Dat bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid een voedingsbodem vormen voor toename van populisme en opkomst van radicaal- en extreemrechts |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat de Partij voor de Dieren u tijdens het debat over de regeringsverklaring wees op de conclusies van de VN-rapporteur voor armoede, die adviseert om te investeren in publieke en sociale voorzieningen en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en extreemrechts geen kans te geven?
Ja.
Herinnert u zich nog dat u had toegezegd dit advies en andere onderzoeken waaruit blijkt dat bezuinigingen op sociale voorzieningen de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts vergroten tot u te nemen?
Ja.
Wat neemt uw mee in uw beleid uit onderzoeken zoals die van Lattanzio en Savu (2022), Baccini en Sattler (2024), waaruit af te leiden is dat vooral populistische en radicaal rechtse partijen profiteren van bezuinigingen op het sociale stelsel, met name bij groepen in kwetsbare positie?1, 2
Het kabinet ziet het belang van een sterk en toekomstbestendig sociaal stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden vormgeven – ook met het oog op toekomstige generaties. Daarom kiest dit kabinet voor hervormingen én gerichte investeringen, zodat iedereen kan meedoen en we alle talent in de samenleving ondersteunen en benutten. Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over mogelijke verbanden tussen gevoerd beleid en electorale ontwikkelingen. Wel legt het kabinet verantwoording af over het gevoerde beleid, altijd met oog voor de kwetsbaarsten in onze samenleving.
Bent u inmiddels bekend met het VN-rapport van Speciaal rapporteur Extreme armoede en mensenrechten Olivier De Schutter met de titel «Promotion and protection of human rights: human rights questions, including alternative approaches for improving the effective enjoyment of human rights and fundamental freedoms» en de conclusies die de rapporteur eraan verbindt?3
Ja.
Bent u het eens met de VN-rapporteur dat het belangrijk is om te investeren in publieke en sociale voorzieningen, en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en radicaal- en extreemrechts geen kans te geven? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet deelt de visie dat investeren in publieke en sociale voorzieningen essentieel is voor een sterk sociaal weefsel en een democratische samenleving. Een toekomstbestendig stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden opbouwen, zorgt ervoor dat iedereen kan meedoen en dat we alle talent in onze samenleving benutten. Dat is precies waarom we kiezen voor hervormingen én gerichte investeringen. De basis hiervoor ligt in het coalitieakkoord, waarin onder andere is opgenomen dat wie niet kan werken, moet kunnen vertrouwen op een goed stelsel van sociale zekerheid. Tegelijkertijd is het tijd om keuzes te maken voor de middellange termijn, zodat we ook toekomstige generaties kunnen voorzien van een houdbaar en goed stelsel van sociale zekerheid.
Bent u het eens met de bevindingen van VN-rapporteur De Schutter dat sociale zekerheid een dam is tegen radicaal-rechts populisme? Zo nee, waar baseert u zich op?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u het eens met de bevindingen van de VN-rapporteur dat bezuinigingen op het sociale stelsel en verschuiving van collectieve bescherming naar risico’s voor individuen leiden tot gevoel van schaarste, onzekerheid, ongelijkheid en wantrouwen in de overheid, wat een vruchtbare bodem vormt voor radicaal-rechts? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke lessen trekt u uit de conclusies van de VN-rapporteur voor uw beleid in de toekomst om de voedingsbodem voor extreem en radicaalrechts weg te nemen? Welke stappen gaat u naar aanleiding hiervan zetten?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bekend met het pas verschenen boek De symfonie van onvrede: de opmars van radicaal rechts in Europa, geschreven door Catherine de Vries?
Ja.
Bent u het eens met de analyse dat de Nederlandse sociale zekerheid in de afgelopen decennia verschraald is door verschillende kabinetten? Zo nee, op basis van welke bronnen en cijfers stelt u dat?
Dit kabinet hecht grote waarde aan een sterk en toekomstbestendig sociaal stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden vormgeven – ook met het oog op toekomstige generaties. Daarom kiezen we voor hervormingen én gerichte investeringen, zodat iedereen kan meedoen en we alle talent in de samenleving ondersteunen en benutten. Met enige regelmaat verschijnen er publicaties die proberen een beschrijving te geven van langjarige veranderingen in de samenleving en in de verhouding tussen overheid en samenleving, of het nu gaat over sociale zekerheid of over klimaatbeleid. In zijn algemeenheid dragen dergelijke publicaties bij aan een levendig maatschappelijk debat over een veelheid aan fenomenen. Het is echter niet aan het kabinet om standpunten in dergelijke debatten in te nemen of standpunten van anderen te waarderen, anders dan door verantwoording af te leggen over het gevoerde kabinetsbeleid en de onderliggende gronden voor het gekozen kabinetsbeleid toe te lichten.
Herkent u zich in het oordeel van de Vries op bladzijde 58 dat «onder het vaandel van marktwerking en modernisering publieke taken werden verzelfstandigd of geprivatiseerd, terwijl de bestuurstaal verschoof van rechten en nabijheid naar doelmatigheid, contracten en controle»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u het eens met haar oordeel op dezelfde bladzijde dat «hierdoor de relatie tussen burgers en de overheid veranderde: meer benchmarks en verantwoordingsdruk, minder relatie en wederkerigheid»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe waardeert u de oplossingsrichting van De Vries om als overheid meer te gaan werken aan nabijheid (zie hoofdstuk 8)? Kunt u toelichten wat u daaruit meeneemt en hoe u dit gaat implementeren in het beleid?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat uit cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat met uw kabinet de sociale zekerheid en zorg de grootste bezuinigingsposten zijn, burgers grotere lasten dragen dan bedrijven, uitkeringsgerechtigden en langdurig zieken relatief zwaar worden geraakt door uw beleid, en grote vermogens en superrijken relatief worden ontzien?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat er veel maatschappelijke weerstand is over de keuzes van het kabinet om te bezuinigen op o.a. de WW, WIA en de zorg?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat ook uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar draagvlak voor klimaatbeleid blijkt dat mensen klimaatbeleid in meerderheid steunen, maar het niet rechtvaardig vinden dat de lasten vooral bij burgers terechtkomen, terwijl bedrijven worden ontzien? Erkent u dat mensen het belangrijk vinden dat lasten eerlijker verdeeld moeten worden? Wat is uw reactie daarop?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat mensen in dat licht de afschaffing CO2-heffing voor vervuilers, het in stand houden van fossiele subsidies, en miljarden uitgeven aan buitenlandse multinationals als Tata Steel onbegrijpelijk zouden kunnen vinden?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u zich ervan bewust dat uit onder andere de eerdergenoemde onderzoeken volgt dat de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de zorg die het kabinet wil doorzetten, ertoe kunnen leiden dat de onvrede en onrust onder burgers in de samenleving worden vergroot?
Zie het antwoord op vraag 10.
Realiseert u zich dat uit onder andere eerdergenoemde onderzoeken volgt dat burgers door zulke bezuinigingsmaatregelen van het kabinet burgers in toenemende mate hun vertrouwen kunnen verliezen in de overheid en haar instituten, en gevoeliger kunnen worden voor populistisch en radicaal- en extreemrechts gedachtegoed? Zo nee, waar baseert u zich op?
Zie het antwoord op vraag 10.
Gezien de wetenschappelijke analyse (genoemd in het boek van De Vries, zie bladzijde 160) die wijst op de samenhang tussen ervaren verschraling en steun voor radicaal-rechtse partijen, waarom bezuinigt u dan toch op onder andere de WW en de WIA, en laat u superrijken en grote vermogens relatief met rust? Ziet u in dat u door het verschralen van de sociale zekerheid de voedingsbodem legt voor radicaal-rechts gedachtegoed, zoals ook De Vries beschrijft?
Zie het antwoord op vraag 10.
Ziet u bijvoorbeeld dat radicaal- en extreemrechts meteen gebruik maakt van de keuzes van uw kabinet om te bezuinigen op de zorg en sociale zekerheid, om mensen op te hitsen tegen onder andere vluchtelingen en de LHTBQIA+ gemeenschap en om onrust aan te wakkeren, waar de tweet van Eva Vlaardingerbroek (vlak na de presentatie van de plannen van uw kabinet) exemplarisch voor is?4
Zie het antwoord op vraag 10.
Welke lessen trekt u uit alle bovengenoemde onderzoeken en analyses voor uw beleid in de toekomst, om de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat er alternatieve financieringsmogelijkheden zijn, die de lasten eerlijker leggen bij grote vermogens en grote vervuilers, in plaats van bij sociale zekerheid, zorg en werkende mensen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u, ook gezien de verschillende onderzoeken, bereid om niet verder te bezuinigen op de sociale zekerheid en zorg, maar om de lasten eerlijker te verdelen en meer geld op te halen bij grote vervuilers, grote vermogenden en de superrijken?
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt de vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk en separaat beantwoord.
De veiligheid van WhatsApp en andere versleutelde communicatiediensten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen uit de twee Bloomberg-onderzoeken van 29 januari 20261 en 28 april 20262?
