De aanpak van complexe omgangsproblemen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven zaken waarin kinderen tegen hun uitdrukkelijke wens langdurig worden gescheiden van een ouder op basis van aannames over ouderverstoting? Hoe wordt toezicht gehouden op de (mogelijke) schade en effectiviteit van de maatregel?
In het algemeen geldt dat beslissingen over gezag en omgang en kinderbeschermingsmaatregelen niet op aannames of een omstreden theorie mogen rusten, maar op professionele standaarden en de best beschikbare kennis, een zorgvuldige casusafweging en met een toets door de kinderrechter waarbij het kind zelf ook gehoord wordt. Alle door de gemeente gecontracteerde aanbieders moeten voldoen aan kwaliteitseisen en professionals werken volgens richtlijnen van de beroepsgroep. De gecertificeerde instelling volgt de voortgang en effecten en stuurt zo nodig bij, de kinderrechter toetst de maatregel en de verlenging en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de werkwijze van gecertificeerde instellingen. Hierbij baseert de Inspectie zich op de geldende wetten, regels en veldnormen.
Verder leert de praktijk dat sommige casussen zeer complex zijn, waarbij diverse belangen en perspectieven soms scherp tegenover elkaar staan en er sprake is van stevige dilemma’s, wat beslissingen in dergelijke casuïstiek zeer ingewikkeld maakt. Dat maakt een oordeel van afstand – zonder directe professionele betrokkenheid – niet goed mogelijk.
Naar aanleiding van het artikel ga ik met Jeugdzorg Nederland en de betrokken gecertificeerde instelling in gesprek.
In hoeverre sluiten de in het artikel beschreven maatregelen aan bij de uitgangspunten van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, met name de punten omtrent het beperken van schade aan kinderen en het voorkomen van escalatie centraal staan? Welke lessen uit het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin zijn inmiddels verwerkt in de werkwijze van de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak?
In Scheiden zonder Schade en opvolgend Een Goed Begin is er gewerkt aan kennisontwikkeling over (complexe) scheidingen.2 Het uitgangspunt van beide programma’s is het voorkomen van escalatie rond een scheiding en het centraal stellen van het kind. Dit wordt gedaan door vroegtijdige en laagdrempelige steun aan ouders, stimuleren van verantwoordelijkheid en duurzame samenwerking tussen ouders en inzet van passende en zo min mogelijk juridiserende oplossingen. Tijdens Een Goed Begin is de werkwijze «Duurzaam Ouderschap na Scheiding» ontwikkeld, waarbij ouders worden begeleid door zogeheten Gezinsvertegenwoordigers. Deze werkwijze is ontworpen om escalatie te voorkomen en de rust voor het kind terug te brengen. De werkwijze is getoetst door TNO.3
De lessen van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin worden meegenomen in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, waar onder andere de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en lokale teams gezamenlijk werken aan het versterken van de aanpak van onveiligheid in gezinnen. Om in de kind- en gezinsbescherming tot meer eenduidige werkwijzen te komen wordt, samen met proeftuinen en betrokken organisaties een handelingskader ontwikkeld. Binnen dit handelingskader wordt ook een module specifiek gericht op complexe scheidingen ontwikkeld door en met professionals.
Welke mogelijkheden hebben kinderen zelf om bezwaar te maken tegen beslissingen die hun woonplaats of contact met ouders ingrijpend veranderen? Vindt u de bestaande mogelijkheden voldoende toegankelijk en effectief?
Hoewel kinderen niet zelfstandig bezwaar kunnen maken, hebben kinderen wel verschillende mogelijkheden om hun mening kenbaar te maken in procedures die hun woonplaats of het contact met hun ouders betreffen. In de praktijk worden kinderen vanaf 8 jaar uitgenodigd voor een gesprek met de (kinder)rechter. In de wet staat nu nog een leeftijdsgrens van 12 jaar. In het wetsvoorstel «Versterken rechtsbescherming in de jeugdbescherming» wordt de grens van 8 jaar wettelijk verankerd.
Daarnaast wordt in het wetsvoorstel de procespositie van minderjarigen op andere onderdelen verbeterd. Voorgesteld wordt dat minderjarigen van 12 jaar en ouder in sommige gevallen zélf een verzoek kunnen doen aan de rechter, net als hun ouders. Daarnaast wordt voorgesteld om in die gevallen waarin de minderjarige van twaalf jaar of ouder zelf een verzoek kunnen doen, een informele rechtsingang open te stellen voor minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt. Hiermee kan het kind zich zonder formele procedure wenden tot de rechter, bijvoorbeeld met een brief. Hiermee wordt toegankelijkheid van kinderen tot de juridische procedure verder verbeterd.
Hoe verhoudt de aanpak zoals beschreven in dit artikel zich tot artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag, waarin het recht van kinderen om gehoord te worden in procedures die hen raken vastgelegd staat? Hoe wordt geborgd dat kinderen daadwerkelijk worden gehoord en dat hun verklaringen niet op voorhand terzijde worden geschoven vanuit de veronderstelling dat zij gemanipuleerd zouden zijn?
Artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK) verplicht staten te waarborgen dat een kind dat in staat is zijn of haar mening te vormen, de gelegenheid krijgt deze vrij te uiten in gerechtelijke en bestuurlijke procedures die het kind raken. Daarnaast moet aan die mening passend gewicht worden toegekend, in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid van het kind. Dit betekent dat de visie van het kind serieus moet worden betrokken bij de besluitvorming, maar niet zonder meer doorslaggevend is.
In Nederland wordt hieraan onder meer uitvoering gegeven doordat de kinderrechter kinderen vanaf 8 jaar standaard uitnodigt voor een gesprek. De kinderrechter betrekt de informatie uit dit gesprek, naast de standpunten van de ouders en de informatie van de gecertificeerde instelling of andere betrokken professionals, bij de beoordeling van de zaak en maakt een zorgvuldige afweging.
Indien nodig kan de kinderrechter de Raad voor de Kinderbescherming om advies vragen, een bijzondere curator benoemen of een onafhankelijk deskundige inschakelen om de belangen en de stem van het kind beter in beeld te brengen.
Welke lessen trekt u bij de aanpak van complexe omgangsproblemen uit de ervaringen van organisaties zoals Villa Pinedo, die de belangen en ervaringen van kinderen van gescheiden ouders centraal stellen?
Ik onderschrijf het belang van organisaties als Villa Pinedo die zich inzetten voor de belangen van kinderen, waarvan de ouders uit elkaar gaan. Een van de punten die Villa Pinedo benadrukt is hoe belangrijk de stem en de beleving van het kind zijn, onder meer bij het maken van omgangsregelingen tussen ouders. Daarnaast toont Villa Pinedo aan hoe krachtig de stem van het kind zelf is en de meerwaarde van ervaringsdeskundigheid. Een voorbeeld waarbij dit zichtbaar werd is de plek die jongeren hadden tijdens het landelijk congres «Een goed begin na scheiding», dat in 2025 door mijn voorganger werd georganiseerd, waarin zij met veel succes hun ervaringen met professionals op het gebied van complexe scheidingen konden delen. Door de inzet van Villa Pinedo zagen professionals, beleidsmakers en betrokkenen zelf wat een scheiding met een kind doet en hoe je daar als professional mee kan omgaan.
Hoe reflecteert u op de internationale ontwikkelingen op het gebied van complexe omgangsproblemen, zoals bijvoorbeeld de keuze van het hooggerechtshof in Italië om het gebruik van de theorie omtrent ouderverstoring als onwettelijk te bestempelen en de keuze van Spanje om een verbod in te stellen op het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtzaken? Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de Nederlandse praktijk?
Ik volg de internationale ontwikkelingen en wetenschappelijke inzichten op dit terrein met interesse. In Italië heeft het hooggerechtshof geoordeeld dat de theorie van ouderverstoting geen zelfstandige grondslag mag vormen voor rechterlijke beslissingen. Daarnaast is het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtelijke procedures in Spanje wettelijk uitgesloten. Deze ontwikkelingen hangen samen met de discussie over contactverlies in de rechtspraktijk.
In Nederland vormen theorieën over ouderverstoting ook geen wettelijk criterium of zelfstandige juridische grondslag voor beslissingen in familierechtelijke procedures. De rechter beoordeelt iedere zaak aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij het belang van het kind leidend is. Daarbij worden alle relevante omstandigheden, waaronder de visie van het kind en de informatie van betrokken professionals, in onderlinge samenhang gewogen.
Hoe reflecteert u op het feit dat een omstreden en wetenschappelijk betwiste theorie over ouderverstoting ten grondslag ligt aan methoden en interventies die diep ingrijpen in het gezinsleven en kinder- en mensenrechten? Welke eisen stelt u aan de wetenschappelijke onderbouwing van dergelijke interventies?
In het algemeen vind ik het onwenselijk dat bij interventies die ingrijpen in het gezinsleven, bijvoorbeeld uithuisplaatsing, een omstreden theorie de basis vormt voor een beslissing. Beslissingen moeten rusten op professionele standaarden en zorgvuldige casusafweging, met transparante motivering en rechterlijke toetsing. Voor beslissingen is maatwerk vereist, waarbij dient te worden gekeken naar de omstandigheden van het geval en het belang van het kind altijd vooropstaat. Een goede onderbouwing van de beslissing is essentieel. Van professionals mag worden verwacht dat zij werken volgens professionele standaarden en richtlijnen en kwaliteitskaders en dat zij interventies toepassen die steunen op de best beschikbare en toetsbare onderbouwing: aantoonbare effectiviteit en veiligheid en peer-reviewed onderzoek. Besluiten zijn per casus proportioneel, helder gemotiveerd, met weging van de stem en veiligheid van het kind.
Wat is momenteel de stand van zaken van de uitvoering van elk van de aanbevelingen uit het Adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting? Kunt u per aanbeveling aangeven welke acties zijn ondernemen en of ze volledig, gedeeltelijk of nog niet zijn uitgevoerd? Wat zijn de concrete opbrengsten van de implementatie van elk van de aanbevelingen?
Het Expertteam heeft in haar advies verschillende aanbevelingen gedaan. In de reactie hierop is richting uw Kamer aangekondigd met de aanbevelingen aan de slag te gaan door in te zetten op preventie, naleving en kennisbevordering.4 In de afgelopen jaren is door mijn voorgangers, in samenwerking met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op verschillende manieren uitvoering gegeven aan deze aanbevelingen.
Voor wat betreft preventie en het herstellen van contactverlies, is in 2021 geëxperimenteerd met de Specialist Contactverlies in het Programma Scheiden zonder Schade (2018–2022). De opbrengsten hiervan waren kansrijk, zoals is te lezen in de opgeleverde rapporten.5 De kansrijke elementen waarmee was geëxperimenteerd binnen het programma, onder andere het Scheidingsadviesteam (in navolging van de specialist contactverlies), zijn doorontwikkeld tot een werkwijze (Duurzaam Ouderschap na Scheiding) en getoetst en wetenschappelijk onderzocht in Een Goed Begin (2022–2025).6 Opvolgend is ingezet op het verspreiden van informatie over deze werkwijze en het bevorderen van kennisdeling onder gemeenten (bijvoorbeeld door het organiseren van inspiratiesessies en regionale sessies verspreid door het hele land). Kennisdeling over complexe scheidingen wordt daarnaast meegenomen het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming zoals beschreven in het antwoord op vraag 3.
In het kader van naleving van omgangsregelingen is aan het WODC gevraagd om onderzoek te doen naar de effectiviteit van de huidige sanctiemogelijkheden voor handhaving en naleving van omgangsregelingen. Het WODC-onderzoek concludeert dat juridische sanctiemiddelen bij omgangsproblematiek (zoals dwangsom, gijzeling en strafrechtelijke handhaving) slechts beperkt en vaak tijdelijk effect sorteren.7 Als er onderliggende problemen spelen (veiligheidszorgen, hoge-conflict, psychische problematiek) werken sancties op zichzelf meestal niet. Het rapport adviseert daarom terughoudend en selectief gebruik van sancties. Maatwerk, laagdrempelige hulpverlening, duidelijke regie en goede informatievoorziening aan ouders blijken belangrijkere voorspellers dan straffen.
