Het bericht 'Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen» en met de onderliggende analyse van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen naar 51 geneesmiddelen en indicaties die op 20 maart 2026 in de sluis zaten?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat van deze 51 middelen in Nederland geen enkel middel beschikbaar is voor patiënten, terwijl daarvan in Duitsland 48 middelen wél beschikbaar zijn? Hoe verklaart u dat Nederland hier slechter scoort dan veel andere Europese landen?
In Duitsland werkt de vergoedingsprocedure anders dan in Nederland. In Nederland wordt een duur geneesmiddel eerst beoordeeld en daarna wel of niet toegelaten tot het basispakket. In Duitsland wordt een geneesmiddel eerst toegelaten en wordt pas daarna de beoordeling en prijsonderhandeling gestart. In de beantwoording van vraag 10 ga ik hier nader op in.
De Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) maakt in haar analyse niet duidelijk of het om alle of om bepaalde indicaties van een geneesmiddel zou gaan. Een geneesmiddel kan bijvoorbeeld al onderdeel zijn van het basispakket voor een bepaalde aandoening, terwijl het voor een nieuwe indicatie nog in de geneesmiddelensluis verblijft. Zonder inzicht in de betreffende indicaties kan daardoor ten onrechte de indruk ontstaan dat een geneesmiddel helemaal niet beschikbaar is voor Nederlandse patiënten.
Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) heeft naar de desbetreffende geneesmiddelen gekeken en voor de meest aannemelijke indicatie bekeken waarom het geneesmiddel voor die indicatie niet is opgenomen in het basispakket.
Daaruit blijkt dat:
In totaal lopen of liepen er prijsonderhandelingen voor 12 geneesmiddelen, de 7 en 5 geneesmiddelen zoals genoemd bij de laatste twee bullets hierboven. Voor 6 middelen lopen deze nog. Voor de 6 andere middelen heeft dit niet geleid tot een overeenkomst tussen overheid en leverancier, waarbij voor 4 van deze middelen geldt dat er gelijkwaardige behandelalternatieven beschikbaar zijn. Wanneer er geen overeenkomst bereikt wordt tussen overheid en leverancier blijft een geneesmiddel in de sluis. Bij dergelijke gevallen informeert het kabinet de Kamer hierover.3
Cijfers over de doorlooptijden tussen marktautorisatie en vergoeding in een lidstaat, zoals de WAIT-monitor van de Europese branchevertegenwoordiger EFPIA, zijn ook om andere redenen vaak vertekenend. Zo kan er tussen een vergoedingsbeslissing op nationaal niveau en daadwerkelijke toepassing in de klinische praktijk nog tijd zitten, waardoor de WAIT-monitor als vergelijkend instrument beperkt van waarde is.
Het kabinet deelt niet de conclusie dat Nederland slecht(er) scoort. Zoals de hierboven genoemde cijfers duidelijk maken, is het beleid er niet op gericht om zoveel mogelijk geneesmiddelen te vergoeden, maar om zoveel mogelijk gezondheidswinst te realiseren voor de gehele bevolking met de collectieve financiële middelen. Het absolute aantal geneesmiddelen, of indicaties, dat in Nederland wordt vergoed, zegt dus niet zoveel.
Wat vindt u ervan dat juist sommige middelen tegen beenmergkanker die in nauwe samenwerking met Nederlandse ziekenhuizen zijn ontwikkeld, in Nederland nog niet verkrijgbaar zijn, terwijl ze wél voor Duitse patiënten beschikbaar zijn?
Het kabinet moedigt innovatie van nieuwe geneesmiddelen aan en dat hierbij wordt samengewerkt met Nederlandse ziekenhuizen is een mooie ontwikkeling. Maar dat samen is gewerkt met Nederlandse ziekenhuizen maakt niet dat een dergelijk geneesmiddel daardoor ook automatisch tegen elke prijs en totale uitgaven vergoed moet worden. In Nederland gelden de pakketcriteria en het Zorginstituut toetst bij sluisgeneesmiddelen of extramurale geneesmiddelen of een geneesmiddel in het basispakket opgenomen zou moeten worden. De pakketcriteria zijn effectiviteit, kosteneffectiviteit, noodzakelijkheid en uitvoerbaarheid.
Hoe legt u aan Nederlandse patiënten en hun gezinnen uit dat exact dezelfde effectieve geneesmiddelen in andere Europese landen al wel beschikbaar zijn en hier niet?
Het kabinet begrijpt de frustratie van patiënten en hun gezinnen wanneer een geneesmiddel in Nederland niet wordt vergoed en in bepaalde andere Europese landen wel. Met name wanneer de geneesmiddelen aangetoonde meerwaarde hebben ten opzichte van de standaardbehandeling, maar vanwege de prijs niet worden vergoed, is dat lastig om uit te leggen aan hen die mogelijk baat bij de behandeling zouden hebben.
In Nederland hebben we een zorgbudget dat niet onbeperkt is en niet zomaar kan worden verhoogd. Dit maakt dat er keuzes gemaakt worden. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren met beschikbare collectieve middelen. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst worden behaald. Op deze manier houdt het kabinet rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers.
Dat een geneesmiddel een handelsvergunning heeft gekregen en aangeboden mag worden op de markt, maakt niet dat deze automatisch aan de pakketcriteria voldoet. Het Zorginstituut bekijkt of het geneesmiddel effectief is en daarmee voldoet aan de SWP, wat inhoudt of het geneesmiddel een therapeutische meerwaarde of gelijke waarde heeft ten opzichte van de standaardbehandeling in Nederland. Het uitgangspunt is namelijk dat niet moet worden betaald voor een geneesmiddel dat bijvoorbeeld ernstigere bijwerkingen heeft dan de standaardbehandeling en daardoor per saldo niet meer gezondheidswinst oplevert. Wanneer een geneesmiddel aantoonbare meerwaarde heeft ten opzichte van de standaardbehandeling, is het kabinet bereid om hier veel voor te betalen. Dit moet echter wel in verhouding staan met de gezondheidswinst. Het Zorginstituut adviseert hierover. Het kabinet doet in de prijsonderhandelingen haar uiterste best om met de desbetreffende leverancier een prijs overeen te komen die daar recht aan doet, maar dit lukt niet altijd. Dit betekent in sommige gevallen helaas dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel.
Deelt u de opvatting dat Nederlandse patiënten recht hebben op tijdige toegang tot effectieve behandelingen, zeker als die in vrijwel alle andere onderzochte Europese landen al worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse patiënten hebben recht op de toegang tot behandelingen die toegelaten zijn in het basispakket en daardoor worden vergoed. Wanneer geneesmiddelen aangetoond effectief zijn (voldoen aan SWP) kunnen deze vergoed worden, maar wel enkel als ook aan de andere pakketcriteria wordt voldaan, waar ook een prijs bij hoort die in verhouding staat met de gezondheidswinst die het geneesmiddel oplevert (criterium kosteneffectiviteit).
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat Nederlandse patiënten voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen moeten uitwijken naar het buitenland omdat het Nederlandse zorgsysteem er niet voor hen is? Zo nee, kunt u toelichten waarom u dat solidair vindt?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat Nederlandse patiënten zich genoodzaakt voelen om voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen uit te wijken naar het buitenland, maar is van mening dat dit niet afdoet aan de solidariteit van het huidige stelsel en het pakketbeheer. Ik verwijs voor een toelichting naar de antwoorden op vraag 3 en 4.
Het kabinet vindt het niet uit te leggen aan alle huidige en toekomstige patiënten, die ook premiebetalers zijn, om een duur middel met een beperkte of zeer onzekere kosteneffectiviteit zonder meer te vergoeden en ook niet om uitzonderingen te maken die de juridische houdbaarheid van het hele stelsel aantasten. Dan riskeren we juist die solidariteit.
Erkent u dat lange wachttijden, juist waar het gaat om middelen tegen kanker en andere ernstige of zeldzame aandoeningen, door bureaucratische beleidsprocessen voor deze patiënten niet alleen een papieren probleem zijn, maar direct raken aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen?
Doorlooptijden zijn een onvermijdbaar gevolg van het Nederlandse systeem waarbij er eerst zekerheid moet zijn over effectiviteit en maatschappelijk aanvaardbare prijs, voordat een duur geneesmiddel wordt vergoed. Deze uitgangspunten zijn geen papieren of bureaucratische werkelijkheid, want een besluit om bijvoorbeeld een middel te vergoeden dat niet voldoet aan effectiviteit of een prijs te accepteren die ver af staat van wat een kosteneffectieve prijs zou zijn, zal uiteindelijk andere patiënten en premiebetalers schaden. Gesteld voor een dilemma als deze, is het de verantwoordelijkheid van het kabinet om besluiten te nemen in het belang van alle patiënten en burgers. Het kabinet erkent tegelijkertijd dat lange wachttijden een probleem kunnen zijn dat raakt aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen voor individuele patiënten. Zij zet zich daarom hard in om onnodige wachttijden voor deze patiënten te verminderen.
Ook binnen het traject «Toekomstbestendig stelsel geneesmiddelen» (TSG) is hier aandacht voor. Hierin is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. Verder doet het kabinet haar uiterste best om in prijsonderhandelingen met de leverancier zo snel mogelijk tot een aanvaardbare prijs te komen.
Er zijn echter ook gevallen waarin de wachttijd langer is vanwege het uitblijven van het indienen van een dossier bij het Zorginstituut door de leverancier. Dan kan het Zorginstituut het geneesmiddel niet beoordelen en kan het tot die tijd niet vergoed worden. De wachttijd blijft ondertussen oplopen. Voor dergelijke geneesmiddelen is de leverancier aan zet om zo spoedig mogelijk een dossier in te dienen.
Erkent u dat de beperkte beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen en de lange toegangstijden voor Nederlandse patiënten wijzen op een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen, nu in 2025 bleek dat patiënten in 2025 gemiddeld 493 dagen wachtten op toegang na EMA-goedkeuring, dat slechts 54 procent van de nieuwe Europees toegelaten geneesmiddelen hier beschikbaar is, en dat het beeld voor oncologie (525 dagen, 41 procent) en zeldzame ziekten (561 dagen) nog ongunstiger is? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet is niet van mening dat er sprake is van een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen in Nederland.
Zie hiervoor een toelichting bij het antwoord op vraag 2.
Dat wachttijden de toegang tot geneesmiddelen vertragen vindt het kabinet wel onwenselijk. Zoals genoemd in de beantwoording van vraag 7, zet het kabinet zich hiervoor in, ook binnen het TSG-traject.
Daarnaast hebben in veel gevallen de leveranciers ook invloed op de wachttijden.
Hoe verhoudt deze achterblijvende toegang zich tot het feit dat de netto-uitgaven aan geneesmiddelen met 4,2 procent van de totale zorguitgaven en als aandeel van de ziekenhuis zorg(8,8 procent) onder controle zijn? Is het huidige beleid nog in balans, als kostenbeheersing in de praktijk zwaarder lijkt te wegen dan tijdige toegang tot patiënten? Zo ja, waarom?
Het kabinet erkent dat de uitgaven aan dure geneesmiddelen op dit moment niet problematisch zijn. Het wijst daarbij wel op het volgende. Ten eerste is deze situatie het gevolg van het beleid dat mede is gericht op kostenbeheersing.4 Dat beleid is overigens niet veranderd. Wat wel veranderd is zijn de steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, én het grote aantal innovatieve middelen dat in ontwikkeling is.5 Zonder voortzetting van het huidige beleid, zou dat een groot budgettair risico betekenen en kunnen leiden tot het verdringen van andere zorg die op het geheel genomen meer gezondheidswinst oplevert.
Bent u bereid te onderzoeken hoe beoordeling en prijsonderhandeling sneller en meer parallel kunnen verlopen, zoals dat ook in andere landen wel gebeurt?
De prijsonderhandeling gelijktijdig laten verlopen met de beoordeling door het Zorginstituut is niet mogelijk. Er is dan nog geen advies op grond waarvan de prijsonderhandeling kan worden gestart.
Het kabinet acht de optie om een geneesmiddel eerst toe te laten en pas daarna de beoordeling en prijsonderhandeling te starten, zoals in Duitsland, niet wenselijk om de volgende redenen:
Bent u bereid om bij het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG) het belang van snelle toegang tot patiënten leidend te maken en daarbij ook concrete termijn vast te leggen? Hoe voorkomt u dat nieuwe regels en extra toetsen en procedures juist tot nog meer vertraging leiden?
In het TSG wordt erop ingezet om processen waar mogelijk te versnellen en te stroomlijnen, zodat patiënten zo snel als dat mogelijk is toegang krijgen. Ook wordt in het TSG op structurele basis afgestemd met zorgpartijen en de farmaceutische industrie, en wordt in een informatiemanagementsysteem transparant waar het geneesmiddel zich in het proces van pakkettoelating bevindt. Het uitgangspunt van het TSG is zoals gezegd «snel als het kan en uitgebreid als het moet». Dat betekent dat geneesmiddelen met beperkte pakketrisico’s snel kunnen instromen en geneesmiddelen met risico’s uitgebreider beoordeeld worden. Net als nu worden in het TSG de risico’s gewogen voor opname in het basispakket.
Een inschatting van het effect op de doorlooptijden neemt het Zorginstituut mee in de impactanalyse.
Bent u bereid om voor de verdere besluitvorming over TSG een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van het nieuwe stelsel voor patiëntentoegang, innovatie, investeringen en de internationale positie van Nederland, voordat het stelsel wordt vastgesteld?
