Bent u bekend met het NRC-artikel «Van drugs tot pijnstillers: met hun uitgebreide menukaart slaan WhatsApp-dealers een pijler weg onder het drugsbeleid»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat drugsdealers via WhatsApp en andere sociale media uitgebreide drugsmenu’s aanbieden waarin zowel softdrugs, harddrugs, designerdrugs als geneesmiddelen worden verkocht? Zo ja, hoe groot is voor zover bekend deze vorm van handel in Nederland?
Ik herken dit beeld. In Nederland verloopt de onlinehandel via sociale media platforms, het dark net en het openbare web. Onder jongvolwassen gebruikers blijken mobiele apps, zoals WhatsApp, Telegram of Snapchat een populair kanaal om contact te leggen met verkopers. De drugsmenu’s die op grote schaal verspreid worden via interpersoonlijke communicatiediensten door aanbieders, zijn al geruime tijd een bekende modus operandi.
Hoe groot deze vorm van handel is, is lastig te zeggen. Er is bij georganiseerde criminaliteit sprake van een «dark number» en daardoor is het sowieso lastig om een schatting van de totale omvang van de markt te maken. Daarnaast registreren OM en politie niet of een drugsdelict zich geheel in de fysieke wereld of (deels) online heeft afgespeeld, aangezien dit geen verschil maakt in de strafbaarheid van de handelingen.
In hoeverre deelt u de analyse dat de online verkoop via berichtendiensten het klassieke uitgangspunt van het Nederlandse drugsbeleid, de scheiding tussen soft- en harddrugsmarkten, in de praktijk ondermijnt?
Deze scheiding wordt onder andere gekenmerkt door het bestaan van coffeeshops waar mensen cannabis kunnen kopen zonder dat ze met Lijst I-producten in aanraking komen. Het Nederlandse beleid leidt tot een grotere scheiding van de markt van Lijst I- en Lijst II-middelen, maar uiteraard niet tot een volledige. Desondanks blijft er helaas sprake van een illegale (straat)markt die parallel aan de verkoop in coffeeshops plaatsvindt.
Volgens de Nationale Drug Monitor (NDM) koopt «het merendeel van de cannabisgebruikers die hun cannabis zelf kopen» in een coffeeshop. Aankoop via illegale verkooppunten, zoals thuisdealers en straatdealers komt onder de algemene bevolking minder voor. Het aantal coffeeshops is in Nederland sinds 2017 stabiel.2 Vooralsnog zijn er dus geen aanwijzingen dat er een (grootschalige) verschuiving plaatsvindt van mensen die hun cannabis bij coffeeshops kopen naar versleutelde berichtendiensten. Daarmee lijkt er op dit moment geen sprake van ondermijning van dit klassieke uitgangspunt van het Nederlandse beleid.
Welke mogelijkheden hebben politie en justitie momenteel om op te treden tegen dealers die via WhatsApp, Snapchat of andere berichtendiensten drugs aanbieden en bezorgen?
Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op dit soort strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan – indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat – communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
Er zijn op dit moment geen effectieve, schaalbare oplossingen om drugshandel tegen te gaan die één op één verloopt via end-to-end versleutelde berichtendiensten zoals WhatsApp of Signal. In Nederland zijn telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering;3 voor nummeronafhankelijke communicatiediensten, zoals WhatsApp of Signal, geldt deze verplichting niet. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De Digital Services Act (DSA) biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. WhatsApp is een hybride dienst, omdat de aangeboden functie «kanalen» kwalificeert als online platform, waardoor WhatsApp voor dat specifieke gedeelte onder de DSA valt. Echter, de functie voor privéberichten is uitdrukkelijk uitgezonderd, omdat deze niet voldoet aan de definitie van een online platform.
De situatie waarbij niemand toegang heeft tot de inhoud van communicatie behalve de gebruiker zelf en de personen waarmee deze communiceert, heeft uiteraard veel voordelen. Zo biedt het privacy. De keerzijde hiervan is uiteraard dat dit het de bestrijding van criminaliteit bemoeilijkt. Communicatie over strafbare feiten komt immers meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon in beslag kan worden genomen én kan worden gekraakt.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft uw Kamer op 29 augustus 2025 hierover geïnformeerd.4 Het is op dit moment nog moeilijk te zeggen wat de uitkomsten daarvan zullen zijn en of dit een oplossing gaat bieden voor het geschetste probleem.
Klopt het dat het verbod op reclame voor drugs in de praktijk online nauwelijks handhaafbaar is? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om online marketing van drugs effectiever te bestrijden?
Voor zover reclame voor drugs als illegale inhoud kwalificeert en is geplaatst op een tussenhandeldienst waarop de Digital Services Act (DSA) van toepassing is, kan daarvan melding worden gedaan bij de desbetreffende hostingdienst of het online platform. Een tussenhandeldienst is bijvoorbeeld een website of app waarop anderen op eigen initiatief content kunnen plaatsen. Denk aan websites of apps waarop gebruikers zelf video’s, afbeeldingen of reviews kunnen plaatsen of hun producten of diensten kunnen aanbieden. Hostingdiensten en online platforms zijn gehouden actie te ondernemen zodra zij op de hoogte zijn gebracht van de aanwezigheid van illegale inhoud op hun dienst.
Welke afspraken bestaan er momenteel met platforms en berichtendiensten zoals WhatsApp en Snapchat over het signaleren en verwijderen van accounts die drugs aanbieden?
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen platforms en berichtendiensten. Voor de handhaving van illegale inhoud op platforms, zoals reclame voor drugs, is de DSA van toepassing.
De DSA biedt echter geen uitkomst bij het tegengaan van illegale inhoud die één op één wordt verstuurd via nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (zoals WhatsApp of Signal); deze functie valt expliciet buiten de reikwijdte van de DSA. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of platforms en berichtendiensten een grotere verantwoordelijkheid kunnen krijgen bij het opsporen en verwijderen van drugshandel via hun diensten?
Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn uitgezonderd van de reikwijdte van de DSA. Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 4 worden eventuele technische mogelijkheden in Europees verband onderzocht. Of dit traject werkbare oplossingen zal opleveren om het geschetste probleem aan te pakken, is nog onduidelijk.
In de DSA zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten, zoals hostingdiensten en online platforms, geregeld. Via deze diensten kunnen gebruikers online teksten, afbeeldingen, video’s of andere content doorgeven, opslaan of openbaar maken. De DSA is een EU-verordening met maximumharmonisatie. Binnen haar toepassingsgebied bestaat geen ruimte voor lidstaten om aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden.5 Op nationaal niveau kunnen daarom geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Het kabinet zet in op een effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 wordt de DSA geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. De regels omtrent verantwoordelijkheden van online platforms zullen dan ook worden geëvalueerd en verdere aanscherping kan zo nodig worden overwogen. Mijn ministerie zal aan deze evaluatie actief bijdragen en ervaringen, zoals op dit thema, inbrengen.
Hoe beoordeelt u de signalen dat dealers naast drugs ook geneesmiddelen of nagemaakte medicijnen verkopen, waaronder mogelijk zeer gevaarlijke stoffen zoals nitazenen?
Deze signalen zijn zeer verontrustend. De problematiek van het online aanbod van illegale (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs heeft de expliciete aandacht van het kabinet. Inmiddels is breed bekend dat het OM onderzoek doet naar het verband tussen het online bestellen van (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs en sterfgevallen met betrekking tot de websites Funcaps.nl en Slaappillen.net. Om te komen tot een effectieve aanpak van deze problematiek heeft mijn ministerie samen met het Ministerie van VWS intensief overleg gevoerd met alle betrokken instanties die belast zijn met de opsporing en handhaving. Uw Kamer zal voor de zomer een brief ontvangen over deze problematiek.
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s van de nitazenen, zeer sterke synthetische opioïden. Er zijn inmiddels al meerdere nitazenen onder de Opiumwet gebracht na internationale risicobeoordelingen. Het gevaar is echter dat er steeds nieuwe nitazenen op de markt worden gebracht die nog niet onder de Opiumwet vallen. Om deze reden werkt het kabinet aan regelgeving waarbij de nitazenen als stofgroep worden toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Dat is mogelijk geworden met de wijziging van de Opiumwet van 1 juli 2025. Als een stofgroep wordt verboden zijn alle nieuwe varianten binnen die stofgroep automatisch verboden. Het kabinet streeft ernaar om de AMvB die de nitazenen als stofgroep toevoegt aan deze Opiumlijst IA toevoegt per 1 juli in werking te laten treden. Vanaf dat moment heeft de politie meer mogelijkheden om te handhaven op dit soort gevaarlijke synthetische opioïden.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren via sociale media laagdrempelig in contact komen met dealers die naast softdrugs ook harddrugs en farmaceutische middelen aanbieden?
