Het bericht 'Ambtenaren verzwegen Palestijnse dodentallen voor Schoof' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van Vrij Nederland, over het verzwijgen van Palestijnse dodentallen door ambtenaren voor de Minister-President?1
Het beeld dat moedwillig informatie wordt achtergehouden is onjuist. Ik ervaar de advisering binnen het ministerie als professioneel en volledig, waarbij alle relevante invalshoeken en feiten worden meegenomen. Over de oorlog in de Gazastrook is er een constante informatiestroom, ook richting het Ministerie van Algemene Zaken. Daarin zijn met grote regelmaat cijfers over aantallen slachtoffers (ongeacht nationaliteit) opgenomen. Er zijn verschillende manieren waarop bewindslieden geïnformeerd worden over een kwestie, een gespreksfiche is daar één van.
Kunt u inzage geven in het proces van het opstellen van het desbetreffende gespreksfiche uit het artikel? Klopt het dat meerdere malen de cijfers over de Palestijnse en Libanese slachtoffers uit het feitenrelaas zijn gehaald?
Een gespreksfiche bestaat onder meer uit spreekpunten en achtergrondinformatie. In de achtergrondinformatie dient de informatie te staan die nodig is om het gesprek inhoudelijk goed te kunnen voeren. De gesprekspunten bieden een basis voor de manier waarop het gesprek gevoerd kan worden. Met het opstellen van de gesprekspunten wordt de afweging gemaakt op welke wijze het meest effectief een boodschap wordt overgebracht. Dat is mede afhankelijk van de gesprekspartner in kwestie, zijn of haar kennis over een situatie of onderwerp, en de relatie van een land ten opzichte van het te bespreken onderwerp. Hierdoor is het niet altijd nodig of opportuun in de gesprekspunten een situatie te beschrijven om er wel over te spreken. Naast de gesprekspunten zelf, wordt tijdens het gesprek ook gebruik gemaakt van de achtergrondinformatie.
Het artikel in Vrij Nederland refereert aan een gesprek van de Minister-President met een Arabische leider in het najaar van 2024. Hoewel er geen duidelijkheid bestaat over het exacte gesprek waar het artikel aan refereert, is naar aanleiding van de publicatie nagegaan welk gesprek het mogelijk kan betreffen. Hierbij kwam een specifiek gesprek naar voren, waarbij slachtofferaantallen in de achtergrondinformatie stonden. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 1.
Hoe kan het dat relevante feitelijke informatie uit een gespreksfiche wordt gehaald? Wat zijn de vereisten bij het opstellen van zo’n fiche en wie controleert dit? Is er sprake van een vier-ogen principe?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Bij het opstellen van een gespreksfiche zijn diverse personen betrokken, zowel op het departement in Den Haag als op de Nederlandse posten in de regio. Het aantal betrokkenen hangt met name af van de inhoud van het gesprek en het aantal gespreksonderwerpen. Daarnaast wordt een gespreksfiche op verschillende niveaus geaccordeerd. Waar nodig ook op politiek niveau. In ieder geval kijken altijd meer dan twee mensen.
Hoe verantwoordt u dat Israëlische doden een hogere status krijgen op het Ministerie van Buitenlandse zaken, dan Palestijnse of Libanese doden?
Daarvan is geen sprake. Het kabinet werpt deze aantijging verre van zich.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de dubbele moraal en mogelijke angstcultuur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom?
Nee. Buitenlandse Zaken hecht aan een open en veilige werkcultuur, waarbinnen ruimte bestaat voor kritisch intern debat. De ambtelijke leiding draagt deze norm actief uit, evenals de norm van brede en deskundige ambtelijke advisering. Het departement investeert in een inclusieve werkomgeving, met ruimte voor diversiteit van perspectieven, en de ontwikkeling van vaardigheden als luisteren en het voeren van een open dialoog. De effecten van die inzet worden regulier gemeten in o.a. het tweejaarlijkse medewerkerstevredenheidsonderzoek, het jaarlijkse arbojaarverslag en Rijksbrede instrumenten als de nieuwe Inclusiemonitor. De uitkomsten uit deze metingen bieden voldoende inzicht voor de verdere ontwikkeling van de organisatie.
De Algemene maatregel van bestuur Wet veilige jaarwisseling |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) is gekozen voor een verplichte inschrijving in het Handelsregister, terwijl het amendement Bikker expliciet beoogde een laagdrempelig alternatief te bieden voor burgerinitiatieven die niet noodzakelijkerwijs in een formele rechtsvorm opereren?1
Er is gekozen voor een verplichte inschrijving bij de Kamer van Koophandel, omdat het wenselijk is om te borgen dat een ontheffinghouder een rechtspersoon is die aansprakelijk kan worden gesteld voor schade of letsel veroorzaakt in het kader van de verleende ontheffing. Er worden geen eisen gesteld aan het type vereniging of stichting. Daarmee is deze voorwaarde zo laagdrempelig mogelijk vormgegeven.
Op welke wijze is getoetst of deze eis verenigbaar is met de intentie van het amendement?
