Het artikel 'Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar»?1
Ja.
Hoe kan het dat een zorgmedewerkster na aangifte van mishandeling niets verneemt van politie of Openbaar Ministerie (OM), terwijl geweld tegen mensen met een publieke taak volgens u prioriteit heeft?
Geweld tegen hulpverleners is onacceptabel en dient altijd opvolging te krijgen. Hoewel ik als Minister van Justitie en Veiligheid niet in ga op individuele casuïstiek, neem ik dit signaal zeer serieus en bevestigt het voor mij de urgentie om in het kader van de herziening van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) samen met de politie en het OM te bezien hoe slachtoffers zo goed als mogelijk geholpen kunnen worden.
Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen functionarissen met een publieke taak is essentieel. Functionarissen met een publieke taak dienen extra bescherming te krijgen tegen agressie en geweld verband houdend met hun functie, omdat hun publieke taak cruciaal is voor de samenleving en tegen aantasting moet worden beschermd. Het Openbaar Ministerie (OM) en de politie hebben ten behoeve van de strafrechtelijke aanpak opsporings- en vervolgingsafspraken gemaakt: de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA). De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende evaluaties te betrekken.2 Ik verwacht uw Kamer in de zomer de herziene versie van de ELA toe te sturen.
Het is van groot belang dat slachtoffers na het doen van aangifte adequaat worden geïnformeerd over het verloop van hun zaak. Slachtoffers hebben het recht om voldoende informatie te ontvangen, indien ze dit wensen. De politie en het OM spannen zich hiervoor in. In de ELA is vastgelegd dat slachtoffers van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak, desgewenst, optimaal worden geïnformeerd over hun positie en strafzaak.
Conform de ELA dient de politie de benadeelde optimaal te informeren en te ondersteunen bij het verhalen van de schade op de dader. Uit de openbare Aanwijzing slachtoffers in het strafproces (2024A001) van het OM volgt dat het OM in beginsel aan elk slachtoffer een bericht stuurt als het proces-verbaal tegen de verdachte door de politie naar het OM is gestuurd.
Wanneer het slachtoffer in het algemeen verzoekt om informatie over de aanvang en voortgang van een zaak, dan wordt door of namens het OM van het begin tot het einde van de strafzaak alle informatie verstrekt die volgens de wet3 moet worden verstrekt, onder andere het afzien van een opsporingsonderzoek, het niet vervolgen van een strafbaar feit en de aanvang en voorzetting van de vervolging.
De afgelopen jaren zijn er door het OM verbeteringen op het gebied van informatievoorziening richting slachtoffers doorgevoerd. Zo is er bij het Openbaar Ministerie een slachtofferinformatiepunt ingericht en kunnen slachtoffers inloggen op MijnSlachtofferzaak.nl, waar zij berichten vinden over de voortgang van de strafzaak, informatie over slachtofferrechten en contactgegevens van de betrokken organisaties.
De opsporing en vervolging van agressie en geweld tegen functionarissen met een Veilige Publieke Taak (VPT) heeft voor mij grote prioriteit, net als voor de politie en het Openbaar Ministerie. Dat volgt ook uit de ELA. Helaas leidt de beperkte capaciteit in de strafrechtketen in sommige gevallen tot langere doorlooptijden.
Welke onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken (ELA), waarin staat dat meldingen directe opvolging krijgen en slachtoffers worden geïnformeerd, zijn in deze casus niet nageleefd, en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak komt het voor dat slachtoffers van geweld tegen functionarissen met een publieke taak na aangifte geen enkele terugkoppeling ontvangen van politie of OM?
Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Zoals toegelicht onder vraag 2 en 3 is een adequate informatievoorziening van essentieel belang en is dit een doorlopend aandachtspunt bij de politie en het OM.
Herinnert u zich uw uitspraak tijdens het commissiedebat boa-stelsel, waarin u stelde dat bij circa 85% van de aangiftes van geweld tegen mensen met een publieke taak sprake is van een strafvorderlijke reactie, en dat dit «hoopvolle cijfers» zijn?
Ja.
Hoe rijmt u deze «hoopvolle cijfers» met concrete gevallen waarin slachtoffers, zoals deze zorgmedewerkster in kwestie, überhaupt niets vernemen of te horen krijgen, en het lijkt alsof hun zaak stilvalt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen met een publieke taak niets meer horen en dat dat nooit zou mogen gebeuren, en dat we als overheid een vuist moeten maken van harde aanpak van (vermeend) geweld tegen mensen met een publieke taak?
Kunt u exact specificeren wat onder een «strafvorderlijke reactie» valt, en hoeveel van deze gevallen bestaan uit seponeringen of afdoeningen zonder actieve terugkoppeling richting het slachtoffer?
Deelt u de conclusie dat geweld tegen functionarissen met een publieke taak volgens de ELA geen bagatelzaken zijn en altijd opvolging moeten krijgen, en hoe verklaart u dat dit in de praktijk toch misgaat?
Deelt u de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de effectiviteit van deze afspraken groter kan zijn en dat eerdere evaluaties onvoldoende zijn opgevolgd?2
In de evaluatie van de ELA uit 2025 wordt geconcludeerd dat de ELA een belangrijke meerwaarde hebben voor de aanpak van agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak.7 De onderzoekers schrijven dat dankzij de ELA de opsporing en vervolging van VPT-incidenten met meer prioriteit en kwaliteit wordt uitgevoerd door de politie en het OM. Door de afspraken wordt een grotere focus en urgentie gevoeld voor de aanpak van agressie en geweld in het complexe en drukke werkveld van de strafrechtketen. Dat zorgt voor een snellere en gerichtere strafrechtelijke afhandeling van zaken. Tegelijkertijd worden er ook een aantal knelpunten gesignaleerd, dat de meerwaarde van de ELA beperkt. Een deel van deze knelpunten was reeds aan het licht gekomen in de evaluatie van de ELA uit 2020 en (nog) niet adequaat opgelost.8 Bij de lopende herziening van de ELA worden deze knelpunten in ogenschouw genomen.
Hoe beoordeelt u de constatering van het WODC dat geen uitgebreide nieuwe evaluatie nodig zou zijn, omdat met eerdere evaluaties weinig is gedaan?
Zie antwoord vraag 10.
Herkent u signalen dat politie terughoudend is met het opnemen van aangiftes of het doorzetten van zaken wanneer de verdachte een ggz-patiënt betreft? Zo ja, waardoor komt dit?
Voor wat betreft het al dan niet opnemen van aangiftes geldt dat het kan voorkomen dat er onvoldoende bewijs is voor een strafbaar feit. Bij twijfel over de strafbaarheid van het feit, is de afspraak dat de politie altijd contact legt met het OM. Indien geen sprake is van een strafbaar feit, wordt dit feit wel in de politieregistratie opgenomen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (LJS) herkent de signalen waar het gaat om terughoudendheid bij het opnemen van aangiftes wanneer de verdachte een ggz-patiënt was. De afgelopen twee jaar zijn er door het Ministerie van VWS tien regionale bijeenkomsten georganiseerd over het doen van aangifte bij agressie tegen zorgmedewerkers waarin deze signalen zijn geuit.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid organiseert deze zomer samen met de politie en het OM een sessie met werkgevers van de VPT-beroepsgroepen om te bezien waar zij namens slachtoffers van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak tegenaanlopen. De informatie die hier wordt opgehaald zal samen met bovengenoemde signalen worden betrokken bij de herziening van de ELA.
Als iemand van mening is dat een aangifte onterecht niet wordt opgenomen of niet wordt doorgezet kan degene die aangifte wil doen contact opnemen met de regionale contactpersoon Veilige Publieke Taak (VPT) van de politie. Deze VPT-contactpersoon kan vervolgens actie ondernemen. Deze mogelijkheid is echter nog niet overal bekend. Met behulp van de herziening van de ELA en de werkgeverssessie die we in de zomer organiseren wordt getracht om bij te dragen aan de bekendheid van deze VPT-contactpersonen.
Onder andere de arbeidsmarktfondsen Stichting Arbeidsmarkt Ziekenhuizen, Sociaal Fonds voor de kennissector (het fonds van o.a. de UMC’s), Opleidings-en Ontwikkelfonds Geestelijke Gezondheidszorg en Arbeidsmarkt- en opleidingsfonds Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg verspreiden deze informatie actief onder de ziekenhuizen, UMC’s, VVT-instellingen en GGZ-instellingen. De Minister van LJS zal deze informatie ook onder de aandacht brengen van partijen in andere delen van de zorg en welzijn. Om de verbinding tussen een organisatie in zorg en welzijn en de politie en het OM te versterken, is het mogelijk om binnen een organisatie één plek in te stellen waarin kennis en kunde wordt verzameld over onder meer het strafproces. Hierdoor worden organisaties minder afhankelijk van de kennis van de politie en kan er in het geval van knelpunten in de uitvoering of behoefte aan nadere afstemming, bijvoorbeeld bij bovengenoemde signalen, makkelijk contact worden gezocht met het vaste aanspreekpunt voor agressie en geweld tegen functionarissen bij elke politie-eenheid. Dit is met name een mogelijkheid voor grote organisaties.
Hoe luidt het huidige beleid van de politie bij incidenten waarbij sprake is van verdachten met onbegrepen gedrag, in het bijzonder binnen de ggz?
