Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Sarath Hamstra (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Ja, ik ben bekend met het rapport De Staat van Gezinnen 2026.
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
De aanbevelingen uit het rapport zien de drie ministeries als een waardevolle bijdrage aan het gesprek over de positie en ondersteuning van gezinnen. Een aantal van de aanbevelingen sluit aan bij het beleid dat momenteel wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Dit wordt hieronder verder uitgewerkt.
Ouders zijn de basis voor een goede ontwikkeling van kinderen. Daarom is het van groot belang om ouders te ondersteunen en te investeren in hun welzijn en in een sterke, ondersteunende opvoedomgeving. Dat is niet alleen van waarde voor ouders zelf, maar legt ook het fundament voor een gezonde en kansrijke volgende generatie. Daarom is binnen de Hervormingsagenda Jeugd expliciet aandacht voor het versterken van ouders en hun opvoedomgeving. In dat kader zijn verschillende acties in gang gezet, waaronder:
Het platform versterkt de pedagogische basis rondom gezinnen, stimuleert onderlinge steun tussen ouders en draagt bij aan een preventieve aanpak waarin ouders zich gehoord voelen en tijdig ondersteuning kunnen vinden.
Ook vanuit de Versterkingsagenda Mentale gezondheid en GGZ is binnen de leefomgeving «mentaal gezonde gezinnen» aandacht voor het welbevinden van ouders. Recent heeft het Ministerie van VWS – in samenwerking met Kansrijke Start – aan de GGD West Brabant de opdracht gegeven om het thema Welbevinden van Ouders verder op de agenda te zetten binnen het brede veld van ouders, professionals en bestuurders, én toe te werken naar concrete implementatie binnen bestaande programma's en praktijken. De Gesprekstool Welbevinden van Ouders gaat volgens het concept van een ouderwetse kettingbrief op «tour» in de netwerken van ouders, professionals en bestuurders door het delen van ervaringen, inzichten en persoonlijke reflecties. Ook wordt via «thema-dating» verkend hoe het thema welbevinden van ouders binnen bestaande opvoedinterventies, programma’s en werkwijzen (nog beter) geïmplementeerd kan worden. Denk aan: centering pregnancy/parenting, stevig ouderschap, Home-Start en Triple P. De resultaten hiervan worden eind dit jaar met de Kamer gedeeld.
Binnen de structurele aanpak Kansrijke Start staat het versterken van ouders en gezinnen centraal. In de bijbehorende actieagenda heeft het inhoudelijke thema «Sterke Ouders, Kansrijke Kinderen» de komende jaren extra prioriteit. Hierbij is aandacht voor zowel de fysieke als mentale gezondheid van ouders, als ook de sociale omstandigheden waarin gezinnen opgroeien. Binnen dit thema zet ik in op het versterken van de sociale en pedagogische basis in de eerste 1.000 dagen, het voorbereiden op en ondersteunen bij (toekomstig) ouderschap, betrouwbare voorlichting en informatie in de eerste 1.000 dagen. In het coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken om structureel te investeren in Kansrijke Start. Het kabinet maakt voor deze aanpak extra geld vrij en werkt momenteel uit hoe de inzet – zoals beschreven in het coalitieakkoord – op Kansrijke start eruit komt te zien.
Ten aanzien van de aanbeveling in het rapport over een gezinsvisie merk ik op dat in het kader van de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie het afgelopen jaar is gewerkt aan een visie op (de ondersteuning van) deze gezinnen die vaak te kampen hebben met problematiek op verschillende leefdomeinen. Denk bijvoorbeeld aan armoede of schulden, (jeugd)zorg en huisvestingsproblematiek. Deze gezinnen hebben tijdige hulp en ondersteuning nodig op meerdere aandachtsgebieden, en daarom gaat er extra aandacht van het Kabinet uit naar deze groep gezinnen. De Kamer is hierover inmiddels geïnformeerd2. Deze visie biedt een gezamenlijk kader voor de wijze waarop het kabinet vanuit verschillende beleidsterreinen naar gezinnen in een kwetsbare positie kijkt en hen wil ondersteunen.
Zoals blijkt uit bovenstaande aanpakken, onderschrijft het kabinet het belang van een samenhangende benadering van gezinnen. Daarom zet het kabinet hierop in.
Het kabinet ziet geen noodzaak om naast deze inzet ook nog een afzonderlijke integrale gezinsvisie op te stellen. De opgave ligt vooral in het verder versterken en het dichter bij elkaar brengen van beleid, aanpakken en ondersteuning in de praktijk, zodat gezinnen hiervan daadwerkelijk de meerwaarde ervaren.
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Ja. Wij zullen uw Kamer een inhoudelijke beleidsreactie op het rapport toezenden. Daarin zullen wij ingaan op de aanbevelingen uit het rapport en aangeven hoe deze zich verhouden tot het kabinetsbeleid.
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het beeld dat ouders het systeem als versnipperd ervaren. Dit blijkt ook uit het onderzoek van Significant dat in maart door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan uw Kamer is aangeboden3. Ouders geven aan dat informatie over ondersteuningsmogelijkheden soms moeilijk te vinden is of ontoegankelijk is. Vaak moeten zij voor verschillende hulpvragen op verschillende plaatsen om hulp vragen. Op die plaatsen worden vervolgens ook weer verschillende procedures gehanteerd. Dit maakt het voor ouders ingewikkeld en dit veroorzaakt stress en angst. Daarnaast hoor ik regelmatig dat ouders door eerdere ervaringen terughoudend zijn om hulp te vragen en soms ook wantrouwen voelen richting instanties. Dit heeft onder andere te maken met de manier waarop zij in het verleden bejegend zijn. Dit leidt er gezamenlijk toe dat zij er soms voor kiezen om geen beroep op professionele ondersteuning te doen.
Met de Hervormingsagenda Jeugd en het wetsvoorstel Reikwijdte zet het kabinet in op de versterking van lokale teams, zodat gemeenten integrale en samenhangende hulp en ondersteuning kunnen bieden. Daarnaast werken de Ministeries van BZK, JenV, OCW, SZW en VWS gezamenlijk aan het versterken van de ondersteuning voor gezinnen in een kwetsbare positie, als onderdeel van de Sociale Agenda Nederland die dit jaar wordt ontwikkeld. Deze agenda moet bijdragen aan structurele verbetering en toekomstbestendigheid van het brede sociaal domein zowel op de korte, middellange als de lange termijn. Voor gezinnen in een kwetsbare positie wordt gewerkt aan het versterken van de lokale samenwerking rond gezinnen door meer preventief en integraal te werken. Hierin wordt ook gekeken op welke manier drempels kunnen worden verlaagd, zodat gezinnen tijdig om hulp vragen.
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Vanuit de verschillende ministeries wordt herkend dat veel ouders uitdagingen ervaren bij het combineren van werk en privé en dat dit kan leiden tot een verhoogd stressniveau. Tegelijkertijd is de ervaren werk-privébalans afhankelijk van verschillende factoren, zoals de gezinssituatie, de werksituatie en de beschikbaarheid van ondersteuning. Het kabinet zet zich daarom in om gezinnen beter te ondersteunen. Zo wordt gewerkt aan een toegankelijke en betaalbare kinderopvang door een fundamentele stelselherziening zodat werkende ouders niet meer te maken krijgen met grote terugvorderingen. Passende verlofregelingen ondersteunen ouders en de ondersteuning aan gezinnen met kinderen wordt versterkt. Zoals aangekondigd zullen wij in de beleidsreactie nader ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een samenhangende benadering van gezinsbeleid, waarbij het perspectief van gezinnen centraal staat. Daarom werkt het kabinet onder meer via de interdepartementale aanpak aan meer samenhang in het beleid dat gezinnen in een kwetsbare positie raakt en aan de ontwikkeling van de Sociale Agenda Nederland.
Daarnaast zet het kabinet stappen om regelingen voor gezinnen eenvoudiger te maken en beter op elkaar te laten aansluiten. Zo is in het coalitieakkoord opgenomen dat de kinderbijslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd. Hiermee wordt beoogd de inkomensondersteuning voor gezinnen met kinderen zekerder en eenvoudiger te maken. De betrokken ministeries zien deze inzet als een passende invulling van de wens om gezinsbeleid meer in samenhang te bezien.
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Gezinsbeleid raakt verschillende beleidsterreinen en is daarmee een gedeelde verantwoordelijkheid van meerdere bewindspersonen. Juist daarom werken de betrokken ministeries in het kader van de Sociale Agenda Nederland onder andere aan een meer samenhangende benadering van beleid rond gezinnen in een kwetsbare positie. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om hiervoor één coördinerend Minister aan te wijzen.