Indieners van het amendement Bikkers c.s. geven in de toelichting aan dat het ook voor anderen dan personen met gespecialiseerde kennis mogelijk moet zijn om consumentenvuurwerk te mogen afsteken. Indieners wilden het onder voorwaarden mogelijk maken voor georganiseerde groepen burgers om zich tot de gemeente te wenden om tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier voor hun gemeenschap vuurwerk af te steken op een daartoe aangewezen plek. Daarbij wezen de indieners bijvoorbeeld op dorps- of buurtverenigingen die op een centrale plek in het dorp of in de wijk vuurwerk organiseert. Bovenstaande is met de uitwerking in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling mogelijk gemaakt.
Waarom is bepaald dat een vereniging uitsluitend een ontheffing kan aanvragen in de gemeente waarin zij volgens de Kamer van Koophandel (KvK) is ingeschreven?
In de internetconsultatieversie van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling was een vestigingsplaatsvereiste opgenomen, maar deze eis is geschrapt om ook het aanvragen van een ontheffing in bijvoorbeeld buurgemeenten mogelijk te maken.
Hoe wordt omgegaan met lokale initiatieven binnen grotere gemeenten met meerdere kernen of wijken, waar de feitelijke activiteiten niet samenvallen met de formele vestigingsplaats?
In de internetconsultatieversie van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling was een vestigingsplaatsvereiste opgenomen, maar deze eis is geschrapt om ook het aanvragen van een ontheffing in bijvoorbeeld buurgemeenten mogelijk te maken.
Zijn minder beperkende alternatieven onderzocht om identiteit en verantwoordelijkheid te borgen, zoals gemeentelijke registratie, aanwijzing van een verantwoordelijke persoon of een door de gemeente erkende contactstructuur? Zo ja, waarom zijn deze niet overgenomen? Zo nee, waarom niet?
Met de uitwerking van de huidige ontheffingsmogelijkheid is aangesloten bij de bestaande structuren van verenigingen en stichtingen. Het is wenselijk dat duidelijk is wie aangesproken kan worden bij letsel of schade. Dat wordt op deze manier het beste geborgd.
Kant u toelichten hoe u de passage uit het amendement Bikker heeft geïnterpreteerd waarin wordt gevraagd om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande regels voor particulieren?
Omdat de situatie niet meer vergelijkbaar is met de situatie zonder landelijk vuurwerkverbod, is het niet mogelijk om alle bestaande regels voor particulieren een-op-een over te nemen. Er is immers een brede meerderheid binnen zowel de Eerste als Tweede Kamer voor een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, met een ontheffingsmogelijkheid voor groepen burgers. Daarmee is het mogelijk voor gemeenten om groepen burgers de kans te geven om samen het nieuwe jaar in te luiden met vuurwerk. Hierbij is het noodzakelijk geacht om een aantal voorwaarden en voorschriften vast te stellen met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
Wel is bijvoorbeeld aangesloten bij het type vuurwerk dat nu is toegestaan op basis van de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk, en is voor de ontbranders de huidige leeftijdsgrens gehanteerd. In de huidige regelgeving is er een maximum van 25 kg vuurwerk per persoon toegestaan. Omdat er op een afsteeklocatie maximaal 200 kg vuurwerk neergelegd mag worden, is ervoor gekozen om het mogelijk te maken maximaal acht ontbranders aan te wijzen. Daarmee is getracht een balans te vinden waarin zowel de veiligheid van ontbranders en omstanders wordt geborgd, en daarnaast ook wordt gezorgd voor een uitvoerbare regeling.
Waarom is in de AMvB gekozen voor een systematiek die sterk leunt op professionele ontbrandingsregels?
Gekozen is om, daar waar mogelijk, aan te sluiten bij reeds geldende eisen in huidige wet- en regelgeving. Professionele toepassers maken in de praktijk bij hun evenementen veelal gebruik van consumentenvuurwerk. Hiervoor moeten zij aan diverse eisen voldoen. Daarom is ervoor gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels voor professionele toepassers wanneer zij consumentenvuurwerk afsteken.
Op welke punten is bewust afgeweken van het particuliere regime, en welke beleidsmatige noodzaak lag daaraan ten grondslag?
Het landelijk vuurwerkverbod stelt dat particulieren geen vuurwerk meer mogen bezitten, kopen of afsteken. Hiermee zijn de regels van het particuliere regime niet meer van toepassing. Bij het invullen van de ontheffingsmogelijkheid is voor het waarborgen van de veiligheid zowel gekeken naar de oorspronkelijke regels van het particuliere regime als naar de regels van professionele toepassers. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 6 en 7.
Is een vergelijking gemaakt tussen het particuliere en het professionele regime op het gebied van risico’s, uitvoeringslasten en handhaafbaarheid? Zo ja, kan deze analyse met de Kamer worden gedeeld?
