmiddellijk te voorkomen dat iemand die is veroordeeld wegens een seksueel misdrijf tegen een minderjarige, in afwachting van hoger beroep beroepsmatig met minderjarigen blijft werken?
Ziet u hierin een leemte in de huidige wetgeving, waaronder de Wet seksuele misdrijven en de regels rond beroepsverboden? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of een beroepsverbod ter bescherming van minderjarigen onder strikte voorwaarden direct uitvoerbaar moet kunnen worden verklaard, met behoud van de nodige rechtsbescherming?
Klopt het dat voor dansdocenten geen wettelijke VOG-plicht geldt en zij ook niet onder een systeem van continue screening vallen? Vindt u deze situatie verantwoord voor een beroep waarin volwassenen intensief en soms één-op-één met minderjarigen werken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken voor welke beroepen en sectoren waarin volwassenen structureel met minderjarigen werken geen VOG-plicht of continue screening geldt, en of aanvullende wettelijke waarborgen voor deze beroepen noodzakelijk zijn?
Klopt het dat de Opvolgingscommissie Dansen in januari 2026 in hun rapport concludeerde dat voor 28 van de 33 aanbevelingen uit Schaduwdansen (2023) nog aanvullende maatregelen nodig waren? Zo ja, hoe beoordeelt u dan tegen die achtergrond de voortgang bij het structureel veiliger maken van de danssector?
Hoeveel publiek geld is sinds de verschijning van Schaduwdansen besteed aan de Alliantie Dans Veilig en andere maatregelen gericht op sociale veiligheid in de danssector en welke concrete en meetbare verbeteringen als het gaat om de bescherming van (minderjarige) dansers zijn met deze middelen gerealiseerd? Kunt u dit uitgebreid beantwoorden?
Kunt u specifiek aangeven hoeveel dansaanbieders inmiddels aantoonbaar werken met concrete veiligheidswaarborgen, zoals een VOG, gedragscode, onafhankelijk meldpunt en adequate opvolging van signalen en welk aandeel dit vormt van de totale danssector? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat, ondanks jarenlange aandacht, rapporten en publieke financiering, structurele waarborgen zoals een algemene VOG-plicht, continue screening en een sluitend systeem om personen die een risico vormen voor minderjarigen uit de sector te weren nog altijd ontbreken?
Welke concrete wettelijke en andere maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de overheid en de sector zelf preventief en structureel bescherming organiseren?
De sluiting van Huize Soria in Spanje en de veiligheid van Nederlandse kinderen |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Valenciaanse overheid Huize Soria in Aspe heeft bevolen de activiteiten onmiddellijk te beëindigen omdat de instelling zonder de vereiste vergunning opereerde?1
Bent u bekend met het project Adios Holanda en de relatie met Huize Soria? Kunt u de geschiedenis van beide namen, de betrokken rechtspersonen en bestuurders en eventuele wijzigingen daarin uiteenzetten, in ieder geval vanaf 2016 en waar relevant ook daarvoor?2
Hoeveel Nederlandse kinderen verbleven bij Huize Soria toen dit besluit werd genomen? Waar bevinden zij zich nu en wie controleert ter plaatse of zij veilig zijn?
Bent u bereid deze kinderen met spoed naar Nederland terug te halen en voor ieder kind passende opvang en aansluitende hulp te organiseren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Welke Nederlandse gemeenten, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen hebben kinderen bij Huize Soria geplaatst? Wie had vóór plaatsing moeten controleren of de vereiste vergunning aanwezig was en waarom is dit niet gebeurd?
Wanneer ontvingen uw ministerie, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de betrokken plaatsende instanties de eerste signalen over mogelijke misstanden bij Huize Soria of het project Adios Holanda? Welke concrete maatregelen zijn vervolgens genomen?
Zijn na deze eerste signalen nog kinderen bij Huize Soria geplaatst of bestaande plaatsingen verlengd? Zo ja, door wie en op welke gronden?
Beschikt u over het onderzoeksrapport waarin volgens het bericht signalen staan over voedselbeperkingen, fysieke fixatie, bestraffing en beperkingen van privécontact met familie of voogden? Bent u bereid dit rapport, zo nodig geanonimiseerd, aan de Kamer te verstrekken?
Hoe zorgt u ervoor dat huidige en voormalige bewoners onafhankelijk worden gehoord, zonder aanwezigheid van medewerkers van Huize Soria, en zo nodig medische zorg, traumabehandeling en ondersteuning bij het doen van aangifte krijgen?
