De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Ja.
Hoe reageert u op dit bericht?
Wij vinden het zeer zorgwekkend dat dergelijke beelden van met name jonge vrouwen worden gemaakt en verspreid. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen of van meerderjarige personen zonder hun toestemming is strafbaar. Het mag duidelijk zijn dat dit soort strafbare feiten onacceptabel is en niet mag plaatsvinden. De impact en de gevolgen van dergelijke deepnudes kunnen voor slachtoffers en hun omgeving enorm zijn, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast betreft het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes (zoals bijvoorbeeld afbeeldingen die zijn bewerkt met een zogenaamde downsyndroomfilter) waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag een schending van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Het betreft non-consensueel gemanipuleerde of gegenereerde seksuele beelden van echte jonge vrouwen die via zowel open platforms als gesloten kanalen worden verspreid. Via een brede uitvraag bij de politie, Centrum Seksueel Geweld (CSG), Offlimits, de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), Slachtofferhulp Nederland, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (NRM) en het Openbaar Ministerie (OM) is naar voren gekomen dat representatieve cijfers ontbreken in het geval van beelden waarbij sprake is van een combinatie van AI-gegenereerde naaktbeelden en digitale verminking, dan wel met de toevoeging van een beperking en/of het toepassen van een downsyndroomfilter.
Omdat in de registratiesystemen van de politie geen onderscheid wordt gemaakt tussen misbruik van seksueel beeldmateriaal en misbruik van beeldmateriaal dat met AI is gegenereerd, beschikt de politie niet over cijfers van het aantal seksuele deepfakes. De afgelopen maanden signaleert de politie wel een toename van platformmeldingen via NCMEC (het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children) van online materiaal van seksueel kindermisbruik dat met AI is aangemaakt of bewerkt. Hierbij benadrukt de politie dat deze meldingen laten zien dat illegale content wordt gegenereerd, maar niet op basis van welke prompts dit is gebeurd. Dit maakt het voor de politie complex, in sommige gevallen zelfs onmogelijk, om vast te stellen wat een gebruiker precies heeft gedaan, of de prompt op basis van materiaal van echte personen is geweest en of de gebruiker bijvoorbeeld de intentie had om strafbaar materiaal te vervaardigen. Hierdoor is het lastig om de (strafrechtelijke) verwijtbaarheid aan te tonen. Daarnaast ontbreekt in zijn algemeenheid vaak veel noodzakelijke informatie bij de meldingen. De politie analyseert doorlopend de binnengekomen NCMEC-meldingen.
Het CSG geeft aan dat meldingen over dit soort beelden niet expliciet worden geregistreerd omdat mensen hen bellen in nood en hun beleid is om niet actief uit te vragen wat daarvan de achtergrond is, want dat is niet nodig voor het bieden van eerste psychische hulp. Het CSG krijgt in algemene zin een heel breed scala aan seksuele geweldsvormen binnen.
Offlimits ziet bij hun hulplijn dat AI gerelateerd online misbruik mensen van alle leeftijden en genders kan treffen. AI-gegenereerde naaktafbeeldingen worden niet alleen gebruikt voor seksuele doeleinden, maar worden ook ingezet om mensen te vernederen of in diskrediet te brengen. Offlimits ziet bij hun hulplijn dat naast seksuele deepfakes, AI ook wordt gebruikt om mensen te vervormen of esthetisch onaantrekkelijk te maken. Dit kan voor slachtoffers ingrijpende gevolgen hebben. Offlimits zag in 2025 een toename in het aantal meldingen van afbeeldingen gemaakt met AI. Zij hebben in dat jaar 291 keer gesprekken gevoerd over AI gegenereerd beeldmateriaal.2 Het gaat dan met name om cyberpesten en sextortion. Het werkelijke aantal zal hoger liggen omdat niet in alle gevallen duidelijk is dat het om dit soort afbeeldingen gaat. Offlimits geeft aan dat sprake is van een omvangrijk en groeiend probleem.
De ATKM heeft ten aanzien van het soort afbeeldingen waaraan wordt gerefereerd in het artikel van De Telegraaf geen concrete meldingen ontvangen. Slachtofferhulp Nederland kan geen uitspraak doen over de omvang van dit soort beelden omdat zij in hun registratiesysteem bij seksuele misdrijven geen onderscheid maken tussen AI gegenereerd en niet-AI-gegenereerd materiaal. Het OM en de NRM kunnen geen uitspraken doen omtrent de aard en omvang van dit soort AI-gegenereerde beelden.
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties zoals Offlimits, Slachtofferhulp Nederland en het CSG. De routes daartoe verschillen, maar deze organisaties werken veel samen om zo de behoefte van slachtoffers het beste te dienen. Slachtoffers hebben grofweg drie hoofdbehoeftes. Bij het uitkomen van (of dreigen met) beelden hebben slachtoffers een hoge urgentie voor het verwijderen van het online materiaal.3 Als het materiaal wordt ingezet voor chantage, afpersing of dwang, is er behoefte aan veiligheid en juridische ondersteuning. Na de eerste angst en stress hebben slachtoffers behoefte aan psychische ondersteuning. Slachtoffers van dit soort feiten hebben vaak ook behoefte aan herstel van het veiligheidsgevoel in de digitale omgeving en van het geschaad zelfbeeld. Bovendien gaat online seksueel geweld vaak gepaard met fysiek seksueel geweld, wat medische en forensische inzet vraagt.
Slachtofferhulp Nederland, het CSG en Offlimits helpen slachtoffers elk kosteloos vanuit hun eigen expertise. Zij zijn bereikbaar via de telefoon, chat, e-mail, contactpagina’s en in sommige gevallen via fysieke inlooplocaties. Verder maken zij gebruik van publieksvoorlichting om het eigen en elkaars aanbod bekendheid te geven. Ook verwijzen ze aan elkaar door. In het geval van aangifte worden gegevens na toestemming van de aangever automatisch gedeeld met Slachtofferhulp Nederland, waarna medewerkers van Slachtofferhulp Nederland contact opnemen met het slachtoffer. Deze medewerkers kunnen professionele juridische begeleiding bieden, helpen bij het aanvragen van schadevergoeding maar ook laagdrempelige emotionele en praktische steun en lotgenotencontact organiseren. Het CSG krijgt veel verwijzingen van professionals uit zowel politie-, (huisartsen)zorg- en GGZ-ketens. Het CSG biedt bewezen effectieve psychologische hulp en kunnen GGZ-wachtlijsten overbruggen en medische en forensische zorg coördineren. Offlimits helpt als trusted flagger bij het verwijderen van beeldmateriaal en werkt veel samen met bijvoorbeeld scholen om kinderen en jongeren te bereiken.
Offlimits, het CSG, Fier en Fonds Slachtofferhulp vormen tot slot een consortium tegen online seksueel geweld. Fonds Slachtofferhulp faciliteert een chat waarin Offlimits, Fier en het CSG samenwerken waardoor laagdrempeliger en zo beter onderling wordt doorverwezen afhankelijk van wat nodig is.
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Slachtoffers kunnen daarnaast terecht bij verschillende organisaties, zie hiervoor de beantwoording van vraag 4.
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Met het Europees verbod als opgenomen in de AI-verordening wordt het in de handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt verboden. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd, is het op dit moment vooral mogelijk om in te grijpen als dergelijk materiaal al is vervaardigd.5 Met dit nieuwe verbod kan eerder worden opgetreden, namelijk al bij het aanbieden van een AI-systeem om het beeldmateriaal te vervaardigen. Het Europees verbod wordt in december dit jaar in heel de Europese Unie van kracht. Het kabinet zal de inrichting van het toezicht in Nederland op dit verbod meenemen in het lopende proces van de uitvoeringswet van de nieuwe AI-verordening.
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
De genoemde partijen zijn onder de DSA aangewezen als zogeheten «zeer groot online platform» wat betekent dat zij moeten voldoen aan bijzondere verplichtingen onder de digitale dienstenverordening (Digital Services Act, DSA). In die hoedanigheid zijn Meta en X verplicht om systeemrisico’s die kunnen voortvloeien uit het verspreiden van seksuele deepfakes (deepnudes), te identificeren en te beperken. Ook moeten zij het voor gebruikers mogelijk maken om illegale inhoud op eenvoudige wijze te melden. Die meldingen moeten zij op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze beoordelen. Daarnaast kan de hulp van Offlimits, als trusted flagger onder de DSA, worden ingeschakeld bij het indienen van een verwijderverzoek. Het primaat van het DSA-toezicht op Meta en X als zeer grote online platformen ligt bij de Europese Commissie (EC). Als de EC concludeert dat een zeer groot platform de DSA niet naleeft, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete. Zo heeft de EC bijvoorbeeld in december 2025 een boete opgelegd aan X.6 Wij blijven als vanzelfsprekend onze steun uitspreken voor effectieve handhaving van de DSA door de EC.
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Voor zover bekend circuleren op zowel het open internet als het dark web verzamelingen en op verzoek vervaardigde AI-beelden die zich richten op specifieke doelgroepen, waaronder beelden van jonge vrouwen met amputaties, letsel of een zichtbare beperking. Op dit moment zijn er echter geen concrete aanwijzingen voor een gecoördineerd netwerk of een achterliggende organisatievorm die deze content stelselmatig produceert of verspreidt.
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Platforms beschikken doorgaans over gegevens en technische mogelijkheden die hen in staat stellen onderzoek te doen naar de wijze waarop content op hun diensten wordt geüpload en verspreid. Daardoor kunnen zij in bepaalde gevallen achterhalen welke accounts betrokken zijn bij het uploaden of verspreiden van dergelijke beelden. Platforms kunnen vervolgens maatregelen treffen, zoals het verwijderen van content, het beperken van de verspreiding daarvan of het uitschakelen van accounts. De Europese Commissie kan bovendien, als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms, op eigen initiatief een onderzoek starten naar vermeende inbreuken op de DSA.
Tegelijkertijd geldt dat intern onderzoek door de platforms niet altijd leidt tot identificatie van de personen die verantwoordelijk zijn voor het maken of verspreiden van de beelden. Er kan daarom niet in algemene zin worden gesteld dat uitsluitend intern onderzoek door platforms voldoende is om in beeld te brengen wie dergelijke beelden maken of verspreiden. Wij beschikken niet over nadere informatie over de omvang of de aard van de onderzoeken die Meta en X zelf uitvoeren naar de makers en verspreiders van dergelijke AI-beelden.
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld, vindt het kabinet het belangrijk dat er ook onafhankelijk onderzoek plaatsvindt naar contentmoderatie en de naleving van platformbeleid.7 Artikel 40 van de DSA voorziet in mogelijkheden voor zogenoemde erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms en zoekmachines. Dit maakt onderzoek mogelijk dat kan bijdragen aan het opsporen, vaststellen en begrijpen van systeemrisico’s en het beoordelen van de adequaatheid van risicobeperkende maatregelen. Om de status van «erkende onderzoeker» te krijgen moet een onderzoeker eerst een aanvraag indienen bij de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging, in Nederland is dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
Daarbij moeten onderzoekers aan een aantal criteria voldoen. Daarnaast verplicht artikel 40, twaalfde lid van de DSA zeer grote online platforms om onderzoekers onverwijld toegang te geven tot openbaar toegankelijke gegevens. Daar wordt op toegezien door de EC. In december 2025 heeft de EC bijvoorbeeld een boete opgelegd aan X, onder meer omdat X niet voldoet aan de verplichting om onderzoekers toegang te bieden tot de openbare gegevens van het platform.8
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Er zijn diverse instanties die werken aan de aanpak van seksuele deepfakes, waaronder de politie, het OM, de ATKM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de EC, en de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
De EC houdt op grond van de DSA toezicht op zeer grote online platformen zoals Meta en X. Zij kan als bevoegd toezichthouder onderzoeken instellen en, indien nodig, handhavend optreden. Daarbij kan zij boetes opleggen van maximaal 6% van de omzet van een platform. De ACM is de bevoegde Nederlandse toezichthouder op de DSA. De ACM heeft op grond van de DSA echter geen bevoegdheid om verwijderbevelen voor specifieke inhoud op te leggen. Wel kan de ACM op grond van de DSA handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende maatregelen treffen tegen illegale inhoud of wanneer hun procedures voor het afhandelen van meldingen niet op orde zijn. Daarvan kan sprake zijn wanneer een platform niet, onvoldoende gemotiveerd of niet tijdig reageert op meldingen van illegale inhoud door gebruikers of trusted flaggers, zoals Offlimits. De ACM roept daarnaast gebruikers op om zelf melding te doen bij het betreffende platform of de hostingdienst, bij de politie of een trusted flagger, zoals Offlimits. Deze meldingen zijn van belang om aan te tonen dat beelden zonder toestemming zijn vervaardigd of verspreid. Ook kunnen dergelijke meldingen aantonen dat een platform tekortschiet in de aanpak van illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Het zonder toestemming van de afgebeelde vervaardigen of verspreiden van AI gegenereerde nepnaaktbeelden is strafbaar. De strafbaarstelling in artikel 254ba Wetboek van Strafrecht (Sr) omvat onder meer het zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van seksueel beeldmateriaal. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het kinderpornografisch materiaal en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr.
De officier van justitie kan op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
Voor illegale deepfakes die vallen onder de strafbaarstelling van de artikelen 252, 254ba en artikel 285d Sr is dit het geval. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het OM ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de meldmogelijkheden onder de DSA. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (artikel 54a Sr).
Ten aanzien van kinderpornografisch materiaal is in Nederland de ATKM bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Dit geldt ook voor AI gegenereerd materiaal. Als aanbieders van hostingdiensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Tenslotte biedt de AVG mogelijkheden om illegale deepfakes tegen te gaan. Dit geldt bijvoorbeeld als een deepfake inbreuk maakt op de privacy van een er in afgebeelde persoon. Zo verbiedt de AVG het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag. In de praktijk is daardoor een deepfake die zonder toestemming is gemaakt, zeker als daarin gevoelige (bijvoorbeeld seksuele) content is te zien, strijdig met de AVG. Het is aan de onafhankelijke toezichthouder op de AVG, de AP, om te beoordelen of zij in individuele gevallen een (rechtmatigheids)onderzoek doet en handhavend optreedt. Dan staan de toezichthouder maatregelen en sancties ter beschikking zoals een boete, een last onder dwangsom, een verwerkingsverbod of een berisping. Een complicerende factor kan daarbij zijn dat de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker niet altijd te achterhalen is (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform). Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit in de EU de verwerkingsverantwoordelijke aanbieders van onlinediensten in bepaalde gevallen bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal.
Toezichthouders, politie en OM werken samen aan het identificeren van mogelijkheden om niet alleen de individuele gevallen waarin nudify apps zijn gebruikt voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal of nepnaaktbeelden zonder toestemming, maar juist ook de nudify apps zelf aan te pakken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord. Dat is helaas niet gelukt voor het commissiedebat over digitale inclusie op 24 juni.
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
Ja.
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Soevereiniteit is een belangrijk aandachtspunt wanneer sprake is van afhankelijkheid van een leverancier.
Om digitale soevereiniteit te waarborgen hanteert het Ministerie van Defensie een tweesporenbeleid2. Het primaire spoor richt zich op de realisatie van een Europees AI-Decision Support System (DSS), waarbij juridische soevereiniteit, open standaarden en datasoevereiniteit belangrijke uitgangspunten zijn. Om te voorkomen dat de Krijgsmacht operationele risico’s loopt op zowel tactische als strategische gebied en om de operationele continuïteit, flexibiliteit en interoperabiliteit o.a. binnen NAVO te borgen, voorziet het tweede spoor in de tijdelijke toepassing van Palantir totdat het door Spoor 1 ontwikkelde Europese AI-DSS operationeel is.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Wat betreft de toepassing van Palantir bij de politie moet worden benadrukt dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt niet met de leverancier gedeeld. Het gaat hierbij alleen om politiedata. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra. De thema’s waarop de analyses uit «de Raffinaderij» worden ingezet zijn zeer belangrijk en hebben grote maatschappelijke impact, namelijk bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen. Met voorgenoemde werkwijze is het gebruik van Palantir door de politie van veel waarborgen voorzien.
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie is in contact met o.a. Frankrijk om tot een gezamenlijke ontwikkelagenda voor een Europees AI-DSS te komen.
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Specifiek voor het Ministerie van Defensie geldt dat er op dit moment een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven wordt uitgevoerd.
Vanuit het oogpunt van continuïteit en verhoging van de weerbaarheid is de politie met betrekking tot het totale palet van IT-dienstverlening reeds actief bezig met initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de digitale autonomie.3 Er worden stappen gezet om technologieën te ontwikkelen die beter aansluiten bij de behoeften door op zoek te gaan naar robuuste alternatieve oplossingen voor bestaande systemen, zodat de politie altijd kan beschikken over de best mogelijke tools. Deze zoektocht is essentieel om de operationele flexibiliteit en veiligheid te waarborgen in een steeds veranderende digitale omgeving. Het ontwikkelen en implementeren van dergelijke alternatieven is een complex proces dat tijd, financiële middelen en specialistische kennis vraagt en moet passen binnen de kaders van bijvoorbeeld privacy, proportionaliteit en beschikbare financiën. De politie weegt voortdurend de risico’s die verbonden zijn aan het gebruikt van IT-systemen.
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Zoals reeds in antwoord 4 gesteld, zijn zowel het Ministerie van Defensie als de politie actief bezig met het verkennen van alternatieven.
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Dat kan niet in zijn algemeenheid zo gesteld worden. Dit is afhankelijk van de use case en de gevraagde functionaliteiten.
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Zoals reeds in antwoord 4 en 5 gesteld werken bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie en de politie aan een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven die tegemoetkomen aan het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s).
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Ja, het kabinet is van mening dat een sterke AI-industrie van strategisch belang is om de digitale soevereiniteit, weerbaarheid, het innovatievermogen en economische concurrentiekracht van Europa te versterken. Om deze reden zet het kabinet zich in Europees verband in voor de ontwikkeling van een concurrerend Europees AI-ecosysteem. Daarbij wordt onder meer ingezet op investeringen in AI-onderzoek en innovatie, versterking van de Europese reken- en data-infrastructuur en ondersteuning voor startups en scale-ups, zoals geschetst in het Europese AI Continent Actieplan.4 Nationaal werkt het kabinet via de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. AI speelt een toenemende rol in uiteenlopende capaciteiten waar het Ministerie van Defensie nu en in de toekomst over moet beschikken. Het Nederlandse voortzettingsecosysteem dat we hiervoor opbouwen via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie voorziet daarom ook in op te bouwen Nederlandse en Europese AI-capaciteiten. Ook kunnen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling (NII) en de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) bijdragen aan het versterken van het AI-ecosysteem. Eerder is via het Nationaal Groeifonds in AI-programma’s geïnvesteerd (o.a. AiNed en NOLAI), evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer op 31 maart jl.5, heeft het kabinet er voor gekozen om niet mee te doen met een gezamenlijke Europese publieke aanbesteding van rekencapaciteit bij nog te selecteren AI-gigafabrieken. AI-gigafabrieken kunnen vanwege hun commerciële oriëntatie in beginsel volledig privaat gefinancierd worden. De achterliggende inhoudelijke overwegingen zoals genoemd in de brief en de budgettaire situatie hebben samen geleid tot de afweging om geen publieke financiële verplichting aan te gaan in deze gezamenlijke Europese aanbesteding. Ambitieuze private initiatieven en investeringen in AI-infrastructuur die het Nederlandse en Europese AI-ecosysteem versterken worden door het kabinet aangemoedigd. Voor het kabinet ligt voornamelijk een taak om de randvoorwaarden te versterken.