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
De ministeries zijn reeds in gesprek met de initiatiefnemers van het rapport en waarderen hun betrokkenheid en inzichten. Het gesprek over de bevindingen en aanbevelingen uit De Staat van Gezinnen 2026 wordt gecontinueerd. Zoals benoemd wordt er ook samengewerkt met de partijen in de eerdergenoemde acties van deze brief.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Na zestig jaar moet mevrouw Rodijnen-Brands (96) tot haar verdriet noodgedwongen verhuizen: «Ik wil mijn laatste tijd het liefst hier doorbrengen»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een vrouw van 96 jaar, die afhankelijk is van mantelzorg en al zestig jaar in dezelfde woning woont, op zeer hoge leeftijd nog gedwongen wordt te verhuizen?
We snappen dat het erg ingrijpend kan zijn voor deze mevrouw. Het is een onwenselijke situatie om op deze leeftijd te moeten verhuizen uit de woning waar zij al 60 jaar in woont.
Deelt u de opvatting dat gedwongen verhuizingen op zeer hoge leeftijd grote gevolgen kunnen hebben voor het welzijn, de gezondheid en de zelfredzaamheid van ouderen?
Ja, wij delen de mening dat dit grote gevolgen kan hebben. Het is dan ook van belang dat met behulp van de betreffende corporatie wordt gezocht naar een nieuwe passende woning. Daarbij geldt evenwel dat een verhuizing naar een geclusterde woonvorm er ook voor kan zorgen dat mensen nieuwe contacten opdoen en mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Daarom is het zo van belang dat voldoende passende woningen voor ouderen worden gerealiseerd.
Beschikt u over cijfers hoeveel ouderen van 90 jaar en ouder de afgelopen vijf jaar vanwege sloop, herstructurering of renovatie van hun woning hebben moeten verhuizen? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen?
Wij beschikken niet over deze cijfers.
Hoe verhoudt het gebrek aan passende woningen voor Nederlandse ouderen zich tot de prioriteit die in veel gemeenten wordt gegeven aan andere woningzoekenden, waaronder statushouders?
Het is niet behulpzaam om groepen tegenover elkaar te plaatsen, dus daar gaan wij niet in mee. De woningbouwopgave is één van de grootste prioriteiten van dit kabinet, en zo ook de huisvestingsopgave voor ouderen. Ook in gemeenten wordt hard gewerkt aan de woningbouw voor ouderen, zoals ook door het Aanjaagteam Wonen Welzijn en Zorg voor Ouderen is geconstateerd. Dat wil niet zeggen dat er geen knelpunten zijn, ook wij zien dat versnelling nodig is. De opgave voor passende woningen staat echter scherp op ons netvlies.
Welke mogelijkheden hebben woningcorporaties momenteel om maatwerk te bieden aan zeer kwetsbare ouderen die door sloop of herstructurering hun woning moeten verlaten?
Op grond van de Woningwet zijn woningcorporaties verplicht om een reglement op te stellen voor het slopen en ingrijpend renoveren van haar woningen en het hierbij betrekken van de betrokken bewoners. De woningcorporaties zijn verplicht om een verhuiskostenvergoeding te verstrekken aan een huurder die zijn of haar woning moet verlaten wegens sloop. Verder moet de woningcorporatie ook een passende woning beschikbaar hebben. De wet stelt verder geen eisen aan de inhoud van het verplichte reglement, omdat de context waarbinnen sloop en renovatie plaatsvinden lokaal en regionaal kunnen verschillen. Met het opstellen van een Nationaal sloop- en renovatiestatuut is beoogd om een landelijke handreiking te bieden die als basis kan dienen voor woningcorporaties, huurdersvertegenwoordigingen en gemeenten om verdere afspraken op lokaal niveau vast te leggen in een verplicht reglement (ook wel een sociaal plan genoemd).
Bent u van mening dat bij ouderen op zeer hoge leeftijd het uitgangspunt zou moeten zijn dat een verhuizing zoveel mogelijk wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Dit kan zo niet in algemene zin worden gesteld. Zo kunnen woningen in complexen van corporaties sterk verouderd en van einde levensduur zijn. Na verloop van tijd zullen woningen moeten worden gerenoveerd. Dit gaat ook om de gezondheid van de huidige en toekomstige bewoners als het bijvoorbeeld gaat om isolatie en het binnenklimaat van woningen. Het is heel ingrijpend als dit betekent dat oudere bewoners moeten verhuizen, maar helaas ook soms onvermijdelijk.
Herkent u signalen dat ouderen of hun familie afzien van het aanvragen van een zorgindicatie uit angst dat zij verder van hun sociale netwerk of mantelzorgers worden geplaatst?
Nee, deze signalen herkennen wij niet. Ook als mensen een Wlz-indicatie hebben, betekent dit niet dat ze moeten verhuizen. Ze kunnen de zorg ook met een Modulair Pakket Thuis, een Volledig Pakket thuis of een persoonsgebonden budget in het huis krijgen waar ze al wonen.
Welke mogelijkheden ziet u om te bevorderen dat zeer kwetsbare ouderen die moeten verhuizen, voorrang krijgen op een passende woning in hun eigen woonomgeving?
Op basis van de Huisvestingswet 2014 hebben gemeenten al verschillende mogelijkheden om woningzoekenden voorrang te verlenen, onder mee op basis van passendheid2 of voorrang voor woningzoekenden met lokale binding3. In de huisvestingsverordening legt een gemeente deze voorrangsregels vast. Hiermee kunnen gemeenten bijvoorbeeld voorrang geven aan lokale ouderen op een nultredenwoning.
In het algemeen is het belangrijk dat er voldoende passende woningen zijn. Daarom zet ik onder meer via de Woondeals samen met provincies en gemeenten in op het bouwen van voldoende nultredenwoningen, geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en ouderenorganisaties om te bezien of aanvullende afspraken nodig zijn om gedwongen verhuizingen van zeer kwetsbare ouderen zoveel mogelijk te voorkomen?
Het kabinet is al volop bezig met het in samenspraak realiseren van voldoende woningen voor ouderen. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt met woningcorporaties over sloop en renovatie. Met het Nationaal sloop- en renovatiestatuut heeft het kabinet een landelijke handreiking gedaan, die als basis kan dienen om tot goede lokale afspraken te komen. Ik verwacht dat corporaties samen met de betrokken lokale partijen tot goede afspraken en oplossingen komen. Ik heb geen signalen ontvangen dat dit niet het geval is. Daarom vinden wij het niet nodig om nog aanvullend met deze organisaties in overleg te treden en aanvullende afspraken te maken.
Bent u bereid om in overleg met de betrokken woningcorporatie, gemeente en andere betrokken partijen te kijken of voor mevrouw Rodijnen-Brands alsnog een passende oplossing kan worden gevonden, zodat zij haar laatste levensfase zoveel mogelijk in haar vertrouwde omgeving kan doorbrengen? Zo nee, waarom niet?
Wij vinden het belangrijk dat dit gesprek lokaal wordt gevoerd en vinden het niet behulpzaam om vanuit Den Haag te bepalen wat het beste is voor deze specifieke situatie. Het is de verantwoordelijkheid van de corporatie om met de gemeente en de andere betrokken partijen om tot een passende oplossing te komen. Wij zien hierin geen rol voor onszelf.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ieder kind heeft recht om op een veilige plek op te groeien. Bij signalen van onveiligheid, moet snel duidelijk worden wat een passend vervolg is. Daarom moet het stelsel beter en eenvoudiger, en wachttijden tot het minimum worden beperkt.
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Ja, uit de cijfers van Veilig Thuis blijkt dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen de afgelopen jaren is gestegen. Ongeveer de helft hiervan heeft betrekking op kindermishandeling. Dit percentage is door de jaren heen stabiel gebleven, al is het aantal adviesvragen en meldingen met betrekking tot kindermishandeling in absolute aantallen gestegen. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nader overzicht.
Dat hoeft echter niet direct te betekenen dat kindermishandeling vaker voorkomt; het kan ook zijn dat onveilige situaties vaker worden gesignaleerd en dat vaker contact wordt opgenomen met Veilig Thuis. Het is positief dat Veilig Thuis wordt benaderd om situaties waarin kinderen zich mogelijk in onveiligheid bevinden waar nodig nader te onderzoeken.
In de beleidsinformatie die periodiek door Veilig Thuis met het CBS wordt gedeeld, wordt geen onderscheid gemaakt tussen «ernstige» en «niet-ernstige» mishandeling. Ik beschouw iedere situatie van mishandeling ook als één te veel en als schadelijk.
Voor seksueel misbruik bij kinderen is het beeld gemengd. Het aantal adviesvragen steeg van 3.635 in 2022 naar 4.515 in 2025, terwijl het aantal meldingen in diezelfde periode licht terugliep, van 1.985 naar 1.830.
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Veilig Thuis levert twee keer per jaar cijfers aan het CBS. Daaruit is op jaarbasis het volgende overzicht van het aantal meldingen kindermishandeling op te maken:
Jaar
Aantal meldingen kindermishandeling
2019
55.590
2020
62.795
2021
61.495
2022
62.460
2023
65.750
2024
67.030
2025
68.150
Er wordt landelijk niet bijgehouden wanneer de wettelijke termijnen worden overschreden. Vanuit de decentrale inrichting van de regionale Veilig Thuis-organisaties is het deels afhankelijk van de wijze van aanbesteding hoe de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties hierover verantwoording afleggen aan de gemeenten. Landelijk houdt de IGJ daarnaast toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele organisaties, waaronder ook de naleving van de termijnen.
