Het onderzoek van de Consumentenbond naar tekortkomingen in de bescherming van online gokkers en de lopende massaclaim van de Consumentenbond. |
|
Sarah Dobbe , Mirjam Bikker (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Verboden trucs in legale online casino’s: massaclaim in de maak»1 en «Consumenten voor totaalverbod gokreclame én betere bescherming»2?
Ja.
Hoe weegt u het feit dat 84% van door de Consumentenbond onderzochte populatie een totaalverbod op gokreclame steunt en 88% betere bescherming tegen dark patterns verlangt?
De in het bericht van de Consumentenbond genoemde cijfers geven een belangrijk signaal af over maatschappelijke zorgen rond gokken. Ik neem dergelijke signalen serieus en betrek deze bij de uitwerking van de door mijn voorganger aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand.3
Kunt u expliciet aangeven of u van oordeel bent dat de Wet kansspelen op afstand, zoals deze sinds 2021 wordt uitgevoerd, onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare spelers en waarop u dat oordeel baseert?
De Wet op de Kansspelen, zoals deze in 2021 is gewijzigd met de Wet kansspelen op afstand (hierna: Wet koa), biedt onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. Dit is ook de algemene conclusie in de evaluatie van de Wet koa.4 Daarin concluderen de onderzoekers dat de invoering van de Wet koa tot op heden (nog) niet heeft bijgedragen aan een verantwoord en controleerbaar kansspelaanbod. Ook heeft het beleid volgens de onderzoekers geleid tot een grote groep nieuwe spelers, waaronder relatief veel jongvolwassenen. De Wet koa heeft wel geleid tot een betrouwbaar aanbod en tot een mate van controleerbaarheid en controle die groter is dan bij illegaal aanbod het geval is, aldus de onderzoekers. Daarnaast blijkt uit een analyse van TNO dat online gokken een systeem is met een sterke neiging tot escalatie, aangedreven door positieve feedbackloops in zowel vraag als aanbod. Volgens TNO zijn de beschermende maatregelen tegen onmatig speelgedrag en ter preventie van verslaving niet in staat gebleken deze zelfversterkende feedbackloops afdoende te bedwingen.5
Bent u het ermee eens dat de belofte van «veilig en gecontroleerd» online gokken niet is waargemaakt, nu structureel sprake is van toenemende gokverslavingen, ernstige financiële schade bij gedupeerde burgers en het gebruik van gedragsbeïnvloedende technieken door legale aanbieders?
Zoals ik hiervoor in het antwoord op vraag 3 heb genoemd, biedt de Wet koa onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. De Wet koa ging uit van de eigen verantwoordelijkheid van de speler en de bescherming beperkte zich daarbij tot consumenten en het voorkomen van kansspelverslaving. De toen gekozen insteek blijkt problematisch te zijn, zo blijkt uit de evaluatie van de Wet koa, en betere bescherming is nodig.
Deelt u de opvatting dat het toepassen van dergelijke gedragsbeïnvloedende technieken door vergunninghoudende gokbedrijven onverenigbaar is met hun zorgplicht, juist omdat zij aantoonbaar bijdragen aan problematisch speelgedrag?
Onderzoeksbureau Behavioural Insights heeft in opdracht van de Ksa onderzoek gedaan naar gedragsbeïnvloeding op bepaalde online kansspelplatformen. Uit het rapport, dat in september 2025 is opgeleverd, komt naar voren dat online kansspelaanbieders zowel op positieve als negatieve wijze gebruik maken van gedragsbeïnvloeding om het gedrag van consumenten te sturen. Positieve gedragsbeïnvloeding zijn bijvoorbeeld ontwerptechnieken om mensen te helpen weloverwogen keuzes te maken. Negatief bijvoorbeeld als de beslisomgeving wordt ingericht met als doel om mensen zo veel mogelijk te laten inzetten of zo lang mogelijk te laten spelen. Dit laatste is kwalijk en onwenselijk in het kader van bescherming van mensen tegen gokschade.
Is het ontbreken van een expliciet wettelijk verbod op dark patterns een lacune in de bescherming van burgers die actief zijn op online gokplatforms? Zo ja, hoe en op welke wijze en termijn bent u van plan dit probleem aan te pakken?
Bij de uitwerking van de aangekondigde maatregelen wordt ook gekeken naar de gedragsbeïnvloedende technieken die worden toegepast en of het noodzakelijk is om daar de wet- en regelgeving op aan te passen. Hier kan ik nu nog niet op vooruitlopen.
Hoe beoordeelt u de vaststelling van de Consumentenbond dat meerdere legale aanbieders werken met oneerlijke standaardinstellingen en extreem hoge speellimieten, en kunt u bevestigen of dit naar uw oordeel in strijd is met geldende wet- en regelgeving?
Het onderzoek van de Consumentenbond waarin extreem hoge speellimieten en oneerlijke standaardinstellingen werden vastgesteld is gepubliceerd in november 2023. Inmiddels is de regelgeving op dit onderwerp aangepast en zijn op 1 oktober 2024, vooruitlopend op de evaluatie van de Wet koa, maatregelen ingevoerd op het gebied van speellimieten en spelersbescherming.6 Op basis van de Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag en de Beleidsregel Verantwoord Spelen 2024 van de Ksa gelden stortingslimieten waarbij spelers worden verplicht contact op te nemen met de vergunninghouder wanneer zij een maandelijkse stortingslimiet van 350 euro of hoger willen instellen (150 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar) en waarbij de vergunninghouder verplicht is de financiële draagkracht van een speler na te gaan wanneer deze meer dan 700 euro in de maand stort (300 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar). Daarnaast geldt op basis van deze maatregelen dat het instellen van limieten plaats dient te vinden in een neutrale keuzearchitectuur, waarbij de speler zo min mogelijk wordt beïnvloed door gedragsbeïnvloedingstechnieken. Oneerlijke standaardinstellingen of extreem hoge speellimieten zijn binnen deze regelgeving niet meer toegestaan. Verder dienen limieten verplicht in euro’s te worden weergegeven en gelden verplichte pop-ups tijdens het spelen. Uit de effectmetingen van de Ksa blijkt dat deze maatregelen effect hebben omdat spelers bij vergunde aanbieders minder hoge limieten instellen en minder verliezen na de genoemde wijziging van de regelgeving. Dit is uiteengezet in de brief aan uw Kamer op 3 juli 2025.7
De Ksa houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en treedt op bij overtredingen, zoals bij de recente bindende aanwijzing voor Hillside in het kader van de zorgplicht en nagaan van de draagkracht van spelers.8
Kunt u concreet aangeven welke maximale speellimieten en welke uitgangspunten voor standaardinstellingen momenteel wettelijk of beleidsmatig gelden, en waarom deze niet hebben voorkomen dat spelers gemiddeld duizenden euro’s verliezen?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe vaak heeft de Kansspelautoriteit sinds 2021 handhavend opgetreden tegen legale aanbieders wegens schending van de zorgplicht, en kunt u daarbij per jaar aangeven hoeveel waarschuwingen, boetes en vergunningmaatregelen zijn opgelegd? Acht u deze handhavingspraktijk, bezien in het licht van de huidige maatschappelijke schade en de lopende massaclaim, voldoende afschrikwekkend, en zo ja, waarom?
In 2023, 2024 en 2025 heeft de Ksa het volgende aantal waarschuwingen gegeven en boetes opgelegd aan vergunde aanbieders:
Interventie
2025
2024
2023
Waarschuwingen
38
37
16
Boetes
5
2
8
Een groot deel van het aantal waarschuwingen aan de legale aanbieders had betrekking op de zorgplicht. Ook hebben alle vijf boetes in 2025 betrekking gehad op overtredingen van de zorgplicht. Gezien de lange doorlooptijden van boetetrajecten, hebben de boetes van 2025 betrekking op overtredingen van de zorgplicht die plaatsvonden na de opening van de markt in 2021 t/m 2023. Een aantal onderzoekdossiers in het kader van de zorgplicht wacht nog op een mogelijke handhavingsactie van de Ksa. Naast waarschuwingen en boetes maakt de Ksa ook gebruik van lasten onder dwangsom, aanwijzingen en normoverdragende gesprekken als handhavingsopties om ervoor te zorgen dat de legale aanbieders zich houden aan de zorgplichtregels. Als in de vraagstelling met «vergunningsmaatregelen» intrekking van de vergunning wordt bedoeld, dan is het antwoord dat dit niet heeft plaatsgevonden.
Het is aan de Ksa of en hoe zij in een individueel geval handhaven. Ik kan geen uitspraken doen over of de huidige handhavingspraktijk al dan niet voldoende afschrikwekkend is. Wel erken ik dat het instrumentarium van de Ksa voor toezicht en handhaving op vergunde aanbieders verbetering behoeft. In het traject tot wijziging van wet- en regelgeving van online kansspelen wordt dit meegenomen. Daarnaast kan de aanscherping van de zorgplicht waaraan ik eveneens werk ook bijdragen aan verbeterde toezicht en handhaving.
Deelt u de juridische opvatting dat het structureel schenden van de zorgplicht en het toepassen van verboden of misleidende technieken kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen, met als mogelijke consequentie ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding aan gedupeerden?
Dit zal per individueel geval moeten worden bekeken en hangt af van hetgeen, bijvoorbeeld ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding, daadwerkelijk wordt geëist in een juridische procedure. Een oordeel hierover is aan de rechter. In het kader van het traject tot wijziging van wet- en regelgeving op het gebied van kansspelen op afstand onderzoek ik in hoeverre de rechtspositie van spelers van online kansspelen kan worden verbeterd bij (gestelde) schending van de zorgplichtregels en regels rond verslavingspreventie.
Welke concrete gevolgen zou een rechterlijke vaststelling van dergelijk onrechtmatig handelen volgens u moeten hebben voor de vergunningverlening, verlenging of intrekking bij betrokken aanbieders?
Het is niet aan mij is om te besluiten over het schorsen of intrekken van een vergunning. Deze besluiten zijn aan de Ksa, als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan.
Zoals ook in de beantwoording van eerdere Kamervragen is genoemd, kan de Ksa besluiten een vergunning in te trekken indien nieuwe informatie of antecedenten met betrekking tot een vergunninghouder leiden tot het inzicht dat de vergunning toentertijd niet zou zijn verstrekt.9 Daarnaast zal de Ksa de toezichtservaring over de voorgaande vergunningsperiode met betrekking tot een vergunninghouder meewegen in de beoordeling van verlengingsaanvragen. Onder andere worden overtredingen en het gedrag van vergunninghouders tijdens de huidige vergunningsperiode mee gewogen in de beoordeling.
Kunt u concreet aangeven welke aanvullende wettelijke maatregelen u op korte termijn zult nemen om de zorgplicht van online kansspelaanbieders afdwingbaar te versterken, en op welke termijn de Kamer hierover voorstellen kan verwachten?
Momenteel werk ik de aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand uit, waaronder aanscherping van de zorgplicht. Mijn voorganger heeft met de Kamer het streven gedeeld om uw Kamer dit voorjaar te informeren over richtinggevende keuzes die in het kader van de maatregelen zijn gemaakt. Daarbij wordt uw Kamer ook geïnformeerd over de planning van het wetgevingstraject. Wat betreft de zorgplicht geldt dat een onafhankelijke expertgroep werkt aan het doen van aanbevelingen op dit terrein. Deze aanbevelingen worden in de zomer van 2026 verwacht en meegenomen in het wetgevingstraject.
Het bericht ‘Commission wrong to give Hungary €10B, says EU top court adviser’ van Politico. |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commission wrong to give Hungary € 10B, says EU top court adviser?» dat op 12 februari 2026 verscheen op Politico?1
Ja.
