De bezuinigingen op de Luisterlijn vanaf 2027 |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De bezuinigingen op de Luisterlijn geven een jammerlijk signaal af»?1
Ja.
Klopt het dat per 2027 structureel 10 procent van het jaarbudget, oftewel € 700.000, bezuinigd zal worden op de Luisterlijn? Zo nee, om welk bedrag gaat het dan? Zo ja, kunt u nader toelichten waarom gekozen is voor deze bezuiniging?
De bezuinigingen van kabinet Schoof vertalen zich in dat er vanaf 2027 minder middelen beschikbaar zijn voor subsidies. Dit heeft gevolgen voor veel organisaties, waaronder de Luisterlijn. Voor de Luisterlijn gaat het om ongeveer € 700.000, circa 10 procent van de huidige subsidie. De Luisterlijn is hierover in 2025 geïnformeerd. Het ministerie is met de Luisterlijn in gesprek over de wijze waarop zij invulling kan geven aan hun dienstverlening in combinatie met de lagere subsidie.
Hoe verhoudt deze geplande bezuiniging zich tot het feit dat de Luisterlijn in 2025 een recordaantal van 331.861 gesprekken voerde, oftewel ruim 900 gesprekken per dag? Deelt u de mening dat een stijgende vraag naar een laagdrempelig luisterend oor juist aanleiding zou moeten zijn om de voorziening, waar nodig, te versterken in plaats van te verzwakken?
De Luisterlijn voert al jarenlang een groot aantal gesprekken en vervult daarmee een belangrijke taak voor mensen die behoefte hebben aan een laagdrempelig luisterend oor. Deze taak is wettelijk geborgd in de Wmo2015. Tegelijkertijd heeft ook VWS te maken met een bezuinigingsopgave. Wij zijn in gesprek met de Luisterlijn om te kijken hoe de organisatie haar belangrijke werk zo goed mogelijk kan blijven doen en tegelijk ook invulling kan geven aan deze bezuiniging.
Herkent u de constatering dat deze geplande bezuiniging zal leiden tot het sluiten van verschillende trainings- en werklocaties en mogelijk zelfs dat een deel van de vrijwilligers zal stoppen? Zo nee, waarom niet?
De getrainde vrijwilligers zijn het hart van de Luisterlijn en maken het verschil voor mensen die bellen. Ik begrijp daarom goed dat onzekerheid over de toekomst en mogelijke veranderingen zorgen kunnen oproepen bij vrijwilligers. Hoe de Luisterlijn de bezuiniging opvangt is in de eerste plaats aan de organisatie zelf. Ik wil niet vooruitlopen op de precieze keuzes die de Luisterlijn daarin maakt.
Daarbij vind ik het belangrijk dat de dienstverlening zoveel mogelijk doorloopt en ook oog is voor de vrijwilligers die dit werk iedere dag doen. Het gesprek over hoe dit met een beperkter budget kan loopt.
Kunt u aangeven welke gevolgen u verwacht als gevolg van de subsidiekorting voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van de Luisterlijn?
De Luisterlijn ontvangt subsidie met het doel dat mensen ieder moment van de dag anoniem en kosteloos een telefonisch of elektronisch gesprek kunnen voeren. De bezuiniging heeft gevolgen. Daarom werkt de Luisterlijn aan een plan om hun belangrijke functie te blijven vervullen. Over de invulling van dit plan lopen de gesprekken met de Luisterlijn.
Bent u bekend met het feit dat het kabinet-Rutte IV in 2022 naar aanleiding van een marktverkenning al concludeerde dat er geen (andere) marktpartij is die het bieden van een luisterend oor aan (jong)volwassenen en kinderen zonder overheidssubsidie kan uitvoeren? Zo ja, hoe rijmt u dit met de geplande bezuiniging?
Ja, daarmee ben ik bekend. Uit de marktverkenning in 2022 bleek dat voor het bieden van een laagdrempelig luisterend oor overheidssubsidie nodig is. Daarom blijft VWS deze functie ook in 2027 subsidiëren. En wordt er tegelijkertijd voor 2027 opnieuw beoordeeld welke keuzes gemaakt moeten worden binnen het beschikbare budget. Hiervoor wordt ook gekeken hoe verschillende hulplijnen elkaar kunnen versterken.
Op basis waarvan is geconcludeerd dat de Luisterlijn deze bezuiniging kan opvangen zonder dat dit ten koste gaat van de dienstverlening? Bent u bereid eventuele nieuwe marktverkenningen, evaluaties of doelmatigheidsanalyses te delen met de Kamer?
Het is niet bekend wat deze bezuiniging exact voor de dienstverlening betekent. Hiervoor wordt door de Luisterlijn een plan uitgewerkt. De korting die is opgelegd aan de Luisterlijn komt voort uit de rijksbrede bezuinigingen. Hierbij is tot op heden geen aanvullende evaluatie uitgezet.
Hoe rijmt deze bezuiniging met de wettelijke taak, die voortvloeit uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, om te voorzien in een anonieme, kosteloze mogelijkheid om te spreken over persoonlijke situaties en advies te vragen? Hoe rijmt deze bezuiniging met de aanpak Een tegen Eenzaamheid?
De wettelijke taak uit de Wmo 2015 om te voorzien in een anonieme en kosteloze mogelijkheid om te spreken over persoonlijke situaties zijn we niet voornemens aan te passen. Het is aan de Luisterlijn om haar werkzaamheden voor 2027 binnen het beschikbare budget te organiseren. Uiteraard begrijpen wij dat dit voor moeilijke keuzes zorgt. Met de aanpak Eén tegen eenzaamheid zal ook blijvend ingezet worden om eenzaamheid te voorkomen en verminderen. Dat doen we gelukkig met de inzet van veel andere partijen in een brede coalitie.
Deelt u de mening dat een voorziening als de Luisterlijn juist erg belangrijk is voor mensen die wel behoefte hebben aan contact of ondersteuning, maar niet direct een beroep doen of kunnen doen op formele zorg? Zo ja, hoe rijmt dat met de geplande bezuiniging?
Het werk van de Luisterlijn met alle vrijwilligers die 24 uur per dag, 7 dagen in de week klaar staan en een luisterend oor bieden is van groot belang. In hoe dit wordt georganiseerd en gefaciliteerd zijn keuzes te maken. Daarover zijn we nu in gesprek.
Deelt u de mening dat de laagdrempelige hulp van de Luisterlijn bijdraagt aan preventie en kan voorkomen dat mensen een beroep doen op de ggz of andere vormen van psychosociale hulp? Is berekend hoeveel extra kosten uiteindelijk bespaard worden door de Luisterlijn?
De Luisterlijn kan bijdragen in het verminderen en voorkomen van eenzaamheid en draagt daarmee bij aan preventie van zwaardere klachten en gepaarde zorgkosten. Uit onderzoek is bekend dat eenzaamheid in Nederland leidt tot ruim € 2 miljard aan extra zorgkosten per jaar.2 De specifieke besparing hierop door inzet van de Luisterlijn is niet bekend. In onderzoek is geconcludeerd dat de maatschappelijke betekenis van de Luisterlijn vooral is dat mensen bereikt worden die met hun zorgen, verdriet of mentale probleem niet of in onvoldoende mate terecht kunnen bij de formele zorgverlening en/of hun sociale omgeving, of hun omgeving daarmee niet willen belasten.3 Daarnaast wordt o.a. ingezet via de MIND hulplijn op laagdrempelige psychologische hulp. Deze hulplijn is ook gratis en anoniem bereikbaar en wordt bemand door professionele hulpverleners zoals psychologen en maatschappelijk werkers.
Welke concrete maatregelen gaat u inzetten om te voorkomen dat deze bezuiniging ertoe gaat leiden dat mensen zich pas melden wanneer hun problemen zijn geëscaleerd en daardoor uiteindelijk een beroep doen op zwaardere en vaak duurdere zorg?
Het voorkomen dat problemen escaleren en mensen zwaardere zorg nodig hebben, is een belangrijk uitgangspunt van het kabinetsbeleid. Daarvoor zet VWS breder in op preventie en laagdrempelige ondersteuning en signalering, zoals met afspraken in het AZWA en de aanpak Eén tegen eenzaamheid.
De hinder voor spoorvervoer ontstaan als gevolg van problemen rondom Barendrecht |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Goederenvervoer in de knel bij Barendrecht: locomotief raakte zijkant overkapping»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe groot is de ontstane hinder voor spoorgoederenvervoerders als gevolg van de gebruiksbeperkende maatregelen? Kunt u dit uitdrukken in financiële kosten en vertragingen voor goederenvervoerders?
Als gevolg van de beperkingen konden via Barendrecht gedurende een deel van de periode maximaal drie treinpaden per uur richting het achterland worden aangeboden. Normaal gesproken zijn in die richting acht treinpaden per uur beschikbaar. Om de gevolgen te beperken zijn omleidingsroutes via Utrecht benut en zijn tijdens herstelwerkzaamheden enkele NS-treinen tijdelijk opgeheven om capaciteit vrij te maken voor goederenvervoer.
De totale economische schade voor de spoorgoederensector is door mij, en door ProRail helaas niet vast te stellen. Vaststaat dat er een periode van beperkingen is geweest waarin minder treinpaden dan regulier werden aangeboden. Goederenvervoerders hebben als gevolg hiervan te maken gehad met vertragingen, omleidingen en mogelijk ook uitval van treinen. Dit heeft een financiële impact op vervoerders en leidt ook verderop in de logistieke keten tot kosten.
Klopt het dat door spoorverzakking de tunnelwand te dicht op het spoor is komen te liggen? Zo ja, hoe beoordeelt u de stelling van de spoorbeheerder dat er geen risico op ontsporing zou zijn geweest?
Het betreft niet de tunnelwand zelf, maar een betonnen ontsporingsrand die tegen het verhoogde looppad ligt. Door een verzakking en verschuiving van het spoor was de afstand tussen het spoor en deze rand kleiner geworden en voldeed deze niet meer aan de geldende maatvoering voor het profiel van vrije ruimte.
Contact tussen een treeplank van een locomotief en een betonnen rand raakt de spoorwegveiligheid. Volgens de technische beoordeling van ProRail gaf de aard van dit contact geen aanleiding om direct ontsporingsgevaar te veronderstellen. De afwijking van de geldende maatvoering vormde wel aanleiding om gebruiksbeperkingen op te leggen en herstelmaatregelen uit te voeren.
Klopt het dat deze verzakking pas aan het licht is gekomen na een melding van een vervoerder? Zo ja, hoe kan het dat dermate risicovolle gebreken aan het spoor niet eerder zijn gevonden bij controles en regulier onderhoud?
Ja, dat klopt. De afwijking kwam aan het licht nadat een machinist melding maakte van contact tussen een treeplank en een betonnen rand. Na een eerste inspectie volgden aanvullende metingen waarmee de afwijkende maatvoering werd vastgesteld. ProRail onderzoekt momenteel hoe de afwijking heeft kunnen ontstaan, hoe deze zich heeft kunnen ontwikkelen en waarom zij bij eerdere controles en regulier onderhoud niet is onderkend.
Hoelang gaat het duren, voordat het goederenvervoer weer volledig gebruik kan maken van het spoor bij Barendrecht?
De beperkingen in de dienstregeling zijn op 27 augustus 2026 om 16.30 uur beëindigd. Met de twee beschikbare sporen kon de reguliere dienstregeling weer worden afgehandeld.
Is hier sprake van een incident of geeft ProRail aan meer middelen nodig te hebben om zijn taken rondom onderhoud en veiligheid van het spoor volwaardig te kunnen uitvoeren?
Er is sprake van een concreet incident waarbij de afstand tussen het spoor en de betonnen rand niet meer aan de geldende maatvoering voldeed. ProRail onderzoekt momenteel de oorzaak van de afwijking, de wijze waarop deze heeft kunnen ontstaan en waarom zij niet eerder is onderkend.
ProRail beschikt naar eigen zeggen in beginsel over voldoende expertise en informatie om dergelijke infrastructuurproblemen te signaleren. Het lopende onderzoek moet uitwijzen of de informatiepositie, monitoring, inspecties of specialistische capaciteit voor dit type afwijking moeten worden versterkt en welke middelen daarvoor eventueel nodig zijn.
Zijn er al eerder soortgelijke incidenten met de tunnelwand in Barendrecht geweest? Zo ja, welke?
Voor zover bij ProRail geregistreerd, zijn twee meldingen bekend van contact tussen een treeplank van een locomotief en een betonnen rand in de overkapping bij Barendrecht: op 29 juli 2026 op spoor BE en op 25 augustus 2026 op spoor CE.
Klopt het dat er twee weken zaten tussen het eerste incident met de tunnelwand op 31 juli 2026 en het instellen van gebruiksbeperkende maatregelen? Zo ja, waarom?
Nee. De eerste melding is op 29 juli 2026 om 21.07 uur gedaan. De aannemer voor de civiele constructie heeft de situatie vervolgens beoordeeld en de melding doorgezet naar de aannemer voor de bovenbouw. Medewerkers van die aannemer waren op 30 juli om 00.36 uur ter plaatse. Na analyse van de beschikbare informatie heeft een inspecteur op 31 juli uit voorzorg een snelheidsbeperking van 40 km/u ingesteld op spoor BE. Dezelfde dag heeft de inspecteur de situatie ter plaatse beoordeeld en de snelheidsbeperking op dat spoor verlaagd naar 20 km/u vanwege de afwijking van de geldende maatvoering voor het profiel van vrije ruimte.
Vervolgens is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit vergde tijd vanwege de beschikbaarheid van personeel, materieel en mogelijkheden om sporen voor onderzoek buiten dienst te stellen. De uitkomsten hebben op 13 augustus geleid tot beperkingen op alle drie de goederensporen. Gedurende een deel van de periode konden maximaal drie treinpaden per uur richting het achterland worden aangeboden.
Gelet op het feit dat het eerste incident volgens ProRail plaatsvond, omdat er gebruik gemaakt werd van oudere locomotieven, voldeden deze aan de internationale standaarden? Zo ja, bent u het er dan mee eens dat het model locomotief geen rechtvaardiging kan zijn voor het raken van een tunnelwand?