Een exact percentage van het aantal gevallen waarin de wettelijke termijn voor het uitvoeren van de veiligheidsbeoordeling niet wordt gehaald, is daardoor niet goed te geven. Wel is bekend dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40 en 60 procent van de veiligheidsbeoordelingen niet tijdig werd afgerond en dat dit al jaren een structureel knelpunt is bij Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde, en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden. Op het overschrijden van deze wettelijke termijnen ga ik in de beantwoording van vraag 7 nader in. Voor de volledigheid wil ik hierbij benadrukken dat na ontvangst van een melding altijd binnen 24 uur een eerste triage wordt uitgevoerd, en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
Voor het overschrijden van de wettelijke termijnen zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Een tekort aan personeel speelt daarbij zeker een rol, maar ook de beperkte capaciteit bij samenwerkingspartners van Veilig Thuis en de toegenomen complexiteit van de casuïstiek. Al deze factoren samen verklaren waarom de termijnen niet altijd worden gehaald.
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal afgeronde diensten onderzoek door Veilig Thuis.
Jaar
Aantal afgeronde diensten onderzoek totaal (alle vormen van huiselijk geweld inclusief kindermishandeling)
Aantal afgeronde diensten onderzoek specifiek bij een vermoeden van kindermishandeling
2019
6.100
2.440
2020
7.305
3.735
2021
7.615
4.025
2022
7.585
4.145
2023
7.530
4.335
2024
7.720
4.610
2025
7.435
4.405
Totaal
51.290
27.695
Ook voor de termijn van 10 weken voor het afronden van een onderzoek geldt dat naleving niet centraal wordt geregistreerd, waardoor helaas niet exact bekend is hoe vaak de termijn van tien weken wordt overschreden. Ik vind het belangrijk dat er meer uniformiteit en daarmee ook een beter landelijk overzicht komt, en werk daarom samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis hard aan het meer gelijk maken van werkprocessen en data.
In de tabel hieronder het gevraagde overzicht van het aantal keer dat Veilig Thuis de Raad voor de Kinderbescherming heeft ingeschakeld:
Jaar
Aantal afgeronde casussen met overdracht naar de Raad voor de Kinderbescherming
2019
355
2020
520
2021
620
2022
565
2023
595
2024
630
2025
490
Totaal
3.775
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Zoals hierboven toegelicht, is er wel inzicht in cijfers over het aantal meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis, maar niet in concrete gegevens over wachttijden en wachtlijsten. Daardoor kan er geen antwoord worden geven op de vraag wat de gemiddelde wachttijd voor gezinnen is na een melding. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat dit beeld er in de toekomst wel komt. Daarom werk ik met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis aan uniformiteit in de registratie van deze gegevens.
Evenmin is bekend hoeveel kinderen zich op dit moment in een onveilige situatie bevinden. Ook de cijfers van Veilig Thuis bieden hier geen uitsluitsel: zij geven uitsluitend een beeld van het aantal huishoudens waarover jaarlijks een melding wordt gedaan, niet van de totale omvang van kinderen in onveiligheid.
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Het is duidelijk dat Veilig Thuis onder grote druk staat en dat dit helaas leidt tot het overschrijden van de wettelijke termijnen. Ondanks de vele initiatieven die de afgelopen jaren zijn ondernomen, is het niet gelukt de wachtlijsten weg te werken. Dit is zorgelijk.
Hierbij is het goed om te vermelden dat, zoals ook in dit NOS-artikel staat, los van een eventuele wachtlijst bij een melding altijd direct een triage wordt uitgevoerd en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Daarbij is het belangrijk te blijven beseffen dat dit niet alleen een probleem is van Veilig Thuis zelf, maar van de keten als geheel. Met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming wordt gewerkt aan een stelselwijziging die ook de structurele knelpunten in de keten moet aanpakken: een stelsel dat eenvoudiger moet worden, met minder overdrachten van gezinnen en huishoudens.
Tegelijkertijd blijven we zoeken naar manieren om de wachtlijsten ook op kortere termijn terug te dringen. Daarvoor is het van belang een beter landelijk beeld te krijgen van de omvang en oorzaken van de problematiek. Uniformiteit tussen de 25 Veilig Thuis-organisaties is daarbij een cruciale voorwaarde, net als verdere verbetering van de werkprocessen waar dat mogelijk is. Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG, het Ministerie van JenV en de IGJ onderzoeken we hoe we de wettelijke basis en bijpassende kwaliteitseisen kunnen aanscherpen om tot meer uniformiteit te komen.
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Het beoordelen van signalen en het inschatten van veiligheidsrisico's behoren tot de kerntaken van Veilig Thuis. Zoals ook in het antwoord op vraag 7 is benoemd, worden ondanks de bestaande wachtlijsten alle meldingen binnen 24 uur op urgentie beoordeeld door daartoe opgeleide professionals. Op basis van de inhoud van de melding wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarin sprake is van acute of ernstige onveiligheid en situaties waarin een andere vorm van vervolg, ondersteuning of monitoring meer passend is. Hierbij moet Veilig Thuis afgaan op de informatie die zij krijgt. Samenwerking van Veilig Thuis met overige ketenpartners is dan cruciaal om het beeld van mogelijke onveiligheid scherper te krijgen en gezamenlijk tot een passend vervolg van ondersteuning, hulp en/of bescherming te komen. Deze gezamenlijke opgave vraagt ook om bredere oplossingen binnen het stelsel, waaronder een betere samenwerking tussen lokale teams en veiligheidspartners, zoals uitgewerkt in het Toekomstscenario.
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Ouders die wachten op een vervolgactie van Veilig Thuis kunnen altijd contact opnemen als zij het gevoel hebben dat de situatie niet langer kan wachten of dat er iets is veranderd. Zoals eerder aangegeven beoordeelt Veilig Thuis elke nieuwe melding opnieuw op acute onveiligheid.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming vereist een zorgvuldig proces in afstemming met betrokken organisaties en gemeenten. Bij ernstige gevallen vind ik het van belang dat Veilig Thuis of een andere betrokken organisatie de Raad voor de Kinderbescherming zo spoedig mogelijk inschakelt. Dit vraagt ook om een goede gezamenlijke analyse om de aard en ernst van een situatie goed te kunnen inschatten, iets wat vanuit het Toekomstscenario verder wordt versterkt.
Waar dat mogelijk en verantwoord is, streven we tegelijkertijd naar passende oplossingen binnen het vrijwillige kader. In die gevallen is het vooral belangrijk dat het gezin vanuit de juiste expertise bij de professionals tijdig de ondersteuning krijgt die het nodig heeft.
Overigens is het aandeel van Veilig Thuis-meldingen in de totale instroom bij de Raad voor de Kinderbescherming al jarenlang ongeveer 17 procent.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan het Kinderrechtenverdrag. Dat betekent dat wij als kabinet een positieve verplichting hebben om kinderen in staat te stellen zich optimaal en veilig te ontwikkelen. Dat vraagt van alle betrokkenen voortdurende inzet en aandacht. De situatie van het zwaar mishandelde meisje dat verbleef in een pleeggezin in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat het niet altijd en overal lukt om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Een van de kernbepalingen uit het Kinderrechtenverdrag is dat kinderen het recht hebben om hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan.2 Daarom zijn sinds het debat van 4 maart 2025 meerdere verbeterpunten gerealiseerd binnen de pleegzorg, jeugdbescherming en Veilig Thuis om de stem van kinderen te versterken.
Allereerst wordt binnen de Richtlijn Pleegzorg de focus meer gelegd op formele en informele vertrouwenspersonen, in aanvulling op het betekenisvol 1-op-1 contact tussen de professional en het pleegkind. Eveneens heb ik, in lijn met de motie Westerveld3, opdracht gegeven aan Jeugdstem om samen met ervaringsdeskundige jongeren uit de pleegzorg, de NVP en de Alliantie Informele Steun een informatiepakket te maken voor pleegkinderen zodat zij weten dat zij recht hebben op de hulp van vertrouwenspersonen en informele steunfiguren. Dit informatiepakket bestaat onder andere uit het «Ken-je-rechten-boekje» specifiek voor pleegkinderen, informatievideo’s en podcastafleveringen. Jeugdstem zal ook informatie beschikbaar maken voor pleegzorgbegeleiders, zodat deze ook over de juiste informatie beschikken. Jeugdstem verwacht in september het informatiepakket voor pleegkinderen gereed te hebben.
Daarnaast heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 2025 de positie van het kind versterkt, onder andere door het verbeteren van het kindgesprek, het inzetten van een ervaringsdeskundigen en het aanscherpen van de handreiking «Praten met kinderen over seksueel misbruik».