Onder de DSA bestaan verschillende verplichtingen en maatregelen die beogen de toegang van jongeren tot illegale of anderszins schadelijke online content tegen te gaan. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft hierover recent richtsnoeren gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november 2025 over geïnformeerd.6 Aangewezen zeer grote online platforms (zogeheten Very Large Online Platforms – VLOPs) dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van BZK heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s van een digitale dienst in kaart te brengen.
Daarnaast is het van belang dat ouders en opvoeders al vroeg betrokken zijn bij de online activiteiten van hun kinderen, zodat kinderen mediawijs opgroeien en daarbij ondersteund kunnen worden. Daarom heeft het Ministerie van VWS in juni 2025 de richtlijn gezond schermgebruik voor ouders en opvoeders gelanceerd, met als doel ouders en opvoeders te ondersteunen bij het gezond opvoeden en opgroeien van kinderen online.
Het Ministerie van VWS financiert drugspreventieprogramma’s specifiek voor jongeren en sociale media. Deze richten zich vooral op voorlichting en schadebeperking. Dit is onderdeel van het preventiebeleid van het kabinet om middelengebruik bij jongeren te voorkomen, uit te stellen of te verminderen.
Acht u het huidige instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders toereikend genoeg om de combinatie van online marketing en offline drugshandel effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Het huidige wettelijke instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders is in mijn ogen toereikend genoeg als het gaat om illegale content op platforms en opsporing van offline drugshandel, maar als het gaat om handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten zie ik belemmeringen. De politie brengt altijd prioritering aan in de inzet van opsporingscapaciteit op basis van professionele inschattingen, dat geldt ook voor opsporing in het digitale domein. De politie doet in veel gevallen onderzoek naar criminele organisaties en niet naar online marketing van drugs. Door de verschuiving van offline criminaliteit naar online criminaliteit, verschuift ook de aandacht van de politie meer naar online criminaliteit. Zoals aangekondigd wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. De aanpak van online drugshandel is een van de diverse vormen van online criminaliteit die extra aandacht vragen. Daarnaast kan worden gedacht aan het delen van naaktbeelden van onwetende slachtoffers, het oplichten of afpersen van burgers en andere vormen van cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit die aandacht vragen van de opsporingsinstanties.
Voor wat betreft de bestrijding van criminaliteit die verloopt via grote berichtendiensten zoals Whatsapp en Signal verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4. Waar het gaat om de rol van platformen en het tegengaan van illegale online content, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7 waarin ik aangeef actief te zullen bijdragen aan de evaluatie van de DSA.
Deelt u de zorg dat de combinatie van online bestellen en snelle bezorging de toegankelijkheid van drugs vergroot en daarmee mogelijk ook het gebruik en verslavingsproblematiek doet toenemen, met name onder jongeren die actief zijn op deze platforms?
Ik deel die zorg. Zoals bij het antwoord op vraag 10 is beschreven, maakt het kabinet extra middelen vrij voor de aanpak van online drugshandel. Daarnaast zet het kabinet in op het denormaliseren en voorkomen van drugsgebruik.
Kun u onderzoeken of de huidige aanpak van online drugshandel en digitale marketing van drugs moet worden aangescherpt en de Kamer hierover informeren?
Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen. De investering in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs op platforms ten goede komen. De knelpunten in de online handhaving liggen over de hele linie onder andere in het gebruik van veelal versleutelde platforms of interpersoonlijke berichtendiensten, schaarste in capaciteit bij betrokken (opsporings)diensten en het bestaan van open grenzen. Voor het openbaar toegankelijke internet moet in de komende periode in de praktijk verder blijken hoe de Digital Services Act (DSA) uitwerkt, waarbij richting 2027 de werking wordt gemonitord en uiteindelijk geëvalueerd (zie ook het antwoord op vraag 7). Ik zal de Kamer nader informeren over de huidige aanpak van online drugshandel en de uitdagingen die daarmee samenhangen.
Voor de digitale marketing van drugs is het voor de handhaving van belang dat er meer waarborgen komen, waarmee er een zelfreinigend mechanisme vanuit de platforms zelf gecreëerd zou worden. Voor zover op Europees niveau wordt gezocht naar veilige en privacy-vriendelijke manieren om gericht toegang te verkrijgen tot versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Waakhond fileert Haagse ontkenning: ’Hamas had wel degelijk vinger in de pap bij hulporganisaties’ |
|
Annelotte Lammers (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van NGO Monitor, «Analysis: How the Dutch Government is Evading Accountability for its Humanitarian Assistance Funding»?1, 2
Ja.
Welke maatregelen heeft het kabinet genomen, gelet op het jaarverslag van 2016 van het Palestinian Centre for Human Rights (PCHR), dat datzelfde jaar Nederlandse overheidsfinanciering ontving en waarin werd gesteld dat in Gaza «internationale organisaties werden lastiggevallen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Hamas)», organisaties «vaak concessies deden om hun werk te kunnen voortzetten», een «verbod gold op onderzoeksactiviteiten zonder toestemming van het ministerie» en dossiers «zonder wettelijke grondslag werden gecontroleerd», om te voorkomen dat door Nederland gefinancierde organisaties concessies doen aan Hamas of afhankelijk worden van goedkeuring door Hamas-ministeries?
Het kabinet heeft reeds aan uw Kamer toegelicht (Kamerstukken 2026Z03619 en 2026Z03619) dat besluiten om bepaalde organisaties te financieren altijd zorgvuldig worden genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Vraagstukken over due dilligence worden ook meegenomen in beoordelingsmemoranda, bijvoorbeeld in de risicoanalyse en intergriteitsbeoordeling. Het beoordelingsmemorandum kan niet worden geaccordeerd zonder een geldige ORIA. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluaties en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het ministerie daartegenop. Organisaties waar Nederland mee samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties.
Het kabinet heeft daarnaast vertrouwen in de neutraliteit en onafhankelijkheid van het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke omstandigheden, zoals die als Gaza, waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingssamenwerking voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen op orde zijn; deze processen moeten ervoor moeten zorgen dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn.
Kunt u gedetailleerd beschrijven welke due diligence-procedures momenteel gelden om te waarborgen dat door de Nederlandse overheid gefinancierde projecten en NGO’s niet, direct of indirect, worden misbruikt door terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 2.
Is het kabinet, gelet op het rapport van NGO Monitor waarin wordt gewezen op infiltratie van Hamas in het Ministerie van Sociale Ontwikkeling (MoSD) in Gaza, bereid toekomstige financiering, inclusief via aangepaste contractvoorwaarden, afhankelijk te maken van het uitsluiten van het MoSD uit de uitvoering van projecten, waaronder het verstrekken van begunstigdenlijsten voor financiële steun? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 2 en 3
Was het kabinet ervan op de hoogte dat Oxfam Novib, lid van de door Nederland gefinancierde Dutch Relief Alliance (DRA), nog steeds samenwerkt met de Union of Agricultural Work Committees (UAWC), een organisatie waarvan Nederland de financiering eerder stopzette na een audit waaruit bleek dat 34 medewerkers banden hadden met de terroristische organisatie PFLP, waaronder 12 in leidinggevende posities, en dat Nederlands geld werd gebruikt voor salarissen van twee medewerkers die betrokken waren bij de moord op Rina Shnerb in 2019?
Ja, het kabinet is hiervan op de hoogte. Het staat Oxfam Novib vrij om samen te werken met andere organisaties.
Uw Kamer is in 2022 uitgebreid geïnformeerd over de uitkomsten en kabinetsreactie op extern onderzoek naar UAWC (Kamerstuk 23 432, nr. 486). Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat er financiële stromen bestaan tussen UAWC en de PFLP, en evenmin kon worden geconstateerd dat sprake is van een organisatorische eenheid tussen UAWC en PFLP, dan wel aansturing van UAWC door de PFLP. Daarnaast is er geen bewijs gevonden dat suggereert dat stafleden van UAWC of bestuursleden hun positie bij UAWC gebruikt hebben voor terroristische activiteiten of om terroristische activiteiten te steunen.
