Het bericht ‘Meer genitale verminking door migratie: Nederlandse cijfers vrouwenbesnijdenis stijgen’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen zijn er sinds het WODC-rapport «over grenzen» gezet om slachtoffers van genitale verminking beter in beleid te krijgen én beter te beschermen?1
In december 2025 heeft uw Kamer de beleidsreactie op dit onderzoek ontvangen. Daarin is benoemd dat zal worden verkend of en hoe preventieve beschermingsbevelen kunnen worden mogelijk gemaakt, mede in relatie tot het verbetertraject van het tijdelijk huisverbod waarin onder meer wordt bezien of er aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen moeten worden gecreëerd. Deze beleidsverkenning is inmiddels gestart. De Kamer wordt voor het einde van het jaar over de voortgang geïnformeerd.
Wat is de stand van zaken van het toegezegde voorstel voor een beschermingsmaatregel in de vorm van een uitreisverbod bij een verdenking van genitale verminking? Wanneer wordt een voorstel hiertoe naar de Kamer gestuurd?
In het coalitieakkoord wordt de mogelijkheid tot een uitreisverbod bij risico op vrouwelijke genitale verminking en huwelijksdwang benoemd. In de beleidsverkenning naar de preventieve beschermingsbevelen wordt dit meegenomen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is deze beleidsverkenning gestart en wordt de Kamer voor het einde van het jaar geïnformeerd over de voortgang.
Hoe verklaart u dat sinds het strafbaar stellen van vrouwenbesnijdenis in Nederland er nog nooit een strafzaak heeft plaatsgevonden? Welke maatregelen neemt u om de opsporing en strafrechtelijke aanpak van genitale verminking te versterken?
Tot op heden heeft er één vervolging plaatsgevonden, maar er zijn nog geen veroordelingen voor vrouwelijke genitale verminking of het aanzetten daartoe. Uit diverse onderzoeken2 blijkt dat de daadwerkelijke handhaving en opsporing complex is, onder meer door een gebrek aan concrete signalen en informatie over mogelijke dreiging.
Het overheidsbeleid richt zich met name op preventie en vroegtijdige signalering. Het kabinet zet in op bewustwording, bescherming en het versterken van de samenwerking tussen zorgprofessionals, politie en justitie om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen en sneller in te grijpen bij vermoedens van dreiging. Voorbeelden hiervan zijn de meldcode eergerelateerd geweld, de verklaring tegen meisjesbesnijdenis, de e-learning voor professionals over deze geweldsvorm en diverse voorlichtingsactiviteiten en campagnes.
Hoe beoordeelt u de signalen dat slachtoffers moeilijk hulp kunnen vinden, bijvoorbeeld omdat zij de taal niet kennen of in een asielzoekerscentrum verblijven? Welke maatregelen neemt u om op korte termijn de toegang tot zorg voor deze groep te verbeteren?
Het is van belang dat ieder slachtoffer, ongeacht of zij de Nederlandse taal machtig is of niet, passende hulp ontvangt. Het kabinet zet zich in om de toeleiding naar hulpverlening te versterken en drempels richting passende ondersteuning en zorg te verlagen. Daarbij wordt onder meer ingezet op de versterking van de brugfunctie van sleutelpersonen binnen (gesloten) gemeenschappen.
Sleutelpersonen spelen een belangrijke rol bij het bereiken van mensen die de weg naar zorg niet vanzelfsprekend weten te vinden. Zij kunnen signalen vroegtijdig opvangen, bespreekbaar maken en toeleiden naar passende hulp. Het kabinet werkt op dit moment al samen met organisaties die specifieke contacten en ingangen hebben bij deze gemeenschappen. Deze organisaties zijn onderdeel van het Netwerkknooppunt Schadelijke Praktijken dat met subsidie van het Ministerie van VWS door Pharos wordt georganiseerd. Het netwerk zorgt voor het delen van informatie tussen relevantie organisaties en het versterken van samenwerking. Ook de betrokken departementen maken onderdeel uit van dit netwerk. Op deze manier wordt de inzet van sleutelpersonen, onder andere bij gemeenten en maatschappelijke organisaties, verder ondersteund. Daarnaast bestaan er diverse maatschappelijke initiatieven en organisaties die inzetten op het bereiken van deze doelgroepen, bijvoorbeeld Dokters van de Wereld.
Vrouwen en meisjes die zijn besneden kunnen met fysieke, mentale en seksuele klachten bijvoorbeeld naar de huisarts. De huisarts geeft reguliere zorg en kan doorverwijzen naar een specialist indien nodig. Om goede zorg te leveren kan de inzet van professionele tolk noodzakelijk zijn. Er zijn signalen bekend dat er knelpunten bestaan in de bekostiging van deze tolken. Het Ministerie van VWS, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het Zorginstituut werken op dit moment bekostigingsopties uit voor de inzet van tolken in de huisartsenzorg en andere vormen van zorg. Daarnaast worden ook binnen de Jeugdgezondheidzorg (JGZ) tolken ingezet indien nodig. De inzet van de JGZ is met name gericht op preventie; zij voeren gesprekken met ouders, geven voorlichting en voeren bij toestemming medische controles uit.
Dat vrouwen in asielzoekerscentra moeilijk hulp kunnen vinden is overigens niet een signaal dat als zodanig blijkt uit het onderliggende onderzoek van Pharos of uit het betreffende NRC-artikel.
Op of in de nabijheid van ieder asielzoekerscentrum is laagdrempelige toegang tot medische zorg geregeld via de zogeheten gezondheidszorg asielzoekers (GZA). In deze (huisartsen)praktijk is naast de huisarts ook een praktijkondersteuner voor geestelijke gezondheidszorg aanwezig. Om de taalbarrière te slechten kunnen tolken worden ingezet binnen de medische zorg voor asielzoekers maar ook door de medewerkers van het COA.
In het NRC-artikel komt overigens wel naar voren dat vrouwen in asielzoekerscentra vaak nog in de overlevingsstand zitten waardoor ze soms nog niet toe zijn aan voorlichting over besnijdenis. Dat is reden om niet enkel tijdens de fase van asielopvang aandacht en voorlichting te bieden over dit vraagstuk, maar dit ook te laten doorlopen in de latere fasen van het proces, bijvoorbeeld bij de inburgering en na gemeentelijke huisvesting.
Welke stappen zet u om de kennis in het onderwijs en bij zorgverleners, met name bij huisartsen, te vergroten? Hoe wordt daarbij ook de handelingsverlegenheid binnen deze groep wordt weggenomen?
De huisarts speelt een actieve rol in de vroegsignalering, aangezien de huisarts regelmatig in contact is met uiteenlopende doelgroepen. Tijdens consulten kan de huisarts signalen opvangen die wijzen op mogelijke onveiligheid. Huisartsen zijn verplicht te werken volgens de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarin specifieke stappen voor handelen bij vermoedens van huiselijk geweld zijn vastgelegd. Ook andere zorgprofessionals, waaronder artsen, verpleegkundigen, verzorgenden, sociaal werkers en wijkteams, vallen onder de Wet verplichte meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Zij zijn verplicht de meldcode toe te passen en te handelen volgens de vijf stappen. Beroepsgroepen werken met eigen afwegingskaders, gebaseerd op het landelijke basismodel, die ondersteunen bij de afweging om Veilig Thuis te consulteren of een melding te doen.
Om kennis en vaardigheden te vergroten wordt ingezet op deskundigheidsbevordering via opleidingen en trainingen, richtlijnen en handreikingen. Het verminderen van handelingsverlegenheid is daarbij een groot aandachtspunt. Professionals worden ondersteund met concrete handvatten voor signalering, gespreksvoering en het maken van afwegingen met aandacht voor cultuursensitief werken. Daarnaast worden professionals gestimuleerd om tijdig te overleggen en te consulteren, bijvoorbeeld met Veilig Thuis, zodat professionals zich gesteund voelen en eerder tot handelen overgaan bij vermoedens van onveiligheid. Specifiek gericht op huisartsen en verloskundigen werkt Pharos aan opleidingsmateriaal over vrouwelijke genitale verminking dat kan worden meegenomen in de beroepsopleiding. Voor de jeugdgezondheidszorg wordt een vernieuwde richtlijnmodule ontwikkeld die professionals handvatten biedt bij de gespreksvoering en registratie in geval van (vermoedens van) vrouwelijke genitale verminking. Daarnaast werkt het kabinet aan een verkenning voor een adviesplicht, waarbij meldcodeplichtige professionals verplicht advies zouden moeten vragen als zij vermoedens hebben van huiselijk geweld, waaronder vrouwelijke genitale verminking.
Dit jaar is voor onderwijsprofessionals extra scholingsaanbod georganiseerd door de Landelijke Vereniging van Aandachtsfunctionarissen Kindermishandeling, in samenwerking met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Hierin is specifiek aandacht voor het werk van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze bijeenkomsten vinden door het hele land plaats en zijn gratis toegankelijk voor professionals uit het onderwijs. In het verleden is er voor het onderwijs een specifiek handelingskader opgesteld gericht op goed gebruik van de meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld. OCW besteedt zelf geregeld aandacht aan alertheid op signalen via nieuwsbrieven gericht op scholen in het primair en voortgezet onderwijs.
Kunt u de Kamer periodiek blijven informeren over de voortgang van de aanpak van genitale verminking?
