Het bericht ‘Vrouw besluit in paniek tot abortus en klaagt nu kliniek aan: 'Ze hadden me moeten tegenhouden'’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw besluit in paniek tot abortus en klaagt nu kliniek aan: «Ze hadden me moeten tegenhouden»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Vindt u het ook zorgelijk dat het blijkbaar kan dat een vrouw niet overtuigd is dat zij voor een abortus wil kiezen en toch een abortus krijgt?
Het gaat hier om een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Ik vind het niet passend om conclusies te trekken over deze casus op basis van een nieuwsbericht. Wel erken ik dat de beschreven situatie zeer aangrijpend moet zijn voor betreffende vrouw.
Begrijpt u de zorgen van de indiener van deze vraag over de inmiddels vervallen minimale beraadtermijn in de abortuswetgeving?
Sinds 2023 is de verplichte minimale beraadtermijn van vijf dagen vervangen door een flexibele beraadtermijn: de vrouw bepaalt in overleg met haar arts hoeveel tijd zij nodig heeft voor haar besluit. Uit de laatste evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) blijkt dat de besluitvorming rondom abortus in Nederland zorgvuldig verloopt en dat een verplichte minimale beraadtermijn hiervoor niet noodzakelijk is. Het nieuwsbericht dat aanleiding vormde voor de vragen van de indiener verandert dat niet. Het gaat hier om een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Er kunnen op basis van het nieuwsbericht geen conclusies worden getrokken over deze casus over de beraadtermijn of over het functioneren van de Wafz in brede zin.
Vindt u dat de zorgvuldigheid voldoende is geborgd nu de verplichte minimale beraadtermijn is afgeschaft en het mogelijk is om bij de huisarts de abortuspil te krijgen?
Ja, die zorgvuldigheid wordt op verschillende manieren gewaarborgd. Artsen zijn op grond van de Wafz verplicht zich ervan te vergewissen dat de vrouw haar besluit weloverwogen heeft genomen. De beroepsrichtlijnen van zowel abortusartsen als huisartsen bevatten uitgebreide instructies voor zorgvuldige besluitvorming. In deze richtlijnen staat dat artsen alert moeten zijn op twijfel. De richtlijnen bevatten concrete aanbevelingen over hoe twijfel herkend kan worden, ook wanneer die niet wordt uitgesproken.2 Voor vrouwen die twijfels of vragen hebben is er ook goede informatie en ondersteuning beschikbaar via het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap en het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap.3
Uit de laatste wetsevaluatie blijkt dat de besluitvorming rondom abortus in Nederland zorgvuldig verloopt en dat een verplichte minimale beraadtermijn hiervoor niet noodzakelijk is. In 2027 zal de Wafz opnieuw worden geëvalueerd. Dan zal ook gekeken worden naar de effecten van de wetswijzigingen en of er eventueel aanleiding is om wet- en regelgeving aan te passen.
Geeft deze casus u aanleiding tot het aanpassen van regelgeving?
Nee. De casus is nu onderdeel van een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Ik vind het niet passend conclusies te trekken over deze casus op basis van een nieuwsbericht. Bovendien biedt de huidige wetgeving voldoende waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming, zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 4.
Waar vinden «de goede gesprekken», zoals de huisarts in het artikel beschrijft, doorgaans plaats? Bij de huisarts, in de abortuskliniek, bij de onafhankelijke keuzehulpverleners?
Gesprekken over een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap kunnen plaatsvinden bij de huisarts, in een abortuskliniek, in het ziekenhuis en bij keuzehulpverleners. Waar en met wie dit gesprek plaatsvindt, hangt af van de behoeftes van de vrouw. Zowel huisartsen, abortusartsen als keuzehulpverleners zijn deskundig op dit gebied en kunnen indien nodig of gewenst naar elkaar doorverwijzen.
Is het gebruikelijk dat een vrouw in de kliniek de echo te zien krijgt of niet? Zo nee, waarom niet?
De abortusprofessional bespreekt vooraf met de vrouw of zij de echo wel of liever niet wil bekijken. Sommige vrouwen willen de echo graag zien, andere vrouwen juist niet. Het is niet verplicht de echo te tonen. Zo’n verplichting zou de autonomie van de vrouw ernstig ondermijnen. Het doel van de echo is om de zwangerschapsduur vast te stellen en te bepalen welke behandelmethode medisch gezien het meest geschikt is.
Zijn er extra waarborgen in het traject van een vrouw met een onbedoelde zwangerschap in te bouwen dat een abortus die later toch tegen de wens van de vrouw in gaat – en alle verdrietige gevolgen die dat heeft – voorkomen kan worden?
Zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 4 zijn er voldoende waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming. Er is op dit moment geen aanleiding om aanvullende waarborgen te overwegen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Ja.
Vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten, personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen gerechtvaardigd is?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen, zoals een helm, bestaan. Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet het gebruik van helmen in haar toezicht, zowel helmen met als zonder slot, voornamelijk in de gehandicaptenzorg. Als deze hulpmiddelen worden gebruikt is dat meestal bij mensen die zelf verwondend gedrag vertonen of bij mensen met epilepsie. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en de Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG) geven desgevraagd aan dat gebruik gemaakt wordt van zogenoemde epilepsiehelmen (valhelmen), om te voorkomen dat cliënten bijvoorbeeld ernstig letsel oplopen bij (onverwachte) valpartijen tijdens een epileptische aanval. Ook de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Nederlandse GGZ geven aan dat, in uitzonderlijke gevallen, op basis van de juiste wet- en regelgeving het gebruik van een (val)helm zou kunnen worden toegepast. In alle gevallen geldt dat de toepassing van een dergelijk hulpmiddel, zoals een helm, met voldoende waarborgen is omkleed.
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Ja, het gebruik van hulpmiddelen kan toegestaan zijn, maar alleen conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Als niet wordt voldaan aan die wet- en regelgeving is het gebruik ervan niet toegestaan.
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders verplicht om zorg van goede kwaliteit te bieden. Daaronder wordt mede verstaan het verlenen van zorg die in ieder geval veilig is. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden toegepast onder toepassing van de criteria en procedures van de wet. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) regelt de rechten van mensen die te maken hebben met verplichte zorg vanwege een psychische stoornis. De Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) regelt de rechten bij onvrijwillige zorg of onvrijwillige opname van mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een psychogeriatrische aandoening (zoals dementie). Er moet sprake zijn van ernstig nadeel, bijvoorbeeld een aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel.
Ook mogen er geen minder ingrijpende alternatieven (proportionaliteit) of vrijwillige alternatieven zijn waardoor geen of minder dwang kan worden toegepast (subsidiariteit), en moet de veiligheid geborgd zijn.
Op grond van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen is gebruik van een valhelm (of een schuimhelm) bij een tbs-gestelde of een gedetineerde alleen toegestaan als dat noodzakelijk is ter afwending van een ernstig gevaar voor de eigen gezondheid of voor de veiligheid van anderen. Voor de toepassing en voor het middel zelf (de helm) zijn eisen uitgewerkt in lagere regelgeving.2 In de lagere regelgeving over de toepassing mechanische middelen wordt benoemd dat dergelijke mechanische middelen alleen kunnen worden toegepast wanneer dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is en dat respect voor de menselijke waardigheid niet uit het oog mag worden verloren. Voorafgaand aan de toepassing van mechanische middelen dient te worden bezien of kan worden voorkomen dat de verpleegde of gedetineerde wordt belemmerd in de zelfstandige uitvoering van lichaamsfuncties, zoals eten en drinken.
Als de cliënt, betrokkene, verpleegde of gedetineerde zich verzet tegen het dragen van een helm, bijvoorbeeld omdat hij in zijn bewegen wordt beperkt of het niet prettig vindt, betreft dit het verlenen van gedwongen zorg. Deze zorgvorm kan, afhankelijk van het geval, worden geduid als een beperking van de bewegingsvrijheid of de vrijheid om het eigen leven in te richten. De wettelijk verplichte procedures voor gedwongen zorg op grond van bovengenoemde wetten moeten dan eerst worden doorlopen. In het geval van de Wvggz moet een zorgmachtiging bij de rechter worden aangevraagd en in het geval van de Wzd moet het verplichte stappenplan worden gevolgd. Personen die forensische zorg ontvangen in een Wvggz- of Wzd-accommodatie vallen onder het regime waaronder zij zijn opgenomen.
Het toezicht op de toepassing van mechanische middelen onder de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt onder meer uitgeoefend door de Commissie van Toezicht, een bij wet ingesteld onafhankelijk orgaan dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen vanwege de afhankelijke positie van justitiabelen.3 Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit van zorg in justitiële inrichtingen en ziet de Inspectie Justitie en Veiligheid toe op veilige en verantwoorde sanctietoepassing. In de praktijk trekken deze inspecties regelmatig gezamenlijk op. De IGJ houdt bovendien toezicht op de naleving van de Wvggz en de Wzd en ziet daarbij ook toe op de veiligheid van de cliënten en betrokkenen.
Vilans heeft voor de Wzd sinds 2020 programma’s ontwikkeld die bijdragen aan meer bewustwording en kennisvergroting ten aanzien van gedwongen zorg4. Voor de Wvggz hebben verschillende scholingen en symposia over gedwongen zorg plaatsgevonden en is de Coalitie Voorkomen Verplichte Zorg actief, ondersteund door Akwa GGZ en de Nederlandse GGZ.
Bovendien wordt gewerkt aan multidisciplinaire richtlijnen voor de Wvggz en Wzd, waar ook de patiënten- en cliëntenvertegenwoordiging bij wordt betrokken. Het veld ontplooit diverse activiteiten die zien op kennisvergroting en voorlichting. Vanzelfsprekend maakt de Wvggz onderdeel uit van de opleiding tot psychiater, zowel in het verplichte onderwijs als in diverse cursussen. Daarnaast zijn verschillende scholingen en e-learnings beschikbaar en worden regelmatig symposia georganiseerd.
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
De bovengenoemde wetgeving gaat over beslissingen per individu: de inzet van een hulpmiddel is dan ook per betrokkene of cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. De hulpmiddelenwijzer5 kan behulpzaam zijn voor zorgverleners. De hulpmiddelen kunnen zowel in een instelling als in een ambulante setting worden ingezet.