Het Zorginstituut adviseert het kabinet als onafhankelijk pakketbeheerder over de uitvoering van het TSG. Een impactanalyse maakt hier onderdeel van uit. Daarin brengt het Zorginstituut bijvoorbeeld in kaart hoe geneesmiddelen op dit moment door het systeem lopen en hoe dit in het TSG zal verlopen. Alle relevante partijen zijn betrokken en worden geconsulteerd in de uitwerking. Partijen kunnen op basis van de impactanalyse bijvoorbeeld de gevolgen voor investeringen die zij doen afleiden. Op basis van de uitvoeringstoets en de impactanalyse maakt het kabinet een zorgvuldige afweging voor de besluitvorming over de invoering van het TSG.
Het bericht 'Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: ’Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd' |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: «Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd»»?1
Ja
Herkent u het beeld dat de uitgaven aan medische kosten voor asielzoekers exponentieel groeit?
De bekostiging van de medische zorg voor asielzoekers en vergunninghouders in de opvang verloopt via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Ik herken dat de kosten voor de medische zorg voor asielzoekers over de afgelopen jaren zijn gestegen. Deze stijging is in belangrijke mate verklaarbaar door de stijging van het aantal personen dat door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wordt opgevangen en de stijging van de kosten voor medische zorg in zijn algemeenheid. Het kabinet zet in om het beperken van de asielinstroom. Daarmee gaan uiteindelijk ook de totale kosten voor de medische voor asielzoekers omlaag.
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is uitgegeven binnen de verschillende zorgposten voor asielzoekers? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot 2024?
De totale zorgkosten voor respectievelijk de jaren 2025 en 2024 bedragen, conform de jaarrekening van het COA, € 358 miljoen en € 294 miljoen. Dit is inclusief de kosten voor tbc-onderzoek en de publieke gezondheidszorg. De gemiddelde zorgkosten per asielzoeker komen daarmee uit op respectievelijk € 4.775 voor 2025 en € 4.275 voor 2024. De totale medische kosten zijn gebaseerd op de daadwerkelijk gedeclareerde kosten onder de ziektekostenregeling2. Voor 2025 geldt dat ten tijde van het opmaken van de jaarrekening door het COA ongeveer 75 procent (€ 172.718.552) van de kosten was gedeclareerd. Voor de nog niet gedeclareerde maar te verwachten kosten is een voorziening opgenomen. Ten aanzien van de exacte zorgkosten voor 2025 en daarmee de gemiddelde kosten per asielzoeker geldt derhalve nog een mate van onzekerheid.
Buitenland
36.859
62.979
Farmacie – apotheken
14.013.865
13.234.412
Farmacie – ziekenhuizen
3.867.765
5.992.205
Geestelijke gezondheidszorg
38.073.259
28.847.203
Huisarts (passant)
1.999.111
1.843.291
Hulpmiddelen
3.132.946
2.585.163
Kraamzorg
1.627.759
1.618.532
M&I verrichtingen1
93.145
Maatschappelijk Werk
127.545
232.854
Medisch specialistische zorg
57.928.727
70.093.771
Mondzorg
23.019.534
18.476.208
Overig2
922.538
768.987
Paramedisch
2.402.591
1.756.086
Verloskunde
1.671.846
2.040.338
Verslavingszorg
1.168.270
Vervoer
10.052.328
12.016.514
Wijkverpleging
6.147.770
4.720.258
WLZ
3.913.687
4.583.515
WMO
1.486.729
10.275.159
Zorg Zintuiglijk Gehandicapten
1.125.422
980.558
Tbc-onderzoek
2.495.000
2.375.000
Publieke gezondheidszorg
30.945.000
23.692.000
Overige zorgkosten
94.204.598
88.171.820
Bezetting
74.982
68.868
Dit zijn aanvullende vergoedingen voor de huisarts die buiten het abonnementstarief van de huisarts vallen, bijvoorbeeld kleine ingrepen.
Onder deze post vallen kleinere posten voor o.a. zwangerschapsafbreking, hepatitis vaccinaties, TBC test, tbc-behandeling en consulten van GGD-instellingen en vergoeding van moeder-en-kind huis/ blijf-van-mijn-lijf huis.
Hoe apprecieert u de stelling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) dat deze informatie niet gedeeld kan worden vanwege de AVG? Waarom zou het niet mogelijk zijn om deze informatie te delen op een manier waarop de bescherming van persoonsgegevens geborgd blijft?
Daar waar mogelijk heeft het COA de informatie over de kosten voor de medische zorg gedeeld en is deze openbaar in het jaarverslag van het COA. Voor de uitvoering van de medische zorg aan asielzoekers moeten, op basis van aanbestedingen, contractafspraken gemaakt met de verschillende contractpartners. Een deel van deze gegevens kan en mag op basis van de gemaakte afspraken niet worden gedeeld omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de kosten voor de huisartsenzorg door GZA, GGD-GHOR, tolkdiensten, uitvoeringskosten voor de tbc-screening. In het overzicht zijn deze opgenomen als overige zorgkosten.
Deelt u het beeld dat de stijging aan kosten minstens voor een deel door fraude wordt veroorzaakt? Zo ja, hoe denkt u dat dit veroorzaakt wordt? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen signalen dat er sprake is van misbruik of fraude met de RMA. Vanzelfsprekend moeten voorzieningen worden gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn. Het is dan ook belangrijk dat er voldoende toezicht hierop is zodat fraude of misbruik kan worden tegengegaan. Binnen het COA is ook ten aanzien van de uitgaven aan de medische zorg aan asielzoekers deze controle ingericht. Mochten er vermoedens zijn dat er sprake is van misbruik dan wordt hier door het COA, samen met de uitvoeringspartners ook op ingegrepen en maatregelen getroffen.
In welke mate schat u dat de toename aan uitgaven hieraan veroorzaakt wordt doordat meer zorg geleverd wordt en in welke mate denkt u dat deze toename veroorzaakt wordt door fraude?
De stijging van de zorgkosten wordt verklaard door de toename van het aantal bewoners van het COA en de toename van de kosten in de zorg in zijn algemeenheid door onder andere gestegen personeelskosten of invoering van een diagnose-behandelcombinatie in de publieke zorg en niet door fraude.
In welke mate komt de stijging aan uitgaven aan zorg voor onverzekerden door asielzoekers?
Voor de medische zorg die door het COA wordt vergoed komen enkel personen in aanmerking die staan ingeschreven bij het COA. Hier wordt ook op gecontroleerd. Zorgkosten die worden gemaakt door personen die niet (meer) staan ingeschreven bij het COA worden niet door het COA vergoed. De kosten voor de medische zorg aan asielzoekers komen ten laste van de begroting Ministerie van JenV.
Neemt u als expliciet doel mee bij de nieuwe regeling om de kosten van deze zorg op hetzelfde of lager niveau te krijgen dan voor andere zorg? Zo ja, hoe bent u dat van plan? Zo nee, waarom niet?
De medische zorg voor asielzoekers volgt het basispakket van de Zorgverzekeringswet. Er wordt ook gebruik gemaakt van dezelfde zorginstellingen als die er zijn voor andere inwoners van Nederland. Hierbij worden dezelfde tarieven gehanteerd die in de reguliere zorg gelden. Aanpassingen daarin die gericht zijn op het verlagen van de kosten voor medische zorg worden ook gevolgd.
Hoe verhoudt de eigen bijdrage die statushouders met een maandsalaris van € 2.000,– kwijt zijn aan huisvesting, maaltijden, kleding en zorg zich tot de vaste lasten die de gemiddelde Nederlander met zo’n salaris per maand heeft?
De eigen bijdrage in de opvang kan niet één-op-één worden vergeleken met de vaste lasten van een zelfstandig wonende persoon met een vergelijkbaar inkomen.
Bij een netto maandinkomen van € 2.000 betaalt een alleenstaande bewoner van de opvang een eigen bijdrage van € 563,49 per maand. Een zelfstandig wonende persoon met een vergelijkbaar inkomen heeft doorgaans recht op toeslagen, zoals huurtoeslag en/of zorgtoeslag, waardoor de netto woon- en zorglasten lager uitvallen dan de bruto lasten. Hoewel de totale netto uitgaven aan wonen, voeding en zorg doorgaans hoger liggen dan de eigen bijdrage in de opvang, is een directe vergelijking slechts beperkt mogelijk. De eigen bijdrage betreft een inkomensafhankelijke bijdrage aan een collectieve, tijdelijke opvangvoorziening. Deze opvangvoorziening gaat gepaard met een strenger rechten- en plichtenpakket, beperkte keuzevrijheid ten aanzien van de woonlocatie, de inrichting van het dagelijks leven en de afname van voorzieningen. De lasten waar een zelfstandig wonende persoon mee te maken heeft gaan daarentegen gepaard met rechten en zekerheden die de opvang naar haar aard niet biedt: huurbescherming, een eigen woonruimte, meer zeggenschap over de woon- en leefsituatie, de mogelijkheid een duurzaam zelfstandig huishouden op te bouwen en – in geval van een koopwoning – vermogensopbouw. Hierdoor laat de vergelijking zich ook niet reduceren tot een eenvoudige beoordeling in termen van «gunstiger» of «ongunstiger»
Deelt u de mening dat statushouders met dit salaris die verblijven op COA-locaties niet gunstiger af mogen zijn qua vaste lasten dan de gemiddelde Nederlander met hetzelfde salaris?
Zie antwoord vraag 9.
Gaan kansrijke asielzoekers die als gevolg van de implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact binnen drie maanden na het indienen van hun aanvraag in Nederland mogen werken ook een eigen bijdrage betalen? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de bestaande Regeling eigen bijdrage asielzoekers (Reba) moeten asielzoekers die werken reeds een eigen bijdrage betalen voor de asielopvang. Deze eigen bijdrage staat los van het moment waarop asielzoekers mogen gaan werken maar hangt af van het feit of de asielzoeker vermogen of inkomen heeft. De implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact staat hier los van. Wel zal doordat asielzoekers eerder kunnen werken ook eerder bijgedragen kunnen worden aan de kosten voor de opvang.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asielzoeker is dure zorgklant; Kosten zijn in vijf jaar tijd ruimschoots verdubbeld: «waarschijnlijk inhaalslag te maken»»?1
Ja
Klopt het dat de medische kosten voor asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024? Zo nee, wat zijn de juiste cijfers?
Het klopt dat de kosten voor de medische zorg aan asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024. In het bedrag voor 2024 zijn de kosten voor tbc-screening en de publieke gezondheidszorg nog niet meegenomen. Voor 2024 komt het totaal bedrag daarmee uit op € 294 miljoen. Tegelijkertijd is de bezetting bij het COA gestegen van 27.302 in 2020 naar 68.868 in 2024. De gemiddelde zorgkosten per asielzoeker komen in 2020 daarmee uit op € 3.850 en voor 2024 op € 4.275. De stijging van de kosten voor de medische zorg is in belangrijke mate te verklaren door de stijging van het aantal asielzoekers. Daarnaast zijn ook de kosten voor de medische zorg in Nederland in zijn algemeenheid gestegen. Dat heeft ook effect op de kosten voor de medische zorg voor asielzoekers omdat daarvoor wordt gerekend met dezelfde tarieven en gebruik wordt gemaakt van dezelfde instellingen.
Hoe legt u aan Nederlanders die een beroep moeten doen op zorg uit dat zij te maken krijgen met een enorme stapeling van zorgkosten door de bezuinigingen van dit kabinet terwijl asielzoekers geen eigen risico en geen eigen bijdrage hoeven te betalen? Bent u bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren zodat er geen zorgkosten meer gemaakt worden voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Asielzoekers die inkomen uit werk of vermogen hebben, betalen een eigen bijdrage voor de kosten van de opvang. Hierin is ook een bijdrage voor de kosten van de zorg opgenomen. Zoals al vaker aangegeven is er geen juridische ruimte voor een asielstop. Het kabinet zet in om het beperken van de asielinstroom. Daarmee gaan uiteindelijk ook de totale kosten voor de medische voor asielzoekers omlaag.
Wat wordt er voor asielzoekers nu aan zorg vergoed zonder dat zij eraan hoeven mee te betalen?
De kosten die vergoed worden aan asielzoekers staan beschreven in de ziektekostenregeling asielzoekers (Regeling Medische zorg Asielzoekers: RMA). De vergoeding is vergelijkbaar met de basiszorg onder de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast hebben volwassen asielzoekers beperkte toegang tot de mondzorg (alleen bestrijding van ernstige pijn en kauwklachten). Voor de minderjarigen geldt de vergoeding van mondzorg gelijk aan de Zvw-basiszorg.
De eerste twee maanden na aankomst in de opvang hebben volwassen asielzoekers recht op de medisch noodzakelijke zorg. Welke zorg noodzakelijk is wordt bepaald door de huisarts.
Daarnaast komen asielzoekers in aanmerking voor publieke gezondheidszorg, waaronder de verplichte tbc-screening voor asielzoekers uit hoog risicolanden, het Rijksvaccinatieprogramma en de bestrijding van de infectieziekten.
In de onderstaande tabel is de uitgave binnen de ziektekostenregeling gespecificeerd. De declaratie en betaling van de zorgkosten vinden niet in zijn geheel in het zelfde jaar plaats als wanneer de behandeling heeft plaatsgevonden. De opgenomen bedragen in onderstaand overzicht betreffen kosten die betaald zijn tot en met november 2025.