Het onderwerp vrouwelijke genitale verminking heeft binnen het beleid onverminderd de aandacht. Gelet op de inhoudelijke samenhang tussen de aanpak van schadelijke praktijken en de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling wordt uw Kamer jaarlijks middels een integrale voortgangsbrief geïnformeerd over de voortgang, ook over de voortgang van de aanpak van genitale verminking.
Wat is de voortgang van de verbeterinitiatieven die zijn genomen voor en door de Koninklijke Marechaussee (KMar) om de indicatoren voor het onderkennen van een risico op vrouwelijke genitale verminking?
Omdat de grenswachter aandacht moet hebben voor meerdere vormen van grensgerelateerde criminaliteit, is het initiatief genomen om een applicatie voor de mobiele (dienst)telefoon te ontwikkelen die snel toegang geeft tot de indicatoren, waaronder die van vrouwelijke genitale verminking. Ook wordt er in samenwerking met de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens gewerkt aan een uitbreiding van de beschikbare gezagsinformatie, waaronder de gezinssamenstelling. Inzicht in de gezinssamenstelling kan een bijdrage leveren bij het onderkennen van indicatoren die onder andere gerelateerd kunnen worden aan vrouwelijke genitale verminking. Hier wordt nog steeds aan gewerkt.
Heeft u de mogelijkheden met Schiphol geïnventariseerd om samen op te trekken in campagnes tegen vrouwelijke genitale verminking?
Ja. Het kabinet werkt in overleg met Schiphol aan een campagne gericht op potentiële slachtoffers van huwelijksdwang, achterlating, vrouwelijke genitale verminking en mensenhandel. Het doel is om potentiële slachtoffers die op het punt staan uit te reizen, te wijzen op de mogelijkheid van spoedhulp bij dreiging van bovengenoemde risico’s. De afgelopen maanden hebben we samen met veldorganisaties gekeken naar de opvolging door de KMar, de inzet van beschermingsmaatregelen en eventuele opvang en zorg (via Veilig Thuis). We werken op dit moment de campagne(uitingen) verder uit. De campagne is gereed voor de zomervakantie.
Hoe staat het met de verkenning vanuit SZW, VWS, JenV, OCW en AenM met partijen in het veld zoals toegezegd in de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Becker op 22 mei 2025?
Deze verkenning is uitgevoerd door het vorige kabinet, om inzichten uit de praktijk op te halen voor eventuele nieuwe acties binnen de aanpak van schadelijke praktijken. Tegen die achtergrond is middels een expertsessie gekeken naar knelpunten in de aanpak, de behoeften van partijen in het veld en effectieve interventies. Deze verkenning heeft waardevolle inzichten opgeleverd, waaronder het belang van de inzet van sleutelpersonen en de noodzaak van een samenhangende interdepartementale aanpak. Deze inzichten worden binnen het huidig beschikbare financiële kader meegenomen in lopende of nog op te starten projecten en subsidies, onder meer gericht op het versterken van de samenwerking tussen betrokken partijen, het bevorderen van deskundigheid en het beter benutten van bestaande initiatieven.
De inzichten over de aanpak van vrouwelijke genitale verminking (en andere vormen van geweld zoals huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld) zullen ook worden meegenomen in het nog op te stellen Nationaal Actieplan Geweld tegen vrouwen en Huiselijk Geweld.
Bent u bereid te kijken of en hoe het aanbevelen van genitale verminking strafbaar kan worden gesteld, dan wel beter kan worden vervolgd onder het huidige strafrecht?
Momenteel is het in het openbaar oproepen tot en verheerlijken van vrouwelijke genitale verminking in voorkomende gevallen al strafbaar, namelijk als anderen daarmee worden aangespoord tot het toebrengen van zulke genitale verminking. In dat geval kan immers sprake zijn van opruiing (artikel 131 Sr) of het aanzetten tot geweld tegen vrouwen wegens hun geslacht (artikel 137d Sr). Verder is het dwingen van vrouwen en meisjes om genitale verminking te ondergaan strafbaar (artikel 284 Sr).
In aanvulling op deze bestaande wetgeving, wordt gewerkt aan een implementatiewetsvoorstel ter uitvoering van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn EU 2024/1385). Dit wetsvoorstel – dat naar verwachting op korte termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden – bevat een aantal nadere aanscherpingen van het strafrechtelijk kader. Het gaat onder andere om het strafbaar stellen van degene die een vrouw of meisje ertoe dwingt of beweegt om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan (of daar een poging toe doet). Daarmee wordt eveneens uitvoering gegeven aan de motie-Eerdmans om verheerlijking en propaganda van vrouwelijke genitale verminking strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 9619), zoals eerder toegezegd (Handelingen II 2024/25, nr. 89, item 3, p. 9). Hierdoor worden ook degenen die vrouwen of meisjes – ook zonder dat sprake is van dwang – (proberen) over te halen om zich te onderwerpen aan vrouwelijke genitale verminking, strafbaar.
Het bericht ‘Mishandeling van ouderen onbelicht’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veilig Thuis is blij met meer meldingen, maar maakt zich om één groep zorgen: «Er gebeurt veel meer dan we nu zien»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Deelt u de zorgen dat ouderenmishandeling vermoedelijk veel vaker voorkomt dan uit de officiële meldcijfers blijkt?
Voor een verbeterd inzicht is representatief onderzoek naar de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling noodzakelijk. Op dit moment voert de Universiteit Maastricht grootschalig onderzoek uit naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten worden in de tweede helft van 2026 verwacht en zullen leiden tot een betrouwbare schatting van de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Het vermoeden van een discrepantie tussen de meldcijfers van Veilig Thuis en de werkelijke omvang is gebaseerd op een onderzoek van Regioplan (2018). Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling. Afgezet tegen de uitkomsten van Regioplan is het aantal meldingen van ouderenmishandeling bij Veilig Thuis laag. Er zijn tegelijkertijd geen actuelere onderzoeken bekend die wijzen op aanzienlijk hogere schattingen. Om die reden kan op dit moment niet met zekerheid worden vastgesteld hoe groot het verschil is tussen de officiële meldcijfers en de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Ik herken echter het vermoeden dat er sprake zou kunnen zijn van onderrapportage. Dat ouderenmishandeling moeilijk zichtbaar wordt hangt samen met verschillende factoren. Zo is er vaak sprake van schaamte en taboe, afhankelijkheid van de pleger, sociaal isolement en handelingsverlegenheid bij omstanders en professionals. Daarnaast zijn signalen van ouderenmishandeling in de praktijk vaak minder zichtbaar en minder eenduidig dan bij andere vormen van huiselijk geweld, waardoor herkenning lastiger kan zijn. Veranderingen in gedrag, gezondheid of zelfredzaamheid kunnen bijvoorbeeld ook het gevolg zijn van ouderdom, ziekte, dementie, eenzaamheid of medicatiegebruik. Hierdoor kan het lastiger zijn onderscheid te maken tussen kwetsbaarheid door veroudering en signalen van mishandeling.
Klopt het dat in 2025 bij Veilig Thuis slechts 4.800 meldingen van ouderenmishandeling zijn gedaan, terwijl wordt geschat dat jaarlijks meer dan 210.000 thuiswonende ouderen slachtoffer zijn van ouderenmishandeling?
Het meest recente grootschalige onderzoek van Regioplan (2018) geeft percentages van ouderenmishandeling. Op basis daarvan circuleren verschillende cijfers en schattingen over de omvang van het probleem. Het onderzoek van de Universiteit Maastricht zal bijdragen aan een actuelere schatting van de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Hoe verklaart u dit grote verschil tussen het aantal vermoedelijke slachtoffers en het aantal meldingen?
Dit verschil hangt samen met het feit dat adviezen en meldingen bij Veilig Thuis laten zien wat daadwerkelijk in beeld komt, terwijl de verwachting is dat ouderenmishandeling in de praktijk vaker verborgen blijft en niet altijd wordt herkend of gemeld.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als ouderen die afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten niet veilig zijn in hun eigen huis?
Ja, daar ben ik het mee eens. Kwetsbare ouderen moeten veilig kunnen zijn in hun eigen huis, ook wanneer zij afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten.
Welke concrete maatregelen neemt u om ouderenmishandeling eerder te signaleren, met name bij thuiswonende 65-plussers die afhankelijk zijn van zorg, mantelzorg of financiële hulp?
Voor vroegsignalering is het belangrijk dat professionals toegerust zijn, signalen eerder herkennen, laagdrempelig advies inwinnen bij Veilig Thuis en er een goede samenwerking is tussen zorg, sociaal domein en veiligheidsketen.
Veilig Thuis biedt advies en ondersteuning aan zowel professionals als burgers, ook wanneer nog geen sprake is van acute onveiligheid of een formele melding. Steeds vaker weten professionals en burgers Veilig Thuis in een vroeg stadium te vinden voor advies, wat kan bijdragen aan het voorkomen van escalatie van situaties.
Daarnaast biedt Veilig Thuis informatie over ouderenmishandeling, de bijbehorende signalen en handelingsperspectief voor professionals en betrokkenen. Er zijn regionale voorbeelden waarbij men aansluit bij casuïstiekoverleggen over huiselijk geweld en ouderenmishandeling, waarin professionals uit zorg, sociaal domein en veiligheidsketen samenwerken. In dit soort samenwerkingen zetten professionals steeds vaker signaleringsinstrumenten in die helpen om ouderenmishandeling eerder te herkennen en bespreekbaar te maken.