De twee bij ProRail geregistreerde meldingen betroffen beide een locomotief van het type E1600. Toegelaten spoorvoertuigen moeten voldoen aan de daarvoor geldende nationale en Europese toelatingseisen.
Uit de beschikbare informatie kan niet worden vastgesteld dat het type locomotief de oorzaak van het incident was. Bij de uitgevoerde metingen is vastgesteld dat de afstand tussen het spoor en de betonnen rand niet aan de geldende maatvoering voldeed. Het type locomotief vormt daarom op zichzelf geen rechtvaardiging voor het raken van de betonnen rand.
Kunnen alle modellen locomotief die nu in gebruik zijn op het Nederlandse spoor nog veilig door de Barendrechtse tunnelbuizen?
Op de herstelde en vrijgegeven sporen kunnen alle daar toegelaten locomotieftypen met de reguliere dienstregelingssnelheid rijden.
Welke type locomotieven is betrokken geweest bij de incidenten rondom Barendrecht, en welke conclusie trekt u hieruit?
De twee bij ProRail geregistreerde meldingen betroffen beide een locomotief van het type E1600. Uit de metingen bleek echter dat de afstand tussen het spoor en de betonnen rand niet aan de geldende maatvoering voldeed. Op basis van de beschikbare gegevens kon niet worden uitgesloten dat ook andere voertuigen hinder zouden kunnen ondervinden. De maatregelen zijn daarom gebaseerd op de afwijking aan de infrastructuur en niet uitsluitend op één locomotieftype.
Heeft ProRail alle gebruiksbeperkende maatregelen afgestemd met vervoerders en materieeleigenaren?
ProRail heeft vervoerders geïnformeerd over de snelheidsbeperkingen, afsluitingen, beschikbare capaciteit en herstelwerkzaamheden. Tijdens de afhandeling vond dagelijks operationeel overleg met betrokken partijen plaats. De planning van de werkzaamheden werd telkens minimaal twee dagen vooraf vastgesteld.
Uit de beschikbare informatie kan niet worden vastgesteld dat iedere afzonderlijke gebruiksbeperkende maatregel vooraf met alle materieeleigenaren is afgestemd. ProRail verricht vervolgonderzoek, waarbij ook wordt bezien hoe de Europese regels voor risico-evaluatie en -beoordeling zijn toegepast.
Is de ILT betrokken geweest bij de afwikkeling van het incident en de gekozen gebruiksbeperkende maatregelen? Zo ja op welke wijze?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en ProRail hebben operationele afspraken over het delen van informatie over veiligheidsincidenten. ProRail heeft het incident van 29 juli 2026 dezelfde avond bij de ILT gemeld. Het incident van 25 augustus is bij de ILT gemeld door de betrokken vervoerder via een Melding Bijzonder Voorval.
ProRail is verantwoordelijk voor het vaststellen van de noodzakelijke operationele risicobeheersmaatregelen. De ILT is op 14 augustus 2026 door ProRail geraadpleegd over de technische uitvoering van de tijdelijke snelheidsbeperking. Daarbij ging het om de mogelijkheid om via het treinbeveiligingssysteem ATB een aanvullende snelheidsbewaking in te stellen. De betrokkenheid van de ILT betrof daarmee de uitvoering van de maatregel. De verantwoordelijkheid voor het vaststellen en toepassen daarvan bleef bij ProRail.
Welke indicatoren gebruiken ProRail en het ministerie om te monitoren of de doelen rondom beschikbaarheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de spoorinfra voor het spoorgoederenvervoer behaald worden?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat stuurt op de prestaties van ProRail via een aantal in de beheerconcessie opgenomen prestatie-indicatoren. Op het gebied van spoorgoederenvervoer wordt gestuurd via de prestatie-indicator «klantoordeel spoorgoederenvervoerders». Deze prestatie-indicator geeft de tevredenheid van spoorgoederenvervoerders over de dienstverlening en infrastructuur van ProRail weer. Ook ontwikkelt het ministerie een tweede prestatie-indicator voor het spoorgoederenvervoer. Aan prestatie-indicatoren is een bodemwaarde gekoppeld. ProRail wordt jaarlijks beoordeeld op deze bodemwaarden. Wordt een bodemwaarde niet behaald, dan volgt automatisch een boete, tenzij er naar het oordeel van het ministerie sprake is van een rechtvaardigingsgrond.
Daarnaast verstrekt ProRail het ministerie maandelijks de zogenoemde spoorgoederenmonitor. Hierin rapporteert ProRail over diverse informatie-indicatoren. Dit betreft onder andere het aantal storingen op het traject Zee-Zevenaar (Havenspoorlijn Rotterdam en Betuweroute) en de urgentie daarvan. De storing bij Barendrecht telt mee in de informatie-indicator «hinderrijke storingen» in de spoorgoederenmonitor. Uit het onderzoek van ProRail moet blijken of er een verband is met de reikwijdte van het verbeterprogramma Zee-Zevenaar. Die urgentie is afhankelijk van de aard, ligging en logistieke impact van de storing. Ook wordt gerapporteerd over het aantal storingen en de mate van hinder die deze hebben veroorzaakt.
Een storing wordt als hinderrijk aangemerkt als deze meer dan 120 vertragingsminuten voor goederenvervoerders heeft veroorzaakt. Verder wordt gerapporteerd over onttrekkingen van infrastructuur en de termijn waarop deze aan goederenvervoerders bekend zijn gemaakt. Hoe eerder een onttrekking bekend wordt gemaakt, hoe meer tijd de markt heeft om daarop te anticiperen. Ook worden de aantallen gereden goederentreinen op verschillende hoofdroutes weergegeven en vergeleken met voorgaande perioden. Aan informatie-indicatoren zijn geen bodemwaarden gekoppeld.
Bij onderprestaties op zowel prestatie- als informatie-indicatoren bepaalt het ministerie op basis van de mate, duur en ontwikkeling van de afwijking en de mogelijke gevolgen of bijsturing nodig is. Daarbij kan worden opgeschaald van bespreking en monitoring in reguliere overleggen, via bestuurlijke bespreking en monitoring, tot het instellen van een verbeterprogramma, al dan niet onder de beheerconcessie. Een voorbeeld hiervan is het verbeterprogramma Zee-Zevenaar, dat als doel heeft de kwaliteit van het spoorgoederenvervoer op deze corridor te verbeteren.
Hoe en wanneer kiest het ministerie of ProRail ervoor om bij te sturen in het geval dat deze doelen niet behaald worden?
Aan de prestatie-indicatoren in de beheerconcessie zijn bodemwaarden gekoppeld. ProRail wordt jaarlijks op deze bodemwaarden beoordeeld. Wordt een bodemwaarde niet behaald, dan volgt automatisch een boete, tenzij er naar het oordeel van het ministerie sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Aan informatie-indicatoren zijn geen bodemwaarden gekoppeld.
Bij onder prestaties op zowel prestatie- als informatie-indicatoren bepaalt het ministerie op basis van de mate, duur en ontwikkeling van de afwijking en de mogelijke gevolgen of bijsturing nodig is. Daarbij kan worden opgeschaald van bespreking en monitoring in reguliere overleggen, via bestuurlijke bespreking en monitoring, tot het instellen van een verbeterprogramma, al dan niet onder de beheerconcessie. Een voorbeeld hiervan is het verbeterprogramma Zee-Zevenaar.
Gaan de spoorgoederenvervoerders gecompenseerd worden voor de oplopende kosten naar aanleiding van de maatregelen en het incident in Barendrecht? Zo ja, op welke wijze en in welke mate?
Voor schade en compensatie gelden de regelingen in de Netverklaring, de toegangsovereenkomsten tussen ProRail en de gerechtigden en de daarbij behorende algemene voorwaarden. Het ministerie is geen partij bij de afhandeling van individuele schadeclaims. Of en in welke mate vervoerders voor compensatie in aanmerking komen, moet binnen deze regelingen worden beoordeeld.
Wat zijn de gevolgen van de problematiek in Barendrecht voor de kritieke logistieke ketens met betrekking tot het spoorgoederenvervoer? Kan Nederland nog voldoen aan zijn Europese verplichtingen?
Als gevolg van de beperkingen konden via Barendrecht gedurende een deel van de periode maximaal drie treinpaden per uur richting het achterland worden aangeboden. Om de gevolgen voor het goederenvervoer te beperken zijn omleidingsroutes via Utrecht benut en zijn tijdens herstelwerkzaamheden enkele NS-treinseries tijdelijk opgeheven om capaciteit vrij te maken voor goederenvervoer.
De precieze gevolgen voor afzonderlijke logistieke ketens, terminals en verladers kunnen niet objectief worden vastgesteld, omdat ProRail en het ministerie daar geen volledig inzicht in hebben. Uit de beschikbare informatie blijkt niet dat de continuïteit van internationale goederenstromen of de naleving van Europese verplichtingen in gevaar is gekomen.
Deelt u de opvatting dat het Barendrechtse incident onderdeel is van een patroon waarbij het Nederlandse spoor en bij verlengde het spoorgoederenvervoer steeds minder betrouwbaar wordt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel niet de conclusie dat op basis van dit incident sprake is van een patroon waarbij het Nederlandse spoor steeds minder betrouwbaar wordt. Wel vind ik het belangrijk dat we aandacht blijft hebben voor de betrouwbaarheid van de spoorgoedereninfrastructuur. In het Toekomstbeeld Spoorgoederenvervoer 2050 en de Uitvoeringsagenda Spoorgoederenvervoer 2026–2030 is dit ook tot één van de prioriteiten gemaakt.
Naar aanleiding van eerdere problemen op de corridor Zee-Zevenaar is in 2022 het verbeterprogramma Zee-Zevenaar onder de beheerconcessie van ProRail gestart. Binnen dit programma zijn verbeteringen doorgevoerd en investeringen gedaan. De komende maanden wordt beoordeeld of de kwaliteit voldoende is verbeterd en het programma kan worden afgerond. In het onderzoek naar het incident bij Barendrecht wordt ook bekeken of de lessen uit het Crisislab-rapport zijn toegepast. Daarnaast moet uit het onderzoek blijken of er een verband is met de reikwijdte van het verbeterprogramma Zee-Zevenaar.
Deelt u de mening dat dergelijke incidenten grote afbreuk doen aan de concurrentiepositie van de Nederlandse spoorgoederenvervoerders? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om deze concurrentiepositie te verbeteren?
Betrouwbaarheid is een belangrijke factor voor verladers in de keuze voor een vervoersmodaliteit. Het kabinet zet in op een sterk en toekomstbestendig spoorgoederenvervoer. Een betrouwbare infrastructuur is daarvoor essentieel en één van de prioriteiten van het spoorgoederenbeleid. Onder andere via het verbeterprogramma Zee-Zevenaar wordt gewerkt aan verbetering van de kwaliteit van deze corridor. Daarnaast onderzoekt ProRail de oorzaak van het incident bij Barendrecht en wordt de operationele afhandeling geëvalueerd. De uitkomsten moeten uitwijzen of aanvullende verbetermaatregelen nodig zijn.
Deelt u de opvatting dat de afbreuk aan betrouwbaarheid van spoorgoederenvervoer door dergelijke incidenten en de bijkomstige gebruiksbeperkende maatregelen het realiseren van een modal-shift binnen logistieke ketens in de weg zit? Zo ja, wat gaat u doen om de betrouwbaarheid van het spoor en daarmee de modal-shift te bevorderen?
Ik herken dat betrouwbaarheid een belangrijke factor voor verladers is in de keuze voor een vervoersmodaliteit. Op basis van dit incident kan echter niet worden vastgesteld dat goederenstromen structureel van het spoor naar de weg zijn teruggekeerd.
Het voorkomen van een dergelijke ontwikkeling onderstreept het belang van betrouwbare infrastructuur en een goede operationele afhandeling van verstoringen. In de Uitvoeringsagenda Spoorgoederenvervoer 2026–2030 is een overzicht gegeven van het onderliggende beleid om de betrouwbaarheid van het spoorgoederenvervoer te versterken.
Welke impact heeft het ontstane knelpunt Barendrecht op het optimaal benutten van de Betuweroute?
Het incident bij knooppunt Barendrecht had een groot effect op het goed gebruiken van de Betuweroute. Bij een stremming van het knooppunt kan er veel minder verkeer gebruik maken van een deel van de Betuweroute en moeten treinen worden omgeleid.
Nieuwbouwwoningen en Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen |
|
Robin van Leijen (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eerenberg |
|
|
|
|
Voor welk aandeel van de nieuwbouwwoningen zijn Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen verantwoordelijk de afgelopen jaren?
Op basis van de beschikbare data is niet precies te zeggen voor welk aandeel van de nieuwbouw Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen de afgelopen jaren verantwoordelijk waren.
Uit cijfers van het CBS blijkt dat in 2024 ongeveer 69.200 nieuwbouwwoningen zijn gebouwd. Ongeveer 28.300 hiervan zijn koopwoningen, 19.500 zijn sociale huurwoningen gebouwd door corporaties en 20.500 zijn private huurwoningen. In de jaren daarvoor is het aantal nieuwbouwkoopwoningen hoger en het aantal nieuwbouwcorporatiewoningen lager. Het is niet bekend hoeveel van deze private huurwoningen zijn gefinancierd door pensioenfondsen.
Daarnaast zijn er cijfers van Capital Value bekend van de totale omvang van de investeringen van institutionele beleggers, zoals pensioenfondsen en verzekeraars, in nieuwbouwhuurwoningen in 2025. Dit betreft investeringen in nieuw te bouwen huurwoningen en kunnen dus niet direct gerelateerd worden aan de hiervoor genoemde cijfers van het CBS van opgeleverde huurwoningen. Wel bieden deze cijfers een indicatie van het aandeel van pensioenfondsen. In 2025 werd € 5,3 miljard geïnvesteerd in nieuwbouwhuurwoningen. 68% hiervan is geïnvesteerd door Nederlandse institutionele beleggers en 25% door corporaties1 en slechts 1% door buitenlandse investeerders. Het restant is geïnvesteerd door overige marktpartijen. In 2022 was het aandeel internationale investeringen nog 32%. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.2 Het is niet bekend welk deel van de internationale investeringen zijn gedaan door buitenlandse pensioenfondsen.