Het komt helaas vaak voor dat de politie wordt ingezet bij meldingen over personen met verward gedrag. Niet altijd is er bij deze meldingen sprake van psychiatrische problematiek en ook niet van een verdenking van een strafbaar feit of een risico voor de veiligheid van omstanders of de samenleving. In acute situaties in avond-, nacht- en weekenduren is het echter vaak zo dat dan alleen een beroep kan worden gedaan op de politie, ambulancevervoer en op de crisisdienst ggz. Afhankelijk van de ernst van het incident wordt bepaald wat op dat moment de beste vervolgstappen zijn. Dit kan betekenen dat men de persoon meeneemt naar het bureau en/of dat de persoon wordt overgedragen aan de zorg (bijv. via Crisis Interventie Teams). In sommige eenheden gaan politiemensen samen met zorgprofessionals op een incident af zodat men ter plekke via triage kan bepalen wat de vervolgstappen zijn. Denk aan goede voorbeelden zoals straattriage in Twente. De bredere inzet van dit Kabinet in de aanpak van personen met verward/onbegrepen gedrag is gericht op een aantal thema’s waar uw Kamer per brief van 11 december over is geïnformeerd en tijdens het commissiedebat van 9 april 2026 is besproken.9 De samenwerking tussen politie en zorg is daar ook onderdeel van.
In hoeverre zijn politieagenten voldoende toegerust en getraind om om te gaan met verdachten met onbegrepen gedrag, zonder dat dit leidt tot het bagatelliseren van strafbare feiten?
Agenten zijn voldoende toegerust en getraind. Een agent wordt in twee jaar tijd opgeleid tot het startbekwaam zijn. Omgaan met verward gedrag, de-escaleren en crisiscommunicatie zijn onderdeel van deze basisopleiding.
De politie beziet voortdurend hoe zij het beste invulling kan geven aan haar taken en welke werkwijzen daarvoor passend zijn. Zo is in het kader van deze aanpak het onderwijsaanbod Zorg en Veiligheid geactualiseerd en wordt deze verder doorontwikkeld, inclusief de module Personen met verward gedrag met daarin aandacht voor vroegsignalering en preventie. Daarnaast zijn er verschillende (digitale) leermiddelen beschikbaar over het thema, en wordt geëxperimenteerd met het verweven van de benodigde kennis in bijvoorbeeld IBT-trainingen. In aanvulling op de landelijk gevalideerde leermiddelen, verzorgen de eenheden zelf informeel onderwijs, zoals op vakdagen en in teambriefings. De inzet van ervaringsdeskundigen is een vast onderdeel in het onderwijsaanbod.
Hoe vaak worden verdachten met onbegrepen gedrag na een geweldsincident niet aangehouden en/of vervolgd, maar direct teruggestuurd naar de zorginstelling? Op basis van welke criteria gebeurt dit?
Deze informatie is niet beschikbaar in de politieregistratie.
Acht u de huidige eenduidige landelijke afspraken te vrijblijvend? Zo nee, hoe verklaart u dan dat ze in de praktijk niet consequent worden nageleefd?
De Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) zijn opsporings- en vervolgingsafspraken van de politie en het OM waar zij zich aan hebben gecommitteerd. Daarmee acht ik deze niet te vrijblijvend.
Wel zijn er vanuit eerdere evaluaties knelpunten gesignaleerd, die ik samen met de politie en het OM heb geanalyseerd. Het oppakken van die knelpunten neem ik zeer serieus en met de herziene versie van de ELA verwacht ik dat hier een belangrijke impuls aan wordt gegeven.
Bent u bereid onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken wettelijk te verankeren, zodat naleving afdwingbaar wordt? Zo ja, aan welke onderdelen denkt u concreet? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet van plan om de ELA wettelijk te verankeren. De politie en het OM hebben zich aan de ELA gecommitteerd, dat is voldoende. Enkele onderdelen van de ELA zijn tevens nader uitgewerkt en verankerd in aanwijzingen van het College van procureurs-generaal.
Kunt u bevestigen dat u heeft toegezegd de Kamer vóór de zomer te informeren over de herziening van de eenduidige landelijke afspraken?
Ik streef ernaar om in de zomer de herziene ELA met begeleidende Kamerbrief aan uw Kamer aan te bieden.
Wordt in deze herziening expliciet aandacht besteed aan communicatie richting slachtoffers, doorlooptijden, en het daadwerkelijk eisen van de stafverzwaring van 200%?
Onder het antwoord op vraag 2 en 3 is toegelicht dat informatievoorziening richting slachtoffers een doorlopend aandachtspunt is van de politie en het OM. Dit aandachtspunt wordt ook bij de herziening van de ELA in ogenschouw genomen.
Voor een landelijk uniform strafvorderingsbeleid heeft het OM voor de meest voorkomende delicten richtlijnen opgesteld, die enerzijds normerend zijn en anderzijds de professional de benodigde ruimte geven om te komen tot een afdoening, die gericht is op de bijzondere omstandigheden van de zaak. In de openbare Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen (2019A003) van het OM staat dat het uitgangspunt van de sanctie in de richtlijn met 200% wordt verhoogd bij Veilige Publieke Taak-delicten. Dat betekent niet dat iedere verdachte ook een driedubbele straf geëist krijgt. Dit is het uitgangspunt, waarna de officier volgens de geldende Aanwijzing ook moet kijken naar de context waarin het feit is gepleegd en omstandigheden rondom de dader en de effectiviteit van de te eisen straf. De officier van justitie dient dit toe te lichten in zijn requisitoir. Verder schenkt het OM – naar aanleiding van onderzoek waaruit volgde dat veelal enige mate van strafeisverhoging wordt toegepast maar zelden de 200%10 – blijvend aandacht aan de vraag of de strafvorderingsrichtlijn voldoende bekend is. Ten slotte geldt dat u nog dit jaar wordt geïnformeerd over de uitvoering van drie aangenomen moties die zien op (het verkrijgen van duiding bij) de strafeisen van het OM bij Veilige Publieke Taak-delicten, waaronder geweld tegen hulpverleners.11
Wat vindt u ervan dat na navraag bij de zorgmedewerkster in kwestie nog altijd geen reactie is ontvangen vanuit het OM?
Als Minister van Justitie en Veiligheid past het mij niet om in te gaan op individuele casuïstiek. Zie voor nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Acht u dit in lijn met de afspraak om slachtoffers «optimaal te informeren» zoals opgenomen in de landelijke afspraken?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Wat denkt u dat dit soort ervaringen doet met de bereidheid van mensen om in de zorg, en specifiek in de ggz, te blijven werken?
Mensen kiezen over het algemeen vanuit een intrinsieke motivatie voor het werken in zorg en welzijn. Als zij te maken krijgen met ernstige agressie kan dat een enorme impact hebben. Goede opvang en adequate nazorg, zijn van groot belang om dat zo veel mogelijk te voorkomen. Uit het Landelijk uitstroomonderzoek zorg en welzijn van Regioplus in 2025 blijkt dat agressie niet in de top vijf van redenen van medewerkers staat om de sector te verlaten.
Het is mij niet bekend of en in welke mate negatieve ervaringen met het doen van aangifte invloed hebben op de bereidheid van mensen om in de zorg te blijven werken.
Deelt u de zorg dat het uitblijven van zichtbare rechtshandhaving bij geweld tegen zorgpersoneel bijdraagt aan personeelstekorten?
Zie antwoord vraag 22.
In hoeverre speelt het feit dat slachtoffers met naam en toenaam in het dossier worden opgenomen een rol in de terughoudendheid van het willen doen van aangifte? Draagt dit ook bij aan personeelstekorten?
In strafzaken heeft aangifte op naam altijd de voorkeur, zoals hieronder toegelicht. Er zijn daarnaast mogelijkheden om (deels) afgeschermd aangifte te doen of dat de werkgever voor de werknemer aangifte doet. In onderstaande antwoorden licht ik dit nader toe. Echter, volledige anonimiteit in het strafproces is praktisch niet mogelijk. Uit het oogpunt van waarheidsvinding kleven hier namelijk zwaarwegende bezwaren aan: de mogelijkheid om de juistheid en betrouwbaarheid van anonieme verklaringen te toetsen wordt beperkt doordat de bron onbekend is. Bovendien komt het in de zorg relatief vaak voor dat dader en slachtoffer elkaar kennen en er sowieso geen sprake is van anonimiteit van het slachtoffer. Dit kan inderdaad bijdragen aan terughoudendheid bij het doen van aangifte. Of en in hoeverre dit bijdraagt aan personeelstekorten hangt af van de mate waarin dit een rol speelt bij uitstroom uit de zorg. Zie hiervoor het antwoord op vraag 22 en 23.
Welke mogelijkheden bestaan er momenteel voor zorgmedewerkers om geheel afgeschermd aangifte te doen?
Sinds 1 juli 2025 worden standaard alleen nog de naam en geboortedatum in de aangifte vermeld. Gegevens zoals woon- en verblijfplaats, geboorteplaats en/of -land, e-mailadres, telefoonnummer en Burgerservicenummer (BSN) worden niet meer opgenomen om zo de privacy van de aangever te beschermen.
