Het artikel ‘Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig»1
Ja.
Deelt u de mening van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie dat het door u overgenomen advies van het Capaciteitsorgaan om het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 met elf te verhogen lang niet genoeg is om de tekorten op te vangen en geen oplossing vormt op de korte termijn? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS onderkent het belang van het opleiden van voldoende medisch specialisten om te kunnen voorzien in de toekomstige zorgvraag. Tegelijkertijd streven we naar het voorkomen van tekorten of overschotten op de langere termijn. Daartoe zijn de instroomadviezen van het Capaciteitsorgaan over de benodigde instroom in (medische) vervolgopleidingen leidend.
Het Ministerie van VWS volgt de raming van het Capaciteitsorgaan voor de medisch-specialistische vervolgopleidingen, waarin wordt aangegeven dat het aantal opleidingsplaatsen voor neurologen moet toenemen. In lijn met deze raming wordt het aantal opleidingsplaatsen voor neurologie in 2027 met elf verhoogd. Het Capaciteitsorgaan maakt bij het opstellen van de raming gebruik van de input van beroepsgroepen, opleidingsinstellingen, zorgverzekeraars en werkgevers die vertegenwoordigd zijn in de zogenoemde «kamers». De kamers en werkgroepen komen tot een inhoudelijk oordeel over de benodigde instroom in de opleidingen. Daarbij wordt rekening gehouden met ontwikkelingen, zoals de vergrijzing van de beroepsgroep, veranderingen in de deeltijdfactor en verschuivingen in de zorgvraag (bijvoorbeeld als gevolg van vergrijzing of nieuwe behandelmethoden). Het Capaciteitsorgaan richt zich op structurele ontwikkelingen op de lange termijn, waarbij varkenscycli worden voorkomen ten behoeve van een stabiele opleidingsinfrastructuur. Varkenscycli kunnen ontstaan wanneer er teveel wordt gestuurd op ontwikkelingen op de korte termijn. De Capaciteitsplannen zijn gericht op een stabiele opleidingsinfrastructuur voor de lange termijn. We gaan daarom uit van de raming van het Capaciteitsorgaan.
Over drie jaar wordt een nieuwe raming verwacht. Vanwege de duur van de opleiding kan een verhoging van het aantal opleidingsplaatsen echter niet direct bijdragen aan het oplossen van knelpunten op de korte termijn. Voor het aanpakken van de knelpunten op de korte termijn is het daarom ook van belang om de bestaande capaciteit zo goed mogelijk te benutten en te behouden. Voor de maatregelen die hierop zijn gericht, verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Bent u van plan het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 en/of de jaren erna verder te verhogen? Zo ja, naar hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS weegt de ramingen van het Capaciteitsorgaan in een driejaarlijkse cyclus. Tegelijkertijd is er in het coalitieakkoord vanaf het jaar 2029 een structurele korting ingeboekt voor de vervolgopleidingen medisch-specialisten ter hoogte van € 110 miljoen. Het streven is om begin 2027 een beeld te hebben hoe deze bezuiniging het beste vorm kan krijgen en wat dit betekent voor het aantal opleidingsplekken die beschikbaar zijn gesteld voor medisch specialisten in 2028 en 2029.
Welke maatregelen gaat u nemen om tot oplossingen op de korte termijn te komen?
Voor oplossingen op de korte- en middellange termijn wordt, naast het verhogen van de opleidingscapaciteit, ingezet op het zo goed mogelijk benutten en behouden van de bestaande capaciteit door anders te werken. Het kabinet werkt hier samen met de sector aan via de zorgakkoorden. Zo kan onder meer gedacht worden aan het verminderen van de administratieve lasten, regionale samenwerking en de inzet van digitale ondersteuning en slimme zorglogistiek. De vertaling naar specifieke maatregelen op regionaal en lokaal niveau vraagt om inzet van alle betrokken partijen, waaronder zorgaanbieders en (vertegenwoordigers van) de beroepsgroep.
De onveilige situatie bij zorgcentrum Pelgromhof in Zevenaar |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Dochter krijgt telefoontje van zorgcentrum en ontdekt dat er maar één medewerker is voor 26 ouderen»1 en «Eigen personeel van zorgcentrum hoopt dat werkgever omvalt: «Dat is voor iedereen beter»»?2
Ja, ik heb de artikelen gelezen. Ze schetsen een ernstig beeld van de situatie bij deze zorgaanbieder. Ik ben geschrokken van de berichtgeving, want ik vind het belangrijk dat ouderen veilige en liefdevolle zorg en ondersteuning krijgen die voldoet aan het kwaliteitskader dat hiervoor geldt. De IGJ doet onafhankelijk onderzoek naar de meldingen die bij hen zijn gemaakt.
Klopt het dat bij zorgcentrum Pelgromhof één jonge medewerker alleen verantwoordelijk was voor 26 kwetsbare ouderen en dat er geen avond- en nachtdienst aanwezig was?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Deelt u de mening dat het volstrekt onverantwoord is dat één medewerker alleen wordt gelaten met 26 kwetsbare bewoners? Zo nee, waarom niet?
Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van de IGJ kan ik geen uitspraken doen over de kwaliteit en veiligheid van zorg op de locaties Maria Postel en Pelgromhof van Pecura Zorg. Meer in het algemeen moeten zorgaanbieders voldoen aan de normen en regels met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Klopt het dat er twaalf diensten openstonden, dat medewerkers zelf vervanging moesten regelen en dat aan familieleden werd gevraagd bij te springen? Hoe worden onder deze omstandigheden de continuïteit en veiligheid van de zorg gegarandeerd?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de meldingen over een bewoner die ’s nachts in het eigen braaksel lag, een bewoner die tijdens het lopen haar katheter verloor en een bewoner die ten val kwam? Zijn deze incidenten gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Klopt het dat zorgverleners in opleiding zelfstandig nachtdiensten draaien en dat diensten worden uitgevoerd door zzp’ers die niet altijd voldoende gekwalificeerd zijn? Vindt u dit verantwoord?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de signalen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk meermaals is overtreden en dat zieke medewerkers onder druk worden gezet om snel weer aan het werk te gaan? Welke stappen worden hiertegen genomen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding van een vakbond ontvangen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk is overtreden. Tevens is gemeld dat er sprake is van hoge werkdruk en onderbezetting en het ontbreken van een basiscontract. Gezien het faillissement van Percura Zorg zullen deze meldingen niet meer onderzocht worden.
Klopt het dat Percura Zorg sinds 13 mei jl. niet meer beschikt over een arbodienst en daardoor ook geen bedrijfsarts heeft, nadat de arbodienst de dienstverlening wegens wanbetaling heeft beëindigd? Welke gevolgen heeft dit voor de begeleiding en bescherming van medewerkers en welke maatregelen worden genomen om deze situatie zo snel mogelijk te herstellen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding hierover ontvangen. Gelet het faillissement van Percura zorg zal deze melding niet meer worden onderzocht.
Hoeveel meldingen hebben de IGJ en de Nederlandse Arbeidsinspectie ontvangen over Percura Zorg en welke maatregelen zijn tot nu toe genomen?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in de jaren 2024 en 2026 in totaal 9 meldingen over Percura Zorg ontvangen. In 2024 heeft onderzoek plaatsgevonden, waarin 3 meldingen zijn onderzocht, met als resultaat één overtreding waarvoor een waarschuwing is gegeven. Zoals ook is aangegeven bij vragen 7 en 8, zijn recent twee meldingen door een vakbond gedaan, die vanwege het faillissement van Percura zorg niet worden onderzocht. De overige meldingen lagen niet op het werkterrein van de Nederlandse Arbeidsinspectie of kwamen niet in aanmerking voor onderzoek.
Op welke wijze wordt voorkomen dat de financiële problemen van Percura Zorg, waaronder wanbetaling aan uitzendkrachten en andere dienstverleners, ten koste gaan van de veiligheid en continuïteit van de zorg voor de bewoners?
Percura Zorg B.V. is per 11 augustus 2026 failliet verklaard. De zorg die geleverd werd op de locatie Maria Postel is inmiddels overgenomen door een nieuwe partij. Voor de locatie Pelgromhof wordt nog gezocht naar een overnemende partij. De curator is verantwoordelijk voor de afwikkeling van het faillissement van Percura zorg B.V. De zorg voor de ruim 20 bewoners loopt ondertussen door, aldus de curator. Het toezicht van de IGJ richt zich de komende periode op de kwaliteit van de zorg die nog geleverd wordt en een zorgvuldige overgang van cliënten naar een nieuwe zorgaanbieder. IGJ is daarover in gesprek met de bestuurder en de curator. Het zorgkantoor is vanuit diens zorgplicht hard aan het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. De NZa houdt hier toezicht op.
Waarom is bij de locatie Pelgromhof nog niet ingegrepen, terwijl medewerkers al langere tijd waarschuwen voor ondermaatse zorg en de locatie Maria Postel inmiddels failliet is verklaard?
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de uitkomsten van de onderzoeken van beide inspecties en over de maatregelen die worden genomen?
De recente meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie worden vanwege het faillissement van Percura zorg niet onderzocht.
De IGJ zal zodra het onderzoek afgerond is haar rapport publiceren op haar website.
Bent u op de hoogte van de situatie in Utrecht en Zuid-Limburg waarbij hoogzwangere vrouwen hun eerder toegezegde kraamzorg alsnog verliezen?1
Ja, het kabinet is op de hoogte van de situatie.
Kunt u zich voorstellen welke onzekerheid dit teweeg brengt bij zwangere vrouwen?
Ja, het brengt voor aanstaande ouders onzekerheid teweeg om te horen dat eerder toegezegde kraamzorg toch niet beschikbaar is. Het kabinet vindt dergelijke situaties zeer onwenselijk en vindt het van belang dat elke kraamvrouw die dat wil in ieder geval het minimum van 24 uur ontvangt.
Hoe kan het gebeuren dat vrouwen zo kort voor de bevalling te horen krijgen dat reeds toegezegde kraamhulp toch niet beschikbaar is?
Uit navraag bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het betreffende kraamzorg samenwerkingsverband (KSV) komt naar voren dat de capaciteitsproblemen bij De Kraamvogel in Utrecht zijn ontstaan in de periode tussen de aanmelding van deze zwangeren en het moment dat de organisatie de zorg heeft teruggegeven. Op dat moment bleek dat De Kraamvogel niet alle zorg kon leveren zoals eerder toegezegd aan de zwangeren. Zij hebben dit vervolgens laat met de ketenpartners besproken. Partijen in de regio zijn direct aan de slag gegaan om alternatieve kraamzorg voor deze zwangeren te realiseren. Dat is ook gelukt door middel van centraal wachtlijstbeheer, actieve bemiddeling binnen en buiten de regio, inzet van zelfstandige kraamverzorgenden, de inzet van het door het KSV georganiseerde kraamhotel in het St. Antonius en aanvullende digitale zorg.
Bent u het ermee eens dat een dergelijke gang van zaken onaanvaardbaar is en vanaf nu voorkomen moet worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het zeer onwenselijk dat eerder toegezegde zorg op een dergelijke korte termijn niet geleverd wordt. Na het ontstaan van de problematiek hebben zorgverzekeraars, het KSV, kraamzorgorganisaties, verloskundigen en ziekenhuizen direct geschakeld om zo snel mogelijk alternatieve kraamzorg voor de getroffen zwangeren te organiseren. Dit is ook gelukt, waarvoor complimenten. Dit laat zien hoe belangrijk integrale samenwerking is om capaciteitsproblemen het hoofd te bieden en tijdig maatregelen te treffen wanneer dit nodig is.
De branche heeft een normenkader opgesteld dat kraamzorgaanbieders en KSV’s helpt om beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten en ervoor te zorgen dat iedere cliënt tenminste de minimaal noodzakelijke kraamzorg ontvangt. De schaarste aan personeel vraagt om betere samenwerking en regionale afstemming op KSV-niveau. Binnen het transformatieplan van de sector wordt daarom gewerkt aan het versterken van de positie van KSV’s. Hierdoor wordt de regionale samenwerking tussen kraamzorgorganisaties verbeterd. Het helpt onder andere bij het regionaal in kaart brengen van vraag en aanbod en om het aanbod eerlijk te verdelen. Op 7 juli heeft met Bo geboortezorg een gesprek plaatsgevonden onder andere over de ondersteuning van de implementatie van dit basiskader. De komende tijd zal het kabinet verkennen op welke wijze deze implementatie ondersteund kan worden.
Welke verantwoordelijkheid hebben kraamzorgorganisaties wanneer zij eerder toegezegde zorg niet meer kunnen leveren?
De toegankelijkheid, kwaliteit en continuïteit van zorg is de verantwoordelijkheid van kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars. De NZa en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zien hierop toe. Wanneer een zorgorganisatie eerdere toezeggingen niet kan nakomen, bijvoorbeeld als gevolg van personeelskrapte, is het belangrijk dat een cliënt snel alsnog terecht kan bij een andere aanbieder. Om dit mogelijk te maken verwacht de IGJ van aanbieders dat zij actief op regionaal niveau samenwerken om de capaciteit in een regio beter te verdelen en pieken op te vangen.