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag Handicap?
Omdat gedwongen zorg een inbreuk maakt op grondrechten van de betrokkenen en cliënten zijn de internationale en Europese verdragen op het gebied van mensenrechten van groot belang.
In het kader van gedwongen zorgverlening zijn de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 17 van het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het VN-Verdrag Handicap het meest relevant. Zo bevat artikel 5 van het EVRM een regeling over vrijheidsontneming en heeft eenieder op grond van artikel 8 van het EVRM en artikel 17 IVBPR het recht op respect voor zijn privéleven. Een beperking van grondrechten moet gelegitimeerd zijn door een wet in formele zin en voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De Wvggz, de Wzd, de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen voldoen aan de grondwettelijke en verdragsrechtelijke eisen.
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
De Wvggz en de Wzd kunnen ook van toepassing zijn bij jeugdigen. Op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) kunnen in uitzonderlijke gevallen, met voldoende waarborgen omkleed, mechanische middelen zoals een valhelm of schuimhelm worden toegepast wanneer deze vrijheidsbeperking noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige.
In de gesloten jeugdhulp mag op grond van de Jeugdwet de bewegingsvrijheid van jeugdigen worden beperkt. Echter, alleen de in de Jeugdwet genoemde maatregelen mogen daarbij worden toegepast. Het gebruik van hulpmiddelen zoals deze specifieke helm is niet toegestaan.
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen praten?
Gedwongen zorg grijpt diep in op de persoonlijke integriteit van mensen die ermee te maken krijgen. Besluiten tot inzet hiervan worden niet lichtvaardig genomen. Gezien de kwetsbare situatie van mensen die hiermee te maken krijgen, zijn controlemechanismen van groot belang om hier zicht op te houden. De Wvggz en de Wzd zijn erop gericht om te bewerkstelligen dat gedwongen zorg alleen als uiterste middel wordt ingezet. De rechtsbescherming in beide wetten is met name vormgegeven door strikte procedures over de besluitvorming, evaluatie en beëindiging van gedwongen zorg zoals beschreven bij antwoord 2, de bijstand van een advocaat en een vertrouwenspersoon en door de mogelijkheid om over de toepassing van gedwongen zorg een klacht in te dienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. Daarnaast ziet de IGJ toe op de naleving van deze wetten.
Voorafgaand aan het nemen van een beslissing over de toepassing van mechanische middelen wordt de verpleegde of de gedetineerde in beginsel in de gelegenheid gesteld om in voor hem begrijpelijke taal te worden gehoord.6 Indien wordt besloten tijdens de separatie mechanische middelen in te zetten, worden de Commissie van Toezicht en de dienstdoende arts binnen de kliniek of inrichting daarvan onverwijld in kennis gesteld. Daarnaast kan de justitiabele op grond van de wet tegen de beslissing in beklag gaan, al dan niet vergezeld van een verzoek tot schorsing, bij de beklagcommissie. Ook staat beroep open bij de Afdeling rechtspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.7
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende hulpmiddelen toe te passen?
Ja, personeelstekort mag geen reden zijn om vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Gedwongen zorg kan alleen als uiterst middel en nooit zonder zorgvuldige besluitvormingsprocedure toegepast worden bij een betrokkene of cliënt. Integendeel, dergelijke maatregelen vragen soms juist extra capaciteit vanwege de vaak intensievere zorg voor de betreffende persoon en voortdurende beoordeling of de maatregel al dan niet moet worden voortgezet.
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
De inzet van hulpmiddelen in de zorg wordt door zorgverleners conform de geldende wet- en regelgeving en richtlijn(en) gedaan. Richtlijnen zijn gebaseerd op de stand der wetenschap en praktijk en worden in multidisciplinair verband gemaakt. Specifieke onderzoeken naar de inzet van de helm met slot zijn de ministeries van VWS en J&V niet bekend.
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid over is?
Dergelijke onderzoeken zijn bij de ministeries van VWS en J&V niet bekend. Er is geen aanleiding om met onmiddellijke ingang de productie en het gebruik van hulpmiddelen te verbieden. Er zijn situaties waarin gedrag dat voortkomt uit een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening kan leiden tot ernstig nadeel voor een persoon zelf of anderen. Dan is het nodig om een handelingsperspectief te hebben. Ernstig nadeel betekent kort gezegd dat er een aanzienlijk risico bestaat dat iemand zichzelf of anderen schade toebrengt. Gedwongen zorg kan worden overwogen als iemands gedrag leidt tot ernstig nadeel en als dat gedrag een gevolg is van een psychiatrische of psychogeriatrische stoornis of een verstandelijke beperking. Die gedwongen zorg, zoals het gebruik van een helm, kan uitsluitend als uiterste middel worden verleend als het gebruik ervan noodzakelijk, geschikt en proportioneel is, en er geen vrijwillige alternatieven zijn en dan zo kort en minst ingrijpend mogelijk.
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Indien het om een medisch hulpmiddel gaat, dan moet dit voldoen aan de Medical Device Regulation (MDR) om op de Europese markt te worden toegelaten. De MDR stelt eisen aan de veiligheid, prestaties en klinische onderbouwing van medische hulpmiddelen. Hierin wordt gewerkt met een risico gebaseerd systeem: hoe hoger het risico voor de patiënt, hoe strenger de eisen. Hulpmiddelen worden ingedeeld in risicoklassen (klasse I, IIa, IIb en III). Het is aan een fabrikant om te bepalen of zijn product een medisch hulpmiddel is. Als dat het geval is, worden de hulpmiddelen (uitgezonderd risicoklasse I) getoetst door een certificerende instantie in Europa: een «notified body». Bij een positieve beoordeling kan de CE-markering worden aangebracht, waarmee het hulpmiddel rechtmatig op de Europese markt kan worden gebracht. De IGJ is in Nederland toezichthouder op deze wet- en regelgeving.
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
Zoals aangegeven in vraag 11 mogen medische hulpmiddelen op de markt worden gebracht als zij voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Gesteld kan worden dat de tekst op de betreffende website zorgvuldiger kan. Zoals voorgaand in de antwoorden is aangegeven kan gedwongen zorg en de inzet van hulpmiddelen niet zomaar plaatsvinden, daar gelden zorgvuldige besluitvormingsprocedures voor om zodoende de rechtspositie van betrokkenen en cliënten te waarborgen.
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse militairen treffen in oorlogstijd nieuwe vijand; dodelijke infectie met resistente bacteriën»?1
Ja.
Bent u het eens met kapitein-ter-zee en internist Barth dat Nederland te weinig antibiotica op voorraad heeft in geval van tijden van militair conflict? Zo nee, waarom niet?
Er zijn in Nederland verschillende voorraden van geneesmiddelen (en dus ook van antibiotica). Zo bestaat er voor de reguliere zorg een verplichte veiligheidsvoorraad van geneesmiddelen van in totaal 8 weken. Aanvullend daarop heb ik voor de reguliere zorg in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosol. Deze voorraad is dus bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken2.
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide categorieën geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt. Al deze veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen en effecten voor patiënten te voorkomen.
Deze voorraden zijn bedoeld om een periode van verhoogde vraag of beperkte levering te overbruggen. Deze voorraden zijn niet ingericht voor het opvangen van het verbruik tijdens een (militaire) crisis. Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.3
Daarnaast beschikt de Nederlandse krijgsmacht over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
De oorlog in Oekraïne laat zien dat nieuwe behandelingen nodig zijn tegen micro-organismen die (multi)resistent zijn tegen bestaande antibiotica. Het is daarom hard nodig dat nieuwe en innovatieve antibiotica worden ontwikkeld. Dit proces kan jaren tot decennia duren. Om het onderzoek naar nieuwe en innovatieve antimicrobiële middelen aan te jagen, heb ik meerdere (nog lopende) onderzoeksprogramma’s naar nieuwe antibiotica gefinancierd.4 Ook is het van belang om via diagnostiek de meest effectieve behandeling voor te kunnen schrijven. De behoefte aan nieuwe antibiotica en diagnostiek speelt niet alleen in de reguliere zorg, maar ook expliciet bij de krijgsmacht. Daarom onderzoek ik, samen met de Staatssecretaris van Defensie, hoe wij in de toekomst hier samen op kunnen trekken om Nederland weerbaarder te maken.
Bent u van plan een afdoende strategische voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren ten behoeve van onze Nederlandse militairen in geval van militair conflict? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse krijgsmacht beschikt al over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische producten). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.5
Om te voorkomen dat voorraden van medische producten opraken, is het belangrijk dat producenten hun productie kunnen opschalen tijdens een crisis. Samen met de Staatssecretaris van Defensie verken ik daarom of we afspraken kunnen maken met producenten om hiervoor capaciteit vrij te houden.
Bent u van plan een afdoende voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren voor de structurele behoefte van de Nederlandse burger? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
Voor de reguliere zorg heb ik al in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosolen. Deze extra voorraad is bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken.
De veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen. Deze extra voorraad ligt er al, en zorgt voor minder en minder lange geneesmiddelentekorten.6
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen), waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.7
Ik acht het niet wenselijk dat de overheid zelf geneesmiddelen produceert om te voorzien in de structurele behoefte van de Nederlandse burger. In Nederland vindt al commerciële productie plaats van geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Wel hecht ik er groot belang aan dat Nederland en Europa minder afhankelijk worden van landen buiten Europa voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Daarvoor trek ik in Europees verband op. In dat kader is de Europese Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act (CMA)) in ontwikkeling. Deze beoogt onder meer productie van kritieke geneesmiddelen, zoals antibiotica, in Europa te stimuleren.8 Verder neemt de overheid een proactieve rol aan in het faciliteren van onderzoek, het laten verhogen van voorraadhoogtes en onderzoekt de o de mogelijkheden om productie op te schalen.
Is er in geval van een grootschalig militair conflict gegarandeerd voldoende capaciteit voor Nederlandse gewonde militairen in Nederlandse én in Oost-Europese ziekenhuizen? Zo nee, wat gaat u concreet ondernemen om dit op orde te brengen en wat is het tijdspad?