Er is gekeken naar alle regels die gelden voor professionele ontbrandingen wanneer zij uitsluitend consumentenvuurwerk tot ontbranding brengen. Daar waar opportuun is geacht, is daarbij aangesloten. Bij de afweging welke eisen over zijn genomen, hebben o.a. veiligheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid voor verenigingen en stichtingen een rol gespeeld.
Waarom is gekozen voor een uniforme set zware eisen voor alle initiatieven, ongeacht schaal en hoeveelheid vuurwerk?
Er is voor gekozen om uit te gaan van één generieke set aan minimale voorwaarden en voorschriften die een burgemeester in acht dient te nemen bij het verlenen van een ontheffing.
Is een gedifferentieerd model overwogen, bijvoorbeeld met lichtere eisen voor kleinschalige burgerinitiatieven en zwaardere eisen voor grotere evenementen?
De ontheffingsmogelijkheid moest een kleinschalig burgerinitiatief mogelijk maken. Dit is met de huidige invulling mogelijk. Grotere evenementen kunnen georganiseerd worden door professionele toepassers.
Zo ja, waarom is dit niet uitgewerkt? Zo nee, waarom is deze optie niet onderzocht?
In het kader van de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid zijn meerdere opties overwogen. De verschillende scenario’s zijn beschreven in het Beleidskompas, die ook gepubliceerd is tijdens de internetconsultatie.2 Gelet op de lokale bevoegdheidsverdeling, dan wel de doelstelling van de wet, en om redenen van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid, is voor deze alternatieve scenario’s niet gekozen.
Waarom acht u een volledig veiligheidsplan en situatietekening noodzakelijk voor álle aanvragen, inclusief kleinschalige initiatieven?
Een veiligheidsplan en situatietekening zijn nodig voor een burgemeester om te kunnen beoordelen of het tot ontbranding brengen van maximaal 200 kilo consumentenvuurwerk op een bepaalde locatie verantwoord is.
Welke proportionaliteitsafweging is hierbij gemaakt?
Een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van het Ontwerpbesluit is het geven van ruimte aan lokale afwegingen waarbij oog is voor de lokale situatie. Daarom is ervoor gekozen om zo veel mogelijk ruimte te laten om op lokaal niveau afwegingen te maken over hoe een ontheffing het beste kan worden vormgegeven. Burgemeesters hebben kennis over hun gemeente en inwoners en kunnen daarom, samen met onder andere de lokale driehoek en de veiligheidsregio, bezien wat wenselijk en mogelijk is binnen hun gemeente. Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt het vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Met het oog hierop is terughoudend omgegaan met het stellen van regels en vereisten op landelijk niveau, om onnodige belemmeringen en regeldruk voor stichtingen en verenigingen te voorkomen. Wel zijn bepaalde minimale veiligheidsvoorschriften van belang om de veiligheid van ontbranders, supervisors, publiek en omwonenden te borgen. Eén daarvan is het verplicht indienen van een veiligheidsplan en een situatietekening. Een veiligheidsplan en situatietekening zijn nodig voor een burgemeester om te kunnen beoordelen of het tot ontbranding brengen van maximaal 200 kilo consumentenvuurwerk op een bepaalde locatie verantwoord is.
Zijn vereenvoudigde veiligheidsprofielen of standaardformats overwogen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen. Modelontheffingen en formats worden hierin ook overwogen. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen van de handreiking.
Waarom zijn eventuele modeldocumenten of sjablonen niet wettelijk verankerd om de administratieve last te beperken?
Door de VNG wordt, met input vanuit het Rijk, gewerkt aan een handreiking, inclusief bijvoorbeeld modelontheffingen. Het ligt niet in de rede om deze documenten wettelijk te verankeren. Het is op deze manier ook gemakkelijker deze documenten aan te passen, mocht dat nodig zijn. Bijvoorbeeld naar aanleiding van opgedane ervaringen en best practices in gemeenten.
Waarom is gekozen voor aansluiting bij de professionele grens van 200 kilogram binnen een regeling die bedoeld is voor burgerinitiatieven?
Nu kan bij het tot ontbranding brengen van 200 kilogram consumentenvuurwerk worden volstaan met een ontbrandingsmelding bij het bevoegde gezag (de provincie); daarboven is een ontbrandingstoestemming vereist. Ook valt deze maximumhoeveelheid binnen de geldende vrijstellingen in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Nu de hoeveelheid en het type vuurwerk dat wordt toegestaan met de ontheffing vergelijkbaar is, ligt het ook voor de hand zoveel mogelijk bij deze regels aan te sluiten.
Hoe verhoudt deze grens zich tot de doelstelling van het amendement Bikker, dat juist een alternatief voor particulier vuurwerkgebruik beoogde?
Naar de mening van het kabinet biedt 200 kilogram consumentenvuurwerk voldoende mogelijkheden voor het afsteken van consumentenvuurwerk door verenigingen en stichtingen. De grens van 200 kilogram consumentenvuurwerk is in de regelgeving ook nu al relevant bij professionele vuurwerkshows wanneer zij uitsluitend consumentenvuurwerk tot ontbranding brengen. Zie ook het antwoord op vraag 17.