Buitenland
13.119
26.176
13.322
76.362
62.979
Farmacie – apotheken
2.130.268
6.060.115
8.297.496
10.756.781
13.234.412
Farmacie – ziekenhuizen
7.205.739
2.064.482
1.726.541
2.894.452
5.992.205
Geestelijke gezondheidszorg
14.409.791
14.957.262
11.397.963
23.050.552
28.847.203
Huisarts (passant)
654.365
744.468
754.180
1.440.200
1.843.291
Hulpmiddelen
1.065.781
1.197.312
1.566.155
2.380.786
2.585.163
Jeugdhulp
92.952
0
0
0
0
Kraamzorg
921.901
711.574
860.892
1.071.433
1.618.532
M&I verrichtingen1
60.676
73.613
70.062
76.999
93.145
Maatschappelijk Werk
193.781
180.045
150.995
158.332
232.854
Medisch specialistische zorg
29.746.589
26.143.373
35.243.267
46.833.177
70.093.771
Mondzorg
6.365.733
8.324.994
9.491.862
14.163.041
18.476.208
Overig2
564.949
122.523
164.140
534.496
768.987
Paramedisch
652.712
713.922
859.254
1.448.913
1.756.086
Verloskunde
1.403.295
1.110.346
1.536.234
1.856.410
2.040.338
Vervoer
3.737.973
4.088.331
4.561.059
7.054.812
12.016.514
Wijkverpleging
1.752.814
1.858.921
1.971.289
3.025.306
4.720.258
WLZ
1.749.884
3.131.790
3.400.798
5.410.990
4.583.515
WMO
1.604.174
827.288
859.062
4.551.130
10.275.159
Zorg Zintuiglijk Gehandicapten
179.132
337.123
333.679
667.125
980.558
Bezetting
27.302
29.400
43.420
55.600
68.868
Dit zijn aanvullende vergoedingen voor de huisarts die buiten het abonnementstarief van de huisarts vallen, bijvoorbeeld kleine ingrepen.
Onder deze post vallen kleinere posten voor o.a. zwangerschapsafbreking, hepatitis vaccinaties, TBC test, tbc-behandeling en consulten van GGD-instellingen en vergoeding van moeder-en-kind huis/ blijf-van-mijn-lijf huis.
In de post huisartsen (passanten) in bovenstaande tabel zijn niet de kosten opgenomen voor de huisartsenzorg via GZA. De kosten voor huisartsenzorg door GZA, als ook voor GGD-GHOR, uitvoeringskosten van de tbc-screening en de inzet van tolken voor de zorg zijn herleidbaar naar de uitvoerende partij en bevatten daarmee concurrentiegevoelige gegevens. Deze kosten kunnen daarmee niet separaat openbaar worden gemaakt. Ook de kosten voor de tbc-screening en de publieke gezondheidszorg zijn in bovenstaande tabel niet opgenomen.
De totale bedrag voor medische kosten de jaren 2020 tot en met 2024 bedragen:
2020: € 105.109.000
2021: € 122.697.000
2022: € 169.796.000
2023: € 239.017.000
2024: € 294.460.000
Kunt u de zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders uitsplitsen naar huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, tandheelkundige zorg, geneesmiddelen en tolkdiensten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom weigert het COA inzicht te geven in de verschillende onderdelen van deze zorguitgaven?
Voor het organiseren van de medische zorg voor asielzoekers is het COA verplicht de verschillende onderdelen (curatieve zorg, publieke gezondheidszorg, jeugdgezondheidszorg) aan te besteden. Vanwege contractuele afspraken kan en mag het COA niet alle gegevens delen, omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten. Het COA geeft inzicht in de uitgaven binnen de ziektekostenregeling, zie het antwoord op vraag 5. De financiële jaarverslagen zijn openbaar.
Klopt het dat de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker circa € 3.900 per jaar bedragen? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders in dezelfde leeftijdscategorie?
Als de kosten voor de tbc-screening en publieke gezondheidszorg niet worden meegerekend dan komen de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker voor 2024 inderdaad neer op ongeveer € 3.900 per persoon. Inclusief de kosten voor de tbc-screening en publieke gezondheidszorg komen de kosten op ongeveer € 4.275 per persoon.
De vergelijking met de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders is lastig te maken vanwege verschillen in berekeningen, definities en de samenstelling van de populatie (zoals leeftijdsopbouw). Een enigszins vergelijkbaar zorgpakket komt uit op circa € 5.4002 aan zorgkosten per Nederlander3.
Hoeveel is in 2024 en 2025 uitgegeven aan tolkdiensten binnen de zorg voor asielzoekers en statushouders?
De kosten van tolken die door de zorgverleners zijn ingezet zijn niet openbaar, omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten.
Hoeveel asielzoekers en statushouders maakten in 2024 gebruik van geestelijke gezondheidszorg en wat waren hiervan de totale kosten?
Voor de totale GGZ-kosten zie het antwoord bij vraag 4 en 5. Het COA heeft geen inzage in de aantallen van asielzoekers die GGZ-zorg ontvangen.
Welke gevolgen hebben de stijgende zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders voor de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg?
In 2024 verbleven ongeveer 70.000 personen in de asielopvang en bedroegen de totale kosten circa € 300 miljoen. Ten opzichte van 18 miljoen inwoners en € 120 miljard aan zorgkosten in Nederland is het zorggebruik onder asielzoekers beperkt (circa 0,25% van de zorgkosten). De invloed van het zorggebruik door asielzoekers en de stijging van de zorgkosten hebben derhalve een gering effect op de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg.
Het bericht 'Ondanks AZWA-afspraak worden ‘te zware’ ggz-cliënten nog steeds geweigerd' |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondanks AZWA-afspraak worden «te zware» ggz-cliënten nog steeds geweigerd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat juist de mensen die zo hard goede zorg nodig hebben, deze vaak niet krijgen doordat zij worden geweigerd op grond van exclusiecriteria?
Ja, mensen toegang tot passende zorg weigeren vanwege «zware» of complexe problematiek vindt het kabinet zeer onwenselijk. Juist deze mensen hebben vaak de grootste zorgbehoefte. In de praktijk betekent een afwijzing bovendien regelmatig dat patiënten weer onderaan een andere wachtlijst terechtkomen, met verdere vertraging van passende zorg als gevolg.
Daarom is in het AZWA afgesproken dat dergelijke exclusiecriteria in principe worden geschrapt. Alleen wanneer een weigering zorginhoudelijk noodzakelijk is, blijft deze mogelijk.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat, ondanks de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, er nog steeds mensen geweigerd worden door ggz-aanbieders op basis van exclusiecriteria?
Het kabinet vindt het onwenselijk wanneer cliënten ten onrechte worden afgewezen op basis van exclusiecriteria. Soms zijn exclusiecriteria overigens wel gerechtvaardigd, bijvoorbeeld wanneer een aanbieder de kwaliteit of veiligheid van de zorg niet kan waarborgen, de benodigde expertise ontbreekt of een andere aanbieder aantoonbaar beter passende zorg kan leveren.
Erkent u dat de gevolgen voor betrokkenen enorm groot kunnen zijn, met onder meer de mogelijkheid tot verergering van klachten en verlies van vertrouwen in de zorg en in de overheid?
Ja. Wanneer mensen met een complexe zorgvraag worden afgewezen op basis van onterechte exclusiecriteria, kan dat grote gevolgen hebben. Zij lopen het risico dat passende zorg wordt uitgesteld, klachten verergeren en het vertrouwen in de zorg afneemt. Juist daarom is in het AZWA met betrokken partijen afgesproken dat zorgaanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dit strikt noodzakelijk is voor zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Enkel voor een aantal «laag volume, hoog complexe zorgvragen» kunnen exclusiecriteria gelden, op basis waarvan vanuit een regio kan worden doorverwezen naar een landelijke voorziening. Tegelijkertijd blijft het van belang dat zorgaanbieders, verwijzers en zorgverzekeraars gezamenlijk hun verantwoordelijkheid nemen om te voorkomen dat cliënten tussen wal en schip raken.
Kunt u uiteenzetten hoeveel meldingen er in 2026 binnen zijn gekomen over mensen die geweigerd zijn voor een ggz-behandeling op grond van exclusiecriteria zoals suïcidaliteit, autisme, hoge complexiteit of andere omstandigheden?
Nee, er is namelijk geen (landelijke) partij die dit registreert.
Bent u bekend met de aangenomen motie Synhaeve2 waarin verzocht wordt om binnen drie maanden na het afsluiten van de nieuwe contracten de Kamer te informeren of er inderdaad geen exclusiecriteria meer gebruikt worden? Kunt u toelichten hoe u, naast de uitvoering van deze motie, verder gaat toezien op naleving van de AZWA-afspraak dat ggz-aanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria?
Ja. Ik ben bekend met de motie-Synhaeve.3
De motie sluit aan bij de afspraken die in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn gemaakt over het terugdringen van exclusiecriteria. Afgesproken in het AZWA is dat ggz-aanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dit strikt noodzakelijk is in zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Hiermee wordt beoogd het verwijzen door huisartsen te vereenvoudigen, patiënten sneller passende zorg te bieden en te voorkomen dat patiënten van aanbieder naar aanbieder worden doorverwezen.
Conform de AZWA afspraken gaan zorgverzekeraars vanaf 2027 actief sturen op het terugdringen van de exclusie criteria door deze te verwerken in hun inkoopbeleid. Het uitgangspunt is dat in iedere regio voldoende kwalitatief goed aanbod wordt gecontracteerd. Samenwerking in de regio tussen grote geïntegreerde instellingen en kleinschalige aanbieders is daarbij van belang. Onderdeel van de afspraken is ook dat zorgverzekeraars inzetten op proactieve zorgbemiddeling, zodat mensen die niet direct bij een aanbieder terecht kunnen actief worden geholpen bij het vinden van passende zorg.
Het kabinet vindt het belangrijk dat deze afspraken eerst de kans krijgen hun effect te laten zien. Daarom ligt de nadruk de komende periode op de uitvoering en monitoring van de gemaakte afspraken. De uitvoering van de motie biedt daarbij een moment om te beoordelen in hoeverre de afspraken in de praktijk effect sorteren. Eind van dit jaar kan er een eerste beeld geschetst worden en in het voorjaar van 2027, als alle informatie voor handen is, valt er een totaalbeeld te geven. Op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om vooruitlopend daarop nieuwe maatregelen of extra toezichtinstrumenten aan te kondigen.
Waar kunnen cliënten zich melden wanneer ze worden afgewezen op basis van exclusiecriteria? Welke actie wordt hier vervolgens op ondernomen?
Wanneer een cliënt wordt afgewezen op basis van exclusiecriteria, bestaat er geen centraal meldpunt. In eerste instantie kan de patiënt in gesprek gaan met de zorgaanbieder om de reden van de afwijzing te bespreken. Van de aanbieder mag worden verwacht dat deze meedenkt over een passend alternatief en zorgt voor een goede overdracht.
Daarnaast kan de patiënt contact opnemen met de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar kan vanuit zijn zorgplicht bemiddelen naar een andere passende aanbieder en nagaan waar wel passende zorg beschikbaar is. Ook kan de verwijzer, zoals de huisarts of behandelaar, een rol spelen door opnieuw te verwijzen of contact op te nemen met een andere instelling.
In sommige regio's bestaan daarnaast regionale overlegtafels of escalatieroutes voor complexe casuïstiek (regionale doorzettingsmacht), maar deze zijn niet landelijk georganiseerd. Wanneer een patiënt vindt dat een afwijzing onzorgvuldig is verlopen, kan een klacht worden ingediend bij de klachtenfunctionaris of geschillencommissie van de aanbieder. Tot slot kunnen signalen over structurele problemen met de toegankelijkheid van zorg of de naleving van de zorgplicht worden gemeld bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die deze signalen kan betrekken bij haar toezicht.
Wie is volgens u verantwoordelijk wanneer een cliënt met een complexe zorgvraag door een ggz-aanbieder wordt afgewezen op grond van exclusiecriteria en vervolgens zonder warme overdracht of passende behandelplek terugvalt op de huisarts?
In ons zorgstelsel ligt deze verantwoordelijkheid bij meerdere partijen.
De ggz-aanbieder is verantwoordelijk voor een goed onderbouwde afwijzing van zorg. De aanbieder moet motiveren waarom passende zorg niet geboden kan worden en meedenken over een passend alternatief en een zorgvuldige (warme) overdracht.
De zorgverzekeraar heeft een zorgplicht. Als een verzekerde niet tijdig passende zorg krijgt, moet de zorgverzekeraar bemiddelen en ervoor zorgen dat de cliënt ergens terechtkan. De zorgverzekeraar kan aanbieders aanspreken en zorg inkopen waar nodig.
De verwijzer (vaak de huisarts) blijft vaak de coördinerende rol vervullen totdat passende specialistische zorg is gevonden.
Welke actie gaat u ondernemen op basis van dit nieuws?
De afspraken die binnen het AZWA zijn gemaakt voor het inkoopjaar 2027 moeten eerst de kans krijgen om effect te sorteren. Het kabinet wil daarom eerst deze effecten bezien.
Bent u bekend met het bericht «Amsterdam moet proef met vervanging voor crack stoppen, maar Inspectie legt niet uit waarom» en wat is daarop uw reactie?1
Kunt u toelichten waarom de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de productie van het middel dexamfetamine plots heeft stilgelegd?
