Kamervraag 2026Z07494

Het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken

Ingediend 9 april 2026
Beantwoord 13 mei 2026 (na 34 dagen)
Indiener Henk Vermeer (BBB)
Beantwoord door Aerdts
Onderwerpen bestuur economie ict openbare orde en veiligheid parlement staatsveiligheid
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z07494.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1918.html
  • Vraag 1
    Herinnert u zich dat u in het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie d.d. 8 april aangaf dat het ontbreken van middelen op de begroting de doorslaggevende reden was om niet deel te nemen aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?

    Ja, ik herinner mij het debat. Daarin heb ik onder andere aangeven dat er geen middelen zijn om aan de Europese tender voor een gezamenlijke inkoop van rekenkracht mee te doen. Daarnaast heb ik aangegeven positief te staan tegenover AI-infrastructuur die vanuit private middelen gefinancierd kan worden, zoals ook in het rapport-Wennink wordt aangegeven. Ook heb ik aangegeven dat ik daarom in gesprek blijf met de partijen die AI-infrastructuur initiatieven proberen te realiseren en over de randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn.

  • Vraag 2
    Klopt het dat in de beslisnota d.d. 23 maart bij de Kamerbrief «Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief» (Kamerstuk 26 643-1499) staat dat in de StafEZ van 10 maart 2026 is vastgesteld dat binnen de huidige begroting geen ruimte bestaat voor de vereiste financiële verplichtingen?

    Ja.

  • Vraag 3
    Klopt het dat eerst is geconcludeerd dat er geen geld beschikbaar was, en dat pas daarna inhoudelijke argumenten, waaronder een verwijzing naar het rapport-Wennink, zijn gebruikt om dit besluit te onderbouwen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies uiteenzetten in welke volgorde de budgettaire en inhoudelijke afwegingen zijn gemaakt?

    Nee. De conclusie dat er geen middelen beschikbaar waren, is niet los van de inhoudelijke afwegingen bereikt. In 2025 heeft Ecorys in opdracht van EZK de potentiële meerwaarde van een AI-gigafabriek onderzocht. Dit rapport schetst verschillende scenario’s en benoemt zowel kansen als onzekerheden en randvoorwaarden voor publieke betrokkenheid. Daarbij plaatst het rapport kanttekeningen bij de publieke meerwaarde en wijst het onder meer op de verhouding tussen training en inferentie, en de rol die marktpartijen zelf kunnen vervullen. Ook andere inzichten, waaronder het rapport-Wennink, geven aan dat substantiële private betrokkenheid bij de realisatie van dergelijke infrastructuur voor de hand ligt.
    Parallel hieraan heeft EZK de budgettaire mogelijkheden verkend. Daaruit bleek dat er geen middelen beschikbaar waren. In samenhang hebben deze inhoudelijke bevindingen en de budgettaire beperkingen geleid tot het besluit om niet deel te nemen aan een gezamenlijke aanbesteding via EuroHPC.

  • Vraag 4
    Kan de Staatssecretaris alsnog de stukken openbaar maken die ten grondslag lagen aan het overleg in de StafEZ van 10 maart 2026, conform het eerder gedane informatieverzoek van de Kamer gedaan tijdens het commissiedebat Digitale infrastructuur en economie, waaronder memo’s, notities, berekeningen, scenario’s en de stukken waarmee de Staatssecretaris en de betrokken ambtenaren dat overleg zijn ingegaan? Indien volledige openbaarmaking niet mogelijk is, is de Staatssecretaris dan bereid om ten aanzien van het deel waarvan openbaring niet mogelijk is, deze stukken vertrouwelijk ter inzage te geven?

    De belangrijkste basis voor de inhoudelijke afweging waren diverse gesprekken met consortia over hun plannen, de Europese EuroHPC regelgeving en het Ecorys-rapport, dat in opdracht van het Ministerie van EZK is opgesteld en op 19 december jl. met de Tweede Kamer is gedeeld. Ook andere inzichten, zoals het rapport-Wennink, dat ook openbaar is, zijn hierin meegenomen.

  • Vraag 5
    Herinnert u zich dat u zich zowel in het debat, als in de Kamerbrief betreft de Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief, beriep op het rapport-Wennink, en dat dat rapport volgens het kabinet geheel in lijn zou zijn met het standpunt van het kabinet om AI-gigafabrieken volledig door de markt te laten financieren?

    Ja.

  • Vraag 6
    Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nieuwe initiatieven [...] zijn (nog) niet volledig privaat te financieren door hoge opstartkosten en lange, onzekere terugverdientermijnen.»?

