Het bericht “Ondernemers investeren minder door stijgende kosten en onzekerheid” |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondernemers investeren minder door stijgende kosten en onzekerheid»?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat het midden- en kleinbedrijf (mkb) goed is voor ongeveer twee derde van de toegevoegde waarde en driekwart van de werkgelegenheid in Nederland2, en onderschrijft u dat een kabinet dat dit fundament laat verzwakken daarmee de kern van de Nederlandse economie op het spel zet?
Het kabinet erkent dat het midden- en kleinbedrijf (mkb), dat een cruciale bijdrage levert aan onze welvaart, momenteel kampt met hoge lasten, toenemende regeldruk en beleidsonzekerheid. Uit het in het artikel genoemde onderzoek, overige onderzoeken en signalen uit het veld blijkt dat deze factoren ertoe leiden dat ondernemers investeringen uitstellen.
Het is onze opgave om te zorgen voor een stabiel en stimulerend ondernemings- en investeringsklimaat. Het kabinet is daarom actief bezig met het aanpakken van deze knelpunten en het verbeteren van het ondernemingsklimaat.
Via onder andere de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) en Qredits verbeter ik de toegang tot financiering voor het mkb. Daarnaast houdt het kabinet belangrijke fiscale regelingen, zoals de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO), stabiel om innovatie te blijven stimuleren. Deze regeling wordt door veel mkb’ers gebruikt. Hiermee versterk ik het fundament van het mkb in Nederland. Ook heb ik oog voor de regeldruk voor mkb’ers.
Het kabinet richt zich ook op het verhogen van de arbeidsproductiviteit van het mkb. Hiervoor wordt bijvoorbeeld, in samenwerking met de provincies en de Europese Commissie, ruim 27 miljoen euro beschikbaar gesteld voor advies en ondersteuning via de European Digital Innovation Hubs (EDIH’s). Daarnaast wordt een Productiviteitsraad ingesteld om verdere stappen te zetten op dit vlak en heeft het kabinet net zijn tweede productiviteitsagenda naar u gestuurd.3 De Productiviteitsraad zal, conform het instellingsbesluit, specifiek aandacht besteden aan het mkb in zijn adviezen.
Het kabinet is zich ervan bewust dat het mkb, boven de bestaande uitdagingen, te maken kan krijgen met extra uitdagingen als gevolg van geopolitieke omstandigheden, zoals hoge brandstofprijzen. Om bedrijven hierbij te ondersteunen, heeft het kabinet tijdelijk de vrachtwagenheffing en de motorrijtuigenbelasting voor vracht- en bestelwagens verlaagd. Om gezonde bedrijven betere toegang tot financiering te bieden, verruimt het kabinet de BMKB, met o.a. een hoger garantiepercentage. Daarnaast introduceert het kabinet voordeligere financieringsmogelijkheden voor duurzame investeringen via Qredits.
Erkent u dat de combinatie van stapelende regels, milieueisen en een hoge belastingdruk ertoe leidt dat een groep die driekwart van de banen in dit land verzorgt, massaal investeringen uitstelt? Bent u bereid deze regel- en lastendruk substantieel te verlagen? Zo nee, waarom niet?
Ondernemers noemen regeldruk vaak als één van de grootste knelpunten in hun dagelijkse bedrijfsvoering. Hoewel de bedoelingen achter regels goed zijn, kunnen ze in de praktijk te veel worden, ingewikkeld zijn of niet goed op elkaar aansluiten. Dit kost ondernemers tijd en geld, leidt tot frustraties en vermindert het plezier in het ondernemen.
Het kabinet werkt daarom aan een structurele verlaging van de regeldruk. In dat kader heeft het kabinet zichzelf het ambitieuze doel gesteld om jaarlijks minimaal 500 regels voor bedrijven, professionals en burgers te schrappen of te vereenvoudigen. Met het oog op deze inzet heeft het kabinet de ministeriële Taskforce Slagvaardige Overheid ingericht die de noodzakelijke verandering aanjaagt en aanstuurt om met het gehele kabinet te werken aan het fundamenteel vereenvoudigen van beleid en regelgeving. De verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de vereenvoudigingsopgave en daarmee ook voor de coördinatie van deze jaarlijkse doelstelling ligt bij de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid. Als Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) blijf ik verantwoordelijk voor het verminderen van de regeldruk voor het bedrijfsleven. Daarom voer ik nieuwe MKB-indicatorbedrijvenonderzoeken uit om knelpunten beter in beeld te brengen en gerichter aan te pakken. Zo komen op korte termijn de uitkomsten beschikbaar van de onderzoeken naar de sectoren Groene en Circulaire bedrijvigheid, Maritiem en Schoonmaak. Hierover bent u recent geïnformeerd.4
Bij toekomstige fiscale wijzigingen blijft het kabinet oog houden voor de lastenontwikkeling van het mkb.
Bent u bereid te (laten) onderzoeken of ondernemen buiten Nederland – in andere EU-lidstaten én daarbuiten – qua belastingdruk, regeldruk en snelheid van vergunningverlening daadwerkelijk aantrekkelijker is geworden, mede gezien signalen van VNO-NCW en MKB-Nederland dat het Nederlandse vestigingsklimaat verslechtert en Nederland is gezakt op de ranglijst van aantrekkelijkste investeringslanden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met de kritiek dat de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) de afgelopen jaren stapsgewijs is versoberd, waardoor bedrijfsoverdracht aan de volgende generatie fiscaal onaantrekkelijker is geworden, en bent u bereid dit te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Ik houd al jaarlijks een vinger aan de pols met de Monitor Ondernemingsklimaat. Met deze monitor houd ik onder meer in de gaten hoe ondernemers denken over het ondernemingsklimaat en wat de grootste knelpunten voor ondernemers zijn, in hoeverre bedrijven overwegen om bedrijfsactiviteiten naar het buitenland te verplaatsen en hoe Nederland het doet op belangrijke ranglijsten. De meest recente monitor laat zien dat voor ondernemers de belangrijkste uitdagingen liggen op het gebied van voorspelbaarheid van beleid en politieke stabiliteit, het sentiment over het bedrijfsleven, verschillende vormen van schaarste – waarbij arbeid en energie momenteel het zwaarste wegen – en de ervaren regeldruk. Ik heb u afgelopen 9 december 2025 over de uitkomsten hiervan geïnformeerd.5
Nederland is in de laatste editie van de jaarlijkse World Competitiveness Ranking – een veelgebruikte ranglijst voor het concurrentievermogen van landen, opgesteld door het International Institute for Management Development (IMD) – gestegen van plek 10 naar plek 8. Dat is goed nieuws, maar maakt niet dat we nu minder hard gaan werken aan het verbeteren van randvoorwaarden die voor ondernemers belangrijk zijn.
Bent u bereid een fundamentele schoning van regels en fiscale lasten voor het mkb door te voeren, in plaats van ondernemers die twee derde van onze welvaart creëren verder te belasten en te reguleren, om te voorkomen dat Nederland hen definitief verliest aan het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft met verschillende wijzigingen in de BOR de doelmatigheid van de regeling verbeterd en onbedoeld gebruik verkleind, waarbij de regeling voor een belangrijk deel overeind is gebleven. De BOR voorziet nog steeds in een ruime vrijstelling van schenk- en erfbelasting bij de overnemer van een onderneming, zodat voorkomen wordt dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt door belastingheffing, waarvoor mogelijk liquide middelen aan de onderneming zouden worden onttrokken. In het coalitieakkoord is aangekondigd dat de BOR in zijn huidige vorm wordt voortgezet.
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
Ik ben ermee bekend dat de provincie Gelderland werkt aan vernieuwing van haar ontgrondingenbeleid. Ik heb begrepen dat de uitwerking daarvan op dit moment plaatsvindt. Het meest recente document in die fase is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau2. Op basis daarvan is niet vast te stellen welke richting de provincie voor het vernieuwde beleid gaat kiezen en of er gevolgen zijn voor de toekomstige beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen.
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050 heeft de toenmalige Staatssecretaris van IenW met uw Kamer gedeeld per brief van 23 april 20243. In de twee destijds onderzochte economische scenario’s neemt bij ongewijzigd beleid tot 2050 de vraag naar grind, steenslag, industriezand en kalkzandsteenzand af, vooral door de lager geprognosticeerde bevolkingsgroei en nieuwbouw vanaf 2030. In beide scenario’s is de verwachting dat de vraag naar ophoogzand en klei zal stijgen, vooral door de behoefte voor de kustverdediging.
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
Nee. Zulke cumulatieve effecten zijn ook niet vast te stellen. Provincies kunnen te allen tijde beleidskeuzes maken die meer of minder ruimte geven voor vergunningen voor de winning van primaire bouwgrondstoffen. Dat betekent overigens niet dat er een lineaire relatie is tussen provinciale beleidskeuzes en de nationale beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen. Er is bijvoorbeeld ook sprake van import en export.
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
In de brief die ik parallel met deze antwoorden aan uw Kamer aanbied, is dit nader beschreven.4 Suppletiezand is voorlopig voldoende voorhanden maar om de bereikbaarheid ervan voor de (verdere) toekomst te verzekeren, moeten wellicht vanaf 2037 in bepaalde delen van de Noordzee meer wingebieden worden gereserveerd. Bij gelijkblijvende winning kan de Nederlandse productie van industriezand, ophoogzand en klei tot 2050 even groot zijn als de verwachte nationale vraag. Uit gesprekken met Rijkswaterstaat en de provincies blijkt dat er voor ophoogzand en industriezand momenteel nog voldoende ruimte is met betrekking tot de lopende vergunningen (verleend en in aanvraag). Lopende vergunningen van grote winningen worden, gelet op de maximale looptijd van vijftien jaar, vaak verlengd en/of uitgebreid. Grind is daarvoor onvoldoende aanwezig en moet, net als tot dusver, grotendeels worden geïmporteerd. Verder in de toekomst kijken betekent meer en grotere onzekerheden. Daarom beschrijf ik in de brief maatregelen die erop gericht zijn om de situatie te monitoren en indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen.
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Bouwgrondstoffen worden in Nederland geïmporteerd en geëxporteerd. In de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer wordt gerefereerd aan onderzoeken waaruit volgt dat de Nederlandse import en export een omvang heeft van de orde-grootte van enkele tientallen procenten van de binnenlandse productie.
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Bij meer druk op de binnenlandse winningscapaciteit zal de markt op zoek gaan naar andere oplossingen. De afgelopen decennia werd in voorkomende gevallen vooral meer geïmporteerd. Daarnaast kan de markt het gebruik van primaire bouwgrondstoffen op diverse manieren verminderen, bijvoorbeeld door bouwmaterialen te hergebruiken, door bij locatiekeuzes meer rekening te houden met de benodigde hoeveelheid ophoogzand en door het aanpassen, en door het renoveren, verduurzamen, optoppen en transformeren van bestaande gebouwen te stimuleren.
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Geïmporteerde grond, bagger en bouwstoffen moeten om in Nederland op of in de bodem te kunnen worden toegepast voorzien zijn van een milieuverklaring bodemkwaliteit, waarvoor de regels volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hier ligt een keuring aan ten grondslag. Uit de milieuverklaring bodemkwaliteit moet blijken of PFAS in deze keuring is meegenomen. Geïmporteerd materiaal moet aan dezelfde voorwaarden voldoen als niet geïmporteerd materiaal.
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Op basis van het landelijke beeld, dat is beschreven in de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer, zie ik vooralsnog weinig risico’s voor de woningbouwopgave en infrastructuurprojecten. Indien de binnenlandse winning van industriezand en ophoogzand afneemt zal de markt op zoek gaan naar andere oplossingen, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8. Suppletiezand moet voldoende beschikbaar zijn voor de kustverdediging. Daarom is in de ontwerp Nota Ruimte opgenomen dat het van belang is op de Noordzee extra ruimte voor zandwinning te reserveren. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 6 blijf ik de situatie monitoren om indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen.
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
In het ontwerp van de Nota Ruimte is beschreven dat de reserveringszone voor zandwinning op de Noordzee is aangewezen als het gebied waarbinnen zandwinning als activiteit van nationaal belang (voor waterveiligheid en klimaatbestendige inrichting) voorrang heeft op ander ruimtegebruik.
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
In het sinds 2003 geldende ontgrondingenbeleid is de tijdige en voldoende voorziening van primaire bouwgrondstoffen aan de markt overgelaten. Concreet betekent dit dat het bedrijfsleven verantwoordelijk is voor het indienen van de aanvragen voor omgevingsvergunningen voor ontgrondingen. Daarbij moet het bedrijfsleven zich richten op kwalitatief goede en maatschappelijk verantwoorde projecten. De provincies hebben in het huidige ontgrondingenbeleid de verantwoordelijkheid om een vergunningaanvraag te beoordelen op ruimtelijke en milieukundige aspecten. De provincies wegen hierbij ook het belang van de primaire bouwgrondstoffen voor waterveiligheid, infrastructuur en woningbouw mee.
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
In het sinds 2003 geldende ontgrondingenbeleid is de tijdige en voldoende voorziening van primaire bouwgrondstoffen aan de markt overgelaten. Concreet betekent dit dat het bedrijfsleven zich bij aanvragen voor een vergunning moet richten op kwalitatief goede en maatschappelijk verantwoorde projecten. In het huidige ontgrondingenbeleid wegen de provincies de winning van primaire bouwgrondstoffen mee bij het opstellen van regionale ruimtelijke plannen en in vergunningprocedures.5
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
In de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer beschrijf ik dat ik via monitoring zicht ga houden op vraag en aanbod en dat ik een structureel overleg zal organiseren om samen met de provincies en de winbedrijven zicht te houden op het aantal ingediende vergunningaanvragen, de voortgang van de vergunningverlening en de ruimte onder de lopende vergunningen.
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 14.
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Ja. Ik blijf de situatie monitoren om indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen. Ik informeer uw Kamer mocht dit laatste zich voordoen.
Uitkomsten van het rapport van accountantsbureau BDO |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 20 juli 2026: «Rapport weerspreekt «toevallige vondst» datakluis, ministerie ontkent kwade trouw1»?
Ja.
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 21 juli 2026: «Woede over verzwegen datakluis: «Wat is een parlementaire enquête nog waard2»?
Ja.
Het accountantskantoor BDO concludeert in zijn rapport dat de Belastingdienst onterecht de datakluis met miljoenen documenten over haar eigen fraudeaanpak buiten het zicht heeft gehouden van het parlement en toezichthouders. Wat vindt u hiervan?