Acht het kabinet het acceptabel dat Oxfam Novib nog steeds samenwerkt met UAWC? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 5.
Indien het kabinet dit onacceptabel acht, welke gevolgen heeft dit voor de financiering van Oxfam Novib en voor organisaties binnen de Dutch Relief Alliance?
Zie antwoord op vraag 5 en 6.
Op 17 maart 2026 stelde u dat het kabinet vertrouwen heeft in de neutraliteit en onafhankelijkheid van partnerorganisaties, blijft u bij dit standpunt in het licht van de bovenstaande informatie? Zo ja, waarom?
Ja. Zie antwoord op vraag 2, 3, 5 en 6.
Bent u het, gelet op bovenstaande informatie, eens met de stelling dat het onjuist is dat «geen aanwijzingen bestaan dat Nederlandse of Europese middelen bij onbedoelde bestemmingen zijn terechtgekomen»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bereid alle steun aan organisaties waar Hamas direct of indirect zeggenschap over heeft of op enige andere wijze invloed uitoefent, op te schorten?
Dit is hier niet aan de orde. Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie d.d. 8 april aangaf dat het ontbreken van middelen op de begroting de doorslaggevende reden was om niet deel te nemen aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Ja, ik herinner mij het debat. Daarin heb ik onder andere aangeven dat er geen middelen zijn om aan de Europese tender voor een gezamenlijke inkoop van rekenkracht mee te doen. Daarnaast heb ik aangegeven positief te staan tegenover AI-infrastructuur die vanuit private middelen gefinancierd kan worden, zoals ook in het rapport-Wennink wordt aangegeven. Ook heb ik aangegeven dat ik daarom in gesprek blijf met de partijen die AI-infrastructuur initiatieven proberen te realiseren en over de randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn.
Klopt het dat in de beslisnota d.d. 23 maart bij de Kamerbrief «Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief» (Kamerstuk 26 643-1499) staat dat in de StafEZ van 10 maart 2026 is vastgesteld dat binnen de huidige begroting geen ruimte bestaat voor de vereiste financiële verplichtingen?
Ja.
Klopt het dat eerst is geconcludeerd dat er geen geld beschikbaar was, en dat pas daarna inhoudelijke argumenten, waaronder een verwijzing naar het rapport-Wennink, zijn gebruikt om dit besluit te onderbouwen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies uiteenzetten in welke volgorde de budgettaire en inhoudelijke afwegingen zijn gemaakt?
Nee. De conclusie dat er geen middelen beschikbaar waren, is niet los van de inhoudelijke afwegingen bereikt. In 2025 heeft Ecorys in opdracht van EZK de potentiële meerwaarde van een AI-gigafabriek onderzocht. Dit rapport schetst verschillende scenario’s en benoemt zowel kansen als onzekerheden en randvoorwaarden voor publieke betrokkenheid. Daarbij plaatst het rapport kanttekeningen bij de publieke meerwaarde en wijst het onder meer op de verhouding tussen training en inferentie, en de rol die marktpartijen zelf kunnen vervullen. Ook andere inzichten, waaronder het rapport-Wennink, geven aan dat substantiële private betrokkenheid bij de realisatie van dergelijke infrastructuur voor de hand ligt.
Parallel hieraan heeft EZK de budgettaire mogelijkheden verkend. Daaruit bleek dat er geen middelen beschikbaar waren. In samenhang hebben deze inhoudelijke bevindingen en de budgettaire beperkingen geleid tot het besluit om niet deel te nemen aan een gezamenlijke aanbesteding via EuroHPC.
Kan de Staatssecretaris alsnog de stukken openbaar maken die ten grondslag lagen aan het overleg in de StafEZ van 10 maart 2026, conform het eerder gedane informatieverzoek van de Kamer gedaan tijdens het commissiedebat Digitale infrastructuur en economie, waaronder memo’s, notities, berekeningen, scenario’s en de stukken waarmee de Staatssecretaris en de betrokken ambtenaren dat overleg zijn ingegaan? Indien volledige openbaarmaking niet mogelijk is, is de Staatssecretaris dan bereid om ten aanzien van het deel waarvan openbaring niet mogelijk is, deze stukken vertrouwelijk ter inzage te geven?
De belangrijkste basis voor de inhoudelijke afweging waren diverse gesprekken met consortia over hun plannen, de Europese EuroHPC regelgeving en het Ecorys-rapport, dat in opdracht van het Ministerie van EZK is opgesteld en op 19 december jl. met de Tweede Kamer is gedeeld. Ook andere inzichten, zoals het rapport-Wennink, dat ook openbaar is, zijn hierin meegenomen.
Herinnert u zich dat u zich zowel in het debat, als in de Kamerbrief betreft de Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief, beriep op het rapport-Wennink, en dat dat rapport volgens het kabinet geheel in lijn zou zijn met het standpunt van het kabinet om AI-gigafabrieken volledig door de markt te laten financieren?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nieuwe initiatieven [...] zijn (nog) niet volledig privaat te financieren door hoge opstartkosten en lange, onzekere terugverdientermijnen.»?
Ja. Daarbij wordt echter op pagina van 90 van het rapport de kanttekening gemaakt dat dit met name geldt voor nieuwe initiatieven in nog onbewezen markten. Tegelijkertijd vermeldt het rapport dat de AI Gigafabriek, vanwege haar sterke commerciële oriëntatie, in beginsel wél volledig privaat gefinancierd kan worden en marktconforme rekenkracht kan aanbieden.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Publieke financiering – en cofinanciering door EU-instrumenten – kan een vliegwieleffect hebben.»?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nederland heeft grootschalige private én publieke investeringen nodig.»?
Ja.
Deelt u de mening dat u stelt te handelen in lijn met het rapport-Wennink, terwijl datzelfde rapport expliciet aangeeft dat grootschalige digitale infrastructuur juist níet volledig privaat te financieren is en publieke cofinanciering noodzakelijk is om investeringen los te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink maakt een onderscheid tussen verschillende typen digitale infrastructuur. Waar het voor een deel van de grootschalige infrastructuur inderdaad wijst op het belang van publieke cofinanciering, wordt in het geval van AI-gigafabrieken expliciet benoemd dat deze in beginsel volledig privaat gefinancierd kunnen worden. Dat beeld wordt ondersteund door recente marktontwikkelingen. Zo halen Europese AI-(neo)cloudbedrijven zelfstandig kapitaal op voor de bouw van AI-infrastructuur. Dit laat zien dat er binnen dit specifieke segment voldoende private investeringsbereidheid bestaat.
Is hier niet gewoon sprake van het gebruiken van het rapport-Wennink als dekmantel voor een besluit dat puur budgettair is genomen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink is niet gebruikt als dekmantel voor een budgettaire keuze. Aan de kabinetspositie ligt, naast de gesprekken met de geïnteresseerde consortia, in de eerste plaats het rapport van Ecorys ten grondslag, waarin de relevante economische en investeringsafwegingen zijn geanalyseerd, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dit de indruk wekt van «cherry picking»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Die indruk deel ik niet, omdat er niet uitsluitend naar het rapport-Wennink is gekeken om tot deze conclusie te komen.
Herinnert u zich dat u zich in het debat ook beriep op het Ecorys-rapport? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Ecorys niet concludeert dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is, maar juist dat de meerwaarde afhangt van ontwerp, gebruiksdoel en strategische inbedding? Waarom wordt dit rapport dan door het kabinet wel gebruikt als argument om af te haken?
Ja, dat kan ik mij herinneren en dat kan ik bevestigen. Het Ecorys-rapport stelt inderdaad niet dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is. Het benadrukt juist dat de meerwaarde en businesscase sterk afhangen van het ontwerp, het beoogde gebruik en de strategische inbedding. Ecorys geeft daarbij aan dat een gecentraliseerde AI-gigafabriek vooral meerwaarde kan hebben voor de training van zeer grote modellen, maar plaatst daar tegelijkertijd de kanttekening dat het aantal partijen dat deze schaal van trainingscapaciteit daadwerkelijk benut in de Nederlandse context gering is.