Ook de zorgverzekeraar heeft vanuit diens zorgplicht een verantwoordelijkheid om regionale samenwerking te bevorderen. Daarnaast verwacht de NZa dat een kraamzorgaanbieder zo spoedig mogelijk meldt bij de zorgverzekeraar, dat zij toegezegde zorg niet kan nakomen. Dergelijke afspraken zijn doorgaans ook contractueel vastgelegd tussen zorgaanbieder en -verzekeraar. Het is vervolgens aan de zorgverzekeraar om, indien nodig, te zorgen dat zwangeren bemiddeld worden naar andere kraamzorgaanbieders. Als verzekerden niet de zorg hebben gekregen waar zij recht op hebben, dan spreekt de NZa de zorgverzekeraar daarop aan.
Hoe wordt voorkomen dat door deze gang van zaken de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor moeder en kind in gevaar komen?
In de specifieke situatie in Utrecht zijn de partijen in de regio direct aan de slag gegaan om alternatieve kraamzorg voor deze zwangeren te realiseren. Dat is, zoals eerder aangegeven, ook gelukt.
Op landelijk niveau hebben Bo geboortezorg en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) afspraken gemaakt over krapteregio’s, zoals Zuid-Limburg, om ervoor te zorgen dat alle cliënten in ieder geval worden voorzien van het minimum aantal uur. Als in regio’s met (verwachte) krapte extra regionale inzet en/of interventies nodig zijn, dan kunnen deze worden ingezet en bekostigd. Dit gebeurt aan de hand van een regioplan dat regionale partijen in overleg met preferente zorgverzekeraar(s) opstellen.
Kunt u in het bijzonder toelichten wat er wordt gedaan om te voorkomen dat juist kwetsbare vrouwen en gezinnen de komende zomer geen toegang hebben tot kraamzorg?
Kwetsbare gezinnen krijgen binnen de geboortezorg extra aandacht. Of sprake is van kwetsbaarheid wordt in de eerste plaats beoordeeld door zorgverleners en kraamzorgaanbieders tijdens de intake en zorgverlening. In situaties van schaarste werken kraamzorgaanbieders, het KSV en zorgverzekeraars samen om beschikbare capaciteit zo in te zetten dat passende zorg beschikbaar blijft. In Utrecht biedt het gezamenlijk opgerichte kraamhotel een belangrijke oplossing voor kwetsbare gezinnen. Daar kunnen gezinnen direct na de bevalling verblijven en kraamzorg ontvangen. Hierdoor ontstaat tijd om aanvullende zorg thuis te organiseren. Het hotel wordt bovendien veel gebruikt door gezinnen die extra begeleiding of observatie nodig hebben.
De IGJ ziet in haar toezicht dat het capaciteitsprobleem kraamzorggezinnen in een kwetsbare situatie in verhouding harder treft. Zwangeren in een kwetsbare situatie melden zich bijvoorbeeld vaker laat bij een kraamzorgaanbieder en komen dan op de wachtlijst, terwijl juist zij de kraamzorg vaak hard nodig hebben. Zij zijn soms minder goed in staat om de weg naar de zorg te vinden. De IGJ vraagt in haar publicatie van maart 20262, kraamzorgaanbieders, beleidsmakers en inkopers om bij het verdelen van de beschikbare capaciteit goed te letten op zwangeren die zich in een kwetsbare positie bevinden.
Voor de langere termijn werkt de sector aan een aantal grote landelijke transities die moeten leiden naar meer passende zorg, zoals de implementatie van de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM) en digitale zorg. Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van de verdeling van schaarse capaciteit via een capaciteitsdashboard, partuspools, en ontwikkeling van een KSV-kader en het versterken van de instroom en behoud van zorgprofessionals.
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars hun zorgplicht in deze situatie hebben ingevuld?
Uit navraag bij zowel de NZa als ZN komt het volgende beeld naar voren. Zodra zorgverzekeraars op de hoogte werden gesteld van de situatie in Utrecht, hebben zij contact onderhouden met De Kraamvogel en met de coördinator binnen het KSV. Met de coördinator is afgestemd hoe de zwangeren die niet langer terecht kunnen bij De Kraamvogel bemiddeld kunnen worden, zodat zij alsnog kraamzorg kunnen ontvangen. Deze zwangeren ontvangen thuis zorg van andere kraamzorgaanbieders of in het kraamhotel van het KSV in het St. Antonius ziekenhuis.
Kunt u garanderen dat vrouwen die op deze manier noodgedwongen in een kraamhotel terecht komen niet met extra kosten (voor bijvoorbeeld vervoer of verblijf) te maken krijgen? Als dit onverhoopt wel het geval is, worden deze gezinnen hiervoor gecompenseerd door de zorgaanbieder of de verzekeraar?
Het uitgangspunt is dat de inzet van deze voorzieningen niet mag leiden tot drempels om noodzakelijke kraamzorg te ontvangen. Zorgverzekeraars vergoeden de zorg en het verblijf van de kraamvrouw in het kraamhotel, behoudens de kosten die men ook zou hebben bij reguliere kraamzorg thuis. Voor eventuele overige kosten zoals parkeerkosten, maaltijden of kosten voor verblijf van de partner, bestaan geen landelijke afspraken over vergoeding of compensatie. In enkele regio's zijn hierover aanvullende afspraken gemaakt.
De gebruikelijke wettelijke eigen bijdrage voor kraamzorg blijft van toepassing. In een kraamhotel worden meer uren geleverd, daardoor valt deze bijdrage hoger uit. Veel verzekerden krijgen deze eigen bijdrage geheel of gedeeltelijk vergoed vanuit hun aanvullende verzekering. In Utrecht neemt de gemeente voor de kwetsbare groep een deel van de kosten op zich. Eventuele individuele vragen of knelpunten kunnen met de eigen zorgverzekeraar worden besproken.
Welke ondersteuning krijgen gezinnen die geen gebruik kunnen of willen maken van een kraamhotel?
Het uitgangspunt is dat gezinnen minimaal 24 uur passende kraamzorg ontvangen. Het KSV heeft laten weten dat gezinnen die geen gebruik willen maken van het kraamhotel op de centrale wachtlijst blijven staan. Middels bemiddeling wordt actief gezocht naar beschikbare capaciteit bij kraamzorgorganisaties en zelfstandige kraamverzorgenden binnen en buiten de regio. Daarnaast kan digitale ondersteuning worden ingezet.
Zijn bij u signalen bekend dat dit ook in andere regio’s speelt?
Arbeidsmarktkrapte in de kraamzorg is een landelijk vraagstuk en de problemen hieromtrent spelen in meerdere regio’s. Door Bo geboortezorg wordt een overzicht3 bijgehouden welke KSV regio’s te maken hebben met code rood. ZN geeft aan dat de situatie zoals die in Utrecht uitzonderlijk is. Zij zijn bekend met één andere situatie, waarbij cliënten uiteindelijk tijdig door een andere aanbieder zijn overgenomen.
Bij de IGJ zijn naar aanleiding van berichtgeving vanuit de Kraamvogel enkele signalen ontvangen. Dit betroffen signalen met betrekking tot het niet kunnen leveren van de kraamzorg en het plaatsen van de kraamvrouwen op de wachtlijst van de betreffende regio’s. Er zijn dit jaar geen meldingen van calamiteiten, zoals bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), binnengekomen over de regio Utrecht met betrekking tot kraamzorg. Er zijn ook geen andere signalen bekend bij de IGJ dat zwangeren worden uitgeschreven en het verzoek krijgen om zich aan te melden voor de regionale wachtlijst. Ook bij de NZa zijn geen andere signalen bekend.
Kunt u toelichten welke (regionale) afspraken er zijn gemaakt om te garanderen dat elke vrouw de kraamzorg krijgt waar zij gewoon recht op heeft?
Op landelijk niveau hebben Bo geboortezorg en ZN afspraken gemaakt over krapteregio’s om ervoor te zorgen dat alle cliënten worden voorzien van in ieder geval het minimum aantal uur. Als in regio’s met (verwachte) krapte extra regionale inzet en/of interventies nodig zijn dan kunnen deze worden ingezet en bekostigd aan de hand van een regioplan dat regionale partijen in overleg met preferente zorgverzekeraars opstellen. Interventies die regionaal worden ingezet zijn actieve wachtlijstbemiddeling, het (tijdelijk) opzetten van een kraamhotel, het opzetten van een centrale partuspool en extra regionaal opleiden.
Bieden deze afspraken naar uw overtuiging voldoende zekerheid voor vrouwen?
Het kabinet is ervan overtuigd dat met de gemaakte afspraken de beschikbare capaciteit zo efficiënt mogelijk wordt ingezet en ieder die dat wil voorzien wordt van de noodzakelijke kraamzorg thuis of bijvoorbeeld in een kraamhotel. De wijze waarop de verschillende partijen in Utrecht hun rol gepakt hebben om alle zwangeren alsnog te voorzien van kraamzorg is daar een goed voorbeeld van. Het kabinet is van mening dat goede samenwerking daarbij onontbeerlijk is.
Hoe wordt de regionale ongelijkheid aangepakt nu sommige delen van Nederland blijkbaar met méér tekorten kampen dan andere?
Regionale verschillen in beschikbaarheid van personeel vragen om regionale oplossingen. Regio’s met (verwachte) krapte bepalen in afstemming met de zorgverzekeraars welke interventies nodig zijn om de toegankelijkheid te kunnen borgen.
De NZa stimuleert verzekeraars om, samen met regionale partijen, ook te zoeken naar oplossingen buiten de eigen regio. De NZa ziet er op toe dat de verdeling van de schaarse capaciteit proactief wordt aangestuurd door verzekeraars. Daarnaast is het toezicht van de NZa erop gericht dat zorgverzekeraars samen met veldpartijen tot een toekomstgerichte aanpak komen. Dat is gerealiseerd met de visie en versnellingsagenda van ZN en Bo Geboortezorg. De daadwerkelijke effectuering van deze plannen heeft tijd nodig.
Bent u bereid om op korte termijn extra financiële middelen beschikbaar te stellen voor verbetering van arbeidsvoorwaarden in de kraamzorg, waaronder salaris en wachttijden?
Wat betreft kostendekkende tarieven, salaris en wachtdienstvergoeding in de kraamzorg zijn de rollen en verantwoordelijkheden helder. De NZa stelt kostendekkende maximumtarieven vast op basis van regulier kostprijsonderzoek. In de kraamzorg zijn er maximumtarieven, met ruimte voor aanvullende afspraken via max-max tarieven (10%) en de Toeslag integrale geboortezorg binnen de kraamzorg (10%). Recent heeft de NZa weer kostprijsonderzoek uitgevoerd. De daaruit volgende nieuwe tarieven zijn per 1 januari 2026 ingegaan.
Het Ministerie van VWS stelt daarnaast ieder jaar extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar, via de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova), zodat werkgevers binnen de zorg marktconforme cao’s kunnen afsluiten. Het is aan sociale partners om passende afspraken te maken, bijvoorbeeld over de vergoeding en inrichting van wachtdiensten in de cao.
Kunt u inmiddels verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moeten worden aangemerkt en dienovereenkomstig beloond moeten worden?2
Op 2 juni jl.5 is de Kamer geïnformeerd over het arbeidsmarktbeleid en opleidingen van de zorgsector. De motie van mevrouw Vliegenthart (PRO)6 die de regering verzoekt te verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moet worden aangemerkt, is in die brief afgedaan.
Het uitgangspunt bij een oproepdienst is dat arbeidstijd begint op het moment van een oproep. Tot en na die tijd, en bij het uitblijven van een oproep, is er sprake van rusttijd. Een belangrijke nuance hierbij is dat oproepdiensten werknemers niet te veel mogen beperken in het vrij invullen van hun tijd, zo blijkt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Rijksoverheid.nl bevat informatie over consignatie (oproepdienst)7. Op Rijksoverheid.nl ontbrak de nuance vanuit de EU-jurisprudentie. Daarom is dit aangepast. Dat verduidelijkt het onderscheid tussen arbeidstijd en rusttijd bij oproepdiensten.
Waarom ontbreekt er nog steeds een serieuze aanpak van de crisis in de kraamzorg, gezien het feit dat kraamverzorgenden en de Tweede Kamer hier kéér op kéér toe hebben opgeroepen? Kunt u inzichtelijk maken wat u hebt gedaan met alle eerdere aanbevelingen om de noodsituatie in de kraamzorg snel aan te pakken, van begin tot eind, van opleiding tot vergoedingen voor reizen en wachten?
Het kabinet erkent dat de capaciteitsproblematiek in de kraamzorg weerbarstig is, maar benadrukt ook dat de transitie tijd en gezamenlijke inzet vraagt. De sleutel is passende kraamzorg. De brancheorganisatie Bo geboortezorg en ZN zetten zich al enige tijd in om de problemen op de korte, middellange en lange termijn het hoofd te bieden om de beschikbare capaciteit zo passend mogelijk te verdelen. Hiervoor hebben zij in het verleden convenanten afgesloten en een visie en versnellingsagenda opgesteld. Dit heeft verder vorm gekregen in het transformatieplan toekomstbestendige kraamzorg waar ook transformatiemiddelen voor zijn toegekend. Dit plan richt zich onder meer op het behouden en opleiden van personeel en passende kraamzorg. De kabinetsinzet voor de kraamzorg is eerder met de Kamer gedeeld8 waarin het kabinet specifiek aandacht heeft voor versnelling op passende kraamzorg, instroom en behoud van kraamverzorgenden en twee vervolgonderzoeken. De komende periode staan meerdere gesprekken gepland met de sector om hier blijvend aandacht voor te vragen en de ondersteuning vanuit het kabinet nader te concretiseren.