Is onderzocht of deze grens in de praktijk functioneel en realistisch is, gelet op het feit dat een enkele compounddoos al tien tot twintig kilogram kan wegen?
Zie het antwoord op vraag 18.
Welke ondersteuning biedt u aan gemeenten om aanvragen consistent, tijdig en uitvoerbaar te beoordelen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen en modeldocumenten. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen van de handreiking.
Is onderzocht wat de verwachte uitvoeringslast is voor gemeenten en hoe deze zich verhoudt tot de beschikbare capaciteit?
De VNG heeft aangegeven in haar uitvoeringstoets dat op dit moment nog geen volledig beeld bestaat van de gemeentelijke uitvoeringskosten en de wijze waarop deze kosten financieel kunnen worden gedekt. Daarbij wijst de VNG erop dat het verlenen van ontheffingen voor het afsteken van F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling, evenals het toezicht en de handhaving daarop, een nieuwe bevoegdheid betreft voor burgemeesters en gemeenten. Volgens de VNG zullen de gemoeide kosten van de nieuwe bevoegdheid voor burgemeesters en gemeenten mede afhankelijk zijn van de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de ontheffingsmogelijkheid en van de wijze waarop gemeenten hier in hun lokale beleid invulling aan geven.
Waarom zijn geen landelijke minimumnormen of toetsingskaders opgenomen, terwijl de beslissingsbevoegdheid volledig bij de burgemeester ligt?
Om de veiligheid van de opslag, het vervoer, de verkoop en het afsteken van vuurwerk te waarborgen voor ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden is in het Ontwerpbesluit een aantal voorwaarden en voorschriften vastgesteld. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de brede wens vanuit gemeenten om waar dat kan veiligheidsvereisten nationaal vast te leggen.
Hoe wordt voorkomen dat de toekenning van ontheffingen afhankelijk wordt van de persoonlijke of politieke opvattingen van individuele burgemeesters?
De bevoegdheid om een ontheffing te verlenen is bij amendement Bikker c.s. bij de burgemeester belegd. De burgemeester kan zelf beslissen of zij van die bevoegdheid gebruik wenst te maken. Daarmee kan rekening worden gehouden met de lokale situatie, desgewenst in overleg met de lokale driehoek. Naar verwachting zullen burgemeesters hierover in gesprek gaan met de gemeenteraad.
Is het risico op ongelijke behandeling tussen gemeenten expliciet meegewogen?
Als gevolg van het amendement Bikker c.s. kan een burgemeester op grond van de Wet veilige jaarwisseling een ontheffing verlenen, maar zij hoeft dat niet te doen. Zij kan daartoe zelf beleid opstellen al dan niet in een beleidsregel. Verschillen in beleid tussen gemeenten leiden op zichzelf niet tot ongelijke behandeling tussen gemeenten. Sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat afhankelijk van lokale omstandigheden verschillen in beleid tussen gemeenten kunnen ontstaan. Wel zijn, in lijn met de wens van gemeenten, veel veiligheidsvoorschriften nationaal vastgelegd in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling.
Hoe heeft u beoordeeld dat de opslag-, uitleverings- en terugnameverplichtingen uitvoerbaar zijn voor burgerinitiatieven zonder professionele infrastructuur?
Voor verenigingen en stichtingen is het een nieuwe situatie dat vuurwerk terug dient te worden gebracht aan het verkooppunt of te worden opgehaald. Het gaat daarbij enkel om de situatie waarin vuurwerk, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, niet kon worden afgestoken. Deze verplichting is noodzakelijk omdat het gedurende het jaar met het oog op de veiligheid, niet toegestaan is voor verenigingen en stichtingen om vuurwerk in bezit te hebben en op te slaan. Naar aanleiding van signalen uit de internetconsultatie is de teruglevertermijn verruimd naar 18.00 op 1 januari. Het kabinet is daarmee van mening dat de verplichtingen uit de regeling voldoende uitvoerbaar zijn.
Op welke wijze is rekening gehouden met de gevolgen voor erkende verkooppunten, gelet op de zeer beperkte uitleverperiode en de verplichting tot terugname op 1 januari?
Tijdens de internetconsultatie heeft de vuurwerkbranche op deze punten gereageerd. In sommige gevallen heeft dit geleid tot een wijziging zoals het verlengen van het teruglevertermijn. Daarnaast heeft de branche voorgesteld om het vervoer collectief te laten uitvoeren door gecertificeerde vervoerders of door een verkooppunt. Het kabinet waardeert deze suggesties en laat het aan de markt over om dit verder uit te werken. Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling biedt hiervoor ruimte.
Is met de vuurwerksector gesproken over de financiële haalbaarheid van deze verplichtingen, gezien de vaste kosten voor opslag, beveiliging en vergunningen?
Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling wordt al het F2-vuurwerk voor consumenten verboden. Dit heeft directe gevolgen voor vuurwerkimporteurs en detailhandelaren (vuurwerkverkooppunten). Dit type vuurwerk mag immers niet meer aan consumenten worden verkocht, tenzij aan de koper door de burgemeester een ontheffing is verleend. De uitwerking van een nadeelcompensatieregeling voor importeurs en detailhandelaren is onderdeel van een separaat traject.
Welke alternatieven zijn overwogen om deze logistieke lasten beter in balans te brengen?
Zoals bij vraag 26 is aangegeven heeft de vuurwerkbranche voorstellen gedaan en deze zijn op een aantal punten overgenomen. Het kabinet waardeert deze suggesties en laat het aan de markt over om dit verder uit te werken.
Welke marktanalyse is uitgevoerd om vast te stellen dat aansprakelijkheidsverzekeringen beschikbaar en betaalbaar zijn voor kleine verenigingen en vrijwilligersgroepen?
In het kader van de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is gesproken met het Verbond van Verzekeraars en enkele individuele verzekeraars. Het Verbond van Verzekeraars heeft ook gereageerd op de internetconsultatie. Het is volgens het Verbond van Verzekeraars belangrijk voor een vereniging of stichting die een ontheffing aanvraagt, om na te gaan of de eigen (huidige) aansprakelijkheidsverzekering adequate dekking biedt voor afsteken of laten afsteken van vuurwerk. Hierbij is het verstandig om ook te kijken of en welke specifieke (aanvullende) voorwaarden de verzekeraar hierbij stelt. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat een adviseur daarbij kan helpen. Als de rechtspersoon (nog) geen aansprakelijkheidsverzekering heeft die dekking biedt, zou volgens het Verbond een tijdelijke evenementenverzekering met dekking voor aansprakelijkheid een alternatief kunnen zijn. Op basis van een gedegen landelijk uniform veiligheidspakket kunnen verzekeraars de risico’s inschatten en de verzekerbaarheid van het afsteken van vuurwerk in het kader van een ontheffing. Meestal zal dit op ad hoc en individuele basis plaatsvinden. Het is aan de verzekeraars zelf of zij bijvoorbeeld willen voorzien in collectieve verzekeringsmogelijkheden.
Hoe is beoordeeld of deze verzekeringsplicht de toegankelijkheid van de regeling beperkt?
Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling stelt geen vereisten rondom het al dan niet verplicht afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering.
Is onderzocht of de regeling leidt tot sociale uitsluiting van inwoners die geen lid zijn van verenigingen of de bijkomende kosten niet kunnen dragen?
Het is niet onderzocht of de regeling kan leiden tot sociale uitsluiting van inwoners die geen lid zijn van een vereniging. Daarbij geldt dat het in veel gevallen naar verwachting mogelijk zal zijn om het vuurwerk ook zonder lidmaatschap, bijvoorbeeld op enige afstand, te aanschouwen.
Zijn alternatieven overwogen, zoals gemeentelijke vrijwilligersverzekeringen of een landelijke standaarddekking? Zo ja, waarom zijn deze niet overgenomen?
Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling stelt geen vereisten rondom het al dan niet verplicht afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering. Het wordt aan de burgemeester overgelaten of hij dit alsnog wenst te verplichten. Het is aan verzekeraars zelf of zij bijvoorbeeld willen voorzien in een specifieke verzekering; naar verwachting zal dit in de regel op individuele basis plaatsvinden. Zie ook het antwoord op vraag 29.
Hoe wordt voorkomen dat initiatiefnemers te maken krijgen met stapeling van verplichtingen door samenloop van de AMvB en gemeentelijke APV-regels (Algemene Plaatselijke Verordening)?
Enige stapeling van verplichtingen is niet geheel te voorkomen. Of een evenementenvergunning vereist is, is afhankelijk van de regels die daarover zijn gesteld door de gemeente in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In het Vuurwerkbesluit kunnen hierover geen andere of aanvullende regels worden gesteld.
Wordt overwogen om deze samenloop expliciet te reguleren om dubbele lasten te voorkomen?
Een gemeente kan ervoor kiezen om de aanvragen samen te voegen of te koppelen. Dat is echter aan de gemeente. Dit wordt niet verplicht gesteld in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Wel zal hierover in gesprek worden gegaan met de VNG.
Welke analyse is uitgevoerd naar de naleefbaarheid van de regeling door burgerinitiatieven?
In het kader van de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling zijn diverse gesprekken gevoerd om inbreng op te halen bij een brede vertegenwoordiging van organisaties, zoals de politie, het Openbaar Ministerie (OM), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Genootschap van Burgemeesters (NGB), omgevingsdiensten, de brandweer, verzekeraars, (koepels van) sport- en wijkverenigingen, en de vuurwerkbranche. Daarbij is getracht zo breed mogelijk input op te halen ten aanzien van het borgen van de veiligheid, de uitvoerbaarheid voor burgemeesters, de handhaafbaarheid, en ook de werkbaarheid voor verenigingen, stichtingen, en bedrijven. De naleving van het vuurwerkverbod zelf is ook in het handhavingsplan3 van het Ministerie van JenV uiteengezet.