Wat is de financiële ruimte bij Nederlandse pensioenfondsen voor investeringen in woningbouw gezien hun bestaande vastgoedallocatie?
Nederlandse pensioenfondsen lopen tegen grenzen aan van de hoeveelheid die zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Dit komt doordat de huizenprijzen de laatste jaren hard zijn gestegen en omdat Nederlandse pensioenfondsen de laatste jaren flink hebben geïnvesteerd in Nederlandse nieuwbouwhuurwoningen. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen zit hier een limiet aan.
Hoe verklaart u de daling van het investeringsvolume van buitenlandse beleggers in nieuwbouw in Nederland?1
De afname van buitenlandse investeringen in nieuwbouwhuurwoningen is veroorzaakt door de verslechtering van het investeringsklimaat. Dit komt door een combinatie van verschillende factoren, zoals wijzigingen in het huur- en fiscaal beleid en veranderde macro-economische omstandigheden. De recente analyse van DNB laat zien dat voornamelijk de rentestijging, het wegvallen van de FBI-regime voor vastgoed en de Wet betaalbare huur investeringen in de Nederlandse woningmarkt minder aantrekkelijk hebben gemaakt.4
Herkent u de signalen dat buitenlandse pensioenfondsen momenteel tegen fiscale onzekerheid en lange doorlooptijden aanlopen bij investeringen in Nederlandse woningbouw?
Het kabinet ontvangt signalen over buitenlandse pensioenfondsen en ik onderstreep het belang om geen onnodige belemmeringen op te werpen voor investeringen in de Nederlandse woningbouw. Ten aanzien van de pensioenfondsvrijstelling werkt de Belastingdienst aan het verduidelijken en moderniseren van de voorwaarden zoals opgenomen in onderdeel 3.3.1. van het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb 4. Aan de hand van deze voorwaarden wordt beoordeeld of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De verduidelijking en modernisering van de voorwaarden uit het bovengenoemde beleidsbesluit leidt ertoe dat meer duidelijkheid ontstaat voor buitenlandse pensioenfondsen over de toepassing van de pensioenfondsvrijstelling. Dit heeft naar verwachting een positief effect op de investeringen in Nederlandse nieuwbouw (midden)huurwoningen. Het streven is dat het beleidsbesluit eind 2026 wordt gepubliceerd en daarbij direct van kracht is.
Deelt u de mening dat deze belemmeringen voor buitenlandse pensioenfondsen tegen de ambities van een Europese kapitaalmarktunie ingaan, waarbij investeringen vrij kunnen bewegen over Europese grenzen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat buitenlandse pensioenfondsen een belangrijke rol kunnen spelen in het financieren van de bouw van woningen in Nederland?
Ja. De bouw van middenhuurwoningen wordt in Nederland namelijk vooral gefinancierd door institutionele investeerders, zoals pensioenfondsen. In de periode tot 2039 moeten er 160.000 extra middenhuurwoningen worden gebouwd om in de behoefte te voorzien. 140.000 van deze middenhuurwoningen moeten gefinancierd worden door private investeerders. Dit vertaalt zich in een investeringsopgave van circa € 45 miljard.
Deze investeringen komen er alleen als het investeringsklimaat voldoende aantrekkelijk is voor zowel Nederlandse als buitenlandse investeerders. Vanwege de omvang van de opgave kan dit onmogelijk alleen van Nederlandse partijen komen. Binnenlandse investeerders en corporaties hebben onvoldoende kapitaal beschikbaar om deze opgave te dekken. Daarom zijn buitenlandse institutionele investeerders essentieel om voldoende (midden)huurwoningen te bouwen.
Hoeveel extra woningen zouden per jaar kunnen worden gerealiseerd bij een hoger investeringsvolume van buitenlandse pensioenfondsen?
Dit is afhankelijk van de hoeveelheid kapitaal dat buitenlandse pensioenfondsen investeren in Nederlandse nieuwbouwhuurwoningen en dus niet eenduidig te beantwoorden. Tussen 2018 en 2022 werden er gemiddeld 4.500 huurwoningen toegevoegd door buitenlandse investeerders. In 2025 waren dit er nog maar 500.5 Of buitenlandse investeerders weer dergelijke aantallen zouden kunnen realiseren is niet te zeggen, omdat dit ook afhangt van andere omstandigheden. Het kabinet streeft naar de realisatie van jaarlijks 100.000 woningen. Dit is een ambitieuze doelstelling waar naast corporaties en binnenlandse private investeerders ook buitenlandse private investeerders voor nodig zijn.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een vpb-ruling voor buitenlandse pensioenfondsen, waarmee de fiscale vergelijkbaarheid van deze fondsen met Nederlandse pensioenfondsen kan leiden tot een gelijk fiscaal speelveld, en daarmee tot een groei van investeringen?
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen verzoeken om zekerheid vooraf over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting en verzoeken waarin door buitenlandse pensioenfondsen om een teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd. De gemiddelde doorlooptijd van een Vpb-ruling voor buitenlandse pensioenfondsen bedraagt momenteel nagenoeg een jaar. Voor de verzoeken waarin om teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd, geldt dat informatie, waaronder het aantal verzoeken en de doorlooptijd, niet gestructureerd voorhanden is.
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de nieuwe pensioenwetgeving zoals de Wet toekomst pensioenen (Wtp) de vergelijkbaarheid van buitenlandse pensioenfondsen, in het bijzonder voor het criterium van het afkoopverbod?
In onderdeel 3.3.1. van het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb (aangenomen wordt dat op dit beleidsbesluit wordt gedoeld) zijn twaalf cumulatieve voorwaarden opgenomen waaraan een buitenlands pensioenlichaam en een buitenlandse pensioenregeling moeten voldoen om een beroep te kunnen doen op de pensioenfondsvrijstelling. Aan de hand van dit onderdeel uit het beleidsbesluit wordt beoordeeld of een buitenlands pensioenfonds vergelijkbaar is met een Nederlands pensioenfonds. Één van de voorwaarden uit het beleidsbesluit is dat de pensioenregeling een afkoopverbod kent met een uitzondering van een afkoopmogelijkheid voor kleine pensioenen (voorwaarde I). Deze voorwaarde sluit aan bij het afkoopverbod onder de Nederlandse Pensioenwet dat als doel heeft dat voldoende geld aanwezig is en blijft voor de verzorging van de oude dag. In antwoorden op Kamervragen is reeds aangekondigd dat de Belastingdienst gaat kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb nog actueel zijn en modernisering behoeven. Maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland, waaronder de Wet toekomst pensioenen en de Wet Herziening bedrag ineens die per 1 januari 2029 de mogelijkheid introduceert om op pensioeningangsdatum 10% van de waarde van de opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen ineens te ontvangen, zijn mede aanleiding om de voorwaarden – waaronder het afkoopverbod – uit het beleidsbesluit te moderniseren. Het streven is dat het beleidsbesluit eind 2026 wordt gepubliceerd.
Is het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen, wat als basis dient voor de vergelijking van buitenlandse pensioenfondsen, nog volledig in overeenstemming met de pensioenrealiteit na invoering van de Wtp of zijn er kansen om meer investeringen van buitenlandse pensioenfondsen aan te trekken?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen te evalueren?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Volkshuisvesting en fiscaliteit van donderdag 24 september a.s.?
Ja.
De rentmeestervennootschap (steward ownership) in relatie tot het voorstel voor een verordening tot oprichting van EU Inc |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
David van Weel (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe staat het met de uitvoering van de afspraak in het coalitieakkoord «Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland» een nieuwe Nederlandse rechtsvorm te introduceren, namelijk de rentmeestervennootschap (een vorm van steward ownership waarbij zeggenschap en winstrecht worden gescheiden), mede in het licht van de eerder door de Tweede Kamer aangenomen motie Sneller en Zeedijk die de regering verzocht deze rechtsvorm uit te werken (Kamerstuk 29 023, nr. 509)?
Zoals ik uw Kamer heb bericht in mijn brief van 16 april 20261 bezie ik momenteel hoe het vennootschapsrecht verder geflexibiliseerd kan worden, waardoor bijvoorbeeld ook meer armslag wordt geboden aan partijen die een onderneming in de vorm van een rentmeestervennootschap willen voeren. Daartoe zal ik een rondetafel inzake de rentmeestervennootschap organiseren. Tijdens het commissiedebat civielrechtelijke onderwerpen op 22 april 2026 heb ik toegezegd dat uw Kamer in het derde kwartaal van 2026 daarover zal informeren. Op 8 oktober organiseert de belangenorganisatie We Are Stewards een Steward Ownership Festival in Amsterdam. De inzichten die daar zullen worden opgedaan, wil ik graag meenemen bij het organiseren van de rondetafel en nadien ook in de brief aan uw Kamer. Ik zal uw Kamer dus na de bijeenkomst van We Are Stewards informeren. Het is mijn streven om de brief voor het einde van dit jaar naar uw Kamer te sturen.
Bent u zich ervan bewust dat het BNC-fiche van het kabinet over het 28e regime («EU Inc.») steward ownership in het geheel niet noemt?
Ja.
Hoe verhoudt zich volgens u de keuze van het kabinet om steward ownership nationaal te introduceren zich tot het volledig ontbreken van steward ownership in de Nederlandse inzet ten aanzien van een Europese, EU-brede rechtsvorm? Deelt u de mening dat het een gemiste kans zou zijn om de rechtsvorm die het kabinet in eigen land bepleit, niet óók beschikbaar te maken voor ondernemers in alle 27 lidstaten via het 28e regime?
Het kabinet heeft uw Kamer op 24 april 2026 middels het BNC-fiche geïnformeerd over de kabinetsinzet ten aanzien van het door de Europese Commissie (hierna: Commissie) voorgestelde 28e regime voor ondernemingen (hierna: het voorstel). Het voorstel bevat geen regels over steward ownership. Het fiche gaat daar daarom ook niet op in.
De onderhandelingen over het voorstel vinden momenteel in hoog tempo plaats. Er is brede steun voor de doelstelling van het voorstel en voor een spoedige afronding van het onderhandelingstraject. Tijdens de Europese Raad van 19 maart jl. is door de lidstaten de ambitie uitgesproken om uiterlijk eind 2026 een politiek akkoord met het Europees Parlement over het voorstel te bereiken. Gelet op de grote vaart van het onderhandelingstraject en de belangen die samenhangen met dat tempo, alsmede het feit dat de rentmeestervennootschap een concept is dat in de meeste lidstaten nog niet breed bekend is, lijkt het een stap te ver om de rentmeestervennootschap tijdens de onderhandelingen in te brengen als een mogelijke aanvulling op het voorstel. Dit zou het risico van vertraging van dat proces in zich dragen. Daar komt bij dat wij in Nederland zelf nog bezig zijn met de oordeelsvorming over de wijze waarop de rentmeestervennootschap een plek kan krijgen in ons nationale vennootschapsrecht. Daardoor kan Nederland nog geen afgerond idee voor een rentmeestervennootschap in de discussie in Brussel inbrengen. Het is belangrijk om nu eerst te komen tot snelle besluitvorming over een betrouwbare en flexibele Europese rechtsvorm voor de EU Inc.
Bent u bekend met het conceptverslag van rapporteur Repasi in de commissie JURI van het Europees Parlement over het 28e regime, waarin steward ownership (rentmeesterschap) en werknemerseigendom als optionele varianten worden ge(her)ïntroduceerd, en steunt u het behoud van die opties in de uiteindelijke tekst?
Ik ben bekend met dat conceptverslag. Het is nu niet aan de lidstaten om een oordeel te vormen over het conceptverslag van de rapporteur, daarvoor moet eerst het eindverslag worden afgewacht. Verder verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 3.
Klopt het dat noch het Commissievoorstel (COM(2026) 321), noch het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4320), noch het door Nederland medeondertekende Benelux non-paper het begrip steward ownership noemt, en dat het Nederlandse onderhandelingsmandaat zich vrijwel uitsluitend richt op een Europese vorm van beperkte aansprakelijkheid en op waarborgen tegen fraude en witwassen?
Het klopt dat het Commissievoorstel, het BNC-fiche en het Benelux non-paper het begrip steward ownership of rentmeestervennootschap niet noemen. Het voorstel ziet op de introductie van een nieuwe Europese rechtsvorm, de EU Inc. Het voorziet in een optioneel Europees vennootschapsrechtelijk kader voor de EU Inc., met onder andere regels over de inrichting en governance en over een versimpelde oprichtingsprocedure. Het voorstel bevat geen regeling voor een rentmeestervennootschap bij een EU Inc. In het BNC-fiche en in de onderhandelingen over het voorstel in de Raad richt het kabinet zich, zoals te doen gebruikelijk, primair op het voorstel zoals de Commissie dat heeft gepresenteerd.
In het BNC-fiche heeft het kabinet zowel in het algemeen als op specifieke onderdelen uiteengezet wat het standpunt van het kabinet is ten aanzien van het voorstel en hoe het kabinet zich in de onderhandelingen opstelt. Het klopt niet dat dit BNC-fiche zich uitsluitend richt op een Europese vorm van beperkte aansprakelijkheid en op waarborgen tegen fraude en witwassen. In het algemeen heeft het kabinet aangegeven dat het voorstander is van de ontwikkeling van een 28e regime in het ondernemingsrecht dat daadwerkelijk tegemoetkomt aan de behoeften van belanghebbenden, zoals bedrijven en werknemers binnen de EU, en dat bijdraagt aan de versterking van de concurrentiepositie van bedrijven in de EU. Een 28e regime voor ondernemingen kan volgens het kabinet belangrijke economische kansen bieden, omdat het een kader schept voor ondernemingen dat in de gehele EU hetzelfde is. Ook kan een duidelijke en betrouwbare Europese rechtsvorm ervoor zorgen dat de EU Inc. sneller wordt herkend door investeerders, wat het grensoverschrijdend zaken doen kan vergemakkelijken. Het kabinet ziet dat een zorgvuldig vormgegeven 28e regime een eerste stap kan zijn voor verdere harmonisatie. Daarmee sluit het voorstel goed aan bij de ambitie uit het coalitieakkoord om in te zetten op voltooiing van de interne markt.