In het geval van een grootschalig militair conflict richt het Ministerie van Defensie samen met NAVO-bondgenoten een militair geneeskundige behandel- en vervoerketen in voor de opvang van Nederlandse gewonden. Het primaire doel is het zo snel mogelijk herstellen van de militair, zodat deze weer ingezet kan worden. Als herstel van een Nederlandse gewonde in het inzetgebied niet mogelijk is, wordt de gewonde voor behandeling vervoerd naar Nederland. Uiteindelijk zal de gewonde behandeld worden in de reguliere zorg in Nederland.
Oost-Europese ziekenhuizen maken planmatig geen deel uit van de militaire keten. De zorginstanties van de zogenoemde Oost-Europese frontnations kunnen mogelijk ingezet worden in de zorg van de Nederlandse militairen maar zijn in een grootschalig conflict vooral belast met het opvangen van hun eigen gewonde militairen en burgerslachtoffers.
Ten algemene zijn de staatsecretaris van Defensie en ik met het zorgveld in gesprek over wat nodig is voor het vergroten van de weerbaarheid van de zorg. Dit gaat ook over de inzet op opschaalbare noodzorg, waarmee het kunnen absorberen van een langdurige toestroom van patiënten wordt nagestreefd. Over deze inzet is uw Kamer op 12 december 2025 geïnformeerd.6
Het bericht 'Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden»?1
Ja.
Hoe bekijkt u deze maatregelen van de Zweedse regering die juist bedoeld zijn om vrouwen en meisjes te beschermen tegen schadelijke en onbewezen praktijken?
In Nederland mogen meisjes en vrouwen nooit worden gedwongen tot een maagdelijkheidstest. Het is dan ook van belang meisjes en vrouwen hiertegen te beschermen. Tevens geldt dat maagdelijkheidstests medisch niet betrouwbaar zijn en in Nederland – volgens de geldende richtlijnen – niet uitgevoerd mogen worden door medisch professionals. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3.
Vooropgesteld staat dat het recht op zelfbeschikking in Nederland een groot goed is. Meisjes en vrouwen moeten altijd zelf over hun eigen lichaam kunnen beschikken. Dit is ook vastgelegd in wet- en regelgeving. Het kabinet zet zich in om dit recht op zelfbeschikking te waarborgen. De leidraad voor het medisch handelen in Nederland zijn de juridische en ethische kaders zoals die in wet- en regelgeving en in ethische normen zijn vastgelegd. Belangrijke uitgangspunten daarvoor zijn de grondwettelijke bescherming van de lichamelijke integriteit en het (daarmee verband houdende) recht op zelfbeschikking.
In de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) is de vereiste van toestemming voor behandeling vastgelegd: zorgverleners mogen een patiënt alleen onderzoeken of behandelen als de patiënt daar zelf toestemming voor geeft. Aanvullend daarop is het recht op informatie en overleg opgenomen. Patiënten hebben recht op duidelijke en begrijpelijke informatie over hun ziekte, de behandeling en de mogelijke gevolgen daarvan, de mogelijke gevolgen bij afzien van behandeling, andere onderzoeken en behandelingen door andere hulpverleners, de uitvoeringstermijn van de behandeling en de verwachte tijdsduur daarvan (informed consent) en op tijdig overleg hierover met de hulpverlener (samen beslissen).
Kunt u bevestigen dat maagdelijkheidstests volgens de Nederlandse professionele standaard niet binnen de reguliere zorg thuishoren en dat artsen geacht worden deze verzoeken af te wijzen? Zijn er desondanks aanwijzingen dat dergelijke verzoeken toch worden gedaan bij huisartsen, gynaecologen of andere zorgprofessionals? Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang hiervan is, hoe deze signalen momenteel worden geregistreerd of opgevolgd en of deze verzoeken aanleiding vormen voor toezicht door de IGJ? Indien geen cijfers beschikbaar zijn, bent u bereid hierover structurele monitoring te laten plaatsvinden?
Ja, ik deel uw mening dat maagdelijkheidstests niet binnen de reguliere zorg thuishoren en dat artsen geacht worden deze verzoeken af te wijzen. Een maagdelijkheidstest is volgens artsen en experts wetenschappelijk onbetrouwbaar. Er bestaat geen test om maagdelijkheid vast te stellen.
Ik heb contact gehad met de Nederlandse Verenging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG) met de vraag of er in Nederland binnen de beroepsgroepen artsen aanwezig zijn die een dergelijk verzoek inwilligen. Zowel de NVOG als de NHG geven aan dat er geen aanwijzingen zijn dat er gynaecologen of huisartsen zijn in Nederland die een maagdelijkheidstest uitvoeren of bewijzen van maagdelijkheid afgeven. De NVOG stelt dat het uitvoeren van dergelijke tests in strijd is met de uitgangspunten van de beroepsvereniging en het standpunt hymenreconstructie2. In dit standpunt staat beschreven dat «niemand door lichamelijk onderzoek of anders, kan vaststellen of een vrouw nog maagd is». Beide beroepsgroepen kunnen niet volledig uitsluiten dat het voorkomt.
De professionele norm binnen de zorg staat voorop. Wanneer zorgverleners te maken krijgen met verzoeken in deze context, staat de veiligheid van de vrouw altijd centraal. Bij signalen van druk, dwang of een onveilige situatie wordt maatwerk geleverd om de vrouw zo goed mogelijk te helpen, bijvoorbeeld door advies, doorverwijzing of het betrekken van passende hulpverlening.
Ook vanuit de zelforganisaties die werken met sleutelpersonen vanuit gemeenschappen zelf zijn geen signalen over maagdelijkheidstests naar voren gekomen. Er zijn geen verdere cijfers bekend over de eventuele omvang van het aantal verzoeken om een maagdelijkheidstest.
Het kabinet is niet voornemens structurele monitoring naar maagdelijkheidstests op te zetten. Voor het monitoren van maagdelijkheidstests geldt dat betrouwbare informatie lastig te verkrijgen is. Gezien de uitgangspunten van de beroepsverenigingen niet mee te werken aan dergelijke tests, worden ook geen gegevens hierover geregistreerd. Monitoring zou daarmee onbetrouwbaar en onvolledig zijn. De IGJ heeft aangegeven dat signalen over handelen buiten de professionele standaard, reden kunnen zijn om er in het toezicht aandacht aan te besteden.
Deelt u de mening dat maagdelijkheidstests geen enkele medische grondslag hebben en dat een dergelijke praktijk kan bijdragen aan het onderdrukken en controleren van meisjes en vrouwen? Zo ja, hoe wilt u dit toepassen in Nederland? Zo niet, waarom niet?
Ja, ieder meisje en vrouw heeft het volste recht om te allen tijde zelf te beschikken over haar lichaam en haar seksualiteit. Het kabinet zet zich in om meisjes en vrouwen te beschermen en dit recht te waarborgen. Er bestaat geen test om maagdelijkheid vast te stellen. Maagdelijkheidstests passen niet bij het recht op zelfbeschikking. Het recht op onaantastbaarheid van het eigen lichaam is bovendien verankerd in onze Grondwet. Met de aanpak gericht op zelfbeschikking en de preventie van schadelijke praktijken wordt ingezet op normverandering en het beschermen van meisjes en vrouwen. Via sleutelpersonen uit betrokken gemeenschappen wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de acceptatie van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen en het versterken van zelfbeschikking, ook als het gaat om seksualiteit.
Is er recentelijk onderzoek gedaan in hoeverre maagdelijkheidstests voorkomen in Nederland in de privésfeer? Zo ja, kunt u de resultaten van dit onderzoek delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid om dit in kaart te laten brengen? Is het in Nederland op dit moment strafbaar om een maagdelijkheidstests uit te voeren of een maagdelijkheidsverklaring af te geven door niet-medische personen?
Er is recentelijk geen onderzoek gedaan naar de vraag of maagdelijkheidstests in Nederland voorkomen en er bestaat ook geen voornemen daartoe. Er zijn geen betrouwbare (registratie)gegevens beschikbaar waardoor (een schatting van) de omvang naar verwachting niet betrouwbaar is vast te stellen, zoals ook in de beantwoording van vraag 3 vermeld. Daarnaast wijzen signalen vanuit diverse professionals en organisaties erop dat maagdelijkheidstests niet of nauwelijks voorkomen in Nederland.
Er is geen sprake van een aparte strafbaarheidsstelling voor het uitvoeren van maagdelijkheidstests of het afgeven van een maagdelijkheidsverklaring door niet-medische personen. Het Wetboek van Strafrecht kent mogelijke strafbepalingen afhankelijk van de wijze waarop de tests worden uitgevoerd of de verklaringen worden afgegeven. Zo kan er bij het tegen iemands wil binnendringen van een seksueel lichaamsdeel sprake zijn van schuldverkrachting, zoals strafbaar gesteld in artikel 242 Wetboek van Strafrecht. En bij een valselijk afgegeven verklaring kan mogelijk sprake zijn van valsheid in geschrifte in de zin van artikel 225 Wetboek van Strafrecht. Als hiervan aangifte wordt gedaan, is het aan het Openbaar Ministerie om deze aangifte te beoordelen aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval.
In Zweden wordt het ook strafbaar om geen melding te maken van gedwongen huwelijken en kindhuwelijken, in het licht hiervan hoe staat het met de uitvoering van de motie-Dral c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 293) die toeziet op een meldplicht?
Zoals in de kabinetsreactie op het inspectierapport inzake het incident met het pleegmeisje in Vlaardingen3 van januari 2025 is aangegeven en de motie Dral verzoekt, verkent het Ministerie van VWS een adviesplicht binnen de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De invoering van een adviesplicht vraagt een aantal inhoudelijke keuzes, zoals de verhouding tot collegiale toetsing, de impact op professionals en de uitvoerbaarheid. Het ministerie zal de komende tijd
met betrokken organisaties een aantal scenario’s van de adviesplicht bespreken en vervolgens verder uitwerken tot een voorkeursscenario. De vervolgstap is om in beeld te brengen wat dit betekent voor aanpassing van wet- en regelgeving.
Welke concrete stappen acht u op korte termijn haalbaar om ervoor te zorgen dat meisjes en vrouwen in Nederland niet langer worden geconfronteerd met pseudomedische claims, sociale druk of dwang rondom «maagdelijkheid», inclusief handhaving, voorlichting, regelgeving en mogelijke strafbaarstelling?