Het BDO-rapport laat zien dat op basis van de uitgangspunten die zijn vastgesteld voor de levering van informatie aan de PEFD in 2022, de datakluis in de zoekslag betrokken had moeten zijn. Aangezien op dit moment nog niet duidelijk is wat de inhoud van de documenten in de datakluis is, is nu nog onduidelijk of deze documenten vervolgens relevant zijn om daadwerkelijk aan te leveren aan de PEFD. Het heeft onze prioriteit om op kortst mogelijk termijn op zorgvuldige wijze inzicht te geven in de exacte inhoud van de datakluis.
In het artikel van 20 juli is vermeld dat u er «op dit moment» niet van uitgaat dat er opzettelijk informatie is achtergehouden. Waarop baseert u dit uitgangspunt?
De inrichting van de datakluis is, zoals het BDO-rapport ook beschrijft, voortgekomen uit achterstand op het gebied van archiefbeheer en de AVG die tot deze als tijdelijk bedoelde oplossing hebben geleid. In het rapport komen geen aanwijzingen naar voren dat bij de levering aan de PEFD, of in andere onderzoeken, de datakluis bewust buiten beschouwing is gebleven met de bedoeling informatie achter te houden.
Uit het onderzoek van BDO blijkt dat de ambtelijke top deze afgeschermde kluis in liet 2019 maken voor alle documenten die niet aan de nieuwe privacywet (AVG) voldeden, om zo een hoge boete van de Autoriteit Persoonsgegevens te ontlopen. Wat vindt u van deze keuze van uw voorgangers? Heeft u er tijdens uw periode als bewindspersoon ook voor gekozen om een afgeschermde kluis op te zetten? Zo ja, wanneer?
Onze voorgangers hebben gehandeld met de inzichten en mogelijkheden die destijds beschikbaar waren. In onze periode zijn wij niet voor een dergelijke keuze komen te staan.
Bent u het ermee eens dat dit wel zeer sterk de indruk wekt dat de ambtelijke top deze documenten – waar tevens onbewerkte brondata in zaten van discriminerende fraudelijsten – bewust heeft willen verbergen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wij delen deze indruk niet. Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. De datakluis is indertijd als tijdelijke maatregel ingericht, met de bedoeling om de documenten in de kluis volgens geldende regels voor archiefbeheer te ordenen en te archiveren. Er is op dit moment geen zicht op de inhoud van de bestanden die in de datakluis zitten en veilig zijn gesteld van vernietiging.
Wel laat het BDO-rapport wat ons betreft zien dat de Belastingdienst te maken had met verouderde systemen, veel achterstallig werk, processen die niet goed werkten en onvoldoende op orde waren en dat er onvoldoende sensitief werd gewerkt.
Klopt het dat ambtenaren hebben gewaarschuwd? Klopt het dat deze waarschuwingen in de wind zijn geslagen? Kunt u alle onderliggende stukken die betrekking hebben op dit besluit naar de Kamer sturen?
Het klopt dat een medewerker van de Belastingdienst in juni 2022 in het kader van de PEFD tweemaal heeft gevraagd hoe wordt omgegaan met de datakluis. De laatste mail is opgenomen in de bijlage bij de kamerbrief van 10 juli 2026. Voor een volledig beeld treft u ook de eerste e-mail als bijlage bij deze beantwoording.
Uit het rapport van BDO blijkt dat er signalen zijn geweest over het bestaan van de datakluis. Dit zijn dezelfde signalen als waarvan ik in het voorgaande antwoord aangaf, dat het BDO-rapport noch de tijdlijn aanwijzingen bevat dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. BDO beveelt aan om onderzoek te doen naar signalen in het proces van informatievoorziening. In onze brief van 10 juli 2026 hebben wij genoemd dat wij deze aanbeveling onverkort overnemen. Wij willen deze signalen onafhankelijk onderzoeken, door het onderzoek en het opdrachtgeverschap daarvan, onafhankelijk te organiseren. Daarmee gaan we ervan uit dat we dit overzicht van signalen op een later moment aan uw Kamer kunnen verstrekken.
Ook blijkt dat er informatie van ouders in de kluis is gestopt omdat deze niet mocht worden gebruikt volgens de AVG. Wat vindt u hiervan?
Er zijn in dit stadium geen conclusies te trekken, omdat de inhoud van de datakluis nog wordt onderzocht. De datakluis werd gevuld met data afkomstig van netwerkschijven. Deze netwerkschijven betroffen een gedeelde werkomgeving waarop meerdere medewerkers bestanden kunnen opslaan en openen. Deze schijf bevat verschillende type documenten, zoals Word- en PDFdocumenten en PowerPointpresentaties. Deze schijf kan documenten bevatten die ongestructureerd zijn opgeslagen of waarvan de status niet te achterhalen is. De datakluis is niet gevuld vanuit de primair proces systemen. In primair proces systemen zijn fiscale- en toeslaggegevens van burgers en bedrijven opgeslagen. Er kan echter niet uitgesloten worden dat data uit een primair proces systeem is opgeslagen op een netwerkschijf en zodoende ook of als kopie alsnog in de datakluis terecht is gekomen.
Hoe kijkt u terug op uw eerdere verklaringen in mei, toen u verklaarde dat de datakluis «bij toeval» was ontdekt tijdens een opschoningsactie van de harde schijf? De documenten waren volgens u door een «technische fout in de zoeksoftware» ook onvindbaar geworden. Staat u nog steeds achter deze woorden, ondanks het feit dat het BDO-rapport dit tegenspreekt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken niet dat in mei 2026 door mij is gezegd dat de datakluis «bij toeval» is ontdekt. Ik verwijs hiervoor naar de handelingen van het twee minutendebat van 16 april 2026 met uw Kamer.
In 2017 waarschuwde Sandra Palmen als toenmalige Belastingdienst-jurist dat de fiscus intern onrechtmatig handelde bij ouders met kinderopvangtoeslag. Hoe kijkt u naar uw eigen handelen in uw huidige rol als Staatssecretaris ten aanzien van dit onrechtmatig handelen?
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Bent u het ermee eens dat het achterhouden van informatie over de fraudeaanpak raakt aan het vertrouwen van mensen in de overheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het vertrouwen van mensen in de overheid is gebaat bij een overheid die open en transparant handelt. Het achterhouden van informatie kan afbreuk doen aan dat vertrouwen. Het uitgangspunt blijft dat de regering tijdig, volledig en juist informeert en transparant communiceert over de afwegingen die daarbij worden gemaakt.
Dat er mogelijk relevante informatie in de datakluis in de afgelopen jaren niet is doorzocht bij leveringen van informatie aan onder andere de PEFD en daarmee uw Kamer, betreuren wij zeer. Met onze brief van 10 juli 2026 geven wij aan hoe relevante bestanden uit de datakluis zo snel, transparant en zorgvuldig mogelijk alsnog aan uw Kamer en aan burgers en bedrijven kunnen worden geleverd.
Het onderzoek geeft aan dat het Ministerie van Financiën al zes jaar aangaf dat de originele e-mails, spreadsheets en fraudelijsten (RAM, FSV en PIT) niet meer bestaan. Maar in de datakluis blijken nu zelfs de onbewerkte, historische brondata te zitten van de discriminerende selectiecriteria die de Belastingdienst gebruikte. Deze data werden zonder wettelijke basis, dus illegaal, gedeeld met andere overheidsinstanties en particuliere organisaties, zoals banken. Deelt u deze analyse? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het BDO-rapport is er een overzicht van de mappenstructuur van de datakluis. Er is echter nog geen volledige inventarislijst van de inhoud van de datakluis, omdat de datakluis nog niet volledig is geïndexeerd. Deze indexatie wordt op dit moment nog uitgevoerd. Na indexatie zal een inventarislijst worden opgesteld. Ook is nog onbekend of data uit de datakluis zijn gedeeld met andere partijen.
Of de door u genoemde informatie daadwerkelijk in de datakluis zit, zal moeten blijken uit de 3-sporen aanpak zoals we die in de Kamerbrief van 10 juli 2026 op hoofdlijnen hebben geschetst.
Weet u welke straf er staat op het achterhouden van informatie voor een parlementair ondervragingscommissie en een parlementaire enquête?
In artikel 192a van het Wetboek van Strafrecht is het opzettelijk niet voldoen aan een vordering tot inzage of het nemen van afschrift van documenten door een parlementaire enquêtecommissie strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Wat vindt u ervan dat er op het Toeslagendossier een patroon is van informatie achterhouden voor de Kamer? Welke stappen gaat u zetten om dit patroon te doorbreken?
De informatiehuishouding van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen was niet op orde en is dat momenteel ook nog niet volledig. Er zijn inmiddels diverse maatregelen genomen om hier verbeteringen in te realiseren. Denk hierbij aan bewustwording binnen deze diensten over de juiste manier van omgaan met informatie, betere ICT ondersteuning voor document- en archiefbeheer en regelmatige beoordelingen van ontwikkelingen rondom informatiehuishouding en zo nodig aanpassing van processen. Met het programma Informatie op Orde worden de Wet open overheid en de Archiefwet verder geïmplementeerd bij de Belastingdienst. Het streven is om de informatiehuis-houding bij de Belastingdienst per 2026 naar een hoger volwassenheidsniveau te brengen.
Wat zijn volgens u de regels rondom het vertrekken van informatie aan de Kamer? Bent u het ermee eens dat het achterhouden van deze informatie het de Kamer onmogelijk maakt haar controlerende taak uit te voeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In artikel 68 van de Grondwet is de inlichtingenplicht opgenomen. Naast een passieve inlichtingenplicht wordt ook een actieve inlichtingenplicht onderscheiden. Wij zijn ons terdege bewust van deze inlichtingenplicht en daarom is het te allen tijde ons streven om daaraan te voldoen. Juist ook omdat de inlichtingenplicht voortvloeit uit de verantwoordingsplicht voor Ministers en Staatssecretarissen die in het parlementaire stelsel ligt besloten. Als blijkt dat inlichtingen ten onrechte (toch) niet aan uw Kamer zijn verstrekt, dan zal dat alsnog gebeuren. Het tijdig, juist en volledig informeren van uw Kamer staat voor ons voorop.
Hoe reflecteert u op uw eigen handelen in dit dossier het afgelopen jaar?
Het afgelopen jaar is ingezet op het zorgvuldig voortzetten van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagaffaire, de informatievoorziening aan ouders en aan uw Kamer verder te verbeteren en knelpunten waar mogelijk weg te nemen.
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Welke gevoelens roept het bij u op dat ouders tot in de miniemste details informatie verstrekken, terwijl de Belastingdienst zelf een kluis met 64 miljoen documenten verborgen heeft gehouden? En welke gevoelens roept dit volgens u op bij deze ouders?
Het is begrijpelijk dat de berichtgeving over de datakluis ouders raakt en mijn aandacht gaat altijd uit naar de getroffen ouders. Daarom wordt er blijvend ingezet op een zorgvuldige en volledige afhandeling van informatieverzoeken en het verbeteren van de informatiehuishouding. Het uitgangspunt is en blijft dat ouders recht hebben op een zo volledig mogelijke inzage in de informatie die op hun situatie betrekking heeft, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders. Daarbij willen wij benadrukken dat herstel- en compensatiekaders worden gevormd door gebeurtenissen en gevoelens uit iemands levens. Dit staat niet in documenten. De hersteloperatie gaat uit van het verhaal van ouders. Het in de vraagstelling gesuggereerde beeld dat ouders «tot in de minieme details» informatie moeten verstrekken wordt niet herkend.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
‘Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties’ |
|
Erwin Prickaertz (PVV), Emiel van Dijk (PVV) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarbij goede doelen op basis van minimale input (zoals enkel een gedeelde postcode en huisnummer) persoonsgegevens verrijken met buurtkenmerken, WOZ-waarden en leefstijlen zonder dat donateurs hiervan op de hoogte zijn of hier vooraf toestemming voor hebben gegeven?
Goede doelen opereren bij de verwerking van persoonsgegevens binnen het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In de casus zoals deze wordt geschetst in de vraag zou sprake kunnen zijn van gegevensverrijking en profilering ten behoeve van directe marketing. Het verwerken van persoonsgegevens is alleen toegestaan als daarvoor een grondslag bestaat. Artikel 6 van de AVG noemt in dit verband toestemming van de betrokkene, maar ook gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Hiervan kan sprake zijn als de verwerking van gegevens noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang en als de rechten en vrijheden van de betrokkenen niet zwaarder wegen. Of hier sprake is van een gerechtvaardigd belang en of is voldaan aan de overige vereisten die de AVG stelt, is niet aan mij om vast te stellen. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval, in de eerste plaats door de goededoelenorganisatie zelf als verwerkingsverantwoordelijke. De Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en uiteindelijk de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houden toezicht op de naleving van de AVG.
Daarnaast geldt dat – ongeacht de verwerkingsgrondslag – de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikelen 12–14 AVG verplicht is transparantie te bieden over de gegevensverwerking. Dit gebeurt doorgaans met een privacyverklaring, waarin onder andere staat welke gegevens worden verwerkt, voor welke doelen dat gebeurt, welke grondslag van toepassing is, hoe lang de gegevens bewaard worden en met wie deze worden gedeeld. Zoals aangegeven is het toezicht hierop belegd bij de FG en uiteindelijk de AP. Ook daarin is voor mij geen rol weggelegd.
Voor ruim zevenhonderd erkende goede doelen geldt dat het CBF, de onafhankelijke toezichthouder op de goededoelensector, het privacy- en informatiebeveiligingsbeleid van de organisaties controleert en handhaaft waar nodig.2 Het CBF kan daarbij vragen naar de onderbouwing van het beroep op gerechtvaardigd belang. Sinds 2026 houdt het CBF hier scherper toezicht op en doet dat, waar nodig, in afstemming met de AP.
Deelt u de mening dat het gebruik van voorspellende AI-software (zoals Dataro) om specifiek de «nalatenschapsbereidheid» of toekomstige erfenissen van individuele donateurs te voorspellen, een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer die nooit onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)-grondslag «gerechtvaardigd belang» mag vallen? Acht u het ethisch verantwoord dat goede doelen dergelijke technologie inzetten?