Hoeveel Nederlands publiek geld is aan plaatsingen bij Huize Soria en het project Adios Holanda besteed, uitgesplitst per jaar en betalende instantie? Bent u bereid te laten onderzoeken of betalingen kunnen worden stopgezet en middelen kunnen worden teruggevorderd?
Bent u bereid onafhankelijk te laten onderzoeken wie verantwoordelijk is voor het plaatsen en laten verblijven van kinderen bij een instelling zonder de vereiste vergunning, en welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden? Neemt u daarbij ook de volledige voorgeschiedenis onder de naam Adios Holanda en eventuele andere handelsnamen of rechtspersonen mee?
Bent u bereid onmiddellijk te controleren of andere buitenlandse instellingen waar Nederlandse kinderen verblijven over de vereiste vergunningen beschikken en daadwerkelijk onder toezicht staan? Wat doet u wanneer de veiligheid van kinderen daar onvoldoende kan worden gegarandeerd?
Wilt u bij de beantwoording over eerdere plaatsingen, signalen, toezicht, financiering en nazorg expliciet ook het project Adios Holanda betrekken, in ieder geval vanaf 2016 en waar relevant ook daarvoor, en uw onderzoek niet beperken tot de huidige naam Huize Soria?
Kunt u de vragen over de huidige verblijfplaats, veiligheid en terugkeer van de kinderen binnen 48 uur beantwoorden en de overige vragen afzonderlijk zo spoedig mogelijk?
De vergoeding van psychosociale hulphonden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hulphond Zingo moet al na 6,5 jaar met pensioen, maar Kaj kan hem niet missen: «Hij gaf mij een doel in het leven»»?1
Bent u het met ons eens dat het verhaal van Kaj van Diemen, die door zijn hulphond Zingo zelfstandiger kan leven, minder snel overprikkeld raakt, op tijd zijn medicijnen inneemt en zich veiliger door het verkeer beweegt, staat voor de situatie van veel meer mensen? Erkent u ook dat een psychosociale hulphond mensen met een specifieke hulpvraag soms letterlijk hun leven teruggeeft?
Ziet u ook dat er sinds de vorige Kamervragen van de indiener in 2022, alleen maar meer onderzoek is gekomen waaruit blijkt dat psychosociale hulphonden fors kunnen bijdragen aan mentaal welzijn, zelfstandigheid en levenskwaliteit? Bent u bijvoorbeeld bekend met het langdurige onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen naar de inzet van hulphonden waarnaar in het artikel wordt verwezen?
Wat is de stand van zaken van de in 2022 aangekondigde landelijke afspraken over de definitie van een assistentiehond, de certificering van hondenscholen, de conformiteitsbeoordeling en het toezicht op de opleiding van assistentiehonden? Welke onderdelen zijn inmiddels gerealiseerd en welke nog niet?
Op welke manier zijn de resultaten van de diverse onderzoeken en het project «Met een hond kan ik het leven aan», meegenomen in het beleid rondom mentale gezondheid? Worden de richtlijnen voor gemeenten en zorgverzekeraars over vergoedingen ook overal geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om zich hiervoor in te zetten?2
Erkent u dat de inzet van hulphonden in voorkomende gevallen juist kostenbesparend is, omdat mensen zelfredzamer en zowel fysiek als mentaal gezonder worden?
Begrijpt u het dat er onbegrip is over het feit dat mensen met PTSS door hun werk bij Defensie of de politie wel voor specifieke vergoedingen of voorzieningen in aanmerking komen, terwijl mensen die door een andere oorzaak PTSS hebben opgelopen vaak afhankelijk zijn van de keuze van de gemeente waar ze wonen? Vindt u het, los van de juridische financieringsgrondslag, uitlegbaar dat twee mensen met vergelijkbare beperkingen en dezelfde behoefte aan ondersteuning verschillend worden behandeld vanwege de oorzaak van hun PTSS?3
Hoe verhoudt dit onderscheid zich volgens u tot het VN-verdrag Handicap, waarin de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte en de mogelijkheid om zelfstandig aan de samenleving deel te nemen centraal staan? Deelt u de mening dat niet de oorzaak van een beperking, maar de gevolgen daarvan en de individuele ondersteuningsbehoefte leidend zouden moeten zijn?
