Het bericht 'Consumentenbond constateert nog altijd tientallen voorbeelden van krimpflatie: ‘Hardnekkig probleem'' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Consumentenbond constateert nog altijd tientallen voorbeelden van krimpflatie: «Hardnekkig probleem»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er nog steeds producenten zijn die hun inhoud verkleinen, met als doel consumenten het verschil tussen prijs en inhoud niet op te laten merken?
De stijgende prijzen van eerste levensbehoeften zijn voor heel veel mensen een belangrijk onderwerp, en terecht. Voor mensen in een kwetsbare financiële situatie kan dit zelfs elke dag een zorg zijn. Als prijsstijgingen niet opvallen, kan dat het gevoel geven dat mensen het gevoel geven dat ze grip op de situatie verliezen. Ik herken daarom de zorg bij consumenten dat producenten bewust de inhoud verkleinen om daarmee ongemerkt de prijzen te verhogen (krimpflatie). Voor de volledigheid merk ik op dat er ook andere redenen denkbaar zijn om de inhoud van een product te verkleinen, zoals het gerichter bedienen van de vraag van de consument.
Het is in de eerste plaats aan producenten om de eigenschappen van een product te kiezen. Consumenten maken op basis van prijzen een afweging om iets wel of niet te kopen. Producenten hebben daarmee een prikkel om de beste prijs-kwaliteitverhouding te bieden. Dit mechanisme werkt alleen als de prijs per hoeveelheid voldoende transparant is. Dat is een aandachtspunt, waar ik in de antwoorden op uw vervolgvragen op in ga.
Bent u het ermee eens dat mensen hierdoor voor de gek worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
Het moet voor consumenten duidelijk zijn welke hoeveelheid van een product zij krijgen voor een bepaalde prijs. Momenteel vermelden supermarkten in veel gevallen de prijs per liter of per kilo op grond van het consumentenrecht (Besluit prijsaanduiding producten). Daarmee is de prijstransparantie op zichzelf gewaarborgd.
Het is echter voorstelbaar dat het consumenten niet direct opvalt als deze prijs per liter/kilo wijzigt, vooral als de verpakking nagenoeg hetzelfde blijft. Dit kan voor de consument tot een onaangename verrassing leiden.
Ik wil niet zover gaan om te zeggen dat mensen voor de gek worden gehouden, in de zin dat het om een onjuiste voorstelling van zaken zou gaan. De feitelijke informatie is immers aanwezig. Wel vind ik dat door het ongemerkt verkleinen van de verpakking de onjuiste suggestie gewekt kan worden dat de prijs niet stijgt. De bovengenoemde regels over prijsaanduidingen zijn er om consumenten betrouwbare informatie te geven over het product dat zij kopen. Wel is het zo dat een kleinere inhoud niet iedere consument zal opvallen, waardoor het als verkapte prijsverhoging gezien kan worden.
Bent u het met de Consumentenbond en deze fractie eens dat bedrijven transparant moeten zijn over het verkleinen van de inhoud van hun product? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat het voor consumenten helder moet zijn wat zij krijgen voor hun geld, zoals ik bij vraag drie schreef. In mijn beantwoording van uw vervolgvragen ga ik in op de vraag of «transparant zijn» ook betekent dat bedrijven verplicht moeten worden om de consument te attenderen op een verkleinde inhoud.
Wat vindt u van het voorstel van de Consumentenbond om supermarkten te vragen een label te plaatsen bij producten wanneer de inhoud verkleind wordt of om producenten te verplichten dit duidelijk zichtbaar aan te geven op de verpakking?
De voorstellen van de Consumentenbond zouden ervoor zorgen dat consumenten meer informatie krijgen dan nu het geval is. Voor de groep consumenten die uitgaat van gelijkblijvende hoeveelheid en alleen naar de prijs kijkt zorgt dit voor een betere afweging, omdat zij actief wordt geïnformeerd. Vanuit alleen dat perspectief zijn het goede voorstellen.
Verplichte maatregelen, zoals het plakken van stickers op het product of een waarschuwing op het schap, brengen echter ook extra kosten met zich mee voor het supermarkten en/of producenten. In beide gevallen is het voorstelbaar dat deze kosten worden doorberekend aan de consumenten.
Bent u van plan om deze maatregel in te voeren? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Ik ga uit van een actieve rol van consumenten. Zij worden nu feitelijk gezien goed geïnformeerd over de prijs die zij betalen voor een bepaalde hoeveelheid. Als zij boodschappen doen kunnen zij elke keer opnieuw de afweging maken of zij een acceptabele prijs voor de geboden hoeveelheid betalen. Consumenten die onaangenaam verrast zijn door een verkleinde inhoud kunnen er als reactie voor kiezen om dit product niet (meer) te kopen. Dit kan voor bedrijven een prikkel zijn om producten niet ongemerkt te verkleinen. Belangenorganisaties zoals de Consumentenbond zijn in dit verband nuttig omdat zij consumenten alert maken op bepaalde praktijken.
Als ik bedrijven verplicht om maatregelen te nemen brengt dat administratieve lasten met zich mee. Of, en in hoeverre, dergelijke maatregelen ook een besparing voor de consument opleveren op boodschappen is onzeker. En tot slotte moet dergelijke wetgeving ook goed handhaafbaar zijn.
Daarom ben ik vooralsnog niet van plan om dergelijke maatregelen in te voeren. Dit neemt niet weg dat ik met de Consumentenbond in gesprek zal gaan over het thema boodschappenprijzen. Ik sta daarbij open voor nieuwe inzichten en wat mij betreft is elke mogelijke oplossing bespreekbaar.
Bent u ermee bekend dat landen als Zuid-Korea, Frankrijk, Italië en Oostenrijk wetgeving hebben om krimpflatie tegen te gaan? Hoe kijkt u aan tegen deze wetgeving?
Ik ben daar mee bekend. Ik heb mijn afwegingen rondom dergelijke wetgeving geschetst bij mijn antwoord op 6.
Bent u het ermee eens dat Nederland ook wetgeving zou moeten hebben om krimflatie tegen te gaan? Zo ja, hoe gaat u dit oppakken? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zie ik daarvoor niet voldoende aanleiding. Zie bovengenoemde antwoorden voor mijn afweging daarin.
Ik vind betaalbaarheid van boodschappen een heel belangrijk onderwerp, net als de daaraan gelinkte prijstransparantie. Ik erken ook dat er geen absolute grens is die bepaalt in welke gevallen consumenten voldoende geïnformeerd zijn. Daarom houd ik het maatschappelijke debat, en zeker het debat hier in de Kamer, nauwlettend in de gaten.
Bent u bereid om de Autoriteit Consument & Markt (ACM) de prijzen te laten controleren, en bij krimpflatie te reguleren en indien nodig te blokkeren?
De Autoriteit Consument & Markt is onafhankelijk toezichthouder. Het is in dit geval niet aan mij om hen aanwijzingen te geven, en er is geen wetgeving die krimpflatie verbiedt.
Ik zie dat de ACM veel aandacht heeft voor het thema betaalbare boodschappen. In dat verband denk ik bijvoorbeeld aan het marktonderzoek naar prijzen van levensmiddelen, waarvan zij de resultaten eind dit kalenderjaar verwachten te publiceren.
Welke andere maatregelen neemt u om de verwachte stijging van voedselprijzen dit najaar aan te pakken?
In beginsel grijpt het kabinet niet direct in op de prijzen. Prijzen zijn een uitkomst van vraag en aanbod en zijn een signaal van schaarste; hierop ingrijpen is over het algemeen onwenselijk. Wel borgt de ACM de concurrentie op de markten. Bij gebrek aan concurrentie is de ACM bevoegd om in te grijpen.
Het kabinet werkt aan het verminderen van lasten voor bedrijven in het algemeen. Zoals het verminderen van regeldruk. Ervan uitgaande dat er voldoende concurrentie is, zullen kostenbesparingen worden doorgegeven aan de consument. Ook pleit ik in Brussel voor een ambitieuze aanpak van territoriale leveringsbeperkingen. De Commissie neemt hierover naar verwachting eind dit jaar een beslissing.
De Europese Centrale Bank heeft als mandaat het handhaven van prijsstabiliteit in de eurozone en heeft als hoofddoel een inflatie van 2%.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De rentmeestervennootschap (steward ownership) in relatie tot het voorstel voor een verordening tot oprichting van EU Inc |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
David van Weel (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe staat het met de uitvoering van de afspraak in het coalitieakkoord «Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland» een nieuwe Nederlandse rechtsvorm te introduceren, namelijk de rentmeestervennootschap (een vorm van steward ownership waarbij zeggenschap en winstrecht worden gescheiden), mede in het licht van de eerder door de Tweede Kamer aangenomen motie Sneller en Zeedijk die de regering verzocht deze rechtsvorm uit te werken (Kamerstuk 29 023, nr. 509)?
Zoals ik uw Kamer heb bericht in mijn brief van 16 april 20261 bezie ik momenteel hoe het vennootschapsrecht verder geflexibiliseerd kan worden, waardoor bijvoorbeeld ook meer armslag wordt geboden aan partijen die een onderneming in de vorm van een rentmeestervennootschap willen voeren. Daartoe zal ik een rondetafel inzake de rentmeestervennootschap organiseren. Tijdens het commissiedebat civielrechtelijke onderwerpen op 22 april 2026 heb ik toegezegd dat uw Kamer in het derde kwartaal van 2026 daarover zal informeren. Op 8 oktober organiseert de belangenorganisatie We Are Stewards een Steward Ownership Festival in Amsterdam. De inzichten die daar zullen worden opgedaan, wil ik graag meenemen bij het organiseren van de rondetafel en nadien ook in de brief aan uw Kamer. Ik zal uw Kamer dus na de bijeenkomst van We Are Stewards informeren. Het is mijn streven om de brief voor het einde van dit jaar naar uw Kamer te sturen.
Bent u zich ervan bewust dat het BNC-fiche van het kabinet over het 28e regime («EU Inc.») steward ownership in het geheel niet noemt?
Ja.
Hoe verhoudt zich volgens u de keuze van het kabinet om steward ownership nationaal te introduceren zich tot het volledig ontbreken van steward ownership in de Nederlandse inzet ten aanzien van een Europese, EU-brede rechtsvorm? Deelt u de mening dat het een gemiste kans zou zijn om de rechtsvorm die het kabinet in eigen land bepleit, niet óók beschikbaar te maken voor ondernemers in alle 27 lidstaten via het 28e regime?
Het kabinet heeft uw Kamer op 24 april 2026 middels het BNC-fiche geïnformeerd over de kabinetsinzet ten aanzien van het door de Europese Commissie (hierna: Commissie) voorgestelde 28e regime voor ondernemingen (hierna: het voorstel). Het voorstel bevat geen regels over steward ownership. Het fiche gaat daar daarom ook niet op in.
De onderhandelingen over het voorstel vinden momenteel in hoog tempo plaats. Er is brede steun voor de doelstelling van het voorstel en voor een spoedige afronding van het onderhandelingstraject. Tijdens de Europese Raad van 19 maart jl. is door de lidstaten de ambitie uitgesproken om uiterlijk eind 2026 een politiek akkoord met het Europees Parlement over het voorstel te bereiken. Gelet op de grote vaart van het onderhandelingstraject en de belangen die samenhangen met dat tempo, alsmede het feit dat de rentmeestervennootschap een concept is dat in de meeste lidstaten nog niet breed bekend is, lijkt het een stap te ver om de rentmeestervennootschap tijdens de onderhandelingen in te brengen als een mogelijke aanvulling op het voorstel. Dit zou het risico van vertraging van dat proces in zich dragen. Daar komt bij dat wij in Nederland zelf nog bezig zijn met de oordeelsvorming over de wijze waarop de rentmeestervennootschap een plek kan krijgen in ons nationale vennootschapsrecht. Daardoor kan Nederland nog geen afgerond idee voor een rentmeestervennootschap in de discussie in Brussel inbrengen. Het is belangrijk om nu eerst te komen tot snelle besluitvorming over een betrouwbare en flexibele Europese rechtsvorm voor de EU Inc.
Bent u bekend met het conceptverslag van rapporteur Repasi in de commissie JURI van het Europees Parlement over het 28e regime, waarin steward ownership (rentmeesterschap) en werknemerseigendom als optionele varianten worden ge(her)ïntroduceerd, en steunt u het behoud van die opties in de uiteindelijke tekst?
Ik ben bekend met dat conceptverslag. Het is nu niet aan de lidstaten om een oordeel te vormen over het conceptverslag van de rapporteur, daarvoor moet eerst het eindverslag worden afgewacht. Verder verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 3.
Klopt het dat noch het Commissievoorstel (COM(2026) 321), noch het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4320), noch het door Nederland medeondertekende Benelux non-paper het begrip steward ownership noemt, en dat het Nederlandse onderhandelingsmandaat zich vrijwel uitsluitend richt op een Europese vorm van beperkte aansprakelijkheid en op waarborgen tegen fraude en witwassen?
Het klopt dat het Commissievoorstel, het BNC-fiche en het Benelux non-paper het begrip steward ownership of rentmeestervennootschap niet noemen. Het voorstel ziet op de introductie van een nieuwe Europese rechtsvorm, de EU Inc. Het voorziet in een optioneel Europees vennootschapsrechtelijk kader voor de EU Inc., met onder andere regels over de inrichting en governance en over een versimpelde oprichtingsprocedure. Het voorstel bevat geen regeling voor een rentmeestervennootschap bij een EU Inc. In het BNC-fiche en in de onderhandelingen over het voorstel in de Raad richt het kabinet zich, zoals te doen gebruikelijk, primair op het voorstel zoals de Commissie dat heeft gepresenteerd.
In het BNC-fiche heeft het kabinet zowel in het algemeen als op specifieke onderdelen uiteengezet wat het standpunt van het kabinet is ten aanzien van het voorstel en hoe het kabinet zich in de onderhandelingen opstelt. Het klopt niet dat dit BNC-fiche zich uitsluitend richt op een Europese vorm van beperkte aansprakelijkheid en op waarborgen tegen fraude en witwassen. In het algemeen heeft het kabinet aangegeven dat het voorstander is van de ontwikkeling van een 28e regime in het ondernemingsrecht dat daadwerkelijk tegemoetkomt aan de behoeften van belanghebbenden, zoals bedrijven en werknemers binnen de EU, en dat bijdraagt aan de versterking van de concurrentiepositie van bedrijven in de EU. Een 28e regime voor ondernemingen kan volgens het kabinet belangrijke economische kansen bieden, omdat het een kader schept voor ondernemingen dat in de gehele EU hetzelfde is. Ook kan een duidelijke en betrouwbare Europese rechtsvorm ervoor zorgen dat de EU Inc. sneller wordt herkend door investeerders, wat het grensoverschrijdend zaken doen kan vergemakkelijken. Het kabinet ziet dat een zorgvuldig vormgegeven 28e regime een eerste stap kan zijn voor verdere harmonisatie. Daarmee sluit het voorstel goed aan bij de ambitie uit het coalitieakkoord om in te zetten op voltooiing van de interne markt.
Het kabinet heeft als uitgangspunt dat het 28e regime voor ondernemingen enkel effectief en succesvol kan zijn als fragmentatie in de toepassing van dat regime binnen de lidstaten zoveel mogelijk wordt voorkomen en als de EU Inc. ondernemers en hun stakeholders (aandeelhouders, schuldeisers en werknemers) betrouwbaarheid en rechtszekerheid biedt. Dit was doorslaggevend voor het kabinet bij het bepalen van de inzet bij verschillende specifieke onderdelen van het voorgestelde optionele vennootschapsrechtelijke kader. Zo zet het kabinet zich ervoor in dat de waarborgen in het voorstel tegen misbruik, fraude en witwassen worden versterkt.
Het non-paper dat Nederland samen met België en Luxemburg heeft opgesteld is in lijn met de positie van het kabinet zoals dat uiteen is gezet in het BNC-fiche.2 De Benelux-landen spreken hierin hun steun uit voor de versterking van het concurrentievermogen van de Europese Unie en de interne markt. Ook spreekt het non-paper de verwachting uit dat het voorstel daarbij een betekenisvolle stap kan zijn. Tegelijkertijd constateren de Benelux-landen dat aanvullende waarborgen nodig zijn om fraude, witwassen en misbruik door een EU Inc. te voorkomen. Ook benadrukken zij dat bij gebruik van een EU Inc. werknemersrechten gewaarborgd moeten blijven. Verder geven zij aan dat het voorstel nog ambitieuzer had kunnen zijn, door bijvoorbeeld te voorzien in meer harmonisatie op het gebied van het ondernemingsrecht.
Bent u bekend met signalen dat de Europese Commissie de terughoudendheid van onder meer Nederland heeft aangegrepen als argument om steward ownership en werknemerseigendom níet in haar voorstel op te nemen? Deelt u de mening dat, indien Nederland deze opties niet langer tegenhoudt, dit argument van de Commissie wegvalt en de Raad deze opties alsnog kan agenderen?
Nee, ik herken deze signalen niet. De Europese Commissie heeft het 28e regime aangekondigd in het Competitiveness Compass als een kader dat het mogelijk maakt voor innovatieve ondernemingen om te profiteren van één set geharmoniseerde Europese regels waar ze ook opereren of investeren.3 In 2025 heeft de Commissie de lidstaten op verschillende manieren betrokken bij de vormgeving van het instrument nog voor de publicatie van het daadwerkelijke voorstel in maart 2026, zoals in het High-Level Forum on Justice for Growth en door middel van een publieke consultatie. Het toenmalige kabinet heeft daarbij steeds de positie uitgedragen zoals verwoord in de Nederlandse reactie op de publieke consultatie, die ook met uw Kamer is gedeeld in september 2025.4 Het toenmalige kabinet heeft zich daarbij niet uitgelaten over het steward ownership of werknemerseigendom. Overigens begrijp ik de verwijzing naar «werknemerseigendom» zo dat in de vraagstelling wordt gedoeld op het kunnen belonen van werknemers door middel van aandelen die de werknemer direct verkrijgt. Ik zal de volgende vragen vanuit die veronderstelling beantwoorden.