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Zoals in het wetgevingsoverleg over de Jaarverslagen en Slotwetten 2025 van de Ministeries EZ, BZK en JenV voor zover het onderwerpen betreft die zien op digitalisering is toegezegd, krijgt uw Kamer binnenkort een brief over de inzet op digitale ambities, met prioritering en de benodigde keuzes.6 Die brief komt na Prinsjesdag.
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Het schetsen van concrete tijdspaden is daarbij niet realistisch, onder meer vanwege de snelle technologische ontwikkelingen. Bovendien wordt er niet in het openbaar gecommuniceerd over RSA’s. Het kabinet acht het afbouwen van een afhankelijkheid als voldoende als het geen RSA meer is. Dit is het geval wanneer het risico van een waardeketenverstoring niet meer als hoog wordt ingeschat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Het kabinet neemt deze waarschuwingen serieus en werkt momenteel aan de geïntegreerde nationale aanpak datacentra die in het najaar verschijnt. Hoewel datacenters en AI belangrijk zijn voor ons toekomstig (economisch) verdienvermogen en onze digitale strategische autonomie, legt hun enorme elektriciteitsvraag druk op het Nederlandse energiesysteem. Bij nieuwe en uitbreidende datacenters bestaan nu al knelpunten bij netaansluitingen. Ook wordt door de opkomst van datacenters een forse en structurele groei in de elektriciteitsvraag verwacht, die sneller kan gaan dan de beschikbare uitbouw van hernieuwbare bronnen en het elektriciteitsnet.
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, hernieuwbare energie, fysieke ruimte en de transportcapaciteit op het elektriciteitsnet zijn schaars. Het feit dat een datacenter groene stroom inkoopt, maakt de faciliteit in de context van onze totale energietransitie niet automatisch volledig duurzaam.
Datacenters kenmerken zich door een continu elektriciteitsverbruik. Omdat de productie van hernieuwbare bronnen zoals wind en zon weersafhankelijk is, betekent dit dat er op de momenten dat er onvoldoende hernieuwbare stroom beschikbaar is, er conventionele centrales moeten bijspringen. Daarnaast kan er sprake zijn van een verdringingseffect. De verwachte groei in de elektriciteitsvraag van datacenters en AI is meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE). Deze actualisatie wordt met Prinsjesdag gepresenteerd.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat datacenters een belangrijke schakel vormen in onze digitale infrastructuur en ons dagelijks leven. Investeren in voldoende datacentercapaciteit voor de ontwikkeling is een randvoorwaarde voor de brede welvaart, ons innovatieklimaat en het veiligstellen van ons toekomstig verdienvermogen. Hoewel de verdere groei van datacenters hiermee niet volledig duurzaam is, zoekt het kabinet vanuit deze economische en strategische belangen nadrukkelijk naar manieren om deze faciliteiten wel mogelijk in ons systeem in te passen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent de zware belasting van het stroomnet en de grote uitdagingen in de klimaattransitie. Er is een uitdaging voor de inpassing van de inflexibele stroomvraag van AI-gigafabrieken en de beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet. Het aanpakken van de huidige netcongestieproblematiek heeft prioriteit voor dit kabinet. Tegelijkertijd ontwikkelt kunstmatige intelligentie (AI) zich in hoog tempo en vormt het een steeds belangrijkere motor voor innovatie, economische groei en het versterken van het Europese concurrentievermogen. Om zelfstandig AI-modellen te kunnen trainen en toepassen en zo de afhankelijkheden van derde landen te verminderen, is de realisatie van soevereine rekeninfrastructuur in Europa en Nederland noodzakelijk.
Grootschalige AI-rekenfaciliteiten vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. De daadwerkelijke impact van een AI-gigafabriek is sterk afhankelijk van onder meer het ontwerp, de schaal en de locatie.
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
De instructieregel voor hyperscale datacentra geldt voor alle datacentra die voldoen aan de criteria voor omvang (bebouwd oppervlak van meer dan 10 hectare) en vermogen (elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer).3 Er wordt momenteel gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, als onderdeel waarvan onder meer mogelijkheden voor een aanscherping van deze criteria worden verkend.4 Ik verwacht uw Kamer in het najaar te informeren over deze geïntegreerde aanpak.
De overheid ziet een rol voor zichzelf om binnen de geldende kaders de juiste randvoorwaarden te creëren voor het ontwikkelen van AI-infrastructuur, met oog voor de ruimtelijke en energetische inpasbaarheid. Het doel hiervan is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk van de grond te krijgen, wat van belang is voor het kunnen trainen en toepassen van AI-modellen.
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Zoals toegelicht onder het antwoord op vraag 6 verzoekt de motie-Grinwis tot een aanscherping van de huidige juridische criteria voor hyperscale datacenters. De uitwerking van deze motie wordt meegenomen in een bredere, nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, waarover uw Kamer in het najaar wordt geïnformeerd.
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet, zoals verwoord in de kamerbrief van 31 maart.6 Deze factoren zijn ook meegewogen in de instructieregel voor hyperscale datacentra, benoemd in de beantwoording van vraag 6. Voor AI-gigafabrieken en andere grootschalige datacenters die binnen de kaders van de instructieregel ontwikkeld mogen worden geldt dat vergunningverlening in beginsel aan relevante regionale autoriteiten is.
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich via diverse kaders actief in om de impact van datacenters op klimaat, water en ruimte te minimaliseren:
Het kabinet is niet voornemens om daarnaast een afzonderlijke, nationale m.e.r.-plicht specifiek voor datacenters te introduceren:
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Ja.
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Ja. Het verliezen van toegang tot deze modellen gold voor alle gebruikers.
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Nee. Het kabinet is niet vooraf op de hoogte gesteld van dit besluit.
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Het klopt dat Nederland afhankelijk is van Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI. Het kabinet onderschrijft het belang van toegang tot geavanceerde AI modellen zoals onder meer beschreven in de Internationale AI Strategie (2026), Internationale Veiligheidsstrategie 2026–20302 en de Kamerbrief Reactie op factsheets digitale strategische autonomie (2025)3 over AI-soevereiniteit. Daarom benadrukken deze ontwikkelingen de urgentie om de Europese en nationale AI-capaciteiten fors te versterken. Daar zet het kabinet dan ook op in. Zo wordt in de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel gewerkt aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. Ook zullen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de Nationale Investeringsinstelling (NII) een rol spelen. Eerder is ook via het NGF in AI-programma’s geïnvesteerd, evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Er zijn momenteel geen Europese alternatieven van vergelijkbaar niveau als Fable en Mythos. Tegelijkertijd zijn geavanceerde capaciteiten niet enkel meer voorbehouden aan gesloten modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen in de buurt van de meest geavanceerde modellen. Dit wordt versterkt door het feit dat de capaciteiten van een AI-model niet enkel of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist uit de technische infrastructuur (het «harnas») om het AI-model heen. Het is onzeker hoe de markt van AI-modellen en technische infrastructuur zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke rol open modellen daarin zullen spelen. Dat houdt het kabinet nauwlettend in de gaten. Omdat Europa niet over eigen geavanceerde AI-modellen beschikt, is het van belang dat Nederland tevens samen met EU-partners en andere gelijkgezinde middle powers werkt aan toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten.4
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Vanwege het recent beëindigen van de ingevoerde exportrestricties zullen de gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven beperkt zijn. Het kabinet schat de directe impact op het concurrentievermogen van een exportverbod op een individueel AI-model laag in, omdat er momenteel nog voldoende hoogwaardige alternatieven modellen beschikbaar zijn. Tegelijkertijd is onduidelijk hoe de markt voor AI-modellen (en daarop gebaseerde toepassingen) zich zal ontwikkelen. De impact van vergelijkbare besluiten in de toekomst kan dus mogelijk anders zijn. Het integreren van frontier AI-modellen buiten de EU in Nederlandse digitale processen vergroot de afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders, met bijbehorende risico’s op het gebied van datasoevereiniteit, continuïteit, vertrouwelijkheid en strategische afhankelijkheid. Zoals verder toegelicht in de antwoorden op vragen 7 en 8 kunnen modellen als Mythos in ieder geval impact hebben op de cyberveiligheid.
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Zoals toegelicht in de beantwoording op Kamervragen van de leden El Boujdaini en Kathmann van 1 juni jl.5 laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen in veel gevallen niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden maar dat ook andere modellen in staat zijn kwetsbaarheden te vinden. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) kijkt daarom naar bredere ontwikkeling van AI-modellen die gebruikt kunnen worden voor cybersecurity doeleinden, en welke kans de toepassing van AI biedt voor het verbeteren van onze digitale weerbaarheid. Het NCSC zoekt actief contact met relevante organisaties in het hele ecosysteem om op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen op het gebied van deze technologie en de mogelijke gevolgen daarvan voor cyberveiligheid en digitale veerkracht.
Op termijn kan het niet of onvoldoende voor handen hebben van geavanceerde frontier AI-modellen wel tot gevolg hebben dat bedrijven zonder toegang minder zelf in staat worden gesteld kwetsbaarheden te vinden met behulp van AI en deze te verhelpen. Ook daarom is het van belang om binnen Nederland en de EU met urgentie te bouwen aan het versterken van de ontwikkeling van AI en toepassingen hiervan en zolang de eigen capaciteit ontbreekt, samen te werken voor toegang tot noodzakelijke capaciteiten.
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel afhankelijk. Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een rol in het huidige dreigingsbeeld.
Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om systemen aan te vallen. Dankzij dergelijke AI-modellen kunnen in veel kortere tijd en op grotere schaal kwetsbaarheden in software worden opgespoord en misbruikt worden voor aanvallen dan eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking van een kwetsbaarheid en het moment dat deze wordt misbruikt significant worden verkort.
Anderzijds kunnen AI-modellen ook worden gebruikt voor digitale verdediging, bijvoorbeeld door ze als softwareontwikkelaar zelf te gebruiken om kwetsbaarheden te vinden maar ook om het patchen, monitoren, detecteren en de respons geautomatiseerd te laten verlopen. Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen sneller en op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd. De opkomst en het gebruik van geavanceerde AI-systemen kan daarmee leiden tot scheefgroei tussen organisaties die hun digitale verdediging op orde hebben (al dan niet met gebruik van AI) en organisaties die hier minder aandacht aan besteden of minder toe in staat zijn. Aangezien er met behulp van AI onderdelen van de verdediging geautomatiseerd en sneller kunnen worden uitgevoerd, zullen organisaties die niet gebruik (kunnen) maken van geautomatiseerde verdediging en bijvoorbeeld handmatig patchen of reageren, hier minder efficiënt en effectief in zijn en dus relatief kwetsbaarder worden.
Om digitaal weerbaar te zijn en te blijven is het voor individuele organisaties cruciaal om de basismaatregelen continu en tijdig toe te passen. Dit was altijd al het geval, maar de opkomst en toegankelijkheid van AI-modellen onderstreept de urgentie. Wel bepleit het kabinet terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie door de mogelijke afhankelijkheidsrisico’s, zoals beschreven in vraag 6.
Tenslotte stelt de Europese AI-verordening eisen aan AI-systemen en -modellen op basis van het risico van deze systemen. Zo stelt de verordening eisen aan AI-modellen voor algemene doeleinden waarbij de regels steviger zijn voor modellen met systeemrisico’s. Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop deze risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Risico’s worden op deze manier ook meegenomen in het toezicht op deze modellen door het Europese AI Office.
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Op grond van de Cyberbeveiligingswet is het in eerste instantie aan entiteiten, waaronder de Rijksoverheid en aan beheerders van vitale infrastructuur, zelf om vast te stellen welke technische of organisatorische maatregelen passend en evenredig zijn om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen, waaronder AI frontier-modellen, waarmee zij geconfronteerd worden, te kunnen beheersen. Entiteiten hebben immers zelf inzicht in risico’s die hun dienstverlening kunnen raken en hebben de meeste kennis van hun eigen systemen en processen.
De Cyberbeveiligingswet is op 15 augustus 2026 in werking is getreden. De zorgplicht die deze entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben, ziet op de maatregelen met het oog op de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen die worden toegepast voor de dienstverlening van entiteiten of voor het verrichten van hun activiteiten. Wanneer entiteiten overwegen welke maatregelen in dit verband passend zijn, moeten zij rekening houden met de specifieke kwetsbaarheden van hun rechtstreekse leveranciers en dienstverleners en met de algemene kwaliteit van de producten en de cyberbeveiligingspraktijken van hun leveranciers en dienstverleners. Echter, voor zover de entiteit gebruik maakt van AI frontier modellen is de zorgplicht ook hierop van toepassing. Ten aanzien van de continuïteit van de dienstverlening is in het Cyberbeveiligingsbesluit in artikel 9 opgenomen dat een entiteit over een vastgesteld bedrijfscontinuïteitsbeleid en -plan met betrekking tot haar netwerk- en informatiesystemen moet beschikken. Daarin moeten risico’s voor continuïteit worden meegenomen, zoals in het voorliggende geval via het wegvallen van frontier-modellen. De uitkomsten van de verplichte risicoanalyse die de entiteit heeft uitgevoerd zal bepalen welke mitigerende maatregelen de entiteit moet nemen om de continuïteit van de dienstverlening bij uitval te herstellen. De entiteit legt deze maatregelen vast in haar bedrijfscontinuïteitsplan. Wat een entiteit nodig heeft zal per entiteit verschillen. Het is dan ook niet aan de overheid om ten behoeve van entiteiten continuïteits- of exitstrategieën op te stellen voor de verschillende technieken die entiteiten gebruiken. Wel ondersteunt de Rijksoverheid entiteiten via communicatie om te kunnen voldoen aan de zorgplicht. Zo voorziet de website van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in allerlei adviezen, zoals over het opstellen van een bedrijfscontinuïteitsplan en hoe entiteiten meer grip kunnen krijgen op hun digitale afhankelijkheden.
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Nederland zet zich in EU-verband in voor een gezamenlijke aanpak om risicovolle strategische afhankelijkheden in de AI-waardeketen terug te dringen. Ook blijft het kabinet zich inspannen om de Europese en nationale AI-capaciteiten te versterken. Het kabinet onderschrijft de urgentie hiervan en staat in nauw contact met diverse AI-bedrijven en -experts om te bespreken welke aanvullende inzet nodig is. In het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen is recent bijvoorbeeld een sectortafel omtrent digitale diensten en AI georganiseerd. Daar waar Europa onvoldoende eigen (geavanceerde) AI-capaciteiten heeft, werkt Nederland samen met EU-partners aan het veiligstellen van toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten, met waarborgen voor veiligheid, betrouwbaarheid en bescherming van fundamentele rechten. Voorts neemt Nederland initiatief voor versterking en coördinatie van het externe optreden van de EU op het gebied van AI.
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Voor de ontwikkeling van een Europees AI-alternatief op topniveau zijn voldoende rekenkracht, kapitaal, talent en hoogwaardige data randvoorwaardelijk. Het kabinet zet daarom in op nauwe Europese samenwerking en richt zich daarbij in het bijzonder op initiatieven die de Europese AI-capaciteit en technologische slagkracht versterken. Via de EuroHPC Joint Undertaking wordt geïnvesteerd in grootschalige Europese rekencapaciteit, die beschikbaar wordt gesteld aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden. De AI-fabriek in Groningen draagt hieraan bij als onderdeel van het Europese netwerk van AI-fabrieken, dat de toegang tot rekenkracht, data en expertise versterkt. Voor de verdere opschaling van rekencapaciteit zet het kabinet daarnaast in op betere randvoorwaarden voor private investeringen, waaronder het stroomlijnen van vergunningsprocedures, zodat nieuwe initiatieven sneller kunnen worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij de aanbevelingen uit het rapport-Wennink. Daarnaast dragen de projecten OpenEuroLLM en EuroLLM bij aan de ontwikkeling van hoogwaardige, open en meertalige Europese taalmodellen en daarmee aan een sterker en onafhankelijker Europees AI-ecosysteem. Ook staat het kabinet in nauw contact met relevante AI-bedrijven, waaronder Mistral.
Frankrijk en Duitsland werken samen met de Europese Commissie aan het Frontier AI-initiatief, dat is opgenomen in de Apply AI-strategie. Binnen dit initiatief wordt gewerkt aan de oprichting van een nieuwe publiek-private juridische entiteit die inspeelt op zowel industriële als maatschappelijke behoeften op het gebied van Frontier AI. Het is de bedoeling dat deze entiteit geavanceerde, pre-commerciële en concurrerende AI-systemen gaat ontwikkelen en daarmee de Europese AI-capaciteiten verder versterkt. Voor dit project wordt nog gezocht naar Europese partners die het initiatief kunnen ondersteunen. Nederland heeft tegenover de Europese Commissie onder voorbehoud belangstelling voor betrokkenheid kenbaar gemaakt en onderzoekt momenteel de mogelijkheden om aan dit initiatief bij te dragen.
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Ja.
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Het kabinet onderkent dat Europa momenteel een achterstand heeft ten opzichte van de Verenigde Staten op het gebied van AI-rekencapaciteit en private investeringen in AI. De in de vraag genoemde schattingen van circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute voor Europa en circa 80 procent voor de Verenigde Staten zijn gebaseerd op onderzoek van het instituut Epoch AI, zoals gepubliceerd in een artikel uit juni 2025.7 Het kabinet beschikt niet over recentere bronnen die deze percentages bevestigen. Binnen het kader van EuroHPC zal komende jaren de totale rekencapaciteit in Europa vergroot worden met de komst van AI-fabrieken en AI-gigafabrieken onder de controle van Europese partijen.
Ten aanzien van InvestAI benadrukt het kabinet dat de genoemde € 200 miljard geen fonds is dat volledig door de Europese Commissie wordt gevuld. Het betreft een publiek-private investeringsdoelstelling, waarbij de Europese Unie beoogt in totaal € 200 miljard aan AI-investeringen te mobiliseren uit verschillende bronnen, waaronder substantiële private investeringen. Een deel van de publieke middelen bouwt daarbij voort op bestaande Europese financieringsinstrumenten. Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat InvestAI grotendeels uit «herverpakt geld» bestaat.
Tegelijkertijd is duidelijk dat de investeringsambities in de Verenigde Staten, met name op het gebied van AI-infrastructuur, momenteel groter zijn dan in Europa. Daarbij is het wel van belang onderscheid te maken tussen publieke overheidsuitgaven en gemobiliseerde private investeringen, omdat deze niet één-op-één vergelijkbaar zijn. Hoewel we waarde blijven hechten aan de samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van AI, zet het kabinet in op nauwe Europese samenwerking om de randvoorwaarden voor een concurrerend Europees AI-ecosysteem te versterken.
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Het kabinet hanteert geen eigen ijkpunt, omdat precieze tijdsvoorspellingen in een domein dat zich zo snel ontwikkelt inherent onzeker zijn. Dat geldt ook voor de tijdsdiagnose in Europe 2031. Wat het kabinet wél deelt, is de urgentie die ten grondslag ligt aan het scenario. De dynamieken tussen compute, modelcapaciteit en investeringscycli zijn reëel en vragen nu om actie. Het afgelopen jaar is daarom zowel op Europees als op nationaal niveau gewerkt aan nieuw beleid op dit terrein, waarvan het Tech Sovereignty Package, de internationale AI-strategie en de werkzaamheden in het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat enkele relevante voorbeelden zijn.
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Het kabinet communiceert vanwege strategische en diplomatieke gevoeligheden niet in het openbaar over de analyses die zij uitvoert naar (risicovolle) strategische afhankelijkheden en eventuele voorbereidingen op scenario's over geopolitieke incidenten. De Kamer kan daarover vertrouwelijk worden geïnformeerd.
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Het kabinet zet hiertoe in op het versterken van het concurrentievermogen van Nederland, onder andere via de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat.
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Het kabinet erkent het belang van AI-infrastructuur als cruciale bouwsteen voor de ontwikkeling en toepassing van AI-modellen en applicaties. Tegelijkertijd is het kabinet, in lijn met het rapport-Wennink, onverminderd voorstander van AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd, waarbij voor het kabinet een taak ligt om de randvoorwaarden te versterken.