Welke stappen gaat u zetten om deze of soortgelijke proeven zo snel mogelijk (weer) plaats te laten vinden met als doel crackgebruikers te helpen?
Hoe kijkt u tegen dit besluit aan in het licht van de toenemende gebruikers en problemen in de grote steden door crackgebruik?
Hoe is de IGJ tot dit besluit gekomen terwijl burgermeesters en wethouders expliciet vragen om deze pilot?
Heeft u alternatieven om de crackcrisis tegen te gaan?
Kunt u, gelet op de urgentie, deze vragen voor 15 oktober a.s. beantwoorden?
De sluiting van Huize Soria in Spanje en de veiligheid van Nederlandse kinderen |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Valenciaanse overheid Huize Soria in Aspe heeft bevolen de activiteiten onmiddellijk te beëindigen omdat de instelling zonder de vereiste vergunning opereerde?1
Bent u bekend met het project Adios Holanda en de relatie met Huize Soria? Kunt u de geschiedenis van beide namen, de betrokken rechtspersonen en bestuurders en eventuele wijzigingen daarin uiteenzetten, in ieder geval vanaf 2016 en waar relevant ook daarvoor?2
Hoeveel Nederlandse kinderen verbleven bij Huize Soria toen dit besluit werd genomen? Waar bevinden zij zich nu en wie controleert ter plaatse of zij veilig zijn?
Bent u bereid deze kinderen met spoed naar Nederland terug te halen en voor ieder kind passende opvang en aansluitende hulp te organiseren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Welke Nederlandse gemeenten, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen hebben kinderen bij Huize Soria geplaatst? Wie had vóór plaatsing moeten controleren of de vereiste vergunning aanwezig was en waarom is dit niet gebeurd?
Wanneer ontvingen uw ministerie, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de betrokken plaatsende instanties de eerste signalen over mogelijke misstanden bij Huize Soria of het project Adios Holanda? Welke concrete maatregelen zijn vervolgens genomen?
Zijn na deze eerste signalen nog kinderen bij Huize Soria geplaatst of bestaande plaatsingen verlengd? Zo ja, door wie en op welke gronden?
Beschikt u over het onderzoeksrapport waarin volgens het bericht signalen staan over voedselbeperkingen, fysieke fixatie, bestraffing en beperkingen van privécontact met familie of voogden? Bent u bereid dit rapport, zo nodig geanonimiseerd, aan de Kamer te verstrekken?
Hoe zorgt u ervoor dat huidige en voormalige bewoners onafhankelijk worden gehoord, zonder aanwezigheid van medewerkers van Huize Soria, en zo nodig medische zorg, traumabehandeling en ondersteuning bij het doen van aangifte krijgen?
Hoeveel Nederlands publiek geld is aan plaatsingen bij Huize Soria en het project Adios Holanda besteed, uitgesplitst per jaar en betalende instantie? Bent u bereid te laten onderzoeken of betalingen kunnen worden stopgezet en middelen kunnen worden teruggevorderd?
Bent u bereid onafhankelijk te laten onderzoeken wie verantwoordelijk is voor het plaatsen en laten verblijven van kinderen bij een instelling zonder de vereiste vergunning, en welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden? Neemt u daarbij ook de volledige voorgeschiedenis onder de naam Adios Holanda en eventuele andere handelsnamen of rechtspersonen mee?
Bent u bereid onmiddellijk te controleren of andere buitenlandse instellingen waar Nederlandse kinderen verblijven over de vereiste vergunningen beschikken en daadwerkelijk onder toezicht staan? Wat doet u wanneer de veiligheid van kinderen daar onvoldoende kan worden gegarandeerd?
Wilt u bij de beantwoording over eerdere plaatsingen, signalen, toezicht, financiering en nazorg expliciet ook het project Adios Holanda betrekken, in ieder geval vanaf 2016 en waar relevant ook daarvoor, en uw onderzoek niet beperken tot de huidige naam Huize Soria?
Kunt u de vragen over de huidige verblijfplaats, veiligheid en terugkeer van de kinderen binnen 48 uur beantwoorden en de overige vragen afzonderlijk zo spoedig mogelijk?
De vergoeding van psychosociale hulphonden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hulphond Zingo moet al na 6,5 jaar met pensioen, maar Kaj kan hem niet missen: «Hij gaf mij een doel in het leven»»?1
Bent u het met ons eens dat het verhaal van Kaj van Diemen, die door zijn hulphond Zingo zelfstandiger kan leven, minder snel overprikkeld raakt, op tijd zijn medicijnen inneemt en zich veiliger door het verkeer beweegt, staat voor de situatie van veel meer mensen? Erkent u ook dat een psychosociale hulphond mensen met een specifieke hulpvraag soms letterlijk hun leven teruggeeft?
Ziet u ook dat er sinds de vorige Kamervragen van de indiener in 2022, alleen maar meer onderzoek is gekomen waaruit blijkt dat psychosociale hulphonden fors kunnen bijdragen aan mentaal welzijn, zelfstandigheid en levenskwaliteit? Bent u bijvoorbeeld bekend met het langdurige onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen naar de inzet van hulphonden waarnaar in het artikel wordt verwezen?
Wat is de stand van zaken van de in 2022 aangekondigde landelijke afspraken over de definitie van een assistentiehond, de certificering van hondenscholen, de conformiteitsbeoordeling en het toezicht op de opleiding van assistentiehonden? Welke onderdelen zijn inmiddels gerealiseerd en welke nog niet?
Op welke manier zijn de resultaten van de diverse onderzoeken en het project «Met een hond kan ik het leven aan», meegenomen in het beleid rondom mentale gezondheid? Worden de richtlijnen voor gemeenten en zorgverzekeraars over vergoedingen ook overal geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om zich hiervoor in te zetten?2
Erkent u dat de inzet van hulphonden in voorkomende gevallen juist kostenbesparend is, omdat mensen zelfredzamer en zowel fysiek als mentaal gezonder worden?
Begrijpt u het dat er onbegrip is over het feit dat mensen met PTSS door hun werk bij Defensie of de politie wel voor specifieke vergoedingen of voorzieningen in aanmerking komen, terwijl mensen die door een andere oorzaak PTSS hebben opgelopen vaak afhankelijk zijn van de keuze van de gemeente waar ze wonen? Vindt u het, los van de juridische financieringsgrondslag, uitlegbaar dat twee mensen met vergelijkbare beperkingen en dezelfde behoefte aan ondersteuning verschillend worden behandeld vanwege de oorzaak van hun PTSS?3
Hoe verhoudt dit onderscheid zich volgens u tot het VN-verdrag Handicap, waarin de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte en de mogelijkheid om zelfstandig aan de samenleving deel te nemen centraal staan? Deelt u de mening dat niet de oorzaak van een beperking, maar de gevolgen daarvan en de individuele ondersteuningsbehoefte leidend zouden moeten zijn?
Hoeveel aanvragen voor psychosociale hulphonden zijn in de jaren 2022 tot en met 2026 bij gemeenten ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015?
Hoeveel aanvragen zijn geheel of gedeeltelijk toegekend en hoeveel zijn afgewezen? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar gemeente en reden voor afwijzing?
Zijn er inmiddels wel gegevens beschikbaar over het aantal assistentiehonden dat wordt verstrekt? Zo nee, hoe kunt u zonder deze informatie beoordelen of mensen met een vergelijkbare ondersteuningsbehoefte in verschillende gemeenten gelijkwaardig worden behandeld?
Klopt het beeld uit het artikel dat gemeenten geen gezamenlijk beoordelingsprotocol hanteren en dat de kans op vergoeding daardoor sterk afhankelijk kan zijn van de gemeente waarin iemand woont? Zo ja, acht u deze postcodeafhankelijkheid wenselijk? Zo nee, hoe zit het dan wel?
Bent u bereid om samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, ervaringsdeskundigen, gemeenten en deskundigen, zoals betrokken bij het project «Met een hond kan ik het leven aan», tot een landelijk afwegingskader te komen voor aanvragen van psychosociale hulphonden, waarbij de individuele ondersteuningsbehoefte en de bijdrage aan zelfredzaamheid en participatie centraal staan?4
Hoe wordt erop toegezien dat gemeenten uitvoering geven aan het standpunt van uw ambtsvoorganger uit 2024 dat zij een assistentiehond in de regel moeten toekennen wanneer uit zorgvuldig Wmo-onderzoek blijkt dat deze voor de inwoner de enige passende oplossing is, en aanvragen niet bij voorbaat afwijzen met een algemene verwijzing naar het ontbreken van voldoende wetenschappelijk bewijs?5
Hoe voorkomt u dat mensen eerst een langdurige bezwaar- en beroepsprocedure moeten voeren om een passende maatwerkvoorziening af te dwingen, terwijl zij juist vanwege hun beperking vaak niet de energie, financiële middelen of ondersteuning hebben om zo’n procedure te doorlopen?
Worden bij het beoordelen van de kosteneffectiviteit ook mogelijke besparingen op ambulante begeleiding, ggz-behandeling, crisiszorg, opname, mantelzorg en Wmo-ondersteuning betrokken, evenals de maatschappelijke opbrengsten van meer zelfstandigheid, participatie en deelname aan onderwijs of werk? Zo nee, waarom niet?
Welke ondersteuning is beschikbaar voor mensen van wie de huidige hulphond vanwege ouderdom of ziekte moet stoppen, maar die geen vergoeding kunnen krijgen voor een opvolgende hond? Hoe voorkomt u dat zij hierdoor hun zelfstandigheid verliezen of opnieuw afhankelijk worden van intensievere en mogelijk duurdere zorg en ondersteuning?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat mensen voor een noodzakelijke voorziening van € 25.000 tot € 35.000 afhankelijk zijn van crowdfunding, fondsen of donaties, waardoor financiële draagkracht en het vermogen om een succesvolle inzamelingsactie te organiseren mede bepalen wie zelfstandig kan blijven leven? Welke concrete stappen gaat u zetten om deze willekeur te verminderen?
Het kabinetsbesluit ten aanzien van medische evacuaties uit Gaza |
|
Suzanne Kröger (PRO), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het pakket van € 12 miljoen wordt vrijgemaakt? Uit welke begrotingspost komen deze gelden? Komen deze gelden nog in 2026 beschikbaar uit het extra geld dat in 2026 voor ontwikkelingssamenwerking is vrijgemaakt bij de voorjaarsbesluitvorming? Hoe zijn deze verdeeld over de vier genoemde bestemmingen: World Health Organization (WHO), Jordanië, Save the Children, Egypte, WHO Health Emergency Appeal en het Rode Kruis?
Op welke termijn worden de toegezegde bijdragen daadwerkelijk uitgekeerd aan de WHO, Save the Children en het Rode Kruis, en wanneer verwacht u dat de eerste effecten (bijvoorbeeld de eerste evacuaties naar Jordanië) zichtbaar zullen zijn?
In welk tempo verwacht het u dat de 250 kinderen naar Jordanië geëvacueerd kunnen worden? Klopt het dat landen in de regio verlangen dat eerder geëvacueerde patiënten het land verlaten, alvorens zij nieuwe patiënten toelaten voor evacuatie?
Kunt u bevestigen dat het pakket van € 12 miljoen voor de evacuatie van kinderen uit Gaza naar naburige landen, geen middelen bevat voor nieuwe medische evacuaties van zieke kinderen uit Gaza naar Nederland dit jaar?
Sluit u met deze keuze feitelijk verdere evacuaties naar Nederland uit, of blijft dit een optie? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Klopt het dat meerdere EU-lidstaten dit jaar wel door zijn gegaan met het evacueren van kinderen uit Gaza? Klopt het dat Spanje in 2026 nog 20 kinderen heeft geëvacueerd (waarmee het totaal op 85 komt), Italië nog 26 kinderen (waarmee het totaal op 272 komt) en ons buurland België nog 4 kinderen (waarmee het totaal op 26 komt)? Waarom maken deze landen een andere afweging dan Nederland? Waarom gingen zij dit jaar wel door met medische evacuaties en Nederland niet?
Klopt het dat EU-lidstaten sinds begin 2026 slechts 1% van alle medisch geëvacueerde patiënten uit Gaza hebben opgevangen? Hoe beoordeelt u de Nederlandse en Europese bijdragen in dit licht, en vindt u dit aandeel proportioneel gezien de Nederlandse medische capaciteit?
Bent u bekend met de constatering van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde dat er een groep kinderen is met «hoogcomplexe en meervoudige problematiek» (ernstig trauma, complexe aangeboren aandoeningen, oncologische aandoeningen) die niet in Gaza, Jordanië of Egypte behandeld kan worden? Erkent u deze doelgroep? Welk toekomstperspectief biedt u nu aan deze kinderen?
Kunt u aangeven hoe groot deze doelgroep is? Hoeveel van de circa 18.500 patiënten die naar inschatting van de WHO wachten op evacuatie, behoeven zorg die alleen in landen als Nederland beschikbaar is?
Op basis van welke medische criteria en door wie wordt bepaald welke kinderen wél naar Jordanië en Egypte kunnen en welke kinderen mogelijk toch specialistische zorg nodig hebben die alleen in Europa beschikbaar is (bijv. bepaalde vormen van oncologische zorg, complexe reconstructieve chirurgie)?