Bent u bereid om in de Raadswerkgroep Vennootschapsrecht steward ownership en werknemerseigendom als optie te steunen, of op zijn minst niet langer tegen te houden, zodat Nederlandse ondernemers die daarvoor kiezen deze mogelijkheid krijgen?
Graag weerleg ik dat Nederland in de onderhandelingen voorstellen zou hebben tegengehouden op het gebied van steward ownership en werknemerseigendom, omdat die voorstellen in de Raad niet op tafel liggen (zie ook mijn antwoord op vraag 4). Wanneer dergelijke voorstellen wel formeel worden gedaan, zullen die dat moment op op hun merites worden beoordeeld, binnen het kader dat daarvoor in het BNC-fiche is geschetst. Het kabinet staat positief tegenover de rentmeestervennootschap, zoals moge blijken uit het coalitieakkoord. In de onderhandelingen over het Europese voorstel heeft het kabinet ook rekening te houden met het belang om in korte tijd tot een betrouwbaar en effectief kader voor de EU Inc. te komen. Dat heeft op dit moment de prioriteit van het kabinet, waarbij het zich baseert op het in het BNC-fiche opgenomen onderhandelingskader.
Deelt u de mening dat, gelet op uw eigen twijfels bij Artikel 114 VWEU als rechtsgrondslag (mede omdat het tweede lid van dat artikel de fiscale bepalingen én «de bepalingen inzake de rechten en belangen van werknemers» uitsluit), een grondslag (mede) op Artikel 50 VWEU niet alleen juridisch steviger is, maar ook de route vormt waarlangs waarborgen voor werknemers en opties voor steward- en werknemerseigendom daadwerkelijk in het regime kunnen worden opgenomen?
Zoals toegelicht in het BNC-fiche, heeft het kabinet kritische vragen bij de rechtsgrondslag. Een discussie over de rechtsgrondslag levert onzekerheid op voor bedrijven en werknemers. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de keuze voor een rechtsgrondslag zijn gebaseerd op objectieve factoren, waaronder het doel en de inhoud van het voorstel. Dat betekent ook dat zolang de onderhandelingen gaande zijn en het voorstel nog onderhevig is aan wijzigingen, geen definitief oordeel over de rechtsgrondslag kan worden gegeven. Het kabinet brengt de vragen omtrent de juridische grondslag naar voren tijdens de onderhandelingen en zal aan het einde daarvan de balans opmaken, mede in het licht van het belang van dit voorstel voor het versterken van de interne markt. Graag verduidelijkt het kabinet dat het voorstel noch het arbeidsrecht noch het socialezekerheidsrecht harmoniseert. Een EU Inc.-onderneming zal, op dezelfde manier als andere nationale en Europese vennootschappen, gebonden zijn aan het toepasselijke Europese en nationale arbeids- en socialezekerheidsrecht. Werknemers die in Nederland werkzaam zijn voor een EU Inc. zullen dezelfde werknemersrechten genieten als werknemers die in Nederland werkzaam zijn voor een onderneming met een andere rechtsvorm.
Onderkent u dat aan een doel gebonden eigendomsstructuren met een «asset lock» of beschermingsaandeel (steward ownership, golden share) tot de weinige structurele instrumenten behoren om strategisch belangrijke ondernemingen te beschermen tegen ongewenste overnames uit derde landen, door het Europees Parlement aangeduid als «killer acquisitions»?
Nee. Hoewel aan doel gebonden eigendomsstructuren in bepaalde gevallen een geschikt instrument kunnen zijn om strategisch belangrijke ondernemingen te beschermen, zijn dat wat het kabinet betreft geen generiek inzetbare middelen, onder andere vanwege de mogelijk nadelige gevolgen voor het investeringsklimaat. Het kabinet benadrukt dat eventuele maatregelen om strategisch belangrijke ondernemingen te beschermen proportioneel en doelgericht moeten zijn.
Nederland beschikt reeds over een dergelijk proportioneel, doelgericht en robuust publiekrechtelijk instrumentarium om bedrijven te beschermen tegen risicovolle overnames. Zo is er sinds 2023 de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet vifo) dat een generiek toetsingskader biedt voor investeringen in vitale aanbieders, bedrijfscampussen en ondernemingen die actief zijn op sensitieve technologie. Per 1 januari 2027 worden hier zes nieuwe technologieën aan toegevoegd; biotechnologie, kunstmatige intelligentie, geavanceerde materialen, nanotechnologie, sensor- en navigatietechnologie en nucleaire technologie voor medisch gebruik. Met deze wet kunnen risicovolle overnames worden getoetst op risico’s voor de nationale veiligheid, indien nodig kunnen mitigerende maatregelen worden opgelegd of een geheel verbod. Daarnaast is er sectorale wetgeving die investeringstoetsing regelt in bijvoorbeeld de telecommunicatiesector (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie) en de energiesector (Energiewet). Ook is niet iedere ongewenste overname een «killer acquisition». Die term ziet specifiek op een overname waarbij een innovatieve onderneming of potentiële concurrent wordt overgenomen met als doel die concurrentie weg te nemen. Voor dit soort mogelijk problematische overnames is er Mededingingswetgeving.
Verder is gebleken uit het rapport «Tussentijdse evaluatie van de wettelijke bedenktijd voor het bestuur van beursvennootschappen», dat op 20 februari 2025 aan uw Kamer is aangeboden, dat Nederlandse vennootschappen ten minste een twaalftal beschermingsconstructies ten dienste staat.5 Dus ook het vennootschapsrecht biedt een ruim arsenaal aan mogelijke maatregelen ter bescherming van een onderneming tegen ongewenste overnames.
Hoe verhoudt de Nederlandse terughoudendheid ten aanzien van deze eigendomsvormen zich tot uw recente besluit (mei 2026) om de overname van Solvinity, dat kritieke overheidsinfrastructuur zoals DigiD/Logius beheert, door het Amerikaanse Kyndryl te verbieden? Deelt u de mening dat steward ownership de structurele, vooraf ingebouwde variant is van precies die bescherming, waardoor een onderneming niet-overneembaar wordt zónder dat een overheidsingreep achteraf nodig is?
Het Nederlandse ondernemingsrecht biedt ondernemingen de vrijheid zelf de gewenste eigendomsstructuur te bepalen binnen de daarvoor geboden wettelijke kaders. Daarbinnen kan een «asset lock» of een beschermingsaandeel als (neven)effect een bepaalde bescherming tegen een overname opleveren. De onderneming is het beste zelf in staat om te beoordelen of dit nodig is en welke maatregelen ze daartoe wil treffen. Deze vrijheid komt Solvinity, gelijk iedere andere onderneming, toe. Bij een investeringstoetsing zoals voorzien in de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatiesector of de Wet veiligheidstoets investeringen fusies en overnames, kan de eigendomsstructuur van een doelonderneming bij de risicobeoordeling worden betrokken. Dat kan inzicht verschaffen in de invloed die met een overname van of andere verwervingsactiviteit in een doelonderneming daadwerkelijk wordt verkregen en de daarmee samenhangende risico's voor het publiek belang of de nationale veiligheid. Dat kan van invloed zijn op de uitkomst van een investeringstoets.
Een rentmeestervennootschap kan een structurele, privaatrechtelijke bescherming bieden tegen overnames, doordat de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van een onderneming zo wordt ingericht dat de onderneming niet vrij verhandelbaar is en primair gericht is op het langetermijnbelang. De effectiviteit van een rentmeestervennootschap hangt echter af van de concrete statutaire vormgeving. In Nederland en de EU zijn er juridische kaders (zoals het vennootschapsrecht en het vrij verkeer van kapitaal) die mogelijk beperkingen stellen aan absolute overnamebescherming. Daarnaast is de rentmeestervennootschap niet voor alle typen ondernemingen geschikt. Zo is zij lastig toe te passen bij beursgenoteerde ondernemingen en de aandeelhouders moeten ermee akkoord gaan dat zij weinig of geen zeggenschap meer hebben. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 9, zijn er bovendien meer mogelijkheden om een onderneming te beschermen tegen overnames. De rentmeestervennootschap is daarom geen breed toepasbare waarborg en ook niet de enige waarborg om een overheidsingreep op basis van risico's voor de nationale veiligheid of het publiek belang achteraf te kunnen vermijden.
Deelt u de mening dat een gestandaardiseerde, laagdrempelige steward-ownership-optie in het 28e regime juist invulling geeft aan de door u en de Benelux gewenste ambitieuzere aanpak en «verdere gerichte harmonisatie» van het vennootschapsrecht in plaats van daarmee in strijd te zijn?
Mario Draghi en Enrico Letta signaleren in hun beider rapporten over de toekomst van het Europese concurrentievermogen, respectievelijk over de toekomst van de interne markt6 dat de versnippering van de interne markt het voor ondernemingen in Europa relatief moeilijk maakt om te groeien over landsgrenzen heen. Verdergaande harmonisatie van het vennootschapsrecht op Europees niveau zou helpen belemmeringen voor ondernemingen weg te nemen. Juist door de bestaande verschillen tussen de nationale regimes binnen de EU, is deze harmonisatie een grote uitdaging, dit geldt voor het «reguliere» vennootschapsrecht en voor nieuwe ontwikkelingen zoals de rentmeestervennootschap, die nog niet in alle lidstaten een bekende figuur is.
Nederland heeft samen met België en Luxemburg een non-paper opgesteld7, dat in lijn is met de inzet van het kabinet in de onderhandelingen over het 28e regime, zoals ik die heb verwoord in het antwoord op vraag 5. De inzet van de Benelux heeft als doel om een meer betekenisvolle harmonisatie te bereiken door deze bijzonder omvangrijke opgave terug te brengen tot enigszins hanteerbare, en daarmee kansrijke, proporties. Door het vraagstuk aan te gaan in de kleinere context van drie lidstaten is de hoop dat «quick wins» kunnen worden onderscheiden van meer fundamentele hindernissen voor harmonisatie, en dat voor de laatste werkbare oplossingsrichtingen worden geïdentificeerd. Zo kan de Benelux als proeftuin wellicht helpen om het pad naar EU-brede harmonisatie te effenen. Het helpt in dat kader niet als het Benelux-initiatief moet worden uitgebreid met vraagstukken rond de rentmeestervennootschap.
Bent u bereid te waarborgen dat het 28e regime verenigbaar is met de in het regeerakkoord aangekondigde rentmeestervennootschap en deze niet ondergraaft, en de voortrekkersrol van de Benelux (conform de motie Van Lanschot/Dassen, Kamerstuk 36 800-XIII, nr. 30) te benutten om steward ownership en werknemerseigendom in de onderhandelingen te agenderen?
Het voorstel van de Commissie voor het 28e regime zal de rentmeestervennootschap niet kunnen ondergraven, omdat de EU Inc. is voorzien als een zelfstandige rechtspersoon die in de hele EU wordt erkend en die naast de nationale rechtsvormen bestaat. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 3, heb ik niet het streven om er in de onderhandelingen op in te zetten dat de rentmeestervennootschap wordt uitgewerkt voor de EU Inc. Wel zal het kabinet zich inzetten voor verdere flexibilisering van het voorstel voor de EU Inc. mede ten behoeve van de rentmeestervennootschap. Wat betreft het agenderen van een specifieke regeling voor werknemerseigendom, anders dan het voorstel voor het EU-aandelenoptieplan voor werknemers dat in het voorstel staat, geldt hiervoor eveneens dat dit niet past in het hoge tempo van de onderhandelingen.
Welke inzet zullen de Nederlandse vertegenwoordigers in de Raadswerkgroep Vennootschapsrecht kiezen ten aanzien van de steward-ownership- en werknemerseigendomsopties, en bent u bereid de Kamer over dat standpunt te informeren vóórdat een politiek akkoord wordt bereikt (voorzien eind 2026)?
Zoals ik ook heb aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het belangrijk om nu eerst te komen tot een betrouwbare en flexibele Europese rechtsvorm voor de EU Inc., met een heldere status en juridische rechtsbasis en om in Nederland de gedachtenvorming rond een wettelijke regeling voor de rentmeestervennootschap af te ronden. Ik ben daarom niet voornemens om in Brussel actief te pleiten voor het opnemen van een rechtsvorm voor de rentmeestervennootschap in het voorstel. Datzelfde geldt voor de mogelijkheid voor werknemerseigendom, anders dan het in het voorstel reeds opgenomen aandelenoptieplan voor werknemers. Mocht daartoe door anderen een voorstel worden gedaan, dan zal dat op dat moment op zijn merites worden beoordeeld, binnen het kader van het BNC-fiche.
Kunt u bevestigen dat u werkelijke werknemerszeggenschap en -eigendom onderscheidt van het belonen in aandelenopties (de EU-ESO-regeling), zodat uw steun voor die fiscale optieregeling niet in de plaats komt van echte opties voor werknemerseigendom?
In het voorstel wordt een geharmoniseerd aandelenoptieplan (EU-ESO) geïntroduceerd. Deze geeft EU Inc.-ondernemingen de mogelijkheid om eenvoudig aandelenoptierechten te kunnen uitgeven aan werknemers. Het kabinet heeft zijn positie over deze werknemersoptieregeling uiteengezet in het BNC-fiche en draagt deze uit tijdens de onderhandelingen. In de vraagstelling wordt gerefereerd naar echte opties voor werknemerseigendom. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 6, ga ik uit van de veronderstelling dat in de vraagstelling wordt gedoeld op een regeling die een EU Inc. de mogelijkheid biedt om werknemers te belonen met aandelen, die de werknemer direct verkrijgt. Op dit moment ligt dat onderwerp niet voor in de raadswerkgroepen. Mocht gedurende de onderhandelingen een concreet voorstel daarvoor worden gedaan, dan zal dat voorstel op zijn eigen merites beoordeeld worden.
Herkent u steward ownership als een vorm van rentmeesterschap (eigendom gehouden ten dienste van een blijvend doel en van toekomstige generaties), en bent u bereid de keuzevrijheid daarvoor voor Europese ondernemers actief te verdedigen en te bepleiten?
Het kabinet staat positief tegenover de rentmeestervennootschap, zoals blijkt uit hetgeen daarvoor is opgenomen in het coalitieakkoord. Ik heb uw Kamer daarom laten weten dat ik bezie hoe het vennootschapsrecht verder kan worden geflexibiliseerd, zodat er meer ruimte komt voor het voeren van een onderneming in de vorm van een rentmeestervennootschap. Gelet op de omstandigheden zoals beschreven in de bovenstaande antwoorden op eerdere vragen, kiest het kabinet er niet voor om de rentmeestervennootschap actief te bepleiten tijdens de onderhandelingen over de EU Inc.
Het kabinet zal zich, zodra zich daartoe een gelegenheid voordoet, welwillend opstellen om het vennootschapsrecht in de EU te harmoniseren en te flexibiliseren, in lijn met het Nederlandse vennootschapsrecht, waarvan ook rentmeestervennootschappen zullen kunnen profiteren.
Het bericht 'Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: 'Dit is niet uit te leggen'' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Herbert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering»?1
Ja
Deelt u de constatering dat veel veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de pilotfase en dat dit vooral te wijten is aan de complexe bekostiging? Zo nee, op basis van welke cijfers?
Het kabinet deelt niet dat de complexe bekostiging de voornaamste oorzaak is dat veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de experimenteerfase. Het kan een reden zijn, maar vaak is het een combinatie van factoren die ervoor zorgt dat de zorginnovaties niet altijd snel en geïmplementeerd en opgeschaald worden. Hierbij kan het dan gaan om financiële prikkels in bredere zin (loont de inzet van de zorginnovatie voldoende voor de zorgaanbieder) of bijvoorbeeld de (soms beperkte) ruimte die de aanspraken in de wetten (Zvw en Wlz) bieden.
Verder is het van belang dat de innovatie, naast dat die veelbelovend is, tot positieve impact leidt in termen van passende zorg, toegankelijkheid, kwaliteit, betaalbaarheid en zelfredzaamheid bij toenemende zorgvraag en schaarste aan professionals. De beoordeling of een innovatie leidt tot genoeg positieve impact op deze aspecten, wordt gemaakt door de verschillende partijen binnen het zorgveld. Er wordt daarbij een bredere afweging gemaakt op de hiervoor genoemde aspecten. Daarbij zijn doelmatige inzet en schaalbaarheid ook aandachtspunten.
Tegelijk ligt de uiteindelijke keuze om een veelbelovende zorginnovatie individueel of gezamenlijk te implementeren en op te schalen primair bij zorgaanbieders die daarvoor eigen afwegingen en een eigen business case hebben.
In de zorgakkoorden (IZA, AZWA, HLO) en het Missiegedreven Innovatiebeleid hebben partijen (waaronder VWS) afspraken gemaakt met het doel om implementatie en opschaling van veelbelovende zorginnovaties te faciliteren en te stimuleren. Daarbij gaat het ook om afspraken op het gebied van financiering, bekostiging en contractering.
Hoeveel zorginnovaties die in een pilot- of proeftuinfase aantoonbaar kosteneffectief zijn gebleken, zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk opgeschaald naar reguliere, structureel bekostigde zorg? Kunt u dit per jaar uitsplitsen?
Deze vraag kan het kabinet helaas niet beantwoorden. Dit overzicht is er niet, onder andere omdat de afweging of een zorginnovatie kosteneffectief is en vervolgens wordt opgeschaald, vooral aan zorgaanbieders is in samenspraak met zorg inkopende partijen en leveranciers van innovatieve oplossingen.
Of een innovatieve oplossing kosteneffectief kan worden ingezet hangt ook sterk af van de manier waarop zorgaanbieders processen (her)inrichten. Dus ook daarover is hooguit op macro-niveau iets te zeggen.
Wel biedt het kabinet ondersteuning aan zorginnovatoren om veelbelovende innovaties die bijdragen aan passende zorg, inclusief ondersteuning van gezondheid en welzijn, op te schalen en onderdeel te maken van reguliere passende zorg via onder andere Zorg voor innoveren, en instrumenten zoals de financiële wegwijzer voor ondernemers. En daarnaast via diverse andere instrumenten vanuit de akkoorden (IZA, AZWA, HLO), het missiegedreven innovatiebeleid en samen met andere departementen zoals EZK.