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Voor AI-rekenfaciliteiten geldt dat het huidige beleid hier ruimte voor biedt mits zij voldoen aan geldende wet- en regelgeving. Grootschalige AI-rekenfaciliteiten brengen aanzienlijke ruimtelijke claims met zich mee en vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Nederland staat voor uitdagingen op het gebied van netcongestie en ruimtelijke schaarste. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie-efficiënte, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. Tegelijkertijd hecht het kabinet eraan dat Nederland beschikt over de rekencapaciteit die nodig is voor het realiseren van de (digitale) economie van de toekomst en voor het streven naar meer digitale autonomie. Deze twee perspectieven, ruimtelijke inpassing en impact op het energiesysteem enerzijds, en economische ontwikkeling en autonomie anderzijds, vragen om een samenhangende afweging. Daarom wordt onder regie van het Ministerie van EZK, samen met VRO, gezamenlijk gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak datacenters. Onder de werktitel «regie op datacenterontwikkeling» wordt uw Kamer dit najaar geïnformeerd over deze aanpak.
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment werken initiatiefnemers uit het veld het concept van een ELLIS Instituut nader uit. Het Ministerie van EZK staat in contact met deze initiatiefnemers. Voor de oprichting van een ELLIS Instituut zijn op dit moment geen middelen op de Rijksbegroting gereserveerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Het kabinet onderkent het belang van het monitoren en afdekken van veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI en is van mening dat dit een aanpak vereist die stevig is verankerd in inhoudelijke expertise. Hiertoe wordt er binnen Nederland, Europa en diverse kennisinstellingen gewerkt aan het verder versterken van kennis, expertise en samenwerking op het gebied van AI-veiligheid.
Zoals reeds aan de Kamer aangegeven9 loopt er in dit kader een interdepartementale verkenning naar de mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut. Dit, naar voorbeeld van internationale initiatieven zoals het AI Security Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. De verkenning zal naar verwachting in september resulteren in een adviesrapport. Op basis van de uitkomsten daarvan zal het kabinet besluiten of en op welke wijze een dergelijk instituut kan worden ingericht, inclusief de taken, bevoegdheden en benodigde randvoorwaarden. Het kabinet houdt daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten en initiatieven die de overheid en private organisaties reeds voorzien van advies en expertise op het gebied van AI en cybersecurity.
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Dat onderschrijf ik. En dat is ook een van de redenen dat het kabinet inzet op verschillende technologiegebieden in de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Het doel van NADI is om technologische doorbraken te realiseren voor grote maatschappelijke uitdagingen. Het ligt voor de hand dat AI en de andere genoemde technologieën daar een bijdrage aan kunnen leveren.
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Ja, daar ben ik toe bereid. Daarbij zal worden bezien of een verdere specificering van de scope tijdens de verkenning wenselijk is, bijvoorbeeld de inzet op basismodellen in het fysieke domein. Bovendien kan het gegeven dat dit onderwerp nadrukkelijk op de Europese agenda staat mogelijk ook kansen bieden om een dergelijk programma te versterken met Europese financiering.
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het door u gevraagde tijdspad voor de initiatieven hebben een raakvlak met AI en met AI modellen, maar zijn onderdeel van verschillende, bredere beleidstrajecten, zoals deze onder meer in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat of in een proces van beoordeling van voorstellen van de Commissie wordt geapprecieerd. Uw kamer wordt deze zomer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de (implementatie en integratie van de) NADI en de Nationale Investeringsinstelling in een brief vanuit de Taskforce. Over het vraagstuk van nationale rekencapaciteit en energie kan ik u aanvullend melden dat het kabinet deze zomer in het kader van het Tech Sovereignty Packcage van de Europese Commissie een BNC-fiche over het voorstellen ut de Strategic Roadmap for Digitalisation and AI in Energy met uw kamer zal delen. Voor het ELLIS Institute wacht het kabinet op de nadere uitwerking van de initiatiefnemers uit het veld. Zoals eerder in deze brief aangegeven is er t.a.v. de wenselijkheid en mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI veiligheidsinstituut een verkenning gestart. Naar verwachting wordt het adviesrapport in september opgeleverd. Dit wacht het kabinet af alvorens hierover beslissingen te nemen.
Het bericht ‘Nederland weet amper hoeveel stroom en water zijn datacentra opslokken’ |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , de Bat , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Nederland weet amper hoeveel stroom en water zijn datacentra opslokken»?1
Weet u hoeveel stroom en water onze datacentra opslokken?
Zo ja, kunt u deze gegevens publiceren en duidelijk maken welke datacentra het meest verbruiken?
Wat is uw reactie op het artikel en het onderzoek van Lighthouse Reports?
Deelt u de mening dat het publieke belang van transparantie over het stroomverbruik, zwaarder weegt dan het zogenaamd bewaken van bedrijfsgeheimen?
Wat is uw visie op enerzijds het digitaal autonoom maken van Nederland en Europa, en anderzijds de groeiende vraag om stroom en water voor datacentra?
Klopt het dat deze bedrijven hun milieudata zoals stroom en waterverbruik moeten publiceren?
Hoeveel verbruiken de overheidsdatacentra? Kunt u hier actuele gegevens over delen?
Hoe zorgt u ervoor dat het stroomverbruik van datacentra niet ten koste gaat van het verbruik door huishoudens en ander maatschappelijk belangrijk gebruik?
Bent u bereid in de onderhandelingen over het Europese Tech Sovereignty Package te pleiten voor duurzaamheids- en transparantieverplichtingen voor datacentra?
Welke plannen heeft u om overheidsdatacentra te verduurzamen?
Kunt u de aanname van netbeheerder Tennet, dat per 2030 ongeveer 10 tot 15 procent van de Nederlandse stroom naar datacentra gaat, onderbouwen? Hoe wordt de Energy Efficiency Directive (EED) Europees of in Nederland gehandhaafd?
Wat zijn de gevolgen voor een bedrijf dat weigert om aan de EED-richtlijnen te voldoen?
Kunt u laten weten welke bedrijven zich momenteel niet aan deze eisen houden?
Hoe en door wie worden andere milieuregels voor datacentra gehandhaafd?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat Digitale autonomie van 19 november 2026 beantwoorden?
Het nieuws dat gegevens over het energie-en watergebruik van datacenters ontbreken |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in Trouw Toenemend verzet werkt irritatie bij datacentra: «Het zijn cave people»1 en Van driekwart van datacentra is volstrekt onduidelijk over water- en stroomgebruik2?
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van slechts 104 datacenters gegevens heeft over de milieubelasting, terwijl er in ieder geval 186 commerciële datacentra gevestigd zijn in Nederland met een vermogen van meer dan 500 kilowatt?
Hoe wordt gehandhaafd dat datacenters gegevens over hun elektriciteit- en waterverbruik rapporteren? Welke maatregelen kan het Rijk of het RVO nemen als datacenters deze gegevens niet of onvolledig aanleveren?
Worden gegevens over de milieubelasting van datacentra, zoals het energie- en watergebruik, aangemerkt als bedrijfsgevoelige informatie?
Bent u het ermee eens dat het publieke belang van transparantie over de milieubelasting van datacenters zwaarder weegt dan het bedrijfsgeheim? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat uit het toenemende lokale verzet tegen de vestiging van datacenters blijkt dat het gaat om een publiek belang?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldde in 2024 dat het elektriciteitsgebruik van datacenters was gegroeid naar 4,6% van het landelijk elektriciteitsverbruik. Wat was het aandeel van datacenters in het Nederlandse elektriciteitsverbruik in 2025?
Is het kabinet bereid zich binnen de Europese Unie in te zetten voor meer transparantie over de milieubelasting van datacenters, bijvoorbeeld door rapportage en openbaarmaking van belangrijke gegevens te verplichten en hierop hand te haven?
Bent u het eens met de Europese Commissie dat de datacentrumcapaciteit in de Europese Unie in de komende vijf tot zeven jaar zou moet verdrievoudigen? Vindt u dat dit ook geldt voor de Nederlandse datacentrumcapaciteit?
Discriminerende vraagsuggesties en antwoorden van Google |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het inmiddels bijna 10 jaar oude artikel «Google moet stoppen met automatisch discrimineren»1, dat aankaart dat de zoekmachine van Google in sommige gevallen discriminerende vraagsuggesties geeft?
Bent u bekend met het feit dat dit nog steeds niet is opgelost, wat blijkt uit dat bij het intypen van «alle Marokkanen z» op google.nl bij gebruik van een incognitovensterop op 11 augustus 2026, Google deze vraagsuggestie aanvulde met discriminerende teksten zoals «alle Marokkanen zijn kanker ratten» of «alle Marokkanen weg»?
Bent u daarnaast bekend met het feit dat na het indienen van de zoekopdracht «overlast» in combinatie met de naam van een gemeente op google.nl bij gebruik van een incognitovenster op 11 augustus, in het geval van onder meer de gemeenten Veenendaal, Tiel, Culemborg, Oosterhout, Hoogezand, Zutphen en Weert, Google de «Meer om te vragen»-suggesties «Hoeveel Marokkanen wonen/zijn er in [gemeente x]?» of «Hoeveel Turken wonen/zijn er in [gemeente x]?» opperde en dat de knop om ongepaste suggesties te melden bij dit type zoekresultaat ontbreekt?
Bent u ook bekend met de berichtgeving van Euronews2 en Le Monde3 dat het AI-gegeneerde antwoord van Google eind augustus 2026 op de zin «ik ben alleen met een Italiaan» gesprekstips betrof, maar bij dezelfde zin met «Algerijn» in plaats van «Italiaan», het model vroeg of je in gevaar was en je het nummer van de politie toonde?
Deelt u de mening dat dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden, die automatisch gegenereerd en getoond worden, een discriminerend verband leggen door overlast of gevaar te koppelen aan afkomst?
Hoe beoordeelt u de aanpak van Google om, net als bij de vraagsuggesties, dit soort patronen pas na ophef of een melding bij te sturen, en dan vooral voor de vraag die in het nieuws kwam, terwijl hetzelfde patroon in het model kan blijven zitten en bij andere vragen onopgemerkt blijft?
Welke risico's ziet u daarbij nu dezelfde modellen de basis vormen van steeds meer toepassingen, waardoor zulke vooroordelen niet in elk geval zichtbaar worden maar wel ongemerkt kunnen doorwerken?
Hoe kijkt u naar de verantwoordelijkheid van Google en andere leveranciers van grote AI-modellen om vooroordelen uit de trainingsdata vooraf, bij het ontwerp en bij de toetsing van hun modellen, te herkennen en in het model zelf te corrigeren, bijvoorbeeld via red-teaming of bias-audits, in plaats van de uitkomsten per geval bij te sturen nadat gebruikers of media ze toevallig hebben opgemerkt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een groot en invloedrijk platform als Google op deze manier bijdraagt aan het in stand houden en versterken van vooroordelen, en dat de omvang en het bereik van Google diens verantwoordelijkheid alleen maar groter maken?
Bent u hierover in gesprek met Google en andere leveranciers van grote AI-modellen, en is bij u bekend of zij structureel testen op discriminerende associaties in hun zoeksuggesties, aanbevelingsalgoritmes, autocomplete-functies en AI-antwoorden? Zo ja, wat heeft dat gesprek tot nu toe opgeleverd? Zo nee, bent u bereid dit gesprek aan te gaan en dit bij hen na te vragen?
Heeft u inzicht in de wijze waarop dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden van Google tot stand komen? Zo nee, welke maatregelen treft u om dit inzicht wel te krijgen, en in hoeverre kan de digitaledienstenverordening (DSA) hierbij worden ingezet om transparantie van Google over de werking van deze systemen af te dwingen?
Hoe verklaart u dat deze discriminerende suggesties jarenlang zichtbaar zijn gebleven, terwijl Google onder de DSA al verplicht is de risico's van discriminatie in kaart te brengen en zich daarop jaarlijks onafhankelijk te laten controleren? Gelden deze verplichtingen wat u betreft ook voor de AI-antwoorden in de zoekmachine van Google, en zo ja, hoe wordt daarop toegezien?
Welke verplichtingen hebben aanbieders van grote AI-modellen onder de AI-verordening om vooroordelen in hun modellen te beoordelen en te beperken, en wie ziet daarop toe?
Welke oplossingsrichtingen ziet u om vooroordelen in zoeksuggesties en in grote AI-modellen structureel op te sporen en te beperken, in plaats van per geval na meldingen, bijvoorbeeld via onafhankelijke audits of algoritmetoezicht?
Bent u bereid in Europees verband te bepleiten dat platformen en aanbieders van AI-modellen zoals Google niet alleen moeten rapporteren dát zij hun systemen toetsen op discriminatie, maar ook openbaar moeten maken wat die toetsing oplevert en wat zij met de uitkomsten doen?
Bent u bereid Google op korte termijn aan te spreken op het ontbreken van een meldknop bij de «Meer om te vragen» suggesties en op de voorbeelden uit deze vragen?
Bent u bereid deze situatie ook te melden bij de Autoriteit Consument en Markt en de Europese Commissie, en de Kamer te informeren over de reacties?
Bent u bereid de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme te betrekken bij de aanpak van discriminatie door zoekmachines en AI-systemen?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De veiligheidsrisico's van geavanceerde kunstmatige intelligentie |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Anthropic-onderzoeker neemt ontslag: OpenAI en Anthropic handelen onverantwoordelijk en gokken met ons leven»1 en het bericht «Anthropic-medewerker: kans bestaat dat AI de mensheid uitroeit»2, waarin onderzoekers van vooraanstaande AI-bedrijven waarschuwen voor ernstige veiligheidsrisico’s van steeds krachtigere AI-systemen?
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van deze onderzoekers dat de ontwikkeling van zeer geavanceerde AI-systemen sneller verloopt dan de ontwikkeling van adequate veiligheidsmaatregelen en beheersingsmechanismen? Welke conclusies verbindt u daaraan?
Heeft het kabinet scenarioanalyses laten uitvoeren naar de gevolgen van geavanceerde AI voor de nationale veiligheid, waaronder cyberaanvallen, beïnvloeding van democratische processen, sabotage van vitale infrastructuur, militaire toepassingen en andere hybride dreigingen? Zo ja, kunt u de belangrijkste bevindingen met de Kamer delen?
In hoeverre acht u het bestaande nationale, Europese en internationale normatieve kader, waaronder de AI Act, toereikend voor het beheersen van risico's die voortvloeien uit de ontwikkeling van zeer krachtige algemene AI-modellen en toekomstige frontier AI-systemen?
Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om de digitale weerbaarheid van Nederland te versterken tegen risico's die samenhangen met geavanceerde AI-systemen, in het bijzonder waar het gaat om vitale infrastructuur, overheidsorganisaties, defensie en de bescherming van burgers?
Hoe geeft het kabinet, mede in het licht van het streven naar een digitaal weerbare samenleving, invulling aan het voorzorgsbeginsel bij de ontwikkeling en toepassing van zeer geavanceerde AI-systemen waarvan de maatschappelijke gevolgen mogelijk verstrekkend en onomkeerbaar zijn?
Deelt u de zorg dat een internationale concurrentiestrijd tussen staten en marktpartijen kan leiden tot een situatie waarin veiligheidsbelangen ondergeschikt raken aan technologische en economische belangen? Zo ja, hoe wordt dit risico in het kabinetsbeleid geadresseerd?
Herkent u de zorgen die leven rondom superintelligente AI en het risico dat de mens niet meer in staat is deze ontwikkeling te stoppen? Deelt u de mening dat een verbod hierop wenselijk is?
Bent u bereid binnen de Europese Unie en internationale gremia te pleiten voor aanvullende afspraken over de ontwikkeling van geavanceerde AI, een verbod op superintelligente AI, en de mogelijkheid om tijdelijk een pas op de plaats te maken bij de ontwikkeling van krachtige AI-systemen zonder dat de risico’s voldoende helder zijn?
Kunt u de Kamer voor het einde van dit jaar informeren over de kabinetsinzet en de mogelijkheden en wenselijkheid van aanvullende waarborgen voor geavanceerde, superintelligente AI, waaronder de mogelijkheid van een tijdelijke ontwikkelpauze voor de krachtigste AI-systemen?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van zelfregulering in deze sector, nu een zelf opgelegde norm bij een groot nieuw project ruim wordt overschreden?1
Kunt u toelichten welke informatie het Rijk op dit moment structureel ontvangt over het feitelijke drinkwatergebruik per datacenter in Nederland?
Kunt u toelichten op welke juridische grondslag een bevoegd gezag het drinkwatergebruik van een nieuwe vestiging kan meewegen bij de verlening van een omgevingsvergunning?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van drinkwater in het huidige stelsel vooral achteraf wordt geregeld via de leveringsrelatie met het drinkwaterbedrijf, en niet vooraf in het ruimtelijk spoor?
Kunt u toelichten welke wijzigingen in wet- en regelgeving nodig zouden zijn om waterbeschikbaarheid een expliciete afwegingsgrond te maken bij vergunningverlening aan grootverbruikers?
Kunt u toelichten of het juridisch en uitvoeringstechnisch denkbaar is om de logica van de verdringingsreeks ook vooraf toe te passen, bij het toestaan van nieuw grootschalig drinkwatergebruik, in plaats van uitsluitend bij feitelijke schaarste? Zo ja, hoe kijkt u naar een dergelijke aanpassing?
Kunt u toelichten in hoeverre de zorg- en leveringsplicht uit de Drinkwaterwet zich uitstrekt tot laagwaardig industrieel gebruik, zoals koeling?
Kunt u toelichten hoe u opvolging geeft aan de aanbeveling uit het Rli-advies «Zorg voor water» om de systeemverantwoordelijkheid voor de drinkwatervoorziening actiever in te vullen?2
Kunt u toelichten hoe een nieuwe aansluiting van deze omvang zich verhoudt tot het doel uit het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het zakelijke drinkwatergebruik in 2035 met 20 procent te verminderen ten opzichte van de referentieperiode 2016–2019?3
Bent u bereid te verkennen of het besluitmoment over meer sturende maatregelen, dat nu is voorzien bij de herijking van dat plan in 2028, naar voren kan worden gehaald?
Het buitensporige watergebruik van een nieuw datacenter in Amsterdam |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
de Bat , Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat het onwenselijk is dat een nieuw commercieel datacenter jaarlijks circa 1,1 miljard liter drinkwater gebruikt, zeker tijdens een periode van uitzonderlijke droogte?1
Deelt u de opvatting dat drinkwater niet gebruikt zou moeten worden voor de koeling van datacenters, zeker wanneer alternatieve koeltechnieken beschikbaar zijn?
Bent u ervan op de hoogte dat het directe watergebruik van datacenters slechts een beperkt deel vormt van hun totale watervoetafdruk en dat het overgrote deel van het waterverbruik indirect is?
Kunt u actuele, onafhankelijke cijfers over de totale watervoetafdruk van datacenters (direct en indirect) in Nederland met de Kamer delen, uitgesplitst naar:
Kunt u aangeven welk aandeel dit vormt van de totale Nederlandse waterconsumptie?
Wordt bij de vergunningverlening en ruimtelijke afweging van datacenters rekening gehouden met de watervoetafdruk van de benodigde elektriciteitsproductie? Zo nee, waarom niet?
Welke landelijke wettelijke mogelijkheden heeft u om het gebruik van drinkwater door datacenters te verbieden of aan een bindend maximum te onderwerpen, mede gelet op de aangenomen motie-Grinwis c.s.?2
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Grinwis c.s. over het aanscherpen van de juridische criteria voor hyperscale datacenters en het stellen van effectieve wettelijke voorwaarden aan datacenters?3 Wat is de tijdlijn en wanneer krijgen we resultaten te zien?