De AVG is technologie-neutraal en kent aan artificiële intelligentie (hierna: AI) geen aparte status toe. Wel verplicht artikel 35 van de AVG tot het doen van een DPIA (Data Protection Impact Assessment) als de verwerking waarschijnlijk een hoog risico inhoudt, zoals bij systematische en grootschalige profilering of innovatie met nieuwe technologie. Daarvan kan sprake zijn bij AI-toepassingen. Of sprake is van verantwoord gebruik van technologische verwerkingsmiddelen of -methoden moet in eerste instantie worden beoordeeld door de goededoelenorganisatie als verwerkingsverantwoordelijke, aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval. Artikel 5 van de AVG kent daarbij een verantwoordingsplicht, op grond waarvan de verwerkingsverantwoordelijke het voorgaande moet kunnen aantonen. De AP houdt daarop toezicht.
Met de inzet van AI door organisaties of bedrijven is in principe niets mis, ook niet als goede doelen dat doen. Sterker nog, AI kan in bepaalde situaties juist helpen om dienstverlening of bescherming van consumenten, donateurs en burgers te verbeteren. De inzet van AI dient daarbij plaats te vinden binnen de wettelijke kaders. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders om te bepalen of de inzet rechtmatig plaatsvindt.
Hoe beoordeelt u het belangenconflict dat kan ontstaan wanneer goede doelen via investeringsfondsen financieel deelnemen in commerciële AI-bedrijven die worden ingezet voor het analyseren van hun eigen donateurs? Deelt u de zorg dat hierdoor maatschappelijke en commerciële belangen met elkaar verstrengeld raken, ten koste van de privacy van donateurs?
Het staat stichtingen en verenigingen vrij om investeringen te doen mits de opbrengst daarvan volledig ten goede komt aan het statutaire doel. Stichtingen en verenigingen kunnen ook een ANBI (algemeen nut beogende instelling) status hebben wanneer zij aan verschillende voorwaarden voldoen. Zo moet de organisatie zich onder andere voor minstens 90% inzetten voor het algemeen nut, geen winstoogmerk hebben, en aan strikte integriteits- en transparantie-eisen voldoen. Het is bij investeringen in leveranciers van data- en AI-diensten van belang dat schijn of feitelijke verstrengeling worden voorkomen via transparantie, strikte functiescheiding, onafhankelijke toetsing van privacy- en ethische risico’s en naleving van de toepasselijke wettelijke en sectorspecifieke normen. Dit is vastgelegd in het normenkader van het CBF waaraan erkende goede doelen moeten voldoen (normen 5.3.1 en 5.3.2).
Hoe beoordeelt u de praktijk dat sommige goede doelen na opzegging van een periodieke schenking wel de incasso beëindigen, maar de relatie met de voormalige donateur voortzetten door deze te blijven benaderen voor nieuwe donaties?
Het moet eenvoudig zijn voor donateurs om relaties met en periodieke donaties aan goededoelenorganisaties te beëindigen of aan te passen. Sinds 1 januari 2025 geldt hiervoor ook een aparte norm voor erkende goededoelenorganisaties, inclusief voor commerciële bureaus die werken in opdracht van erkende goede doelen. Hier houdt het CBF toezicht op.4 Daarbij kijkt het onder andere naar de aanwezigheid, vindbaarheid en laagdrempeligheid van de opzegmogelijkheden. Goede doelen hebben daarnaast onder de AVG en Reclame Code de mogelijkheid om oud-donateurs te benaderen na het opzeggen van de relatie, mits dit binnen de door de Reclame Code gestelde klanttermijn valt. Onder de Code Telemarketing geldt bijvoorbeeld een maximum klanttermijn van drie jaar.5 Donateurs en voormalige donateurs hebben daarbij altijd de mogelijkheid van bezwaar.
Donaties aan goede doelen vallen niet onder het algemene consumentenrecht. Dit zijn namelijk overeenkomsten zonder tegenprestatie en kwalificeren niet als dienst in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, onderdeel d, Burgerlijk Wetboek. Ik zie geen aanleiding om het consumentenrecht uit te breiden naar goededoelenorganisaties. Uw Kamer heeft ook in 2024 en 2026 verzocht om goede doelen uit te zonderen van aanscherpingen ter bevordering van consumentenbescherming.6
De Wet Van Dam2 beschermt consumenten tegen onnodige belemmeringen bij het beëindigen van doorlopende overeenkomsten. Hoe beoordeelt u het feit dat goede doelen, die hun fondsenwerving veelal uitbesteden aan commerciële bureaus, in de praktijk drempels hanteren die in de commerciële sector juist zijn uitgebannen? Deelt u de opvatting dat donateurs dezelfde bescherming zouden moeten genieten als consumenten en dat ook op deze praktijken op vergelijkbare wijze zou moeten worden toegezien?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om samen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te bezien of de huidige consumentenbescherming voldoende aansluit bij de werkwijze van goede doelen en de commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan zij gebruikmaken? Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat een donateur een periodieke donatie net zo eenvoudig kan beëindigen als een consument een commercieel abonnement? 2 Burgerlijk Wetboek, boek 2, artikelen 35, 36 en boek 6, artikelen 236, 237.
De ACM is een onafhankelijke toezichthouder. De ACM houdt geen toezicht op (de fondsenwervingsactiviteiten van) goede doelen omdat deze niet onder het algemene consumentenrecht vallen. Het CBF houdt wel toezicht op de werkwijzen van goede doelen, waaronder de wervingsmethoden van commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan goede doelen gebruik maken. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vragen 5 en 6, geldt sinds 1 januari 2025 een aparte norm voor het gemakkelijk kunnen opzeggen van een donateursrelatie of periodieke donatie. Ik heb nauw contact met het CBF, onder andere over haar toezicht en ontwikkelingen in de filantropische sector.
Bent u bekend met de artikelen «Corendon en TUI bieden aan met huidige regeringstoestel te blijven vliegen: «Scheelt belastingbetaler zeker 100 miljoen»» en «Tóch peperduur nieuw regeringstoestel na afwijzen aanbod Corendon en TUI: «Voldoen niet aan specifieke eisen»»?1 2
Klopt het dat het huidige regeringsvliegtuig slechts zeven jaar oud is en nog ongeveer twintig jaar in gebruik zou blijven, als KLM geen overstap op Airbus zou maken?
Klopt het dat de aanschaf van een nieuw regeringstoestel van Airbus minimaal 100 miljoen gaat kosten? Wat zijn de totale te verwachten kosten van de overstap inclusief uitfasering en verkoop van het huidige regeringstoestel?
Klopt het dat luchtvaartmaatschappijen als TUI en Corendon, die wel met de Boeing 737 blijven vliegen, aan alle eisen en regelgeving van de ILT en EASA voldoen? Zo ja, klopt het dat de keuze om ondanks de kosten met KLM te blijven vliegen is gemaakt vanwege vertrouwelijke «aangescherpte eisen aan de operatie van het regeringsvliegtuig zelf, waaronder specifieke security- en operationele eisen»?
Bent u bereid om alsnog met Corendon en TUI in gesprek te gaan, al dan niet in vertrouwelijke setting, om te onderzoeken wat er mogelijk is om aan deze aangescherpte eisen te voldoen in het geval dat een van deze luchtvaartmaatschappijen het vliegen met het huidige regeringstoestel zou overnemen van KLM? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de Kamer, al dan niet in vertrouwelijke setting, te informeren over de «aangescherpte eisen aan de operatie van het regeringsvliegtuig zelf, waaronder specifieke security- en operationele eisen» en wat dit betekent voor luchtvaartmaatschappijen die het uitvoeren van de vluchten van het regeringstoestel zouden willen aanbieden?
Herinnert u zich uw antwoord tijdens het vragenuur op 1 september 2026 aan het lid Van den Berg over een strenge winter in combinatie met langdurige verstoring van LNG-aanvoer of pijpleidinggas, waarin u verwees naar het Nationaal Crisisplan Gas en voldoende gas voor huishoudens, ziekenhuizen en bejaardentehuizen? Kent u tevens de Gasunie-verklaring van 26 augustus en de beoordeling van de Europese Commissie van 3 september 2026?
Op welke actuele berekeningen berust uw verzekering dat deze afnemers komende winter gas blijven ontvangen? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?
Kunt u per gasopslag de actuele voorraad weergeven? Kunt u hierbij aangeven welk deel van is bestemd voor achtereenvolgens reguliere seizoensvraag, contractuele uitvoor en noodinzet? Hoe verwacht u dat dit er op 1 november, aan het einde van het vulseizoen uit zal zien?
Zijn in de berekeningen grootschalige en/of langdurige aanvoeronderbrekingen buiten het systeem gelaten? Heeft u een berekening of analyse die laat zien dat ook in een dergelijke scenario het Nederlandse gassysteem voldoende robuust is? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, hoe kunt u garanderen dat huishoudens niet zonder gas komen te zitten?
Bent u bereid verschillende scenario’s door te laten rekenen van onderbreking van de gasaanvoer waarbij op zijn minst scenario’s als sabotage van een LNG-terminal of internationale pijpleiding gecombineerd met uitzonderlijke koude wordt meegenomen?
Hoe verhoudt de beoogde 5 terawattuur (TWh) tot het nationale vuldoel? Gaat een verlaging van het nationale vuldoel ook (gedeeltelijk) ten koste van deze noodvoorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gegeven aan het advies van Gasunie Transport Services B.V. (GTS) in maart 2026 over het aanleggen van een strategische voorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gekomen na de aangenomen motie over Kussengas van Van den Berg (Kamerstuk 29 023, nr. 634)? In hoeverre is deze motie überhaupt uitgevoerd? In het geval dat onvolledig is, waarom voert u moties van de Kamer niet uit?
Welke concrete Europese voorstellen zijn gedaan ter uitvoering van motie (Kamerstuk 29 023, nr. 633) over kostendeling naar gasconsumptie of -import? Hoe worden kosten en aanspraken verdeeld tussen Nederlandse afnemers en andere lidstaten, welke invloed heeft dit op de energierekening en hoe verhouden inzetafspraken zich tot solidariteitsverplichtingen?
Welke actuele afschakelvolgorde, bevoegdheden en voorbereide uitvoeringsmaatregelen gelden bij een tekort, en welke categorieën zijn juridisch beschermd en respectievelijk door solidariteit beschermd? Hoe verhoudt uw verzekering van 1 september zich tot de uiterste maatregelen C.8 en C.9 in het gepubliceerde Bescherm- en Herstelplan Gas? Welke informatie krijgen bedrijven vooraf over veilige stillegging en herstart?
Wilt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk vóór 1 oktober 2026 beantwoorden en de onderliggende scenario’s, berekeningen en analyses meesturen? Mocht een volledige doorrekening bij een vraag niet haalbaar zijn, kunt u dan een schatting meesturen en een volledige doorrekening nasturen?
De veiligheidsrisico's van geavanceerde kunstmatige intelligentie |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Anthropic-onderzoeker neemt ontslag: OpenAI en Anthropic handelen onverantwoordelijk en gokken met ons leven»1 en het bericht «Anthropic-medewerker: kans bestaat dat AI de mensheid uitroeit»2, waarin onderzoekers van vooraanstaande AI-bedrijven waarschuwen voor ernstige veiligheidsrisico’s van steeds krachtigere AI-systemen?
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van deze onderzoekers dat de ontwikkeling van zeer geavanceerde AI-systemen sneller verloopt dan de ontwikkeling van adequate veiligheidsmaatregelen en beheersingsmechanismen? Welke conclusies verbindt u daaraan?
Heeft het kabinet scenarioanalyses laten uitvoeren naar de gevolgen van geavanceerde AI voor de nationale veiligheid, waaronder cyberaanvallen, beïnvloeding van democratische processen, sabotage van vitale infrastructuur, militaire toepassingen en andere hybride dreigingen? Zo ja, kunt u de belangrijkste bevindingen met de Kamer delen?
In hoeverre acht u het bestaande nationale, Europese en internationale normatieve kader, waaronder de AI Act, toereikend voor het beheersen van risico's die voortvloeien uit de ontwikkeling van zeer krachtige algemene AI-modellen en toekomstige frontier AI-systemen?
Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om de digitale weerbaarheid van Nederland te versterken tegen risico's die samenhangen met geavanceerde AI-systemen, in het bijzonder waar het gaat om vitale infrastructuur, overheidsorganisaties, defensie en de bescherming van burgers?
Hoe geeft het kabinet, mede in het licht van het streven naar een digitaal weerbare samenleving, invulling aan het voorzorgsbeginsel bij de ontwikkeling en toepassing van zeer geavanceerde AI-systemen waarvan de maatschappelijke gevolgen mogelijk verstrekkend en onomkeerbaar zijn?
Deelt u de zorg dat een internationale concurrentiestrijd tussen staten en marktpartijen kan leiden tot een situatie waarin veiligheidsbelangen ondergeschikt raken aan technologische en economische belangen? Zo ja, hoe wordt dit risico in het kabinetsbeleid geadresseerd?
Herkent u de zorgen die leven rondom superintelligente AI en het risico dat de mens niet meer in staat is deze ontwikkeling te stoppen? Deelt u de mening dat een verbod hierop wenselijk is?
Bent u bereid binnen de Europese Unie en internationale gremia te pleiten voor aanvullende afspraken over de ontwikkeling van geavanceerde AI, een verbod op superintelligente AI, en de mogelijkheid om tijdelijk een pas op de plaats te maken bij de ontwikkeling van krachtige AI-systemen zonder dat de risico’s voldoende helder zijn?
Kunt u de Kamer voor het einde van dit jaar informeren over de kabinetsinzet en de mogelijkheden en wenselijkheid van aanvullende waarborgen voor geavanceerde, superintelligente AI, waaronder de mogelijkheid van een tijdelijke ontwikkelpauze voor de krachtigste AI-systemen?
De afbouw van het toezicht op de Nederlandse taximarkt. |
|
Maarten Goudzwaard (JA21), Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel fte binnen de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in de jaren 2022, 2023, 2024, 2025 en 2026 daadwerkelijk beschikbaar was voor het toezicht en de handhaving op het taxivervoer, uitgesplitst naar weginspecties, bedrijfsinspecties en digitale inspecties, en welke capaciteit hiervoor in 2027 en 2028 is voorzien?
Klopt het dat de operationele capaciteit voor het toezicht op het taxivervoer de afgelopen jaren aanzienlijk is teruggebracht en dat verdere afbouw wordt overwogen of al is besloten? Zo ja, wie heeft hiertoe besloten, welke doelstellingen liggen hieraan ten grondslag en welke risicoanalyse is voorafgaand aan dit besluit uitgevoerd?
Bent u bereid de aan dit besluit ten grondslag liggende risicoanalyse met de Kamer te delen?