Het kabinet gebruikt dit rapport niet als oordeel dat dergelijke infrastructuur «niet wenselijk» zou zijn, maar als onderbouwing voor de conclusie dat voor de varianten die juist meerwaarde hebben en op de Nederlandse markt zijn gericht, publieke financiering niet noodzakelijk is, omdat de markt daarin zelf kan voorzien. Op basis daarvan, tezamen met de budgettaire situatie, is de afweging gemaakt om geen publieke rol te nemen in een aanbesteding met financiële verplichtingen waarbij het initiatief in de specifieke vorm nog onduidelijk is.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat ook in dit geval dit de indruk wekt van cherry picking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de toelichting in de beantwoording op vraag 12.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet ervan uitgaat dat Nederlandse partijen later ook rekenkracht kunnen inkopen bij AI-gigafabrieken elders in Europa? Waarop baseert het kabinet de aanname dat die capaciteit bij toenemende schaarste daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden, in plaats van dat Nederland achteraan aansluit in de rij?
Ja, het kabinet gaat er in beginsel van uit dat Nederlandse partijen toegang kunnen krijgen tot rekenkracht bij AI-gigafabrieken elders in Europa. Die aanname is gebaseerd op de afspraken en de EuroHPC-verordening, het wetgevingskader dat de EuroHPC Joint Undertaking reguleert.
Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat dit geen vanzelfsprekendheid zonder voorwaarden is. Het kabinet onderkent dat bij toenemende schaarste in rekencapaciteit private aanbieders geneigd kunnen zijn om prioriteit te geven aan contractueel gebonden gebruikers.
Kan de Staatssecretaris ingaan op de analyse van het The Hague Centre for Strategic Studies dat toegang tot kritieke digitale infrastructuur in toenemende mate afhankelijk is van geopolitieke verhoudingen en dat bij schaarste landen primair hun eigen belangen zullen beschermen? Hoe rijmt de Staatssecretaris dit met de aanname dat Nederlandse partijen bij toenemende vraag en schaarste probleemloos gebruik kunnen blijven maken van rekenkracht in andere lidstaten of daarbuiten?
Zoals ik bij de vorige vraag heb toegelicht, baseer ik mij op de afspraken binnen de EuroHPC Joint Undertaking en het daarbij behorende Europese wettelijke kader. Dat kader is er juist op gericht om gezamenlijke Europese toegang tot high-performance computing en aanverwante digitale infrastructuur te borgen, ook in situaties van toenemende schaarste of geopolitieke spanning. Lidstaten hebben zich daaraan gecommitteerd, inclusief afspraken over beschikbaarheid en gedeeld gebruik van capaciteit.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet kiest voor AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd? Hoe realistisch acht de Staatssecretaris dat, gelet op het feit dat het rapport-Wennink juist wijst op achterblijvende private investeringen?
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
In de genoemde Kamerbrief schrijft het kabinet dat het kiest voor een ontwikkeling van AI-infrastructuur die meegroeit met de marktvraag; hoe verhoudt zich dat tot de constatering in de onderliggende analyses dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur juist sterk aanbodgedreven kan zijn, en dat investeringen in capaciteit zelf vraag, innovatie en ecosysteemvorming aanjagen? Loopt Nederland door deze afwachtende houding niet juist het risico achter te blijven omdat vraag pas ontstaat waar capaciteit al aanwezig is?
Ik ben het met u eens dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur in bepaalde gevallen aanbodgedreven kan zijn en daarmee juist ook vraag, innovatie en ecosysteemvorming kan stimuleren. Dat is ook precies de reden dat het kabinet wél inzet op de realisatie van de publiek gefinancierde AI-fabriek in Groningen, waar sprake is van een strategische Europese investering in rekenkracht en kennisopbouw.
Tegelijkertijd geldt dat niet alle typen AI-infrastructuur dezelfde dynamiek kennen. In veel segmenten kan de markt zelf goed inspringen op groeiende vraag, mits de randvoorwaarden op orde zijn, zoals voldoende beschikbare energie, ruimte en een voorspelbaar vergunningsproces.
Is de Staatssecretaris, gelet op het feit dat de doorslaggevende overweging blijkens de beslisnota budgettair was en rapporten waarachter het kabinet zich verschuilt het kabinet lijken te tegenspreken, bereid het besluit alsnog te heroverwegen en de Kamer een scenario te sturen waarin Nederland wél, al dan niet gefaseerd, kan aansluiten bij het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Nee. Deelname aan de door EuroHPC geleide aanbesteding zou een substantiële financiële verplichting met zich meebrengen, die het kabinet op dit moment niet wil aangaan. De inhoudelijke afwegingen zoals toegelicht in deze beantwoording geven geen aanleiding om de positie van het kabinet te herzien. Daarbij wil ik bovendien benadrukken dat deelname aan het Europese traject geen garantie biedt op de realisatie van een AI-gigafabriek in Nederland, maar primair ziet op het indienen van een voorstel in competitie met voorstellen uit andere lidstaten.
Kunt u deze vragen in ieder geval voor het tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie, een voor een, beantwoorden?
Ja.
Het Concertgebouw dat musici en orkesten weert die direct of indirect betrokkenheid hebben bij oorlogsmisdaden en genocide |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt het dat het Concertgebouw nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd waarbij artiesten, musici en orkesten kunnen worden geweerd indien zij (direct of indirect) betrokken zouden zijn bij discriminatie, geweld of ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder oorlogsmisdaden en genocide?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dat Het Concertgebouw nieuwe richtlijnen hanteert waarbij artiesten, musici of complete orkesten kunnen worden geweerd op basis van vermeende betrokkenheid bij internationale misdrijven, zonder dat daar een juridisch oordeel of individueel onderzoek aan voorafgaat?
Voorop staat dat culturele instellingen zelf gaan over hun programmering, verhuur en richtlijnen die ze daarvoor hanteren. Naar ik begrijp heeft Het Concertgebouw ervoor gekozen om de richtlijnen aan te vullen zodat transparant is hoe de organisatie bepaalde toekomstige situaties weegt. Het gaat daarbij om keuzes die alle instellingen maken op basis van het profiel van de instelling. Instellingen zijn daar vrij in.
Klopt het dat deze richtlijnen zijn opgesteld naar aanleiding van activistische druk rondom het optreden van een cantor van het Israëlische leger en dat deze richtlijnen zonder openbare toelichting of consultatie zijn ingevoerd?
Het Concertgebouw is een privaatrechtelijke onderneming. Ze zijn niet gebonden aan openbare consultaties om hun richtlijnen aan te passen.
Acht u het passend dat een gesubsidieerde culturele instelling beleid formuleert dat in de praktijk kan leiden tot collectieve uitsluiting van artiesten uit bepaalde landen of culturele groepen en daarmee het risico loopt op discriminatoire besluitvorming of zelfs (juridisch relevante) groepsbelediging?
Culturele instellingen zijn vrij in het bepalen wat zij programmeren. Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving. Vanuit dat uitgangspunt gaan culturele instellingen dus ook over hun eigen programmering/samenwerkingen. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat voor deze artistieke vrijheid. Deze vrijheid is uiteraard wel begrensd daar waar de wet wordt overtreden. Keuzes in samenwerking mogen – ook door culturele instellingen – bijvoorbeeld nimmer gebaseerd zijn op gronden die wettelijk als discriminatie worden aangemerkt. In dat geval kan men aangifte doen. Ik kan als Minister echter niet op de stoel van de rechter gaan zitten.
Kunt u toelichten op welke wijze een instelling als Het Concertgebouw, dat geen internationaal-juridische bevoegdheid heeft, kan vaststellen of een artiest schuldig is aan oorlogsmisdaden of misdrijven tegen de menselijkheid en ziet u risico’s in deze vorm van zelftoegeëigende morele rechtspraak?
Zie antwoord 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke uitsluiting kan leiden tot (juridisch relevante) groepsbelediging, omdat hiermee een volledige bevolkingsgroep of nationale culturele sector collectief wordt weggezet als medeplichtig aan internationale misdrijven? Zo ja, overtreedt Het Concertgebouw hier dan niet gewoon de wet?
Het is aan de rechter om te beoordelen of Het Concertgebouw de wet overtreedt.
In hoeverre zijn deze richtlijnen verenigbaar met de wettelijke non-discriminatienormen en de Governance Code Cultuur?