Waarom gelden er op dit moment vooral landelijke vestigingsregels voor hyperscale datacenters, maar geen vergelijkbare landelijke begrenzingen voor watergebruik, elektriciteitsgebruik en maatschappelijke en ecologische belasting door andere grote datacenters?
Bent u bereid de bestaande landelijke regels uit te breiden naar datacenters die op dit moment niet onder de huidige definitie van hyperscale vallen, maar wel een groot beslag leggen op drinkwater of het elektriciteitsnet?
Bent u bereid om in landelijke regelgeving vast te leggen dat nieuwe datacenters geen drinkwater mogen gebruiken voor koeling?
Als een volledig verbod volgens u niet mogelijk is, bent u dan bereid een strikt landelijk maximum per datacenter en voor de sector als geheel vast te leggen? Zo nee, welke andere effectieve maatregelen bent u dan wel bereid te nemen?
Erkent u dat de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en de daarmee samenhangende groei van datacenters zo snel verloopt dat wet- en regelgeving, democratische controle en maatschappelijke besluitvorming deze ontwikkeling onvoldoende kunnen bijbenen? Zo nee, hoe onderbouwt u dat?
Welke publieke voorwaarden moeten volgens u worden gesteld voor nieuwe datacenters of grootschalige AI-infrastructuur, zodat de baten aantoonbaar ten goede komen aan de Nederlandse samenleving en niet hoofdzakelijk terechtkomen bij buitenlandse technologiebedrijven?
Hoeveel van de datacenters in Nederland komt ten goede aan de Nederlandse en Europese digitale autonomie?
Bent u het eens met de stelling dat er gezien de schaarse ruimte in Nederland geen ruimte moet zijn voor datacenters voor big-tech-bedrijven buiten Europa? Zo nee, waarom niet en ten koste waarvan mogen zulke big-tech-datacenters dan gaan volgens u?
Bent u bereid om per direct een tijdelijk landelijk moratorium in te stellen op datacenters, totdat bindende landelijke wetgeving is vastgesteld over onder meer het directe en indirecte watergebruik, het energiegebruik, de belasting van het elektriciteitsnet en de gevolgen voor woningbouw en andere maatschappelijke functies? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is wanneer woningbouwprojecten door netcongestie vertragen of stilvallen, terwijl nieuwe energie-intensieve datacenters wel capaciteit kunnen krijgen en een datacenter al snel een capaciteit van 40 MW vraagt, wat in dezelfde ordergrootte is als 100.000 huishoudens? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel elektriciteit gebruikt het voorgenomen datacenter in Amsterdam naar verwachting maximaal, en hoeveel netcapaciteit is daarvoor nodig?
Deelt u de opvatting dat woningbouw, zorg, openbaar vervoer, verpleeghuizen, scholen en andere vitale maatschappelijke functies voorrang moeten hebben op commerciële datacenters bij de verdeling van schaarse netcapaciteit? Zo nee, waarom niet?
Waarom zijn datacenters niet als afzonderlijke categorie opgenomen in het prioriteringskader voor nieuwe aansluitingen op het elektriciteitsnet? Welke prioriteit krijgen datacenters precies op dit moment in het kader?
Staat er een evaluatie van dit prioriteringskader gepland, om te zien in hoeverre netbeheerder hierdoor maatschappelijke aspecten meewegen bij het verdelen van netcapaciteit? Zo nee, bent u bereid deze evaluatie alsnog te doen?
Bent u bereid wettelijk vast te leggen dat nieuwe datacenters geen aansluiting krijgen zolang daardoor capaciteit wordt verdrongen die nodig is voor woningbouw of andere maatschappelijke prioriteiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een landelijke vergunningsvoorwaarde in te voeren waarin datacenters verplicht worden hun elektriciteitsvraag flexibel af te schakelen tijdens piekbelasting en netcongestie?
Welke mogelijkheden ziet u om datacenters verplicht te laten bijdragen aan netverzwaring, flexibiliteit, opslag en lokaal energiebeheer, zodat de kosten niet op huishoudens en andere gebruikers worden afgewenteld?
Erkent u dat de gevolgen van datacenters voor drinkwater, elektriciteit, ruimte, warmte en klimaat het lokale belang overstijgen en daarom om landelijke regie vragen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
De datakluis bij het Ministerie van Financiën |
|
Mona Keijzer , Henk Vermeer (BBB), Jan Struijs (50PLUS), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Laat Financiën niet wegkomen met dit onderzoek naar de achtergehouden datakluis» van Pieter Omtzigt en Renske Leijten en met het onderliggende BDO-rapport voor het Ministerie van Financiën, waaruit blijkt dat sinds 2019 een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten die niet aan het parlement, niet aan toeslagenouders, niet aan Woo-verzoekers en niet aan de parlementaire enquêtecommissie fraudebestrijding en dienstverlening zijn verstrekt?1 2
Ja.
Sinds wanneer was de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Financiën op de hoogte van het bestaan van de datakluis en de daarin opgeslagen documenten?
De datakluis is in 2019 ontstaan als mitigerende maatregel naar aanleiding van een advies van de ADR, hierover is de Kamer destijds geïnformeerd3. Ook is de inrichting van de datakluis besproken in het Directieteam Belastingdienst. Dit blijkt ook uit het BDO-rapport en de geleverde stukken bij de Kamerbrief van 10 juli 2026. Het bestaan van de datakluis is daarmee bekend bij de ambtelijke en politieke leiding van destijds vanaf het moment van ontstaan. Er is nog geen zicht op de volledige inhoud van de datakluis.
Welke bewindspersonen zijn sinds 2019 geïnformeerd over het bestaan van deze datakluis, en wat waren hun beweegredenen om dit geheim te houden?
Voor het antwoord op deze vraag baseren wij ons op de tijdlijn die op 10 juli 2026 aan uw Kamer is verzonden. Daaruit blijkt dat de volgende bewindspersonen op de hoogte konden zijn of zijn van het bestaan van de datakluis:
Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met als doel om informatie achter te houden. Wij hebben aangegeven het te betreuren is dat de Belastingdienst niet adequaat heeft gehandeld toen de datakluis had moeten worden meegenomen in de zoekslag ten behoeve van de PEFD of andere informatieverzoeken en dat het lang heeft geduurd voordat de informatie juist, tijdig en volledig mogelijk het kabinet en uw Kamer heeft bereikt.
Op welke momenten tussen 2019 en 2026 is er met de bewindspersonen en met de topambtenaren gesproken over de datakluis en de inhoud daarvan, en op welke momenten hebben zij hierover mondeling of schriftelijk informatie ontvangen? Kunt u daarvan een precies overzicht geven?
De tijdlijn die met onze brief van 10 juli 2026 is meegestuurd geeft inzicht in belangrijke formeel vastgelegde momenten in de periode 2017 en 2026, waaronder contacten tussen ambtenaren en bewindspersonen
Kunt u de volgende stukken die in het BDO-rapport genoemd worden per ommegaande aan de Kamer doen toekomen: het memo «Juridisch Kader datakluis» (voetnoot 15)3, e-mail 22 juni 2022.pdf (voetnoot 106), e-mail juni 2025 (paragraaf 387 van het BDO-rapport), alle nota’s die aan de bewindspersonen en/of de (plaatsvervangend) secretaris-generaal zijn voorgelegd, Nota BD inventarisatie datakluis.pdf (voetnoot 148)?
De door u gevraagde documenten zijn reeds openbaar gemaakt als bijlage bij onze Kamerbrief van 10 juli 2026.
Zijn de geïsoleerde persoonlijke omgevingen overgedragen aan en/of opgevraagd door het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?
Naar aanleiding van de aangifte van het vermoeden van strafbare feiten door de Staatssecretarissen van Financiën op 19 mei 2020 heeft de Belastingdienst onder meer mailboxen en digitale omgevingen van organisatieonderdelen en teams die voorkomen in de aangifte in een afgeschermde omgeving opgeslagen. Afgeschermde omgevingen bestaan naast de datakluis en zijn in de loop der tijden bij de Belastingdienst ontstaan naar aanleiding van uiteenlopende verzoeken, waaronder interne verzoeken, strafrechtelijke trajecten en andere formele opdrachten. Het veiligstellen in deze afgeschermde omgeving was bedoeld om aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie te voldoen. U leest dit als zodanig terug in het rapport van BDO. Het is aan het Openbaar Ministerie om een toelichting te geven op de wijze waarop zij dit onderzoek hebben verricht en welke informatie daarvoor is opgevraagd of bekeken. Het Openbaar Ministerie stelde vast dat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking en daarmee zien wij geen aanleiding – ongevraagd – informatie aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.
Deelt u de opvatting dat het, gezien het feit dat het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst eerder jarenlang 14 wetten hebben overtreden waardoor burgers ernstig in de problemen zijn gekomen, ongepast is de Belastingdienst nog langer zelf opdrachtgever te laten zijn van een onderzoek naar zichzelf, nu er mogelijk nieuwe overtredingen zijn van de Grondwet (Artikel 68, informatierecht), de Wet open overheid en het Wetboek van Strafrecht (artikel 192b, het niet verschaffen van informatie aan een parlementaire enquêtecommissie)?
Wij delen de opvatting dat het verstandig is om de Belastingdienst niet zelf opdrachtgever te laten zijn van onderzoek over de datakluis bij de Belastingdienst. Daarom heeft BDO, een partij die nooit eerder iets voor de Belastingdienst heeft onderzocht, het onderzoek uitgevoerd en wordt er een onafhankelijke externe commissie ingesteld die toegang krijgt tot alle informatie die zij noodzakelijk acht voor haar werkzaamheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat hiervan aangifte wordt gedaan en dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie onderzoek doen naar alle mogelijke overtredingen c.q. (ambts)misdrijven?
Uit het onderzoek van BDO komen geen aanwijzingen naar voren dat opzettelijk gegevens zijn achtergehouden in de datakluis met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen.
Ook als er door of binnen het ministerie of de Belastingdienst fouten zijn gemaakt, zal dit nog niet betekenen dat sprake is van strafbaar gedrag.
Kunt u deze vragen zelf en binnen drie weken beantwoorden, aangezien het volstrekt ongepast is dat de bewindspersonen voor Financiën dit doen?
De vragen zijn beantwoord binnen drie weken. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het invoeren van chatcontrole |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europees Parlement stemt in controversiële spoedprocedure alsnog voor het checken van berichten op beelden van kindermisbruik»?1
Wat vindt u van het verlengen van «chatcontrol 1.0»2 en de manier waarop dit via een spoedprocedure, mede onder druk van de Europese Commissie en grote techbedrijven, is geforceerd?
Wat is de zienswijze van dit kabinet op deze vorm van chatcontrole? Volgt u nog steeds de beide aangenomen moties-Kathmann (Kamerstukken 32 317, nr. 891 & 32 317, nr. 981) die vragen om zich tegen chatcontrole te verzetten?
Wat zijn de gevolgen van deze stemming voor de privacy van Nederlandse burgers, nu vrijwillige chatcontrol niet alleen opnieuw is ingevoerd, maar is uitgebreid ten opzichte van de vorige vrijstelling?
Op welke manier mogen techbedrijven AI toepassen om berichtenverkeer tussen burgers te surveilleren? Kunt u duidelijk maken wat voor techniek hiervoor wordt toegepast door de relevante bedrijven?
Hoe wordt voorkomen dat onschuldige burgers op basis van valse positieven verdacht worden gemaakt en worden gemeld bij de politie of Europol?
Deelt u de zorgen van de indiener dat, zolang het scannen van online berichtenverkeer is toegestaan, er een reëel risico is dat deze techniek ook voor andere doeleinden zal worden gebruikt als gevolg van «mission creep»?
Hoe staat het met de onderhandelingen voor de CSAM-verordening, waar een vorm van chatcontrole tot dusver altijd een onderdeel van is geweest? Wanneer verwacht u dat hierover een stemming zal plaatsvinden?
Bent u bereid de Kamer een beslismoment voor te leggen als er een belangrijke (voor)stemming nadert met betrekking tot chatcontrole, zodat zij tijdig en goed geïnformeerd de kabinetsinzet kan sturen?
Kunt u bevestigen dat Nederland zich ten alle tijden en onomwonden zal verzetten tegen voorstellen die het scannen van versleutelde berichten mogelijk maken, al dan niet via een omweg?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
‘Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties’ |
|
Erwin Prickaertz (PVV), Emiel van Dijk (PVV) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarbij goede doelen op basis van minimale input (zoals enkel een gedeelde postcode en huisnummer) persoonsgegevens verrijken met buurtkenmerken, WOZ-waarden en leefstijlen zonder dat donateurs hiervan op de hoogte zijn of hier vooraf toestemming voor hebben gegeven?
Goede doelen opereren bij de verwerking van persoonsgegevens binnen het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In de casus zoals deze wordt geschetst in de vraag zou sprake kunnen zijn van gegevensverrijking en profilering ten behoeve van directe marketing. Het verwerken van persoonsgegevens is alleen toegestaan als daarvoor een grondslag bestaat. Artikel 6 van de AVG noemt in dit verband toestemming van de betrokkene, maar ook gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Hiervan kan sprake zijn als de verwerking van gegevens noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang en als de rechten en vrijheden van de betrokkenen niet zwaarder wegen. Of hier sprake is van een gerechtvaardigd belang en of is voldaan aan de overige vereisten die de AVG stelt, is niet aan mij om vast te stellen. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval, in de eerste plaats door de goededoelenorganisatie zelf als verwerkingsverantwoordelijke. De Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en uiteindelijk de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houden toezicht op de naleving van de AVG.
Daarnaast geldt dat – ongeacht de verwerkingsgrondslag – de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikelen 12–14 AVG verplicht is transparantie te bieden over de gegevensverwerking. Dit gebeurt doorgaans met een privacyverklaring, waarin onder andere staat welke gegevens worden verwerkt, voor welke doelen dat gebeurt, welke grondslag van toepassing is, hoe lang de gegevens bewaard worden en met wie deze worden gedeeld. Zoals aangegeven is het toezicht hierop belegd bij de FG en uiteindelijk de AP. Ook daarin is voor mij geen rol weggelegd.
Voor ruim zevenhonderd erkende goede doelen geldt dat het CBF, de onafhankelijke toezichthouder op de goededoelensector, het privacy- en informatiebeveiligingsbeleid van de organisaties controleert en handhaaft waar nodig.2 Het CBF kan daarbij vragen naar de onderbouwing van het beroep op gerechtvaardigd belang. Sinds 2026 houdt het CBF hier scherper toezicht op en doet dat, waar nodig, in afstemming met de AP.
Deelt u de mening dat het gebruik van voorspellende AI-software (zoals Dataro) om specifiek de «nalatenschapsbereidheid» of toekomstige erfenissen van individuele donateurs te voorspellen, een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer die nooit onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)-grondslag «gerechtvaardigd belang» mag vallen? Acht u het ethisch verantwoord dat goede doelen dergelijke technologie inzetten?
De AVG is technologie-neutraal en kent aan artificiële intelligentie (hierna: AI) geen aparte status toe. Wel verplicht artikel 35 van de AVG tot het doen van een DPIA (Data Protection Impact Assessment) als de verwerking waarschijnlijk een hoog risico inhoudt, zoals bij systematische en grootschalige profilering of innovatie met nieuwe technologie. Daarvan kan sprake zijn bij AI-toepassingen. Of sprake is van verantwoord gebruik van technologische verwerkingsmiddelen of -methoden moet in eerste instantie worden beoordeeld door de goededoelenorganisatie als verwerkingsverantwoordelijke, aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval. Artikel 5 van de AVG kent daarbij een verantwoordingsplicht, op grond waarvan de verwerkingsverantwoordelijke het voorgaande moet kunnen aantonen. De AP houdt daarop toezicht.
Met de inzet van AI door organisaties of bedrijven is in principe niets mis, ook niet als goede doelen dat doen. Sterker nog, AI kan in bepaalde situaties juist helpen om dienstverlening of bescherming van consumenten, donateurs en burgers te verbeteren. De inzet van AI dient daarbij plaats te vinden binnen de wettelijke kaders. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders om te bepalen of de inzet rechtmatig plaatsvindt.
Hoe beoordeelt u het belangenconflict dat kan ontstaan wanneer goede doelen via investeringsfondsen financieel deelnemen in commerciële AI-bedrijven die worden ingezet voor het analyseren van hun eigen donateurs? Deelt u de zorg dat hierdoor maatschappelijke en commerciële belangen met elkaar verstrengeld raken, ten koste van de privacy van donateurs?
Het staat stichtingen en verenigingen vrij om investeringen te doen mits de opbrengst daarvan volledig ten goede komt aan het statutaire doel. Stichtingen en verenigingen kunnen ook een ANBI (algemeen nut beogende instelling) status hebben wanneer zij aan verschillende voorwaarden voldoen. Zo moet de organisatie zich onder andere voor minstens 90% inzetten voor het algemeen nut, geen winstoogmerk hebben, en aan strikte integriteits- en transparantie-eisen voldoen. Het is bij investeringen in leveranciers van data- en AI-diensten van belang dat schijn of feitelijke verstrengeling worden voorkomen via transparantie, strikte functiescheiding, onafhankelijke toetsing van privacy- en ethische risico’s en naleving van de toepasselijke wettelijke en sectorspecifieke normen. Dit is vastgelegd in het normenkader van het CBF waaraan erkende goede doelen moeten voldoen (normen 5.3.1 en 5.3.2).
Hoe beoordeelt u de praktijk dat sommige goede doelen na opzegging van een periodieke schenking wel de incasso beëindigen, maar de relatie met de voormalige donateur voortzetten door deze te blijven benaderen voor nieuwe donaties?
Het moet eenvoudig zijn voor donateurs om relaties met en periodieke donaties aan goededoelenorganisaties te beëindigen of aan te passen. Sinds 1 januari 2025 geldt hiervoor ook een aparte norm voor erkende goededoelenorganisaties, inclusief voor commerciële bureaus die werken in opdracht van erkende goede doelen. Hier houdt het CBF toezicht op.4 Daarbij kijkt het onder andere naar de aanwezigheid, vindbaarheid en laagdrempeligheid van de opzegmogelijkheden. Goede doelen hebben daarnaast onder de AVG en Reclame Code de mogelijkheid om oud-donateurs te benaderen na het opzeggen van de relatie, mits dit binnen de door de Reclame Code gestelde klanttermijn valt. Onder de Code Telemarketing geldt bijvoorbeeld een maximum klanttermijn van drie jaar.5 Donateurs en voormalige donateurs hebben daarbij altijd de mogelijkheid van bezwaar.
Donaties aan goede doelen vallen niet onder het algemene consumentenrecht. Dit zijn namelijk overeenkomsten zonder tegenprestatie en kwalificeren niet als dienst in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, onderdeel d, Burgerlijk Wetboek. Ik zie geen aanleiding om het consumentenrecht uit te breiden naar goededoelenorganisaties. Uw Kamer heeft ook in 2024 en 2026 verzocht om goede doelen uit te zonderen van aanscherpingen ter bevordering van consumentenbescherming.6
De Wet Van Dam2 beschermt consumenten tegen onnodige belemmeringen bij het beëindigen van doorlopende overeenkomsten. Hoe beoordeelt u het feit dat goede doelen, die hun fondsenwerving veelal uitbesteden aan commerciële bureaus, in de praktijk drempels hanteren die in de commerciële sector juist zijn uitgebannen? Deelt u de opvatting dat donateurs dezelfde bescherming zouden moeten genieten als consumenten en dat ook op deze praktijken op vergelijkbare wijze zou moeten worden toegezien?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om samen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te bezien of de huidige consumentenbescherming voldoende aansluit bij de werkwijze van goede doelen en de commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan zij gebruikmaken? Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat een donateur een periodieke donatie net zo eenvoudig kan beëindigen als een consument een commercieel abonnement? 2 Burgerlijk Wetboek, boek 2, artikelen 35, 36 en boek 6, artikelen 236, 237.