Voor de korte termijn trekken zorgverzekeraars gezamenlijk met Bo geboortezorg op om knelpunten in de toegankelijkheid van kraamzorg vroegtijdig te signaleren en waar nodig maatregelen te treffen in de regio’s waar dit speelt. Daarbij wordt samengewerkt met kraamzorgaanbieders, VSV’s en andere betrokken partijen om de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk in te zetten.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de moties Dijk/Dobbe3, Bikker c.s.4, Dobbe/Van Dijk5, Van Dijk c.s.6, Coenradie7 en Van Meetelen/Van Dijk8? Ziet u in dat uw aanpak tot nu toe niet voldoet aan de oproepen van de Tweede Kamer?
Zoals eerder aangegeven zijn acties in gang gezet om de transitie in de kraamzorg vorm te geven. Deze acties vragen tijd en gezamenlijke inzet. Voor de uitvoering van de moties hebben al gesprekken plaatsgevonden met onder andere de brancheorganisatie, ZN en opleidingspartijen. Na de zomer zal ook een gesprek met de initiatiefnemers van het Manifest plaatsvinden. Begin 2027 wordt de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.
Het niet-onafhankelijke en niet-vrijblijvende karakter van de Schijf van Vijf |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kunt u volhouden dat de Schijf van Vijf slechts vrijblijvende publieksvoorlichting is, terwijl het kabinet in haar reactie op rapportages en onderzoeken voeding en alcohol schrijft dat het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten per supermarkt jaarlijks wordt gemonitord, gepubliceerd en gebruikt als uniforme maatstaf voor de mate waarin supermarkten bijdragen aan de zogenoemde gezonde keuze?
Zoals het kabinet heeft aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Van Meetelen (2026Z07617) hecht het kabinet aan individuele keuzevrijheid. Mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan voor mensen een hulpmiddel zijn om een goed geïnformeerde keuze te maken.
Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding. De monitor verkoopaandeel Schijf van Vijf producten in de supermarkt is een middel om inzichtelijk te maken welke bijdrage supermarkten leveren om de gezonde keuze in de supermarkt makkelijker te maken. Het is aan de supermarkt hoe die hier op wil sturen, via aanbod, marketing, positionering of prijzen. De opzet van deze monitor is afgestemd met de supermarkten.
Erkent u dat een advies ophoudt vrijblijvend te zijn zodra de overheid supermarkten publiekelijk langs dezelfde meetlat legt, percentages per supermarktketen publiceert en vervolgens op basis van die meting «concrete afspraken» wil maken over vergroting van het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten? Zo nee, waar ligt voor u dan nog de grens tussen vrijblijvende informatie en beleidsmatige sturing?
Nee, dat ziet het kabinet anders. De adviezen van het Voedingscentrum zijn vrijblijvend voor de consument. Consumenten zijn vrij een eigen afweging te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon.
De inzet van het kabinet is om de gezonde keuze makkelijker te maken. Dit vraagt een verschuiving van de verhouding gezond-ongezond in zowel productaanbod als de marketing ervoor, aangezien deze nu overwegend ongezond zijn. Hiervoor is een indeling nodig voor wat kan worden gezien als een gezond en ongezond product. Het kabinet kiest ervoor de criteria van de Schijf van Vijf hiervoor te gebruiken.
Hoe kunt u spreken van onafhankelijkheid, terwijl het Voedingscentrum volledig afhankelijk is van overheidsfinanciering, zijn plannen moet laten aansluiten op beleidsdoelen van de overheid, zich richting subsidieverstrekkende ministeries moet verantwoorden en bij verlies of verlaging van subsidie direct minder invloed kan uitoefenen via scholen, zorg, wijkbijeenkomsten en andere kanalen?
Met de onafhankelijkheid van het Voedingscentrum doelt het kabinet op de (wetenschappelijk onderbouwde) inhoud van hun informatie. Het kabinet waakt ervoor dat ministeries invloed uitoefenen op inhoudelijke informatie of advisering. Financiering van de overheid maakt het mogelijk dit inhoudelijk onafhankelijke advies te ontwikkelen en in bepaalde mate te verspreiden en onder de aandacht te brengen.
Erkent u dat er sprake is van een kunstmatige scheiding wanneer het kabinet zich beroept op het «onafhankelijke» oordeel van het Voedingscentrum over welke producten wel of niet in de Schijf van Vijf vallen, terwijl dat oordeel vervolgens door hetzelfde kabinet wordt gebruikt voor monitors, beleid, afspraken met supermarkten, productverbetering en mogelijke wettelijke beperkingen op kindermarketing?
Nee, het kabinet ziet dit als een scheiding tussen enerzijds wetenschappelijk onderbouwde inhoudelijke advisering door experts en anderzijds de politieke keuze om deze indeling wel of niet te gebruiken in beleidsmaatregelen.
Hoe kunt u stellen dat de Schijf van Vijf geen normerend instrument is, terwijl producten, supermarkten, marketinguitingen en zelfs baby- en kindervoeding in kabinetsstukken worden beoordeeld aan de hand van de vraag of zij wel of niet voldoen aan de richtlijnen van de Schijf van Vijf, waarna het kabinet spreekt over zorgwekkende uitkomsten, noodzakelijke verbetering van het aanbod en verdere inzet richting bedrijfsleven en Europese regelgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid voortaan eerlijk te erkennen dat de Schijf van Vijf in de praktijk geen losstaand, onafhankelijk en vrijblijvend voedingsadvies is, maar een door de overheid gefinancierde beleidsnorm die via het Voedingscentrum, RIVM-monitors, supermarktafspraken, productverbetering, scholen, zorginstellingen en regelgevingstrajecten wordt ingezet om burgers, instellingen en bedrijven in een door de overheid gewenste richting te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hierboven is aangegeven is de Schijf van Vijf een vrijblijvend advies voor de consument. Het kabinet kiest ervoor om deze indeling wel of niet te hanteren bij beleidsmaatregelen. Vanwege eenduidigheid kiest het kabinet bij indelingen voor wat gezonde en minder gezonde producten zijn, waar mogelijk en passend voor de indeling volgens de Schijf van Vijf.
Hulpmiddelen en voorzieningen voor mensen met een beperking, in navolging op vragen uit 2024 en 2025 |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
In 2024 noemde uw ambtsvoorganger Minister Helder het in antwoord op onze Kamervragen1 «onacceptabel» dat mensen te lang moeten wachten op hulpmiddelen en in 2025 gaf uw ambtsvoorganger Staatssecretaris Maeijer aan dit «vreselijk»2 te vinden. Begrijpt u het dat mensen met een beperking en hun naasten, soms moedeloos worden als zij dit soort stevige termen horen, maar in hun leven, vrijheid, studie, werk en sociaal leven worden beperkt omdat precies dezelfde problemen niet worden opgelost?
In 2025 gaf u aan dat in het Landelijk normenkader hulpmiddelen is opgenomen dat de gemeente afspraken maakt over de wacht- en levertijden in de overeenkomsten met de leveranciers en daar ook op stuurt. Gebeurt dit in alle gemeenten? Wie controleert dit? Hoe weet u of de afspraken in het landelijk normenkader overal worden nagekomen?
U gaf ook aan dat de gemeente en/of de leverancier de cliënt proactief op de hoogte houdt van diens aanvraag en/of levering van het hulpmiddel, zodat deze informatie ook inzichtelijk is voor de cliënt zelf. Heeft u de indruk dat dit standaard gebeurt?
Hebben inmiddels alle gemeenten de convenanten die zijn voortgekomen uit de Verbeteragenda Hulpmiddelen ondertekend?
Kunt u aangeven welke stappen zijn gezet om de levering en beschikbaarheid van hulpmiddelen te verbeteren, ook gezien de verplichtingen die voorkomen uit het VN-Verdrag Handicap waaronder tenminste Artikel 9, 19, 20, 29 en 30?
In antwoord op vorige Kamervragen gaf u aan dat problemen ook voortkomen uit het niet beschikbaar zijn van onderdelen en een tekort aan monteurs. Hoe groot zijn de personeelstekorten nu, bij benadering, in fte’s? Wat heeft u sindsdien ondernomen? Heeft u afspraken gemaakt over het hanteren van een vaste reserve voor veel gebruikte onderdelen? Heeft uw ministerie gesprekken gevoerd met leveranciers en beroepsopleidingen om gezamenlijk te werken aan werving en het onder de aandacht brengen van opleidingstrajecten en omscholingsmodules? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Welke eisen worden gesteld aan de locatie en regionale spreiding van voorraden van veelgebruikte onderdelen en van werkplaatsen waar monteurs reparaties uitvoeren? Wordt bij de contractering en beoordeling van leveranciers meegewogen welke gevolgen de afstand tussen de gebruiker, de leverancier en de werkplaats heeft voor de reparatie- en levertijd? Zo nee, bent u bereid hierover landelijke minimumeisen of afspraken te maken?
Deelt u de mening, dat het in lijn met het VN-Verdrag Handicap onacceptabel is dat mensen die een hulpmiddel nodig hebben regelmatig te maken krijgen met ingewikkelde en lange aanvraagprocedures, meerdere loketten, herhaalde beoordelingen en onduidelijkheid over wie verantwoordelijk is? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om het aanvraag en beoordelingsproces te vereenvoudigen?
Is het wettelijk noodzakelijk dat, nadat een gespecialiseerde paramedicus de noodzaak en functionaliteit van een hulpmiddel heeft beoordeeld, daarnaast een medisch specialist het hulpmiddel beoordeelt en voorschrijft? Zo ja, op grond van welke bepaling? Zo nee, waarom komt dit in de praktijk toch voor?
Kan het voorkomen dat een patiënt voor hetzelfde hulpmiddel meerdere keren door een medisch specialist moet worden beoordeeld? Zo ja, in welke situaties is dit medisch noodzakelijk en in welke situaties vloeit dit voort uit administratieve of contractuele voorwaarden?
Welke ruimte hebben zorgverzekeraars, gemeenten en zorgkantoren om aanvullende eisen te stellen aan verwijzingen, voorschriften, indicaties en voorafgaande toestemming voor hulpmiddelen? Op welke wijze wordt getoetst of deze eisen proportioneel en doelmatig zijn?
Deelt u de mening dat een beoordeling die zonder medische noodzaak wordt herhaald geen passende zorg is, maar verspilling van patiënttijd, professionele capaciteit en collectieve zorgmiddelen?
Kunnen gespecialiseerde paramedici, zoals handtherapeuten, ergotherapeuten en fysiotherapeuten, binnen de huidige wettelijke kaders rechtstreeks bepaalde hulpmiddelen aanvragen of voorschrijven? Zo nee, welke juridische of contractuele belemmeringen staan dit in de weg?
Bent u bereid met zorgverzekeraars, beroepsgroepen, patiëntenorganisaties en hulpmiddelenleveranciers af te spreken dat reeds vastgelegde medische informatie en beoordelingen worden hergebruikt en niet opnieuw worden opgevraagd, tenzij daar een concrete medische reden voor bestaat? Wilt u bij deze uitwerking ook ervaringsdeskundigen en zorgprofessionals betrekken die zelf met ingewikkelde hulpmiddelenroutes te maken hebben gehad, zodat niet alleen de afzonderlijke regels, maar ook de stapeling daarvan wordt beoordeeld?
Bent u bereid te onderzoeken voor welke hulpmiddelen een verkorte aanvraagroute kan worden ingevoerd, waarbij een beoordeling door een aantoonbaar deskundige behandelaar voldoende is en herhaalde verwijzingen, consulten en beoordelingen achterwege kunnen blijven?
Bent u ten slotte bereid de Kamer concrete voorstellen te doen voor een maximale totale doorlooptijd en een verkorte aanvraagroute voor relatief eenvoudige of laag-risico hulpmiddelen?
Worden de totale kosten van hulpmiddelenroutes momenteel in beeld gebracht, inclusief consulten, verwijzingen, machtigingen, administratieve handelingen, reistijd, wachttijd en gezondheidsschade door uitstel? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Bent u bekend met het rapport van Significant uit 2024 «Implementatie Verbeteragenda Hulpmiddelen»3 waaruit onder meer bleek «dat het in ruim een kwart van de ondervraagde gemeenten niet lukt om een complexe hulpmiddelenaanvraag binnen de wettelijke maximum tijd van zes weken te beoordelen, en dat daarnaast een deel van de respondenten geen zicht heeft op de gemiddelde beoordelingstermijn.»? Heeft u er zicht op of deze en andere bevindingen uit het rapport inmiddels zijn verbeterd?
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke kaders gelden voor de wachttijd en de totale doorlooptijd van een hulpmiddelenaanvraag vanuit respectievelijk de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)? Welke bepalingen uit de Zvw, de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de Wmo en de onderliggende regelgeving zijn hierbij relevant?
