Onbetaalbare hypotheeklasten |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen bij huiseigenaren over hypotheeklasten: «Echt een keerpunt»» en met het onderliggende onderzoek van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG)?1
Ja.
Deelt u de analyse van NHG-directeur Van der Linde dat de financiële positie van Nederlandse huiseigenaren structureel verslechtert?
NHG onderzoekt middels de woonlastenmonitor2 de gepercipieerde ontwikkeling van de woonlasten. Ze onderzoeken dus niet hoe woonlasten zich feitelijk ontwikkelen, maar hoe woningeigenaren dit ervaren, bijvoorbeeld door te meten hoe vaak mensen wakker liggen door geldzorgen. Uit de woonlastenmonitor blijkt dat ruim één op de drie woningeigenaren met een hypotheek het inkomen als net toereikend of onvoldoende ervaart om aan alle financiële verplichtingen te voldoen. Dit percentage is ongeveer gelijk gebleven met de vorige woonlastenmonitor. Uit de woonlastenmonitor blijkt wel dat de groep jongeren tot 35 jaar en inkomens tot 2 keer modaal die het inkomen als onvoldoende ervaart, is gegroeid de afgelopen periode.
Uit de cijfers van het CBS en uit de ABN woningmarktmonitor3 uit mei 2026 blijkt dat de woonquote, het daadwerkelijke percentage van het inkomen dat aan wonen wordt uitgegeven, de laatste jaren juist is gedaald. De belangrijkste oorzaak hiervan zijn de sterk gestegen inkomens. Vooral bij zittende woningeigenaren leidde dit tot een daling van de gemiddelde woonlasten. In de periode 2019–2025 daalden de woonlastenratio’s voor zittende eigenaren met 2 tot 3 procentpunten. Voor starters ligt die daling veel lager: ongeveer 1 procentpunt. Voor starters in grote steden stegen de woonlastenratio’s zelfs, tot wel 2 procentpunten in Amsterdam.
Het gedeelde beeld uit de ABN woningmarktmonitor en de woonlastenmonitor van NHG is dat de meeste mensen de woonlasten goed kunnen dragen en dat de woonlastenratio’s zijn gedaald. Tegelijkertijd zie je in beide monitors dat jonge woningeigenaren en inkomens tot 2 keer modaal de hoogste woonlasten hebben en het inkomen als onvoldoende ervaren. Ik vind het belangrijk om mij in te zetten voor een betere betaalbaarheid van woningen voor alle woningzoekenden, met extra aandacht voor jongeren en mensen met middeninkomens.
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, wat is dan volgens u de grondoorzaak voor de verslechtering van deze positie?
Zoals bij vraag 2 is aangegeven is het vooral voor middeninkomens en startende huishoudens lastig om een woning te kopen en zijn de woonlasten voor deze groepen relatief hoog. De afgelopen jaren is de vraag naar woningen meer toegenomen dan het aanbod van woningen. In deze krappe woningmarkt zijn de huizenprijzen het laatste decennium erg hard gestegen. Woningeigenaren die recent een eerste woning kochten moesten een hoge lening aangaan voor de aankoop van hun huis. Uit een recente monitor van De Nederlandsche Bank blijkt dat steeds meer starters op de woningmarkt de grenzen opzoeken van wat ze maximaal verantwoord kunnen lenen: in 2017 leenden starters gemiddeld 80% van wat er op basis van hun inkomen mogelijk was, in 2025 is dit opgelopen naar 92%4.
Daarnaast is het inkomen van bestaande woningeigenaren harder gestegen ten opzichte van woningeigenaren die hun woning recenter hebben gekocht. Voor bestaande woningeigenaren die al langer in hun woning wonen zijn de hypotheeklasten ten opzichte van hun inkomen vaak lager geworden.
Wat is uw verklaring voor het gegeven dat het percentage huiseigenaren tot 34 jaar dat het eigen inkomen onvoldoende vindt om de woonlasten te betalen, is verdubbeld en acht u dit een aanvaardbare uitkomst van het gevoerde beleid?
De verklaring hiervoor heb ik gegeven bij de beantwoording van vraag 2 en 3. Ik vind het belangrijk dat jongeren een betaalbare woning kunnen vinden. Om deze reden zet ik vol in op het bouwen van nieuwe (betaalbare) woningen, wegnemen van belemmeringen in de woningbouw en het beter benutten van de bestaande voorraad.
Ook heeft het Rijk een aantal instrumenten specifiek gericht op koopstarters en middeninkomens. Koopstarters en middeninkomens kunnen profiteren van de voordelen van een hypotheek met NHG. Een hypotheek met NHG kan worden afgesloten voor een woning met een koopsom of marktwaarde onder de NHG-grens van € 470.000 (2026). Consumenten met een hypotheek met NHG lopen minder risico’s en meestal profiteren zij van rentekorting op de hypotheekrente. Ook kunnen koopstarters profiteren van de vrijstelling van de overdrachtsbelasting.
Ook is er sinds vorig jaar het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen dat zich specifiek richt op koopstarters met een middeninkomen. Dit gebeurt door nieuwbouwwoningen met een kopersondersteuning onder de marktwaarde aan te bieden, waardoor deze woningen beter bereikbaar worden voor de doelgroep. Het fonds hanteert onder andere criteria ten aanzien van inkomen tot maximaal twee keer modaal, leeftijd tot 35 jaar en het type woning (nieuwbouw binnen de betaalbaarheidsgrens). Daarmee wordt het instrument gericht ingezet voor de doelgroep waarvoor het is bedoeld en draagt het bij aan het bereikbaar maken van koopwoningen voor huishoudens die anders moeilijk toegang hebben tot de koopwoningmarkt.
Erkent u dat de sterk gestegen huizenprijzen mede het gevolg zijn van een door de overheid kunstmatig beperkt woningaanbod en jarenlang ruim monetair beleid van de Europese Centrale Bank?
Zowel aan de aanbod- als de vraagzijde is er een groot aantal factoren dat bijdraagt aan de ontwikkeling van huizenprijzen.5 Een structureel tekort aan woningen zie ik daarbij als belangrijke oorzaak, maar ook de ontwikkeling van de rente is hierin één van de factoren. Renteontwikkelingen worden door meerdere factoren bepaald, waaronder monetair beleid, maar ook door structurele economische factoren zoals ontwikkelingen van spaartegoeden. Specifiek ten aanzien van ruimtelijke restricties en eisen aan woningbouw zie ik dat deze hebben bijgedragen aan de beperkte woningbouw en gestegen huizenprijzen. Om deze reden zet ik in op het wegnemen van belemmeringen in de woningbouw.
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
In hoeverre dragen de stapeling van verduurzamingsverplichtingen, energiebelastingen en netbeheerkosten bij aan de structureel hoge woonlasten van huiseigenaren?
Verduurzaming draagt positief bij aan het beheersbaar houden van de woonlasten6. Om verduurzaming te stimuleren is de energiebelasting op aardgas verhoogd en de energiebelasting op elektriciteit verlaagd. Naast de energiebelastingtarieven kent de energiebelasting een belastingvermindering. Deze korting op de energierekening is een vast bedrag per elektriciteitsaansluiting. Van de marginale tarieven gaat een besparingsprikkel uit, terwijl de belastingvermindering voorkomt dat de totale energierekening te hoog oploopt door de energiebelasting. Met de belastingvermindering meegerekend bedraagt de energiebelasting gemiddeld genomen ongeveer 10% van de totale energierekening. Richting 2030 blijft dat ongeveer 10%. In 2020 ging het nog om 30%. De netbeheerkosten zullen naar verwachting wel stijgen in de toekomst, zie het antwoord op vraag 8 voor een toelichting.