Ja.
Beschouwt u het als zorgwekkend dat de onderzoeker stelt dat Meta alle tekstberichten, foto's, audio- en video-opnames in onversleutelde vorm kan opslaan en bekijken en dat Meta sinds ten minste 2019 een «gelaagd machtigingssysteem» hanteert dat toegang verleent aan opdrachtnemers en een significant aantal buitenlandse medewerkers in India?
Ja, doorbreking van verwachte beveiliging is in algemene zin zorgwekkend. Het is wel goed om te vermelden dat berichten in WhatsApp tussen verzender en ontvanger in principe versleuteld zijn. Alleen berichten die worden verzonden naar de Meta AI middels het commando «@Meta AI» gevolgd door een vraag, zijn in te zien door Meta. De rest van de berichtenconversatie blijft volgens Meta versleuteld. WhatsApp heeft wel toegang tot zogenoemde verkeersgegevens (metagegevens).
Andere, niet zakelijk gebruikte diensten van Meta, waaronder Messenger binnen Facebook en Direct Messenger op Instagram, hebben een ander beschermingsniveau.
Beschouwt u de verklaringen van voormalige opdrachtnemers van Accenture dat zij en Meta-medewerkers «onbeperkte toegang» hadden tot versleutelde WhatsApp-berichten als zorgwekkend?
Zie antwoord op vraag 2.
Indien het antwoord op ten minste een van bovenstaande twee vragen bevestigend luidt, welke consequenties verbindt u hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Het beleid en de bestaande gedragsregeling voor de digitale werkomgeving voor bewindspersonen en ambtenaren blijft op dit moment ongewijzigd. Zoals toegelicht in de beantwoording van het informatieverzoek van het lid Kathmann (GL-PvdA)3 heeft de Rijksoverheid voor medewerkers de gedragsregeling voor de digitale werkomgeving opgesteld en geactualiseerd in oktober 2025. De gedragsregeling geeft medewerkers een kader voor het gebruik van digitale middelen zoals berichtenapps, en geeft aan dat het gebruik van berichtenapps enkel voor informeel gebruik is. Het advies luidt: app met beleid maar niet over beleid. Dit advies is ook overgenomen en herhaald in het cyberadvies Phishing via chatapps Signal en WhatsApp.4 Deze lijn is ook onderdeel van de basisopleiding digitale weerbaarheid die verplicht is voor alle rijksmedewerkers. De gedragsregeling, in combinatie met de basisopleiding, draagt bij aan zorgvuldige omgang met communicatiemiddelen en heeft een risicoreducerend effect op het gebruik daarvan. Op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om de gedragsregeling te herzien en roept het alle medewerkers op deze na te leven, zodat een veilige digitale werkomgeving wordt gewaarborgd.5 Advies aan Nederlanders die gebruik maken van chatapps, is zich bewust te zijn van mogelijke veiligheidsrisico’s. Over de privacyrisico’s van WhatsApp is informatie beschikbaar op veiliginternetten.nl. Sinds kort is er ook de mogelijkheid een check te doen op de veiligheid van apps via www.appinspector.nl.
Voor bewindspersonen is er het handboek voor bewindspersonen (het «Blauwe boek»).6 Hierin staan aanwijzingen voor de omgang met digitale middelen.
Bent u bekend met de Amerikaanse CLOUD Act, op grond waarvan de Amerikaanse overheid van in de VS gevestigde bedrijven zoals Meta kan eisen dat zij toegang verlenen tot opgeslagen gebruikersdata, ook wanneer deze betrekking heeft op buitenlandse gebruikers? Zo ja, welke consequenties verbindt de regering hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Ja, ik ben bekend met de CLOUD Act. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4 blijft het beleid en bestaande gedragsregeling voor ambtenaren voor de digitale werkomgeving ongewijzigd.
Acht u het mogelijk dat vertrouwelijke communicatie – ondanks de maatregelen die voortvloeien uit de Archiefwet – via Whatsapp wordt verstuurd door ambtenaren en bewindspersonen?
De gedragsregeling voor de digitale werkomgeving resp. het handboek voor bewindspersonen geldt voor iedereen die voor de Rijksoverheid werkzaamheden uitvoert en daarbij gebruikt maakt van de digitale werkomgeving van de Rijksoverheid. Deze regeling sluit aan op de Gedragscode Integriteit Rijk en alle ambtenaren dienen zich hieraan te houden.
Welke concrete maatregelen treft u op korte termijn om te voorkomen dat vertrouwelijke bestuurlijke communicatie via WhatsApp plaatsvindt, mede gelet op de ernstige twijfels over de daadwerkelijke end-to-endversleuteling?
De diensten hebben recent een cyberadvies gepubliceerd. Daarnaast is er binnen de Rijksoverheid veel aandacht geweest om niet over beleid te communiceren per chatapplicaties en vooral geen gerubriceerde en gevoelige gegevens te versturen via chatapplicaties.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de vraag of WhatsApp-berichten daadwerkelijk end-to-end versleuteld zijn en niet toegankelijk zijn voor Meta, haar medewerkers, opdrachtnemers of andere derden? Zo nee, waarom niet?
We richten onze capaciteit en inspanningen op het realiseren van eigen, veilige digitale voorzieningen. De Rijksoverheid is bezig met een plan voor de ontwikkeling van een eigen, soevereine chatapplicatie voor communicatie tussen ambtenaren onderling. Hierbij maken we, onder andere via het Europees Consortium voor Digitale Infrastructuur (EDIC), gebruik van kennis en ervaring opgedaan door andere Europese lidstaten.
Zijn er op dit moment voor bewindspersonen en ambtenaren alternatieve communicatiediensten met end-to-end-versleuteling beschikbaar? Zo ja, welke, en worden deze in de praktijk gebruikt?
We draaien een pilot met een Europese, zakelijke berichtenapp, die voldoet aan hoge eisen op het gebied van veiligheid, privacy, datacontrole en opslag van berichten. Deze app wordt momenteel getest binnen een beperkte groep gebruikers. Op basis van die ervaringen bekijken we hoe we de kennis en ervaring kunnen onderbrengen in de eigen, soevereine chatapplicatie voor communicatie tussen ambtenaren onderling.
Hanteert u bij de selectie van communicatiediensten voor overheidsgebruik als criterium dat de implementatie van end-to-end-versleuteling onafhankelijk verifieerbaar moet zijn via openbare broncode, en zo nee, is de regering bereid dit criterium alsnog in te voeren?
De in te richten soevereine chatoplossing zal open source zijn.
Bent u bereid het NCSC te verzoeken een vergelijkende veiligheidsanalyse op te stellen van beschikbare open source communicatiediensten – waaronder Signal, Element/Matrix en Wire – met als specifiek doel te beoordelen welke dienst geschikt is voor vertrouwelijke bestuurlijke communicatie?
In 2025 heeft het CIO-beraad van de Rijksoverheid besloten tot het vergroten van soevereiniteit en autonomie via implementatie van een zelf ontwikkelde Rijkschatapplicatie op basis van Matrix/Elements. Matrix/Elements wordt tevens in andere Europese lidstaten gebruikt. In augustus wordt in het CIO-beraad het projectvoorstel voor de autonome chatvoorziening voor communicatie tussen ambtenaren onderling behandeld. Bij de implementatie hiervan wordt rekening gehouden met de noodzakelijke veiligheids- en privacy aspecten.
Bent u bereid een voorlichtingscampagne te starten gericht op burgers, ambtenaren en bewindspersonen, waarin wordt gewezen op de ernstige twijfels die bestaan over de vertrouwelijkheid van WhatsApp-berichten? Zo nee, waarom niet?
Ambtenaren en bewindspersonen worden regelmatig geïnformeerd over het gebruik van digitale diensten, zoals door het recent gepubliceerde cyberadvies van de AIVD en MIVD7.
Inwoners worden doorlopend geïnformeerd via campagnes die erop gericht zijn om de eigen digitale weerbaarheid te vergroten. Bijvoorbeeld via campagnes als «Dubbel beveiligd is dubbel zo veilig» en «Laat je niet interneppen». De beweringen van de onderzoeker vormen op dit moment onvoldoende aanleiding om een dergelijke campagne te kunnen verantwoorden.