Aangifte op naam heeft in de praktijk altijd de voorkeur. Voor de bewijsvoering in een strafzaak is het namelijk altijd van belang dat er toetsbare aangiftes en verklaringen aanwezig zijn. Aangiftes en verklaringen op naam voldoen hier eerder aan dan afgeschermde aangiftes en verklaringen omdat de bekendheid van de identiteit van de aangever/getuige het bijvoorbeeld voor de verdachte mogelijk maakt om de aangifte/verklaring te toetsen op betrouwbaarheid.
In principe worden persoonsgegevens genoteerd bij het doen van aangifte. Soms kan, bij wijze van uitzondering, alleen met de voornaam of het personeelsnummer worden volstaan. Ook kan de werkgever aangifte namens de werknemer doen, waarbij die laatste vermeld kan worden onder personeelsnummer. Het slachtoffer kan er verder ook voor kiezen om in zijn aangifte domicilie te kiezen. In dat geval wordt het adres van de werkgevers of het regionale Slachtofferloket Politie opgenomen.
In uitzonderlijke gevallen kan iemand aangifte doen of een verklaring afleggen onder nummer. Dan wordt de identiteit van het slachtoffer niet in de stukken opgenomen, maar is deze wel bekend bij de politie en het OM. Daarvoor dienen bijzondere redenen te zijn als: vrees voor represailles of voor ernstige overlast of belemmering in de uitoefening van zijn beroep. De officier van justitie bepaalt of aan de vereisten is voldaan. De rechter kan ook dan oordelen dat het slachtoffer moet worden gehoord. In zeer bijzondere gevallen beslist de rechter dat hierbij de identiteit mag worden afgeschermd.
In hoeverre wordt er in de praktijk gebruikgemaakt van deze mogelijkheden, en is de politie hier voldoende bekend mee?
Er wordt niet bijgehouden hoe vaak zorgmedewerkers afgeschermd aangifte doen. Wel is politie voldoende bekend met de mogelijkheden rondom afgeschermd aangifte doen. Uit de ELA volgt dat zij het slachtoffer daarover ook informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of zorgmedewerkers standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Zoals bij vraag 25 aangegeven is volledige anonimiteit in het strafdossier praktisch niet mogelijk. Wel zijn er mogelijkheden om bepaalde gegevens van de aangever te verhullen in het strafdossier (als beschermingsmaatregel). Een uitbreiding hiervan zal ik niet verder onderzoeken.
Worden bovenstaande aspecten meegenomen in het arbeidsmarktbeleid voor de zorg en in de aanpak van personeelstekorten?
Met het sluiten van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HL) zijn bestuurlijke afspraken gemaakt om het dreigende personeelstekort te laten dalen. Samen met het veld zet het kabinet de volgende stappen:
Daarnaast blijft dit kabinet de komende jaren inzetten op het behoud van medewerkers door werkgevers te stimuleren het werkplezier van hun medewerkers te blijven borgen. Het gaat daarbij om onderwerpen als professionele autonomie en zeggenschap, het voorkomen van verzuim en de aanpak van agressie. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 29.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat zorgmedewerkers zich veilig voelen om hun werk te blijven doen?
Werkgevers hebben op basis van de Arbeidsomstandighedenwet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers. De Minister van Langdurige zorg, Jeugd en Sport ondersteunt werkgevers hierbij door:
Bent u bereid om in aanvulling op vraag 27 te onderzoeken of alle mensen met een publieke taak, zoals brandweermensen, standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Zoals ik bij vraag 27 toegelicht is volledige anonimiteit in het strafdossier niet mogelijk, maar zijn er wel mogelijkheden tot beschermd aangifte doen.
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om te garanderen dat geweld tegen mensen met een publieke taak altijd zichtbaar, snel en serieus wordt opgepakt, en dat slachtoffers structureel worden geïnformeerd over hun zaak?
Hiermee ben ik samen met de politie en het OM aan de slag in het kader van de herziening van de ELA, welke ik naar verwachting in de zomer aan uw Kamer zal aanbieden.
Het bericht ‘De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland’ |
|
Annabel Nanninga (JA21), Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel van Elsevier Weekblad «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de in het artikel geschetste signalen en stellingen over buitenlandse inmenging, beïnvloeding en intimidatie in Nederland?
Het kabinet vindt alle vormen van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI, of: statelijke inmenging) in Nederland volstrekt onacceptabel. Iedereen in Nederland moet in vrijheid kunnen leven en keuzes kunnen maken, zonder daarin door autoriteiten van andere landen te worden beperkt.
Welke instrumenten heeft het kabinet om buitenlandse inmenging tegen te gaan?
Het kabinet werkt Rijksbreed doorlopend aan het tegengaan van statelijke inmenging in Nederland binnen de landenneutrale aanpak OBI. Hierbinnen wordt Rijksbreed de dreiging tegen de nationale veiligheid in kaart gebracht. Landen die zich schuldig maken aan ongewenste buitenlandse inmenging worden daar consequent op aangesproken. Bij dreigende incidenten of verdenking van strafbare feiten wordt niet geschroomd om binnen eigenstandige taken en bevoegdheden op te treden via bestuurlijke dan wel strafrechtelijke maatregelen. Daarnaast wordt doorlopend gewerkt aan het verhogen van de weerbaarheid van diasporagemeenschappen. Dit gebeurt onder meer door transparant te zijn over de dreiging en zodoende de bewustwording te vergroten.
Wat doet het kabinet aan het beschermen van onze samenleving voor buitenlandse inmenging?
Zie graag het antwoord op vraag 3.
Ziet u een verhoogde dreiging door de onrust in het Midden Oosten?
Momenteel zijn bij het kabinet geen signalen bekend dat de dreiging van buitenlandse inmenging van Marokko zou zijn toegenomen door de onrust in het Midden-Oosten. Het kabinet monitort de ontwikkelingen in het Midden-Oosten, bijvoorbeeld via bilaterale en multilaterale contacten en het postennetwerk. Mocht dit conflict aanleiding geven tot het vaststellen van een verhoogde dreiging van ongewenste buitenlandse inmenging, dan zullen de onder het antwoord op vraag 3 genoemde stappen worden ondernomen om de dreiging tegen te gaan.
Welke acties onderneemt het kabinet nu de Wet transparantie maatschappelijke organisaties (Wtmo) niet door de Eerste Kamer is aangenomen?
Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dienen instrumenten zich op specifieke vormen van financiering te richten. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland, die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan notes verbales over financieringsstromen, die zij ontvangen van Golfstaten, doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Daarnaast blijft in de aanpak van ongewenste buitenlandse financiering Europese samenwerking essentieel om dit probleem aan te pakken. Binnen het Radicalisation Awareness Netwerk (RAN) en diens opvolger: de Knowledge Hub van de EU, wordt gewerkt aan bewustwording over het onderwerp binnen de lidstaten onder andere in de vorm van het delen van best practices en het komen tot mogelijke maatregelen. Er zal nader worden bezien of een aanvullend instrument passend is.
Welke instrumenten, wetgevende maatregelen en samenwerkingsvormen gebruiken andere landen (met name Duitsland) om buitenlandse inmenging te voorkomen, en hoe kunnen deze voorbeelden Nederland helpen zijn eigen weerbaarheid te versterken?
Om de weerbaarheid van gemeenschappen tegen ongewenste buitenlandse inmenging te vergroten hebben enkele landen centrale punten opgericht waar signalen van OBI kunnen worden gemeld, waaronder Duitsland.
Gelijkgezinde landen spreken andere landen op vergelijkbare wijze aan op OBI als de Nederlandse overheid. De wijze waarop vergt altijd een per casus bekeken benadering. Dat kan voor, of achter de schermen plaatsvinden. Deze gesprekken zijn altijd onderdeel van een bredere afweging.
Nederland onderhoudt contact met gelijkgezinde landen om ervaringen in de aanpak van OBI te delen en mee te nemen in de praktijk. In vergelijking met gelijkgezinde landen is Nederland een van de koplopers in het hanteren van een gecoördineerde whole-of-governmentbenadering van het fenomeen ongewenste buitenlandse inmenging, door de Rijksbrede aanpak OBI zoals beschreven in het antwoord op vraag 3.
Wat is de stand van zaken van het toegezegde meldpunt waar slachtoffers anoniem terecht kunnen, gelet op het feit dat de Kamer reeds in oktober 2023 heeft verzocht om de inrichting van een dergelijk meldpunt? Waarom laat dit zo lang op zich wachten?
Zoals beschreven in de kamerbrief2 over de stand van zaken rondom het centraal meldpunt OBI is het kabinet gestart met de inrichting van een centraal OBI-meldpunt buiten de rijksoverheid. Onder coördinatie van de NCTV is het afgelopen jaar een projectstructuur op touw gezet voor het realiseren van dit meldpunt. Deze projectstructuur bevindt zich momenteel in een afrondende fase.
Uw Kamer wordt conform het verzoek van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van 16 april 2026 zo spoedig mogelijk integraal geïnformeerd over de stand van zaken OBI inclusief de voortgang van het centraal OBI-meldpunt.
Wat is het handelingskader van de overheid als er dreigingen zijn? Hoe vaak is het strafrecht ingezet in de afgelopen vijf jaar? Wat is een alternatieve route via bestuursrecht?
De bij de OBI-aanpak betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties kunnen passende maatregelen treffen of voor opvolging zorgen in het kader van hun eigenstandige taken en bevoegdheden. Deze maatregelen kunnen zien op diplomatieke actie, bestuurlijke maatregelen, dan wel verhoging van de weerbaarheid van personen die te maken hebben met OBI.