Het is aan de rechter om te beoordelen of de richtlijnen verenigbaar zijn met de wettelijke non-discriminatienormen.
Wat betreft de Governance Code Cultuur: ik zie niet direct reden om aan te nemen dat de richtlijn hiermee in strijd is. De code doet geen uitspraken of aanbevelingen over specifieke zaken rond de bedrijfsvoering, zoals het opstellen van een huishoudelijk reglement. Ook stelt de code niet verplicht dat culturele instellingen met iedereen moeten samenwerken, of dat niemand mag worden buitengesloten op grond van bijvoorbeeld ethische overwegingen.
Overigens wil ik benadrukken dat de code is opgesteld door de sector zelf. Het is een richtlijn over de principes van goed bestuur en toezicht in de culturele en creatieve sector, alleen het onderschrijven hiervan is verplicht binnen de basisinfrastructuur voor de periode 2025–2029. De naleving is in beginsel niet juridisch afdwingbaar.
Acht u het wenselijk dat een instelling die (zelfs beperkt) wordt gefinancierd met publieke middelen, circa 4% gemeentelijke subsidie, een politiek-activistische boycot kan effectueren, met verstrekkende maatschappelijke gevolgen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan 2025–2028 van de gemeente Amsterdam staat dat subsidie wordt geweigerd of ingetrokken wanneer een instelling in strijd handelt met wet- of regelgeving en bent u het ermee eens dat deze richtlijnen strijdig zijn met deze subsidievoorwaarden, en dus een grond vormen voor ingrijpen richting Het Concertgebouw?
Ik heb geen rol, noch bevoegdheid in de relatie tussen de gemeente Amsterdam en Het Concertgebouw. Interventie door de rijksoverheid in subsidierelaties tussen gemeenten en hun instellingen is bovendien onwenselijk, omdat het in strijd is met de bestuurlijke autonomie van de gemeente.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat Het Concertgebouw zich in de aanvraag van de subsidie presenteert als toegankelijk huis «voor alle Amsterdammers», met nadruk op diversiteit en inclusie en bent u bereid om tijdens een overleg met de gemeente Amsterdam te pleiten voor een onderzoek naar mogelijke schendingen van subsidievoorwaarden door Het Concertgebouw?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u toezeggen de gemeente Amsterdam expliciet te adviseren de subsidie te heroverwegen of in te trekken zodra wordt vastgesteld dat Het Concertgebouw met dit boycotbeleid buiten zijn statutaire doel treedt én in strijd handelt met de aan de subsidie verbonden normen van non-discriminatie en diversiteit en inclusie?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat deze richtlijnen een precedent kunnen scheppen waardoor andere musea en culturele instellingen onder activistische druk vergelijkbare uitsluitingscriteria overnemen, met alle gevolgen voor artistieke vrijheid, publieke toegankelijkheid en maatschappelijke polarisatie?
Zie antwoord op vraag 4.
Klopt het dat u bevoegd bent om in te grijpen wanneer gesubsidieerde instellingen handelen op een wijze die strijdig is met wettelijke normen en bent u bereid dit te doen wanneer blijkt dat Het Concertgebouw met deze richtlijnen de grenzen van non-discriminatie overschrijdt?
Als een rechter vaststelt dat een instelling die door mijn ministerie wordt gesubsidieerd in strijd met de wet handelt bij het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten kan ik de subsidie (al dan niet gedeeltelijk) proberen in te trekken. Mijn ministerie heeft echter geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw. Dit is aldus niet aan de orde.
Ziet u aanleiding om Het Concertgebouw erop aan te spreken dat hun richtlijnen mogelijk buiten hun statutaire doelstelling vallen nu in de statuten van Het Concertgebouw is vastgelegd dat de instelling tot doel heeft het geven van concerten, het instandhouden van het gebouw en educatie en uitdrukkelijk géén taak heeft op het gebied van internationale politieke oordeelsvorming of sanctiebeleid?
Nee. Ik zie hier geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Zoals gezegd heb ik geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw.
Kunt u toezeggen te laten onderzoeken of de richtlijnen van Het Concertgebouw in strijd zijn met het discriminatieverbod en/of strafrechtelijke bepalingen rond groepsbelediging en de Kamer te informeren over de juridische beoordeling?
Nee. Ik heb geen subsidierelatie met het Concertgebouw en zie aldus ook geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Bovendien is het aan de rechter om vast te stellen of sprake is van een strafbaar feit. Het is m.i. onwenselijk en strijdig met onze democratische rechtsstaat als politici op de stoel van de rechter gaan zitten.
Kunt u toezeggen om bij gemeenten die, ondanks evidente schendingen van subsidievoorwaarden door musea of andere culturele instellingen, deze subsidies toch in stand houden, te onderzoeken op welke wijze kortingen op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds kunnen worden gedaan?
De middelen uit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. Over de besteding van deze middelen hoeft dan ook geen verantwoording te worden afgelegd aan het Rijk. Het is aan het college van B&W om de subsidievoorwaarden te controleren. Het is aan de gemeenteraad om het college te controleren.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over eventuele uitkomsten van dergelijke onderzoeken en eventuele maatregelen, inclusief financiële consequenties voor Het Concertgebouw, indien blijkt dat de richtlijnen onrechtmatig of onwenselijk zijn?
Zoals bij antwoord 16 aangegeven, dit is aan het college van B&W en de gemeenteraad.
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Zware PCP-luchtdrukwapens en waarschuwingen van de AIVD |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarschuwt voor de risico’s rondom zware PCP-luchtdrukwapens (Pre Charged Pneumatic) en aangeeft dat deze wapens in beeld zijn bij extremisten? Kunt u nader toelichten in welke mate deze wapens momenteel een veiligheidsrisico vormen, mede gelet op de huidige dreigingssituatie?1
Hoe beoordeelt u het feit dat zware PCP-luchtdrukwapens in Nederland relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn, terwijl deze wapens qua mondingsenergie en impact vergelijkbaar of zelfs zwaarder kunnen zijn dan bepaalde vuurwapens?
Klopt het dat zware PCP-luchtdrukwapens op grond van de Wet wapens en munitie momenteel onder categorie IV vallen? Acht u deze classificatie nog passend, gezien de kracht en veiligheidsrisico’s van deze wapens?
Klopt het dat in 2016 al door de toenmalige Minister is aangegeven via een Kamerbrief dat dit type wapens levensgevaarlijk kan zijn? Zo ja, hoe verklaart u dan dat tien jaar later nog altijd geen adequate aanscherping van de regelgeving heeft plaatsgevonden?
Welke concrete stappen zijn sinds 2016 dan gezet om de risico’s van zware luchtdrukwapens te beperken, en wat hebben deze maatregelen opgeleverd?
Klopt het dat bij verkoop van zware PCP-luchtdrukwapens weliswaar persoonsgegevens van kopers moeten worden geregistreerd en bewaard, maar dat het huidige systeem beperkte waarborgen kent voor traceerbaarheid van wapens bij overdracht en doorverkoop? Acht u deze systematiek voldoende?
Hoe beoordeelt u de huidige identificatie vereisten bij aanschaf van PCP-luchtdrukwapens, gelet op signalen dat deze controles in de praktijk beperkt of vrijblijvend kunnen zijn?
Worden incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen afzonderlijk geregistreerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel gevallen betreft dit in de afgelopen vijf jaar?
Bent u bereid PCP-luchtdrukwapens anders te reguleren dan thans het geval is onder categorie IV van de Wet wapens en munitie? Zo nee, waarom niet?
Waarom is de aangekondigde herziening van de Wet wapens en munitie nog altijd niet naar de Kamer gestuurd? Wanneer kan de Kamer deze wet verwachten?
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Het bericht ‘Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt’. |
|
Tijs van den Brink (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat er zware pijnstillers uit de reguliere farmaceutische keten worden verhandeld op de zwarte markt?
Hoe duidt u de constatering van Zembla dat er diverse kwetsbaarheden en lekken in de keten van geneesmiddelendistributie en afvalinzameling zijn zoals corrupte medewerkers binnen Nederlandse apotheken?
Hoe duidt u het in het bericht beschreven voorval waarin er door het HagaZiekenhuis in eerste instantie geen aangifte werd gedaan van diefstal van medicatie door een medewerker en er eveneens geen melding werd gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?