Hoe weegt u de claim van Europarlementariërs dat het geld dat in 2023 toch is vrijgegeven aan Hongarije politiek gemotiveerd was en dus onterecht was?
Bent u het eens dat het in ieder geval niet door positieve ontwikkelingen wat betreft de rechtsstaat in Hongarije kwam dat de 10 miljard euro waren vrijgegeven?
Vindt u dat het vrijgeven van Europese Unie (EU)-fondsen op merites gebaseerd moet blijven?
Als het Europees Hof van Justitie het eens is dat het geld onrechtmatig is vrijgegeven, op welke termijn moet Hongarije de 10 miljard euro dan terugbetalen?
Klopt het dat als blijkt dat Hongarije het geld moet terugbetalen, maar ze dit niet doen, er kan worden ingehouden op andere fondsen voor Hongarije?
Is het in dit licht niet ook opzienbarend dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van het Security Action for Europe (SAFE)-instrument van de EU?
Lidstaten konden tot 30 november jl. een verzoek indienen om leningen te ontvangen uit SAFE. Hongarije heeft in dit kader om een lening van EUR 16.2 miljard verzocht, maar heeft de lening nog niet ontvangen. Het is eerst aan de Europese Commissie om het verzoek van Hongarije te beoordelen. Wanneer de Commissie vaststelt dat het verzoek voldoet aan de voorwaarden van de SAFE-verordening, dient zij een voorstel in voor een uitvoeringsbesluit van de Raad. Op dit moment is het kabinet nog in afwachting van dit voorstel voor een uitvoeringsbesluit.
Het kabinet is, in lijn met de motie Erkens c.s.3, kritisch over het verstrekken van een lening onder SAFE aan Hongarije.
Bent u van mening dat het terecht is dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van SAFE?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er mogelijkheden om het aandeel van Hongarije voor SAFE te beperken op basis van rechtsstaatschendingen of anderszins?
De SAFE-verordening zelf bevat geen voorwaarden op het gebied van de rechtsstaat waaraan de Europese Commissie het verzoek van Hongarije om een lening dient te toetsen. Wel bevat de SAFE-verordening andere voorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van de naleving van aanbestedingsregels. Het Financieel Reglement van de EU bevat daarnaast een uitgebreid pakket van juridische, administratieve en operationele waarborgen om misbruik van EU-gelden te voorkomen, op te sporen en te corrigeren. Het betreffen maatregelen ter preventie, detectie, correctie en verantwoording.4 Ook is de Meerjarig Financieel Kader (MFK)-rechtsstaatverordening van toepassing op leningen die verstrekt worden de SAFE-verordening. Bij schendingen van de beginselen van de rechtsstaat door de lidstaten die rechtstreekse gevolgen hebben of dreigen te hebben voor de financiële belangen van de Unie of voor goed financieel beheer van de Uniebegroting kunnen passende maatregelen worden genomen tegen een lidstaat op grond van deze MFK-rechtsstaatverordening. Daarbij geldt dat de Commissie in haar beoordeling is gebonden aan de kaders van de verordeningen en het beginsel van proportionaliteit en noodzakelijkheid.
Het bericht ‘Overheid weigert herstel voor 1.800 jongeren uit toeslaenaffaire’ |
|
Jimmy Dijk , Lisa Westerveld (GL), Inge van Dijk (CDA) |
|
Moes , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Overheid weigert herstel voor 800 jongeren uit toeslagenaffaire»?1
Ik ben op de hoogte van het artikel over het rapport van de kinderombudsmannen. Ik heb dit rapport samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in ontvangst genomen en hierover met hen gesproken.
Hoe beoordeelt u het signaal van de vijf Kinderombudsmannen in hun rapport «Niet mijn (studie)schuld», waarbij de Kinderombudsmannen, net als de Commissie Hamer en de VNG, al geruime tijd oproepen om gedupeerde jongeren te helpen met hun DUO-schulden?
Ik ben de kinderombudsmannen erkentelijk voor hun inspanningen om de impact die de toeslagenaffaire kan hebben op het leven van getroffen kinderen zichtbaar te maken. Het rapport schetst een ingrijpend beeld dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik serieus nemen. Ik spreek regelmatig getroffen jongeren en hoor en zie hun verhalen, die stuk voor stuk uniek zijn. Ik wil mijn waardering uitspreken aan de jongeren die, soms opnieuw, hun verhalen hebben willen delen. Daarbij vind ik het belangrijk nogmaals te benadrukken wat we al doen voor deze jongeren die hun studielening hebben ingezet om in het gezinsinkomen te voorzien ten tijde van de toeslagenaffaire. Via de aanvullende schaderoute van de ouder wordt inkomensverlies vergoed. Deze compensatie is bedoeld voor het gezin. In de kabinetsreactie op het rapport zet ik deze en andere mogelijkheden verder uiteen.
Wat is volgens u de rol van (lokale) (Kinder-)ombudsmannen en andere instanties, ambtenaren en memo’s geweest bij het signaleren van de problematiek rondom het toeslagenschandaal?
Het negeren van noodsignalen was een van de belangrijke factoren bij het ontstaan en voortbestaan van de toeslagenaffaire, zoals het rapport «Ongekend onrecht» concludeert. Uiteindelijk hebben onder andere ombudsmannen, rechters en verschillende ambtenaren op meerdere momenten gewaarschuwd voor de problemen met de kinderopvangtoeslag.
Hoe is de overheid in uw ogen omgegaan met het tijdig en serieus reageren op dergelijke signalen, waardoor het toeslagenschandaal voorkomen had kunnen worden dan wel eerder kunnen worden opgemerkt?
Anders dan bij de situatie rondom studieschulden – die veelvuldig en uitgebreid aan bod is gekomen in onder meer Kamerdebatten, Kamerbrieven, interdepartementale overleggen en bijvoorbeeld het advies van de commissie Van Dam – drongen de signalen over de problemen met de kinderopvangtoeslag onvoldoende door tot de politiek-bestuurlijke omgeving. Daardoor kwam er te laat een politiek-bestuurlijke reactie op de problemen met de kinderopvangtoeslag en konden deze te lang blijven voortduren. Dit blijkt ook uit het rapport «Ongekend onrecht» van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. Het kabinet heeft naar aanleiding van dat rapport veranderingen doorgevoerd, waarover de afgelopen jaren aan uw Kamer is gerapporteerd.
Welke zwaarwegende argumenten heeft u om het rapport van de Kinderombudsmannen terzijde te schuiven en te concluderen dat het probleem aan de jongeren ligt die de regelingen niet weten te vinden?2
Ik omarm en onderschrijf de waardevolle inzichten uit het rapport van de kinderombudsmannen. Ik betrek deze inzichten bij het beleid voor deze getroffen jongeren. Centraal daarin staat het feit dat de schadecompensatie binnen de hersteloperatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor het inkomensverlies. Daarnaast maak ik mij blijvend sterk om de andere mogelijkheden die er zijn zo goed mogelijk in te zetten, zodat deze jongeren passende hulp en ondersteuning kunnen krijgen. Niet generiek, maar met een benadering die recht doet aan de verschillende situaties waarin jongeren en hun gezinnen zich bevinden. In de kabinetsreactie op dit rapport ga ik hier dieper op in.
Hoe wilt u – indachtig de titels van de rapporten van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (Ongekend Onrecht) en van de Parlementaire Enquête Fraudebeleid en Dienstverlening (Blind voor mens en recht) – voorkomen dat met het terzijde schuiven van het signaal van deze vijf kinderombudsmannen wederom een groep burgers onrecht wordt aangedaan?
De rapporten «Ongekend Onrecht» en «Blind voor mens en recht» hebben pijnlijk duidelijk gemaakt dat signalen van burgers onvoldoende werden herkend, met ernstige gevolgen van dien. Juist om herhaling daarvan te voorkomen neem ik de signalen van de kinderombudsmannen serieus. In dat kader heb ik, samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het eindrapport van de kinderombudsmannen persoonlijk in ontvangst genomen en hebben wij met hen het gesprek gevoerd over hun bevindingen en aanbevelingen. De signalen uit dit rapport worden betrokken bij verdere (verbeter)maatregelen van de hersteloperatie en de ondersteuning van jongeren. In de kabinetsreactie op het eindrapport aan uw Kamer geef ik hier een nadere toelichting op.
Bent u het ermee eens dat het voor gedupeerde jongeren die al tijden wensen erkend te worden als slachtoffer van het handelen van de overheid helend kan werken als zij gezien en erkend worden als slachtoffer van het toeslagenschandaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan om deze jongeren alsnog te erkennen als slachtoffer?
Ik erken dat kinderen van gedupeerde ouders hebben geleden onder de toeslagenaffaire. Met die gedachte is ook de kindregeling speciaal voor hen opgezet. De kindregeling is bedoeld als erkenning van het leed, niet als een verplichting maar als tegemoetkoming, om te laten zien dat het kabinet het belangrijk vindt om hierin een gebaar te maken, aanvullend op de compensatie van de schade die via de gedupeerde ouders verloopt, als vertegenwoordiger van het gezin. Het kabinet heeft er namelijk voor gekozen erkend gedupeerde ouders te compenseren voor de schade in het gezin als gevolg van de toeslagenaffaire. Deze opzet van de hersteloperatie is door uw Kamer vastgesteld en goedgekeurd.
Binnen de kindregeling ontvangt elk getroffen kind een brief waarin de erkenning benadrukt wordt. Alle kinderen van erkend gedupeerde ouders ontvangen een tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro boven op de schadecompensatie aan hun ouders en zij krijgen indien gewenst brede ondersteuning van hun gemeente, waaronder hulp bij (problematische) schulden en financiën. Ook is er aanvullend aanbod op het gebied van emotioneel herstel en lotgenotencontact, een essentieel onderdeel van herstel en perspectief.
Bent u het – na uw eerdere weigering om onderzoek te doen naar het aantal jongeren van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden zijn ontstaan door het toeslagenschandaal en naar de hoogte van deze DUO-schulden, zoals de motie-Van Nispen c.s. (Kamerstukken II, 2025/26, 36 708, nr. 53) en motie Kat c.s. (Kamerstukken II, 2023/24, 31 066, nr. 1308) om vroegen – het ermee eens dat nu de Kinderombudsmannen zelf een onderzoek hebben uitgevoerd en 1.800 jongeren tellen met deze problematiek dat het om een relatief beperkte groep jongeren gaat van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden door het toeslagenschandaal zijn ontstaan? Bent u het er tevens mee eens dat zelfs als het daadwerkelijke aantal driemaal zo hoog is het nog steeds een relatief beperkte groep jongeren betreft? Zo nee, welke reden heeft u om aan te nemen dat het nog veel meer jongeren betreft?
Het rapport van de kinderombudsmannen biedt waardevolle en belangrijke inzichten in de ervaringen van getroffen jongeren. Het onderzoek is gebaseerd op meldingen van jongeren zelf en draagt bij aan een beter begrip van de individuele problematiek, maar maakt het niet mogelijk om de totale omvang van de groep jongeren met een studieschuld als gevolg van de toeslagenaffaire vast te stellen. Ook gegevensuitwisseling tussen UHT en DUO zou geen inzicht geven in de daadwerkelijke problematiek van deze getroffen jongeren en in hoeverre de studieschuld het gevolg is van de toeslagenaffaire. De relatie tussen de studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag is alleen binnen het gezin te beoordelen, zoals wordt toegelicht in antwoord op vraag 5. Op andere manieren, zoals ook blijkt uit eerder actieonderzoek, is niet vast te stellen welk gedeelte van de studielening het gevolg is van de toeslagenaffaire. Daarbij komt dat de hersteloperatie ervoor zorgt dat schadecompensatie via de erkend gedupeerde ouder verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Wij zetten daarbovenop in op passende, individuele ondersteuning voor getroffen jongeren, in plaats van een generieke benadering.