Geldt voor de beoordeling, machtiging, aanmeting en levering van hulpmiddelen vanuit de Zorgverzekeringswet een concrete maximale wachttijd of doorlooptijd? Zo ja, welke termijn geldt per stap en voor de volledige procedure? Zo nee, hoe wordt dan bepaald wanneer iemand onaanvaardbaar lang wacht?
Vanaf welk moment wordt de wachttijd voor een hulpmiddel geregistreerd: vanaf de eerste hulpvraag, de eerste verwijzing, de indicatiestelling, de formele aanvraag bij de zorgverzekeraar, de goedkeuring van die aanvraag of de opdracht aan de leverancier?
Welke mogelijkheden heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om zorgverzekeraars aan te spreken wanneer ingewikkelde aanvraag- of machtigingsprocedures ertoe leiden dat verzekerden niet tijdig over een passend hulpmiddel kunnen beschikken?
Hoe vaak heeft de Nederlandse Zorgautoriteit in de afgelopen vijf jaar signalen ontvangen, onderzoek gedaan of handhavend opgetreden vanwege te lange aanvraag-, machtigings- of leveringstermijnen bij hulpmiddelenzorg?
Waar kan iemand terecht voor klachten of juridische hulp wanneer geen enkele afzonderlijke processtap buitensporig lang duurt, maar de opeenstapeling van verwijzingen, beoordelingen, machtigingen en wachttijden wel tot een onaanvaardbare totale doorlooptijd leidt?
Welke rechten hebben de gebruikers van een hulpmiddel als niet aan de gemaakte afspraken wordt voldaan? Beseft u dat zij hierdoor zowel lichamelijke gevolgen als (financiële) schade lijden omdat aanvraagprocedures al veel tijd en energie kosten en dit ook ten koste kan gaan van studie en werk? Deelt u de mening dat verbetering noodzakelijk is en bent u ook bereid de regie te pakken in een verbetertraject?
Het bericht ‘We zijn pa zélf maar gaan verschonen’; grote reorganisatie pakte dramatisch uit bij zorginstelling |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «We zijn pa zélf maar gaan verschonen»; grote reorganisatie pakte dramatisch uit bij zorginstelling?1
Wat is uw reactie op de beschreven situaties bij zorginstelling Valkenhof, waarbij bewoners met vergevorderde dementie onder meer geen hulp zouden hebben gekregen bij eten en drinken, in hun eigen ontlasting werden aangetroffen en vermoedelijk urenlang op de vloer hebben gelegen?
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is wanneer kwetsbare ouderen die volledig afhankelijk zijn van intensieve zorg niet de persoonlijke verzorging, voeding, medicatie en veiligheid krijgen waarop zij moeten kunnen rekenen?
Hoe beoordeelt u dat Valkenhof ervaren zzp'ers gedeeltelijk heeft vervangen door zogenoemde leefgroepondersteuners zonder zorgachtergrond, terwijl de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vervolgens constateerde dat deze medewerkers taken uitvoerden waarvoor wel degelijk scholing nodig was?
Welke eisen gelden voor zorginstellingen bij de inzet van medewerkers zonder zorgopleiding en hoe wordt voorkomen dat taken waarvoor professionele deskundigheid noodzakelijk is toch bij onvoldoende geschoolde medewerkers terechtkomen?
Hoe voorkomt u dat zorginstellingen vanuit de wens om personeelskosten terug te dringen de scheiding tussen welzijnstaken en professionele zorgtaken zodanig vormgeven dat de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor bewoners in het gedrang komen?
Wat vindt u ervan dat De Vlasgaard volgens het inspectierapport op zeven van de acht onderzochte kwaliteitsnormen onvoldoende scoorde en daarmee niet voldeed aan de basisnormen voor goede en veilige zorg?
Is u bekend dat de IGJ Valkenhof vier maanden de tijd heeft gegeven om de tekortkomingen te herstellen? Gaat de IGJ na afloop van deze termijn controleren of de tekortkomingen daadwerkelijk zijn opgelost en of de zorg voor bewoners inmiddels aantoonbaar veilig is? Zo ja, wanneer vindt deze controle plaats? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw reactie op de constatering van de IGJ dat incidenten onvoldoende werden geregistreerd en dat de medicatieveiligheid niet op orde was? Kunt u aangeven of deze tekortkomingen inmiddels volledig zijn hersteld?
Wat vindt u ervan dat familieleden naar eigen zeggen herhaaldelijk bij medewerkers, het management en uiteindelijk het zorgkantoor aan de bel hebben getrokken, maar zich niet serieus genomen voelden en niet direct verbetering zagen? Heeft het zorgkantoor in deze situatie naar uw oordeel voldoende en tijdig gehandeld?
Bent u bereid de Kamer na afloop van het verbetertraject te informeren over de bevindingen van de IGJ en duidelijk te maken of Valkenhof inmiddels weer volledig voldoet aan de normen voor goede en veilige zorg?
Het gezondheidsrisico van onduidelijkheid over spuitzones en onzorgvuldige toekenning van pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat de Staatssecretaris van LVVN heeft besloten om geen opdracht te geven voor de ontwikkeling van een rekenmethode voor spuitzonering, ondanks dat het RIVM en de WUR in hun rapport hierover concluderen dat dit haalbaar is, ondanks dat daartoe is opgeroepen door middel van de motie Vedder c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 659), ondanks dat gemeenten vragen om duidelijkheid, en ondanks dat de gezondheid van mensen, dieren en natuur op dit moment ernstig bedreigd worden door het gebruik van landbouwgif? Hoe rijmt u dit met een beleid dat de volksgezondheid op één wil zetten? Vindt u bedrijfsbelangen dan toch belangrijker?1 2 3
Bent u het eens dat een wetenschappelijk onderbouwde rekenmethode veel kan betekenen voor het draagvlak onder bedrijven en de bevolking en veel duidelijkheid kan scheppen bij gemeenten voor spuitzonering? Zo nee, waarom niet?
Welke zwaarwegende argumenten voor bescherming van volksgezondheid heeft u om het advies van het belangrijkste instituut voor volksgezondheid, het RIVM, niet op te volgen?
Als u niet verder gaat met het ontwikkelen van een rekenmethode, hoe verwacht u dan tegemoet te komen aan de zorg, die u zelf aanhaalt in uw brief, dat «uit jurisprudentie blijkt dat bestaande onderbouwingen voor maatwerk in lokale situaties regelmatig onvoldoende worden geacht»? Verwacht u dat de bestuurlijke afspraken in het Convenant «Gewasbeschermingsmiddelen» voldoende gaan zijn om stand te houden bij de rechter? Zo ja, waar baseert u zich dan precies op? Is dat een voorwaarde die u stelt aan de bestuurlijke afspraken?
Hoe bent u nu concreet van plan om de volksgezondheid te gaan waarborgen en gemeenten wetenschappelijke onderbouwde duidelijkheid te geven over spuitzonering?
Aangezien uit onderzoek bekend is dat landbouwgif zich kilometers kan verspreiden, bent u bereid om in lijn met het voorzorgsbeginsel, zo lang als er onduidelijkheid bestaat, en zolang u niet kunt onderbouwen dat een kleinere spuitzonering kan bestaan zonder aantasting van gezondheid van mens, dier en milieu, een spuitzonering van minstens 500 meter verplicht te stellen? Of op zijn minst 50 meter verplicht te stellen, in lijn met huidige jurisprudentie? Zo nee, waarom niet, en op welke recente wetenschappelijke inzichten baseert u zich?
Bent u bekend met de oproep van meer dan huisartsen om te stoppen met landbouwgif in de sierteelt?4
Wat vindt u ervan dat zoveel zorgprofessionals zich genoodzaakt voelden om een noodsignaal uit te zenden, bijvoorbeeld omdat er «overtuigende aanwijzingen voor verbanden met ernstige aandoeningen zoals Parkinson, ALS en leukemie bij kinderen» zijn? Wat is uw reactie op hun zorgen en oproep?5
Hoe gaat u de zorgen van de vele zorgprofessionals nu wegnemen, terwijl u doorwerkt aan een convenant waar maatschappelijke organisaties die opkomen voor de gezondheid hun handtekening niet onder willen zetten? Op welke manier vindt u zo’n convenant dan geloofwaardig voor de zorgprofessionals?
Bent u bekend met het feit dat het UMCG recent heeft besloten opnieuw onderzoek te gaan doen tussen het verband van pesticiden en de ziekte van Parkinson, omdat bij de hoogste mate van blootstelling aan een combinatie van verschillende middelen het risico op Parkinson met zo'n 50 procent stijgt?6
Wat vindt u van de zorg die onderzoekers en zorgprofessionals hebben dat bij beoordeling en maatregelen geen rekening wordt gehouden met het «cocktaileffect» van middelen? Vindt u dat deze zorg relevant is voor de gezondheid van Nederlanders? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich? Hoe gaat u deze zorg wegenemen en welke concrete maatregelen (met tijdlijn) horen daarbij?
Als er nog zoveel onduidelijk is, en er zulke grote risico’s zijn, waarom loopt u dan weg voor uw verantwoordelijkheid om een duidelijke lijn uit te zetten wat betreft spuitzones? Waarom is het beschermen van de gezondheid van mens, dier en milieu niet uw hoogste prioriteit?
Bent u ermee bekend dat uit onderzoek van Pointer bleek dat de pesticidenlobby mee heeft kunnen schrijven bij amendementen op EU-wetgeving, en wel 101 toegangspassen had tot het Europees Parlement?7
Kunt u (in het kader van artikel 68 van de Grondwet) aangeven op welke wijze en hoe vaak agrobedrijven, pesticidenbedrijven en hun lobbyisten in het afgelopen jaar contact met u hebben gezocht? Kunt u een overzicht geven met welke agrobedrijven en pesticidenproducenten u heeft gesproken in het afgelopen jaar en hoe vaak precies, mede gelet op artikel 68 van de Grondwet?
Bent u bereid een lobbyverbod in te stellen voor pesticidenproducenten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de rechterlijke uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin is besloten dat het pesticide-middel Pitcher zo snel mogelijk uit de handel genomen moet worden, omdat in Pitcher een werkzame stof (fludioxonil) zit die hormoonontregelende eigenschappen heeft? En bent u bekend met het nieuwsbericht van de Volkskrant hierover «PAN Nederland haalt het gif uit de markt, Achmea krijgt de volle laag van het noodweer»?8 9
Bent u ermee bekend dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) wel een toelating heeft gegeven voor Pitcher ondanks de vaststelling dat er fludioxonil in zit? Hoe verklaart u dat dit kon gebeuren? Acht u dit wenselijk?
Wat vindt u ervan dat het Ctgb ondanks een eerdere soortgelijke uitspraak wederom volgens de rechter onterecht toelating heeft verleend aan een middel met een werkzame stof waarvan de Europese voedselautoriteit EFSA heeft vastgesteld dat deze hormoonverstorend is voor mens en dier, en waarvan Ctgb wist dat deze niet leidde tot verwaarloosbare blootstelling omdat de toepassing niet in een gesloten systeem plaatsvindt of in andere omstandigheden die contact met mens of dier uitsluiten?10
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige lijn die wordt gevolgd bij het Ctgb niet standhoudt bij de rechter en schadelijk blijkt te zijn voor de volksgezondheid? Vindt u dat het beleid strenger moet om de volksgezondheid wel te waarborgen? Zo nee, waarom vindt u volksgezondheid niet het belangrijkste wat er is?
Hoe gaat het Ctgb haar toelatingsbeleid aanpassen om te voldoen aan de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven?
Welke andere toepassingen van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof fludioxonil hebben een toelating bij het Ctgb en vinden niet plaats in een gesloten systeem of in andere omstandigheden die contact met mensen en dieren uitsluit? Kunt u daar een overzicht van geven? Bent u het eens dat deze middelen ook zo snel mogelijk uit de markt genomen moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Welke andere bestrijdingsmiddelen met werkzame stoffen die door EFSA beoordeeld zijn als hormoonverstorend voor mens of niet doelwit-organismen (dieren) hebben een toelating bij het Ctgb en vinden niet plaats in een gesloten systeem of in andere omstandigheden die contact met mens of dier uitsluit, zoals cyprodinil? Vindt u dat deze ook uit de markt genomen moeten worden omwille van de volksgezondheid? Zo nee, wat is uw wetenschappelijke onderbouwing daarvoor? Kunt u onderbouwd uitsluiten dat u daarmee mensen en dieren opzadelt met een hogere kans op gezondheidsschade?11 12
Welke van de in de vorige vraag betreffende bestrijdingsmiddelen hebben een toelating van het Ctgb waarvan het toelatingsbesluit dateert van nadat de EFSA de stof had beoordeeld als hormoonverstorend? Kunt u hier een overzicht van geven?
Bent u zich bewust van het feit dat hormoonverstorende stoffen al in hele lage concentraties schadelijk kunnen zijn voor met name jonge kinderen en de wet dan ook niet voor niets stelt dat deze pesticiden niet gebruikt mogen worden in situaties waar contact met de mens niet is uitgesloten? Hoe ziet u in dit licht het gebruik van hormoonverstorende pesticiden?
Hoeveel van deze werkzame stoffen hebben hun meest recente goedkeuring te danken aan een automatische verlenging van de Europese Commissie zonder inhoudelijke beoordeling van de risico’s voor mens of milieu?