Het artikel dat de stikstofplannen van het kabinet bedrijven hard gaan raken en zorgt voor een economische bom voor Nederland. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat uw stikstofplannen ook de industrie keihard zullen raken? Kunt u aangeven welk effect uw stikstofplannen op de Nederlandse economie hebben? Zo nee, waarom niet?1
Uw eerste vraag refereert aan een bericht in de Telegraaf (van 25 juni jl.) dat «bijna 100 bedrijven in de buurt van Natura 2000 gebieden een verplichting opgelegd krijgen om hun stikstofuitstoot radicaal omlaag te brengen». In dit artikel wordt ingegaan op de economische impact van de stikstofmaatregelen. In de Kamerbrief van 26 juni jl. wordt het stikstofbeleid verder toegelicht. Hierin is ook rekening gehouden met economie. De vergunningverlening weer op gang krijgen vraagt iets van alle sectoren die bijdragen aan de uitstoot van stikstof en dus ook van de industrie. Industriële bedrijven doen al veel, omdat ze moeten voldoen aan milieu- en klimaatmaatregelen. Voor industrie geldt bijvoorbeeld dat de vergunning periodiek wordt vernieuwd en de fabriek zich moet aanpassen naar de beste beschikbare techniek (BBT). Daarom daalt de stikstofuitstoot van de industrie al lange tijd gestaag en deze ontwikkeling zet zich de komende periode voort, en dat geldt ook voor bedrijven in de nabijheid van natura 2000 gebieden. Het kabinet heeft gekeken naar wat de industrie aanvullend kan doen. Zo is het kabinet voornemens om aanvullend middelen beschikbaar te maken voor de (bestaande) subsidieregeling Beperking Ammoniakemissies Industrie, en bieden we industriële bedrijven binnen de vastgestelde zones rondom natura 2000 gebieden, een kans om een vrijwillige bijdrage te leveren door bovenwettelijk extra stikstofoxide te verminderen.
Doordat er momenteel geen vergunningen kunnen worden verleend loopt de Nederlandse economie schade op. Voor de periode van 2024 tot 2030 is dat rond de 4,1 miljard euro voor projecten die geen vergunning kunnen krijgen. (Jaarlijks 0,1% van het BBP). En de economische schade van stikstofemissies op gezondheid en natuur komt in 2023 neer op jaarlijks minstens 15,1 miljard euro (Jaarlijks 1,6% van het BBP) (Stikstofuitstoot en stikstofbeperkingen; Wat is de schade? SEO 20252). Dit maatregelenpakket zorgt ervoor dat vergunningverlening weer op gang kan komen. Dit zal stap voor stap en gebied voor gebied gaan.
Kunt u een opsomming geven van de bijna honderd bedrijven in de buurt van Natura 2000-gebieden die een verplichting opgelegd blijken te krijgen om hun stikstofuitstaat radicaal omlaag te brengen, inclusief cijfers van al gerealiseerde stikstofreductie per bedrijf? Indien dit niet kan, waarom niet?
Het aantal bedrijven in de zones rondom Natura 2000-gebieden is te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp (https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/KN-2025-0016.pdf). Op individueel bedrijfsniveau zijn de emissiegegevens van agrarische activiteiten om privacy-redenen niet openbaar.
Voor industriële bedrijven in zones worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld. Het kabinet is wel voornemens om stikstofimpact van industrie te verminderen door voor bedrijven die zich dicht bij natuurgebieden bevinden een tenderregeling open te stellen voor bovenwettelijke reductie.
Wat zijn de gevolgen voor de betreffende bedrijven? Wat zijn de gevolgen economisch gezien? Hoeveel werknemers gaan hier de gevolgen van merken? Hoeveel gezinnen betreft dit?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld voor industriële bedrijven in zones.
Is er voor uw plannen een brede impactanalyse gedaan, waarin in ieder geval de impact op de Nederlandse economie, de voedselzekerheid, de voedselautonomie, de werkgelegenheid, de schade aan bedrijven, de impact om de burgers en de impact op de woningbouw zijn meegenomen? Zo ja, kunt u deze delen voor het plenair debat over de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Indien nee, hoe bestaat het dat deze er niet is?
In de plannen heeft het kabinet zich gebaseerd op de diverse onderzoeken en rapporten die de afgelopen jaren verschenen zijn over mogelijke oplossingen en effecten van de stikstofproblematiek. Het kabinet kiest nu voor deze aanpak, juist ook vanwege de hoge maatschappelijke kosten waar de economie momenteel onder gebukt gaat en de onzekerheid die daarmee gepaard gaat.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in de Tweede Kamer een reflectie op het maatregelpakket publiceren, die het kabinet zal benutten bij de verdere uitwerking van de verschillende maatregelen en besluiten. Het kabinet zal ook scherp zicht houden op mogelijke (regionale) sociaaleconomische effecten, onder meer via de reguliere monitoring.
Houdt u er rekening mee dat er meer dan 30 rioolwaterzuiveringsinstallaties binnen de plannen vallen? Hoe gaat u voorkomen dat bedrijven die buiten de zones vallen, maar wel lozen op deze zuiveringen ook gedwongen moeten krimpen en niet meer kunnen uitbreiden of starten? Kunt u een lijst van alle bedrijven die dit betreft sturen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, komen er met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels voor industriële bedrijven, en ook niet rioolwaterzuiveringen. Veel rioolzuiveringsinstallaties worden al vernieuwd door waterschappen om te kunnen voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Welke consequenties heeft dit voor de nieuw aan te sluiten woningbouw in deze gebieden, want die lozen ook op de rioolwaterzuiveringen?
Aangezien er geen nieuwe regels zijn voor rioolwaterzuiveringen, is er ook geen sprake van een effect op aan te sluiten woningbouw.
Beseft u dat u met deze stikstofmaatregelen de Nederlandse economie, de Nederlandse voedselvoorziening en de Nederlandse boeren de nek omdraait? Waarom doet u dit?
Het kabinet realiseert zich dat met dit pakket veel wordt gevraagd van (onder meer) agrarische ondernemers. Tegelijkertijd is dit pakket ook noodzakelijk om weer perspectief te bieden. De ondernemer staat er niet alleen voor. Het kabinet biedt ruimhartige ondersteuning gericht op verschillende ontwikkelrichtingen. En als onderdeel van de aanpak investeert in de sociale en economische vitaliteit van het platteland.
Waarom legt u het rapport van prof. dr. Meester2 aangaande de statistische relevantie van de berekende stikstofdepositie naast u neer? Waarom kiest u niet, zoals het rapport aangeeft, voor instandhouding van onze natuur zonder radicaal stikstofbeleid waar u op inzet? Waarom blijft u vasthouden aan uw huidige koers van afbraak, terwijl Europa dat niet van ons vraagt?
Het vorige kabinet heeft de heer Meester gevraagd om analyse naar de statistiek onder de modellen die gebruik worden voor het verkrijgen van inzicht in stikstofdepositie die o.a. gebruikt is in de natuurdoelanalyses. Deze analyse is onderhevig geweest aan een uitgebreide review. Het vorige kabinet constateerde reeds dat de bevindingen van de heer Meester niet allemaal berusten op voldoende wetenschappelijke onderbouwing, en dit blijkt ook uit de review van dhr. Petersen.4 Ik sluit mij hierbij aan en vind het belangrijk dat beleid, zeker als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de samenleving, gebaseerd is op een degelijke wetenschappelijke onderbouwing.
Wilt u deze vragen uiterlijk op dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden, maar in ieder geval ruim voor aanvang van het plenaire debat samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Zo nee, waarom niet?
Ja
De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Henk Jumelet (CDA), Ulaş Köse (D66) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
In 2025 is er een evaluatie geweest van de schadeafhandeling in Ekehaar door de Commissie Mijnbouwschade (verder: CM).1 Hier kwam inderdaad uit naar voren dat er bij de afhandeling van de schademeldingen naar verhouding veel kosten werden gemaakt voor causaliteitsonderzoek door deskundigen ten opzichte van de bedragen die uiteindelijk zijn uitgekeerd om schade te vergoeden. Daarom heeft de voormalige Minister van Klimaat en Groene Groei aangegeven samen met de mijnbouwbedrijven (gas, olie, zout en opslag) te willen kijken naar een verbetering van de reguliere procedure van de CM. Dit vergt tijd, mede ook omdat met alle mijnbouwondernemingen overeenstemming moet worden bereikt.
Voor de afhandeling van schademeldingen als gevolg van de aardbeving bij Geelbroek heeft het kabinet hier niet op willen wachten. We stellen een aanpak voor waarin schademeldingen door de aardbeving bij Geelbroek sneller worden afgehandeld en er minder geld gaat naar onderzoek2. In deze aanpak worden vier ringen onderscheiden binnen het door de CM vastgestelde beoordelingsgebied. De CM en NAM willen in de twee ringen dichtbij het epicentrum een versnelde procedure toepassen op grond van het Instellingsbesluit van de CM (artikel 7 van Protocol A in Bijlage 1). Dit houdt in dat een causaal verband wordt aangenomen en inwoners hun schade tot bepaalde maximale bedragen vergoed kunnen krijgen. Voor ring 1 gaat het om een maximaal bedrag van € 10.000 euro en voor ring 2 om een maximaal bedrag van € 7.000 euro. Als de schademelder hier geen gebruik van wil maken wordt de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, waarbij wel onderzoek naar causaliteit wordt gedaan. Dit vergt een langere doorlooptijd en de schademelder loopt het risico dat hij uiteindelijk geen of een lagere vergoeding krijgt dan hij zou hebben gekregen onder de versnelde procedure. Dit aangezien schade in woningen in Nederland vele verschillende en soms gecombineerde oorzaken heeft. In de buitenste twee ringen wil NAM geen causaal verband aannemen, omdat NAM van mening is dat slechts in uitzonderlijke gevallen en dan in beperkte mate sprake zal zijn van schade die veroorzaakt of verergerd is door de beving bij Geelbroek. Dit zou betekenen dat deze schades volgens de reguliere procedure moeten worden afgehandeld. Dit vindt het kabinet, vanwege het grote aantal schademeldingen niet wenselijk. Wel is NAM bereid om een bedrag beschikbaar te stellen om de afhandeling van schademeldingen in dit gebied te bespoedigen en de uitvoeringskosten te mitigeren. Daarom werkt het kabinet aan een beleidsregel, op grond waarvan schademelders voor de buitenste twee ringen voor een onverplichte tegemoetkoming in aanmerking kunnen komen. Voor ring 3 en voor ring 4 wordt er met een vast bedrag gewerkt als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege. Voor ring 3 gaat het om € 3.000 euro en voor ring 4 om 1.000 euro. Met deze aanpak is geen causaliteitsonderzoek vereist. Daardoor is de verwachting dat er een betere verhouding is tussen uitgekeerde tegemoetkomingen en onderzoekskosten. In ringen 3 en 4 kunnen schademelders ook voor de reguliere procedure kiezen.