Bent u bekend met de bevestiging van de Nederlandse kinderartsen dat zij beschikbare capaciteit in hun ziekenhuizen hebben om kinderen op te vangen, zonder verdringing van reguliere zorg?
Bent u ermee bekend dat Nederlandse artsen een uitgewerkte, Standard Operating Procedure hebben, waarin het hele zorgproces van kinderen inclusief begeleiding is vastgelegd, die in 2025 is gebruikt en uitgebreid geëvalueerd?
Acht u Nederlandse ziekenhuizen daarmee voldoende voorbereid op nieuwe medische evacuaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dan niet gekozen om Nederlandse ziekenhuizen in staat te blijven stellen om kinderen uit Gaza op te vangen?
Is uw doeltreffendheidsargumentatie, namelijk meer patiënten per euro in Jordanië dan in Europa, leidend? Of spelen ook overwegingen van politieke uitlegbaarheid en maatschappelijk draagvlak een rol bij het niet kiezen voor Nederland? Kunt u dit toelichten?
Sluit u uit dat het, indien blijkt dat de Jordaanse en Egyptische capaciteit ontoereikend is voor kinderen met de meest complexe zorgvragen, alsnog een aanvullend besluit neemt over evacuatie naar Nederland?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Informele Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling (van 8 en 9 oktober 2026) van 1 oktober 2026?
Het bericht ‘Vrouw (83) uren na noodoproepen op vloer uitgedroogd gevonden tussen zakken ontlasting: ‘Iedereen moet op non-actief’' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw (83) uren na noodoproepen op vloer uitgedroogd gevonden tussen zakken ontlasting: «Iedereen moet op non-actief»»?1
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze mevrouw, die meerdere keren per week zorg en ondersteuning kreeg van verschillende organisaties, uitgedroogd en in een ernstig vervuilde woning werd gevonden?
Aangezien de vrouw rond 10.00 uur en rond 12.00 uur op haar alarmknop drukte en beide meldingen zijn doorgestuurd naar de thuiszorg, terwijl zij pas rond 13.30 uur op de vloer werd aangetroffen, vindt u dit een aanvaardbare opvolging van een noodoproep? Welke normen of afspraken gelden voor de tijd waarbinnen op een persoonsalarm moet worden gereageerd?
Is u bekend dat de vrouw in het ziekenhuis werd opgenomen met onder meer een vochttekort, vitaminetekort en ernstig oedeem en dat zij volgens de familie vooral snacks en kant-en-klaarmaaltijden at, terwijl zij ondersteuning kreeg bij boodschappen en maaltijden? Hoe beoordeelt u dit en wordt bij kwetsbare ouderen voldoende gecontroleerd of de geboden ondersteuning ook daadwerkelijk leidt tot voldoende en passende voeding, en vochtinname?
Bent u ermee bekend dat de familie heeft aangegeven dat zij vier weken na de ziekenhuisopname nog steeds geen duidelijk beeld heeft gekregen van wat er rond de twee alarmmeldingen is gebeurd? Vindt u ook dat cliënten en hun vertegenwoordigers na een ernstige gebeurtenis snel en volledig duidelijkheid moeten krijgen over de feitelijke gang van zaken? Welke regels gelden hiervoor?
Deelt u de mening dat bij ernstige signalen over de veiligheid of mogelijke verwaarlozing van een thuiswonende oudere ook de vaste contactpersoon of gemachtigde tijdig moet worden geïnformeerd, voor zover de privacyregels dat toestaan? Is volgens u voldoende duidelijk wanneer zorgverleners hiertoe moeten overgaan?
Kunt u aangeven of deze casus bekend is bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en of de inspectie hierin aanleiding ziet voor onderzoek? Ziet u daarnaast aanleiding om breder te laten onderzoeken hoe de opvolging van persoonsalarmering en de regie bij thuiswonende mensen met dementie in de praktijk zijn georganiseerd?
Hoe gaat u voorkomen dat dit soort hartverscheurende situaties in de toekomst weer gebeuren?
Waarom acht u het verantwoord om door te gaan met de plannen voor het schrappen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo en het invoeren van een eigen bijdrage in de wijkverpleging, wetende dat daardoor nog minder mensen achter de voordeur zullen komen met alle gevolgen van dien, zoals escalatie van problemen, verwaarlozing en vereenzaming?
Het bericht ‘Al dagen dood in verpleeghuis’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Al dagen dood in verpleeghuis»?1
Wat vindt u ervan dat zorgmedewerkers twaalf dagen achter elkaar hebben gerapporteerd dat zij deze bewoonster niet hadden gezien, zonder dat iemand bij haar is gaan kijken?
Hoe kan het dat het dagenlang niet zien van een kwetsbare bewoner kennelijk geen aanleiding was om te controleren of het wel goed met haar ging?
Klopt het dat met deze bewoonster was afgesproken dat er dagelijks op twee momenten contact met haar zou zijn, onder meer voor haar medicatie en eten? Zo ja, hoe kan het dat het uitblijven van deze contactmomenten niet eerder tot actie heeft geleid?
Rivas Zorggroep stelt volgens het artikel dat medewerkers zo hebben gehandeld omdat mevrouw zorg meed. Welke verantwoordelijkheid heeft een zorginstelling wanneer een kwetsbare bewoner zorg mijdt? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot wat hier is gebeurd?
Zijn er landelijke regels of afspraken over wat medewerkers in een verpleeghuis moeten doen wanneer zij een bewoner meerdere dagen niet zien of geen contact met die bewoner kunnen krijgen? Zo ja, zijn die regels hier gevolgd?
Klopt het dat de kamer van mevrouw langere tijd niet was schoongemaakt als gevolg van gebrekkige communicatie tussen het schoonmaakbedrijf en de zorgorganisatie? Hoe kan zoiets binnen een verpleeghuis zo lang onopgemerkt blijven?
Hoe heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) deze melding beoordeeld en welke maatregelen heeft de IGJ naar aanleiding daarvan genomen?
Heeft de IGJ onderzocht of de problemen die hier naar voren komen, zoals het niet nakomen van afgesproken contactmomenten en gebrekkige overdracht en communicatie, ook bij andere bewoners van deze locatie spelen?
Heeft de IGJ de afgelopen jaren vaker meldingen ontvangen waarbij bewoners van een verpleeghuis pas dagen na hun overlijden werden aangetroffen? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat het?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bevindingen van de IGJ in deze zaak en over eventuele maatregelen die naar aanleiding hiervan zijn of worden genomen?
Het bericht ‘Onderzoeksraad: 7000 kinderen in asielnoodopvang structureel verwaarloosd’ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoeksraad: 7000 kinderen in de asielnoodopvang structureel verwaarloosd?»1
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar dat kinderen in Nederland mogelijk permanente schade oplopen door een tekort aan opvangplekken? Zo nee, wat gaat u op korte termijn doen om dit te voorkomen?
Wat vindt u ervan dat Nederland zich niet houdt aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Kunt u toelichten binnen welke termijn kinderen uit de noodopvang kunnen worden gehaald en kunnen worden geplaatst in reguliere opvang bestemd voor kinderen? Welk doel stelt u uzelf om dit voor elkaar te krijgen?
Wat is er in de afgelopen twee jaar, sinds voorzitter van het Kinderrechtencollectief Marc Dullaert aan de bel trok, gebeurd om kinderen uit de noodopvang te krijgen?
Hoe staat het met de uitvoering van aangenomen motie Westerveld om geen nieuwe kinderen meer te plaatsen op (crisis)noodopvangplekken (Kamerstuk 19 637, nr. 3513)?
Kunt u toezeggen dat er op korte termijn een overzicht wordt gemaakt van alle onveilige plekken in noodopvanglocaties en deze worden verholpen om de veiligheidssituatie voor kinderen te verbeteren? Zo ja, binnen welke termijn wordt dit opgepakt?
Kunt u toezeggen het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid ook te betrekken bij de gesprekken met gemeenten die onder bestuurlijk toezicht staan om de noodzaak van het realiseren van reguliere opvang voor kinderen te benadrukken en hen expliciet te vragen om opvang voor kinderen en gezinnen te realiseren?
Kunt u aangeven wat de voortgang is van de uitvoering van de motie Podt over psychosociale ondersteuning voor kinderen in de noodopvang (Kamerstuk 19 637, nr. 2486)? Waarom is dit programma nog niet uitgerold en binnen welke termijn verwacht u dit alsnog te kunnen doen?
Kunt u toelichten hoeveel kinderen in de noodopvang op dit moment geen toegang hebben tot onderwijs? Kunt u toezeggen dat deze kinderen alsnog een vorm van (tussentijds) onderwijs krijgen om te voorkomen dat zij een achterstand oplopen?
Kunt u reageren op elk van de aanbevelingen uit het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, waarbij u in ieder geval aangeeft hoe u opvolging geeft aan de aanbevelingen?
Kunt u reflecteren op de constatering van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat er «robuust bestuur» nodig is om de veiligheid in de noodopvang te herstellen? Hoe bent u voornemens hier gehoor aan te geven?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het volgende debat over vreemdelingen- en asielbeleid?
Twee meisjes die kerkasiel aanvragen en zeggen bang te zijn voor hun vader en de jeugdzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meisjes van 11 en 14 vragen kerkasiel aan «omdat we bang zijn voor onze vader en de jeugdzorg»» van Trouw van 20 september 2026?1
Wat vindt u ervan dat twee meisjes van 11 en 14 jaar weglopen, zeggen bang te zijn voor hun vader én de jeugdzorg, om kerkasiel vragen en vervolgens weer bij hun vader terechtkomen?
Wie heeft in deze zaak vastgesteld dat het voor deze meisjes veilig was om terug te keren naar hun vader en op basis waarvan is dat vastgesteld?
Deelt u de mening dat wanneer kinderen van 11 en 14 jaar weglopen en aangeven bang te zijn voor de ouder bij wie zij verblijven, dit een zeer serieus veiligheidssignaal is dat zorgvuldig moet worden onderzocht voordat zij worden teruggebracht? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat kinderen vrijuit hun verhaal kunnen doen wanneer zij aangeven óók bang te zijn voor de jeugdbescherming die bij hun situatie betrokken is? Wie komt er in zo’n situatie onafhankelijk voor deze kinderen op?
Kunt u aangeven in hoeveel gevallen SAVE de afgelopen vijf jaar betrokken is geweest bij situaties waarin een kind bij een ouder verbleef of werd geplaatst terwijl het kind nadrukkelijk aangaf daar niet te willen verblijven of geen contact met die ouder te willen? Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Klopt het dat SAVE bij ouder-kindcontactproblemen gebruik heeft gemaakt van kennis of expertise van professionals die werken vanuit ideeën over ouderverstoting? Zo ja, welke rol speelt deze kennis binnen de huidige werkwijze van SAVE en op welke wetenschappelijke onderbouwing is deze werkwijze gebaseerd?
Hoe wordt voorkomen dat signalen van mishandeling, misbruik of andere onveiligheid ten onrechte worden gezien als beïnvloeding door de andere ouder, met het risico dat een kind terechtkomt bij een ouder voor wie het zegt bang te zijn?
Hoe beoordeelt u deze nieuwe signalen in samenhang met de eerdere problemen rond SAVE, waaronder de plaatsingen van Nederlandse kinderen in Spanje waarbij de vereiste procedure niet in alle gevallen is gevolgd? Ziet u aanleiding om, naast het reeds aangekondigde onderzoek naar de buitenlandse plaatsingen, ook breder naar de werkwijze van SAVE te kijken?
Bent u bereid bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aandacht te vragen voor deze signalen en te bezien of nader toezicht op de werkwijze van SAVE nodig is, in het bijzonder waar het gaat om veiligheidssignalen en het horen van kinderen? Wilt u de Kamer hierover informeren?
Het bericht 'RIVM: tien nieuwe patiënten gemeld met het westnijlvirus' |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «RIVM: tien nieuwe patiënten gemeld met het westnijlvirus» van RTL Nieuws?1
Hoeveel besmettingen zijn er dit jaar in Nederland vastgesteld, uitgesplitst naar regio, leeftijd en ernst van ziektebeeld?
Is er reden om aan te nemen dat de infectie met het westnijlvirus heeft bijgedragen aan het overlijden van de patiënt die onlangs is overleden en geïnfecteerd is geraakt door het ontvangen van een besmet bloedproduct?
Zijn er naar aanleiding van dit overlijden extra maatregelen genomen om de veiligheid van bloedproducten te garanderen? Indien ja, welke?
Beschouwt u het stijgend aantal infecties met het westnijlvirus bij patiënten als een tijdelijk incident, of beschouwt u dit als een structurele vestiging van het westnijlvirus in Nederland?
Overweegt u een publiekscampagne op te zetten om mensen zo goed als redelijkerwijs mogelijk te informeren over wat mensen zelf kunnen doen om besmetting te voorkomen?
Welke (andere) maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat mensen in Nederland niet besmet raken met het westnijlvirus?
Is onze zorgketen voldoende in staat om symptomen te herkennen bij mensen die geïnfecteerd zijn met het westnijlvirus, en deze patiënten vervolgens te behandelen?
Ziet u raakvlakken met andere infectieziekten die potentieel overgedragen kunnen worden door muggen, en het risico dat deze infectieziekten zich structureel vestigen in Nederland? Zo ja, welke risico's brengen deze ziekten met zich mee en welke maatregelen neemt u om hier adequaat op voorbereid te zijn?
