Bent u bekend met de voorgenomen overname van Solvinity Group B.V. door Kyndryl Netherlands B.V., de rol van Solvinity als leverancier van het platform waarop DigiD draait, en de eerdere beantwoording van Kamervragen over deze casus?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunnen de Verenigde Staten volgens u gezien worden als een bondgenoot? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Verenigde Staten zijn een belangrijke bondgenoot van Nederland, zoals ik ook tijdens het vragenuur op dinsdag 26 mei heb benadrukt: «de Verenigde Staten zijn een belangrijke NAVO-partner, handelspartner en bondgenoot».
Acht u het waarschijnlijk dat een NAVO-bondgenoot als de Verenigde Staten doelbewust DigiD of vergelijkbare Nederlandse kritieke digitale overheidsinfrastructuur zou uitschakelen? Graag een onderbouwing op basis van dreiging, intentie, capaciteit, precedent en diplomatieke consequenties.
Het kabinet hecht grote waarde aan de aanwezigheid van buitenlandse, waaronder nadrukkelijk ook Amerikaanse, technologiebedrijven. Het kabinet waardeert hun bijdrage aan de Nederlandse economie en digitale infrastructuur.
Een afhankelijkheid van informatie en diensten uit derde landen, ongeacht welk land het is en of het een NAVO-bondgenoot is, kan onzekerheden met zich meebrengen. Dit blijkt ook uit het Cybersecuritybeeld Nederland Nederland 20251. Het is vervolgens aan de overheid om op een objectieve, risicogebaseerde, landenneutrale en proportionele manier risico’s te wegen. De gevraagde onderbouwing kan niet als generiek standpunt aangeleverd worden. Daarvoor is dit te situationeel afhankelijk en kan het alleen op case-by-case basis worden ingeschat.
Ieder departement is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar digitale overheidsinfrastructuur en het afwegen van de risico’s van de verschillende schakels binnen die infrastructuur.
Acht u een dergelijk scenario realistisch, of gaat het primair om een theoretische mogelijkheid die in de risicoanalyse wel moet worden meegenomen, maar niet gelijkgesteld mag worden aan een waarschijnlijke dreiging? Graag een expliciet onderscheid tussen «mogelijk», «aannemelijk», «waarschijnlijk» en «urgent».
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u per juridisch instrument, CLOUD Act, FISA Section 702, Executive Order 12333 en eventuele andere relevante Amerikaanse bevoegdheden, uiteenzetten wat de wettelijke grondslag is, welke autoriteit bevoegd is, welk type gegevens kan worden gevorderd of verzameld, welke rechterlijke toetsing plaatsvindt, of kennisgeving aan de betrokkene, Logius of de Nederlandse Staat verplicht, verboden of beperkt kan zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), verwerkersovereenkomsten en contractuele geheimhoudingsplichten?
De CLOUD Act is een amendement op de Stored Communications Act (SCA). De CLOUD Act maakt het mogelijk voor Amerikaanse autoriteiten om ten behoeve van wetshandhavingsdoeleinden toegang te verkrijgen tot elektronische communicatie en daaraan gerelateerde gegevens. Bevoegde autoriteiten die een verzoek kunnen indienen zijn bijvoorbeeld de FBI en het Department of Justice. De CLOUD Act kan worden ingezet voor het opvragen van elektronische gegevens in het kader van strafrechtelijk onderzoek en vervolging. Het gaat daarbij in beginsel om de opsporing en vervolging van zware criminaliteit, zoals terrorisme of drugshandel.
Op grond van de CLOUD Act kunnen ondernemingen die onder de Amerikaanse rechtsmacht vallen verplicht worden gegevens te verstrekken, ook wanneer deze gegevens zich (op servers) buiten de Verenigde Staten bevinden. Daarbij is bepalend of de onderneming «possession, custody or control» heeft over de gegevens. Het gaat hierbij onder meer om aanbieders van elektronische communicatie- en clouddiensten.
Voor verzoeken die betrekking hebben op de inhoud van elektronische communicatie of bestanden is in beginsel toestemming van een Amerikaanse rechter vereist. Voor bepaalde verzoeken tot verstrekking van metadata, zoals gegevens over gebruikers of toegangsgegevens, kan onder omstandigheden geen voorafgaande rechterlijke toestemming vereist zijn.
Een dienstverlener die een bevel tot gegevensverstrekking ontvangt, hoeft daaraan niet mee te werken indien de gegevens versleuteld zijn en de dienstverlener niet beschikt over de encryptiesleutel. De CLOUD Act verplicht ondernemingen namelijk niet om gegevens te ontsleutelen. Indien een onderneming feitelijk geen toegang heeft tot de gegevens vanwege encryptie, bestaat in beginsel dus ook geen verplichting om deze gegevens te verstrekken.
Daarnaast kan een dienstverlener de rechter verzoeken het bevel te vernietigen of te wijzigen, bijvoorbeeld wanneer de naleving daarvan strijd oplevert met de wetgeving van het land waar de gegevens zich bevinden of indien de persoon op wie het verzoek betrekking heeft geen Amerikaans staatsburger is.
FISA Section 702 is in 2008 ingevoerd en maakt onderdeel uit van de Foreign Intelligence Surveillance Act 1978. FISA Section 702 maakt het Amerikaanse inlichtingendiensten, zoals de NSA, CIA en FBI, mogelijk zonder gerechtelijk bevel informatie te verzamelen over niet-Amerikaanse staatsburgers waarvan wordt aangenomen dat zij zich buiten de Verenigde Staten bevinden en die mogelijk betrokken zijn bij terrorisme, spionage, massavernietigingswapens, beïnvloedingsactiviteiten in opdracht van een vijandige buitenlandse mogendheid of cybercriminaliteit. Kennisgeving aan de betrokkene is geen vereiste.
Onder het toepassingsbereik van deze wetgeving vallen alle Amerikaanse entiteiten die toegang hebben tot apparaten waarop communicatie wordt opgeslagen of via welke communicatie wordt verzonden, zoals telecommunicatiebedrijven, internet- en e-maildienstverleners, aanbieders van remote computing services. Zij kunnen worden verplicht toegang te geven tot gegevens, zoals e-mails, elektronische berichten en bestanden. Het kan zowel om de inhoud als metadata gaan.
Executive Order 12333 heeft het meest verstrekkende bereik. Deze regelgeving maakt het mogelijk dat Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen. Daarvoor is geen toestemming van een rechter vereist, mits het gaat om gegevens van niet-Amerikaanse personen. De regelgeving is primair gericht op buitenlandse inlichtingenvergaring ten behoeve van de nationale veiligheid van de Verenigde Staten.
Op grond van Executive Order 12333 kunnen Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen via uiteenlopende middelen, waaronder interceptie van communicatie, radiosignalen en andere elektromagnetische communicatie, maar ook via satellieten, camerasystemen, menselijke bronnen en samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten. Vereist is echter wel dat de verzamelde informatie uitsluitend voor rechtmatige doeleinden onder Amerikaanse wetgeving wordt gebruikt.
Kyndryl Inc. valt als Amerikaanse onderneming binnen het bereik van de bovengenoemde wetten. Kyndryl rapporteert periodiek hoeveel verzoeken om inlichtingen zij heeft ontvangen.2
Kyndryl’s US zeggenschap over haar buitenlandse dochters, Kyndryl Nederland B.V. en eventueel overgenomen partijen, heeft tot gevolg dat deze ook binnen het bereik vallen van de bovengenoemde wetten.
De verstrekking van persoonsgegevens door Nederlandse dochter(s) op basis van een bevel van een Amerikaanse rechter kan in strijd zijn met de AVG. Daarnaast houdt de Nederlandse dochter zich in dat geval ook niet aan de overeenkomst, inclusief de verwerkingsovereenkomst, met de Nederlandse opdrachtgever.
Kyndryl US heeft wel juridische mogelijkheden om zich te verzetten tegen verzoeken tot verstrekking van persoonsgegevens die worden beheerd door haar Nederlandse dochter(s) op grond van het feit dat voldoen aan een dergelijk verzoek in strijd is met de AVG en de gemaakte contractuele afspraken (o.a. in de verwerkersovereenkomst). Daarover moet de Amerikaanse rechter zich dan uitlaten.
Kunt u expliciet onderscheid maken tussen toegang tot gegevens enerzijds en operationele zeggenschap over systemen anderzijds? Klopt het dat wetgeving zoals de CLOUD Act primair ziet op toegang tot elektronische gegevens en niet zonder meer op het met «één druk op de knop» uitschakelen van infrastructuur?
Ja, dat klopt. De Amerikaanse wetgeving als bedoeld bij vraag 5 heeft betrekking op het verzamelen van bewijs c.q. inlichtingen. Deze wetgeving maakt het niet mogelijk om een opdracht te geven tot uitschakeling van infrastructuur.