De bescherming van meisjes en vrouwen in Nederland tegen geweld, dwang en onderdrukking is een prioriteit van het kabinet. Het kabinet zet in op het versterken van zelfbeschikking en de preventie van schadelijke praktijken. Maagdelijkheidstests passen niet bij het recht op zelfbeschikking. Binnen de aanpak gericht op verandering vanuit gemeenschappen zelf, wordt via sleutelpersonen uit betrokken gemeenschappen gewerkt aan de acceptatie van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen en het versterken van zelfbeschikking, ook als het gaat om seksualiteit. Zoals eerder vermeld in antwoord op vraag 3 zijn er, volgens de NVOG, in Nederland geen aanwijzingen dat er in Nederland gynaecologen zijn die een maagdelijkheidstest uitvoeren of bewijzen van maagdelijkheid afgeven. Ook zijn vanuit de betrokken zelforganisaties, die bijvoorbeeld zijn aangesloten bij de Alliantie Verandering van Binnenuit, gefinancierd door het Ministerie van OCW of vanuit de initiatieven die met middelen van het Ministerie van SZW worden gesteund, geen signalen over het uitvoeren van maagdelijkheidstests naar voren gekomen. Niet door artsen en ook niet door personen uit de privésfeer. Een specifieke strafbaarstelling voor het uitvoeren van maagdelijkheidstests is daarom vooralsnog niet noodzakelijk. Daarnaast wijzen medici erop dat een verbod ertoe kan leiden dat eventuele verzoeken voor dergelijke tests in het illegale circuit terechtkomen. Dat is onwenselijk en kan nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid en ondersteuning van vrouwen.
Welke stappen worden er op dit moment vanuit het kabinet nog meer ondernomen om meisjes en vrouwen in Nederland beter te beschermen tegen schadelijke praktijken die hun lichamelijke integriteit, autonomie en rechten aantasten?
Het kabinet vindt het van groot belang meisjes en vrouwen te beschermen tegen iedere vorm van geweld. De bescherming tegen schadelijke praktijken is daar onderdeel van. De aanpak van schadelijke praktijken vereist inzet op zowel preventie, bescherming en ondersteuning van slachtoffers als op strafbaarstelling. Versterking van het recht op zelfbeschikking draagt bij aan de preventie van schadelijke praktijken. In dit kader wordt gewerkt aan voorlichting binnen (gesloten) gemeenschappen in samenwerking met sleutelpersonen. Specifiek over maagdelijkheid verstrekken organisaties zoals Sense en Rutgers op laagdrempelige manieren informatie. Informatie en voorlichting over dit onderwerp is belangrijk, omdat er helaas sprake kan zijn van onjuiste (medische) informatie. Daarnaast is en blijft de verklaring tegen meisjesbesnijdenis beschikbaar ter preventie van vrouwelijke genitale verminking. Deze verklaring kan worden uitgereikt aan ouders afkomstig uit risicolanden die van plan zijn om naar het land van herkomst te gaan. Met de verklaring kunnen familieleden worden geïnformeerd over de consequenties en strafbaarheid van vrouwelijke genitale verminking.
Naast voorlichting en het stimuleren van dialoog over deze thema’s in de betrokken gemeenschappen om verandering te bewerkstelligen, is het heel belangrijk de kennis en vaardigheden van professionals te vergroten en de samenwerking tussen ketenpartners te versterken. Om professionals voldoende handvatten te geven, zodat zij (signalen over mogelijke) schadelijke praktijken eerder herkennen en weten hoe te handelen, wordt door VWS ingezet op deskundigheidsbevordering, onder andere van huisartsen en verloskundigen. Aanvullend hierop zal door de Staatssecretaris Participatie en Integratie worden ingezet op deskundigheidsbevordering van professionals in het sociaal domein en zal een ketenaanpak op de preventie van schadelijke praktijken worden opgezet in twee regio’s waar die nu nog ontbreekt.
De samenwerking tussen ketenpartners wordt verder bevorderd door het Landelijk Netwerkknooppunt Schadelijke Praktijken. Het kabinet draagt financieel bij aan dit netwerk. Binnen het netwerk bestaat de behoefte een digitaal platform op te zetten zodat gemakkelijk en snel informatie en vragen kunnen worden gesteld. Het kabinet stelt in de jaren 2026–2029 financiële middelen beschikbaar om dit platform te ontwikkelen.
Tot slot zal de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid – naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen uit het WODC-onderzoek «Over grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking» – onderzoeken of en hoe het huidige juridische instrumentarium kan worden aangevuld met maatregelen in lijn met preventieve beschermingsbevelen, geïnspireerd op het voorbeeld uit het Verenigd Koninkrijk. Deze civielrechtelijke maatregelen kunnen strafrechtelijk worden gehandhaafd. Op deze wijze kan de bescherming van (potentiële) slachtoffers aanzienlijk worden vergroot.
Het bericht dat het Alrijne Ziekenhuis oogcontroles afbouwt en naar de privékliniek van eigen oogartsen verwijst |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het Alrijne Ziekenhuis oogcontroles afbouwt en naar de privékliniek van eigen oogartsen verwijst?1
Deelt u de analyse dat de opkomst van privéklinieken vooral zorgt voor verplaatsing van ziekenhuiszorg naar commerciële zorg?
Hoe kan het dat oogartsen van het Alrijne ziekenhuis geen tijd hebben om controles in hun eigen ziekenhuis uit te voeren, maar wel om dezelfde controles uit te voeren in een commerciële privékliniek?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat patiënten uit Alphen aan den Rijn nu vaker moeten reizen naar artsen die ook voor het ziekenhuis met een vestiging in hun eigen woonplaats werken?
Wat betekent het verplaatsen van deze niet-complexe zorg naar privéklinieken voor de financiële positie van het Alrijne Ziekenhuis?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met het Alrijne Ziekenhuis om te voorkomen dat deze zorg wordt verplaatst naar de commerciële privéklinieken?
Deelt u de mening dat het een zorgwekkende ontwikkeling is dat steeds meer zorg wordt verplaatst van ziekenhuizen naar op winst gerichte klinieken, zeker gezien er tegelijkertijd bezuinigd wordt op de zorg omdat de zorg te duur zou worden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het artikel ‘Beperkte vaccinatie gordelroos vergroot ongelijkheid’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reactie van Senioren Netwerk Nederland?1
Hoe oordeelt u over de stelling dat wanneer er om budgettaire redenen keuzes worden gemaakt over wie wel en niet toegang krijgen tot bewezen effectieve preventie er ongelijkheid ontstaat, in dit geval zowel tussen jongere en oudere generaties, maar ook tussen mensen die vaccinatie zelf kunnen betalen en mensen die dat niet kunnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Deelt u de mening van Senioren Netwerk Nederland om bij de verdere uitwerking van het vaccinatiebeleid expliciet rekening te houden met het hogere risico bij oudere senioren, transparant te communiceren over de werkingsduur van het vaccin en te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn om de gezondheidswinst bij de oudste groepen te maximaliseren? Zo, nee, wat zijn de overwegingen?
Is u bekend dat met deze keuze de oudste, kwetsbaarste groep, met het risico op de grootste en pijnlijkste complicaties bij gordelroos, met bovendien hoge zorgkosten tengevolg, buiten beeld blijft? Welke alternatieve maatregelen kunnen voor hen worden genomen?
Deelt u de mening dat ook de oudsten en kwetsbaarsten in de samenleving niet buiten schot mogen blijven bij preventie, en zeker niet om budgettaire redenen?
Is het mogelijk deze vragen te beantwoorden voor de plenaire begrotingsbehandeling VWS?
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
Slechtere zorg na overname huisartsenpraktijk door commerciële partij Arts en Zorg |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Radar van 9 februari jl. over de slechte zorg bij commerciële huisartsenpraktijk Arts en Zorg?1
Deelt u de grote zorgen over de verhalen van patiënten bij Arts en Zorg, die soms zelfs in levensgevaar komen doordat ze tegen digitale muren lopen, geen contact kunnen krijgen met de praktijk of steeds wisselende artsen en praktijkondersteuners spreken?
Hoe verklaart u dat deze wanpraktijken bij commerciële partijen blijven plaatsvinden, ondanks eerdere stappen die mede op initiatief van de Kamer op dit terrein zijn gezet?
Welke concrete stappen zijn er gezet na het faillissement van Co-Med?
Hoe kan worden voorkomen dat het bij Arts en Zorg net zo uit de hand loopt als bij Co-Med, aangezien nu al een schrikbarend percentage van 42% van de patiënten negatieve gevolgen voor hun gezondheid ervaart door de veranderingen in praktijken als gevolg van de overname?
Hoe beziet u de klachten van patiënten over Arts en Zorg in relatie tot de gemaakte afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)? Deelt u de mening dat de praktijken van Arts en Zorg ingaan tegen de afspraken in het AZWA en zo ja, welke acties gaat u ondernemen om deze commerciële partij tot de orde te roepen?
Deelt u de zorg over het waterbedeffect dat ontstaat door het gebrek aan goede zorg bij partijen als Arts en Zorg, waarbij patiënten uit wanhoop uitwijken naar huisartsenpraktijken in andere dorpen en wijken die vervolgens weer moeten overgaan tot een patiëntenstop? Hoe kunnen de afspraken uit het AZWA en de voorstellen uit de initiatiefnota van het lid Bushoff «Stop de commercie, steun de huisarts»2 bijdragen aan een oplossing hiervoor?
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de Kamerbreed aangenomen motie van het lid Mohandis c.s.3 over het over het opstellen van een uitvoeringsagenda in de huisartsenzorg naar aanleiding van de initiatiefnota van het lid Bushoff?
Wanneer wordt de uitvoeringsagenda op basis van de motie Mohandis c.s. met de Kamer gedeeld?
Op welke manier wordt extra inzet gepleegd op de voorstellen uit de initiatiefnota die volgens u al staande praktijk waren maar nog onvoldoende effect hebben, zoals de motie verzocht?
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden?