Hoeveel aanvragen voor psychosociale hulphonden zijn in de jaren 2022 tot en met 2026 bij gemeenten ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015?
Hoeveel aanvragen zijn geheel of gedeeltelijk toegekend en hoeveel zijn afgewezen? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar gemeente en reden voor afwijzing?
Zijn er inmiddels wel gegevens beschikbaar over het aantal assistentiehonden dat wordt verstrekt? Zo nee, hoe kunt u zonder deze informatie beoordelen of mensen met een vergelijkbare ondersteuningsbehoefte in verschillende gemeenten gelijkwaardig worden behandeld?
Klopt het beeld uit het artikel dat gemeenten geen gezamenlijk beoordelingsprotocol hanteren en dat de kans op vergoeding daardoor sterk afhankelijk kan zijn van de gemeente waarin iemand woont? Zo ja, acht u deze postcodeafhankelijkheid wenselijk? Zo nee, hoe zit het dan wel?
Bent u bereid om samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, ervaringsdeskundigen, gemeenten en deskundigen, zoals betrokken bij het project «Met een hond kan ik het leven aan», tot een landelijk afwegingskader te komen voor aanvragen van psychosociale hulphonden, waarbij de individuele ondersteuningsbehoefte en de bijdrage aan zelfredzaamheid en participatie centraal staan?4
Hoe wordt erop toegezien dat gemeenten uitvoering geven aan het standpunt van uw ambtsvoorganger uit 2024 dat zij een assistentiehond in de regel moeten toekennen wanneer uit zorgvuldig Wmo-onderzoek blijkt dat deze voor de inwoner de enige passende oplossing is, en aanvragen niet bij voorbaat afwijzen met een algemene verwijzing naar het ontbreken van voldoende wetenschappelijk bewijs?5
Hoe voorkomt u dat mensen eerst een langdurige bezwaar- en beroepsprocedure moeten voeren om een passende maatwerkvoorziening af te dwingen, terwijl zij juist vanwege hun beperking vaak niet de energie, financiële middelen of ondersteuning hebben om zo’n procedure te doorlopen?
Worden bij het beoordelen van de kosteneffectiviteit ook mogelijke besparingen op ambulante begeleiding, ggz-behandeling, crisiszorg, opname, mantelzorg en Wmo-ondersteuning betrokken, evenals de maatschappelijke opbrengsten van meer zelfstandigheid, participatie en deelname aan onderwijs of werk? Zo nee, waarom niet?
Welke ondersteuning is beschikbaar voor mensen van wie de huidige hulphond vanwege ouderdom of ziekte moet stoppen, maar die geen vergoeding kunnen krijgen voor een opvolgende hond? Hoe voorkomt u dat zij hierdoor hun zelfstandigheid verliezen of opnieuw afhankelijk worden van intensievere en mogelijk duurdere zorg en ondersteuning?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat mensen voor een noodzakelijke voorziening van € 25.000 tot € 35.000 afhankelijk zijn van crowdfunding, fondsen of donaties, waardoor financiële draagkracht en het vermogen om een succesvolle inzamelingsactie te organiseren mede bepalen wie zelfstandig kan blijven leven? Welke concrete stappen gaat u zetten om deze willekeur te verminderen?
Het kabinetsbesluit ten aanzien van medische evacuaties uit Gaza |
|
Suzanne Kröger (PRO), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het pakket van € 12 miljoen wordt vrijgemaakt? Uit welke begrotingspost komen deze gelden? Komen deze gelden nog in 2026 beschikbaar uit het extra geld dat in 2026 voor ontwikkelingssamenwerking is vrijgemaakt bij de voorjaarsbesluitvorming? Hoe zijn deze verdeeld over de vier genoemde bestemmingen: World Health Organization (WHO), Jordanië, Save the Children, Egypte, WHO Health Emergency Appeal en het Rode Kruis?
Op welke termijn worden de toegezegde bijdragen daadwerkelijk uitgekeerd aan de WHO, Save the Children en het Rode Kruis, en wanneer verwacht u dat de eerste effecten (bijvoorbeeld de eerste evacuaties naar Jordanië) zichtbaar zullen zijn?
In welk tempo verwacht het u dat de 250 kinderen naar Jordanië geëvacueerd kunnen worden? Klopt het dat landen in de regio verlangen dat eerder geëvacueerde patiënten het land verlaten, alvorens zij nieuwe patiënten toelaten voor evacuatie?