Tot slot is de afgelopen jaren ingezet op bevordering van kennis voor professionals en gemeenten rondom een complexe scheiding. In onderzoek van Significant uit 2025, in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, is terug te zien dat driekwart van de ondervraagde gemeenten inmiddels werken aan een aanpak voor complexe scheidingen.8 Het belang van een goede aanpak voor complexe situaties is steeds vaker onder de aandacht van gemeenten. Complexe scheidingen, met name waarin sprake is van contactverlies blijven ingewikkeld en maatwerk is nodig. Dit kwam ook terug in recente gesprekken met belangengroepen en uitvoeringspartners over dit thema.
Zijn het aantal gevallen van contactverlies teruggedrongen sinds de start van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, zoals uw ambtsvoorganger aangaf te verwachten?2 Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe verklaart u dit?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal kinderen dat één van beide ouders niet meer ziet. Wel blijkt uit cijfers dat er veel kinderen zijn die te maken hebben met de situatie dat hun ouders uit elkaar gaan.10 Hoewel dit in de meeste gevallen goed verloopt, blijven er ook zeer complexe situaties bestaan, waar onder andere ook contactverlies optreedt. Er is blijvend aandacht nodig om juridische procedures rond gezag en omgang kindvriendelijk en de-escalerend te laten verlopen. Hier zal ik uw Kamer binnenkort nader over informeren.
Wat is momenteel de stand van zaken van de implementatie van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin? Kunt u per onderdeel aangeven welke maatregelen ingevoerd zijn en welke concrete opbrengsten deze programma’s hebben (gehad) voor kinderen en ouders?
In de afgelopen jaren is gewerkt aan kennisontwikkeling over (complexe) scheidingen.11 Graag verwijs ik u naar de kamerbrief van oktober 2025 waarin uitgebreid is ingegaan op de opbrengsten. Binnen het project Een Goed Begin is, in het verlengde van Scheiden zonder Schade, de werkwijze «Duurzaam Ouderschap na Scheiding» ontwikkeld en opgeleverd. Het doel van de werkwijze is dat ouders na een scheiding duurzaam samenwerken met het welzijn en de ontwikkelkansen van het kind centraal, waarbij zij verantwoordelijkheid nemen voor hun aandeel in het ouderschap.
Uit onderzoek van TNO is gebleken dat de werkwijze Duurzaam Ouderschap na Scheiding werkzame elementen bevat.12 Het onderliggende denkkader Duurzaam Samenwerken na Scheiding is daarnaast behulpzaam voor gemeenten, organisaties en professionals die te maken hebben met ouders in scheiding.13 Om professionals met het denkkader al laagdrempelig kennis te laten maken, zijn 28 inspiratiesessies georganiseerd voor jeugd- en wijkteams, jeugdzorgorganisaties, gemeenten en regionale samenwerkingsverbanden. Daarnaast is in samenwerking met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 18 september 2025 een landelijk congres georganiseerd. Het congres diende als plek voor kennisdeling en aandacht voor het onderwerp (complexe) scheidingen breed in het land. Hierop volgend zijn in het voorjaar van 2026 vijf regionale bijeenkomsten georganiseerd om het denkkader en de werkwijze verder toe te lichten, maar ook om kennisdeling onder jeugd- en wijkteamprofessionals en beleidsmakers te bevorderen.
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
André Poortman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Ja.
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Ja. De afgelopen jaren is door VWS geïnvesteerd in het stimuleren en ondersteunen van de zorgsector in het verduurzamen van de zorg. Onder meer met meerdere Green Deals, waarvan de laatste de huidige Green Deal Duurzame Zorg 3.0 (GDDZ 3.0). Bij de Voorjaarsnota van 2023 is incidenteel € 42 mln vrijgemaakt voor 2023 t/m 2026 om de verduurzamingstransitie in de zorg te bespoedigen. Dit heeft geleid tot mooie resultaten en een enorme verduurzamingsbeweging die op gang is gekomen met circa 720 ondertekenaars van de GDDZ 3.0.
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Ja, daar heb ik kennis van genomen. Samen met de betrokken collega’s ga ik op korte termijn in gesprek met de briefschrijvers, waarbij zij hun brief kunnen toelichten.
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Met het aflopen van de Green Deal Duurzame Zorg 3.0 (GDDZ 3.0) eind oktober 2026, loopt eind van het jaar ook de (tijdelijke) programmatische aanpak af. Na vele jaren geïnvesteerd te hebben in de verduurzaming van de zorgsector en de vele mooie resultaten die de sector geboekt heeft, is dit een natuurlijk moment om de verduurzamingsopgave per 2027 méér bij de sector te beleggen. Die keuze is mede ingegeven door het feit dat er door bezuinigingen beperktere capaciteit en middelen zijn, hetgeen noopt tot het maken van keuzes.
De Green Deal Partijen hebben samen uitgesproken voornemens te zijn een nieuwe Green Deal Duurzame Zorg 2027–2030 te sluiten, en werken momenteel aan de totstandkoming en alles wat nodig is om dit in private samenwerking te organiseren en bekostigen. Het kabinet juicht van harte toe dat de veldpartijen met de ingezette koers verder gaan.
VWS zal na het aflopen van de GDDZ 3.0 niet meer regisserend zijn vanuit een programmatische aanpak, maar blijft wel actief als verbindende schakel tussen de verschillende ministeries en uitvoeringsorganisaties die primair bezig zijn met duurzaamheid en klimaatbeleid. Denk bijvoorbeeld aan circulair werken en grondstoffengebruik in het licht van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, maar ook aan de verduurzaming van het zorgvastgoed en bijbehorende subsidies en Europese wet- en regelgeving. Vanuit die inhoud en context betekent dit concreet dat VWS niet regisserend zal zijn in de totstandkoming van een Zorgtafel, maar wel kan deelnemen mits de Green Deal partijen daarin de regierol nemen.
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Binnen de zorgsector is een enorme verduurzamingsbeweging op gang gekomen, met talloze initiatieven die op verschillende plaatsen vindbaar zijn. Zo is er onder de GDDZ 3.0 geïnvesteerd in een gezamenlijk platform om initiatieven voor verduurzaming te delen, te vinden op de website www.greendealduurzamezorg.nl2 Daarnaast worden ook veel initiatieven door het veld onderling met elkaar gedeeld op andere digitale platforms, zoals bijvoorbeeld het initiatievenplatform van de Groene Zorg Alliantie3 en de Groene Z.4 Het laat zien dat de zorgsector de handschoen heeft opgepakt en de afgelopen jaren haar bijdrage heeft geleverd aan de verduurzaming van de zorg en daarmee aan de verduurzamingsopgave van Nederland. Dit geeft het kabinet het vertrouwen dat we de verantwoordelijkheid van de verdere verduurzamingsopgave aan de sector kunnen overdragen.
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
Nee, dat is niet bekend. De zorg is de brede sector wat een dergelijk onderzoek complex maakt. Ik zal samen met Minister van Klimaat en Groene Groei, coördinerend bewindspersoon voor de circulaire economie, gaan kijken of er een mogelijkheid is om de circulaire potentie voor de zorgsector in kaart te kunnen brengen.
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Zoals onder 4. vermeld werkt de sector zelf aan een opvolger van de GDDZ 3.0 en zal VWS niet meer regisserend zijn vanuit een programmatische aanpak. Wel zal VWS actief blijven als verbindende schakel tussen de verschillende ministeries en uitvoeringsorganisaties die primair bezig zijn met duurzaamheid en klimaatbeleid. Denk bijvoorbeeld aan circulair werken en grondstoffengebruik in het licht van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, maar ook aan de verduurzaming van het zorgvastgoed en bijbehorende subsidies en Europese wet- en regelgeving.
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Er kan zeker nóg meer circulair en met minder verspilling van materialen en ongebruikte (genees-/hulp-)middelen in de zorg worden gewerkt. Zo is in het verleden vanuit hygiëne en partiële financiële overwegingen een transitie gemaakt van duurzame werkwijzen naar het gebruik van veel wegwerpmaterialen. Daar moet met een kritische blik naar gekeken worden of dit wel echt noodzakelijk is. Dat kan financieel ook besparingen opleveren.
Wel is het zo dat de overstap naar duurzamere producten vaak een initiële investering vergt (bijv. inkoop van de duurdere herbruikbare variant) en het wassen of steriliseren van herbruikbare producten brengt (structurele) kosten met zich mee. Het werken met een duurzamere variant (bijv. slim incontinentiemateriaal) vraagt bovendien vaak een verandering van het zorgproces. Dat behoeft ook een investering (van tijd en geld). Het is daarom altijd goed om te kijken naar de terugverdientijden.
In het huidige systeem levert besparen veel op. Het loont dan ook de moeite om door te rekenen waar die investeringen besparingen kunnen opleveren. Zorgaanbieders krijgen veelal een vergoeding per behandeling (Diagnose Behandelcombinatie of DBC) of per tijdseenheid (dagtarief) voor de door hen verleende zorg. Als ze minder producten verbruiken, wordt uit de Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg toch hetzelfde bedrag betaald. Eventuele besparingen komen dan terecht bij de zorgaanbieder. Dit kan voor zorgaanbieders ook een prikkel zijn om duurzamer te werken.
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
De Green Deal-partijen hebben samen uitgesproken voornemens te zijn een nieuwe Green Deal Duurzame Zorg 2027–2030 te sluiten, en werken momenteel hard aan de totstandkoming ervan en alles wat nodig is om dit in private samenwerking te organiseren en bekostigen. Zij bouwen daarmee voort op hetgeen de sector de afgelopen jaren reeds heeft bereikt en het feit dat er inmiddels een grote verduurzamingsbeweging binnen de sector zorg en welzijn gaande is.
Het kabinet spreekt haar waardering er voor uit dat de veldpartijen met de ingezette koers verder gaan. VWS blijft, zoals gezegd, beschikbaar als verbindende schakel en wanneer partijen aanlopen tegen Nederlandse of Europese wet- en regelgeving op zorggebied die verduurzaming van de zorg bemoeilijkt.
Het bericht ‘Tandartsen slaan alarm: 'We stevenen af op een mondzorginfarct' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandartsen slaan alarm: «We stevenen af op een mondzorginfarct»»?1
Ja.
Deelt u met de beroepsorganisatie van tandartsen, orthodontisten en kaakchirurgen (KNMT) de vrees voor een naderend mondzorginfarct? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS spreekt niet van een naderend mondzorginfarct. De beschikbaarheid van voldoende mondzorgprofessionals vraagt blijvend aandacht. Uit onderzoek van het Capaciteitsorgaan blijkt dat er over het geheel een tekort wordt ervaren door de beroepsgroep, maar dat er sprake is van regionale verschillen. De vacaturegraad loopt uiteen van 5% in Noord-Holland tot 22% in Friesland. Het totaal aantal gepubliceerde online vacatures is toegenomen, maar het aantal langdurig openstaande vacatures neemt iets af. De parameter onvervulde vraag is ingeschat op 2,5%, dat is 1 procentpunt hoger vergeleken met de raming in 2022. Het Capaciteitsorgaan heeft deze ontwikkelingen ook meegenomen in het advies voor de benodigde instroom in de opleiding Tandheelkunde die op 19 december 2025 is uitgebracht. De geadviseerde instroom van het Capaciteitsorgaan is gebaseerd op de verwachte tekorten op de lange termijn, om in 2043 evenwicht te bereiken tussen de vraag naar en aanbod van tandartsen. Op dit moment wordt het advies van het Capaciteitsorgaan over de benodigde opleidingscapaciteit door de Ministeries van VWS en OCW bestudeerd. We verwachten u daar uiterlijk voor het einde van dit jaar over te informeren.
De KNMT heeft n.a.v. de berichtgeving in het AD ook kenbaar gemaakt aan het Ministerie van VWS bereid te zijn om mee te denken in mogelijke oplossingen voor knelpunten in het mondzorglandschap.
Deelt u de observatie van de voorzitter van het KNMT dat er al vijftien jaar te weinig opgeleid is en dat met diverse rapporten niets is gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uitleggen wat de oorzaak is van deze nalatigheid?