Bent u bekend met signalen vanuit bonafide taxiondernemers en andere partijen binnen de branche dat juist behoefte bestaat aan meer zichtbaar en effectief toezicht? Zo ja, hoe zijn deze signalen meegewogen en welke brancheorganisaties, ondernemers, toezichthouders, opsporingsdiensten en andere ketenpartners zijn voorafgaand aan de afbouw geraadpleegd?
Hoe verhoudt de afbouw van gespecialiseerd landelijk taxitoezicht zich tot de ambitie van het kabinet om te komen tot een slagvaardige overheid die effectief handhaaft en risico's voor burgers en samenleving beheerst?
Welke concrete handhavingsstrategie rechtvaardigt de conclusie dat verkeersveiligheid, passagiersveiligheid, eerlijke concurrentie en de aanpak van fraude en criminaliteit met aanzienlijk minder gespecialiseerde toezichtcapaciteit op minimaal hetzelfde niveau kunnen worden beschermd?
Welke concrete toezicht- en handhavingstaken vervallen of worden verminderd wanneer de fysieke aanwezigheid van gespecialiseerde ILT-inspecteurs verder wordt afgebouwd en welke instantie neemt deze taken over?
Kunt u per over te nemen taak aangeven welke organisatie beschikt over dezelfde wettelijke bevoegdheden, toegang tot relevante systemen, specialistische kennis en mogelijkheden om bestuursrechtelijk op te treden als de ILT? Hoe wordt een eventueel handhavingstekort opgevangen als geen andere instantie over een gelijkwaardig instrumentarium beschikt?
Welke gevolgen heeft de afbouw van de ILT-capaciteit voor gezamenlijke taxicontroles met politie, Koninklijke Marechaussee, gemeentelijke handhavers en de RDW, en hoeveel gezamenlijke controles hebben in 2023, 2024, 2025 en 2026 plaatsgevonden, hoeveel overtredingen zijn daarbij vastgesteld en tot hoeveel interventies hebben deze geleid?
Hoe wordt met hoofdzakelijk digitaal toezicht vastgesteld dat een chauffeur of onderneming doelbewust geen, onjuiste of gemanipuleerde gegevens registreert, zonder geldige chauffeurskaart rijdt, illegaal taxivervoer verricht of zich anderszins buiten het reguliere toezicht probeert te plaatsen?
Deelt u de opvatting dat informatiegestuurd toezicht alleen effectief kan zijn wanneer signalen uit data daadwerkelijk kunnen leiden tot fysieke controles en handhavend optreden? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt bij een verdere vermindering van fysieke controles effectief gehandhaafd op ondernemingen en chauffeurs die structureel de wettelijke arbeids- en rusttijden overtreden en hoe wordt voorkomen dat niet-naleving financieel aantrekkelijker wordt dan naleving?
Welke analyse is gemaakt van de gevolgen van verminderd toezicht op arbeids- en rusttijden voor vermoeidheid achter het stuur en daarmee voor de verkeers- en passagiersveiligheid?
Heeft u onderzocht wat een sterk verminderde pakkans doet met de nalevingsbereidheid binnen de taximarkt? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Welke gevolgen heeft de vermindering van fysiek taxitoezicht voor de bescherming van kwetsbare passagiers, waaronder kinderen, ouderen en personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, en hoe wordt gecontroleerd dat chauffeurs die deze passagiers vervoeren over de vereiste bevoegdheden en een geldige chauffeurskaart beschikken?
Welke gevolgen van de afbouw van fysiek toezicht voor de informatiepositie en aanpak van fraude, illegaal taxivervoer en ondermijnende criminaliteit zijn onderzocht? Welke organisaties nemen de signalerende en handhavende rol over wanneer de aanwezigheid van gespecialiseerde ILT-inspecteurs verder afneemt?
Beschikt de politie over dezelfde technische middelen, toegang tot toezichtsystemen, specialistische kennis en wettelijke bevoegdheden als de ILT om onder meer taxi-registraties uit te lezen, arbeids- en rusttijden te controleren, mogelijke manipulatie vast te stellen, relevante gegevens te raadplegen en naar aanleiding daarvan handhavend op te treden?
Hoe kan van de politie worden verwacht dat zij het wegvallen van gespecialiseerd ILT-toezicht opvangt indien zij niet over een gelijkwaardig instrumentarium beschikt, hoeveel extra politiecapaciteit zou hiervoor nodig zijn en wordt deze capaciteit daadwerkelijk beschikbaar gesteld?
Kunt u garanderen dat de afbouw van ILT-toezicht niet leidt tot minder controles, minder signalering van overtredingen en een lagere pakkans doordat de politie andere urgente taken voorrang moet geven?
Hoe rechtvaardigt u dat taxiondernemers wettelijk worden verplicht te investeren in de Centrale Database Taxivervoer (CDT) en daarvoor tijd en geld moeten besteden aan apparatuur, software en dienstverlening, terwijl tegelijkertijd het gespecialiseerde toezicht waarvoor deze gegevens worden verzameld wordt afgebouwd?
Welke publieke en private investeringen zijn inmiddels gedaan en nog voorzien voor de CDT, welke structurele kosten brengt dit voor taxiondernemers mee en welke concrete toezichtcapaciteit zal beschikbaar zijn om de aangeleverde gegevens daadwerkelijk te analyseren en waar nodig fysiek te handhaven?
Is al besloten om het toezicht op illegaal taxivervoer, doelgroepenvervoer of andere onderdelen van het taxitoezicht geheel of gedeeltelijk te verminderen, op te schorten of te beëindigen? Zo ja, per wanneer, door wie en op basis van welke risicoanalyse?
Welke structurele financiële besparing wordt met de afbouw van het taxitoezicht gerealiseerd en zijn daarbij ook de mogelijke maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid, fraude, illegaal taxivervoer, belasting- en premieontduiking, oneerlijke concurrentie en criminaliteit betrokken? Bent u bereid deze kosten-batenafweging met de Kamer te delen?
Welke vooraf vastgestelde en meetbare criteria gebruikt u om achteraf vast te stellen of de afbouw van het taxitoezicht verantwoord is geweest, wordt daarbij in ieder geval gekeken naar het aantal controles, geconstateerde overtredingen, illegaal taxivervoer, verkeersveiligheid, fraude, ondermijning en pakkans, en wanneer wordt deze evaluatie met de Kamer gedeeld?
Bent u bereid de verdere afbouw van het gespecialiseerde taxitoezicht te heroverwegen wanneer blijkt dat overtredingen, fraude, illegaal taxivervoer, verkeersonveiligheid of problemen met het gelijke speelveld toenemen? Zo nee, waarom niet?
Het artikel dat stelt dat de benzineprijs naar een recordhoogte is gestegen en richting de € 3,00 per liter gaat |
|
Hidde Heutink (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte dat de benzineprijs met € 2,721 per liter naar een recordhoogte is gestegen en wat is uw reactie hierop?1
Bent u van plan de accijnzen per direct te verlagen om automobilisten te ontlasten? Zo nee, waarom kiest u ervoor de automobilisten de exorbitante prijsstijging van brandstof zelf te laten ophoesten?
Bij welke benzineprijs moet volgens u worden ingegrepen als de stijging van de adviesprijs voor benzine zich doorzet? Indien u daar geen specifiek antwoord op kan of wil geven, wilt u dan toelichten waarom?
Deelt u de opvatting dat brandstof voor miljoenen Nederlanders geen luxeproduct is, maar een noodzakelijke uitgave om bijvoorbeeld naar het werk, bij familie of bij (sociale) voorzieningen te komen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten hoe de adviesprijs van een liter benzine is opgebouwd en per uitsplitsing aangeven wat de regering kan doen om de kosten te drukken?
Hoe legt u aan automobilisten uit dat zij inmiddels recordbedragen aan de pomp moeten betalen, terwijl de regering, dat via de btw en accijns op brandstof, miljarden binnenhaalt maar dat geld liever aan zaken zoals ontwikkelingshulp uitgeeft?
Hoeveel euro ontvangt de Nederlandse overheid aan accijns en btw bij een liter benzine met een verkoopprijs van € 2,721 in totaal?
Bent u het eens met de stelling dat de huidige accijnsverlaging niet langer genoeg is en dat automobilisten meer compensatie verdienen dan ze nu krijgen? Zo ja, waarom blijven extra maatregelen dan uit? Zo nee, waarom niet?
Kunt u garanderen dat de accijns per 1 januari 2027 in elk geval niet zullen worden verhoogd? Zo nee, waarom niet?
De duurzaamheidsvoorwaarden aan de subsidie van Indirecte Kosten Compensatie (IKC) |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bedrijven die de subsidie op grond van de Subsidieregeling Indirecte Kosten Compensatie (IKC) toegewezen krijgen, moeten voldoen aan de voorwaarde dat voor elk jaar dat de IKC is toegekend, de maatregelen die met de subsidie gefinancierd worden moeten resulteren in minimaal 3% minder CO2-uitstoot vergeleken met 2020?
Klopt het dat er een uitzondering is voor bedrijven die menen dat «de gevraagde CO2-vermindering van 3% per subsidiejaar in uw specifieke bedrijfssituatie niet haalbaar» is, waarna ze een extra plan moeten indienen om aan te tonen dat minstens 30% van het elektriciteitsverbruik uit koolstofvrije bronnen komt?
Kunt u voor elk jaar sinds 2020 waarin de IKC is opengesteld aangeven hoeveel bedrijven gebruik hebben gemaakt van de genoemde uitzondering, en voor welk subsidiebedrag deze bedrijven IKC (voorlopig) toegekend hebben gekregen of hebben aangevraagd?
Hoe vaak is er inmiddels IKC subsidie toegekend waarvoor CO2-reductie een voorwaarde was?
Is er voor IKC toegekend in eerdere jaren inmiddels een eerste controle geweest of de CO2-reductie die als voorwaarde werd gesteld ook daadwerkelijk gehaald is? Zo ja, wat kunt u zeggen over de uitkomsten hiervan?
Van de bedrijven die eerder IKC-subsidie toegekend hebben gekregen, hoeveel daarvan hebben de 3% reductie voor elk jaar dat ze subsidie kregen niet gehaald?
Hoeveel geld is er al teruggevorderd van de IKC vanwege het niet behalen van de CO2-reductiedoelstellingen?
Kunt u per bedrijf dat IKC-subsidie toegekend heeft gekregen sinds 2020 aangeven hoeveel IKC ze per jaar hebben ontvangen, hoeveel CO2-reductie er is gerealiseerd door maatregelen die zijn gefinancierd door de IKC-subsidie en hoeveel CO2-reductie voor de komende jaren nog is toegezegd als voorwaarde voor het verkrijgen van de IKC-subsidie?
Als u dit niet per bedrijf kunt aangeven, kunt u dit dan per sector uitsplitsen?
Kunt u aangeven of de RVO elke monitoringsrapportage controleert of dat dit slechts steekproefsgewijs gebeurt? Op welke andere manieren wordt gecontroleerd of een bedrijf heeft voldaan aan de vereisten voor de subsidie?
Welke instantie is verantwoordelijk voor het terugvorderen van de IKC-subsidie als niet wordt voldaan aan de CO2-reductie vereisten? Hoe werkt dit proces en wat zijn de tijdslijnen daarbij?
Bent u bereid op regelmatige basis meer transparantie te geven over de inzet van de IKC, waaronder de geplande en gerealiseerde CO2-reductie als gevolg van deze subsidie? Zo nee, waarom niet?
Heeft Tata Steel gebruikgemaakt van de uitzonderingsregeling en dus de verplichting om 30% van het elektriciteitsverbruik uit duurzame bronnen te halen? Zo nee, welke reductie wordt er volgens het bedrijf behaald?
Hoe kan het dat de Nederlandse Emmissieautoriteit de CO2-uitstoot van Tata Steel (inclusief Vattenfall centrales) tussen 2020 (basisjaar) en 2025 nagenoeg gelijk is gebleven met 10,9 Mton uitstoot en de uitstoot per ton geproduceerd staal volgens de jaarverslagen van het bedrijf afgenomen is van 1,77 naar 1,72 ton CO2 per ton vloeibaar staal (2,3% in 5 jaar), terwijl ze in de periode 2021–2025 ruim 120 miljoen euro IKC-subsidie ontvingen?
Kan Tata Steel hun «Heracless groen staal plan» aandragen om te voldoen aan de uitzondering voor de IKC-subsidie? Zo ja, hoe voorkomt u dat er dubbele subsidie wordt gegeven voor de CO2-reductie die Tata zegt te zullen reduceren?
Indien u niet op individuele situaties in wilt gaan, kunt u in algemene bewoording aangeven hoe u ervoor zorgt dat bedrijven geen dubbele subsidie krijgen in de vorm van maatwerksubsidie en IKC-subsidie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de beantwoordingstermijn beantwoorden?
Het bericht dat Nederland zich mengt met tientallen satellieten in de strijd om de ruimte |
|
Michelle Jagtenberg (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland mengt zich met tientallen satellieten in strijd om de ruimte: We kunnen niet om SpaceX heen»?1
Hoe voorkomt u dat Nederland voor kritieke ruimtecapaciteiten afhankelijk blijft van niet-Europese partijen en hoe stimuleert u juist zoveel mogelijk Europese samenwerking?
Bent u voornemens om samen met andere Europese landen op te trekken om de schaal van Europese ruimtecapaciteiten te vergroten en Nederland daarin als koploper te positioneren? Sluit Nederland bijvoorbeeld aan bij European Defence Projects of Common Interest rondom Space of andere EU-instrumenten? Zo nee, is Defensie voornemens dit zelf te initiëren?
Bent u van mening dat investeren in de Nederlandse (en Europese) ruimtevaartsector een win-win-winscenario kan opleveren, doordat hiermee zowel de operationele beschikbaarheid van Defensie, de strategische autonomie, de veiligheid van vitale infrastructuur als het economisch belang van de Nederlandse ruimtevaartsector worden versterkt?
Hoe kijkt u naar de lange termijn ruimtevaartagenda en de daarin uitgesproken ambitie om toe te groeien naar de ESA-norm? Bent u bereid hiervoor een concreet ingroeipad uit te werken?
Overwegende dat meerdere departementen ambities en belangen hebben in het ruimtedomein en ze elkaar kunnen versterken, hoe gaat u dit interdepartementaal borgen?
Overwegende dat in de Defensienota is aangekondigd dat een Space Command wordt opgezet, kunt u aangeven welk tijdspad u voor ogen heeft en welke concrete doelen en taken dit Space Command krijgt?