De Amerikaanse overheid kan sancties tegen personen, organisaties of landen uitvaardigen, waarna Amerikaanse bedrijven de dienstverlening moeten staken. Dat gebeurt echter niet op grond van de bovengenoemde wetgeving.
Hoe verhoudt de stelling dat Solvinity in beginsel geen toegang heeft tot burgerservicenummers, adres en telefoonnummer van DigiD-gebruikers zich tot de eerdere kabinetsuitspraak dat Amerikaanse autoriteiten «in theorie» toegang kunnen krijgen tot gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt?
Medewerkers van Solvinity hebben bij het uitvoeren van reguliere beheerwerkzaamheden geen toegang tot de database waarin gegevens van burgers en gegevens over waar burgers inloggen staan opgeslagen. Dit sluit niet uit dat medewerkers toegang kunnen krijgen tot deze databases. Het zal hierbij dan gaan om (on)geautoriseerde toegang. Mogelijk is daarmee de medewerker strafbaar.
Bent u van mening dat er momenteel geen gelijkwaardige technologieën zijn op Nationaal/Europees gebied? Zo ja, bent u dan van mening dat hierdoor de continuiteit van de dienstverlening juist onder druk komt te staan?
Het kabinet is van mening dat er momenteel wel gelijkwaardige technologieën zijn van Nederlandse en Europese aanbieders. In een Kamerbrief in reactie op de motie van het lid Koekkoek (Volt) over «in EU verband pleiten voor versnelde investeringen in Europese cloudalternatieven en digitale infrastructuur» heeft het kabinet de Kamer vorig jaar geïnformeerd dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten op de markt beschikbaar zijn.
Specifiek ten aanzien van de dienstverlening die door de Rijksoverheid bij Solvinity wordt afgenomen, concludeerde de ACM in haar concentratiebesluit dat er ook na een eventuele overname voldoende concurrentie over zou blijven. Uit het onderzoek blijkt dat afnemers uit de publieke sector op het moment van een (her)aanbesteding voldoende keuze houden uit andere IT-dienstverleners die soortgelijke diensten leveren, waaronder zowel Nederlandse als Europese aanbieders.
Wel kan het versneld onderbrengen van de dienstverlening van Solvinity bij een andere beheerorganisatie leiden tot risico’s. In het geval van Logius geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden wanneer de dienstverlening die Solvinity levert, ondergebracht wordt bij een andere beheerorganisatie. Deze periode is nodig om een andere beheerorganisatie kennis en ervaring te laten opdoen met het beheer van het platform om zo de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen te garanderen. Deze overdrachtsperiode kan pas ingaan wanneer een nieuwe contractant is geworven.
Kunt u reflecteren op de gehele Amerikaanse verwevenheid met technologie, zoals de hardware waar de applicaties van Solvinity op draait, de datacenters en eveneens de zeekabels? Zijn deze componenten/diensten ook in handen van Amerikaanse bedrijven? Bent u het daarom eens met de mening dat het nationaliseren van Solvinity geen enkel effect heeft op deze risico’s, gezien de verwevenheid in de keten?
Het kabinet ziet dat de EU erg afhankelijk is geworden van een klein aantal niet-Europese tech-aanbieders, waarbij het kabinet de bijdragen van deze aanbieders aan de Europese en Nederlandse economie waardeert en in algemene zin openstaat voor zakendoen met buitenlandse partijen. Afhankelijkheden kunnen echter ook risico’s met zich meedragen, bijvoorbeeld als er geen alternatieven beschikbaar zijn of er risico’s zijn voor ongewenste toegang tot data. Voor risicovolle strategische afhankelijkheden zet het kabinet in op mitigatie van de risico’s, bijvoorbeeld door het versterken van de Europese markt.
De gevolgen van voortzetting van het huidige eigenaarschap en andere scenario’s zijn onderdeel van de analyses die vallen binnen het TFEV-onderzoek van deze casus.
Welke concrete risico’s bestaan er momenteel volgens u op het gebied van het opvragen van data, inzage in data en het (eenzijdig) stopzetten van dienstverlening, en van welke vormen van dienstverlening maakt de overheid op dit moment gebruik bij niet-Nederlandse of niet-Europese partijen?
Er wordt niet centraal bijgehouden welke overheidsorganisaties gebruik maken van diensten van niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers.
De Nederlandse overheid wil haar digitale autonomie en digitale soevereiniteit versterken om publieke waarden, veiligheid en continuïteit te waarborgen. Het onderbrengen van data bij niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers, kan in specifieke gevallen strategische, juridische en geopolitieke risico’s met zich meebrengen. Daarom kiest de overheid voor een risicogebaseerde, strategisch gecoördineerde aanpak.3
Welke aanvullende (theoretische) risico’s zouden volgens u kunnen ontstaan op deze punten als gevolg van de beoogde overname van Solvinity door Kyndryl?
Ik kan in deze openbare beantwoording niet ingaan op risico’s die er mogelijk zouden kunnen zijn ten aanzien van gegevensvergaring en stopzetting van dienstverlening. Ik verwijs u door naar de vertrouwelijke technische briefing van BTI. Inmiddels heeft de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit het besluit genomen om de overname te verbieden.
Kunt u allen de voorgaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Ja, het kabinet is hiermee bekend.
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Het kabinet vindt het zorgelijk en neemt de signalen over het mogelijk delen van (gevoelige) informatie dan ook serieus. Alleen het beoordelen van specifieke situaties is aan de toezichthoudende autoriteiten, in Nederland is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Het kabinet kan hierover geen uitspraken doen. Een kabinetsreactie hierover ligt dan ook niet in de rede.
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is een dergelijke beoordeling niet aan het kabinet, maar aan de toezichthoudende autoriteit.
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
In zijn algemeenheid merkt het kabinet op dat de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waartoe gezondheidsgegevens behoren, verboden is tenzij er een uitzonderingsgrond van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld dat het begrip «bijzondere persoonsgegevens» in dit soort gevallen ruim dient te worden uitgelegd. Daaronder vallen ook persoonlijke gegevens die bij het online bestellen van geneesmiddelen worden ingevoerd, zoals namen en adressen. Of hier gehandeld wordt in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is, zoals eerder al in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, aan de toezichthoudende autoriteiten, de AP.
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
De AP heeft desgevraagd laten weten zich bewust te zijn van de grootschalige dataverzameling en datahandel op het internet. Datahandel (in brede zin) is van 2020 tot 2023 een van de strategische aandachtsgebieden geweest van de AP. Ook nu besteedt de AP nog de nodige aandacht aan datahandel. Zo controleert de AP sinds 2024, en nu nog steeds, strenger op cookiebanners. De AP controleert of websites op de juiste manier toestemming vragen voor cookies en andere volgsoftware en pakt misleidende cookiebanners aan.
De AP en de ACM doen geen mededelingen over individuele zaken en eventuele lopende onderzoeken.
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Het kabinet deelt de opvatting dat het gebruik van tracking cookies in bepaalde gevallen problematisch kan zijn, bijvoorbeeld waar gebruikers als gevolg van dark patterns, informatie-overload en consentmoeheid toestemming geven terwijl deze mogelijk afwijkt van hun werkelijke voorkeuren. Voor de volledigheid wordt hierbij ook verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Het gebruik van tracking cookies bij online webshops is onderworpen aan voorwaarden uit de toepasselijke privacyregelgeving, met name AVG en de e-privacyrichtlijn, die in Nederland is geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Voor het plaatsen van dergelijke cookies is daarom geïnformeerde en ondubbelzinnige toestemming van de gebruiker vereist. Wanneer het gaat om gevoelige persoonsgegevens geldt een versterkt, expliciet toestemmingsvereiste. De beoordeling of sprake is van strijdigheid met de geldende privacyregelgeving is aan de toezichthouder.
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Het kabinet zet zich nationaal en Europees in om op het gebied van tracking cookies onder meer de informatie- en toestemmingsrechten van burgers te versterken. Zo staat het kabinet positief tegenover de in de Digitale Omnibus voorgestelde automatische gecentraliseerde consentopties, waarmee gebruikers meer controle over hun gegevens krijgen. De onderhandelingen over dit voorstel lopen nog. Voor een weergave van de overige door het kabinet te nemen acties wordt verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Onder de AVG is het verwerken van medische gegevens, die gelden als bijzondere categorieën van persoonsgegevens, verboden tenzij op dat verbod een uitzondering van toepassing is. Het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector is, als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder, de AP. Zij beschikt over een eigen repertoire aan bevoegdheden en handhavingsinstrumenten. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving, boetes en dwangsommen opleggen, alsook stopzetting van gegevensverwerkingen gelasten. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Het kabinet onderschrijft dit belang volledig. Alleen beschikt het kabinet niet over aanknopingspunten dat de gegevensbeschermingswetgeving lacunes vertoont.