De ACM is een onafhankelijke toezichthouder. De ACM houdt geen toezicht op (de fondsenwervingsactiviteiten van) goede doelen omdat deze niet onder het algemene consumentenrecht vallen. Het CBF houdt wel toezicht op de werkwijzen van goede doelen, waaronder de wervingsmethoden van commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan goede doelen gebruik maken. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vragen 5 en 6, geldt sinds 1 januari 2025 een aparte norm voor het gemakkelijk kunnen opzeggen van een donateursrelatie of periodieke donatie. Ik heb nauw contact met het CBF, onder andere over haar toezicht en ontwikkelingen in de filantropische sector.
De ontvangen aanbiedingsbrief van vertrouwelijke stukken inzake Solvinity |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, die ziet op de Regeling vertrouwelijke stukken?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity pas gedurende het zomerreces worden gedeeld?
Ik achtte het wenselijk om de Kamer dezelfde informatiepositie te geven als de bij het verzoek om voorlopige voorziening inzake Solvinity betrokken stichtingen. De betreffende stukken zijn kort voorafgaand aan de zitting op maandag 6 juli jl. vertrouwelijk beschikbaar gesteld, daarmee samenvallend met de start van het zomerreces.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity slechts kunnen worden ingezien tot en met 31 juli 2026, aangezien het stellen van een dergelijke termijn zeer ongebruikelijk is?
Het stellen van een termijn aan de ter inzagelegging van vertrouwelijke stukken is verplicht onder artikel 4b van de regeling vertrouwelijke stukken.
Kunt u beamen dat indien de vertrouwelijke stukken gedurende het zomerreces worden gedeeld en anderzijds slechts inzichtelijk zijn tot en met 31 juli 2026 (midden in het zomerreces), dit negatieve invloed heeft op de informatiepositie van de Kamerleden gezien de afwezigheid van de vele Kamerleden?
De voorgestelde ter inzagelegging was gebaseerd op de dan beschikbare informatie t.a.v. de voorlopige voorzieningszitting op 6 juli. Ik hecht eraan de kamer zo ruim mogelijke inzage te geven binnen de kaders die er zijn. Om uw Kamer tegemoet te komen en te voorzien van een betere informatiepositie, heb ik de termijn van ter inzagelegging verlengd tot 31 augustus. Dit heb ik ook opgenomen met de griffie van de Kamer.
Kunt u toelichten waarom de door u gekozen termijn voor inzage van 31 juli 2026, niet is onderbouwd in de aanbiedingsbrief? Volgens Artikel 4b van de Regeling vertrouwelijke stukken, moet namelijk duidelijk gemotiveerd worden waarom het stuk slechts tijdelijk ter inzage wordt gebracht.
Deze onderbouwing is abusievelijk niet meegenomen in de aanbiedingsbrief. Zie voor de onderbouwing van deze termijn het antwoord op vraag 4.
Kunt u deze Kamervragen zo spoedig mogelijk beantwoorden in verband met het spoedeisende belang van het feit dat Kamerleden gedurende deze resterende periode met zomerreces zijn, en de informatiepositie van de Kamerleden niet ondermijnd mag worden?
Ja.
Kunt u de Kamervragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
De zorgen rondom de Data Privacy Framework tussen de EU en de VS |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof in de zaak Trump v. Slaughteren het bericht van privacywaakhond noyb hierover?1 2
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof en de inhoudelijke analyse van noyb, die stelt dat de uitspraak de onafhankelijkheid van Amerikaanse toezichthouders aantast en dit grote gevolgen kan hebben voor de Data Privacy Framework tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten?
De uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof van 29 juni 2026 in
De Commissie heeft in de context van de meest recente raadswerkgroep gegevensbescherming d.d. 6 juli jl. lidstaten geïnformeerd en aangegeven de impact van de beslissing van Hooggerechtshof te onderzoeken, en ziet dat in dit verband ook een brede evaluatie van het functioneren van de VS-rechtssysteem nodig is. Tegelijkertijd benadrukt de Commissie daarbij dat het adequaatheidsbesluit tot nader order van kracht blijft. Indien de Commissie zou besluiten over te gaan tot (gedeeltelijke) intrekking, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Heeft u vertrouwen in de houdbaarheid van de Data Privacy Framework in het licht van de uitspraak in de zaak Trump v. Slaughter?
Het is aan de Commissie om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, actuele ontwikkelingen te wegen in het licht van het adequaatheidsbesluit en de houdbaarheid daarvan. Zij is daartoe niet alleen bevoegd, maar ook bij uitstek toegerust. Ik vind het niet verstandig vooruitlopend op de bevindingen van de Commissie zelfstandig een oordeel te vormen. Als zou blijken dat structurele doorgiften onder het DPF niet langer een met het EU recht vergelijkbaar beschermingsniveau bieden, kan de Commissie bij uitvoeringshandeling het adequaatheidsbesluit (gedeeltelijk) schorsen, wijzigen of intrekken. Dit is een besluit van de Commissie dat in het op artikel 93 AVG gebaseerde comitologie comité met de lidstaten, waaronder Nederland, wordt besproken. Uw Kamer wordt daarover geïnformeerd.
Deelt u onze zorgen dat deze uitspraak gevolgen kan hebben voor de rechtmatige data-uitwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten? Wat zouden die gevolgen volgens u kunnen zijn?
Het is vanzelfsprekend van groot belang dat doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen in overeenstemming met de AVG plaatsvinden. De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming, in Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), zien daar op toe. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, beoordeelt de Commissie de implicaties van de uitspraak van het Hooggerechtshof van de VS in het kader van haar verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten. Als de Commissie het besluit (gedeeltelijk) zou intrekken of schorsen, dan zouden voor doorgiften niet langer op het DPF kunnen worden gebaseerd. Doorgiften zouden dan plaats moeten vinden op basis van andere AVG-instrumenten, zoals mogelijk model contractbepalingen (SCC), bindende bedrijfsvoorschriften (BCR)4 of, bij uitzondering, de uitzonderingen van artikel 49 AVG.
Bent u bereid de gevolgen van de uitspraak te bespreken in Europees verband met oog op mogelijke juridische stappen die de Data Privacy Framework ongeldig kunnen maken?3
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3, ligt de verantwoordelijkheid voor de beoordeling of het DPF en de vraag of het adequaatheidsbesluit al dan niet gedeeltelijk dient te worden ingetrokken primair bij de Commissie. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, volgt Nederland de ontwikkelingen op de voet.
Is Nederland voorbereid op een scenario waar de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard? Welke maatregelen kunt u nemen om hier op voor te bereiden, zoals ook uiteengezet door uw voorganger?4
Na het ongeldig verklaren van het DPF kunnen doorgiften niet langer op het DPF berusten. Welke gevolgen dit voor Nederland heeft, hangt af van de desbetreffende sector en de verwerkingen van persoonsgegevens die daarbinnen plaatsvindt. Een algemeen antwoord valt hierop dan ook niet te geven.
Zonder adequaatheidsbesluit zal elke verwerkingsverantwoordelijke een doorgifte van persoonsgegevens aan een (gecertificeerde) partij in de VS op een ander doorgifte-instrument uit de AVG moeten kunnen baseren. Hierbij kan gedacht worden aan SCC, BCR of aan de uitzonderingen zoals benoemd in artikel 49 AVG.
Verwerkingsverantwoordelijken kunnen voorzorgsmaatregelen treffen om te voorkomen dat een eventuele ongeldigverklaring van het DPF ertoe leidt dat de doorgifte van persoonsgegevens moet worden gestaakt. Een geheel of gedeeltelijke intrekking of ongeldigverklaring van het DPF hoeft niet te betekenen dat Amerikaanse clouddienstverleners niet meer gebruikt kunnen worden. Wel is het voor clouddiensten die gegevens in de VS opslaan of verwerken, of waarbij een Amerikaanse partij rechtstreeks toegang heeft tot gegevens, in ieder geval nodig om een passende oplossing te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door data te hosten in Europese datacenters van dezelfde aanbieder en/of de rechtstreekse toegang door Amerikaanse partijen te beperken of, als dat niet mogelijk is, met aanvullende technische maatregelen zoals sterke encryptie of het inrichten van autonome voorzieningen.
Voor de rijksdienst geldt op basis van het cloudbeleid dat opslag en verwerking van gegevens in principe binnen de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland plaatsvinden.7 Gebruik buiten deze landen kan alleen met een formele uitzondering, onderbouwd met een goede reden, een risicoanalyse en zo nodig aanvullende mitigerende maatregelen. Voor bestaand cloudgebruik is bovendien een exitplan verplicht dat rekening houdt met het wegvallen van een voorziening en dus verder reikt dan alleen het hiervoor beschreven scenario. Dit exitplan kan ook worden ingezet als een verwerking om andere redenen niet kan worden voortgezet. Onderdeel hiervan is dat organisaties zelf een actueel overzicht bijhouden van alle gebruikte clouddiensten.
Als de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard, welke autoriteit moet dan toezien op de (on)rechtmatige uitwisseling van data met Amerikaanse partijen? Kunt u deze autoriteit vragen om advies om dit scenario samen uit te werken?
De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming blijven bevoegd; in Nederland is dat de AP. Zij houden toezicht op verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, inclusief internationale doorgiften. Coördinatie tussen toezichthouders verloopt in EU-verband via de EDPB. De Commissie gaat over het adequaatheidsbesluit zelf, niet over individuele handhaving.
Als het DPF ongeldig zou worden verklaard, zou dat betekenen dat de bepalingen uit de AVG voor doorgifte aan derde landen waarvoor geen adequaatheidsbesluit geldt, opnieuw van toepassing worden. De AP heeft voor dergelijke situaties uitgebreide informatie op haar website staan.8 Mocht het zo ver komen, dan ben ik bereid de AP te vragen of zij een gedeelte daarvan specifiek zouden willen toespitsen op de VS. Als het adequaatheidsbesluit zou komen te vervallen, blijft te allen tijde de verwerkingsverantwoordelijke zelf verantwoordelijk voor naleving van de normen uit de AVG, ook bij doorgifte aan derde landen.
Zijn er scenario’s denkbaar waarin aanvullende maatregelen niet volstaan en data niet meer rechtmatig met Amerikaanse partijen gedeeld kan worden? Welke implicaties heeft dat?
Ja. Als aanvullende maatregelen niet volstaan, rest uitsluitend een incidentele doorgifte op basis van een toepasselijke bepaling in artikel 49 AVG (zoals expliciete geïnformeerde toestemming, noodzaak voor een overeenkomst met de betrokkene, zwaarwegend algemeen belang, rechtsvorderingen, vitale belangen of openbaar register). Deze uitzonderingsbepalingen zijn uitzonderlijk, niet bedoeld voor structurele of grootschalige stromen, en vereisen strikte proportionaliteit, transparantie en volledige documentatie. Past geen derogatie voor de specifieke doorgifte, dan is de doorgifte niet toegestaan.
Deelt u de mening dat de enige zekere maatregel om onrechtmatige data-uitwisseling met de Verenigde Staten te voorkomen is om veel minder afhankelijk te worden van Amerikaanse techbedrijven?
Nee. Minder afhankelijk worden van Amerikaanse leveranciers kan risico’s verkleinen, maar is niet de enige mogelijke maatregel. Rechtmatige doorgifte kan ook worden geborgd met doorgifte instrumenten onder de AVG, zoals SCC of BCR. Als die combinatie de risico’s niet voldoende wegneemt, is doorgifte niet toegestaan en moet deze worden beëindigd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
Ja.
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Soevereiniteit is een belangrijk aandachtspunt wanneer sprake is van afhankelijkheid van een leverancier.
Om digitale soevereiniteit te waarborgen hanteert het Ministerie van Defensie een tweesporenbeleid2. Het primaire spoor richt zich op de realisatie van een Europees AI-Decision Support System (DSS), waarbij juridische soevereiniteit, open standaarden en datasoevereiniteit belangrijke uitgangspunten zijn. Om te voorkomen dat de Krijgsmacht operationele risico’s loopt op zowel tactische als strategische gebied en om de operationele continuïteit, flexibiliteit en interoperabiliteit o.a. binnen NAVO te borgen, voorziet het tweede spoor in de tijdelijke toepassing van Palantir totdat het door Spoor 1 ontwikkelde Europese AI-DSS operationeel is.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Wat betreft de toepassing van Palantir bij de politie moet worden benadrukt dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt niet met de leverancier gedeeld. Het gaat hierbij alleen om politiedata. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra. De thema’s waarop de analyses uit «de Raffinaderij» worden ingezet zijn zeer belangrijk en hebben grote maatschappelijke impact, namelijk bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen. Met voorgenoemde werkwijze is het gebruik van Palantir door de politie van veel waarborgen voorzien.
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie is in contact met o.a. Frankrijk om tot een gezamenlijke ontwikkelagenda voor een Europees AI-DSS te komen.
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Specifiek voor het Ministerie van Defensie geldt dat er op dit moment een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven wordt uitgevoerd.
Vanuit het oogpunt van continuïteit en verhoging van de weerbaarheid is de politie met betrekking tot het totale palet van IT-dienstverlening reeds actief bezig met initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de digitale autonomie.3 Er worden stappen gezet om technologieën te ontwikkelen die beter aansluiten bij de behoeften door op zoek te gaan naar robuuste alternatieve oplossingen voor bestaande systemen, zodat de politie altijd kan beschikken over de best mogelijke tools. Deze zoektocht is essentieel om de operationele flexibiliteit en veiligheid te waarborgen in een steeds veranderende digitale omgeving. Het ontwikkelen en implementeren van dergelijke alternatieven is een complex proces dat tijd, financiële middelen en specialistische kennis vraagt en moet passen binnen de kaders van bijvoorbeeld privacy, proportionaliteit en beschikbare financiën. De politie weegt voortdurend de risico’s die verbonden zijn aan het gebruikt van IT-systemen.
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Zoals reeds in antwoord 4 gesteld, zijn zowel het Ministerie van Defensie als de politie actief bezig met het verkennen van alternatieven.
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Dat kan niet in zijn algemeenheid zo gesteld worden. Dit is afhankelijk van de use case en de gevraagde functionaliteiten.
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Zoals reeds in antwoord 4 en 5 gesteld werken bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie en de politie aan een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven die tegemoetkomen aan het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s).
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Ja, het kabinet is van mening dat een sterke AI-industrie van strategisch belang is om de digitale soevereiniteit, weerbaarheid, het innovatievermogen en economische concurrentiekracht van Europa te versterken. Om deze reden zet het kabinet zich in Europees verband in voor de ontwikkeling van een concurrerend Europees AI-ecosysteem. Daarbij wordt onder meer ingezet op investeringen in AI-onderzoek en innovatie, versterking van de Europese reken- en data-infrastructuur en ondersteuning voor startups en scale-ups, zoals geschetst in het Europese AI Continent Actieplan.4 Nationaal werkt het kabinet via de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. AI speelt een toenemende rol in uiteenlopende capaciteiten waar het Ministerie van Defensie nu en in de toekomst over moet beschikken. Het Nederlandse voortzettingsecosysteem dat we hiervoor opbouwen via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie voorziet daarom ook in op te bouwen Nederlandse en Europese AI-capaciteiten. Ook kunnen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling (NII) en de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) bijdragen aan het versterken van het AI-ecosysteem. Eerder is via het Nationaal Groeifonds in AI-programma’s geïnvesteerd (o.a. AiNed en NOLAI), evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer op 31 maart jl.5, heeft het kabinet er voor gekozen om niet mee te doen met een gezamenlijke Europese publieke aanbesteding van rekencapaciteit bij nog te selecteren AI-gigafabrieken. AI-gigafabrieken kunnen vanwege hun commerciële oriëntatie in beginsel volledig privaat gefinancierd worden. De achterliggende inhoudelijke overwegingen zoals genoemd in de brief en de budgettaire situatie hebben samen geleid tot de afweging om geen publieke financiële verplichting aan te gaan in deze gezamenlijke Europese aanbesteding. Ambitieuze private initiatieven en investeringen in AI-infrastructuur die het Nederlandse en Europese AI-ecosysteem versterken worden door het kabinet aangemoedigd. Voor het kabinet ligt voornamelijk een taak om de randvoorwaarden te versterken.
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Zoals in het wetgevingsoverleg over de Jaarverslagen en Slotwetten 2025 van de Ministeries EZ, BZK en JenV voor zover het onderwerpen betreft die zien op digitalisering is toegezegd, krijgt uw Kamer binnenkort een brief over de inzet op digitale ambities, met prioritering en de benodigde keuzes.6 Die brief komt na Prinsjesdag.
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Het schetsen van concrete tijdspaden is daarbij niet realistisch, onder meer vanwege de snelle technologische ontwikkelingen. Bovendien wordt er niet in het openbaar gecommuniceerd over RSA’s. Het kabinet acht het afbouwen van een afhankelijkheid als voldoende als het geen RSA meer is. Dit is het geval wanneer het risico van een waardeketenverstoring niet meer als hoog wordt ingeschat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Ja.
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Ja. Het verliezen van toegang tot deze modellen gold voor alle gebruikers.
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Nee. Het kabinet is niet vooraf op de hoogte gesteld van dit besluit.
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Het klopt dat Nederland afhankelijk is van Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI. Het kabinet onderschrijft het belang van toegang tot geavanceerde AI modellen zoals onder meer beschreven in de Internationale AI Strategie (2026), Internationale Veiligheidsstrategie 2026–20302 en de Kamerbrief Reactie op factsheets digitale strategische autonomie (2025)3 over AI-soevereiniteit. Daarom benadrukken deze ontwikkelingen de urgentie om de Europese en nationale AI-capaciteiten fors te versterken. Daar zet het kabinet dan ook op in. Zo wordt in de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel gewerkt aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. Ook zullen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de Nationale Investeringsinstelling (NII) een rol spelen. Eerder is ook via het NGF in AI-programma’s geïnvesteerd, evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Er zijn momenteel geen Europese alternatieven van vergelijkbaar niveau als Fable en Mythos. Tegelijkertijd zijn geavanceerde capaciteiten niet enkel meer voorbehouden aan gesloten modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen in de buurt van de meest geavanceerde modellen. Dit wordt versterkt door het feit dat de capaciteiten van een AI-model niet enkel of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist uit de technische infrastructuur (het «harnas») om het AI-model heen. Het is onzeker hoe de markt van AI-modellen en technische infrastructuur zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke rol open modellen daarin zullen spelen. Dat houdt het kabinet nauwlettend in de gaten. Omdat Europa niet over eigen geavanceerde AI-modellen beschikt, is het van belang dat Nederland tevens samen met EU-partners en andere gelijkgezinde middle powers werkt aan toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten.4
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Vanwege het recent beëindigen van de ingevoerde exportrestricties zullen de gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven beperkt zijn. Het kabinet schat de directe impact op het concurrentievermogen van een exportverbod op een individueel AI-model laag in, omdat er momenteel nog voldoende hoogwaardige alternatieven modellen beschikbaar zijn. Tegelijkertijd is onduidelijk hoe de markt voor AI-modellen (en daarop gebaseerde toepassingen) zich zal ontwikkelen. De impact van vergelijkbare besluiten in de toekomst kan dus mogelijk anders zijn. Het integreren van frontier AI-modellen buiten de EU in Nederlandse digitale processen vergroot de afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders, met bijbehorende risico’s op het gebied van datasoevereiniteit, continuïteit, vertrouwelijkheid en strategische afhankelijkheid. Zoals verder toegelicht in de antwoorden op vragen 7 en 8 kunnen modellen als Mythos in ieder geval impact hebben op de cyberveiligheid.