Klopt het dat automatische verlengingen worden toegepast bij stoffen waarvan de EFSA een risico heeft vastgesteld, bijvoorbeeld dat deze hormoonverstorend is? Zo ja, klopt het dat dit gebeurt wegens economische belangen en dat deze voorrang krijgen boven gezondheidsbelangen? Klopt het dat het Food & Feed Omnibus voorstel van de Europese Commissie deze zorg niet wegneemt? Zo nee, op welke wetenschappelijke conclusies baseert u zich dan? Vindt u dat het compromisvoorstel van de lidstaten deze zorg wel zou moeten wegnemen? Zo nee, waarom niet?
Hoe vaak worden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op levensmiddelen restanten fludioxonil aangetroffen die liggen boven de gangbare maximale residu limiet (MRL) van 0,01 mg/kg die als veiligheidsgrens geldt voor in Europa verboden pesticiden, bijvoorbeeld omdat zij als hormoonverstorend zijn geclassificeerd? Welke range van gehaltes betreft dit en welke producten betreft dit?
Hoeveel fludioxonil wordt gebruikt en afgezet in Nederland sinds 2010? Indien sprake is van een toename in gebruik van deze zorgwekkende stof, wat zijn de verklaringen hiervoor?
Zijn werkenden in de landbouw en hun partners in uw ogen voldoende bekend met de grote risico’s van (hormoonverstorende) pesticiden, met name de risico’s voor mensen met een kinderwens, zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven, zoals geschetst in het Informatieblad «Werken met bestrijdingsmiddelen» van het RIVM? Zo ja, waar baseert u zich dan op? Zo niet, wat bent u bereid te doen om die situatie te verbeteren?13
Hoe gaat het Ctgb invulling geven aan de opdracht van de rechter om de respijttermijnen (aflevertermijn en opgebruiktermijn) voor verkoop en gebruik van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof fludioxonil zo kort mogelijk te maken aangezien Pitcher niet toegelaten had mogen worden?
Wat is het concrete doel van LVVN in het convenant «gewasbeschermingsmiddelen» met betrekking tot hormoonverstorende pesticiden? Wat is het doel van VWS? Welke maatregelen horen daarbij en welke tijdlijn? Bent u bereid om bij de afwegingen gezondheidsexperts te betrekken?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
De Wereld Suïcide Preventie Week |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er elke dag gemiddeld vijf mensen in Nederland overlijden door zelfdoding, van wie gemiddeld de helft1 (ex-)werknemers?2
Op welke manier bevordert u het kabinetsbeleid inzake mentale gezondheid op het terrein van werk? Welke inzet pleegt u, als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangaande de Wet integrale suïcidepreventie? In hoeverre worden werkgevers, bedrijfsartsen, arbodiensten en preventiemedewerkers momenteel ondersteund bij het herkennen van signalen van suïcidaliteit en het voeren van het gesprek daarover? Acht u het bestaande aanbod voldoende?
In hoeverre maakt mentale gezondheid, met suïcidepreventie als onderdeel daarvan, al regulier onderdeel uit van goed werkgeverschap, bijvoorbeeld via gezondheids- en vitaliteitsbeleid en beleid gericht op duurzame inzetbaarheid? Bent u bereid hierover met de Sociaal-Economische Raad (SER) en de sociale partners in gesprek te gaan om meer aandacht te schenken aan suïcidepreventie en signalering op de werkvloer?
Zijn de economische gevolgen van uitval door psychische oorzaken uitgedrukt in euro’s en fte bekend?
Bent u bekend met het Jaarverslag 2025 van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin staat dat in 2024 twee slachtoffers door zelfdoding en één slachtoffer van een ongeval buiten de werksfeer als dodelijk arbeidsongeval zijn meegerekend, en dat zelfdodingen vanaf 2025 niet meer als arbeidsongeval worden aangemerkt, maar apart worden gerapporteerd?3 Kunt u aangeven waar en over wat er apart wordt gerapporteerd?
Worden deze gevallen, ook wanneer zij niet als arbeidsongeval worden aangemerkt, onderzocht op mogelijke arbeidsgerelateerde factoren of omstandigheden, zodat hieruit lessen kunnen worden getrokken voor de preventie van zelfdoding?
Bent u bereid om in samenwerking met de Arbeidsinspectie, sociale partners en 113 Zelfmoordpreventie, de relatie tussen werk, arbeidsomstandigheden en suïcide nader in kaart te brengen, zodat beter kan worden vastgesteld welke arbeidsgerelateerde factoren een rol spelen en waar preventieve maatregelen het meest effectief kunnen worden ingezet?
Zijn er verklaringen voor de regionale verschillen in suïcidecijfers?4 Acht u nader onderzoek naar de oorzaken voor deze verschillen wenselijk? Welke regio's vragen volgens u nadere aandacht, gezien de opmerkelijke verschillen (ook ten aanzien van het regionale suïcidepercentage specifiek voor tieners5)?
De veiligheid van kinderen bij Veilig Thuis West-Brabant |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Veilig Thuis West-Brabant kampt met ernstige financiële en organisatorische problemen en dat meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling langer blijven liggen dan wettelijk is toegestaan?
Hoeveel meldingen waarbij minderjarigen betrokken zijn overschrijden momenteel de wettelijke termijnen bij Veilig Thuis West-Brabant? Hoeveel kinderen betreft dit en hoe lang wachten zij inmiddels?
Kunt u garanderen dat de kinderen achter deze meldingen op dit moment veilig zijn? Zo nee, deelt u de mening dat onmiddellijk moet worden vastgesteld of zich onder deze kinderen slachtoffers bevinden die momenteel worden mishandeld, verwaarloosd of anderszins in een onveilige situatie verkeren, en hoe gaat u hiervoor zorgen?
Wie houdt gedurende een termijnoverschrijding zicht op de veiligheid van deze kinderen en wie grijpt in wanneer hun situatie verslechtert?
Hoe is het mogelijk dat twee jaar later opnieuw wettelijke termijnen worden overschreden, aangezien de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in 2024 bij Veilig Thuis West-Brabant al ernstige termijnoverschrijdingen constateerde, waarbij een veiligheidsbeoordeling soms viereneenhalve maand duurde en het starten van een onderzoek of de dienst Voorwaarden & Vervolg in een casus elf maanden op zich liet wachten?
Welke verbetermaatregelen zijn sinds het IGJ-onderzoek uit 2024 daadwerkelijk uitgevoerd en waarom hebben deze niet kunnen voorkomen dat opnieuw een situatie is ontstaan waarin meldingen te lang blijven liggen?
Erkent u dat u als stelselverantwoordelijke niet kunt volstaan met de constatering dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de organisatie en financiering van Veilig Thuis wanneer binnen dat stelsel wettelijke termijnen structureel worden overschreden en mogelijk de veiligheid van kinderen in het geding is? Zo nee, waarom niet?
Op welk moment acht u vanuit uw stelselverantwoordelijkheid ingrijpen noodzakelijk wanneer een Veilig Thuis-organisatie niet langer in staat blijkt haar wettelijke taken tijdig uit te voeren, en is dat moment bij Veilig Thuis West-Brabant wat u betreft inmiddels bereikt? Zo nee, wat moet er dan nog gebeuren voordat u ingrijpt?
Welke concrete maatregelen neemt u nu vanuit uw stelselverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat alle kinderen achter de wachtende meldingen bij Veilig Thuis West-Brabant zo snel mogelijk in beeld zijn, hun veiligheid wordt beoordeeld en waar noodzakelijk direct wordt ingegrepen?
Kunt u uitsluiten dat bij andere Veilig Thuis-organisaties vergelijkbare problemen bestaan? Zo nee, bent u bereid op korte termijn landelijk inzichtelijk te maken hoeveel meldingen de wettelijke termijnen overschrijden, hoeveel minderjarigen daarbij betrokken zijn en welke maatregelen u vanuit uw stelselverantwoordelijkheid neemt om deze achterstanden terug te dringen?
De reorganisatie voor ggz-spoedhulp in Tiel en Ede |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Te weinig personeel en geld: Pro Persona voert alsnog reorganisatie door voor ggz-spoedhulp»?1
Wanneer bent u voor het eerst geïnformeerd over dit voorgenomen besluit? Door wie bent u hierover geïnformeerd en op welk moment heeft Pro Persona het besluit definitief genomen?
Waarom zijn de betrokken gemeenten en lokale volksvertegenwoordigers volgens onze informatie niet vooraf geïnformeerd, terwijl de wijziging directe gevolgen kan hebben voor politie, openbare orde, maatschappelijke opvang, huisartsen en het gemeentelijke sociaal domein?
Klopt het dat mensen uit Ede en Tiel die tijdens de avond, nacht of in het weekend een beoordeling op locatie nodig hebben, voortaan naar respectievelijk Arnhem en Nijmegen moeten worden vervoerd?
Wat betekenen de wijzigingen voor de gemiddelde en maximale aanrij- en reistijden van cliënten, crisisdienstmedewerkers, politie, ambulancediensten en andere betrokken hulpverleners?
Welke gevolgen hebben de langere afstanden volgens u voor mensen in een acute psychische crisis, mede gezien het risico op verdere ontregeling, suïcidaliteit en escalatie tijdens het wachten of vervoer?
Hoeveel mensen werden in de afgelopen drie jaar buiten kantooruren beoordeeld op de crisislocaties in Ede en Tiel? Hoeveel van deze beoordelingen vonden plaats op de locatie zelf en hoeveel bij mensen thuis of elders?
Hoe wordt voorkomen dat mensen in een psychische crisis onnodig in een politieauto, ambulance, politiecel of op een spoedeisende hulp terechtkomen doordat in Ede en Tiel buiten kantooruren geen crisisbeoordelingslocatie meer beschikbaar is?
Wordt naar uw oordeel met deze wijziging nog voldaan aan de eisen uit de generieke module Acute psychiatrie en aan de normen voor bereikbaarheid, beschikbaarheid en kwaliteit van acute ggz? Waarop baseert u dat oordeel?
Is voorafgaand aan het besluit een impactanalyse uitgevoerd naar de gevolgen voor cliënten, naasten, medewerkers, huisartsenposten, politie, ambulancediensten, ziekenhuizen en gemeenten? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Zijn de cliëntenraad, familieraad, ondernemingsraad, betrokken professionals en ervaringsdeskundigen tijdig bij dit besluit betrokken? Welke adviezen hebben zij uitgebracht en hoe heeft Pro Persona deze verwerkt?
Klopt het dat medewerkers tegen de reorganisatie hebben gewaarschuwd vanwege langere aanrijtijden, minder tijd voor cliënten en een verdere toename van de werkdruk? Hoe beoordeelt u deze signalen?
Welke zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor de inkoop van de acute ggz in deze regio’s? Hebben zij met de wijziging ingestemd en hoe hebben zij vastgesteld dat er na de sluiting buiten kantooruren voldoende bereikbare capaciteit beschikbaar blijft?
Is het voorgenomen besluit gemeld via het earlywarningsysteem voor de continuïteit van cruciale ggz? Zo ja, wanneer, aan welke partijen en wat is vervolgens met deze melding gedaan? Zo nee, waarom niet?
Is het besluit besproken aan de regionale, bovenregionale of landelijke tafel voor cruciale ggz, zoals afgesproken in de Kamerbrief van 21 december 2023? Zo ja, wat was de uitkomst daarvan? Zo nee, hoe verhoudt dat zich tot de afspraak dat aanbieders cruciale zorg niet sluiten of wijzigen zonder dit tijdig met verzekeraars en collega-aanbieders te bespreken?
Is de Nederlandse Zorgautoriteit geïnformeerd en heeft zij getoetst of zorgverzekeraars na deze wijziging nog aan hun zorgplicht voldoen? Heeft ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd de gevolgen voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg beoordeeld?
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van uw ambtsvoorganger dat bij de inkoop van cruciale ggz geen aanbod zou mogen verdwijnen vanwege financiële redenen? Kunt u uitsluiten dat financiële problemen, omzetplafonds of onvoldoende inkoop mede aan het besluit ten grondslag liggen?2
Welke concrete inspanningen hebben Pro Persona, de betrokken zorgverzekeraars en uw ministerie verricht om de crisislocaties open te houden, en welke alternatieven zijn onderzocht?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat zowel lokale volksvertegenwoordigers als leden van de Tweede Kamer via de krant moeten vernemen dat twee locaties voor cruciale acute ggz buiten kantooruren sluiten?
Waarom heeft u de Kamer niet actief geïnformeerd, ondanks de eerdere toezegging de Kamer op de hoogte te houden van de voortgang rond cruciale ggz en de afspraken over het melden en bespreken van voorgenomen sluitingen en wijzigingen?3
Kunt u aangeven welke andere locaties voor acute of anderszins cruciale ggz sinds 2024 zijn gesloten, hun openingstijden hebben beperkt of concrete plannen daartoe hebben? Kunt u dit uitsplitsen naar regio, zorgvorm, reden en gevolgen voor de beschikbare capaciteit?
Bent u bereid Pro Persona en de betrokken zorgverzekeraars te verzoeken de sluiting buiten kantooruren op te schorten totdat onafhankelijk is vastgesteld dat de toegankelijkheid, bereikbaarheid en veiligheid van de acute ggz in beide regio’s zijn geborgd?