Hoe vertaalt u de ambities uit de Defensienota naar een meerjarige capability roadmap voor het ruimtedomein en hoe bent u voornemens hier vanuit de «Gouden Driehoek» (overheid, industrie en kennisinstellingen) in op te lopen?
Hoe beschermt Nederland zijn eigen ruimte-infrastructuur, inclusief het grondsegment, gezien de toenemende afhankelijkheid van ruimtecapaciteiten voor veiligheid, economie en duurzaamheid en het toenemende dreigingsbeeld?
Hoe realiseert Nederland een onafhankelijke toegang tot de ruimte? Heeft u onderzocht welke toegevoegde waarde een Nederlandse of Benelux-lanceercapaciteit kan hebben voor de strategische autonomie van Nederland en Europa? Is daarbij ook gekeken naar mogelijkheden binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk?
Hoe gaat u instrumenten zoals NADI en de Defensie Innovatie Opschalingsautoriteit benutten voor de Nederlandse ruimtevaartsector? En welke rol ziet u voor zichzelf als launching customer?
De verrekenprijsrapporten van Shell (Shell files) |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heef u kennisgenomen van (1) de publicatie van onderzoeksplatform Follow the Money op 23 juli 2026 «Ontluisterend en illegaal»: hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen», (2) het artikel in het Financieel Dagblad van 23 juli 2026 «Shell ontliep belasting door geen winst te maken op dienstverlening vanuit Nederland», (3) het door SOMO op 23 juli 2026 gepubliceerde onderzoeksrapport «The Shell Files: Exposing how corporations can use transfer pricing to avoid taxes» en (4) het memorandum van 23 juli 2026 van hoogleraar belastingrecht Van de Streek «Shell-files: wereldwijde transfer pricing mispricing in het kader van winstbelastingen»?
Heeft u tevens kennisgenomen van de drie door Follow the Money en SOMO (gedeeltelijk) openbaar gemaakte verrekenprijsrapporten van Shell, te weten (1) WONA Crude Trading & Supply Global Transfer Pricing Report 2019, (2) Royalty Fees Transactions Shell Timur Sendirian Berhad Shell Malaysia Trading Sendirian Berhad 2017 en (3) Upstream Cost Sharing Global Transfer Pricing Report 2019?1
Bent u bereid om aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet inlichtingen te verstrekken over de zakelijkheid van de excessieve handelswinsten van Shell, die neerslaan op de Bahama’s, de arbitraire verkoopwinsten van benzine (Shell tankstations), die neerslaan in Zwitserland en de dienstverlening vanuit Nederland tegen de kostprijs?
Bent u het ermee eens dat in dit geval het staatsbelang zich niet verzet tegen het verstrekken van deze inlichtingen aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet, omdat de vertrouwelijkheid van Shells verrekenprijsrapporten niet langer in het geding is vanwege de openbaarheid van deze rapporten?
Kunt u toelichten in hoeverre er wat u betreft sprake is van «agressieve belastingontwijking», zoals hoogleraar Van de Streek schrijft, op het moment dat een oliebedrijf de eigen opgepompte olie verkoopt aan een bedrijfsonderdeel dat gevestigd is in een belastingparadijs en de olie vervolgens met veel winst verkoopt aan een ander bedrijfsonderdeel? Wat zijn volgens u andere redenen dan fiscale waarom een dergelijk handelskantoor binnen één bedrijfsgroep veel winst zou maken? Wat zijn redenen anders dan fiscale om een dergelijk handelskantoor te vestigen op de Bahama’s?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met handelskantoren van multinationals in de olie- en gasindustrie? Is het gebruikelijk dat een dergelijk handelskantoor, met een zeer beperkte personeelsbezetting, een meer dan routinematige winst behaalt?
Is er wat u betreft sprake van agressieve belastingontwijking in het geval van het handelskantoor van Shell op de Bahama’s? Kunt u deze vraag beantwoorden op basis van reeds openbare informatie uit de Shell-files, waarbij de fiscale geheimhoudingsplicht dus niet geschonden hoeft te worden?
In hoeverre vindt u dat gesproken kan worden van agressieve belastingontwijking op het moment dat een multinational al haar intellectueel eigendom onderbrengt in een belastingparadijs, zoals Zwitserland, waar slechts tien procent belasting betaald hoeft te worden over de winsten die voortvloeien uit dat intellectuele eigendom? In hoeverre is er sprake van agressieve belastingontwijking op het moment dat de hoogte van de royalties voor het intellectuele eigendom bepaald wordt op basis van een achterhaalde vuistregel, zoals de 25 procent-regel?
Is het gebruik van een dergelijke vuistregel volgens u in strijd met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met royalty’s, die een Nederlandse verkoopmaatschappij betaalt aan een gelieerde IP-company voor het gebruik van merken en logo’s? Staat de Belastingdienst toe dat de hoogte van de aftrekbare royalty’s wordt gebaseerd op vuistregels, en zo ja, welke vuistregels?
Kunt u op basis van de openbare Shell-files toelichten of de in die files beschreven situatie in strijd is met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Is daarbij sprake van belastingontwijking? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking met prioriteit zoveel mogelijk aangepakt moet worden? Wat gaat u doen om de beschreven vormen van belastingontwijking tegen te gaan?
Bent u bereid om, net zoals naar aanleiding van de Uber files in 2022, een onderzoekscommissie in te stellen met leden van de Belastingdienst aangevuld met externe deskundigen, die het handelen van de Belastingdienst bij de transacties uit de openbare verrekenprijsrapporten beoordeelt op fiscaal-juridische juistheid en rechtsstatelijkheid, waaronder eenheid van beleid?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met diensten die door Nederlandse centrale servicemaatschappijen worden verleend aan andere groepsmaatschappijen? Staat de Belastingdienst na 2022 toe dat een winstopslag achterwege blijft op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, ook als die door een aparte servicemaatschappij worden verricht? Staat de Belastingdienst bij andere diensten toe dat een kostenopslag achterwege blijft, zoals op technische diensten of adviesdiensten (managementadvies over onder andere ondernemingsstrategie)?
Zijn er in de afgelopen tien jaar situaties bekend waarbij de Belastingdienst akkoord is gegaan met het achterwege blijven van een winstopslag op andere diensten dan ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde? Zo ja, kan de Staatssecretaris deze situaties in geanonimiseerde vorm publiceren?
Klopt het dat de goedkeuring, die gold tot in 2022 om een winstopslag achterwege te laten op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, een Nederlandse veilige-havenregeling was op verrekenprijsgebied?2 Zo ja, kunt u aangeven hoeveel meldingen er bij de Belastingdienst zijn gedaan over de toepassing van deze goedkeuring op grond van de meldingsplicht voor potentieel agressieve fiscale constructies?3 Heeft de Belastingdienst na de intrekking van de goedkeuring gericht toezicht gehouden op de hoogte van de in aanmerking te nemen winstopslag?
In hoeverre bestaat volgens u het risico dat de Europese Commissie zal oordelen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun in gevallen waarin de Belastingdienst toestaat of heeft toegestaan dat diensten binnen een groep tegen kostprijs worden verricht? Wat zouden de gevolgen hiervan zijn voor Nederland? In hoeverre bestaat de risico voor de situatie zoals beschreven in de Shell-files?
Wat is de Nederlandse inbreng in het comité van de OESO voor Fiscale Zaken over de aankomende update van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen over dienstverlening?4 Neemt Nederland een standpunt in over het wel of niet in aanmerking nemen van een winstopslag?
Wat vindt u van het idee om bij het aankomende Belastingplan in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een voorschrift op te nemen dat een zakelijke prijs voor intra-groepsdienstverlening hoger is dan de kostprijs, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Zou een dergelijke verzwaarde bewijslast voor bedrijven een einde kunnen maken aan eventueel historisch gegroeide praktijken?
In hoeverre bent u het ermee eens dat het systeem van verrekenprijzen en het zakelijkheidsbeginsel structureel falen in het eerlijk toerekenen van winsten tussen landen? Ziet u mogelijkheden voor alternatieve systemen, waarmee belastingontwijking effectiever voorkomen kan worden?
Wat is de Nederlandse opstelling tijdens gesprekken en onderhandelingen over een VN-belastingverdrag? In hoeverre bent u het ermee eens dat Nederland zich constructief moet opstellen als het gaat om dit onderwerp, ook als het gaat om vervanging van OESO-afspraken door VN-afspraken? In hoeverre is dat volgens u nu het geval?
Waarom worden door de Belastingdienst (CGVP) ingenomen standpunten over transfer pricing-aangelegenheden die precedentwerking kunnen hebben of die kunnen worden opgevat als (een begin van) beleid, niet gepubliceerd?5 Bent u bereid om deze standpunten, net als kennisgroepstandpunten, voortaan openbaar te maken op de website van de Belastingdienst?
Bent u het eens met de recente constatering van belastinghoogleraar Van der Hel-Van Dijk dat de verplichting om fiscale landenrapporten (Public Country-by-Country Reporting) vanaf 2025 openbaar te maken er (helaas) niet voor zorgt dat de publieke controle op het belastinggedrag van multinationals verbetert?6
De Nationale Investeringsinstelling en publieke investeringscapaciteit |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eelco Heinen (VVD), Herbert |
|
|
|
|
Hoe kunnen Invest-NL en Invest International in de periode tot de oprichting van de Nationale Investeringsinstelling (NII) voldoende invulling blijven geven aan de investeringsopgaven uit de Wennink-agenda?
Wanneer bereiken Invest-NL en Invest International naar verwachting de grens van hun huidige investeringscapaciteit?
Vanaf welk moment kunnen zij zonder aanvullende kapitaalstorting geen nieuwe verplichtingen meer aangaan?
Hoe groot is naar verwachting de aanvullende kapitaalbehoefte van Invest-NL en Invest International tot het moment waarop de NII volledig operationeel is?
Bent u bereid om vóór de oprichting van de NII een deel van de hiervoor gereserveerde € 3,3 miljard beschikbaar te stellen aan Invest-NL en Invest International om te voorkomen dat in de tussenliggende periode een financieringsgat ontstaat?
Welke inhoudelijke en sectorale kaders bent u voornemens mee te geven aan de NII?
Op welke wijze wordt de Kamer betrokken bij het vaststellen en controleren van deze kaders?
Hoe wordt geborgd dat Invest-NL, Invest International en de toekomstige NII zich binnen de door regering en Kamer vastgestelde kaders richten op het versterken van het Nederlandse verdienvermogen en de strategische economische positie van Nederland?
Welk budget is beschikbaar voor projecten die bijdragen aan de winning, verwerking, recycling en veilige aanvoer van kritieke grondstoffen en materialen?
Bent u van mening dat de huidige financieringsmogelijkheden voldoende zijn voor strategische grondstoffenprojecten met lange looptijden, hoge aanvangsrisico’s of een onrendabele top? Zo nee, bent u bereid de huidige staatsinvesteerders hiervoor een afzonderlijk financieringsinstrument of gericht mandaat te geven?
Welke concrete projecten en waardeketens op het gebied van kritieke grondstoffen kunnen Invest-NL en Invest International de komende twee jaar ondersteunen en welk publiek budget is hiervoor naar verwachting nodig?
Hoeveel privaat en Europees kapitaal kan met publieke investeringen in deze projecten naar verwachting worden gemobiliseerd en hoe weegt u deze hefboomwerking mee bij de verdere vormgeving van de NII?
Bouwprojecten die door de schorsing van kwaliteitsborgers dreigen stil te vallen |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tot dertienhonderd bouwprojecten dreigen stil te vallen door schorsing controleur»?1
Wat is uw reactie op dit bericht?
Klopt het dat tot ongeveer 1.300 lopende bouwprojecten geraakt worden door de recente schorsing van één of meer kwaliteitsborgers? Kunt u aangeven hoeveel projecten daadwerkelijk zijn stilgelegd of op korte termijn dreigen te worden stilgelegd?
Wanneer zijn uw ministerie en de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw op de hoogte geraakt van de problemen bij de betrokken kwaliteitsborgers? Welke maatregelen zijn sinds dat moment genomen om de gevolgen voor lopende bouwprojecten te beperken?
Deelt u de opvatting dat het stilleggen van mogelijk honderden bouwprojecten grote gevolgen kan hebben voor woningzoekenden, bouwbedrijven en opdrachtgevers, en dat bij de huidige woningnood iedere vermijdbare bouwstop moet worden voorkomen?
Klopt het bericht dat gemeenten zich genoodzaakt kunnen zien de bouw stil te leggen totdat de schorsing wordt opgeheven of een andere kwaliteitsborger via een nieuwe bouwmelding is aangesteld? Op welke wettelijke bepalingen en regels is dit precies gebaseerd?
Klopt tevens het bericht dat de Toelatingsorganisatie stelt dat bij een schorsing geen nieuwe projecten mogen worden aangenomen, maar dat lopende projecten in de regel mogen worden afgemaakt?
Kunt u op korte termijn samen met de Toelatingsorganisatie, de VNG, de instrumentaanbieders en de bouwsector tot één landelijke handelwijze komen, zodat gemeenten en bouwers niet ieder afzonderlijk hoeven uit te zoeken of en onder welke voorwaarden kan worden doorgebouwd?
Welke mogelijkheden bestaan er om lopende projecten waarbij geen concrete twijfel bestaat over de uitgevoerde controles, tijdelijk en onder aanvullende voorwaarden te laten doorgaan?
Kan voor getroffen projecten een versnelde overdracht naar een andere erkende kwaliteitsborger worden georganiseerd, waarbij eerder uitgevoerde en deugdelijk gedocumenteerde controles zoveel mogelijk worden overgenomen?
Is er bij de overige kwaliteitsborgers voldoende capaciteit om de getroffen projecten snel over te nemen? Zo nee, welke maatregelen neemt u om deze capaciteit tijdelijk te vergroten en welke maximale overdrachtstermijn acht u aanvaardbaar?
Bent u bereid een landelijk coördinatiepunt in te richten waar in de toekomst opdrachtgevers, aannemers en gemeenten getroffen projecten kunnen aanmelden en ondersteuning krijgen bij het vinden van een vervangende kwaliteitsborger?
Wie draagt de kosten van stillegging, vertraging, aanvullende controles en het inschakelen van een nieuwe kwaliteitsborger? Acht u het aanvaardbaar dat de schorsing van één grotere kwaliteitsborger zoveel bouwprojecten tegelijk kan raken? Wat zegt dit volgens u over de concentratie, capaciteit en kwetsbaarheid van het stelsel?