De Gecertificeerde Instellingen hebben naar aanleiding van het inspectierapport van 25 september 2025 een plan van aanpak opgesteld waarin onder andere gewerkt wordt aan de gezamenlijke uitgangspunten voor betekenisvolle face-to-face contacten. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de werkwijze die in het kader van het Toekomstscenario is ontwikkeld. Voorts is de afgelopen jaren met het landelijk tarief de workload van de jeugdbeschermer verlaagd met bijna 30%. Dit geeft meer ruimte voor betekenisvol contact van de jeugdbeschermer met het kind en het gezin. Specifiek voor de William Schrikker Stichting geldt dat naar aanleiding van de ernstige mishandeling in Vlaardingen maatregelen zijn genomen om het zicht op veiligheid van het kind te verbeteren, bijvoorbeeld door ieder kwartaal een toets uit te voeren op de actualiteit van kind-alleen-gesprekken.
Vanuit Veilig Thuis is er al een protocol voor het handelen bij disclosure, dat is wanneer een kind zelf aangeeft mishandeld te worden. Disclosure valt in alle gevallen onder vermoedens van acuut en/of ernstig structureel huiselijk geweld. Bij een melding bij Veilig Thuis waar sprake is van disclosure moet altijd een vertrouwensarts worden betrokken en moet een «top tot teen»-onderzoek plaatsvinden.
De vreselijke gebeurtenis in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat bij een deel van de professionals nog te weinig bekend was over disclosure en de afgesproken handelingsperspectieven. Daarom heeft Veilig Thuis vooral geïnvesteerd in het creëren van bewustwording rondom disclosure, zowel door rechtstreekse voorlichting aan professionals als door veel aandacht hierover op het nieuwe digitaal platform (o.a. met AI-chatbots). Ook is er brede aandacht voor de adviesfunctie voor professionals en heeft verbetering plaatsgevonden van meldings-en informatiesystemen. Daarnaast vindt voorlichting plaats op scholen over de radarfunctie van Veilig Thuis en via digitale kanalen. Tot slot verbetert Veilig Thuis zelf ook de gespreksvoering met kinderen door de medewerkers te trainen in systematische gespreksvoering met kinderen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling (NICHD-methode).
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Op het handelen van Veilig Thuis wordt onafhankelijk toezicht gehouden door de IGJ. Dit toezicht is zowel risicogestuurd als thematisch van aard. Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld.
De IGJ toetst of Veilig Thuis voldoet aan de geldende normen en verplichtingen op vier terreinen: veiligheid, de mate waarin gezinnen en huishoudens centraal worden gesteld, de deskundigheid van professionals en goed bestuur. Hiervoor heeft zij in januari 2025 ook een geactualiseerd toetsingskader opgesteld.
Daarnaast geldt voor Veilig Thuis een meldplicht bij de IGJ wanneer zich calamiteiten of incidenten voordoen in zaken waarbij zij betrokken is. De IGJ beoordeelt vervolgens onafhankelijk of nader onderzoek nodig is.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen, het toezicht van de IGJ en het debat van 4 maart 2025 zijn pleegzorgorganisaties en gecertificeerde instellingen gezamenlijk aan de slag gegaan met het verbeteren van de samenwerking. De Ministeries van JenV en VWS hebben Jeugdzorg Nederland, als koepel voor pleegzorg en jeugdbescherming, de opdracht gegeven om de Handreiking samenwerkingsafspraken Jeugdbescherming-Pleegzorgaanbieder uit 2016 te actualiseren. Vanuit Jeugdzorg Nederland zijn hiervoor projectleiders aangetrokken. In dit traject zijn onder andere de volgende onderwerpen meegenomen: versnellen van verklarend analyseren, gegevensuitwisseling tussen professionals, samenwerkingsafspraken met gezinshuizen en optimaal betekenisvol contact met het kind. De planning voor het vaststellen van deze hernieuwde samenwerkingsafspraken is najaar 2026. Aanvullend op deze samenwerkingsafspraken zijn er geen wetsvoorstellen in voorbereiding.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
In regio’s zijn stappen gezet om de verbinding tussen school en onderwijs te versterken. Onder meer door het aanstellen van vaste contactpersonen voor onderwijspartners. Deze contactpersonen zijn goed bereikbaar en gemakkelijk te vinden voor scholen, beantwoorden vragen vanuit het onderwijs en vertalen signalen en verbeterpunten intern door binnen Veilig Thuis. Overigens is in het Handelingsprotocol van Veilig Thuis opgenomen dat scholen vanuit Veilig Thuis altijd de informatie krijgen die noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Ook krijgt de school altijd een terugkoppeling.
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Een goede screening van pleegouders is belangrijk. Hiervoor moet een zorgvuldige procedure doorlopen worden, bestaande uit voorbereiding en beoordeling van de geschiktheid van pleegouders door de pleegzorgaanbieders, aangevuld met een justitiële screening door de Raad voor de Kinderbescherming.
De IGJ heeft in het thematisch toezicht naar de pleegzorg onder meer gekeken naar de screening en heeft op dit gebied geen aanbevelingen gedaan.
Desalniettemin hebben pleegzorgaanbieders het Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening vervroegd geëvalueerd. Binnen deze evaluatie wordt kritisch gekeken naar het opvragen van referenten, informatie-uitwisseling tussen pleegzorgaanbieders onderling en screening en voorbereiding van netwerkpleegouders. Het nieuwe Kwaliteitskader is eind vorige maand bestuurlijk vastgesteld.
Ten aanzien van de justitiële screening (Verklaring van Geen Bezwaar) die de Raad voor de Kinderbescherming op verzoek van de pleegzorgaanbieder uitvoert, past de RvdK sinds de herziening van zijn handreiking in februari 2025 consequent het vier-ogen-principe toe bij besluitvorming over (her-)screeningen van pleeggezinnen. Ter versterking van de zorgvuldigheid raadpleegt de RvdK op vaste momenten in het justitiële (her-)screeningstraject de Gecertificeerde Instelling en de pleegzorgaanbieder op het moment dat er zorgen zijn. Indien het onderzoek daar aanleiding toe geeft kunnen er meer informanten worden geraadpleegd.
Naast een goede screening is vooral goede ondersteuning en begeleiding van pleegouders belangrijk, zodat eventuele zorgen over de opvoedsituatie tijdig in beeld komen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders gebeurt primair door de pleegzorgwerkers en begeleiding vanuit de aanbieders. De komende periode geven de pleegzorgaanbieders uitvoering aan hun verbeteragenda, waar het versterken van de begeleiding van pleegouders een kernonderdeel van is.
Verder is het van belang dat pleegouders ergens terecht kunnen met vragen en klachten, als zij er niet uitkomen met de pleegzorgbegeleiding. Hiervoor geef ik subsidie aan de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en Jeugdstem. Zij kunnen pleegouders ondersteunen. Aanvullend heb ik maatregelen genomen voor het beter ondersteunen van pleeggezinnen zoals het financieel mogelijk maken van kinderopvang voor pleegkinderen en het uitbreiden van de bijzondere kostenvergoeding in het vrijwillig kader.
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Het LECK heeft als primaire taak artsen te adviseren bij vermoedens van kindermishandeling. Dit advies is gebaseerd op medische informatie en fotomateriaal en richt zich op de vraag of geconstateerd letsel past bij de beschreven toedracht, of dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke kindermishandeling. Voor een zorgvuldige beoordeling is het daarbij van belang dat het LECK beschikt over kwalitatief goede informatie.
Via de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn er verschillende routes waarlangs deze expertise kan worden ingezet. Zo kan Veilig Thuis medische professionals adviseren eerst een consult bij het LECK aan te vragen voordat een melding wordt gedaan. Daarnaast kunnen Veilig Thuis en vertrouwensartsen bij een vermoeden van lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik advies of onderzoek laten uitvoeren door een forensisch arts.
Het aantal adviezen van het LECK is de afgelopen jaren toegenomen, en ook de financiering is in die periode substantieel gegroeid. Ik vind het belangrijk dat de expertise van het LECK behouden blijft en toegankelijk is voor de professionals die daarop zijn aangewezen. In lijn met de aangenomen motie Krul-Westerveld ben ik daarom met het LECK en andere betrokken partijen in gesprek over hoe deze expertise duurzaam kan worden geborgd. Daarnaast verken ik hoe de samenwerking en afstemming tussen gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis, forensische expertiseorganisaties en het LECK in breder verband verder versterkt kunnen worden.
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Ik herken de ernst van de problemen binnen het stelsel. Met de betrokken partners voer ik overleg over de aanpak daarvan, vooralsnog binnen het bestaande financiële kader en met de extra POK-middelen die regio's hebben ontvangen: € 18 miljoen in 2026 en € 17 miljoen in 2027. Over de veranderstrategie van het Toekomstscenario zal ik uw Kamer in juli informeren.
steeds).
De uitspraken van de minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026 |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gesteld dat er circa € 7 miljard beschikbaar is voor onder andere ouderenhuisvesting?