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag één, kunnen schademelders, afhankelijk van in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een vergoeding tot een maximaal bedrag (ringen 1 en 2) of een vast bedrag als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege (ring 3 en 4). Er is geen causaliteitsonderzoek naar de oorzaak van de schade vereist. De schademelder kan ook nog steeds kiezen voor de reguliere procedure van de CM.
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag één kunnen schademelders, afhankelijk van in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een schadevergoeding of onverplichte tegemoetkoming. De voorgestelde aanpak draagt bij aan een snellere afhandeling. De versnelde procedure (ring 1 en 2) is vastgelegd in een overeenkomst tussen de CM en NAM. Voor ring 3 en 4 wordt onder andere een beleidsregel opgesteld. Indien de schademelder geen gebruik wil maken van deze aanpak, wordt de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, zoals vastgelegd in het Instellingsbesluit van de CM en het bijbehorende protocol (Protocol A in Bijlage 1).
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
De CM ondersteunt bewoners (en micro-ondernemingen) die een schademelding hebben ingediend bij de CM met onafhankelijk en deskundig advies over de afhandeling van de mijnbouwschade. Hierbij wordt voorzien in persoonlijke begeleiding gedurende het gehele proces van schadeafhandeling met behulp van een vaste zaakbegeleider die het proces en de schaderegeling uitlegt, aanwezig is bij de schadeopname en fungeert als persoonlijk aanspreekpunt voor de schademelder. Bewoners worden door de zaakbegeleider in het gehele traject ontzorgd en kunnen met al hun inhoudelijke en persoonlijke vragen bij hun zaakbegeleider terecht. Daarnaast wordt door de CM ingezet op het op een laagdrempelige manier verstrekken van informatie over de schadebeoordeling, het beantwoorden van vragen en het bieden van een «luisterend oor» voor inwoners in de regio die daaraan behoefte hebben. Naast het benutten van online communicatiekanalen en lokale media wordt daarbij bijvoorbeeld gebruik gemaakt van het Informatiepunt Digitale Overheid in lokale bibliotheken en worden er in samenwerking met de betrokken Drentse gemeenten bijeenkomsten georganiseerd in dorpshuizen en wijkcentra. Ook is de CM telefonisch bereikbaar om vragen te beantwoorden.
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
De beving is inmiddels bijna drie maanden geleden. Naar verwachting hebben de meeste mensen met schade zich bij de CM gemeld. Schademeldingen die zijn gedaan voor het tijdstip van publicatie van de overeenkomst tussen CM en NAM voor versnelde procedure en de betaalovereenkomst tussen NAM en de Staat, worden op grond van de versnelde procedure (eerste en tweede ring) dan wel de beleidsregel voor de onverplichte tegemoetkoming van overheidswege (derde en vierde ring) afgehandeld. De regionale bestuurders hebben gevraagd om enige coulance omdat soms mensen door omstandigheden zich niet hebben kunnen melden. Aangezien dit om slechts enkele gevallen zal gaan, geldt er bij de versnelde procedure en de beleidsregel een hardheidsclausule voor uitzonderlijke situaties, waarin een schademelder kan aantonen dat eerdere indiening niet mogelijk was om redenen die hem of haar niet zijn aan te rekenen.
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Ja, ik ben hiermee bekend en snap ook dat dit om uitleg vraagt. In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een bijzondere aanpak voor de afhandeling van schade. Deze aanpak is gerechtvaardigd, omdat er in dat effectgebied in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld werden, waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. In de rest van Nederland is het aantal, de ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van de gaswinning geringer (ook in het geval van Geelbroek), waardoor een aanpak zoals in het effectgebied van het IMG onvoldoende gerechtvaardigd is. Dat neemt niet weg dat de schade buiten het IMG-effectgebied ook op een zorgvuldige en adequate wijze moet worden afgehandeld.
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
In het kader van de «een-loket aanpak» werken de CM en IMG al intensief samen, waardoor één centraal loket niet nodig is. Gezien het aantal, de ernst en omvang van de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk, is een bijzondere aanpak daar gerechtvaardigd. In de brief van 20 maart is geconstateerd dat er zowel bij de CM als bij het IMG meldingen van schade als gevolg van de bevingen bij Geelbroek zijn binnengekomen.3 Daar waar nodig wordt doorverwezen of samengewerkt tussen het IMG en de CM.
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Hier is rekening mee gehouden door te werken met vier ringen. Het maximale bedrag voor inwoners in de eerste ring rond het epicentrum is het hoogst, daarna volgt het plafondbedrag in de tweede ring enzovoorts. Daarbij is geen causaliteitsonderzoek vereist.
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
Nee, de versnelde procedure en beleidsregel geldt alleen voor schades die gemeld zijn naar aanleiding van de bevingen op 14 maart 2026 bij Geelbroek. De aanpak geldt niet voor schades door eerdere bevingen die zijn afgehandeld, omdat schades in beginsel maar één keer worden vergoed. Wel zal ik – op basis van de evaluatie van de CM die begin dit jaar naar uw Kamer is verzonden4 – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek gaan om te komen tot verbeteringen binnen de reguliere systematiek van de CM. In dat traject streef ik er ook naar om – in lijn met de motie van de leden Jumelet en Peter de Groot5 -aandacht te besteden aan mensen die eerder schade hebben gemeld naar aanleiding van de aardbeving in Ekehaar van 2023 en die slechts een deel van schade aan de woning vergoed hebben gekregen. Het gaat daarbij om schadegevallen, waarbij is vastgesteld dat deze voor een deel door bodembeweging als gevolg van de beving in Ekehaar is ontstaan en voor een deel door andere oorzaken. Ik besteed hierbij expliciet aandacht aan de mogelijkheid van een «terugwerkende kracht» bepaling.
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
Het invoeren van chatcontrole |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europees Parlement stemt in controversiële spoedprocedure alsnog voor het checken van berichten op beelden van kindermisbruik»?1
Wat vindt u van het verlengen van «chatcontrol 1.0»2 en de manier waarop dit via een spoedprocedure, mede onder druk van de Europese Commissie en grote techbedrijven, is geforceerd?
Wat is de zienswijze van dit kabinet op deze vorm van chatcontrole? Volgt u nog steeds de beide aangenomen moties-Kathmann (Kamerstukken 32 317, nr. 891 & 32 317, nr. 981) die vragen om zich tegen chatcontrole te verzetten?
Wat zijn de gevolgen van deze stemming voor de privacy van Nederlandse burgers, nu vrijwillige chatcontrol niet alleen opnieuw is ingevoerd, maar is uitgebreid ten opzichte van de vorige vrijstelling?
Op welke manier mogen techbedrijven AI toepassen om berichtenverkeer tussen burgers te surveilleren? Kunt u duidelijk maken wat voor techniek hiervoor wordt toegepast door de relevante bedrijven?
Hoe wordt voorkomen dat onschuldige burgers op basis van valse positieven verdacht worden gemaakt en worden gemeld bij de politie of Europol?
Deelt u de zorgen van de indiener dat, zolang het scannen van online berichtenverkeer is toegestaan, er een reëel risico is dat deze techniek ook voor andere doeleinden zal worden gebruikt als gevolg van «mission creep»?
Hoe staat het met de onderhandelingen voor de CSAM-verordening, waar een vorm van chatcontrole tot dusver altijd een onderdeel van is geweest? Wanneer verwacht u dat hierover een stemming zal plaatsvinden?
Bent u bereid de Kamer een beslismoment voor te leggen als er een belangrijke (voor)stemming nadert met betrekking tot chatcontrole, zodat zij tijdig en goed geïnformeerd de kabinetsinzet kan sturen?