Inzetten op het verder verduurzamen van de Nederlandse woningvoorraad betekent uiteindelijk minder energiegebruik door de woningeigenaar, meer grip op de energierekening en minder afhankelijk zijn van fossiele energie.
Kunt u de bij vraag zeven aangeleverde kostenposten afzonderlijk kwantificeren?
Bij vraag zeven worden 3 kostenposten genoemd; 1) verduurzamingsverplichtingen, 2) energiebelastingen en 3) netbeheerkosten. Onderstaand worden deze behandeld.
1) Verduurzamingsverplichtingen; Momenteel zijn er geen verduurzamingsverplichtingen voor woningeigenaren. Uit verschillende onderzoeken blijkt wel dat verduurzaming juist geld oplevert. Zie bijvoorbeeld de publicatie van CPB waaruit blijkt dat 9 op de 10 huishoudens meer geld overhouden na het installeren van een warmtepomp, waar nodig in combinatie met isolatie7. Voor nieuwbouwwoningen geldt vanaf 2030 een nieuwe norm, de kosten die dit met zich meebrengt worden in lijn gebracht met de verwachte energiebesparing. Zie ook het antwoord op vraag 18.
2) Energiebelasting; In 2026 is de energiebelasting op aardgas tot een verbruik van 170.000 m3 60 cent per m3 en op elektriciteit tot een verbruik van 10.000 kWh 9 cent per kWh, exclusief btw. De belastingvermindering bedraagt in 2026 519,80 euro, exclusief btw. Voor huishoudens met een «gemiddeld verbruik» van 900 m3 aardgas en 1.920 kWh elektriciteit bedraagt de energiebelasting 194 euro op een gemiddelde totale energierekening van 2.112 euro in 2026.
3) Netbeheerkosten; Door stijgende nettarieven en leveringskosten gaat de gemiddelde energierekening omhoog. Netbeheerders leggen de komende jaren extra kabels aan om ervoor te zorgen dat voldoende stroom beschikbaar is. De ACM stelt jaarlijks vast hoeveel netbeheerders in rekening mogen brengen. De overheid wil het stroomnet slimmer gebruiken, en stimuleert daarom naast, energiebesparing ook een betere spreiding van het elektriciteitsgebruik over de dag. Om dit te stimuleren worden tijdsafhankelijke nettarieven geïntroduceerd per 2029. Hierdoor is minder uitbreiding van het stroomnet nodig en worden de kosten eerlijker verdeeld op basis van daadwerkelijk verbruik.
Wat zegt het over de wenselijkheid van verduurzamingsinvesteringen dat Roald van der Linde (directeur NHG) aangeeft dat de betalingsachterstanden voornamelijk worden veroorzaakt door verduurzamingsinvesteringen die jongeren moeten betalen omdat zij de hoge energieprijzen willen drukken?
De directeur-bestuurder van NHG geeft niet aan dat betalingsachterstanden worden veroorzaakt door verduurzamingsinvesteringen. In een blog8 wordt door de directeur-bestuurder van NHG verduurzaming genoemd als kans en geeft hij tegelijkertijd aan dat behoefte is aan duidelijkheid over de kosten van maatregelen, wat ze opleveren en hoe deze maatregelen te financieren. Aangegeven wordt dat de hypotheekadviseur een verschil kan maken door woningeigenaren te informeren over de financieringsmogelijkheden voor verduurzaming. Om de hypotheekadviseur hierbij te ondersteunen ben ik momenteel bezig met het ontwikkelen van een tool voor in softwarepakketten van financieel adviseurs die de financierings- en subsidiemogelijkheden inzichtelijk maakt.
Hoe verhoudt de constatering dat Nederland nog altijd een van de landen met de hoogste woonlasten van de eurozone is zich tot de belofte van opeenvolgende kabinetten dat wonen betaalbaar zou worden?
De woonlasten in Nederland liggen door de jaren heen ongeveer 30 procent9 boven het Europees gemiddelde. Dat moet vergeleken worden met het inkomensniveau10 dat in Nederland bijna 60% boven het Europees gemiddelde ligt. Slechts acht procent van de Nederlanders gaf in 2025 aan de woonlasten erg zwaar te vinden11, de laagste score in de hele Europese Unie. Ondanks deze positieve score is de betaalbaarheid van het wonen voor dit kabinet een van de belangrijkste prioriteiten.
Bent u bereid uit te sluiten dat de hypotheekrenteaftrek verder wordt afgebouwd of beperkt, gelet op de toenemende betalingsproblemen onder huiseigenaren?
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft om zo het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren.
Hoe beoordeelt u het feit dat een groot deel van de ondervraagden bezuinigt op vakanties, restaurantbezoek en zelfs boodschappen om de woonlasten te kunnen dragen?
Uit de woonlastenmonitor van NHG blijkt van de 9% van de woningeigenaren het inkomen als onvoldoende ervaart en aan deze groep is gevraagd welke acties ondernomen zijn. Van deze groep heeft ruim 75% het uitgavenpatroon aangepast, ruim 11% is meer gaan werken en de rest heeft (nog) geen actie ondernomen. Bij de groep die het inkomen voldoende of net toereikend vindt, heeft ruim de helft het uitgavenpatroon aangepast. Dit beeld kwam ook naar voren in de vorige woonlastenmonitor. Hoewel het natuurlijk zorgelijk is dat een deel van de mensen het inkomen als onvoldoende ervaart, vind ik het wel positief dat het grootste deel van deze mensen stappen onderneemt door uitgaven te beperken of inkomsten te vergroten om zodoende de woonlasten te kunnen betalen. Daarnaast vind ik het positief dat uit de woonlastenmonitor blijkt dat steeds meer woningeigenaren bereid zijn om professionele hulp in te schakelen bij financiële problemen. Vroegtijdig inschakelen van professionele hulp kan grotere problemen voorkomen.
Wat zeggen de bij vraag 12 beschreven bezuinigingen volgens u over de kwaliteit van leven, de bestedingsruimte en de koopkracht van hardwerkende Nederlanders?
Zoals in de vorige antwoorden beschreven hebben vooral jongeren en middeninkomens het lastig op de woningmarkt en wordt vooral onder deze groep het inkomen als onvoldoende ervaren. Dit kabinet zet daarom ook in om de koopkracht voor deze groep te verbeteren. Daarnaast zet ik mij in voor betaalbare woningen voor onder andere deze groepen.
Wat gaat het kabinet doen aan psychische en financiële druk die het lasten- en woningbeleid op burgers legt, aangezien één op de vijf ondervraagden stress, slecht slapen en moedeloosheid ervaart door de financiële situatie?
Bij het afsluiten van een hypotheek in Nederland is verantwoorde verstrekking van hypothecair krediet een fundamenteel uitgangspunt. Verstrekkers van hypothecair krediet voeren bij aanvraag van een hypotheek de kredietwaardigheidsbeoordeling uit, om te voorkomen dat huishoudens onverantwoord hoge woonlasten aangaan bij de aankoop van hun woning. Desondanks kunnen huishoudens financiële stress ervaren, bijvoorbeeld door onvoorziene levensomstandigheden. Het is daarom goed dat het beleid van verstrekkers van hypothecair krediet en NHG de afgelopen jaren steeds meer is gericht op het vroeg signaleren van financiële problemen en het zo snel mogelijk ondernemen van actie hierop. Het doel is om te voorkomen dat problemen te groot worden en te zorgen dat mensen in de woning kunnen blijven wonen. Ik vind het positief dat verstrekkers van hypothecair krediet en NHG beleid voeren om problemen bij woningeigenaren te voorkomen. Daarnaast blijkt uit de monitor van NHG dat mensen steeds meer bereid zijn om professionele hulp in te schakelen bij financiële problemen, wat belangrijk kan zijn bij het voorkomen van financiële stress.