Daarnaast organiseren regionale netwerken en samenwerkingsverbanden activiteiten waarin kennisdeling en bewustwording centraal staan. Veilig Thuis Gelderland-Zuid neemt bijvoorbeeld deel aan casuïstiekoverleggen over huiselijk geweld en ouderenmishandeling binnen regionale ziekenhuizen. Ook organiseren Veilig Thuis-organisaties bijeenkomsten, scholingen en andere activiteiten om het handelingsperspectief van professionals te versterken en de vroegsignalering van ouderenmishandeling te verbeteren. Daarnaast geven zij in onderwijs- en praktijkcontexten voorlichting en gastlessen om de kennis van (toekomstige) professionals over ouderenmishandeling te vergroten, zodat zij signalen herkennen en eerder kunnen ingrijpen.
Verder biedt Veilig Thuis telefonisch advies, gericht op het doorbreken van taboes en het bespreekbaar maken van ouderenmishandeling. Om drempels te verlagen is Veilig Thuis ook via de chat bereikbaar voor advies en ondersteuning. De chatfunctie wordt op dit moment verder doorontwikkeld met als doel deze 24/7 beschikbaar te maken, naar verwachting binnenkort.
Aanvullend is door het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) een signalenpagina over ouderenmishandeling gelanceerd. Deze pagina biedt informatie over het herkennen van signalen, mogelijke handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning en advisering.
Tot slot is er ook het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), bestaande uit medewerkers van Veilig Thuis-organisaties. Dit platform richt zich op kennisontwikkeling, deskundigheidsbevordering en het versterken van de aanpak van ouderenmishandeling.
In hoeverre worden huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en te melden?
Huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners vallen onder de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De wet verplicht deze beroepsgroepen om te werken met een vast stappenplan bij signalen van ouderenmishandeling.
Binnen dit kader worden professionals in de zorg toegerust om signalen te herkennen en te handelen. De meldcode bevat onder meer de stappen van signaleren, overleg met collega’s, en het inwinnen van advies. In het stappenplan is expliciet opgenomen dat professionals advies kunnen vragen bij of melding kunnen doen bij Veilig Thuis. Voor de wijkverpleging is de richtlijn «Vermoeden van ouderenmishandeling» beschikbaar. Deze richtlijn helpt zorgverleners om alert te zijn, tijdig misstanden te signaleren en adequate maatregelen te nemen. In deze richtlijn wordt ook verwezen naar de meldcode. Aanvullend zijn er ook sectorgerichte trainingen waarin ouderenmishandeling als onderdeel van de bredere meldcode-aanpak wordt behandeld. Door deze combinatie van wettelijke verplichting en de beschikbaarheid van advies- en meldstructuren zoals Veilig Thuis, zijn eerstelijnszorgverleners in beginsel voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en op te volgen.
Tot slot speelt de huisarts een grote rol in de signalering van ouderenmishandeling, omdat huisartsen regelmatig contact hebben met ouderen. Huisartsen zijn net zoals andere eerstelijnszorgverleners verplicht te werken volgens de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, waarin ouderenmishandeling nadrukkelijk wordt genoemd als een van de vormen van huiselijk geweld. Dat betekent dat zij de meldcode moeten kennen en handelen volgens de vijf stappen. Ook heeft de KNMG een podcast beschikbaar gesteld die specifiek ingaat op het herkennen en aanpakken van ouderenmishandeling. Verder is op de website van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) een themapagina ingericht waar informatie over ouderenmishandeling overzichtelijk is gebundeld. Ook heeft de LHV meegeschreven aan de vernieuwde Handreiking Kwetsbare Ouderen (februari 2025) waarin ouderenmishandeling eveneens aan bod komt.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis signalen van ouderenmishandeling vaak pas ontvangt nadat de politie al betrokken is geweest?
Veilig Thuis signaleert dat situaties van ouderenmishandeling regelmatig in beeld komen wanneer de problematiek al is geëscaleerd. In sommige gevallen is daarbij al sprake geweest van acute onveiligheid waarbij inzet van politie noodzakelijk was. Tegelijkertijd is een ontwikkeling zichtbaar waarbij professionals steeds vaker in een eerder stadium advies vragen om signalen te bespreken, wat kan bijdragen aan vroegtijdiger ingrijpen en het voorkomen van verdere escalatie.
Wat zegt dit volgens u over de vroegsignalering door zorgverleners, gemeenten en andere betrokken instanties?
Het herkennen van ouderenmishandeling is complex, mede doordat de problematiek vaak geleidelijk ontstaat, afhankelijkheidsrelaties ingewikkeld zijn, mantelzorgers soms overbelast raken en ouderen terughoudend kunnen zijn om hulp of ondersteuning te vragen. Dat maakt dat er blijvende inzet nodig is op deskundigheidsbevordering, het gebruik van de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, bewustzijn rondom de adviesfunctie van Veilig Thuis en het bevorderen van korte lijnen tussen zorg, sociaal domein en veiligheidspartners.
Tegelijkertijd zijn er ook positieve ontwikkelingen zichtbaar. Professionals en burgers weten Veilig Thuis steeds beter te vinden voor advies, er is meer aandacht voor de veiligheid van ouderen en de samenwerking tussen betrokken organisaties neemt toe. Dat draagt bij aan het eerder bespreekbaar maken van signalen.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat ouderenmishandeling pas zichtbaar wordt wanneer de situatie al is geëscaleerd?
Ik deel het belang dat ouderenmishandeling zo vroeg mogelijk moet worden herkend, zodat kan worden voorkomen dat situaties pas in beeld komen wanneer ze al zijn geëscaleerd. Daarom blijft de inzet gericht op het versterken van vroegsignalering zoals omschreven bij vraag 6.
Herkent u de signalen dat financiële uitbuiting van ouderen voorkomt, bijvoorbeeld doordat kinderen de pinpas van hun ouders afpakken of druk uitoefenen rond testamenten?
Ja, deze meldingen komen voor.
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en aan te pakken?
De huidige aanpak richt zich specifiek op bewustwording rondom financieel misbruik. Een goed voorbeeld hiervan is de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden», een samenwerking van notarissen, banken, ouderenmaatschappelijk werk en Veilig Thuis, gekenmerkt door korte lijnen en expertise. Vanuit VWS wordt samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gestimuleerd dat lokale allianties worden opgezet en versterkt. VWS neemt ook deel aan de Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden, waarin onder andere Veilig Thuis, ouderenbonden, diverse grootbanken, de VNG en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan preventie en aanpak van financieel misbruik.
Daarnaast is er een samenwerking tussen de grootbanken en Veilig Thuis om anoniem te overleggen en vinden binnen de banken trainingen plaats om op dit thema vroegtijdig te signaleren. De banken en Veilig Thuis hebben korte lijnen en melden ook bij Veilig Thuis als zij misstanden tegenkomen en vermoedens hebben van financiële uitbuiting. Veilig Thuis geeft eveneens breder voorlichting aan medewerkers van gemeenten over veilig financieel ouder worden.
Verder is in opdracht van VWS en de VNG een onderzoek uitgevoerd naar de succesfactoren van Lokale Allianties. Dit heeft geleid tot een toolbox met verschillende praktische instrumenten die gratis beschikbaar zijn op de website van huiselijkgeweld.nl. De toolbox stelt gemeenten en lokale partners in staat hun eigen aanpak van financieel misbruik te versterken door lokale allianties op te zetten. Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) zijn gemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van een samenhangende aanpak van huiselijk geweld in hun lokale beleid, daar valt ook het vormgeven van een aanpak gericht op ouderenmishandeling onder.
Aanvullend stelt VWS de fysieke informatiebox «Financieel veilig ouder worden» beschikbaar, die kosteloos online kan worden aangevraagd en steeds beter vindbaar is. Het doel van de box is ouderen informeren en tijdig laten nadenken over de financiële kant van ouder worden, met vragen zoals: hoe regel ik mijn bankzaken goed en veilig? Wie geef ik inzage in mijn administratie als ik het zelf niet meer kan? Waar kan ik terecht als ik iets wil weten over financieel misbruik? De informatieboxen worden veel besteld door gemeenten die de boxen inzetten ter vergroting van het bewustzijn en eventuele vervolgstappen voor ouderen zelf.
Bent u bereid om samen met banken, notarissen, gemeenten, wijkteams en Veilig Thuis te bezien hoe financiële uitbuiting van ouderen sneller kan worden opgespoord?
Ja, wij werken hier al actief aan samen, onder meer binnen de Brede Alliantie Veilig Financieel Ouder Worden, waarin verschillende partijen kennis en signalen bundelen om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en tegen te gaan. Vanuit die bestaande samenwerking zijn wij bereid om met de Brede Alliantie verder te bezien hoe signalering, bewustwording en opvolging nog effectiever kan worden ingericht. Zo zijn er recente ontwikkelingen bij banken, waarbij het onderwerp onder de aandacht wordt gebracht bij medewerkers om het bewustzijn rondom financieel misbruik te vergroten. Ook werken we binnen de alliantie aan de versterking van de onderlinge samenwerking tussen partijen. Een voorbeeld hiervan is een betere bereikbaarheid en samenwerking tussen de banken en Veilig Thuis, zodat ze elkaar sneller weten te vinden bij zorgen over de veiligheid of financiële situatie van een oudere.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal potentiële mantelzorgers niet meegroeit, terwijl de druk op mantelzorgers toeneemt?
Als gevolg van de vergrijzing stijgt het aantal ouderen met een zorgvraag. Het aantal (potentiële) zorgverleners, evenals het aantal (potentiële) mantelzorgers groeit niet mee. Dit kan leiden tot een toenemende druk op mantelzorgers, wat ook betekent dat het risico op overbelasting toeneemt. Ik vind het belangrijk dat mantelzorgers ondersteund worden om zo het risico op overbelasting te verkleinen. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en, in aanvulling daarop, in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg heb ik dan ook specifieke aandacht voor het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers.