De terugroepactie van babyvoeding door Danone |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Danone roept al deze baby- en kindervoeding terug in Nederland»?1
Is er een indicatie dat in Nederland baby’s overleden zijn door de aanwezigheid van de giftige stof cereulide in melk? Bent u bereid de Kamer te informeren als hiervan sprake blijkt te zijn?
Kunt u, na afronding van het lopende NVWA-onderzoek, aangeven of Danone tijdig de publiekswaarschuwing heeft geplaatst?2
In hoeverre zijn verkooppunten van baby- en opvolgmelk wettelijk verplicht om klanten te compenseren bij een terugroepactie, bijvoorbeeld door vervanging met een veilig product of terugbetaling van het aankoopbedrag?
Klopt de suggestie dat Nederland later in actie is gekomen dan autoriteiten in andere landen? Hanteert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) andere criteria voor het terugroepen van babyvoeding dan toezichthoudende agentschappen elders in de EU?
Het sluiten van zorgvilla’s |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgvilla sluit plots de deuren: «We dachten dat het een phishingmail was. Dit kan toch niet?»»?1
Begrijpt en herkent u de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf, zoals die van ExpertCare?
Hoeveel van dit soort medische dagverblijven/zorgvilla’s, zoals ExpertCare, zijn er momenteel in Nederland?
Is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de hoogte gebracht van het feit dat ExpertCare de deuren van hun dagverblijf zal sluiten? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Moet het worden gemeld als dergelijke organisaties als ExpertCare, die een uniek aanbod leveren en voorzien in specialistische zorg, de deur sluiten?
Welke concrete maatregelen zijn er getroffen, zowel door het ministerie als door ExpertCare, om de zorgvilla’s open te houden?
Welke mogelijkheden heeft u nog om te voorkomen dat de zorgvilla’s gesloten moeten worden?
Kunt u deze vragen ieder apart en zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor de plenaire behandeling van de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten |
|
Sarah Dobbe |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten?1
Begrijpt u dat het een enorme impact heeft als deze kinderen straks zijn aangewezen op zorgvilla’s die veel verder weg liggen of op thuiszorg, indien hier überhaupt al plek is?
Deelt u de analyse dat de tarieven die door de zorgverzekeraars worden gerekend voor deze vorm van zorg tekortschieten en dat dit de reden is voor het sluiten van deze villa’s?
Bent u bereid om de tarieven te laten herijken via een kostprijsonderzoek?
Is bekend of ExpertCare de afgelopen jaren verlies of winst heeft gemaakt op de zorgvilla’s?
Welke alternatieven zijn er voor gezinnen die nu gebruik maken van deze zorgvilla’s en is daar voldoende capaciteit om al deze gezinnen de juiste zorg te kunnen bieden?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze villa’s open kunnen blijven en dat gezinnen een goede gespecialiseerde opvangplek blijven houden?
De sluiting van verpleegkundig kinderzorghuizen voor ernstig zieke kinderen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit om vier verpleegkundig kinderzorghuizen voor ernstig zieke kinderen op 31 maart te sluiten, waardoor circa 80 kinderen op een andere plek intensieve zorg moeten krijgen en dat er signalen zijn dat nog meer zorgorganisaties (verpleegkundig kinderdagverblijven en verpleegkundig kinderzorghuizen) onder druk staan?
Is er al concreet zicht op passende alternatieve zorgplekken voor deze 80 kinderen?
Wie heeft uiteindelijk de verantwoordelijkheid om passende zorg te garanderen?
Klopt het dat er maar drie andere plekken in Nederland zijn waar 24/7 vergelijkbare zorg voor kinderen wordt geboden, namelijk in Barneveld, Valkenburg (L) en Uithoorn? Hoeveel capaciteit hebben zij samen? Is bij deze zorglocaties geïnformeerd of zij capaciteit en financiële ruimte hebben om kinderen op te nemen?
Deelt u dat in deze gevallen van intensieve kindzorg de afstand tussen huis en een zorglocatie niet te groot moet zijn, omdat kinderen zeer kwetsbaar zijn en tijdens het vervoer niet de zorg kunnen krijgen die zij nodig hebben? Erkent u bovendien dat niet alleen de zorg onderweg kwetsbaar is, maar dat het ook niet wenselijk is om het kind ver van hun gezin (familie) af te hebben in verband met bijvoorbeeld bezoek, maar ook dat áls er iets gebeurt met het kind in het verpleegkundig kinderzorghuis, ouders binnen een bepaalde tijd aanwezig moeten kunnen zijn?
Klopt het dat in veel gevallen thuiszorg als alternatief niet passend is, omdat bijvoorbeeld niet voor niets de indicatie respijtzorg is afgegeven, zodat ouders op adem kunnen komen? Klopt het dat zowel verpleegkundig kinderzorghuizen als verpleegkundig kinderdagverblijven nodig zijn om deze intensieve medische kindzorg in de eigen omgeving om deze gezinnen overeind te houden?
Herkent u het beeld dat de tarieven structureel te laag zijn om dit type zorg goed te bieden? Wanneer komt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met de resultaten van het kostprijsonderzoek? Vanaf wanneer kunnen kostprijsdekkende tarieven vervolgens worden ingevoerd? Wat zijn in de tussenliggende tijd passende oplossingen om te voorkomen dat er nog meer verpleegkundige kindzorghuizen of verpleegkundig kinderdagverblijven hun deuren moeten sluiten?
Welke verantwoordelijkheid hebben de zorgverzekeraars om voor deze kinderen passende zorg te garanderen?
Is het een optie dat deze verpleegkundig kinderzorghuizen open blijven zolang het nodig is om passende zorg te kunnen blijven bieden? Kunt u garanderen dat er voor alle ernstig zieke kinderen die intensieve zorg nodig hebben altijd passende zorg is?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de huidige zorgaanbieder, aanbieders van vergelijkbare zorg en zorgverzekeraars om te komen tot passende oplossingen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de begroting 2026 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Het bericht dat er vier Nederlandse baby’s ziek zijn geworden na het drinken van Nestlé-voeding |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn , Rummenie |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er Nederlandse baby’s ziek zijn geworden na het drinken van Nestlé-voeding, en dat er zich tot op de dag van vandaag nog meer gevallen melden?1
Deelt u de mening dat een besmetting van babyvoeding met de toxine cereulide een groot risico kan vormen voor baby’s? Zo ja, bent u bereid zo snel mogelijk een publieke waarschuwing uit te doen om ouders te waarschuwen?
Hoe kan het dat er pas 5 januari 2026 een veiligheidswaarschuwing door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) werd geplaatst, terwijl de eerste verontreiniging al op 9 december 2025 aan de NVWA werd gemeld?2
Is het juist dat de NVWA geen Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF) melding heeft gedaan over de aangetroffen cereulide in babymelk, omdat de melk weliswaar in Nederland werd geproduceerd, maar niet werd verkocht? Zo ja, deelt u de mening dat er bij besmettingen van babyvoeding altijd onmiddellijk een Europese melding moet worden gedaan? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat er tot deze week nog terugroepacties van babymelk zijn en de Nederlandse overheid tot nu toe niet ingreep?3
Wat is de reden dat er in het buitenland massaal terugroepacties zijn, maar niet in Nederland?4
Waarom plaatst de NVWA enkel terugroep acties van producten die in supermarkten te koop zijn en niet die van online producten, zoals het teruggeroepen Babybio Optima 1? Deelt u de mening dat ook ouders die online kopen gewaarschuwd moeten worden?
Deelt u de mening, nu de terugroepacties massaal in heel Europa plaatsvinden, dat deze kwestie van besmetting met cereulide niet langer kan worden overgelaten aan de producenten zelf? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat de overheid in België de regie heeft gepakt en bezorgde ouders via de overheidssite waarschuwt?5 Bent u tevens bekend met het feit dat de Britse overheid momenteel 36 gevallen van zieke baby’s onderzoekt en de Franse overheid de dood van twee baby’s? Zo ja, wanneer gaat de Nederlandse overheid stappen ondernemen om de ouders gerust te stellen en de onderste steen boven te krijgen van dit voedselschandaal?
Hebben de producenten inmiddels volledige openheid gegeven over de bron van besmetting en de garantie dat ze dit probleem daadkrachtig hebben aangepakt?
Bent u bereid om te zorgen voor één centraal, volledig en actueel overzicht (door NVWA zelf of in afstemming met COKZ/Nestlé) met alle betrokken producten, batches/lotnummers, verkooppunten/kanalen, distributieperiode en gezondheidsinformatie, zodat consumenten en zorgprofessionals niet afhankelijk zijn van versnipperde updates?
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden, gezien de onrust bij ouders en het zich uitbreidende schandaal?
Het bericht ‘Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren»?1
Is het gebruikelijk dat een abortusarts alleen een uitwendige echo doet voordat een abortus wordt uitgevoerd? Welke richtlijnen zijn er bij een zwangerschap van minder dan twaalf weken?
Wat is de wetenschappelijke consensus over de kans op aangeboren afwijkingen als een kindje na een mislukte abortus alsnog wordt geboren? Zijn alle abortusartsen van de meest recente inzichten op de hoogte?
Welke ruimte wordt er aan de vrouw gelaten om anders dan het medisch advies toch te kiezen voor een zeer vroege abortus die het risico heeft om niet te slagen, en daarna het risico dat de nog levende foetus zich ontwikkelt met aangeboren afwijkingen?
Welke richtlijnen over advisering en informatie aan de vrouw zijn er voor de abortusarts als een vrouw in de kliniek aangeeft toch niet te willen kiezen voor een abortus? Op welke manier moet de arts zich ervan verzekeren dat de vrouw «in vrijwilligheid, na zorgvuldige overweging en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het ongeboren leven en van de gevolgen voor haarzelf en de haren» haar keuze maakt, zoals in artikel 5 Wet afbreking zwangerschap (Waz) staat?
Welke richtlijnen zijn er over het delen van informatie aan derden voor een abortuskliniek?
Klopt het dat artikel 296 Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 5 Waz geen bepaling bevatten die een onzorgvuldig uitgevoerde abortus strafbaar stelt, zoals wel het geval is bij euthanasie, namelijk in artikel 1f van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl)? Waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken wat de meerwaarde kan zijn om een dergelijke zorgvuldigheidseis aan de Waz toe te voegen? Zo nee, waarom niet?