Bent u het ermee eens dat jongeren, die slachtoffer zijn geworden van het toeslagenschandaal en eigen schade & schulden hebben, principieel zélf ook op een directe manier geholpen moeten worden in het rechtzetten van onrecht zonder dat zij hiervoor naar hun ouders hoeven te stappen? Zo nee, waarom niet?
De besluiten die tot de toeslagenaffaire hebben geleid betroffen de kinderopvangtoeslag van de ouder. De compensatie van financiële schade vindt daarom plaats via de erkend gedupeerde ouder en ziet toe op diens hele gezin, omdat de schade voortvloeit uit de gedupeerdheid van de ouder en de gevolgen daarvan voor het gezin als geheel. Kinderen en jongeren zijn via hun ouders mogelijk ook geraakt door de toeslagenaffaire. Om dit leed te erkennen worden zij daarom aanvullend ondersteund via de kindregeling, zoals ook is toegelicht in antwoord op vraag 7. Deze regeling biedt een financiële (onverplichte) tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro, brede ondersteuning door gemeenten inclusief hulp bij problematische schulden, en een aanbod op het gebied van emotioneel herstel, zoals lotgenotencontact en het opzetten van (culturele) initiatieven. De kindregeling is niet bedoeld om schade of schulden uit het verleden te compenseren, die regelingen bestaan via hun ouders.
Kunt u aangeven wat het doel en nut is van de tijdelijke telefoonlijn bij DUO, waar gedupeerde jongeren terecht kunnen met vragen? Hoelang blijft deze telefoonlijn in bedrijf?
Getroffen jongeren hebben aangegeven een drempel te ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Met deze lijn hoopt DUO die drempel weg te nemen. Wanneer getroffen jongeren met deze lijn bellen kunnen zij hun persoonlijke verhaal vertellen, maar is het niet nodig om in algemene zin uitgebreid toe te lichten dat de toeslagenaffaire impact heeft gehad op hun leven. Medewerkers weten dat deze getroffen jongeren bellen met een hulpvraag die voortkomt vanuit KOT. Zij staan klaar om, afhankelijk van de vraag, deze jongeren uitleg op maat te geven over bestaande voorzieningen die hen kunnen helpen. Ook willen we zorgdragen dat er extra bekendheid komt over de voorzieningen bij DUO.
De telefoonlijn is reeds bereikbaar en blijft in ieder geval tot en met augustus 2026 beschikbaar.
Klopt het dat DUO deze gedupeerde jongeren na een gesprek met de telefoonlijn naar de onderwijsinstelling verwijst, omdat de onderwijsinstelling zou moeten beoordelen of de jongere voor een uitzondering in aanmerking komt? Zelfs als de jongere die het betreft zijn studie al jaren geleden heeft behaald of afgebroken? Zo ja, bent u het ermee eens dat dit bijdraagt aan onnodige administratieve obstakels voor de betreffende jongeren? Is er een reden waarom DUO niet zelf het contact kan leggen met de onderwijsinstelling om de benodigde informatie op te halen? Zo nee, hoe verklaart u dat jongeren tegen dit soort problemen aanlopen?
Afhankelijk van de persoonlijke situatie van de getroffen jongeren kan het zijn dat DUO doorverwijst naar de onderwijsinstelling. Dit kan het geval zijn wanneer het niet mogelijk is voor een getroffen jongere om op tijd een diploma te halen of wanneer het helemaal niet meer mogelijk is een diploma te halen door een bijzondere omstandigheid. Het is wettelijk vastgelegd dat deze beoordeling – of sprake is van een bijzondere omstandigheid en of deze heeft geleid tot studievertraging – bij de onderwijsinstelling ligt.
Klopt het dat DUO geen schulden kwijtscheldt, behalve als de student in geval van bijzondere omstandigheden zijn studie heeft afgebroken of na tien jaar zijn diploma niet heeft gehaald?
Als de student binnen tien jaar een afsluitend diploma behaalt wordt de prestatiebeurs3 omgezet in een gift. Doet de student langer over het behalen van het diploma dan tien jaar, of behaalt de student helemaal geen diploma, dan wordt de prestatiebeurs niet omgezet in een gift. Dat is alleen anders als sprake is van bijzondere omstandigheid waardoor de student studievertraging heeft opgelopen en door deze bijzondere omstandigheid niet binnen tien jaar een afsluitend diploma kan behalen, of helemaal geen diploma meer kan behalen. De studentdecaan of studiebegeleider beoordeelt aan de hand van de individuele situatie van de student of dit het geval is en of de student daarmee in aanmerking komt voor de voorziening prestatiebeurs.
Daarnaast vindt in algemene zin in een aantal situaties kwijtscheldingen van (een deel van) de studieschuld plaats, waaronder:
Wanneer bij een student de aanvullende beurs niet is omgezet in een gift en het inkomen twee jaar na afstuderen nog niet hoger is dan het gestelde grensbedrag, wordt de aanvullende beurs alsnog kwijtgescholden.
Aan het einde van de looptijd van de lening (15 of 35 jaar) wordt de nog resterende studieschuld kwijtgescholden.
Hoeveel gedupeerde jongeren vallen onder deze twee uitzonderingen? Vindt u dat u hen hiermee het toekomstperspectief biedt dat u hen toewenst?
Dat is niet bekend, omdat er geen juridische grondslag voor gegevensuitwisseling is tussen UHT en DUO. Daarom kan niet inzichtelijk worden gemaakt hoeveel getroffen jongeren gebruik hebben gemaakt van de voorziening prestatiebeurs. Voorts geldt dat zelfs als bij DUO bekend zou zijn wie de getroffen jongeren zijn, niet inzichtelijk gemaakt kan worden of zij in aanmerking zouden komen. Dit is immers afhankelijk van hun persoonlijke situatie.
De Kamer is meermaals geïnformeerd over de onmogelijkheid om inzicht te geven in de gegevens van getroffen jongeren bij DUO. Zie onder meer de 21e voortgangsrapportage over de hersteloperatie in reactie op de motie Van Nispen en de beantwoording op schriftelijke vragen van lid Dijk (SP)4.
Klopt het dat verzoeken voor maatwerk door DUO geregeld worden afgewezen? Welk percentage wordt afgewezen?
Aangenomen wordt dat met de term maatwerk in de vraag wordt verwezen naar het gebruik van de voorziening prestatiebeurs. Verzoeken in het kader van de voorziening prestatiebeurs worden ingediend na beoordeling van de persoonlijke situatie van de jongeren door de studentdecaan of studiebegeleider en, wanneer van toepassing, de behandelend arts. DUO neemt de beoordeling in meer dan 90% van de gevallen over.
Kunt u aangeven hoe vaak welke vorm van maatwerk door DUO is toegekend? Zo nee, hoe kunt u dan concluderen dat maatwerk door DUO een oplossing is voor de problemen van getroffen jongeren? Zo ja, kunt u aangeven hoe en of de gedupeerde jongeren met dit maatwerk ook daadwerkelijk zijn geholpen?
In het antwoord op vraag 13 is aangegeven dat niet bekend is hoe vaak gebruik gemaakt wordt van de voorziening prestatiebeurs door getroffen jongeren. Wel is bekend dat DUO in de praktijk ziet dat getroffen jongeren gebruik maken van deze voorzieningen. Daarom weten we dat een gedeelte van de getroffen jongeren de weg weet te vinden naar de studentdecanen of studiebegeleider.
Ik ben me er tegelijkertijd van bewust dat sommige jongeren een drempel ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie zet ik mij extra in om deze drempels zoveel mogelijk te verlagen.
Hoe bent u van plan ervoor te zorgen dat de jongeren die het betreft deze telefoonlijn weten te vinden als u niet weet hoeveel en welke jongeren het precies betreft?
Het telefoonnummer wordt gepubliceerd op kindregelingvoorjou.nl en op duo.nl. Via sociale media, stakeholders en lokale netwerken van ouders en jongeren wordt dit bericht verspreid.
Bent u het ermee eens dat gedupeerde jongeren weer een toekomstperspectief verdienen?
Zeker. Deze jongeren verdienen inderdaad een toekomstperspectief (net als iedere jongere in Nederland): precies om die reden ontvangen zij een financiële tegemoetkoming uit de kindregeling en brede ondersteuning van hun gemeente, om per situatie te kijken naar wat er nodig is om het leven op de rit te krijgen en houden, aanvullend op de schadecompensatie aan hun ouders. Daarbij zetten wij ook in op het emotioneel herstel van deze jongeren. Want ook door te zorgen dat jongeren weer mentaal gezond en weerbaar zijn dragen we bij aan het toekomstperspectief van deze groep.
Bent u het ermee eens dat een diploma halen het beste instrument is voor een goed toekomstperspectief? Zo ja, wat is dan u reden, gelet op het feit dat de commissie Hamer aangeeft dat de brede ondersteuning vanuit de gemeenten onvoldoende is voor het toekomstperspectief van gedupeerde jongeren, om toch de nieuwe regeling voor studie en ontwikkeling, welke nu opgetuigd wordt voor gedupeerde uithuisgeplaatste kinderen, niet open te stellen voor álle gedupeerde jongeren?
Zoals in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Hamer is toegelicht, wordt de onderwijsvoorziening specifiek voor uithuisgeplaatste jongeren ontwikkeld, omdat zij te maken hebben gehad met meerdere momenten van overheidsingrijpen. De onderwijsvoorziening voor specifiek die doelgroep heeft mede als doel om specifiek deze groep op deze manier met hun ontwikkeling te helpen. Juist wanneer de uithuisplaatsing door de rechter is opgelegd én samenhangt met de gevolgen van de toeslagenaffaire, draagt de Staat immers een bijzondere verantwoordelijkheid: vanuit de rol die de toeslagenaffaire mogelijk heeft gespeeld in het gezin en als formeel verantwoordelijke voor het welzijn en de kansen van het kind tijdens en na de uithuisplaatsing.
Daarnaast vind ik het – net als uw Kamer – van belang dat er geïnvesteerd wordt in het toekomstperspectief van alle getroffen jongeren, bijvoorbeeld via de brede ondersteuning. In de kabinetsreactie op het rapport van de kinderombudsmannen licht ik verder toe hoe ik daar op in wil zetten.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven geen generieke regeling te willen treffen voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van de jongeren? Zo nee, wat heeft u dan precies aangeven
Dat klopt. We zijn het met de kinderombudsmannen eens dat een generieke regeling voor het kwijtschelden van alle studieschulden niet proportioneel is. Wij hebben ook in het gesprek toegelicht dat als ouders inkomensverlies hebben geleden ten tijde van de toeslagenaffaire, en dat hebben opgevangen door het inzetten van bijvoorbeeld een studielening van het kind, ouders gecompenseerd worden voor dat inkomensverlies in de schadeherstelroute. Deze compensatie is voor het hele gezin. Daarnaast zetten we in op het verlagen van drempels voor aanvullende mogelijkheden die er voor deze jongeren zijn, zoals ook uitgebreid is toegelicht in de kabinetsreactie.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven dat volgens u de bestaande regelingen voor gedupeerde jongeren volstaan? Zo nee, wat heeft u dan precies aangegeven? Zo ja, kunt u onderbouwen hoe u tot deze conclusie komt, nu de Kinderombudsmannen in hun rapport juist gemotiveerd aangeven dat deze conclusie niet klopt en bestaande regelingen niet volstaan?