Deelt u de zorg dat overbelasting van mantelzorgers kan bijdragen aan ontspoorde mantelzorg en daarmee aan ouderenmishandeling?
Overbelasting en onmacht bij mantelzorgers kan leiden tot het overschrijden van grenzen. Zonder dat dit opzettelijk is kunnen er dan situaties ontstaan waarin sprake is van «ontspoorde» mantelzorg. Om te voorkomen dat mantelzorgers overbelast raken vind ik het belangrijk dat er passende ondersteuning is voor mantelzorgers.
Welke concrete ondersteuning krijgen mantelzorgers om te voorkomen dat overbelasting leidt tot onveilige situaties voor kwetsbare ouderen?
Een belangrijk doel van mantelzorgondersteuning is het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger. Daarmee heeft dit ook een preventieve werking op het voorkomen van «ontspoorde» mantelzorg. Gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 de taak om mantelzorgers te ondersteunen. Zij bieden verschillende vormen van mantelzorgondersteuning aan, omdat de ondersteuningsbehoefte van mantelzorgers verschilt per (mantelzorg)situatie. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg is deze diversiteit in het ondersteuningsaanbod, volgens de acht vraaggebieden van mantelzorgers, daarom ook het uitgangspunt.
Bent u van mening dat gemeenten voldoende zicht hebben op overbelaste mantelzorgers en kwetsbare ouderen die thuis wonen?
Gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 een wettelijke taak in de ondersteuning van mantelzorgers en het bieden van maatschappelijke ondersteuning aan kwetsbare inwoners, waaronder ouderen die thuis wonen. In de praktijk verschilt de mate waarin gemeenten hier zicht op hebben en de wijze waarop zij dit organiseren, bijvoorbeeld afhankelijk van lokale samenwerkingsstructuren en netwerken.
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat Ouderenzorg informeren over de ontwikkeling van het aantal meldingen van ouderenmishandeling in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar aard van de mishandeling, zoals fysieke mishandeling, psychische mishandeling, verwaarlozing en financiële uitbuiting? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de CBS-cijfers zijn in 2025 circa 2.600 meldingen van ouderenmishandeling (65+) bij Veilig Thuis geregistreerd. Het CBS maakt daarbij onderscheid tussen meldingen enerzijds en een bredere categorie registraties en contactmomenten anderzijds, waarin ook adviesvragen en andere vormen van contact rondom (vermoedens van) ouderenmishandeling zijn opgenomen.
Binnen deze meldingen is de volgende uitsplitsing naar aard van het geweld zichtbaar: 1.645 meldingen van psychische of emotionele mishandeling, 1.090 meldingen van fysieke mishandeling, 710 meldingen van financiële uitbuiting, 520 meldingen van verwaarlozing en 75 meldingen van seksueel misbruik.
Het hogere cijfer van circa 4.800 heeft betrekking op de bredere categorie registraties en contactmomenten rondom (vermoedens van) ouderenmishandeling, waaronder ook adviesvragen. Daarbij kan één casus meerdere contactmomenten of registraties omvatten, bijvoorbeeld een adviesvraag gevolgd door een melding of meerdere signalen binnen één situatie.
Op basis van de CBS-cijfers vanaf 2019 is zichtbaar dat het aantal geregistreerde meldingen van ouderenmishandeling in de meest recente jaren (2024–2025) iets hoger ligt dan aan het begin van de periode. Het CBS spreekt daarbij niet van een sterke stijging, maar van een lichte toename in geregistreerde meldingen over de tijd.
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met ouderenorganisaties en met een concreet actieplan te komen om ouderenmishandeling beter zichtbaar te maken, sneller te signaleren en harder aan te pakken, en de Kamer vóór het commissiedebat Ouderenzorg te informeren over de eerste stappen die hierin worden gezet?
De aanpak van ouderenmishandeling maakt onderdeel uit van de bredere inzet op huiselijk geweld. Binnen die inzet wordt al actief samengewerkt met ouderenorganisaties, onder andere via de Brede Alliantie. Het contact met deze organisaties is structureel en gericht op het ophalen van signalen uit de praktijk en het tegengaan van ouderenmishandeling. Daarnaast neemt VWS deel aan het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), waar signalen en ervaringen uit de praktijk worden gedeeld.
Deze bestaande samenwerking en activiteiten worden onverminderd voortgezet, met blijvende aandacht voor het beter zichtbaar maken en eerder signaleren van ouderenmishandeling binnen de huidige structuren.
De rechtelijke uitspraak dat X (Twitter) volledige inzage moet geven in persoonsgegevens |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 april 2026 in de zaak tussen X (Twitter) en een individu om inzage te mogen krijgen in de gegevens die het bedrijf van hem bijhoudt?1
Ja.
Wat is uw reactie op deze uitspraak en de gevolgen die het heeft voor de interpretatie van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zowel nationaal als in Europees verband?
De uitspraak is gedaan in een specifieke casus, waarin de rechter op basis van de feiten en omstandigheden van het geval tot een oordeel is gekomen. Van een nieuwe interpretatie van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geeft de uitspraak geen blijk. Het is veeleer een toepassing van deze bepaling in de praktijk. De normen uit de AVG laten daar ook ruimte toe; zij staan een weging van belangen en een risicogebaseerde aanpak voor. Op dit moment zie ik in deze uitspraak dan ook geen aanleiding om te concluderen dat de interpretatie van artikel 15 van de AVG, zowel op nationaal als in Europees verband, hierdoor wezenlijk wijzigt.
Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen om een onafhankelijke analyse uit te voeren naar de gevolgen van de uitspraak voor de interpretatie, handhaving en uitoefening van het inzagerecht voor individuele gebruikers?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) ziet als onafhankelijke toezichthouder toe op de naleving van de AVG en kan handhavend optreden wanneer sprake is van een overtreding van de regels die zijn neergelegd in de AVG. Daarnaast heeft de toezichthouder een belangrijke rol in voorlichting. Op dit moment biedt de AP via haar website duidelijke informatie en handvatten voor de uitoefening van het inzagerecht. Indien zij van mening is dat nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven voor een nadere duiding of actualisatie van deze handvatten, ligt het in de rede dat de AP dit zelfstandig zal bezien. Ik zie alles bijeengenomen geen reden om de AP hierom te vragen.
Bent u op de hoogte van meer (soortgelijke) rechtszaken die tegen grote techbedrijven als X (Twitter) lopen? Welke gevolgen heeft de uitspraak op deze lopende zaken?
Ik beschik niet over deze informatie.
Hoe wordt er op toegezien dat X (Twitter) de uitspraak van de rechter naar behoren uitvoert en (nagenoeg) volledige inzage geeft in de persoonsgegevens van de gebruiker, gezien het feit dat deze partij eerder al weigerde dit te doen?
In civielrechtelijke zaken zoals deze is het aan partijen zelf om uitvoering te geven aan een rechterlijke uitspraak. De uitspraak in kwestie is uitvoerbaar bij voorraad, wat inhoudt dat aan de uitspraak direct gevolg moet worden gegeven. Indien een partij dit nalaat, staan voor de wederpartij onder andere civielrechtelijke middelen open om nakoming af te dwingen.
Bent u op de hoogte dat X (Twitter) in deze zaak meermaals heeft geprobeerd om de andere partij een spreekverbod op te leggen? Erkent u dat deze handelingen vanuit een groot internationaal techbedrijf intimiderend is tegenover één individu?
Ik heb kennisgenomen van berichten in de media, waarin wordt gesteld dat X getracht zou hebben om de andere partij een spreekverbod op te leggen. Behalve wat hierover naar buiten is gebracht, beschik ik niet over informatie op basis waarvan ik objectief kan vaststellen wat er tussen partijen is voorgevallen. Ik wil daar dan ook geen uitspraken over doen.
Biedt de richtlijn tegen Strategic Lawsuit Against Public Participation (anti-SLAPP-richtlijn) genoeg bescherming tegen individuen die een zaak aanspannen richting grote internationale techbedrijven zoals X (Twitter)? Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen om individuen die procederen tegen dit soort bedrijven te beschermen?
De richtlijn betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie») bevat maatregelen die mensen en organisaties die actief zijn in het publieke debat, kunnen gebruiken om zich te verweren tegen juridische procedures die tégen hen worden aangespannen met het doel om hen het zwijgen op te leggen. Dergelijke rechtszaken staan ook wel bekend onder de Engelstalige afkorting SLAPP (Strategic Lawsuits Against Public Participation). Er is geen sprake van een SLAPP als een individu zelf een procedure aanspant tegen een groot internationaal techbedrijf. Als het bedrijf in reactie op de rechtszaak zelf procedures start tegen het individu of een tegenvordering indient, dan kan daar onder omstandigheden wel sprake van zijn. Het Nederlandse procesrecht voorziet in afdoende maatregelen om hiertegen op te komen. Ter uitvoering van de richtlijn moet enkel de door de richtlijn voorgeschreven maatregel van zekerheidstelling nog worden geïmplementeerd. Het betreffende wetsvoorstel is aanhangig bij Uw Kamer2.
Bent u bekend met de afwijzing van een handhavingsverzoek van de betrokken individu bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM), mede omdat er al een civiele zaak loopt?2 Kunt u er in samenwerking met de ACM op toezien dat handhavingsverzoeken en civiele zaken elkaar in het vervolg niet meer uitsluiten?