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Bij de verwerking van persoonsgegevens is de AVG van toepassing. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om te voldoen aan de kaders die in de AVG worden gesteld aan de verwerking van persoonsgegevens en aan de strengere eisen die worden gesteld aan de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, zoals medische gegevens. Het is aan de AP om toezicht te houden op de naleving van de AVG.
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Uit het onderzoek van Rutgers over het gebruik van natuurlijke methoden om een zwangerschap te voorkomen onder de vrouwen van 18 tot en met 29 jaar is gebleken dat 37% van de groep gebruikmaakt van een cyclusapp om hun menstruatie bij te houden, waarvan Flo het vaakst werd benoemd3. Cyclusapps moeten zich bij de verwerking van (bijzonder) persoonsgegevens houden aan de kaders die worden gesteld in de AVG, indien zij zijn gevestigd in de EU. Cyclusapps die buiten de EU zijn gevestigd, dienen ook aan de AVG te voldoen, indien zij diensten of goederen aanbieden in de EU. Zowel Clue, die is gevestigd in Duitsland, als Flo, die is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, moeten daarmee voldoen aan de AVG.
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Zoals volgt uit de antwoorden op vragen 10 en 11, is er geen blijk van hiaten in de wet- en regelgeving. Het komt eerder aan op de naleving daarvan. Het doen van onderzoek daarnaar, is als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder.
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Het kabinet vindt het uiterst belangrijk dat de gegevens van vrouwen niet ten onrechte gebruikt worden voor zaken als ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties of het opstellen van dataprofielen. Het kabinet vindt het dan ook van belang dat de onafhankelijke toezichthouder hier scherp op is. In elk geval, zoals eerder al genoemd is, is het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector een taak van de onafhankelijke toezichthouder, namelijk de AP. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Desgevraagd heeft het Centrale Bureau Drogisterijbedrijven aan het kabinet laten weten dat er geen persoonlijke gegevens doorverkocht worden. De online drogisterijen hebben privacyverklaringen op hun websites waarin is opgenomen welke gegevens worden verwerkt. Aangezien dit per drogisterij kan verschillen, wordt voor nadere informatie verwezen naar de betreffende websites. Wanneer een gebruiker niet noodzakelijke cookies weigert, worden alleen functionele cookies geplaatst die nodig zijn om de website goed te laten werken. Zonder toestemming worden bovendien geen persoonsgegevens van individuele klanten gedeeld met externe partijen zoals Google of Facebook.
Als gezegd is het beoordelen of specifieke situaties in overeenstemming zijn met de AVG aan de bevoegde toezichthoudende autoriteiten; in Nederland is dat de AP.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.
Ongewenste financiële constructies |
|
Julian Bushoff (PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat uitkering van toekomstige winst door een besloten vennootschap (BV) in de regel leidt tot een gelijk bedrag aan schulden aan banken, leveranciers en consumenten?
Hoe vaak komt het volgens u voor dat ondernemingen overgaan tot het uitkeren van toekomstige winst? In welke sectoren komt dit vaak voor en bij welke financieringsmodellen?
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is als ondernemingen schulden aangaan om aandeelhouders vooruit te financieren in plaats van om te investeren?
Kunt u aangeven in hoeverre de in 2012 doorgevoerde flexibilisering van het BV-recht, waaronder de mogelijkheid om toekomstige winst uit te keren in plaats van reeds gerealiseerde winst, daadwerkelijk heeft geleid tot meer bedrijvigheid?
Bij de herziening van het BV-recht in 2012 stond voorop dat de BV een bruikbare rechtsvorm moet zijn die zoveel mogelijk tegemoetkomt aan de behoeften die in de praktijk leven. Dit sloot aan bij het streven naar wetgeving die een infrastructuur biedt waarin bedrijven de inrichting van de rechtsvorm kunnen afstemmen op de aard van ondernemingsactiviteiten.2 Onder de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht werden de kapitaalbeschermingsregels voor het bijeenbrengen van kapitaal soepeler. Zo werd het minimumkapitaalvereiste afgeschaft, net als de verplichte accountantsverklaring bij inbreng op aandelen in natura. Daarentegen zijn ook nieuwe kapitaalbeschermingsregels voor het bijeenhouden van kapitaal ingevoerd namelijk de introductie van een uitkeringstest (zie nader het antwoord op vraag 5 over deze test en de uitkering van winst aan aandeelhouders).
Over het algemeen is het moeilijk te kwantificeren of de flexibilisering van het BV-recht op zichzelf (en niet andere ontwikkelingen) tot meer bedrijvigheid heeft geleid. Wel is het zo dat in de jaren 2010–2020 een duidelijke stijging van het aantal BV’s is te zien.3 Hierbij dient de kanttekening te worden geplaatst dat een toename van het aantal BV’s niet automatisch hetzelfde is als «meer bedrijvigheid» in de zin van bijvoorbeeld extra economische activiteit, werkgelegenheid of investeringen.
Wat vindt u ervan dat het uitkeren van toekomstige winst kan leiden tot het aangaan van bedrijfsvreemde schulden ten laste van de onderneming en daarmee ten koste kan gaan van crediteuren? Zo ja, ziet u aanleiding deze mogelijkheid te beperken?
Sinds de herziening van het BV-recht geldt dat de algemene vergadering van aandeelhouders van de BV op grond van artikel 2:216 lid 1 BW in het algemeen bevoegd is om te besluiten tot vaststelling van uitkeringen. Dit geldt niet alleen voor de winst, maar ook voor uitkeringen ten laste van vrije reserves.4 De toelaatbaarheid van uitkeringen wordt onder die regeling niet meer bepaald door de aanwezigheid van een bepaald kapitaal zoals voor deze herziening, maar door de vraag of de vennootschap na de uitkering kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Op de balans zal de uitkering dan ook niet ten laste gebracht moeten worden van het gestorte kapitaal, maar moeten leiden tot een negatieve reserve. Die negatieve reserve zal vervolgens aangezuiverd moeten worden bijvoorbeeld door het maken van winst.5 Voor zover een en ander de mogelijkheid zou bieden om in de praktijk toekomstige winst uit te keren6, zijn er diverse waarborgen voor onder meer schuldeisers in de wet opgenomen. Een voorbeeld hiervan is de zogenoemde uitkeringstest uit artikel 2:216 lid 2 BW. Een besluit dat strekt tot uitkering heeft op grond van deze bepaling geen gevolgen zolang het bestuur hiervoor geen toestemming verleent. Het bestuur weigert daarbij slechts zijn medewerking indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap door uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.
Daarnaast is het de taak van bestuurders om te beoordelen of een bepaalde transactie in het belang van de vennootschap is en na te gaan of de vennootschap na het aangaan van die transactie nog in staat zal zijn de vorderingen van crediteuren te voldoen. Als het bestuur goedkeuring verleent en een uitkering plaatsvindt, terwijl het bestuur wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap door een uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zijn de bestuurders op grond van artikel 2:216 lid 3 BW hoofdelijk aansprakelijk jegens de vennootschap voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan.
Er gelden dus randvoorwaarden aan het doen van uitkeringen aan aandeelhouders. Zoals aangegeven in beantwoording van vragen hierboven, zal het kabinet in gesprek gaan met de Commissie vennootschapsrecht over of onder die randvoorwaarden uitkering van toekomstige winst juridisch mogelijk is en in de praktijk plaatsvindt, en, zo ja, of dit mogelijk onwenselijke gevolgen met zich meebrengt.
Deelt u de opvatting dat rente op schulden die zijn aangegaan ter financiering van uitkeringen aan aandeelhouders – zoals uitkeringen van toekomstige winst – in beginsel niet aftrekbaar zou moeten zijn voor de vennootschapsbelasting, en niet alleen wanneer deze rente verschuldigd is aan een verbonden lichaam zoals bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet deelt deze opvatting niet. Artikel 10a Wet Vpb 1969 beoogt fiscale winstdrainage tegen te gaan, waarbij belastingplichtigen in concernverband structuren opzetten om op gekunstelde wijze rentekosten te creëren die leiden tot aftrek in Nederland, terwijl de rentebaten niet of (zeer) laag worden belast. Overigens is de renteaftrekbeperking van artikel 15b Wet Vpb 1969 van toepassing als sprake is van excessieve schuldfinanciering ongeacht of er sprake is van groepsleningen of van leningen van derden.
Kunt u aangeven of in de ons omringende landen rechtspersonen vergelijkbaar met de Nederlandse BV de mogelijkheid hebben om onder voorwaarden toekomstige winst uit te keren?