Het kabinet heeft als uitgangspunt dat het 28e regime voor ondernemingen enkel effectief en succesvol kan zijn als fragmentatie in de toepassing van dat regime binnen de lidstaten zoveel mogelijk wordt voorkomen en als de EU Inc. ondernemers en hun stakeholders (aandeelhouders, schuldeisers en werknemers) betrouwbaarheid en rechtszekerheid biedt. Dit was doorslaggevend voor het kabinet bij het bepalen van de inzet bij verschillende specifieke onderdelen van het voorgestelde optionele vennootschapsrechtelijke kader. Zo zet het kabinet zich ervoor in dat de waarborgen in het voorstel tegen misbruik, fraude en witwassen worden versterkt.
Het non-paper dat Nederland samen met België en Luxemburg heeft opgesteld is in lijn met de positie van het kabinet zoals dat uiteen is gezet in het BNC-fiche.2 De Benelux-landen spreken hierin hun steun uit voor de versterking van het concurrentievermogen van de Europese Unie en de interne markt. Ook spreekt het non-paper de verwachting uit dat het voorstel daarbij een betekenisvolle stap kan zijn. Tegelijkertijd constateren de Benelux-landen dat aanvullende waarborgen nodig zijn om fraude, witwassen en misbruik door een EU Inc. te voorkomen. Ook benadrukken zij dat bij gebruik van een EU Inc. werknemersrechten gewaarborgd moeten blijven. Verder geven zij aan dat het voorstel nog ambitieuzer had kunnen zijn, door bijvoorbeeld te voorzien in meer harmonisatie op het gebied van het ondernemingsrecht.
Bent u bekend met signalen dat de Europese Commissie de terughoudendheid van onder meer Nederland heeft aangegrepen als argument om steward ownership en werknemerseigendom níet in haar voorstel op te nemen? Deelt u de mening dat, indien Nederland deze opties niet langer tegenhoudt, dit argument van de Commissie wegvalt en de Raad deze opties alsnog kan agenderen?
Nee, ik herken deze signalen niet. De Europese Commissie heeft het 28e regime aangekondigd in het Competitiveness Compass als een kader dat het mogelijk maakt voor innovatieve ondernemingen om te profiteren van één set geharmoniseerde Europese regels waar ze ook opereren of investeren.3 In 2025 heeft de Commissie de lidstaten op verschillende manieren betrokken bij de vormgeving van het instrument nog voor de publicatie van het daadwerkelijke voorstel in maart 2026, zoals in het High-Level Forum on Justice for Growth en door middel van een publieke consultatie. Het toenmalige kabinet heeft daarbij steeds de positie uitgedragen zoals verwoord in de Nederlandse reactie op de publieke consultatie, die ook met uw Kamer is gedeeld in september 2025.4 Het toenmalige kabinet heeft zich daarbij niet uitgelaten over het steward ownership of werknemerseigendom. Overigens begrijp ik de verwijzing naar «werknemerseigendom» zo dat in de vraagstelling wordt gedoeld op het kunnen belonen van werknemers door middel van aandelen die de werknemer direct verkrijgt. Ik zal de volgende vragen vanuit die veronderstelling beantwoorden.
Bent u bereid om in de Raadswerkgroep Vennootschapsrecht steward ownership en werknemerseigendom als optie te steunen, of op zijn minst niet langer tegen te houden, zodat Nederlandse ondernemers die daarvoor kiezen deze mogelijkheid krijgen?
Graag weerleg ik dat Nederland in de onderhandelingen voorstellen zou hebben tegengehouden op het gebied van steward ownership en werknemerseigendom, omdat die voorstellen in de Raad niet op tafel liggen (zie ook mijn antwoord op vraag 4). Wanneer dergelijke voorstellen wel formeel worden gedaan, zullen die dat moment op op hun merites worden beoordeeld, binnen het kader dat daarvoor in het BNC-fiche is geschetst. Het kabinet staat positief tegenover de rentmeestervennootschap, zoals moge blijken uit het coalitieakkoord. In de onderhandelingen over het Europese voorstel heeft het kabinet ook rekening te houden met het belang om in korte tijd tot een betrouwbaar en effectief kader voor de EU Inc. te komen. Dat heeft op dit moment de prioriteit van het kabinet, waarbij het zich baseert op het in het BNC-fiche opgenomen onderhandelingskader.
Deelt u de mening dat, gelet op uw eigen twijfels bij Artikel 114 VWEU als rechtsgrondslag (mede omdat het tweede lid van dat artikel de fiscale bepalingen én «de bepalingen inzake de rechten en belangen van werknemers» uitsluit), een grondslag (mede) op Artikel 50 VWEU niet alleen juridisch steviger is, maar ook de route vormt waarlangs waarborgen voor werknemers en opties voor steward- en werknemerseigendom daadwerkelijk in het regime kunnen worden opgenomen?
Zoals toegelicht in het BNC-fiche, heeft het kabinet kritische vragen bij de rechtsgrondslag. Een discussie over de rechtsgrondslag levert onzekerheid op voor bedrijven en werknemers. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de keuze voor een rechtsgrondslag zijn gebaseerd op objectieve factoren, waaronder het doel en de inhoud van het voorstel. Dat betekent ook dat zolang de onderhandelingen gaande zijn en het voorstel nog onderhevig is aan wijzigingen, geen definitief oordeel over de rechtsgrondslag kan worden gegeven. Het kabinet brengt de vragen omtrent de juridische grondslag naar voren tijdens de onderhandelingen en zal aan het einde daarvan de balans opmaken, mede in het licht van het belang van dit voorstel voor het versterken van de interne markt. Graag verduidelijkt het kabinet dat het voorstel noch het arbeidsrecht noch het socialezekerheidsrecht harmoniseert. Een EU Inc.-onderneming zal, op dezelfde manier als andere nationale en Europese vennootschappen, gebonden zijn aan het toepasselijke Europese en nationale arbeids- en socialezekerheidsrecht. Werknemers die in Nederland werkzaam zijn voor een EU Inc. zullen dezelfde werknemersrechten genieten als werknemers die in Nederland werkzaam zijn voor een onderneming met een andere rechtsvorm.
Onderkent u dat aan een doel gebonden eigendomsstructuren met een «asset lock» of beschermingsaandeel (steward ownership, golden share) tot de weinige structurele instrumenten behoren om strategisch belangrijke ondernemingen te beschermen tegen ongewenste overnames uit derde landen, door het Europees Parlement aangeduid als «killer acquisitions»?
Nee. Hoewel aan doel gebonden eigendomsstructuren in bepaalde gevallen een geschikt instrument kunnen zijn om strategisch belangrijke ondernemingen te beschermen, zijn dat wat het kabinet betreft geen generiek inzetbare middelen, onder andere vanwege de mogelijk nadelige gevolgen voor het investeringsklimaat. Het kabinet benadrukt dat eventuele maatregelen om strategisch belangrijke ondernemingen te beschermen proportioneel en doelgericht moeten zijn.
Nederland beschikt reeds over een dergelijk proportioneel, doelgericht en robuust publiekrechtelijk instrumentarium om bedrijven te beschermen tegen risicovolle overnames. Zo is er sinds 2023 de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet vifo) dat een generiek toetsingskader biedt voor investeringen in vitale aanbieders, bedrijfscampussen en ondernemingen die actief zijn op sensitieve technologie. Per 1 januari 2027 worden hier zes nieuwe technologieën aan toegevoegd; biotechnologie, kunstmatige intelligentie, geavanceerde materialen, nanotechnologie, sensor- en navigatietechnologie en nucleaire technologie voor medisch gebruik. Met deze wet kunnen risicovolle overnames worden getoetst op risico’s voor de nationale veiligheid, indien nodig kunnen mitigerende maatregelen worden opgelegd of een geheel verbod. Daarnaast is er sectorale wetgeving die investeringstoetsing regelt in bijvoorbeeld de telecommunicatiesector (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie) en de energiesector (Energiewet). Ook is niet iedere ongewenste overname een «killer acquisition». Die term ziet specifiek op een overname waarbij een innovatieve onderneming of potentiële concurrent wordt overgenomen met als doel die concurrentie weg te nemen. Voor dit soort mogelijk problematische overnames is er Mededingingswetgeving.
Verder is gebleken uit het rapport «Tussentijdse evaluatie van de wettelijke bedenktijd voor het bestuur van beursvennootschappen», dat op 20 februari 2025 aan uw Kamer is aangeboden, dat Nederlandse vennootschappen ten minste een twaalftal beschermingsconstructies ten dienste staat.5 Dus ook het vennootschapsrecht biedt een ruim arsenaal aan mogelijke maatregelen ter bescherming van een onderneming tegen ongewenste overnames.
Hoe verhoudt de Nederlandse terughoudendheid ten aanzien van deze eigendomsvormen zich tot uw recente besluit (mei 2026) om de overname van Solvinity, dat kritieke overheidsinfrastructuur zoals DigiD/Logius beheert, door het Amerikaanse Kyndryl te verbieden? Deelt u de mening dat steward ownership de structurele, vooraf ingebouwde variant is van precies die bescherming, waardoor een onderneming niet-overneembaar wordt zónder dat een overheidsingreep achteraf nodig is?
Het Nederlandse ondernemingsrecht biedt ondernemingen de vrijheid zelf de gewenste eigendomsstructuur te bepalen binnen de daarvoor geboden wettelijke kaders. Daarbinnen kan een «asset lock» of een beschermingsaandeel als (neven)effect een bepaalde bescherming tegen een overname opleveren. De onderneming is het beste zelf in staat om te beoordelen of dit nodig is en welke maatregelen ze daartoe wil treffen. Deze vrijheid komt Solvinity, gelijk iedere andere onderneming, toe. Bij een investeringstoetsing zoals voorzien in de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatiesector of de Wet veiligheidstoets investeringen fusies en overnames, kan de eigendomsstructuur van een doelonderneming bij de risicobeoordeling worden betrokken. Dat kan inzicht verschaffen in de invloed die met een overname van of andere verwervingsactiviteit in een doelonderneming daadwerkelijk wordt verkregen en de daarmee samenhangende risico's voor het publiek belang of de nationale veiligheid. Dat kan van invloed zijn op de uitkomst van een investeringstoets.
Een rentmeestervennootschap kan een structurele, privaatrechtelijke bescherming bieden tegen overnames, doordat de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van een onderneming zo wordt ingericht dat de onderneming niet vrij verhandelbaar is en primair gericht is op het langetermijnbelang. De effectiviteit van een rentmeestervennootschap hangt echter af van de concrete statutaire vormgeving. In Nederland en de EU zijn er juridische kaders (zoals het vennootschapsrecht en het vrij verkeer van kapitaal) die mogelijk beperkingen stellen aan absolute overnamebescherming. Daarnaast is de rentmeestervennootschap niet voor alle typen ondernemingen geschikt. Zo is zij lastig toe te passen bij beursgenoteerde ondernemingen en de aandeelhouders moeten ermee akkoord gaan dat zij weinig of geen zeggenschap meer hebben. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 9, zijn er bovendien meer mogelijkheden om een onderneming te beschermen tegen overnames. De rentmeestervennootschap is daarom geen breed toepasbare waarborg en ook niet de enige waarborg om een overheidsingreep op basis van risico's voor de nationale veiligheid of het publiek belang achteraf te kunnen vermijden.
Deelt u de mening dat een gestandaardiseerde, laagdrempelige steward-ownership-optie in het 28e regime juist invulling geeft aan de door u en de Benelux gewenste ambitieuzere aanpak en «verdere gerichte harmonisatie» van het vennootschapsrecht in plaats van daarmee in strijd te zijn?
Mario Draghi en Enrico Letta signaleren in hun beider rapporten over de toekomst van het Europese concurrentievermogen, respectievelijk over de toekomst van de interne markt6 dat de versnippering van de interne markt het voor ondernemingen in Europa relatief moeilijk maakt om te groeien over landsgrenzen heen. Verdergaande harmonisatie van het vennootschapsrecht op Europees niveau zou helpen belemmeringen voor ondernemingen weg te nemen. Juist door de bestaande verschillen tussen de nationale regimes binnen de EU, is deze harmonisatie een grote uitdaging, dit geldt voor het «reguliere» vennootschapsrecht en voor nieuwe ontwikkelingen zoals de rentmeestervennootschap, die nog niet in alle lidstaten een bekende figuur is.
Nederland heeft samen met België en Luxemburg een non-paper opgesteld7, dat in lijn is met de inzet van het kabinet in de onderhandelingen over het 28e regime, zoals ik die heb verwoord in het antwoord op vraag 5. De inzet van de Benelux heeft als doel om een meer betekenisvolle harmonisatie te bereiken door deze bijzonder omvangrijke opgave terug te brengen tot enigszins hanteerbare, en daarmee kansrijke, proporties. Door het vraagstuk aan te gaan in de kleinere context van drie lidstaten is de hoop dat «quick wins» kunnen worden onderscheiden van meer fundamentele hindernissen voor harmonisatie, en dat voor de laatste werkbare oplossingsrichtingen worden geïdentificeerd. Zo kan de Benelux als proeftuin wellicht helpen om het pad naar EU-brede harmonisatie te effenen. Het helpt in dat kader niet als het Benelux-initiatief moet worden uitgebreid met vraagstukken rond de rentmeestervennootschap.
Bent u bereid te waarborgen dat het 28e regime verenigbaar is met de in het regeerakkoord aangekondigde rentmeestervennootschap en deze niet ondergraaft, en de voortrekkersrol van de Benelux (conform de motie Van Lanschot/Dassen, Kamerstuk 36 800-XIII, nr. 30) te benutten om steward ownership en werknemerseigendom in de onderhandelingen te agenderen?
Het voorstel van de Commissie voor het 28e regime zal de rentmeestervennootschap niet kunnen ondergraven, omdat de EU Inc. is voorzien als een zelfstandige rechtspersoon die in de hele EU wordt erkend en die naast de nationale rechtsvormen bestaat. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 3, heb ik niet het streven om er in de onderhandelingen op in te zetten dat de rentmeestervennootschap wordt uitgewerkt voor de EU Inc. Wel zal het kabinet zich inzetten voor verdere flexibilisering van het voorstel voor de EU Inc. mede ten behoeve van de rentmeestervennootschap. Wat betreft het agenderen van een specifieke regeling voor werknemerseigendom, anders dan het voorstel voor het EU-aandelenoptieplan voor werknemers dat in het voorstel staat, geldt hiervoor eveneens dat dit niet past in het hoge tempo van de onderhandelingen.