Was bij de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen voorzien in een continuïteitsregeling voor het faillissement, wegvallen of de schorsing van een grote kwaliteitsborger? Zo nee, bent u bereid zo’n regeling alsnog op te stellen?
Kunt u deze vragen gezien de dreigende bouwstops en de gevolgen voor toekomstige bewoners, bouwers en opdrachtgevers en met spoed beantwoorden?
Het artikel dat China Europa nu ook bestormt met medische apparaten |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Aerdts , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «China bestormt Europa nu ook met medische apparaten» naar aanleiding van de podcast Dagkoers van het Financieele Dagblad?1
Wordt er in Nederlandse ziekenhuizen momenteel gebruik gemaakt van Chinese medische technologie? Zo ja, om wat voor technologie gaat het en worden er ook gevoelige persoonsgegevens verwerkt, behandeld of opgeslagen? Wie voert de updates uit en doet het onderhoud van deze technologie?
Klopt het dat het St. Antonius Ziekenhuis gebruikmaakt van patiëntmonitoren van een Chinees bedrijf? Zo ja, wat vindt u hiervan, hoe wordt bescherming van patiëntgegevens gewaarborgd? Zijn er (Europese) alternatieven?
Op welke wijze is gewaarborgd dat medische gegevens van Nederlanders niet in handen komen van niet-Europese bedrijven of organisaties?
Deelt u de zorgen omtrent spionage, misbruik en privacy bij het gebruik van medische technologie van Chinese aanbieders? Zo nee, waarom niet?
Welke bevoegdheden hebt u om te garanderen dat medische informatie niet in Chinese handen komt te vallen? Als deze bevoegdheden onvoldoende zijn, aan welke mogelijkheden denkt u om dit wel te kunnen garanderen?
Deelt u de wens dat Nederland en Europa voor medische technologie niet te afhankelijk mogen worden van Chinese aanbieders? Zo ja, wat doet u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de wens dat het goed zou zijn om waar mogelijk te investeren in Nederlandse en Europese alternatieven zodat zorginstellingen, zoals ziekenhuizen, kunnen kiezen voor veilige alternatieven? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van zelfregulering in deze sector, nu een zelf opgelegde norm bij een groot nieuw project ruim wordt overschreden?1
Kunt u toelichten welke informatie het Rijk op dit moment structureel ontvangt over het feitelijke drinkwatergebruik per datacenter in Nederland?
Kunt u toelichten op welke juridische grondslag een bevoegd gezag het drinkwatergebruik van een nieuwe vestiging kan meewegen bij de verlening van een omgevingsvergunning?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van drinkwater in het huidige stelsel vooral achteraf wordt geregeld via de leveringsrelatie met het drinkwaterbedrijf, en niet vooraf in het ruimtelijk spoor?
Kunt u toelichten welke wijzigingen in wet- en regelgeving nodig zouden zijn om waterbeschikbaarheid een expliciete afwegingsgrond te maken bij vergunningverlening aan grootverbruikers?
Kunt u toelichten of het juridisch en uitvoeringstechnisch denkbaar is om de logica van de verdringingsreeks ook vooraf toe te passen, bij het toestaan van nieuw grootschalig drinkwatergebruik, in plaats van uitsluitend bij feitelijke schaarste? Zo ja, hoe kijkt u naar een dergelijke aanpassing?
Kunt u toelichten in hoeverre de zorg- en leveringsplicht uit de Drinkwaterwet zich uitstrekt tot laagwaardig industrieel gebruik, zoals koeling?
Kunt u toelichten hoe u opvolging geeft aan de aanbeveling uit het Rli-advies «Zorg voor water» om de systeemverantwoordelijkheid voor de drinkwatervoorziening actiever in te vullen?2
Kunt u toelichten hoe een nieuwe aansluiting van deze omvang zich verhoudt tot het doel uit het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het zakelijke drinkwatergebruik in 2035 met 20 procent te verminderen ten opzichte van de referentieperiode 2016–2019?3
Bent u bereid te verkennen of het besluitmoment over meer sturende maatregelen, dat nu is voorzien bij de herijking van dat plan in 2028, naar voren kan worden gehaald?
Het buitensporige watergebruik van een nieuw datacenter in Amsterdam |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), de Bat , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Erkent u dat het onwenselijk is dat een nieuw commercieel datacenter jaarlijks circa 1,1 miljard liter drinkwater gebruikt, zeker tijdens een periode van uitzonderlijke droogte?1
Deelt u de opvatting dat drinkwater niet gebruikt zou moeten worden voor de koeling van datacenters, zeker wanneer alternatieve koeltechnieken beschikbaar zijn?
Bent u ervan op de hoogte dat het directe watergebruik van datacenters slechts een beperkt deel vormt van hun totale watervoetafdruk en dat het overgrote deel van het waterverbruik indirect is?
Kunt u actuele, onafhankelijke cijfers over de totale watervoetafdruk van datacenters (direct en indirect) in Nederland met de Kamer delen, uitgesplitst naar:
Kunt u aangeven welk aandeel dit vormt van de totale Nederlandse waterconsumptie?
Wordt bij de vergunningverlening en ruimtelijke afweging van datacenters rekening gehouden met de watervoetafdruk van de benodigde elektriciteitsproductie? Zo nee, waarom niet?
Welke landelijke wettelijke mogelijkheden heeft u om het gebruik van drinkwater door datacenters te verbieden of aan een bindend maximum te onderwerpen, mede gelet op de aangenomen motie-Grinwis c.s.?2
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Grinwis c.s. over het aanscherpen van de juridische criteria voor hyperscale datacenters en het stellen van effectieve wettelijke voorwaarden aan datacenters?3 Wat is de tijdlijn en wanneer krijgen we resultaten te zien?
Waarom gelden er op dit moment vooral landelijke vestigingsregels voor hyperscale datacenters, maar geen vergelijkbare landelijke begrenzingen voor watergebruik, elektriciteitsgebruik en maatschappelijke en ecologische belasting door andere grote datacenters?
Bent u bereid de bestaande landelijke regels uit te breiden naar datacenters die op dit moment niet onder de huidige definitie van hyperscale vallen, maar wel een groot beslag leggen op drinkwater of het elektriciteitsnet?
Bent u bereid om in landelijke regelgeving vast te leggen dat nieuwe datacenters geen drinkwater mogen gebruiken voor koeling?
Als een volledig verbod volgens u niet mogelijk is, bent u dan bereid een strikt landelijk maximum per datacenter en voor de sector als geheel vast te leggen? Zo nee, welke andere effectieve maatregelen bent u dan wel bereid te nemen?
Erkent u dat de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en de daarmee samenhangende groei van datacenters zo snel verloopt dat wet- en regelgeving, democratische controle en maatschappelijke besluitvorming deze ontwikkeling onvoldoende kunnen bijbenen? Zo nee, hoe onderbouwt u dat?
Welke publieke voorwaarden moeten volgens u worden gesteld voor nieuwe datacenters of grootschalige AI-infrastructuur, zodat de baten aantoonbaar ten goede komen aan de Nederlandse samenleving en niet hoofdzakelijk terechtkomen bij buitenlandse technologiebedrijven?
Hoeveel van de datacenters in Nederland komt ten goede aan de Nederlandse en Europese digitale autonomie?
Bent u het eens met de stelling dat er gezien de schaarse ruimte in Nederland geen ruimte moet zijn voor datacenters voor big-tech-bedrijven buiten Europa? Zo nee, waarom niet en ten koste waarvan mogen zulke big-tech-datacenters dan gaan volgens u?
Bent u bereid om per direct een tijdelijk landelijk moratorium in te stellen op datacenters, totdat bindende landelijke wetgeving is vastgesteld over onder meer het directe en indirecte watergebruik, het energiegebruik, de belasting van het elektriciteitsnet en de gevolgen voor woningbouw en andere maatschappelijke functies? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is wanneer woningbouwprojecten door netcongestie vertragen of stilvallen, terwijl nieuwe energie-intensieve datacenters wel capaciteit kunnen krijgen en een datacenter al snel een capaciteit van 40 MW vraagt, wat in dezelfde ordergrootte is als 100.000 huishoudens? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel elektriciteit gebruikt het voorgenomen datacenter in Amsterdam naar verwachting maximaal, en hoeveel netcapaciteit is daarvoor nodig?
Deelt u de opvatting dat woningbouw, zorg, openbaar vervoer, verpleeghuizen, scholen en andere vitale maatschappelijke functies voorrang moeten hebben op commerciële datacenters bij de verdeling van schaarse netcapaciteit? Zo nee, waarom niet?
Waarom zijn datacenters niet als afzonderlijke categorie opgenomen in het prioriteringskader voor nieuwe aansluitingen op het elektriciteitsnet? Welke prioriteit krijgen datacenters precies op dit moment in het kader?
Staat er een evaluatie van dit prioriteringskader gepland, om te zien in hoeverre netbeheerder hierdoor maatschappelijke aspecten meewegen bij het verdelen van netcapaciteit? Zo nee, bent u bereid deze evaluatie alsnog te doen?
Bent u bereid wettelijk vast te leggen dat nieuwe datacenters geen aansluiting krijgen zolang daardoor capaciteit wordt verdrongen die nodig is voor woningbouw of andere maatschappelijke prioriteiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een landelijke vergunningsvoorwaarde in te voeren waarin datacenters verplicht worden hun elektriciteitsvraag flexibel af te schakelen tijdens piekbelasting en netcongestie?
Welke mogelijkheden ziet u om datacenters verplicht te laten bijdragen aan netverzwaring, flexibiliteit, opslag en lokaal energiebeheer, zodat de kosten niet op huishoudens en andere gebruikers worden afgewenteld?
Erkent u dat de gevolgen van datacenters voor drinkwater, elektriciteit, ruimte, warmte en klimaat het lokale belang overstijgen en daarom om landelijke regie vragen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen betrokken bij verkoop van DigiD aan Amerikanen»?1
Wat is uw reactie op het bericht en de investeringen van pensioenfondsen in het bedrijf Solvinity, dat DigiD faciliteert en dreigde te worden overgekocht door Amerikanen?
Wat is de reactie van de pensioenfondsen ABP en PFZW op dit bericht? Kunt u de fondsen vragen om verantwoording af te leggen over deze investering namens de burgers die premie aan hen afdragen?
Waren de pensioenfondsen ABP en PFZW op de hoogte dat hun geld belegd werd in Solvinity? Zo ja, kunt u verklaren waarom zij deze investeringen alsnog hebben gedaan?
Vindt u het uit te leggen dat burgers via hun pensioenpremie indirect investeren in een bedrijf dat keuzes maakt die, in uw eigen woorden, indruisen tegen het publieke belang?
Welke rol speelt digitale autonomie op dit moment in het strategisch beleggingsbeleid van de pensioenfondsen? Zijn er plannen om het strategisch beleggingsbeleid op dit onderwerp aan te passen?
Welke toezichthouder zorgt ervoor dat pensioenfondsen conform hun kaders beleggen? Voldoet de investering in Solvinity aan dat kader?
Bent u bereid om pensioenfondsen te verzoeken om beleggingen die afbreuk doen aan de digitale autonomie stop te zetten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat pensioenfondsen hun kapitaal inzetten om de digitale autonomie van Nederland te versterken? Bent u bereid dit te bespreken met de fondsen en de Kamer dit najaar te informeren over de uitkomsten hiervan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór het commissiedebat «digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
De datakluis bij het Ministerie van Financiën |
|
Mona Keijzer , Henk Vermeer (BBB), Jan Struijs (50PLUS), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Laat Financiën niet wegkomen met dit onderzoek naar de achtergehouden datakluis» van Pieter Omtzigt en Renske Leijten en met het onderliggende BDO-rapport voor het Ministerie van Financiën, waaruit blijkt dat sinds 2019 een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten die niet aan het parlement, niet aan toeslagenouders, niet aan Woo-verzoekers en niet aan de parlementaire enquêtecommissie fraudebestrijding en dienstverlening zijn verstrekt?1 2
Ja.
Sinds wanneer was de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Financiën op de hoogte van het bestaan van de datakluis en de daarin opgeslagen documenten?
De datakluis is in 2019 ontstaan als mitigerende maatregel naar aanleiding van een advies van de ADR, hierover is de Kamer destijds geïnformeerd3. Ook is de inrichting van de datakluis besproken in het Directieteam Belastingdienst. Dit blijkt ook uit het BDO-rapport en de geleverde stukken bij de Kamerbrief van 10 juli 2026. Het bestaan van de datakluis is daarmee bekend bij de ambtelijke en politieke leiding van destijds vanaf het moment van ontstaan. Er is nog geen zicht op de volledige inhoud van de datakluis.
Welke bewindspersonen zijn sinds 2019 geïnformeerd over het bestaan van deze datakluis, en wat waren hun beweegredenen om dit geheim te houden?
Voor het antwoord op deze vraag baseren wij ons op de tijdlijn die op 10 juli 2026 aan uw Kamer is verzonden. Daaruit blijkt dat de volgende bewindspersonen op de hoogte konden zijn of zijn van het bestaan van de datakluis:
Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met als doel om informatie achter te houden. Wij hebben aangegeven het te betreuren is dat de Belastingdienst niet adequaat heeft gehandeld toen de datakluis had moeten worden meegenomen in de zoekslag ten behoeve van de PEFD of andere informatieverzoeken en dat het lang heeft geduurd voordat de informatie juist, tijdig en volledig mogelijk het kabinet en uw Kamer heeft bereikt.
Op welke momenten tussen 2019 en 2026 is er met de bewindspersonen en met de topambtenaren gesproken over de datakluis en de inhoud daarvan, en op welke momenten hebben zij hierover mondeling of schriftelijk informatie ontvangen? Kunt u daarvan een precies overzicht geven?
De tijdlijn die met onze brief van 10 juli 2026 is meegestuurd geeft inzicht in belangrijke formeel vastgelegde momenten in de periode 2017 en 2026, waaronder contacten tussen ambtenaren en bewindspersonen
Kunt u de volgende stukken die in het BDO-rapport genoemd worden per ommegaande aan de Kamer doen toekomen: het memo «Juridisch Kader datakluis» (voetnoot 15)3, e-mail 22 juni 2022.pdf (voetnoot 106), e-mail juni 2025 (paragraaf 387 van het BDO-rapport), alle nota’s die aan de bewindspersonen en/of de (plaatsvervangend) secretaris-generaal zijn voorgelegd, Nota BD inventarisatie datakluis.pdf (voetnoot 148)?