Ziet u reden naar aanleiding van de uitspraak van het medisch tuchtcollege om bestaande medische richtlijnen aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Het bericht ‘Langer thuiswonen? ‘Ouderen komen nu al vies en verwaarloosd op de eerste hulp’’ |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Langer thuiswonen? «Ouderen komen nu al vies en verwaarloosd op de eerste hulp»»?1
Bent u het ermee eens dat we nooit ouderen zover achteruit mogen laten gaan dat zij in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden?
Bent u het ermee eens dat dit soort verhalen duidelijk maken dat het huidige beleid van mensen zo lang mogelijk dwingen thuis te blijven wonen tegen zijn grenzen aanloopt?
Hoeveel zou er geïnvesteerd moeten worden in de zorg om ervoor te zorgen dat er wel voldoende passende plekken komen waar deze mensen de juiste zorg kunnen krijgen?
Heeft u zicht op om hoeveel ouderen het gaat die in verwaarloosde toestand of eenzaam thuis leven?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze ouderen de zorg krijgen die ze nodig hebben, en hoe gaat u verwaarlozing en eenzaamheid in de toekomst voorkomen?
Hoe vaak gebeurt het per jaar dat ouderen in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden?
Hoeveel zal dit de komende jaren toenemen als de plannen van de nieuwe coalitiew orden doorgezet?
Wereldwijde handel in donorzaad |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitzending van Zembla «Sperma op bestelling: de impact van de wereldwijde handel in donorzaad»?1
Kunt u concreet benoemen op welke wijze de rechten van kinderen momenteel via wetten en regelgeving geborgd zijn in de context van (internationale) donorconceptie? Hoe verhoudt zich dit bijvoorbeeld tot het VN-verdrag inzake de rechten van het kind, in het bijzonder art. 7, lid 1? Hoe verhoudt dit zich tot de uitspraak van rechtbank Den Haag (d.d. 28-04-2023) waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van donorkinderen en hun ouders bij een verbod om nog langer sperma te doneren aan nieuwe wensouders zwaarder wegen dan het belang van de donor om daarmee door te gaan?2
Kunt u nader toelichten op welke wijze er momenteel vanuit de huidige wettelijke kaders, in het bijzonder de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wkdb), handvaten bestaan om te handhaven op het recht van een kind, welke is verwerkt met buitenlands donorzaad, om te weten van wie zij afstammen?
Herkent u het beeld welke wordt geschetst in de uitzending van Zembla dat de huidige praktijk, waarbij regels vaak niet gelden als er gebruik wordt gemaakt van buitenlands donorzaad, tekortschiet wat betreft het beschermen van kinderen en hun rechten?
Welke concrete maatregelen wilt u nemen om massadonatie met buitenlands donorsperma in het bijzonder tegen te gaan?
Herkent u de zorgen over gezinnen in kwetsbare posities, zoals regenboogstellen en alleenstaande moeders, die in de huidige praktijk eerder uitwijken naar buitenlandse fertiliteitsklinieken omdat zij vastlopen in het Nederlandse systeem en een gebrek aan een centrum voor wensouders zonder specifiek medisch oogmerk? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om hen te ondersteunen?
Hoe reflecteert u op de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) dat nationale werving voor donoren essentieel is om het aanbod aan te laten sluiten op de behoefte, bijvoorbeeld door het opzetten van een nationale donorbank?
Hoe reflecteert u op de oproep van onder andere de NVOG en FIOM om te stoppen met buitenlandse spermadonoren? Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd in het realiseren van de opzet van een nationale donorbank en het invoeren van een stop op buitenlandse spermadonoren, indien het nationale aanbod voldoende is?
Hoe reflecteert u op het feit dat Stichting Donorkind te kennen heeft gegeven de overheid aansprakelijk te willen stellen voor de misstanden omtrent massadonatie?
De positie van kinderen en familieleden van femicideslachtoffers |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De wet schiet tekort voor de kinderen van femicideslachtoffers» in de Volkskrant?1
Wat vindt u van het onderzoek van de Femicide Monitor van de Universiteit Leiden waaruit blijkt dat 62 procent van de slachtoffers van femicide kinderen had en dat 76 procent van deze kinderen minderjarig was, waarvan velen getuige waren van het geweld?2
Kunt u nader toelichten welke wettelijke kaders er momenteel gelden voor kinderen en de zorg voor hen na femicide? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre worden deze kaders in de praktijk nageleefd?
Klopt het dat na femicide vaak direct een voogd, veelal een voogdijinstelling, wordt benoemd die volledige zeggenschap krijgt over besluiten met betrekking tot het verblijf, de schoolkeuze, de therapie en de omgang van de betrokken kinderen?
Bent u het ermee eens dat het zeer traumatiserend kan zijn voor kinderen, van wie de moeder om het leven is gekomen wegens femicide, om herhaaldelijk overgeplaatst te worden? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat dit gebeurt?
Deelt u de zorg dat verplicht contact met (de familie van) de dader en het wegvallen van contact met de familie van de vermoorde moeder kan leiden tot traumaverdieping en onveiligheid voor deze kinderen? Zo nee, bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
Bent u ook bereid om toe te werken naar het ontwikkelen en inzetten van kennis om samen met het kind te ontdekken wat hier de beste oplossing is?
Klopt het dat de Nederlandse wet momenteel geen geschillenregeling kent voor conflicten over de uitoefening van de voogdij bij femicide, waardoor kinderen en nabestaanden beslissingen van de voogd niet aan de rechter kunnen voorleggen, zoals blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad?3 Hoe beoordeelt u deze lacune in de wet?
Welke mogelijkheden ziet u om de regels dan wel de wet te wijzigen zodat kinderen en nabestaanden van femicideslachtoffers toegang krijgen tot de rechter bij geschillen over voogdij en expliciet kunnen verzoeken om (op termijn) met de voogdij te worden belast? Hoe zou hierbij de de stem en inspraak van kinderen geborgd kunnen worden?
Welke mogelijkheden zijn er om te borgen dat in gevallen waarin kinderen getuige zijn geweest van huiselijk geweld en in het bijzonder van partnerdoding of een poging daartoe, het Openbaar Ministerie ook vervolgt wegens kindermishandeling?
Hoe beoordeelt u de wens uit de praktijk om te komen tot een protocol waarin wordt vastgelegd waar kinderen van femicideslachtoffers verblijven en waarin tevens een verplichting wordt opgenomen voor de Raad voor de Kinderbescherming om, indien dit in het belang van het kind is, het contact met de familie van de vermoorde moeder in stand te houden en zich daar actief voor in te zetten?
In hoeverre acht u het van belang dat rechters die oordelen over zaken waarin sprake is van (ernstig) huiselijk geweld, dwingende controle, intieme terreur of femicide, beschikken over aantoonbare en specialistische kennis op dit terrein? Hoe verhoudt dit belang zich tot de constatering in het recente rapport van de Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence, dat voor rechters en officieren van justitie geen verplichte scholing bestaat op dit onderwerp?4 Op welke wijze sluit het voornemen van de Raad voor de rechtspraak, zoals opgenomen in het jaarplan 2026, om te investeren in kennis over femicide en intieme terreur hierbij aan?5
Bent u voornemens deze bijscholing verplicht te stellen en, zo ja, op welke termijn? En zo nee: hoe voorkomt u dat scholing vrijblijvend blijft en vooral wordt gevolgd door rechters die hier al affiniteit mee hebben?
Het bericht ‘Vrouw besluit in paniek tot abortus en klaagt nu kliniek aan: 'Ze hadden me moeten tegenhouden'’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw besluit in paniek tot abortus en klaagt nu kliniek aan: «Ze hadden me moeten tegenhouden»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Vindt u het ook zorgelijk dat het blijkbaar kan dat een vrouw niet overtuigd is dat zij voor een abortus wil kiezen en toch een abortus krijgt?
Het gaat hier om een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Ik vind het niet passend om conclusies te trekken over deze casus op basis van een nieuwsbericht. Wel erken ik dat de beschreven situatie zeer aangrijpend moet zijn voor betreffende vrouw.
Begrijpt u de zorgen van de indiener van deze vraag over de inmiddels vervallen minimale beraadtermijn in de abortuswetgeving?
Sinds 2023 is de verplichte minimale beraadtermijn van vijf dagen vervangen door een flexibele beraadtermijn: de vrouw bepaalt in overleg met haar arts hoeveel tijd zij nodig heeft voor haar besluit. Uit de laatste evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) blijkt dat de besluitvorming rondom abortus in Nederland zorgvuldig verloopt en dat een verplichte minimale beraadtermijn hiervoor niet noodzakelijk is. Het nieuwsbericht dat aanleiding vormde voor de vragen van de indiener verandert dat niet. Het gaat hier om een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Er kunnen op basis van het nieuwsbericht geen conclusies worden getrokken over deze casus over de beraadtermijn of over het functioneren van de Wafz in brede zin.
Vindt u dat de zorgvuldigheid voldoende is geborgd nu de verplichte minimale beraadtermijn is afgeschaft en het mogelijk is om bij de huisarts de abortuspil te krijgen?
Ja, die zorgvuldigheid wordt op verschillende manieren gewaarborgd. Artsen zijn op grond van de Wafz verplicht zich ervan te vergewissen dat de vrouw haar besluit weloverwogen heeft genomen. De beroepsrichtlijnen van zowel abortusartsen als huisartsen bevatten uitgebreide instructies voor zorgvuldige besluitvorming. In deze richtlijnen staat dat artsen alert moeten zijn op twijfel. De richtlijnen bevatten concrete aanbevelingen over hoe twijfel herkend kan worden, ook wanneer die niet wordt uitgesproken.2 Voor vrouwen die twijfels of vragen hebben is er ook goede informatie en ondersteuning beschikbaar via het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap en het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap.3
Uit de laatste wetsevaluatie blijkt dat de besluitvorming rondom abortus in Nederland zorgvuldig verloopt en dat een verplichte minimale beraadtermijn hiervoor niet noodzakelijk is. In 2027 zal de Wafz opnieuw worden geëvalueerd. Dan zal ook gekeken worden naar de effecten van de wetswijzigingen en of er eventueel aanleiding is om wet- en regelgeving aan te passen.