De bekostiging van de opleiding Tandheelkunde loopt via de begroting van het Ministerie van OCW. De afgelopen jaren is het financieel niet mogelijk gebleken om de adviezen voor wat betreft de opleiding Tandheelkunde volledig over te nemen. Zo is na het eerdere voornemen van het kabinet Rutte IV – om een deel van de uitbreiding te bekostigen door het verkorten van de opleidingsduur van zes naar vijf jaar – besloten om de bestaande opleidingsduur van 6 jaar te handhaven. Mede gezien de sterke weerstand vanuit de betrokken instellingen. Dit betekende concreet dat het aantal opleidingsplaatsen werd verhoogd met 31 in plaats van 86. Daarmee komt het totale aantal opleidingsplaatsen vanaf studiejaar 2026–2027 op 290. Voor de volledige reactie verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart 20252. In de meest recente raming adviseert het Capaciteitsorgaan 386 opleidingsplaatsen (+96). Op dit moment wordt het advies van het Capaciteitsorgaan nog bestudeerd. We verwachten u daar uiterlijk voor het einde van dit jaar over te informeren.
Vindt u het ook onwenselijk dat inmiddels 25 procent van de hier werkzame tandartsen afkomstig is uit het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat vind ik niet onwenselijk. Het kabinet vindt het belangrijk dat voldoende tandartsen beschikbaar zijn om goede en toegankelijke mondzorg te kunnen bieden. Buitenlands gediplomeerde tandartsen die bekwaam en bevoegd zijn leveren hieraan een belangrijke bijdrage. Buitenlands gediplomeerde tandartsen moeten een erkennings- en toelatingsprocedure op grond van de Wet BIG doorlopen bij het CIBG. Alleen als opleidingseisen, (werk)ervaring en taalvaardigheid voldoen aan de gestelde eisen, kunnen zij als tandarts aan de slag in de Nederlandse (mond)zorg. Hiermee worden de kwaliteit en patiëntveiligheid van de individuele beroepsbeoefenaar geborgd.
Buitenlands gediplomeerde tandartsen vormen naar verhouding een steeds groter aandeel van het totaal aantal tandartsen met een actieve BIG-registratie. Uit cijfers van het CIBG3 blijkt dat zowel het aantal Nederlandse tandartsen toeneemt als het aantal buitenlands gediplomeerde tandartsen. De laatste groep stijgt echter verhoudingsgewijs meer waardoor het aandeel buitenlands gediplomeerde tandartsen groter wordt. Tegelijkertijd is diversiteit onder zorgverleners essentieel voor het bieden van de best mogelijke zorg aan alle patiënten in een diverse samenleving.4
Bent u bereid het advies van zowel het KNMT als het Capaciteitsorgaan te volgen en het aantal opleidingsplekken voor 2027 en verder met minimaal 100 te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt het advies voor tandheelkunde door mij en het Ministerie van OCW bestudeerd en wordt bezien of en in hoeverre het mogelijk is om deze adviezen over te nemen, mede in het licht van de additionele middelen die hiervoor nodig zijn, namelijk 27,1 mln structureel. Het Capaciteitsorgaan adviseert de instroom in de opleiding Tandheelkunde te verhogen (+96) naar 386 opleidingsplaatsen. Conform de toezegging aan de Tweede Kamer streven de Minister van OCW en ik er naar om uiterlijk voor het einde van dit jaar duidelijkheid te geven of en hoe we opvolging kunnen geven aan de ramingen voor deze opleidingen.
Deelt u de observatie van de voorzitter van het KNMT dat nieuwe zzp-regelgeving het pensioengerechtigde tandartsen moeilijker maakt langer door te werken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen om langer doorwerken wél aantrekkelijk te maken?
Nee, ik deel deze observatie niet. Het werken als en met zzp’ers is en blijft mogelijk, ook in de zorg, zolang de arbeidsrelatie met de zzp’ers niet kwalificeert als arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst, hangt af van de omstandigheden van het geval. Deze wetgeving is niet gewijzigd.
Senior-tandartsen die hun werkzaamheden voortzetten na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd zijn van hoge toegevoegde waarde om de effecten van het tandartsentekort te verminderen. Hun expertise en vakkennis zijn belangrijk voor de continuïteit van zorg, vooral in praktijken waar het lastig is om nieuwe medewerkers aan te trekken. Daarnaast kunnen jongere generaties tandheelkundigen vaak veel van deze senioren leren.
Om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden om zzp’ers in te huren in de zorg, kan de infographic over het inhuren van zzp in zorg en welzijn5 worden geraadpleegd. Met deze tool krijgen werknemers en werkgevers meer inzicht in hun rechtspositie. Ook op www.hetjuistecontract.nl is meer toelichting te vinden hierover. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan een nieuwe wet: de Zelfstandigenwet. De inbreng vanuit de diverse branches is besproken tijdens een stakeholdersessie met de zorg op 1 juli jl., en wordt meegenomen in de verdere uitwerking van deze wet. Het streven is deze wet per 1 januari 2028 in werking te laten treden.
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Ja.
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Door het dalende aantal pleegouders wachten veel kinderen op een passende plek in een pleeggezin. Wat deze wachttijd tot gevolg heeft, hangt af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. In het licht van het pleegoudertekort wil ik benoemen dat het van belang is om pleegkinderen alleen in een pleeggezin te plaatsen wanneer er voldoende vertrouwen bestaat dat een plaatsing succesvol zal zijn. Alleen zo bieden we pleegkinderen veiligheid, stabiliteit en zekerheid. Jeugdzorg Nederland zegt hierover het volgende2: «Het is meestal dat de match met een pleeggezin op zich laat wachten doordat de vraag niet direct of 1-op-1 aansluit bij het profiel van de beschikbare pleeggezinnen. Het grote tekort aan pleeggezinnen, en daarmee keuzemogelijkheden voor een juiste match is daarbij de voornaamste reden. Er wordt de laatste jaren ook meer ingezet op kindgericht werven, hierbij wordt in het eigen bredere netwerk van het kind gezocht naar een gezin dat iets kan en wil betekenen, dit vergt echter ook meer tijdsinvestering en kan er ook voor zorgen dat een kind langer op een geschikte plek in een pleeggezin moet wachten en er dus meer kinderen op de wachtlijst staan.»
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Jeugdzorg Nederland rapporteert3 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Wat het wachten op een pleeggezin tot gevolg heeft, hangt af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. Er kan daarbij andere hulp worden ingezet.
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Pleegzorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de werving van nieuwe pleegouders, zij zetten zich met man en macht in om voldoende pleegouders te werven. Ik ondersteun hen door de landelijke campagne «Jouw huis een 2e thuis» te financieren, welke ik voornemens ben te verlengen t/m 2027. Deze campagne slaat goed aan. De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet, de naleving van wetgeving en bewaakt de kwaliteit en de veiligheid van de jeugdhulp. Een onderzoek naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen behoort niet tot de rol van de IGJ.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ga opnieuw onderzoek laten doen naar de redenen waarom pleegouders stoppen en wat juist kan helpen om door te gaan, in opvolging van het onderzoek uit 2019 van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP).4 Samen met de sector bespreek ik hoe ik dit onderzoek het best kan vormgeven. Ik verwacht dat het onderzoek dit najaar van start kan gaan, ik zal de Kamer over de voortgang informeren.
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
Nee, dit wordt niet landelijk geregistreerd. Individuele pleegzorgaanbieders houden deze gegevens ook niet altijd bij, en als ze deze gegevens bijhouden doen zij dit elk op een eigen wijze.
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Ik herken het signaal dat het helaas niet altijd lukt om ondersteuning op het juiste moment of in de juiste vorm te bieden aan pleegouders. Het versterken van de begeleiding door pleegzorgwerkers staat hoog op de agenda van de pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, dat pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Eerdergenoemd onderzoek naar de redenen om te stoppen met pleegzorg zal ook aanknopingspunten geven om gerichter de begeleiding van pleegouders te verbeteren. Aanvullend worden pleegouders bijgestaan door de NVP en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Ook kunnen pleegouders in een Mockingbird constellatie onderlinge steun organiseren, dit wordt door steeds meer pleegzorgaanbieders aangeboden.
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Zoals in mijn antwoord onder 2 aangegeven, hangt de impact van het wachten op een pleeggezin af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. Er kan daarbij andere hulp worden ingezet. Mijn inzet om voldoende pleeggezinnen te werven heb ik toegelicht in mijn antwoord onder 4.
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Op basis van de trends die zichtbaar zijn moeten we constateren dat de huidige aanpak niet voldoende is om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen. Het tekort is tweeledig: er zijn te weinig nieuwe pleegouders en te veel bestaande pleegouders stoppen. Daarom is extra inzet benodigd in de werving van nieuwe pleegouders (zie mijn antwoord onder 4) en op het behoud van bestaande pleegouders (zie mijn antwoord onder 8). Het uitgangspunt om eerst te zoeken naar mogelijkheden voor pleegzorg binnen het netwerk is leidend. Vaak wordt dit gedaan door zogenaamd kindgericht werven, waarbij in overleg met het kind en zijn ouder(s) in hun directe en indirecte netwerk wordt gezocht naar een passend pleeggezin. Bij die gesprekken worden ook andere voor hen belangrijke mensen in de omgeving betrokken. Het realiseren van netwerkplaatsingen blijft complex. Netwerkpleegzorg vraagt intensieve begeleiding en voldoende draagkracht binnen het netwerk. Bovendien geven netwerkpleegouders zich vaker niet automatisch opnieuw op als pleegouder, wanneer het pleegkind uitstroomt. De motivatie om netwerkpleegouder te worden, verschilt daarin van de motivatie om bestandspleegouder te worden.
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Ja, maar ik weet dat dit in de praktijk erg ingewikkeld is om altijd te kunnen waarborgen. Ieder geval is anders. Soms is sprake van ontwikkelingsbedreiging voor het kind, maar is er geen acute onveiligheid. Soms is er acuut gevaar en moet het kind per direct op een veilige plek geplaatst worden. In beide situaties kan een kind op de wachtlijst staan voor pleegzorg. Het is aan de betrokken professionals om hier goede afweging en prioritering in te maken, waarbij ook de mogelijkheid is om een jeugdige (tijdelijk) in een andere zorgvorm te plaatsen.
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Met bovenstaande beantwoording voldoe ik aan uw verzoek.
Buitenlandplaatsingen in de jeugdhulp naar aanleiding van X-post van de minister |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat u als Minister stelselverantwoordelijk bent voor een goed functionerend jeugdstelsel en daarmee verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming van jeugdhulp aan Nederlandse jeugdigen, ook wanneer gemeenten deze hulp inkopen en jeugdigen in het buitenland worden geplaatst? Zo nee, kunt u nauwkeurig uiteenzetten waar uw verantwoordelijkheid eindigt en die van gemeenten begint?1
Deelt u de mening dat gemeenten die jeugdhulp in het buitenland inkopen verantwoordelijk zijn voor het vooraf controleren en gedurende de plaatsing bewaken van de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming, waaronder de vergunningen, het gekwalificeerd personeel, het toezicht, de klachtenprocedures, de vrijheidsbeperkende maatregelen en de feitelijke veiligheid van de locatie? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete controles moeten gemeenten uitvoeren voordat zij een jeugdige bij een buitenlandse jeugdhulpaanbieder plaatsen en gedurende de plaatsing blijven uitvoeren?
Hoe zijn volgens u in het gedwongen kader de verantwoordelijkheden voor de plaatsing, de kwaliteit, de veiligheid, de rechtsbescherming en het toezicht precies verdeeld tussen de gemeente, de gecertificeerde instelling (GI), de jeugdhulpaanbieder en een eventuele plaatsingscoördinator? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment voldoende duidelijk en is voor iedere plaatsing ondubbelzinnig vastgelegd wie waarvoor verantwoordelijk en aanspreekbaar is? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze verantwoordelijkheden te verduidelijken?
Welke instantie controleert of gemeenten deze verantwoordelijkheid daadwerkelijk nakomen en welke instantie kan ingrijpen wanneer dit onvoldoende gebeurt? Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijk Minister wanneer blijkt dat deze controle tekortschiet?
Acht u het aanvaardbaar dat Nederlandse jeugdigen in het buitenland worden geplaatst wanneer niet kan worden gegarandeerd dat daar voldoende toezicht bestaat op de kwaliteit van zorg, veiligheid en rechtsbescherming? Zo ja, waarom?