Deelt u de opvatting dat woonlasten stijgen wanneer het aanbod van woningen de vraag ernaar niet kan bijbenen?
Bij een achterblijvend aanbod kunnen de woningprijzen harder stijgen, maar er zijn ook andere factoren die hier invloed op hebben. Denk aan de hoogte van de rente en inflatie. Deze kunnen allemaal doorwerken in hogere woonlasten van mensen. Tegelijkertijd wordt de hoogte van de woonlasten beperkt door huurprijsregelgeving en door de leennormen.
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Indien het antwoord op vraag 15 bevestigend luidt, bent u het dan eens dat de fundamentele oplossing voor de hoge woonlasten ligt in méér bouwen in plaats van in nieuwe subsidies, garanties of inkomensafhankelijke regelingen die de symptomen bestrijden? Zo nee, waarom niet?
Beide instrumenten zijn nodig, omdat niet alleen het aanbod invloed heeft op de hoogte van de woonlasten. Het is een prioriteit van dit kabinet om de toegankelijkheid van de woningmarkt te bevorderen door meer te bouwen. Het kabinet zet daarom met name in op het wegnemen van belemmeringen en daarmee het versnellen van de woningbouw. Daarnaast zet het kabinet zich in voor betaalbare woonlasten. Zo draagt bijvoorbeeld de huurtoeslag bij aan de betaalbaarheid van de woonlasten voor huurders, ook als de huren harder stijgen dan de groei van inkomens, bijvoorbeeld door hogere inflatie.
In hoeverre is EU-regelgeving – waaronder de herziene Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) en bijbehorende verduurzamingsverplichtingen – verantwoordelijk voor de gestegen woonlasten door enerzijds nieuwbouw duurder te maken en anderzijds kostbare energiebesparende verbouwingen af te dwingen?
Met het uitwerken van de EPBD IV12 wordt een vrijwillige eindnorm in 2050 voor bestaande bouw geïntroduceerd, deze norm geeft de duidelijkheid waar veel woningeigenaren op wachten; het geeft duidelijk handelingsperspectief en maakt duidelijk wanneer een woning niet verder verduurzaamd hoeft te worden. Bij de uitwerking van deze norm wordt gekeken naar de haalbaarheid en betaalbaarheid voor woningeigenaren. Een heel pakket13 aan ontzorging en financiering staat klaar om eigenaren van gebouwen te ondersteunen en hen te helpen aan een lagere energierekening.
Voor de nieuwbouw wijzigt de norm van een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) naar Zero Emission Building (ZEB) in 2030. Bij het uitwerken van de ZEB norm wordt gewerkt met kostenoptimalisatiestudies14 om de technische haalbaarheid vast te stellen en de kosten in lijn te brengen met de energiebesparing. Op deze manier blijven de kosten van verduurzaming van nieuwbouwwoningen economisch verantwoord.
In hoeverre blijft er door de herziene EPBD nog beleidsruimte van het kabinet over om de woonlasten voor huiseigenaren te verlagen?
Zoals eerder genoemd heeft energiebesparing veelal een positief effect op de woonlasten voor huiseigenaren. Onderzoek van het NIBUD toont dit ook aan, vandaar dat er meer leenruimte is voor een energiezuinige woning of als men juist energiebesparende maatregelen wil treffen15.
Bent u bereid zich in Brussel in te zetten voor het terugdringen van deze verplichtingen?
Ik zie geen redenen om mij in te zetten voor het terugdringen van de richtlijnen uit de EPBD IV. De EPBD IV geeft een basislijn aan om energiebesparing in de gebouwde omgeving te stimuleren en toe te werken naar een emissievrije gebouwde omgeving. Een emissievrije gebouwde omgeving heeft naast voordelen als grip op energiegebruik, comfortabelere en gezonde gebouwen, ook als voordeel dat wij als land minder afhankelijk worden van fossiele energie, het maakt ons weerbaarder en minder kwetsbaar voor fluctuaties op de internationale energiemarkt. Het zorgt voor investeringen in onze gebouwen en energievoorziening door onze eigen installateurs, aannemers en MKB bedrijven. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat energiebesparing in de gebouwde omgeving goed mogelijk is. De tevredenheid over de genomen maatregelen is hoog. Van de woningeigenaren die isolatiemaatregelen heeft genomen is bijvoorbeeld 90% tevreden16, 95% van de mensen die een warmtepomp heeft aangeschaft raadt deze aan17. De EPBD IV geeft ons als land richting en een gelijk speelveld in de EU.
Kunt u een internationale vergelijking geven van de ontwikkeling van de woonlasten en huizenprijzen in Nederland ten opzichte van vergelijkbare EU-lidstaten over de afgelopen tien jaar, en daarbij aangeven welke landen erin slagen wonen wél betaalbaar te houden, inclusief een analyse over waarom hen dit lukt?
Eurostat publiceert een reeks met de huizenprijsontwikkeling in Europese landen sinds 201018. Daaruit blijkt dat in twaalf landen de huizenprijzen harder gestegen zijn dan in Nederland. Nederland bevindt zich daarmee in de middenmoot.
Zoals bij vraag 10 aangegeven liggen de woonlasten in Nederland ongeveer 30% boven het Europees gemiddelde en het inkomen bijna 60%. De woonlasten in Nederland zijn tussen 2010 en 2024 ongeveer 7% harder gestegen dan in heel Europa. In Denemarken was dat ongeveer 21% en in Oostenrijk 14%. In Ierland, Midden-Europa en de Baltische staten komen nog veel hogere percentages voor. Landen waar de woonlasten minder hard stegen dan het Europees gemiddelde, kennen volgens Eurostat19 over het algemeen ook een benedengemiddelde economische groei20.
Bent u bereid een concreet en afrekenbaar pakket te presenteren – inclusief lastenverlaging en versnelling van de bouw – dat de woonlasten voor met name jonge huiseigenaren binnen deze kabinetsperiode aantoonbaar verlaagt, en de Kamer daarover voor Prinsjesdag te informeren?
Nee, ik kom niet met een specifiek plan om de woonlasten van jonge huiseigenaren te verlagen. Wel zet ik met de Taskforce Versnellen Woningbouw in op het versnellen van de woningbouw.
Indien het antwoord op vraag 22 ontkennend luidt, waarom laat u deze groep in de steek?
Het kabinet zet volop in op het versnellen van de woningbouw, zodat er meer aanbod van betaalbare woningen komt, onder andere voor jongeren. Daarnaast zijn er, zoals beschreven in antwoord op vraag 4, verschillende instrumenten die gericht zijn op koopstarters.
Het artikel 'Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: minister Van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Follow The Money-artikel «Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: Minister van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer»?1
Ja.
Was uw eerdere antwoord op Kamervragen in juli 2025 over gebruik van Palantir binnen de Nederlandse overheid correct en compleet?2 Zo nee, wat heeft u dan verzaakt te melden?
De Kamervragen zijn destijds gesteld aan en beantwoord door de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), op basis van de toen geldende portefeuilleverdeling binnen het kabinet. Daarnaast werden er Kamervragen over het mogelijke gebruik van Palantir gesteld aan meerdere bewindspersonen van andere departementen (Defensie, VWS, IenW, FIN, BZK). Grenstoezicht door de KMar, waarvoor Palantir-software in het verleden is ingezet, viel onder verantwoordelijkheid van de Minister van AenM. Daarom is deze toepassing van Palantir niet meegenomen ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025.
Inmiddels is het Ministerie van Asiel en Migratie opgegaan in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daardoor is in navolging van een Woo-verzoek van JenV recent een contract verstrekt. Het Programma Vernieuwing Grensmanagement, onderdeel van de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI), had contracten afgesloten voor het gebruik van Palantir voor het API-systeem dat gebruikt werd door de KMar voor het grenstoezicht. IDMI was onderdeel van het Directoraat Generaal Vreemdelingenzaken (DGVZ), thans DGM. Zoals hierboven uitgelegd, viel dit betreffende beleidsonderdeel ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025 niet onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van JenV.