Geeft deze casus u aanleiding tot het aanpassen van regelgeving?
Nee. De casus is nu onderdeel van een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Ik vind het niet passend conclusies te trekken over deze casus op basis van een nieuwsbericht. Bovendien biedt de huidige wetgeving voldoende waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming, zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 4.
Waar vinden «de goede gesprekken», zoals de huisarts in het artikel beschrijft, doorgaans plaats? Bij de huisarts, in de abortuskliniek, bij de onafhankelijke keuzehulpverleners?
Gesprekken over een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap kunnen plaatsvinden bij de huisarts, in een abortuskliniek, in het ziekenhuis en bij keuzehulpverleners. Waar en met wie dit gesprek plaatsvindt, hangt af van de behoeftes van de vrouw. Zowel huisartsen, abortusartsen als keuzehulpverleners zijn deskundig op dit gebied en kunnen indien nodig of gewenst naar elkaar doorverwijzen.
Is het gebruikelijk dat een vrouw in de kliniek de echo te zien krijgt of niet? Zo nee, waarom niet?
De abortusprofessional bespreekt vooraf met de vrouw of zij de echo wel of liever niet wil bekijken. Sommige vrouwen willen de echo graag zien, andere vrouwen juist niet. Het is niet verplicht de echo te tonen. Zo’n verplichting zou de autonomie van de vrouw ernstig ondermijnen. Het doel van de echo is om de zwangerschapsduur vast te stellen en te bepalen welke behandelmethode medisch gezien het meest geschikt is.
Zijn er extra waarborgen in het traject van een vrouw met een onbedoelde zwangerschap in te bouwen dat een abortus die later toch tegen de wens van de vrouw in gaat – en alle verdrietige gevolgen die dat heeft – voorkomen kan worden?
Zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 4 zijn er voldoende waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming. Er is op dit moment geen aanleiding om aanvullende waarborgen te overwegen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Ja.
Het bericht dat er schrijnende toestanden bij ouderen zijn door langer thuis wonen. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Machteloosheid in ziekenhuizen: schrijnende toestanden bij ouderen door langer thuiswonen»?1
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ouderen met doorligplekken van urenlang liggen in eigen ontlasting en met vliegjes in hun haren binnenkomen in het ziekenhuis? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Herkent u het beeld dat eenmaal in het ziekenhuis het moeilijk is om eruit te komen, omdat er een tekort is aan verpleeghuisplekken of gespecialiseerde revalidatiecentra? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Hoe groot is het beschreven tekort aan verpleeghuisplekken en hoe rijmt u dat met de berichten over leegstand?
Hoe groot is het tekort aan bedden in revalidatiecentra die gespecialiseerd zijn in oudere mensen met dementie?
Hoeveel verpleeghuisplekken zijn fysiek beschikbaar, maar niet inzetbaar door personeelstekort?
Welke rol spelen zorgverzekeraars bij het inkopen van voldoende verpleeghuisplekken en geriatrische revalidatieplekken? Vindt u dat zij hier voldoende verantwoordelijkheid nemen?
Wat zijn de totale meerkosten voor ziekenhuizen door het langer moeten verzorgen van deze patiënten?
Deelt u de mening dat nieuwe bezuinigingen aankondigen op de ouderenzorg het laatste wat de politiek nu zou moeten doen?
De uitzending ‘Zaad zonder grenzen’ van Zembla |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de Zembla-uitzending «Zaad zonder grenzen» (29 januari 2026)?1
Wat vindt u ervan dat er op grote schaal gebruik wordt gemaakt van spermadonoren uit het buitenland, voor wie niet de Nederlandse wet- en regelgeving geldt van een maximum aantal gezinnen en verplichte bekendmaking als het donorkind dat wil? Wat betekent dit voor het recht van een kind om diens familie te kennen?
Tot welke reflecties leidt deze documentarie bij u, met de wetenschap dat de ChristenUnie eerder voor een verbod op het gebruik maken van sperma- of eiceldonoren uit buitenland heeft gepleit?
Hoe is er in het verleden omgegaan met het informeren van wensouders over de waarschijnlijkheid dat buitenlandse donoren op te sporen zijn en het voor donorkinderen mogelijk is om hun donor te leren kennen? Welke informatie krijgen wensouders nu over deze mogelijkheden? En over het feit dat de Nederlandse regels niet gelden voor donaties van deze donoren in het buitenland?
Bent u bereid op Europees niveau te pleiten voor uniforme en bindende regels over spermadonatie? Hoe gaat u dat doen?
Wat vindt u van de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) in juli 2025 om het gebruik van buitenlandse spermadonoren te stoppen? Welke wet- of regelgeving moet daarvoor volgens u gewijzigd? Kunnen vruchtbaarheidsklinieken er nu al voor kiezen om geen buitenlandse spermadonoren te gebruiken?
Hoe kijkt u, in het licht van de onmogelijkheid om de rechten van kinderen te waarborgen bij buitenlandse spermadonatie, aan tegen een (tijdelijk) verbod op buitenlandse spermadonatie totdat er zekerheid bestaat dat internationale spermadonatie de rechten van donorkinderen waarborgt?
Hoe kijkt u aan tegen de diverse misstanden ten aanzien van donorconceptie, of het nu gaat om massadonoren, artsen die zonder toestemming en medeweten van wensouders hun eigen zaad inzetten of kinderen die niet weten dat ze van een donor afkomstig zijn? Ziet u dit als incidenten of als structurele problemen? Als u dit als structureel probleem ziet, vindt u het dan tijd voor een landelijk onderzoek naar de misstanden rondom donorconceptie? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel wensouders zoeken buiten de gereguleerde kaders naar mogelijkheden om hun wens te vervullen?
Herkent u dat wensouders alleen medische voorlichting krijgen, in fertiliteitsklinieken, maar geen voorlichting over alle Nederlandse wettige mogelijkheden en welke consequenties er zijn voor kinderen op de lange termijn, en of het niet laten vervullen van een kinderwens ook een optie is? Vindt u dit ook een omissie in de voorlichting? Zo ja, hoe wilt u dit gat vullen? Zo nee, wat ziet u dan als taak van de overheid hierin?
Het bericht ‘Plotseling sluit zorgvilla van Fenna (2), kosten te hoog en problemen met bezetting’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plotseling sluit zorgvilla van Fenna (2), kosten te hoog en problemen met bezetting»?1
Hoeveel kinderen zijn de dupe van de onverwachte sluiting van de zorgvilla’s van ExpertCare?
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting. Wat bent u voornemens daaraan te gaan doen? Waarom zijn de tarieven niet kostendekkend?
Bent u in contact met ExpertCare en de getroffen ouders om hen bij te staan in de zoektocht naar een nieuwe plek voor de kinderen?
Zijn er nog meer medische kindzorg locaties bekend waar sluiting dreigt? Zo ja, hoeveel?
Bent u bereid om met de betrokken partijen om tafel te gaan om te voorkomen dat er meer van dit soort sluitingen plaatsvinden en kinderen en hun ouders de dupe worden? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten, personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen gerechtvaardigd is?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen, zoals een helm, bestaan. Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet het gebruik van helmen in haar toezicht, zowel helmen met als zonder slot, voornamelijk in de gehandicaptenzorg. Als deze hulpmiddelen worden gebruikt is dat meestal bij mensen die zelf verwondend gedrag vertonen of bij mensen met epilepsie. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en de Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG) geven desgevraagd aan dat gebruik gemaakt wordt van zogenoemde epilepsiehelmen (valhelmen), om te voorkomen dat cliënten bijvoorbeeld ernstig letsel oplopen bij (onverwachte) valpartijen tijdens een epileptische aanval. Ook de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Nederlandse GGZ geven aan dat, in uitzonderlijke gevallen, op basis van de juiste wet- en regelgeving het gebruik van een (val)helm zou kunnen worden toegepast. In alle gevallen geldt dat de toepassing van een dergelijk hulpmiddel, zoals een helm, met voldoende waarborgen is omkleed.
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Ja, het gebruik van hulpmiddelen kan toegestaan zijn, maar alleen conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Als niet wordt voldaan aan die wet- en regelgeving is het gebruik ervan niet toegestaan.
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders verplicht om zorg van goede kwaliteit te bieden. Daaronder wordt mede verstaan het verlenen van zorg die in ieder geval veilig is. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden toegepast onder toepassing van de criteria en procedures van de wet. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) regelt de rechten van mensen die te maken hebben met verplichte zorg vanwege een psychische stoornis. De Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) regelt de rechten bij onvrijwillige zorg of onvrijwillige opname van mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een psychogeriatrische aandoening (zoals dementie). Er moet sprake zijn van ernstig nadeel, bijvoorbeeld een aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel.
Ook mogen er geen minder ingrijpende alternatieven (proportionaliteit) of vrijwillige alternatieven zijn waardoor geen of minder dwang kan worden toegepast (subsidiariteit), en moet de veiligheid geborgd zijn.
Op grond van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen is gebruik van een valhelm (of een schuimhelm) bij een tbs-gestelde of een gedetineerde alleen toegestaan als dat noodzakelijk is ter afwending van een ernstig gevaar voor de eigen gezondheid of voor de veiligheid van anderen. Voor de toepassing en voor het middel zelf (de helm) zijn eisen uitgewerkt in lagere regelgeving.2 In de lagere regelgeving over de toepassing mechanische middelen wordt benoemd dat dergelijke mechanische middelen alleen kunnen worden toegepast wanneer dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is en dat respect voor de menselijke waardigheid niet uit het oog mag worden verloren. Voorafgaand aan de toepassing van mechanische middelen dient te worden bezien of kan worden voorkomen dat de verpleegde of gedetineerde wordt belemmerd in de zelfstandige uitvoering van lichaamsfuncties, zoals eten en drinken.