Ik heb aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet Jetten van 2029 tot en met 2035 € 7 miljard beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland. Hier valt ouderenhuisvesting ook onder. Zoals ik ook eerder in debatten richting uw Kamer heb aangegeven, zijn er veel ambities en dient het bedrag van € 7 miljard verdeeld te worden. Hier ben ik op dit moment mee bezig. Ik verwacht uw Kamer daar in september over te informeren.
Klopt het dat deze middelen onderdeel zijn van een bredere investering in betaalbare woningbouw en niet specifiek zijn geoormerkt voor ouderenhuisvesting?
Het klopt dat de € 7 miljard bedoeld is voor de woningbouwopgave, waar ouderenhuisvesting ook zeker onderdeel van is. Dat deel van de bouwopgave heeft mijn volle aandacht. Ik verwijs u terug naar mijn antwoord op vraag 1 voor een nadere toelichting.
Bent u ervan op de hoogte dat deze middelen pas vanaf 2029 beschikbaar zijn (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029 t/m 2035) en dus slechts beperkt doorwerken richting 2030? En klopt het dat dit kabinet deze middelen in de budgettaire bijlage feitelijk alleen t/m 2030 heeft staan en niet verder heeft doorberekend?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Daarbij is het van belang op te merken dat naast de middelen die vanaf 2029 beschikbaar komen (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029–2035), er ook nog woningbouwmiddelen resteren vanuit het kabinet Schoof in de periode tot en met 2030. Hiervan staat nog € 420 miljoen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen t/m 2030, onder de post «opslagen» binnen de Realisatiestimulans. Deze middelen zijn beschikbaar voor zowel ouderen als aandachtsgroepen. Ten aanzien van uw tweede vraag merk ik op dat de budgettaire bijlage zowel een overzicht tot en met 2030, als een meerjarig overzicht voor de periode 2031–2035 bevat. In dat laatste overzicht staat de reeks van € 1 miljard per jaar voor betaalbare woningen ook opgenomen.
Hoe reflecteert u, in het licht van het voorgaande, op uw uitspraken dat er «miljarden beschikbaar zijn» voor ouderenhuisvesting, terwijl deze middelen grotendeels na 2029 beschikbaar komen?
De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt. Zowel tot en met 2030 als voor de periode tot en met 2035 staan hier dus middelen voor gereserveerd. Dat zijn de middelen die dit kabinet extra beschikbaar stelt voor woningbouw (7 * € 1 miljard), aanvullend op de middelen die reeds beschikbaar zijn gesteld door het vorige kabinet.
Bent u, gelet op het voorgaande, bereid uw uitspraken over de beschikbaarheid van «miljarden» voor ouderenhuisvesting te rectificeren en in uw beantwoording helder en feitelijk uiteen te zetten welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030? En hoeveel er in totaal beschikbaar is ná 2030 en per jaar?
Ik zie geen aanleiding om mijn eerdere uitspraken te rectificeren of terug te nemen. De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt en wat mijn volle aandacht heeft.
Voor geclusterde en zorggeschikte woningen is € 420 miljoen beschikbaar in de periode 2027 tot en met 2030 binnen de post «opslagen» van de Realisatiestimulans. Dit bedrag is inzetbaar voor ouderen en andere aandachtsgroepen. Dit bedrag komt bovenop de reeds beschikbare gestelde middelen voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW). De middelen voor deze laatste regeling staan op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In 2026 staan nog tranches open voor deze regelingen voor respectievelijk € 40 en € 80 miljoen. Over het mogelijk beschikbaar stellen van middelen voor ouderenhuisvesting na 2030 dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Klopt het dat het grootste deel van de € 5 miljard voor woningbouw van het vorige kabinet niet naar ouderenhuisvesting is gegaan, omdat daarvoor een separate ouderenenveloppe bestond? En zo ja, waarom verwacht u dat de huidige middelen voor betaalbare woningbouw wél substantieel ten goede zullen komen aan ouderenhuisvesting?
Het Kabinet-Schoof heeft middelen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans voor de periode 2027–2030. Het resterende budget bedraagt € 420 miljoen euro. Daarnaast heeft het kabinet-Schoof structurele middelen gereserveerd voor de ouderenzorg op de aanvullende post, oplopend tot € 470 miljoen euro per jaar vanaf 20301. Het Kabinet-Jetten heeft deze enveloppe van € 470 miljoen geschrapt in het coalitieakkoord. In het coalitieakkoord is € 7 miljard gereserveerd voor woningbouw in de periode 2029–2035. Over het mogelijk beschikbaar stellen van deze middelen voor ouderenhuisvesting dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Waar in de Voorjaarsnota of suppletoire begroting is de genoemde € 80 miljoen voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) terug te vinden? En indien deze middelen niet expliciet terug te vinden zijn, hoe verklaart u dit en waarom presenteert het kabinet dit als reeds geregeld?
Voor het scheiden van wonen en zorg in de ouderenzorg zijn transitiemiddelen ter beschikking gesteld. Van deze transitiemiddelen is voor de periode 2023 t/m 2026 € 312 miljoen beschikbaar om subsidieaanvragen te kunnen honoreren. De feitelijke uitgaven vinden in latere jaren plaats. Deze uitgaven verlopen via de begroting van VWS. Voor de ronde 2026 is het budgetplafond vastgesteld op € 80 miljoen2.
Kunt u toelichten welke financiële reeks u bedoelde in het debat en of dit bijvoorbeeld de € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten» betreft? En zo ja, hoeveel draagt dit bij aan de doelstelling van 290.000 woningen?
Met de € 40 miljoen verwees ik naar het budget voor de SOO in 2026. Aangevuld met het budget van € 80 miljoen voor de SZGW in 2026 verwacht ik dat dit voldoende financiële ondersteuning zal zijn om in de opgave voor ouderenhuisvesting te voorzien in 2026. Mijn opdracht vanuit het coalitieakkoord is om voldoende nieuwe woonvormen te realiseren en voor de financiële ondersteuning bij deze opgave maak ik gebruik van de beschikbare woningbouwmiddelen. Het gaat daarbij dus niet om de beschikbare gestelde € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten».
Kunt u bevestigen dat dit kabinet middelen uit de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrijvallen en dat deze daarmee niet langer beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting? En klopt het dat de omvang van deze vrijval in de jaren 2026–2030 in totaal rond de € 1 miljard is?
Het klopt dat het kabinet de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrij vallen. Het gaat daarbij om de volgende reeks:
2027
2028
2029
2030
Structureel
Vrijvallen resterende envelop ouderenzorg1
– 8
– 321
– 320
– 470
– 470
bedragen in miljoen euro
De benodigde middelen voor de verzorgingshuizen zoals het vorige kabinet die had beoogd, hingen voor een belangrijk deel samen met het zorgconcept. Het scenario uit het onderzoek van PwC naar de moderne verzorgingshuizen ging uit van de situatie dat er zorg- en welzijnspakketten nodig zouden zijn die vergelijkbaar zouden zijn met de oude ZZP 2 en ZZP 3 pakketten. PwC gaf hierbij aan dat «Door te werken volgens de traditionele urennormen zou de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen aanzienlijk toenemen, vergeleken met de ondersteuning die zij momenteel ontvangen. De doelgroep heeft een latente zorgbehoefte, en het is dus ook aannemelijk dat zij meer zorg en ondersteuning nodig hebben dan zij nu ontvangen. Dit biedt echter ook een kans om delen van de zorgbehoefte op alternatieve manieren in te vullen, en goede voorbeelden van werkwijzen die in de tussentijd ontwikkeld zijn integraal mee te nemen in een «verzorgingshuis nieuwe stijl»». Omdat het vooral gaat om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd, is het de vraag of de zorgvraag per saldo zal toenemen. Een onderdeel van de plannen was daarnaast om in te zetten op gemeenschapsvorming in woonvormen. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft daarover al aangegeven dat ze onderzoekt of gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende HLO-afspraken op grond van het coalitieakkoord. Ten slotte, was een deel van de middelen bestemd voor de woningbouw. Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Hoeveel ouderenwoningen kunnen volgens uw eigen ramingen worden gerealiseerd met de middelen die daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030?
Er is reeds subsidie verschaft aan ontmoetingsruimten bij ca. 29.000 geclusterde woningen voor ouderen (hoofdzakelijk in het betaalbare segment) en voor ca. 7866 zorggeschikte woningen (in de sociale huur) subsidie aangevraagd. In 2026 zijn de regelingen SOO en SZGW opnieuw opengezet voor in totaal € 120 miljoen waarmee middelen beschikbaar zijn om geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen van subsidie te kunnen voorzien. Ik verwacht met de beschikbare middelen in 2027 tot en met 2030 een bijdrage te kunnen leveren aan een groot aantal extra geclusterde en zorggeschikte woningen voor ouderen en aandachtsgroepen, waarvan het grootste gedeelte voor ouderen zal worden ingezet. Een exacte raming kan ik in dit stadium niet geven, omdat ik nog uitwerk via welke regelingen deze middelen worden besteed. Ik verwacht uw Kamer hier verder over te informeren in september.