Wat kan Nederland leren van hoe het Caribisch deel van het Koninkrijk, maar ook andere (Europese) landen omgaan met de aanwezigheid en de dreigingen van het westnijlvirus of andere infectieziekten – aangezien het westnijlvirus relatief nieuw is in Europees Nederland, maar in andere (Europese) landen structureel is gevestigd?
Hoe haalt u best practices op uit andere landen die Nederland zouden kunnen helpen bij het bestrijden van het westnijlvirus?
Kunt u toezeggen de Kamer periodiek te informeren over de ontwikkelingen van het westnijlvirus en andere infectieziekten die door muggen of andere dieren worden overgedragen in Nederland, bijvoorbeeld via bestaande structurele rapportages?
Kwetsbare ouderen die maandenlang zonder verwarming zitten |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners bejaardenflat in de kou: zieke Jan (71) ligt elke nacht rillend in zijn bed»?1
Wat vindt u ervan dat bewoners van een seniorencomplex, onder wie zieke en slecht ter been zijnde ouderen, al maanden zonder werkende collectieve verwarming zitten en inmiddels aangeven daadwerkelijk kou te lijden?
Vindt u het vanuit het oogpunt van goede en veilige ouderenzorg verantwoord dat een 71-jarige man met de ziekte van Parkinson naar eigen zeggen ’s nachts rillend in bed ligt en uit bed moet om warm te worden? Zo ja, waarom?
Hoe verhoudt deze situatie zich volgens u tot het kabinetsbeleid om ouderen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen in een passende en veilige woonomgeving?
Vindt u dat bij langdurige uitval van een essentiële voorziening als verwarming in een seniorencomplex actief moet worden nagegaan welke bewoners vanwege ouderdom, ziekte of beperkte mobiliteit extra kwetsbaar zijn en onmiddellijk ondersteuning of een passende noodvoorziening nodig hebben?
Wat vindt u ervan dat bewoners volgens het artikel voor een elektrische noodkachel werden verwezen naar een vestiging van woningcorporatie Ymere in Weesp, ruim twintig kilometer verderop, terwijl het onder andere gaat om zieke en slecht ter been zijnde ouderen?
Vindt u het aanvaardbaar dat kwetsbare ouderen zelf achter een noodkachel moeten aangaan en vervolgens ook de extra elektriciteitskosten daarvan moeten dragen wanneer de collectieve verwarming langdurig buiten gebruik is?
Bent u bereid vanuit uw verantwoordelijkheid voor ouderenzorg en ouderenhuisvesting met uw collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te bezien wat in deze concrete situatie nodig is om te voorkomen dat kwetsbare ouderen in de kou blijven zitten?
Zijn er momenteel landelijke waarborgen die ervoor zorgen dat bij langdurige uitval van essentiële voorzieningen in seniorencomplexen kwetsbare bewoners tijdig in beeld komen en daadwerkelijk een bruikbare noodvoorziening krijgen? Zo ja, welke? Zo nee, acht u aanvullende afspraken noodzakelijk?
Hoe beoordeelt u het bericht «Vier ziekenhuizen en elf ggz-locaties in gebied met hoog risico op natuurbrand» van Skipr, en het onderliggende onderzoek «189 gebouwen met kwetsbare mensen in gebieden met hoog natuurbrandrisico» door Pointer (KRO-NRCV)?1 2
Liggen er voor elk van deze locaties noodscenario’s klaar die ook uitvoerbaar zijn als een natuurbrand zich snel uitbreidt en er weinig tijd is om kwetsbare mensen zoals patiënten/cliënten/leerlingen te evacueren?
Zijn er voor elk van deze locaties uitwijklocaties aangewezen en is daar in de regio genoeg plek en vervoer voor?
Welke maatregelen zijn getroffen om deze locaties in gebieden met hoog risico op natuurbrand ook te beschermen tegen een brand van buitenaf?
Klopt het dat de brandweer voor bescherming van deze locaties tegen brand van buitenaf alleen kan adviseren en geen maatregelen kan afdwingen zoals ze dat wel kan voor brandveiligheid binnen in de gebouwen? Zo ja, hoe beoordeelt u die situatie en bent u voornemens daar iets aan te doen?
Hoe neemt u het risico op natuurbranden in de buurt van zorginstellingen mee in de plannen rond het weerbaarder maken van de zorg?
De toegankelijkheid van mondzorg voor ouderen |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de vraag naar mondzorg zal toenemen door de dubbele vergrijzing?1
Welke maatregelen overweegt u om zorgmijden voor mondzorg specifiek onder ouderen terug te dringen? Hoe wilt u de tandarts toegankelijker maken voor wie minder mobiel, minder zelfredzaam of dementerend is?
Kunt u de Kamer inzicht verschaffen in de kwaliteit van de mondzorg in verpleeghuizen? Hoe wordt de kwaliteit hiervan gegarandeerd? Zijn er meldingen bekend van mensen die in het verpleeghuis onvoldoende mondzorg ontvangen?
In welke mate informeert de overheid samen met relevante gezondheidspartners ouderen over het belang van goede mondzorg voor de overige gezondheid?
Wat is (voor het meest recente jaar waarvoor u gegevens kunt aanleveren) het totaalbedrag aan zorgkosten die vermeden hadden kunnen worden door het meer vroegtijdig signaleren van ziektes indien alle ouderen effectief minstens 1 keer per jaar naar de tandarts zouden gaan?
Welke mate van afstemming gebeurt er tussen verschillende partijen zoals de verpleegkundigen, thuiszorg en huisartsen om ouderen te blijven wijzen op het belang van goede mondzorg? Is dat volgens u voldoende of zou er meer afstemming moeten plaatsvinden?
Welk beleid voert u om ervoor te zorgen dat er ook op de lange termijn (in 2035 en 2045) voldoende tandzorgaanbod is zodat tandzorg voor alle mensen in Nederland toegankelijk en betaalbaar zal zijn?
Bent u het eens met de stelling uit het Capaciteitsplan dat er een jaarlijkse instroom van 386 studenten nodig is om vraag en aanbod op termijn serieus in evenwicht te brengen? Indien ja, zal u met uw collega van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in gesprek gaan om de numerus fixus naar dit aantal op te trekken?
Indien u zich niet herkent in de stelling uit het Capaciteitsplan, welk aantal opleidingsplaatsen is er dan volgens u wel nodig om de toegankelijkheid van de mondzorg te blijven garanderen? Waarop precies baseert u dat aantal?
De toegankelijkheid van mondzorg in de regio |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat steeds meer Groningers zonder tandarts vallen?1
Herkent u de vaststelling dat er grote regionale verschillen zijn in de tandzorg, waarbij de vergrijzing juist relatief sterker is in regio’s met gemiddeld minder tandartsen?
Kunt u per provincie een overzicht bieden van het aantal mensen dat bij een tandarts op de wachtlijst staat? Kunt u daarbij ook een onderscheid maken tussen het aantal mensen op de wachtlijst in de stedelijke centra versus het aantal mensen op een wachtlijst in landelijke gebieden, als aandeel van het totaal aantal inwoners van de betreffende regio?
Kunt u inzicht bieden in de geografische spreiding van de leeftijdspyramide van tandartsen? In welke regio’s verwacht u dat er de komende jaren een groter tekort aan mondzorgaanbod zal zijn doordat relatief meer tandartsen op pensioen gaan?
Welke maatregelen overweegt u om ook in de regio’s verder weg van de opleidingssteden voldoende mondzorgaanbod beschikbaar te houden?
Gaat u met uw collega-bewindspersoon van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in gesprek om de regionale spreiding van opleidingsplaatsen voor tandarts te bespreken? Deelt u de mening dat meer opleidingsplaatsen in regio’s met grotere tandartstekorten kunnen bijdragen aan het verminderen van dat regionaal tekort?
Een 69-jarige vrouw die dagenlang overleden in een verpleeghuis lag |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Esther (69) ligt dagen dood in verpleeghuis: niemand gaat bij haar kijken» en wat is uw reactie hierop?1
Hoe kan het dat zorgmedewerkers twaalf dagen achter elkaar in het dossier noteerden dat deze kwetsbare bewoonster niet was gezien, zonder dat dit kennelijk aanleiding was om bij haar te gaan kijken?
Klopt het dat met mevrouw was afgesproken dat zij dagelijks ten minste twee contactmomenten met de zorg zou hebben, haar medicatie zou ophalen en eten zou krijgen? Zo ja, waarom is het uitblijven van deze momenten niet als alarmsignaal opgepakt?
Welke professionele normen gelden wanneer een kwetsbare verpleeghuisbewoner herhaaldelijk niet verschijnt voor afgesproken zorg- of medicatiemomenten? Op welk moment moet een zorginstelling controleren of een bewoner veilig is?
Hoe beoordeelt u dat uiteindelijk pas actie werd ondernomen nadat een vreemde geur werd waargenomen en dat de lijkschouwer vervolgens vaststelde dat mevrouw mogelijk vijf tot twaalf dagen overleden was?
Hoe kan het dat ook de dagelijkse schoonmaak kennelijk langere tijd niet heeft plaatsgevonden zonder dat dit binnen de zorgorganisatie werd gesignaleerd? Wie was eindverantwoordelijk voor het bewaken van het welzijn en de veiligheid van deze bewoonster?
Rivas Zorggroep heeft de gebeurtenis bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gemeld. Is deze melding aangemerkt als calamiteit in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)? Wanneer is de melding gedaan en wanneer is de IGJ geïnformeerd?
Is het onderzoek naar het overlijden geleid door een externe onafhankelijke voorzitter en zijn de nabestaanden door de IGJ benaderd, zoals bij een calamiteit met overlijden in de verpleeghuiszorg is voorgeschreven?
Heeft de IGJ het onderzoek van Rivas inmiddels beoordeeld? Wat zijn de conclusies over het uitblijven van zorg, de gemiste medicatie- en contactmomenten, de overdracht tussen diensten en het toezicht binnen de instelling, en welke verbetermaatregelen zijn getroffen?
Vindt u het aanvaardbaar dat een zorgorganisatie zich volgens het bericht beroept op het feit dat mevrouw zorg meed, terwijl medewerkers twaalf dagen lang zelf registreerden dat zij niet was gezien? Hoe verhoudt eigen regie of zorgmijding zich volgens u tot de zorgplicht voor een kwetsbare bewoner aan wie dagelijkse zorg is afgesproken?
Welke concrete maatregelen neemt u naar aanleiding van deze casus om te voorkomen dat een kwetsbare bewoner opnieuw dagenlang buiten beeld kan verdwijnen terwijl medewerkers dit herhaaldelijk registreren, zonder dat iemand daadwerkelijk gaat kijken?
Kunt u inzicht geven in het aantal Oekraïners met opleiding tot en/of ervaring als zorgprofessional die naar Nederland gekomen zijn sinds de Russische invasie?
Hoeveel van deze Oekraïense artsen en ander zorgpersoneel werken nu in de zorg in Nederland?
Hoeveel van deze mensen kunnen niet in de zorg werken bij gebrek aan erkenning van hun buitenlands diploma?
Bent u van mening dat Oekraïense zorgprofessionals zouden kunnen bijdragen aan het gedeeltelijk dichten van het personeelstekort in de zorg? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de concrete obstakels in de erkenning van diploma’s voor Oekraïens zorgpersoneel?
Bent u bereid deze obstakels weg te nemen en ervoor te zorgen dat Oekraïense zorgverleners wel in de zorg kunnen werken?
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden om de erkenning van diploma’s van Oekraïens zorgpersoneel te versnellen, zonder in te boeten op de kwaliteit van de zorg, om zo het personeelstekort tegen te gaan en deze mensen perspectief te bieden op een baan die recht doet aan hun vaardigheden?
In welke mate worden Oekraïense zorgverleners begeleid bij de erkenning van hun diploma en het traject naar passend werk binnen hun expertise? Welke bijkomende stappen kunnen hierop gezet worden?
Wat kunnen we van andere Europese lidstaten zoals bijvoorbeeld Duitsland leren bij het sneller inschakelen van artsen en ander zorgpersoneel van buiten de EU?
Hoeveel Oekraïense psychologen zijn op dit moment onderdeel van het initiatief om Oekraïense psychologen in te zetten voor psychosociale ondersteuning, zoals hulp aan kinderen en volwassenen met (oorlogs)trauma’s?
Is het mogelijk om met een gelijksoortige methodiek andere Oekraïense zorgverleners in Nederland aan het werk te zetten?
De wachttijden in de genderzorg |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Genderzorg kan vraag niet aan, transmensen beginnen soms zelf al met hormonen»?1
Wat zijn momenteel de gemiddelde wachttijden voor genderzorg? Kunt u dit uitsplitsen per zorgaanbieder?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen sinds uw ambtsvoorganger in 2020 erkende dat mensen hun toevlucht tot zelfmedicatie nemen?2
Hoe reflecteert u op het feit dat al jarenlang aan de bel wordt getrokken over de druk op de genderzorg en de wachttijden, maar de wachttijden alleen maar verder op lijken te lopen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voldoen aan de afspraken uit het Regenboogakkoord, in het bijzonder op de afspraken over transrechten en transzorg?
Deelt u de mening dat het onvoldoende is om mensen te waarschuwen voor de risico’s van zelfmedicatie wanneer zij vervolgens jarenlang op passende zorg moeten wachten? Welke concrete mogelijkheden zijn er voor mensen die nu hulp nodig hebben en voor wie de wachttijd niet overbrugbaar is?