Als de cliënt, betrokkene, verpleegde of gedetineerde zich verzet tegen het dragen van een helm, bijvoorbeeld omdat hij in zijn bewegen wordt beperkt of het niet prettig vindt, betreft dit het verlenen van gedwongen zorg. Deze zorgvorm kan, afhankelijk van het geval, worden geduid als een beperking van de bewegingsvrijheid of de vrijheid om het eigen leven in te richten. De wettelijk verplichte procedures voor gedwongen zorg op grond van bovengenoemde wetten moeten dan eerst worden doorlopen. In het geval van de Wvggz moet een zorgmachtiging bij de rechter worden aangevraagd en in het geval van de Wzd moet het verplichte stappenplan worden gevolgd. Personen die forensische zorg ontvangen in een Wvggz- of Wzd-accommodatie vallen onder het regime waaronder zij zijn opgenomen.
Het toezicht op de toepassing van mechanische middelen onder de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt onder meer uitgeoefend door de Commissie van Toezicht, een bij wet ingesteld onafhankelijk orgaan dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen vanwege de afhankelijke positie van justitiabelen.3 Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit van zorg in justitiële inrichtingen en ziet de Inspectie Justitie en Veiligheid toe op veilige en verantwoorde sanctietoepassing. In de praktijk trekken deze inspecties regelmatig gezamenlijk op. De IGJ houdt bovendien toezicht op de naleving van de Wvggz en de Wzd en ziet daarbij ook toe op de veiligheid van de cliënten en betrokkenen.
Vilans heeft voor de Wzd sinds 2020 programma’s ontwikkeld die bijdragen aan meer bewustwording en kennisvergroting ten aanzien van gedwongen zorg4. Voor de Wvggz hebben verschillende scholingen en symposia over gedwongen zorg plaatsgevonden en is de Coalitie Voorkomen Verplichte Zorg actief, ondersteund door Akwa GGZ en de Nederlandse GGZ.
Bovendien wordt gewerkt aan multidisciplinaire richtlijnen voor de Wvggz en Wzd, waar ook de patiënten- en cliëntenvertegenwoordiging bij wordt betrokken. Het veld ontplooit diverse activiteiten die zien op kennisvergroting en voorlichting. Vanzelfsprekend maakt de Wvggz onderdeel uit van de opleiding tot psychiater, zowel in het verplichte onderwijs als in diverse cursussen. Daarnaast zijn verschillende scholingen en e-learnings beschikbaar en worden regelmatig symposia georganiseerd.
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
De bovengenoemde wetgeving gaat over beslissingen per individu: de inzet van een hulpmiddel is dan ook per betrokkene of cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. De hulpmiddelenwijzer5 kan behulpzaam zijn voor zorgverleners. De hulpmiddelen kunnen zowel in een instelling als in een ambulante setting worden ingezet.
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag Handicap?
Omdat gedwongen zorg een inbreuk maakt op grondrechten van de betrokkenen en cliënten zijn de internationale en Europese verdragen op het gebied van mensenrechten van groot belang.
In het kader van gedwongen zorgverlening zijn de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 17 van het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het VN-Verdrag Handicap het meest relevant. Zo bevat artikel 5 van het EVRM een regeling over vrijheidsontneming en heeft eenieder op grond van artikel 8 van het EVRM en artikel 17 IVBPR het recht op respect voor zijn privéleven. Een beperking van grondrechten moet gelegitimeerd zijn door een wet in formele zin en voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De Wvggz, de Wzd, de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen voldoen aan de grondwettelijke en verdragsrechtelijke eisen.
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
De Wvggz en de Wzd kunnen ook van toepassing zijn bij jeugdigen. Op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) kunnen in uitzonderlijke gevallen, met voldoende waarborgen omkleed, mechanische middelen zoals een valhelm of schuimhelm worden toegepast wanneer deze vrijheidsbeperking noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige.
In de gesloten jeugdhulp mag op grond van de Jeugdwet de bewegingsvrijheid van jeugdigen worden beperkt. Echter, alleen de in de Jeugdwet genoemde maatregelen mogen daarbij worden toegepast. Het gebruik van hulpmiddelen zoals deze specifieke helm is niet toegestaan.
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen praten?
Gedwongen zorg grijpt diep in op de persoonlijke integriteit van mensen die ermee te maken krijgen. Besluiten tot inzet hiervan worden niet lichtvaardig genomen. Gezien de kwetsbare situatie van mensen die hiermee te maken krijgen, zijn controlemechanismen van groot belang om hier zicht op te houden. De Wvggz en de Wzd zijn erop gericht om te bewerkstelligen dat gedwongen zorg alleen als uiterste middel wordt ingezet. De rechtsbescherming in beide wetten is met name vormgegeven door strikte procedures over de besluitvorming, evaluatie en beëindiging van gedwongen zorg zoals beschreven bij antwoord 2, de bijstand van een advocaat en een vertrouwenspersoon en door de mogelijkheid om over de toepassing van gedwongen zorg een klacht in te dienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. Daarnaast ziet de IGJ toe op de naleving van deze wetten.
Voorafgaand aan het nemen van een beslissing over de toepassing van mechanische middelen wordt de verpleegde of de gedetineerde in beginsel in de gelegenheid gesteld om in voor hem begrijpelijke taal te worden gehoord.6 Indien wordt besloten tijdens de separatie mechanische middelen in te zetten, worden de Commissie van Toezicht en de dienstdoende arts binnen de kliniek of inrichting daarvan onverwijld in kennis gesteld. Daarnaast kan de justitiabele op grond van de wet tegen de beslissing in beklag gaan, al dan niet vergezeld van een verzoek tot schorsing, bij de beklagcommissie. Ook staat beroep open bij de Afdeling rechtspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.7
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende hulpmiddelen toe te passen?
Ja, personeelstekort mag geen reden zijn om vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Gedwongen zorg kan alleen als uiterst middel en nooit zonder zorgvuldige besluitvormingsprocedure toegepast worden bij een betrokkene of cliënt. Integendeel, dergelijke maatregelen vragen soms juist extra capaciteit vanwege de vaak intensievere zorg voor de betreffende persoon en voortdurende beoordeling of de maatregel al dan niet moet worden voortgezet.
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
De inzet van hulpmiddelen in de zorg wordt door zorgverleners conform de geldende wet- en regelgeving en richtlijn(en) gedaan. Richtlijnen zijn gebaseerd op de stand der wetenschap en praktijk en worden in multidisciplinair verband gemaakt. Specifieke onderzoeken naar de inzet van de helm met slot zijn de ministeries van VWS en J&V niet bekend.
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid over is?
Dergelijke onderzoeken zijn bij de ministeries van VWS en J&V niet bekend. Er is geen aanleiding om met onmiddellijke ingang de productie en het gebruik van hulpmiddelen te verbieden. Er zijn situaties waarin gedrag dat voortkomt uit een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening kan leiden tot ernstig nadeel voor een persoon zelf of anderen. Dan is het nodig om een handelingsperspectief te hebben. Ernstig nadeel betekent kort gezegd dat er een aanzienlijk risico bestaat dat iemand zichzelf of anderen schade toebrengt. Gedwongen zorg kan worden overwogen als iemands gedrag leidt tot ernstig nadeel en als dat gedrag een gevolg is van een psychiatrische of psychogeriatrische stoornis of een verstandelijke beperking. Die gedwongen zorg, zoals het gebruik van een helm, kan uitsluitend als uiterste middel worden verleend als het gebruik ervan noodzakelijk, geschikt en proportioneel is, en er geen vrijwillige alternatieven zijn en dan zo kort en minst ingrijpend mogelijk.
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Indien het om een medisch hulpmiddel gaat, dan moet dit voldoen aan de Medical Device Regulation (MDR) om op de Europese markt te worden toegelaten. De MDR stelt eisen aan de veiligheid, prestaties en klinische onderbouwing van medische hulpmiddelen. Hierin wordt gewerkt met een risico gebaseerd systeem: hoe hoger het risico voor de patiënt, hoe strenger de eisen. Hulpmiddelen worden ingedeeld in risicoklassen (klasse I, IIa, IIb en III). Het is aan een fabrikant om te bepalen of zijn product een medisch hulpmiddel is. Als dat het geval is, worden de hulpmiddelen (uitgezonderd risicoklasse I) getoetst door een certificerende instantie in Europa: een «notified body». Bij een positieve beoordeling kan de CE-markering worden aangebracht, waarmee het hulpmiddel rechtmatig op de Europese markt kan worden gebracht. De IGJ is in Nederland toezichthouder op deze wet- en regelgeving.
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
Zoals aangegeven in vraag 11 mogen medische hulpmiddelen op de markt worden gebracht als zij voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Gesteld kan worden dat de tekst op de betreffende website zorgvuldiger kan. Zoals voorgaand in de antwoorden is aangegeven kan gedwongen zorg en de inzet van hulpmiddelen niet zomaar plaatsvinden, daar gelden zorgvuldige besluitvormingsprocedures voor om zodoende de rechtspositie van betrokkenen en cliënten te waarborgen.
Tabaksmaatregelen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Kunt u, in het kader van de beoordeling van de effectiviteit van het overheidsbeleid, wellicht aangeven wat de bijdrage (bij benadering) naar alle waarschijnlijkheid ongeveer is geweest van onderstaande (relatief recente) tabaksmaatregelen met betrekking tot het bereiken van de daarmee beoogde doelen (waaronder in ieder geval tabaksontmoediging)? Zijn de (kwantificeerbare) effecten van deze maatregelen bij het ministerie inmiddels bekend? En geldt dat misschien ook voor de (onbedoelde) neveneffecten (waaronder weglekeffecten naar het buitenland)? Zo nee, is de Minister bereid hier onderzoek naar te laten uitvoeren?1
Het bericht dat Nederland de Britse methode om zwangere vrouwen te laten stoppen met roken test |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stoppen met roken voor honderden euro’s aan shopbonnen: Nederland test Britse succesmethode»?1
Vindt u het wenselijk dat zwangere vrouwen in Nederland cadeaubonnen krijgen zodat ze gemotiveerd worden om te stoppen met roken?
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van een zwangere vrouw om te stoppen met roken?
Deelt u de mening dat een gezond kind op de wereld zetten het allergrootste cadeau is waarvoor vrouwen zouden moeten stoppen met roken?
Wat vindt u ervan dat belastinggeld, dat onder andere is bedoeld om goede zorg te leveren, wordt gebruikt om via cadeaubonnen zwangere vrouwen die roken te overtuigen om te stoppen?