Bij de behandeling van handhavingsverzoeken past de ACM haar prioriteringsbeleid toe. Daarbij kijkt ACM naar de schadelijkheid van het gedrag waar het verzoek op is gericht, hoe groot het maatschappelijk belang is en in hoeverre ACM in staat is doeltreffend en doelmatig op te treden. In het kader van een beoordeling of de inzet van middelen efficiënt is, of de ingeschatte impact die optreden van ACM kan hebben, kan het reeds lopen van een civiele procedure een factor zijn die wordt meewegen om een verzoek al dan niet in behandeling te nemen. Als een civiele rechter het geschil al behandelt, kan de ACM concluderen dat haar inzet minder noodzakelijk is. De ACM heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid waar zij onafhankelijk van politieke sturing invulling aan geeft. Het kabinet kan en gaat daar niet in treden.
Welke gevolgen heeft het als X (Twitter) niet voldoet aan deze uitspraak? Kan het bedrijf worden gesanctioneerd of alsnog tot openheid gedwongen worden?
Voor dit antwoord verwijs ik naar het antwoord op vraag 5. Dit is iets tussen partijen; het kabinet heeft hierin geen rol.
Zijn de huidige boetemogelijkheden voor het niet naleven van de AVG volgens u voldoende effectief? Bent u bereid te onderzoeken of er aanvullende handhavingsmogelijkheden, zoals het persoonlijk aansprakelijk maken van bestuurders zoals in andere EU-landen,3 wenselijk zijn voor bedrijven die stelselmatig de wet niet naleven?
Ik beschik niet over aanknopingspunten dat het bestaande instrumentarium tekort schiet. Artikel 82 AVG voorziet in een recht op schadevergoeding; de AVG sluit daarbij niet uit dat bestuurders persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor schade die is ontstaan door schendingen van de AVG. In Nederland biedt het burgerlijk recht hiervoor mogelijkheden. Verder bestaat de mogelijkheid dat ex artikel 83 AVG een persoonlijke boete aan een bestuurder of leidinggevende wordt opgelegd, wanneer in strijd met de AVG is gehandeld en dat handelen als functioneel daderschap aan een of meer personen kan worden toegerekend.
Erkent u dat, na deze historische uitspraak, elke gebruiker het recht heeft om (nagenoeg) volledige inzage te verkrijgen in de gegevens die X (Twitter) over hem of haar bijhoudt? Voor welke andere (soorten) bedrijven zet deze uitspraak een precedent?
De uitspraak is een belangrijke invulling van het inzagerecht uit de AVG in de praktijk. Uit de uitspraak wordt duidelijk dat weigeringsgronden slechts onder uitzonderlijke omstandigheden met succes kunnen worden ingeroepen. Voor welke andere verwerkingen deze uitspraak in het bijzonder precedentwerking heeft, kan ik niet overzien. Zoals ook beschreven in mijn antwoord op vraag 2, heeft de uitspraak betrekking op een specifieke casus waarin de rechter op basis van concrete feiten, omstandigheden van het geval en een belangenafweging tot een oordeel is gekomen.
Bent u het met de indieners eens dat de toegang tot het inzagerecht voor alle gebruikers toegankelijk moet zijn en uitgeoefend kan worden, ongeacht juridische kennis en middelen?
Ik onderschrijf deze stelling. Dat de uitoefening van het recht op inzage zo toegankelijk mogelijk moet zijn, is ook mijn opvatting. Dit geldt voor alle rechten die onder de AVG aan de burger toekomen. De AP geeft op haar website duidelijke informatie en handvatten ten aanzien van verzoeken om inzage. Daarnaast is op de website van de AP een voorbeeldbrief voor het doen van een verzoek tot het verwijderen persoonsgegevens te vinden.
Hoe kan de rechtspositie van individuele gebruikers versterkt worden om zich met gemak te beroepen op het inzagerecht richting grote techbedrijven? Welke maatregelen kunt u hiertoe nemen?
In het Coalitieakkoord 2026–2030, «Aan de slag», is opgenomen dat het kabinet voornemens is te werken aan een herziening en vereenvoudiging van de AVG in Europees verband en in de toepassing van de huidige AVG in Nederland. Mijn ambtsvoorganger heeft daarnaast toegezegd om te gaan werken aan een brede revisie van de Nederlandse Uitvoeringswet AVG (UAVG)5. Hierbij zal ook aandacht zijn voor rechtsbescherming en de toegang daartoe.
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor een eensgezinde uitleg van het inzagerecht van de AVG conform de rechtelijke uitspraak, en de Nederlandse interpretatie te erkennen als norm binnen alle EU-lidstaten?
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 2 beschreven, zie ik in deze uitspraak geen nieuwe interpretatie van het desbetreffende artikel, doch vooral een toepassing in de geest daarvan. Ik heb geen aanleiding om te concluderen dat de uitleg van artikel 15 van de AVG zowel op nationaal als in Europees verband, hierdoor wezenlijk anders moet komen luiden.
Bent u het met de indieners eens dat grote techbedrijven zoals X (Twitter) zouden moeten meebetalen aan de handhaving van de wetgeving die zij overtreedt, zoals het geval is onder de Digital Services Act, maar nog niet het geval is onder de AVG?
De Digital Services Act (DSA) voorziet in artikel 43 in een jaarlijkse toezichtsvergoeding aan de Europese Commissie voor enkele aangewezen online platforms (very large online platforms, VLOP) en dat bovendien niet in alle, maar slechts in specifieke gevallen. Het betreft hier een andere systematiek dan onder de AVG, waar bedrijven niet betalen voor het toezicht of de handhaving op zichzelf, maar pas financiële gevolgen en boetes dragen als zij de regels overtreden. Ik zie geen reden voor een andere opzet onder de AVG.
Hoeveel belastinggeld betaalt X (Twitter) momenteel in Nederland?
Gelet op de fiscale geheimhoudingsplicht die is neergelegd in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden door de belastinginspecteur geen uitspraken gedaan over de fiscale positie van individuele belastingplichtigen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoord.
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Mirjam Bikker (CU), Jan Struijs (50PLUS), Diederik van Dijk (SGP), Laurens Dassen (Volt), Tijs van den Brink (CDA), Sarah Dobbe (SP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Ik vind de signalen die naar voren komen in de uitzending van Zembla zorgelijk en neem deze serieus. Het inzetten van rolmodellen, waaronder streamers en influencers, voor online kansspelreclame is sinds de inwerkingtreding van het rolmodellenverbod per 30 juni 2022 niet toegestaan. Dit verbod is destijds ingevoerd om met name jongeren en jongvolwassenen beter te beschermen tegen de risico’s van kansspelen en negatieve beïnvloeding door rolmodellen in dat kader. Jongeren zijn bijzonder kwetsbaar voor beïnvloeding, omdat de impulscontrole op die leeftijd nog onvoldoende is ontwikkeld.
Het beeld dat uit de uitzending naar voren komt, laat zien dat er in de praktijk constructies zijn gebruikt die op gespannen voet staan met de bedoeling van de regelgeving. Dat vind ik kwalijk, des te meer als deze constructies gebruikt worden om jongeren te bereiken.
De Kansspelautoriteit (Ksa) is belast met het toezicht op de naleving van de reclameregels voor kansspelen en heeft aangegeven dat zij, mede op basis van ontvangen signalen, haar handhaving op dit punt heeft geïntensiveerd.
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Ik kom niet tot één van beide geschetste conclusies. Het rolmodellenverbod is zowel in de tekst van de regelgeving als in de toelichting daarop duidelijk van toepassing op influencers en daarmee op streamers.
In de uitzending van Zembla wordt weergegeven dat in de praktijk constructies zijn toegepast waarbij is getracht de reikwijdte van het verbod te beperken. Naar aanleiding van signalen hierover heeft de Ksa haar toezicht en handhaving op deze constructies gericht en verduidelijkt dat dergelijke constructies in strijd zijn met de regels. Zoals ook in de Zembla-uitzending genoemd wordt, hebben de aangesproken vergunninghouders hun overeenkomsten met deze streamers en hun platforms beëindigd. Om eventuele verdere onduidelijkheid, onder andere op dit punt, weg te nemen, heeft de Ksa in februari van dit jaar het rolmodellenverbod verder verduidelijkt.2
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
De Ksa houdt doorlopend toezicht op de naleving van het rolmodellenverbod en aanverwante reclamebeperkingen. Daarbij verricht de Ksa risicogestuurd onderzoek naar mogelijke overtredingen, onder meer op basis van signalen, meldingen en eigen monitoring. De Ksa rapporteert hierover periodiek in onder meer haar jaarverslagen en toezichtcommunicatie. Exacte cijfers worden daar niet bij genoemd. Wel blijkt uit het jaarverslag 2025 dat de Ksa ook in dat jaar nog een aantal overtredingen van het rolmodellenverbod heeft geconstateerd. De Ksa geeft aan daartegen te hebben opgetreden en hierover actief te hebben gecommuniceerd, mede om toekomstige overtredingen te voorkomen. Daarnaast zijn waarschuwingen gegeven bij overtredingen van het verbod op sportsponsoring, waarna de betreffende reclame-uitingen zijn beëindigd. Er zijn geen grote overtredingen geconstateerd na invoering van het verbod op sportsponsoring per 1 juli 2025. De kleinere overtredingen, zoals het verkopen van merchandise met het logo van een kansspelaanbieder, zijn gestaakt nadat de desbetreffende aanbieders hierop zijn aangesproken.