Kunt u bevestigen dat Nederland zich ten alle tijden en onomwonden zal verzetten tegen voorstellen die het scannen van versleutelde berichten mogelijk maken, al dan niet via een omweg?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , van Essen , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het artikel dat de stikstofplannen van het kabinet bedrijven hard gaan raken en zorgt voor een economische bom voor Nederland. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat uw stikstofplannen ook de industrie keihard zullen raken? Kunt u aangeven welk effect uw stikstofplannen op de Nederlandse economie hebben? Zo nee, waarom niet?1
Uw eerste vraag refereert aan een bericht in de Telegraaf (van 25 juni jl.) dat «bijna 100 bedrijven in de buurt van Natura 2000 gebieden een verplichting opgelegd krijgen om hun stikstofuitstoot radicaal omlaag te brengen». In dit artikel wordt ingegaan op de economische impact van de stikstofmaatregelen. In de Kamerbrief van 26 juni jl. wordt het stikstofbeleid verder toegelicht. Hierin is ook rekening gehouden met economie. De vergunningverlening weer op gang krijgen vraagt iets van alle sectoren die bijdragen aan de uitstoot van stikstof en dus ook van de industrie. Industriële bedrijven doen al veel, omdat ze moeten voldoen aan milieu- en klimaatmaatregelen. Voor industrie geldt bijvoorbeeld dat de vergunning periodiek wordt vernieuwd en de fabriek zich moet aanpassen naar de beste beschikbare techniek (BBT). Daarom daalt de stikstofuitstoot van de industrie al lange tijd gestaag en deze ontwikkeling zet zich de komende periode voort, en dat geldt ook voor bedrijven in de nabijheid van natura 2000 gebieden. Het kabinet heeft gekeken naar wat de industrie aanvullend kan doen. Zo is het kabinet voornemens om aanvullend middelen beschikbaar te maken voor de (bestaande) subsidieregeling Beperking Ammoniakemissies Industrie, en bieden we industriële bedrijven binnen de vastgestelde zones rondom natura 2000 gebieden, een kans om een vrijwillige bijdrage te leveren door bovenwettelijk extra stikstofoxide te verminderen.
Doordat er momenteel geen vergunningen kunnen worden verleend loopt de Nederlandse economie schade op. Voor de periode van 2024 tot 2030 is dat rond de 4,1 miljard euro voor projecten die geen vergunning kunnen krijgen. (Jaarlijks 0,1% van het BBP). En de economische schade van stikstofemissies op gezondheid en natuur komt in 2023 neer op jaarlijks minstens 15,1 miljard euro (Jaarlijks 1,6% van het BBP) (Stikstofuitstoot en stikstofbeperkingen; Wat is de schade? SEO 20252). Dit maatregelenpakket zorgt ervoor dat vergunningverlening weer op gang kan komen. Dit zal stap voor stap en gebied voor gebied gaan.
Kunt u een opsomming geven van de bijna honderd bedrijven in de buurt van Natura 2000-gebieden die een verplichting opgelegd blijken te krijgen om hun stikstofuitstaat radicaal omlaag te brengen, inclusief cijfers van al gerealiseerde stikstofreductie per bedrijf? Indien dit niet kan, waarom niet?
Het aantal bedrijven in de zones rondom Natura 2000-gebieden is te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp (https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/KN-2025-0016.pdf). Op individueel bedrijfsniveau zijn de emissiegegevens van agrarische activiteiten om privacy-redenen niet openbaar.
Voor industriële bedrijven in zones worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld. Het kabinet is wel voornemens om stikstofimpact van industrie te verminderen door voor bedrijven die zich dicht bij natuurgebieden bevinden een tenderregeling open te stellen voor bovenwettelijke reductie.
Wat zijn de gevolgen voor de betreffende bedrijven? Wat zijn de gevolgen economisch gezien? Hoeveel werknemers gaan hier de gevolgen van merken? Hoeveel gezinnen betreft dit?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld voor industriële bedrijven in zones.
Is er voor uw plannen een brede impactanalyse gedaan, waarin in ieder geval de impact op de Nederlandse economie, de voedselzekerheid, de voedselautonomie, de werkgelegenheid, de schade aan bedrijven, de impact om de burgers en de impact op de woningbouw zijn meegenomen? Zo ja, kunt u deze delen voor het plenair debat over de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Indien nee, hoe bestaat het dat deze er niet is?
In de plannen heeft het kabinet zich gebaseerd op de diverse onderzoeken en rapporten die de afgelopen jaren verschenen zijn over mogelijke oplossingen en effecten van de stikstofproblematiek. Het kabinet kiest nu voor deze aanpak, juist ook vanwege de hoge maatschappelijke kosten waar de economie momenteel onder gebukt gaat en de onzekerheid die daarmee gepaard gaat.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in de Tweede Kamer een reflectie op het maatregelpakket publiceren, die het kabinet zal benutten bij de verdere uitwerking van de verschillende maatregelen en besluiten. Het kabinet zal ook scherp zicht houden op mogelijke (regionale) sociaaleconomische effecten, onder meer via de reguliere monitoring.
Houdt u er rekening mee dat er meer dan 30 rioolwaterzuiveringsinstallaties binnen de plannen vallen? Hoe gaat u voorkomen dat bedrijven die buiten de zones vallen, maar wel lozen op deze zuiveringen ook gedwongen moeten krimpen en niet meer kunnen uitbreiden of starten? Kunt u een lijst van alle bedrijven die dit betreft sturen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, komen er met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels voor industriële bedrijven, en ook niet rioolwaterzuiveringen. Veel rioolzuiveringsinstallaties worden al vernieuwd door waterschappen om te kunnen voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Welke consequenties heeft dit voor de nieuw aan te sluiten woningbouw in deze gebieden, want die lozen ook op de rioolwaterzuiveringen?
Aangezien er geen nieuwe regels zijn voor rioolwaterzuiveringen, is er ook geen sprake van een effect op aan te sluiten woningbouw.
Beseft u dat u met deze stikstofmaatregelen de Nederlandse economie, de Nederlandse voedselvoorziening en de Nederlandse boeren de nek omdraait? Waarom doet u dit?
Het kabinet realiseert zich dat met dit pakket veel wordt gevraagd van (onder meer) agrarische ondernemers. Tegelijkertijd is dit pakket ook noodzakelijk om weer perspectief te bieden. De ondernemer staat er niet alleen voor. Het kabinet biedt ruimhartige ondersteuning gericht op verschillende ontwikkelrichtingen. En als onderdeel van de aanpak investeert in de sociale en economische vitaliteit van het platteland.
Waarom legt u het rapport van prof. dr. Meester2 aangaande de statistische relevantie van de berekende stikstofdepositie naast u neer? Waarom kiest u niet, zoals het rapport aangeeft, voor instandhouding van onze natuur zonder radicaal stikstofbeleid waar u op inzet? Waarom blijft u vasthouden aan uw huidige koers van afbraak, terwijl Europa dat niet van ons vraagt?
Het vorige kabinet heeft de heer Meester gevraagd om analyse naar de statistiek onder de modellen die gebruik worden voor het verkrijgen van inzicht in stikstofdepositie die o.a. gebruikt is in de natuurdoelanalyses. Deze analyse is onderhevig geweest aan een uitgebreide review. Het vorige kabinet constateerde reeds dat de bevindingen van de heer Meester niet allemaal berusten op voldoende wetenschappelijke onderbouwing, en dit blijkt ook uit de review van dhr. Petersen.4 Ik sluit mij hierbij aan en vind het belangrijk dat beleid, zeker als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de samenleving, gebaseerd is op een degelijke wetenschappelijke onderbouwing.
Wilt u deze vragen uiterlijk op dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden, maar in ieder geval ruim voor aanvang van het plenaire debat samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Zo nee, waarom niet?
Ja
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Herbert , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Ouafa Oualhadj (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Aerdts , Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Een LinkedIn-bericht van minister-president Rob Jetten over regeldruk en ondernemerschap |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat regeldrukvermindering belangrijk is voor een aantrekkelijk ondernemersklimaat?1
Onderschrijft u de knelpunten in de regeldrukagenda van FME?
Gaat u opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zo ja, op welke termijn kan de Kamer resultaten verwachten?
Wanneer gaat u per ministerie een target opleggen voor regeldrukvermindering, conform het coalitieakkoord? Hoe gaat u handhaven op deze targets?
Wordt de Kamer nog voor de zomer geïnformeerd over uitgewerkte standaarden met gemeenten voor minder regeldruk voor ondernemers, conform een toezegging aan mij tijdens de afgelopen begrotingsbehandeling van Economische Zaken op 21 en 22 januari 2026 en zoals opgenomen in het coalitieakkoord?
Wanneer wordt er een oplossing gevonden voor de bijschrijfplicht in de horeca, conform de aangenomen motie-Kisteman uit 2025?2
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Herbert , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg , Berendsen , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
Jimmy Dijk (SP), André Flach (SGP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Ja, het NADI-ontwerpvoorstel dat door mijn voorganger met uw Kamer is gedeeld is leidend voor de oprichting van NADI.