Ouders worden gecompenseerd voor schade die is ontstaan ten tijde van de toeslagenaffaire, zoals inkomensverlies. Als een kind het inkomensverlies heeft opgevangen, bijvoorbeeld met een studielening, dan kan de ouder dat vanuit de compensatie vergoeden, aangezien via de erkend gedupeerde ouder schade van het gezin wordt gecompenseerd. De kindregeling is daarnaast ontwikkeld om kinderen van gedupeerde ouders aanvullende steun, maatwerk en erkenning te bieden. De Minister van OCW en ik hebben in het gesprek met de kinderombudsmannen aangegeven dat dit pakket aan maatregelen voldoende is om getroffen kinderen te ondersteunen naar een hoopvolle toekomst. Zoals ook in de kabinetsreactie toegelicht, zijn we ons ervan bewust dat deze mogelijkheden niet altijd door iedereen goed gevonden en benut worden. We zetten daarom extra in om drempels te verlagen, zoals ook is toegelicht in de kabinetsreactie op het rapport.
Bent u het ermee eens dat de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam niet oproepen tot een generieke regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, maar juist oproepen tot een regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan vanwege het toeslagenschandaal? Zo nee, kunt u aangeven waartoe de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam volgens u precies toe oproepen?
Ik herken dat de kinderombudsmannen oproepen tot kwijtschelding studieschulden bij DUO waarvan aannemelijk is dat deze door de toeslagenaffaire zijn ontstaan. Ik herken echter niet dat de commissie Van Dam oproept tot het kwijtschelden van deze studieschulden van getroffen jongeren. De commissie Van Dam vraagt aandacht voor de positie van getroffen jongeren en het belang van een zorgvuldige beoordeling van hun situatie, inclusief mogelijke studieschulden, maar doet geen specifieke aanbeveling om studieschulden waarvan aannemelijk is dat deze door het toeslagenschandaal zijn ontstaan kwijt te schelden. In het rapport staat onder meer dat sommige jongeren wel een studielening hebben afgesloten om in hun studiekosten te voorzien, net als vele andere studenten in Nederland wiens ouders niet gedupeerd zijn. Ook stelt het rapport dat weer een nieuwe route inrichten juist niet wenselijk is. Ook de Raad van State heeft eerder gewezen op de risico’s van verdere uitbreiding van de hersteloperatie5. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen, wordt dit via de schadepost inkomensverlies aan de ouder vergoed.
Wat is uw reactie ten aanzien van een (nadrukkelijk niet generieke) regeling waarbij de DUO-schulden van jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan door het toeslagenschandaal worden kwijtgescholden? Bent u bereid een dergelijke regeling op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb begrip voor de zorgen rondom de studieschulden van jongeren die zijn geraakt door de toeslagenaffaire. Zoals ook in antwoord op vraag 21 is toegelicht, verloopt de compensatie van schade via de gedupeerde ouder. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen – en dus is ontstaan door de toeslagenaffaire – wordt dit via de schadepost inkomensverlies vergoed aan de ouder. Alleen op die manier, binnen het gezin, is een mogelijke relatie tussen een studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag te beoordelen. Een aparte regeling zoals bedoeld in de vraagstelling is daarnaast niet uitvoerbaar: iedere situatie is uniek en het is in de praktijk zeer ingewikkeld om objectief en zorgvuldig vast te stellen of en in welke mate een studieschuld het directe gevolg is van de toeslagenaffaire. Dit blijkt ook uit eerder actieonderzoek. Daarnaast zou kwijtschelding van studieleningen van getroffen kinderen zeer oneerlijk zijn ten opzichte van gezinnen die op een andere manier het hoofd boven water hebben gehouden tijdens de toeslagenaffaire. Ten slotte botst de voorgestelde regeling met de praktische en juridische inrichting van de hersteloperatie. De toeslagenbesluiten betroffen de ouder als aanvrager van de kinderopvangtoeslag. Financiële schadevergoeding is daarom verbonden aan de gedupeerdheid van de ouder en diens gezin, zoals vastgesteld door uw Kamer.
Om getroffen jongeren met studieschulden zoveel mogelijk aanvullend te helpen met de gevolgen die zij hebben ondervonden van de toeslagenaffaire via hun ouders, zet het kabinet erop in dat de bestaande mogelijkheden bij gemeenten, maar ook bij DUO, zo goed mogelijk worden ingezet en benut zodat jongeren passende hulp kunnen krijgen, toegespitst op hun persoonlijke situatie en behoefte. Voor een nadere toelichting hoe ik dit wil doen, verwijs ik graag naar de kabinetsreactie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Er is uitstel gevraagd voor de termijn van de beantwoording, zodat de beantwoording van deze schriftelijke vragen gelijktijdig met de kabinetsreactie op het rapport met uw Kamer gedeeld zou kunnen worden.
Mogelijke plaatsing van Chinese laadpalen bij gebouwen van de Rijksoverheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Rijkaart , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Rijksvastgoedbedrijf mogelijk honderden laadpalen van een Chinees bedrijf wil laten plaatsen bij gebouwen van de rijksoverheid, ondanks groeiende zorgen over strategische afhankelijkheid en veiligheid?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Het bericht gaat over een raamovereenkomst die het Rijksvastgoedbedrijf op 7 oktober 2025 heeft gegund. Deze overeenkomst gaat over het beheer van bestaande laadinfrastructuur en, als dat nodig is, de levering en plaatsing van nieuwe laadpalen bij Rijksvastgoed.
Een raamovereenkomst heeft geen afnameverplichting. Dat betekent dat er niet automatisch een vast aantal laadpalen wordt geplaatst. Per locatie wordt beoordeeld of plaatsing nodig is en hoe dit past binnen de geldende technische en beveiligingskaders.
Het kabinet vindt het belangrijk om veiligheid goed mee te wegen. Daarom worden bij dit soort aanbestedingen vooraf eisen gesteld voor functie, techniek en beveiliging. Voor locaties met een hoger risico kunnen extra eisen gelden.
Klopt het dat bij aanbestedingen voor laadinfrastructuur voor overheidsgebouwen het uitgangspunt is dat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse bedrijven en technologieën? Zo ja, hoe verhoudt de mogelijke keuze voor Chinese leveranciers zich tot dit uitgangspunt?
Aanbestedingen moeten passen binnen de geldende regels op nationaal, Europees en internationaal niveau. Die regels gaan uit van gelijke behandeling en non-discriminatie. Daarnaast is er aandacht voor beveiligingseisen en het beperken van risico’s voor de nationale veiligheid.
Binnen die regels worden aanbestedingen ingericht met duidelijke, objectieve en wettelijke eisen. Het gaat dan om functionele eisen, technische eisen en beveiligingseisen. Inschrijvingen worden op basis van die eisen beoordeeld. Dat geldt ook voor deze raamovereenkomst.
Het kabinetsstandpunt over een Europees voorkeursprincipe in publieke aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld.2
Op welke wijze zijn bij deze aanbesteding nationale veiligheidsrisico’s, waaronder cyberveiligheid, databeveiliging en mogelijke ongewenste toegang tot systemen van overheidsgebouwen, meegewogen?
Bij deze aanbesteding zijn vooraf eisen vastgesteld voor functie, techniek en beveiliging. Deze eisen gaan onder meer over informatiebeveiliging en gegevensbescherming. Ook gaan ze over een veilige aansluiting op bestaande energie- en netwerkinfrastructuur.
Daarbij wordt aangesloten op de Rijksbrede kaders voor informatiebeveiliging en op de geldende wet- en regelgeving. Het denken staat op dit punt niet stil: als het nodig is scherpen we geldende wet- en regelgeving aan.
In hoeverre acht u het risico reëel dat slimme laadpalen – die verbonden zijn met digitale netwerken en energie-infrastructuur – kunnen worden misbruikt voor spionage, sabotage of verstoring van vitale infrastructuur?
Slimme en verbonden apparatuur kan cyberrisico’s met zich meebrengen. Dit geldt ook voor slimme laadpalen. Het gaat daarbij niet alleen om de aansluiting op het energienet, maar ook om gegevensverwerking en de systemen waarmee laadpalen worden beheerd en gemonitord.
In de aanbesteding van het Rijksvastgoedbedrijf zijn daarom beveiligingseisen opgenomen voor digitale veiligheid en voor een veilige aansluiting op het energienetwerk. Deze eisen sluiten aan op de Rijksbrede beveiligingskaders. Per locatie wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, passend bij het risicoprofiel.
Wordt bij de beoordeling van dergelijke technologieën rekening gehouden met het feit dat Chinese bedrijven onder Chinese wetgeving verplicht kunnen worden om informatie te delen met de Chinese overheid? Zo ja, hoe is dit risico beoordeeld?
Bij de beoordeling van technologie en leveranciers wordt gekeken naar de manier waarop gegevens worden verwerkt en beschermd. Ook wordt gekeken naar afspraken in contracten en naar naleving van Nederlandse en Europese regelgeving. Verder wordt gekeken naar de inrichting van systemen, gegevensstromen en maatregelen om risico’s te beheersen.
Systemen die bij Rijksvastgoed worden toegepast moeten voldoen aan de nationale en Europese regels voor gegevensbescherming en informatiebeveiliging. De beoordeling richt zich daarom op concrete risico’s en maatregelen.
In hoeverre bestaat het risico dat door de inzet van Chinese technologie bij laadinfrastructuur een structurele economische afhankelijkheid ontstaat, bijvoorbeeld door onderhoud, software-updates of vervangingsonderdelen, en hoe wordt dit risico gewogen?
Bij de inrichting van laadinfrastructuur wordt ook gekeken naar uitwisselbaarheid en beheerbaarheid. Denk aan interoperabiliteit, onderhoud, ondersteuning en vervangbaarheid. Zo wordt de continuïteit geborgd. In de raamovereenkomst is als eis opgenomen dat de software moet zijn gebaseerd op open standaarden.
Hoe verhoudt deze mogelijke keuze zich tot het bredere kabinetsbeleid om strategische afhankelijkheden van China te verminderen en technologische en economische veiligheid te versterken?
Het kabinet voert actief beleid om de afhankelijkheid van derde landen te verminderen en zo onze veiligheid te vergroten3. Dit beleid wordt uitgevoerd binnen de geldende Europese en nationale wet- en regelgeving.
In dat kader gelden aanvullende beveiligingseisen voor overheidsopdrachten met veiligheidsrisico’s. Sinds 1 januari 2026 geldt Rijksbreed het kader Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO) voor opdrachten met risico’s voor de nationale veiligheid.
Bij aanbestedingen wordt altijd een zorgvuldige afweging gemaakt tussen marktwerking, aanbestedingsregels en veiligheidsbelangen. Waar nodig worden extra eisen gesteld, passend bij het risicoprofiel van de opdracht.
Bent u bereid te onderzoeken of voor vitale of gevoelige overheidslocaties een «Europees, tenzij»-benadering kan worden toegepast bij de inkoop van energie- en laadinfrastructuur, en de Kamer hierover te informeren?
Het kabinet beziet voortdurend hoe open strategische autonomie en veiligheid kunnen worden versterkt binnen de geldende Europese en nationale kaders. Daarbij wordt ook gekeken naar de samenhang tussen aanbestedingsregels en bredere veiligheids- en afhankelijkheidsvraagstukken.
Eventuele beleidswijzigingen moeten passen binnen het Europese aanbestedingsrecht en internationale verplichtingen. Bij aanbestedingen kunnen partijen alleen worden uitgesloten op wettelijke gronden, bijvoorbeeld bij sancties. Daarnaast gelden internationale afspraken over toegang tot overheidsopdrachten, zoals de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) en EU-handelsovereenkomsten. Daardoor kunnen partijen niet zomaar worden uitgesloten alleen vanwege herkomst.