Daar waar sprake is van een verdenking van strafbare feiten, kunnen OM en politie strafrechtelijk onderzoek doen, mede op basis van de uitgebreide strafbaarstelling spionage. De Minister van Justitie en Veiligheid doet geen uitspraken over individuele strafzaken, dat is aan het OM. Er vindt geen aparte registratie plaats ten aanzien van de vraag of een strafrechtelijk onderzoek verband houdt met een mogelijk motief vanuit de context van statelijke inmenging of diasporaproblematiek.
In algemene zin kunnen onder voorwaarden maatregelen uit het bestuursrecht van toepassing zijn in het optreden tegen dit type dreiging, al vindt hiervan ook geen aparte registratie plaats.
Wat doet het kabinet aan de uitspraak van de Kamer om het Moslimbroederschap te verbieden?
Op 17 maart jl. heeft uw Kamer de motie van de leden Boon en Wilders (beiden PVV) aangenomen die de regering verzoekt om de Moslimbroederschap en daaraan gelieerde organisaties in Nederland te verbieden.3 Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Het bericht 'Rotterdamse huisartsenpost toont clip 'Boom Boom Tel Aviv' op groot scherm' |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de huisartsenpost Rotterdam Zuidplein op een groot scherm een videoclip is vertoond waarin geweld wordt verheerlijkt, zoals te zien was op beelden die op sociale media circuleerden?1
Op de gevel van een huisartsenpraktijk in Rotterdam, huisartsenpost Zuidplein, hangt een scherm. Het is goed te zien vanaf de straat. Op dat scherm verscheen in maart een videoclip. Het liedje uit de clip heeft als titel: «Boom, Boom, Tel Aviv». Een van de strofen uit het liedje luidt: «But humanity never expected good behavior from your Jews».
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Worden deze beelden door of namens deze huisartsenpost zelf aangestuurd of door een externe advertentiedienst?
Wie de beelden aanstuurde, is voor het kabinet vooralsnog onduidelijk. Er is inmiddels een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Vermoedelijk zal daaruit blijken wie de beelden aanstuurde. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Heeft deze huisartsenpost een verantwoordelijkheid om bij (potentiële) patiënten geen enkele zorg te laten ontstaan over de vraag dat ongeacht de herkomst of nationaliteit van een persoon deze kan rekenen op de best beschikbare zorg?
Huisartsen moeten zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2 De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. In de tweede kernregel is opgenomen: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet».3
Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Deelt u de opvatting dat zorgverleners, en zorginstellingen in het bijzonder, een neutrale, veilige en niet-politieke omgeving moeten bieden aan alle patiënten, ongeacht herkomst, religie of politieke opvatting?
Ja.
Hoe verhoudt het vertonen van een video waarin geweld wordt gevierd zich volgens u tot de professionele normen, zoals beschreven door de KNMG en in bredere zin in de medische beroepsethiek, waaronder het uitgangspunt dat artsen en zorginstellingen handelen op een wijze die geen schade toebrengt, vertrouwen wekt en respect voor iedere patiënt waarborgt?2
Zoals hierboven uitgelegd, moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. De gedragscode biedt artsen een leidraad voor het professionele handelen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. Zoals hierboven aangegeven, staat in de tweede kernregel: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet». Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» acht het kabinet volkomen onacceptabel. Een dergelijke videoclip kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk en kan daarmee de toegang tot zorg belemmeren.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden, waaronder de KNMG-gedragscode, maakt daar deel van uit.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse artseneed, zoals opgenomen in de universitaire opleidingen sinds 2003, artsen onder meer verplicht tot het bevorderen van vertrouwen, het voorkomen van schade en het professioneel handelen in het belang van de patiënt? Acht u het vertonen van deze video in lijn met die eed en professionele verplichtingen?
De artseneed is een morele en ethische belofte. De artseneed is niet juridisch bindend. De bovengenoemde gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen. Die maakt deel uit van de professionele standaard.
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.5 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Zijn er eerder uitingen op dit scherm geweest die vraagtekens zetten bij de genoemde normen die gelden voor leden van de medische beroepsgroepen?
Het College van burgemeester en Wethouders van Rotterdam heeft in 2023 vragen beantwoord van de gemeenteraad over antiwesterse en pro-Palestijnse posts op de LinkedIn-pagina van Huisartsenpost Zuidplein.
Bent u ervan op de hoogte dat buurtbewoners inmiddels klachten hebben ingediend over het scherm en dat het scherm inmiddels is uitgezet? Worden deze klachten betrokken bij een onderzoek of bestuurlijke beoordeling?
In hoeverre buurtbewoners hebben geklaagd en bij wie, is het kabinet niet bekend. Wel is bekend dat er een opsporingsonderzoek is opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden patiënten hebben om een formele klacht in te dienen wanneer zij zich door dergelijke politieke of gewelddadige boodschappen onveilig, ongewenst of bedreigd voelen bij het bezoeken van een huisartsenpost?
Patiënten die zich onveilig, ongewenst of bedreigd voelen, kunnen een melding doen bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Zie: Ik heb een klacht | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
Daarnaast kunnen patiënten een klacht indienen bij de zorgaanbieder zelf. De zorgaanbieder is verplicht een schriftelijke regeling op te stellen voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten.
Kunt u toezeggen om deze situatie onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Wat vindt uzelf van het vertonen van deze videoboodschap boven een huisartsenpost in relatie tot de KNMG-gedragsregels en de medische beroepsethiek, inclusief de normen over neutraliteit, veiligheid en het vermijden van schade?
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Welke voorwaarden gelden er voor met premie, c.q. belastinggeld, betaalde zorginstellingen ten aanzien van het gebruiken van publieke schermen of uitingen voor politieke, activerende of mogelijk polariserende boodschappen? Zijn deze waarborgen volgens u voldoende?
De vertoning van beelden op een scherm aan de gevel van een huisartsenpraktijk moet aan diverse normen voldoen. Het kabinet acht deze normen voldoende. De vertoning mag allereerst niet strafbaar zijn. Of er sprake is van strafbaarheid wordt uitgezocht in het reeds opgestarte opsporingsonderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast is voor het plaatsen van een scherm aan een gevel een vergunning vereist. Dat is geregeld in de Omgevingswet. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam heeft een toezichtsonderzoek opgestart.
Tot slot moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode maakt deel uit van de professionele standaard. De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Deelt u de opvatting dat het vertonen van gewelddadige en polariserende content vanaf een zorginstelling niet alleen onverenigbaar is met de rol van een huisartsenpost, maar ook onwenselijk is in de openbare ruimte?
Ja.
Welke bestuurlijke maatregelen acht u passend indien een zorginstelling (herhaaldelijk) uitingen verspreidt die angst of haat kunnen aanwakkeren in de openbare ruimte? Wordt daarbij ook de mogelijkheid betrokken van (tijdelijke) sluiting of het intrekken van vergunningen indien normen structureel worden overschreden?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in dit geval niet de bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen te treffen. Toezichtsonderzoek en de eventuele beslissing om handhavingsmaatregelen te treffen is aan de toezichthouders: de IGJ en Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door IGJ of andere toezichthouders, en over eventuele maatregelen die u naar aanleiding daarvan noodzakelijk acht?
Ja, voor zover dat binnen de geldende wettelijke kaders mogelijk is, zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door de IGJ of andere toezichthouders, evenals over eventuele maatregelen die naar aanleiding daarvan noodzakelijk worden geacht.
Het in behandeling nemen van aangiften door de politie |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Is er over de afgelopen tien jaar een verband waar te nemen tussen het sluiten van politiebureaus en het aantal aangiften dat wordt gedaan?
Er is geen verband aan te tonen tussen het sluiten van politiebureaus en het aantal aangiften dat wordt gedaan doordat er diverse andere factoren meespelen bij deze twee gegevens. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheid om steeds eenvoudiger online aangifte te kunnen doen.
Is er een verband tussen het capaciteitsprobleem bij de politie en het opnemen van aangiften?
Er is geen aantoonbaar verband tussen een capaciteitsprobleem bij de politie en het opnemen van aangiften.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als mensen aangifte willen doen en dat de mogelijkheid tot het doen van aangifte dagen op zich laat wachten?
Ja, ik deel de mening dat het onwenselijk is als mensen aangifte willen doen en dat de mogelijkheid tot het doen van aangifte dagen op zich laat wachten. Ik onderschrijf het belang van een bereikbare en zichtbare politie. De politie is verantwoordelijk voor haar dienstverlening aan de burger, waarbij zij ook rekening dient te houden met een gezonde bedrijfsvoering. De politie zet in op het steeds meer «multichannel» vormgeven van haar dienstverlening, waaronder het proces voor het doen van aangifte. Dit betekent dat burgers, afhankelijk van de vraag of het feit waar zij mee komen, op de juiste «route» worden gezet zodat het contact met de politie op maat is en past bij de individuele situatie en behoefte van de burger. Voor het doen van aangifte van een strafbaar feit is politie.nl en 0900-8844 in principe de eerste ingang. Via die route kan voor een aantal strafbare feiten direct aangifte worden gedaan. Voor andere gevallen zal de politie adviseren en doorverwijzen, bijvoorbeeld om telefonisch aangifte te doen of een afspraak te maken om fysiek aangifte te doen op het bureau. Tot slot merk ik op dat het doen van een melding of aangifte altijd zinvol is. Het verstevigt onder meer de informatiepositie van de politie en het maakt gerichter opsporen mogelijk.