Hoe verhouden de structurele middelen van dit kabinet zich tot de structurele middelen uit het vorige kabinet? En hoe verhoudt dit aantal zich tot de verwachte realisatie op basis van de middelen van het vorige kabinet?
Dit kabinet heeft, net als het vorige kabinet, geen structurele middelen beschikbaar gesteld voor de woningbouwopgave, maar heeft wel middelen ingezet om de woningbouw tot en met 2035 te ondersteunen. Het is aan een volgend kabinet om te bezien in welke mate financiële ondersteuning na 2035 nodig is. Voor het inzicht in de beschikbare middelen en de realisaties die hiermee ondersteund worden verwijs ik u verder naar de antwoorden op vraag 3 en 10.
Klopt het dat de huidige realisatiegraad aanzienlijk achterblijft bij de benodigde jaarlijkse productie om de doelstelling te halen? In hoeverre acht u het realistisch dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen in 2030 wordt gehaald gezien de huidige voortgang en financiële kaders van dit kabinet?
Ik heb uw Kamer een voortgangsbrief ouderenhuisvesting gestuurd, waar ik inga op de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen. Ook ga ik in deze brief in op de knelpunten die ik zie bij de realisatie van deze opgave, en geef ik een overzicht van hoe ik werk aan bijpassende financiële ondersteuning.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting uit het coalitieakkoord, de vorige en huidige begrotingen en de suppletoire begrotingen integraal en inzichtelijk worden gemaakt, inclusief tijdpad en bestemming tot en met 2030?
Ja, ik zal bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een dergelijke bijlage bijvoegen. De bijlage is in hoofdopzet reeds gereed, alleen het kasritme dient nog te worden afgestemd met de meest actuele begroting, zodat deze in lijn wordt gebracht met de geldende begrotingssystematiek en de uitwerking van de betreffende subsidieregelingen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Ja.
De berichten dat het zorgbuurthuis in Oss zorg bespaart, maar dat zorgverzekeraars en zorgkantoren niet meebetalen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten «Het «wonder van Oss» brengt geluk én fors minder zorgkosten, maar verzekeraars willen niet betalen»1 1) en «Waarom een tweede zorgbuurthuis na het succes van ’t Hageltje nog niet van de grond komt»2?
Hoe reageert u op het feit dat de bewoners van het zorgbuurthuis aantoonbaar gelukkiger en vitaler zijn, terwijl de zorgkosten er 30 procent lager liggen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is dat zorgverzekeraars weigeren mee te betalen aan een initiatief dat hen veel geld bespaart? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat het ook zeer onlogisch is dat het zorgkantoor tot nu toe niet meebetaalt aan het zorgbuurthuis, terwijl dit aantoonbaar veel Wlz-kosten bespaart?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de zorgverzekeraars en het zorgkantoor om hen ertoe te bewegen om alsnog mee te gaan betalen aan het zorgbuurthuis, zodat dit kan worden bekostigd uit cofinanciering door het zorgkantoor, de zorgverzekeraars en gemeenten?
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van het amendement Dobbe3 over het oprichten van een team dat actief ondersteunt bij het opzetten van zorgbuurthuizen en vergelijkbare woonzorgvormen voor ouderen?
Wat gaat u doen met de uitkomsten van het Adviesrapport «Verkenning inzet ondersteuningsteam voor realisatie woonzorgconcepten»4, waaruit duidelijk de noodzaak van zo’n ondersteuningsteam bleek en concrete voorstellen worden gedaan voor de vormgeving en financiering hiervan?
Bent u bekend met het bericht «Jeugdgezondheidszorg voor twintigduizend asielkinderen is vooralsnog vanaf oktober maanden niet beschikbaar»?1
Deelt u de mening dat een dergelijk gat in zorgcontinuïteit voor deze (kwetsbare) groep een zorgelijke, onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe reflecteert u daarop? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op, zoals Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) in het artikel aangeeft, een dergelijke «versnippering van de collectieve en preventieve jeugdgezondheidszorg» in Nederland? Deelt u de mening dat dit een onwenselijk precedent schept en verschillen in toegang tot zorg oplevert voor kinderen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke effecten en risico’s voorziet u, mocht de in het artikel genoemde situatie werkelijkheid worden? Kunt u per risico aangeven welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op risico’s rond de bestrijding van (infectie)ziekten onder baby’s, kinderen en jongeren in Nederland?
Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheids)zorg, hoe reëel acht u het dat de Arts en Zorg Groep de zorg in de asielzoekerscentra tijdig en volledig over kan nemen voor de beoogde (lagere) prijs, nu het COA in het artikel aangeeft dat hij daarover in gesprek is met de Arts en Zorg Groep?
Welke waarborgen en afspraken zijn er vastgelegd over de zorgcontinuïteit ten tijde van de overgangsperiode van de GGD-GHOR naar de Arts en Zorg Groep, en ten tijde van de periode erna? Indien die er niet zijn, hoe bent u voornemens de zorgcontinuïteit te borgen voor deze groep kinderen in asielzoekerscentra?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van geleverde zorg en wie is verantwoordelijk (zowel politiek/ministerieel als in de uitvoering)? Waar kunnen professionals, burgers en asielzoekers(kinderen) terecht met signalen en klachten over de zorg vanuit de Arts en Zorg Groep (of het gebrek aan zorg)? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met, bijvoorbeeld, de geletterdheid en moedertaal van de doelgroep in kwestie in de asielzoekerscentra?
Welke concrete mogelijkheden zijn er om in te grijpen, in geval van (ernstige) tekortkomingen in de kwaliteit of continuïteit van de (jeugdgezondheids)zorg in de asielzoekerscentra tijdens de overgangsperiode en de periode daarna?
Kunt u deze vragen beantwoorden (ruim) voor het debat Jeugdbeleid van 30 september 2026?
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Mirjam Sterk (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Abortus op sociale indicatie bij 22 of 23 weken zwangerschap |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er een landelijke «pilot» gaande is vanuit de commissie Gynaecoloog en Maatschappij van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) om via de reguliere geboortezorg in ziekenhuizen abortussen op sociale indicatie te gaan uitvoeren bij 22 of 23 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven welke ziekenhuizen zich al hebben aangemeld voor deze pilot?
Kunt u bevestigen dat het de bedoeling van de NVOG is om dergelijke abortussen (naar verwachting enkele honderden per jaar) via regionale spreiding in meerdere Nederlandse ziekenhuizen uit te gaan voeren?
Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke ontwikkeling is?
Erkent u dat dit gaat over een verruiming van de abortuspraktijk?
Erkent u dat dit type abortussen omstreden en beladen zijn?
Deelt u de mening dat over een dergelijke fundamentele wijziging van de abortuspraktijk eerst een politiek debat moet worden gevoerd, waarbij alle aspecten, zowel ethisch als juridisch, uitgebreid aan bod komen?
Bent u bereid om deze ontwikkeling tegen te houden totdat de Kamer zich hierover fundamenteel heeft kunnen uitspreken?
Sinds wanneer bent u op de hoogte van dit initiatief? Waarom heeft u de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd?
Kunt u ook de toolkit en het praktische protocol die zijn gemaakt door de betreffende werkgroep vanuit de NVOG met de Kamer delen?
Bent u bekend met de brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uit 2021 aan de NVOG en het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) over abortus op sociale indicatie in week 22 en 23? Kunt u deze brief met de Kamer delen?
Indien u bekend was met deze brief, waarom heeft u de Kamer hierover nooit geïnformeerd? Indien u niet bekend was met deze brief, hoe is het mogelijk dat de Kamer niet actief betrokken wordt bij een dergelijke ingrijpende wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u aangeven of deze nieuwe werkwijze ook een formele status heeft? Zijn de richtlijnen van de NVOG en het NGvA hierop aangepast? Zo nee, hoe kan het dat deze fundamentele wijziging van de abortuspraktijk doorgevoerd kan worden zonder dat dit in overeenstemming is met geldende richtlijnen? Zo ja, waarom zijn deze aangepaste richtlijnen niet openbaar gemaakt?
Kunt u uitleggen waarom ziekenhuizen tot op heden zich bewust hebben beperkt tot abortussen op grond van medische indicatie (prenatale diagnostiek) en geen tweede trimester abortussen op grond van «sociale indicatie» uitvoeren?
Hoe verhoudt deze wijziging van de abortuspraktijk zich tot interne protocollen van ziekenhuizen over medicamenteuze zwangerschapsafbreking gedurende het tweede trimester, waarin duidelijk staat dat zij zich beperken tot abortus op grond van medische indicatie?
Moet elk ziekenhuis verplicht gaan meewerken aan abortussen op sociale indicatie in week 22 en 23?
Wat is het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen over deze ontwikkelingen?