Bovendien zijn er via de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) mogelijkheden om te experimenteren met een andere vorm van bekostiging (onder de Beleidsregel innovatie). Ook is de Wegwijzer bekostiging digitale zorg 2026 raadpleegbaar2.
Bent u bereid de Kamer per brief een overzicht te sturen van de gemiddelde kosten die medtech-bedrijven maken van concept tot markttoelating en vergoeding (R&D, klinische validatie, CE-markering/MDR, markttoegang), en die kosten zowel economisch als gezondheidseconomisch te duiden?
Er is geen eenduidig antwoord te geven over de gemiddelde investering van medtech bedrijven. De markt voor medische technologie zeer heterogeen. Medische hulpmiddelen lopen uiteen van relatief simpel tot uiterst complexe scanapparatuur met bijbehorende software. De kosten voor certificering zijn daardoor variabel per medisch hulpmiddel en hangen ook voor een groot deel af van de fabrikant en haar voorbereiding. Branchevereniging Medtech Europe3 stelde in 2024, op basis van een onderzoek onder eigen leden, dat ~74% van de totale kosten opgaat aan personeel, ~6% aan de kosten van een aangemelde instantie, ~10% aan jaarlijkse onderhoudskosten en ~10% aan hercertificering na vijf jaar. Er bestaan geen objectieve cijfers over de ontwikkelkosten van veelbelovende medische technologie.
Het kabinet wil benadrukken dat markttoelating en vergoeding verschillende processen zijn en dat de bedragen waar u naar vraagt in de regel bedrijfsvertrouwelijk zijn en daardoor niet openbaar beschikbaar.
Bent u bereid in diezelfde brief dezelfde uitsplitsing op te nemen voor biotech-bedrijven, met onderscheid tussen diagnostiek en farmaceutische ontwikkeling, en die ook economisch en gezondheidseconomisch te duiden?
Hier gelden redelijke vergelijkbare problemen als geschetst in het antwoord op vraag 4. Mijn ambtsvoorganger heeft wel getracht om dit waar mogelijk inzichtelijk te maken voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen, het kabinet verwijst dan ook naar het rapport dat destijds met de Kamer is gedeeld4.
Beschikt u (of het Zorginstituut, de NZa en Invest-NL) überhaupt over een integraal beeld van deze kosten per subsector? Zo nee, hoe kan het kabinet dan gericht innovatie- en bekostigingsbeleid voeren?
Het kabinet heeft geen integraal beeld van deze kosten per subsector, voornamelijk door de genoemde belemmeringen in het antwoord op vraag 4 en 5. Wel onderhoud het structureel contact met bedrijven, kennisinstellingen, Publiek-Private Samenwerkingen, maatschappelijke organisaties en meer, binnen bijvoorbeeld de Kabinetsvisie Biotechnologie, de Medtech-Visie en het Missiegedreven Innovatiebeleid, om een integraal beeld van het innovatie- en industrie-ecosysteem te ontwikkelen.
Welk deel van deze kosten komt voort uit regeldruk en bekostigingseisen die de overheid zelf oplegt (MDR/IVDR, pakketbeoordeling, schotten in de bekostiging), en welke maatregelen neemt u om juist dat deel te verlagen?
Ook hiervoor ontbreekt de benodigde openbare informatie. Overigens heeft de wetgeving waar u naar refereert als regeldruk het doel om enkel veilige en effectieve medische hulpmiddelen op de markt toe te laten. Hoewel het kabinet altijd kijkt of processen beter kunnen worden ingericht gaat het kabinet niet mee in de aanname dat regeldruk altijd slecht is, bijvoorbeeld wanneer deze ten goede komt aan de veiligheid van de patiënt. Het kabinet zet in op verlaging van de regeldruk, mét behoud van patiëntveiligheid, zoals bij de Europese onderhandelingen rondom de vereenvoudiging van de MDR en IVDR.
Welk percentage van de medtech- en biotech-startups dat seed funding ontvangt, haalt een vervolgronde (Serie A en verder) en bereikt de markt? Kunt u dit uitsplitsen naar (a) medtech, (b) biotech-diagnostiek en (c) biotech-farma?
Deze informatie is niet beschikbaar en is ook niet gemakkelijk te verkrijgen. Zo is op basis van de beschikbare ROM-data (regionale ontwikkel maatschappij) het niet mogelijk om specifieke percentages te geven voor het aandeel bedrijven dat een vervolgronde realiseert of de markt bereikt.
Dit hangt samen met twee belangrijke beperkingen. Ten eerste is er geen eenduidige definitie van wat als een vervolgronde (zoals Serie A) wordt beschouwd in beschikbare databronnen. Ten tweede is de beschikbare dataset beperkt in tijd (vanaf 2021), waardoor eerdere financieringsrondes niet altijd zichtbaar zijn en conversieratio’s vertekend raken.
Er bestaan indicatieve inschattingen uit de praktijk, waarbij wordt aangenomen dat een deel van de bedrijven een vervolgronde bereikt, terwijl het percentage dat daadwerkelijk de markt bereikt veel lager ligt. Dit geldt met name voor bedrijven in de sector biotech-farma. Deze inschattingen zijn echter niet gebaseerd op robuuste data en moeten daarom met voorzichtigheid worden gebruikt.
Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat dit voor data verkregen van buiten de ROM-database anders is.
Kunt u deze slagingskansen ook uitsplitsen per regio of life-sciences-cluster (onder meer Leiden, Oss/Brabant, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Amsterdam, Utrecht en Limburg)? Welke regio’s blijven achter, en waarom?
Het is niet mogelijk om specifieke uitspraken te doen over verschillen in slagingskansen per regio, vanwege beperkingen in de dataset en het ontbreken van consistente definities.
Wel kan kwalitatief worden aangegeven dat de ontwikkeling en eventuele verplaatsing van medtech- en biotechbedrijven in sterke mate samenhangt met de beschikbaarheid van kennisinstellingen, onderzoeksfaciliteiten, patiëntenpopulaties en sterke ecosystemen. Ondernemingen starten vaak in de nabijheid van universiteiten en kunnen zich in latere fases verplaatsen naar locaties waar betere faciliteiten of samenwerkingen beschikbaar zijn.
Klopt het dat de meeste Nederlandse zorginnovaties sneuvelen in de fase na seed funding, de zogenoemde «valley of death»? Welk maatschappelijk en economisch rendement gaat hierdoor naar uw schatting jaarlijks verloren?
Het kabinet heeft geen data beschikbaar die kan bevestigen dat de meeste Nederlandse zorginnovatie sneuvelen in de fase na seed funding. Wel is inderdaad bekend dat er één of meer «valleys of death» worden ervaren om zorginnovaties naar de markt te brengen, te implementeren en op te schalen. Het Ministerie van EZK is, o.a. in samenwerking met Invest-NL en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen actief bezig met het ontwikkelen van een duurzame financieringsketen. Essentieel hierin is het «uitlokken» van privaat kapitaal, waarmee we ook onze doelstelling van de 3% procent van ons BBP aan onderzoek en innovatie uitgeven, kunnen behalen. Tegelijk ligt de keuze om zorginnovaties te implementeren en op te schalen primair bij zorgaanbieders, die als private partijen in het zorgstelsel zelf die afweging maken, waarbij overheid en zorginkopende partijen zoals zorgverzekeraars via regelgevende kaders en afspraken via contractering kunnen faciliteren en (waar wenselijk) stimuleren.
Hoeveel van de bedrijven die via het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund (volgens recente analyses circa 1,3 miljard euro voor life sciences, waaronder 246 miljoen euro via het programma Biotech Booster) zijn inmiddels doorgegroeid naar de opschalings- of marktfase, en hoe verhoudt zich dat tot de gestelde doelen?2
Het Nationaal Groeifonds ondersteunt zeven life sciences & health projecten met een totaalbedrag van 1.032 miljoen euro. Het betreft de projecten Biotech Booster (identificeren, begeleiden en financieren van kansrijke vroegefase ideeën en deze naar de markt brengen, 246 miljoen euro), Health-RI (gericht op het bundelen van gezondheidsdata ten behoeve van onderzoek, 69 miljoen euro), Ombion (vertaling van biomedische kennis naar toepassingen zoals geneesmiddelen en medische technologie, zonder dierproeven, 125 miljoen euro) Oncode Accelerator (innovatieve modellen en methoden voor kankeronderzoek, 325 miljoen euro), PharmaNL (medicijnontwikkeling, 79 miljoen euro), RegMed XB (onderzoek, klinische toepassing en productie van regeneratieve behandelmethoden, 56 miljoen euro) en DUTCH (ontwikkelen fysieke en digitale simulatiemodules voor medische opleidingen, 132 miljoen euro). De programma’s worden op deze doelstelling strak gemonitord. De programma’s laten al resultaten zien, maar specifieke gegevens over opschaling van individuele bedrijven worden niet bijgehouden. Wel wordt er gekeken naar andere relevante indicatoren, zoals het aantal verkregen octrooien en spin-off en spin-out bedrijven. Het succes van de verschillende groeifondsprojecten kan na afloop beter geanalyseerd worden.
Hoe verhouden de slagingskansen, doorlooptijden en kosten om zorginnovaties naar de markt te brengen zich tot die in België en Duitsland? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
Het kabinet beschikt niet over de informatie om deze vergelijking te kunnen maken. Het kan wel opmerken dat veel bedrijven en investeerders in deze sector internationaal opereren. Een innovatief bedrijf kan samenwerken met kennisinstellingen of bedrijven over de grens heen. Ook kent een investeringsronde in de regel meerdere investeerders die ook niet allemaal uit hetzelfde land hoeven te komen.
Op welke punten presteren België (onder meer Vlaanderen) en Duitsland aantoonbaar beter in het opschalen en vergoeden van bewezen zorginnovaties, en welke concrete lessen trekt u daaruit?
Elk land heeft zijn eigen sterke kanten rondom zorginnovaties, maar kent ook punten die verbeterd kunnen worden. Dit geldt ook voor Nederland. Hierbij moet ook het zorgstelsel per land worden meegewogen, deze verschillen dusdanig dat beleid niet direct verplaatsbaar is. Tegelijk is het altijd zinnig om te kijken naar de best-practices van landen om ons heen. Zo is Vlaanderen erg succesvol in het valoriseren van medische biotechnologie innovaties door het Vlaams Instituut Biotechnologie (VIB). Het organisatiemodel en de werkwijze van het VIB hebben als blauwdruk gediend voor Nederlandse initiatieven waaronder Biotech Booster.
Deelt u de zorg dat Nederlandse zorginnovatoren en investeringen weglekken naar het buitenland wanneer opschaling en vergoeding hier trager en duurder verlopen dan over de grens? Zo nee, waarom niet?
Bedrijven baseren hun strategie op een brede set indicatoren, in algemene zin noemen we dit het vestigingsklimaat. Het is evident dat het Kabinet zich inzet voor een sterk vestigingsklimaat in Nederland. Dit is ook een opgave die nadrukkelijk is benoemd in het coalitieakkoord. Het kabinet voert voortdurend gesprekken met bedrijven om te luisteren naar hun zorgen en om te kijken hoe we Nederland samen aantrekkelijk kunnen houden voor onderzoek en innovatie. Het is belangrijk om hierbij oog te houden voor het totaalplaatje en niet de focus te leggen op één of twee factoren die wellicht een rol spelen.
Bent u of is uw ministerie de afgelopen kabinetsperiode met uw Belgische en Duitse ambtsgenoten in gesprek geweest over grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
De Minister van EZK is recent in gesprek geweest met haar Duitse ambtsgenoot Minister Reiche van Economie en Energie. Het onderwerp grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties is te specifiek om in de kennismaking aan te doen. Wel ging het over generiekere onderwerpen als concurrentievermogen, energie- en industriebeleid.
Ook de Minister van VWS heeft contact gehad met haar (toenmalig) ambtsgenoot Minister Warken van Volksgezondheid. Daarbij is eveneens op een globaler niveau over uitdagingen in de zorg en mogelijke innovatieve oplossingen is gesproken.
Daarnaast vindt er binnen de Interreg A programma’s ook regelmatig overleg plaats met Vlaamse, Waalse en Duitse ambtgenoten om grensoverschrijdende samenwerking en innovatie te versterken. Dit heeft geleid tot concrete projecten op het gebied van zorginnovatie, waaronder digitale zorgoplossingen, efficiëntere zorgprocessen en AI-gestuurde diagnostiek. Een voorbeeld is het CrossCare 2.0 project binnen het Interreg Vlaanderen-Nederland programma dat subsidie vouchers verstrekt aan bedrijven en zorgorganisaties om innovatieve ideeën verder te ontwikkelen6.
Een ander voorbeeld waarin een initiatief vanuit het Ministerie van EZK grensoverschrijdende zorginnovatie probeert te stimuleren is RegMed XB, dat staat voor Regenerative Medicine Crossing Borders.
Ziet u kansen om voor een grensregio als Limburg een gezamenlijke, grensoverschrijdende proeftuin voor zorginnovatie met gedeelde financiering op te zetten, samen met kennisinstellingen als Maastricht University, UHasselt en RWTH Aachen en de ROM LIOF (en de ROM-equivalenten België en Duitsland)? Zo nee, waarom niet?
Dit is aan de regio zelf om te verkennen. Op verschillende vlakken lopen hier al initiatieven, zoals gezamenlijke onderzoeksinstituten, data-uitwisseling, gedeelde kennisnetwerken, en samenwerking binnen EU-gefinancierde onderzoeksinitiatieven.
Bent u bereid de Interreg-structuren (Euregio Maas-Rijn en Vlaanderen–Nederland) gerichter in te zetten om financierings- en regelgevingsbarrières voor zorginnovaties in de grensregio weg te nemen?
Binnen de Interreg A programma’s ligt de nadruk op het wegnemen van financierings- en regelgevingsbarrières voor grensoverschrijdende innovaties. Door het beschikbaar stellen van Europese subsidie en Rijkscofinanciering wordt samenwerking, verduurzaming en innovatie in de zorg gestimuleerd, onder andere via harmonisatie van regelgeving, het op elkaar afstemmen van zorgsystemen, pilotprojecten en kennisuitwisseling tussen landen.
Bent u bereid gezamenlijk te komen tot een concreet plan van aanpak om de «valley of death» voor bewezen, kostenbesparende zorginnovaties te overbruggen, inclusief meetbare doelen en een tijdpad waarop de Kamer de voortgang kan toetsen?
Binnen de Ministeries van VWS en EZK is er al verschillend beleid ter ondersteuning van startups via bijvoorbeeld de seed capital regeling, de vroege fase financiering, en de thematisch technology transfer regeling. Daarnaast is er ook de publiek-private samenwerking innovatieregeling waarin startups met kennisinstellingen subsidie kunnen aanwenden.
Daarnaast wordt er in de Taskforce Toekomstig Verdienvermogen en Vestigingsklimaat (TTVW), onder voorzitterschap van de Minister van EZK, gekeken hoe we bedrijven, o.a. in de biotech en medtech, kunnen laten groeien.
Bent u bereid de in de vragen 4 en 5 genoemde Kamerbrief uiterlijk voor de aanstaande begrotingsbehandeling te sturen en daarin ook (a) de slagingskansen na seed funding per regio en (b) een vergelijking met België en Duitsland op te nemen?
In mijn antwoord op vraag 4 en 5 had ik al aangeven dat het helaas niet mogelijk is deze informatie te verschaffen in een Kamerbrief.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio's hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio's zijn verdeeld?
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio’s hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio’s zijn verdeeld?
Vanuit de Ministeries van VWS en EZK hanteert het kabinet geen definities van kansarme of krimpregio's, zodat het eerste deel van uw vraag niet beantwoord kan worden. Daarnaast geldt ook dat het op basis van de beschikbare ROM-data niet mogelijk is om inzichtelijk te maken hoeveel bedrijven zich uit specifieke regio’s hebben teruggetrokken of zijn verplaatst. Voor een dergelijke analyse is longitudinale data nodig over vestigingslocaties, bijvoorbeeld uit bronnen zoals het CBS of de Kamer van Koophandel.
Wel kan kwalitatief worden aangegeven dat verplaatsingen binnen Nederland vaak samenhangen met de ontwikkelfase van bedrijven en de behoefte aan specifieke faciliteiten of ecosystemen. Dergelijke verplaatsingen leiden niet per definitie tot waardeverlies en kunnen ook bijdragen aan verdere groei van de onderneming. Vertrek naar het buitenland is in dat kader een belangrijker aandachtspunt.
Welke formele eisen aan eigen inbreng of cofinanciering stellen publieke fondsen en de ROM’s (waaronder LIOF en BOM) bij seedfinanciering aan startups, en zijn deze publiek kenbaar?
Er zijn doorgaan geen of beperkt formele eisen ten aan zien van eigen inbreng, in ieder geval t.a.v. de ROM's. In de praktijk zorgt eigen inbreng juist voor «skin-in-the-game» en is daarom belangrijk voor het succes van de onderneming.
Ten aanzien van cofinanciering met private financiers (derden) zijn wel formele eisen vastgelegd. De ROM’s opereren met inachtneming van Europese regelgeving inzake staatssteun en risicokapitaal, ongeacht of een ROM rechtstreeks of via een tussenfonds (bijvoorbeeld via een technofonds) in een onderneming participeert. Het publieke aandelenbelang (van ROM’s en eventuele andere publieke organisaties samen) vormt daarom altijd minder dan 50% van de totale participatie in een onderneming. De eisen aan cofinanciering verschillen per fonds en per fase van de onderneming. Voor vroegefasefinanciering (zoals VFF/EFRO) geldt doorgaans dat geen cofinanciering vereist is.
Voor seed- en vervolgfondsen geldt in de regel dat cofinanciering door private partijen wordt gevraagd. Deze ligt vaak in een bandbreedte van circa 30% tot 50% of hoger. In de praktijk wordt regelmatig een hoger aandeel private middelen gerealiseerd dan het minimum.