Hoeveel politiecapaciteit is er beschikbaar om fysieke aangiften op te nemen, in vergelijking met de voorgaande vijf jaren?
Op Intake & Service zijn zo’n 4.500 fte medewerkers werkzaam. Daarnaast kunnen ook politiemedewerkers in de Gebiedsgebonden Politie (GGP) en de Opsporing aangiften opnemen. In al deze werksoorten zien we momenteel de bezetting toenemen.
In welk opzicht komt een fysieke of online gedane aangifte overeen en wat zijn de verschillen?
Van veel eenvoudige en/of lichte strafbare feiten (voorbeelden zijn diefstal fiets, ransomware) kan volledig online via politie.nl aangifte worden gedaan. Voor het opnemen van een aangifte van een meer complex of ernstiger strafbaar feit is vaak meer contact nodig en moet meer doorgevraagd worden. Een bezoeker die op politie.nl binnenkomt en aangifte wil doen van een dergelijk feit, wordt doorverwezen naar 0900 8844 om een afspraak te maken voor het doen van aangifte op het bureau, of eventueel aan huis. Dit geldt bijvoorbeeld, maar zeker niet uitputtend, voor autodiefstal, bedreiging of geweld.
Kunt u een overzicht geven van aangiften opgesplitst naar fysiek en online en daarbij opnemen of zij in behandeling zijn genomen of geseponeerd?
Volgens de op dit moment beschikbare cijfers kwamen in 2025 ruim 648.000 aangiften bij politie binnen. Ruim 380.000 daarvan waren online aangiften. Van de online aangiften werden er ruim 286.000 vroeg in het screeningsproces niet in behandeling genomen, vanwege het ontbreken van aanknopingspunten voor opsporing («opsporingsindicatie»). Van 65.000 aangiften werd de behandeling verderop in het proces vroegtijdig beëindigd, omdat het geen vervolgbare zaak bleek, er te weinig capaciteit was of er werd gekozen voor een niet-strafrechtelijke interventie. Van de overige 270.000 (fysieke) aangiften werden er ruim 41.000 vroeg in het screeningsproces niet in behandeling genomen vanwege het ontbreken van opsporingsindicatie en van 85.000 werd de behandeling verderop in het proces vroegtijdig beëindigd, omdat het geen vervolgbare zaak bleek, er te weinig capaciteit was of er werd gekozen voor een niet-strafrechtelijke interventie. Voor internetaangiften geldt dat 29.110 aangiften in behandeling is genomen. Voor fysieke aangiften is dit getal 141.010. De data over aangiften en internetaangiften zijn ook te vinden op data.politie.nl.1
Bent u van mening dat aangiften gedaan op politiebureaus doorgaans gemakkelijker in behandeling kunnen worden genomen, dan dat zij online worden gedaan? Wordt er nog navraag gedaan naar de aangiften die online worden gedaan, omdat zij mogelijk bepaalde informatie missen?
Van veel eenvoudige en/of lichte strafbare feiten (voorbeelden zijn diefstal fiets, ransomware) kan volledig online via politie.nl aangifte worden gedaan. Voor het opnemen van een aangifte van een meer complex of ernstiger strafbaar feit is vaak meer contact nodig en moet meer doorgevraagd worden. Een bezoeker die op politie.nl binnenkomt en aangifte wil doen van een dergelijk feit, wordt doorverwezen naar 0900 8844 om een afspraak te maken voor het doen van aangifte op het bureau, of eventueel aan huis. Dit geldt bijvoorbeeld, maar zeker niet uitputtend, voor autodiefstal, bedreiging of geweld.
Het maakt voor de opvolging geen verschil of de aangifte online of fysiek is opgenomen. Indien een aangifte niet volledig is en er zijn aanknopingspunten voor een opsporingsonderzoek dan zal er navraag worden gedaan. Dit is zowel voor de fysieke aangifte van toepassing alsook voor de digitale aangifte.
Op basis waarvan beslist de politie of een zaak prioriteit krijgt?
Het maken van keuzes in de opsporing behoort standaard tot het werk van het Openbaar Ministerie en de politie en vindt plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie. De aanwijzing voor de opsporing van het Openbaar Ministerie, die voor veelvoorkomende criminaliteit concreter is uitgewerkt in het landelijk screenings- en selectiviteitskader, vormt het landelijk afwegingskader. Deze beide documenten zijn openbaar.2 Dit kader op hoofdlijnen biedt ruimte voor verdere regionale of lokale invulling in samenspraak met de burgemeester in de gezagsdriehoek.
Worden bepaalde soorten misdrijven structureel minder opgepakt?
Er zijn geen misdrijven die op voorhand zijn uitgesloten van een strafrechtelijk vervolg. Wel geeft het screenings- en selectiviteitskader (zie ook in het antwoord op vraag 8) handvatten om te beoordelen in welke gevallen welk soort strafbare feiten meer of minder in aanmerking komen om strafrechtelijk opgepakt te worden.
Is er inzicht voor burgers waarom een zaak wel of niet opgepakt wordt?
Ja, in principe krijgt iedere aangever bericht over de opvolging van zijn of haar aangifte.
Waarom wordt men aangeraden bij het onderwerp «Ik ben slachtoffer van huiselijk geweld, wat moet ik doen?» vermeld op de website van de politie, om contact op te nemen met Veilig Thuis, de Kindertelefoon of de huisarts en niet de politie? Waarom wordt hier niet vermeld dat men aangifte kan doen? Deelt u de mening dat dit slachtoffers ontmoedigt om aangifte te doen van huiselijk geweld?
Op politie.nl3 wordt bij het onderwerp «Ik ben slachtoffer van huiselijk geweld, wat moet ik doen?» als eerste vermeld om bij (dreiging van) direct gevaar altijd 112 te bellen. Daarnaast wordt er inderdaad naar Veilig Thuis verwezen omdat zij gespecialiseerd zijn in het in kaart brengen van de situatie en het inschatten van de veiligheid, zodat er passende hulp in gang kan worden gezet. Op de website wordt ook vermeld om een melding of aangifte te doen bij de politie.
Hoeveel mensen die kunnen beschikken over een DigiD hebben een DigiD?
Iedereen die een BSN heeft kan een DigiD verkrijgen. De volgende personen kunnen beschikken over een BSN: mensen die langer dan 4 maanden in Nederland wonen en geregistreerd staan in de Basisregistratie Personen (BRP) (ongeveer 18 miljoen mensen) én mensen die korter dan 4 maanden in Nederland wonen of in het buitenland wonen en geregistreerd staan in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) (ongeveer 5 miljoen mensen). In totaal is de groep mensen die over een DigiD kunnen beschikken dus ongeveer 23 miljoen mensen. Momenteel telt DigiD 16,5 miljoen accounts.
Klopt het dat toeristen geen online aangifte kunnen doen, nu zij niet beschikken over een DigiD?
Het klopt dat toeristen geen online aangifte kunnen doen aangezien zij niet beschikken over een DigiD. De politie werkt momenteel aan digitale identificatiemethoden voor buitenlanders zonder DigiD zodat bijvoorbeeld ook toeristen online aangifte kunnen doen.
Welke eisen worden aan de medewerker van de politie gesteld welke bevoegd is aangiften op te nemen? En wordt de politie gecontroleerd op het opnemen van aangiften?
Politiemedewerkers die aangiften mogen opnemen zijn daar als opsporingsambtenaren toe bevoegd. Een vereiste daarvoor is het hebben van een politiediploma of een boa-akte. Daarnaast is er extra scholing voor medewerkers die heel vaak aangiftes opnemen, zoals medewerkers van de regionale servicecentra en de medewerkers Intake & Service bij de basisteams. Ook wordt er bijgeschoold voor het opnemen van aangiftes van nieuwere vormen van criminaliteit, zoals bijvoorbeeld cybercrime. Kwaliteitsbewaking vindt verder plaats in het dagelijkse werk en binnen teams, met name door senior medewerkers op het werk van minder ervaren collega’s.
Het 'Oranje Boekje' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Kamer het zogenaamde «Oranje Boekje» met werkinstructies voor medewerkers van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) toegestuurd krijgen (of in vertrouwen inzien)?
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
Kabelinterceptie AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
In het jaarverslag 2025 schrijft de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) op pagina 14 «De verhouding tussen de inbreuk op grondrechten enerzijds en de achterblijvende opbrengst anderzijds baart de TIB bij kabelinterceptie nog altijd zorgen»; maakt u zich hier ook zorgen over? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u met deze zorgen doen?
Kan de Kamer een getalsmatig overzicht ontvangen van de stijging (aldus de TIB) sinds 2018 van de hoeveelheid data die jaarlijks door middel van kabelinterceptie wordt vergaard, liefst uitgedrukt in bijvoorbeeld GB per jaar of anders, als deze informatie vertrouwelijk is, in de vorm van indexcijfers (waarbij het beginjaar 2018 dus de waarde 100 krijgt)? Zo nee, waarom niet? Waarom kan de Kamer zelfs indexcijfers hierover, indexcijfers die immers slechts uitsluitend informatie geven over de stijging en niets zeggen over het absolute niveau van de kabelinterceptie, niet ontvangen?