Kunt u bevestigen dat het feit dat abortusklinieken en ziekenhuizen er tot op heden bewust voor kiezen om geen abortussen in week 22 en week 23 uit te voeren in de twee evaluaties van de Wet afbreking zwangerschap nooit als urgent probleem naar voren is gekomen? Wat zegt dit en waarom zou dit nu wel moeten worden geproblematiseerd?
Erkent u de waarde van het ongeboren leven zoals dat tot uitdrukking wordt gebracht in het Wetbroek van Strafrecht? Ziet u ook de waarde in van een wettelijke grens ter bescherming van het leven van het ongeboren kind?
Erkent u dat de wettelijke grens zoals bepaald in het Wetboek van Strafrecht niet automatisch betekent dat de overheid of zorgverleners verplicht zijn om datgene wat binnen de grenzen van de wet ligt in alle gevallen mogelijk te maken?
Deelt u de mening dat het juist verstandig is om de grenzen van het strafrecht in dezen niet op te zoeken (zoals tot op heden ook het geval was)?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen maanden in diverse ziekenhuizen al abortussen op sociale indicatie vanaf week 22 hebben plaatsgevonden?
Bent u ervan op de hoogte dat medewerking aan dit type abortussen door zorgverleners als beladen en controversieel wordt ervaren?
Kunt u bevestigen dat zorgverleners op grond van de Wet afbreking zwangerschap nooit gedwongen mogen worden om medewerking te verlenen aan een abortus?
Kunt u bevestigen dat gynaecologen en verpleegkundigen in ziekenhuizen die dit type abortussen willen gaan uitvoeren nooit verplicht of onder druk gezet kunnen worden om hieraan mee te werken?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de beroepsvereniging van verzorgenden en verpleegkundigen (V&VN) over deze ontwikkelingen is? Hoe wordt V&VN hierbij betrokken?
Kunt u aangeven hoe binnen de pilot zorgverleners worden voorbereid op de consequenties van deze wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u uitleggen hoe een abortus bij 22 of 23 weken zwangerschap in zijn werk gaat?
Klopt het dat hierbij in principe geen gebruik wordt gemaakt van feticide, maar dat de bevalling opgewekt wordt waarna het kindje op een natuurlijke manier geboren wordt?
Bent u op de hoogte van het feit dat een baby bij een medicamenteuze zwangerschapsafbreking in het tweede trimester volgens gynaecologen «niet zelden» levend ter wereld komt?1 Kunt u uitleggen hoe het kindje vervolgens komt te overlijden?
Kunt u aangeven hoe vaak het precies voorkomt dat in dergelijke gevallen een kindje levend ter wereld komt? Wat is hierover bekend in medisch-wetenschappelijke literatuur? Kunt u hierbij specifiek ingaan op medicamenteuze abortussen vanaf 22 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven waarom in Nederland de abortuspraktijk vanaf 22 weken nu wordt uitgebreid, terwijl in andere landen zoals Zweden en Duitsland al levensreddend wordt opgetreden bij een vroeggeboorte van 22 weken?
Erkent u dat er dus alle reden is om ook in Nederland een discussie te starten over het verlagen van zowel de behandel- als de abortusgrens naar 22 weken? En zo nee, kunt u dit beargumenteren?
Kunt u aangeven welke complicaties er kunnen optreden bij een abortus in week 22 of week 23? Hoe groot is het risico op die complicaties?
Wat is er bekend over de pijnbeleving bij kinderen die bij 22 of 23 weken worden geaborteerd, zowel voor de geboorte als na de geboorte (als kindjes levend ter wereld komen)?
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
Het verplaatsen van de zorgtaken van het VUmc naar het AMC. |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gaat alcohol het roken achterna? Gezondheidsraad wil dat overheid ingrijpt» van de NOS en het advies van de Gezondheidsraad dat alcoholgebruik verder moet worden ontmoedigd en «minder normaal» moet worden gemaakt?
Deelt u de mening dat er een principieel verschil bestaat tussen het informeren van burgers over gezondheidsrisico’s enerzijds en het actief sturen, ontmoedigen en denormaliseren van legaal gedrag van volwassen burgers anderzijds?
Waar ligt volgens u de grens tussen volksgezondheidsbeleid en staatsbemoeienis met de persoonlijke levenssfeer van volwassen Nederlanders?
Erkent u dat alcoholgebruik, net als bijvoorbeeld suikerconsumptie, vleesconsumptie, autorijden, wintersport, zonnen, festivals, vuurwerk, barbecueën of andere vormen van levensgenot, nooit volledig risicovrij is, maar dat dit op zichzelf nog geen vrijbrief vormt voor steeds verdergaande overheidsinmenging?
Deelt u de zorgen dat in het preventiebeleid steeds vaker een beleidscultuur ontstaat waarin niet langer uitsluitend excessen of misstanden worden bestreden, maar waarin de overheid normaal, legaal en maatschappelijk ingebed gedrag van burgers actief probeert te ontmoedigen?
Bent u van mening dat het de taak van de overheid is om alcoholgebruik als zodanig «minder normaal» te maken? Zo ja, op basis van welke democratische opdracht meent u dat de overheid het mandaat heeft om diepgewortelde sociale gebruiken en culturele tradities te denormaliseren?
Hoe verhoudt het pleidooi om alcoholgebruik te denormaliseren zich tot de eigen verantwoordelijkheid van volwassen burgers?
Acht u het wenselijk dat de overheid zich ontwikkelt tot een instantie die niet alleen waarschuwt voor gezondheidsrisico’s, maar ook actief bepaalt welke vormen van ontspanning, genot en sociaal gedrag maatschappelijk nog als normaal mogen gelden?
Kunt u garanderen dat het kabinet geen beleid zal voeren dat erop gericht is om gematigd alcoholgebruik door volwassenen maatschappelijk te stigmatiseren?
Kunt u aangeven of het kabinet voornemens is om de aanbevelingen van de Gezondheidsraad over te nemen, zoals het duurder maken van alcohol, het beperken van verkooppunten, het beperken van reclame, neutrale verpakkingen of gezondheidswaarschuwingen?
Kunt u per genoemde maatregel aangeven welke concrete beleidsopties het kabinet overweegt, welke maatregelen het kabinet uitsluit en op welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?
Erkent u dat «niet risicovrij» iets anders is dan «onaanvaardbaar», en dat vrijwel geen enkele menselijke activiteit volledig risicovrij is – aangezien de Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is voor alcoholgebruik en dat ook één glas per dag risicovol is?
Bent u bereid in toekomstige communicatie over alcoholgebruik helder onderscheid te maken tussen zwaar of problematisch alcoholgebruik enerzijds en incidenteel of gematigd alcoholgebruik door volwassenen anderzijds?
Acht u het proportioneel om maatregelen te nemen die alle volwassen Nederlanders raken, terwijl de grootste maatschappelijke problemen samenhangen met problematisch gebruik, verkeersdeelname onder invloed, geweld, verslaving of overmatig drinken?
Klopt het dat het Nationaal Preventieakkoord zich oorspronkelijk vooral richtte op problematisch alcoholgebruik? Zo ja, erkent u dat het huidige advies van de Gezondheidsraad een verschuiving betekent van het bestrijden van problematisch gebruik naar het ontmoedigen van alcoholgebruik als zodanig?
Deelt u de mening dat beleid tegen problematisch alcoholgebruik iets wezenlijk anders is dan beleid dat erop gericht is om alcoholgebruik in brede zin uit het normale maatschappelijke leven terug te dringen?
Bent u bereid om in uw reactie op het advies expliciet in te gaan op de gevolgen voor horeca, slijterijen, supermarkten, brouwerijen, wijnhandelaren, evenementen, sportverenigingen en lokale gemeenschappen?
Is onderzocht wat de economische gevolgen zijn van hogere accijnzen, verkoopbeperkingen, reclameverboden of neutrale verpakkingen voor Nederlandse ondernemers? Zo nee, bent u bereid dit eerst te laten onderzoeken voordat nieuwe maatregelen worden overwogen?
Bent u bereid om bij iedere voorgenomen maatregel niet alleen gezondheidseffecten, maar ook effecten op vrijheid, ondernemerschap, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving en sociale cultuur in kaart te brengen?
Erkent u dat prijsverhogingen via accijnzen relatief zwaar kunnen neerslaan bij mensen met lagere inkomens, terwijl het gedragseffect onzeker kan zijn?
Bent u bereid om af te zien van verdere accijnsverhogingen op alcohol zolang niet overtuigend is aangetoond dat zulke verhogingen daadwerkelijk leiden tot minder problematisch gebruik in plaats van vooral tot lastenverzwaring, grenseffecten en ontwijkgedrag?
Hoe voorkomt u dat verdere alcoholaccijnzen leiden tot meer aankopen over de grens, illegale handel of thuisproductie?
Acht u het wenselijk dat alcohol mogelijk alleen nog via slijterijen verkrijgbaar zou zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot de vrijheid van ondernemers en consumenten?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet voornemens is alcohol uit supermarkten te weren?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet neutrale verpakkingen voor alcoholische dranken wil invoeren, vergelijkbaar met tabaksproducten?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet gezondheidswaarschuwingen op alcoholverpakkingen wil invoeren die vergelijkbaar zijn met waarschuwingen op tabaksproducten?