De Ksa maakt gebruik van zowel formele als informele toezichtinterventies. Uit het jaarverslag blijkt dat in 2025 nadrukkelijker is ingezet op informele interventies, met name op het terrein van reclame, om overtredingen snel te beëindigen en aanbieders duidelijkheid te geven over de geldende normen.
In algemene zin blijkt uit de meest recente monitoringsrapportages van de Ksa dat de zichtbaarheid van kansspelreclame sinds de invoering van de aangescherpte regels is afgenomen, ook in de online omgeving. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat reclame via sociale media een belangrijk aandachtspunt blijft. De Ksa heeft aangegeven haar toezicht daarop verder te intensiveren.
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Ja, het uitgangspunt van het rolmodellenverbod is bescherming van mensen tegen risico’s van gokken, in het bijzonder kwetsbare groepen zoals jongeren.
In de beleidsregels en de toezichtspraktijk heeft de Ksa verduidelijkt dat influencers die via affiliatie reclame maken ook onder het rolmodellenverbod vallen. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor alle werving- en reclameboodschappen waar zij direct of indirect voor betalen. Deze werving en reclame moet telkens aan de wet- en regelgeving voldoen.
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Ja, die zorg deel ik. Juist reclame via influencers, livestreams en content die informerend van aard lijkt te zijn, kan voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren en jongvolwassenen, minder herkenbaar zijn als reclame.
De Ksa monitort actief het gebruik van rolmodellen, zoals influencers en streamers, bij zowel legale als illegale gokaanbieders. Daaronder vallen ook uitingen op sociale mediaplatforms, livestreamingsdiensten en andere online kanalen waar jongeren en jongvolwassenen vaak actief zijn. Hiervoor gebruikt de Ksa verschillende monitoringsinstrumenten. Daarnaast heeft de Ksa een doorlopend proces om signalen over de inzet van rolmodellen voor gokreclame direct op te pakken. Dan gaat het bijvoorbeeld om signalen van consumenten, maatschappelijke organisaties en andere toezichthouders. De Ksa geeft daarbij prioriteit aan interventies gericht op het aanpakken van illegale gokreclame met bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare groepen.
Tegelijkertijd is toezicht op online content complex, omdat er sprake is van veel uitingen die, als het gaat om illegaal aanbod, snel worden aangepast of verwijderd. Daarom houdt de Ksa risicogestuurd toezicht waarbij met de capaciteit en middelen die voorhanden zijn een inschatting wordt gemaakt van het risico van bepaalde signalen. Ik kijk bij de voorziene wetswijziging voor online gokken ook naar uitvoeringsaspecten in monitoring, toezicht en handhaving op het gebied van reclame.
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Wanneer sprake is van reclame, moeten deze uitingen als zodanig herkenbaar zijn en voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Dit geldt ook voor vergelijkingssites, affiliates en andere. De vergunde aanbieders van kansspelen zijn ervoor verantwoordelijk dat in de overeenkomsten met reclamepartijen deze regels worden nageleefd.
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
In lijn met het coalitieakkoord werk ik aan een verbod op reclame voor online kansspelen. Bij de vormgeving daarvan kijk ik nadrukkelijk naar de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, mede met het oog op het voorkomen van ontwijkingsgedrag.
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Ja, ik ben bekend met deze oproep. Voor zover bij mij bekend betreft de oproep van de Nederlandse ggz en Verslavingskunde Nederland een volledig reclameverbod voor online gokken, zoals ook geuit in een eerdere brief aan de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid.3
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 8 werk ik, in lijn met het coalitieakkoord en de oproep van de Nederlandse ggz en Verslavingskunde Nederland, aan een verbod op reclame voor online kansspelen. Daarbij vind ik het van belang dat het verbod uitvoerbaar en handhaafbaar is, mede met het oog op het voorkomen van ontwijkingsgedrag. Eenduidigheid in regelgeving kan daaraan bijdragen. Ik geef nu prioriteit aan wijzigingen in wet- en regelgeving voor kansspelen op afstand in verband met de zorgelijke ontwikkelingen aldaar. Nadat het wetgevingstraject rond kansspelen op afstand is afgerond, buig ik mij over de eventuele resterende vraagstukken met betrekking tot het landgebonden aanbod.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
De aanpak van seksueel kindermisbruik in Nederland |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de verdenkingen van seksueel misbruik van minderjarige kinderen op een basisschool in Zoetermeer? Deelt u de opvatting dat deze zaak opnieuw duidelijk maakt welke verstrekkende gevolgen seksueel misbruik heeft voor slachtoffers, hun ouders en de betrokken gemeenschap?
Kunt u aangeven hoeveel minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik jaarlijks naar schatting buiten beeld blijven van politie en hulpinstanties, en welke concrete maatregelen u neemt om deze groep beter te bereiken?
Kunt u een overzicht geven van het aantal meldingen, aangiften, vervolgingen en veroordelingen wegens seksueel misbruik van minderjarigen in de afgelopen vijf jaar? Hoe beoordeelt u deze cijfers in verhouding tot de door experts en onderzoeksinstanties geschetste omvang van de problematiek?
Hoe reflecteert u op de bevinding van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat jaarlijks ten minste 20.000 Nederlandse mannen seksueel kindermisbruik plegen in het buitenland? Welke conclusies trekt u uit deze bevinding over de omvang van seksuele interesse in kinderen en het risico op seksueel misbruik door Nederlandse daders, zowel binnen als buiten Nederland?
Welke preventieve voorzieningen zijn momenteel beschikbaar voor personen die seksuele gevoelens richting minderjarigen ervaren en daarvoor hulp zoeken voordat zij strafbare feiten plegen? Is bekend hoeveel personen jaarlijks gebruik van deze voorzieningen en acht u het bereik hiervan voldoende gelet op de omvang van de problematiek die onder meer uit WODC-onderzoek naar voren komt?
Kunt u reflecteren op de conclusies van de Nationaal Rapporteur op het belang van vroegsignalering? In hoeverre zijn scholen, kinderopvangorganisaties, sportverenigingen en andere instellingen die met kinderen werken verplicht om medewerkers te scholen in het herkennen van signalen van seksueel misbruik? Kunt u een overzicht geven van alle bij u bekende preventieve maatregelen, en acht u deze voldoende?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens minderjarigen de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis zijn binnengekomen en welk percentage daarvan heeft geleid tot nader onderzoek, hulpverlening of strafrechtelijke vervolging?
Kunt u reflecteren op de bevinding van de Nationaal Rapporteur dat slachtoffers van seksueel geweld vaak pas jaren na het misbruik melding maken? Welke aanvullende maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat kinderen eerder hulp kunnen zoeken en misbruik sneller wordt gesignaleerd en gestopt?
Beschikken de politie en gespecialiseerde zedenteams volgens u over voldoende capaciteit en expertise om meldingen van seksueel misbruik van kinderen tijdig te onderzoeken? Kunt u inzicht geven in de huidige wachttijden, achterstanden en personele capaciteit binnen de zedenketen?
Kunt u uiteenzetten welke concrete en meetbare doelstellingen het kabinet hanteert voor het terugdringen van seksueel kindermisbruik in Nederland? Welke indicatoren gebruikt u om vast te stellen of het beleid daadwerkelijk leidt tot minder slachtoffers?
De toename van explosies in woonwijken |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de recente explosies in Amsterdam, Breda, Poortugaal, Eindhoven en Spijkenisse en het beeld dat explosies in woonwijken steeds vaker voorkomen en zich op sommige locaties herhalen?
Hoeveel explosies en pogingen daartoe hebben in de afgelopen tien jaar plaatsgevonden in woonwijken? Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, politieregio en naar (vermoedelijk) motief?
Hoe heeft het aantal explosies en pogingen daartoe in woonwijken zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld en welke mogelijke trend ziet u daarin voor de komende jaren? Kunt u daarbij aangeven welke factoren volgens politie, het Openbaar Ministerie en andere betrokken instanties bijdragen aan deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de maatschappelijke impact van deze ontwikkeling op bewoners, in het bijzonder in buurten waar herhaaldelijk explosies plaatsvinden en gevoelens van onveiligheid langdurig aanwezig blijven?
Hoe verklaart u dat in meerdere gevallen in korte tijd opnieuw explosies konden plaatsvinden in dezelfde straat of directe omgeving, zoals recent in Breda, Poortugaal en Spijkenisse?
Beschikken gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie momenteel over een eenduidige werkwijze voor risicobeoordeling en opvolging na een eerste explosie om herhaling te voorkomen? Zo ja, hoe ziet die eruit en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Welke concrete maatregelen worden direct ingezet nadat sprake is van een explosie bij een woning, bijvoorbeeld op het gebied van beveiliging, toezicht, informatievoorziening en bescherming van bewoners en omwonenden?
Welke juridische, bestuurlijke en operationele instrumenten hebben burgemeesters op dit moment om op te treden na een explosie en acht u dat instrumentarium toereikend?
Hoeveel explosiezaken zijn in de afgelopen tien jaar opgehelderd? Dat wil zeggen: hoe veel verdachten zijn aangehouden en in hoeveel zaken is het daadwerkelijk gekomen tot een veroordeling?
Acht u de huidige opsporings- en vervolgingscapaciteit binnen politie, forensische opsporing en het Openbaar Ministerie voldoende om explosiezaken snel en zichtbaar af te handelen? En zo ja, waar blijkt dat uit?