De Europese aanbestedingsregels worden op dit moment herzien. Binnen het kabinet coördineert het Ministerie van Economische Zaken de Nederlandse inbreng. In dat verband wordt in Europees verband ook gesproken over een mogelijk EU-voorkeursprincipe. Het kabinetsstandpunt over een Europees voorkeursprincipe in publieke aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld.4
Uw Kamer wordt over de voortgang en eventuele keuzes geïnformeerd via Kamerbrieven en voortgangsbrieven over economische veiligheid, open strategische autonomie en aanbestedingsbeleid.
De aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman , Julian Bushoff (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA), de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade heeft gezorgd zonder dat de rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur in het huis»?1 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff2 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en het Groningenveld?
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de winningsactiviteiten?
Het bezoek van de ILT-IOD aan Tata Steel in het kader van een strafrechtelijk onderzoek |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het opsporingsteam van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) deze week op het terrein van Tata Steel is geweest in het kader van een strafrechtelijk onderzoek?1
Kunt u toelichten op welke wijze u door de ILT-IOD of andere betrokken instanties op de hoogte bent gesteld en op welk moment? Kunt u vertellen wat de aard en reikwijdte van het onderzoek nu is? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat artikel 15, derde lid, punt b, van de Joint Letter of Intent (JLoI) tussen de Staat en Tata Steel Nederland bepaalt dat een onderzoek, zoals dat van de ILT-IOD, een mogelijke opzeggingsgrond voor de Staat vormt? Zo ja, wordt opzegging overwogen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten of een eventuele maatwerksubsidie voor Tata Steel de Europese staatssteuntoets doorstaat nu de ILT-IOD deze stap in het strafrechtelijk onderzoek heeft genomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten of Nederland van de Europese Commissie een eventuele maatwerksubsidie terug moet vorderen als het tot een veroordeling komt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten hoe deze situatie zich verhoudt tot eerdere toezeggingen aan de Kamer over de zorgvuldige omgang met publiek geld en de naleving van milieu- en strafrechtelijke normen door Tata Steel? Zo nee, waarom niet?
Is er op dit moment een interne of interdepartementale risicoanalyse (risk assessment) opgesteld of in voorbereiding waarin dit onderzoek, en de mogelijke gevolgen daarvan voor de afspraken met Tata Steel, wordt meegenomen? Zo nee, waarom niet, en bent u dan bereid om een dergelijke risicoanalyse uiterlijk vóór het komende debat over JLoI met Tata Steel aan de Kamer te doen toekomen, zodat de Kamer een actueel beeld heeft van de juridische en financiële risico’s die dit onderzoek voor de Staat met zich meebrengt? Zo nee waarom niet?
Kunt u deze vragen ruim voor het plenaire debat over de Joint Letter of Intent beantwoorden?
Het bericht dat een eeuwenoude paasvuurtraditie stopt door regeldruk |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Einde van een eeuwenoude traditie: organisatie stopt met paasvuur door regeldruk» van Omroep Gelderland?1
Hoe beoordeelt u het feit dat een bijna honderd jaar oude paasvuurtraditie in Huissen moet stoppen omdat vrijwilligers achter de organisatie niet langer kunnen voldoen aan de stapeling van regelgeving, vergunningseisen en bijkomende kosten?
Kunt u uiteenzetten met welke landelijke regelgeving en vergunningseisen organisatoren van paasvuren te maken krijgen, waaronder regels op het gebied van evenementenvergunningen, stikstof, natuurwetgeving en veiligheid?
Deelt u de zorg dat de stapeling van regels en administratieve verplichtingen voor vrijwilligersorganisaties steeds moeilijker uitvoerbaar wordt, waardoor lokale tradities en gemeenschapsactiviteiten onder druk komen te staan?
In hoeverre wordt bij het opstellen en toepassen van regelgeving rekening gehouden met de uitvoerbaarheid voor vrijwilligersorganisaties die evenementen organiseren die gedragen worden door lokale gemeenschappen? Is hier procesmatig iets voor ingeregeld?
Bent u, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, bereid om specifiek te kijken naar regelgeving die initiatieven uit de samenleving onevenredig hard raakt? Bent u ook van plan hier een subdoel voor te nemen om een minimumaantal regels te schrappen die vrijwilligersorganisaties in de weg zitten?
De impact van de EU Methane Emissions Regulation op de leveringszekerheid van aardgas |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «EU Methane Emissions Regulation – Analysis of Market Impacts»?1
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de huidige instabiele geopolitieke situatie en het belang van leveringszekerheid, de bevindingen uit het rapport dat door de importvereisten volgend uit de Europese Methane Regulation vanaf 2027 mogelijk tot 43% van de huidige gasimport van de EU (circa 114 bcm) en 87% van de ruwe olie niet meer aan de regelgeving voldoet en daarmee niet geïmporteerd kan worden?
Hoe beoordeelt u het risico dat deze regelgeving daardoor zal leiden tot een aanbodtekort aan aardgas in Europa, aangezien het rapport concludeert dat de hoeveelheid gas die aan de EU-eisen voldoet mogelijk lager is dan de Europese vraag vanaf 2027?
Deelt u de zorg uit het rapport dat een door regelgeving veroorzaakt aanbodtekort kan leiden tot sterk stijgende gasprijzen en mogelijke vraagvernietiging, met gevolgen voor huishoudens, elektriciteitsproductie en energie-intensieve industrieën?
Welke mogelijkheden ziet het u om bij de verdere implementatie van de Europese Methaanverordening te voorkomen dat de leveringszekerheid van aardgas in gevaar komt, bijvoorbeeld door aanpassingen in de eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs? In hoeverre zijn dergelijke aanpassingen volgens u wenselijk en mogelijk?
In hoeverre en onder welke voorwaarden bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een pragmatische implementatie of gerichte aanpassing van de regelgeving, zoals in het rapport wordt voorgesteld, om verstoringen van de Europese gas- en olievoorziening te voorkomen?
Bent u bekend met het rapport ‘The Foreign Censorship Threat, Part II: Europe’s Decade-Long Campaign to Censor the Global Internet and how it harms American Speech in the United States’ van de Committee on the Judiciary van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarin wordt ingegaan op het signaleren en/of «flaggen» van berichten op sociale media door overheden en Europese instellingen?1
Kunt u bevestigen of, en zo ja op welke wijze, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en/of andere ministeries contact hebben gehad met de Europese Commissie over het signaleren, «flaggen» of laten verwijderen van berichten op sociale media?
Klopt het dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door de Europese Commissie is aangewezen als zogenoemde «trusted flagger» onder de Digital Services Act? Zo ja, op basis van welke bevoegdheid of afspraak is deze rol aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekend?
Kunt u een overzicht geven van alle relevante informatie tussen Nederlandse ministeries en de Europese Commissie over het «flaggen», modereren of verwijderen van sociale-mediaberichten met betrekking tot de laatste Kamerverkiezingen?
Hoeveel sociale-mediaberichten zijn door Nederlandse overheidsinstanties of via samenwerking met Europese instellingen gemarkeerd of «geflagged» bij sociale-mediaplatforms? Bij welke sociale-mediaplatforms zijn deze meldingen gedaan? Hoeveel van die «geflagde» berichten zijn daadwerkelijk door de betreffende sociale-mediaplatforms verwijderd, verborgen, gedeprioriteerd of anderszins beperkt in zichtbaarheid?
Op basis van welke criteria of richtlijnen werden berichten «geflagged» of gemeld bij sociale-mediaplatforms, en in hoeveel gevallen ging het bij de gemelde berichten om politieke uitingen, meningen of bijdragen aan het politieke debat?
Bent u het eens dat het meer dan onwenselijk is dat overheden, Europese instellingen of door hen aangewezen organisaties invloed uitoefenen op de moderatie van politieke content op sociale media, met name in de aanloop naar verkiezingen?
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting hét fundament van onze vrije samenleving is en moet blijven? Zo ja, hoe borgt u dat? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
De brief van meer dan honderd economen over de economische doelmatigheid van de maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de open brief van meer dan honderd economen, waaronder ruim tachtig hoogleraren, gepubliceerd op ESB.nu, waarin zij de economische doelmatigheid en effectiviteit van de voorgestelde maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland ter discussie stellen?1 Hoe beoordeelt u de daarin geuite kritiek?
Herinnert uw zich uw antwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt dat een maatwerkafspraak de snelste weg is om klimaatwinst en gezondheidswinst voor omwonenden te behalen? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u aangeven waar de economen volgens u dan verkeerd redeneren?
Herinnert u zich uw anwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt geen aanleiding te zien de intentieverklaring te beëindigen en de onderhandelingen voort te zetten, onder meer omdat uitstel of afstel zou leiden tot het later of niet optreden van klimaatwinst en gezondheidswinst? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u gemotiveerd toelichten waarom?
Erkent u dat Tata Steel Nederland over de periode 2023–2025 gemiddeld circa 157 miljoen euro per jaar operationeel verlies heeft geleden en daarmee structureel onvoldoende winstgevend is? Zo nee, op basis van welke cijfers of analyses komt u tot een andere beoordeling?
Hoe beoordeelt u het risico dat de voorgestelde eenmalige bijdrage van twee miljard euro zich ontwikkelt tot een open-eindverplichting, gezien de structureel zwakke financiële positie van Tata Steel Nederland?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat een Europese aanbesteding voor waterstofstaal economisch efficiënter is dan een nationale steunoperatie? Hoe kijkt u kabinet tegen een dergelijk Europees aanbestedingsproces, en bent u bereid zich hiervoor in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat Tata Steel Nederland, gelet op het feit dat negentig procent van de staalproductie wordt geëxporteerd, geen wezenlijk verschil maakt voor de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie en daarmee geen cruciale schakel vormt in een innovatief ecosysteem? Zo nee, op welke onderbouwing baseert u een ander oordeel?
Hoe beoordeelt u de juridische kwetsbaarheid van de maatwerkafspraken, zowel wat betreft de staatssteunrechtelijke verdedigbaarheid als de lopende juridische procedures rondom gezondheidsschade voor omwonenden, en kunt u daarbij ingaan op de stelling van de economen dat publieke middelen worden ingezet zonder het onderliggende gezondheidsprobleem op te lossen?
Hoe ziet u de voorgestelde maatwerkafspraken in het licht van het rapport van de Wetenschappelijke Klimaatraad (2026) dat stelt dat Nederland onvoldoende ruimte heeft om de huidige omvang van de energie-intensieve industrie in stand te houden, en het rapport-Wennink dat het kabinet oproept tot het maken van scherpe keuzes?
Gezien EU-ETS Tata Steel al tot CO2-neutraliteit vóór 2040 verplicht en de maatwerkafspraken sturen op 2045, kunt u aantonen dat de subsidie van twee miljard euro een transitie ondersteunt die aantoonbaar sneller of verder gaat dan waartoe Tata Steel al wettelijk verplicht is? Zo nee, hoe houdt deze staatssteun juridisch stand?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat de schaarse middelen die worden voorgesteld voor Tata Steel, waaronder technisch geschoolde arbeid, netcapaciteit, duurzame energie en stikstofruimte, doelmatiger kunnen worden ingezet voor innovatieve maakindustrie, netverzwaring en circulaire ketens. Deelt u deze analyse? Zo nee, waarom niet, en kunt u dit per punt uiteenzetten?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat strategische autonomie behoud van staalproductie in Europa vereist, maar niet specifiek in Nederland? Deelt u deze redenering? Zo nee, op welke gronden meent u dat staalproductie specifiek in Nederland noodzakelijk is voor onze strategische autonomie?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat afzien van steun aan structureel verliesgevende bedrijven in een economie met schaarste geen politieke keuze maar een economische noodzaak is? Deelt u deze kwalificatie? Zo nee, op welke analyse baseert het de conclusie dat steun aan Tata Steel per saldo welvaartswinst oplevert?
Deelt u de mening dat een nationale steunoperatie Europese coördinatie op basis van comparatief voordeel doorkruist? Zo ja, waarom kiest u hier toch voor in plaats van in te zetten op een Europese aanbesteding?