Hoeveel procent (ongeveer, bij benadering) van alle data die vergaard wordt via kabelinterceptie wordt gedeeld met buitenlandse inlichtingendiensten?
De bekladding van het Nationaal Monument op de Dam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bekladding van het Nationaal Monument op de Dam met rode verf, vlak voor de Nationale Dodenherdenking?1
Hoe beoordeelt u deze daad, mede gezien de symbolische waarde van het monument en het moment waarop deze plaatsvond?
Hoe is het mogelijk dat een nationaal monument op een dergelijk gevoelig moment niet afdoende beveiligd is gebleken en deelt u de mening dat dit in het vervolg anders aangepakt moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
In hoeverre was er vooraf rekening gehouden met het risico op dergelijke acties, mede gezien eerdere incidenten en maatschappelijke spanningen?
Klopt het dat het Nationaal Monument de afgelopen jaren vaker doelwit is geweest van vandalisme en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Deelt u de mening dat herhaalde incidenten wijzen op tekortschietende beveiliging en handhaving rond dit nationale symbool? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen en acht u de huidige aanpak en strafmaat afschrikwekkend genoeg? Zo ja, hoe rijmt u dat met het feit dat het herhaalde incidenten zijn? Zo nee, bent u bereid deze flink aan te scherpen?
Het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend zouden zijn?
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding, aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe) informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen deze middelen zijn verstrekt?
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke omvang en periode?
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes, demonstraties of academische programma’s?
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort is geschoten?
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren en waar nodig te stoppen?
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte en het resultaat is geweest?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties zoals Hamas?
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk de regie op voert?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
Het bericht ‘Mishandeling van ouderen onbelicht’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veilig Thuis is blij met meer meldingen, maar maakt zich om één groep zorgen: «Er gebeurt veel meer dan we nu zien»»?1
Deelt u de zorgen dat ouderenmishandeling vermoedelijk veel vaker voorkomt dan uit de officiële meldcijfers blijkt?
Klopt het dat in 2025 bij Veilig Thuis slechts 4.800 meldingen van ouderenmishandeling zijn gedaan, terwijl wordt geschat dat jaarlijks meer dan 210.000 thuiswonende ouderen slachtoffer zijn van ouderenmishandeling?
Hoe verklaart u dit grote verschil tussen het aantal vermoedelijke slachtoffers en het aantal meldingen?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als ouderen die afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten niet veilig zijn in hun eigen huis?
Welke concrete maatregelen neemt u om ouderenmishandeling eerder te signaleren, met name bij thuiswonende 65-plussers die afhankelijk zijn van zorg, mantelzorg of financiële hulp?
In hoeverre worden huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en te melden?
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis signalen van ouderenmishandeling vaak pas ontvangt nadat de politie al betrokken is geweest?
Wat zegt dit volgens u over de vroegsignalering door zorgverleners, gemeenten en andere betrokken instanties?
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat ouderenmishandeling pas zichtbaar wordt wanneer de situatie al is geëscaleerd?
Herkent u de signalen dat financiële uitbuiting van ouderen voorkomt, bijvoorbeeld doordat kinderen de pinpas van hun ouders afpakken of druk uitoefenen rond testamenten?
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en aan te pakken?
Bent u bereid om samen met banken, notarissen, gemeenten, wijkteams en Veilig Thuis te bezien hoe financiële uitbuiting van ouderen sneller kan worden opgespoord?
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal potentiële mantelzorgers niet meegroeit, terwijl de druk op mantelzorgers toeneemt?
Deelt u de zorg dat overbelasting van mantelzorgers kan bijdragen aan ontspoorde mantelzorg en daarmee aan ouderenmishandeling?
Welke concrete ondersteuning krijgen mantelzorgers om te voorkomen dat overbelasting leidt tot onveilige situaties voor kwetsbare ouderen?
Bent u van mening dat gemeenten voldoende zicht hebben op overbelaste mantelzorgers en kwetsbare ouderen die thuis wonen?
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat Ouderenzorg informeren over de ontwikkeling van het aantal meldingen van ouderenmishandeling in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar aard van de mishandeling, zoals fysieke mishandeling, psychische mishandeling, verwaarlozing en financiële uitbuiting? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met ouderenorganisaties en met een concreet actieplan te komen om ouderenmishandeling beter zichtbaar te maken, sneller te signaleren en harder aan te pakken, en de Kamer vóór het commissiedebat Ouderenzorg te informeren over de eerste stappen die hierin worden gezet?
Het bericht dat defensie vasthoudt aan zero-tolerancebeleid voor drugs. |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat met het zero-tolerancebeleid sollicitanten bijvoorbeeld worden afgewezen op basis van het roken van een joint in hun tienerjaren?
Kunt u exact toelichten op basis waarvan (welk verleden en/of gebruik) defensiepersoneel kan worden ontslagen of als ongeschikt kan worden bestempeld tijdens een sollicitatie?
Kunt u voor de afgelopen tien jaar aangeven hoeveel militairen er jaarlijks vanwege drugsgebruik zijn ontslagen en hoeveel sollicitanten zijn afgewezen vanwege drugsgebruik in het verleden?
Hoe verhoudt dit beleid zich tot de huidige maatschappelijke realiteit waarin (beperkt) recreatief gebruik van bijvoorbeeld cannabis voorkomt, zonder dat dit leidt tot disfunctioneren?
Overwegende dat uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat een kwart van de Nederlanders wel eens wiet of cannabis heeft gebruikt, erkent u dat de keuze voor een zero-tolerancebeleid een groot deel van de Nederlanders uitsluit van actief dienen voor Defensie? Zo niet, hoe kunt u dit onderbouwen?
Deelt u de constatering dat het huidige beleid geen ruimte laat voor maatwerk en proportionaliteit, bijvoorbeeld bij een eenmalige overtreding zonder relatie tot de dienst?
Acht u het proportioneel dat een militair voor een eenmalig incident met softdrugs zijn gehele loopbaan kan verliezen, terwijl andere gedragingen (zoals overmatig alcoholgebruik) niet altijd tot vergelijkbare sancties leiden?
Hoe verhoudt het zero-tolerancebeleid op het gebied van drugs zich tot het beleid op het gebied van alcohol? Erkent u dat in veel gevallen alcoholgebruik gevaarlijker is voor militairen dan (het ooit gerookt hebben van) een joint?
Erkent u dat het vreemd is dat het roken van een joint zoals omschreven in het artikel van de NOS leidt tot ontslag terwijl drankgebruik compleet wordt geaccepteerd?1
Hoe beoordeelt u het risico dat waardevolle en schaars opgeleide militairen verloren gaan door een strikt sanctieregime, terwijl Defensie tegelijkertijd kampt met personeelstekorten?
Bent u bekend met signalen dat militairen of aspirant-militairen zich gedwongen voelen om niet eerlijk te zijn over eerder (incidenteel) drugsgebruik uit angst voor afwijzing? Zo niet, hoe duidt u het feit dat aspirant-defensiepersoneel op online fora informatie en strategieën deelt over hoe om te gaan met vragen over hun drugsgebruik in hun tienerjaren?
Hoe beoordeelt u wetenschappelijke inzichten, zoals onderzoek waaruit blijkt dat beperkt drugsgebruik in het verleden geen negatieve correlatie heeft met functioneren of prestaties binnen de krijgsmacht?2
Welk wetenschappelijk bewijs ligt er onder de keuze om te kiezen voor een zero-tolerancebeleid voor zowel soft- als harddrugs? Kunt u een overzicht geven van de onderzoeken die aantonen dat het gebruik (in het verleden) van softdrugs een groter risico vormt voor het functioneren van (aspirant-)militairen dan drankgebruik?
Bent u bereid om (in overleg met militairen, vakbonden en experts) te komen tot een herziening van het drugsbeleid waarin proportionaliteit, maatwerk en evidence-based beleid centraal staan?
De weigering van een gerichte aanpak van sektes |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Twentse burgemeesters zich teleurgesteld voelen over het uitblijven van een gerichte aanpak van sektes?1
Welke concrete vragen, signalen en hulpvragen hebben deze burgemeesters bij u neergelegd en waarom hebben deze niet geleid tot aanvullende maatregelen?
Hoeveel meldingen en signalen van mogelijke sektarische misstanden zijn de afgelopen vijf jaar landelijk geregistreerd? Is er sprake van een stijgende trend?
Deelt u de zorgen van deze burgemeesters dat gemeenten onvoldoende handelingsperspectief hebben bij vermoedens van psychische dwang, manipulatie en uitbuiting binnen sektes?
Bent u zich ervan bewust dat er bredere maatschappelijke onrust bestaat over dit fenomeen en het ervaren gebrek aan beleid en aanpak? Hoe weegt u deze signalen?
In hoeverre biedt het huidige juridische kader voldoende mogelijkheden om tegen dit soort praktijken op te treden? Hoe vaak is daar succesvol gebruik van gemaakt?
In hoeverre is het wetsvoorstel inzake strafbaarstelling van psychisch geweld mede bedoeld om misstanden binnen sektes aan te pakken?
Wanneer wordt dit wetsvoorstel aan de Kamer aangeboden?
Welke zorg en ondersteuning wordt momenteel aan slachtoffers van sektes geboden? Acht u deze voldoende, mede gelet op de signalen van gemeenten en ervaringsdeskundigen?