Het bericht ‘Tienduizenden psychiatrische patiënten na behandeling uit zicht hulpverleners’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden psychiatrische patiënten na behandeling uit zicht hulpverleners»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat naar schatting minstens 60.000 mensen met een ernstige psychiatrische aandoening buiten beeld van de zorg zijn geraakt, ongeveer een kwart van deze groep?
Hoe verklaart u dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek na behandeling uit beeld van de hulpverlening kunnen raken? Wie is volgens u verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg en begeleiding bij en na ontslag uit een ggz-instelling?
Deelt u de zorg dat het ontbreken van passende begeleiding na ontslag kan leiden tot terugval, crisissituaties, heropnames en dakloosheid? Welke concrete maatregelen neemt u om deze draaideur te doorbreken?
Hoeveel mensen verlaten jaarlijks een ggz-instelling zonder dat passende vervolgzorg, begeleiding of huisvesting daadwerkelijk is geregeld? Indien u niet over cijfers beschikt, bent u dan bereid dit inzichtelijk te maken?
Klopt het dat zorgverleners in bepaalde gevallen niet worden vergoed voor het actief zoeken naar patiënten die uit beeld zijn geraakt en dat financiering pas mogelijk is wanneer daadwerkelijk contact met de patiënt is gelegd? Zo ja, acht u dit wenselijk en bent u bereid deze financiering aan te passen?
Hoe beoordeelt u het feit dat de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ), waaronder bemoeizorg, sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 niet meer expliciet in de wet is opgenomen, terwijl deze zorg volgens de regering wel tot de gemeentelijke taken op grond van de Wmo 2015 behoort?
Deelt u de zorg dat verschillen tussen gemeenten in de beschikbaarheid en organisatie van bemoeizorg ertoe kunnen leiden dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek niet overal op dezelfde ondersteuning kunnen rekenen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Wat is de actuele stand van zaken van de expliciete wettelijke verankering van de openbare geestelijke gezondheidszorg in de Wmo 2015 via de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams)? Hoe wordt daarbij uitvoering gegeven aan de aangenomen motie-Krul/Bikker over de wettelijke verankering van bemoeizorg en wanneer verwacht u dat deze wettelijke verankering in werking treedt?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen moties die ertoe strekken bemoeizorg wettelijk te verankeren en de beschikbaarheid van passende zorg voor mensen met verward of onbegrepen gedrag te verbeteren?
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek na ontslag uit een instelling zonder passende vervolgzorg, begeleiding of huisvesting op straat terechtkomen? Zo ja, hoe gaat u dit concreet borgen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal mensen met ernstige psychiatrische problematiek dat buiten beeld van de zorg raakt terug te dringen en binnen welke termijn verwacht u hiervan resultaat?
Hoe wordt Oekraïne op dit moment vanuit Nederland ondersteund als het gaat om medische middelen en -apparatuur?
Op welke manier worden medische middelen en -apparatuur, die niet (meer) gebruikt worden door ziekenhuizen of zorginstellingen, verzameld en aan Oekraïne gedoneerd?
Deelt u de mening dat Oekraïne, waar een tekort aan alle medische middelen en -apparatuur heerst, baat heeft bij het verkrijgen van medische spullen die niet meer gebruikt worden?
Deelt u de mening dat het zorginstellingen en ziekenhuizen helpt als er een centraal inzamelpunt is waar al deze spullen naartoe gestuurd kunnen worden? Zo ja, bent u bereid om dat op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid dit centraal gecoördineerde inzamelpunt in samenwerking met brancheorganisaties op te zetten om zo veel mogelijk medische middelen en -apparatuur naar Oekraïne te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen apart van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het artikel dat China Europa nu ook bestormt met medische apparaten |
|
Hilde Wendel (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «China bestormt Europa nu ook met medische apparaten» naar aanleiding van de podcast Dagkoers van het Financieele Dagblad?1
Wordt er in Nederlandse ziekenhuizen momenteel gebruik gemaakt van Chinese medische technologie? Zo ja, om wat voor technologie gaat het en worden er ook gevoelige persoonsgegevens verwerkt, behandeld of opgeslagen? Wie voert de updates uit en doet het onderhoud van deze technologie?
Klopt het dat het St. Antonius Ziekenhuis gebruikmaakt van patiëntmonitoren van een Chinees bedrijf? Zo ja, wat vindt u hiervan, hoe wordt bescherming van patiëntgegevens gewaarborgd? Zijn er (Europese) alternatieven?
Op welke wijze is gewaarborgd dat medische gegevens van Nederlanders niet in handen komen van niet-Europese bedrijven of organisaties?
Deelt u de zorgen omtrent spionage, misbruik en privacy bij het gebruik van medische technologie van Chinese aanbieders? Zo nee, waarom niet?
Welke bevoegdheden hebt u om te garanderen dat medische informatie niet in Chinese handen komt te vallen? Als deze bevoegdheden onvoldoende zijn, aan welke mogelijkheden denkt u om dit wel te kunnen garanderen?
Deelt u de wens dat Nederland en Europa voor medische technologie niet te afhankelijk mogen worden van Chinese aanbieders? Zo ja, wat doet u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de wens dat het goed zou zijn om waar mogelijk te investeren in Nederlandse en Europese alternatieven zodat zorginstellingen, zoals ziekenhuizen, kunnen kiezen voor veilige alternatieven? Zo nee, waarom niet?
De gezondheidszorg voor arbeidsmigranten |
|
Jimmy Dijk (SP), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek rond de toegang tot gezondheidszorg van arbeidsmigranten, zoals onder andere geschetst door de artsenwerkgroep Arbeidsmigranten Veilig en Gezond?1
Hoeveel arbeidsmigranten zijn er op dit moment onverzekerd aan het werk in Nederland? Als u dit niet weet, welke stappen gaat u nemen om hier wel achter te komen?
Klopt het dat veel arbeidsmigranten een zorgverzekering krijgen aangeboden door het uitzendbureau waar ze in dienst zijn, maar dat deze regelmatig stopt zodra ze uit dienst treden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Klopt het dat dit voor veel problemen zorgt omdat arbeidsmigranten onverzekerd zijn zodra zij ziek uit dienst treden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Klopt het dat arbeidsmigranten die niet ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (BRP) zich meestal niet kunnen inschrijven bij een huisarts en daardoor zijn overgeleverd aan de spoedeisende hulp? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Waarom is er geen opvolging gegeven aan het advies van de commissie Roemer om arbeidsmigranten die uit dienst treden de toegang tot zorg te laten behouden? Wat gaat u doen om dit advies alsnog uit te voeren?
Wat doet u, en vraagt u van uitzendbureaus, om arbeidsmigranten zo goed mogelijk te informeren over hun rechten en plichten rond de toegang tot gezondheidszorg?
Welke stappen neemt u om het informeren van arbeidsmigranten rond hun toegang tot gezondheidszorg te verbeteren? Wat vraagt u daarbij van uitzendbureaus?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat arbeidsmigranten de weg naar goede gezondheidszorg in Nederland zo weinig weten te vinden en onderweg zoveel hobbels tegenkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Zorgverzekeraars draaien sectoroverstijgende betaaltitel de nek om' |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgverzekeraars draaien sectoroverstijgende betaaltitel de nek om»?1
Klopt het dat uit het jaarverslag van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over 2025 blijkt dat de sectoroverstijgende prestatie binnen de Zorgverzekeringswet er niet komt, omdat er geen draagvlak is voor een dergelijk generiek instrument onder zorgverzekeraars?
Deelt u de opvatting dat schotten tussen de zorgwetten samenwerking rond de patiënt in de weg zitten, en dat het wegnemen daarvan bijdraagt aan het leveren van passende zorg?
Kunt u toelichten hoe dit traject is verlopen sinds uw ambtsvoorgangers Helder en Dijkstra de NZa in 2024 vroegen de betaaltitel gereed te hebben voor de contractering van 2025, en of u of uw ministerie hierover met de NZa heeft gesproken?
Welke bezwaren leven er bij zorgverzekeraars, en welke daarvan zijn volgens u oplosbaar?
Hoe betrekt u bij het vervolg de brede steun voor zo'n betaaltitel onder zorgaanbieders en professionals, die eerder bleek uit een consultatie van de NZa?
Welke instrumenten blijven er over om hetzelfde doel te bereiken, namelijk zorg kunnen bekostigen over de grenzen van sectoren en zorgwetten heen, en kunnen bestaande mogelijkheden zoals de facultatieve prestatie of maatwerkafspraken in de contractering hierin voorzien?
Welke van die instrumenten gaat u inzetten, en op welke termijn?
Op welke manier wordt de sectoroverstijgende en domeinoverstijgende beweging geborgd in de wetgeving over passende zorg die u heeft aangekondigd, en bent u bereid daarin vast te leggen dat bekostiging over de schotten van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning heen mogelijk wordt?
Hoe wordt in die wetgeving geborgd dat succesvolle initiatieven voor sectoroverstijgende passende zorg ook echt worden opgeschaald in plaats van te blijven steken in pilots?
Wat betekent deze ontwikkeling voor uw eigen plannen en voor de afspraken die hierover met het veld zijn gemaakt, en ziet u kansen om sectoroverstijgende initiatieven samen met de NZa, het Zorginstituut, zorgverzekeraars en zorgaanbieders alsnog vlot te trekken?
De berichten dat het zorgbuurthuis in Oss zorg bespaart, maar dat zorgverzekeraars en zorgkantoren niet meebetalen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten «Het «wonder van Oss» brengt geluk én fors minder zorgkosten, maar verzekeraars willen niet betalen»1 1) en «Waarom een tweede zorgbuurthuis na het succes van ’t Hageltje nog niet van de grond komt»2?
Hoe reageert u op het feit dat de bewoners van het zorgbuurthuis aantoonbaar gelukkiger en vitaler zijn, terwijl de zorgkosten er 30 procent lager liggen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is dat zorgverzekeraars weigeren mee te betalen aan een initiatief dat hen veel geld bespaart? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat het ook zeer onlogisch is dat het zorgkantoor tot nu toe niet meebetaalt aan het zorgbuurthuis, terwijl dit aantoonbaar veel Wlz-kosten bespaart?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de zorgverzekeraars en het zorgkantoor om hen ertoe te bewegen om alsnog mee te gaan betalen aan het zorgbuurthuis, zodat dit kan worden bekostigd uit cofinanciering door het zorgkantoor, de zorgverzekeraars en gemeenten?
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van het amendement Dobbe3 over het oprichten van een team dat actief ondersteunt bij het opzetten van zorgbuurthuizen en vergelijkbare woonzorgvormen voor ouderen?
Wat gaat u doen met de uitkomsten van het Adviesrapport «Verkenning inzet ondersteuningsteam voor realisatie woonzorgconcepten»4, waaruit duidelijk de noodzaak van zo’n ondersteuningsteam bleek en concrete voorstellen worden gedaan voor de vormgeving en financiering hiervan?
Het toezicht op commercieel longevity-aanbod en de handhaving van de Wet op het bevolkingsonderzoek. |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over longevity-hype: gezond ouder worden begint niet bij een total body scan»?1
Hoeveel vergunningen op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek zijn op dit moment van kracht voor het verrichten van een total body scan?2
Op welke datum is de meest recente vergunning op grond van Artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek verleend voor een bevolkingsonderzoek dat niet van rijkswege wordt aangeboden?
Op welke wijze is de Wet op het bevolkingsonderzoek van toepassing op een in Nederland gedaan aanbod van een total body scan die in het buitenland wordt verricht?
In hoeveel gevallen heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) sinds 1 januari 2020 aangifte gedaan of proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van Artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek?
Indien deze gevallen niet als afzonderlijke categorie worden geregistreerd, onder welke categorie worden zij dan wel geregistreerd?
Over welke aanwijzingsbevoegdheid beschikt u ten aanzien van het toezichtprogramma van de IGJ op preventief gezondheidsonderzoek?
Klopt het dat het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het bevolkingsonderzoek in verband met actuele ontwikkelingen op het terrein van preventief gezondheidsonderzoek op 24 januari 2025 is ingetrokken?3 4
Blijft in het vervangende wetsvoorstel de vergunningplicht voor preventief gezondheidsonderzoek naar kanker gehandhaafd?5
Op welke wettelijke grondslag kan de IGJ op dit moment optreden tegen een aanbieder die zonder de vereiste vergunning preventief gezondheidsonderzoek verricht?
Onder welk wettelijk kader valt het toezicht op het aanbieden van intraveneuze vitamine-infusen aan personen zonder medische indicatie?
Welke wettelijke eisen gelden op dit moment voor het commercieel aanbieden van een test die op basis van bloedwaarden de biologische leeftijd bepaalt?
Bent u bereid te borgen dat medisch-wetenschappelijk onderzoek dat reeds onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen valt, in het vervangende wetsvoorstel niet aan een aanvullende vergunningplicht wordt onderworpen?
Bent u bekend met het bericht «Aantal tandartsen van buiten EU is verdubbeld, terwijl studenten hier worden uitgeloot»?1
Hoeveel opleidingsplaatsen Tandheelkunde worden voor het studiejaar 2026–2027 door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bekostigd?