Bent u bereid om met zorgverleners, patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars afspraken te maken over laagdrempelige medische begeleiding voor mensen die al zelfstandig hormonen gebruiken, waaronder beoordeling van gezondheidsrisico’s, noodzakelijke controles en toegang tot specialistisch advies?
Hoe reflecteert u op de uitspraak in het artikel dat de huisarts niet is toegerust op het voortraject van hormoonbehandeling, zeker gelet op de aangenomen motie-Ellemeet c.s.3 over een grotere rol van huisartsen bij hormoontherapie en nazorg? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen onbegeleid gebruik, begeleiding door een geschoolde huisarts in samenwerking met specialisten en zorg waarvoor een gespecialiseerd multidisciplinair team noodzakelijk is?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen om uitvoering te geven aan de aangenomen-motie Ellemeet c.s. over een grotere rol van huisartsen?4 Hoeveel huisartsen zijn inmiddels geschoold? Welke belemmeringen ervaren huisartsen in de praktijk?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen naar aanleiding van de aangenomen motie-Simons c.s.5 over het verplaatsen van transzorg van de derde naar de tweedelijnszorg? Welke diagnostiek en behandelingen zijn inmiddels buiten de universitaire centra beschikbaar, hoeveel extra mensen worden daardoor geholpen en welke knelpunten zijn er voor eventuele verdere uitbreiding?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat alternatieve zorgroutes bekend zijn bij mensen en daadwerkelijk toegankelijk zijn? Worden mensen actief geïnformeerd over passende mogelijkheden bij andere aanbieders en over ondersteuning tijdens het wachten? Deelt u de mening dat zulke ondersteuning noodzakelijk kan zijn, maar wachttijden van vier à vijf jaar het niet overbrugbaar of aanvaardbaar maakt?
Wat hebben zorgverzekeraars en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) concreet gedaan om tijdige toegang tot transzorg te waarborgen? Kunt u inzicht geven in de resultaten van zorgbemiddeling, eventuele onvoldoende inkoop van beschikbare capaciteit en maatregelen bij tekortschietende naleving van de zorgplicht?
Eerder gaf uw ambtsvoorganger aan dat er geen landelijke cijfers zijn over wachttijden in de gemeentelijk gefinancierde genderzorg, zijn deze cijfers inmiddels wel beschikbaar? Zo nee, hoe kunt u zonder dit inzicht beoordelen of de huidige aanpak werkt? Bent u bereid dit alsnog in kaart te laten brengen?6
Wat is de huidige stand van zaken wat betreft de werkagenda van het Landelijk Platform Transgenderzorg? Over welke (financiële) middelen beschikt het platform?
Hoe reageert u op de vaststelling van de Gezondheidsraad dat de wachtlijstproblematiek in strijd is met het recht op gezondheid en ook het recht van kinderen op gezondheid en ontwikkeling kan schaden? Welke verantwoordelijkheid ziet u voor uzelf hierin?
Hoe voorkomt u dat jongeren tijdens het wachten de mogelijkheid op tijdige behandeling verliezen of bij hun achttiende verjaardag opnieuw achteraan moeten aansluiten? Bent u bereid met gemeenten, verzekeraars en aanbieders afspraken te maken over behoud van wachttijd, overdracht en continuïteit van begeleiding en behandeling?
Welke ondersteuning is tijdens het wachten beschikbaar voor mensen bij wie de psychische gezondheid verslechtert? Hoe wordt geborgd dat noodzakelijke psychologische hulp en crisiszorg toegankelijk zijn, ook wanneer iemand nog geen diagnostisch traject heeft doorlopen?
Hoe wordt tijdens het wachten op genderzorg actief gesignaleerd of iemand suïcidale gedachten ontwikkelt of dat bestaande klachten verergeren? Wie draagt verantwoordelijkheid voor het onderhouden van contact en het organiseren van passende hulp, ook wanneer iemand nog geen intake bij een gendercentrum heeft gehad? Bent u bereid hierover landelijke afspraken te maken, inclusief een duidelijk aanspreekpunt voor wachtenden en hun naasten?
Hoe voorkomt u dat mensen met suïcidale gedachten tussen de reguliere ggz en de genderzorg worden verwezen zonder dat een van beide daadwerkelijk hulp biedt? Welke afspraken bestaan over gelijktijdige behandeling van psychische klachten en gendergerelateerde zorgvragen, zodat suïcidaliteit niet automatisch leidt tot verdere vertraging van passende genderzorg? Hoe wordt daarbij een individuele beoordeling van veiligheid en zorgbehoefte gewaarborgd?
Welke concrete acties binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie 2026–2030 zijn gericht op transgender en non-binaire personen, waaronder mensen die wachten op zorg? Welke middelen, verantwoordelijke partijen en meetbare doelen zijn hieraan verbonden? Hoe worden 113 Zelfmoordpreventie, zorgverleners en ervaringsdeskundigen bij de uitvoering betrokken?
Hoe waarborgt u bij de uitvoering van de Wet integrale suïcidepreventie dat gemeenten aandacht besteden aan transgender en non-binaire inwoners? Welke ondersteuning krijgen gemeenten en scholen om discriminatie, pesten en sociale uitsluiting tegen te gaan, signalen van suïcidaliteit te herkennen en mensen naar passende hulp te begeleiden? Hoe zorgt u voor samenhang tussen zorg, onderwijs en emancipatiebeleid?
Welke wachttijd voor genderzorg acht u maximaal aanvaardbaar? Op welk moment concludeert u dat de inspanningen van zorgverzekeraars, het Landelijk Platform Transgenderzorg en gemeenten onvoldoende resultaat opleveren en dat u zelf moet ingrijpen? Welke concrete maatregelen bent u bereid op dat moment te nemen?
Nederlandse jongeren in buitenlandse jeugdhulp |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Nieuwsuur/NOS van 16 september 2026 over Nederlandse jongeren die in buitenlandse jeugdzorginstellingen verblijven en met de daarin beschreven signalen over onder meer vrijheidsbeperking, fixatie, het ontbreken van onderwijs en het verrichten van zwaar en onbetaald werk?1
Hoeveel Nederlandse jeugdigen verblijven op dit moment in het buitenland in het kader van jeugdhulp? Kunt u dit uitsplitsen naar land, aanbieder, duur van de plaatsing en vrijwillig of gedwongen kader? Indien u deze aantallen niet kunt geven, hoe kan de Nederlandse overheid dan controleren of deze kinderen veilig zijn en passende jeugdhulp ontvangen?2 3
Hoe verklaart u dat volgens Nieuwsuur de laatste telling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uit 2007 dateert, toen 330 jongeren in het buitenland verbleven, en er bijna twintig jaar later geen actueel totaaloverzicht bestaat van Nederlandse jeugdigen die voor jeugdhulp in het buitenland verblijven?4 5
Klopt het dat de IGJ al in 2009 intern waarschuwde voor risico’s van jeugdhulp in het buitenland en in 2019 alle gemeenten hiervoor heeft gewaarschuwd? Wanneer is uw ministerie voor het eerst over deze problematiek op de hoogte gebracht en waarom is de Kamer hierover destijds niet geïnformeerd?6 7 8
Hoe verklaart u dat de IGJ aangeeft dat de situatie sinds deze waarschuwingen niet wezenlijk is veranderd? Welke concrete maatregelen zijn tussen 2009 en heden genomen naar aanleiding van deze waarschuwingen en waarom hebben deze kennelijk onvoldoende resultaat gehad?9 10
Hoeveel meldingen of signalen heeft de IGJ de afgelopen tien jaar ontvangen over Nederlandse jeugdigen in buitenlandse jeugdhulp waarbij sprake was van vrijheidsbeperking, fixatie, het ontbreken van onderwijs, onbetaald of zwaar werk, geweld, verwaarlozing of andere mogelijke onveilige situaties? Kunt u aangeven wat met deze meldingen is gedaan?11
Klopt het dat vrijheidsbeperkende maatregelen zoals het fixeren van jongeren en het niet mogen verlaten van een terrein in deze vormen van jeugdhulp niet zijn toegestaan? Zo ja, welke actie wordt ondernomen zodra aanwijzingen bestaan dat een Nederlands kind in het buitenland aan dergelijke maatregelen wordt onderworpen?12
Hoe wordt bij een melding over mogelijke onveiligheid vastgesteld dat een jeugdige daadwerkelijk veilig is wanneer de IGJ zelf geen toezicht kan uitoefenen op een buitenlandse locatie? Wie gaat fysiek naar het kind toe en wie draagt uiteindelijk de verantwoordelijkheid wanneer niemand dat doet?13 14
Hoe beoordeelt u dat toezicht op Nederlandse jeugdigen in het buitenland volgens Nieuwsuur in de praktijk mede via beeldbellen plaatsvindt? Hoe kan worden gegarandeerd dat een jeugdige tijdens zo’n gesprek vrijuit kan spreken en dat buiten beeld geen medewerker van de aanbieder aanwezig is of invloed uitoefent?15 16
Hoeveel Nederlandse jeugdigen verblijven momenteel voor jeugdhulp in Marokko? Welke Nederlandse of Marokkaanse instantie houdt daar daadwerkelijk toezicht op de kwaliteit van de hulp en de veiligheid van de jeugdige, en hoe vaak vindt fysiek toezicht op locatie plaats?17 18
Hoe beoordeelt u de in het artikel beschreven werkwijze waarbij het feit dat jongeren de taal niet spreken en het land niet kennen als onderdeel of meerwaarde van het traject wordt gezien? Hoe wordt voorkomen dat een jeugdige hierdoor volledig afhankelijk wordt van de aanbieder en feitelijk geïsoleerd raakt?19 20
Herinnert u zich de op 10 februari 2026 unaniem aangenomen motie-Moinat c.s. (Kamerstuk 36 800-XVI, nr. 56), waarin de regering wordt verzocht jeugdigen in beginsel in Nederland te plaatsen en buitenlandse plaatsing alleen toe te staan wanneer deze in het belang van het kind is, geen passend alternatief in Nederland beschikbaar is en de plaatsingsprocedure via de regels van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden en het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd verloopt?21
Hoeveel jeugdigen zijn sinds de aanneming van deze motie op 10 februari 2026 nieuw in het buitenland geplaatst? Kunt u per plaatsing aangeven in welk land dit was, waarom geen passend alternatief in Nederland beschikbaar was, hoe is vastgesteld dat de buitenlandse plaatsing in het belang van het kind was en of de voorgeschreven plaatsingsprocedure volledig is gevolgd?22 23 24
Kunt u garanderen dat alle buitenlandplaatsingen sinds 10 februari 2026 voldoen aan alle voorwaarden uit de aangenomen motie-Moinat c.s.? Zo nee, hoeveel plaatsingen voldeden daar niet aan en welke actie is daarop ondernomen?25
U heeft de Kamer recent laten weten dat het kabinet nog met betrokken partijen in overleg is om afspraken te maken over de uitvoering van de motie-Moinat c.s. en dat de Kamer hierover pas eind dit jaar nader wordt geïnformeerd. Waarom is ruim zeven maanden na de unanieme aanneming van deze motie nog steeds overleg nodig om ervoor te zorgen dat jeugdigen in beginsel in Nederland worden geplaatst?26 27
Bent u, gezien de ernst van de bevindingen van Nieuwsuur, bereid niet tot het einde van het jaar te wachten, maar de Kamer op korte termijn te informeren over de concrete uitvoering van de motie-Moinat c.s. en daarbij in ieder geval de aantallen en landen van alle buitenlandplaatsingen sinds 10 februari 2026 te verstrekken?28 29
Bent u bereid per direct een landelijke inventarisatie van alle Nederlandse jeugdigen in buitenlandse jeugdhulp uit te voeren en per jeugdige vast te stellen waar deze verblijft, op welke juridische grondslag, wie verantwoordelijk is voor de plaatsing, of de voorgeschreven procedure is gevolgd, of passend onderwijs wordt ontvangen en hoe de veiligheid en kwaliteit van de zorg daadwerkelijk worden gecontroleerd?30 31 32
Bent u bereid alle bestaande buitenlandplaatsingen waarbij de rechtmatigheid, veiligheid, het onderwijs, de kwaliteit van de jeugdhulp of het daadwerkelijke toezicht niet aantoonbaar kan worden gegarandeerd met spoed opnieuw te laten beoordelen en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?33 34 35
Deelt u de opvatting dat zolang Nederland niet weet hoeveel Nederlandse jeugdigen in buitenlandse jeugdhulp verblijven en de IGJ daar zelf geen toezicht kan uitoefenen, niet kan worden gegarandeerd dat ieder van deze kinderen veilig is? Zo nee, waarop baseert u die garantie?36 37 38
Hulpmiddelen en voorzieningen voor mensen met een beperking, in navolging op vragen uit 2024 en 2025 |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
In 2024 noemde uw ambtsvoorganger Minister Helder het in antwoord op onze Kamervragen1 «onacceptabel» dat mensen te lang moeten wachten op hulpmiddelen en in 2025 gaf uw ambtsvoorganger Staatssecretaris Maeijer aan dit «vreselijk»2 te vinden. Begrijpt u het dat mensen met een beperking en hun naasten, soms moedeloos worden als zij dit soort stevige termen horen, maar in hun leven, vrijheid, studie, werk en sociaal leven worden beperkt omdat precies dezelfde problemen niet worden opgelost?