Kunt u garanderen dat voor iedere Nederlandse jeugdige die momenteel in het buitenland verblijft in het kader van jeugdhulp aantoonbaar is vastgesteld dat de betreffende instelling aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet en dat duidelijk is welke instantie daadwerkelijk toezicht houdt? Zo nee, hoeveel jeugdigen verblijven momenteel op locaties waarvoor dit niet aantoonbaar kan worden gegarandeerd?
Hoe kan een gemeente naar uw oordeel verantwoord besluiten een jeugdige in het buitenland te plaatsen wanneer Nederlandse toezichthouders daar niet dezelfde toezichtsmogelijkheden hebben als bij jeugdhulp in Nederland? Deelt u de opvatting dat onvoldoende zicht op de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming een onaanvaardbaar risico vormt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel Nederlandse jeugdigen momenteel voor jeugdhulp in het buitenland verblijven, uitgesplitst naar land, gemeente, jeugdhulpaanbieder en type jeugdhulp? Kunt u daarbij per plaatsing aangeven op welke wijze vooraf is gecontroleerd of de aanbieder over de vereiste vergunningen beschikt, aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet en onder welk toezicht deze plaatsing valt?
Welke maatregelen neemt u ten aanzien van Nederlandse jeugdigen die momenteel in het buitenland verblijven wanneer niet aantoonbaar kan worden vastgesteld dat hun veiligheid, rechtsbescherming en de kwaliteit van de geboden jeugdhulp voldoende zijn geborgd?
Bent u bereid te stoppen met nieuwe plaatsingen van Nederlandse jeugdigen voor jeugdhulp in het buitenland en ervoor te zorgen dat passende jeugdhulp voor deze jeugdigen in Nederland beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete juridische belemmeringen bestaan er volgens u om nieuwe buitenlandplaatsingen volledig te beëindigen? Kunt u per belemmering aangeven uit welke nationale of internationale wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling deze voortvloeit?
Welke bepalingen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) zouden er volgens u aan in de weg kunnen staan dat Nederland als uitgangspunt hanteert dat Nederlandse jeugdigen jeugdhulp in Nederland ontvangen? Kunt u dit per bepaling juridisch onderbouwen?
Indien u van mening bent dat het IVRK of andere internationale verplichtingen vereisen dat in uitzonderlijke gevallen plaatsing in het buitenland mogelijk moet blijven, kunt u dan aangeven in welke concrete situaties daarvan sprake kan zijn en waarom de benodigde passende hulp in die situaties niet in Nederland georganiseerd kan worden?
Deelt u de mening dat het feit dat bepaalde specialistische jeugdhulp momenteel mogelijk onvoldoende beschikbaar is in Nederland geen reden mag zijn om Nederlandse jeugdigen naar het buitenland te plaatsen, maar aanleiding moet zijn om de noodzakelijke capaciteit in Nederland te organiseren? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat opnieuw Nederlandse jeugdigen worden geplaatst bij buitenlandse instellingen waarvan vergunningen, toezicht, kwaliteit of veiligheid onvoldoende zijn geborgd?
Bent u bereid vanuit uw stelselverantwoordelijkheid de regie te nemen om te waarborgen dat Nederlandse jeugdigen de noodzakelijke jeugdhulp in Nederland kunnen ontvangen en dat gemeenten niet langer genoodzaakt zijn hiervoor uit te wijken naar buitenlandse aanbieders? Zo nee, waarom niet?
Het vergroten van de doelmatigheid van de doorbraakmiddelen uit het AZWA en het voorkomen van ongewenste marktverstorende effecten |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen uit het veld over onbedoelde concurrentie tussen subsidiegedreven projecten en ondernemers als gevolg van verstrekte IZA-subsidies, bijvoorbeeld in het digitale zorgdomein? Zo nee, bent u bereid om hier proactief onderzoek naar te doen?
Is er bij het verstrekken van IZA-middelen actief gekeken naar bestaande oplossingen van bijvoorbeeld private partijen of zorgorganisaties, om terughoudendheid bij het verstrekken van subsidies in die situaties te bevorderen? Zo ja, kunt u een toelichting geven op hoe dit is gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Welke lessen heeft u getrokken op het gebied van doelmatigheid en transparante en eerlijke concurrentie uit de evaluatie van het Integraal Zorgakkoord (IZA)? Hoe worden deze lessen geborgd bij het verstrekken van subsidies uit de doorbraakmiddelen van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)?
Bent u bereid om een marktscan in te bouwen bij het verstrekken van de doorbraakmiddelen uit het AZWA om ongewenste concurrentie met al bestaande toepassingen te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u deze vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten op welke wijze er een gelijk speelveld wordt geborgd tussen publieke en private spelers bij het toekennen van specifieke doorbraakmiddelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in de toekomst alternatieve publiek-private routes te verkennen om te bezien hoe de samenwerking tussen de zorgsector en het bedrijfsleven structureel geborgd kan worden om in gezamenlijkheid de grote transitieopgaven het hoofd te bieden? Bent u daarbij ook bereid om te kijken naar andere financieringsconstructies zoals het benutten van de nog op te richten Nationale Investeringsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten wie verantwoordelijk is voor het toetsen van mogelijke marktverstorende effecten bij het toekennen van de doorbraakmiddelen uit het AZWA? Op welke wijze wordt geborgd dat deze beoordeling onafhankelijk van de betrokken zorgverzekeraars en zorgaanbieders plaatsvindt? Bent u bereid om hier een onafhankelijke toets voor in te richten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om als voorwaarde voor het toekennen van doorbraakmiddelen uit het AZWA te stellen dat aanvragers aantoonbaar hebben onderzocht welke bestaande toepassingen al op de markt beschikbaar zijn? En ook waarom het ontwikkelen of financieren van een alternatief doelmatiger zou zijn dan het inkopen danwel opschalen van deze toepassingen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om een procedure in te richten waarmee private partijen mogelijke marktverstorende effecten van de inzet van IZA- en AZWA-middelen kunnen melden? En ook het onafhankelijk kunnen laten beoordelen? Bent u daarbij ook bereid om te bezien onder welke omstandigheden de al toegekende middelen kunnen worden bijgestuurd of stopgezet wanneer sprake blijkt van ongewenste marktverstoring? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Hoe de voedingsindustrie ruim baan krijgt om tegen Wet kindermarketing te lobbyen’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hoe de voedingsindustrie ruim baan krijgt om tegen Wet kindermarketing te lobbyen»?1
Wat is uw reactie op de conclusie van het artikel dat de voedselindustrie intensief betrokken is bij de Wet kindermarketing, terwijl gezondheidsorganisaties veel minder in de gelegenheid zijn en worden gesteld mee te praten?
Kunt u precies aangeven hoe en op welke momenten de voedselindustrie, in ieder geval de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en de Vereniging voor de Bakkerij- en Zoetwarenindustrie (VBZ), betrokken zijn (geweest) bij de totstandkoming van de Wet kindermarketing?
Klopt het dat de FNLI en de VBZ hebben kunnen meelezen en meedenken op concept-Kamerbrieven? Zo ja, op welke brieven en tot welke aanpassingen heeft dit geleid?
Kunt u precies aangeven hoe en op welke momenten andere net zo relevante maatschappelijke stemmen zoals de gezondheidsfondsen betrokken zijn (geweest) bij de totstandkoming van de Wet kindermarketing?
Deelt u de mening dat de voedselindustrie een groot belang heeft bij het zo min mogelijk reguleren van kindermarketing en dat het daarom des te belangrijker is dat ook stemmen die het gezondheidsbelang vertegenwoordigen betrokken worden? Zo ja, in hoeverre bent u van mening dat deze verschillende perspectieven voldoende zijn meegenomen?
Kunt u per geschrapte maatregel of marketingtechniek (algemene norm, antropomorfische afbeeldingen van dieren, fantasiefiguren, producten in de vorm van een dier, speelgoed gekoppeld aan het (verpakte) product en gebruik van de term «kind») aangeven waarom deze uit het wetsvoorstel is geschrapt en of hierover verschil van inzicht bestond tussen uw ambtenaren en de voedselindustrie?
Klopt het dat een interne jurist heeft gewaarschuwd dat uitzonderingen «juridisch kwetsbaar» zijn? Zo ja, kunt u deze overwegingen met de Kamer delen?
Deelt u de mening dat het nog steeds van het grootste belang is dat de Wet kindermarketing er snel komt, gezien de toenemende problemen met overgewicht bij kinderen en de ineffectiviteit van vrijblijvende afspraken?
Deelt u de mening dat afzwakkingen van het wetsvoorstel niet in lijn zijn met het coalitieakkoord, waarin juist is afgesproken dat de wet die kindermarketing gaat reguleren aangescherpt wordt? Zo ja, hoe gaat u het coalitieakkoord uitvoeren?
Bent u bereid om er vanaf nu voor te zorgen dat zowel de voedselindustrie als gezondheidsorganisaties in gelijke mate betrokken worden bij de Wet kindermarketing?
Ambulancezorg in en tussen grensregio’s |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Als de ambulance niet over de grens naar het ziekenhuis mag: «Soms verlies je kostbare tijd, met alle risico’s van dien voor de patiënt»»?1
Welke juridische, bestuurlijke en financiële knelpunten staan de aanpassing van de Benelux-regelgeving voor grensoverschrijdende ambulancezorg nog in de weg? Welke concrete stappen zijn nodig om deze op te lossen?
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot het advies van het Schakelpunt Grensbelemmeringen uit juli 2025 om de Benelux-beschikking aan te passen? Welke stappen zijn sindsdien gezet en welke partijen moeten nog instemmen voordat de wijziging in werking kan treden?
Welke gevolgen heeft de voorgestelde aanpassing van de Benelux-beschikking voor de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van Nederlandse en Belgische ambulancediensten en meldkamers? Wat zou dit betekenen voor eventuele aansprakelijkheid?
Welke afspraken zijn nog nodig over de vergoeding van ziekenhuiszorg wanneer een Belgische ambulance een patiënt naar Nederland brengt? Welke stappen zet u om hierover met België tot overeenstemming te komen?
Hoe wordt bij de aanpassing van de Benelux-beschikking gewaarborgd dat Belgische ambulances patiënten daadwerkelijk naar het meest geschikte ziekenhuis kunnen vervoeren, waarbij de medische noodzaak, de reistijd en de benodigde specialistische zorg leidend zijn?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Benelux verdere afspraken te maken om grensoverschrijdende ambulancezorg eenvoudiger te organiseren? Welke juridische of praktische belemmeringen kunnen hiermee worden weggenomen?
Wat is de stand van zaken bij het oplossen van knelpunten in het grensoverschrijdend ambulancevervoer tussen Nederland en Duitsland? Welke belemmeringen bestaan er nog op het gebied van bevoegdheden, kosten, privacy en aansprakelijkheid?
Welke mogelijkheden ziet u om de samenwerking tussen Nederlandse, Belgische en Duitse hulpdiensten binnen de Euregio Maas-Rijn verder te verbeteren?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie afspraken te maken die grensoverschrijdende zorg eenvoudiger maken? Op welke terreinen kan Europese samenwerking helpen om belemmeringen door verschillen in nationale wet- en regelgeving weg te nemen?
Hoe wordt grensoverschrijdende ambulancezorg in het kader van weerbare zorg meegenomen in het opschalingsplan voor grootschalige en langdurige crises, zodat ambulances en ziekenhuizen aan beide kanten van de grens bij een ramp als één netwerk kunnen samenwerken?
Het overlijden van een 15-jarig meisje dat onder toezicht stond van Jeugdbescherming Noord |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wanhopige moeder overleden 15-jarig meisje sloeg weken geleden al alarm: «Ik wil voorkomen dat er iets ernstigs gebeurt»»?1
Wat is uw reactie op het overlijden van een 15-jarig meisje dat onder toezicht stond van Jeugdbescherming Noord en verbleef bij jeugdhulpverlener La Hacienda in Groningen?