In specifieke fondsen worden concrete ondergrenzen gehanteerd (bijvoorbeeld meer dan 25% of meer dan 50%), terwijl in andere gevallen geen vast percentage is vastgelegd maar wel een duidelijke verwachting bestaat dat privaat kapitaal wordt aangetrokken. De voorwaarden zijn over het algemeen op hoofdlijnen publiek kenbaar, bijvoorbeeld via investeringsreglementen of fondswebsites.
In hoeverre hanteren individuele investment managers en investeringscommissies van deze fondsen daarbovenop informele, niet-gecodificeerde verwachtingen over eigen inbreng van oprichters (bijvoorbeeld een bedrag in de orde van 50.000 euro of een co-investeringseis), en in hoeveel gevallen is zo’n verwachting een drempel of afwijzingsgrond gebleken?
Private partijen bepalen in de basis de voorwaarden van de investering. Bij voorkeur wordt, gelijktijdig en onder vergelijkbare condities en voorwaarden, gezamenlijk geparticipeerd met private partijen waarbij de ROM’s een minderheidsbelang nemen. Dat marktpartijen de voorwaarden van een investering bepalen is vooral van belang voor vervolgrondes. Startups moeten toekomstige financiering ook privaat ophalen.
Afwijzingsgronden bij investeringen zijn vaak gerelateerd aan onvoldoende ervaring in een team, onvoldoende marktpotentieel of een onduidelijk ondernemersplan. Eigen inbreng van oprichters zal niet snel een afwijzingsgrond zijn voor een investeringscommissie. Het is wel gebruikelijk dat oprichters aandelen in het bedrijf nemen en hierdoor een stimulans hebben om het bedrijf te laten groeien. Dit refereert terug naar het eerdergenoemde «skin-in-the-game».
Kortom, er is doorgaans geen sprake van strikt genormeerde of gecodificeerde ondergrenzen. De beoordeling is maatwerk en afhankelijk van factoren zoals de fase van de onderneming, het team, de markt en de aanwezigheid van co-investeerders. Het ontbreken van eigen inbreng is in de regel geen formele afwijzingsgrond, maar kan in de praktijk wel zwaar meewegen in het investeringsbesluit.
Welk deel van de ontwikkelkosten van veelbelovende medtech- en diagnostiekstartups gaat op aan het voldoen aan de MDR en IVDR (klinische evaluatie, technische documentatie, beoordeling door een aangemelde instantie), en hoeveel startups komen hierdoor in financiële problemen of haken af?
Er is geen eenduidig antwoord te geven over de hoeveelheid startups dat onvoldoende voorbereid is op de kosten voor certificering onder de MDR of IVDR. Zoals eerder benoemd is de markt voor medische technologie zeer heterogeen. Medische hulpmiddelen lopen uiteen van relatief simpel tot uiterst complexe scanapparatuur met bijbehorende software. De kosten voor certificering zijn daardoor variabel per medisch hulpmiddel en hangen ook voor een groot deel af van de fabrikant en haar voorbereiding. Branchevereniging Medtech Europe7 stelde in 2024, op basis van een onderzoek onder eigen leden, dat ~74% van de totale kosten opgaat aan personeel, ~6% aan de kosten van een aangemelde instantie, ~10% aan jaarlijkse onderhoudskosten en ~10% aan hercertificering na vijf jaar. Er bestaan geen objectieve cijfers over de ontwikkelkosten van veelbelovende medische technologie.
In hoeverre hanteren publieke fondsen en ROM’s bij seedfinanciering voorwaarden die een redelijk ondernemerssalaris voor oprichters beperken of ontmoedigen, en hoeveel oprichters stoppen mede daardoor?
Dusdanige voorwaarden worden niet door de ROM’s gehanteerd. Uiteraard kan het in die fase zo zijn dat de ondernemers moeite hebben met het betalen van hun eigen management fee. Dit vloeit niet voort uit voorwaarden van de ROM’s die een onredelijk ondernemerssalaris voor oprichters zouden bepalen.
In hoeverre leiden de rendements- en revolverendheidseisen aan de ROM’s ertoe dat publiek kapitaal vooral naar veilige, latere-fase- en Randstad-investeringen vloeit, ten koste van vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s?
De ROM's zijn met hun investeringsbeleid gebonden aan hun eigen regio en kunnen daarom niet investeren in de Randstad, tenzij de ROM hier gevestigd is. De rendements- en revolverendheidseis heeft dus geen invloed op in welke regio investeringen landen.
Qua aantallen investeringen zijn de meeste investeringen van ROM’s buiten de Randstad. De meeste actieve ROM’s qua aantallen investeringen zijn de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (Noord-Brabant), OostNL (Gelderland en Overijssel), de Noordelijke Ontwikkelings Maatschappij (Friesland, Groningen en Drenthe) en InnovationQuarter (Zuid-Holland). De spreiding van ROM-investeringen is dus echt landsdekkend.
Bent u bereid, als kansarme regio’s structureel blijken achter te blijven, gezamenlijk geoormerkt extra kapitaal vrij te maken voor de ROM’s in die regio’s, gericht op behoud en opschaling van zorginnovatie?
Subsidieverlening op lokaal niveau is waarschijnlijk passender dan het oormerken van kapitaal. Voor private investeerders is de mogelijkheid tot opschaling namelijk essentieel bij investeringsbeslissingen. Het vrijmaken van extra kapitaal bij ROM’s zal het probleem niet oplossen dat private partijen niet willen investeren in lokale zorginnovaties. Hiervoor zijn meer structurele wijzigingen nodig in het zorgsysteem.
Bent u bereid de seedfinanciering voor zorgtechstartups (incl. biotech en medtech) te verhogen en de eis van een directe, substantiële eigen inbreng te schrappen of te versoepelen?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om de Seedfinanciering voor zorgstartups (incl. Biotech en medtech) te verhogen zoals hier wordt gevraagd. Wel wordt er door de Ministeries van VWS en EZK gekeken hoe er meer financiering beschikbaar gesteld kan worden voor publiek-private samenwerkingen binnen en medtech-sector. Ook is biotechnologie aangeduid als één van de strategische markten waar het Ministerie van EZK op wil inzetten, al dan niet met additionele seedfinanciering.
Zoals eerder beschreven in het antwoord op vraag 22 is er doorgaans geen sprake van strikt genormeerde of gecodificeerde ondergrenzen voor een dergelijke eigen inbreng.
Bent u bereid een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoedt?
Nee, op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoed. Wel wordt er door de Ministeries van VWS en EZK gekeken hoe er meer financiering beschikbaar gesteld kan worden voor publiek-private samenwerkingen binnen de medtech-sector.
Daarnaast zet het kabinet zich, tijdens de Europese onderhandelingen, in voor vereenvoudiging van de wetgeving voor medische technologie en het creëren van versnelde paden voor innovatie. Nationaal zet het kabinet ook in op het delen van heldere en toegankelijke informatie via bijvoorbeeld Zorg voor Innoveren.
Bent u bereid de ROM’s en publieke fondsen ertoe aan te zetten oprichters tijdens de seedfase een redelijk salaris toe te staan, in plaats van te verlangen dat zij zonder inkomen ondernemen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat oprichters zich in de seedfase volledig kunnen richten op de ontwikkeling van hun onderneming. Daarbij past dat zij in redelijkheid kunnen voorzien in hun levensonderhoud.
Tegelijkertijd is dit maatwerk. ROM’s en publieke fondsen beoordelen per investering wat passend is, gelet op de fase van het bedrijf, het financieringsplan en de inzet van publieke middelen. Het kabinet zal in de reguliere gesprekken met ROM’s en publieke fondsen aandacht vragen voor een evenwichtige toepassing.
Bent u bereid de opdracht en rendementseisen van de ROM’s zo bij te stellen dat vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s wordt aangemoedigd, en de Kamer met meetbare doelen en periodieke rapportage te tonen of het extra kapitaal daadwerkelijk in die regio’s en die vroege fase terechtkomt?
Op dit moment is de opdracht en de rendementseisen (additioneel aan de markt) al zo ingericht dat vrijwel elke vorm van innovatie in elke regio wordt aangemoedigd. De ROM’s investeren alleen in de vroege fase. Daarnaast rapporteert elke ROM elk kwartaal over hun ontwikkeltaken en investeringen.
Ook publiceren de ROM’s elk ieder jaar een jaarverslag. Deze zijn publiekelijk beschikbaar.
De toenemende kwetsbaarheid van de Nederlandse chemische industrie door goedkope Chinese importen. |
|
Judith Buhler (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
Herbert , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rabo: goedkope Chinese chemie maakt Nederlandse economie kwetsbaarder»1 waaruit blijkt dat Nederland relatief veel geïmporteerde Chinese chemie verwerkt in de eigen productie en dat een eventuele verdere prijsdaling van Chinese chemische producten de Nederlandse chemische sector opnieuw fors kan raken?
Ja.
Deelt u de zorg dat een toenemende afhankelijkheid van Chinese chemische halffabrikaten en eindproducten de Nederlandse economie kwetsbaarder maakt voor geopolitieke druk, exportrestricties en handelsspanningen?
Het kabinet deelt deze zorg, voor zover deze ontwikkeling in directe relatie staat tot het verlies van strategische productiecapaciteit binnen Nederland en de EU. Wederzijdse afhankelijkheden zijn een normaal en belangrijk onderdeel van het mondiale handelssysteem en zijn op zichzelf niet onwenselijk. Van een ongewenste strategische afhankelijkheid is sprake wanneer een product, dienst of technologie van cruciaal belang is voor het borgen van publieke belangen van Nederland en/of de EU, voor de continuïteit van vitale processen of wanneer sprake is van toegang tot gevoelige informatie voor derden, en er tegelijkertijd een hoog risico op leveringsonderbreking bestaat.
Dit geldt niet voor alle chemische halffabricaten en eindproducten. Voor chemische halffabricaten en eindproducten geldt, in beginsel, dat per product verschilt hoe strategisch en hoe risicovol een afhankelijkheid is. De chemische industrie vormt echter een belangrijke basis voor een groot aantal andere industriële waardeketens in Nederland en de EU. Het behoud van voldoende en concurrerende chemische productiecapaciteit is daarom van groot economisch en strategisch belang. Het verder wegvallen van deze productiecapaciteit kan niet alleen leiden tot nog grotere afhankelijkheid van import, maar ook de weerbaarheid en concurrentiekracht van bredere industriële waardeketens onder druk zetten.
Heeft u in beeld voor welke chemische grondstoffen, halffabrikaten en eindproducten Nederland en Europa in toenemende mate afhankelijk zijn van China en bij welke daarvan het verdwijnen van Europese productiecapaciteit een risico vormt voor onze economische veiligheid? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Eén van de doelen van het economisch veiligheidsbeleid is het verminderen en voorkomen van risicovolle strategische afhankelijkheden. Hiertoe is de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden (TFSA) opgericht. In het kader van de TFSA worden door de departementen analyses uitgevoerd om risicovolle strategische afhankelijkheden te identificeren. Of en in welke mate onderdelen van de chemische sector kwetsbaar zijn door dergelijke risicovolle strategische afhankelijkheden, is onderzocht. Dit onderzoek is echter vertrouwelijk. Het kabinet is graag bereid de resultaten hiervan in een vertrouwelijke technische briefing toe te lichten. Daarnaast worden er op Europees niveau binnen de Critical Chemicals Alliance strategische chemicaliën en productiesites geïdentificeerd en gewerkt aan maatregelen om de productie hiervan in Europa te behouden. Dit gebeurt op basis van een methode die is vastgesteld binnen deze alliantie.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat goedkope Chinese importen op korte termijn voor sommige sectoren voordelen kunnen opleveren, maar op langere termijn kunnen leiden tot verlies van strategische industriële capaciteit in Nederland en Europa?
Het kabinet erkent dat goedkope importen uit China op korte termijn economische voordelen kunnen opleveren, onder meer via lagere prijzen voor eindgebruikers en lagere kosten voor producenten. Daardoor kunnen dergelijke importen bijdragen aan een versterking van de concurrentiepositie, specialisatie en innovatie, wat ook op lange termijn positief kan uitwerken. Daarbij kan het voorkomen dat comparatieve voordelen die China geniet ertoe leiden dat bepaalde industrieën (deels) uit Nederland of Europa verdwijnen.
Tegelijkertijd vindt het kabinet het van belang om in strategische sectoren zorgvuldig te beoordelen of dergelijke importen op langere termijn kunnen leiden tot een ongewenst verlies aan industriële capaciteit in Nederland en Europa. De sluiting van strategische bedrijven is vooral zorgelijk wanneer deze het gevolg is van oneerlijke concurrentie, bijvoorbeeld door dumping, ongeoorloofde subsidies, door fossiele producten die strengere EU-normen voor verduurzaming omzeilen, of wanneer hierdoor strategische afhankelijkheden ontstaan die economische en veiligheidsrisico’s voor Nederland en de EU creëren of vergroten. In gevallen van dumping of ongeoorloofde subsidies kan in Europees verband worden opgetreden met het handelsdefensieve instrumentarium van de EU (zoals antidumping- of anti-subsidiemaatregelen) om een eerlijk en gelijk speelveld te waarborgen.
Op welke wijze betrekt u deze ontwikkeling bij de uitvoering van het rapport-Wennink en welke concrete stappen zijn sinds het verschijnen daarvan gezet om de Nederlandse chemische industrie en andere energie-intensieve sectoren structureel te versterken?
Het rapport Wennink stelt terecht dat Nederland en Europa strategisch relevant moeten worden en blijven door gericht in te zetten op strategische domeinen om zo een onmisbare rol te blijven spelen in mondiale hoogtechnologische waardeketens.2
Het kabinet voert gericht industriebeleid op specifieke sectoren. Dit zijn zes markten waar Nederland zich internationaal op kan onderscheiden en die sterk bijdragen aan het Nederlandse verdienvermogen, onze weerbaarheid en maatschappelijke missies. Innovatieve chemie is één van de zes focusgebieden.3
Erkent u dat er inmiddels stappen zijn gezet op het gebied van compensatie voor hoge energiekosten, maar dat dit alleen onvoldoende is om structurele achterstand ten opzichte van concurrenten buiten Europa weg te nemen?
Om over de gehele breedte de positie van de industrie te versterken is het ook noodzakelijk om te kijken naar het stimuleren van de vraag naar schone producten, het adresseren van oneerlijke concurrentie met derde landen en versnellen van procedures om verduurzamingsprojecten te realiseren. De Industrial Accelerator Act (IAA) levert hier een belangrijke bijdrage aan om dit in EU-verband vorm te geven. Momenteel wordt over het voorstel van de Commissie onderhandelt. Uw Kamer is over de Nederlandse inzet middels een BNC-fiche geïnformeerd.4
Welke aanvullende maatregelen neemt u om te voorkomen dat energie-intensieve industrie in Nederland verder krimpt of verdwijnt voordat Europese instrumenten daadwerkelijk effect sorteren?
Het kabinet treft nationale maatregelen om het gelijk speelveld voor de energie-intensieve industrie te verbeteren. In het Coalitieakkoord is opgenomen dat de CO2-heffing wordt afgeschaft en de hoge elektriciteitskosten voor de industrie gemitigeerd worden met de IKC-regeling en de envelop tegemoetkoming elektriciteitskosten. Het kabinet breidt de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra (sub)sectoren, in lijn met de door de Europese Commissie geboden nieuwe mogelijkheden binnen het Europese staatssteunkader. De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemiesector. Verder heeft het kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten waarvoor op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. De Kamer wordt binnenkort per brief nader geïnformeerd over de opties voor elektriciteitskosten envelop en de vormgeving van de Indirecte Kosten Compensatie (IKC). Daarnaast zet het kabinet in op het realiseren van randvoorwaarden voor verduurzaming, zoals infrastructuur voor elektriciteit en CO2-opslag.
Deelt u de opvatting dat Nederland zich bij de onderhandelingen over de EU-verordening Industrial Accelerator Act (IAA) actief moet inzetten voor concrete vraagcreatie naar Europese en koolstofarme industriële producten? Welke inzet pleegt Nederland hiervoor in Brussel?
Vraagcreatie is één van de prioriteiten van Nederland bij de vormgeving van de IAA. Vraagcreatie geeft zekerheid dat er een afzetmarkt is voor schone producten uit de industrie. Het kabinet is van mening dat er meer ambitie in de IAA nodig is om beleid op vraagcreatie te versterken. Concreet zet Nederland in op instrumenten voor vraagcreatie in meer sectoren, gradueel oplopende productnormen voor koolstofarme productie en verplichte duurzaamheidslabels. Zie hiervoor ook het fiche over de Nederlandse inzet met betrekking tot de Industrial Accelerator Act.5
Welke mogelijkheden ziet u om publieke inkoop door Rijk, decentrale overheden en publieke instellingen nadrukkelijker in te zetten voor Europese, koolstofarme en strategisch belangrijke producten, binnen de kaders van het Europese aanbestedingsrecht?
Binnen de huidige kaders van het Europees aanbestedingsrecht staat het aanbestedende instanties vrij om kwalitatieve eisen te stellen binnen hun aanbesteding, zolang deze niet-discriminatoir zijn voor bedrijven uit EU-lidstaten, landen waarmee de EU een handelsovereenkomst met relevante afspraken over wederzijdse toegang tot elkaars aanbestedingsmarkt heeft afgesloten, of deelnemende landen aan het Government Procurement Agreement. Hiermee kan dus vooral de vraag naar schonere/koolstofarme producten gestimuleerd worden.
In de Industrial Accelerator Act worden vereisten voor publieke aanbestedingen opgesteld voor koolstofarme producten en de herkomst hiervan. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om staal, aluminium, cement, elektrische voertuigen en een aantal nettonultechnologieën uit de Net Zero Industry Act (NZIA). Op deze wijze krijgen aanbestedende diensten nieuwe extra handvatten om koolstofarme strategisch belangrijke producten in te kopen bij bedrijven uit EU-landen of landen waarmee de EU-handelsovereenkomsten heeft.
Deelt u de opvatting dat vraagcreatie en inkoop door overheidsorganen cruciaal zijn om de Europese industrie weer perspectief te geven, met name in strategische sectoren zoals chemie, staal, aluminium, cement, batterijen, net-zero technologieën en andere energie-intensieve industrie?