De stukken die hierover inmiddels naar aanleiding van het Woo-besluit van JenV zijn gedeeld en de inzet van Palantir-softwarelicenties, zullen nader worden betrokken bij de afhandeling van het Woo-verzoek dat aan de Minister van Asiel en Migratie is gestuurd.
Was u op de hoogte van het contract tussen Palantir en de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI) in 2014?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, waarom heeft u dat contract niet genoemd in uw eerdere antwoord? Zo nee, waarom bent u niet voldoende op de hoogte over Amerikaanse tech-afhankelijkheden binnen uw eigen ministerie?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een kloppend overzicht geven van alle lopende, aanstaand of verlopen contracten tussen de Nederlandse overheid, inclusief sub-overheden en Zelfstandig Uitvoeringsorganen (ZBO’s), en het Amerikaanse Palantir?
Er is geen Rijksbrede overeenkomst met Palantir. Een overzicht van alle lopende, aanstaande en verlopen contracten is niet voorhanden. Aanbestedende diensten zijn zelf verantwoordelijk voor de aanbestedingsprocedures en het contracteren van leveranciers, er is geen centraal overzicht dat door mijn ministerie kan worden aangeboden.
Bent u van mening dat ongepaste of onethische uitspraken van het bestuur van een bedrijf een reden moet zijn dat de Nederlandse overheid geen zaken meer moet doen met het bedrijf in kwestie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet stelt de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtsstaat voorop en zet zich daarvoor in, ook bij de inzet van technologie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
In relatie tot de huidige toepassing van Palantir bij de politie en Defensie hecht ik er, met de Staatssecretaris van Defensie, aan te benadrukken dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. Tegelijkertijd worden mogelijke alternatieven verkend om de toekomstbestendigheid en flexibiliteit te vergroten, zoals ook aan uw Kamer toegelicht door de Staatssecretaris van Defensie tijdens het Vragenuur van 2 juni jl.
Voor een reactie op de vraag of de Nederlandse overheid zaken kan blijven doen met het bedrijf in kwestie wordt u verwezen naar de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025.3 Hierin is ingegaan op de uitvoering van de aangenomen motie4 (motie 5) van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van de Nederlandse overheid van Palantir.
Bent u voornemens alle lopende en aanstaande contracten tussen de Nederlandse overheid en Palantir in belang van nationale veiligheid te annuleren, dan wel niet te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen apart van elkaar en voor 12 mei 2026 beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Recente berichtgeving over Palantir |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66), Fatimazhra Belhirch (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van Follow the Money waarin wordt gesteld dat de Kamer niet volledig is geïnformeerd over een contract met Palantir?1
Ja.
Erkent u dat het antwoord dat in augustus 2025 is gegeven door de Minister van Justitie en Veiligheid op de vraag of er buiten de bekende voorbeelden binnen Justitie en Veiligheid gebruik is of wordt gemaakt van software van Palantir onjuist of op zijn minst onvolledig was? En erkent u dat de Kamer onjuist en/of onvolledig is geïnformeerd?
De Kamervragen zijn destijds gesteld aan en beantwoord door de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), op basis van de toen geldende portefeuilleverdeling binnen het kabinet. Daarnaast werden er Kamervragen over het mogelijke gebruik van Palantir gesteld aan meerdere bewindspersonen van andere departementen (Defensie, VWS, IenW, FIN, BZK). Grenstoezicht door de KMar, waarvoor Palantir-software in het verleden is ingezet, viel onder verantwoordelijkheid van de Minister van AenM. Daarom is deze toepassing van Palantir niet meegenomen ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025.
Inmiddels is het Ministerie van Asiel en Migratie opgegaan in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daardoor is in navolging van een Woo-verzoek van JenV recent een contract verstrekt. Het Programma Vernieuwing Grensmanagement, onderdeel van de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI), had contracten afgesloten voor het gebruik van Palantir voor het API systeem dat gebruikt werd door de KMar voor het grenstoezicht. IDMI was onderdeel van het Directoraat Generaal Vreemdelingenzaken (DGVZ), thans DGM. Zoals hierboven uitgelegd, viel dit betreffende beleidsonderdeel ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025 niet onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van JenV.
De stukken die hierover inmiddels naar aanleiding van het Woo-besluit van JenV zijn gedeeld en de inzet van Palantir-softwarelicenties, zullen nader worden betrokken bij de afhandeling van het Woo-verzoek dat aan de Minister van Asiel en Migratie is gestuurd.
Kunt u precies uiteenzetten wanneer het contract tussen de Koninklijke Marechaussee (KMar) en Palantir is afgesloten, welke onderdelen van Defensie hierbij betrokken zijn en waarom de Kamer hier niet (volledig) vooraf over is geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u kennisgenomen van het 22-punten manifesto van Palantir dat zij op hun sociale media hebben gezet?2 Hoe beoordeelt u dat manifesto? Deelt u de mening dat dit manifesto direct ingaat tegen de normen en waarden van de Nederlandse overheid en dat er mede op basis daarvan geen samenwerking kan plaatsvinden tussen Palantir en de Nederlandse overheid?
Ja, daarvan is kennisgenomen.
Het kabinet stelt de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtsstaat voorop en zet zich daarvoor in, ook bij de inzet van technologie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
In relatie tot de huidige toepassing van Palantir bij de politie en Defensie hecht ik er, met de Staatssecretaris van Defensie, aan te benadrukken dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. Tegelijkertijd worden mogelijke alternatieven verkend om de toekomstbestendigheid en flexibiliteit te vergroten, zoals ook aan uw Kamer toegelicht door de Staatssecretaris van Defensie tijdens uw Vragenuur van 2 juni jl.
Voor een reactie op de vraag of de Nederlandse overheid zaken kan blijven doen met het bedrijf in kwestie wordt u verwezen naar de Kamerbrief3 van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025. Hierin is ingegaan op de uitvoering van de aangenomen motie4 van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van de Nederlandse overheid van Palantir.
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle samenwerkingen die er hebben plaatsgevonden of plaatsvinden tussen de Nederlandse overheid en Palantir sinds de oprichting in 2003? Mochten er nog lopende samenwerkingen zijn, liggen er exitstrategieën om als Defensie zo snel mogelijk te stoppen met het gebruik van de betreffende software?
Er is geen Rijksbrede overeenkomst met Palantir. Een overzicht van alle lopende, aanstaande en verlopen contracten is niet voorhanden. Aanbestede diensten zijn zelf verantwoordelijk voor de aanbestedingsprocedures en het contracteren van leveranciers, er is geen centraal overzicht dat door mijn ministerie kan worden aangeboden.
Wat betreft uw vraag inzake eventuele exitstrategieën van Defensie het volgende. Binnen de Nederlandse krijgsmacht wordt bij een aantal (operationele) defensieonderdelen gebruik gemaakt van de Palantir-software. Dit gebeurt onder strikte maatregelen en in volledige afgesloten omgevingen. Ook wordt in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners onderzocht in hoeverre deze technologie hieraan kan bijdragen. Het afbouwen van afhankelijkheden is een middel om operationele continuïteit te kunnen waarborgen, maar dat kan bijvoorbeeld ook door in de samenwerking met (niet-Europese) technologiebedrijven verschillende contractuele, organisatorische en technische maatregelen te treffen. Tegelijkertijd onderzoekt Defensie de mogelijkheden om, al dan niet samen met bondgenoten, Europese alternatieven te (helpen) ontwikkelen.