Bent u bereid met de sector in gesprek te gaan om te bezien of de huidige richtlijnen rondom het melden van diefstal en het doen van aangifte toereikend zijn en of deze voldoende worden nageleefd?
Hoe weegt u het verzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om de bevoegdheid om met een «fictieve identiteit» proefaankopen te doen en bent u bereid te onderzoeken of deze en andere instrumenten en maatregelen getroffen kunnen worden om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, al dan niet in samenwerking met het Openbaar Ministerie, instaat te stellen tegen deze problematiek op te treden?
Bent u van mening dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar illegale handel in legale medicatie? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen kunt u nemen om te achterhalen waar legale opiaten vandaan komen die uiteindelijk op de zwarte markt illegaal worden verhandeld?
Wat is uw mening over de rol die onlineplatforms zoals Telegram spelen in de illegale handel van medicijnen en wat kunt u, naast het aanspreken van deze platforms, verder doen om dit tegen te gaan?
In hoeverre is het strafbaar om legale medicijnen illegaal te verhandelen via online platforms en welke handvaten zijn er om deze handel aan te pakken?
Heeft u zicht op de omvang van de online handel in designerdrugs?
Acht u de huidige wetgeving rondom de aanpak van designerdrugs toereikend genoeg om juist ook de online handel ervan tegen te gaan? Welke knelpunten zijn hierbij nog aan de orde?
Het bericht 'Désirée (38) haar donor eist vaderrol: 'In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Désirée (38) haar donor eist vaderrol: «In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig»»?1
Kunt u, zonder in te gaan op deze individuele zaak, uiteenzetten welk wettelijk toetsingskader geldt wanneer een bekende donor, ondanks vooraf mondeling en schriftelijk gemaakte afspraken dat hij géén vaderrol krijgt, later alsnog erkenning, omgang of een vaderrol opeist?
Klopt het dat een bekende donor niet automatisch recht heeft op omgang enkel omdat hij biologisch vader is, maar dat hij onder omstandigheden wel een beroep kan doen op een nauwe persoonlijke betrekking of family life? Welke juridische waarde heeft in dat kader een donorovereenkomst waarin expliciet is vastgelegd dat de donor geen juridische, opvoedkundige of verzorgende vaderrol zal krijgen?
Klopt het dat een donorovereenkomst niet volledig kan uitsluiten dat een rechter later alsnog omgang of family life aanneemt? Acht u dat voor alleenstaande wensmoeders voldoende duidelijk voordat zij met een bekende donor in zee gaan?
Hoe wordt in dit soort zaken het «belang van het kind» concreet vastgesteld? Kunt u aangeven welke factoren rechters en de Raad voor de Kinderbescherming daarbij in de praktijk meewegen?
Wordt bij de beoordeling van het belang van het kind ook meegewogen of sprake is van bedreiging, stalking, intimidatie, psychische druk, dwingende controle of andere signalen die kunnen wijzen op onveiligheid?
Deelt u de opvatting dat onveiligheid van de verzorgende ouder ook kan doorwerken in de veiligheid en ontwikkeling van het kind, en daarom niet los mag worden gezien van het belang van het kind?
Hoe voorkomt het huidige stelsel dat een juridische procedure over omgang of erkenning zelf wordt gebruikt als middel van druk, controle of intimidatie richting de moeder?
Hoe verhoudt de aanpak van femicide en psychisch geweld zich tot het familierechtelijke uitgangspunt dat contact met een ouder of biologische vader in beginsel in het belang van het kind kan zijn?
Aangezien de Raad voor de Kinderbescherming stelt dat contact met beide ouders alleen uitgangspunt is «als dat veilig kan»; hoe wordt geborgd dat dit uitgangspunt ook consequent wordt toegepast bij bekende donoren die geen oorspronkelijke vaderrol zouden hebben?
Beschikt u over cijfers van zaken waarin een donorovereenkomst door de rechter anders wordt gewogen dan de wensmoeder vooraf mocht verwachten? Zo nee, acht u het wenselijk hier meer inzicht in te krijgen?
Acht u de huidige informatievoorziening aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk over de juridische risico’s van donorconceptie met een bekende donor, waaronder het verschil tussen een donor, een juridische ouder, een erkenner, een gezaghebbende ouder en iemand met omgangsrecht?
Bent u bereid stappen te zetten om de rechtspositie en rechtszekerheid van alleenstaande wensmoeders bij gebruik van een bekende donor beter te borgen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen, bijvoorbeeld via wetgeving, betere voorlichting, richtlijnen of aanvullende waarborgen in de beoordeling van omgangs- en erkenningsverzoeken?
Het verheerlijken en normaliseren van drugsgebruik door minderjarigen in de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinderen, waarin minderjarige jongeren herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij harddrugs gebruiken?1
Hoe kan het dat een streamingdienst kennelijk zonder noemenswaardige beperkingen minderjarigen drugs laat gebruiken voor de camera en dit vervolgens als entertainment uitzendt?
Deelt u de opvatting dat het tonen van minderjarige drugsgebruikers zonder duidelijke afkeurende context bijdraagt aan de normalisering van harddrugsgebruik onder jongeren? Zo nee, waarom niet?
Acht u het acceptabel dat minderjarigen herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij strafbare en potentieel schadelijke gedragingen verrichten, ondanks de mogelijke gevolgen voor hun toekomst?
In hoeverre wordt onderzocht of dit soort content een aanzuigende werking heeft op jongeren en daarmee indirect bijdraagt aan drugsgebruik en drugsnormalisering?
Deelt u de mening dat streamingdiensten en producenten een grens overschrijden wanneer harddrugsgebruik door minderjarigen op deze manier wordt gefilmd en verspreid? Zo nee, waarom niet?
Wordt onderzocht of het herkenbaar in beeld brengen van minderjarige drugsgebruikers gevolgen moet hebben voor zowel de betrokken producenten als de minderjarigen die zichtbaar strafbare feiten plegen? Zo nee, waarom niet?
Het zich niet uitspreken tegen extreemrechts geweld en het ontbreken van steun van het kabinet voor de getroffen vluchtelingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Erkent het kabinet dat er sprake is van een groei van extreemrechts, waarvoor de veiligheidsdiensten al langer waarschuwen?
Erkent u dat het kabinet een grote verantwoordelijkheid heeft om de groei van extreemrechts effectief tegen te gaan en het in elk geval niet verder te laten doorwoekeren?
Waarom heeft u het geweld en de brandstichting bij een noodopvanglocatie voor vluchtelingen niet veroordeeld als extreemrechts geweld, maar koos u ervoor om de daders slechts te bestempelen als «een groep relschoppers» die «zorgen» zouden hebben die je «altijd» mag «uitspeken» en heeft u alleen in algemene termen gezegd dat geweld nooit mag?
Bent u alsnog bereid om uit te spreken dat het hier ging om extreemrechts geweld? Zo nee, waarom niet?
Waarom hebben zowel u als mevrouw Yeşilgöz in haar rol als eerste vicepremier (en uw vervanger bij de persconferentie na de ministerraad van 13 mei) niet expliciet specifiek medeleven betuigd met de vluchtelingen en medewerkers in het pand die slachtoffer zijn geworden van dit intimiderende geweld en de brandstichting bij hun onderkomen?
Bent u bereid om op zeer korte termijn een bezoek te brengen aan de bewoners en de medewerkers van de noodopvanglocatie in Loosdrecht om hen alsnog een hart onder de riem te steken en persoonlijk uw medeleven over te brengen, namens het hele kabinet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
Het NRC-artikel ‘Website voor extreme ‘drogeerporno’ draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Website voor extreme «drogeerporno» draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen»?1
Deelt u de mening dat deze normloze grensoverschrijdende video’s walgelijk zijn en dat alles in het werk moet worden gesteld om vrouwen en meisjes te beschermen en daders op te sporen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Wat is uw reactie op de bevindingen uit dit artikel, zeker gelet op de rol van Nederlandse bedrijven die de verantwoordelijkheid van zich afschuiven in deze zaak?
Deelt u de beoordeling dat het vervaardigen, verspreiden en bekijken van dergelijk beeldmateriaal kan vallen onder meerdere strafbare feiten, waaronder verkrachting, aanranding en het vervaardigen en verspreiden van strafbaar pornografisch materiaal? Zo ja, wat betekent dat voor alle betrokken bij NForce, motherless.com, vervaardigers, verspreiders en gebruikers?