In 2025 gaf u aan dat in het Landelijk normenkader hulpmiddelen is opgenomen dat de gemeente afspraken maakt over de wacht- en levertijden in de overeenkomsten met de leveranciers en daar ook op stuurt. Gebeurt dit in alle gemeenten? Wie controleert dit? Hoe weet u of de afspraken in het landelijk normenkader overal worden nagekomen?
U gaf ook aan dat de gemeente en/of de leverancier de cliënt proactief op de hoogte houdt van diens aanvraag en/of levering van het hulpmiddel, zodat deze informatie ook inzichtelijk is voor de cliënt zelf. Heeft u de indruk dat dit standaard gebeurt?
Hebben inmiddels alle gemeenten de convenanten die zijn voortgekomen uit de Verbeteragenda Hulpmiddelen ondertekend?
Kunt u aangeven welke stappen zijn gezet om de levering en beschikbaarheid van hulpmiddelen te verbeteren, ook gezien de verplichtingen die voorkomen uit het VN-Verdrag Handicap waaronder tenminste Artikel 9, 19, 20, 29 en 30?
In antwoord op vorige Kamervragen gaf u aan dat problemen ook voortkomen uit het niet beschikbaar zijn van onderdelen en een tekort aan monteurs. Hoe groot zijn de personeelstekorten nu, bij benadering, in fte’s? Wat heeft u sindsdien ondernomen? Heeft u afspraken gemaakt over het hanteren van een vaste reserve voor veel gebruikte onderdelen? Heeft uw ministerie gesprekken gevoerd met leveranciers en beroepsopleidingen om gezamenlijk te werken aan werving en het onder de aandacht brengen van opleidingstrajecten en omscholingsmodules? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Welke eisen worden gesteld aan de locatie en regionale spreiding van voorraden van veelgebruikte onderdelen en van werkplaatsen waar monteurs reparaties uitvoeren? Wordt bij de contractering en beoordeling van leveranciers meegewogen welke gevolgen de afstand tussen de gebruiker, de leverancier en de werkplaats heeft voor de reparatie- en levertijd? Zo nee, bent u bereid hierover landelijke minimumeisen of afspraken te maken?
Deelt u de mening, dat het in lijn met het VN-Verdrag Handicap onacceptabel is dat mensen die een hulpmiddel nodig hebben regelmatig te maken krijgen met ingewikkelde en lange aanvraagprocedures, meerdere loketten, herhaalde beoordelingen en onduidelijkheid over wie verantwoordelijk is? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om het aanvraag en beoordelingsproces te vereenvoudigen?
Is het wettelijk noodzakelijk dat, nadat een gespecialiseerde paramedicus de noodzaak en functionaliteit van een hulpmiddel heeft beoordeeld, daarnaast een medisch specialist het hulpmiddel beoordeelt en voorschrijft? Zo ja, op grond van welke bepaling? Zo nee, waarom komt dit in de praktijk toch voor?
Kan het voorkomen dat een patiënt voor hetzelfde hulpmiddel meerdere keren door een medisch specialist moet worden beoordeeld? Zo ja, in welke situaties is dit medisch noodzakelijk en in welke situaties vloeit dit voort uit administratieve of contractuele voorwaarden?
Welke ruimte hebben zorgverzekeraars, gemeenten en zorgkantoren om aanvullende eisen te stellen aan verwijzingen, voorschriften, indicaties en voorafgaande toestemming voor hulpmiddelen? Op welke wijze wordt getoetst of deze eisen proportioneel en doelmatig zijn?
Deelt u de mening dat een beoordeling die zonder medische noodzaak wordt herhaald geen passende zorg is, maar verspilling van patiënttijd, professionele capaciteit en collectieve zorgmiddelen?
Kunnen gespecialiseerde paramedici, zoals handtherapeuten, ergotherapeuten en fysiotherapeuten, binnen de huidige wettelijke kaders rechtstreeks bepaalde hulpmiddelen aanvragen of voorschrijven? Zo nee, welke juridische of contractuele belemmeringen staan dit in de weg?
Bent u bereid met zorgverzekeraars, beroepsgroepen, patiëntenorganisaties en hulpmiddelenleveranciers af te spreken dat reeds vastgelegde medische informatie en beoordelingen worden hergebruikt en niet opnieuw worden opgevraagd, tenzij daar een concrete medische reden voor bestaat? Wilt u bij deze uitwerking ook ervaringsdeskundigen en zorgprofessionals betrekken die zelf met ingewikkelde hulpmiddelenroutes te maken hebben gehad, zodat niet alleen de afzonderlijke regels, maar ook de stapeling daarvan wordt beoordeeld?
Bent u bereid te onderzoeken voor welke hulpmiddelen een verkorte aanvraagroute kan worden ingevoerd, waarbij een beoordeling door een aantoonbaar deskundige behandelaar voldoende is en herhaalde verwijzingen, consulten en beoordelingen achterwege kunnen blijven?
Bent u ten slotte bereid de Kamer concrete voorstellen te doen voor een maximale totale doorlooptijd en een verkorte aanvraagroute voor relatief eenvoudige of laag-risico hulpmiddelen?
Worden de totale kosten van hulpmiddelenroutes momenteel in beeld gebracht, inclusief consulten, verwijzingen, machtigingen, administratieve handelingen, reistijd, wachttijd en gezondheidsschade door uitstel? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Bent u bekend met het rapport van Significant uit 2024 «Implementatie Verbeteragenda Hulpmiddelen»3 waaruit onder meer bleek «dat het in ruim een kwart van de ondervraagde gemeenten niet lukt om een complexe hulpmiddelenaanvraag binnen de wettelijke maximum tijd van zes weken te beoordelen, en dat daarnaast een deel van de respondenten geen zicht heeft op de gemiddelde beoordelingstermijn.»? Heeft u er zicht op of deze en andere bevindingen uit het rapport inmiddels zijn verbeterd?
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke kaders gelden voor de wachttijd en de totale doorlooptijd van een hulpmiddelenaanvraag vanuit respectievelijk de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)? Welke bepalingen uit de Zvw, de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de Wmo en de onderliggende regelgeving zijn hierbij relevant?
Geldt voor de beoordeling, machtiging, aanmeting en levering van hulpmiddelen vanuit de Zorgverzekeringswet een concrete maximale wachttijd of doorlooptijd? Zo ja, welke termijn geldt per stap en voor de volledige procedure? Zo nee, hoe wordt dan bepaald wanneer iemand onaanvaardbaar lang wacht?
Vanaf welk moment wordt de wachttijd voor een hulpmiddel geregistreerd: vanaf de eerste hulpvraag, de eerste verwijzing, de indicatiestelling, de formele aanvraag bij de zorgverzekeraar, de goedkeuring van die aanvraag of de opdracht aan de leverancier?
Welke mogelijkheden heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om zorgverzekeraars aan te spreken wanneer ingewikkelde aanvraag- of machtigingsprocedures ertoe leiden dat verzekerden niet tijdig over een passend hulpmiddel kunnen beschikken?
Hoe vaak heeft de Nederlandse Zorgautoriteit in de afgelopen vijf jaar signalen ontvangen, onderzoek gedaan of handhavend opgetreden vanwege te lange aanvraag-, machtigings- of leveringstermijnen bij hulpmiddelenzorg?
Waar kan iemand terecht voor klachten of juridische hulp wanneer geen enkele afzonderlijke processtap buitensporig lang duurt, maar de opeenstapeling van verwijzingen, beoordelingen, machtigingen en wachttijden wel tot een onaanvaardbare totale doorlooptijd leidt?
Welke rechten hebben de gebruikers van een hulpmiddel als niet aan de gemaakte afspraken wordt voldaan? Beseft u dat zij hierdoor zowel lichamelijke gevolgen als (financiële) schade lijden omdat aanvraagprocedures al veel tijd en energie kosten en dit ook ten koste kan gaan van studie en werk? Deelt u de mening dat verbetering noodzakelijk is en bent u ook bereid de regie te pakken in een verbetertraject?
Het bericht ‘We zijn pa zélf maar gaan verschonen’; grote reorganisatie pakte dramatisch uit bij zorginstelling |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «We zijn pa zélf maar gaan verschonen»; grote reorganisatie pakte dramatisch uit bij zorginstelling?1
Wat is uw reactie op de beschreven situaties bij zorginstelling Valkenhof, waarbij bewoners met vergevorderde dementie onder meer geen hulp zouden hebben gekregen bij eten en drinken, in hun eigen ontlasting werden aangetroffen en vermoedelijk urenlang op de vloer hebben gelegen?
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is wanneer kwetsbare ouderen die volledig afhankelijk zijn van intensieve zorg niet de persoonlijke verzorging, voeding, medicatie en veiligheid krijgen waarop zij moeten kunnen rekenen?
Hoe beoordeelt u dat Valkenhof ervaren zzp'ers gedeeltelijk heeft vervangen door zogenoemde leefgroepondersteuners zonder zorgachtergrond, terwijl de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vervolgens constateerde dat deze medewerkers taken uitvoerden waarvoor wel degelijk scholing nodig was?
Welke eisen gelden voor zorginstellingen bij de inzet van medewerkers zonder zorgopleiding en hoe wordt voorkomen dat taken waarvoor professionele deskundigheid noodzakelijk is toch bij onvoldoende geschoolde medewerkers terechtkomen?
Hoe voorkomt u dat zorginstellingen vanuit de wens om personeelskosten terug te dringen de scheiding tussen welzijnstaken en professionele zorgtaken zodanig vormgeven dat de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor bewoners in het gedrang komen?
Wat vindt u ervan dat De Vlasgaard volgens het inspectierapport op zeven van de acht onderzochte kwaliteitsnormen onvoldoende scoorde en daarmee niet voldeed aan de basisnormen voor goede en veilige zorg?
Is u bekend dat de IGJ Valkenhof vier maanden de tijd heeft gegeven om de tekortkomingen te herstellen? Gaat de IGJ na afloop van deze termijn controleren of de tekortkomingen daadwerkelijk zijn opgelost en of de zorg voor bewoners inmiddels aantoonbaar veilig is? Zo ja, wanneer vindt deze controle plaats? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw reactie op de constatering van de IGJ dat incidenten onvoldoende werden geregistreerd en dat de medicatieveiligheid niet op orde was? Kunt u aangeven of deze tekortkomingen inmiddels volledig zijn hersteld?
Wat vindt u ervan dat familieleden naar eigen zeggen herhaaldelijk bij medewerkers, het management en uiteindelijk het zorgkantoor aan de bel hebben getrokken, maar zich niet serieus genomen voelden en niet direct verbetering zagen? Heeft het zorgkantoor in deze situatie naar uw oordeel voldoende en tijdig gehandeld?
Bent u bereid de Kamer na afloop van het verbetertraject te informeren over de bevindingen van de IGJ en duidelijk te maken of Valkenhof inmiddels weer volledig voldoet aan de normen voor goede en veilige zorg?
De Wereld Suïcide Preventie Week |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er elke dag gemiddeld vijf mensen in Nederland overlijden door zelfdoding, van wie gemiddeld de helft1 (ex-)werknemers?2
Op welke manier bevordert u het kabinetsbeleid inzake mentale gezondheid op het terrein van werk? Welke inzet pleegt u, als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangaande de Wet integrale suïcidepreventie? In hoeverre worden werkgevers, bedrijfsartsen, arbodiensten en preventiemedewerkers momenteel ondersteund bij het herkennen van signalen van suïcidaliteit en het voeren van het gesprek daarover? Acht u het bestaande aanbod voldoende?
In hoeverre maakt mentale gezondheid, met suïcidepreventie als onderdeel daarvan, al regulier onderdeel uit van goed werkgeverschap, bijvoorbeeld via gezondheids- en vitaliteitsbeleid en beleid gericht op duurzame inzetbaarheid? Bent u bereid hierover met de Sociaal-Economische Raad (SER) en de sociale partners in gesprek te gaan om meer aandacht te schenken aan suïcidepreventie en signalering op de werkvloer?
Zijn de economische gevolgen van uitval door psychische oorzaken uitgedrukt in euro’s en fte bekend?
Bent u bekend met het Jaarverslag 2025 van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin staat dat in 2024 twee slachtoffers door zelfdoding en één slachtoffer van een ongeval buiten de werksfeer als dodelijk arbeidsongeval zijn meegerekend, en dat zelfdodingen vanaf 2025 niet meer als arbeidsongeval worden aangemerkt, maar apart worden gerapporteerd?3 Kunt u aangeven waar en over wat er apart wordt gerapporteerd?
Worden deze gevallen, ook wanneer zij niet als arbeidsongeval worden aangemerkt, onderzocht op mogelijke arbeidsgerelateerde factoren of omstandigheden, zodat hieruit lessen kunnen worden getrokken voor de preventie van zelfdoding?
Bent u bereid om in samenwerking met de Arbeidsinspectie, sociale partners en 113 Zelfmoordpreventie, de relatie tussen werk, arbeidsomstandigheden en suïcide nader in kaart te brengen, zodat beter kan worden vastgesteld welke arbeidsgerelateerde factoren een rol spelen en waar preventieve maatregelen het meest effectief kunnen worden ingezet?
Zijn er verklaringen voor de regionale verschillen in suïcidecijfers?4 Acht u nader onderzoek naar de oorzaken voor deze verschillen wenselijk? Welke regio's vragen volgens u nadere aandacht, gezien de opmerkelijke verschillen (ook ten aanzien van het regionale suïcidepercentage specifiek voor tieners5)?