Klopt het dat de moeder op 13 september 2026 haar ernstige zorgen over de veiligheid van haar dochter schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan onder meer betrokken hulpverleners, instanties en toezichthouders en daarbij expliciet waarschuwde dat zij wilde voorkomen dat er eerst iets ernstigs moest gebeuren voordat daadwerkelijk werd ingegrepen?
Welke bij de jeugdbescherming en jeugdhulp betrokken organisaties hebben deze waarschuwing ontvangen en hoe is deze beoordeeld? Welke concrete acties zijn er vervolgens ondernomen?
Is naar aanleiding van de waarschuwingen van de moeder een nieuwe of aanvullende veiligheids- en risico-inschatting gemaakt? Zo ja, wanneer, door wie, met welke uitkomst en welke maatregelen zijn daarop genomen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de moeder stelt dat de situatie van haar dochter al ongeveer een half jaar verslechterde, waarbij onder meer sprake was van weglopen, nachten wegblijven, alcohol- en drugsgebruik en schoolverzuim, en dat Jeugdbescherming Noord hiervan al langere tijd op de hoogte was? Hoe is op deze signalen gereageerd?
Wie had binnen de jeugdbeschermings- en jeugdhulpketen de regie over de hulp en de veiligheid van dit meisje? Op welke momenten is overwogen de hulp of bescherming op te schalen?
Klopt het dat het meisje op de avond voorafgaand aan haar overlijden betrokken was bij een ernstig en gewelddadig incident en vervolgens door medewerkers van La Hacienda is opgehaald?
Welke professionele richtlijnen en protocollen gelden voor een jeugdhulpaanbieder wanneer een minderjarige na een ernstig geweldsincident terugkeert naar een jeugdhulplocatie? En is in deze casus overeenkomstig deze richtlijnen en protocollen gehandeld?
Is na terugkomst bij La Hacienda beoordeeld of het meisje medische zorg, aanvullende begeleiding of extra toezicht nodig had? Zo ja, welke beoordeling is gemaakt en welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
Klopt het dat Jeugdbescherming Noord sinds juli 2025 onder verscherpt toezicht stond vanwege grote tekortkomingen in onder meer de continuïteit, kwaliteit en veiligheid van de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en dat dit verscherpte toezicht op 21 mei 2026 is beëindigd? Op basis van welke concrete verbeteringen is tot beëindiging besloten?
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze casus, het feit dat bij beëindiging van het verscherpte toezicht nog niet alle kinderen, jongeren en ouders tijdig de bescherming, begeleiding en hulp kregen die zij nodig hadden, de kwaliteit van de uitvoering deels onvoldoende was en het vertrouwen van de inspecties in de verbeterkracht van Jeugdbescherming Noord kwetsbaar bleef?
Geeft deze casus u aanleiding om met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek te gaan over de vraag of intensivering van het toezicht op Jeugdbescherming Noord noodzakelijk is?
Is het overlijden bij de IGJ gemeld? Zo ja, wanneer en door welke betrokken organisatie(s)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar het handelen van de betrokken jeugdbeschermings- en jeugdhulporganisaties voorafgaand aan het overlijden, waarbij in ieder geval wordt onderzocht wat met de waarschuwingen van de moeder is gedaan, of tijdig is opgeschaald en of capaciteit, caseload of de beschikbaarheid van passende jeugdhulp daarbij een rol hebben gespeeld?
Deelt u de mening dat wanneer een ouder expliciet en herhaaldelijk waarschuwt voor de veiligheid van een kind dat onder toezicht staat, aantoonbaar moet worden beoordeeld of onmiddellijk ingrijpen of opschaling noodzakelijk is? Hoe wordt gewaarborgd dat dergelijke ernstige signalen niet tussen verschillende organisaties blijven liggen?
Kunt u deze vragen, gezien de ernst van de zaak en het feit dat het een overleden minderjarige betreft, met spoed beantwoorden?
Het bericht ‘Zorgondernemer met strafblad gaat 'gewoon' door met opvang kwetsbare cliënten’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Zorgondernemer met strafblad gaat gewoon door met opvang kwetsbare cliënten»? Deelt u de woede dat kwetsbare mensen kennelijk opnieuw worden toevertrouwd aan een zorgondernemer over wie zulke ernstige signalen bestaan?1
Hoe is het mogelijk dat Zorg en Research na beëindiging van de contracten door Menzis wegens fraudesignalen alsnog via een andere aanbieder doorgaat? Welke instanties wisten hiervan, wanneer wisten zij dit en wie heeft daadwerkelijk ingegrepen?
Hoeveel zorggeld moet er nog in de zakken van fraudeurs verdwijnen voordat u daadwerkelijk ingrijpt? Waarom krijgen zorgcriminelen alle ruimte en blijven uw beloften over een harde aanpak zonder resultaat?
Erkent u dat ieder onnodig verloren zorgmiljoen ook het gevolg is van falend overheidsoptreden? Hoe verantwoordt u dat patiënten moeten wachten op zorg, terwijl u de fraude niet weet te stoppen?
Vindt u het zelf nog geloofwaardig om daadkracht te beloven terwijl zorgondernemers na ernstige fraudesignalen kennelijk gewoon via een andere aanbieder verder kunnen?
Wanneer stopt u met praten en gaat u zorgfraudeurs daadwerkelijk aanpakken, gestolen zorggeld terughalen en malafide bestuurders uit de zorg weren? Welke concrete resultaten levert u dit jaar?
Het bericht 'Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting' |
|
Bart Bikkers (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting»?1
Wat vindt u ervan dat middelen van Preventie met Gezag (PmG) terechtkomt bij een organisatie die betrokken is bij witwaspraktijken?
Hoeveel middelen vanuit PmG via de gemeente Amsterdam zijn terechtgekomen bij de alliantie ONE Jongerenwerk en de daarin deelnemende stichtingen? Zo ja, om welke bedragen gaat het?
Welke eisen stelt het Rijk aan gemeenten die PmG-middelen doorverstrekken aan stichtingen en andere uitvoeringsorganisaties, als het gaat om de integriteit van de ontvanger? Is een integriteitstoets, zoals een Bibob-toets, daarbij een voorwaarde? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat bijna alle gemeenten subsidies in hun Bibob-beleid hebben opgenomen, maar dat het instrument bij subsidies in de praktijk weinig wordt ingezet en dat vooralsnog geen enkele verleende subsidie naar aanleiding van een Bibob-onderzoek is ingetrokken?
Bent u bereid om, samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), te bevorderen dat gemeenten bij meerjarige subsidies boven een bepaald drempelbedrag aan organisaties die werken met kwetsbare of risicojongeren standaard een Bibob-toets uitvoeren? Bent u bereid dit als voorwaarde te verbinden aan de besteding van PmG-middelen?
Op welk detailniveau ontvangt u verantwoordingsinformatie over PmG: alleen op programmaniveau, of ook per interventie en per uitvoerende organisatie en bent u van mening dat u voldoende zicht heeft op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de middelen die worden besteed via PmG?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk om PmG-middelen terug te vorderen of te korten wanneer blijkt dat deze onrechtmatig, in strijd met de doelstellingen zijn besteed of waarvan de doelmatigheid niet kan worden vastgesteld?
In hoeverre voldoen de interventies die de gemeente Amsterdam met PmG-middelen financiert aan het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit?
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te voorkomen dat PmG-middelen worden ingezet bij witwasconstructies?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het tweeminutendebat Jeugdcriminaliteit beantwoorden?
Het artikel 'Wim (80) dreigt dakloos te worden én moet 10.000 euro betalen' |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van dit fragment van 13 oktober en zo ja wat vindt u hiervan?1
Hoe reflecteert u in dit licht op uw besluit van 3 juli om het plan voor wonen in vakantiehuisjes, dat een oplossing zou bieden aan ongeveer 60.000 bewoners, te schrappen? Is dit volgens u nog steeds de juiste beslissing? Bent u bereid uw besluit te heroverwegen?
Welke stappen heeft u gezet om het plan van uw voorganger om permanente bewoning voor een periode te legaliseren, die volgens u onuitvoerbaar zou zijn, uitvoerbaar te maken?
Hoe gaat het, kijkend naar deze casus, volgens u zelf met de afspraken met gemeenten dat mensen die al in een vakantiehuisje wonen daar mogen blijven?
Is volgens u de inhoud van Kamerbrieven staand beleid? Zo ja hoe reflecteert u, kijkend naar deze casus, op de zin «In beginsel geldt dat de gemeente ervoor zorgt dat permanente bewoners van recreatiewoningen nooit zomaar op straat komen te staan: de menselijke maat is het uitgangspunt»? Is deze casus de menselijke maat die u voor ogen heeft (Kamerstuk 32 847, nr. 1497)? Zo, nee waarom niet en wat gaat u er aan doen?
Is er volgens u in deze casus sprake van een permanente bewoner die moet worden beschermd? Zo ja waarom wordt deze bewoner dan alsnog zijn woning uit gezet en waar moet meneer heen?
Waar kunnen ouderen, zoals Wim, volgens u naar toe, kijkend naar uw uitspraak dat «jongeren gelukkig nog bij hun ouders kunnen wonen»?
Welke maatregelen treft u om dit soort schrijnende situaties in de toekomst te voorkomen, bent u bereid de Instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen alsnog uit te voeren?
Kan u nogmaals via de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) een oproep doen aan gemeenten om niet te handhaven? Zo ja kan u de Kamer een afschrift hiervan sturen?
Bent u bereid om in deze beantwoording expliciet gemeente Berkelland erop aan te spreken niet te handhaven? Zo ja wat gaat u zeggen? Zo nee waarom niet?
Ziet u uw beleid, wat bestaat uit onder andere het schrappen van de Instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen, nog als succesvol?
Hoeveel asielzoekers, ontheemden en geëvacueerden wonen momenteel op vakantieparken, in recreatiewoningen en/of hotels terwijl het Omgevingsplan of de huisvestingsregelgeving dat niet toestaan? Voor zover u die cijfers zelf niet heeft, wilt u deze vragen aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ministeries en of overheden die deze cijfers wel hebben? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat bewoners van verzorgingshuis Tamarinde in de kou zitten met dikke luiers en vet haar |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bewoners van verzorgingshuis Tamarinde in de kou zitten met dikke luiers en vet haar?1
Hoe reageert u op de reactie van de vakbonden op deze problemen?2
Hoe kan het gebeuren dat ouderen een jaar lang niet gedoucht worden, zonder dat er wordt ingegrepen?
Waarom is er op basis van de meldingen niet ingegrepen door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Deelt u de mening dat er een link is tussen de misstanden die hier bestaan en het afbraakbeleid dat door de afgelopen kabinetten en het huidige kabinet op de ouderenzorg is gevoerd?
Deelt u de mening dat het aantrekkelijker moet worden gemaakt om als vaste kracht te werken in de ouderenzorg, door in ieder geval fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden te bieden?
Herindicaties en de continuïteit van medische kindzorg |
|
Eveline Tijmstra (CDA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Ontvangt u ook signalen dat zorgverzekeraars bij kinderen die intensieve verpleegkundige zorg ontvangen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) aandringen op een aanvraag voor de Wet langdurige zorg (Wlz), ook wanneer het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) eerder geen Wlz-indicatie heeft afgegeven?
Deelt u de mening dat ouders van ernstig zieke kinderen hun tijd en energie moeten kunnen besteden aan hun kind, in plaats van telkens te moeten bewijzen dat noodzakelijke zorg nog steeds nodig is of vast te lopen door gedoe met instanties over wie deze zorg betaalt? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen?
Deelt u de mening dat het voor ouders die laaggeletterd zijn, een licht verstandelijke beperking hebben of de Nederlandse taal minder goed beheersen, niet te doen is om alle regels en instanties te kennen? Hoe zorgt u ervoor dat de kinderen van deze ouders ook de zorg krijgen die nodig is?
Welke verantwoordelijkheid heeft een zorgverzekeraar wanneer deze van mening is dat een kind onder de Wlz zou moeten vallen, terwijl het CIZ geen Wlz-indicatie heeft afgegeven? Kan uitsluitend dit verschil van inzicht aanleiding zijn om noodzakelijke Zvw-zorg te weigeren, te verminderen of niet te verlengen? Kunt u de juridische grondslag van uw antwoord toelichten?