Is onderzocht of de zwaarte en complexiteit van de eisen kan leiden tot ontmoediging of verschuiving naar niet-gereguleerde activiteiten?
Het kabinet is van mening dat met de huidige uitwerking adequate minimale veiligheidsvoorschriften worden vastgesteld, waarbij daarnaast uit wordt gegaan van vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Naar de mening van het kabinet zijn de gestelde voorwaarden en voorschriften daarmee noodzakelijk, en niet onnodig zwaar of complex.
Hoe wordt de handhaving ingericht en hoe wordt voorkomen dat gemeenten en politie geconfronteerd worden met disproportionele handhavingsdruk?
De inrichting van de handhaving en inzet van boa's en de politie rondom de jaarwisseling betreft een lokale afweging. Deze wordt afgestemd binnen de lokale driehoek, zodat rekening kan worden gehouden met de specifieke omstandigheden en prioriteiten binnen de gemeente. Ter voorbereiding op de aankomende jaarwisseling, waarbij een algeheel vuurwerkverbod voor consumenten geldt met een mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen, stelt de VNG een handreiking op. Hiermee worden gemeenten ondersteund om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op zowel de uitvoering als handhaving van het verbod en de ontheffingsregeling. Daarnaast wordt de inzet van boa's bij de handhaving van de ontheffingsmogelijkheid nader verkend. Tot slot betreft de ontheffingsmogelijkheid een «kan» bepaling. Met het oog op de handhaafbaarheid kan een burgemeester er daarom voor kiezen om geen of slechts een beperkt aantal ontheffingen te verlenen.
Welke communicatiestrategie wordt ingezet om burgers en verenigingen tijdig en begrijpelijk te informeren over deze nieuwe regeling?
Op dit moment werken de Ministeries van IenW en JenV aan een communicatieaanpak. In deze aanpak wordt onderscheid gemaakt in verschillende fasen te weten 1) vanaf heden tot de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod, 2) het landelijk vuurwerkverbod is van kracht, 3) periode tot aan de jaarwisseling 2026–2027 en de volgende jaarwisselingen. Per fase worden doelgroepen, doelstellingen, boodschap, kanalen, middelen en een tijdlijn opgenomen. Fase 1 betreft de communicatie rond de verschillende mijlpijlen tot aan de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod. De eerste communicatieboodschappen zullen vanaf mei/juni gepubliceerd worden.
Worden uniforme aanvraagformulieren, modelbesluiten of landelijke richtlijnen ontwikkeld om rechtszekerheid en voorspelbaarheid te waarborgen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen. Het opnemen van een voorbeeld voor een aanvraagformulier of een ontheffing behoren tot de mogelijkheden. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning aangeboden bij het opstellen van de handreiking.
Welke concrete evaluatiecriteria hanteert u om te beoordelen of de regeling het beoogde doel bereikt?
In het Ontwerpbesluit is opgenomen dat de Wet veilige jaarwisseling in samenhang met de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd zal worden. Hoe deze evaluatie er uit moet gaan zien dient nog nader uitgewerkt te worden. Daarover wordt de Kamer medio 2026 nader geïnformeerd, zoals toegezegd aan de Eerste Kamer (Kamerstuk 35 386, J).
Wordt gemonitord hoeveel aanvragen worden ingediend, toegewezen en afgewezen, en wat de belangrijkste knelpunten zijn?
Dit is geen verplichting op grond van de Wet veilige jaarwisseling en het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. In het kader van het bepalen van de uitvoeringscapaciteit en prioritering van werkzaamheden ligt het wel voor de hand dat gemeenten dit registreren en monitoren. Dit zal worden meegenomen in de uitwerking van de evaluatie, waarover de Kamer medio 2026 wordt geïnformeerd.
Bent u bereid de AMvB binnen afzienbare tijd te herzien indien blijkt dat de regeling in de praktijk onvoldoende aansluit bij de intentie van het amendement Bikker?
Het is gebruikelijk dat wet- en regelgeving geëvalueerd wordt. De ontheffingsmogelijkheid zal binnen drie jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Indien uit de evaluatie naar voren komt dat de uitwerking niet leidt tot het gewenste resultaat, kan besloten worden om het Vuurwerkbesluit te wijzigen.
Waarom is het scenario waarin de burgemeester één of meerdere afsteeklocaties aanwijst volledig buiten beschouwing gelaten?
Voorafgaand aan de uitwerking zijn diverse scenario’s bezien en alternatieven afgewogen, zoals het scenario waarin een burgemeester een locatie aanwijst waarbij iedereen, dan wel alle leden van een vereniging, vuurwerk mogen afsteken onder de huidige regels. Tevens is bezien of het mogelijk is om bijvoorbeeld een maximumaantal ontheffingen per gemeente vast te stellen. Voor deze scenario's is zo breed mogelijk input verzameld ten aanzien van het borgen van de veiligheid, de uitvoerbaarheid voor burgemeesters, de handhaafbaarheid, en de werkbaarheid voor verenigingen, stichtingen en bedrijven. De verschillende scenario’s zijn beschreven in het Beleidskompas. Gelet op de lokale bevoegdheidsverdeling, dan wel de doelstelling van de wet, en om redenen van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid, is voor deze alternatieve scenario’s niet gekozen.