Kunt u bevestigen dat het pakket van € 12 miljoen voor de evacuatie van kinderen uit Gaza naar naburige landen, geen middelen bevat voor nieuwe medische evacuaties van zieke kinderen uit Gaza naar Nederland dit jaar?
Sluit u met deze keuze feitelijk verdere evacuaties naar Nederland uit, of blijft dit een optie? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Klopt het dat meerdere EU-lidstaten dit jaar wel door zijn gegaan met het evacueren van kinderen uit Gaza? Klopt het dat Spanje in 2026 nog 20 kinderen heeft geëvacueerd (waarmee het totaal op 85 komt), Italië nog 26 kinderen (waarmee het totaal op 272 komt) en ons buurland België nog 4 kinderen (waarmee het totaal op 26 komt)? Waarom maken deze landen een andere afweging dan Nederland? Waarom gingen zij dit jaar wel door met medische evacuaties en Nederland niet?
Klopt het dat EU-lidstaten sinds begin 2026 slechts 1% van alle medisch geëvacueerde patiënten uit Gaza hebben opgevangen? Hoe beoordeelt u de Nederlandse en Europese bijdragen in dit licht, en vindt u dit aandeel proportioneel gezien de Nederlandse medische capaciteit?
Bent u bekend met de constatering van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde dat er een groep kinderen is met «hoogcomplexe en meervoudige problematiek» (ernstig trauma, complexe aangeboren aandoeningen, oncologische aandoeningen) die niet in Gaza, Jordanië of Egypte behandeld kan worden? Erkent u deze doelgroep? Welk toekomstperspectief biedt u nu aan deze kinderen?
Kunt u aangeven hoe groot deze doelgroep is? Hoeveel van de circa 18.500 patiënten die naar inschatting van de WHO wachten op evacuatie, behoeven zorg die alleen in landen als Nederland beschikbaar is?
Op basis van welke medische criteria en door wie wordt bepaald welke kinderen wél naar Jordanië en Egypte kunnen en welke kinderen mogelijk toch specialistische zorg nodig hebben die alleen in Europa beschikbaar is (bijv. bepaalde vormen van oncologische zorg, complexe reconstructieve chirurgie)?
Bent u bekend met de bevestiging van de Nederlandse kinderartsen dat zij beschikbare capaciteit in hun ziekenhuizen hebben om kinderen op te vangen, zonder verdringing van reguliere zorg?
Bent u ermee bekend dat Nederlandse artsen een uitgewerkte, Standard Operating Procedure hebben, waarin het hele zorgproces van kinderen inclusief begeleiding is vastgelegd, die in 2025 is gebruikt en uitgebreid geëvalueerd?
Acht u Nederlandse ziekenhuizen daarmee voldoende voorbereid op nieuwe medische evacuaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dan niet gekozen om Nederlandse ziekenhuizen in staat te blijven stellen om kinderen uit Gaza op te vangen?
Is uw doeltreffendheidsargumentatie, namelijk meer patiënten per euro in Jordanië dan in Europa, leidend? Of spelen ook overwegingen van politieke uitlegbaarheid en maatschappelijk draagvlak een rol bij het niet kiezen voor Nederland? Kunt u dit toelichten?
Sluit u uit dat het, indien blijkt dat de Jordaanse en Egyptische capaciteit ontoereikend is voor kinderen met de meest complexe zorgvragen, alsnog een aanvullend besluit neemt over evacuatie naar Nederland?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Informele Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling (van 8 en 9 oktober 2026) van 1 oktober 2026?
Het bericht ‘Al dagen dood in verpleeghuis’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Al dagen dood in verpleeghuis»?1
Wat vindt u ervan dat zorgmedewerkers twaalf dagen achter elkaar hebben gerapporteerd dat zij deze bewoonster niet hadden gezien, zonder dat iemand bij haar is gaan kijken?
Hoe kan het dat het dagenlang niet zien van een kwetsbare bewoner kennelijk geen aanleiding was om te controleren of het wel goed met haar ging?
Klopt het dat met deze bewoonster was afgesproken dat er dagelijks op twee momenten contact met haar zou zijn, onder meer voor haar medicatie en eten? Zo ja, hoe kan het dat het uitblijven van deze contactmomenten niet eerder tot actie heeft geleid?