Het bericht 'Gegevens 200.000 leden Basic-Fit gelekt, ook bij Booking klantgegevens gestolen' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over hacks bij Basic-Fit en Booking.com waarbij klantgegevens zijn buitgemaakt?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze incidenten als indicatie van structurele tekortkomingen in de beveiliging van persoonsgegevens bij grote, digitaal opererende bedrijven?
De berichten over grootschalige datalekken zijn zorgwekkend, vooral gezien de mogelijk schadelijke gevolgen voor getroffen betrokkenen. Het is belangrijk dat getroffen burgers, wanneer het waarschijnlijk een hoog risico betreft, goed worden geïnformeerd zodat zij weten waar zij aan toe zijn en daartoe gepaste stappen kunnen ondernemen. Ik wil voorzichtig zijn met het spreken van «structurele tekortkomingen». Elk incident is anders en kan een eigen oorzaak hebben, en het is niet uitgesloten dat er sprake kan zijn van een zeer geavanceerde cyberaanval waartegen zelfs goed beveiligde bedrijven kwetsbaar zijn.
Heeft u voldoende structureel inzicht in de aard, omvang en frequentie van datalekken en cyberaanvallen in Nederland? Zo ja, hoe wordt dit overzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Organisaties die persoonsgegevens verwerken zijn verplicht om alle datalekken te documenteren, bijvoorbeeld in een register. Naast het lek zelf moeten ook de feiten en de gevolgen van het datalek en de genomen corrigerende maatregelen worden geregistreerd. Het doel van een dergelijk register is bewustwording en te leren van eerdere datalekken, alsook het nemen van effectieve maatregelen om de kans op nieuwe, soortgelijke datalekken te verminderen. Ook stelt het de toezichthouder in staat te controleren of de meldplicht wordt nageleefd. Daarnaast houdt de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de bij haar gemelde datalekken bij. Niet alle datalekken worden gemeld of zijn meldplichtig: een melding bij de AP is alleen verplicht als de inschatting is gemaakt dat het waarschijnlijk is dat het datalek een risico oplevert voor de rechten en vrijheden van betrokkenen, zoals de bescherming van hun persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer. De AP rapporteert jaarlijks over de meldplicht datalekken. Het kabinet beschikt niet over een register van alle datalekken, maar ziet vooralsnog niet dat sprake is van een tekort aan inzicht en van de noodzaak tot het treffen van maatregelen om dat te verbeteren.
Deelt u de opvatting dat herhaalde datalekken kunnen wijzen op onvoldoende structurele naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming? Zo ja, welke systeemfouten signaleert u hierbij? Zo nee, waarom niet?
Een datalek hoeft niet te duiden op onvoldoende structurele naleving van de AVG; ook goed beveiligde organisaties, overheden en bedrijven kunnen worden getroffen. Daarbij betekent een datalek op zich niet dat er ook sprake is van een overtreding van de AVG. Het gaat er verder vooral om hoe bedrijven handelen nadat een datalek is geconstateerd. Dat handelen kan bestaan uit het nemen van (extra) beveiligingsmaatregelen, het naleven van de meldingsplicht en transparante communicatie richting de getroffen betrokkenen. Organisaties die persoonsgegevens verwerken zijn – als verwerkingsverantwoordelijke – gehouden om gedegen risico-analyses te maken en een daaraan gekoppelde passende interne beveiligingscultuur en snel en adequaat te handelen in geval van een incident.
Acht u de toezicht- en handhavingscapaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens toereikend om structurele naleving af te dwingen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke versterkingen zijn nodig?
Het kabinet is van mening dat de AP over voldoende middelen beschikt om de (toezicht- en handhavings)taken die voortvloeien uit de AVG en de UAVG uit te voeren. De AP mag zelf bepalen hoe zij de middelen die zij voor AVG-toezicht ontvangt, verdeelt over de afzonderlijke AVG-toezichtstaken. Zoals genoemd in de beleidsreactie op de evaluatie van de AP2 wil het kabinet samen met de AP stappen zetten om te komen tot een meer objectieve basis die ondersteunend is bij de besluitvorming over een passende hoogte van het budget van de AP. Een landenvergelijkend onderzoek kan daarbij een nuttig instrument zijn.
Ziet u aanleiding om te komen tot strengere, afdwingbare beveiligingsnormen voor bedrijven die op grote schaal persoonsgegevens verwerken? Zo nee, waarom niet?
De AVG biedt in principe voldoende normen voor het nemen van passende beveiligingsmaatregelen voor alle organisaties en bedrijven die (op grote schaal) persoonsgegevens verwerken. Passende beveiligingsmaatregelen houden concreet onder meer in dat organisaties en bedrijven bij risicovolle en/of grootschalige gegevensverwerkingen vooraf een Data Protection Impact Assessment (DPIA) dienen uit te voeren. Dit is een instrument om voorafgaand aan de verwerking de privacyrisico’s in kaart te brengen om daarmee de impact op de rechten van betrokkenen te beoordelen en gerichte maatregelen te nemen om deze risico’s te verkleinen. Daarnaast zijn organisaties en bedrijven in het geval van grootschalige gegevensverwerking vaak verplicht om een functionaris voor gegevensbescherming (FG) aan te stellen. De FG is een onafhankelijke toezichthouder binnen een organisatie of bedrijf die toeziet op de naleving van de AVG en adviseert over het zorgvuldig verwerken van persoonsgegevens. De verwerkingsverantwoordelijke heeft voor het treffen van passende beveiligingsmaatregelen een verantwoordingsplicht. Gelet hierop zie ik geen noodzaak voor extra (strenge) maatregelen. Wel geldt straks voor organisaties en bedrijven die opereren in voor de samenleving cruciale sectoren, waaronder onder andere de transport- en energiesector, het bankwezen en de digitale infrastructuur, de Cyberbeveiligingswet. Deze wet is op 15 april jl. door uw Kamer aangenomen en treedt later dit jaar in werking. De Cyberbeveiligingswet is de doorvertaling van de Europese NIS2- en CER-richtlijn die lidstaten weerbaarder moeten maken tegen gevaren van buitenaf, waaronder cyberdreigingen. De wet verplicht onder andere tot het uitvoeren van een risicoanalyse en het op basis daarvan treffen van passende en evenredige maatregelen voor het betreffende netwerk- en informatiesysteem. Ook hebben organisaties en bedrijven op grond van deze wet een zorg-, meld- en registratieplicht.
In het kader van dataminimalisatie: ziet u kansen dat de ontwikkeling van de EDI-wallet in Nederland kan bijdragen aan het verkleinen van het risico op datalekken bij organisaties, doordat consumenten hun persoonsgegevens minder vaak rechtstreeks hoeven te delen met verschillende partijen?
Ja. De Europese Digitale Identiteit (EDI) stelt burgers in staat binnen de hele Europese Unie digitaal te legitimeren of in te loggen op websites. Het veilig delen van persoonsgegevens behoort daar ook toe, waarbij enkel de gegevens worden gebruikt die strikt noodzakelijk zijn.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Aerdts , Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Een LinkedIn-bericht van minister-president Rob Jetten over regeldruk en ondernemerschap |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat regeldrukvermindering belangrijk is voor een aantrekkelijk ondernemersklimaat?1
Onderschrijft u de knelpunten in de regeldrukagenda van FME?
Gaat u opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zo ja, op welke termijn kan de Kamer resultaten verwachten?
Wanneer gaat u per ministerie een target opleggen voor regeldrukvermindering, conform het coalitieakkoord? Hoe gaat u handhaven op deze targets?
Wordt de Kamer nog voor de zomer geïnformeerd over uitgewerkte standaarden met gemeenten voor minder regeldruk voor ondernemers, conform een toezegging aan mij tijdens de afgelopen begrotingsbehandeling van Economische Zaken op 21 en 22 januari 2026 en zoals opgenomen in het coalitieakkoord?