Welke inzet zullen de Nederlandse vertegenwoordigers in de Raadswerkgroep Vennootschapsrecht kiezen ten aanzien van de steward-ownership- en werknemerseigendomsopties, en bent u bereid de Kamer over dat standpunt te informeren vóórdat een politiek akkoord wordt bereikt (voorzien eind 2026)?
Zoals ik ook heb aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het belangrijk om nu eerst te komen tot een betrouwbare en flexibele Europese rechtsvorm voor de EU Inc., met een heldere status en juridische rechtsbasis en om in Nederland de gedachtenvorming rond een wettelijke regeling voor de rentmeestervennootschap af te ronden. Ik ben daarom niet voornemens om in Brussel actief te pleiten voor het opnemen van een rechtsvorm voor de rentmeestervennootschap in het voorstel. Datzelfde geldt voor de mogelijkheid voor werknemerseigendom, anders dan het in het voorstel reeds opgenomen aandelenoptieplan voor werknemers. Mocht daartoe door anderen een voorstel worden gedaan, dan zal dat op dat moment op zijn merites worden beoordeeld, binnen het kader van het BNC-fiche.
Kunt u bevestigen dat u werkelijke werknemerszeggenschap en -eigendom onderscheidt van het belonen in aandelenopties (de EU-ESO-regeling), zodat uw steun voor die fiscale optieregeling niet in de plaats komt van echte opties voor werknemerseigendom?
In het voorstel wordt een geharmoniseerd aandelenoptieplan (EU-ESO) geïntroduceerd. Deze geeft EU Inc.-ondernemingen de mogelijkheid om eenvoudig aandelenoptierechten te kunnen uitgeven aan werknemers. Het kabinet heeft zijn positie over deze werknemersoptieregeling uiteengezet in het BNC-fiche en draagt deze uit tijdens de onderhandelingen. In de vraagstelling wordt gerefereerd naar echte opties voor werknemerseigendom. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 6, ga ik uit van de veronderstelling dat in de vraagstelling wordt gedoeld op een regeling die een EU Inc. de mogelijkheid biedt om werknemers te belonen met aandelen, die de werknemer direct verkrijgt. Op dit moment ligt dat onderwerp niet voor in de raadswerkgroepen. Mocht gedurende de onderhandelingen een concreet voorstel daarvoor worden gedaan, dan zal dat voorstel op zijn eigen merites beoordeeld worden.
Herkent u steward ownership als een vorm van rentmeesterschap (eigendom gehouden ten dienste van een blijvend doel en van toekomstige generaties), en bent u bereid de keuzevrijheid daarvoor voor Europese ondernemers actief te verdedigen en te bepleiten?
Het kabinet staat positief tegenover de rentmeestervennootschap, zoals blijkt uit hetgeen daarvoor is opgenomen in het coalitieakkoord. Ik heb uw Kamer daarom laten weten dat ik bezie hoe het vennootschapsrecht verder kan worden geflexibiliseerd, zodat er meer ruimte komt voor het voeren van een onderneming in de vorm van een rentmeestervennootschap. Gelet op de omstandigheden zoals beschreven in de bovenstaande antwoorden op eerdere vragen, kiest het kabinet er niet voor om de rentmeestervennootschap actief te bepleiten tijdens de onderhandelingen over de EU Inc.
Het kabinet zal zich, zodra zich daartoe een gelegenheid voordoet, welwillend opstellen om het vennootschapsrecht in de EU te harmoniseren en te flexibiliseren, in lijn met het Nederlandse vennootschapsrecht, waarvan ook rentmeestervennootschappen zullen kunnen profiteren.
Het achterlopen van de publicatie van de agenda van Staatssecretaris Aerts |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat op de website van de Rijksoverheid de openbare agenda van u, voor zover gepubliceerd, niet verder inzichtelijk is dan week 40 van het jaar 2026?
Bent u ervan op de hoogte dat u als een van de zes bewindspersonen binnen het kabinet het verst achterloopt met de publicatie van de agenda en dat u dus op een gedeelde laatste plaats staat?
Klopt het dat de agenda’s voor de daaropvolgende weken nog niet openbaar waren gepubliceerd op 27 oktober 2026? Zo nee, kunt u aangeven welke agenda’s inmiddels wel zijn gepubliceerd en op welke data dit is gebeurd?
Deelt u de opvatting dat het niet tijdig openbaar maken van de agenda van een bewindspersoon de informatiepositie van Kamerleden kan beïnvloeden en daarmee de mogelijkheid van de Kamer om de controlerende taak uit te oefenen kan bemoeilijken? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de geconstateerde publicatieachterstand zich tot de Uitvoeringsrichtlijn Openbare agenda bewindslieden, waarin is vastgelegd dat agenda’s die achteraf worden gepubliceerd uiterlijk binnen twee weken moeten worden aangeleverd bij de redactie van Rijksoverheid.nl?
Kunt u per week aangeven wanneer de agenda-informatie over de weken 41, 42 en 43 en voor zover beschikbaar week 44, bij de redactie is aangeleverd? Indien informatie nog niet is aangeleverd, wat is daarvan de reden?
Is er sprake van een bewuste keuze om de agenda met vertraging openbaar te maken, of is de achterstand het gevolg van administratieve of organisatorische omstandigheden? Indien sprake is van een bewuste keuze, wat is daarvan de reden?
Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de Kamer en het publiek tijdig inzicht kunnen krijgen in de externe contacten van bewindspersonen, conform het uitgangspunt «openbaar, tenzij»?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat eventuele achterstanden in de publicatie van de agenda zo spoedig mogelijk worden weggewerkt en dat de geldende publicatietermijnen voortaan worden nageleefd? Zo nee, waarom niet?
De berichtgeving inzake de kabinetsplannen met betrekking tot de bezuiniging op de ambtelijke organisatie |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Eric van der Burg (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat op maandagochtend 26 oktober in diverse media, onder andere door middel van een interview in het Algemeen Dagblad, te lezen was over de kabinetsplannen met betrekking tot de bezuiniging op de ambtelijke organisatie, terwijl de Kamer de brief pas ruim na die berichtgeving in de media ontving?
Deelt u nog steeds de mening dat het in het belang van goede staatsrechtelijke verhoudingen is dat de Kamer altijd eerst wordt geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Wat is de reden dat u ervoor kiest om met name in de uitvoering fors te gaan snijden? Wat zijn de gevolgen hiervan voor de uitvoering van belangrijke overheidstaken? En hoe voorkomt u hiermee dat de uitvoering verder vastloopt?
Klopt het dat er bij de Belastingdienst nu juist een tekort aan capaciteit is, waardoor vele miljarden euro’s aan belastingen niet kunnen worden geïnd? Vindt u het uitlegbaar dat de kans aanwezig is dat door het snijden in de uitvoering er nog meer belastingen niet geïnd kunnen worden?
Klopt het dat door fors te snijden in bijvoorbeeld het toezicht in de zorg, de zorgfraude minder goed kan worden opgespoord, terwijl het juist de bedoeling is dat de vele miljarden euro’s aan zorgfraude wel worden opgespoord? Hoe legt u deze inconsistentie uit?
Kunt u een overzicht geven van de toezichthouders waarop bezuinigd zal gaan worden en of deze toezichthouders nu al juist kampen met capaciteitstekorten om hun toezichthoudende taken goed uit te kunnen voeren?
Klopt het dat door het fraudebeleid van de overheid er nu heel veel voltijds-equivalent (fte) nodig is om het toeslagenschandaal op te lossen?
Kunt u specifiek uitleggen hoe precies tot de optelsom van de taakstelling is gekomen? Welke concrete cijfers en onderbouwingen liggen hieraan ten grondslag? Of is de optelsom het resultaat van het sluitend willen maken van de begroting?
Welke risico’s ziet u ten aanzien van het feit dat er in de toekomst juist veel nieuwe externe inhuur nodig is, omdat cruciale kennis niet meer aanwezig is bij de departementen zelf? En hoe voorkomt u dat de overheid hiermee nog meer afhankelijk wordt van externe bureaus?
Welke risico’s ziet u ten aanzien van het gebruik van artificiële intelligentie (AI), zolang Nederland en Europa vooral afhankelijk zijn van grote AI-bedrijven van buiten de EU? Hoe weegt u deze ongewenste afhankelijkheid mee bij uw plannen om overheidsdienstverlening en overheidstaken uit te voeren?
Klopt het dat een groot deel van de kosten die gemaakt worden in Wet open overheid (Woo)-procedures komen, doordat overheden stelselmatig te weinig hebben gedaan om de achterstallige informatiehuishouding te verbeteren? Zo nee, hoe zit dit dan volgens u wel?
Wat is er de afgelopen jaren concreet gedaan om de informatiehuishouding te verbeteren? Welke stappen die eerder zijn afgesproken, onder andere tijdens de behandeling van de Woo in beide Kamers, zijn er concreet uitgevoerd? En waarom is dit tot op heden nog niet substantieel verbeterd?
Waarom wil het kabinet de openbaarheid van burgers en journalisten inperken, terwijl het de overheid zelf is die haar informatiehuishouding niet op orde heeft? Hoe legt u dit aan de samenleving uit?
Kunnen alle relevante beslisnota’s, dus niet alleen de beknopte nota die nu is meegestuurd, die ten grondslag liggen aan de samenstelling van deze brief, dus ook die over de inhoud van de brief gaan en die afkomstig zijn van andere departementen, met de Kamer worden gedeeld?
Kunt u deze vragen ruim voorafgaand aan de relevante commissiedebatten over de informatie- en werkafspraken tussen Kamer en kabinet en over de slagvaardige overheid afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bent u bekend met de betreffende uitzending van Buitenhof en de publicatie in het NRC?1, 2
Bent u het eens met het geschetste (mogelijke) verlies aan inkomsten van de overheid als gevolg van deze bezuiniging?
In 2024 constateerde de Algemene Rekenkamer reeds dat de belastingdienst tenminste 1000 fte te kort kwam voor het uitvoeren van alle controlewerkzaamheden. Komt deze bezuiniging daar bovenop? Hoeveel fte aan controlecapaciteit gaat met deze extra bezuiniging verloren?
Waarom is er gekozen voor het doorsluizen van deze bezuiniging naar de belastingdienst terwijl de overheid juist zit te springen om extra inkomsten? Immers, minder controle leidt toch ook tot minder inkomsten?
Is deze bezuiniging ter advisering ook voorgelegd aan de Raad van State en Centraal Planbureau (CPB)?
Is het bij de regering bekend dat 50PLUS in haar tegenbegroting van 2019 dit vraagstuk heeft voorgelegd aan het CPB (ex-ante budgettaire effecten tegenbegroting 50PLUS van 19 september 2018)? Is het u bekend dat het CPB op grond van de toen geldende uitgangspunten heeft geconcludeerd dat (extra) uitgaven aan controle op naleving, tot extra inkomsten van vergelijkbare omvang leidt? Deelt u de observatie dat, volgens dit uitgangspunt, een bezuiniging dus ook spiegelbeeldig zal leiden tot minder inkomsten van vergelijkbare omvang? Dan is er de facto toch helemaal geen financiële logica om tot een dergelijke bezuiniging over te gaan? Zijn de modelmatige uitgangspunten van het CPB, sinds 2019 op dit punt formeel aangepast of niet?
Kunt u aangegeven waarom er wel of niet er sprake is van (toenemende) schending van het gelijkheidsbeginsel (artikel 1 Grondwet), de beginsel tot handhaving (bestuursrecht) en het legaliteitsbeginsel (artikel 104 Grondwet) op het moment de invorderende en controlerende taak onvoldoende wordt uitgevoerd?
Muizenschade aan grasland en de gevolgen voor mestregelgeving |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden muizen en geperforeerd grasland: veldmuizenplaag stelt wetenschappers voor raadsels»?1
Welke gevolgen heeft de muizenschade voor de grasopbrengst en het herstel van de grasmat? Welke knelpunten ondervinden getroffen boeren bij de mestregelgeving?
Is onderzoek gedaan naar de verschillen in mineralisatie tussen het vernieuwen van een gezonde grasmat en een grasmat na muizenschade, op verschillende grondsoorten?
Bent u bereid de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) hierover om advies te vragen en zo nodig onderzoek te laten doen naar de verschillen in mineralisatie tussen verschillende grondsoorten?
Bent u bereid op basis van een onderzoek bij muizenschade een vaste stikstofgift toe te staan na vernieuwen van grasland op klei- en veengrond in de periode van 1 februari tot en met 15 september, in plaats van bemesting op basis van een grondmonster? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij overmacht door muizenschade graslandvernieuwing toe te staan met behoud van de eco-premie binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), onder meer voor de eco-activiteiten die betrekking hebben op grasland, zoals langjarig grasland, kruidenrijk grasland, grasklaver en bufferstroken langs grasland?
Het feit dat NS voornemens is de tickets en abonnement tot liefst 5% te verhogen in 2027 |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht1 «Treinkaartjes weer duurder: NS verhoogt prijs van een doorsnee kaartje met bijna 5 procent en lokt reiziger naar daluren» van De Telegraaf d.d. 20 oktober 2026?
Welke concrete maatregelen hebben u en de NS het afgelopen jaar genomen om deze nieuwe prijsverhoging te voorkomen of te beperken? Wat is de reden dat deze maatregelen kennelijk onvoldoende bleken?
Kunt u inzichtelijk maken hoe de aangekondigde prijsverhoging van bijna 5 procent is opgebouwd en welk deel hiervan voortvloeit uit gestegen operationele kosten, inflatie en eerder gemaakte financiële afspraken?
Welke gevolgen verwacht u dat deze nieuwe prijsverhoging heeft voor het aantal treinreizigers? Heeft de NS onderzocht hoeveel reizigers door de aanhoudende prijsstijgingen mogelijk afhaken en kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Wat betekent deze prijsverhoging voor de concurrentiepositie van de NS ten opzichte van andere vervoersmiddelen, in het bijzonder de auto?