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Zoals toegelicht in de beantwoording op Kamervragen van de leden El Boujdaini en Kathmann van 1 juni jl.5 laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen in veel gevallen niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden maar dat ook andere modellen in staat zijn kwetsbaarheden te vinden. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) kijkt daarom naar bredere ontwikkeling van AI-modellen die gebruikt kunnen worden voor cybersecurity doeleinden, en welke kans de toepassing van AI biedt voor het verbeteren van onze digitale weerbaarheid. Het NCSC zoekt actief contact met relevante organisaties in het hele ecosysteem om op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen op het gebied van deze technologie en de mogelijke gevolgen daarvan voor cyberveiligheid en digitale veerkracht.
Op termijn kan het niet of onvoldoende voor handen hebben van geavanceerde frontier AI-modellen wel tot gevolg hebben dat bedrijven zonder toegang minder zelf in staat worden gesteld kwetsbaarheden te vinden met behulp van AI en deze te verhelpen. Ook daarom is het van belang om binnen Nederland en de EU met urgentie te bouwen aan het versterken van de ontwikkeling van AI en toepassingen hiervan en zolang de eigen capaciteit ontbreekt, samen te werken voor toegang tot noodzakelijke capaciteiten.
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel afhankelijk. Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een rol in het huidige dreigingsbeeld.
Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om systemen aan te vallen. Dankzij dergelijke AI-modellen kunnen in veel kortere tijd en op grotere schaal kwetsbaarheden in software worden opgespoord en misbruikt worden voor aanvallen dan eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking van een kwetsbaarheid en het moment dat deze wordt misbruikt significant worden verkort.
Anderzijds kunnen AI-modellen ook worden gebruikt voor digitale verdediging, bijvoorbeeld door ze als softwareontwikkelaar zelf te gebruiken om kwetsbaarheden te vinden maar ook om het patchen, monitoren, detecteren en de respons geautomatiseerd te laten verlopen. Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen sneller en op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd. De opkomst en het gebruik van geavanceerde AI-systemen kan daarmee leiden tot scheefgroei tussen organisaties die hun digitale verdediging op orde hebben (al dan niet met gebruik van AI) en organisaties die hier minder aandacht aan besteden of minder toe in staat zijn. Aangezien er met behulp van AI onderdelen van de verdediging geautomatiseerd en sneller kunnen worden uitgevoerd, zullen organisaties die niet gebruik (kunnen) maken van geautomatiseerde verdediging en bijvoorbeeld handmatig patchen of reageren, hier minder efficiënt en effectief in zijn en dus relatief kwetsbaarder worden.
Om digitaal weerbaar te zijn en te blijven is het voor individuele organisaties cruciaal om de basismaatregelen continu en tijdig toe te passen. Dit was altijd al het geval, maar de opkomst en toegankelijkheid van AI-modellen onderstreept de urgentie. Wel bepleit het kabinet terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie door de mogelijke afhankelijkheidsrisico’s, zoals beschreven in vraag 6.
Tenslotte stelt de Europese AI-verordening eisen aan AI-systemen en -modellen op basis van het risico van deze systemen. Zo stelt de verordening eisen aan AI-modellen voor algemene doeleinden waarbij de regels steviger zijn voor modellen met systeemrisico’s. Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop deze risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Risico’s worden op deze manier ook meegenomen in het toezicht op deze modellen door het Europese AI Office.
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Op grond van de Cyberbeveiligingswet is het in eerste instantie aan entiteiten, waaronder de Rijksoverheid en aan beheerders van vitale infrastructuur, zelf om vast te stellen welke technische of organisatorische maatregelen passend en evenredig zijn om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen, waaronder AI frontier-modellen, waarmee zij geconfronteerd worden, te kunnen beheersen. Entiteiten hebben immers zelf inzicht in risico’s die hun dienstverlening kunnen raken en hebben de meeste kennis van hun eigen systemen en processen.
De Cyberbeveiligingswet is op 15 augustus 2026 in werking is getreden. De zorgplicht die deze entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben, ziet op de maatregelen met het oog op de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen die worden toegepast voor de dienstverlening van entiteiten of voor het verrichten van hun activiteiten. Wanneer entiteiten overwegen welke maatregelen in dit verband passend zijn, moeten zij rekening houden met de specifieke kwetsbaarheden van hun rechtstreekse leveranciers en dienstverleners en met de algemene kwaliteit van de producten en de cyberbeveiligingspraktijken van hun leveranciers en dienstverleners. Echter, voor zover de entiteit gebruik maakt van AI frontier modellen is de zorgplicht ook hierop van toepassing. Ten aanzien van de continuïteit van de dienstverlening is in het Cyberbeveiligingsbesluit in artikel 9 opgenomen dat een entiteit over een vastgesteld bedrijfscontinuïteitsbeleid en -plan met betrekking tot haar netwerk- en informatiesystemen moet beschikken. Daarin moeten risico’s voor continuïteit worden meegenomen, zoals in het voorliggende geval via het wegvallen van frontier-modellen. De uitkomsten van de verplichte risicoanalyse die de entiteit heeft uitgevoerd zal bepalen welke mitigerende maatregelen de entiteit moet nemen om de continuïteit van de dienstverlening bij uitval te herstellen. De entiteit legt deze maatregelen vast in haar bedrijfscontinuïteitsplan. Wat een entiteit nodig heeft zal per entiteit verschillen. Het is dan ook niet aan de overheid om ten behoeve van entiteiten continuïteits- of exitstrategieën op te stellen voor de verschillende technieken die entiteiten gebruiken. Wel ondersteunt de Rijksoverheid entiteiten via communicatie om te kunnen voldoen aan de zorgplicht. Zo voorziet de website van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in allerlei adviezen, zoals over het opstellen van een bedrijfscontinuïteitsplan en hoe entiteiten meer grip kunnen krijgen op hun digitale afhankelijkheden.
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Nederland zet zich in EU-verband in voor een gezamenlijke aanpak om risicovolle strategische afhankelijkheden in de AI-waardeketen terug te dringen. Ook blijft het kabinet zich inspannen om de Europese en nationale AI-capaciteiten te versterken. Het kabinet onderschrijft de urgentie hiervan en staat in nauw contact met diverse AI-bedrijven en -experts om te bespreken welke aanvullende inzet nodig is. In het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen is recent bijvoorbeeld een sectortafel omtrent digitale diensten en AI georganiseerd. Daar waar Europa onvoldoende eigen (geavanceerde) AI-capaciteiten heeft, werkt Nederland samen met EU-partners aan het veiligstellen van toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten, met waarborgen voor veiligheid, betrouwbaarheid en bescherming van fundamentele rechten. Voorts neemt Nederland initiatief voor versterking en coördinatie van het externe optreden van de EU op het gebied van AI.
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Voor de ontwikkeling van een Europees AI-alternatief op topniveau zijn voldoende rekenkracht, kapitaal, talent en hoogwaardige data randvoorwaardelijk. Het kabinet zet daarom in op nauwe Europese samenwerking en richt zich daarbij in het bijzonder op initiatieven die de Europese AI-capaciteit en technologische slagkracht versterken. Via de EuroHPC Joint Undertaking wordt geïnvesteerd in grootschalige Europese rekencapaciteit, die beschikbaar wordt gesteld aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden. De AI-fabriek in Groningen draagt hieraan bij als onderdeel van het Europese netwerk van AI-fabrieken, dat de toegang tot rekenkracht, data en expertise versterkt. Voor de verdere opschaling van rekencapaciteit zet het kabinet daarnaast in op betere randvoorwaarden voor private investeringen, waaronder het stroomlijnen van vergunningsprocedures, zodat nieuwe initiatieven sneller kunnen worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij de aanbevelingen uit het rapport-Wennink. Daarnaast dragen de projecten OpenEuroLLM en EuroLLM bij aan de ontwikkeling van hoogwaardige, open en meertalige Europese taalmodellen en daarmee aan een sterker en onafhankelijker Europees AI-ecosysteem. Ook staat het kabinet in nauw contact met relevante AI-bedrijven, waaronder Mistral.
Frankrijk en Duitsland werken samen met de Europese Commissie aan het Frontier AI-initiatief, dat is opgenomen in de Apply AI-strategie. Binnen dit initiatief wordt gewerkt aan de oprichting van een nieuwe publiek-private juridische entiteit die inspeelt op zowel industriële als maatschappelijke behoeften op het gebied van Frontier AI. Het is de bedoeling dat deze entiteit geavanceerde, pre-commerciële en concurrerende AI-systemen gaat ontwikkelen en daarmee de Europese AI-capaciteiten verder versterkt. Voor dit project wordt nog gezocht naar Europese partners die het initiatief kunnen ondersteunen. Nederland heeft tegenover de Europese Commissie onder voorbehoud belangstelling voor betrokkenheid kenbaar gemaakt en onderzoekt momenteel de mogelijkheden om aan dit initiatief bij te dragen.
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Ja.
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Het kabinet onderkent dat Europa momenteel een achterstand heeft ten opzichte van de Verenigde Staten op het gebied van AI-rekencapaciteit en private investeringen in AI. De in de vraag genoemde schattingen van circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute voor Europa en circa 80 procent voor de Verenigde Staten zijn gebaseerd op onderzoek van het instituut Epoch AI, zoals gepubliceerd in een artikel uit juni 2025.7 Het kabinet beschikt niet over recentere bronnen die deze percentages bevestigen. Binnen het kader van EuroHPC zal komende jaren de totale rekencapaciteit in Europa vergroot worden met de komst van AI-fabrieken en AI-gigafabrieken onder de controle van Europese partijen.
Ten aanzien van InvestAI benadrukt het kabinet dat de genoemde € 200 miljard geen fonds is dat volledig door de Europese Commissie wordt gevuld. Het betreft een publiek-private investeringsdoelstelling, waarbij de Europese Unie beoogt in totaal € 200 miljard aan AI-investeringen te mobiliseren uit verschillende bronnen, waaronder substantiële private investeringen. Een deel van de publieke middelen bouwt daarbij voort op bestaande Europese financieringsinstrumenten. Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat InvestAI grotendeels uit «herverpakt geld» bestaat.
Tegelijkertijd is duidelijk dat de investeringsambities in de Verenigde Staten, met name op het gebied van AI-infrastructuur, momenteel groter zijn dan in Europa. Daarbij is het wel van belang onderscheid te maken tussen publieke overheidsuitgaven en gemobiliseerde private investeringen, omdat deze niet één-op-één vergelijkbaar zijn. Hoewel we waarde blijven hechten aan de samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van AI, zet het kabinet in op nauwe Europese samenwerking om de randvoorwaarden voor een concurrerend Europees AI-ecosysteem te versterken.
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Het kabinet hanteert geen eigen ijkpunt, omdat precieze tijdsvoorspellingen in een domein dat zich zo snel ontwikkelt inherent onzeker zijn. Dat geldt ook voor de tijdsdiagnose in Europe 2031. Wat het kabinet wél deelt, is de urgentie die ten grondslag ligt aan het scenario. De dynamieken tussen compute, modelcapaciteit en investeringscycli zijn reëel en vragen nu om actie. Het afgelopen jaar is daarom zowel op Europees als op nationaal niveau gewerkt aan nieuw beleid op dit terrein, waarvan het Tech Sovereignty Package, de internationale AI-strategie en de werkzaamheden in het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat enkele relevante voorbeelden zijn.
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Het kabinet communiceert vanwege strategische en diplomatieke gevoeligheden niet in het openbaar over de analyses die zij uitvoert naar (risicovolle) strategische afhankelijkheden en eventuele voorbereidingen op scenario's over geopolitieke incidenten. De Kamer kan daarover vertrouwelijk worden geïnformeerd.
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Het kabinet zet hiertoe in op het versterken van het concurrentievermogen van Nederland, onder andere via de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat.
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Het kabinet erkent het belang van AI-infrastructuur als cruciale bouwsteen voor de ontwikkeling en toepassing van AI-modellen en applicaties. Tegelijkertijd is het kabinet, in lijn met het rapport-Wennink, onverminderd voorstander van AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd, waarbij voor het kabinet een taak ligt om de randvoorwaarden te versterken.
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Voor AI-rekenfaciliteiten geldt dat het huidige beleid hier ruimte voor biedt mits zij voldoen aan geldende wet- en regelgeving. Grootschalige AI-rekenfaciliteiten brengen aanzienlijke ruimtelijke claims met zich mee en vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Nederland staat voor uitdagingen op het gebied van netcongestie en ruimtelijke schaarste. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie-efficiënte, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. Tegelijkertijd hecht het kabinet eraan dat Nederland beschikt over de rekencapaciteit die nodig is voor het realiseren van de (digitale) economie van de toekomst en voor het streven naar meer digitale autonomie. Deze twee perspectieven, ruimtelijke inpassing en impact op het energiesysteem enerzijds, en economische ontwikkeling en autonomie anderzijds, vragen om een samenhangende afweging. Daarom wordt onder regie van het Ministerie van EZK, samen met VRO, gezamenlijk gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak datacenters. Onder de werktitel «regie op datacenterontwikkeling» wordt uw Kamer dit najaar geïnformeerd over deze aanpak.
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment werken initiatiefnemers uit het veld het concept van een ELLIS Instituut nader uit. Het Ministerie van EZK staat in contact met deze initiatiefnemers. Voor de oprichting van een ELLIS Instituut zijn op dit moment geen middelen op de Rijksbegroting gereserveerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Het kabinet onderkent het belang van het monitoren en afdekken van veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI en is van mening dat dit een aanpak vereist die stevig is verankerd in inhoudelijke expertise. Hiertoe wordt er binnen Nederland, Europa en diverse kennisinstellingen gewerkt aan het verder versterken van kennis, expertise en samenwerking op het gebied van AI-veiligheid.
Zoals reeds aan de Kamer aangegeven9 loopt er in dit kader een interdepartementale verkenning naar de mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut. Dit, naar voorbeeld van internationale initiatieven zoals het AI Security Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. De verkenning zal naar verwachting in september resulteren in een adviesrapport. Op basis van de uitkomsten daarvan zal het kabinet besluiten of en op welke wijze een dergelijk instituut kan worden ingericht, inclusief de taken, bevoegdheden en benodigde randvoorwaarden. Het kabinet houdt daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten en initiatieven die de overheid en private organisaties reeds voorzien van advies en expertise op het gebied van AI en cybersecurity.
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Dat onderschrijf ik. En dat is ook een van de redenen dat het kabinet inzet op verschillende technologiegebieden in de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Het doel van NADI is om technologische doorbraken te realiseren voor grote maatschappelijke uitdagingen. Het ligt voor de hand dat AI en de andere genoemde technologieën daar een bijdrage aan kunnen leveren.
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Ja, daar ben ik toe bereid. Daarbij zal worden bezien of een verdere specificering van de scope tijdens de verkenning wenselijk is, bijvoorbeeld de inzet op basismodellen in het fysieke domein. Bovendien kan het gegeven dat dit onderwerp nadrukkelijk op de Europese agenda staat mogelijk ook kansen bieden om een dergelijk programma te versterken met Europese financiering.
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het door u gevraagde tijdspad voor de initiatieven hebben een raakvlak met AI en met AI modellen, maar zijn onderdeel van verschillende, bredere beleidstrajecten, zoals deze onder meer in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat of in een proces van beoordeling van voorstellen van de Commissie wordt geapprecieerd. Uw kamer wordt deze zomer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de (implementatie en integratie van de) NADI en de Nationale Investeringsinstelling in een brief vanuit de Taskforce. Over het vraagstuk van nationale rekencapaciteit en energie kan ik u aanvullend melden dat het kabinet deze zomer in het kader van het Tech Sovereignty Packcage van de Europese Commissie een BNC-fiche over het voorstellen ut de Strategic Roadmap for Digitalisation and AI in Energy met uw kamer zal delen. Voor het ELLIS Institute wacht het kabinet op de nadere uitwerking van de initiatiefnemers uit het veld. Zoals eerder in deze brief aangegeven is er t.a.v. de wenselijkheid en mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI veiligheidsinstituut een verkenning gestart. Naar verwachting wordt het adviesrapport in september opgeleverd. Dit wacht het kabinet af alvorens hierover beslissingen te nemen.
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Het kabinet neemt deze waarschuwingen serieus en werkt momenteel aan de geïntegreerde nationale aanpak datacentra die in het najaar verschijnt. Hoewel datacenters en AI belangrijk zijn voor ons toekomstig (economisch) verdienvermogen en onze digitale strategische autonomie, legt hun enorme elektriciteitsvraag druk op het Nederlandse energiesysteem. Bij nieuwe en uitbreidende datacenters bestaan nu al knelpunten bij netaansluitingen. Ook wordt door de opkomst van datacenters een forse en structurele groei in de elektriciteitsvraag verwacht, die sneller kan gaan dan de beschikbare uitbouw van hernieuwbare bronnen en het elektriciteitsnet.
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, hernieuwbare energie, fysieke ruimte en de transportcapaciteit op het elektriciteitsnet zijn schaars. Het feit dat een datacenter groene stroom inkoopt, maakt de faciliteit in de context van onze totale energietransitie niet automatisch volledig duurzaam.
Datacenters kenmerken zich door een continu elektriciteitsverbruik. Omdat de productie van hernieuwbare bronnen zoals wind en zon weersafhankelijk is, betekent dit dat er op de momenten dat er onvoldoende hernieuwbare stroom beschikbaar is, er conventionele centrales moeten bijspringen. Daarnaast kan er sprake zijn van een verdringingseffect. De verwachte groei in de elektriciteitsvraag van datacenters en AI is meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE). Deze actualisatie wordt met Prinsjesdag gepresenteerd.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat datacenters een belangrijke schakel vormen in onze digitale infrastructuur en ons dagelijks leven. Investeren in voldoende datacentercapaciteit voor de ontwikkeling is een randvoorwaarde voor de brede welvaart, ons innovatieklimaat en het veiligstellen van ons toekomstig verdienvermogen. Hoewel de verdere groei van datacenters hiermee niet volledig duurzaam is, zoekt het kabinet vanuit deze economische en strategische belangen nadrukkelijk naar manieren om deze faciliteiten wel mogelijk in ons systeem in te passen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent de zware belasting van het stroomnet en de grote uitdagingen in de klimaattransitie. Er is een uitdaging voor de inpassing van de inflexibele stroomvraag van AI-gigafabrieken en de beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet. Het aanpakken van de huidige netcongestieproblematiek heeft prioriteit voor dit kabinet. Tegelijkertijd ontwikkelt kunstmatige intelligentie (AI) zich in hoog tempo en vormt het een steeds belangrijkere motor voor innovatie, economische groei en het versterken van het Europese concurrentievermogen. Om zelfstandig AI-modellen te kunnen trainen en toepassen en zo de afhankelijkheden van derde landen te verminderen, is de realisatie van soevereine rekeninfrastructuur in Europa en Nederland noodzakelijk.
Grootschalige AI-rekenfaciliteiten vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. De daadwerkelijke impact van een AI-gigafabriek is sterk afhankelijk van onder meer het ontwerp, de schaal en de locatie.
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
De instructieregel voor hyperscale datacentra geldt voor alle datacentra die voldoen aan de criteria voor omvang (bebouwd oppervlak van meer dan 10 hectare) en vermogen (elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer).3 Er wordt momenteel gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, als onderdeel waarvan onder meer mogelijkheden voor een aanscherping van deze criteria worden verkend.4 Ik verwacht uw Kamer in het najaar te informeren over deze geïntegreerde aanpak.
De overheid ziet een rol voor zichzelf om binnen de geldende kaders de juiste randvoorwaarden te creëren voor het ontwikkelen van AI-infrastructuur, met oog voor de ruimtelijke en energetische inpasbaarheid. Het doel hiervan is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk van de grond te krijgen, wat van belang is voor het kunnen trainen en toepassen van AI-modellen.
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Zoals toegelicht onder het antwoord op vraag 6 verzoekt de motie-Grinwis tot een aanscherping van de huidige juridische criteria voor hyperscale datacenters. De uitwerking van deze motie wordt meegenomen in een bredere, nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, waarover uw Kamer in het najaar wordt geïnformeerd.