Hoe weegt u het risico op toeloop en ordeverstoringen in dit scenario af tegen de aanzienlijke drempels en uitvoeringsproblemen van de nu voorgestelde regeling?
Bij het enkel toewijzen van een afsteeklocatie door de burgemeester blijft het mogelijk dat iedere particulier ouder dan 16 jaar consumentenvuurwerk mag afsteken. Hiermee is de verwachting dat, gelet de ervaringen van afgelopen jaarwisselingen, de kans op ordeverstoringen en letsel groter is dan in het scenario zoals nu is uitgewerkt in het Ontwerpbesluit. Immers in de voorgestelde nieuwe situatie mag niemand, behalve de door de ontheffinghouder aangewezen ontbranders, consumentenvuurwerk afsteken.
Acht u het proportioneel dat dit alternatief is verworpen, terwijl ook de huidige uitwerking mogelijk niet leidt tot het realiseren van de beoogde laagdrempeligheid?
Ja, gelet op de bezwaren, wordt het verwerpen van dit alternatief proportioneel geacht.
Het WOO-verzoek Garnalenvergunningverlening |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Woo-besluit van 7 augustus 2025 waaruit blijkt dat Rijkswaterstaat Noord-Nederland (RWS-NN) vertrouwelijke conceptdocumenten, waaronder de Passende Beoordeling (PB) garnalenvisserij, heeft gedeeld met externe partijen zoals de Waddenacademie en de Waddenvereniging?
Ja, dit besluit is bekend. De conceptversie van de PB is in het voorjaar van 2022 door de visserijsector met diverse natuurorganisaties gedeeld, waaronder de Waddenvereniging (vanuit de context van de Stuurgroep Toekomstperspectief Garnalenvisserij). De PB is door RWS gedeeld met de Waddenacademie ten behoeve van een onafhankelijke review. Wat hierbij niet goed is gegaan, is dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken bij het opstellen van de vragen voor deze review. Hoewel het ging om afstemming over inhoudelijke vragen, had RWS dit niet moeten doen, al is het maar om te voorkomen dat hiermee de schijn is ontstaan dat in dit dossier actief wordt opgetrokken met de Waddenvereniging om de garnalenvisserij te beperken.
Kunt u bevestigen dat RWS-NN de Passende Beoordeling van de garnalenvisserij informeel heeft ontvangen van (destijds) het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV) en deze vervolgens heeft gedeeld met de Waddenacademie en natuurorganisaties? Zo ja, op grond van welke bevoegdheid is dit gebeurd?
RWS heeft de PB op ambtelijk niveau ontvangen van het toenmalige Ministerie van LNV en deze vervolgens ter review voorgelegd aan de Waddenacademie. De Waddenvereniging heeft voorafgaand aan de review aan RWS suggesties gedaan voor vragen over de PB richting de Waddenacademie. Dit laatste is geen wenselijke gang van zaken.
De Minister van IenW draagt de zorg voor het (doen) treffen van instandhoudings- en passende maatregelen voor die Natura 2000-gebieden die een oppervlaktewaterlichaam zijn in beheer van het Rijk.1 Het monitoren en evalueren van voorziene maatregelen in de Waddenzee maakt onderdeel uit van deze regierol, die binnen mijn ministerie bij RWS is neergelegd.
Acht u het wenselijk en rechtmatig dat een agentschap onder uw ministerie zonder mandaat stukken van een ander ministerie (destijds LNV) deelt en gebruikt om vergunningverlening te beïnvloeden?
Vanuit de rol van voortouwnemer van het Natura-2000 beheerplan Waddenzee, heeft RWS (mede namens de bevoegde gezagen, inclusief LNV) destijds een evaluatie van het beheerplan op laten stellen. Vanwege inhoudelijke verschillen tussen de bevindingen uit deze evaluatie en de PB, heeft RWS de PB voor een review voorgelegd aan de Waddenacademie. LVVN was hierover ambtelijk vooraf door RWS op de hoogte gesteld en heeft de review na afronding gedeeld met het Ministerie van LVVN, als bevoegd gezag voor vergunningverlening. Deze handelwijze van RWS past bij de rol van voortouwnemer alleen moet hierbij wel gemarkeerd worden dat de toetsingskaders in een Natura 2000-beheerplan enerzijds en vergunningverlening anderzijds wel van elkaar kunnen verschillen.
Door het actief betrekken van de Waddenvereniging bij de review door RWS, is helaas het onjuiste beeld ontstaan, dat RWS en Waddenvereniging samen optrekken om de garnalenvisserij te beperken. Dit past uiteraard niet bij de rol van voortouwnemer.