Naar Belgisch, Luxemburgs en Frans recht is het enkel mogelijk om de werkelijk gemaakte winst uit te keren aan de aandeelhouders. Onder Duits recht is de heersende leer dat het mogelijk is om een tussentijdse winstuitkering te doen, maar slechts onder strikte voorwaarden. Daarbij geldt onder meer dat er een redelijke winstverwachting moet zijn en dat de aandeelhouders hiertoe een besluit hebben genomen.
Bent u bekend met de praktijk dat na het afschaffen van de anti-financiële-steunmaatregel voor de BV (artikel 2:207c van het BW) het bestuur in de praktijk vaak de overnameschuld garandeert, terwijl daar in de vereiste afweging tegenover geen wezenlijke tegenprestatie staat? Kunt u hierop reflecteren?
De achtergrond van anti-financiële-steunmaatregelen is te voorkomen dat restricties ten aanzien van inkoop van eigen aandelen worden vermeden, bijvoorbeeld via aankoop door derden in ruil voor het verstrekken van een lening of zekerheidsstelling door de vennootschap. Een handeling in strijd hiermee wordt als nietig aangemerkt. Voor de NV is deze anti-financiële-steunmaatregel opgenomen in artikel 2:98c BW. Tot 2012 was deze voor de BV opgenomen in artikel 2:207c BW.
Bij de flexibilisering en modernisering van het BV-recht in 2012 is de anti-financiële-steunmaatregel voor BV’s geschrapt. Een reden voor afschaffing van de anti-financiële-steunmaatregel voor de BV was dat het een ingewikkelde bepaling was die in de praktijk leidde tot onduidelijkheid over de precieze reikwijdte van de regeling. Daarnaast werd de anti-financiële-steunmaatregel uit artikel 2:207c BW niet noodzakelijk geacht voor bescherming van aandeelhouders en schuldeisers. Het verrichten van steuntransacties verschilt namelijk niet dusdanig van andere zakelijke transacties die het bestuur aangaat – bijvoorbeeld het verstrekken van leningen aan aandeelhouders, bestuurders of derden anders dan met het oog op het verwerven van aandelen – dat dit een speciale wettelijke regeling rechtvaardigt. Bij het verlenen van financiële steun is het aan het bestuur om te beoordelen of die handelingen in het belang zijn van de vennootschap en wat de gevolgen zijn voor de financiële positie van de vennootschap. Net als bij andere transacties die door het bestuur namens de vennootschap worden aangegaan, geldt de sanctie van aansprakelijkheid indien niet de vereiste zorgvuldigheid in acht wordt genomen. Dit betekent onder andere dat steuntransacties niet mogen worden aangegaan tegen voorwaarden die niet aan gebruikelijke marktvoorwaarden zijn onderworpen of zeer ongunstig uitwerken voor de vennootschap.7 Met deze aansprakelijkheidssanctie worden de belangen van de onderneming en ook de schuldeisers voldoende gewaarborgd.
Deelt u de opvatting dat de gedachte achter anti-financiële-steunmaatregelen is dat ondernemingen gevrijwaard dienen te blijven van lasten die buiten de onderneming liggen, en dat overnameschulden – die vaak zijn afgeleid van de koopsom en daarmee van toekomstige winstverwachtingen – disproportioneel kunnen zijn voor de bestaande onderneming?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met de praktijk dat een overgenomen vennootschap juridisch wordt gefuseerd met het acquisitievehikel, waardoor de overnameschuld uiteindelijk rust op de gefuseerde onderneming?
Het kabinet is bekend met de praktijk van fusies en de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam in de Estro-kinderopvangzaak8.
De opvatting van de vragenstellers deelt het kabinet niet in algemene zin. In de specifieke Estro-kinderopvangzaak geldt dat de Ondernemingskamer onder meer heeft geoordeeld dat het bestuur met betrekking tot de fusie wanbeleid heeft gevoerd. Dit staat echter los van de in algemene zin door de wet vereiste overgang van alle activa en passiva (zonder uitzonderingen) op een verkrijgende vennootschap bij een juridische fusie (zie nader het antwoord op vraag 13).
Deelt u de opvatting dat een dergelijke constructie onwenselijk is omdat hierdoor bedrijfsvreemde schulden op de onderneming worden afgewenteld, zoals onder meer aan de orde was in de Estro-kinderopvangzaak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Ziet u het als een optie om de anti-financiële-steunmaatregelen die voorheen voor de BV golden – en die nog steeds gelden voor de NV – opnieuw voor de BV in te voeren? Zo nee, waarom niet?
In antwoord hierop zij verwezen naar het antwoord op vragen 8 en 9. Om de daar genoemde redenen ziet het kabinet geen reden voor herinvoering van het verbod.
Is het wat u betreft een goed idee om juridische fusies die uiteindelijk de gefuseerde onderneming haar overnameschulden laten dragen te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De juridische fusie is een rechtshandeling waarmee het vermogen van één of meer verdwijnende rechtspersonen onder algemene titel overgaat op een bestaande of nieuw in te richten rechtspersoon. Dit wil zeggen dat alle activa en passiva mee overgaan op de verkrijgende rechtspersoon. Dit volgt in het Nederlands recht uit artikel 2:309 BW. Verder wordt de verplichte overgang van alle activa en passiva (zonder uitzonderingen) ook voorgeschreven door het Europees recht in de Vennootschapsrechtrichtlijn waar het de binnenlandse juridische fusie van NV’s en de grensoverschrijdende juridische fusie van NV’s en BV’s betreft.9 Wat het kabinet betreft is er ook geen reden om op dit principe van overgang onder algemene titel een uitzondering te maken voor overnameschulden. Een dergelijke uitzondering kan ertoe leiden dat dergelijke schulden tussen wal en schip vallen als noch de verkrijgende vennootschap noch de fuserende vennootschappen deze schuld hoeven te dragen. Verder kent Nederland waarborgen voor schuldeisers, werknemers en aandeelhouders tegen misbruik van fusies voor oneigenlijke doeleinden. Een voorbeeld hiervan is dat schuldeisers, wanneer zij door de fusie in hun verhaalsmogelijkheden beperkt worden, onder bepaalde voorwaarden zekerheid of een andere waarborg kunnen verlangen. Wanneer deze zekerheid of waarborg niet wordt verleend, kunnen schuldeisers zich op grond van artikel 2:316 BW verzetten tegen het fusieplan. Ook heeft de SER Fusiegedragsregels opgesteld met daarin regels ter bescherming van werknemers. Op grond van de Fusiegedragsregels moeten betrokken ondernemingen of organisaties de vakorganisaties op tijd informeren over de fusieplannen, zodat die organisaties invloed kunnen uitoefenen op de gevolgen voor de werknemers.10
Acht u het wenselijk de huidige anti-financiële-steunmaatregel voor de NV uit te breiden om doorleenstructuren, zoals aan de orde in de zaak Muller tegen Rabobank Katwijk, tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het verbod op financial assistance is voor NV’s reeds opgenomen in artikel 2:98c BW. Achtergrond hiervan is te voorkomen dat restricties ten aanzien van inkoop van eigen aandelen worden omzeild, bijvoorbeeld via aankoop door derden in ruil voor het verstrekken van een lening of zekerheidsstelling door de vennootschap. Dit biedt naar het oordeel van het kabinet voldoende waarborgen tegen doorleenstructuren.
Deelt u de opvatting dat wanneer persoonlijke belangen van een bestuurder niet stroken met het belang van de vennootschap, deze bestuurder zich dient te onthouden van besluitvorming? Ziet u mogelijkheden om dit principe wettelijk te borgen?
Graag bevestigt het kabinet dat uit artikel 2:129 leden 5 en 6 BW (voor de NV) en artikel 2:239 leden 5 en 6 BW (voor de BV) reeds volgt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect belang heeft dat tegenstrijdig is aan belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Daarmee is dit principe reeds wettelijk vastgelegd.
Deelt u de opvatting dat een bestuurder die aanzienlijke persoonlijke financiële belangen heeft in de vennootschap – bijvoorbeeld door lucratieve aandelenbelangen, schuldfinanciering voor de aankoop van aandelen of verplichtingen uit een aandeelhoudersovereenkomst – een verhoogd risico loopt primair in het belang van aandeelhouders te handelen en niet alle belangen van de vennootschap en haar stakeholders te wegen?