De door u gevraagde documenten zijn reeds openbaar gemaakt als bijlage bij onze Kamerbrief van 10 juli 2026.
Zijn de geïsoleerde persoonlijke omgevingen overgedragen aan en/of opgevraagd door het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?
Naar aanleiding van de aangifte van het vermoeden van strafbare feiten door de Staatssecretarissen van Financiën op 19 mei 2020 heeft de Belastingdienst onder meer mailboxen en digitale omgevingen van organisatieonderdelen en teams die voorkomen in de aangifte in een afgeschermde omgeving opgeslagen. Afgeschermde omgevingen bestaan naast de datakluis en zijn in de loop der tijden bij de Belastingdienst ontstaan naar aanleiding van uiteenlopende verzoeken, waaronder interne verzoeken, strafrechtelijke trajecten en andere formele opdrachten. Het veiligstellen in deze afgeschermde omgeving was bedoeld om aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie te voldoen. U leest dit als zodanig terug in het rapport van BDO. Het is aan het Openbaar Ministerie om een toelichting te geven op de wijze waarop zij dit onderzoek hebben verricht en welke informatie daarvoor is opgevraagd of bekeken. Het Openbaar Ministerie stelde vast dat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking en daarmee zien wij geen aanleiding – ongevraagd – informatie aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.
Deelt u de opvatting dat het, gezien het feit dat het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst eerder jarenlang 14 wetten hebben overtreden waardoor burgers ernstig in de problemen zijn gekomen, ongepast is de Belastingdienst nog langer zelf opdrachtgever te laten zijn van een onderzoek naar zichzelf, nu er mogelijk nieuwe overtredingen zijn van de Grondwet (Artikel 68, informatierecht), de Wet open overheid en het Wetboek van Strafrecht (artikel 192b, het niet verschaffen van informatie aan een parlementaire enquêtecommissie)?
Wij delen de opvatting dat het verstandig is om de Belastingdienst niet zelf opdrachtgever te laten zijn van onderzoek over de datakluis bij de Belastingdienst. Daarom heeft BDO, een partij die nooit eerder iets voor de Belastingdienst heeft onderzocht, het onderzoek uitgevoerd en wordt er een onafhankelijke externe commissie ingesteld die toegang krijgt tot alle informatie die zij noodzakelijk acht voor haar werkzaamheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat hiervan aangifte wordt gedaan en dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie onderzoek doen naar alle mogelijke overtredingen c.q. (ambts)misdrijven?
Uit het onderzoek van BDO komen geen aanwijzingen naar voren dat opzettelijk gegevens zijn achtergehouden in de datakluis met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen.
Ook als er door of binnen het ministerie of de Belastingdienst fouten zijn gemaakt, zal dit nog niet betekenen dat sprake is van strafbaar gedrag.
Kunt u deze vragen zelf en binnen drie weken beantwoorden, aangezien het volstrekt ongepast is dat de bewindspersonen voor Financiën dit doen?
De vragen zijn beantwoord binnen drie weken. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Sluiting Twentekanaal |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven voor welke binnenvaartwegen, naast de in de artikelen «Twentekanaal vanaf zaterdag dicht voor scheepvaart vanwege lage waterstand» en «Maatregelen Kanaal Almelo-De Haandrik vanwege de droogte» genoemde vaarwegen, in Nederland op dit moment sluiting of stremming geldt of dreigt?1 2
Op dit moment geldt een sluiting of stremming alleen voor de volgende vaarwegen in beheer van het Rijk: de Twentekanalen en de uitlopers daarvan. Bij verdere beperking van de wateraanvoer wordt steeds bezien of vaarwegen zonder beperking open kunnen blijven, met inachtneming van de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks. Het instellen van eenrichtingsverkeer op de IJssel is voorbereid.
Welke gevolgen voorziet u voor de regionale economie, logistieke ketens en werkgelegenheid in (Oost-) Nederland als scheepstransport over diverse kanalen (gedeeltelijk) stilvalt, en hoe zijn deze geraamd (bijvoorbeeld qua extra kosten, vertragingen en CO2-uitstoot door verplaatsing naar wegtransport)?
Wat de gevolgen zijn voor de regionale economie, logistieke ketens, en werkgelegenheid in (Oost-)Nederland, is niet exact in te schatten. Dit is onder andere afhankelijk van de duur van een stremming, of er alternatieve vervoersmogelijkheden zijn, hoe laag het water staat en de maatregelen die in de toekomst mogelijk nog genomen worden. Op dit moment heeft IenW nog geen eigen cijfers over kosten en gevolgen. Er zal een economische evaluatie worden gedaan dit najaar. Op de korte termijn is in ieder geval wel te verwachten dat transport duurder wordt voor verladers, in verband met omvaren, inzet van meerdere vrachtwagens en latere leveringen. Op de lange termijn is de impact (nog) niet goed in te schatten. Op lange termijn zouden logistieke ketens anders ingevuld kunnen gaan worden. In de Beleidsagenda Goederenvervoer is uiteengezet dat een weerbaar en veerkrachtig logistiek systeem nodig is.
Hoe vaak zijn kanalen in de afgelopen vijf jaar (geheel of gedeeltelijk) gesloten of beperkt inzetbaar geweest als gevolg van lage waterstanden en is er een trend zichtbaar die duidt op toenemende kwetsbaarheid door klimaatverandering?
Een beperking als gevolg van lage waterstanden wordt niet centraal bijgehouden. Een vaarwegbeheerder (gemeente, provincie, waterschap) neemt daarover zelfstandig een besluit. Ook voor de vaarwegen in het beheer van het Rijk wordt stremming wegens droogte niet afzonderlijk geregistreerd. Voor bijvoorbeeld het Twentekanaal is het tussen 2018 en 2025 zes maal voorgekomen dat de gemalen als gevolg van een te lage waterstand in de IJssel zijn afgeschakeld (jaren 2018, 2019, 2020, 2022, 2023 en 2025). Als het gemaal vanwege te weinig water niet meer kan draaien, dan is er een pomp nodig om extra water aan te voeren om het gemaal weer te laten functioneren. Om te voorzien in voldoende wateraanvoer naar de Twentekanalen wordt er dan zo lang als mogelijk gebruik gemaakt van een Tijdelijke Pompinstallatie (TPI). In de huidige situatie is het kanaalpeil te snel en te ver doorgezakt. Daarom konden TPI’s niet voorkomen dat het kanaal volledig gestremd werd.
Deelt u de mening dat Nederland zich moet voorbereiden op vaker voorkomende droogteperiodes? Wat zijn de concrete maatregelen van het kabinet om de wateraanvoer naar cruciale vaarwegen zoals het Twentekanaal klimaatbestendig te borgen (bijvoorbeeld middels bufferbekkens, slimme sturing en koppeling met regionale waterreserves)?
Ja, deze mening deel ik. Programma’s als het Deltaplan Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» helpen ons voor te bereiden op waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken. Daarnaast neemt het programma «Ruimte voor de Rivier 2.0» maatregelen in het hoofdwatersysteem om te voorzien in verschillende socio-economische functies, waaronder zoetwatervoorziening, natuur en bevaarbaarheid. Bij de Twentekanalen is er dit jaar bijvoorbeeld preventief gebaggerd zodat er langer kon worden doorgevaren. Daarnaast zijn er tijdelijke pompinstallaties geïnstalleerd voor extra wateraanvoer.
Hoe borgt het kabinet dat bij waterschaarste een eerlijke verdeling plaatsvindt tussen belangen als scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur en landbouw, conform de landelijke afspraken over waterverdeling (Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling)?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte (pdf, 1.2 MB) staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Bent u bereid om, samen met provincies, waterschappen en gemeenten, een regionaal waterbufferplan Twentekanaal te ontwikkelen dat specifiek gericht is op het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen door lage waterstand?
Het Rijk werkt binnen het Deltaplan zoetwater al nauw samen met de provincies, waterschappen en gemeenten om voorbereid te zijn op periodes met lage aanvoeren en zo vaarwegsluitingen door lage waterstand zoveel mogelijk te voorkomen, zie het antwoord op vraag 4. Zo is er al onderzocht of het aanleggen van regionale waterbuffers kan bijdragen aan het voorkomen van watertekorten. De mogelijkheden hiervoor blijken echter beperkt. Het gebied is hooggelegen en zandig, waardoor de buffers relatief snel weer leeglopen. Door de sterk drainerende werking van de bodem zou ook in de winter extra water moeten worden aangevoerd om de buffers goed te vullen en zo te houden. Dit is kostbaar en kan lokaal leiden tot wateroverlastproblemen door interacties met het grondwatersysteem. De inzet ten aanzien van het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen is daarom primair gericht op het robuuster maken van de wateraanvoermogelijkheden.
Om de wateraanvoer te verbeteren wordt vanuit het Deltafonds een tweejarige planstudie gefinancierd. Deze planstudie is samen met partners uit de regio voorbereid. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de vervanging van het gemaal bij sluis Eefde, zodat de inzet van noodpompen op termijn zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Bij een positief besluit over de uitkomsten van de planstudie zullen het Rijk, de provincie Overijssel, de provincie Drenthe en de waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel de uitvoering ervan gezamenlijk financieren.
Hoe verhoudt de huidige afhankelijkheid van het binnenvaarttransport zich tot de plannen voor multimodaal transport (spooraansluitingen, overslagpunten) en welke versnelling is nodig om bij sluitingen alternatieven te bieden?
Het Ministerie van IenW zet zich al langer in voor het versterken van het multimodale karakter van het goederenvervoer. De modaliteiten weg, binnenvaart, spoor en buisleidingen werken daarbij nauw samen om leveringszekerheid te garanderen, zoals recent ook uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer. Onderdeel daarvan is een veerkrachtig en weerbare logistieke keten die in staat is om disrupties, zoals laagwater, zo goed mogelijk op te vangen. Elke modaliteit heeft daarbinnen een eigen rol en voorziet in een bepaalde transportbehoefte.
Binnen het programma Topcorridors wordt in het kader van veerkracht momenteel onderzocht wat op multimodale knooppunten nodig is om verstoringen van de goederenstromen op te vangen. Daarin wordt specifiek gekeken naar de situatie waarin één modaliteit niet beschikbaar is. De resultaten worden in het laatste kwartaal van 2026 verwacht. De Kamer wordt hierover na publicatie geïnformeerd.
Wat doet het kabinet om bedrijven te stimuleren hun logistiek te verduurzamen (bijvoorbeeld een modal shift naar spoor, elektrificatie van wagenparken en slimme logistieke planning) zodat de impact van toekomstige sluitingen van vaarwegen kleiner wordt?
Zoals gemeld in de Beleidsagenda Goederenvervoer is één van de leidende principes voor het goederenvervoer dat deze duurzaam is (TK 2025–2026, 34 244, nr. 13). De inzet is daarbij dat het vrachtvervoer over de weg, het water en het spoor geheel emissieloos is in 2050. Het kabinet zet daarom concreet in op verduurzaming van de vervoersystemen en het creëren van de juiste omstandigheden voor het duurzaam organiseren van transporten. Dat gebeurt onder meer door het stimuleren van een modal shift naar duurzamere transportwijzen, de elektrificatie van het wegtransport, de verduurzaming van de binnenvaart en het realiseren van een netwerk van laad- en tankfaciliteiten voor herwinbare brandstoffen langs de grotere transportroutes. Voor een overzicht van de maatregelen voor het verduurzamen van het goederenvervoer verwijs ik u kortheidshalve naar de Voortgangsbrief Duurzaam vervoer 2025 (TK 2025–2026, 31 305, nr. 524). Het is de bedoeling dat de regeling voor de verduurzaming van de binnenvaart (Tijdelijke subsidieregeling vroege opschaling energietransitie binnenschepen 2026–2029) opengaat in het vierde kwartaal van 2026.
Op welke wijze worden ondernemers en vervoerders tijdig en eenduidig geïnformeerd over (dreigende) sluitingen van vaarwegen, de verwachte duur, alternatieve routes en alternatieve capaciteit?
Gebruikers van vaarwegen worden standaard geïnformeerd door een zogenaamd BAS-bericht (berichten aan de scheepvaart). Hierin wordt zoveel mogelijk informatie verstrekt over oorzaak, aard en duur van de stremming. Daarnaast vindt rechtstreeks informatie-uitwisseling plaats met brancheorganisaties, georganiseerd bedrijfsleven, individuele bedrijven, overheden, recreatievaart, omwonenden en andere belanghebbenden zoals bijvoorbeeld de sportvisserij. Afhankelijk van de aard en de omvang van de stremming worden aanvullende zaken georganiseerd, zoals informatiebijeenkomsten. Ook ben ik in gesprek met ondernemers, zoals boeren, tuinders, schippers en de industrie en houd ik komende periode vinger aan de pols. Verder wordt actief gebruik gemaakt van de media om met algemene berichtgeving en uitleg zoveel mogelijk mensen te bereiken.
Bestaan er afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte en bent u bereid hier actief op aan te sturen?
Er bestaan geen afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte. Het Ministerie van IenW kent geen specifieke compensatie voor extreme droogte maar wel een algemene «Beleidsregel nadeelcompensatie 2024» op grond waarvan ondernemers, ook in geval van droogte, een aanvraag kunnen doen. Situaties van (extreme) droogte worden in de toekomst vaker voorzien als gevolg van verandering van het klimaat. Het is daarom van groot belang dat we daarmee om leren gaan. Het Ministerie van IenW stuurt daarom aan op het versterken van veerkracht en weerbaarheid van de logistieke ketens, zoals uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer.
Hoe borgt u dat lessen uit de huidige sluiting van het Twentekanaal en het kanaal Almelo-De Haandrik structureel worden meegenomen in het nationale mobiliteit- en waterbeleid (bijvoorbeeld via het Nationaal Waterprogramma)?
Voor wat betreft de borging in het nationale waterbeleid, zie het antwoord op vraag 4. Voor wat betreft de borging in het nationale mobiliteitsbeleid, wordt er gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050, waarover de Kamer wordt geïnformeerd. Het leren van deze situatie helpt om te komen tot scenario’s en keuzes in het hoofdvaarwegennetwerk. Voor wat betreft het kanaal Almelo-De Haandrik is de provincie Overijssel het bevoegd gezag en voert deze het vaarwegbeheer.
Bent u bereid om in overleg te treden met belanghebbenden (bedrijven, vervoerders, waterschappen, natuurorganisaties en medeoverheden) over een langetermijnvisie voor kanalen als klimaatbestendige, schone transportas in Nederland?