Hoe vaak waren in de afgelopen tien jaar minderjarigen of jongvolwassenen betrokken bij explosiezaken en welke inzichten bestaan over de rekrutering van jongeren voor dit type geweld?
Welke interventies worden ingezet om te voorkomen dat jongeren worden ingezet voor intimidatie, geweld en explosies en hoe wordt de effectiviteit van die aanpak beoordeeld?
Heeft u voldoende zicht op de herkomst, handel en verspreiding van de explosieve middelen die worden gebruikt bij deze incidenten?
Het bericht 'Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld»?1
Wat is uw reactie op de bevindingen van Nederlandse deskundigen over het verband tussen huiselijk geweld en suïcide?
Herkent u het beeld dat huiselijk geweld, psychische mishandeling, stalking en dwingende controle belangrijke risicofactoren zijn voor suïcidaliteit onder vrouwen? Zo ja, op welke manier wordt hiermee rekening gehouden in beleid en praktijk?
Zijn er cijfers bekend waaruit blijkt in hoeveel gevallen van suïcide sprake was van (een voorgeschiedenis van) huiselijk geweld? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe dit beter in beeld kan worden gebracht?
Bent u bereid te bezien of de registratie van huiselijk geweld, suïcidepogingen en suïcides beter op elkaar kan worden aangesloten, zodat patronen eerder kunnen worden herkend en gerichter beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden voor politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen wanneer er aanwijzingen zijn dat huiselijk geweld, psychische mishandeling of dwingende controle hebben bijgedragen aan een suïcide?
Bent u bekend met het fenomeen «staged suicide», waarbij een overlijden ten onrechte als suïcide wordt aangemerkt terwijl sprake kan zijn van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre komt dit volgens u voor in Nederland?
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van staged suicide in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kan het aangekondigde wetsvoorstel over de strafbaarstelling van psychisch geweld bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling mogelijk leidt tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide?
Op welke wijze wordt binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke risicogroep?
Structurele financiering voor dierenhulp bij rampen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de projectsubsidie vanuit de Ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), verleend aan Stichting Dieren in Rampen ten behoeve van de uitvoering van de motie-Wassenberg (Kamerstuk 29 517, nr. 218) en motie-Wassenberg c.s. (Kamerstuk 29 517, nr. 249), loopt tot april 2027?
Deelt u de mening dat wanneer dieren niet zijn meegenomen in crisisplannen en hulpverlening, dit aantoonbaar leidt tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld wanneer mensen weigeren te evacueren, terugkeren naar onveilige gebieden en extra risico’s nemen om hun dieren te redden?
Kunt u beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van vertraagde evacuaties en de vergrote druk op hulpdiensten die hieruit voortvloeit?
Deelt u de mening dat Stichting Dieren in Rampen een waardevolle bijdrage levert en kan blijven leveren aan het waarborgen en coördineren van professionele dierenhulp bij grootschalige incidenten, rampen en crises in nauwe aansluiting op de crisisbeheersing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe dierenhulporganisaties worden betrokken bij de concrete regionale uitwerking van een hoofddoelstelling van ons Landelijk Crisisplan Natuurbranden: het redden van mensen en dieren, inclusief de overweging van ontruiming en evacuatie?
Kunt u aangeven hoe, in navolging van het Landelijk Crisisplan Natuurbranden, ook in andere (nieuwe) relevante crisis- en weerbaarheidsplannen wordt geborgd dat dieren en dierenhulpverleners expliciet worden opgenomen? Wordt Stichting Dieren in Rampen hierbij actief uitgenodigd om input te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te komen met structurele en uitgebreidere financiering voor Stichting Dieren in Rampen, zodat opgebouwde kennis, infrastructuur en samenhang niet verloren gaan en de verdere integratie van dieren in de crisisstructuur kan worden voortgezet?
Bent u bereid het belang van dierenhulp als onderdeel van nationale weerbaarheid expliciet te erkennen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
De voorgenomen aanscherping van de Wapenwet |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften?
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers, sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten’ |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten»?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat burgers geïntimideerd worden met geweld, vandalisme en discriminerende symbolen?
Herkent u het geschetste beeld dat er sprake lijkt te zijn van een toename van gewelds- en vandalisme-incidenten bij moskeeën?
Gezien de hoeveelheid incidenten en de specifieke kenmerken ervan, in hoeverre is hier naar uw mening sprake van een patroon van gerichte aanvallen met een discriminerend karakter?
Wat gaat u doen om een voortzetting van de reeks incidenten tegen te gaan, daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen?
Heeft u veiligheidsmaatregelen getroffen naar aanleiding van de recente incidenten? Zo ja, welke?
Bent u bereid om met de belangenorganisaties die hun zorgen hebben uitgesproken in gesprek te treden over wat er nodig is om de veiligheid en het gevoel van veiligheid te herstellen en moslimdiscriminatie tegen te gaan en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Kunt u uw reactie in het NOS-bericht, waarin u stelt dat u extra middelen voor de bescherming van moskeeën niet aan de orde acht, verder toelichten?
Klopt het dat er geen centrale registratie bestaat van het aantal incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën?
Bent u bereid blijvend te inventariseren hoe vaak dergelijke incidenten plaats hebben gevonden en plaatsvinden rond moskeeën en andere religieuze instellingen die geregeld doelwit van intimidatie zijn, zodat inzichtelijk kan worden of nadere veiligheidsmaatregelen nodig zijn?
Het Centrum Seksueel Geweld als toegangspoort voor zedenzaken |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten hoe de huidige instroom van meldingen, aangiften en signalen van seksuele misdrijven verloopt en welke rol het Centrum Seksueel Geweld (CSG) daarin momenteel vervult?
Hoe verloopt de samenwerking tussen het CSG, de politie, de zedenrecherche, het Openbaar Ministerie en Slachtofferhulp Nederland in de praktijk?
Welke gegevens worden tussen deze organisaties gedeeld, welke ICT-koppelingen ondersteunen deze gegevensuitwisseling en welke juridische of praktische belemmeringen bestaan daarbij?
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit binnen de zedenketen, mede in het licht van vacatures, ziekteverzuim, doorlooptijden, werkvoorraden en een mogelijk verdere stijging van de instroom?
Bent u het ermee eens dat een vorm van triage aan de voorkant noodzakelijk kan zijn om schaarse opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Is in het verleden onderzocht of het CSG een formele intake-, poortwachters- of triagefunctie kan vervullen voor meldingen van seksuele misdrijven? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
Welke wettelijke, organisatorische, financiële, privacyrechtelijke of andere belemmeringen staan een dergelijke rol van het CSG eventueel in de weg?
Welke voordelen en risico’s ziet u in een grotere rol van het CSG bij de beoordeling, doorgeleiding en prioritering van meldingen van seksuele misdrijven?
Deelt u de opvatting dat niet iedere melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag automatisch hoeft te leiden tot een strafrechtelijk traject, mits slachtoffers wel snel toegang houden tot passende zorg, ondersteuning en bescherming?
Welke alternatieve routes naast strafvervolging bestaan er momenteel voor slachtoffers en hoe worden zij hierover geïnformeerd?
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt welke behoeften slachtoffers hebben ten aanzien van zorg, herstel, bescherming en strafvervolging? Zo ja, hoe zien deze gegevens eruit?
In hoeveel gevallen kiezen slachtoffers uiteindelijk niet voor aangifte nadat zij informatie of begeleiding hebben ontvangen, zowel absoluut als procentueel?
Deelt u de opvatting dat voor sommige slachtoffers erkenning, hulpverlening of herstel belangrijker kan zijn dan een strafproces en hoe wordt hiermee binnen de zedenketen rekening gehouden?
Welke eerdere onderzoeken, pilots, evaluaties of beleidsinitiatieven zijn uitgevoerd naar centrale intake, triage of ketensamenwerking binnen de aanpak van seksuele misdrijven en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Zijn er internationale voorbeelden bekend waarbij gespecialiseerde centra zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken?
Deelt u de opvatting dat het CSG kan bijdragen aan een betere selectie en doorgeleiding van zaken die zich daadwerkelijk lenen voor strafrechtelijke afdoening? Zo ja, welke stappen zijn nodig om dit mogelijk te maken
Bent u bereid samen met politie, Openbaar Ministerie, het CSG, Slachtofferhulp Nederland en zorgpartners een verkenning uit te voeren naar een toekomstbestendige inrichting van de zedenketen, waarbij specifiek wordt gekeken naar centrale intake, triage, digitalisering, gegevensuitwisseling en capaciteitsverdeling? Zo ja, binnen welk tijdspad kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Heeft u kennisgenomen van het artikel van de Telegraaf over «Broer van ernstig mishandeld meisje (6) Stadskanaal wil nooit meer iets met zijn moeder te maken»?1
Heeft u kennisgenomen van de gerechtelijke uitspraak waarin wordt vastgesteld dat deze 14-jarige jongen slachtoffer is geweest van mishandeling, misbruik en een langdurig onveilige opvoedsituatie?2
Welke concrete hulp ontvangt deze jongen op dit moment en welke organisatie voert de regie over zijn herstel en veiligheid?
Wie is eindverantwoordelijk voor de veiligheid van deze jongen en hoe wordt gecontroleerd of gemaakte veiligheidsafspraken daadwerkelijk worden nageleefd?
Kan worden bevestigd dat deze jongen, ondanks de ernstige bevindingen van de rechter, nog steeds bij zijn vader verblijft? Op basis van welke veiligheidsafweging is dat gebeurd?