Die opvatting deelt het kabinet. Zie ook het fiche van de Industrial Accelerator Act.6
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor duidelijke, uitvoerbare en ambitieuze criteria voor «Made in EU» en koolstofarme producten bij publieke aanbestedingen en publieke steunregelingen?
Nederland pleit in Europees verband voor duidelijke en uitvoerbare definities van koolstofarme productnormen.
De Nederlandse inzet in Europees verband ten aanzien van «Made in EU»-criteria (oftewel een EU-voorkeursprincipe) in de Industrial Accelerator Act is opgenomen in het fiche over dit voorstel.7 Ten aanzien van een EU-voorkeursprincipe is het kabinet terughoudend met de inzet hiervan. Nederland heeft als open economie baat bij een zoveel mogelijk open handels- en investeringsklimaat. Het kabinet hanteert daarom in de beleidsaanpak economische veiligheid het credo «open waar het kan, gesloten waar het moet». Indien minder ingrijpende maatregelen niet voldoende zijn en indien het verenigbaar is met internationale juridische verplichtingen van de EU, kan het EU-voorkeursprincipe wel worden gebruikt om de weerbaarheid van de Unie te versterken. Het kabinet zal per sector zorgvuldig afwegen of de baten opwegen tegen de kosten van een EU-voorkeursprincipe.
Wanneer komt u, via de Critical Chemicals Alliance (CCA), met een concreet actieplan voor vraagcreatie via publieke inkoop, inclusief tijdpad, verantwoordelijke departementen en betrokken publieke opdrachtgevers?
De Critical Chemicals Alliance (CCA) is een Europees initiatief, mede tot stand gekomen met expliciete steun van Nederland, omdat de uitdagingen voor de Europese chemische industrie niet uitsluitend nationaal van aard zijn en primair om een Europese aanpak vragen. De chemische industrie vormt een essentiële basis voor veel industriële waardeketens in Nederland en de EU. Het versterken van de productiecapaciteit en concurrentiekracht van de Europese chemische industrie draagt daarmee bij aan het Europese concurrentievermogen, de strategische autonomie en de weerbaarheid van de EU. Een Europese aanpak is daarin van belang om een gelijk speelveld binnen de interne markt te waarborgen en te voorkomen dat lidstaten afzonderlijk uiteenlopende nationale maatregelen nemen.
De aanbevelingen van de verschillende werkgroepen worden naar verwachting in oktober vastgesteld. Kort daarna zal het kabinet de aanbevelingen van de CCA appreciëren en de Kamer hierover informeren. Het kabinet zal daarbij in het bijzonder bezien welke aanbevelingen zich lenen voor Europese opvolging en welke bijdrage Nederland hieraan kan leveren.
Nederland blijft zich er in de tussentijd in Europees verband voor inzetten dat de Europese Commissie de aanbevelingen van de CCA voortvarend en adequaat omzet in concrete maatregelen. Daarbij is het van belang dat vraagcreatie op Europees niveau wordt ontwikkeld, zodat dit daadwerkelijk bijdraagt aan het versterken van de Europese chemische industrie en tegelijkertijd het gelijke speelveld binnen de EU wordt behouden.
Hoe voorkomt u dat overheidsinkoop primair blijft sturen op prijs als doorslaggevend criterium, terwijl daarmee onbedoeld de strategische afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers wordt vergroot?
Regelgeving laat aanbestedende diensten tot nu toe vrij om zelf de afweging te maken tussen prijs of kwaliteit als doorslaggevend criterium. Maar de Europese Commissie heeft ook aangegeven dat ze met het voorstel voor herziene aanbestedingsregelgeving wil stimuleren dat er meer op kwaliteit in plaats van laagste prijs wordt gegund in de EU. De Europese Commissie heeft hierover op 9 september een voorstel gepresenteerd. U ontvangt hierover binnen de afgesproken tijdspaden een BNC-fiche.
Uit data van het aanbestedingsplatform TenderNed blijkt dat in Nederland al ongeveer 80% van de aanbestedingen gegund wordt op basis van de beste kwaliteit in plaats van laagste prijs. Nederland zit in de top-drie landen die op beste kwaliteit gunt en dit aantal is ook toegenomen de afgelopen tien jaar.8 Prijs wordt daarmee dus niet primair gebruikt als doorslaggevend criterium.
Welke concrete stappen heeft u sinds de aanneming van de motie-Bühler c.s.2 gezet om binnen de EU te komen tot een snellere inzet van handelsbeschermende instrumenten tegen staatsgesteunde overcapaciteit en oneerlijke concurrentie, waaronder in de chemische sector?
Zoals ook aangegeven in het schriftelijk overleg inzake de Raad voor Concurrentievermogen van 9 en 10 juli 202610 steunt het kabinet de inzet van de handelsdefensieve instrumenten van de EU waar dat kan bijdragen aan het gelijktrekken van het speelveld, en aan het beschermen van strategische sectoren tegen marktverstorende praktijken uit derde landen. Vanwege de toename van marktverstorende praktijken zoals dumping en ongeoorloofde subsidiëring, bestaat ook vanuit de industrie een toenemende vraag naar de inzet van het handelsdefensief instrumentarium. Het kabinet ziet ruimte voor verbetering van dit instrumentarium, evenals de strategische inzet ervan, om snel, adequaat en effectief op te kunnen blijven treden tegen marktverstorende praktijken. Het kabinet zet zich hier in Europees verband dan ook nadrukkelijk voor in. Zo heeft Nederland recent, o.a. omwille van de situatie in de chemiesector, een paper gesteund waarin wordt gepleit om de handelsdefensieve instrumentaria van de EU te verbeteren.
Bent u bereid om in EU-verband actiever te pleiten voor inzet van handelsinstrumenten, wederkerigheid in aanbestedingen en strengere voorwaarden voor markttoegang wanneer sprake is van staatssteun, dumping of strategische afhankelijkheidsrisico’s?
Het kabinet steunt de Europese Commissie bij een effectieve inzet van het Europese handelsinstrumentarium om haar markt tegen oneigenlijke concurrentie te beschermen. Daaronder vallen niet alleen klassieke handelsdefensieve instrumenten zoals antidumping of antisubsidiemaatregelen, maar bijvoorbeeld ook het Instrument Internationale Overheidsopdrachten (International Procurement Instrument, IPI) dat als doel heeft om meer wederkerigheid op de internationale aanbestedingsmarkten te creëren. Daarnaast kent de EU sinds 2023 de verordening buitenlandse subsidies (Foreign Subsidies Regulation, FSR) die interne marktverstorende buitenlandse subsidies poogt te adresseren. Parallel aan de inzet van deze instrumenten blijft de EU onverminderd inzetten op handelsdiversificatie via nieuwe handelsakkoorden en tracht zij via dialoog handelsbelemmeringen voor Europese bedrijven in derde landen weg te nemen. De EU zet dus reeds op meerdere fronten actief in om haar economische belangen te beschermen. Tegelijkertijd ziet het kabinet ruimte voor verbetering van het bestaande handelsdefensieve instrumentarium om adequaat te kunnen blijven optreden tegen het toenemende aantal marktverstorende praktijken door derde landen.
Bent u bereid deze vragen tijdig te beantwoorden, voorafgaand aan het commissiedebat (formele) Raad voor Concurrentievermogen (interne markt en industrie, onderzoek) van 22 september 2026, zodat de Kamer de antwoorden kan betrekken bij het commissiedebat over de Nederlandse inzet voor de Raad van Concurrentievermogen van 24 en 25 september 2026?
Ja.
De Nederlandse inzet op de Industrial Accelerator Act en de recente publicatie van het Jacques Delors Centre |
|
Tom van der Lee (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente publicatie Buy European need not break the bankvan het Jacques Delors Centre?1
Onderschrijft u de conclusie dat strengere Europese voorkeursregels en eisen aan koolstofarme productie mogelijk zijn zonder hoge meerkosten voor eindgebruikers?
Hoe reflecteert u op de conclusie dat het huidige voorstel voor de Industrial Accelerator Act (IAA) onvoldoende prikkels biedt voor investeringen in de Europese industrie en dat strengere Europese voorkeurseisen gewenst zijn?
Onderschrijft u dat brede uitzonderingen op Europese voorkeursregels en groene producteisen de effectiviteit beperken, maar ook extra bureaucratie en onzekerheid veroorzaken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u hierbij specifiek ingaan op de generieke kostenuitzondering en de positionering van Nederland op dit principe? Hoe reflecteert u op de kritiek in dit onderzoek?
Bent u bereid om de reikwijdte van de IAA uit te breiden naar meer markten en aanvullende strategische componenten, zoals de publicatie aanbeveelt? Zo nee, waarom niet?
Waarom kiest u voor terughoudendheid bij Europese oorsprongseisen, en een brede definitie van wat Europees is, terwijl een nauwere definitie en harde Europese voorkeursregels volgens de publicatie de vraag naar Europese producten vergroten en daarmee investeringen in Europese productie stimuleren?
Kunt u toelichten hoe u de overweging maakt of u voor of tegen Europese oorsprongseisen voor (strategische) producten bent?
Waarom zorgt de Nederlandse positie volgens u voor meer investeringszekerheid in Europese verduurzaming van de industrie dan de positie die in de publicatie wordt onderbouwd?
Bent u bereid om voor strategische sectoren oplopende minimumpercentages voor koolstofarme – en Europese – productie in te stellen met oog op een duidelijk einddoel, zodat producenten zekerheid krijgen over de toekomstige vraag? Zo nee, waarom niet?
Ziet u op basis van de publicatie reden om uw positionering op de IAA te heroverwegen en te pleiten voor ambitieuzere Europese voorkeursregels en groene mandaten? Zo nee, waarom niet?
Zijn er onderdelen van deze publicatie die u in overweging neemt voor de positionering van Nederland bij toekomstige Europese wetgeving t.a.v. industriebeleid?
Het offline halen van belangrijke websites door een cyberkwetsbaarheid |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u reageren op het nieuws dat verschillende overheidswebsites offline zijn gehaald vanwege het risico op hacks?1
Welke websites van de overheid en belangrijke instanties zijn (tijdelijk) offline gehaald? Welke gevolgen heeft dit (gehad) voor burgers en organisaties?
Wat gaat u doen om problemen die ontstaan als gevolg van het (tijdelijk) offline halen van deze websites op te lossen? Bij welke belangrijke processen, zoals inloggen met DigiD of het maken van een online afspraak, is hier mogelijk sprake van?
Wanneer waren de kwetsbaarheden bekend?2 Hoeveel tijd zat er tussen de ontdekking en het openbaar maken van deze informatie? Is er een aanleiding om te denken dat de kwetsbaarheid is misbruikt door hackers?
Hoe heeft u gereageerd om zo snel mogelijk het risico op hacks te voorkomen? Welke afstemming vindt er plaats om de reactie met alle getroffen overheden en bedrijven te coördineren?
Welke rol heeft het Nationaal Cyber Security Center (NCSC) in het ondersteunen van overheden en organisaties die wellicht dezelfde kwetsbare programmeertaal gebruiken, maar hier geen weet van hebben?
Hoe wordt actuele en belangrijke informatie met de juiste partijen gedeeld als de website van het NCSC zelf ook offline is gehaald? Waar kunnen burgers en organisaties betrouwbare informatie in dit geval vinden?
Ligt er een plan klaar voor het tijdig beschermen van belangrijke websites en instanties zodra een dergelijke kwetsbaarheid wordt gevonden? Zo ja, wat is het beleid hiervoor?
Ziet u, gezien het groeiende aantal kwetsbaarheden, storingen en cyberaanvallen, aanleiding om bestaande wetten en beleid aan te scherpen? Zo ja, wat moet aangepast worden en op welke termijn gaat u hier voorstellen voor doen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het artikel ‘Van Smakelijke Reus in Schimmert naar DAF Space Cab’ |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van Smakelijke Reus in Schimmert naar DAF Space Cab»?1
Herkent u het signaal dat ondernemers bij financiële problemen of een faillissement ondersteuning vinden, maar dat die ondersteuning niet altijd voldoende gericht is op de situatie van ondernemers, zoals de verwevenheid van bedrijf met inkomen, identiteit, verantwoordelijkheid voor personeel, omvang van de schulden en verschil in positie van de vpb en ib-ondernemer?
Welke rol kan het Ministerie van Economische Zaken spelen om te voorkomen dat de ondernemers tussen de diverse dienstverlening zoals bedrijfseconomische ondersteuning, schuldhulpverlening en gezondheidszorg vallen?
Kunt u aangeven welke vorm van schuldhulpverlening er is voor een ondernemer met een BV (vpb-ondernemer)? Op welke wijze is dit georganiseerd?
Klopt het dat een vpb ondernemer eerst failliet moet gaan om in aanmerking te komen voor de reguliere schuldhulpverlening?
Welke landelijke voorzieningen bestaan momenteel specifiek voor ondernemers die als gevolg van financiële problemen, bedrijfsbeëindiging of faillissement ernstige mentale klachten of suïcidale gedachten ontwikkelen? Hoe worden ondernemers actief naar deze voorzieningen geleid?
De Kamer van Koophandel beschrijft op hun website dat er een ondersteuningsnetwerk is; wordt bijgehouden hoeveel ondernemers via de Kamer van Koophandel daadwerkelijk passende ondersteuning ontvangen en of zij na een doorverwijzing ook bij de juiste hulp terechtkomen? Zo ja, wat zijn de resultaten?
De ondernemer wijst in zijn verhaal dat er behoefte bestaat aan een eerstelijnsorganisatie voor ondernemers die is gericht op vroegsignalering, warme doorverwijzing en nazorg bij ondernemers in zwaar weer; hoe kijk u hierna? Bent u eventueel bereid om te onderzoeken wat de meerwaarde kan zijn van een aanspreekpunt specifiek voor ondernemers?
Het feit dat NS voornemens is de tickets en abonnement tot liefst 5% te verhogen in 2027 |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht1 «Treinkaartjes weer duurder: NS verhoogt prijs van een doorsnee kaartje met bijna 5 procent en lokt reiziger naar daluren» van De Telegraaf d.d. 20 oktober 2026?
Welke concrete maatregelen hebben u en de NS het afgelopen jaar genomen om deze nieuwe prijsverhoging te voorkomen of te beperken? Wat is de reden dat deze maatregelen kennelijk onvoldoende bleken?
Kunt u inzichtelijk maken hoe de aangekondigde prijsverhoging van bijna 5 procent is opgebouwd en welk deel hiervan voortvloeit uit gestegen operationele kosten, inflatie en eerder gemaakte financiële afspraken?
Welke gevolgen verwacht u dat deze nieuwe prijsverhoging heeft voor het aantal treinreizigers? Heeft de NS onderzocht hoeveel reizigers door de aanhoudende prijsstijgingen mogelijk afhaken en kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Wat betekent deze prijsverhoging voor de concurrentiepositie van de NS ten opzichte van andere vervoersmiddelen, in het bijzonder de auto?
Deelt u de zorg dat de trein zichzelf door de steeds hogere tarieven voor een groeiende groep Nederlanders uit de markt prijst?
Deelt u de constatering dat de Kamer inmiddels vrijwel ieder jaar dezelfde vragen kan stellen over nieuwe prijsverhogingen, financiële tegenvallers en de toekomstbestendigheid van de NS? Vindt u het acceptabel dat er kennelijk nog altijd geen structurele oplossing is gevonden, en wanneer mogen reizigers eindelijk verbetering verwachten?
Erkent u dat de NS zich in een aanhoudende neerwaartse spiraal lijkt te bevinden, waarbij stijgende kosten leiden tot hogere tarieven, hogere tarieven reizigers kunnen afschrikken en teruglopende reizigersaantallen vervolgens weer druk zetten op de financiële positie van de NS? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om deze ontwikkeling te doorbreken?
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van IenW?
Het beschermen van consumenten tegen online misleiding door malafide aanbieders van spoeddiensten |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Belgische werkwijze om online misleiding tegen te gaan, waarbij internetgebruikers die een als malafide aangemerkte website proberen te bezoeken, automatisch worden doorgeleid naar een waarschuwingspagina?1 Bent u tevens bekend met de resultaten van deze aanpak, die ertoe heeft geleid dat reeds honderdduizenden Belgische consumenten op deze wijze zijn gewaarschuwd?2
Herinnert u zich de antwoorden op mijn eerder gestelde schriftelijke vragen, waarin u schreef dat weren van advertenties door zoekmachines onvoldoende is om consumenten te beschermen, omdat bijvoorbeeld ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven leiden? (Aanhangsel Handelingen II, 2025–2026, nr. 1809). Deel u de mening dat de Belgische werkwijze een antwoord biedt op deze constatering?
Bent u bereid te verkennen of een vergelijkbare aanpak in Nederland kan worden ingevoerd, mede gezien de meldingen van online fraude en malafide websites bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM)? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat artikel 2.7, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming de Autoriteit Consument en Markt (ACM) al de bevoegdheid geeft om consumenten door te leiden naar een waarschuwingspagina als zij een website van malafide partijen bezoeken? Hoe vaak heeft de ACM van deze bevoegdheid gebruikgemaakt en welke mogelijkheden biedt deze bepaling voor een aanpak naar Belgisch voorbeeld?
Kunt u reflecteren op de Belgische wetgeving en aanpak om advertenties van malafide aanbieders van zoekmachines te weren? Hoe verhouden deze zich tot de Nederlandse wetgeving en aanpak? Bent u bereid om in gesprek met uw Belgische ambtsgenoot te bezien welke lessen uit het Belgische voorbeeld voor Nederland kunnen worden getrokken? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Nederland weet amper hoeveel stroom en water zijn datacentra opslokken’ |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , de Bat , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Nederland weet amper hoeveel stroom en water zijn datacentra opslokken»?1
Weet u hoeveel stroom en water onze datacentra opslokken?
Zo ja, kunt u deze gegevens publiceren en duidelijk maken welke datacentra het meest verbruiken?
Wat is uw reactie op het artikel en het onderzoek van Lighthouse Reports?
Deelt u de mening dat het publieke belang van transparantie over het stroomverbruik, zwaarder weegt dan het zogenaamd bewaken van bedrijfsgeheimen?