Wanneer wordt er een oplossing gevonden voor de bijschrijfplicht in de horeca, conform de aangenomen motie-Kisteman uit 2025?2
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Letschert , Eerenberg , Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Elles van Ark (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
Jimmy Dijk (SP), André Flach (SGP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Een ernstig datalek binnen de EBI |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat vertrouwelijke dossierinformatie van een gedetineerde met een zware risicostatus zichtbaar is geweest voor een andere gedetineerde binnen de Extra Beveiligde Inrichting (EBI)?1
Hoe beoordeelt u het feit dat juist binnen de zwaarst beveiligde inrichting van Nederland vertrouwelijke strafrechtelijke informatie kennelijk bij een andere gedetineerde terecht heeft kunnen komen?
Klopt het dat de voorgeschreven veiligheidsprocedures in dit geval niet zijn gevolgd? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Geeft dit incident aanleiding tot het herzien van de veiligheidsprocedures? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat vertrouwelijke informatie van andere gedetineerden eveneens onbevoegd is ingezien? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat een dergelijke blunder ernstige veiligheidsrisico’s met zich kan brengen voor lopende strafzaken, getuigen, slachtoffers, personeel en de openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Acht u het verantwoord dat gedetineerden met een zware risicostatus zonder toezicht toegang hebben tot apparatuur waarmee dergelijke fouten kennelijk kunnen ontstaan? Zo ja, waarom?
Bent u bereid te onderzoeken of dossierinzage voor hoogrisicogedetineerden voortaan uitsluitend onder toezicht en op papier dient plaats te vinden, zodat deze gedetineerden in zijn geheel geen toegang meer hebben tot laptops, waar wij al eerder voor hebben gepleit, en dit soort datalekken daardoor onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Welke disciplinaire, organisatorische of personele consequenties worden verbonden aan het niet naleven van de veiligheidsprocedures die tot dit incident hebben geleid? Gaat de toedracht van dit incident worden onderzocht op mogelijk opzettelijk handelen?
Kunt u garanderen dat zich binnen de EBI momenteel geen vergelijkbare beveiligingslekken voordoen waardoor gedetineerden toegang kunnen krijgen tot informatie die niet voor hen bestemd is? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: 'Dit is niet uit te leggen'' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Herbert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering»?1
Deelt u de constatering dat veel veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de pilotfase en dat dit vooral te wijten is aan de complexe bekostiging? Zo nee, op basis van welke cijfers?
Hoeveel zorginnovaties die in een pilot- of proeftuinfase aantoonbaar kosteneffectief zijn gebleken, zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk opgeschaald naar reguliere, structureel bekostigde zorg? Kunt u dit per jaar uitsplitsen?
Bent u bereid de Kamer per brief een overzicht te sturen van de gemiddelde kosten die medtech-bedrijven maken van concept tot markttoelating en vergoeding (R&D, klinische validatie, CE-markering/MDR, markttoegang), en die kosten zowel economisch als gezondheidseconomisch te duiden?
Bent u bereid in diezelfde brief dezelfde uitsplitsing op te nemen voor biotech-bedrijven, met onderscheid tussen diagnostiek en farmaceutische ontwikkeling, en die ook economisch en gezondheidseconomisch te duiden?
Beschikt u (of het Zorginstituut, de NZa en Invest-NL) überhaupt over een integraal beeld van deze kosten per subsector? Zo nee, hoe kan het kabinet dan gericht innovatie- en bekostigingsbeleid voeren?
Welk deel van deze kosten komt voort uit regeldruk en bekostigingseisen die de overheid zelf oplegt (MDR/IVDR, pakketbeoordeling, schotten in de bekostiging), en welke maatregelen neemt u om juist dat deel te verlagen?
Welk percentage van de medtech- en biotech-startups dat seed funding ontvangt, haalt een vervolgronde (Serie A en verder) en bereikt de markt? Kunt u dit uitsplitsen naar (a) medtech, (b) biotech-diagnostiek en (c) biotech-farma?
Kunt u deze slagingskansen ook uitsplitsen per regio of life-sciences-cluster (onder meer Leiden, Oss/Brabant, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Amsterdam, Utrecht en Limburg)? Welke regio’s blijven achter, en waarom?
Klopt het dat de meeste Nederlandse zorginnovaties sneuvelen in de fase na seed funding, de zogenoemde «valley of death»? Welk maatschappelijk en economisch rendement gaat hierdoor naar uw schatting jaarlijks verloren?
Hoeveel van de bedrijven die via het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund (volgens recente analyses circa 1,3 miljard euro voor life sciences, waaronder 246 miljoen euro via het programma Biotech Booster) zijn inmiddels doorgegroeid naar de opschalings- of marktfase, en hoe verhoudt zich dat tot de gestelde doelen?2
Hoe verhouden de slagingskansen, doorlooptijden en kosten om zorginnovaties naar de markt te brengen zich tot die in België en Duitsland? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
Op welke punten presteren België (onder meer Vlaanderen) en Duitsland aantoonbaar beter in het opschalen en vergoeden van bewezen zorginnovaties, en welke concrete lessen trekt u daaruit?
Deelt u de zorg dat Nederlandse zorginnovatoren en investeringen weglekken naar het buitenland wanneer opschaling en vergoeding hier trager en duurder verlopen dan over de grens? Zo nee, waarom niet?
Bent u of is uw ministerie de afgelopen kabinetsperiode met uw Belgische en Duitse ambtsgenoten in gesprek geweest over grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Ziet u kansen om voor een grensregio als Limburg een gezamenlijke, grensoverschrijdende proeftuin voor zorginnovatie met gedeelde financiering op te zetten, samen met kennisinstellingen als Maastricht University, UHasselt en RWTH Aachen en de ROM LIOF (en de ROM-equivalenten België en Duitsland)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Interreg-structuren (Euregio Maas-Rijn en Vlaanderen–Nederland) gerichter in te zetten om financierings- en regelgevingsbarrières voor zorginnovaties in de grensregio weg te nemen?
Bent u bereid gezamenlijk te komen tot een concreet plan van aanpak om de «valley of death» voor bewezen, kostenbesparende zorginnovaties te overbruggen, inclusief meetbare doelen en een tijdpad waarop de Kamer de voortgang kan toetsen?
Bent u bereid de in de vragen 4 en 5 genoemde Kamerbrief uiterlijk voor de aanstaande begrotingsbehandeling te sturen en daarin ook (a) de slagingskansen na seed funding per regio en (b) een vergelijking met België en Duitsland op te nemen?
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio’s hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio’s zijn verdeeld?
Welke formele eisen aan eigen inbreng of cofinanciering stellen publieke fondsen en de ROM’s (waaronder LIOF en BOM) bij seedfinanciering aan startups, en zijn deze publiek kenbaar?
In hoeverre hanteren individuele investment managers en investeringscommissies van deze fondsen daarbovenop informele, niet-gecodificeerde verwachtingen over eigen inbreng van oprichters (bijvoorbeeld een bedrag in de orde van 50.000 euro of een co-investeringseis), en in hoeveel gevallen is zo’n verwachting een drempel of afwijzingsgrond gebleken?
Welk deel van de ontwikkelkosten van veelbelovende medtech- en diagnostiekstartups gaat op aan het voldoen aan de MDR en IVDR (klinische evaluatie, technische documentatie, beoordeling door een aangemelde instantie), en hoeveel startups komen hierdoor in financiële problemen of haken af?
In hoeverre hanteren publieke fondsen en ROM’s bij seedfinanciering voorwaarden die een redelijk ondernemerssalaris voor oprichters beperken of ontmoedigen, en hoeveel oprichters stoppen mede daardoor?