Onder welke omstandigheden mag een zorgverzekeraar na een eerdere afwijzing door het CIZ opnieuw aandringen op een Wlz-aanvraag? Welke nieuwe feiten of veranderingen in de zorgbehoefte moeten daarvoor aanwezig zijn en wie beoordeelt dit?
Hoe wordt bij deze beoordeling onderscheid gemaakt tussen een intensieve verpleegkundige zorgbehoefte in een geneeskundige context en een zorgbehoefte die toegang geeft tot de Wlz? Hoe worden de ouders, indicerend kinderverpleegkundige en hoofdbehandelaar hierbij betrokken?
Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheden over het toepasselijke wettelijke kader, beoordeling of geschillen over een Wlz-aanvraag, leiden tot een onderbreking van de zorg? Wie is verantwoordelijk voor het voorkomen van een onderbreking?
Hoeveel signalen over dergelijke geschillen zijn de afgelopen twee jaar ontvangen door uw ministerie, Het Juiste Loket en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)? Hoe vaak ging dit gepaard met vertraging, vermindering of onderbreking van zorg? Bent u bereid dit uit te zoeken wanneer deze gegevens ontbreken?
Hoe geeft u voor kinderen met een chronische ziekte of blijvende beperking uitvoering aan door ons eerder ingediende moties en de afspraak uit het coalitieakkoord dat zij hun aandoening niet telkens opnieuw hoeven aan te tonen? Welke maatregelen gelden daarbij voor medische kindzorg vanuit de Zvw, zowel bij zorg in natura als bij een persoonsgebonden budget (pgb)?
Deelt u de mening dat het evalueren van de ontwikkeling en actuele zorgbehoefte van een kind iets anders is dan het opnieuw moeten aantonen dat een aandoening blijvend is? Hoe wordt dit onderscheid in het herindicatieproces toegepast?
Hoe verhoudt het slechts bij uitzondering toestaan van tweejarige indicaties en toekenningen zich tot de aangenomen motie-Mohandis/Werner1 en motie-Beckerman c.s.2 die vragen om indicaties van minstens twee jaar als standaard en de aangenomen motie-Westerveld/Krul3 die vraagt om het uitgangspunt dat in alle zorgwetten langjarige indicaties worden afgegeven. Bent u bereid de uitvoering hiervan opnieuw te bezien in het licht van het coalitieakkoord? Bent u bereid een vereenvoudigde verlenging mogelijk te maken wanneer de indicerend kinderverpleegkundige en het gezin vaststellen dat de zorgbehoefte niet wezenlijk is veranderd?
Hoeveel kinderen hebben sinds de landelijke afspraak uit juli 2025 een tweejarige Zvw-pgb-toekenning gekregen, uitgesplitst naar zorgverzekeraar? Hoe wordt gecontroleerd of alle verzekeraars deze mogelijkheid daadwerkelijk toepassen en ouders hierover informeren?
Wat is de stand van zaken van de aangekondigde opname van deze afspraak in de Bestuurlijke afspraken Zvw-pgb en van de evaluatie van de Handreiking Indicatieproces Kindzorg en de Toolbox? Welke verbeteringen zijn doorgevoerd in de betrokkenheid van de hoofdbehandelaar?
Hoe wordt nagegaan of bij herindicaties bestaande informatie wordt hergebruikt en medische documentatie door de indicerend verpleegkundige wordt opgevraagd, zoals eerder afgesproken? Hoe voorkomt u dat ouders alsnog telkens dezelfde stukken moeten verzamelen en aanleveren?
Welke eisen gelden voor de zorginhoudelijke onderbouwing wanneer een zorgverzekeraar afwijkt van de verpleegkundige indicatie of een lager budget toekent? Hoe wordt gezorgd dat ouders een schriftelijke uitleg ontvangen in begrijpelijke taal? Hoe wordt gezorgd dat er overleg is met de indicerend kinderverpleegkundige voordat noodzakelijke zorg wordt verminderd?
Welke laagdrempelige, onafhankelijke ondersteuning krijgen gezinnen bij een geschil over een herindicatie of de afbakening tussen de Zvw en Wlz? Wie neemt de regie wanneer bestaande ondersteuningsroutes geen tijdige oplossing bieden en de zorgcontinuïteit in gevaar komt?
Hoe voorkomt u dat vertraging of vermindering van professionele zorg ertoe leidt dat ouders noodgedwongen extra verpleegkundige zorg overnemen, minder gaan werken of overbelast raken? Hoe wordt bij herindicaties rekening gehouden met de draagkracht van het gehele gezin, waaronder eventuele broers en zussen?
Bent u bereid de knelpunten bij herindicaties en de afbakening tussen Zvw en Wlz expliciet mee te nemen in de toekomstvisie op integrale medische kindzorg waarom de aangenomen motie-Westerveld c.s. vraagt?4 Wanneer ontvangt de Kamer deze visie en welke concrete verbeteringen kunnen gezinnen al eerder verwachten?
Het bericht 'Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. ‘Als van uitstel maar geen afstel komt’' |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. «Als van uitstel maar geen afstel komt»» en wat is uw reactie daarop?1
Deelt u de mening dat zeven maanden wachttijd voor zwemles te lang is? Zo ja, wat is volgens u een acceptabele wachttijd? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u aan tegen de vrees van de Nationale Raad Zwemveiligheid dat de diploma-ongelijkheid verder toeneemt?
Hoe gaat u voorkomen dat de portemonnee van de ouders van de kinderen gaat bepalen hoe lang deze kinderen moeten wachten voordat ze op zwemles kunnen?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn gesloten?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn geopend?
Hoe kijkt u aan tegen de dalende trend in het aantal vierkante meters zwembad met het oog op deze lange wachttijden?
Bent u van mening dat de Aanpak wachtlijsten zwemles en landelijk dekkend aanbod2 heeft gewerkt, gezien het feit dat er nog steeds zulke lange wachttijden zijn?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voordat het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Sport op 2 november 2026 plaatsvindt?
Het bericht ‘Bijna 300 mensen op zwarte lijst van ziekenhuizen door agressie tegen zorgpersoneel’ |
|
Hilde Wendel (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 300 mensen op zwarte lijst van ziekenhuizen door agressie tegen zorgpersoneel»?1
In welke mate herkent u het signaal dat er een toename is van «zowel het aantal meldingen als de ernst van de incidenten»?
In welke mate herkent u het signaal dat patiënten en andere ziekenhuisbezoekers veeleisender worden, waarbij zij «een kort lontje hebben, snel geëmotioneerd reageren als hun verwachtingen niet uitkomen»?
Ziekenhuis Rijnstate in Arnhem stelt in het artikel dat de polarisatie in de maatschappij van invloed is op het toenemende huftergedrag richting zorgpersoneel, hoe kijkt u hier tegenaan en welke oplossing(en) ziet u hiervoor?
Wat is de invloed van personeelstekorten op agressie in de zorg? Ziet u een verband tussen de werkdruk van personeel en agressie van patiënten of bezoekers?
Het Zuyderland Ziekenhuis geeft in het artikel aan dat (het toenemende) huftergedrag jegens zorgprofessionals een reden is voor hen om te stoppen met hun werk, in welke mate denkt u dat dit een representatief beeld is voor de hele sector?
De Patiëntenfederatie geeft in het artikel aan dat betere communicatie kan helpen in het verminderen van spanningen bij patiënten, bent u van mening dat communicatievoorzieningen van ziekenhuizen tekortschieten?
Veel ziekenhuizen geven agressietrainingen aan hun medewerkers, dit zou hen moeten helpen om situaties te de-escaleren, hoe kijkt u hier tegenaan en welke andere maatregelen ziet u om zorgprofessionals te ondersteunen?
Ziekenhuis Rijnstate merkt op dat aangiftes van agressie in de zorg worden geseponeerd omdat de politie capaciteitsproblemen heeft, hoe kijkt u hiernaar? Ziet u alternatieve mogelijkheden om passende gevolgen voor zorgdelinquenten te realiseren zonder aangifteprocedure? Zo ja, welke?
Hoe kijkt u naar een landelijke zwarte lijst waar ziekenhuizen agressieve patiënten kunnen aanmelden zodat ziekenhuizen maatregelen kunnen treffen bij bekende hufter-patiënten?
De stijging van verplichte zorg in de ggz |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cijfers dwang in de ggz opnieuw gestegen» en de onderliggende cijfers van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?1
Hoe beoordeelt u het feit dat het geregistreerde aantal ggz-cliënten dat te maken kreeg met verplichte zorg is gestegen van 13.022 in 2024 naar 13.722 in 2025, een stijging van ongeveer 5 procent?2, 3
In hoeverre kan deze stijging volgens u worden verklaard door een daadwerkelijke toename van verplichte zorg en in hoeverre door betere registratie? Kunt u dit zo veel mogelijk kwantificeren?
Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal cliënten dat sinds de inwerkingtreding van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) met verplichte zorg te maken heeft gekregen, uitgesplitst per jaar en naar vorm van verplichte zorg?
Hoe beoordeelt u dat zorgprofessionals tegenover de IGJ aangeven dat personeelstekorten, instabiele teams en hoge werkdruk kunnen leiden tot gevoelens van onveiligheid bij zorgverleners, waardoor sneller tot insluiting kan worden overgegaan?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat personeelsproblemen ertoe leiden dat patiënten eerder of vaker worden ingesloten?
Klopt het dat een landelijke registratie van het feitelijke aantal separeerverblijven en Extra Beveiligde Kamers (EBK’s) ontbreekt? Waarom bestaat deze landelijke registratie nog steeds niet?
Hoe kunt u beoordelen of het beleid om separeerverblijven en insluitingen in EBK’s af te bouwen daadwerkelijk succesvol is als niet landelijk bekend is hoeveel van deze ruimtes er zijn?
Kunt u verklaren waarom het aantal geregistreerde toepassingen van een EBK is gestegen van 2.529 in 2024 naar 2.893 in 2025, terwijl wordt ingezet op het terugdringen van insluiting?
Kunt u aangeven hoeveel van de 12.111 geregistreerde toepassingen van insluiting in 2025 daadwerkelijk eenzame opsluiting betroffen? Zo nee, waarom wordt dit niet geregistreerd?
Wanneer wordt de aangekondigde nulmeting naar het aantal klassieke separeercellen uitgevoerd en wanneer ontvangt de Kamer de resultaten?
Welke concrete en meetbare doelstellingen hanteert u voor het verminderen van insluiting en andere vormen van verplichte zorg in de ggz en op welke termijn moeten deze worden bereikt?
Hoeveel middelen heeft de rijksoverheid de afgelopen vijf jaar beschikbaar gesteld voor het terugdringen van dwang en insluiting in de ggz en welke aantoonbare resultaten zijn daarmee bereikt?
De IGJ geeft aan dat de gepubliceerde trendanalyse niet alle zorgaanbieders omvat, bent u bereid ervoor te zorgen dat er een volledig en landelijk vergelijkbaar beeld komt van de toepassing van verplichte zorg, insluiting, separatie en het gebruik van EBK’s?
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de ontwikkeling van verplichte zorg in de ggz, uitgesplitst naar de verschillende vormen daarvan, waaronder afzonderlijk insluiting in een separeerverblijf en een EBK?
De vergoeding van diabetessensoren |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Diabetessensor nodig, maar niet vergoed: wat als je nét buiten de criteria valt?»1
Klopt het dat de vergoedingscriteria voor een glucosesensor die gekoppeld is aan een insulinepomp grotendeels dateren uit 2017? Zo ja, wanneer zijn deze criteria voor het laatst geëvalueerd?
Hoe beoordeelt u het signaal dat mensen met diabetes type 1 deze technologie regelmatig niet vergoed krijgen, omdat zij net buiten de huidige vergoedingscriteria vallen, terwijl hun behandelaar vindt dat zij die nodig hebben?
Hoe kijkt u naar de oproep van diabetesverpleegkundigen en patiëntenorganisaties om bij de beoordeling naast glucosewaarden ook de dagelijkse ziektelast en de kwaliteit van leven mee te wegen?
Hoeveel mensen met diabetes vallen buiten de huidige criteria, terwijl hun behandelaar vindt dat zij medisch baat hebben bij deze technologie? Hoe verhoudt dit zich tot de schatting van Diabetesvereniging Nederland van zo’n 10.000 mensen, en bent u bereid dit nader in kaart te brengen?