Wat is uw visie op enerzijds het digitaal autonoom maken van Nederland en Europa, en anderzijds de groeiende vraag om stroom en water voor datacentra?
Klopt het dat deze bedrijven hun milieudata zoals stroom en waterverbruik moeten publiceren?
Hoeveel verbruiken de overheidsdatacentra? Kunt u hier actuele gegevens over delen?
Hoe zorgt u ervoor dat het stroomverbruik van datacentra niet ten koste gaat van het verbruik door huishoudens en ander maatschappelijk belangrijk gebruik?
Bent u bereid in de onderhandelingen over het Europese Tech Sovereignty Package te pleiten voor duurzaamheids- en transparantieverplichtingen voor datacentra?
Welke plannen heeft u om overheidsdatacentra te verduurzamen?
Kunt u de aanname van netbeheerder Tennet, dat per 2030 ongeveer 10 tot 15 procent van de Nederlandse stroom naar datacentra gaat, onderbouwen? Hoe wordt de Energy Efficiency Directive (EED) Europees of in Nederland gehandhaafd?
Wat zijn de gevolgen voor een bedrijf dat weigert om aan de EED-richtlijnen te voldoen?
Kunt u laten weten welke bedrijven zich momenteel niet aan deze eisen houden?
Hoe en door wie worden andere milieuregels voor datacentra gehandhaafd?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat Digitale autonomie van 19 november 2026 beantwoorden?
Het nieuws dat gegevens over het energie-en watergebruik van datacenters ontbreken |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in Trouw Toenemend verzet werkt irritatie bij datacentra: «Het zijn cave people»1 en Van driekwart van datacentra is volstrekt onduidelijk over water- en stroomgebruik2?
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van slechts 104 datacenters gegevens heeft over de milieubelasting, terwijl er in ieder geval 186 commerciële datacentra gevestigd zijn in Nederland met een vermogen van meer dan 500 kilowatt?
Hoe wordt gehandhaafd dat datacenters gegevens over hun elektriciteit- en waterverbruik rapporteren? Welke maatregelen kan het Rijk of het RVO nemen als datacenters deze gegevens niet of onvolledig aanleveren?
Worden gegevens over de milieubelasting van datacentra, zoals het energie- en watergebruik, aangemerkt als bedrijfsgevoelige informatie?
Bent u het ermee eens dat het publieke belang van transparantie over de milieubelasting van datacenters zwaarder weegt dan het bedrijfsgeheim? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat uit het toenemende lokale verzet tegen de vestiging van datacenters blijkt dat het gaat om een publiek belang?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldde in 2024 dat het elektriciteitsgebruik van datacenters was gegroeid naar 4,6% van het landelijk elektriciteitsverbruik. Wat was het aandeel van datacenters in het Nederlandse elektriciteitsverbruik in 2025?
Is het kabinet bereid zich binnen de Europese Unie in te zetten voor meer transparantie over de milieubelasting van datacenters, bijvoorbeeld door rapportage en openbaarmaking van belangrijke gegevens te verplichten en hierop hand te haven?
Bent u het eens met de Europese Commissie dat de datacentrumcapaciteit in de Europese Unie in de komende vijf tot zeven jaar zou moet verdrievoudigen? Vindt u dat dit ook geldt voor de Nederlandse datacentrumcapaciteit?
De communicatie van de uitzondering van GLMC 7 op bedrijven met minder dan 30 hectare grond |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over de toepassing van de Goede Landbouw- en Milieuconditie (GLMC) 7?1
Klopt het dat landbouwbedrijven die meer dan 30 hectare landbouwgrond opgeven in de Gecombineerde Opgave moeten voldoen aan GLMC 7, terwijl landbouwbedrijven die 30 hectare of minder opgeven hiervan zijn uitgezonderd?
Klopt het dat deze uitzondering pas tegen het einde van het huidige teeltseizoen door RVO duidelijk is gecommuniceerd naar de betreffende ondernemers?
Was u voorafgaand aan het teeltseizoen op de hoogte van deze uitzondering voor landbouwbedrijven met 30 hectare of minder landbouwgrond?
Waarom is deze informatie niet eerder en duidelijker gecommuniceerd aan landbouwbedrijven, zodat zij voor de start van het teeltseizoen wisten of de verplichtingen uit GLMC 7 op hen van toepassing waren?
Kunt u aangeven hoeveel landbouwbedrijven naar verwachting onder de grens van 30 hectare vallen en daardoor niet aan GLMC 7 hoeven te voldoen?
Bent u ervan op de hoogte dat landbouwbedrijven in sommige gevallen al teeltmaatregelen hebben genomen of opbrengsten hebben misgelopen, omdat zij ervan uitgingen dat GLMC 7 op hen van toepassing was voordat ze konden weten dat ze onder een uitzondering vielen?
Kunt u in kaart brengen welke financiële gevolgen landbouwbedrijven mogelijk hebben ondervonden doordat zij hun bouwplan of gewasrotatie hebben aangepast in de veronderstelling dat GLMC 7 op hen van toepassing was?
Bent u bereid om te onderzoeken of het mogelijk is om landbouwbedrijven die aantoonbaar kosten hebben gemaakt of inkomsten zijn misgelopen doordat zij als gevolg van onduidelijke of te late communicatie ten onrechte rekening hebben gehouden met GLMC 7, tegemoet te komen?
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat vergelijkbare wijzigingen of uitzonderingen in de toekomst pas na de start van het teeltseizoen duidelijk worden voor landbouwbedrijven?
Het bericht ‘Trump overweegt exportverbod diesel, 'zou heel Europa veel last van hebben'’ |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsartikel «Trump overweegt exportverbod diesel, «zou heel Europa veel last van hebben»»?1
Heeft u aanleiding om te denken dat er op korte termijn mogelijk een exportverbod op Amerikaans geproduceerde diesel kan worden ingevoerd?
Kunt u inzicht geven over hoeveel diesel Nederland en de Europese Unie momenteel uit de Verenigde Staten importeren en welk percentage van het Nederlandse en Europese dieselverbruik daarmee wordt gedekt?
Hoe heeft de import afhankelijkheid van olie en olieproducten vanuit de Verenigde Staten zich de afgelopen jaren ontwikkeld en wat zijn de oorzaken van deze ontwikkeling?
Welke gevolgen zou een Amerikaans exportverbod hebben voor de beschikbaarheid en prijs van diesel in Nederland?
Zijn er voldoende alternatieve leveranciers die op korte termijn in staat zijn het volume op te vangen, en zo ja welke?
Welke gevolgen zou een Amerikaans exportverbod hebben voor Nederlandse huishoudens?
Welke gevolgen zou het hebben voor de Nederlandse raffinaderijen; hebben zij nog ruimte om een deel van de wegvallende productie op te vangen?
Wordt er met lidstaten van het Internationaal Energieagentschap overleg gevoerd over onder welke omstandigheden er opnieuw strategische dieselvoorraden zouden worden vrijgegeven en hoe deze ook weer worden aangevuld en wat is daarin de Nederlandse inzet?
Wordt er in de Europese Unie een reactie voorbereidt op een Amerikaans exportverbod en wat is daarin de Nederlandse inzet?
Hoe beoordeelt u het strategische belang van voldoende raffinagecapaciteit in Nederland en Europa voor de voorzieningszekerheid, mede in het licht van de huidige krapte en een eventueel exportverbod?
Deelt u de constatering van de Secretaris-Generaal van de NAVO dat speciaal voor de operationele capaciteiten van onze strijdkrachten voldoende raffinagecapaciteit cruciaal is?
Wanneer verwacht u de visie op raffinage met de Tweede Kamer te delen en hoe betrekt het kabinet de behoefte van de Nederlandse krijgsmacht en onze NAVO-verplichtingen?
De vestiging van de Amerikaanse medicijnfabriek Eli Lilly in Katwijk |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Herbert , Bertram , Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Katwijk kan haast geen nee zeggen tegen komst van enorme pillenfabriek» in Trouw?1
Klopt het dat er vanuit de Rijksoverheid en door Ministers druk is uitgeoefend op gemeente Katwijk en wethouders om te zorgen dat de pillenfabriek in Katwijk wordt toegelaten? Hebben Ministers hierover gebeld met Katwijkse bestuurders zoals in de krant staat? Zo ja, wat hebben de Ministers aan de gemeente Katwijk gevraagd? Zo nee, hoe is dit wel gegaan?
Waarom is in de bestuurlijke afspraken als voorwaarde opgenomen dat Eli Lilly zich daadwerkelijk in Katwijk vestigt? Welke overwegingen zijn daarbij gemaakt en wie is daarbij betrokken geweest? Op welke wijze is rekening gehouden met belangen van omwonenden, gezondheid, natuur en milieu? Kunt u per rijksbijdrage en per overige afspraak uiteenzetten welke gevolgen het heeft als Eli Lilly zich niet in Katwijk vestigt, waaronder welke bijdragen en afspraken in dat geval vervallen, worden gewijzigd of onverkort van kracht blijven?
Waarom zijn rijksmiddelen voor bereikbaarheid en afspraken over woningbouw gekoppeld aan de vestiging van één individueel bedrijf, terwijl de bestuurlijke afspraken zelf ook spreken over autonome verkeersgroei en over de reeds bestaande woningbouwopgaven in Valkenhorst en Zijlhoek-De Woerd?
Kunt u zich voorstellen dat dit als een vorm van chantage wordt gezien door inwoners van Katwijk? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat tijdens het overleg met de gemeente Katwijk de mogelijkheid aan de orde is geweest dat de Rijksoverheid of de provincie Zuid-Holland bevoegdheden zou inzetten indien de gemeente niet zou meewerken aan de vestiging van Eli Lilly? Zo ja, wanneer is dit besproken, door welke vertegenwoordigers van het Rijk en op welke wettelijke bevoegdheden werd daarbij gedoeld?
Kunt u in het kader van artikel 68 van de Grondwet een overzicht geven van de contacten die bewindspersonen, secretarissen-generaal, directeuren-generaal en andere vertegenwoordigers van het Rijk in maart en april 2025 met het gemeentebestuur van Katwijk hebben gehad over de mogelijke vestiging van Eli Lilly, inclusief datum, deelnemers en onderwerp van het contact? Bent u bereid de bijbehorende verslagen, e-mails en andere bestuurlijke stukken aan de Kamer te verstrekken?
Op welke informatie baseerde u aanvankelijk de verwachting dat de vestiging van Eli Lilly een belangrijke onderzoeks- en ontwikkelingscomponent zou bevatten? Wanneer werd u ervan op de hoogte dat informatie van Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) volgens het college van burgemeester en Wethouders van Katwijk juist leek te wijzen op «veel productie en weinig Research & Development», en heeft dit geleid tot een herbeoordeling van de meerwaarde van de vestiging voor het Leiden Bio Science Park?
Klopt het dat onder de Omgevingswet afzonderlijk toestemming kan worden verleend voor het realiseren van een industrieel gebouw, terwijl nog geen definitief besluit is genomen over de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteiten waarvoor dat gebouw is bedoeld? Zo ja, acht u het wenselijk dat hierdoor een megafabriek reeds grotendeels of geheel kan worden gebouwd voordat vaststaat dat het beoogde productieproces milieurechtelijk kan worden toegestaan? Welke mogelijkheden heeft u om de bouw op te schorten tot een besluit is genomen over de milieuvergunning, in het licht van de zorgen van de inwoners van Katwijk?
Deelt u de zorgen van omwonenden over het grote waterverbruik van de beoogde fabriek van Eli Lilly, mede gezien de bestaande druk op de drinkwatervoorziening in de regio? Kunt u schetsen hoeveel water de megafabriek gaat verbruiken en hoeveel huishoudens met die hoeveelheid zouden kunnen worden voorzien?
Hoe wordt geborgd dat het watergebruik van de fabriek niet ten koste gaat van de drinkwatervoorziening voor inwoners, natuur, woningbouw en andere maatschappelijke functies, en dat lozingen van proces- en afvalwater geen negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit?
Hoe beoordeelt u de zorgen van omwonenden over de mogelijke gevolgen van luchtverontreiniging, chemische emissies, geluid, geur en andere milieubelasting van de megafabriek voor hun gezondheid en leefomgeving, in het bijzonder voor kinderen en toekomstige bewoners van Valkenhorst? Bent u bereid te bevorderen dat vóór ingebruikname een onafhankelijke nulmeting wordt uitgevoerd?
Begrijpt u de zorgen van omwonenden over de opslag en het gebruik van grote hoeveelheden brandbare en andere gevaarlijke stoffen op een locatie nabij bestaande en toekomstige woongebieden en recreatievoorzieningen? Hoe wordt gewaarborgd dat gedurende de gehele bedrijfsduur onafhankelijk wordt gecontroleerd op de hoeveelheden gevaarlijke stoffen, de Seveso-drempelwaarden en de naleving van veiligheidsvoorschriften, en dat omwonenden vooraf duidelijk weten wat zij bij een calamiteit moeten doen?
Bent u bereid om te overleggen met gemeente Katwijk en haar inwoners om te kijken of de komst van de megafabriek alsnog moet worden voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en met spoed beantwoorden, gezien het besluitvormingsproces?
De voortgang van Project Beethoven |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Project Beethoven, dat is opgezet tijdens het kabinet Rutte IV, van groot belang is voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich de toezegging aan de Kamer dat zij «bij een volgende gelegenheid» zou worden geïnformeerd over de voortgang van Project Beethoven?1 Van wanneer dateert de laatste update aan de Kamer?
Hoe verloopt de voortgang van Project Beethoven volgens u?
Welke signalen krijgt u van ketenpartners over het verloop van Project Beethoven?
Hoe zijn de totale beschikbare financiële middelen van ruim € 2,5 miljard tot nu toe besteed?
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie Martens-America c.s.,2 die kortgezegd neerkomt op het gebruiken van Project Beethoven als blauwdruk voor publiek-private samenwerking op andere belangrijke economische ecosystemen?
Kunt u deze Kamervragen beantwoorden nog voor aanvang van de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat over het jaar 2027?
De toekomst van Nyrstar Budel. |
|
Judith Buhler (CDA), Henk Jumelet (CDA) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het Financieele Dagblad over de onzekerheid rond de toekomst van de Nyrstar-fabriek in Budel1?
Deelt u de mening dat de situatie bij Nyrstar andermaal laat zien dat de hoge Nederlandse elektriciteitskosten voor energie-intensieve bedrijven niet alleen een langetermijnvraagstuk zijn, maar dat deze ook op korte termijn gevolgen kunnen hebben voor investeringsbeslissingen en het behoud van industriële productie in Nederland?
Herkent en onderschrijft u dat de urgentie die nu bij Nyrstar zichtbaar wordt? En kunt u aangeven of deze urgentie ook eerder door het kabinet voldoende is onderkend en meegewogen bij de keuzes rond de ondersteuning van energie-intensieve bedrijven en het al dan niet naar voren halen van de in het coalitieakkoord afgesproken envelop elektriciteitsprijs?
Bent u bekend met het feit dat tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen (APB) is gevraagd om de enveloppe naar voren te halen en de Minister-President heeft aangegeven dat voor de begrotingsbehandeling van KGG een overzicht van mogelijke oplossingen beschikbaar zou zijn voor bedrijven die door de hoge elektriciteitskosten in de problemen komen? Is Nyrstar bij het identificeren van deze maatregelen al betrokken? Zo nee, waarom niet?
Bent u er ook mee bekend dat de Minister-President tevens tijdens de APB aangaf dat sommige bedrijven niet voldoende geholpen zijn met generieke maatregelen en dat daarom vanuit Economische Zaken (EZ) en Klimaat en Groene Groei (KGG) wordt gekeken naar maatwerkoplossingen voor specifieke bedrijven die aan de bel trekken? Is of wordt voor Nyrstar een dergelijke maatwerkoplossing onderzocht? Zo ja, welke oplossingsrichtingen worden daarbij bekeken?
Heeft Nyrstar zich de afgelopen periode bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat gemeld over de gevolgen van de hoge elektriciteitskosten voor de toekomst van de fabriek in Budel? Zo ja, wanneer is dit gebeurd en wat is er vervolgens met deze signalen gedaan?
Indien Nyrstar zich eerder bij het kabinet heeft gemeld, kunt u dan aangeven waarom de eerdere signalen kennelijk nog niet hebben geleid tot een oplossing die de zorgen over de toekomst van de fabriek wegneemt?
Indien Nyrstar zich niet eerder heeft gemeld, bent u dan bereid hierover de kortst mogelijke termijn met het bedrijf in gesprek te gaan om te bespreken welke concrete (maatwerk)oplossing nodig is om de fabriek in Budel voor Nederland te behouden?
Klopt het dat Nyrstar Budel tot de schoonste en modernste bedrijven in deze sector behoort? Zo ja, deelt u de mening dat het industriebeleid juist bedrijven die aantoonbaar schoon en modern produceren, zou moeten stimuleren om in Nederland te blijven en verder te verduurzamen?
Welke concrete oplossingen ziet u op korte en langere termijn om te voorkomen dat Nyrstar door de hoge elektriciteitskosten de productie in Budel moet afschalen of beëindigen, en binnen welke termijn kunnen deze oplossingen worden gerealiseerd?
Indien Nyrstar onverhoopt zou sluiten, uit welke landen of regio’s zouden de betreffende producten dan naar verwachting moeten worden geïmporteerd? Wat betekent dit voor de leveringszekerheid, strategische autonomie, verduurzaming en weerbaarheid van Nederlandse en Europese waardeketens?
In hoeverre zou een eventuele sluiting van een schone en moderne fabriek als Nyrstar aanleiding geven om het Nederlandse en Europese industriebeleid sneller op te schalen? Welke lessen trekt u hieruit en welke maatregelen overweegt u om vergelijkbare situaties bij andere bedrijven te voorkomen?
Kunt u de Kamer in ieder geval nog vóór de begrotingsbehandeling van KGG over de uitkomst van deze gesprekken informeren?
Discriminerende vraagsuggesties en antwoorden van Google |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het inmiddels bijna 10 jaar oude artikel «Google moet stoppen met automatisch discrimineren»1, dat aankaart dat de zoekmachine van Google in sommige gevallen discriminerende vraagsuggesties geeft?