In hoeverre leiden de rendements- en revolverendheidseisen aan de ROM’s ertoe dat publiek kapitaal vooral naar veilige, latere-fase- en Randstad-investeringen vloeit, ten koste van vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s?
Bent u bereid, als kansarme regio’s structureel blijken achter te blijven, gezamenlijk geoormerkt extra kapitaal vrij te maken voor de ROM’s in die regio’s, gericht op behoud en opschaling van zorginnovatie?
Bent u bereid de seedfinanciering voor zorgtechstartups (incl. biotech en medtech) te verhogen en de eis van een directe, substantiële eigen inbreng te schrappen of te versoepelen?
Bent u bereid een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoedt?
Bent u bereid de ROM’s en publieke fondsen ertoe aan te zetten oprichters tijdens de seedfase een redelijk salaris toe te staan, in plaats van te verlangen dat zij zonder inkomen ondernemen?
Bent u bereid de opdracht en rendementseisen van de ROM’s zo bij te stellen dat vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s wordt aangemoedigd, en de Kamer met meetbare doelen en periodieke rapportage te tonen of het extra kapitaal daadwerkelijk in die regio’s en die vroege fase terechtkomt?
Spoorgoederenvervoer |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Investigation confirms: Dutch rail freight costs far exceed those of neighbouring countries»?1
Herkent en onderschrijft u de analyse van spoorgoederenkosten/infraheffingen die ProRail en Havenbedrijf Rotterdam hebben gemaakt?
Erkent u dat de Nederlandse economie is gebaat bij een (goederen)vervoerssysteem verspreid over de diverse modaliteiten?
In hoeverre onderschrijft u de stelling dat er de afgelopen jaren sprake is van een «reverse modal shift», waarbij goederen die voorheen per spoor of binnenvaart werden vervoerd, steeds vaker via de weg worden vervoerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u – zoals uit het artikel blijkt – van mening dat de hoge kosten waar spoorgoederenvervoer bedrijven zich in Nederland voor gesteld zien, bijdragen aan deze «reverse modal shift»? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft Nederland geen gelijk speelveld met de met ons omringende landen?
Worden de infraheffingen voor het rijden van goederentreinen en die voor het opstellen en rangeren van goederentreinen taakstellend bepaald of vastgesteld? Zo ja, door wie?
Wie neemt het besluit en wat is de basis voor de infraheffingstarieven?
Wordt bij de vaststelling van de infraheffingen gestuurd op een optimaal evenwicht tussen opbrengsten uit infraheffingen en het behoud of de groei van het goederenvervoer per spoor? Daarbij rekening houdend met de prijsgevoeligheid van verladers bij de keuze tussen vervoerwijzen. Kunt u dit toelichten?
Welke factoren bepalen de hoogte van de infraheffingstarieven? Kunt u toelichten hoe deze factoren worden meegewogen?
Wordt er daarbij rekening gehouden met tarieven in het buitenland?
Welke mogelijkheden ziet u om het spoorgoederenvervoer in Nederland een «level playing field» te bieden met het buitenland?
Is er een relatie tussen de hoogte van de infraheffing en de geleverde kwaliteit van de dienstverlening van de nationale spoorbeheerder? Zo nee, waarom niet?
Is het niet zaak nu het vervoer per spoor Europees (zowel personen- als goederenvervoer) meer wordt geüniformeerd (bijv. qua stelsel, marktordening, spoorveiligheid, etc.) om ook de publieke lastendruk van de spoorgoederensector (meer) te harmoniseren?
Zijn de infraheffingen voor het opstellen van goederentreinen op de emplacementen in de havens, bij de inland terminals en in de industriegebieden, in lijn met die van het wegtransport? Kunt u dit toelichten?
Welke mogelijkheden ziet u verder om van overheidswege de «reverse modal shift» te keren?
Bent u bereid deze schriftelijke vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Spoorgoederenvervoer van woensdag 17 juni 2026?
Dat bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid een voedingsbodem vormen voor toename van populisme en opkomst van radicaal- en extreemrechts |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat de Partij voor de Dieren u tijdens het debat over de regeringsverklaring wees op de conclusies van de VN-rapporteur voor armoede, die adviseert om te investeren in publieke en sociale voorzieningen en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en extreemrechts geen kans te geven?
Herinnert u zich nog dat u had toegezegd dit advies en andere onderzoeken waaruit blijkt dat bezuinigingen op sociale voorzieningen de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts vergroten tot u te nemen?
Wat neemt uw mee in uw beleid uit onderzoeken zoals die van Lattanzio en Savu (2022), Baccini en Sattler (2024), waaruit af te leiden is dat vooral populistische en radicaal rechtse partijen profiteren van bezuinigingen op het sociale stelsel, met name bij groepen in kwetsbare positie?1, 2
Bent u inmiddels bekend met het VN-rapport van Speciaal rapporteur Extreme armoede en mensenrechten Olivier De Schutter met de titel «Promotion and protection of human rights: human rights questions, including alternative approaches for improving the effective enjoyment of human rights and fundamental freedoms» en de conclusies die de rapporteur eraan verbindt?3
Bent u het eens met de VN-rapporteur dat het belangrijk is om te investeren in publieke en sociale voorzieningen, en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en radicaal- en extreemrechts geen kans te geven? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de bevindingen van VN-rapporteur De Schutter dat sociale zekerheid een dam is tegen radicaal-rechts populisme? Zo nee, waar baseert u zich op?
Bent u het eens met de bevindingen van de VN-rapporteur dat bezuinigingen op het sociale stelsel en verschuiving van collectieve bescherming naar risico’s voor individuen leiden tot gevoel van schaarste, onzekerheid, ongelijkheid en wantrouwen in de overheid, wat een vruchtbare bodem vormt voor radicaal-rechts? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Welke lessen trekt u uit de conclusies van de VN-rapporteur voor uw beleid in de toekomst om de voedingsbodem voor extreem en radicaalrechts weg te nemen? Welke stappen gaat u naar aanleiding hiervan zetten?
Bent u bekend met het pas verschenen boek De symfonie van onvrede: de opmars van radicaal rechts in Europa, geschreven door Catherine de Vries?
Bent u het eens met de analyse dat de Nederlandse sociale zekerheid in de afgelopen decennia verschraald is door verschillende kabinetten? Zo nee, op basis van welke bronnen en cijfers stelt u dat?
Herkent u zich in het oordeel van de Vries op bladzijde 58 dat «onder het vaandel van marktwerking en modernisering publieke taken werden verzelfstandigd of geprivatiseerd, terwijl de bestuurstaal verschoof van rechten en nabijheid naar doelmatigheid, contracten en controle»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Bent u het eens met haar oordeel op dezelfde bladzijde dat «hierdoor de relatie tussen burgers en de overheid veranderde: meer benchmarks en verantwoordingsdruk, minder relatie en wederkerigheid»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Hoe waardeert u de oplossingsrichting van De Vries om als overheid meer te gaan werken aan nabijheid (zie hoofdstuk 8)? Kunt u toelichten wat u daaruit meeneemt en hoe u dit gaat implementeren in het beleid?
Erkent u dat uit cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat met uw kabinet de sociale zekerheid en zorg de grootste bezuinigingsposten zijn, burgers grotere lasten dragen dan bedrijven, uitkeringsgerechtigden en langdurig zieken relatief zwaar worden geraakt door uw beleid, en grote vermogens en superrijken relatief worden ontzien?
Erkent u dat er veel maatschappelijke weerstand is over de keuzes van het kabinet om te bezuinigen op o.a. de WW, WIA en de zorg?
Erkent u dat ook uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar draagvlak voor klimaatbeleid blijkt dat mensen klimaatbeleid in meerderheid steunen, maar het niet rechtvaardig vinden dat de lasten vooral bij burgers terechtkomen, terwijl bedrijven worden ontzien? Erkent u dat mensen het belangrijk vinden dat lasten eerlijker verdeeld moeten worden? Wat is uw reactie daarop?