Deelt u de zorg dat de trein zichzelf door de steeds hogere tarieven voor een groeiende groep Nederlanders uit de markt prijst?
Deelt u de constatering dat de Kamer inmiddels vrijwel ieder jaar dezelfde vragen kan stellen over nieuwe prijsverhogingen, financiële tegenvallers en de toekomstbestendigheid van de NS? Vindt u het acceptabel dat er kennelijk nog altijd geen structurele oplossing is gevonden, en wanneer mogen reizigers eindelijk verbetering verwachten?
Erkent u dat de NS zich in een aanhoudende neerwaartse spiraal lijkt te bevinden, waarbij stijgende kosten leiden tot hogere tarieven, hogere tarieven reizigers kunnen afschrikken en teruglopende reizigersaantallen vervolgens weer druk zetten op de financiële positie van de NS? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om deze ontwikkeling te doorbreken?
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van IenW?
Ambulancezorg in en tussen grensregio’s |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Als de ambulance niet over de grens naar het ziekenhuis mag: «Soms verlies je kostbare tijd, met alle risico’s van dien voor de patiënt»»?1
Welke juridische, bestuurlijke en financiële knelpunten staan de aanpassing van de Benelux-regelgeving voor grensoverschrijdende ambulancezorg nog in de weg? Welke concrete stappen zijn nodig om deze op te lossen?
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot het advies van het Schakelpunt Grensbelemmeringen uit juli 2025 om de Benelux-beschikking aan te passen? Welke stappen zijn sindsdien gezet en welke partijen moeten nog instemmen voordat de wijziging in werking kan treden?
Welke gevolgen heeft de voorgestelde aanpassing van de Benelux-beschikking voor de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van Nederlandse en Belgische ambulancediensten en meldkamers? Wat zou dit betekenen voor eventuele aansprakelijkheid?
Welke afspraken zijn nog nodig over de vergoeding van ziekenhuiszorg wanneer een Belgische ambulance een patiënt naar Nederland brengt? Welke stappen zet u om hierover met België tot overeenstemming te komen?
Hoe wordt bij de aanpassing van de Benelux-beschikking gewaarborgd dat Belgische ambulances patiënten daadwerkelijk naar het meest geschikte ziekenhuis kunnen vervoeren, waarbij de medische noodzaak, de reistijd en de benodigde specialistische zorg leidend zijn?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Benelux verdere afspraken te maken om grensoverschrijdende ambulancezorg eenvoudiger te organiseren? Welke juridische of praktische belemmeringen kunnen hiermee worden weggenomen?
Wat is de stand van zaken bij het oplossen van knelpunten in het grensoverschrijdend ambulancevervoer tussen Nederland en Duitsland? Welke belemmeringen bestaan er nog op het gebied van bevoegdheden, kosten, privacy en aansprakelijkheid?
Welke mogelijkheden ziet u om de samenwerking tussen Nederlandse, Belgische en Duitse hulpdiensten binnen de Euregio Maas-Rijn verder te verbeteren?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie afspraken te maken die grensoverschrijdende zorg eenvoudiger maken? Op welke terreinen kan Europese samenwerking helpen om belemmeringen door verschillen in nationale wet- en regelgeving weg te nemen?
Hoe wordt grensoverschrijdende ambulancezorg in het kader van weerbare zorg meegenomen in het opschalingsplan voor grootschalige en langdurige crises, zodat ambulances en ziekenhuizen aan beide kanten van de grens bij een ramp als één netwerk kunnen samenwerken?
Het bericht dat 1000 ASML-collega’s de Koning en de premier om hulp vragen om Omar Elshal terug te halen |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «1000 ASML-collega’s vragen Koning en premier om hulp om Omar terug te halen»?1
Wat is uw reactie op het verzoek om premier Jetten en de Koning een persoonlijke rol te laten spelen om op te komen voor de belangen van Omar Elshal?
Is de regering bereid, in lijn met de aangenomen motie waarin de regering wordt verzocht om de zaak van Omar Elshal op het hoogste diplomatieke en politieke niveau aan te kaarten bij de Egyptische regering (Kamerstuk 32 735, nr. 437), een mogelijkheid te creëren zodat premier Jetten de zaak van Omar Elshal persoonlijk bij de Egyptische autoriteiten kan aankaarten? Zo ja, wanneer zal premier Jetten dit doen? Zo nee, waarom niet?
Wat kunt u mededelen over de mogelijkheid dat de Koning in diplomatiek verband een persoonlijke rol kan spelen om de zaak van Omar Elshal op te brengen bij de Egyptische autoriteiten?
Heeft u in uw gesprek op 12 oktober 2026 met uw Egyptische collega de zaak van Omar Elshal opgebracht? Zo ja, wat heeft u opgebracht? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat er een nieuwe zitting gepland staat op 26 oktober? Zo ja, doet Nederland er alles aan om ervoor te zorgen dat er nu wel sprake is van ongehinderde toegang van Elshal tot zijn zitting en zal Nederlands ambassadepersoneel ter zitting aanwezig zijn om consulaire toegang te krijgen?
Heeft u reeds in Europees verband contact gehad over de zaak van Omar Elshal en kunt u aangeven of de vertegenwoordiging van de EU in Egypte de zaak van Elshal inmiddels ook opbrengt in de contacten die zij heeft met Egyptische autoriteiten?
Bent u bereid om, vanwege de zittingsdatum, deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
Strafvermindering als gevolg van lange doorlooptijden in de strafrechtketen |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Druk op politie, OM en rechters leidt tot lagere straffen»?1 Wat is uw reactie op de geschetste problematiek en herkent u het beeld dat de toenemende druk op de strafrechtketen ertoe leidt dat veroordeelden strafvermindering krijgen vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
In hoeveel procent van de strafzaken wordt strafvermindering toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn? Kunt u hiervan cijfers over de afgelopen vijf jaar verstrekken? Als exacte cijfers ontbreken, kunt u dan een onderbouwde indicatie geven?
Wat is de gemiddelde strafvermindering die wordt toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn, zowel in absolute zin als procentueel ten opzichte van de straf die zonder termijnoverschrijding zou zijn opgelegd? Kunt u hierbij onderscheid maken tussen verschillende soorten straffen?
Welk percentage van de strafzaken waarin strafvermindering wordt toegepast vanwege termijnoverschrijding betreft ernstige delicten, waaronder geweldsdelicten, zedendelicten, drugscriminaliteit en high impact crimes? Kunt u dit uitsplitsen naar delictcategorie?
Hoe beoordeelt u de stelling in het artikel dat de strafvermindering vanwege termijnoverschrijding in de regel beperkt is, gelet op de genoemde voorbeelden waarin aanzienlijke strafvermindering is toegepast, waaronder de zaak van een drugsdealer uit Helmond? Deelt u de opvatting dat dergelijke strafverminderingen moeilijk als beperkt kunnen worden aangemerkt?
In het artikel wordt gewezen op de toenemende complexiteit van strafzaken als verklaring voor de langere doorlooptijden; waaruit bestaat deze toegenomen complexiteit precies? Welke factoren spelen hierin de grootste rol en in hoeverre dragen deze aantoonbaar bij aan de langere doorlooptijden?
Ziet u mogelijkheden om door een gerichtere inzet van enkelvoudige strafkamers, in plaats van meervoudige strafkamers, de beschikbare zittingscapaciteit efficiënter te benutten en daarmee de doorlooptijden te verkorten? Zo ja, welke concrete maatregelen bent u bereid te treffen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ziet u mogelijkheden om digitale of online strafzittingen vaker in te zetten om de beschikbare zittingscapaciteit efficiënter te benutten en de doorlooptijden te verkorten, met behoud van de rechten van verdachten en slachtoffers? Zo ja, welke concrete maatregelen bent u bereid te treffen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Welke andere concrete efficiencymaatregelen ziet u om de doorlooptijden binnen de strafrechtketen terug te dringen? Welke maatregelen worden momenteel al uitgevoerd, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk en welk tijdpad hanteert u daarbij?
Deelt u de opvatting dat het bijzonder onwenselijk is wanneer daders van ernstige criminaliteit, waaronder geweldsdelicten, zedendelicten, drugscriminaliteit en high impact crimes, strafvermindering krijgen doordat de strafrechtketen onvoldoende in staat is hun zaken tijdig af te handelen? Bent u bereid met de betrokken ketenpartners concrete afspraken te maken om termijnoverschrijdingen in deze zaken met voorrang te voorkomen, zodat strafvermindering vanwege lange doorlooptijden zo veel mogelijk wordt tegengegaan? Zo ja, welke afspraken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Hoe de voedingsindustrie ruim baan krijgt om tegen Wet kindermarketing te lobbyen’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hoe de voedingsindustrie ruim baan krijgt om tegen Wet kindermarketing te lobbyen»?1
Wat is uw reactie op de conclusie van het artikel dat de voedselindustrie intensief betrokken is bij de Wet kindermarketing, terwijl gezondheidsorganisaties veel minder in de gelegenheid zijn en worden gesteld mee te praten?
Kunt u precies aangeven hoe en op welke momenten de voedselindustrie, in ieder geval de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en de Vereniging voor de Bakkerij- en Zoetwarenindustrie (VBZ), betrokken zijn (geweest) bij de totstandkoming van de Wet kindermarketing?
Klopt het dat de FNLI en de VBZ hebben kunnen meelezen en meedenken op concept-Kamerbrieven? Zo ja, op welke brieven en tot welke aanpassingen heeft dit geleid?
Kunt u precies aangeven hoe en op welke momenten andere net zo relevante maatschappelijke stemmen zoals de gezondheidsfondsen betrokken zijn (geweest) bij de totstandkoming van de Wet kindermarketing?
Deelt u de mening dat de voedselindustrie een groot belang heeft bij het zo min mogelijk reguleren van kindermarketing en dat het daarom des te belangrijker is dat ook stemmen die het gezondheidsbelang vertegenwoordigen betrokken worden? Zo ja, in hoeverre bent u van mening dat deze verschillende perspectieven voldoende zijn meegenomen?
Kunt u per geschrapte maatregel of marketingtechniek (algemene norm, antropomorfische afbeeldingen van dieren, fantasiefiguren, producten in de vorm van een dier, speelgoed gekoppeld aan het (verpakte) product en gebruik van de term «kind») aangeven waarom deze uit het wetsvoorstel is geschrapt en of hierover verschil van inzicht bestond tussen uw ambtenaren en de voedselindustrie?
Klopt het dat een interne jurist heeft gewaarschuwd dat uitzonderingen «juridisch kwetsbaar» zijn? Zo ja, kunt u deze overwegingen met de Kamer delen?
Deelt u de mening dat het nog steeds van het grootste belang is dat de Wet kindermarketing er snel komt, gezien de toenemende problemen met overgewicht bij kinderen en de ineffectiviteit van vrijblijvende afspraken?
Deelt u de mening dat afzwakkingen van het wetsvoorstel niet in lijn zijn met het coalitieakkoord, waarin juist is afgesproken dat de wet die kindermarketing gaat reguleren aangescherpt wordt? Zo ja, hoe gaat u het coalitieakkoord uitvoeren?
Bent u bereid om er vanaf nu voor te zorgen dat zowel de voedselindustrie als gezondheidsorganisaties in gelijke mate betrokken worden bij de Wet kindermarketing?
Het artikel ‘Van Smakelijke Reus in Schimmert naar DAF Space Cab’ |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van Smakelijke Reus in Schimmert naar DAF Space Cab»?1
Herkent u het signaal dat ondernemers bij financiële problemen of een faillissement ondersteuning vinden, maar dat die ondersteuning niet altijd voldoende gericht is op de situatie van ondernemers, zoals de verwevenheid van bedrijf met inkomen, identiteit, verantwoordelijkheid voor personeel, omvang van de schulden en verschil in positie van de vpb en ib-ondernemer?
Welke rol kan het Ministerie van Economische Zaken spelen om te voorkomen dat de ondernemers tussen de diverse dienstverlening zoals bedrijfseconomische ondersteuning, schuldhulpverlening en gezondheidszorg vallen?
Kunt u aangeven welke vorm van schuldhulpverlening er is voor een ondernemer met een BV (vpb-ondernemer)? Op welke wijze is dit georganiseerd?
Klopt het dat een vpb ondernemer eerst failliet moet gaan om in aanmerking te komen voor de reguliere schuldhulpverlening?
Welke landelijke voorzieningen bestaan momenteel specifiek voor ondernemers die als gevolg van financiële problemen, bedrijfsbeëindiging of faillissement ernstige mentale klachten of suïcidale gedachten ontwikkelen? Hoe worden ondernemers actief naar deze voorzieningen geleid?
De Kamer van Koophandel beschrijft op hun website dat er een ondersteuningsnetwerk is; wordt bijgehouden hoeveel ondernemers via de Kamer van Koophandel daadwerkelijk passende ondersteuning ontvangen en of zij na een doorverwijzing ook bij de juiste hulp terechtkomen? Zo ja, wat zijn de resultaten?
De ondernemer wijst in zijn verhaal dat er behoefte bestaat aan een eerstelijnsorganisatie voor ondernemers die is gericht op vroegsignalering, warme doorverwijzing en nazorg bij ondernemers in zwaar weer; hoe kijk u hierna? Bent u eventueel bereid om te onderzoeken wat de meerwaarde kan zijn van een aanspreekpunt specifiek voor ondernemers?
Meetbare doelstellingen voor de democratische rechtsstaat |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de tool «Blik op Nederland: Dashboard Doelen en Resultaten» van de Algemene Rekenkamer, waarin op basis van de Rule of Law Index kwantitatief inzicht wordt verschaft in de staat van de Nederlandse rechtsstaat?1
Bent u bekend met het rapport «Democratie-APK raakt verder uit zicht – Democratie Monitor 2026», waarin op basis van 41 indicatoren kwantitatief inzicht wordt verschaft in de staat van de Nederlandse democratie?2
Bent u bekend met de Global Right to Information Rating (RTI), waarin op basis van 61 indicatoren kwantitatief inzicht wordt verschaft in de mate waarin nationale overheden openbaarheid van overheidsinformatie wettelijk hebben gewaarborgd?3
Bent u bekend met het gezegde «meten is weten»?