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die analyse deel ik grotendeels. Het doel van NADI is om technologische oplossingen te ontwikkelen voor grote maatschappelijke uitdagingen. Daarbij gaat het om high-risk/high-reward trajecten die in het reguliere innovatiebeleid vaak moeilijk van de grond komen. Een volledige revolverendheidsdoelstelling staat naar verwachting op gespannen voet met de risicotolerantie die nodig is om de organisatie effectief te laten opereren.
Tegelijkertijd verwacht ik dat NADI mogelijk wel voor een klein deel revolverend kan worden vormgegeven, bijvoorbeeld via terugbetalingsverplichtingen bij succesvolle projecten, met een verwachte terugbetalingstermijn van 10 tot 15 jaar. Daarbij is het wel van belang dat deze afspraken zo worden vormgegeven dat zij geen drempel vormen voor partijen om aan een NADI-programma deel te nemen.
Ik ben bezig met de uitwerking waaronder de vormgeving en de voorgenomen financiering uit het Coalitieakkoord. U wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Bij een niet saldo-relevante storting zal de staatsschuld oplopen, maar verslechtert het EMU-saldo niet.
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
In lijn met mijn antwoord op vraag 3, ben ik de vormgeving in combinatie met de kapitaalstorting in het Coalitieakkoord aan het uitwerken. Ik kan hier niet op vooruitlopen, maar u wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het voorstel van IPE gaat voorbij aan het hoofddoel van de innovatiebox: het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. De innovatiebox bewerkstelligt, kort samengevat, dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit voordeel is derhalve relatief.
Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet ziet daarom geen enkele aanleiding om de bestaande regeling te versoberen.
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Zoals eerder gezegd kan ik niet vooruitlopen op besluitvorming over de vormgeving van NADI in combinatie met de in het Coalitieakkoord voorziene kapitaalstorting.
Tegelijkertijd begrijp ik dat het IPE op dit bedrag uitkomt, kijkend naar de jaarbudgetten van vergelijkbare organisaties in het buitenland, zoals de ARPA-organisaties in de Verenigde Staten (jaarbudget ca. € 7,5 miljard), SPRIND in Duitsland (jaarbudget ca. € 250 miljoen) en ARIA in het Verenigd Koninkrijk (jaarbudget ca. € 300 miljoen).
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Die conclusie kan ik volgen. Maar in lijn met mijn eerdere antwoorden kan ik niet vooruitlopen op de besluitvorming hierover. Ik zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
Ja.
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius is rijksbreed verantwoordelijk voor het beheer en de doorontwikkeling van voorzieningen als DigiD. De verschillende leveranciers die hierbij zijn betrokken zijn geselecteerd via verschillende Europese aanbestedingen. Logius maakt hierbij gebruik van geldende regels rondom aanbestedingen en van rijksbrede kaders ten aanzien van digitalisering, zoals bijvoorbeeld het Rijkscloudbeleid.
Bij het vormgeven van deze aanbestedingen stond de ondersteuning van de continuïteit van de dienstverlening, digitale weerbaarheid en efficiënt gebruik van IT-diensten centraal.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters. Hiervoor is het van essentieel belang dat de overheidscloud klaar is om de continuïteit en veiligheid van Logius dienstverlening te waarborgen.
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius voert het beheer uit van deze overheidsvoorzieningen ten behoeve van andere overheidsdienstverleners. De normering voor risicomanagement en cybersecurity volgt uit de Cyberbeveiligingswet (Cbw).
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
De motie verzoekt het opstellen en uitrollen van een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid. Een rijksbreed dataclassificatiebeleid is reeds vastgesteld in het VIR-BI 2025. Daarbij geldt dat voor de zwaarste categorieën (Staatsgeheim, of Te Beschermen Belangen 1–3) het gebruik van publieke cloud niet toegestaan is. Wanneer voor de opslag en verwerking van dergelijk gerubriceerde data een externe leverancier wordt overwogen, moet deze leverancier voldoen aan de eisen van de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). De ABRO stelt onder andere eisen aan sleutelbeheer voor encryptie. Controle of de leverancier hieraan voldoet, bij zowel aanvang als tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gecontroleerd door het Nationaal Bureau Industrie Veiligheid (NBIV). De ABRO is in december 2025 goedgekeurd, organisaties krijgen twee jaar de tijd om de ABRO in te voeren, daarom verschilt de ingangsdatum per organisatie. Andere overheidsonderdelen en leveranciers die onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen, kunnen in de toekomst verplicht worden de ABRO te gebruiken.
Daarnaast stelt het huidige rijksbreed cloudbeleid dat de data bij gebruik van publieke clouddiensten moet worden verwerkt binnen de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), in landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, of in landen die anderszins voldoen aan de eisen van art. 46, AVG. De uit te voeren risicoanalyse, onderdeel van het beleid, geeft de organisatie ook inzichten in de vraag of het land van de cloudprovider via extraterritoriale wetgeving toegang kan krijgen tot de data. Daarnaast moeten er plannen ter schadebeperking worden overwogen. Dit is een vorm van het door u voorgestelde te implementeren localisatiebeleid.
Later dit jaar wordt het herziene rijksbrede cloudbeleid met uw Kamer gedeeld. De werking van het cloudbeleid wordt verbreed van de rijksdienst naar de Rijksoverheid. Ook is er in dit beleid meer aandacht voor geopolitieke risico’s in situaties waarin een leverancier (mede) onder een niet-Europese jurisdictie valt. Voor bepaalde toepassingen wordt het gebruik van dergelijke leveranciers of van de publieke cloud niet langer toegestaan. Op deze manier zijn wij voornemens om de motie uit te voeren.
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ontvangt de Kamer dit jaar het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026. Daarnaast stelt de Rijksoverheid voor gevoelige overheidsdata en processen beveiligingseisen verplicht op basis van de BIO2 via de Cyberbeveiligingswet (Cbw). Verder wordt het belang van «veilig inkopen» en de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging in toenemende mate erkend. De ABRO stelt eisen aan de veiligheid bij de leverancier. Waar uit de risicoanalyses blijkt dat het risico van statelijke actoren reëel is, bieden de BIO2, de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) en ABRO (de laatste twee in het kader van inkoop), middelen om de risico’s goed te beheren. Op basis van deze beleidskaders en wettelijke verplichtingen worden overheidsorganisaties geholpen bij het maximaal beschermen van data en beveiligingsmaatregelen. Aan de hand van deze kaders, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, kunnen organisaties zelf vaststellen hoe en waar zij data veilig kunnen opslaan en bewerken.
Daarnaast wordt op dit moment, in het kader van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, gewerkt aan de verkenning naar de realisatie van een soevereine overheidscloud. Dit zal hand in hand gaan met de verdere ontwikkeling van het daarmee samenhangende beleid.
De Rijksoverheid versterkt continu haar integrale weerbaarheid. Binnen dit verband, zoals toegelicht in deze brief, zijn de afgelopen jaren verschillende beveiligingskaders, -normen en wetten aangepast zoals VIR-BI2025, BIO2, de ABRO. Ook bereiden we ons voor op aankomende wetgeving zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de Cbw. De effectieve toepassing van deze wetten verhoogt de basisbeveiliging, zoals ook het beheer en opslag van data van overheidsorganisaties. Gezien het feit dat een deel van deze regelgeving pas recent is ingegaan of op korte termijn ingaat, en gelet op de nadere verwachte EU wet- en regelgeving op dit gebied, kies ik er vooralsnog voor nu geen aanvullend beleid te maken, maar eerst te bezien of de nieuwe wet- en regelgeving ook de beoogde verbetering van weerbaarheid bereikt.
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Op dit moment ligt dat besloten in de «Aanpak Vitaal». Deze wordt later dit jaar vervangen door de Wet weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). De betrokken vakministers bepalen welke overheidsvoorzieningen onder deze wet zullen vallen.
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen.
Het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni) stelt eisen aan aanbieders ten aanzien van de beveiliging van ICT-systemen. De later dit jaar van kracht wordende Cyberbeveiligingswet stelt eisen aan risico- en ketenmanagement. Daarmee zullen overheidsorganisaties die kritieke digitale overheidsvoorzieningen beheren, inzage moeten hebben in welke niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers in de keten een rol spelen. De mogelijke risico’s daarvan moeten worden beoordeeld en worden gemitigeerd of geaccepteerd.
Er bestaat geen centraal register van dergelijke leveranciers per kritieke overheidsvoorziening. Als reactie op het onderzoek «Van Kwetsbaar naar weerbaar», dat is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt door de Taskforce Continuïteit ICT Dienstverlening een pilot uitgevoerd voor het monitoren van belangrijke leveranciers voor de overheid.
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Een dergelijk overzicht is er niet. Het is in het kader van veiligheid ook niet wenselijk dat er een dergelijk overzicht komt. Dergelijke data op één plaats vastleggen zou namelijk een operationeel veiligheidsrisico vormen.