Deelt u de opvatting dat het vervaardigen van deze beelden de lichamelijke en geestelijke integriteit van vrouwen en meisjes ernstig aantast? Zo ja, welke hulp is er voor deze vrouwen beschikbaar en hoe beschermd u hen in het vervolg? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is het bij u bekend dat Nederlandse mensen en/of bedrijven betrokken zouden zijn bij het uploaden dan wel verspreiden van dit beeldmateriaal, en wat betekent dit voor de opsporingsprioriteit?
Deelt u de mening dat Nederland er wereldwijd slecht op staat als het gaat om de verspreiding van pornografisch materiaal? Zo ja, welke doelstelling heeft u om dit te veranderen?
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat servers in Nederland worden gebruikt voor het hosten van websites waarop strafbaar materiaal wordt verspreid en welke wettelijke instrumenten bestaan er om hostingproviders te verplichten deze content te verwijderen of servers offline te halen?
Welke bevoegdheden heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) en worden die als voldoende beoordeeld?
Deelt u de opvatting dat individuele gebruikers die strafbare content plaatsen moeten worden opgespoord en vervolgd?
In hoeverre beschikken politie en Openbaar Ministerie over voldoende capaciteit, technische expertise en juridische mogelijkheden om deze vormen van online seksueel geweld effectief op te sporen en te vervolgen? Kunt u dit cijfermatig onderbouwen?
Welke rol ziet u voor hostingbedrijven en datacenters bij het voorkomen van misbruik van hun diensten voor de verspreiding van strafbaar materiaal en welke consequenties ervaren zij bij het verspreiden van deze mensonwaardige troep?
Hoe wordt voorkomen dat slachtoffers opnieuw worden geschaad, bijvoorbeeld doordat beelden langdurig online blijven staan of telkens opnieuw worden gedeeld?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te verkennen, zoals verscherpt toezicht op hosting van risicovolle content, snellere blokkadebevoegdheden of zwaardere sancties voor nalatige dienstverleners?
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat over mensenhandel en prostitutie op 20 mei 2026 informeren over eventuele vervolgstappen die u naar aanleiding van deze signalen overweegt?
Effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Vindt u het zelf niet onthutsend dat u op meerdere volstrekt basale vragen over de politieorganisatie geen enkel concreet inzicht kunt geven?
Sinds wanneer is bij het ministerie bekend dat deze informatie ontbreekt?
Acht u dit niveau van informatievoorziening passend bij een organisatie met een begroting van ruim zes miljard euro?
Op basis waarvan maakt u beleidskeuzes of bezuinigingsafwegingen als deze cijfers ontbreken?
Hoe kan worden vastgesteld of beleid effectief is wanneer de onderliggende data niet beschikbaar is?
Kunt u garanderen dat er geen verspilling van publiek geld plaatsvindt op onderdelen waar nauwelijks inzicht in bestaat?
Welke andere onderdelen binnen de politieorganisatie kennen vergelijkbare «blinde vlekken» in de informatievoorziening?
Hoeveel geld en welk percentage van de totale politiebegroting wordt momenteel uitgegeven aan beleid of programma’s waarvan de exacte kosten niet inzichtelijk zijn?
Klopt het dat binnen de interne telefoongids en personeelsregistraties van de politie eenvoudig gezocht en gefilterd kan worden op tijdelijke functies, ingehuurd personeel, functiecategorieën en functieschaalniveaus? Zo ja, waarom heeft u de Kamer dan meegedeeld dat een uitsplitsing van extern ingehuurd personeel naar functiecategorieën of werkzaamheden «niet beschikbaar» zou zijn?
Waarom is er geen overzicht van externe bureaus en de bedragen die hiermee gemoeid zijn, terwijl het om aanzienlijke publieke uitgaven gaat?
Hoe controleert u op doelmatigheid en afhankelijkheid van externe partijen zonder gedetailleerd inzicht in inhuurstromen?
Herkent u het signaal dat de centralisering van de bedrijfsvoering sinds de reorganisatie van 2015 heeft geleid tot langere doorlooptijden bij reparaties en onderhoud van politievoertuigen, waardoor voertuigen vaker langdurig niet inzetbaar zijn? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u gehad voor de operationele inzetbaarheid van basisteams?
Hoe weet u dat het vervoer van arrestanten geen onevenredig beslag legt op politie-inzet als die uren niet worden geregistreerd?
Hoeveel politiecapaciteit gaat jaarlijks verloren aan het vervoeren van arrestanten naar cellencomplexen buiten het eigen district of de eigen eenheid wegens beperkte beschikbare celcapaciteit, en waarom wordt deze capaciteitsinzet niet structureel geregistreerd?
Hoe kan de politie gericht beleid voeren op mentale weerbaarheid, uitval en Posttraumatische stressstoornis (PTSS) als de aard en omvang van psychische problematiek niet inzichtelijk zijn?
Welke alternatieve indicatoren gebruikt u momenteel om de ontwikkeling van PTSS en psychische problematiek binnen de politie te monitoren?
Hoe kunt u stellen dat politiemedewerkers die dat nodig hebben beschikken over gehoorbescherming, terwijl signalen uit de praktijk erop wijzen dat diverse specialistische eenheden nog altijd werken met middelen waarvan de gehoorbeschermende werking volgens betrokkenen onvoldoende is en agenten daardoor onnodig risico lopen op blijvende gehoorschade? Bent u bereid dit uit te zoeken?
Hoeveel politiecapaciteit en publieke middelen zijn de afgelopen vijf jaar besteed aan externe diversiteits-, cultuur- en bewustwordingsprojecten binnen het programma «Politie voor Iedereen», inclusief ingehuurde theatergroepen, consultants en trainers? Graag een helder overzicht.
Hoe groot is het budget dat eenheden en diensten krijgen voor het realiseren van wervingsactiviteiten die effect hebben op de arbeidsmarkt precies en waaraan wordt dit besteed?
Bent u bereid alsnog een inventarisatie uit te voeren naar de volgende ontbrekende aspecten:
Het artikel 'VIDEO - ‘Jodenjager Ajax-Maccabi’ webcamt vanuit gevangenis: ‘We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg’' |
|
Maikel Boon (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Jodenjager Ajax-Maccabi» webcamt vanuit gevangenis: «We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg»»1?
Klopt het dat de man die in de video te zien is betrokken was bij de Jodenjacht rond Ajax – Maccabi Tel Aviv in Amsterdam op 7 november 2024?
Klopt het dat deze persoon ten tijde van het videogesprek in detentie verbleef, zoals hij zelf beweert in de video? Zo ja, welke concrete maatregelen en sancties zijn tegen deze persoon getroffen?
Indien deze persoon daadwerkelijk gedetineerd was: hoe is het mogelijk dat hij vanuit detentie toegang had tot een webcam- of chatplatform en van daaruit antisemitische uitingen kon verspreiden?
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat iemand die betrokken was bij antisemitisch geweld vanuit detentie opnieuw antisemitische haat kan verspreiden?
Hoe kan het dat iemand die openlijk oproept tot Jodenhaat, trots zegt op Joden te hebben «gejaagd» en vanuit detentie opnieuw antisemitische propaganda verspreidt, überhaupt in aanmerking komt voor fasering, verlof of andere vrijheden?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat veroordeelde daders van antisemitisch geweld die vanuit detentie opnieuw antisemitische haat verspreiden of openlijk aanhangen, niet in aanmerking komen voor versoepeling van hun detentie, fasering, verlof of voorwaardelijke invrijheidstelling? Zo nee, waarom niet?
Het afgelaste optreden van Lenny Kuhr als gevolg van toenemende antisemitische intimidatie |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een optreden van Lenny Kuhr in een zorginstelling is geschrapt omdat de instelling het optreden, na eerdere protesten van intimiderende antisemitische demonstranten bij haar optredens, niet meer aandurfde?1
Tijdens eerdere debatten over antisemitisme stelde het kabinet dat Joden in Nederland vrij en veilig zichtbaar moeten kunnen zijn; hoe rijmt u die uitspraak met het feit dat opnieuw een optreden van Lenny Kuhr wordt geschrapt vanwege angst voor antisemitische intimidatie en protesten?2
Erkent u dat hiermee opnieuw het signaal wordt afgegeven dat antisemitische druk en intimidatie in Nederland effect hebben en dat zichtbaar Joods leven daardoor steeds verder uit het openbare leven verdwijnt?