Ik praat nu al regelmatig met ondernemers die getroffen zijn doordat sluis Eefde is gestremd. Verder vooruitkijkend wordt binnen IenW ook gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050 waarover de Kamer later wordt geïnformeerd. Belanghebbenden worden reeds betrokken en in de Binnenvaarttafel zijn de contouren van de visie aan bod gekomen en strategisch besproken. Hierbij gaat het over het hele vaarwegennetwerk, een klimaatbestendige en schone transportas beslaat immers niet alleen kanalen.
Uitkomsten van het rapport van accountantsbureau BDO |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 20 juli 2026: «Rapport weerspreekt «toevallige vondst» datakluis, ministerie ontkent kwade trouw1»?
Ja.
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 21 juli 2026: «Woede over verzwegen datakluis: «Wat is een parlementaire enquête nog waard2»?
Ja.
Het accountantskantoor BDO concludeert in zijn rapport dat de Belastingdienst onterecht de datakluis met miljoenen documenten over haar eigen fraudeaanpak buiten het zicht heeft gehouden van het parlement en toezichthouders. Wat vindt u hiervan?
Het BDO-rapport laat zien dat op basis van de uitgangspunten die zijn vastgesteld voor de levering van informatie aan de PEFD in 2022, de datakluis in de zoekslag betrokken had moeten zijn. Aangezien op dit moment nog niet duidelijk is wat de inhoud van de documenten in de datakluis is, is nu nog onduidelijk of deze documenten vervolgens relevant zijn om daadwerkelijk aan te leveren aan de PEFD. Het heeft onze prioriteit om op kortst mogelijk termijn op zorgvuldige wijze inzicht te geven in de exacte inhoud van de datakluis.
In het artikel van 20 juli is vermeld dat u er «op dit moment» niet van uitgaat dat er opzettelijk informatie is achtergehouden. Waarop baseert u dit uitgangspunt?
De inrichting van de datakluis is, zoals het BDO-rapport ook beschrijft, voortgekomen uit achterstand op het gebied van archiefbeheer en de AVG die tot deze als tijdelijk bedoelde oplossing hebben geleid. In het rapport komen geen aanwijzingen naar voren dat bij de levering aan de PEFD, of in andere onderzoeken, de datakluis bewust buiten beschouwing is gebleven met de bedoeling informatie achter te houden.
Uit het onderzoek van BDO blijkt dat de ambtelijke top deze afgeschermde kluis in liet 2019 maken voor alle documenten die niet aan de nieuwe privacywet (AVG) voldeden, om zo een hoge boete van de Autoriteit Persoonsgegevens te ontlopen. Wat vindt u van deze keuze van uw voorgangers? Heeft u er tijdens uw periode als bewindspersoon ook voor gekozen om een afgeschermde kluis op te zetten? Zo ja, wanneer?
Onze voorgangers hebben gehandeld met de inzichten en mogelijkheden die destijds beschikbaar waren. In onze periode zijn wij niet voor een dergelijke keuze komen te staan.
Bent u het ermee eens dat dit wel zeer sterk de indruk wekt dat de ambtelijke top deze documenten – waar tevens onbewerkte brondata in zaten van discriminerende fraudelijsten – bewust heeft willen verbergen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wij delen deze indruk niet. Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. De datakluis is indertijd als tijdelijke maatregel ingericht, met de bedoeling om de documenten in de kluis volgens geldende regels voor archiefbeheer te ordenen en te archiveren. Er is op dit moment geen zicht op de inhoud van de bestanden die in de datakluis zitten en veilig zijn gesteld van vernietiging.
Wel laat het BDO-rapport wat ons betreft zien dat de Belastingdienst te maken had met verouderde systemen, veel achterstallig werk, processen die niet goed werkten en onvoldoende op orde waren en dat er onvoldoende sensitief werd gewerkt.
Klopt het dat ambtenaren hebben gewaarschuwd? Klopt het dat deze waarschuwingen in de wind zijn geslagen? Kunt u alle onderliggende stukken die betrekking hebben op dit besluit naar de Kamer sturen?
Het klopt dat een medewerker van de Belastingdienst in juni 2022 in het kader van de PEFD tweemaal heeft gevraagd hoe wordt omgegaan met de datakluis. De laatste mail is opgenomen in de bijlage bij de kamerbrief van 10 juli 2026. Voor een volledig beeld treft u ook de eerste e-mail als bijlage bij deze beantwoording.
Uit het rapport van BDO blijkt dat er signalen zijn geweest over het bestaan van de datakluis. Dit zijn dezelfde signalen als waarvan ik in het voorgaande antwoord aangaf, dat het BDO-rapport noch de tijdlijn aanwijzingen bevat dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. BDO beveelt aan om onderzoek te doen naar signalen in het proces van informatievoorziening. In onze brief van 10 juli 2026 hebben wij genoemd dat wij deze aanbeveling onverkort overnemen. Wij willen deze signalen onafhankelijk onderzoeken, door het onderzoek en het opdrachtgeverschap daarvan, onafhankelijk te organiseren. Daarmee gaan we ervan uit dat we dit overzicht van signalen op een later moment aan uw Kamer kunnen verstrekken.
Ook blijkt dat er informatie van ouders in de kluis is gestopt omdat deze niet mocht worden gebruikt volgens de AVG. Wat vindt u hiervan?
Er zijn in dit stadium geen conclusies te trekken, omdat de inhoud van de datakluis nog wordt onderzocht. De datakluis werd gevuld met data afkomstig van netwerkschijven. Deze netwerkschijven betroffen een gedeelde werkomgeving waarop meerdere medewerkers bestanden kunnen opslaan en openen. Deze schijf bevat verschillende type documenten, zoals Word- en PDFdocumenten en PowerPointpresentaties. Deze schijf kan documenten bevatten die ongestructureerd zijn opgeslagen of waarvan de status niet te achterhalen is. De datakluis is niet gevuld vanuit de primair proces systemen. In primair proces systemen zijn fiscale- en toeslaggegevens van burgers en bedrijven opgeslagen. Er kan echter niet uitgesloten worden dat data uit een primair proces systeem is opgeslagen op een netwerkschijf en zodoende ook of als kopie alsnog in de datakluis terecht is gekomen.
Hoe kijkt u terug op uw eerdere verklaringen in mei, toen u verklaarde dat de datakluis «bij toeval» was ontdekt tijdens een opschoningsactie van de harde schijf? De documenten waren volgens u door een «technische fout in de zoeksoftware» ook onvindbaar geworden. Staat u nog steeds achter deze woorden, ondanks het feit dat het BDO-rapport dit tegenspreekt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken niet dat in mei 2026 door mij is gezegd dat de datakluis «bij toeval» is ontdekt. Ik verwijs hiervoor naar de handelingen van het twee minutendebat van 16 april 2026 met uw Kamer.
In 2017 waarschuwde Sandra Palmen als toenmalige Belastingdienst-jurist dat de fiscus intern onrechtmatig handelde bij ouders met kinderopvangtoeslag. Hoe kijkt u naar uw eigen handelen in uw huidige rol als Staatssecretaris ten aanzien van dit onrechtmatig handelen?
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Bent u het ermee eens dat het achterhouden van informatie over de fraudeaanpak raakt aan het vertrouwen van mensen in de overheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het vertrouwen van mensen in de overheid is gebaat bij een overheid die open en transparant handelt. Het achterhouden van informatie kan afbreuk doen aan dat vertrouwen. Het uitgangspunt blijft dat de regering tijdig, volledig en juist informeert en transparant communiceert over de afwegingen die daarbij worden gemaakt.
Dat er mogelijk relevante informatie in de datakluis in de afgelopen jaren niet is doorzocht bij leveringen van informatie aan onder andere de PEFD en daarmee uw Kamer, betreuren wij zeer. Met onze brief van 10 juli 2026 geven wij aan hoe relevante bestanden uit de datakluis zo snel, transparant en zorgvuldig mogelijk alsnog aan uw Kamer en aan burgers en bedrijven kunnen worden geleverd.
Het onderzoek geeft aan dat het Ministerie van Financiën al zes jaar aangaf dat de originele e-mails, spreadsheets en fraudelijsten (RAM, FSV en PIT) niet meer bestaan. Maar in de datakluis blijken nu zelfs de onbewerkte, historische brondata te zitten van de discriminerende selectiecriteria die de Belastingdienst gebruikte. Deze data werden zonder wettelijke basis, dus illegaal, gedeeld met andere overheidsinstanties en particuliere organisaties, zoals banken. Deelt u deze analyse? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het BDO-rapport is er een overzicht van de mappenstructuur van de datakluis. Er is echter nog geen volledige inventarislijst van de inhoud van de datakluis, omdat de datakluis nog niet volledig is geïndexeerd. Deze indexatie wordt op dit moment nog uitgevoerd. Na indexatie zal een inventarislijst worden opgesteld. Ook is nog onbekend of data uit de datakluis zijn gedeeld met andere partijen.
Of de door u genoemde informatie daadwerkelijk in de datakluis zit, zal moeten blijken uit de 3-sporen aanpak zoals we die in de Kamerbrief van 10 juli 2026 op hoofdlijnen hebben geschetst.
Weet u welke straf er staat op het achterhouden van informatie voor een parlementair ondervragingscommissie en een parlementaire enquête?
In artikel 192a van het Wetboek van Strafrecht is het opzettelijk niet voldoen aan een vordering tot inzage of het nemen van afschrift van documenten door een parlementaire enquêtecommissie strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Wat vindt u ervan dat er op het Toeslagendossier een patroon is van informatie achterhouden voor de Kamer? Welke stappen gaat u zetten om dit patroon te doorbreken?
De informatiehuishouding van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen was niet op orde en is dat momenteel ook nog niet volledig. Er zijn inmiddels diverse maatregelen genomen om hier verbeteringen in te realiseren. Denk hierbij aan bewustwording binnen deze diensten over de juiste manier van omgaan met informatie, betere ICT ondersteuning voor document- en archiefbeheer en regelmatige beoordelingen van ontwikkelingen rondom informatiehuishouding en zo nodig aanpassing van processen. Met het programma Informatie op Orde worden de Wet open overheid en de Archiefwet verder geïmplementeerd bij de Belastingdienst. Het streven is om de informatiehuis-houding bij de Belastingdienst per 2026 naar een hoger volwassenheidsniveau te brengen.
Wat zijn volgens u de regels rondom het vertrekken van informatie aan de Kamer? Bent u het ermee eens dat het achterhouden van deze informatie het de Kamer onmogelijk maakt haar controlerende taak uit te voeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In artikel 68 van de Grondwet is de inlichtingenplicht opgenomen. Naast een passieve inlichtingenplicht wordt ook een actieve inlichtingenplicht onderscheiden. Wij zijn ons terdege bewust van deze inlichtingenplicht en daarom is het te allen tijde ons streven om daaraan te voldoen. Juist ook omdat de inlichtingenplicht voortvloeit uit de verantwoordingsplicht voor Ministers en Staatssecretarissen die in het parlementaire stelsel ligt besloten. Als blijkt dat inlichtingen ten onrechte (toch) niet aan uw Kamer zijn verstrekt, dan zal dat alsnog gebeuren. Het tijdig, juist en volledig informeren van uw Kamer staat voor ons voorop.
Hoe reflecteert u op uw eigen handelen in dit dossier het afgelopen jaar?
Het afgelopen jaar is ingezet op het zorgvuldig voortzetten van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagaffaire, de informatievoorziening aan ouders en aan uw Kamer verder te verbeteren en knelpunten waar mogelijk weg te nemen.
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Welke gevoelens roept het bij u op dat ouders tot in de miniemste details informatie verstrekken, terwijl de Belastingdienst zelf een kluis met 64 miljoen documenten verborgen heeft gehouden? En welke gevoelens roept dit volgens u op bij deze ouders?
Het is begrijpelijk dat de berichtgeving over de datakluis ouders raakt en mijn aandacht gaat altijd uit naar de getroffen ouders. Daarom wordt er blijvend ingezet op een zorgvuldige en volledige afhandeling van informatieverzoeken en het verbeteren van de informatiehuishouding. Het uitgangspunt is en blijft dat ouders recht hebben op een zo volledig mogelijke inzage in de informatie die op hun situatie betrekking heeft, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders. Daarbij willen wij benadrukken dat herstel- en compensatiekaders worden gevormd door gebeurtenissen en gevoelens uit iemands levens. Dit staat niet in documenten. De hersteloperatie gaat uit van het verhaal van ouders. Het in de vraagstelling gesuggereerde beeld dat ouders «tot in de minieme details» informatie moeten verstrekken wordt niet herkend.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Oliebedrijven en raffinaderijen die extra winsten (overwinsten) maken tijdens de Iran-oorlog |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eelco Heinen (VVD), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het AD, gepubliceerd op 20 juli 2026: «Marktwaakhond zet prijsopbouw van benzine en diesel online, zoveel verdienen raffinaderijen per liter»?1
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben de hogere brandstofprijzen geleid tot overwinsten bij olieproducenten. Vindt u deze overwinsten acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De ACM geeft aan dat de winstmarge van oliebedrijven en raffinaderijen hoger ligt dan vóór de oorlog in Iran. Hoe verklaart u dit?
Bent u het ermee eens dat de automobilist en consumenten via hogere transportkosten de prijs betalen voor de hoge winsten van oliebedrijven en raffinaderijen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de automobilist lagere prijzen aan de pomp zou kunnen betalen, mits daar politiek toe wordt besloten? Zo ja, hoe zou dit volgens u het beste kunnen? Zo nee, waarom niet?
Wat maakt dat u deze overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen niet méér belast dan nu het geval is? Wat maakt dat u nog niet over bent gegaan tot het invoeren van een overwinstbelasting zoals u eerder aangaf te overwegen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat er sprake zou zijn van overwinsten?
Deelt u de mening dat de belasting op de overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen omhoog moet om voor financiële verlichting te zorgen aan de pomp? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het belangrijker dat oliebedrijven gigantische winsten maken of dat de automobilist een acceptabele prijs aan de pomp betaalt?
Op 13 juli 2026 kostte een liter benzine aan een Nederlandse pomp gemiddeld 2,27 euro. Daarvan ging 0,40 euro naar btw en 0,85 euro naar accijns. Vindt u het rechtvaardig dat een automobilist in Nederland veel meer btw en accijns aan de pomp betaalt dan in andere Europese landen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de komende weken een overwinstbelasting voor oliebedrijven en raffinaderijen in te voeren? Zo ja, per wanneer? Zo niet, waarom niet?
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?