Hoeveel plaatsen hebben de opleidingen Tandheelkunde voor het studiejaar 2026–2027 in hun numerus fixus opgenomen?
Indien deze gegevens niet bij u beschikbaar zijn, bij welke partij zijn zij dan wel beschikbaar?
Wat bedragen de rijksuitgaven per bekostigde opleidingsplaats Tandheelkunde per studiejaar?
In welk jaar is een instroomadvies van het Capaciteitsorgaan voor de opleiding Tandheelkunde voor het laatst volledig opgevolgd?
Bij welke jaarlijkse instroom in de opleiding Tandheelkunde wordt volgens het Capaciteitsplan 2027–2030 in 2043 evenwicht tussen vraag en aanbod bereikt?2
Over welke bevoegdheid beschikt u om het aantal bekostigde opleidingsplaatsen Tandheelkunde te verhogen?
Op welke datum ontvangt de Kamer het besluit over het instroomadvies van 386 opleidingsplaatsen Tandheelkunde?3
Klopt het dat het BIG-register vermeldt dat er voor 2026 geen plekken meer beschikbaar zijn voor de beroepsinhoudelijke toets voor tandartsen?4
Hoeveel tandartsen met een buiten de Europese Economische Ruimte behaald diploma zijn in 2025 in het BIG-register ingeschreven?
Hoeveel van de in 2025 ingeschreven tandartsen met een binnen de Europese Economische Ruimte (of in Zwitserland) behaald diploma hebben een beroepsinhoudelijke toets afgelegd?
Hoeveel aanvragen tot inschrijving als tandarts zijn in 2025 afgewezen of niet in behandeling genomen omdat niet aan de taaleis werd voldaan?
Op welk moment heeft Nederland in de Raad of bij de Europese Commissie gepleit voor de mogelijkheid om aan tandartsen met een in de Europese Economische Ruimte behaald diploma een beroepsinhoudelijke toets op te leggen?
Hoeveel personen met een buitenlands tandartsdiploma zonder BIG-registratie verrichten op dit moment in Nederlandse tandartspraktijken voorbehouden handelingen in opdracht als bedoeld in Artikel 35 van de Wet BIG?
Hoeveel meldingen over het onbevoegd verrichten van voorbehouden handelingen als bedoeld in Artikel 36 van de Wet BIG in de mondzorg heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in 2025 ontvangen?
Indien de meldingen, bedoeld in vraag 16, niet als afzonderlijke categorie worden geregistreerd, op welke wijze stelt de inspectie dan vast of het in Artikel 38 van de Wet BIG vereiste toezicht daadwerkelijk plaatsvindt?
Bent u bereid het aantal bekostigde opleidingsplaatsen Tandheelkunde met ingang van het studiejaar 2027–2028 in overeenstemming te brengen met het instroomadvies van 386 plaatsen?5
Bent u bekend met het bericht «Jeugdgezondheidszorg voor twintigduizend asielkinderen is vooralsnog vanaf oktober maanden niet beschikbaar»?1
Deelt u de mening dat een dergelijk gat in zorgcontinuïteit voor deze (kwetsbare) groep een zorgelijke, onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe reflecteert u daarop? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op, zoals Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) in het artikel aangeeft, een dergelijke «versnippering van de collectieve en preventieve jeugdgezondheidszorg» in Nederland? Deelt u de mening dat dit een onwenselijk precedent schept en verschillen in toegang tot zorg oplevert voor kinderen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke effecten en risico’s voorziet u, mocht de in het artikel genoemde situatie werkelijkheid worden? Kunt u per risico aangeven welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op risico’s rond de bestrijding van (infectie)ziekten onder baby’s, kinderen en jongeren in Nederland?
Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheids)zorg, hoe reëel acht u het dat de Arts en Zorg Groep de zorg in de asielzoekerscentra tijdig en volledig over kan nemen voor de beoogde (lagere) prijs, nu het COA in het artikel aangeeft dat hij daarover in gesprek is met de Arts en Zorg Groep?
Welke waarborgen en afspraken zijn er vastgelegd over de zorgcontinuïteit ten tijde van de overgangsperiode van de GGD-GHOR naar de Arts en Zorg Groep, en ten tijde van de periode erna? Indien die er niet zijn, hoe bent u voornemens de zorgcontinuïteit te borgen voor deze groep kinderen in asielzoekerscentra?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van geleverde zorg en wie is verantwoordelijk (zowel politiek/ministerieel als in de uitvoering)? Waar kunnen professionals, burgers en asielzoekers(kinderen) terecht met signalen en klachten over de zorg vanuit de Arts en Zorg Groep (of het gebrek aan zorg)? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met, bijvoorbeeld, de geletterdheid en moedertaal van de doelgroep in kwestie in de asielzoekerscentra?
Welke concrete mogelijkheden zijn er om in te grijpen, in geval van (ernstige) tekortkomingen in de kwaliteit of continuïteit van de (jeugdgezondheids)zorg in de asielzoekerscentra tijdens de overgangsperiode en de periode daarna?
Kunt u deze vragen beantwoorden (ruim) voor het debat Jeugdbeleid van 30 september 2026?
De onveilige situatie bij zorgcentrum Pelgromhof in Zevenaar |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Dochter krijgt telefoontje van zorgcentrum en ontdekt dat er maar één medewerker is voor 26 ouderen»1 en «Eigen personeel van zorgcentrum hoopt dat werkgever omvalt: «Dat is voor iedereen beter»»?2
Ja, ik heb de artikelen gelezen. Ze schetsen een ernstig beeld van de situatie bij deze zorgaanbieder. Ik ben geschrokken van de berichtgeving, want ik vind het belangrijk dat ouderen veilige en liefdevolle zorg en ondersteuning krijgen die voldoet aan het kwaliteitskader dat hiervoor geldt. De IGJ doet onafhankelijk onderzoek naar de meldingen die bij hen zijn gemaakt.
Klopt het dat bij zorgcentrum Pelgromhof één jonge medewerker alleen verantwoordelijk was voor 26 kwetsbare ouderen en dat er geen avond- en nachtdienst aanwezig was?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Deelt u de mening dat het volstrekt onverantwoord is dat één medewerker alleen wordt gelaten met 26 kwetsbare bewoners? Zo nee, waarom niet?
Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van de IGJ kan ik geen uitspraken doen over de kwaliteit en veiligheid van zorg op de locaties Maria Postel en Pelgromhof van Pecura Zorg. Meer in het algemeen moeten zorgaanbieders voldoen aan de normen en regels met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Klopt het dat er twaalf diensten openstonden, dat medewerkers zelf vervanging moesten regelen en dat aan familieleden werd gevraagd bij te springen? Hoe worden onder deze omstandigheden de continuïteit en veiligheid van de zorg gegarandeerd?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de meldingen over een bewoner die ’s nachts in het eigen braaksel lag, een bewoner die tijdens het lopen haar katheter verloor en een bewoner die ten val kwam? Zijn deze incidenten gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Klopt het dat zorgverleners in opleiding zelfstandig nachtdiensten draaien en dat diensten worden uitgevoerd door zzp’ers die niet altijd voldoende gekwalificeerd zijn? Vindt u dit verantwoord?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de signalen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk meermaals is overtreden en dat zieke medewerkers onder druk worden gezet om snel weer aan het werk te gaan? Welke stappen worden hiertegen genomen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding van een vakbond ontvangen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk is overtreden. Tevens is gemeld dat er sprake is van hoge werkdruk en onderbezetting en het ontbreken van een basiscontract. Gezien het faillissement van Percura Zorg zullen deze meldingen niet meer onderzocht worden.
Klopt het dat Percura Zorg sinds 13 mei jl. niet meer beschikt over een arbodienst en daardoor ook geen bedrijfsarts heeft, nadat de arbodienst de dienstverlening wegens wanbetaling heeft beëindigd? Welke gevolgen heeft dit voor de begeleiding en bescherming van medewerkers en welke maatregelen worden genomen om deze situatie zo snel mogelijk te herstellen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding hierover ontvangen. Gelet het faillissement van Percura zorg zal deze melding niet meer worden onderzocht.
Hoeveel meldingen hebben de IGJ en de Nederlandse Arbeidsinspectie ontvangen over Percura Zorg en welke maatregelen zijn tot nu toe genomen?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in de jaren 2024 en 2026 in totaal 9 meldingen over Percura Zorg ontvangen. In 2024 heeft onderzoek plaatsgevonden, waarin 3 meldingen zijn onderzocht, met als resultaat één overtreding waarvoor een waarschuwing is gegeven. Zoals ook is aangegeven bij vragen 7 en 8, zijn recent twee meldingen door een vakbond gedaan, die vanwege het faillissement van Percura zorg niet worden onderzocht. De overige meldingen lagen niet op het werkterrein van de Nederlandse Arbeidsinspectie of kwamen niet in aanmerking voor onderzoek.
Op welke wijze wordt voorkomen dat de financiële problemen van Percura Zorg, waaronder wanbetaling aan uitzendkrachten en andere dienstverleners, ten koste gaan van de veiligheid en continuïteit van de zorg voor de bewoners?
Percura Zorg B.V. is per 11 augustus 2026 failliet verklaard. De zorg die geleverd werd op de locatie Maria Postel is inmiddels overgenomen door een nieuwe partij. Voor de locatie Pelgromhof wordt nog gezocht naar een overnemende partij. De curator is verantwoordelijk voor de afwikkeling van het faillissement van Percura zorg B.V. De zorg voor de ruim 20 bewoners loopt ondertussen door, aldus de curator. Het toezicht van de IGJ richt zich de komende periode op de kwaliteit van de zorg die nog geleverd wordt en een zorgvuldige overgang van cliënten naar een nieuwe zorgaanbieder. IGJ is daarover in gesprek met de bestuurder en de curator. Het zorgkantoor is vanuit diens zorgplicht hard aan het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. De NZa houdt hier toezicht op.
Waarom is bij de locatie Pelgromhof nog niet ingegrepen, terwijl medewerkers al langere tijd waarschuwen voor ondermaatse zorg en de locatie Maria Postel inmiddels failliet is verklaard?
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de uitkomsten van de onderzoeken van beide inspecties en over de maatregelen die worden genomen?
De recente meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie worden vanwege het faillissement van Percura zorg niet onderzocht.
De IGJ zal zodra het onderzoek afgerond is haar rapport publiceren op haar website.
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
De veroordeling van Mert P. en de aanhoudende veiligheidsproblemen rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de veroordeling van Mert P., die tijdens verlof in januari 2025 een 76-jarige vrouw in Den Dolder om het leven bracht?1
Ja.
Hoe kijkt u, ruim anderhalf jaar na deze afschuwelijke moord, terug op de veiligheidssituatie rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder? Deelt u de conclusie dat de maatregelen die na de moord op Anne Faber in 2017 zijn genomen onvoldoende zijn gebleken om de veiligheid van omwonenden te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De moord van 2 januari 2025 is afschuwelijk en heeft een enorme impact gehad. Het heeft geleid tot groot verdriet bij de nabestaanden en tot gevoelens van onveiligheid onder omwonenden. De veiligheid rondom forensische zorginstellingen heeft continu onze aandacht. Dit is in het belang van omwonenden en medewerkers, maar ook van de cliënten zelf.
Op 12 februari 2025 heeft mijn ambtsvoorganger in de beantwoording van Kamervragen van de leden Thiadens en Van Dijk (beiden PVV) antwoord gegeven op de vraag welke maatregelen er zijn genomen na de moord op Anne Faber in 2017.2 Dit betreft onder andere om wijziging in de aanpak van verdachten van een ernstig misdrijf die niet meewerken aan een gedragsdeskundig onderzoek (weigerende observandi), het wegnemen van belemmeringen bij informatie-uitwisseling en een beter zicht op risico’s; bij uitplaatsing naar een instelling voor forensische zorg is naast een professioneel oordeel, een gestructureerde risicotaxatie en een delictsanalyse verplicht gesteld.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft onderzocht of de zorg aan de dader van de steekpartij op niveau was. In haar rapport concludeerde de IGJ dat de zorg op onderdelen beter en meer volgens protocol had gekund.3 Tegelijkertijd concludeert de IGJ dat wanneer was voldaan aan alle protocollen het dodelijke steekincident niet voorkomen had kunnen worden. Voor de volledige reactie op het rapport verwijs ik u naar de Voortgangsbrief forensische zorg die ik op 26 maart jl. met uw Kamer heb gedeeld.4
Naar aanleiding van het steekincident in januari 2025 hebben de burgemeester van Zeist en de Commissaris van Koning van Utrecht een beroep gedaan op mijn ambtsvoorganger. Daarop volgend zijn er (aanvullende) maatregelen genomen om het veiligheidsgevoel van omwonenden te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.5 Het gaat onder andere om het aanstellen van een omgevingsmanager, de inzet van extra BOA’s en het plaatsen van camera’s op de looproute van het terrein van Fivoor naar het dorp Den Dolder. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ondersteunt de gemeente Zeist hierbij financieel.
Ondanks de veiligheidsmaatregelen kunnen incidenten nooit volledig worden uitgesloten. Een ernstig incident geeft altijd aanleiding om kritisch te bezien of er aanvullende maatregelen nodig zijn. De veiligheid van omwonenden, burgers in het algemeen, medewerkers en cliënten staat daarbij voorop.