Deelt u de mening dat Nederland nooit mag buigen voor antisemitische dreiging, intimidatie of geweld, en dat demonstranten nooit mogen bepalen welke Joodse artiesten ergens nog welkom zijn? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om te voorkomen dat Joodse artiesten, Joodse instellingen en pro-Israëlische Nederlanders in de toekomst opnieuw moeten wijken voor antisemitische intimidatie, dreiging of protesten?
Bent u bereid in gesprek te gaan met de betreffende zorginstelling om ervoor te zorgen dat het optreden van Lenny Kuhr alsnog doorgang kan vinden en duidelijk te maken dat het toegeven aan antisemitische intimidatie en protesten een verkeerd en gevaarlijk signaal afgeeft? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht «Opgepakte verdachte steekpartij Winschoten is dief van knuffels voor Jeffrey en Emma»?1
Deelt u de mening dat het schandalig en onacceptabel is dat deze Syriër, na zijn veroordeling voor diefstal op een herdenkingsplek van vermoorde Nederlandse kinderen, nog steeds in Nederland verblijft en opnieuw strafbare feiten pleegt?
Hoeveel keer moet een Syriër in Nederland een misdrijf plegen voordat u hem het land uit zet? Is er voor u überhaupt nog een grens?
Kunt u aangeven waarom deze en andere criminele Syriërs nog steeds niet zijn uitgezet, ondanks de overduidelijke overlast en criminaliteit die zij veroorzaken? Gaat u dit alsnog doen?
Begrijpt u, gelet op dit soort weerzinwekkende incidenten en de vele andere misdrijven door asielzoekers en statushouders, waarom de opstand onder de Nederlandse bevolking steeds groter wordt? Zo ja, waarom voert u dan nog steeds geen onmiddellijke, volledige asielstop in en waarom zet u niet massaal criminele vreemdelingen uit?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Vreemdelingen- en Asielbeleid op 13 mei aanstaande?
Het 'Oranje Boekje' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Kamer het zogenaamde «Oranje Boekje» met werkinstructies voor medewerkers van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) toegestuurd krijgen (of in vertrouwen inzien)?
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
Het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend zouden zijn?
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding, aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe) informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen deze middelen zijn verstrekt?
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke omvang en periode?
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes, demonstraties of academische programma’s?
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort is geschoten?
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren en waar nodig te stoppen?
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte en het resultaat is geweest?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties zoals Hamas?
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk de regie op voert?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De bekladding van het Nationaal Monument op de Dam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bekladding van het Nationaal Monument op de Dam met rode verf, vlak voor de Nationale Dodenherdenking?1
Hoe beoordeelt u deze daad, mede gezien de symbolische waarde van het monument en het moment waarop deze plaatsvond?
Hoe is het mogelijk dat een nationaal monument op een dergelijk gevoelig moment niet afdoende beveiligd is gebleken en deelt u de mening dat dit in het vervolg anders aangepakt moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
In hoeverre was er vooraf rekening gehouden met het risico op dergelijke acties, mede gezien eerdere incidenten en maatschappelijke spanningen?
Klopt het dat het Nationaal Monument de afgelopen jaren vaker doelwit is geweest van vandalisme en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Deelt u de mening dat herhaalde incidenten wijzen op tekortschietende beveiliging en handhaving rond dit nationale symbool? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen en acht u de huidige aanpak en strafmaat afschrikwekkend genoeg? Zo ja, hoe rijmt u dat met het feit dat het herhaalde incidenten zijn? Zo nee, bent u bereid deze flink aan te scherpen?
Kabelinterceptie AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
In het jaarverslag 2025 schrijft de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) op pagina 14 «De verhouding tussen de inbreuk op grondrechten enerzijds en de achterblijvende opbrengst anderzijds baart de TIB bij kabelinterceptie nog altijd zorgen»; maakt u zich hier ook zorgen over? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u met deze zorgen doen?
Kan de Kamer een getalsmatig overzicht ontvangen van de stijging (aldus de TIB) sinds 2018 van de hoeveelheid data die jaarlijks door middel van kabelinterceptie wordt vergaard, liefst uitgedrukt in bijvoorbeeld GB per jaar of anders, als deze informatie vertrouwelijk is, in de vorm van indexcijfers (waarbij het beginjaar 2018 dus de waarde 100 krijgt)? Zo nee, waarom niet? Waarom kan de Kamer zelfs indexcijfers hierover, indexcijfers die immers slechts uitsluitend informatie geven over de stijging en niets zeggen over het absolute niveau van de kabelinterceptie, niet ontvangen?
Hoeveel procent (ongeveer, bij benadering) van alle data die vergaard wordt via kabelinterceptie wordt gedeeld met buitenlandse inlichtingendiensten?
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
Het bericht dat defensie vasthoudt aan zero-tolerancebeleid voor drugs. |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat met het zero-tolerancebeleid sollicitanten bijvoorbeeld worden afgewezen op basis van het roken van een joint in hun tienerjaren?
Kunt u exact toelichten op basis waarvan (welk verleden en/of gebruik) defensiepersoneel kan worden ontslagen of als ongeschikt kan worden bestempeld tijdens een sollicitatie?
Kunt u voor de afgelopen tien jaar aangeven hoeveel militairen er jaarlijks vanwege drugsgebruik zijn ontslagen en hoeveel sollicitanten zijn afgewezen vanwege drugsgebruik in het verleden?
Hoe verhoudt dit beleid zich tot de huidige maatschappelijke realiteit waarin (beperkt) recreatief gebruik van bijvoorbeeld cannabis voorkomt, zonder dat dit leidt tot disfunctioneren?
Overwegende dat uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat een kwart van de Nederlanders wel eens wiet of cannabis heeft gebruikt, erkent u dat de keuze voor een zero-tolerancebeleid een groot deel van de Nederlanders uitsluit van actief dienen voor Defensie? Zo niet, hoe kunt u dit onderbouwen?
Deelt u de constatering dat het huidige beleid geen ruimte laat voor maatwerk en proportionaliteit, bijvoorbeeld bij een eenmalige overtreding zonder relatie tot de dienst?
Acht u het proportioneel dat een militair voor een eenmalig incident met softdrugs zijn gehele loopbaan kan verliezen, terwijl andere gedragingen (zoals overmatig alcoholgebruik) niet altijd tot vergelijkbare sancties leiden?
Hoe verhoudt het zero-tolerancebeleid op het gebied van drugs zich tot het beleid op het gebied van alcohol? Erkent u dat in veel gevallen alcoholgebruik gevaarlijker is voor militairen dan (het ooit gerookt hebben van) een joint?
Erkent u dat het vreemd is dat het roken van een joint zoals omschreven in het artikel van de NOS leidt tot ontslag terwijl drankgebruik compleet wordt geaccepteerd?1
Hoe beoordeelt u het risico dat waardevolle en schaars opgeleide militairen verloren gaan door een strikt sanctieregime, terwijl Defensie tegelijkertijd kampt met personeelstekorten?
Bent u bekend met signalen dat militairen of aspirant-militairen zich gedwongen voelen om niet eerlijk te zijn over eerder (incidenteel) drugsgebruik uit angst voor afwijzing? Zo niet, hoe duidt u het feit dat aspirant-defensiepersoneel op online fora informatie en strategieën deelt over hoe om te gaan met vragen over hun drugsgebruik in hun tienerjaren?
Hoe beoordeelt u wetenschappelijke inzichten, zoals onderzoek waaruit blijkt dat beperkt drugsgebruik in het verleden geen negatieve correlatie heeft met functioneren of prestaties binnen de krijgsmacht?2
Welk wetenschappelijk bewijs ligt er onder de keuze om te kiezen voor een zero-tolerancebeleid voor zowel soft- als harddrugs? Kunt u een overzicht geven van de onderzoeken die aantonen dat het gebruik (in het verleden) van softdrugs een groter risico vormt voor het functioneren van (aspirant-)militairen dan drankgebruik?
Bent u bereid om (in overleg met militairen, vakbonden en experts) te komen tot een herziening van het drugsbeleid waarin proportionaliteit, maatwerk en evidence-based beleid centraal staan?