Rivas Zorggroep stelt volgens het artikel dat medewerkers zo hebben gehandeld omdat mevrouw zorg meed. Welke verantwoordelijkheid heeft een zorginstelling wanneer een kwetsbare bewoner zorg mijdt? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot wat hier is gebeurd?
Zijn er landelijke regels of afspraken over wat medewerkers in een verpleeghuis moeten doen wanneer zij een bewoner meerdere dagen niet zien of geen contact met die bewoner kunnen krijgen? Zo ja, zijn die regels hier gevolgd?
Klopt het dat de kamer van mevrouw langere tijd niet was schoongemaakt als gevolg van gebrekkige communicatie tussen het schoonmaakbedrijf en de zorgorganisatie? Hoe kan zoiets binnen een verpleeghuis zo lang onopgemerkt blijven?
Hoe heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) deze melding beoordeeld en welke maatregelen heeft de IGJ naar aanleiding daarvan genomen?
Heeft de IGJ onderzocht of de problemen die hier naar voren komen, zoals het niet nakomen van afgesproken contactmomenten en gebrekkige overdracht en communicatie, ook bij andere bewoners van deze locatie spelen?
Heeft de IGJ de afgelopen jaren vaker meldingen ontvangen waarbij bewoners van een verpleeghuis pas dagen na hun overlijden werden aangetroffen? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat het?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bevindingen van de IGJ in deze zaak en over eventuele maatregelen die naar aanleiding hiervan zijn of worden genomen?
Het bericht ‘Vrouw (83) uren na noodoproepen op vloer uitgedroogd gevonden tussen zakken ontlasting: ‘Iedereen moet op non-actief’' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw (83) uren na noodoproepen op vloer uitgedroogd gevonden tussen zakken ontlasting: «Iedereen moet op non-actief»»?1
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze mevrouw, die meerdere keren per week zorg en ondersteuning kreeg van verschillende organisaties, uitgedroogd en in een ernstig vervuilde woning werd gevonden?
Aangezien de vrouw rond 10.00 uur en rond 12.00 uur op haar alarmknop drukte en beide meldingen zijn doorgestuurd naar de thuiszorg, terwijl zij pas rond 13.30 uur op de vloer werd aangetroffen, vindt u dit een aanvaardbare opvolging van een noodoproep? Welke normen of afspraken gelden voor de tijd waarbinnen op een persoonsalarm moet worden gereageerd?
Is u bekend dat de vrouw in het ziekenhuis werd opgenomen met onder meer een vochttekort, vitaminetekort en ernstig oedeem en dat zij volgens de familie vooral snacks en kant-en-klaarmaaltijden at, terwijl zij ondersteuning kreeg bij boodschappen en maaltijden? Hoe beoordeelt u dit en wordt bij kwetsbare ouderen voldoende gecontroleerd of de geboden ondersteuning ook daadwerkelijk leidt tot voldoende en passende voeding, en vochtinname?
Bent u ermee bekend dat de familie heeft aangegeven dat zij vier weken na de ziekenhuisopname nog steeds geen duidelijk beeld heeft gekregen van wat er rond de twee alarmmeldingen is gebeurd? Vindt u ook dat cliënten en hun vertegenwoordigers na een ernstige gebeurtenis snel en volledig duidelijkheid moeten krijgen over de feitelijke gang van zaken? Welke regels gelden hiervoor?
Deelt u de mening dat bij ernstige signalen over de veiligheid of mogelijke verwaarlozing van een thuiswonende oudere ook de vaste contactpersoon of gemachtigde tijdig moet worden geïnformeerd, voor zover de privacyregels dat toestaan? Is volgens u voldoende duidelijk wanneer zorgverleners hiertoe moeten overgaan?
Kunt u aangeven of deze casus bekend is bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en of de inspectie hierin aanleiding ziet voor onderzoek? Ziet u daarnaast aanleiding om breder te laten onderzoeken hoe de opvolging van persoonsalarmering en de regie bij thuiswonende mensen met dementie in de praktijk zijn georganiseerd?
Hoe gaat u voorkomen dat dit soort hartverscheurende situaties in de toekomst weer gebeuren?
Waarom acht u het verantwoord om door te gaan met de plannen voor het schrappen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo en het invoeren van een eigen bijdrage in de wijkverpleging, wetende dat daardoor nog minder mensen achter de voordeur zullen komen met alle gevolgen van dien, zoals escalatie van problemen, verwaarlozing en vereenzaming?