Of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft ten opzichte van de vennootschap moet, zoals hiervoor is aangegeven, worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval.11 De enkele omstandigheid dat een bestuurder een eigen (financieel) belang heeft, hoeft niet te leiden tot de kwalificatie van een tegenstrijdig belang. Er is geen sprake van een tegenstrijdig belang in de zin van het vennootschapsrecht zolang de belangen van de bestuurder parallel lopen met de belangen van de vennootschap. Zo leidt de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst met de vennootschap, het bezit van aandelen in de vennootschap of een aandeelovereenkomst niet automatisch tot een tegenstrijdig belang van de bestuurder. Wel kan het zijn dat een eigen belang, bijvoorbeeld door een wijziging van omstandigheden, een tegenstrijdig belang wordt. Dit kan het geval zijn in bijvoorbeeld een overnamesituatie. In een dergelijke situatie is oplettendheid van bestuurders gepast, bijvoorbeeld in het geval dat de bestuurder bij het slagen van de overname een vergoeding in het vooruitzicht is gesteld.12
Bent u van mening dat dergelijke regelingen kunnen leiden tot een persoonlijk belang in de zin van het vennootschapsrecht?
Zie antwoord vraag 16.
Deelt u de opvatting dat dergelijke constructies het risico met zich brengen dat het stakeholdermodel feitelijk wordt ingeruild voor een aandeelhoudersmodel?
Nee, deze opvatting deelt het kabinet niet. Het Rijnlands stakeholdermodel – dat ten grondslag ligt aan het Nederlandse vennootschapsrecht – houdt in dat bestuurders zich dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (zie artikel 2:129/239 lid 5 BW). Hierbij dienen alle deelbelangen waaronder die van de aandeelhouders, werknemers, schuldeisers en klanten, te worden betrokken. Zoals in antwoord op de vragen 16 en 17 is aangegeven, is er bij door de vragenstellers genoemde constructies niet zonder meer sprake van een belang dat tegenstrijdig is ten opzichte van dit belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
Acht u het wenselijk dat de continuïteit van ondernemingen in sectoren zoals kinderopvang, ouderenzorg en gezondheidszorg in gevaar kan komen doordat deze ondernemingen worden belast met bedrijfsvreemde schulden die zijn ontstaan bij overnames, juridische fusies of uitkeringen van toekomstige winst?
Het kabinet acht het niet wenselijk dat de continuïteit van zorgaanbieders, zowel in de ouderenzorg als breder in de gezondheidszorg, en kinderopvangaanbieders in gevaar komt doordat onverantwoorde risico’s zijn genomen bij het aangaan van schulden. Dat is ongeacht de precieze ontstaansreden van deze schulden. Het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz)13 voorziet dat een zorgaanbieder niet langer onverantwoorde risico’s mag nemen bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen. Hiernaast heeft het kabinet een aanscherping van het wetsvoorstel in voorbereiding van normen voor verantwoord ondernemerschap in de zorg, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal u hierover namens het kabinet in een brief voor de zomer informeren.
Met oog op de continuïteit in de kinderopvang neemt het kabinet in het wetsvoorstel financiering kinderopvang verschillende maatregelen, waaronder een verplichting om de jaarverantwoording openbaar te maken. De openbaarmaking van de jaarverantwoording heeft als doel om financiële stromen beter inzichtelijk en controleerbaar te maken. In lagere regelgeving worden regels gesteld over de inhoud en inrichting van die jaarverantwoording. Daarbij zullen ook regels worden gesteld ten aanzien van transparantie over solvabiliteit.
In welke van de ons omringende landen bestaat de mogelijkheid om een stichting of een vergelijkbare rechtspersoon om te zetten in een BV of een vergelijkbare vennootschap?
Zowel naar Belgisch als naar Frans, Duits en Luxemburgs recht is het niet mogelijk om een stichting om te zetten in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. In Luxemburg kunnen stichtingen wel worden omgezet in een zogenaamde sociale-impactvennootschap (société d’impact sociétal), die zelf onder bepaalde voorwaarden de vorm kan aannemen van een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatie. Eén van de voorwaarden is dat de stichting door het bevoegde ministerie is geaccrediteerd als sociale-impactvennootschap en dat het aandelenkapitaal bij de omzetting volledig uit zogenaamde impactaandelen bestaat.
Hoe is in Nederland het toezicht geregeld op het gebruik van beklemd vermogen van stichtingen, en hoe wordt gewaarborgd dat dit vermogen wordt aangewend voor het oorspronkelijke doel van de stichting?
In Nederland geldt dat voor de omzetting van een stichting in een NV of BV een rechterlijke machtiging vereist is. Bij het beoordelen van een algemene rechterlijke machtiging voor de rechtshandeling van de omzetting (artikel 2:18 leden 4 en 5 BW) zal een rechter alle relevante aspecten een rol laten spelen, zoals de belangen van contractspartijen en van participanten. Uit hoofde van artikel 2:18 lid 6 BW geldt verder dat na omzetting van een stichting uit de statuten moet blijken dat het vermogen dat zij bij de omzetting heeft slechts met toestemming van de rechter anders mag worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven. Deze rechterlijke toestemming speelt een rol als het gaat om de daadwerkelijke aanwending van vermogen na de omzetting. Na omzetting van een stichting wordt het vermogen van de stichting aldus gefixeerd of beklemd. Met deze regeling wordt zeker gesteld dat het vermogen van de stichting zoals dit is op het moment van de omzetting, slechts met toestemming van de rechter voor andere doeleinden dan de (oude) doeleinden van de stichting kan worden aangewend. Voor zover het bestuur de vermogensklem doorbreekt, is de sanctie gelegen in onbehoorlijk bestuur en kan het bestuur daarop worden aangesproken. Verder is denkbaar dat bij overtreding de omgezette rechtspersoon op de voet van artikel 2:21 lid 3 wordt ontbonden omdat de rechtspersoon in ernstige mate in strijd met zijn statuten handelt.14 Zo’n ontbinding kan worden uitgesproken door de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie.
Daarnaast is voor zover een toezichthoudend orgaan is ingesteld, het diens taak om toezicht te houden op de naleving van de vermogensklem door het bestuur. Verder vindt er ook toezicht plaats door de notaris aangezien hij de akte van omzetting dient te verlijden. De notaris moet toezien op het opnemen van de vermogensklembepaling uit hoofde van Boek 2 BW en de Wet op het notarisambt.
Bent u bekend met het feit dat financiële partijen toenemende belangstelling tonen voor de overname van ondernemingen in de kinderopvang, gezondheidszorg en ouderenzorg die vaak in de vorm van een stichting opereren?
Het kabinet is bekend met een toename van financiële partijen in de zorg, zoals investeerders. Dit is overigens een fenomeen dat breed in Europa speelt.15 Het kabinet ziet hierbij zowel kansen als risico’s voor de zorg. Om te voorkomen dat de kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van zorg in het geding komen rondom overnames, heeft het kabinet een aanscherping in voorbereiding van de zorgspecifieke fusietoets waarbij fusies en overnames inhoudelijker worden getoetst door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Hiernaast stelt het kabinet met het wetsvoorstel Wibz verschillende eisen aan zorgaanbieders die zien op winstuitkering en kwaliteit om te voorkomen dat financiële belangen niet ten koste gaan van kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke zorg voor de patiënt of cliënt.
In de kinderopvang zijn geen aanwijzingen dat er op dit moment op grote schaal nieuwe financiële partijen toetreden. Wel zijn er aanwijzingen dat (grote) kinderopvangorganisaties op dit moment uitbreiden, om aan de toenemende vraag naar kinderopvang te kunnen voldoen. Het kabinet blijft de ontwikkelingen in de kinderopvang doorlopend monitoren, onder andere via het Dashboard kinderopvang van het CBS.16
Bent u bekend met signalen dat beklemd vermogen van dergelijke organisaties in de praktijk kan verwateren en uiteindelijk bij aandeelhouders terecht kan komen? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ik ben niet bekend met signalen uit de praktijk dat het beklemd vermogen uiteindelijk bij de aandeelhouders terechtkomt. Er gelden verschillende wettelijke waarborgen die voorkomen dat het vermogen wordt aangewend voor andere doeleinden dan de (oude) doeleinden van de stichting (zie hiervoor het antwoord op vraag 21).
Kunt u een overzicht verstrekken van alle stichtingen die sinds 2015 zijn omgezet in een BV, inclusief de namen van deze rechtspersonen?
Een rechtspersoon moet opgave van de omzetting in het Handelsregister doen (zie artikel 2:18 lid 7 BW). Uit het Handelsregister blijkt dat sinds 2015 231 stichtingen zijn omgezet in BV’s. Een overzicht daarvan wordt als bijlage met de beantwoording van deze Kamervragen meegestuurd. Dit betreffen openbare gegevens uit het Handelsregister.
Wat verstaat u onder «private equity»?
Private equity is de verzamelnaam voor partijen die vermogen aanbieden aan niet-beursgenoteerde ondernemingen. Investeringen vinden doorgaans plaats in de vorm van het verkrijgen van een meerderheidsaandeel. De fondsen voor dergelijke investeringen zijn hoofdzakelijk afkomstig van institutionele investeerders, zoals pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen of particulieren en worden beheerd door private equity partijen. De voornaamste bron van rendement voor de investeerders is de verkoop van de onderneming waarin zij investeren.