Hebben onafhankelijke deskundigen beoordeeld dat verblijf bij de vader in het belang van deze jongen is? Zo ja, welke deskundigen waren daarbij betrokken en welke overwegingen lagen aan dat oordeel ten grondslag?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken deze casus expliciet mee te nemen in het lopende onderzoek naar de opvolging van signalen van kindermishandeling en kindveiligheid?
Bent u bereid de IGJ specifiek te laten onderzoeken hoe signalen over deze jongen zijn opgepakt, welke instanties betrokken waren, wie de regie voerde en waarom niet eerder is ingegrepen?
Deelt u de opvatting dat wanneer een rechter vaststelt dat een minderjarige slachtoffer is geweest van mishandeling en misbruik, maximale duidelijkheid nodig is over de vraag welke bescherming en begeleiding vervolgens wordt geboden?
Bent u bereid bij de betrokken instanties op te vragen welke veiligheidsvoorwaarden zijn verbonden aan het verblijf van deze jongen bij zijn vader en de Kamer hierover te informeren?
Bent u bereid te laten toetsen of de huidige hulpverlening en veiligheidsmaatregelen passend zijn bij de ernst van de door de rechter vastgestelde feiten?
Kunt u inzichtelijk maken welke instanties voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak signalen hebben ontvangen over mishandeling, misbruik, verwaarlozing, schoolproblemen of andere veiligheidsrisico’s rond deze jongen?
Bent u bereid een onafhankelijk feitenrelaas te laten opstellen van alle meldingen, interventies, risico-inschattingen en besluiten rondom deze jongen, zodat duidelijk wordt waar het stelsel heeft gefaald en welke verbeteringen noodzakelijk zijn?
Welke bevoegdheden gaat u vanaf vandaag concreet inzetten om te controleren of deze jongen daadwerkelijk veilig is, passende hulp ontvangt en niet opnieuw tussen instanties uit beeld raakt?
Wilt u deze vragen uiterlijk 19 juni 16.30 uur beantwoorden in het belang van het kind?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Het artikel ‘Waarom pakt de politie het misbruik van witte kentekenplaten niet aan?’ |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Waarom pakt de politie het misbruik van witte kentekenplaten niet aan?»1
Klopt het dat bestuurders van auto’s met een buitenlands kenteken de wegenbelasting, BPM én APK-verplichtingen ontlopen?
Hoeveel boetes zijn de afgelopen vijf jaar uitgeschreven met betrekking tot voertuigen die te lang zijn blijven rijden met een buitenlands kenteken?
Heeft u zicht op het aantal langdurig in Nederland verblijvende arbeidsmigranten die niet geregistreerd staan in de Basisregistratie Personen?
Gelet op het feit dat volgens het rapport «Onderzoek opgave arbeidsmigratie in de provincie Zuid-Holland» het aantal niet geregistreerde arbeidsmigranten maar liefst 47% van het totaal zou kunnen zijn: is deze verhouding indicatief voor Nederland an sich?2
Welke criteria worden gebruikt om vast te stellen of er bij een auto sprake is van «duurzaam gebruik» in Nederland, waarbij een Nederlands kenteken verplicht is?
In hoeverre is handhaving op «duurzaam gebruik» realistisch aangezien het langdurig, individueel, anderszins onopvallend gedrag betreft?
In hoeverre wordt handhaving bemoeilijkt door het feit dat voertuigregistratie, fiscale afhandeling en de signalering van overtredingen allemaal bij andere instanties liggen?
Bij wie ligt de bewijslast bij een mogelijke overtreding? Wanneer is het aannemelijk genoeg dat er sprake is van een voertuig met «duurzaam gebruik» om te handhaven op het kenteken?
Heeft u zicht op hoeveel geld de overheid misloopt door gebrekkige handhaving wat betreft het langdurig gebruik van buitenlandse kentekens?
Is het mogelijk de handhavingsketen te stroomlijnen zonder extra administratieve lasten te creëren voor zowel bedrijven als overheidsinstanties?
In hoeverre ziet u kansen om met ANPR-systemen en (bestaande) verkeerscamera’s signalering en dus handhaving te vereenvoudigen?
Bent u bekend met het plan «Zo werkt arbeidsmigratie voor iedereen»?3
Bent u bereid om uitvoering te geven aan het eerste punt onder hoofdstuk 2.1 waar gevraagd wordt om een dekkend registratiesysteem voor arbeidsmigranten, gekoppeld aan het BRP?
Bent u het met ons eens dat een dergelijk systeem zou kunnen helpen bij de handhaving rondom het «duurzaam gebruik» van auto’s in Nederland die desondanks met een buitenlands kenteken blijven rijden?
Berichtgeving dat voormalig minister Brekelmans een operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een concreet plan1 lag om Jos Leijdekkers («Bolle Jos») aan te houden, maar dat deze operatie uiteindelijk niet is doorgegaan? Zo ja, waarom is hiervan afgezien?
Klopt de bewering2 dat voormalig Minister Brekelmans niet heeft ingestemd met een operatie om Jos Leijdekkers («Bolle Jos») aan te houden vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid? Zo ja, welke rol hebben deze zorgen gespeeld bij de besluitvorming? Zo nee, wat is volgens u de feitelijke gang van zaken geweest?
Klopt het dat het besluit om de operatie niet uit te voeren heeft geleid tot aanzienlijke onvrede, discussie of consternatie binnen de betrokken organisaties? Zo ja, waar zag deze op? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat van bewindspersonen mag worden verwacht dat zij het algemeen belang en de veiligheid van de samenleving vooropstellen, ook wanneer besluiten mogelijk gevolgen hebben voor hun eigen veiligheid of beveiliging, en dat persoonlijke veiligheidszorgen nooit een reden mogen zijn om af te zien van de aanhouding van een van de meest gezochte criminelen van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Zo kochten we joints, cocaïne en een wapen via Snapchat’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van KRO-NCRV’s Pointer, waaruit blijkt dat via Snapchat eenvoudig joints, cocaïne en een stroomstootwapen konden worden gekocht, ook met accounts die als minderjarig waren ingesteld?1
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat zelfs minderjarigen via platforms zoals Snapchat in aanraking kunnen komen met dealers en gemakkelijk drugs en wapens kunnen kopen?
Hoe beoordeelt u de verantwoordelijkheid van Snapchat om te voorkomen dat minderjarige gebruikers via zoekfuncties, aanbevelingssystemen en algoritmes richting illegale handel worden geleid?
Welke mogelijkheden hebben de politie en het Openbaar Ministerie op dit moment om snel en streng op te treden tegen drugs- en wapenhandel via Snapchat en vergelijkbare platforms? En welke mogelijkheden biedt de Digital Services Act (DSA) daarin?
Beschikt de politie over voldoende bevoegdheden om online handel in drugs en wapens via sociale media effectief op te sporen en aan te pakken?
Bent u van mening dat Snapchat voldoende maatregelen neemt om minderjarigen te beschermen tegen de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten?
De Europese Commissie onderzoekt of Snap Inc. minderjarige gebruikers voldoende beschermt tegen onder meer de verkoop van illegale goederen. Welke rol speelt Nederland in dit Europese onderzoek?
Snapchat stelt in reactie op het onderzoek dat illegale activiteiten verboden zijn en dat het in 2025 miljoenen drugsgerelateerde berichten heeft verwijderd en honderdduizenden accounts heeft geblokkeerd. Welke eisen worden op dit moment gesteld aan de controleerbaarheid van deze cijfers door toezichthouders?
Welke maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de bevindingen van Pointer?
Welke mogelijkheden ziet u om sociale mediaplatforms sneller te verplichten om accounts die betrokken zijn bij drugshandel of wapenhandel te verwijderen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bredere aanpak van illegale handel via sociale media?
Georganiseerd seksueel geweld |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd»?1
Deelt u de mening dat het feit dat er in deze gevallen sprake is van samenwerking tussen meerdere verdachten die het beeldmateriaal binnen digitale netwerken met elkaar deelden, tips uitdelen en elkaar aanmoedigen, er sprake is van georganiseerd seksueel geweld?
Is er voldoende kennis over het fenomeen georganiseerd seksueel geweld en hoe andere landen dit fenomeen bestrijden?
Deelt u de mening dat georganiseerd seksueel geweld een andere aanpak behoeft dan individuele zedenzaken?
Bent u bereid met spoed te onderzoeken hoe georganiseerd seksueel geweld als zelfstandige categorie kan worden erkend en aangepakt?
Bent u het ermee eens dat de verantwoordelijkheid nog te veel op de schouders van slachtoffers ligt wanneer digitale bedrijven pas in actie komen na melding van het slachtoffer? Hoort deze verantwoordelijkheid niet bij de bedrijven zelf te liggen?
Bent u bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk waarin platformen verantwoordelijk worden gehouden voor het niet bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal? Welke lessen kan Nederland leren uit deze Online Safety Act?
Klopt het dat in het Verenigd Koninkrijk het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap waarin strafbare dingen gebeuren, strafbaar is gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld bij kan dragen aan een betere strafrechtelijke aanpak van facilitatoren en passieve deelnemers door bijvoorbeeld het strafbaarstellen van enkel het deelnemen aan dit soort onlinegroepen?
Wat is de stand van zaken van het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken?
Bent u bereid in dit wetstraject ook mee te nemen welke bevoegdheden de politie nodig heeft om in besloten digitale groepen te kijken om georganiseerd seksueel geweld tegen te kunnen gaan?
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Simon Ceulemans (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?