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Het streven is met name gericht op het vormgeven van het nieuwe aanbestedingstraject op basis van de aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV), zoals vermeld in de Kamerbrief van 4 juni jl.1 Deze aanbesteding ziet op het opnieuw aanbesteden van het beheer van het huidige platform. De ADV biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Zodra een nieuwe leverancier is geworven, zal er een overdracht moeten plaatsvinden. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. Hiervoor wordt een periode van 6–12 maanden gehanteerd.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters.
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Zoals hiervoor aangegeven biedt een ADV-aanbesteding meer mogelijkheden dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
Er is geen overzicht van keuzes die andere Europese landen maken voor het inrichten van hun digitale infrastructuur. In de «Verkenning naar de soevereine overheidscloud» in het kader van de NDS wordt een eerste set keuzes voor de vormgeving van een soevereine overheidscloud gepubliceerd. Deze wordt naar verwachting vóór het zomerreces nog aan uw Kamer verstuurd.
De Europese Commissie heeft recent het voorstel voor de Cloud and AI Development Act (CADA) gepubliceerd. Deze verwoordt de ambitie van de Commissie om te komen tot sterkere en uniforme eisen aan de soevereiniteit van door overheden gebruikte cloudoplossingen. Het Nederlandse beleid zal in de toekomst hier verder op afgestemd worden. De verwachting is dat overheden in lidstaten als gevolg van de CADA op een uniforme manier risicobeoordelingen maken voor het gebruik van public clouddiensten en gebruik zullen maken van passende, erkende soevereine clouddiensten. Een BNC-fiche over het wetsvoorstel voor de CADA wordt op korte termijn met de Tweede Kamer gedeeld.
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
In de genoemde Kamerbrief2 wordt gesteld dat deze conclusie gebaseerd is op een quickscan onderzoek naar de verschillen in technische, juridische en organisatorische aspecten van het dienstenaanbod van Nederlandse en Europese aanbieders van clouddiensten ten opzichte van de drie grootste aanbieders van buiten de EU. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd door KPMG.3 Dit onderzoek zag op de gehele markt voor clouddiensten en had geen specifieke focus op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur.
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
De ADV-aanbesteding biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor nationale veiligheid te beperken. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding onder de ADV.
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Onder een gelijkwaardig alternatief verstaat het kabinet andere Nederlandse en Europese IT-dienstverleners die in staat zijn om diensten te leveren die functioneel, kwalitatief en beveiligingstechnisch vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die Solvinity momenteel aan Logius levert, namelijk de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. Het gaat daarbij om aanbieders die aantoonbaar kunnen voldoen aan de eisen voor continuïteit, beveiliging, compliance en schaalbaarheid van de DigiD-dienstverlening.
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Criteria worden verwoord en van weging voorzien gedurende het proces om te gaan aanbesteden, bij het uitvragen van een behoefte naar de algehele markt en conform processen die voortvloeien uit diverse kaders (financieel, juridisch, technisch, etc.). Een opdrachtgever is hiervoor verantwoordelijk en zal daarbij ondersteund worden door een multidisciplinair team. Het wisselt dus per opdrachtgever en per opdracht welke criteria gehanteerd worden (dan wel hoe zwaar die wegen). De hele gedachte van een aanbestedingsproces is om de pluraliteit van de markt te benutten en een te grote afhankelijkheid te vermijden.
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven betreft de technische inrichting van DigiD maatwerk. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. In de overdrachtsperiode van 6–12 maanden kan een nieuwe contractant deze ervaring opbouwen.
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
In het geval van DigiD en andere Logius-voorzieningen verstaat het kabinet onder «soortgelijke» diensten het overnemen van de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal.
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
DigiD voldoet aan strenge eisen en regelgeving rondom veiligheid en privacy. Daarvoor worden verschillende vormen van toegangsbeveiliging en versleuteling toegepast.
Alle informatie over de werking van DigiD is terug te vinden op de website van Logius. Op de website is alle documentatie terug te vinden ten aanzien van het aansluiten op DigiD door afnemers, de functionele beschrijvingen van DigiD (inclusief verwerking persoonsgegevens), en de technische documentatie over de werking van DigiD.
U kunt de informatie terugvinden via de volgende link: https://www.logius.nl/onze-dienstverlening/toegang/digid/documentatie
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Op 21 mei jl. bent u middels een vertrouwelijke technische briefing geïnformeerd over de situatie bij Logius. Daarnaast biedt een aanbesteding via de ADV mogelijkheden om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken.
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Het, nog vast te stellen, herziene rijksbrede cloudbeleid scherpt de eis van een exitstrategie aan naar het hebben van een exitplan. Dat exitplan moet jaarlijks op actualiteit worden beoordeeld. Exitplannen zijn contractuele afspraken over de (geplande of plotselinge) afronding van een contract. Het is wel van belang dat hierin realistische afspraken worden opgenomen afhankelijk van de situatie en context van de specifieke voorziening.
De aanstaande Wet weerbaarheid kritieke entiteiten stelt eisen aan de weerbaarheid en continuïteit van de dienstverlening voor organisaties die daaronder vallen. Dit geldt eveneens als er geen gebruik van clouddiensten wordt gemaakt.
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast is – gezien de aanbestedingsverplichtingen waar overheidsorganisaties aan dienen te voldoen – zes maanden überhaupt een zeer korte termijn. Het herziene rijksbrede cloudbeleid geeft aan dat de Rijksoverheid organisaties beschikken over een exitplan waarin ook rekening wordt gehouden met het onverwacht niet-beschikbaar zijn van de gebruikte clouddienst. De organisatie moet een plan maken hoe de betrokken overheidsdienst binnen acceptabele termijn kan worden hersteld. De meeste migraties nemen meer tijd in beslag. Migratietermijnen kunnen vanuit technisch oogpunt jaren duren, afhankelijk van de type dienstverlening en kenmerken.
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Wat betreft de analyse van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) maakt het kabinet de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan een advies niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Wat betreft de bespreking in de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) geldt dat ook deze vertrouwelijk is en informatie bevat die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in de vertrouwelijke technische briefing van 10 juni jl. te worden geïnformeerd over de analyse en toetsing onder de Wet ongewenste zeggenschap Telecommunicatie die door BTI is verricht en met advies aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit is voorgelegd.
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Ja
Spoorgoederenvervoer |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Investigation confirms: Dutch rail freight costs far exceed those of neighbouring countries»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Herkent en onderschrijft u de analyse van spoorgoederenkosten/infraheffingen die ProRail en Havenbedrijf Rotterdam hebben gemaakt?
De analyse geeft een goed inzicht in de verschillende tarieven in Nederland, Duitsland en België en de wijze waarop die uitwerken op diverse vervoersroutes. Daarmee biedt het een bruikbaar beeld van de kosten waarmee spoorgoederenvervoerders op deze routes worden geconfronteerd. Het onderzoek onderstreept dat er grote verschillen bestaan tussen landen in de hoogte van tarieven en in de mate waarop het spoorgoederenvervoer aanvullend gesubsidieerd wordt.
Erkent u dat de Nederlandse economie is gebaat bij een (goederen)vervoerssysteem verspreid over de diverse modaliteiten?
Voor een robuust en betrouwbaar goederenvervoerssysteem zijn alle modaliteiten van belang. Een goede balans tussen weg, spoor, binnenvaart, zeevaart en buisleidingen draagt bij aan de bereikbaarheid, leveringszekerheid en economische kracht van Nederland. Dit uitgangspunt is terug te vinden in de recente beleidsbrief IenW en ook terug te vinden in de Beleidsagenda Goederenvervoer en het Toekomstbeeld Spoorgoederenvervoer 2050, die in onderlinge samenhang zijn opgesteld.
In hoeverre onderschrijft u de stelling dat er de afgelopen jaren sprake is van een «reverse modal shift», waarbij goederen die voorheen per spoor of binnenvaart werden vervoerd, steeds vaker via de weg worden vervoerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het aandeel van het spoor in de modal split is de afgelopen jaren afgenomen. Tussen 2015 en 2021 schommelde het vervoerde volume per spoor tussen ongeveer 40 en 43 miljoen ton. Na een incidentele piek in 2022, onder meer als gevolg van een extra vraag naar kolenvervoer, is dit volume gedaald naar ruim 36 miljoen ton in 2025. De ontwikkeling van de modal split wordt beïnvloed door diverse factoren, waaronder economische ontwikkelingen, veranderingen in goederenstromen en de concurrentiepositie van de verschillende modaliteiten, havens en industriegebieden in binnen- en buitenland.
Bent u – zoals uit het artikel blijkt – van mening dat de hoge kosten waar spoorgoederenvervoer bedrijven zich in Nederland voor gesteld zien, bijdragen aan deze «reverse modal shift»? Zo nee, waarom niet?
De kosten die vervoerders betalen voor het gebruik van het spoor vormen een wezenlijk onderdeel van de totale kosten van het spoorgoederenvervoer.