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van de oproep van deze burgemeesters en eerdere verzoeken vanuit de Kamer, aanvullend onderzoek te doen naar de aard en omvang van sektarische problematiek in Nederland, de effectiviteit van huidige instrumenten en de vraag welke aanvullende maatregelen nodig zijn?
De toepassing van snelrecht bij Azc-demonstrant en niet bij A12-bezetter |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Azc-demonstrant snel berecht, A12-bezetter niet: wanneer wordt supersnelrecht ingezet»?1
Hoe vaak werden er in de afgelopen drie jaar strafzaken afgedaan via snelrecht of supersnelrecht? En voor verdenking van welke strafbare feiten werd (super)snelrecht ingezet?
Waarom worden strafzaken tegen azc-demonstranten wel afgedaan via het (super)snelrecht en niet bij A12-bezetters? De zes bestuurders die de A12 blokkeerden leenden zich toch ook voor (super)snelrecht nu zij op heterdaad werden betrapt? En hoe zit dat met de A12-bezetters, zij werden door de politie verwijderd van de snelweg, dan was het bewijs toch ook direct voorhanden?
Deelt u de mening dat het er sterk op lijkt dat het Openbaar Ministerie en de rechter de azc-demonstraties de kop wil indrukken, aangezien (super)snelrecht voornamelijk wordt ingezet voor het maken van een statement?
Het bericht 'Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode' |
|
Etkin Armut (CDA), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat er in Nederland duizenden vrouwen en meisjes slachtoffer zijn van vrouwelijke genitale verminking?
Hoe wordt vrouwelijke genitale verminking momenteel geregistreerd in Nederland, en acht u deze registratie volledig en betrouwbaar?
In hoeverre heeft u zicht op het aantal meisjes en vrouwen dat het risico loopt op vrouwelijke genitale verminking, in het bijzonder in relatie tot (gedwongen) uitreizen naar het buitenland?
Deelt u de opvatting dat de periode voorafgaand aan de zomervakantie een verhoogd risico met zich meebrengt en daarom een cruciaal moment is voor preventieve maatregelen in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, hoe wordt hierop ingezet?
Welke concrete preventieve maatregelen worden ingezet om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen, potentiële slachtoffers te beschermen en risicovol uitreizen tegen te gaan?
Welke concrete resultaten zijn sinds de strafbaarstelling van vrouwelijke genitale verminking van 30 jaar geleden geboekt in de preventie en strafrechtelijke aanpak van deze praktijk?
Acht u de huidige strafbaarstelling voldoende effectief? Hoe vaak heeft dit in de afgelopen 5 jaar geleid tot vervolging en veroordeling?
In hoeverre is het herkennen en signaleren van vrouwelijke genitale verminking onderdeel van de opleiding en nascholing van huisartsen en andere zorgprofessionals? Ziet u ruimte om deze deskundigheid en bewustwording te versterken en zo ja, hoe?
Op welke manier en binnen welke termijn gaat u het mogelijk maken om een uitreisverbod op te kunnen leggen bij het risico op genitale verminking?
Welke aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om (potentiële) slachtoffers beter in beeld te krijgen en hun bescherming te versterken?
Bent u bereid de inzet van sleutelpersonen en gemeenschapsgerichte aanpakken te intensiveren, zodat (potentiële) slachtoffers beter worden bereikt en hulp laagdrempeliger beschikbaar komt?
Wat is er concreet verbeterd in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking sinds de beleidsreactie op het WODC-onderzoek «Over Grenzen» (over preventieve beschermingsbevelen bij onder andere vrouwelijke genitale verminking)?2
In hoeverre wordt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toegepast bij signalen van vrouwelijke genitale verminking?
Het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen door demonstranten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zoveelste wegblokkade van Extinction Rebellion (XR), dit keer in Utrecht?1
Bent u bekend met het feit dat ook andere burgers grondrechten hebben, zoals bewegingsvrijheid en het recht op gebruik van de openbare weg, of geldt dat in de praktijk alleen zolang er geen actiegroep op het asfalt zit? Acht u het recht om te demonstreren absoluut?
Deelt u de opvatting dat het structureel blokkeren van vitale infrastructuur een creatieve, zij het selectieve, interpretatie is van het demonstratierecht? Waar eindigt volgens u demonstreren en begint simpelweg ontwrichten?
Klopt het dat handhaving inmiddels contextafhankelijk is geworden, waarbij de inhoud van de boodschap mede bepaalt of de wet wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Hoe legt u aan burgers uit dat regels nageleefd moeten worden, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt dat overtredingen op grote schaal zonder directe consequenties blijven? Wanneer worden eindelijk harde maatregelen genomen en zwaardere handhavingsmiddelen ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet van waterkannonen en zwaardere sancties?
In hoeverre vindt u het wenselijk dat werkende burgers hun dag moeten herinrichten omdat de overheid structureel ervoor kiest niet in te grijpen? Kunnen deze mensen hun (brandstof)kosten bij u declareren?
Ziet u aanleiding om nader te onderzoeken of organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan het ontwrichten van de openbare orde nog passen binnen de voorwaarden voor een ANBI-status? Zo nee, kunt u dit uitgebreid motiveren?
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Mirjam Bikker (CU), Jan Struijs (50PLUS), Diederik van Dijk (SGP), Laurens Dassen (Volt), Tijs van den Brink (CDA), Sarah Dobbe (SP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
Het bericht ‘AIVD: IS-aanhangers en rechts-extremisten steeds jonger’ |
|
Fatimazhra Belhirch (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AIVD: IS-aanhangers en rechts-extremisten steeds jonger»?1
Kunt u reflecteren op de bevinding dat radicalisering steeds vaker plaatsvindt onder jongeren en kinderen? Zijn de huidige beleidsinstrumenten om radicalisering te voorkomen volgens u voldoende toegesneden op minderjarigen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om deze groep beter te bereiken?
In hoeverre beschikken gemeenten, scholen, jeugdzorginstellingen en wijkteams over de expertise en capaciteit om signalen van radicalisering onder jongeren vroegtijdig te herkennen en adequaat op te volgen? Hoe kunnen we deze organisaties beter betrekken bij het signaleren en voorkomen van radicalisering?
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen en beleidstrajecten op dit moment lopen om online radicalisering tegen te gaan, specifiek gericht op sociale media, gamingplatforms en online chatgroepen? Zijn er al resultaten bekend, bijvoorbeeld van de re-direct methode, die u met de Kamer kan delen?
Kunt u aangeven of u aanvullende maatregelen overweegt om online radicalisering en de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan, in bijzonder op het gebied van contentmoderatie, toezicht op online platforms en afspraken met onder andere social mediabedrijven?
Kunt u uiteenzetten of er best practices uit andere (Europese) landen zijn geïnventariseerd ten aanzien van het tegengaan van online radicalisering? Welke van deze maatregelen acht u kansrijk voor toepassing in Nederland of bent u bereid nader te onderzoeken?
Kunt u aangeven in hoeverre Nederland samen met andere Europese landen optrekt bij het toezicht op digitale platforms en de handhaving van contentmoderatie als het gaat om de aanpak extremistische content? Welke trajecten lopen er binnen de Europese Unie die kunnen bijdragen aan een effectieve aanpak van online radicalisering?
Kunt u reageren op de bevinding van de AIVD dat bewindspersonen, deurwaarders, journalisten, rechters en lokale bestuurders in toenemende mate bedreigingen ontvangen uit de anti-institutionele hoek, met als gevolg dat zij hun functie soms willen neerleggen? Kunt u uiteenzetten welke ondersteuning wordt geboden aan deze hoeders van de democratie?
Kunt u reflecteren op de bevinding dat minderjarigen soms worden ingezet voor spionageactiviteiten in opdracht van Rusland zonder dat zij zich hiervan bewust zijn? Kunt u aangeven hoe het staat met de uitvoering van de motie Paternotte over een brede bewustwordingscampagne via social media over de risico's van digitale spionage en buitenlandse wervingspogingen (Kamerstuk 30 821, nr. 308)?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het debat over terrorisme/extremisme op 27 mei 2026?
Het bericht AI-model Mythos geprezen en gevreesd lijkt in handen gevallen van onbevoegden |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het NRC over het AI-model Mythos dat mogelijk in handen is gevallen van onbevoegden?1
Deelt u de analyse dat ongecontroleerde verspreiding van geavanceerde AI-modellen risico’s kan vergroten op cyberaanvallen, geautomatiseerde fraude en andere schadelijke toepassingen? Zo ja, welke risico’s acht u het meest urgent? Zo nee, waarom niet?
Welke rol spelen geavanceerde AI-modellen op dit moment in het dreigingsbeeld? Welke gevolgen heeft de uitrol van Mythos, binnen afzienbare tijd ook aan het grotere publiek, voor dit dreigingsbeeld?
Bent u van mening dat overheden toegang moeten krijgen tot Mythos zodat zij het kunnen gebruiken om preventief kwetsbaarheden op te sporen en te dichten? Kan dit op een veilige en verantwoorde manier?
Hoe bereidt u overheidsorganisaties voor op de cyberveiligheidsrisico’s die gepaard gaan met de uitrol van Mythos? Kunt u uiteenzetten welke acties u neemt om de veiligheid van persoonsgegevens van burgers en de ICT-processen van de overheid te garanderen?
Welke rol zou een onafhankelijke AI-raad, zoals voorgesteld in de motie-Kathmann/Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1403), kunnen spelen om de veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI te monitoren en af te dekken? Hoe wordt deze motie nu uitgevoerd?