Op welke wijze meet u momenteel de concrete voortgang van uw beleidsdoel «het versterken van de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat»?4
Op welke wijze meet u momenteel de concrete voortgang van uw beleidsdoel «sterke rechtsstaat»?5
Op welke wijze meet u beiden momenteel de effecten van uw beider beleidsprioriteiten op de staat van de democratische rechtsstaat?
Kunt u aangeven waarom u in uw reactie op het verzoek van de Kamer inzake concrete en meetbare hoofddoelen van kabinetsbeleid enkel de beleidsvoorstellen voor een gemeenschapsfonds en maatschappelijke weerbaarheid betrekt, en niet uw algehele beleidsdoel met betrekking tot het versterken van de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat voorziet van meetbare formuleringen?6
Hoe reageert u op de stelling van de Algemene Rekenkamer dat er bij dit beleidsdoel geen reden is om in het geheel geen of beperkt concrete doelen op te nemen?7
Hoe reageert u op de stelling van de Algemene Rekenkamer dat voor uw beleidsprioriteiten, waaronder «sterke rechtsstaat», geen concrete doelen met indicatoren zijn geformuleerd?8
Bent u beiden bereid om, mede gelet op aangenomen moties en aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, bij uw beide beleidsdoelen voor de democratische rechtsstaat ten minste één doelstelling meetbaar te formuleren aan de hand van concrete indicatoren en deze in het vervolg op te nemen in uw begroting en jaarverslag? Zo nee, waarom niet?
Bent u beiden bereid om, los van specifieke beleidsdoelstellingen, aan de hand van concrete indicatoren periodiek de staat van de democratische rechtsstaat te meten, zodat u uw beleid hierop kunt afstemmen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken?
Herinnert u zich de Kamerbrief inzake de vervanging van het Regeringsvliegtuig van 4 april 20171, waaruit blijkt dat de operatie en het onderhoud van het vorige regeringsvliegtuig wel zijn aanbesteed? Deelt u deze lezing en welke verschillen zijn er in de gevolgde procedure en de toepasselijke wet- en regelgeving tussen de situatie van toen en die van nu?
Welke verschillen zijn er tussen de toenmalige en huidige eisen rond geheimverklaring, waardoor een aanbesteding volgens u nu niet mogelijk zou zijn?
Bent u van mening dat de veiligheidssituatie tussen 2019 en nu dermate verergerd is dat zelfs een verkenning van aanbestedingsmogelijkheden niet meer te verantwoorden was? Kunt u uw antwoord toelichten?
Herinnert u zich het antwoord op vraag vier2, waarin werd gesteld dat ondanks de geopolitieke situatie meerdere partijen in aanmerking kwamen voor de operatie? Kunt u alsnog de «moverende redenen» toelichten waarom er wederom gekozen is voor KLM?
Herinnert u zich de Kamerbrief van 13 februari 2018 inzake het leasen van een interim regeringsvliegtuig3, waaruit blijkt dat KLM tijdelijk de operatie van het regeringsvliegtuig had uitbesteed aan een derde partij? Is het mogelijk om de operatie van PH-GOV uit te besteden tot het punt dat het huidige regeringstoestel haar natuurlijke levenseinde bereikt en het bestaande contract afloopt? Zo nee, waarom was het in 2018 wel mogelijk en nu niet meer?
Wat betekent de aanschaf van het nieuwe Airbustoestel voor de resterende duur van het bestaande contract met KLM, dat loopt tot 2029?
Doelt u op de nog resterende jaren van het lopende contract wanneer u verwijst naar de aanwijzing van KLM bij het besluit van 8 juli met betrekking tot het nieuwe toestel?
Is bij de overstap naar een ander type vliegtuig sprake van een wezenlijke wijziging van de opdracht zoals bedoeld in de Aanbestedingswet? Zo ja, welke consequenties heeft dit? Zo nee, waarom niet?
De inbeslagname van een server door de Amsterdamse politie op verzoek van de Amerikaanse regering |
|
Christine Teunissen (PvdD), Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het NRC over de Amsterdamse politie die een server in beslag genomen van de Italiaanse internetdienstverlener Autistici/Inventati (A/I), op basis van een Amerikaans rechtshulpverzoek en dat een kopie van de inhoud van de server naar de VS wordt gestuurd?1
Wat vindt u van de reactie van de Amsterdamse politie die tegen het NRC heeft gezegd dat wanneer een dergelijk verzoek komt: „Dat voer je dan gewoon uit»?
Op welke juridische basis is dit verzoek van de Verenigde Staten uitgevoerd?
Kunt u bevestigen dat ongeacht de juridische basis «een verzoek niet mag leiden tot een schending van mensenrechten en dat daarom een rechtshulpverzoek altijd eerst wordt getoetst aan internationale verdragen en de Nederlandse wetgeving»?2 Heeft u deze toets uitgevoerd en zo ja, wat is er uit deze toets gekomen? Kunt u de uitkomsten van deze toets voor dit specifieke geval met de Kamer delen?
Hoe verhoudt deze toets zich tot de uitspraken van de Amsterdamse politie die zegt dat een dergelijk verzoek «gewoon» wordt uitgevoerd?
Kunt u bevestigen dat de server in bezit was van een Italiaanse antifascistische en feministische organisatie die zichzelf heeft opgeheven nadat ze door de Amerikaanse regering op de sanctielijst zijn geplaatst?3
Klopt het dat de Amerikaanse regering uit politieke motieven deze organisatie op de sanctielijst heeft gezet? Wat is uw standpunt over het plaatsen van deze organisatie op de sanctielijst?
Kunt u bevestigen dat de Amsterdamse politie van plan is een kopie van de server naar Amerika te sturen? Op basis van welke rechtsgrond gaat dat gebeuren? Bent u bereid om in te grijpen om te voorkomen dat een kopie van de server naar Amerika wordt gestuurd?
Heeft de Amerikaanse regering vergelijkbare rechtsverzoeken gedaan aangaande het Internationaal Strafhof, omdat ook het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst gezet en eveneens in Nederland zetelt?
Hoe beoordeelt u de uitvoering van het Amerikaans verzoek in het licht van pogingen van de Amerikaanse regering om de technologische afhankelijkheid van Europese lidstaten in te zetten als politiek en economisch drukmiddel?
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Kunt u in ieder geval per direct uitvoering geven aan vraag 8?
Het bericht 'Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting' |
|
Bart Bikkers (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting»?1
Wat vindt u ervan dat middelen van Preventie met Gezag (PmG) terechtkomt bij een organisatie die betrokken is bij witwaspraktijken?
Hoeveel middelen vanuit PmG via de gemeente Amsterdam zijn terechtgekomen bij de alliantie ONE Jongerenwerk en de daarin deelnemende stichtingen? Zo ja, om welke bedragen gaat het?
Welke eisen stelt het Rijk aan gemeenten die PmG-middelen doorverstrekken aan stichtingen en andere uitvoeringsorganisaties, als het gaat om de integriteit van de ontvanger? Is een integriteitstoets, zoals een Bibob-toets, daarbij een voorwaarde? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat bijna alle gemeenten subsidies in hun Bibob-beleid hebben opgenomen, maar dat het instrument bij subsidies in de praktijk weinig wordt ingezet en dat vooralsnog geen enkele verleende subsidie naar aanleiding van een Bibob-onderzoek is ingetrokken?
Bent u bereid om, samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), te bevorderen dat gemeenten bij meerjarige subsidies boven een bepaald drempelbedrag aan organisaties die werken met kwetsbare of risicojongeren standaard een Bibob-toets uitvoeren? Bent u bereid dit als voorwaarde te verbinden aan de besteding van PmG-middelen?
Op welk detailniveau ontvangt u verantwoordingsinformatie over PmG: alleen op programmaniveau, of ook per interventie en per uitvoerende organisatie en bent u van mening dat u voldoende zicht heeft op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de middelen die worden besteed via PmG?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk om PmG-middelen terug te vorderen of te korten wanneer blijkt dat deze onrechtmatig, in strijd met de doelstellingen zijn besteed of waarvan de doelmatigheid niet kan worden vastgesteld?
In hoeverre voldoen de interventies die de gemeente Amsterdam met PmG-middelen financiert aan het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit?
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te voorkomen dat PmG-middelen worden ingezet bij witwasconstructies?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het tweeminutendebat Jeugdcriminaliteit beantwoorden?
Deelt u de zorgen van de Algemene Rekenkamer1 over het feit dat de Nederlandse infrastructuur op veel plekken niet aan de NAVO-eisen voldoet, waardoor in geval van een militair conflict in Europa militaire transporten niet goed en snel door Nederland vervoerd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat er naar aanleiding van eerdere rapporten en waarschuwingen over de staat van de Nederlandse infrastructuur weinig tot niets gedaan is met deze zorgen? Zo nee, wat heeft het kabinet concreet gedaan de afgelopen jaren om opvolging te geven aan eerdere zorgen vanuit de Algemene Rekenkamer hierover? Kan per eerder rapport worden aangegeven welke concrete acties ondernomen zijn en welke budgettaire gevolgen hieraan gekoppeld waren?
Deelt u de mening dat hopen op het feit dat er altijd een omrijroute is waar het transport (gedeeltelijk) overheen kan rijden erg naïef is en getuigt van slechte voorbereiding op een mogelijke oorlogssituatie waarin militair transport daadwerkelijk met grote spoed door Nederland verplaatst moet worden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het, vanuit militair oogpunt, kwetsbaar is om erop te vertrouwen dat bij een conflict de infrastructurele bottlenecks in de logistieke keten niet zullen worden aangevallen?
Deelt u de mening dat het oplossen van de knelpunten in de militaire mobiliteit niet alleen een verantwoordelijkheid is van het Ministerie van IenW? Zo nee, waarom niet?
Wat is de reden dat het kabinet niet bereid is om extra te investeren in noodzakelijk onderhoud van bestaande infrastructuur? Kan hierbij uitgebreid toegelicht worden wat de potentiële militaire en economische gevolgen zijn van het uitstellen van noodzakelijk onderhoud?
Welke concrete acties en budgettaire gevolgen verbindt het kabinet aan dit nieuwe zorgelijke rapport van de Algemene Rekenkamer?
Kunt u aangeven wat de te verwachten economische gevolgen zijn van één, vijf en tien jaar uitstel van noodzakelijk onderhoud en investeringen?
Kunt u aangeven wat de te verwachten meerkosten zijn wanneer noodzakelijk onderhoud en investeringen één, vijf en tien jaar worden uitgesteld?
Hoe wordt geanticipeerd op (extra) slijtage van wegen door zwaar militair transport?
Kunt u aangeven welk deel van de kosten van onderhoud een aanpassing van infrastructuur bekostigd worden door IenW en welk deel door defensie? Deelt u de mening dat noodzakelijk onderhoud van bestaande wegen in beginsel door IenW bekostigd zou moeten worden en aanpassingen specifiek voor militair transport door defensie? Zo nee, hoe kijkt u naar de verdeling van de kosten?
In hoeverre anticipeert u op middelen vanuit Europa voor militaire mobiliteit? Zijn hierover reeds concrete gesprekken gevoerd en wat zijn de verwachtingen van u hierbij?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Infrastructuur en Waterstaat?
Het NOS-bericht ‘Een derde aangevraagde stroom komt van datacenters, genoeg voor 15 miljoen huishoudens’ |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Een derde aangevraagde stroom komt van datacenters, genoeg voor 15 miljoen huishoudens»?1
Hoeveel procent van de huidige in Nederland aanwezige datacentercapaciteit is in handen, via direct eigenaarschap of proxy-bedrijf, van Amerikaanse hyperscalers? Kunt u bij het beantwoorden een overzicht geven van type en gebruik (work load)?
Hoeveel procent van de huidige in Nederland aanwezige capaciteit is in handen, via directe eigenaarschap of proxy-bedrijf, van Amerikaanse techbedrijven in het algemeen? Kunt u bij het beantwoorden een overzicht geven van type en gebruik (work load)?
Hoeveel capaciteit is er in Nederland in aanbouw of in de planning? Kunt u bij de beantwoording een uitsplitsing maken naar type en gebruik en naar eigenaarschap zoals gevraagd in vraag 2 en 3?
Welk type datacenters vindt u dat er in Nederland toegevoegde waarden hebben en waarom? Kunt u daarbij ingaan op Europese soevereiniteit?
Deelt u de mening dat de aanwezigheid van datacenters en verdere bouw ten goede moet komen aan de digitale ambities van de Europese Unie en de lokale economie?
Hoeveel van de totale rekenkracht is beschikbaar voor het Europese bedrijfsleven en industrie? Welk percentage vindt u daarin acceptabel?
Wat vindt u een acceptabel percentage van de dataopslag dat gebruikt wordt door oude opslag (mails, reclame, dubbele foto’s), hoeveel is dat nu en zou voor data ouder dan 5 jaar niet extra betaald moeten worden?
Bent u bereid om Europese soevereiniteit leidend te laten zijn in het bepalen van landelijke specifieke maatregelen voor de datacenters?
Bent u ook voornemens klimaateisen te stellen aan de locatiebepaling en vergunningverlening van datacenters, bijvoorbeeld aansluiting op hernieuwbare energiebronnen, gebruik van restwarmte of efficiënt stroomgebruik?
Hoelang duurt het voordat het gemiddelde midden- en kleinbedrijf aangesloten is op het elektriciteitsnet na een aanvraag?
Hoelang duurt het voordat het gemiddelde datacenter aangesloten is op het elektriciteitsnet na een aanvraag?
Op welke wijze stimuleert u Europese autonome datacenters?2
Kunt u deze vragen apart van elkaar beantwoorden?
Het vervangend busvervoer van NS |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Busvervoer bij treinstremmingen van NS wordt steeds duurder, maar waarom staan zo veel bussen stil? «Dit is een verdienmodel»»?1
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat de kosten van vervangend vervoer voor NS tussen 2016 en 2024 zijn gestegen van € 25 miljoen naar € 39 miljoen?