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet, zoals verwoord in de kamerbrief van 31 maart.6 Deze factoren zijn ook meegewogen in de instructieregel voor hyperscale datacentra, benoemd in de beantwoording van vraag 6. Voor AI-gigafabrieken en andere grootschalige datacenters die binnen de kaders van de instructieregel ontwikkeld mogen worden geldt dat vergunningverlening in beginsel aan relevante regionale autoriteiten is.
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich via diverse kaders actief in om de impact van datacenters op klimaat, water en ruimte te minimaliseren:
Het kabinet is niet voornemens om daarnaast een afzonderlijke, nationale m.e.r.-plicht specifiek voor datacenters te introduceren:
Het bericht ‘Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID»?1
Ja.
Deelt u de mening dat apps en oplossingen die ontwikkeld worden door de Rijksoverheid altijd zo toegankelijk mogelijk zouden moeten zijn voor elke Nederlander? Zo ja, hoe beoordeelt u dan de keuze tot verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van NL Wallet?
Ja, ik deel die mening.
Er is geen keuze gemaakt tot de verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van de NL Wallet en dit is ook niet ons streven.
De publieke wallet wordt stapsgewijs ontwikkeld en dat gebeurt transparant. Dagelijks worden nieuwe wijzigingen aan de broncode aangebracht en gepubliceerd zodat iedereen die dat wil de ontwikkeling kan volgen. In de huidige versie zijn beveiligingsmaatregelen opgenomen om gebruikers te beschermen tegen malafide apps, waarmee hun persoonsgegevens worden beschermd en identiteitsfraude wordt bestreden. Voor de grootste gebruikersgroepen (mensen met een Google-account of Apple-ID) zijn deze maatregelen nu gerealiseerd. Voor andere gebruikersgroepen zijn andere maatregelen nodig. Die maatregelen zullen worden onderzocht en, indien dat veilig kan, worden geïmplementeerd voordat de publieke wallet beschikbaar komt voor gebruikers.
Deelt u de mening dat ook mensen die geen gebruik maken van telefoons met Google of van telefoons met Apple-ID in staat zouden moeten zijn om gebruik te maken van NL Wallet? Zijn deze mogelijkheden bij de ontwikkeling van NL Wallet verkend? Zo ja, waarom is dan gekozen om alsnog voor deze technische voorwaarden te gaan voor NL Wallet? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel die mening.
De beveiligingsmaatregelen die gebruikers zonder Google-account of Apple-ID in staat stellen om ook gebruik te maken van de publieke wallet worden nog verkend. Hiervoor wordt ook van gedachten gewisseld met experts van andere lidstaten. Als deze opties veilig zijn, zullen die worden geïmplementeerd voordat de wallet live gaat.
Deelt u de mening dat in het kader van toegankelijkheid ook mensen die geen gebruik willen of kunnen maken van een smartphone de app NL Wallet zouden moeten kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Mensen die geen gebruik willen maken van de NL wallet, hoeven dat ook niet. De vrijwilligheid is wettelijk geborgd in de verordening. Met het oog op de toegankelijkheid van de NL Wallet betrekken wij gebruikers bij de ontwikkeling, bijvoorbeeld mensen met een beperking. Verder zullen we verkennen hoe we de toegankelijkheid van de NL wallet kunnen vergroten, ook voor mensen die geen smartphone willen of kunnen gebruiken.
Kunt u uitleggen waarom DigiD wel te gebruiken is voor mensen zonder iOS-telefoon of Google-account of zonder smartphone? Waarin verschilt DigiD van NL Wallet waardoor dit voor NL Wallet niet mogelijk zou zijn?
De werking van inlogmiddelen als DigiD verschilt van die van EDI wallets als de NL Wallet, wat andere beveiligingsrisico’s met zich meebrengt en zodoende om andere maatregelen vraagt. Zoals aangegeven bij antwoord 2 is de NL Wallet nog in ontwikkeling en streven we ernaar om deze ook beschikbaar te maken voor mensen zonder Apple-ID of Google-account. Met DigiD kun je bij bepaalde overheidsdiensten inloggen zonder smartphone, met de SMS-check. Bij diensten die een hoger betrouwbaarheidsniveau vereisen heb je een smartphone met DigiD app nodig. BZK onderzoekt de mogelijkheid om een DigiD ook op hogere betrouwbaarheidsniveaus zonder smartphone beschikbaar te stellen. EDI-wallets, zoals de NL Wallet, moeten worden uitgegeven op het hoogste betrouwbaarheidsniveau. We bekijken of we de ontwikkelingen bij DigiD kunnen benutten voor EDI-wallets, inclusief de NL Wallet.
Hoe complex is het om de NL Wallet zo om te bouwen dat het hebben van een Apple Account of Google Account niet voorwaardelijk is?
Zoals gezegd moeten deze maatregelen nog worden onderzocht. Daaruit zal ook blijken hoe complex dit is.
Kunt u garanderen dat NL Wallet niet de rol van DigiD in de toekomst zal overnemen, zo lang voor het gebruik van NL Wallet een Apple-ID of Google-account voorwaardelijk is? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
DigiD blijft bestaan zoals reeds eerder aan de Kamer is toegezegd2. Het gebruik van de NL-wallet is vrijwillig, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u garanderen dat organisaties die op dit moment DigiD ondersteunen en die NL Wallet willen ondersteunen, in de toekomst DigiD ook blijven ondersteunen naast NL Wallet? Zo nee, deelt u de mening dat dat betekent dat Nederlanders tot het gebruik van een Google-account of Apple-ID worden gedwongen?
Ja, de acceptatieverplichtingen voor DigiD blijven bestaan naast de acceptatieverplichtingen voor EDI-wallets.
Zoals gezegd is er nog geen keuze gemaakt om een Google-account of Apple-ID te verplichten voor de NL Wallet en is dit ook niet ons streven.
Kunnen gebruikers van NL Wallet van wie het Google-account of de Apple-ID om wat voor reden dan ook door Google of Apple wordt geblokkeerd gebruik blijven maken van NL Wallet? Zo nee, kunt u dan garanderen dat Nederlanders die gebruik maken van NL Wallet niet in de problemen komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit acceptabel is?
De NL Wallet kan niet voorkomen dat gebruikers worden geblokkeerd door de aanbieder van hun smartphone, besturingssysteem of andere de software die daarop draait. Om die reden hecht ik er waarde aan om te zorgen dat de NL Wallet niet van een kleine groep aanbieders afhankelijk is en onderzoek ik mogelijkheden om ook een veilige oplossing te bieden aan burgers zonder Google-account of Apple-ID.
Hoe kijkt u vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit naar de keuze om een Google-account of Apple-ID voor een NL Wallet voorwaardelijk te maken?
Zoals gezegd is er geen keuze gemaakt om het Apple-ID of Google-account voorwaardelijk te maken en is dit ook niet ons streven.
Hoe bent u van plan om in het vervolg, bij ontwikkeling van apps door de overheid, het gemak van de ontwikkeling af te wegen tegen digitale soevereiniteit en toegankelijkheid?
Bij de ontwikkeling van apps worden meerdere factoren meegewogen. De borging van publieke waarden waaronder veiligheid, privacy, inclusie en soevereiniteit staat centraal. Gemak van de ontwikkeling speelt hierin geen rol.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja, de vragen worden afzonderlijk van elkaar beantwoord. Ik heb uw Kamer met een uitstelbrief laten weten dat beantwoording langer ging duren.
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius is rijksbreed verantwoordelijk voor het beheer en de doorontwikkeling van voorzieningen als DigiD. De verschillende leveranciers die hierbij zijn betrokken zijn geselecteerd via verschillende Europese aanbestedingen. Logius maakt hierbij gebruik van geldende regels rondom aanbestedingen en van rijksbrede kaders ten aanzien van digitalisering, zoals bijvoorbeeld het Rijkscloudbeleid.
Bij het vormgeven van deze aanbestedingen stond de ondersteuning van de continuïteit van de dienstverlening, digitale weerbaarheid en efficiënt gebruik van IT-diensten centraal.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters. Hiervoor is het van essentieel belang dat de overheidscloud klaar is om de continuïteit en veiligheid van Logius dienstverlening te waarborgen.
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius voert het beheer uit van deze overheidsvoorzieningen ten behoeve van andere overheidsdienstverleners. De normering voor risicomanagement en cybersecurity volgt uit de Cyberbeveiligingswet (Cbw).
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
De motie verzoekt het opstellen en uitrollen van een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid. Een rijksbreed dataclassificatiebeleid is reeds vastgesteld in het VIR-BI 2025. Daarbij geldt dat voor de zwaarste categorieën (Staatsgeheim, of Te Beschermen Belangen 1–3) het gebruik van publieke cloud niet toegestaan is. Wanneer voor de opslag en verwerking van dergelijk gerubriceerde data een externe leverancier wordt overwogen, moet deze leverancier voldoen aan de eisen van de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). De ABRO stelt onder andere eisen aan sleutelbeheer voor encryptie. Controle of de leverancier hieraan voldoet, bij zowel aanvang als tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gecontroleerd door het Nationaal Bureau Industrie Veiligheid (NBIV). De ABRO is in december 2025 goedgekeurd, organisaties krijgen twee jaar de tijd om de ABRO in te voeren, daarom verschilt de ingangsdatum per organisatie. Andere overheidsonderdelen en leveranciers die onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen, kunnen in de toekomst verplicht worden de ABRO te gebruiken.
Daarnaast stelt het huidige rijksbreed cloudbeleid dat de data bij gebruik van publieke clouddiensten moet worden verwerkt binnen de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), in landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, of in landen die anderszins voldoen aan de eisen van art. 46, AVG. De uit te voeren risicoanalyse, onderdeel van het beleid, geeft de organisatie ook inzichten in de vraag of het land van de cloudprovider via extraterritoriale wetgeving toegang kan krijgen tot de data. Daarnaast moeten er plannen ter schadebeperking worden overwogen. Dit is een vorm van het door u voorgestelde te implementeren localisatiebeleid.
Later dit jaar wordt het herziene rijksbrede cloudbeleid met uw Kamer gedeeld. De werking van het cloudbeleid wordt verbreed van de rijksdienst naar de Rijksoverheid. Ook is er in dit beleid meer aandacht voor geopolitieke risico’s in situaties waarin een leverancier (mede) onder een niet-Europese jurisdictie valt. Voor bepaalde toepassingen wordt het gebruik van dergelijke leveranciers of van de publieke cloud niet langer toegestaan. Op deze manier zijn wij voornemens om de motie uit te voeren.
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ontvangt de Kamer dit jaar het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026. Daarnaast stelt de Rijksoverheid voor gevoelige overheidsdata en processen beveiligingseisen verplicht op basis van de BIO2 via de Cyberbeveiligingswet (Cbw). Verder wordt het belang van «veilig inkopen» en de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging in toenemende mate erkend. De ABRO stelt eisen aan de veiligheid bij de leverancier. Waar uit de risicoanalyses blijkt dat het risico van statelijke actoren reëel is, bieden de BIO2, de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) en ABRO (de laatste twee in het kader van inkoop), middelen om de risico’s goed te beheren. Op basis van deze beleidskaders en wettelijke verplichtingen worden overheidsorganisaties geholpen bij het maximaal beschermen van data en beveiligingsmaatregelen. Aan de hand van deze kaders, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, kunnen organisaties zelf vaststellen hoe en waar zij data veilig kunnen opslaan en bewerken.
Daarnaast wordt op dit moment, in het kader van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, gewerkt aan de verkenning naar de realisatie van een soevereine overheidscloud. Dit zal hand in hand gaan met de verdere ontwikkeling van het daarmee samenhangende beleid.
De Rijksoverheid versterkt continu haar integrale weerbaarheid. Binnen dit verband, zoals toegelicht in deze brief, zijn de afgelopen jaren verschillende beveiligingskaders, -normen en wetten aangepast zoals VIR-BI2025, BIO2, de ABRO. Ook bereiden we ons voor op aankomende wetgeving zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de Cbw. De effectieve toepassing van deze wetten verhoogt de basisbeveiliging, zoals ook het beheer en opslag van data van overheidsorganisaties. Gezien het feit dat een deel van deze regelgeving pas recent is ingegaan of op korte termijn ingaat, en gelet op de nadere verwachte EU wet- en regelgeving op dit gebied, kies ik er vooralsnog voor nu geen aanvullend beleid te maken, maar eerst te bezien of de nieuwe wet- en regelgeving ook de beoogde verbetering van weerbaarheid bereikt.
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Op dit moment ligt dat besloten in de «Aanpak Vitaal». Deze wordt later dit jaar vervangen door de Wet weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). De betrokken vakministers bepalen welke overheidsvoorzieningen onder deze wet zullen vallen.
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen.
Het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni) stelt eisen aan aanbieders ten aanzien van de beveiliging van ICT-systemen. De later dit jaar van kracht wordende Cyberbeveiligingswet stelt eisen aan risico- en ketenmanagement. Daarmee zullen overheidsorganisaties die kritieke digitale overheidsvoorzieningen beheren, inzage moeten hebben in welke niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers in de keten een rol spelen. De mogelijke risico’s daarvan moeten worden beoordeeld en worden gemitigeerd of geaccepteerd.
Er bestaat geen centraal register van dergelijke leveranciers per kritieke overheidsvoorziening. Als reactie op het onderzoek «Van Kwetsbaar naar weerbaar», dat is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt door de Taskforce Continuïteit ICT Dienstverlening een pilot uitgevoerd voor het monitoren van belangrijke leveranciers voor de overheid.
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Een dergelijk overzicht is er niet. Het is in het kader van veiligheid ook niet wenselijk dat er een dergelijk overzicht komt. Dergelijke data op één plaats vastleggen zou namelijk een operationeel veiligheidsrisico vormen.
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Het streven is met name gericht op het vormgeven van het nieuwe aanbestedingstraject op basis van de aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV), zoals vermeld in de Kamerbrief van 4 juni jl.1 Deze aanbesteding ziet op het opnieuw aanbesteden van het beheer van het huidige platform. De ADV biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Zodra een nieuwe leverancier is geworven, zal er een overdracht moeten plaatsvinden. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. Hiervoor wordt een periode van 6–12 maanden gehanteerd.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters.
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Zoals hiervoor aangegeven biedt een ADV-aanbesteding meer mogelijkheden dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
Er is geen overzicht van keuzes die andere Europese landen maken voor het inrichten van hun digitale infrastructuur. In de «Verkenning naar de soevereine overheidscloud» in het kader van de NDS wordt een eerste set keuzes voor de vormgeving van een soevereine overheidscloud gepubliceerd. Deze wordt naar verwachting vóór het zomerreces nog aan uw Kamer verstuurd.
De Europese Commissie heeft recent het voorstel voor de Cloud and AI Development Act (CADA) gepubliceerd. Deze verwoordt de ambitie van de Commissie om te komen tot sterkere en uniforme eisen aan de soevereiniteit van door overheden gebruikte cloudoplossingen. Het Nederlandse beleid zal in de toekomst hier verder op afgestemd worden. De verwachting is dat overheden in lidstaten als gevolg van de CADA op een uniforme manier risicobeoordelingen maken voor het gebruik van public clouddiensten en gebruik zullen maken van passende, erkende soevereine clouddiensten. Een BNC-fiche over het wetsvoorstel voor de CADA wordt op korte termijn met de Tweede Kamer gedeeld.
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
In de genoemde Kamerbrief2 wordt gesteld dat deze conclusie gebaseerd is op een quickscan onderzoek naar de verschillen in technische, juridische en organisatorische aspecten van het dienstenaanbod van Nederlandse en Europese aanbieders van clouddiensten ten opzichte van de drie grootste aanbieders van buiten de EU. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd door KPMG.3 Dit onderzoek zag op de gehele markt voor clouddiensten en had geen specifieke focus op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur.
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
De ADV-aanbesteding biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor nationale veiligheid te beperken. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding onder de ADV.
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Onder een gelijkwaardig alternatief verstaat het kabinet andere Nederlandse en Europese IT-dienstverleners die in staat zijn om diensten te leveren die functioneel, kwalitatief en beveiligingstechnisch vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die Solvinity momenteel aan Logius levert, namelijk de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. Het gaat daarbij om aanbieders die aantoonbaar kunnen voldoen aan de eisen voor continuïteit, beveiliging, compliance en schaalbaarheid van de DigiD-dienstverlening.
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Criteria worden verwoord en van weging voorzien gedurende het proces om te gaan aanbesteden, bij het uitvragen van een behoefte naar de algehele markt en conform processen die voortvloeien uit diverse kaders (financieel, juridisch, technisch, etc.). Een opdrachtgever is hiervoor verantwoordelijk en zal daarbij ondersteund worden door een multidisciplinair team. Het wisselt dus per opdrachtgever en per opdracht welke criteria gehanteerd worden (dan wel hoe zwaar die wegen). De hele gedachte van een aanbestedingsproces is om de pluraliteit van de markt te benutten en een te grote afhankelijkheid te vermijden.
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven betreft de technische inrichting van DigiD maatwerk. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. In de overdrachtsperiode van 6–12 maanden kan een nieuwe contractant deze ervaring opbouwen.
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
In het geval van DigiD en andere Logius-voorzieningen verstaat het kabinet onder «soortgelijke» diensten het overnemen van de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal.
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
DigiD voldoet aan strenge eisen en regelgeving rondom veiligheid en privacy. Daarvoor worden verschillende vormen van toegangsbeveiliging en versleuteling toegepast.
Alle informatie over de werking van DigiD is terug te vinden op de website van Logius. Op de website is alle documentatie terug te vinden ten aanzien van het aansluiten op DigiD door afnemers, de functionele beschrijvingen van DigiD (inclusief verwerking persoonsgegevens), en de technische documentatie over de werking van DigiD.
U kunt de informatie terugvinden via de volgende link: https://www.logius.nl/onze-dienstverlening/toegang/digid/documentatie
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Op 21 mei jl. bent u middels een vertrouwelijke technische briefing geïnformeerd over de situatie bij Logius. Daarnaast biedt een aanbesteding via de ADV mogelijkheden om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken.
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Het, nog vast te stellen, herziene rijksbrede cloudbeleid scherpt de eis van een exitstrategie aan naar het hebben van een exitplan. Dat exitplan moet jaarlijks op actualiteit worden beoordeeld. Exitplannen zijn contractuele afspraken over de (geplande of plotselinge) afronding van een contract. Het is wel van belang dat hierin realistische afspraken worden opgenomen afhankelijk van de situatie en context van de specifieke voorziening.
De aanstaande Wet weerbaarheid kritieke entiteiten stelt eisen aan de weerbaarheid en continuïteit van de dienstverlening voor organisaties die daaronder vallen. Dit geldt eveneens als er geen gebruik van clouddiensten wordt gemaakt.
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast is – gezien de aanbestedingsverplichtingen waar overheidsorganisaties aan dienen te voldoen – zes maanden überhaupt een zeer korte termijn. Het herziene rijksbrede cloudbeleid geeft aan dat de Rijksoverheid organisaties beschikken over een exitplan waarin ook rekening wordt gehouden met het onverwacht niet-beschikbaar zijn van de gebruikte clouddienst. De organisatie moet een plan maken hoe de betrokken overheidsdienst binnen acceptabele termijn kan worden hersteld. De meeste migraties nemen meer tijd in beslag. Migratietermijnen kunnen vanuit technisch oogpunt jaren duren, afhankelijk van de type dienstverlening en kenmerken.
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Wat betreft de analyse van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) maakt het kabinet de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan een advies niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Wat betreft de bespreking in de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) geldt dat ook deze vertrouwelijk is en informatie bevat die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in de vertrouwelijke technische briefing van 10 juni jl. te worden geïnformeerd over de analyse en toetsing onder de Wet ongewenste zeggenschap Telecommunicatie die door BTI is verricht en met advies aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit is voorgelegd.