Wat verstaat u onder «de uitwassen van private equity» (coalitieakkoord, pagina 67)?
Onder «de uitwassen van private equity» als aangehaald in het hoofdstuk uit het regeerakkoord «Geld voor zorg naar zorg», verstaat het kabinet dat de betrokkenheid van een private investeerder ertoe leidt dat het financiële belang bij een zorgaanbieder ten koste gaat van kwalitatief goede, en toegankelijke zorg, nu en in de toekomst. Daarbij benadrukt het kabinet dat private investeerders zowel kansen als risico’s bieden voor de zorg. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of bedrijfsopvolging. Maar we moeten voorkomen dat partijen kwalitatief goede zorg ondergeschikt maken aan hun financiële positie. Bijvoorbeeld doordat partijen onnodige risico’s nemen bij bijvoorbeeld het aangaan van schulden waarbij de continuïteit in gevaar komt. Of doordat partijen bezuinigen op kwaliteit om zo kosten te besparen en zo de financiële positie te verbeteren. Daarom treft het kabinet maatregelen voor een betere balans, waarbij ruimte blijft voor verantwoord ondernemerschap in de zorg, maar uitwassen en excessen voorkomen kunnen worden.
Hoe gaat u «de uitwassen van private equity» inperken?
Het kabinet is voornemens om met de Wibz voorwaarden te stellen aan zorgaanbieders die onder andere zien op winstuitkering, onverantwoorde risico’s en het borgen van de kwaliteit van zorg. Momenteel heeft het kabinet een aanscherping van de Wibz in voorbereiding. De aanscherpingen zien op onder andere de voorwaarden voor winstuitkering, de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod en de excessen van private equity. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal namens het kabinet de Tweede Kamer hier in een brief voor de zomer over informeren. Hiernaast scherpt het kabinet de zorgspecifieke fusietoets aan, waarbij fusies en overnames meer inhoudelijk getoetst kunnen worden door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).
Ook voor de kinderopvang treft het kabinet een aantal maatregelen in het wetsvoorstel financiering kinderopvang om te borgen dat de extra middelen voor kinderopvang ook daadwerkelijk bij kinderopvang terecht komen. Voorbeeld hiervan is het verplichten van openbare jaarverantwoording.
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Letschert , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Een LinkedIn-bericht van minister-president Rob Jetten over regeldruk en ondernemerschap |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat regeldrukvermindering belangrijk is voor een aantrekkelijk ondernemersklimaat?1
Onderschrijft u de knelpunten in de regeldrukagenda van FME?
Gaat u opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zo ja, op welke termijn kan de Kamer resultaten verwachten?
Wanneer gaat u per ministerie een target opleggen voor regeldrukvermindering, conform het coalitieakkoord? Hoe gaat u handhaven op deze targets?
Wordt de Kamer nog voor de zomer geïnformeerd over uitgewerkte standaarden met gemeenten voor minder regeldruk voor ondernemers, conform een toezegging aan mij tijdens de afgelopen begrotingsbehandeling van Economische Zaken op 21 en 22 januari 2026 en zoals opgenomen in het coalitieakkoord?
Wanneer wordt er een oplossing gevonden voor de bijschrijfplicht in de horeca, conform de aangenomen motie-Kisteman uit 2025?2
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Letschert , Berendsen , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
Jimmy Dijk (SP), André Flach (SGP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
Dat bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid een voedingsbodem vormen voor toename van populisme en opkomst van radicaal- en extreemrechts |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat de Partij voor de Dieren u tijdens het debat over de regeringsverklaring wees op de conclusies van de VN-rapporteur voor armoede, die adviseert om te investeren in publieke en sociale voorzieningen en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en extreemrechts geen kans te geven?
Herinnert u zich nog dat u had toegezegd dit advies en andere onderzoeken waaruit blijkt dat bezuinigingen op sociale voorzieningen de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts vergroten tot u te nemen?
Wat neemt uw mee in uw beleid uit onderzoeken zoals die van Lattanzio en Savu (2022), Baccini en Sattler (2024), waaruit af te leiden is dat vooral populistische en radicaal rechtse partijen profiteren van bezuinigingen op het sociale stelsel, met name bij groepen in kwetsbare positie?1, 2
Bent u inmiddels bekend met het VN-rapport van Speciaal rapporteur Extreme armoede en mensenrechten Olivier De Schutter met de titel «Promotion and protection of human rights: human rights questions, including alternative approaches for improving the effective enjoyment of human rights and fundamental freedoms» en de conclusies die de rapporteur eraan verbindt?3
Bent u het eens met de VN-rapporteur dat het belangrijk is om te investeren in publieke en sociale voorzieningen, en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en radicaal- en extreemrechts geen kans te geven? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de bevindingen van VN-rapporteur De Schutter dat sociale zekerheid een dam is tegen radicaal-rechts populisme? Zo nee, waar baseert u zich op?
Bent u het eens met de bevindingen van de VN-rapporteur dat bezuinigingen op het sociale stelsel en verschuiving van collectieve bescherming naar risico’s voor individuen leiden tot gevoel van schaarste, onzekerheid, ongelijkheid en wantrouwen in de overheid, wat een vruchtbare bodem vormt voor radicaal-rechts? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Welke lessen trekt u uit de conclusies van de VN-rapporteur voor uw beleid in de toekomst om de voedingsbodem voor extreem en radicaalrechts weg te nemen? Welke stappen gaat u naar aanleiding hiervan zetten?
Bent u bekend met het pas verschenen boek De symfonie van onvrede: de opmars van radicaal rechts in Europa, geschreven door Catherine de Vries?
Bent u het eens met de analyse dat de Nederlandse sociale zekerheid in de afgelopen decennia verschraald is door verschillende kabinetten? Zo nee, op basis van welke bronnen en cijfers stelt u dat?
Herkent u zich in het oordeel van de Vries op bladzijde 58 dat «onder het vaandel van marktwerking en modernisering publieke taken werden verzelfstandigd of geprivatiseerd, terwijl de bestuurstaal verschoof van rechten en nabijheid naar doelmatigheid, contracten en controle»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Bent u het eens met haar oordeel op dezelfde bladzijde dat «hierdoor de relatie tussen burgers en de overheid veranderde: meer benchmarks en verantwoordingsdruk, minder relatie en wederkerigheid»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Hoe waardeert u de oplossingsrichting van De Vries om als overheid meer te gaan werken aan nabijheid (zie hoofdstuk 8)? Kunt u toelichten wat u daaruit meeneemt en hoe u dit gaat implementeren in het beleid?
Erkent u dat uit cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat met uw kabinet de sociale zekerheid en zorg de grootste bezuinigingsposten zijn, burgers grotere lasten dragen dan bedrijven, uitkeringsgerechtigden en langdurig zieken relatief zwaar worden geraakt door uw beleid, en grote vermogens en superrijken relatief worden ontzien?
Erkent u dat er veel maatschappelijke weerstand is over de keuzes van het kabinet om te bezuinigen op o.a. de WW, WIA en de zorg?
Erkent u dat ook uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar draagvlak voor klimaatbeleid blijkt dat mensen klimaatbeleid in meerderheid steunen, maar het niet rechtvaardig vinden dat de lasten vooral bij burgers terechtkomen, terwijl bedrijven worden ontzien? Erkent u dat mensen het belangrijk vinden dat lasten eerlijker verdeeld moeten worden? Wat is uw reactie daarop?
Erkent u dat mensen in dat licht de afschaffing CO2-heffing voor vervuilers, het in stand houden van fossiele subsidies, en miljarden uitgeven aan buitenlandse multinationals als Tata Steel onbegrijpelijk zouden kunnen vinden?
Bent u zich ervan bewust dat uit onder andere de eerdergenoemde onderzoeken volgt dat de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de zorg die het kabinet wil doorzetten, ertoe kunnen leiden dat de onvrede en onrust onder burgers in de samenleving worden vergroot?
Realiseert u zich dat uit onder andere eerdergenoemde onderzoeken volgt dat burgers door zulke bezuinigingsmaatregelen van het kabinet burgers in toenemende mate hun vertrouwen kunnen verliezen in de overheid en haar instituten, en gevoeliger kunnen worden voor populistisch en radicaal- en extreemrechts gedachtegoed? Zo nee, waar baseert u zich op?
Gezien de wetenschappelijke analyse (genoemd in het boek van De Vries, zie bladzijde 160) die wijst op de samenhang tussen ervaren verschraling en steun voor radicaal-rechtse partijen, waarom bezuinigt u dan toch op onder andere de WW en de WIA, en laat u superrijken en grote vermogens relatief met rust? Ziet u in dat u door het verschralen van de sociale zekerheid de voedingsbodem legt voor radicaal-rechts gedachtegoed, zoals ook De Vries beschrijft?