Hoe kijkt u ertegenaan dat zorgverzekeraars verwijzen naar de criteria van het Zorginstituut, terwijl het Zorginstituut aangeeft hierin niet aan zet te zijn? Wie is volgens u verantwoordelijk voor het actualiseren van deze criteria?
Hoe past het tijdig inzetten van deze technologie, die complicaties en zorgkosten kan voorkomen, binnen uw inzet op passende zorg?
Bent u bereid zorgverzekeraars, behandelaars en patiëntenorganisaties bij elkaar te brengen om de criteria te laten aansluiten bij de stand van de wetenschap en praktijk, en zo nodig het Zorginstituut om een herbeoordeling te vragen?
De mogelijke gezondheidsrisico’s voor omwonenden van Chemelot |
|
Dion Huidekooper (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Chemelot: de schoorsteen moet roken» over de uitstoot van schadelijke stoffen door Chemelot en de mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden?1
Klopt het dat van slechts een beperkt aantal zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) metingen in de leefomgeving beschikbaar zijn en dat deze metingen bovendien maar op één locatie plaatsvinden? Acht u de huidige meetinfrastructuur toereikend om een representatief beeld te krijgen van de werkelijke blootstelling van omwonenden?
Hoeveel door Chemelot uitgestoten ZZS worden op dit moment níét structureel gemeten in de leefomgeving? Bent u bereid ervoor te zorgen dat er op meerdere locaties en op een breder pallet aan ZZS wordt gemeten?
Hoe controleren de Inspectie Leefomgeving & Transport (ILT) en Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) of de gerapporteerde uitstoot van Chemelot overeenkomt met de daadwerkelijke uitstoot uit de installaties op het Chemelot-terrein? Ziet u aanleiding om meer direct bij de bron te meten?
Klopt het dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) waarschuwt voor een mogelijk verhoogd gezondheidsrisico door de combinatie van verschillende ZZS, ook wanneer deze stoffen afzonderlijk onder de wettelijke normen blijven? Wat betekent deze conclusie volgens u voor de risico’s die omwonenden lopen?
Hoe wordt op dit moment bij vergunningverlening rond Chemelot rekening gehouden met de gecombineerde uitstoot van verschillende ZZS?
Welke mogelijkheden heeft de provincie Limburg volgens u om uit voorzorg vergunningen aan te scherpen of aanvullende eisen te stellen vanwege mogelijke risico’s van de gecombineerde uitstoot van ZZS?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de leefomgeving en volksgezondheid om ervoor te zorgen dat bij de vergunningverlening rond Chemelot voldoende rekening wordt gehouden met deze gecombineerde uitstoot? En welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf?
Hoe beoordeelt u de verschillende opvattingen van het RIVM en de provincie Limburg over de betekenis van de mogelijke risico’s van gecombineerde blootstelling? Deelt u de opvatting dat juist meer metingen nodig zijn om duidelijkheid te krijgen over de daadwerkelijke risico’s voor omwonenden?
Hoe wordt bij besluitvorming over Chemelot de economische betekenis van het industriecomplex afgewogen tegen de bescherming van milieu en de gezondheid van omwonenden? Hoe wordt daarbij geborgd dat economische belangen niet ten koste gaan van de gezondheid van omwonenden?
Kunt u verklaren waarom rond bijvoorbeeld Tata Steel uitgebreid gezondheidsonderzoek plaatsvindt, terwijl het RIVM ook rond Chemelot constateert dat belangrijke kennis ontbreekt en aanvullend onderzoek en metingen adviseert?
Hoe zorgt u ervoor dat de gezondheid van omwonenden van grote industriële complexen in alle regio’s van Nederland voldoende aandacht krijgt en dat Limburg hierin niet achterblijft?
Bent u bereid om samen met de provincie Limburg, het RIVM en de RUD Zuid-Limburg tot een plan van aanpak te komen voor aanvullende metingen en vervolgonderzoek rond Chemelot, en dit plan per Kamerbrief aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Mishandeling van kinderen in sanatoria en het ontbreken van erkenning voor hun leed |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht uit De Gelderlander «Eigen braaksel eten, urenlang onder wollen dekens in de brandende zon: leed sanatoriumkinderen blijkt onbekend»?1 over de duizenden kinderen die met onder meer tuberculose die in sanatoria zijn ondergebracht?
Kunt u zich voorstellen dat kinderen die deze ervaringen hebben, daar de rest van hun leven onder hebben geleden? Is bekend hoeveel kinderen, die inmiddels volwassen zijn of niet meer leven, vernederende straffen en ander leed hebben doorgemaakt in sanatoria?
Deelt u de mening dat deze verhalen en het boek Sanatoriumkind van Inge Mutsaers vragen om erkenning en nader onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Welke informatie is bij de overheid bekend over lichamelijk, psychisch en seksueel geweld en emotionele verwaarlozing van kinderen in Nederlandse sanatoria? Zijn hierover eerder meldingen ontvangen of onderzoeken verricht? Zo ja, wat is daarmee gedaan? Is de behandeling van deze kinderen ooit eerder onderwerp geweest in Kamerdebatten, of in het publieke debat?
Welke verantwoordelijkheid hadden de overheid en de toenmalige inspectiediensten voor de veiligheid van kinderen in sanatoria? Welke informatie is nog beschikbaar over het toezicht, eventuele klachten en het optreden naar aanleiding daarvan?
In hoeverre zijn ervaringen van voormalige sanatoriumkinderen betrokken bij eerdere onderzoeken naar geweld en misbruik in instellingen, waaronder de onderzoeken van de commissies-Deetman, -Samson en -De Winter? Kunt u per onderzoek toelichten of deze kinderen binnen de onderzoeksopdracht vielen en of hun ervaringen daadwerkelijk zijn onderzocht?
Deelt u de mening dat de aard van de instelling waarin een kind verbleef niet mag bepalen of vergelijkbare ervaringen van geweld en vernedering worden onderzocht en erkend? Hoe voorkomt u dat voormalige sanatoriumkinderen tussen de afbakeningen van eerdere onderzoeken en erkenningsregelingen blijven vallen?
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met voormalige sanatoriumkinderen, hun vertegenwoordigers en onderzoekers om hun ervaringen en behoeften in kaart te brengen? Hoe zorgt u ervoor dat ook mensen worden bereikt die hun ervaringen tot nu toe niet hebben durven delen of nooit die gelegenheid hebben gehad?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek mogelijk te maken naar geweld, misbruik en verwaarlozing van kinderen in sanatoria, met aandacht voor de rol van instellingen, religieuze organisaties en de overheid? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat getuigenissen en archiefmateriaal verloren gaan, gezien de hoge leeftijd van veel betrokkenen? Bent u bereid vooruitlopend op eventueel onderzoek te bevorderen dat getuigenissen zorgvuldig worden vastgelegd en relevante archieven worden veiliggesteld?
Welke mogelijkheden hebben voormalige sanatoriumkinderen om hun eigen dossiers en relevante instellingsarchieven terug te vinden en in te zien? Welke ondersteuning kunt u bieden wanneer een instelling is opgeheven, dossiers ontbreken of onduidelijk is wie de archieven beheert?
Kunnen voormalige sanatoriumkinderen aanspraak maken op eerdere regelingen voor erkenning of financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld en misbruik in instellingen? Zo ja, onder welke voorwaarden? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken welke vorm van erkenning en tegemoetkoming voor deze groep passend is?
Bent u ervan op de hoogte dat uw ambtsvoorganger eerder in antwoord op schriftelijke vragen over de mishandeling van een jongere in een jeugdzorginstelling benadrukte dat de erkenningsmaatregelen naar aanleiding van de commissie-De Winter ook bedoeld zijn voor slachtoffers van wie de individuele zaak inmiddels is verjaard?2 Deelt u deze mening? Zo ja, deelt u de mening dat dit ook consequenties heeft voor de overheid als het gaat over kinderen die zijn mishandeld, maar niet onder de onderzoeksopdracht vielen van commissies Samson, Deetman of De Winter?
Welke lessen uit de evaluatie van de erkenningsmaatregelen naar aanleiding van de commissie-De Winter zijn relevant voor voormalige sanatoriumkinderen, in het bijzonder waar het gaat om mensen die door de afbakening buiten een regeling vallen? Hoe betrekt u daarbij de aangenomen motie-Westerveld over het meenemen van de lessen uit het traject-De Winter en de mening van ervaringsdeskundigen en nabestaanden in het plan voor erkenning en herstel?3
Waar kunnen voormalige sanatoriumkinderen op dit moment terecht voor lotgenotencontact, ondersteuning en zo nodig gespecialiseerde psychologische hulp? Bent u bereid om samen met hen de behoeften in kaart te brengen?
Bent u bereid de betrokkenen te vragen of en zo ja, aan welke vormen van publieke erkenning zij behoefte hebben en passend zijn, zoals excuses of het zichtbaar maken van deze geschiedenis? Kunt u daarbij zorgen dat hun wensen daarbij leidend zijn en dat erkenning ook wordt verbonden aan concrete ondersteuning?
Zorgplafonds en de wachttijden in de ggz |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Pointer over de invloed van door zorgverzekeraars opgelegde zorgplafonds op de wachttijden in de GGZ?1 Deelt u de mening dat dit niet de eerste keer is dat wordt gewezen op deze relatie?
wat vindt u ervan dat bij vier op de tien onderzochte ggz-aanbieders de zorgverzekeraar mede bepaalt hoe lang iemand moet wachten? Wat vindt u ervan dat bijna een kwart van de aanbieders gedurende de onderzoeksperiode een patiëntenstop had voor verzekerden door een zorgplafond, terwijl verzekerden van andere zorgverzekeraars daar nog wel terechtkonden?
Vindt u het net als PRO onacceptabel dat mensen met precies dezelfde zorgvraag bij dezelfde aanbieder verschillende wachttijden hebben, enkel omdat zij bij een andere zorgverzekeraar verzekerd zijn? Zo nee, hoe legt u dit dan uit?
Hoe verhouden de bevindingen van Pointer zich tot de woorden van uw ambtsvoorganger die stelde dat omzetplafonds bijdragen aan doelmatigheid van zorg? Hoe verhouden de bevindingen van Pointer zich met de woorden «Ook is het niet zo dat er onderscheid is in het recht op zorg bij verschillende zorgverzekeraars»?2 Dit valt toch niet met elkaar te rijmen? Bent u bereid het standpunt van het kabinet op basis van deze nieuwe bevindingen te herzien?
Deelt u de analyse dat niet de personele capaciteit maar de financiering de feitelijke toegang tot zorg beperkt, bij aanbieders die wel capaciteit beschikbaar hebben, maar vanwege een omzetplafond geen nieuwe patiënten meer mogen aannemen? Hoe legt u dit uit aan mensen die op de wachtlijst belanden en aan behandelaren?
Hoe beoordeelt u het risico dat zorgverzekeraars omzetplafonds inzetten om verzekerden die relatief veel of dure ggz-zorg nodig hebben indirect te ontmoedigen, waardoor volgens DSW feitelijk sprake kan zijn van risicoselectie? Welke rol speelt de risicoverevening hierin? Welke maatregelen neemt u om dit soort prikkels weg te nemen?
Is een wachttijd van negen maanden door een bereikt omzetplafond volgens u verenigbaar met de wettelijke zorgplicht van een zorgverzekeraar en de Treeknormen? Zo ja, kunt u juridisch onderbouwen waarom? Zo nee, wie moet in zo’n situatie ingrijpen?
Hoe verklaart u het feit dat mensen maanden moeten wachten terwijl er behandelcapaciteit beschikbaar is, met de woorden van uw ambtsvoorganger dat zorgverzekeraars, als zorgbemiddeling niet leidt tot een tijdig en passend alternatief, bij de oorspronkelijke aanbieder moet bijcontracteren?3
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord is afgesproken om proactieve zorgbemiddeling te realiseren, hoeveel zorgverzekeraars bieden dit inmiddels daadwerkelijk aan, hoeveel wachtenden zijn daarmee benaderd en hoeveel mensen hebben hierdoor binnen de Treeknorm passende zorg gekregen?