Deelt u de mening dat alcohol cultureel, sociaal en historisch een andere plaats inneemt dan tabak, en dat het daarom onwenselijk is om alcoholbeleid simpelweg langs dezelfde lijn als tabaksbeleid te ontwikkelen?
Welke andere producten of gedragingen zouden volgens dezelfde redenering van «geen veilige ondergrens» in aanmerking komen voor denormalisering door de overheid?
Als de redenering is dat ieder gezondheidsrisico een reden kan zijn voor ontmoediging, welke principiële begrenzing hanteert het kabinet dan nog om te voorkomen dat steeds meer vormen van normaal leven onder preventiebeleid worden gebracht?
Deelt u de mening dat volksgezondheid belangrijk is, maar niet het enige hoogste doel van de staat kan zijn, omdat vrijheid, verantwoordelijkheid, traditie, gemeenschapsleven en levensvreugde óók publieke waarden zijn?
Bent u bereid om in de kabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad niet alleen een medische en preventieve afweging te maken, maar ook een principiële afweging over vrijheid, proportionaliteit en de rol van de overheid in het privéleven van burgers?
Kunt u toezeggen dat de Kamer geen maatregelenpakket ontvangt waarin alcoholbeleid via een technocratische gezondheidslogica wordt doorgevoerd zonder expliciet politiek debat over de vraag of de overheid zich überhaupt met dit soort keuzes van volwassen burgers moet bemoeien?
Bent u bereid om afstand te nemen van het uitgangspunt dat alles wat ongezond kan zijn door de overheid moet worden ontmoedigd?
Kunt u bevestigen dat volwassen Nederlanders uiteindelijk zelf verantwoordelijk blijven voor de vraag of zij bij een diner, verjaardag, bruiloft, voetbalwedstrijd, dorpsfeest, festival of vrijdagmiddagborrel een glas alcohol willen drinken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóórdat het kabinet een inhoudelijke reactie op het advies van de Gezondheidsraad aan de Kamer stuurt?
Antwoorden op vragen inzake het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op basis van welke concrete, meetbare indicatoren u de POH-GGZ dan wél als succesvol beschouwt? En op welk moment zou u wél tot herziening overgaan?1
Kunt u toelichten hoe uw constatering dat de POH-GGZ heeft bijgedragen aan «het creëren van meer behandelaanbod» en dat dit een beleidsdoel was, zich verhoudt tot uw stelling dat uit de toename van circa 500.000 gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat een nieuwe groep zorggebruikers is ontstaan? Betekent dit dat u bewust heeft ingezet op het vergroten van de zorgvraag (induced demand)? Zo ja, op basis van welk wetenschappelijk bewijs acht u dat medisch en maatschappelijk verantwoord? Zo nee, hoe verklaart u dan de sterke toename van het aantal gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz?
Waarom weegt u cross-sectioneel praktijkonderzoek zwaarder dan longitudinale populatie-data? Welk type bewijs zou volgens u doorslaggevend zijn om de uitbreiding terug te draaien?
Waarom acht u een onafhankelijke, integrale kosten-batenanalyse (inclusief alternatieve inzet van die middelen in specialistische GGZ) op dit moment «niet aan de orde»? Welke minimale bewijslast hanteert u eigenlijk voordat honderden miljoenen euro’s per jaar als verantwoord worden beschouwd?
Bestaat er volgens u eigenlijk enig empirisch scenario waarin u de grootschalige inzet van POH-GGZ wél zou terugschroeven?
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
De veiligheid bij Pluryn en andere grote zorginstellingen |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners sterven, personeel loopt weg: grote zorgen over veiligheid bij zorgorganisatie Pluryn»?1
Kunt u reageren op de oorzaken die in het artikel worden geschetst van een grote zorgorganisatie waarin de afstand tussen directie en werkvloer steeds groter is en personeelstekorten en invalkrachten zorgen voor risico’s voor de veiligheid en kwaliteit van zorg?
Hoeveel calamiteiten en incidenten hebben zich voorgedaan bij locaties van Pluryn in de afgelopen vijf jaar en wat was de aard van elk van deze incidenten? Hoe verhoudt zich dit tot incidenten bij andere zorginstellingen van soortgelijke omvang?
Wordt bijgehouden hoeveel incidenten een dodelijk gevolg hebben? Wanneer moet er precies melding worden gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven signalen van (oud-)medewerkers en betrokkenen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn? Zijn dergelijke signalen eerder gedeeld met de IGJ of met uw ministerie? Zo ja, wanneer en wat was de aard van deze meldingen?
Is het voor bewoners en naasten van zorginstellingen zoals Pluryn voldoende duidelijk dat zij onveilige situaties kunnen en melden en waar dit kan? Zo ja, op welke manier wordt dat aan hen gecommuniceerd? Is de manier waarop dit kan toegankelijk voor deze specifieke doelgroep? Aan wie kunnen zij melden en op welke manier?
Hoe is dit geregeld voor medewerkers? Waar kunnen zij onveilige situaties melden en hoe wordt hier opvolging aan gegeven?
In hoeverre zijn (oud-)cliënten en naasten betrokken bij de evaluaties van de kwaliteit en veiligheid van zorg, zowel bij Pluryn als in algemene zin bij zorginstellingen?
Kunt u schetsen welke verantwoordelijkheden er liggen bij gemeenten en welke bij het Rijk als het gaat om toezicht over de veiligheid?
Welke lessen zijn volgens u niet voldoende geleerd uit eerdere onderzoeken naar incidenten en misstanden binnen de jeugdzorg en gehandicaptenzorg, waarbij eveneens sprake was van personeelstekorten, hoog verloop en onvoldoende continuïteit van zorg?
Kunt u uitsluiten dat financiële druk, aanbestedingsprikkels of bezuinigingen hebben bijgedragen aan de ontstane situatie? Zo ja, waarop baseert u dat?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat cliënten de dupe worden van personeelstekorten en bezuinigingen binnen residentiële zorginstellingen? Deelt u de mening dat veiligheid van jongeren en cliënten altijd zwaarder moet wegen dan productieafspraken, financiële doelstellingen of organisatorische belangen? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan?
Het niet-onafhankelijke en niet-vrijblijvende karakter van de Schijf van Vijf |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kunt u volhouden dat de Schijf van Vijf slechts vrijblijvende publieksvoorlichting is, terwijl het kabinet in haar reactie op rapportages en onderzoeken voeding en alcohol schrijft dat het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten per supermarkt jaarlijks wordt gemonitord, gepubliceerd en gebruikt als uniforme maatstaf voor de mate waarin supermarkten bijdragen aan de zogenoemde gezonde keuze?
Erkent u dat een advies ophoudt vrijblijvend te zijn zodra de overheid supermarkten publiekelijk langs dezelfde meetlat legt, percentages per supermarktketen publiceert en vervolgens op basis van die meting «concrete afspraken» wil maken over vergroting van het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten? Zo nee, waar ligt voor u dan nog de grens tussen vrijblijvende informatie en beleidsmatige sturing?
Hoe kunt u spreken van onafhankelijkheid, terwijl het Voedingscentrum volledig afhankelijk is van overheidsfinanciering, zijn plannen moet laten aansluiten op beleidsdoelen van de overheid, zich richting subsidieverstrekkende ministeries moet verantwoorden en bij verlies of verlaging van subsidie direct minder invloed kan uitoefenen via scholen, zorg, wijkbijeenkomsten en andere kanalen?
Erkent u dat er sprake is van een kunstmatige scheiding wanneer het kabinet zich beroept op het «onafhankelijke» oordeel van het Voedingscentrum over welke producten wel of niet in de Schijf van Vijf vallen, terwijl dat oordeel vervolgens door hetzelfde kabinet wordt gebruikt voor monitors, beleid, afspraken met supermarkten, productverbetering en mogelijke wettelijke beperkingen op kindermarketing?
Hoe kunt u stellen dat de Schijf van Vijf geen normerend instrument is, terwijl producten, supermarkten, marketinguitingen en zelfs baby- en kindervoeding in kabinetsstukken worden beoordeeld aan de hand van de vraag of zij wel of niet voldoen aan de richtlijnen van de Schijf van Vijf, waarna het kabinet spreekt over zorgwekkende uitkomsten, noodzakelijke verbetering van het aanbod en verdere inzet richting bedrijfsleven en Europese regelgeving?
Bent u bereid voortaan eerlijk te erkennen dat de Schijf van Vijf in de praktijk geen losstaand, onafhankelijk en vrijblijvend voedingsadvies is, maar een door de overheid gefinancierde beleidsnorm die via het Voedingscentrum, RIVM-monitors, supermarktafspraken, productverbetering, scholen, zorginstellingen en regelgevingstrajecten wordt ingezet om burgers, instellingen en bedrijven in een door de overheid gewenste richting te sturen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?