Kunt u per jaar en per hoofdaannemer inzichtelijk maken hoe veel kosten zijn gemaakt voor het vervangend busvervoer?
Welke verklaring heeft u voor de kostenstijging die het artikel vermeldt?
Hoe beoordeelt u de verwachting van de NS dat deze kosten nog verder kunnen oplopen, tot wel € 52 à € 62 miljoen per jaar? Op basis waarvan verwacht de NS deze stijging?
Deelt u de opvatting dat de NS het vervangend vervoer zo efficiënt mogelijk dient te organiseren, gezien haar publieke financiering en om de prijs van het treinkaartje niet onnodig op te laten lopen? Hoe valt dit dan te rijmen met de door de NS verwachte ruime verdubbeling van de vervoerskosten?
Klopt het dat de NS heeft gekozen om per 1 januari 2027 al het vervangend vervoer door slechts één aanbieder uit te laten voeren? Hoe is de NS tot de keuze voor deze vervoerder gekomen?
In hoeverre heeft de NS alternatieve, goedkopere aanbieders van vervangend vervoer overwogen?
Herkent de Staatssecretaris het in het artikel geschetste beeld dat de vervangende bussen vaak langdurig stilstaan zonder passagiers, als onderdeel van het verdienmodel van de vervoerder? Is dit cijfermatig inzichtelijk te maken?
Hoe borgt de NS de efficiëntie van het vervangend vervoer, teneinde te voorkomen dat belastinggeld wordt uitgegeven aan lege, stilstaande bussen?
Klopt het dat NS de hoofdaannemer van het vervangend vervoer een vergoeding per uur betaalt, terwijl onderaannemers een vergoeding per gereden kilometer krijgen?
Hoe wordt voorkomen dat de vergoedingsstructuur van de NS voor vervangend busvervoer prikkels bevat die efficiënt vervangend busvervoer tegenwerken?
Hoe controleert de NS of het door de hoofdaannemer ingezet vervangend busvervoer wel doeltreffend was, en dat er zo min mogelijk lege bussen gefinancierd worden?
Bent u bekend met het bericht «Politie Amsterdam neemt op Amerikaans verzoek server in beslag van linkse internetdienstverlener A/I: organisatie zou «antifa» faciliteren»?1
Wat is uw reactie op het Amerikaanse verzoek om de server van het Europese internetbedrijf Autistici/Inventati (A/I) om politieke redenen in beslag te nemen?
Moet een rechtshulpverzoek altijd worden ingewilligd? Op welke basis kan dit in Nederland en in de Europese Unie (EU) worden geweigerd?
Wat betekent het in beslag nemen van de servers voor andere Europese internetbedrijven, bijvoorbeeld bedrijven die diensten leveren aan het Internationaal Strafhof? Kunnen zij vrij en autonoom handelen als deze sancties boven het hoofd hangen en wetende dat deze ook nageleefd zullen worden?
Hoe vaak heeft de Amerikaanse regering de afgelopen twee jaar gevraagd om servers of gegevens van internetdienstverleners in beslag te nemen? Hoe vaak is Nederland daarop ingegaan en hoe vaak is het verzoek geweigerd?
In het geval de servers van Tweede Kamer zouden worden opgevraagd door de Amerikaanse regering, zou u het verzoek dan ook inwilligen? Om welke reden wel of niet?
Is Nederland wettelijk gehouden aan Amerikaanse rechtshulpverzoeken om servers in beslag te nemen? En welke mechanismen zijn er om de verzoeken niet in te willigen als deze ingaan tegen nationale- en Europese wetgeving?
Welke waarborgen zijn er dat Nederland niet meewerkt aan buitenlandse rechtshulpverzoeken die gericht zijn op organisaties vanwege hun politieke opvattingen?
Hoe verhoudt de inbeslagname zich tot netneutraliteit en de onafhankelijkheid van internetbedrijven?
Heeft de politie weerwoord geboden aan het Amerikaanse verzoek, uitgaande van netneutraliteit en de onafhankelijke positie van internetbedrijven? Waarom wel of niet?
Draagt Nederland, door een dergelijk verzoek uiteindelijk in te willigen, bij aan het schrikeffect van de Amerikaanse sancties die het kabinet zegt af te keuren?
Kunt u deze vragen, alsmede de eerder gestelde vragen van de leden Kathmann en El Boujdaini over Amerikaanse sancties tegen de Europese internetsector2, afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De aangiftes van stalking |
|
Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat in de politie-eenheid Noord-Nederland bij slechts 8% van de stalkingzaken waarin aangifte is gedaan, een risico-inschatting met het SASH-instrument is terug te vinden? Zo ja, hoe verklaart u dit lage percentage, terwijl de landelijke werkinstructie voorschrijft dat bij iedere melding van stalking een risico-inschatting moet plaatsvinden? Wat vindt u ervan dat het instrument te weinig wordt gebruikt en de uitkomsten niet goed worden geregistreerd? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Kunt u voor alle regionale politie-eenheden aangeven hoeveel meldingen en aangiften van stalking er de afgelopen drie jaar zijn geweest en in hoeveel gevallen een SASH-risico-inschatting is uitgevoerd? Kunt u daarbij per regio aangeven om welk percentage het gaat en onderscheid maken tussen meldingen en aangiften?
Hoe verklaart u eventuele verschillen tussen de regio’s? Wordt er landelijk op toegezien dat politiemedewerkers de risico-inschattingen daadwerkelijk uitvoeren? Hebben zij hiervoor voldoende tijd, kennis en training? Kunt u daar uitgebreid antwoord op geven, onderbouwd?
Herinnert u zich de aanbevelingen van de Inspectie Justitie en Veiligheid na de moord op Hümeyra in 2019, waarin het onvoldoende herkennen van gevaar, het ontbreken van goede samenwerking en het gebrek aan regie de grote problemen bleken? Deelt u de mening dat het zeer ongewenst is dat risico-inschattingen mogelijk niet worden uitgevoerd? Zo ja, waarom en wat gaat u doen om hier zo snel mogelijk verbetering in aan te brengen? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich het vervolgonderzoek Gestalkt. Gezien. Gehoord? De aanpak van (ex)partnerstalking uit 2024 waaruit bleek dat slachtoffers van stalking nog altijd onvoldoende worden geholpen? Wat is er sindsdien concreet verbeterd? Hoe zijn de aanbevelingen concreet opgevolgd? Kunt u aangeven hoe slachtoffers in alle regio’s inmiddels beter worden beschermd?
Kunt u inzichtelijk maken hoe er voor wordt gezorgd dat de politie ook ingrijpt wanneer uit een SASH-risico-inschatting blijkt dat iemand gevaar loopt? Is bekend hoe vaak zo’n inschatting leidt tot concrete maatregelen, zoals een contactverbod, extra bescherming of ingrijpen door politie en OM? Zo ja, kunt u dat met ons delen? Zo nee, waarom kunt u dit niet?
Wordt bij stalkingzaken die uiteindelijk uitlopen op ernstig geweld of femicide standaard onderzocht of de politie het gevaar eerder had kunnen zien aankomen? Wordt daarbij ook gekeken of een SASH-risico-inschatting is uitgevoerd en wat er vervolgens met de uitkomsten is gedaan? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te regelen, zodat we kunnen leren van wat er misgaat?
Deelt u de zorg dat we, zeven jaar na de moord op Hümeyra, nog steeds niet zeker weten of de politie bij stalking altijd een goede risico-inschatting maakt en daar vervolgens naar handelt? Zo ja, bent u bereid onafhankelijk te laten onderzoeken hoe SASH in alle regio’s wordt gebruikt, waar het misgaat en wat er nodig is om slachtoffers beter te beschermen? En wilt u de Kamer hierover informeren, inclusief de maatregelen die u gaat nemen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht van de premier op X bij de derde herdenking van 7 oktober |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen bericht op X van 7 oktober 2026 ter gelegenheid van de derde herdenking van de terreuraanval van Hamas op Israël?1
Is de tekst van dit bericht vooraf besproken in of voorgelegd aan de ministerraad? Zo nee, waarom niet, gezien de diplomatieke en politieke gevoeligheid van het onderwerp?
Is de tekst afgestemd met de Minister van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet? Wie heeft het bericht opgesteld en welke rol had de Rijksvoorlichtingsdienst?
Moet dit bericht worden gezien als het standpunt van het kabinet? Zo nee, waarom niet, en hoe verhoudt een persoonlijke uiting zich tot uw functie als Minister-President? Bent u ermee bekend dat coalitiepartner VVD, bij monde van partijleider Yesilgöz, op dezelfde dag uitsluitend de slachtoffers van de terroristen van Hamas herdacht en het Israëlische optreden in Gaza niet noemde? Deelt u de opvatting van onze fractie dat het kabinet op deze dag niet met één mond sprak? Zo nee, waarom niet?2
Waarom schrijft u dat bijna 1.200 mensen «om het leven kwamen», terwijl zij doelbewust werden vermoord tijdens een geplande terreuraanval? Deelt u de opvatting van onze fractie dat deze formulering de aard van de aanslag verhult? Zo nee, waarom niet?
Waarom acht u het nodig om op de nationale herdenkingsdag van 7 oktober niet uitsluitend de slachtoffers van de terreur van Hamas en zijn bondgenoten te herdenken, maar in hetzelfde bericht ook de Palestijnse slachtoffers van Israëlisch militair optreden te noemen? Noemt u bij herdenkingen van andere terreuraanslagen, zoals 11 september, ook de slachtoffers van het militaire antwoord dat daarop volgde? Zo ja, kunt u voorbeelden geven? Zo nee, waarom bij deze herdenking wel?
Bent u ermee bekend dat van de 251 mensen die op 7 oktober 2023 naar Gaza werden ontvoerd, er 85 dood terugkwamen? Waarom ontbreken deze slachtoffers in uw bericht?3
Hoeveel van deze gijzelaars zijn levend ontvoerd en daarna in gevangenschap omgekomen? Hoeveel van hen zijn door hun ontvoerders van Hamas, Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ) of andere groepen vermoord? Kunt u dit per oorzaak uitsplitsen?4
U schrijft dat «tienduizenden onschuldige Palestijnen» door het Israëlische leger zijn gedood. Op welke cijfers baseert u dit? Bent u ermee bekend dat het door Hamas geleide Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in Gaza geen onderscheid maakt tussen burgers en strijders? Zo ja, waarom gebruikt u dan toch het woord «onschuldig»?5
Hoeveel strijders van Hamas, PIJ en andere terreurgroepen zijn volgens de informatie van het kabinet sinds 7 oktober 2023 gedood? Waarom laat u hen in uw bericht onvermeld of rekent u hen kennelijk tot de «onschuldige Palestijnen»?
Bent u ermee bekend dat volgens het Israëlische leger alleen al in de eerste dagen van de oorlog circa 450 raketten van Hamas en PIJ in Gaza zelf neerkwamen, met doden en vernielingen onder de eigen bevolking tot gevolg? Heeft het kabinet een schatting van het aantal Palestijnen dat sinds 7 oktober 2023 door mislukte raketlanceringen van Palestijnse terreurgroepen is omgekomen? Zo nee, waarom niet?6, 7
Bent u bekend met het onderzoek van Amnesty International naar buitengerechtelijke executies door Hamas en daaraan gelieerde strijders, onder wie acht ongewapende leden van de familie Dughmush die op 13 oktober 2025 in het openbaar werden geëxecuteerd op beschuldiging van samenwerking met Israël? Waarom laat u deze slachtoffers in uw bericht buiten beschouwing?8
Bent u bekend met het IDF-rapport dat op 7 oktober naast 3.800 Nukhba-strijders circa 2.200 burgers en andere strijders uit Gaza Israël binnendrongen? Hoe beoordeelt u de rol van deze deelnemers aan de aanslag, en waarom ontbreekt dit in uw bericht?9
Bent u bekend met de officiële Israëlische cijfers, waaruit blijkt dat sinds 7 oktober 2023 1.318 Israëlische militairen en veiligheidsmensen zijn gesneuveld en 1.029 Israëlische burgers door terreur zijn vermoord, samen 2.347 doden?10, 11
Waarom noemt u wel de Palestijnse slachtoffers van Israëlisch militair optreden, maar niet de Israëlische militairen, politieagenten en andere veiligheidsmensen die sindsdien zijn gesneuveld, noch de Israëlische burgers die zijn gedood door raketten en drones uit Iran, Libanon en Jemen?
Bent u ermee bekend dat volgens dezelfde officiële cijfers ruim 7.150 nabestaanden zijn toegevoegd aan de kring van Israëlische rouwende families, onder wie 2.143 ouders die een kind verloren, 355 weduwen en 880 wezen? Waarom ontbreken zij in uw bericht?
Erkent u dat Hamas en zijn bondgenoten deze oorlog op 7 oktober 2023 zijn begonnen, de gijzelaars hebben vastgehouden, raketten zijn blijven afvuren en de eigen bevolking als menselijk schild hebben gebruikt? Zo ja, waarom komt dit in uw bericht niet terug? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat een bericht van de Minister-President op een herdenkingsdag voor een terreuraanslag de feiten volledig en zonder eenzijdige weglatingen hoort weer te geven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat uw bericht, door de oorzaak van de oorlog weg te laten en het leed eenzijdig aan Israël toe te schrijven, in feite het narratief van Hamas overneemt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat een dergelijk eenzijdig narratief van de Minister-President bijdraagt aan het legitimeren van Jodenhaat in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel antisemitische incidenten zijn in Nederland sinds 7 oktober 2023 geregistreerd, en hoe heeft dit aantal zich ontwikkeld ten opzichte van de jaren daarvoor?
Bent u zich ervan bewust dat uw bericht door veel Joodse Nederlanders als kwetsend is ervaren, juist op deze herdenkingsdag? Bent u bereid uw bericht te corrigeren of aan te vullen? Zo nee, waarom niet?
Wat zegt u tegen de vele Nederlanders die uw bericht beneden ieder peil vinden, het zien als heulen met terroristen, vinden dat het antisemitisme aanwakkert en ondersteunt en het een premier onwaardig achten? Bent u bereid om afstand te nemen van uw bericht en uw excuses aan te bieden aan de Joodse gemeenschap in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?