Delt u de mening dat zorgbemiddeling alleen een oplossing is wanneer het alternatief inhoudelijk passend, tijdig bereikbaar en uitvoerbaar is voor de patiënt, en niet wanneer iemand met bijvoorbeeld autisme of complexe problematiek opnieuw naar een aanbieder wordt verwezen die deze zorg niet levert? Hoe wordt de kwaliteit en passendheid van zorgbemiddeling vanuit het perspectief van patiënten getoetst?
Wat is uw reactie op het signaal dat de informatie over patiëntenstops en wachttijden op websites van aanbieders soms niet klopt? Wie is verantwoordelijk voor de juistheid van deze informatie en hoe houdt de NZa hierop toezicht?
Bent u bereid om patiëntenstops als gevolg van omzetplafonds centraal en actueel inzichtelijk te maken, uitgesplitst naar zorgverzekeraar, aanbieder, regio en type ggz-zorg, zodat patiënten, verwijzers, de NZa en de Kamer kunnen zien waar beschikbare behandelcapaciteit om financiële redenen niet wordt benut?
Gaat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) naar aanleiding van de bevindingen van Pointer onderzoek doen naar de naleving van de zorgplicht door de genoemde zorgverzekeraars? Zo nee, bent u bereid de NZa te vragen dit te doen?
Hoeveel keer heeft de NZa in de afgelopen vijf jaar vastgesteld dat een zorgverzekeraar door een te laag omzetplafond of onvoldoende bijcontractering niet aan zijn zorgplicht voor de GGZ voldeed? Welke aanwijzingen, lasten onder dwangsom of boetes zijn daarbij opgelegd?
Hoe vaak hebben ggz-aanbieders in 2025 en 2026 per zorgverzekeraar om ophoging van hun omzetplafond gevraagd? Hoeveel van deze verzoeken zijn geheel of gedeeltelijk toegewezen, hoeveel zijn afgewezen en binnen welke gemiddelde termijn werd hierover beslist?
Welke inhoudelijke criteria gebruiken zorgverzekeraars bij het beoordelen van een verzoek om bijcontractering of ophoging van een omzetplafond? Hoe wordt voorkomen dat een administratief geschil tussen aanbieder en verzekeraar wordt afgewenteld op een patiënt die dringend zorg nodig heeft?
Waarom heeft u aangenomen moties die verzoeken het gebruik van omzetplafonds in de ggz te verbieden, nog niet uitgevoerd?4 Wanneer kan de Kamer de concrete uitvoering verwachten?
Bent u in afwachting van een definitieve stelselwijziging bereid omzetplafonds in ieder geval niet toe te staan wanneer een aanbieder aantoonbaar behandelcapaciteit heeft, er geen tijdig alternatief is en de Treeknorm wordt overschreden? Zo nee, waarom laat u een financieel instrument dan zwaarder wegen dan het recht op tijdige zorg?
Kunt u deze vragen vóór het einde van het overstapseizoen en de afronding van de zorginkoop voor 2027 beantwoorden, zodat mensen bij de keuze voor een zorgverzekering weten welke gevolgen het gebruik van omzetplafonds kan hebben voor hun toegang tot ggz-zorg?
Mantelzorgers die op straat dreigen te belanden |
|
Vicky Maeijer (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Eindhovens Dagblad waarin valt te lezen dat iemand die al jaren voor haar ongeneeslijk zieke moeder zorgt op straat dreigt te komen op het moment dat haar moeder komt te overlijden?1
Deelt u de mening, kijkende naar wat de betreffende persoon allemaal doet voor haar moeder met betrekking tot mantelzorg er onmiskenbaar sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onverklaarbaar is hoe de genoemde woningcorporatie zich heeft opgesteld met betrekking tot de vraag van de betreffende persoon om als medehuurder op het huurcontract te komen, kijkende naar al haar mantelzorgactiviteiten de afgelopen jaren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat mantelzorgers een onmisbare rol vervullen in de Nederlandse samenleving en dat dergelijke schrijnende casussen een negatieve invloed kunnen hebben op het aantal mensen dat mantelzorgactiviteiten wil ondernemen met alle gevolgen van dien? Zo nee, waarom niet?
Heeft u een beeld van hoe vaak schrijnende zaken zich voordoen in Nederland inzake naasten die op straat dreigen te komen na het overlijden van de hoofdhuurder en wat bent u bereid met relevante partners te ondernemen om dergelijke zaken zoveel mogelijk te voorkomen? Mocht u geen beeld hebben van de geschetste problematiek, bent u dan bereid zo snel mogelijk een diepgravend onderzoek in te stellen?
Deelt u de mening dat woningcorporaties en gemeenten zich altijd coulant dienen op te stellen in dergelijke casussen, niet alleen inzake de tijdsduur die mensen hebben om een nieuwe huurwoning te vinden, maar ook door het zo actief mogelijk begeleiden van mensen naar een nieuwe huurwoning (maatwerk) en mantelzorgers niet af te rekenen als zij niet in hun eigen huurwoning kunnen wonen door verblijf bij bijvoorbeeld ouders voor mantelzorgactiviteiten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening, in het verlengde van vraag zes, dat het uitgangspunt altijd zou moeten zijn, dat als naasten (die samenwoonden met een overleden hoofdhuurder) niet binnen de beschikbare termijn een nieuwe huurwoning weten te vinden, er nooit kan worden overgegaan in het op straat zetten van deze mensen?
Deelt u de mening dat het een ongelooflijke schande zou zijn en volslagen onverkoopbaar aan de samenleving als naasten die bijvoorbeeld jaren voor hun ongeneeslijk zieke ouders zorgen op straat komen te staan, terwijl statushouders voorrang krijgen op huurwoningen?
De sluiting van Huize Soria in Spanje en de veiligheid van Nederlandse kinderen |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Valenciaanse overheid Huize Soria in Aspe heeft bevolen de activiteiten onmiddellijk te beëindigen omdat de instelling zonder de vereiste vergunning opereerde?1
Bent u bekend met het project Adios Holanda en de relatie met Huize Soria? Kunt u de geschiedenis van beide namen, de betrokken rechtspersonen en bestuurders en eventuele wijzigingen daarin uiteenzetten, in ieder geval vanaf 2016 en waar relevant ook daarvoor?2
Hoeveel Nederlandse kinderen verbleven bij Huize Soria toen dit besluit werd genomen? Waar bevinden zij zich nu en wie controleert ter plaatse of zij veilig zijn?
Bent u bereid deze kinderen met spoed naar Nederland terug te halen en voor ieder kind passende opvang en aansluitende hulp te organiseren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Welke Nederlandse gemeenten, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen hebben kinderen bij Huize Soria geplaatst? Wie had vóór plaatsing moeten controleren of de vereiste vergunning aanwezig was en waarom is dit niet gebeurd?
Wanneer ontvingen uw ministerie, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de betrokken plaatsende instanties de eerste signalen over mogelijke misstanden bij Huize Soria of het project Adios Holanda? Welke concrete maatregelen zijn vervolgens genomen?
Zijn na deze eerste signalen nog kinderen bij Huize Soria geplaatst of bestaande plaatsingen verlengd? Zo ja, door wie en op welke gronden?
Beschikt u over het onderzoeksrapport waarin volgens het bericht signalen staan over voedselbeperkingen, fysieke fixatie, bestraffing en beperkingen van privécontact met familie of voogden? Bent u bereid dit rapport, zo nodig geanonimiseerd, aan de Kamer te verstrekken?
Hoe zorgt u ervoor dat huidige en voormalige bewoners onafhankelijk worden gehoord, zonder aanwezigheid van medewerkers van Huize Soria, en zo nodig medische zorg, traumabehandeling en ondersteuning bij het doen van aangifte krijgen?
Hoeveel Nederlands publiek geld is aan plaatsingen bij Huize Soria en het project Adios Holanda besteed, uitgesplitst per jaar en betalende instantie? Bent u bereid te laten onderzoeken of betalingen kunnen worden stopgezet en middelen kunnen worden teruggevorderd?
Bent u bereid onafhankelijk te laten onderzoeken wie verantwoordelijk is voor het plaatsen en laten verblijven van kinderen bij een instelling zonder de vereiste vergunning, en welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden? Neemt u daarbij ook de volledige voorgeschiedenis onder de naam Adios Holanda en eventuele andere handelsnamen of rechtspersonen mee?
Bent u bereid onmiddellijk te controleren of andere buitenlandse instellingen waar Nederlandse kinderen verblijven over de vereiste vergunningen beschikken en daadwerkelijk onder toezicht staan? Wat doet u wanneer de veiligheid van kinderen daar onvoldoende kan worden gegarandeerd?
Wilt u bij de beantwoording over eerdere plaatsingen, signalen, toezicht, financiering en nazorg expliciet ook het project Adios Holanda betrekken, in ieder geval vanaf 2016 en waar relevant ook daarvoor, en uw onderzoek niet beperken tot de huidige naam Huize Soria?
Kunt u de vragen over de huidige verblijfplaats, veiligheid en terugkeer van de kinderen binnen 48 uur beantwoorden en de overige vragen afzonderlijk zo spoedig mogelijk?
De bescherming van minderjarigen tegen plegers van seksuele misdrijven |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waaruit blijkt dat iemand die is veroordeeld wegens seksueel misbruik van minderjarigen, ondanks een opgelegd beroepsverbod, gedurende het hoger beroep beroepsmatig met minderjarigen kan blijven werken?1
Deelt u de zorgen dat deze casus een bredere kwetsbaarheid blootlegt, namelijk de bescherming van minderjarigen, omdat iemand na een veroordeling wegens een seksueel misdrijf tegen minderjarigen nog steeds beroepsmatig toegang tot hen kan houden zolang de veroordeling niet onherroepelijk is?
Welke wettelijke mogelijkheden heeft een rechter op dit moment om na een veroordeling in eerste aanleg onmiddellijk te voorkomen dat iemand die is veroordeeld wegens een seksueel misdrijf tegen een minderjarige, in afwachting van hoger beroep beroepsmatig met minderjarigen blijft werken?
Ziet u hierin een leemte in de huidige wetgeving, waaronder de Wet seksuele misdrijven en de regels rond beroepsverboden? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of een beroepsverbod ter bescherming van minderjarigen onder strikte voorwaarden direct uitvoerbaar moet kunnen worden verklaard, met behoud van de nodige rechtsbescherming?
Klopt het dat voor dansdocenten geen wettelijke VOG-plicht geldt en zij ook niet onder een systeem van continue screening vallen? Vindt u deze situatie verantwoord voor een beroep waarin volwassenen intensief en soms één-op-één met minderjarigen werken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken voor welke beroepen en sectoren waarin volwassenen structureel met minderjarigen werken geen VOG-plicht of continue screening geldt, en of aanvullende wettelijke waarborgen voor deze beroepen noodzakelijk zijn?
Klopt het dat de Opvolgingscommissie Dansen in januari 2026 in hun rapport concludeerde dat voor 28 van de 33 aanbevelingen uit Schaduwdansen (2023) nog aanvullende maatregelen nodig waren? Zo ja, hoe beoordeelt u dan tegen die achtergrond de voortgang bij het structureel veiliger maken van de danssector?
Hoeveel publiek geld is sinds de verschijning van Schaduwdansen besteed aan de Alliantie Dans Veilig en andere maatregelen gericht op sociale veiligheid in de danssector en welke concrete en meetbare verbeteringen als het gaat om de bescherming van (minderjarige) dansers zijn met deze middelen gerealiseerd? Kunt u dit uitgebreid beantwoorden?
Kunt u specifiek aangeven hoeveel dansaanbieders inmiddels aantoonbaar werken met concrete veiligheidswaarborgen, zoals een VOG, gedragscode, onafhankelijk meldpunt en adequate opvolging van signalen en welk aandeel dit vormt van de totale danssector? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat, ondanks jarenlange aandacht, rapporten en publieke financiering, structurele waarborgen zoals een algemene VOG-plicht, continue screening en een sluitend systeem om personen die een risico vormen voor minderjarigen uit de sector te weren nog altijd ontbreken?
Welke concrete wettelijke en andere maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de overheid en de sector zelf preventief en structureel bescherming organiseren?