Ziet u bijvoorbeeld dat radicaal- en extreemrechts meteen gebruik maakt van de keuzes van uw kabinet om te bezuinigen op de zorg en sociale zekerheid, om mensen op te hitsen tegen onder andere vluchtelingen en de LHTBQIA+ gemeenschap en om onrust aan te wakkeren, waar de tweet van Eva Vlaardingerbroek (vlak na de presentatie van de plannen van uw kabinet) exemplarisch voor is?4
Welke lessen trekt u uit alle bovengenoemde onderzoeken en analyses voor uw beleid in de toekomst, om de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts weg te nemen?
Erkent u dat er alternatieve financieringsmogelijkheden zijn, die de lasten eerlijker leggen bij grote vermogens en grote vervuilers, in plaats van bij sociale zekerheid, zorg en werkende mensen?
Bent u, ook gezien de verschillende onderzoeken, bereid om niet verder te bezuinigen op de sociale zekerheid en zorg, maar om de lasten eerlijker te verdelen en meer geld op te halen bij grote vervuilers, grote vermogenden en de superrijken?
Kunt de vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: 'Dit is niet uit te leggen'' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering»?1
Deelt u de constatering dat veel veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de pilotfase en dat dit vooral te wijten is aan de complexe bekostiging? Zo nee, op basis van welke cijfers?
Hoeveel zorginnovaties die in een pilot- of proeftuinfase aantoonbaar kosteneffectief zijn gebleken, zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk opgeschaald naar reguliere, structureel bekostigde zorg? Kunt u dit per jaar uitsplitsen?
Bent u bereid de Kamer per brief een overzicht te sturen van de gemiddelde kosten die medtech-bedrijven maken van concept tot markttoelating en vergoeding (R&D, klinische validatie, CE-markering/MDR, markttoegang), en die kosten zowel economisch als gezondheidseconomisch te duiden?
Bent u bereid in diezelfde brief dezelfde uitsplitsing op te nemen voor biotech-bedrijven, met onderscheid tussen diagnostiek en farmaceutische ontwikkeling, en die ook economisch en gezondheidseconomisch te duiden?
Beschikt u (of het Zorginstituut, de NZa en Invest-NL) überhaupt over een integraal beeld van deze kosten per subsector? Zo nee, hoe kan het kabinet dan gericht innovatie- en bekostigingsbeleid voeren?
Welk deel van deze kosten komt voort uit regeldruk en bekostigingseisen die de overheid zelf oplegt (MDR/IVDR, pakketbeoordeling, schotten in de bekostiging), en welke maatregelen neemt u om juist dat deel te verlagen?
Welk percentage van de medtech- en biotech-startups dat seed funding ontvangt, haalt een vervolgronde (Serie A en verder) en bereikt de markt? Kunt u dit uitsplitsen naar (a) medtech, (b) biotech-diagnostiek en (c) biotech-farma?
Kunt u deze slagingskansen ook uitsplitsen per regio of life-sciences-cluster (onder meer Leiden, Oss/Brabant, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Amsterdam, Utrecht en Limburg)? Welke regio’s blijven achter, en waarom?
Klopt het dat de meeste Nederlandse zorginnovaties sneuvelen in de fase na seed funding, de zogenoemde «valley of death»? Welk maatschappelijk en economisch rendement gaat hierdoor naar uw schatting jaarlijks verloren?
Hoeveel van de bedrijven die via het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund (volgens recente analyses circa 1,3 miljard euro voor life sciences, waaronder 246 miljoen euro via het programma Biotech Booster) zijn inmiddels doorgegroeid naar de opschalings- of marktfase, en hoe verhoudt zich dat tot de gestelde doelen?2
Hoe verhouden de slagingskansen, doorlooptijden en kosten om zorginnovaties naar de markt te brengen zich tot die in België en Duitsland? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
Op welke punten presteren België (onder meer Vlaanderen) en Duitsland aantoonbaar beter in het opschalen en vergoeden van bewezen zorginnovaties, en welke concrete lessen trekt u daaruit?
Deelt u de zorg dat Nederlandse zorginnovatoren en investeringen weglekken naar het buitenland wanneer opschaling en vergoeding hier trager en duurder verlopen dan over de grens? Zo nee, waarom niet?
Bent u of is uw ministerie de afgelopen kabinetsperiode met uw Belgische en Duitse ambtsgenoten in gesprek geweest over grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Ziet u kansen om voor een grensregio als Limburg een gezamenlijke, grensoverschrijdende proeftuin voor zorginnovatie met gedeelde financiering op te zetten, samen met kennisinstellingen als Maastricht University, UHasselt en RWTH Aachen en de ROM LIOF (en de ROM-equivalenten België en Duitsland)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Interreg-structuren (Euregio Maas-Rijn en Vlaanderen–Nederland) gerichter in te zetten om financierings- en regelgevingsbarrières voor zorginnovaties in de grensregio weg te nemen?
Bent u bereid gezamenlijk te komen tot een concreet plan van aanpak om de «valley of death» voor bewezen, kostenbesparende zorginnovaties te overbruggen, inclusief meetbare doelen en een tijdpad waarop de Kamer de voortgang kan toetsen?
Bent u bereid de in de vragen 4 en 5 genoemde Kamerbrief uiterlijk voor de aanstaande begrotingsbehandeling te sturen en daarin ook (a) de slagingskansen na seed funding per regio en (b) een vergelijking met België en Duitsland op te nemen?
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio’s hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio’s zijn verdeeld?
Welke formele eisen aan eigen inbreng of cofinanciering stellen publieke fondsen en de ROM’s (waaronder LIOF en BOM) bij seedfinanciering aan startups, en zijn deze publiek kenbaar?
In hoeverre hanteren individuele investment managers en investeringscommissies van deze fondsen daarbovenop informele, niet-gecodificeerde verwachtingen over eigen inbreng van oprichters (bijvoorbeeld een bedrag in de orde van 50.000 euro of een co-investeringseis), en in hoeveel gevallen is zo’n verwachting een drempel of afwijzingsgrond gebleken?
Welk deel van de ontwikkelkosten van veelbelovende medtech- en diagnostiekstartups gaat op aan het voldoen aan de MDR en IVDR (klinische evaluatie, technische documentatie, beoordeling door een aangemelde instantie), en hoeveel startups komen hierdoor in financiële problemen of haken af?
In hoeverre hanteren publieke fondsen en ROM’s bij seedfinanciering voorwaarden die een redelijk ondernemerssalaris voor oprichters beperken of ontmoedigen, en hoeveel oprichters stoppen mede daardoor?
In hoeverre leiden de rendements- en revolverendheidseisen aan de ROM’s ertoe dat publiek kapitaal vooral naar veilige, latere-fase- en Randstad-investeringen vloeit, ten koste van vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s?
Bent u bereid, als kansarme regio’s structureel blijken achter te blijven, gezamenlijk geoormerkt extra kapitaal vrij te maken voor de ROM’s in die regio’s, gericht op behoud en opschaling van zorginnovatie?
Bent u bereid de seedfinanciering voor zorgtechstartups (incl. biotech en medtech) te verhogen en de eis van een directe, substantiële eigen inbreng te schrappen of te versoepelen?
Bent u bereid een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoedt?
Bent u bereid de ROM’s en publieke fondsen ertoe aan te zetten oprichters tijdens de seedfase een redelijk salaris toe te staan, in plaats van te verlangen dat zij zonder inkomen ondernemen?
Bent u bereid de opdracht en rendementseisen van de ROM’s zo bij te stellen dat vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s wordt aangemoedigd, en de Kamer met meetbare doelen en periodieke rapportage te tonen of het extra kapitaal daadwerkelijk in die regio’s en die vroege fase terechtkomt?
Spoorgoederenvervoer |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Investigation confirms: Dutch rail freight costs far exceed those of neighbouring countries»?1
Herkent en onderschrijft u de analyse van spoorgoederenkosten/infraheffingen die ProRail en Havenbedrijf Rotterdam hebben gemaakt?
Erkent u dat de Nederlandse economie is gebaat bij een (goederen)vervoerssysteem verspreid over de diverse modaliteiten?
In hoeverre onderschrijft u de stelling dat er de afgelopen jaren sprake is van een «reverse modal shift», waarbij goederen die voorheen per spoor of binnenvaart werden vervoerd, steeds vaker via de weg worden vervoerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u – zoals uit het artikel blijkt – van mening dat de hoge kosten waar spoorgoederenvervoer bedrijven zich in Nederland voor gesteld zien, bijdragen aan deze «reverse modal shift»? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft Nederland geen gelijk speelveld met de met ons omringende landen?