    Ja. Daarbij wordt echter op pagina van 90 van het rapport de kanttekening gemaakt dat dit met name geldt voor nieuwe initiatieven in nog onbewezen markten. Tegelijkertijd vermeldt het rapport dat de AI Gigafabriek, vanwege haar sterke commerciële oriëntatie, in beginsel wél volledig privaat gefinancierd kan worden en marktconforme rekenkracht kan aanbieden.

  • Vraag 7
    Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Publieke financiering – en cofinanciering door EU-instrumenten – kan een vliegwieleffect hebben.»?

    Ja.

  • Vraag 8
    Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nederland heeft grootschalige private én publieke investeringen nodig.»?

    Ja.

  • Vraag 9
    Deelt u de mening dat u stelt te handelen in lijn met het rapport-Wennink, terwijl datzelfde rapport expliciet aangeeft dat grootschalige digitale infrastructuur juist níet volledig privaat te financieren is en publieke cofinanciering noodzakelijk is om investeringen los te krijgen? Zo nee, waarom niet?

    Nee. Het rapport-Wennink maakt een onderscheid tussen verschillende typen digitale infrastructuur. Waar het voor een deel van de grootschalige infrastructuur inderdaad wijst op het belang van publieke cofinanciering, wordt in het geval van AI-gigafabrieken expliciet benoemd dat deze in beginsel volledig privaat gefinancierd kunnen worden. Dat beeld wordt ondersteund door recente marktontwikkelingen. Zo halen Europese AI-(neo)cloudbedrijven zelfstandig kapitaal op voor de bouw van AI-infrastructuur. Dit laat zien dat er binnen dit specifieke segment voldoende private investeringsbereidheid bestaat.

  • Vraag 10
    Is hier niet gewoon sprake van het gebruiken van het rapport-Wennink als dekmantel voor een besluit dat puur budgettair is genomen? Zo nee, waarom niet?

    Nee. Het rapport-Wennink is niet gebruikt als dekmantel voor een budgettaire keuze. Aan de kabinetspositie ligt, naast de gesprekken met de geïnteresseerde consortia, in de eerste plaats het rapport van Ecorys ten grondslag, waarin de relevante economische en investeringsafwegingen zijn geanalyseerd, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3.

  • Vraag 11
    Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dit de indruk wekt van «cherry picking»? Zo nee, waarom niet?

    Nee. Die indruk deel ik niet, omdat er niet uitsluitend naar het rapport-Wennink is gekeken om tot deze conclusie te komen.

  • Vraag 12
    Herinnert u zich dat u zich in het debat ook beriep op het Ecorys-rapport? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Ecorys niet concludeert dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is, maar juist dat de meerwaarde afhangt van ontwerp, gebruiksdoel en strategische inbedding? Waarom wordt dit rapport dan door het kabinet wel gebruikt als argument om af te haken?

    Ja, dat kan ik mij herinneren en dat kan ik bevestigen. Het Ecorys-rapport stelt inderdaad niet dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is. Het benadrukt juist dat de meerwaarde en businesscase sterk afhangen van het ontwerp, het beoogde gebruik en de strategische inbedding. Ecorys geeft daarbij aan dat een gecentraliseerde AI-gigafabriek vooral meerwaarde kan hebben voor de training van zeer grote modellen, maar plaatst daar tegelijkertijd de kanttekening dat het aantal partijen dat deze schaal van trainingscapaciteit daadwerkelijk benut in de Nederlandse context gering is.
    Het kabinet gebruikt dit rapport niet als oordeel dat dergelijke infrastructuur «niet wenselijk» zou zijn, maar als onderbouwing voor de conclusie dat voor de varianten die juist meerwaarde hebben en op de Nederlandse markt zijn gericht, publieke financiering niet noodzakelijk is, omdat de markt daarin zelf kan voorzien. Op basis daarvan, tezamen met de budgettaire situatie, is de afweging gemaakt om geen publieke rol te nemen in een aanbesteding met financiële verplichtingen waarbij het initiatief in de specifieke vorm nog onduidelijk is.

  • Vraag 13
    Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat ook in dit geval dit de indruk wekt van cherry picking? Zo nee, waarom niet?

    Nee, zie de toelichting in de beantwoording op vraag 12.

  • Vraag 14
    Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet ervan uitgaat dat Nederlandse partijen later ook rekenkracht kunnen inkopen bij AI-gigafabrieken elders in Europa? Waarop baseert het kabinet de aanname dat die capaciteit bij toenemende schaarste daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden, in plaats van dat Nederland achteraan aansluit in de rij?