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Ja
Een ernstig datalek binnen de EBI |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat vertrouwelijke dossierinformatie van een gedetineerde met een zware risicostatus zichtbaar is geweest voor een andere gedetineerde binnen de Extra Beveiligde Inrichting (EBI)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist binnen de zwaarst beveiligde inrichting van Nederland vertrouwelijke strafrechtelijke informatie kennelijk bij een andere gedetineerde terecht heeft kunnen komen?
Uit onderzoek naar het incident blijkt dat tijdens het volgen van de procedure sprake is geweest van een menselijke fout. Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden. Dit moet echter te allen tijde worden voorkomen. DJI treft dan ook aanvullende maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen. Zo is een extra controlestap in de procedure aangebracht die ziet op het uitschakelen van de laptop. Ook voert DJI daarnaast nog enkele technische verbeteringen door. Vanuit een veiligheidsoogpunt kan ik deze niet gedetailleerd delen.
Klopt het dat de voorgeschreven veiligheidsprocedures in dit geval niet zijn gevolgd? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Uit onderzoek is gebleken dat tijdens het volgen van deze procedure sprake is geweest van een menselijke fout. DJI treft maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen.
De reguliere procedure is dat nadat een gedetineerde een dergelijke laptop heeft gebruikt, de laptop wordt uitgeschakeld. Door middel van het uitschakelen van de laptop wordt alle historie automatisch verwijderd en daarmee «geschoond». Pas daarna mag de laptop worden uitgegeven aan een andere gedetineerde.
Geeft dit incident aanleiding tot het herzien van de veiligheidsprocedures? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van het onderzoek naar aanleiding van het incident geven aanleiding tot het treffen van maatregelen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, betreft dit een extra controlestap.
Kan worden uitgesloten dat vertrouwelijke informatie van andere gedetineerden eveneens onbevoegd is ingezien? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie van de betreffende gedetineerde heeft plaatsgevonden. Vanwege veiligheidsredenen kan niet verder worden ingegaan op de details van het onderzoek.
Er is nu geen aanleiding te vermoeden dat vergelijkbare incidenten zich eerder hebben voorgedaan.
Deelt u de mening dat een dergelijke blunder ernstige veiligheidsrisico’s met zich kan brengen voor lopende strafzaken, getuigen, slachtoffers, personeel en de openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat ik het uiteraard betreur dat deze fout zich voor heeft kunnen doen. Zoals aangegeven in mijn vorige antwoord op vraag 5, valt op basis van het onderzoek niet vast te stellen of daadwerkelijke inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden.
Het Openbaar Ministerie, de betrokken gedetineerde en diens advocaat zijn inmiddels geïnformeerd. Het onderzoek heeft in afstemming met hen plaatsgevonden. Bij het vermoeden van een datalek is vereist dat binnen 72 uur een melding hiervan wordt gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. DJI heeft dit gedaan. Door DJI wordt op basis van de onderzoeksresultaten bekeken of hier nog verdere actie op moet volgen.
Acht u het verantwoord dat gedetineerden met een zware risicostatus zonder toezicht toegang hebben tot apparatuur waarmee dergelijke fouten kennelijk kunnen ontstaan? Zo ja, waarom?
De laptops die aan gedetineerden worden uitgereikt betreffen stand alone laptops die uitsluitend over functionaliteiten beschikken om het strafdossier te raadplegen.
Op basis van een uitspraak van RSJ2 moeten OM en DJI bij omvangrijke dossiers digitale inzage faciliteren. Bovendien is het uitsluitend op papier verstrekken van het strafdossier bij omvangrijke dossiers niet uitvoerbaar vanwege de beheersingsproblematiek die daarbij komt kijken. Niet enkel op het gebied van logistiek (het veilig transporteren van dossier van OM naar gedetineerde, bij overplaatsingen en bij beëindiging van inzage) maar ook op het gebied van informatieveiligheid en fysieke veiligheid (denk aan brandlast op cel).
Bent u bereid te onderzoeken of dossierinzage voor hoogrisicogedetineerden voortaan uitsluitend onder toezicht en op papier dient plaats te vinden, zodat deze gedetineerden in zijn geheel geen toegang meer hebben tot laptops, waar wij al eerder voor hebben gepleit, en dit soort datalekken daardoor onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke disciplinaire, organisatorische of personele consequenties worden verbonden aan het niet naleven van de veiligheidsprocedures die tot dit incident hebben geleid? Gaat de toedracht van dit incident worden onderzocht op mogelijk opzettelijk handelen?
Ik ga niet in op individuele personele en disciplinaire kwesties.
Kunt u garanderen dat zich binnen de EBI momenteel geen vergelijkbare beveiligingslekken voordoen waardoor gedetineerden toegang kunnen krijgen tot informatie die niet voor hen bestemd is? Zo nee, waarom niet?
DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige omgeving, zowel fysiek als digitaal. De extra maatregelen die worden genomen naar aanleiding van het onderzoek zullen hieraan bijdragen.
De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Ja.
Hoe reageert u op dit bericht?
Wij vinden het zeer zorgwekkend dat dergelijke beelden van met name jonge vrouwen worden gemaakt en verspreid. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen of van meerderjarige personen zonder hun toestemming is strafbaar. Het mag duidelijk zijn dat dit soort strafbare feiten onacceptabel is en niet mag plaatsvinden. De impact en de gevolgen van dergelijke deepnudes kunnen voor slachtoffers en hun omgeving enorm zijn, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast betreft het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes (zoals bijvoorbeeld afbeeldingen die zijn bewerkt met een zogenaamde downsyndroomfilter) waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag een schending van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Het betreft non-consensueel gemanipuleerde of gegenereerde seksuele beelden van echte jonge vrouwen die via zowel open platforms als gesloten kanalen worden verspreid. Via een brede uitvraag bij de politie, Centrum Seksueel Geweld (CSG), Offlimits, de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), Slachtofferhulp Nederland, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (NRM) en het Openbaar Ministerie (OM) is naar voren gekomen dat representatieve cijfers ontbreken in het geval van beelden waarbij sprake is van een combinatie van AI-gegenereerde naaktbeelden en digitale verminking, dan wel met de toevoeging van een beperking en/of het toepassen van een downsyndroomfilter.
Omdat in de registratiesystemen van de politie geen onderscheid wordt gemaakt tussen misbruik van seksueel beeldmateriaal en misbruik van beeldmateriaal dat met AI is gegenereerd, beschikt de politie niet over cijfers van het aantal seksuele deepfakes. De afgelopen maanden signaleert de politie wel een toename van platformmeldingen via NCMEC (het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children) van online materiaal van seksueel kindermisbruik dat met AI is aangemaakt of bewerkt. Hierbij benadrukt de politie dat deze meldingen laten zien dat illegale content wordt gegenereerd, maar niet op basis van welke prompts dit is gebeurd. Dit maakt het voor de politie complex, in sommige gevallen zelfs onmogelijk, om vast te stellen wat een gebruiker precies heeft gedaan, of de prompt op basis van materiaal van echte personen is geweest en of de gebruiker bijvoorbeeld de intentie had om strafbaar materiaal te vervaardigen. Hierdoor is het lastig om de (strafrechtelijke) verwijtbaarheid aan te tonen. Daarnaast ontbreekt in zijn algemeenheid vaak veel noodzakelijke informatie bij de meldingen. De politie analyseert doorlopend de binnengekomen NCMEC-meldingen.
Het CSG geeft aan dat meldingen over dit soort beelden niet expliciet worden geregistreerd omdat mensen hen bellen in nood en hun beleid is om niet actief uit te vragen wat daarvan de achtergrond is, want dat is niet nodig voor het bieden van eerste psychische hulp. Het CSG krijgt in algemene zin een heel breed scala aan seksuele geweldsvormen binnen.
Offlimits ziet bij hun hulplijn dat AI gerelateerd online misbruik mensen van alle leeftijden en genders kan treffen. AI-gegenereerde naaktafbeeldingen worden niet alleen gebruikt voor seksuele doeleinden, maar worden ook ingezet om mensen te vernederen of in diskrediet te brengen. Offlimits ziet bij hun hulplijn dat naast seksuele deepfakes, AI ook wordt gebruikt om mensen te vervormen of esthetisch onaantrekkelijk te maken. Dit kan voor slachtoffers ingrijpende gevolgen hebben. Offlimits zag in 2025 een toename in het aantal meldingen van afbeeldingen gemaakt met AI. Zij hebben in dat jaar 291 keer gesprekken gevoerd over AI gegenereerd beeldmateriaal.2 Het gaat dan met name om cyberpesten en sextortion. Het werkelijke aantal zal hoger liggen omdat niet in alle gevallen duidelijk is dat het om dit soort afbeeldingen gaat. Offlimits geeft aan dat sprake is van een omvangrijk en groeiend probleem.
De ATKM heeft ten aanzien van het soort afbeeldingen waaraan wordt gerefereerd in het artikel van De Telegraaf geen concrete meldingen ontvangen. Slachtofferhulp Nederland kan geen uitspraak doen over de omvang van dit soort beelden omdat zij in hun registratiesysteem bij seksuele misdrijven geen onderscheid maken tussen AI gegenereerd en niet-AI-gegenereerd materiaal. Het OM en de NRM kunnen geen uitspraken doen omtrent de aard en omvang van dit soort AI-gegenereerde beelden.
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties zoals Offlimits, Slachtofferhulp Nederland en het CSG. De routes daartoe verschillen, maar deze organisaties werken veel samen om zo de behoefte van slachtoffers het beste te dienen. Slachtoffers hebben grofweg drie hoofdbehoeftes. Bij het uitkomen van (of dreigen met) beelden hebben slachtoffers een hoge urgentie voor het verwijderen van het online materiaal.3 Als het materiaal wordt ingezet voor chantage, afpersing of dwang, is er behoefte aan veiligheid en juridische ondersteuning. Na de eerste angst en stress hebben slachtoffers behoefte aan psychische ondersteuning. Slachtoffers van dit soort feiten hebben vaak ook behoefte aan herstel van het veiligheidsgevoel in de digitale omgeving en van het geschaad zelfbeeld. Bovendien gaat online seksueel geweld vaak gepaard met fysiek seksueel geweld, wat medische en forensische inzet vraagt.
Slachtofferhulp Nederland, het CSG en Offlimits helpen slachtoffers elk kosteloos vanuit hun eigen expertise. Zij zijn bereikbaar via de telefoon, chat, e-mail, contactpagina’s en in sommige gevallen via fysieke inlooplocaties. Verder maken zij gebruik van publieksvoorlichting om het eigen en elkaars aanbod bekendheid te geven. Ook verwijzen ze aan elkaar door. In het geval van aangifte worden gegevens na toestemming van de aangever automatisch gedeeld met Slachtofferhulp Nederland, waarna medewerkers van Slachtofferhulp Nederland contact opnemen met het slachtoffer. Deze medewerkers kunnen professionele juridische begeleiding bieden, helpen bij het aanvragen van schadevergoeding maar ook laagdrempelige emotionele en praktische steun en lotgenotencontact organiseren. Het CSG krijgt veel verwijzingen van professionals uit zowel politie-, (huisartsen)zorg- en GGZ-ketens. Het CSG biedt bewezen effectieve psychologische hulp en kunnen GGZ-wachtlijsten overbruggen en medische en forensische zorg coördineren. Offlimits helpt als trusted flagger bij het verwijderen van beeldmateriaal en werkt veel samen met bijvoorbeeld scholen om kinderen en jongeren te bereiken.
Offlimits, het CSG, Fier en Fonds Slachtofferhulp vormen tot slot een consortium tegen online seksueel geweld. Fonds Slachtofferhulp faciliteert een chat waarin Offlimits, Fier en het CSG samenwerken waardoor laagdrempeliger en zo beter onderling wordt doorverwezen afhankelijk van wat nodig is.
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Slachtoffers kunnen daarnaast terecht bij verschillende organisaties, zie hiervoor de beantwoording van vraag 4.
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Met het Europees verbod als opgenomen in de AI-verordening wordt het in de handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt verboden. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd, is het op dit moment vooral mogelijk om in te grijpen als dergelijk materiaal al is vervaardigd.5 Met dit nieuwe verbod kan eerder worden opgetreden, namelijk al bij het aanbieden van een AI-systeem om het beeldmateriaal te vervaardigen. Het Europees verbod wordt in december dit jaar in heel de Europese Unie van kracht. Het kabinet zal de inrichting van het toezicht in Nederland op dit verbod meenemen in het lopende proces van de uitvoeringswet van de nieuwe AI-verordening.
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
De genoemde partijen zijn onder de DSA aangewezen als zogeheten «zeer groot online platform» wat betekent dat zij moeten voldoen aan bijzondere verplichtingen onder de digitale dienstenverordening (Digital Services Act, DSA). In die hoedanigheid zijn Meta en X verplicht om systeemrisico’s die kunnen voortvloeien uit het verspreiden van seksuele deepfakes (deepnudes), te identificeren en te beperken. Ook moeten zij het voor gebruikers mogelijk maken om illegale inhoud op eenvoudige wijze te melden. Die meldingen moeten zij op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze beoordelen. Daarnaast kan de hulp van Offlimits, als trusted flagger onder de DSA, worden ingeschakeld bij het indienen van een verwijderverzoek. Het primaat van het DSA-toezicht op Meta en X als zeer grote online platformen ligt bij de Europese Commissie (EC). Als de EC concludeert dat een zeer groot platform de DSA niet naleeft, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete. Zo heeft de EC bijvoorbeeld in december 2025 een boete opgelegd aan X.6 Wij blijven als vanzelfsprekend onze steun uitspreken voor effectieve handhaving van de DSA door de EC.
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Voor zover bekend circuleren op zowel het open internet als het dark web verzamelingen en op verzoek vervaardigde AI-beelden die zich richten op specifieke doelgroepen, waaronder beelden van jonge vrouwen met amputaties, letsel of een zichtbare beperking. Op dit moment zijn er echter geen concrete aanwijzingen voor een gecoördineerd netwerk of een achterliggende organisatievorm die deze content stelselmatig produceert of verspreidt.
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Platforms beschikken doorgaans over gegevens en technische mogelijkheden die hen in staat stellen onderzoek te doen naar de wijze waarop content op hun diensten wordt geüpload en verspreid. Daardoor kunnen zij in bepaalde gevallen achterhalen welke accounts betrokken zijn bij het uploaden of verspreiden van dergelijke beelden. Platforms kunnen vervolgens maatregelen treffen, zoals het verwijderen van content, het beperken van de verspreiding daarvan of het uitschakelen van accounts. De Europese Commissie kan bovendien, als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms, op eigen initiatief een onderzoek starten naar vermeende inbreuken op de DSA.
Tegelijkertijd geldt dat intern onderzoek door de platforms niet altijd leidt tot identificatie van de personen die verantwoordelijk zijn voor het maken of verspreiden van de beelden. Er kan daarom niet in algemene zin worden gesteld dat uitsluitend intern onderzoek door platforms voldoende is om in beeld te brengen wie dergelijke beelden maken of verspreiden. Wij beschikken niet over nadere informatie over de omvang of de aard van de onderzoeken die Meta en X zelf uitvoeren naar de makers en verspreiders van dergelijke AI-beelden.
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld, vindt het kabinet het belangrijk dat er ook onafhankelijk onderzoek plaatsvindt naar contentmoderatie en de naleving van platformbeleid.7 Artikel 40 van de DSA voorziet in mogelijkheden voor zogenoemde erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms en zoekmachines. Dit maakt onderzoek mogelijk dat kan bijdragen aan het opsporen, vaststellen en begrijpen van systeemrisico’s en het beoordelen van de adequaatheid van risicobeperkende maatregelen. Om de status van «erkende onderzoeker» te krijgen moet een onderzoeker eerst een aanvraag indienen bij de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging, in Nederland is dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
Daarbij moeten onderzoekers aan een aantal criteria voldoen. Daarnaast verplicht artikel 40, twaalfde lid van de DSA zeer grote online platforms om onderzoekers onverwijld toegang te geven tot openbaar toegankelijke gegevens. Daar wordt op toegezien door de EC. In december 2025 heeft de EC bijvoorbeeld een boete opgelegd aan X, onder meer omdat X niet voldoet aan de verplichting om onderzoekers toegang te bieden tot de openbare gegevens van het platform.8
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Er zijn diverse instanties die werken aan de aanpak van seksuele deepfakes, waaronder de politie, het OM, de ATKM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de EC, en de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
De EC houdt op grond van de DSA toezicht op zeer grote online platformen zoals Meta en X. Zij kan als bevoegd toezichthouder onderzoeken instellen en, indien nodig, handhavend optreden. Daarbij kan zij boetes opleggen van maximaal 6% van de omzet van een platform. De ACM is de bevoegde Nederlandse toezichthouder op de DSA. De ACM heeft op grond van de DSA echter geen bevoegdheid om verwijderbevelen voor specifieke inhoud op te leggen. Wel kan de ACM op grond van de DSA handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende maatregelen treffen tegen illegale inhoud of wanneer hun procedures voor het afhandelen van meldingen niet op orde zijn. Daarvan kan sprake zijn wanneer een platform niet, onvoldoende gemotiveerd of niet tijdig reageert op meldingen van illegale inhoud door gebruikers of trusted flaggers, zoals Offlimits. De ACM roept daarnaast gebruikers op om zelf melding te doen bij het betreffende platform of de hostingdienst, bij de politie of een trusted flagger, zoals Offlimits. Deze meldingen zijn van belang om aan te tonen dat beelden zonder toestemming zijn vervaardigd of verspreid. Ook kunnen dergelijke meldingen aantonen dat een platform tekortschiet in de aanpak van illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Het zonder toestemming van de afgebeelde vervaardigen of verspreiden van AI gegenereerde nepnaaktbeelden is strafbaar. De strafbaarstelling in artikel 254ba Wetboek van Strafrecht (Sr) omvat onder meer het zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van seksueel beeldmateriaal. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het kinderpornografisch materiaal en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr.
De officier van justitie kan op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
Voor illegale deepfakes die vallen onder de strafbaarstelling van de artikelen 252, 254ba en artikel 285d Sr is dit het geval. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het OM ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de meldmogelijkheden onder de DSA. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (artikel 54a Sr).
Ten aanzien van kinderpornografisch materiaal is in Nederland de ATKM bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Dit geldt ook voor AI gegenereerd materiaal. Als aanbieders van hostingdiensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Tenslotte biedt de AVG mogelijkheden om illegale deepfakes tegen te gaan. Dit geldt bijvoorbeeld als een deepfake inbreuk maakt op de privacy van een er in afgebeelde persoon. Zo verbiedt de AVG het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag. In de praktijk is daardoor een deepfake die zonder toestemming is gemaakt, zeker als daarin gevoelige (bijvoorbeeld seksuele) content is te zien, strijdig met de AVG. Het is aan de onafhankelijke toezichthouder op de AVG, de AP, om te beoordelen of zij in individuele gevallen een (rechtmatigheids)onderzoek doet en handhavend optreedt. Dan staan de toezichthouder maatregelen en sancties ter beschikking zoals een boete, een last onder dwangsom, een verwerkingsverbod of een berisping. Een complicerende factor kan daarbij zijn dat de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker niet altijd te achterhalen is (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform). Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit in de EU de verwerkingsverantwoordelijke aanbieders van onlinediensten in bepaalde gevallen bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal.
Toezichthouders, politie en OM werken samen aan het identificeren van mogelijkheden om niet alleen de individuele gevallen waarin nudify apps zijn gebruikt voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal of nepnaaktbeelden zonder toestemming, maar juist ook de nudify apps zelf aan te pakken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord. Dat is helaas niet gelukt voor het commissiedebat over digitale inclusie op 24 juni.