Gezien de nationale steunoperatie voor Tata Steel bijdraagt aan een Europese subsidierace waarbij lidstaten elkaar overbieden met publieke middelen, zoals Duitsland illustreert met zijn energieprijsplafond, erkent u dat deze wedloop per saldo duurder uitvalt voor Nederland dan wanneer het zou inzetten op Europese samenwerking en coördinatie?
Gezien de schaarse middelen die Nederland tot haar beschikking heeft en het essentiële belang van het steunen van de Nederlandse maakindustrie, erkent het kabinet dan dat de middelen die voor de maatwerkafspraken met Tata Steel worden gebruikt doelmatiger kunnen worden ingezet? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het debat over de maatwerkafspraken en/of binnen de geldende termijn beantwoorden?
Bent u bekend met de berichtgeving van GeenStijl waaruit blijkt dat de Turkse diplomaat Ömer Özgül een centrale rol speelt binnen de Islamitische Stichting Nederland (ISN), terwijl ISN stelt een zelfstandige en onafhankelijke organisatie te zijn?
Kunt u bevestigen dat de heer Özgül, als officieel religieus attaché van de Turkse ambassade, regelmatig aanwezig is in het pand van ISN en ook meereist met ISN-delegaties naar het buitenland, waaronder naar Ankara?
Hoe verhoudt de aanwezigheid van een Turkse diplomaat als feitelijk leidinggevende binnen ISN zich tot de belofte die ISN in 2020 aan de Kamer deed om de Turkse diplomatieke invloed uit de organisatie te weren?
Waarom heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via het Kennisplatform Inclusief Samenleven samengewerkt met en subsidie verstrekt aan een stichting die zo nauw verbonden blijkt te zijn met de Turkse staat?
Bent u het eens dat financiering van onderzoek door een stichting die onder invloed staat van een buitenlandse mogendheid de objectiviteit en betrouwbaarheid van dat onderzoek ernstig ondermijnt?
Welke due diligence heeft u uitgevoerd alvorens samen te werken met ISN, en waarom is de bekende voorgeschiedenis van Turkse inmenging daarin niet meegewogen?
Bent u bereid alle subsidierelaties met ISN en de ISN Academie per direct op te schorten totdat volledige helderheid bestaat over de mate van Turkse staatsinvloed binnen deze organisatie?
Bent u bereid de AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) te vragen een actueel dreigingsbeeld op te stellen over de rol van de Turkse Diyanet en daaraan gelieerde organisaties in Nederland, en de Kamer daarover te informeren?
Bent u bereid de diplomatieke status van de heer Özgül opnieuw te beoordelen in het licht van zijn activiteiten buiten de ambassade, en zo nodig stappen te ondernemen richting de Turkse ambassade?
Het bericht dat Koningin Máxima aanwezig is bij de viering van het 70-jarig jubileum van Oxfam Novib |
|
Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Koningin Máxima op 31 maart 2026 aanwezig zal zijn bij de viering van het 70-jarig jubileum van Oxfam Novib in Den Haag?1
Bent u bekend met het feit dat Oxfam Novib Israël, een bondgenoot van Nederland, beschuldigt van «genocide», «apartheid» en een «bezettingsregime», en oproept tot een verbod op handel en investeringen?
Deelt u de mening dat deze ongefundeerde aantijgingen één-op-één Hamas-propaganda zijn en neerkomen op het delegitimeren van de Joodse staat?
Bent u bekend met recente berichtgeving, waar eerder ook schriftelijke vragen over zijn gesteld2, waaruit blijkt dat de terroristische organisatie Hamas een «flinke vinger in de pap heeft» bij organisaties als Oxfam Novib?3
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat het Koninklijk Huis een jubileum bijwoont van een organisatie die antisemitische propaganda verspreidt, een bondgenoot delegitimeert en aan het koordje van Hamas loopt?
Hoe is het bezoek aan deze organisatie te rijmen met de toespraak van de Koning, die zich in 2024 rechtstreeks tot Joodse Nederlanders richtte met de woorden «blijf, wij horen samen», terwijl deze organisatie actief bijdraagt aan een klimaat waarin Joden ons land worden uitgejaagd?4
Bent u bereid met het Koninklijk Huis in gesprek te gaan om te voorkomen dat deze aanwezigheid bij het jubileum van Oxfam Novib doorgang vindt?
Het artikel 'Von der Leyen: ‘Europese afbouw kernenergie was strategische fout’' |
|
Alisha Müller (VVD), Henk Jumelet (CDA) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het krantenartikel «Von der Leyen: «Europese afbouw kernenergie was strategische fout»»?1 Deelt u de mening van Von der Leyen dat het een strategische fout is geweest van Europese landen om kernenergie de rug toe te keren omdat het Europa kwetsbaarder heeft gemaakt voor hoge energieprijzen en afhankelijkheid van energie-import?
Heeft u er kennis van genomen dat de Europese Commissie (EC) heeft aangekondigd voor 200 miljoen euro aan garanties beschikbaar te stellen voor investeringen in innovatieve kerntechnologieën, waaronder small modular reactors (SMR’s)? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en projecten maximaal gebruik kunnen maken van deze middelen?
Heeft u er kennis van genomen dat de EC de regels tevens wil versimpelen zodat nieuwe nucleaire technologieën sneller getest en opgeschaald kunnen worden? Welke nationale regels en/of procedures vormen momenteel de grootste belemmeringen in Nederland?
Hoe verlopen de gesprekken met bedrijven die geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling of bouw van SMR’s in Nederland? Hoe kan de rol van de overheid bij het faciliteren van deze projecten worden versterkt?
Wat kan het kabinet doen om de realisatie van nieuwe kerncentrales in Nederland verder te versnellen?
Hoe zorgt het kabinet ervoor dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen maximaal kunnen profiteren van de bouw van de nieuwe kerncentrales in Nederland, bijvoorbeeld via betrokkenheid in de toeleveringsketen en kennisontwikkeling?
Hoe bereidt het kabinet Nederland voor op een mogelijke rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten?
Hoe gaat Nederland zich in Europees verband inzetten om de ontwikkeling van kernenergie en innovatieve nucleaire technologieën verder te versnellen, zodat Europa minder afhankelijk wordt van fossiele energie-importen?
De brief van 117 economen betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend de brief van 117 economen, waaronder 80 hoogleraren, betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland?1
Deelt u de mening van de 117 economen dat de businesscase voor staalproductie in Nederland ontbreekt en dat zonder structurele winstgevendheid Tata Steel opnieuw om publieke steun zal vragen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat wanneer het geld in Tata Steel wordt gestoken, er een reel risico is dat dit publieke geld verloren zal gaan omdat Tata Steel onvoldoende winstgevendheid heeft? Zo nee, kunt u toegelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt de Minister de mening van de 117 economen dat de investeringen in Tata Steel investeringen in industrieën met hogere maatschappelijke opbrengsten verdringen omdat we te maken hebben met schaarse arbeid, energie en ruimte? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Bent u bereid een plan B te onderzoeken voor het gebied, de ontwikkeling van maakindustrie, huizen, energieopwek (windmolens) en natuur?
Deelt u de mening van de 117 economen dat de maatwerkafspraken met Tata Steel de markt verstoren en staatsteunrechtelijk kwetsbaar zijn, aangezien de plannen om volledig te verduurzamen (2045) niet verder gaan dan huidige Europese wetgeving (EU ETS die afloopt in 2040)? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat medewerkers van Tata Steel waardevolle technische ervaring hebben die, met gerichte omscholing, inzetbaar kunnen zijn in sectoren met acute tekorten voor bijvoorbeeld de installaties van warmtepompen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat de gezondheid van omwonenden onvoldoende wordt geborgd en hierdoor staatsteun economisch onverdedigbaar is en juridisch kwetsbaar? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat Tata Steel geen cruciale schakel is in Nederlands hoogwaardige maakindustrie? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat strategische autonomie vereist dat we staalproductie in Europa hebben, maar dat in Nederland staal blijven produceren economisch juist irrationeel is? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Deelt u de mening van de 117 economen dat het gezien de feiten die voorliggen, het nu (economisch) verstandiger is om de stekker uit de Joint Letter of Intent te halen dan ermee door te gaan? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Kunt u de vragen één voor één en in alle volledigheid beantwoorden?
Kunt u de vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over de Joint Letter of Intent met Tata Steel?
Aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met diverse gevallen van personen in Nederland die zich positief over het Iraanse Islamitische regime uitlaten of zelfs publiekelijk dit regime steunen?
Het is bekend dat de Iraanse diaspora scheidslijnen kent. Uit de nieuwsberichten over demonstraties waarmee steun aan het Iraanse regime wordt betuigd, kan worden geconcludeerd dat zich personen in Nederland bevinden die zich positief over dit regime uitlaten.
Op welke wijze kan volgens u het strafrecht worden ingezet indien personen zich positief uitlaten over de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) of deze zelfs steunen, nu de IRGC in de EU is aangemerkt als terroristische organisatie?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. De Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) is sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. De IRGC is als terroristische organisatie gekwalificeerd en er zijn verschillende sancties opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Hierdoor is eventuele deelname aan deze terroristische organisatie strafbaar en publieke steunbetuigingen aan IRGC worden met grote zorgen bezien.
Of er in een specifieke casus sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit – en dus of het strafrecht ingezet kan worden –, hangt af van de feiten en omstandigheden van dat geval. Het is dus van belang waaruit het «positief uitlaten» of «steunen» bestaat en met welke feitelijkheden dit gepaard gaat. Indien een persoon bijvoorbeeld een terroristische organisatie steunt door middel van financiële middelen, kan sprake zijn van terrorismefinanciering, hetgeen een misdrijf is.
Plaatsing van een organisatie op de nationale en/of Europese sanctielijst heeft tot gevolg dat de tegoeden van de betreffende persoon of organisatie worden bevroren. Tegelijkertijd is het verboden om financiële tegoeden/diensten en (op geld waardeerbare) middelen aan deze persoon of organisatie ter beschikking te stellen. Plaatsing van een persoon of organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). Op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het «voortzetten van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie» strafbaar. Het «voortzetten van de werkzaamheid» moet ruim worden geïnterpreteerd; het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het «in de lucht» houden van een website of het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon. Een enkele handeling kan al bijdragen aan het voortbestaan van de organisatie. Of daar in een specifieke situatie sprake van is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Ook het «positief uitlaten» (in de brede zin van het woord) kan onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat en geweld, maar dat zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Hierbij speelt ook de context waarbinnen de uiting is gedaan een rol. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat of geweld. Om dergelijke laakbare uitingen met betrekking tot terrorisme nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Wat vindt u ervan dat personen in Nederland het Iraanse Islamitische Regime en/of de Islamitische Revolutionaire Garde publiekelijk steunen?
De IRGC staat sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) waardoor er beperkende sancties zijn opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Nederland heeft zich hiervoor onverminderd ingezet en een voortrekkende rol vervuld. Deze Nederlandse inzet is ook in een brief aan uw Kamer geïnformeerd.1 Het kabinet vindt het uitspreken van steun aan deze organisatie dan ook absoluut verwerpelijk. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel onderdeel van onze democratie, maar dit recht kent wel grenzen. Zoals in het bovenstaande antwoord benoemd zal per geval beoordeeld moeten worden of deze grenzen zijn overschreden en of er mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Op welke wijze worden aangiften behandeld indien zij zien op bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran?
Bij vermoedens van bijvoorbeeld bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran kan er melding of aangifte worden gedaan bij de politie. De politie behandelt deze meldingen en aangiftes zorgvuldig en heeft daarbij oog voor de huidige internationale situatie.