Worden de infraheffingen voor het rijden van goederentreinen en die voor het opstellen en rangeren van goederentreinen taakstellend bepaald of vastgesteld? Zo ja, door wie?
Wie neemt het besluit en wat is de basis voor de infraheffingstarieven?
Wordt bij de vaststelling van de infraheffingen gestuurd op een optimaal evenwicht tussen opbrengsten uit infraheffingen en het behoud of de groei van het goederenvervoer per spoor? Daarbij rekening houdend met de prijsgevoeligheid van verladers bij de keuze tussen vervoerwijzen. Kunt u dit toelichten?
Welke factoren bepalen de hoogte van de infraheffingstarieven? Kunt u toelichten hoe deze factoren worden meegewogen?
Wordt er daarbij rekening gehouden met tarieven in het buitenland?
Welke mogelijkheden ziet u om het spoorgoederenvervoer in Nederland een «level playing field» te bieden met het buitenland?
Is er een relatie tussen de hoogte van de infraheffing en de geleverde kwaliteit van de dienstverlening van de nationale spoorbeheerder? Zo nee, waarom niet?
Is het niet zaak nu het vervoer per spoor Europees (zowel personen- als goederenvervoer) meer wordt geüniformeerd (bijv. qua stelsel, marktordening, spoorveiligheid, etc.) om ook de publieke lastendruk van de spoorgoederensector (meer) te harmoniseren?
Zijn de infraheffingen voor het opstellen van goederentreinen op de emplacementen in de havens, bij de inland terminals en in de industriegebieden, in lijn met die van het wegtransport? Kunt u dit toelichten?
Welke mogelijkheden ziet u verder om van overheidswege de «reverse modal shift» te keren?
Bent u bereid deze schriftelijke vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Spoorgoederenvervoer van woensdag 17 juni 2026?
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Een ernstig datalek binnen de EBI |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat vertrouwelijke dossierinformatie van een gedetineerde met een zware risicostatus zichtbaar is geweest voor een andere gedetineerde binnen de Extra Beveiligde Inrichting (EBI)?1
Hoe beoordeelt u het feit dat juist binnen de zwaarst beveiligde inrichting van Nederland vertrouwelijke strafrechtelijke informatie kennelijk bij een andere gedetineerde terecht heeft kunnen komen?
Klopt het dat de voorgeschreven veiligheidsprocedures in dit geval niet zijn gevolgd? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Geeft dit incident aanleiding tot het herzien van de veiligheidsprocedures? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat vertrouwelijke informatie van andere gedetineerden eveneens onbevoegd is ingezien? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat een dergelijke blunder ernstige veiligheidsrisico’s met zich kan brengen voor lopende strafzaken, getuigen, slachtoffers, personeel en de openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Acht u het verantwoord dat gedetineerden met een zware risicostatus zonder toezicht toegang hebben tot apparatuur waarmee dergelijke fouten kennelijk kunnen ontstaan? Zo ja, waarom?
Bent u bereid te onderzoeken of dossierinzage voor hoogrisicogedetineerden voortaan uitsluitend onder toezicht en op papier dient plaats te vinden, zodat deze gedetineerden in zijn geheel geen toegang meer hebben tot laptops, waar wij al eerder voor hebben gepleit, en dit soort datalekken daardoor onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Welke disciplinaire, organisatorische of personele consequenties worden verbonden aan het niet naleven van de veiligheidsprocedures die tot dit incident hebben geleid? Gaat de toedracht van dit incident worden onderzocht op mogelijk opzettelijk handelen?
Kunt u garanderen dat zich binnen de EBI momenteel geen vergelijkbare beveiligingslekken voordoen waardoor gedetineerden toegang kunnen krijgen tot informatie die niet voor hen bestemd is? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID»?1
Deelt u de mening dat apps en oplossingen die ontwikkeld worden door de Rijksoverheid altijd zo toegankelijk mogelijk zouden moeten zijn voor elke Nederlander? Zo ja, hoe beoordeelt u dan de keuze tot verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van NL Wallet?
Deelt u de mening dat ook mensen die geen gebruik maken van telefoons met Google of van telefoons met Apple-ID in staat zouden moeten zijn om gebruik te maken van NL Wallet? Zijn deze mogelijkheden bij de ontwikkeling van NL Wallet verkend? Zo ja, waarom is dan gekozen om alsnog voor deze technische voorwaarden te gaan voor NL Wallet? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat in het kader van toegankelijkheid ook mensen die geen gebruik willen of kunnen maken van een smartphone de app NL Wallet zouden moeten kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen waarom DigiD wel te gebruiken is voor mensen zonder iOS-telefoon of Google-account of zonder smartphone? Waarin verschilt DigiD van NL Wallet waardoor dit voor NL Wallet niet mogelijk zou zijn?
Hoe complex is het om de NL Wallet zo om te bouwen dat het hebben van een Apple Account of Google Account niet voorwaardelijk is?
Kunt u garanderen dat NL Wallet niet de rol van DigiD in de toekomst zal overnemen, zo lang voor het gebruik van NL Wallet een Apple-ID of Google-account voorwaardelijk is? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Kunt u garanderen dat organisaties die op dit moment DigiD ondersteunen en die NL Wallet willen ondersteunen, in de toekomst DigiD ook blijven ondersteunen naast NL Wallet? Zo nee, deelt u de mening dat dat betekent dat Nederlanders tot het gebruik van een Google-account of Apple-ID worden gedwongen?
Kunnen gebruikers van NL Wallet van wie het Google-account of de Apple-ID om wat voor reden dan ook door Google of Apple wordt geblokkeerd gebruik blijven maken van NL Wallet? Zo nee, kunt u dan garanderen dat Nederlanders die gebruik maken van NL Wallet niet in de problemen komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit acceptabel is?
Hoe kijkt u vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit naar de keuze om een Google-account of Apple-ID voor een NL Wallet voorwaardelijk te maken?
Hoe bent u van plan om in het vervolg, bij ontwikkeling van apps door de overheid, het gemak van de ontwikkeling af te wegen tegen digitale soevereiniteit en toegankelijkheid?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Het bericht 'Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland' |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland»1 en met het onderliggende onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP), waaruit blijkt dat de fondsenwerving voor groeikapitaal in 2025 is gedaald tot € 32 miljoen, het laagste bedrag ooit gemeten, terwijl voor start-ups en buy-outs nog wél ruim kapitaal beschikbaar is?
Hoe verhoudt het opdrogen van juist het scale-upsegment zich tot de coalitieafspraak dat baanbrekende ondernemingen weer groot moeten kunnen worden in Nederland, en tot het feit dat het coalitieakkoord de grotere financieringsrondes van start- en scale-ups expliciet noemt als reden voor de Nationale Investeringsinstelling?
Deelt u de analyse dat hier geen sprake is van een kwaliteitsprobleem van Nederlandse bedrijven – gezien de slechts zes faillissementen en de aanhoudende interesse van buitenlandse investeerders – maar van een structureel tekort in de Nederlandse financieringsketen?
Hoe beoordeelt u, gelet op de waarschuwing in het rapport-Wennink dat scale-ups met een kapitaalbehoefte boven € 50 miljoen die financiering nauwelijks in Nederland kunnen vinden, het risico dat met de instap van buitenlandse investeerders hoofdkantoren, onderzoeksafdelingen, werkgelegenheid en daarmee verdienvermogen uit Nederland wegvloeien?
Welke concrete maatregelen neemt u om het door de NVP gesignaleerde gebrek aan exits (beursgangen en overnames) aan te pakken, bijvoorbeeld via de Europese kapitaalmarktunie, aantrekkelijkere beursnoteringen en het stimuleren van Nederlandse overnames van jonge innovatieve bedrijven?
Welke instrumenten krijgt de Nationale Investeringsinstelling om, conform de coalitieafspraak dat zij institutioneel kapitaal mobiliseert en op een schaal die aansluit bij het rapport-Wennink, het pensioenkapitaal (waarvan nu gemiddeld niet meer dan 0,1% naar start- en scale-ups gaat) daadwerkelijk los te trekken voor groeikapitaal, mede in het licht van initiatieven als het Scale-up Europe Fund en het Dutch Impact Growth Fund van Invest-NL?
In hoeverre verwacht u dat de aanhoudende geopolitieke onzekerheid de Nederlandse ambities op het gebied van groeikapitaal en innovatie-investeringen verder onder druk zet, en welke scenario’s of alternatieve plannen heeft u voor het geval de private investeringsbereidheid in het scale-upsegment structureel achterblijft?
Welke mogelijkheden ziet u om, gegeven de huidige budgettaire keuzes rondom het Toekomstfonds, de hefboomwerking van publieke investeringen voor het aantrekken van privaat groeikapitaal in stand te houden?