Bent u bekend met het feit dat dit nog steeds niet is opgelost, wat blijkt uit dat bij het intypen van «alle Marokkanen z» op google.nl bij gebruik van een incognitovensterop op 11 augustus 2026, Google deze vraagsuggestie aanvulde met discriminerende teksten zoals «alle Marokkanen zijn kanker ratten» of «alle Marokkanen weg»?
Bent u daarnaast bekend met het feit dat na het indienen van de zoekopdracht «overlast» in combinatie met de naam van een gemeente op google.nl bij gebruik van een incognitovenster op 11 augustus, in het geval van onder meer de gemeenten Veenendaal, Tiel, Culemborg, Oosterhout, Hoogezand, Zutphen en Weert, Google de «Meer om te vragen»-suggesties «Hoeveel Marokkanen wonen/zijn er in [gemeente x]?» of «Hoeveel Turken wonen/zijn er in [gemeente x]?» opperde en dat de knop om ongepaste suggesties te melden bij dit type zoekresultaat ontbreekt?
Bent u ook bekend met de berichtgeving van Euronews2 en Le Monde3 dat het AI-gegeneerde antwoord van Google eind augustus 2026 op de zin «ik ben alleen met een Italiaan» gesprekstips betrof, maar bij dezelfde zin met «Algerijn» in plaats van «Italiaan», het model vroeg of je in gevaar was en je het nummer van de politie toonde?
Deelt u de mening dat dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden, die automatisch gegenereerd en getoond worden, een discriminerend verband leggen door overlast of gevaar te koppelen aan afkomst?
Hoe beoordeelt u de aanpak van Google om, net als bij de vraagsuggesties, dit soort patronen pas na ophef of een melding bij te sturen, en dan vooral voor de vraag die in het nieuws kwam, terwijl hetzelfde patroon in het model kan blijven zitten en bij andere vragen onopgemerkt blijft?
Welke risico's ziet u daarbij nu dezelfde modellen de basis vormen van steeds meer toepassingen, waardoor zulke vooroordelen niet in elk geval zichtbaar worden maar wel ongemerkt kunnen doorwerken?
Hoe kijkt u naar de verantwoordelijkheid van Google en andere leveranciers van grote AI-modellen om vooroordelen uit de trainingsdata vooraf, bij het ontwerp en bij de toetsing van hun modellen, te herkennen en in het model zelf te corrigeren, bijvoorbeeld via red-teaming of bias-audits, in plaats van de uitkomsten per geval bij te sturen nadat gebruikers of media ze toevallig hebben opgemerkt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een groot en invloedrijk platform als Google op deze manier bijdraagt aan het in stand houden en versterken van vooroordelen, en dat de omvang en het bereik van Google diens verantwoordelijkheid alleen maar groter maken?
Bent u hierover in gesprek met Google en andere leveranciers van grote AI-modellen, en is bij u bekend of zij structureel testen op discriminerende associaties in hun zoeksuggesties, aanbevelingsalgoritmes, autocomplete-functies en AI-antwoorden? Zo ja, wat heeft dat gesprek tot nu toe opgeleverd? Zo nee, bent u bereid dit gesprek aan te gaan en dit bij hen na te vragen?
Heeft u inzicht in de wijze waarop dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden van Google tot stand komen? Zo nee, welke maatregelen treft u om dit inzicht wel te krijgen, en in hoeverre kan de digitaledienstenverordening (DSA) hierbij worden ingezet om transparantie van Google over de werking van deze systemen af te dwingen?
Hoe verklaart u dat deze discriminerende suggesties jarenlang zichtbaar zijn gebleven, terwijl Google onder de DSA al verplicht is de risico's van discriminatie in kaart te brengen en zich daarop jaarlijks onafhankelijk te laten controleren? Gelden deze verplichtingen wat u betreft ook voor de AI-antwoorden in de zoekmachine van Google, en zo ja, hoe wordt daarop toegezien?
Welke verplichtingen hebben aanbieders van grote AI-modellen onder de AI-verordening om vooroordelen in hun modellen te beoordelen en te beperken, en wie ziet daarop toe?
Welke oplossingsrichtingen ziet u om vooroordelen in zoeksuggesties en in grote AI-modellen structureel op te sporen en te beperken, in plaats van per geval na meldingen, bijvoorbeeld via onafhankelijke audits of algoritmetoezicht?
Bent u bereid in Europees verband te bepleiten dat platformen en aanbieders van AI-modellen zoals Google niet alleen moeten rapporteren dát zij hun systemen toetsen op discriminatie, maar ook openbaar moeten maken wat die toetsing oplevert en wat zij met de uitkomsten doen?
Bent u bereid Google op korte termijn aan te spreken op het ontbreken van een meldknop bij de «Meer om te vragen» suggesties en op de voorbeelden uit deze vragen?
Bent u bereid deze situatie ook te melden bij de Autoriteit Consument en Markt en de Europese Commissie, en de Kamer te informeren over de reacties?
Bent u bereid de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme te betrekken bij de aanpak van discriminatie door zoekmachines en AI-systemen?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bent u bekend met het artikel «Flinke straf bij douane dreigt als je flesje wijn of olijfolie uit verkeerde postcode in Israel meeneemt»?1
Klopt het dat op 23 september 2026 alle passagiers van een El Al-vlucht uit Tel Aviv bij de douane-uitgang «Niets aan te geven» op Schiphol zijn staande gehouden en hun bagage gescreend werd? Zo ja, hoeveel passagiers zijn hierbij gecontroleerd en op welke grondslag is hiertoe besloten? Zo nee, wat is er wel gebeurd en bent u dan bereid hierover zo spoedig mogelijk contact op te nemen met het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken om eventuele diplomatieke ruis hierover weg te nemen en verdere misverstanden te voorkomen, mede gelet op de publieke verontwaardiging hierover in Israël, waaronder vanuit de oppositie?
Hoe verhoudt de in het artikel genoemde inzet zich tot de toezegging in paragraaf 7.3 van de Nota van Toelichting dat het sanctiebesluit geen personele gevolgen heeft voor het Rijk en binnen de bestaande capaciteit wordt opgevangen?
Hoe verhoudt het aanhouden en screenen van alle passagiers zich tot de volgende teksten uit de nota van toelichting: «Ter voldoening aan deze plicht is het in Douaneregelgeving, waaronder in Europese sanctieverordeningen, gebruikelijk om importeurs te verplichten om met een verklaring aan te tonen dat zij voldoen aan die regelgeving. Voor de Douane zijn deze verklaringen een aangrijpingspunt voor de handhaving. Voor dit besluit is dat niet anders.»; «De Douane verricht controles aan de hand van deze verklaringen.» en «Het Openbaar Ministerie hanteert het opportuniteitsbeginsel. Dit betekent dat vervolging alleen plaatsvindt als dat in het algemeen belang is. Naar verwachting zal de focus van de handhaving liggen op structurele en opzettelijke overtredingen.»?
Hoe weegt het kabinet de proportionaliteit en subsidiariteit van deze maatregel, in aanmerking nemend dat het Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden zich blijkens Artikel 2 strikt beperkt tot goederen uit nederzettingen op de EU-postcodelijst en uitdrukkelijk niet ziet op goederen van oorsprong uit Israël binnen de internationaal erkende grenzen van 1967?
Hoe rijmt u het fysiek controleren van individuele reizigers met de toelichting op Artikel 3, tweede lid, van het sanctiebesluit, waarin de regering expliciet stelt dat de administratieve verklaringsplicht niet geldt voor goederen in de persoonlijke bagage van reizigers die bestemd zijn voor particulier gebruik?
Hoe verhoudt het screenen van individuele reizigers zich tot het uitgangspunt in paragraaf 4.2 van de toelichting dat de focus van de handhaving en vervolging zal liggen op «structurele en opzettelijke overtredingen» in het economische verkeer?
Acht u het opsporen van particuliere consumentenartikelen zoals flessen wijn of dadels in koffers een verantwoorde prioritering van het strafrechtelijk opsporingsapparaat?
Op welke wijze draagt het controleren van particuliere reizigers en vakantiegangers bij aan het door de regering beoogde doel van het sanctiebesluit, te weten het bevorderen van de internationale rechtsorde en het economisch tegengaan van de instandhouding van onrechtmatige nederzettingen?
Hoe waarborgt het kabinet dat er bij deze verscherpte controles geen sprake is van indirecte etnische of religieuze profilering van Joodse reizigers en Israëliërs en hoe voorkomt het kabinet gevoelens van onveiligheid?
Deelt u de mening dat de AMvB «Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden» nooit tot doel kan hebben gehad dat allemensen die vanuit Israël naar Nederland vliegen gecontroleerd en gescreend worden, al helemaal niet als daar verder helemaal geen aanleiding toe is en dat dit een heel verkeerd beeld oproept? Zo ja, wat gaat de Minister hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te voorkomen dat er disproportionele controles plaatsvinden op allereizigers afkomstig uit Israël, zonder aanleiding? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Italië, Nederland of allebei? Onderzoek naar samenwerking Einstein Telescope’ |
|
Etkin Armut (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Letschert |
|
|
|
|
Welke concrete consequenties verbindt u aan de kwalificatie van het binnenhalen van de Einstein Telescope voor de Euregio Maas-Rijn als prioriteit van het kabinet? Welke concrete acties worden in aanloop naar de Europese locatiekeuze in 2027 ondernomen om de kandidatuur van de Euregio te versterken?1
Welke bewindspersoon draagt de politieke eindverantwoordelijkheid voor de internationale strategie om de Einstein Telescope naar de Euregio Maas-Rijn te halen? Hoe is de inzet tussen de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Buitenlandse Zaken georganiseerd en welke capaciteit en middelen zijn hiervoor beschikbaar?
Welke concrete toezeggingen zijn inmiddels gedaan door België, Vlaanderen, Wallonië en Noordrijn-Westfalen ten aanzien van de financiering, governance, vergunningverlening, infrastructuur en inhoudelijke deelname aan de Einstein Telescope in de Euregio Maas-Rijn? Welke afspraken moeten nog worden gemaakt om eind 2026 tot een volwaardig gezamenlijk bidbook te kunnen komen en wanneer moeten deze uiterlijk zijn afgerond?
Hoe beoordeelt u op dit moment het krachtenveld binnen de Board of Governmental Representatives (BGR) ten aanzien van de kandidaturen van de Euregio Maas-Rijn, Sardinië en Saksen? Welke landen hebben zich reeds publiekelijk of richting het kabinet uitgesproken over een voorkeurslocatie en op welke landen richt Nederland zijn diplomatieke inzet in het bijzonder?
De Duitse federale regering heeft de Einstein Telescope aangemerkt als prioritaire wetenschappelijke infrastructuur, maar nog geen keuze gemaakt tussen de kandidatuur van Saksen en deelname van Noordrijn-Westfalen aan de Euregio Maas-Rijn; wanneer verwacht u dat de Duitse regering hierover een positie inneemt?
Welke concrete diplomatieke inzet pleegt Nederland om de Duitse federale regering te bewegen tot steun voor de Euregio Maas-Rijn? Op welk politiek niveau vinden hierover gesprekken met Duitsland plaats en is de Minister-President hierbij betrokken? Bent u bereid de kandidatuur van de Euregio Maas-Rijn rechtstreeks bij de Duitse bondskanselier te agenderen?
Hoe ziet de besluitvorming op Europees niveau over het ontwerp en de locatie van de Einstein Telescope precies eruit? Wordt eerst een keuze gemaakt tussen een driehoek en een dubbele L-vorm en vervolgens tussen locaties, of worden ontwerp en locatie integraal en gelijktijdig beoordeeld? Wie neemt deze besluiten en volgens welke criteria?
Welke gevolgen heeft een eventuele Europese voorkeur voor een dubbele L-vorm voor de drie huidige kandidaat locaties? Klopt het dat bij een dubbele L-vorm een combinatie van de Euregio Maas-Rijn en Sardinië vanwege de benodigde geografische afstand voor de hand ligt? Welke rol resteert in dat scenario voor de kandidatuur van Saksen?
Wie besluit uiteindelijk met welke configuratie de Euregio Maas-Rijn haar kandidatuur indient en op welk moment moet deze keuze zijn gemaakt om het bidbook eind 2026 gereed te hebben?
Welke mogelijkheden ziet u indien uit de nieuwe kostenramingen blijkt dat de kosten van de driehoek of de dubbele L-vorm hoger uitvallen dan het beschikbare Nederlandse budget? Is aanvullende financiering dan denkbaar en op welk moment zou daarover moeten worden besloten?
In hoeverre verschilt de verwachte economische en maatschappelijke impact voor de Euregio Maas-Rijn tussen de realisatie van een volledige driehoek in de Euregio en één L-vorm als onderdeel van een dubbele L-configuratie met Sardinië? Is onderzocht wat beide configuraties betekenen voor onder meer investeringen, werkgelegenheid en het regionale kennis- en innovatie-ecosysteem? Zo ja, wat zijn hiervan de uitkomsten? Zo nee, bent u bereid dit inzichtelijk te maken voordat een keuze voor een configuratie wordt gemaakt?
Het bericht dat veel logistieke bedrijven omvallen als gevolg van de hoge dieselprijs en de vrachtwagenheffing |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit De Gelderlander en wat is uw reactie daarop?1
Kunt u aangeven hoeveel transportbedrijven er in 2026 tot dusver failliet zijn gegaan en hoe dit aantal zich verhoudt tot de afgelopen vijf jaar?
Erkent u dat u met de invoering van de vrachtwagenheffing, de daarmee oplopende transportkosten voor bedrijven en de daarmee duurder wordende goederen zelf, rechtstreeks bijdraagt aan het onbetaalbaar worden van het leven voor heel veel Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat faillissementen een pijnlijk maar logisch gevolg zijn wanneer de overheid de kosten voor logistieke ondernemers verder verhoogt, onvoldoende doet om bestaande kostenstijgingen te dempen en logistieke bedrijven tegelijkertijd nauwelijks ruimte hebben de hogere lasten terug te verdienen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de hogere transportkosten evident zullen leiden tot hogere kostprijs van bijvoorbeeld boodschappen? Zo ja, wat bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat Nederlanders nog boodschappen kunnen doen straks? Zo nee, waarom niet?
Maakt u zich zorgen over de schaalvergroting van de transportsector die volgt indien kleine bedrijven failliet gaan, waardoor er minder concurrentie op de markt zal zijn en als gevolg daarvan het transport van goederen nóg duurder kan worden? Zo ja, wat bent u voornemens te doen om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan de accijns op brandstof en/of de btw op brandstof af te schaffen of extra te verlagen nu blijkt dat transportbedrijven omvallen nu blijkt dat transportbedrijven naar verwachting 14% meer kosten zullen maken? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel extra kosten een klein of middelgroot bedrijf heeft vanwege de implementatie van de vrachtwagenheffing?
Bent u van mening dat het nog rechtvaardig is om de vrachtwagenheffing in stand te houden nu blijkt dat de Nederlandse infrastructuur in een zodanig slechte staat is dat vrachtwagens op bepaalde routes moeten omrijden en dus meer kilometers moeten maken? Zo ja, bent u van plan de vrachtwagenheffing buiten werking te stellen, allicht tijdelijk? Zo nee, waarom niet?
Maakt u zich zorgen dat Nederlandse transporteurs hun marktaandeel zullen verliezen, dan wel zien verkleinen, nu blijkt dat zij onevenredig hard worden aangepakt ten aanzien van andere Europese transporteurs? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Kunt u in beide gevallen toelichten wat de prognose rondom het marktaandeel de komende jaren is?
Vindt u dat nieuwsberichten waaruit blijkt dat de Nederlandse infrastructuur uit elkaar valt, dat logistieke bedrijven failliet gaan en dat onze brandstofprijzen recordhoogten behalen nog in lijn met de wens om verduurzamen? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u van plan de touwtjes in handen te nemen en maatregelen te nemen ten aanzien van Nederland en de infrastructuur?
Regels |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bereid de verplichte externe toetsing van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) voor kantooromgevingen te schrappen of meer risicogestuurd vorm te geven?
Bent u bereid de preventieve ontslagtoets te hervormen, zodat ontslag in beginsel achteraf door de rechter wordt getoetst?
Bent u bereid de regels in de Nederlandse Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zo aan te passen dat de meldplicht meer aansluit bij de Europese norm van verdachte in plaats van de norm voor ongebruikelijke transacties?
Bent u bereid de verplichting voor horecaondernemers om wijzigingen van leidinggevenden telkens op de vergunning bij te schrijven te schrappen? Wanneer voert u de aangenomen motie Kisteman uit die hierover gaat?1
Bent u bereid de jaarlijkse keuringsplicht voor veilige arbeidsmiddelen te vereenvoudigen en sterker risicogestuurd te maken?
Bent u bereid het uitzenden van EK- en WK-voetbalwedstrijden op dorps- en stadspleinen voor horecagelegenheden tot 5.000 bezoekers kosteloos mogelijk te maken?
Bent u bereid Engels, Frans en Duits op productetiketten toe te staan, zodat ondernemers eenvoudiger producten in andere Europese landen kunnen inkopen?
Bent u bereid de vergunningsplicht voor festivalpodia die door een langere opbouwperiode meer dan 31 dagen aanwezig zijn, te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid de minimumoppervlakte van 35 m2 voor horecagelegenheden die alcohol willen schenken te schrappen, zodat meer pittoreske horecazaken van de grond kunnen komen en geen van deze zaken in de knel zitten?
Bent u bereid de rapportageverplichting over zeer zorgwekkende stoffen op componentenniveau te vereenvoudigen en te vervangen door een beter uitvoerbare, risicogerichte aanpak?
Bent u bereid voor aantoonbaar veilige, terugkerende lokale evenementen een meerjarige vertrouwensvergunning mogelijk te maken?
Bent u bereid af te zien van de huidige wettelijke termijn van maximaal twaalf dagen voor een tijdelijke alcoholvergunning en dit bijvoorbeeld te koppelen aan de duur van het evenement?