Worden deze aangiften voortvarend behandeld vanwege de huidige internationale situatie en de mogelijkheid tot tegenacties van het Iraanse regime?
Zie antwoord vraag 4.
Wordt op dit moment daadwerkelijk grondig onderzoek gedaan welke personen in Nederland feitelijk verlengstukken van het Iraanse Islamitische Regime (en/of de IRGC) zijn en op welke wijze wordt actie tegen deze personen ondernomen? Zo ja/nee, waarom?
Uw vraag betreft het kennisniveau en het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarover worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In algemene zin kan ik uw Kamer mededelen dat voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt bezien wat mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging te voorzien, verstoren, verijdelen en/of mitigeren. Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de meest recente publicaties over dit thema.2
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het plenaire debat over Iran op 12 maart 2026 beantwoorden?
Ja.
Terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente Groningen breidt pilot met gratis kinderopvang uit: veel ouders durven zich niet aan te melden of weten niet hoe»?1
Herkent u het signaal uit dit artikel dat ouders terughoudend zijn om gebruik te maken van kinderopvangvoorzieningen, onder meer uit angst voor financiële risico’s en mogelijke terugvorderingen van kinderopvangtoeslag?
Klopt het dat huishoudens bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag moeten aangeven dat zij voldoen aan de arbeidseis, terwijl controle hierop vaak pas achteraf plaatsvindt?
Deelt u de zorg dat wanneer achteraf blijkt dat niet aan de arbeidseis is voldaan, dit kan leiden tot forse terugvorderingen, die gezinnen in financiële problemen kunnen brengen?
Kunt u aangeven hoeveel terugvorderingen van kinderopvangtoeslag er per jaar zijn geweest vanwege het niet voldoen aan de arbeidseis sinds de invoering van deze eis, uitgesplitst naar het jaar waarin gebruik is gemaakt van de kinderopvang?
Kunt u daarbij inzicht geven in de totale omvang van deze terugvorderingen per jaar?
Kunt u tevens inzicht geven in de verdeling van de hoogte van deze terugvorderingen door in elk geval per jaar het gemiddelde, het minimum, het maximum en de standaarddeviatie van de teruggevorderde bedragen te verstrekken?
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het (af)bouwen van de functie van Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld |
|
Sarah Dobbe , Marjolein Moorman (PvdA), Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Songül Mutluer (PvdA), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Letschert , van Bruggen , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
De noodkreet van de BES-eilanden over veiligheid |
|
Heera Dijk (D66) |
|
Eric van der Burg (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de oproep vanuit de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) tot structurele versterking van de justitieketen in Caribisch Nederland?1
Herkent u de situatie zoals deze door de gezaghebbers van Saba, Bonaire en Sint-Eustatius wordt geschetst en wat is uw reactie op de drie concrete oproepen zoals deze zijn opgenomen in het bericht richting de beide Kamers en richting het kabinet?
Wat is de meest recente stand van zaken met betrekking tot de personele bezetting van politie-, justitie- en veiligheidspersoneel op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), uitgedrukt in fulltime-equivalent (fte), bezette versus openstaande vacatures en de verhouding tot de beleidsdoelstelling?
Welke concrete stappen heeft het u al gezet of gepland om het structurele personeelstekort bij het Korps Politie Caribisch Nederland en de Douane op de BES-eilanden aan te pakken?
Welke informatie heeft u over de omvang en aard van de wapenproblematiek op de BES-eilanden, en welke maatregelen worden overwogen?
Overwegende dat de gezaghebbers stellen dat de Douane haar inzet momenteel primair op inning van accijnzen en belastingen richt en minder op veiligheidsvraagstukken, kunt u toelichten hoe de taakverdeling en prioriteiten van de Douane worden afgestemd op veiligheidsrisico’s en welke maatregelen nodig zijn om eventuele lacunes in grensbewaking en criminaliteitsbestrijding te dichten?
Overwegende dat de gezaghebbers aangeven dat het gewenste en acceptabele niveau van rechtsbescherming in Caribisch Nederland onder druk staat, Welke concrete stappen onderneemt het kabinet om de rechtsbescherming en toegang tot rechtspraak voor inwoners van de BES-eilanden te garanderen op een niveau dat gelijkwaardig is aan Europees Nederland?
Welke opvolging is er tot op heden gegeven aan het rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» van de Raad voor de Rechtshandhaving?
Het bericht dat AI-gegenereerde stemhulpen kiezers misleiden. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met verschillende berichten dat AI-gegenereerde stemwijzers onjuiste informatie verstrekken en kiezers misleiden, zoals in Gouda, Leiden en De Ronde Venen?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de grote zorg dat hier stemadviezen worden gegeven op basis van tal van onjuistheden en zelfs met niet bestaande partijen?
Ik deel uw zorgen over de stemadviezen die door AI-gegenereerde stemhulpen (verder: AI-stemhulpen) worden verstrekt. Het is van belang dat de adviezen die kiezers van stemhulpen krijgen betrouwbaar, begrijpelijk en transparant zijn. Met de komst van AI-stemhulpen zie ik dat deze uitgangspunten onder druk komen te staan. AI-stemhulpen zijn namelijk stemhulpen die gebouwd zijn op basis van Large Language Models (LLM’s), bijvoorbeeld keus.nl4 dat claude.ai als basis heeft. Dit soort LLM’s produceert antwoorden door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, niet door deskundig gevalideerde verkiezingsinformatie of lokale programma’s. Daardoor geven ze antwoorden die op het eerste gezicht vaak goed lijken, maar die niet feitelijk juist, of neutraal zijn. Zelfs met zeer strikte instructies aan het algoritme, blijven de antwoorden onbetrouwbaar.
Eerder hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) daarom het gebruik van AI-stemhulpen sterk afgeraden.
De ontwikkeling van stemhulpen maakt onderdeel uit van het publieke debat rondom verkiezingen. Vanwege de neutrale positie die de overheid dient in te nemen in het debat rond verkiezingen, heeft de overheid tot nu toe geen rol ingenomen met betrekking tot stemhulpen, noch invloed uitgeoefend op stemhulpen. Dat geldt ook voor door AI gemaakte stemhulpen. Door het toenemende gebruik van AI-stemhulpen komen uitgangspunten betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie onder druk te staan. Daarom onderzoek ik of de overheid in de borging van deze uitgangspunten een rol kan en moet vervullen en zo ja, binnen welke kaders dat kan. Ik ben voornemens u bij de evaluatie van de Gemeenteraadsverkiezingen die ik voor de zomer aan de Tweede Kamer zal sturen hier nader over te informeren.
Welke gevolgen heeft onjuiste informatieverstrekking voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen en welke aansprakelijkheid geldt er bij het onjuist of onvolledig verstrekken van informatie?
Zie antwoord op vraag 2.
Al eerder werd door de Autoriteit Persoonsgegevens gewaarschuwd voor de uitkomsten van AI-gegenereerde chatbots, die meer dan de helft van de tijd PVV en GroenLinks-PvdA op de eerst plek adviseerden, wat is er met deze bevindingen gedaan? Vindt u dit voldoende, zo ja waarom?
Mede naar aanleiding van dit rapport ben ik in gesprek gegaan met bedrijven die LLM’s als dienst aanbieden over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 noem, onderzoek ik of het wenselijk is of de overheid een rol gaat nemen bij de borging van uitgangspunten van betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie bij de ontwikkeling van stemhulpen. In de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezing zal ik u hier verder over informeren.
Hoe vaak zijn de in de nieuwsartikelen genoemde «stemhulpen» in de afgelopen dagen geraadpleegd? Hoe verhoudt zich dat tot het aantal kiesgerechtigden?
Ik heb daar geen zicht op. Ik verwijs u voor deze cijfers naar de betreffende websites. Voor de volledigheid wijs ik u erop dat de website keus.nl door de initiatiefnemer zelf inmiddels offline is gehaald.
Gaat u na welke initiatiefnemers er achter deze zogenaamde stemhulpen schuil gaan en met welk oogmerk zij actief zijn? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, wie is daar wel voor verantwoordelijk?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de grote zorg dat de democratie actief wordt ondermijnd door desinformatie en dat kwaadwillenden zelfs verder kunnen gaan dan onjuist en onzorgvuldig informeren, en zelfs manipuleren? Zo ja, kunt en gaat u handhaven? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen over de ondermijning van de democratie door desinformatie. De aanpak hiervan is voor mij en het kabinet prioriteit. In het rondetafelgesprek over sociale media en inmenging met de Commissie Digitale Zaken op 4 maart jl. werd er ook op gewezen dat desinformatie ingezet kan worden om LLM’s te beïnvloeden. Naast de onbetrouwbare beantwoording van LLM’s door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, vormt de desinformatie dus ook een serieus risico voor de betrouwbaarheid van de informatie die AI stemhulpen geven. Bij de aankomende gemeenteraadsverkiezingen laten we met verschillende pilots onderzoeken hoe detectie van buitenlandse desinformatie kan plaatsvinden. Over de uitkomsten van deze pilots wordt uw Kamer na de gemeenteraadsverkiezingen nader geïnformeerd.
Waar het gaat om de inzet van AI wordt gewerkt aan een wettelijk kader voor het toezicht in Nederland op de Europese AI-verordening. Bedrijven die diensten leveren die gebruik maken van LLM’s (zoals chatbots) vallen onder de AI-verordening. Binnen deze verordening gelden AI-systemen die worden ingezet voor het beïnvloeden van «natuurlijke personen bij de uitoefening van hun stemrecht bij de verkiezingen of referenda» als hoog risico. AI-toepassingen die een hoog risico vormen, worden aan strengere regels gebonden. De uitvoeringswetgeving is op dit moment nog in ontwikkeling. Op dit moment wordt gewerkt aan de uitvoeringswet die binnenkort in openbare internetconsultatie zal gaan. Tegelijkertijd hebben ook de aanbieders van de LLM’s zelf een verantwoordelijkheid om bias en vertekening te voorkomen en systeemrisico’s te mitigeren; daarop wordt al toegezien door het Europese AI Bureau.
Omdat de huidige nationale wetgeving nog onvoldoende handvatten biedt om het gebruik van de overige AI-chatbots als stemhulp te reguleren, zet het Ministerie van BZK ook in op een dialoog met de aanbieders van AI-chatbots en op bewustwording bij kiezers. Vanwege het internationale karakter van de aanbieders van AI chatbots betrek ik deze casuïstiek ook bij de gesprekken die ik voer met de Europese Commissie.
Kunt u deze stemhulpen aansprakelijk stellen, laten aanpassen of zonodig beëindigen? Zo ja, bent u bereid dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe voorkomt u dat deze aanbieders of anderen hiermee doorgaan?
Zie antwoord op vraag 2.
Op welke wijze raadt u kiezers aan zich te informeren, en hoe waarschuwt de regering burgers voor misleiding en AI-advies waarmee ze knollen voor citroenen aangesmeerd krijgen?
In mijn communicatie inzake de aanstaande gemeenteraadsverkiezing besteed ik aandacht aan de beperkingen van AI-stemhulpen. Ik benadruk hierin dat een stemhulp slechts één van de hulpmiddelen is om informatie over de verkiezing en deelnemende kandidaten te vergaren. Ik adviseer kiezers om daarnaast ook nog andere middelen hiervoor te gebruiken, zoals het volgen van debatten, het lezen van partijprogramma’s en het met anderen in gesprek gaan. Daarnaast adviseer ik politieke partijen als zij fouten aantreffen in een stemhulp om zelf contact op te nemen met de aanbieder van de stemhulp.
Bent u in overleg met lokale overheden om burgers actief te informeren over online stemwijzers die misinformatie verspreiden, over aanpassing van deze sites of zonodig sanctioneren?