    Ja, het kabinet gaat er in beginsel van uit dat Nederlandse partijen toegang kunnen krijgen tot rekenkracht bij AI-gigafabrieken elders in Europa. Die aanname is gebaseerd op de afspraken en de EuroHPC-verordening, het wetgevingskader dat de EuroHPC Joint Undertaking reguleert.
    Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat dit geen vanzelfsprekendheid zonder voorwaarden is. Het kabinet onderkent dat bij toenemende schaarste in rekencapaciteit private aanbieders geneigd kunnen zijn om prioriteit te geven aan contractueel gebonden gebruikers.

  • Vraag 15
    Kan de Staatssecretaris ingaan op de analyse van het The Hague Centre for Strategic Studies dat toegang tot kritieke digitale infrastructuur in toenemende mate afhankelijk is van geopolitieke verhoudingen en dat bij schaarste landen primair hun eigen belangen zullen beschermen? Hoe rijmt de Staatssecretaris dit met de aanname dat Nederlandse partijen bij toenemende vraag en schaarste probleemloos gebruik kunnen blijven maken van rekenkracht in andere lidstaten of daarbuiten?

    Zoals ik bij de vorige vraag heb toegelicht, baseer ik mij op de afspraken binnen de EuroHPC Joint Undertaking en het daarbij behorende Europese wettelijke kader. Dat kader is er juist op gericht om gezamenlijke Europese toegang tot high-performance computing en aanverwante digitale infrastructuur te borgen, ook in situaties van toenemende schaarste of geopolitieke spanning. Lidstaten hebben zich daaraan gecommitteerd, inclusief afspraken over beschikbaarheid en gedeeld gebruik van capaciteit.

  • Vraag 16
    Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet kiest voor AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd? Hoe realistisch acht de Staatssecretaris dat, gelet op het feit dat het rapport-Wennink juist wijst op achterblijvende private investeringen?

    Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.

  • Vraag 17
    In de genoemde Kamerbrief schrijft het kabinet dat het kiest voor een ontwikkeling van AI-infrastructuur die meegroeit met de marktvraag; hoe verhoudt zich dat tot de constatering in de onderliggende analyses dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur juist sterk aanbodgedreven kan zijn, en dat investeringen in capaciteit zelf vraag, innovatie en ecosysteemvorming aanjagen? Loopt Nederland door deze afwachtende houding niet juist het risico achter te blijven omdat vraag pas ontstaat waar capaciteit al aanwezig is?

    Ik ben het met u eens dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur in bepaalde gevallen aanbodgedreven kan zijn en daarmee juist ook vraag, innovatie en ecosysteemvorming kan stimuleren. Dat is ook precies de reden dat het kabinet wél inzet op de realisatie van de publiek gefinancierde AI-fabriek in Groningen, waar sprake is van een strategische Europese investering in rekenkracht en kennisopbouw.
    Tegelijkertijd geldt dat niet alle typen AI-infrastructuur dezelfde dynamiek kennen. In veel segmenten kan de markt zelf goed inspringen op groeiende vraag, mits de randvoorwaarden op orde zijn, zoals voldoende beschikbare energie, ruimte en een voorspelbaar vergunningsproces.

  • Vraag 18
    Is de Staatssecretaris, gelet op het feit dat de doorslaggevende overweging blijkens de beslisnota budgettair was en rapporten waarachter het kabinet zich verschuilt het kabinet lijken te tegenspreken, bereid het besluit alsnog te heroverwegen en de Kamer een scenario te sturen waarin Nederland wél, al dan niet gefaseerd, kan aansluiten bij het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?

    Nee. Deelname aan de door EuroHPC geleide aanbesteding zou een substantiële financiële verplichting met zich meebrengen, die het kabinet op dit moment niet wil aangaan. De inhoudelijke afwegingen zoals toegelicht in deze beantwoording geven geen aanleiding om de positie van het kabinet te herzien. Daarbij wil ik bovendien benadrukken dat deelname aan het Europese traject geen garantie biedt op de realisatie van een AI-gigafabriek in Nederland, maar primair ziet op het indienen van een voorstel in competitie met voorstellen uit andere lidstaten.

  • Vraag 19
    Kunt u deze vragen in ieder geval voor het tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie, een voor een, beantwoorden?

    Ja.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2026Z07494
Volledige titel: Het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20252026-1918
Volledige titel: Antwoord op vragen van het lid Vermeer over de positie van het kabinet inzake AI-gigafabrieken