Wie heeft destijds besloten Mert P. onbegeleid verlof te verlenen? Welke functionarissen waren betrokken bij die beslissing? Zijn deze mensen inmiddels ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het belang van resocialisatie en een veilige terugkeer in de samenleving, maakt verlof een onlosmakelijk deel uit van de behandeling van deze cliënten. In de kliniek van Fivoor – waar de dader van het dodelijke steekincident destijds verbleef – worden cliënten behandeld met een licht verstandelijke beperking (LVB) in combinatie met psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen.
Als onderdeel van de behandeling en wanneer dat als verantwoord wordt ingeschat, kunnen de cliënten in deze kliniek op begeleid of onbegeleid verlof gaan. Het verlof wordt stapsgewijs opgebouwd. Op basis van het dossier en de observaties tijdens de behandeling wordt multidisciplinair gekeken naar de risico’s van de cliënt in de betreffende verloffase. betrokken cliënt ontving op dat moment geen zorg in het kader van een strafrechtelijke maatregel of voorwaarde.
Kunt u toezeggen dat nooit meer gevaarlijke gekken zoals deze moordenaar met verlof, laat staan onbegeleid verlof, op de maatschappij worden losgelaten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de aanhoudende signalen van bewoners en de gemeenteraad van Zeist dat de veiligheid rond de klinieken nog steeds onvoldoende is gewaarborgd en dat het vertrouwen in de situatie volledig is verdwenen? Welke lessen trekt u daaruit?
Bij de beantwoording van vraag 2 ben ik ingegaan op de veiligheidsmaatregelen die eerder zijn getroffen. Dat neemt niet weg dat ik de zorgen van de inwoners van Den Dolder over de lokale veiligheid serieus neem.
Acht u het acceptabel dat inwoners van Den Dolder na alles wat er is gebeurd opnieuw moeten vrezen voor jarenlang uitstel, gezien de Fivoor-klinieken uiterlijk 1 januari 2027 uit Den Dolder zouden vertrekken, maar dat de bestuurder van Fivoor heeft aangegeven dat deze planning waarschijnlijk niet haalbaar is en dat een verhuizing mogelijk nog jaren op zich laat wachten?
Fivoor is een particuliere aanbieder van forensische en reguliere zorg aan cliënten met complexe psychiatrische ziektebeelden. De kliniek is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe locatie.Dat neemt niet weg dat ik op verzoek van de burgemeester van Zeist en de commissaris van de Koning van Utrecht de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor ondersteun, omdat ik de zorgen van de inwoners begrijp. In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ellian (VVD) van 25 maart 2026 heb ik antwoord gegeven op de vraag welke rol JenV speelt in deze zoektocht.6 JenV heeft als voorzitter een bijdrage geleverd aan de Regionale Regietafel. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden in de regio. Daarnaast is JenV betrokken bij de Stuurgroep Reallocatie Fivoor die concrete locaties voor herhuisvesting onderzoekt.
Fivoor heeft het streven geuit om 1 januari 2027 te willen verhuizen maar heeft daarbij aangegeven dat de verhuisdatum afhankelijk is van het vinden van een alternatieve locatie in de regio. Vanaf het moment dat er een geschikte locatie voor de herhuisvesting is gevonden, duurt het doorgaans een aantal jaren om daadwerkelijk te kunnen verhuizen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de klinieken uiterlijk op 1 januari 2027 zoals afgesproken, en nog liever morgen, uit Den Dolder zijn verdwenen? Kunt u de inwoners van Den Dolder op zijn minst de harde garantie geven dat deze datum niet opnieuw zal opschuiven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat inwoners van Den Dolder na jaren van incidenten, waarschuwingen en uitgestelde verhuizingen recht hebben op duidelijkheid en dat de veiligheid van omwonenden niet opnieuw ondergeschikt mag worden gemaakt aan bestuurlijke en praktische problemen rond de herhuisvesting van Fivoor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de voortgang van de verhuizing, de concrete planning, de eventuele knelpunten en de maatregelen die u neemt om te voorkomen dat de vertrekdatum opnieuw opschuift?
Ik heb uw Kamer in de meest recente Voortgangsbrief forensische zorg geïnformeerd over de stand van zaken.7 In deze brief staat dat er drie locaties in beeld zijn voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties worden daarom op dit moment niet gedeeld. Ik houd uw Kamer op de hoogte van relevante ontwikkelingen.
Het bericht ‘Eigenaar dreigt met eerdere sluiting overgebleven zorgvilla's: 'Schokkend'’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Eigenaar dreigt met eerdere sluiting overgebleven zorgvilla's: «Schokkend»»?1
Ik begrijp de grote zorgen en emoties die leven bij ouders, kinderen en medewerkers. De situatie is voor alle betrokkenen zeer ingrijpend. Het is echter niet aan mij om kwalificaties te geven over het handelen van private partijen of over stellingen die onderdeel uitmaken van een lopende gerechtelijke procedure. Vanuit het Ministerie van VWS was niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Bovendien lopen de lezingen van partijen over het verloop van de zitting uiteen. Ik kan de gang van zaken tijdens de zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Ongeacht de exacte lezing van de gebeurtenissen vind ik wel dat de zorg voor deze kwetsbare kinderen nooit een instrument mag zijn in een zakelijk of juridisch geschil, en ik verwacht dat alle betrokken partijen zich dat terdege realiseren.
Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor de kinderen die nog zorg ontvangen bij Villa ExpertCare (VEC). Daarover ben ik voortdurend in gesprek met de betrokken partijen, waaronder VEC, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de onafhankelijk intermediair die is aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te ondersteunen.
Wat vindt u van de uitgesproken dreiging tijdens de zitting om locaties te sluiten al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 was er vanuit het Ministerie van VWS niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Ik kan de gang van zaken tijdens die zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Bovendien geeft het (tijdelijk) bestuur van Villa ExpertCare hierover een andere lezing dan uit de berichtgeving naar voren komt. Het is niet aan mij om in een lopende gerechtelijke procedure te beoordelen welke lezing juist is.
In hoeverre bedreigt dit de onafhankelijkheid van de rechtspraak?
Het is aan de rechter om onafhankelijk en onpartijdig uitspraak te doen. Het is niet aan mij om vooruit te lopen op de beoordeling door de rechter of om mij uit te spreken over de mogelijke invloed van uitlatingen van partijen op een lopende gerechtelijke procedure.
Ik ga ervan uit dat alle betrokken partijen de onafhankelijkheid van de rechtspraak respecteren en de uitspraak van de rechter zullen afwachten en respecteren.
Erkent u dat dit een voorbeeld is van slecht bestuur waar de continuïteit van zorg van kinderen, en respect voor de rechtspraak, overduidelijk niet voorop staat? Welke gevolgen verbindt u daaraan?
Ik begrijp de zorgen die aan deze vraag ten grondslag liggen. Tegelijkertijd is het niet aan mij om op basis van berichtgeving en stellingen die onderdeel zijn van een lopende gerechtelijke procedure een oordeel te geven over het bestuur van een private zorgaanbieder.
Wel geldt voor mij onverkort dat de belangen van de kinderen en de continuïteit, kwaliteit en veiligheid van hun zorg voorop moeten staan. VEC is als zorgaanbieder verantwoordelijk voor de continuïteit van de zorg. Ik spreek VEC en alle andere betrokken partijen hierop aan en blijf de ontwikkelingen nauwlettend volgen.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg bij VEC en beschikt over verschillende wettelijke handhavingsinstrumenten wanneer de kwaliteit of veiligheid daartoe aanleiding geeft. De beoordeling of en wanneer deze instrumenten moeten worden ingezet, is aan de IGJ. De recente bevindingen van de IGJ die betrekking hebben op de locaties Waalre en Rijswijk zijn daarbij onderdeel van haar toezicht.
Herinnert u zich de uitspraak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in hun rapport van 20 mei jl. dat zij «beperkt vertrouwen [heeft] in de verbeterkracht van de organisatie en het urgentiebesef van de bestuurder»?2 Deelt u de analyse dat deze verbeterkracht nog steeds nergens te vinden is bij het huidige bestuur?
Ja, ik ben bekend met het rapport en de daarin opgenomen bevindingen van de IGJ. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg bij VEC en heeft daarbij ook aandacht voor de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor goede zorg.
Het is niet aan mij om een zelfstandig oordeel te geven over de verbeterkracht van het bestuur van VEC. De IGJ heeft als toezichthouder een eigenstandige verantwoordelijkheid om de kwaliteit en veiligheid van de zorg te beoordelen en, waar nodig, handhavend op te treden. De IGJ heeft in juni een aanwijzing opgelegd aan VEC (locaties Waalre en Vleuten) nadat uit het toezicht bleek dat er risico’s waren voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Recent heeft de IGJ opnieuw een rapport uitgebracht met daarin ontwikkelingen uit het toezicht voor de locaties Wezep en Rijswijk. Ik blijf in nauw contact met de IGJ over ontwikkelingen uit het toezicht.
Is de dreiging van sluiting van de overige locaties voordat voor alle kinderen een passende plek is gevonden aanleiding om bestuursdwang toe te passen, ofwel door de IGJ, ofwel door uzelf op basis van artikel 29 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het bestuur (tijdelijk) over te nemen om de continuïteit van zorg te garanderen? Zo nee, waarom niet, en wanneer is die aanleiding er wel?
Berichtgeving over een mogelijke eerdere sluiting is op zichzelf geen grond om het bestuur van een private zorgaanbieder over te nemen. De wettelijke mogelijkheden voor ingrijpen in het bestuur van een zorgaanbieder zijn aan specifieke voorwaarden gebonden. Artikel 29 biedt de mogelijkheid voor de IGJ om een last onder bestuursdwang op te leggen indien een eerder door haar opgelegde aanwijzing of bevel niet wordt nageleefd. Dat is nu niet aan de orde. De IGJ houdt doorlopend toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg bij VEC. Hierbij ziet zij er onder andere op toe dat de overdracht van cliënten zorgvuldig plaatsvindt.
Mijn inzet is er op dit moment primair op gericht om te voorkomen dat de zorgcontinuïteit voor de betrokken kinderen in gevaar komt. Voor de resterende locaties Wezep en Rijswijk heeft VEC aangegeven dat deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande openblijven. Ik zie er nauwlettend op toe dat deze toezegging wordt nagekomen en dat voor ieder kind tijdig passende zorg beschikbaar blijft.
Is de uitgesproken dreiging door Villa ExpertCare om locaties al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt aanleiding om bestuursdwang toe te passen, ofwel door de IGJ, ofwel door ofwel door uzelf op basis van artikel 29 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het bestuur (tijdelijk) over te nemen om de continuïteit van zorg te garanderen? Zo nee, waarom niet, en wanneer is die aanleiding er wel?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6. In het geval het gerechtshof besluit het verzoek van de cliëntenraad te honoreren, beïnvloedt dat de rol van de IGJ zoals hierboven uitgelegd niet.
Wat gaat u anders doen dan voorheen om te voorkomen dat de overige twee locaties gaan sluiten, aangezien uw inzet tot nu toe niet heeft kunnen voorkomen dat er twee locaties zijn gesloten?
VEC heeft besloten de zorgverlening op haar locaties te beëindigen. Het is niet aan de overheid om een private zorgaanbieder te dwingen zorg te blijven aanbieden. Mijn inzet is daarom, samen met de andere betrokken partijen, steeds gericht geweest op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor ieder kind.
Sinds mijn eerdere berichtgeving is de inzet verder geïntensiveerd. Zo is een onafhankelijk intermediair aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te versnellen en de zorgvuldigheid daarvan te versterken. Ook blijf ik in nauw contact met de betrokken zorgverzekeraars, zorgkantoren, de IGJ en de NZa om de ontwikkelingen te volgen en waar nodig partijen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.
Voor de twee resterende locaties heeft VEC aangegeven deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande open te houden. Mijn inzet blijft erop gericht dat deze toezegging wordt nagekomen en dat de continuïteit van zorg voor ieder kind wordt geborgd.
Gezien de urgentie en dreigende sluiting, bent u bereid om deze vragen met spoed te beantwoorden?
De IGJ heeft mij laten weten dat er op dit moment geen sprake is van een acute situatie of dreigende sluiting van de resterende locaties, omdat de kwaliteit en veiligheid van de zorg op de locaties Wezep en Rijswijk op dit moment voldoende zijn geborgd. Wel heeft de IGJ voor locatie Wezep om een verbeterplan gevraagd, wat onder meer ziet op het beter borgen van voldoende personele inzet, het tijdig informeren en betrekken van cliëntvertegenwoordigers en betrokken professionals bij de planning, roosters en het vinden van een passend zorgalternatief, en het structureel uitvoeren en vastleggen van teamoverleggen. De IGJ heeft daarbij aangegeven dat dit geen reden is tot ingrijpen en dat zij de voortgang van de verbetermaatregelen nauwlettend volgt. Daarnaast heeft VEC aangegeven deze locaties in ieder geval tot en met 31 december aanstaande open te houden. Om die reden worden deze Kamervragen beantwoord binnen de gebruikelijke termijnen.