In de nieuwsbrief van de Kiesraad zijn gemeenten gevraagd om hun inwoners te informeren over de risico’s van AI-gegeneerde stemhulpen.
Voor wat betreft het aanpassen van deze websites en zo nodig het sanctioneren verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Wie is in Nederland verantwoordelijk voor opsporing en handhaving in deze? Kunt u inzicht geven welke omvang of de regelgeving voldoende instrumenten geeft om met snelheid te acteren en of er voldoende capaciteit is?
Op dit moment is er in Nederland geen instantie die bevoegd is om tegen AI stemhulpen op te treden wanneer die niet aan de uitgangspunten van betrouwbare, transparante en begrijpelijke informatievoorziening voldoen.
Voor de stand van zaken omtrent het juridisch instrumentarium in deze verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 7.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in elk geval laten weten op welke wijze handhavend wordt opgetreden?
Ja.
Het bericht dat omwonenden van azc Lochem 1000 euro krijgen om hun eigen veiligheid te regelen. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat omwonenden van het asielzoekerscentrum (azc) in Lochem maximaal 1.000 euro per huishouden krijgen van de gemeente om zelf «preventieve maatregelen» te nemen voor hun veiligheid, zoals camera’s en hekken, vanwege de onrust en onveiligheid veroorzaakt door asielzoekers?1
Erkent u dat dit het keiharde bewijs is dat asielzoekers structureel zorgen voor overlast, intimidatie, bedreigingen en onveiligheid in Nederland, en dat omwonenden nu letterlijk met hun eigen portemonnee (via belastinggeld) hun bescherming moeten regelen tegen deze asielwaanzin? Zo nee, waarom ontkent u de verschrikkelijke realiteit die talloze Nederlanders dagelijks ervaren?
Kunt u exact uiteenzetten hoeveel incidenten van geweld, diefstal, bedreigingen, aanrandingen en andere overlast door asielzoekers in en rond het azc Lochem zijn gemeld bij de politie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en hoeveel van deze meldingen zijn verzwegen of niet serieus zijn genomen?
Deelt u de mening dat het volstrekt absurd en schandalig is dat belastinggeld wordt verspild om omwonenden te «compenseren» voor de onveiligheid die dit kabinet veroorzaakt door overlastgevers niet uit te zetten, de Spreidingswet te handhaven en geen asielstop in te voeren?
Bent u het ermee eens dat de enige oplossing het sluiten van het azc is? Zo nee, hoeveel slachtoffers van intimidatie, diefstal of geweld moeten er nog bijkomen?
Bent u bereid om alsnog de Spreidingswet per direct in te trekken en een volledige asielstop in te stellen? Zo nee, waarom prioriteert u asielzoekers boven de veiligheid van de eigen bevolking?
De Algemene Bestuursdienst (ABD) |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Was de Algemene Bestuursdienst (ABD) ervan op de hoogte dat het cv van Nathalie van Berkel niet correct was? Zo nee, waarom niet?
Voor werving & selectieprocedures volgt de Algemene Bestuursdienst de NVP1-sollicitatiecode. Gegevens die een sollicitant in een sollicitatieproces verstrekt zijn vertrouwelijk. Daarom kan ik verder geen uitspraken doen over deze procedure.
Overigens gaat het in deze situatie niet om een ABD-functie maar om dienstverlening door de ABD samen met een extern werving & selectie bureau aan een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO).
Worden de cv’s van ambtenaren die vallen onder de ABD gecontroleerd? Zo nee, waarom niet?
Voor ABD-vacatures kent de ABD een uitgebreid werving- en selectieproces waarin een kandidaat op verschillende momenten getoetst wordt op zijn ervaring, vaardigheden en kwaliteiten. Voorafgaand aan publicatie van een functie worden de functie-eisen vastgesteld in samenspraak met de vacaturehouder. Dit kan een specifieke opleidingseis zijn, maar vaker wordt een wo-werk- en -denkniveau gevraagd in combinatie met relevante werkervaring. In de selectiegesprekken wordt getoetst of een kandidaat over de juiste kwaliteiten en vaardigheden beschikt voor de functie.
Na afloop van de selectiegesprekken vindt voor de voorkeurskandidaat een referentiecheck plaats om eerdere werkervaring te toetsen. Daarnaast kan een assessment deel uitmaken van het selectieproces. Dit gebeurt altijd voor kandidaten die van buiten de Rijksoverheid solliciteren en voor kandidaten die niet eerder een functie op hetzelfde niveau hebben vervuld.
De primaire verantwoordelijkheid voor het verstrekken van correcte informatie ligt bij de sollicitant. Dit volgt uit de Gedragscode Integriteit Rijk. Daarin is beschreven dat integriteit al iets is om rekening mee te houden voordat je in dienst treedt als rijksambtenaar. Zo moet een persoon eerlijk zijn in de informatie die hij of zij bij de sollicitatie verstrekt en geen relevante informatie achterhouden. Bij het afleggen van de ambtseed zweert of verklaart een rijksambtenaar dat hij of zij correcte informatie heeft gegeven en niets heeft verzwegen wat voor het ambt van belang kan zijn. Uiteraard onderschrijft ik deze uitgangspunten volledig.
Is het, wat u betreft, acceptabel dat ambtenaren, die onderdeel uitmaken van de ABD, hun cv hebben «opgepoetst» met onwaarheden? Of is dit onverenigbaar met de integriteit van het openbaar bestuur?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 2. De primaire verantwoordelijkheid voor het verstrekken van correcte informatie ligt bij de sollicitant. Dit is ook opgenomen in de Gedragscode Integriteit Rijk en in de ambtseed.
Bent u bereid de cv’s van ambtenaren die onderdeel uitmaken van de ABD – of op zijn minst de ambtenaren die behoren tot de Topmanagementgroep van de ABD – door een extern bureau te laten controleren? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven kent de ABD een zorgvuldig werving- selectieproces waarbij werkervaring en vaardigheden op verschillende momenten getoetst worden. Daarnaast heeft iedere kandidaat zelf primair de verantwoordelijkheid om correcte informatie bij een sollicitatie te verstrekken en om geen relevante informatie achterhouden, zoals ook is opgenomen in de Gedragscode Integriteit Rijk en de ambtseed. Het inschakelen van een extern bureau voor het toetsen van cv’s van de huidige groep topambtenaren vind ik niet proportioneel. Wel vind ik het van belang om de waarde die de overheid hecht aan integriteit te onderstrepen bij sollicitaties voor topambtelijke functies. Eerder is aangegeven dat zal worden bezien of de aandacht voor integriteit in het bestaande aannamebeleid voor rijksambtenaren vergroot moet worden.2 Daarbij zal voor topambtenaren, naast de huidige checks in de werving- en selectie procedure, voor de eindkandidaat een extra opleidingsverificatie plaatsvinden.
De onrust onder inwoners van Moerdijk. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Moerdijk leeft tussen hoop en vrees: «Ik heb hier huilende mensen gehad»» op Omroep Brabant?1
Deelt u de opvatting dat langdurige bestuurlijke onzekerheid over het voortbestaan van een dorp diep ingrijpt in het dagelijks leven van inwoners en dat het Rijk hierin een eigen verantwoordelijkheid heeft, nu het mede-initiatiefnemer is van de gebiedsontwikkeling?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de inwoners van Moerdijk als gevolg van het handelen van de Rijksoverheid nog langer in onzekerheid blijven?
Welke stappen onderneemt u, vooruitlopend op een principebesluit, om de spanning en onzekerheid van de inwoners van Moerdijk te verzachten en rechtszekerheid en duidelijkheid voor inwoners te vergroten om verdere sociale ontwrichting te voorkomen?
Kunt u uiteenzetten welke uitgangspunten het kabinet hanteert bij de beoordeling of het opheffen van een dorp proportioneel en subsidiair is, en hoe deze toets zich verhoudt tot het uitgangspunt van een leefbare woonomgeving in de Nota Ruimte?
Hoe ziet het verplaatsen van het dorp Moerdijk eruit zowel als het gaat om het administratieve proces als de ruimtelijke kaders?
Bent u bekend met het aangenomen voorstel van de gemeenteraad van Moerdijk (19 november 2025) dat een voorkeur voor de variant Oost uitspreekt omdat deze het minst schadelijk is voor de gemeente als geheel? Zo ja, wat is uw visie over de inhoud?
Bent u in het kader van het aangenomen Moerdijkse raadsvoorstel «Ophalen toestemming voor besluit Powerport 1 december 2025» ermee bekend dat bij het oorspronkelijke raadsvoorstel meerdere amendementen zijn aangenomen ten behoeve van de leefbaarheid na de realisatie van Powerport, zoals de verbreding van de A16 bij de Moerdijkbrug?
Deelt u de visie zoals neergelegd door de Moerdijkse gemeenteraad, of heeft u een andere visie?
Waaraan denkt het kabinet als het gaat om «redelijke compensatie»?
Wordt er een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse opgesteld waarin ook psychosociale effecten, verlies van erfgoed, waardedaling van omliggende dorpen en effecten op vertrouwen in de overheid worden meegewogen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer deze? Zo nee, waarom wordt deze niet opgesteld?
Wat is uw huidige inschatting van de totale publieke kosten van de verschillende varianten (Oost en Zuid-Oost), inclusief verwerving, compensatie, herhuisvesting, infrastructuur, leefbaarheidsmaatregelen en eventuele planschade?
Hoe worden deze kosten verdeeld tussen Rijk, provincie, gemeente, havenbedrijf en netbeheerders, en welke middelen zijn reeds gereserveerd op de Rijksbegroting?
Wat is de termijn waarop deze middelen beschikbaar kunnen zijn?
Hoeveel extra milieubelasting (geluid, stikstof, verkeersbewegingen, veiligheidsrisico’s) ondervinden omliggende kernen zoals Zevenbergen, Langeweg en Zevenbergschen Hoek in beide varianten, en hoe weegt u deze effecten ruimtelijk en sociaal tegen elkaar af?
Aan welke (lopende) extra onderzoeken werd door de Minister gerefereerd tijdens het persmoment op 1 december 2025 in het gemeentehuis te Zevenbergen?
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over deze onderzoeken?
Kunt u specificeren welke onderzoeken tussen december 2025 en juni 2026 worden uitgevoerd (bijvoorbeeld naar alternatieven, brede welvaart, sociaal-maatschappelijke impact, juridische haalbaarheid en milieueffecten), wie deze uitvoert en welke scenario’s daarin worden meegenomen?
Hoeveel meer overlast gaan de bewoners van Zevenberg, Langeweg en Zevenberse Hoek ondervinden wanneer het kabinet kiest voor de Zuid-Oost variant en hoe weegt u de kosten van die overlast ten opzichte van de kosten van het verplaatsen van het dorp Moerdijk?
Kunt u concreet aangeven welke typen bedrijvigheid onder de gereserveerde 450 hectare voor de uitbreiding van het haven en industriegebied vallen en op basis van welke ruimtelijke en milieukaders deze selectie plaatsvindt?
Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat deze ruimte uiteindelijk wordt ingevuld met andersoortige, ruimte-intensieve of overlastgevende functies die niet direct samenhangen met de energietransitie of circulaire economie?
Hoe past deze ontwikkeling binnen het rijksbeleid om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte, functiemenging te beperken waar leefbaarheid onder druk staat en verdozing van het landschap tegen te gaan?
Op welke wijze wordt het vertrouwen van inwoners in de overheid actief gemonitord en versterkt in dit proces, en welke lessen trekt u hieruit voor toekomstige grootschalige ruimtelijke ingrepen elders in Nederland?
Kunt u bevestigen dat zonder een uitgewerkt en financieel gedekt pakket voor herhuisvesting, compensatie en behoud van sociale samenhang geen onomkeerbare stappen worden gezet?