Erkent u dat mensen in dat licht de afschaffing CO2-heffing voor vervuilers, het in stand houden van fossiele subsidies, en miljarden uitgeven aan buitenlandse multinationals als Tata Steel onbegrijpelijk zouden kunnen vinden?
Bent u zich ervan bewust dat uit onder andere de eerdergenoemde onderzoeken volgt dat de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de zorg die het kabinet wil doorzetten, ertoe kunnen leiden dat de onvrede en onrust onder burgers in de samenleving worden vergroot?
Realiseert u zich dat uit onder andere eerdergenoemde onderzoeken volgt dat burgers door zulke bezuinigingsmaatregelen van het kabinet burgers in toenemende mate hun vertrouwen kunnen verliezen in de overheid en haar instituten, en gevoeliger kunnen worden voor populistisch en radicaal- en extreemrechts gedachtegoed? Zo nee, waar baseert u zich op?
Gezien de wetenschappelijke analyse (genoemd in het boek van De Vries, zie bladzijde 160) die wijst op de samenhang tussen ervaren verschraling en steun voor radicaal-rechtse partijen, waarom bezuinigt u dan toch op onder andere de WW en de WIA, en laat u superrijken en grote vermogens relatief met rust? Ziet u in dat u door het verschralen van de sociale zekerheid de voedingsbodem legt voor radicaal-rechts gedachtegoed, zoals ook De Vries beschrijft?
Ziet u bijvoorbeeld dat radicaal- en extreemrechts meteen gebruik maakt van de keuzes van uw kabinet om te bezuinigen op de zorg en sociale zekerheid, om mensen op te hitsen tegen onder andere vluchtelingen en de LHTBQIA+ gemeenschap en om onrust aan te wakkeren, waar de tweet van Eva Vlaardingerbroek (vlak na de presentatie van de plannen van uw kabinet) exemplarisch voor is?4
Welke lessen trekt u uit alle bovengenoemde onderzoeken en analyses voor uw beleid in de toekomst, om de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts weg te nemen?
Erkent u dat er alternatieve financieringsmogelijkheden zijn, die de lasten eerlijker leggen bij grote vermogens en grote vervuilers, in plaats van bij sociale zekerheid, zorg en werkende mensen?
Bent u, ook gezien de verschillende onderzoeken, bereid om niet verder te bezuinigen op de sociale zekerheid en zorg, maar om de lasten eerlijker te verdelen en meer geld op te halen bij grote vervuilers, grote vermogenden en de superrijken?
Kunt de vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Het bericht ‘Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID»?1
Deelt u de mening dat apps en oplossingen die ontwikkeld worden door de Rijksoverheid altijd zo toegankelijk mogelijk zouden moeten zijn voor elke Nederlander? Zo ja, hoe beoordeelt u dan de keuze tot verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van NL Wallet?
Deelt u de mening dat ook mensen die geen gebruik maken van telefoons met Google of van telefoons met Apple-ID in staat zouden moeten zijn om gebruik te maken van NL Wallet? Zijn deze mogelijkheden bij de ontwikkeling van NL Wallet verkend? Zo ja, waarom is dan gekozen om alsnog voor deze technische voorwaarden te gaan voor NL Wallet? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat in het kader van toegankelijkheid ook mensen die geen gebruik willen of kunnen maken van een smartphone de app NL Wallet zouden moeten kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen waarom DigiD wel te gebruiken is voor mensen zonder iOS-telefoon of Google-account of zonder smartphone? Waarin verschilt DigiD van NL Wallet waardoor dit voor NL Wallet niet mogelijk zou zijn?
Hoe complex is het om de NL Wallet zo om te bouwen dat het hebben van een Apple Account of Google Account niet voorwaardelijk is?
Kunt u garanderen dat NL Wallet niet de rol van DigiD in de toekomst zal overnemen, zo lang voor het gebruik van NL Wallet een Apple-ID of Google-account voorwaardelijk is? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Kunt u garanderen dat organisaties die op dit moment DigiD ondersteunen en die NL Wallet willen ondersteunen, in de toekomst DigiD ook blijven ondersteunen naast NL Wallet? Zo nee, deelt u de mening dat dat betekent dat Nederlanders tot het gebruik van een Google-account of Apple-ID worden gedwongen?
Kunnen gebruikers van NL Wallet van wie het Google-account of de Apple-ID om wat voor reden dan ook door Google of Apple wordt geblokkeerd gebruik blijven maken van NL Wallet? Zo nee, kunt u dan garanderen dat Nederlanders die gebruik maken van NL Wallet niet in de problemen komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit acceptabel is?
Hoe kijkt u vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit naar de keuze om een Google-account of Apple-ID voor een NL Wallet voorwaardelijk te maken?
Hoe bent u van plan om in het vervolg, bij ontwikkeling van apps door de overheid, het gemak van de ontwikkeling af te wegen tegen digitale soevereiniteit en toegankelijkheid?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht 'Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland' |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland»1 en met het onderliggende onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP), waaruit blijkt dat de fondsenwerving voor groeikapitaal in 2025 is gedaald tot € 32 miljoen, het laagste bedrag ooit gemeten, terwijl voor start-ups en buy-outs nog wél ruim kapitaal beschikbaar is?
Hoe verhoudt het opdrogen van juist het scale-upsegment zich tot de coalitieafspraak dat baanbrekende ondernemingen weer groot moeten kunnen worden in Nederland, en tot het feit dat het coalitieakkoord de grotere financieringsrondes van start- en scale-ups expliciet noemt als reden voor de Nationale Investeringsinstelling?
Deelt u de analyse dat hier geen sprake is van een kwaliteitsprobleem van Nederlandse bedrijven – gezien de slechts zes faillissementen en de aanhoudende interesse van buitenlandse investeerders – maar van een structureel tekort in de Nederlandse financieringsketen?
Hoe beoordeelt u, gelet op de waarschuwing in het rapport-Wennink dat scale-ups met een kapitaalbehoefte boven € 50 miljoen die financiering nauwelijks in Nederland kunnen vinden, het risico dat met de instap van buitenlandse investeerders hoofdkantoren, onderzoeksafdelingen, werkgelegenheid en daarmee verdienvermogen uit Nederland wegvloeien?
Welke concrete maatregelen neemt u om het door de NVP gesignaleerde gebrek aan exits (beursgangen en overnames) aan te pakken, bijvoorbeeld via de Europese kapitaalmarktunie, aantrekkelijkere beursnoteringen en het stimuleren van Nederlandse overnames van jonge innovatieve bedrijven?
Welke instrumenten krijgt de Nationale Investeringsinstelling om, conform de coalitieafspraak dat zij institutioneel kapitaal mobiliseert en op een schaal die aansluit bij het rapport-Wennink, het pensioenkapitaal (waarvan nu gemiddeld niet meer dan 0,1% naar start- en scale-ups gaat) daadwerkelijk los te trekken voor groeikapitaal, mede in het licht van initiatieven als het Scale-up Europe Fund en het Dutch Impact Growth Fund van Invest-NL?
In hoeverre verwacht u dat de aanhoudende geopolitieke onzekerheid de Nederlandse ambities op het gebied van groeikapitaal en innovatie-investeringen verder onder druk zet, en welke scenario’s of alternatieve plannen heeft u voor het geval de private investeringsbereidheid in het scale-upsegment structureel achterblijft?
Welke mogelijkheden ziet u om, gegeven de huidige budgettaire keuzes rondom het Toekomstfonds, de hefboomwerking van publieke investeringen voor het aantrekken van privaat groeikapitaal in stand te houden?