Heeft u voldoende zicht op de risico’s van model leakage, model theft en ongeautoriseerde verspreiding van geavanceerde AI-systemen in Nederland en Europa? Zo ja, hoe wordt dit inzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Hoe beoordeelt u de toereikendheid van bestaande beveiligingsnormen en toezichtmechanismen voor ontwikkelaars en beheerders van krachtige AI-modellen, mede in relatie tot de implementatie van de AI-verordening?
Welke kansen ziet u om via veilige ontwikkeling en deployment van AI de digitale veiligheid te versterken, bijvoorbeeld voor cyberdetectie, opsporing en publieke dienstverlening?
Ziet u in deze casus aanleiding om in Europees verband te pleiten voor versterkte samenwerking rond monitoring van toegangsbeheer, auditing en incidentrespons? Zo ja, op welke wijze?
Hoe beoordeelt u de wenselijkheid van meer transparantieverplichtingen voor aanbieders van geavanceerde AI-systemen over beveiligingsmaatregelen, incidenten en misbruikrisico’s?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en in ieder geval vóór het rondetafelgesprek cyberveiligheid en informatiebeveiliging van 20 mei 2026?
Bent u bekend met het bericht «Ervaringen ingezetenencriterium»?1
Hoe kan het dat ondanks het i-criterium, welke sinds 1 januari 2013 deel uitmaakt van de Opiumwet en gemeentes verplicht dit in het lokale beleid op te nemen, er nog steeds gemeentes zijn die deze plicht verzaken?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat gemeentes die het i-criterium wel in hun lokale beleid hebben opgenomen dit niet handhaven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Is het gedogen van eerdergenoemd gedrag door gemeentes geen vorm van ondermijning van de rechtsstaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Als de overheid zich al niet houdt aan wet- en regelgeving, wat verwacht u dan van de burger? Is dit geen fout voorbeeld?
Wekt het niet uitvoeren en handhaven van het i-criterium het wiettoerisme, met de bijbehorende overlast, niet in de hand?
Het bericht 'Verkrachtingsacademie’ waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot»?1
Deelt u de mening dat het verwerpelijk en onacceptabel is dat er wereldwijde netwerken bestaan van mannen die elkaar aanmoedigen om vrouwen te misbruiken en drogeren, en hier veelvuldig tips over delen?
Welke strafrechtelijke mogelijkheden bestaan er om beheerders en Nederlandse gebruikers van dit soort platforms op te sporen en te vervolgen?
Kunt u in kaart brengen hoeveel van dit materiaal op Nederlandse servers staan en in hoeverre soortgelijke «verkrachtingsacademies» in Nederland aan de orde zijn?
Hoeveel Nederlandse vrouwen zijn naar verwachting slachtoffer van drogering en verkrachting door hun partner en waar kunnen deze slachtoffers zich melden?
In hoeverre is het strafbaar om in groepchats tips te delen om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie? Kan hier specifiek op gehandhaafd worden en zo nee, welke belemmeringen zijn er?
Bent u van mening dat het wenselijk is om deelnemen aan of faciliteren van dergelijke online omgevingen explicieter strafbaar te stellen?
Hoe kunt u voorkomen dat anonimiteit op het internet ertoe leidt dat daders zich gemakkelijk kunnen verschuilen bij het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik, en welke ruimte biedt de Digital Services Act (DSA) om dit tegen te gaan?
Op welke manier werkt Nederland samen met andere Europese lidstaten bij de bestrijding van dit soort grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit?
Kunt u in kaart brengen wat Nederland als individuele lidstaat kan doen om dit aan te pakken, en wat nodig is in Europees verband?
Heeft u in beeld hoeveel meldingen worden gedaan bij de online platforms over dergelijke «verkrachtingsacademies» en op welke manier wordt hierop geacteerd door de platforms?
Vindt u dat Telegram de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen en schadelijke content te verwijderen naleeft, nu veelvuldig in groepchats concreet advies wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen, middelen worden verkocht om vrouwen in slaap te houden en livestreams worden gemaakt van seksueel misbruik?
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende wetgeving of bevoegdheden nodig zijn om sneller in te grijpen bij websites die seksueel geweld faciliteren?
Bent u bereid om, in samenwerking met Europese lidstaten, zich actief in te zetten voor het zo snel mogelijk offline halen van platforms zoals Motherless die seksueel geweld faciliteren of verheerlijken, en welke concrete stappen kunt u daartoe nemen?
De uitspraak van het Kifid over de incassodienstverlening van Klarna |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Klarna geeft toe incassowerkzaamheden uit te voeren»1 en de bindende uitspraken van het Kifid2 waar geconcludeerd wordt dat uitgesteld betalen een vorm van kredietverstrekking is waarvoor een kredietwaardigheidstoets is vereist?
Zijn er door de Inspectie Justitie en Veiligheid handhavende maatregelen getroffen waardoor Klarna zich inmiddels heeft geregistreerd in het Incassoregister, of was de registratie uit eigen beweging?
Heeft u signalen van de Inspectie Justitie en Veiligheid gekregen over de effectiviteit en reikwijdte van hun instrumentarium om adequaat toe te zien op de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Voldoet Klarna, met de registratie in het Incassoregister, nu aan alle kwaliteitseisen uit de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening?
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Kifid in de zaak die consumenten hebben aangespannen tegen Klarna? Zijn er als gevolg van deze uitspraak mogelijke gevolgen voor andere klanten van Klarna? Zo ja, welke?
Hoe beoordeelt u de stellingname van het Kifid dat BNPL-dienstverlening een lening is waar een kredietwaardigheidstoets op vereist is, in relatie tot inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn consumentenkrediet? Wat betekent dit voor de periode tot inwerkingtreding van de richtlijn?
Op welke wijze wordt de kredietwaardigheidstoetsing in lagere regelgeving van de aanstaande Implementatiewet richtlijn consumentenkrediet verwerkt? Wat wordt hierbij de grens en verschillende niveaus van kredietwaardigheidstoetsing?
Het bericht 'Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van 'democraat' Pahlavi'' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van «democraat» Pahlavi» van Nieuwsuur, d.d. 19 april 2026?1
Bent u bekend met signalen van intimidatie tegen Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, waar bestaan die signalen uit?
Staat u direct of indirect in contact met de Iraanse diaspora in Nederland, ook met de Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, ervaren deze groepen druk vanuit het Iraanse regime dan wel vanuit kringen rondom de zoon van de sjah? Zo nee, bent u bereid met deze groepen in contact te treden?
Hoeveel aangiftes zijn er gedaan vanwege misdrijven gericht tegen Iraanse Nederlanders waaronder doxing? Wat is de stand van zaken van deze aangiftes?
Acht u het nodig dat Iraanse Nederlanders beter beschermd gaan worden tegen vormen van intimidatie waaronder strafbare feiten? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Is de politie extra alert op bedreigingen van Iraniërs in Nederland? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Grote onrust in wijk om fatbiketerreur, bewoners bewapenen zich en dreigen met ‘wijkoorlog’ in brief aan politie’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat in steeds meer gemeenten, waaronder Delfzijl, sprake is van ernstige overlast en intimidatie door groepen «jongeren» in de openbare ruimte, waarbij het lokale gezag zichtbaar moeite heeft om grip te krijgen op de situatie?1
Wat vindt u ervan dat inwoners van Delfzijl kennelijk het vertrouwen verliezen dat de overheid hen nog voldoende kan beschermen? Deelt u de opvatting dat dit buitengewoon zorgelijk en beschamend is voor een rechtsstaat?
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten sprake is van vergelijkbare problematiek met overlastgevende of criminele jeugdgroepen waarbij het de gemeente of een wijk compleet ontwricht?
Deelt u de opvatting dat wanneer het bevoegd gezag aantoonbaar tekortschiet, of onvoldoende capaciteit en gezag heeft om hardnekkig overlastgevend en intimiderend tuig van straat te halen, het vanuit menselijk oogpunt voorspelbaar en logisch is dat bewoners zich uiteindelijk genoodzaakt voelen hun wijk zelf te verdedigen? Kunt u hier een heldere reactie op geven?
Welke rol spelen capaciteitsproblemen bij politie, boa’s en handhaving volgens u bij het ontstaan of voortduren van dit soort situaties?
Vanaf welk punt bent u bereid het geweldsmonopolie van de staat zichtbaarder, steviger en dwingender in te zetten om de openbare orde te herstellen en inwoners weer veiligheid te bieden? Kunt u daarbij een concreet tijdspad geven?
Welke extra maatregelen bent u bereid te nemen om gemeenten sneller en effectiever te helpen bij de aanpak van dit soort overlastgevende jeugdgroepen, zoals ruimere inzet van gebiedsverboden, groepsverboden, preventief fouilleren, snelle inbeslagname van voertuigen en persoonsgerichte maatregelen?
Waarom worden gemeenten die hun inwoners willen beschermen nog te vaak tegengewerkt door regels, procedures of terughoudende instanties wanneer zij extra camera’s, handhaving of andere veiligheidsmaatregelen willen inzetten, en hoe gaat u daar per direct verandering in brengen?
Wat doet u op dit moment actief richting gemeenten met vergelijkbare problematiek, en welk aanvullend pakket aan maatregelen bent u bereid op korte termijn beschikbaar te stellen?