Bent u bereid de Nederlandse meldingsdrempel voor substantiële aandeelhoudersbelangen te verhogen van 3% naar de Europese norm van 5%?
Bent u bereid de nationale meldplicht voor bruto shortposities bij 3% te schrappen, zodat Nederland aansluit bij de Europese norm?
Bent u bereid de bijkantoorverplichting voor beleggingsondernemingen uit derde landen die diensten verlenen aan Nederlandse niet-professionele beleggers te schrappen?
Bent u bereid het dispensatieproces bij algemeen verbindend verklaarde cao’s te hervormen, zodat ondernemingen met een eigen cao en gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden in beginsel dispensatie krijgen?
Bent u bereid de wettelijke werkingssfeerbepalingen van cao’s te verduidelijken, zodat innovatieve en gemengde bedrijven niet onder een cao vallen die niet aansluit bij hun feitelijke activiteiten?
Bent u bereid de bewaartermijn voor blootstellingsregistraties van CMR- en reprotoxische stoffen te verkorten en meer in lijn te brengen met de Europese richtlijn?
Bent u bereid de verplichting om psychosociale arbeidsbelasting in de RI&E op te nemen te vereenvoudigen, zodat deze minder een papieren tijger en meer risicogestuurd wordt?
Bent u bereid de nationale CO2-ketensturing bij de implementatie van de Europese richtlijn Renewable Energy Directive (RED) III te schrappen?
Bent u bereid de nationale sectorsturing bij de implementatie van RED III te schrappen?
Bent u bereid de grenswaarde voor de rapportageplicht werkgebonden personenmobiliteit te verhogen, zodat minder bedrijven en toeleveranciers hierover hoeven te rapporteren?
Bent u bereid de regels rond vergunningen voor mengformules te hervormen, zodat horecaondernemers bijvoorbeeld olijfolie of servies kunnen verkopen zonder onnodige vergunningsproblemen?
Bent u bereid meerdere regulatory sandboxes voor AI mogelijk te maken, naast de reeds bestaande verplichte sandbox die volgt uit de AI-verordening?
Bent u bereid de regulatory sandbox onder de Verordening Cyberweerbaarheid snel, breed toegankelijk en bruikbaar in te richten voor midden- en kleinbedrijven (mkb) en start-ups?
Bent u bereid belemmerende regelgeving voor de uitbreiding van Nederlandse cloud- en datacentercapaciteit weg te nemen, onder meer door minder terughoudend te zijn over datacenter versnellingszones uit de Cloud and AI Development Act (CADA)(Verordening cloud- en AI-ontwikkeling)?
Bent u bereid de werkkostenregeling ingrijpend te vereenvoudigen, bijvoorbeeld door gerichte vrijstellingen samen te voegen met de vrije ruimte?
Bent u bereid de dubbele conformiteitsverklaring voor installateurs van reeds CE-goedgekeurde kleine airco’s en warmtepompen te schrappen?
Bent u bereid de actieve provisietransparantieverplichting voor schadeverzekeringstussenpersonen te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm?
Bent u bereid de aparte vergunningsplicht voor interne bedrijfsborrels en bedrijfsfeesten te schrappen wanneer voor het pand al een gebruiksvergunning geldt?
Bent u bereid de omgevingsvergunning voor buitenreclame aan een eigen bedrijfspand af te schaffen, behoudens situaties waarin aantoonbaar sprake is van excessen?
Bent u bereid de uitwegvergunning voor het aanleggen van een oprit of inrit naar de openbare weg af te schaffen of sterk te vereenvoudigen?
Bent u bereid gemeenten niet langer de mogelijkheid te bieden om voor kleine percelen en gemiddelde particuliere tuinen een kapvergunning te eisen?
Bent u bereid de verplichting voor kleine werkgevers om formeel verzuimbeleid op te stellen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid vaker algemene einde-afvalcriteria vast te stellen, zodat circulaire ondernemers niet per afzonderlijk geval hoeven te bewijzen dat gerecyclede materialen geen afval meer zijn?
Bent u bereid de massabalanssystematiek ook voor bioLNG toe te staan, zodat de Nederlandse industrie niet achterloopt op landen als Duitsland, Spanje, Frankrijk en Italië?
Bent u bereid de Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (ARIE)-systematiek te hervormen, door overlap met andere verplichtingen weg te nemen en de plicht beter te richten op ondernemingen met daadwerkelijk relevante risico’s?
Bent u bereid bij de verplichting om dieselmotoren te vervangen door elektrische of andere aandrijving niet alleen technische haalbaarheid, maar ook de financiële proportionaliteit te laten meewegen?
Bent u bereid de verplichting tot periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek beter te koppelen aan de concrete risico’s uit de RI&E, om zo dubbel werk te voorkomen?
Bent u bereid horecaondernemers de mogelijkheid te geven af te zien van de verplichte bijdrage aan het Horeca Ontwikkel Platform (HOP)?
Bent u bereid een landelijke, uniforme procedure of digitaal loket in te voeren voor werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking in dienst willen nemen?
Bent u bereid de aanvraag en administratie rond betaald ouderschapsverlof voor werkgevers te vereenvoudigen, in het bijzonder bij gespreid of gewijzigd opgenomen verlof?
Bent u bereid wettelijk te verduidelijken wanneer een werkgever voldoende gelegenheid tot verbetering heeft geboden aan een disfunctionerende werknemer, door dit in tijd te maximeren?
Bent u bereid de begeleidingsplicht van werkgevers bij een disfunctionerende werknemer te verduidelijken, bijvoorbeeld door middel van voldoende duidelijke criteria waaronder werkgevers aan deze verplichting hebben voldaan?
Bent u bereid het aanvraagproces voor de expatregeling te vereenvoudigen door gegevens die al bij de Belastingdienst bekend zijn automatisch te benutten?
Bent u bereid het aanvraagformulier voor de expatregeling volledig digitaal beschikbaar te maken en verzending per post af te schaffen?
Bent u bereid de gemeentelijke exploitatievergunning voor de horeca af te schaffen wanneer een Alcoholwetvergunning voldoende waarborgen biedt?
Bent u bereid de terrasvergunning af te schaffen wanneer de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voldoende mogelijkheden biedt om overlast te voorkomen en aan te pakken?
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om de regionale economie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?2
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om innovatie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?3
Bent u bereid samen met gemeenten, provincies en waterschappen landelijke standaarden voor lagere regelgeving te ontwikkelen en uit te breiden?
Bent u bereid de meldingsplicht voor zorgfusies bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) samen te voegen tot één melding en één procedure?
Bent u bereid de Nederlandse meldplicht voor mogelijk schadelijke levensmiddelen risicogerichter in te richten en meer in lijn te brengen met de praktijk in vergelijkbare landen, zoals België?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat niet iedere werkgever een afzonderlijke pas voor een beveiliger hoeft aan te vragen, hetgeen zeker voor veel rompslomp zorgt als wordt gewerkt met oproepkrachten, bijvoorbeeld door een persoonsgebonden beveiligingspas (in de evenementenbranche) mogelijk te maken?
Bent u bereid een geruisloze omzetting van pensioenvermogen in een pensioen-bv naar een verzekeraar mogelijk te maken, zodat administratieve lasten het pensioenvermogen niet uithollen?
Bent u bereid de ACM de bevoegdheid te geven om onder een fictieve identiteit mystery shopping toe te passen bij de controle op onveilige of niet-conforme producten?
Bent u bereid de nationale koppen bij exportkredietverzekeringen systematisch te schrappen, zodat Nederlandse bedrijven niet strenger worden behandeld dan hun buitenlandse concurrenten, bijvoorbeeld ten aanzien van de Common Approaches?
Bent u bereid het bonusplafond verder te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm, bijvoorbeeld door fintechbedrijven uit te zonderen?
Bent u bereid de verplichte ziekmelding na 42 weken samen te voegen met de eerstejaarsevaluatie?
Bent u bereid de informatieverplichtingen voor financieel adviseurs over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van klanten proportioneel en meer op maat vorm te geven?
Bent u bereid voor tijdelijke verkeersmaatregelen bij één project één aanvraag en één besluit mogelijk te maken?
Bent u bereid een landelijk erkende verkeersontheffing in te voeren voor aannemers die met identieke voertuigen en werkzaamheden in meerdere gemeenten actief zijn?
Bent u bereid de vooraanmelding en startmelding voor mesttransport samen te voegen tot een startmelding?
Bent u bereid de digitale afgiftebevestiging van een erkende inzamelaar te laten gelden als de afvalstoffenadministratie van autobedrijven voor banden, accu’s en vergelijkbare afvalstoffen?
Bent u bereid een lichter opslagregime of duidelijke uitzondering in te voeren voor beperkte dagelijkse werkvoorraden van onder meer olie, verf, spuitbussen, reinigingsmiddelen en accu’s?
Bent u bereid bij een ongewijzigd productieproces geen volledig nieuw onderzoek naar zeer zorgwekkende stoffen te eisen en een actualiteitsverklaring te laten volstaan?
Bent u bereid de voorwaarden voor autonoom of op afstand bestuurd varen risicogestuurd te maken, zodat een volgboot alleen verplicht is wanneer de concrete omstandigheden dat noodzakelijk maken?
Bent u bereid een landelijke experimenteerontheffing mogelijk te maken voor een reeks vergelijkbare proeven met autonoom varende schepen?
Bent u bereid de wettelijke, gedetailleerde definitie van roomijs te schrappen?
Bent u bereid de toegankelijkheidseis voor een verplichte privébuitenruimte bij reguliere woningen te versoepelen, zodat een hoogteverschil van meer dan 2 cm niet altijd met een hellingbaan hoeft te worden overbrugd?
Bent u bereid voor alle woonfuncties een collectieve, afsluitbare buitenberging als alternatief voor een individuele buitenberging mogelijk te maken?
Bent u bereid de eisen aan de rechtstreekse bereikbaarheid en toegankelijkheid van buitenbergingen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid bij reguliere woningen een gemeenschappelijke buitenruimte als alternatief voor een verplichte privébuitenruimte toe te staan?
Bent u bereid de eis te versoepelen dat een niet-gemeenschappelijke buitenruimte rechtstreeks bereikbaar moet zijn vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied?
Bent u bereid tijdelijke huurcontracten voor meer groepen toe te staan, bijvoorbeeld voor drie of vijf jaar?
Bent u bereid klein en slechts tijdelijk ingezet bouwmaterieel vrij te stellen van de generieke emissiereductieplicht?
Bent u bereid de informatie- en administratieplicht voor bouwmaterieel bij kleine en kortdurende bouwprojecten te beperken?
Bent u bereid de technische geluidseisen voor tijdelijke woningen zoveel mogelijk te harmoniseren, zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijke bescherming van bewoners?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor toiletruimten in nieuwbouwwoningen te schrappen?
Bent u bereid de verplichting dat 55% van de gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied moet gelden te herzien?
Bent u bereid de verplichting tot een tweede trappenhuis in woongebouwen risicogestuurd te hervormen, zodat alternatieve brandveiligheidsmaatregelen mogelijk zijn?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor badruimten in nieuwbouwwoningen te flexibiliseren?
Bent u bereid de brede reikwijdte van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) boven de Europese richtlijn te schrappen en de regeling te beperken tot consumentenzaken?
Bent u bereid de verplichte notariële akte voor de uitgifte of overdracht van kleine aandelenbelangen aan werknemers in een bv te schrappen en een onderhandse akte mogelijk te maken?
Bent u bereid de digitale loonstrook als standaard in te voeren, met een papieren loonstrook uitsluitend op verzoek van de werknemer?
Bent u bereid een dakkapel aan de voorzijde van een woning landelijk vergunningsvrij te maken, met eenduidige maatvoeringseisen?
Bent u bereid de grens van € 125.000 voor een verplicht accountantsproduct bij subsidievaststelling te indexeren naar het prijsniveau van 2026?
Bent u bereid een materialiteitsdrempel en de mogelijkheid van verzamelmeldingen in te voeren voor terugmeldingen over verschillen tussen het UBO-register en cliëntenonderzoek?
Bent u bereid de afzonderlijke opgave van bestuurders als pseudo-UBO te schrappen en deze gegevens automatisch te laten volgen uit de inschrijving in het Handelsregister?
Bent u bereid de verplichting voor gemeenten om bij nieuwbouw hoge minimumeisen aan fietsparkeerplaatsen te stellen te versoepelen, waaronder de verplichting om rekening te houden met grotere fietsen?
Bent u bereid de verplichte kennisgeving te schrappen wanneer na een aanvraag blijkt dat geen omgevingsvergunning nodig is?
Bent u bereid de mogelijkheid voor gemeenten om opkoopbescherming toe te passen te beperken tot goedkope koopwoningen en dus middeldure koopwoningen daarvan uit te zonderen?
Bent u bereid de mogelijkheid van de digitale notariële akte te verbreden tot alle akten waarbij fysieke waarneming door de notaris niet noodzakelijk is?
Bent u bereid voor eenvoudige ziektegevallen, zoals licht en voorzienbaar letsel, een vereenvoudigde re-integratieprocedure mogelijk te maken wanneer werkgever en werknemer daarmee instemmen?
Bent u bereid de eis te schrappen dat postvervoerders met een omzet van € 2 miljoen of meer minimaal 80% van hun postbezorgers een arbeidsovereenkomst moeten aanbieden?
Bent u bereid de reikwijdte van het Digitaal Opkopers Register (DOR) te beperken voor voertuigcategorieën, bijvoorbeeld door aanhangers uit te zonderen, temeer omdat er vaak al een RDW-registratieplicht geldt?
Bent u bereid de verkoop van geneesmiddelen op afstand niet alleen via een website, maar ook via een app mogelijk te maken?
Energieprijzen elektriciteit intensieve industrie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe is het kabinet van plan onze Nederlandse industrie te behouden voor Nederland terwijl elektriciteit intensieve bedrijven in 2027 opnieuw met fors hogere netkosten worden geconfronteerd en concurrenten in onze buurlanden aanzienlijk lagere totale elektriciteitskosten hebben?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet in 2027 om te voorkomen dat onze elektriciteit intensieve industrie vertrekt naar het buitenland?
Gezien de elektriciteitsenvelop pas vanaf 2028 beschikbaar is, welk instrument en welk budget zet het kabinet in 2027 in om het elektriciteitskostennadeel voor de Nederlandse elektriciteit intensieve industrie te verkleinen?
Het bericht dat 600 woningen op Bonaire verdwijnen aan toeristen |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA), Mikal Tseggai (GroenLinks-PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat 600 woningen op Bonaire verdwijnen aan toeristen?1
Deelt u de grote zorgen over het tekort aan betaalbare woningen voor inwoners van Bonaire? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat door het tekort aan betaalbare woningen de woningprijzen op Bonaire fors zijn gestegen en de komende tijd vermoedelijk nog verder zullen stijgen?
Kunt u de precieze ontwikkeling van het aantal woningen – per categorie – tussen 1991 en nu in een tabel weergeven?
Kunt u de precieze ontwikkeling van het aantal vakantiewoningen op Bonaire tussen 1991 en nu in een tabel weergeven?
Deelt u de zorgen over het feit dat 600 woningen via platforms worden aangeboden voor de toeristische verhuur en dat deze woningen daardoor niet beschikbaar zijn voor de inwoners van Bonaire? Zo nee, waarom niet?
Kunt u het precieze juridisch kader schetsen voor de verhuur van woningen voor de toeristische verhuur? Kunt u hierbij ook de verhouding tussen de landelijke en lokale regelgeving schetsen?
Is er binnen het huidige juridisch stelsel een mogelijkheid om de zelfbewoningsplicht op Bonaire in te voeren? Zo nee, acht u het huidige regelgeving voldoende om zorg te dragen dat woningen die bedoeld zouden moeten zijn voor inwoners niet via de toeristische verhuur verdwijnen uit de woningvoorraad? Zo nee, op welke wijze zouden de regels volgens het kabinet moeten worden aangepast?
Welke concrete plannen zijn er voor de komende tijd om het aantal betaalbare woningen op Bonaire uit te breiden, zodat de woningnood wordt aangepakt? Hoe wordt voorkomen dat deze woningen verdwijnen naar de toeristische verhuur?
Hoeveel budget is er beschikbaar om voldoende betaalbare woningen op Bonaire te realiseren? Is dit voldoende om aan de woningbouwopgave te kunnen voldoen? Zo nee, wat zijn hiervan de consequenties?
Welke infrastructurele ontwikkelingen zijn er nodig om aan de woningbouwopgave te kunnen voldoen? Is het benodigde budget hiervoor beschikbaar? Zo nee, wat betekent dit voor de bouw van voldoende betaalbare woningen?
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Koninkrijksrelaties op 7 en 8 oktober aanstaande?
Het bericht 'Zo word je verleid om snel en meer te kopen (en zo weersta je ze)' |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zo word je verleid om snel en meer te kopen (en zo weersta je ze)»?1
Herkent u het beeld dat consumenten steeds vaker worden beïnvloed door webshops die ingericht zijn met misleidende ontwerptechnieken, zoals dark patterns?
Bent u het ermee eens dat de verkoop door websites met trucs zoals niet-authentieke aftelklokken, kunstmatige schaarste, sturende omgeving, nepbeoordelingen en vooraf aangevinkte extra’s een onwenselijke ontwikkeling is?
Hoeveel meldingen heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in de afgelopen drie jaar ontvangen over deze praktijken, hoeveel onderzoeken zijn gestart naar deze webshops en in hoeveel gevallen is handhavend opgetreden?
Acht u het huidige toezicht en handhavingsinstrumentarium voldoende om deze praktijken tijdig en effectief aan te pakken? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen of bevoegdheden zijn nodig?
Is de consumentenbescherming voldoende ingericht om consumenten die ontdekken dat ze misleid zijn als gevolg van deze verkoopmethoden te compenseren en kunnen consumenten voldoende laagdrempelig hun aankoop terugdraaien of retourneren?
Welke concrete stappen zet u om consumenten beter te informeren over hun rechten en over het herkennen van dark patterns?
Bent u bereid om samen met de ACM, consumentenorganisaties en brancheorganisaties afspraken te maken over een eerlijk ontwerp van webwinkels?