Tegelijkertijd wordt de afname van het spoorgoederenvervoer de afgelopen jaren grotendeels verklaard door andere ontwikkelingen. De belangrijkste oorzaak is de sterke afname van het kolenvervoer als gevolg van de voorziene sluiting van kolencentrales in Duitsland. ProRail concludeert in de jaarrapportages over het spoorgoederenvervoer onder meer het volgende:
Voor het intermodale vervoer zijn de volumes relatief stabiel gebleven, maar ik hoor wel dat er verschuivingen hebben plaatsgevonden: vooral op de kortere afstanden is het moeilijker geworden om met de weg te concurreren en daar kunnen kosten een rol in spelen. Verder constateer ik dat het vervoerders momenteel onvoldoende lukt om nieuwe ladingstromen naar het spoor te trekken. De kostenpositie van het spoor kan daarin een factor zijn.
Waarom heeft Nederland geen gelijk speelveld met de met ons omringende landen?
Er is één Europees kader voor vaststelling van de gebruiksvergoeding, maar daarbinnen zijn bepaalde vrijheden om dit nader in te vullen. Zo kan ervoor gekozen worden om een extra heffing in te voeren om extra kosten door te berekenen aan de gebruikers van het spoor, op voorwaarde dat de markt dit kan dragen. Omgekeerd kan voor de dienstvoorzieningen (zoals de dienst opstellen en rangeren) gekozen worden om de kosten niet geheel door te berekenen. In aanvulling op de vaststelling van de gebruiksvergoeding gaan landen verschillend om met inzet van het subsidie-instrumentarium. Deze combinatie leidt er op dit moment toe dat het spoorgoederenvervoer vanuit Rotterdam op de onderzochte routes «duurder» is dan vanuit Antwerpen. Kijkend naar Hamburg is te zien dat Rotterdam meestal vergelijkbaar of «goedkoper» is.
Worden de infraheffingen voor het rijden van goederentreinen en die voor het opstellen en rangeren van goederentreinen taakstellend bepaald of vastgesteld? Zo ja, door wie?
Het vaststellen van de gebruiksvergoedingstarieven ligt bij ProRail. De gebruiksvergoedingstarieven dekken nu ongeveer 18% van de kosten van ProRail voor het beheer en onderhoud van het spoor. De rest van de kosten wordt door de rijksbijdrage van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan ProRail gedekt. Het (eventueel) verstrekken van directe subsidies aan vervoerders of het via een extra heffing extra kosten doorberekenen aan de markt is de verantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW.
Wie neemt het besluit en wat is de basis voor de infraheffingstarieven?
De gebruiksvergoedingstarieven worden door ProRail vastgesteld binnen de Europese en nationale wettelijke kaders die daarvoor gelden. De regels voor de vergoedingen voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur vinden hun basis in de Europese sera-richtlijn (richtlijn 2012/34/EU). De sera-richtlijn verplicht de infrastructuurbeheerder de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien door te berekenen aan spoorwegondernemingen. Daaronder valt bijvoorbeeld een deel van de kosten voor spooronderhoud en de personeelskosten van treindienstleiders. Dit gebeurt via de vergoeding minimumtoegangspakket (VMT). Hiervoor zijn nadere regels gesteld in uitvoeringsverordening 2015/909/EU «betreffende de modaliteiten voor de berekening van de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien». De methodiek waarin ProRail beschrijft welke kosten worden opgenomen in de VMT moet voor de toepassing van de vergoedingen worden goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt.
Daarnaast worden er op basis van de sera-richtlijn door ProRail ook vergoedingen berekend voor het gebruik van bepaalde diensten, zoals opstellen en rangeren.
De sera-richtlijn is nationaal geïmplementeerd via de Spoorwegwet en het onderliggende besluit implementatie richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte.
Wordt bij de vaststelling van de infraheffingen gestuurd op een optimaal evenwicht tussen opbrengsten uit infraheffingen en het behoud of de groei van het goederenvervoer per spoor? Daarbij rekening houdend met de prijsgevoeligheid van verladers bij de keuze tussen vervoerwijzen. Kunt u dit toelichten?
Op basis van de sera-richtlijn is ProRail verplicht om de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie van de treindienst door te berekenen aan spoorwegondernemingen. Daarbij kan dus niet gezocht worden naar een evenwicht tussen opbrengsten en effecten op de markt.
Kosten die niet rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie kunnen via een eventuele extra heffing op verzoek van het Ministerie van IenW worden doorberekend, op voorwaarde dat de markt dit kan dragen. Hierbij wordt rekening gehouden met de prijselasticiteit van onder andere goederenvervoerders. Op dit moment wordt echter geen extra heffing toegepast en toepassing hiervan is voor de huidige tariefperiode van de gebruiksvergoeding (2026–2029) ook niet voorzien.
Voor het bepalen van de kosten voor diensten als opstellen en rangeren worden door ProRail minimaal de directe kosten doorberekend.
Welke factoren bepalen de hoogte van de infraheffingstarieven? Kunt u toelichten hoe deze factoren worden meegewogen?
ProRail bepaalt de hoogte van de gebruiksvergoedingstarieven. Zoals bij vraag 8 is aangegeven doet ProRail dat binnen de Europese en nationale wettelijke kaders die van toepassing zijn.
ProRail spant zich in om, voor zover mogelijk, te zorgen dat het spoor betaalbaar blijft en neemt hiervoor verschillende maatregelen binnen het door IenW en ProRail gezamenlijk vastgestelde Basis Kwaliteitsniveau Spoor (BKN). Door scherpe keuzes te maken in de inrichting van het onderhoud en efficiënte inzet van mensen en capaciteit, wordt geprobeerd de capaciteit van het spoor zo optimaal en betaalbaar mogelijk te benutten.
Wordt er daarbij rekening gehouden met tarieven in het buitenland?
Bij het vaststellen van tarieven voor een nieuwe periode van de gebruiksvergoeding wordt ook gekeken naar andere landen. Het verschil in kosten voor gebruikers van het spoor tussen Nederland en omringende landen zit onder andere in verleende subsidies door de omringende landen.
Welke mogelijkheden ziet u om het spoorgoederenvervoer in Nederland een «level playing field» te bieden met het buitenland?
De tarieven voor opstellen en rangeren zijn met de tariefswijzigingen per 1 januari 2026 verlaagd. Er is toen ook besloten om geen subsidie meer te geven2. Met deze wijzigingen is het verschil met de ons omringende landen per 2026 minder geworden3. Vanuit vervoerders wordt gepleit voor verdere verlaging van de tarieven naar een niveau voor 2023 toen de tarieven voor opstellen en rangeren nog lager waren. Dit is een maatregel met een tijdelijk effect. Gelet op de schaarste aan financiële middelen is mijn kabinetsinzet gericht op maatregelen die de kostenpositie structureel versterken in plaats van tijdelijke subsidies. Voorbeelden van deze inzet zijn de focus op een goede instandhouding en op het kunnen rijden met 740 meter lange treinen.
De grote tariefverschillen tussen landen vind ik niet wenselijk. Daarom zet ik mij in Europees verband al geruime tijd in voor verdere harmonisatie richting een meer uniforme toepassing van het Europees raamwerk voor de gebruiksvergoeding. Deze inzet zal tijd vragen. Recentelijk nog heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat de actualisatie van de interne-marktactieagenda naar de Tweede Kamer gestuurd waarin dit ook is opgenomen4.
Is er een relatie tussen de hoogte van de infraheffing en de geleverde kwaliteit van de dienstverlening van de nationale spoorbeheerder? Zo nee, waarom niet?
Voor de periode 2026–2029 is besloten om 18% van de instandhoudingskosten te dekken uit de gebruiksvergoeding die vervoerders betalen. Dit percentage is gelijk aan de periode 2023–20255. De prestaties van het goederenspoor zijn de afgelopen jaren verbeterd. Via het verbeterprogramma Zee-Zevenaar is door ProRail veel werk verzet in het wegwerken van achterstallig onderhoud op de Rotterdamse havenspoorlijn. Dit heeft geleid tot een forse reductie in het aantal hinderrijke storingen.
Is het niet zaak nu het vervoer per spoor Europees (zowel personen- als goederenvervoer) meer wordt geüniformeerd (bijv. qua stelsel, marktordening, spoorveiligheid, etc.) om ook de publieke lastendruk van de spoorgoederensector (meer) te harmoniseren?
Daar zet ik mij voor in. Ik verwijs daarbij ook naar mijn antwoord op vraag 12.
Zijn de infraheffingen voor het opstellen van goederentreinen op de emplacementen in de havens, bij de inland terminals en in de industriegebieden, in lijn met die van het wegtransport? Kunt u dit toelichten?
De tarieven voor het opstellen en rangeren van goederentreinen zijn niet direct vergelijkbaar met bijvoorbeeld de kosten van parkeren in het wegvervoer.
Welke mogelijkheden ziet u verder om van overheidswege de «reverse modal shift» te keren?
Voorafgaand aan het Commissiedebat Spoorgoederenvervoer ontvangt u een brief, waarin ik mijn beleidsinzet voor het spoorgoederenvervoer voor de komende jaren uiteenzet.
Bent u bereid deze schriftelijke vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Spoorgoederenvervoer van woensdag 17 juni 2026?