Hoe beoordeelt u het feit dat RWS-NN vragen aan de Waddenacademie heeft opgesteld in overleg met natuurorganisaties, die vervolgens worden gebruikt in procedures tegen het vergunningsbeleid van de Minister van (destijds) LNV?
Zowel de PB als de review van de Waddenacademie (inclusief de reviewvragen) zijn openbare informatie. Al deze informatie was voor LVVN beschikbaar bij het maken van afwegingen vanuit zijn rol als bevoegd gezag voor vergunningverlening. Niettemin is het achteraf gezien niet geheel rolzuiver en geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS, mede gelet op de politiek-bestuurlijke en juridische gevoeligheid van dit dossier, nadrukkelijk gevraagd voortaan als voortouwnemer rolvast te handelen.
Hoe beoordeelt u dat RWS-NN actief een review bij de Waddenacademie heeft uitgevraagd, waarbij vragen deels in overleg met natuurorganisaties zijn geformuleerd en gericht waren op het onderbouwen van negatieve aannames over de garnalenvisserij?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u uitleggen waarom Rijkswaterstaat, die formeel slechts procesmanager is bij beheerplannen, actief beleid beïnvloedt op terreinen die behoren tot de verantwoordelijkheid van de Minister van LNV, en daarbij zelfs «munitie levert» aan partijen die het beleid van de Minister van LNV aanvechten?
RWS heeft hier de rol van «voortouwnemer». Dit is een regierol, dat betekent onder andere dat moet worden nagegaan of de in het beheerplan voorziene maatregelen in de toekomst daadwerkelijk worden ondernomen om de instandhoudingsdoelen te realiseren.2 Daarmee kan het ook relevant zijn om adviserend op te treden in relatie tot het beleid welke onder de verantwoordelijkheid van de Minister en Staatssecretaris van LVVN vallen.
Hoe beoordeelt u dat de review van de Waddenacademie gebaseerd was op een eerdere, nooit gepubliceerde versie van de Passende Beoordeling? Acht u dit zorgvuldig en juridisch houdbaar?
Vanwege de vertrouwelijkheid van sommige gegevens is het niet per definitie toegestaan om conceptversies van een PB te delen met andere partijen. Wel staat het een aanvrager zelf altijd vrij om zelf actief een conceptversie te delen met, bijvoorbeeld, natuurorganisaties. De conceptversie van de betreffende PB is in het voorjaar van 2022 door de visserijsector met diverse natuurorganisaties gedeeld, waaronder de Waddenvereniging (vanuit de context van de Stuurgroep Toekomstperspectief Garnalenvisserij). Er bestond in dit geval geen juridisch beletsel om de PB voor onafhankelijke review voor te leggen aan een kennisregisseur als de Waddenacademie.
De PB die RWS aan de Waddenacademie heeft voorgelegd was op dat moment in de begeleidende mail omschreven als volledig en juist, dit volgt ook uit de geopenbaarde Woo-stukken. RWS heeft daarom deze versie van de PB ter review voorgelegd aan de Waddenacademie. LVVN was hierover ambtelijk vooraf door RWS op de hoogte gesteld. Wel zou het, met de kennis van nu, beter zijn geweest om de definitieve versie van de PB te hanteren voor de beoogde review.
Kunt u toelichten waarom er geen bezwaar is gemaakt tegen het feit dat een niet-openbaar document (de Passende Beoordeling) informeel is gedeeld en gebruikt in een review en juridische procedures?
Bezwaar is op grond van de Algemene wet bestuursrecht alleen mogelijk tegen besluiten in de zin van deze wet. Het delen van een rapport is geen besluit, maar een feitelijk handelen.
Het initiatief tot het delen van de PB met de Waddenacademie kwam vanuit RWS; Deze handelwijze wordt in het specifieke licht van de hierboven bij antwoord 6 beschreven rol in relatie tot het beheerplan niet bezwaarlijk geacht.
Gelet op de conclusie van de Waddenacademie dat toepassing van het voorzorgsbeginsel betekent dat garnalenvisserij niet kan worden vergund zolang er wetenschappelijke onzekerheden bestaan: deelt u de zorg dat deze interpretatie ertoe leidt dat in Natura 2000-gebieden in de praktijk nauwelijks nog vergunningen kunnen worden verleend, aangezien er altijd wetenschappelijke onzekerheden bestaan?
Het voorzorgsbeginsel ligt besloten in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.3 Daarin staat dat er redelijkerwijs geen twijfel mag bestaan dat activiteiten negatieve effecten hebben op de beschermde natuur, vandaar de noodzaak tot een PB. De PB moet boven redelijke wetenschappelijke twijfel verheven zijn, vandaar in bepaalde gevallen de noodzaak tot een review.
Die weging vindt plaats door het vergunningverlenend bevoegd gezag, in dit geval LNV (nu LVVN). Het is dus niet zo dat per definitie nauwelijks nog vergunningen verleend zouden kunnen worden. Juist ook met het verbinden van specifieke voorschriften aan een vergunning of nader inperken van hetgeen is aangevraagd, kan bij eventuele wetenschappelijke onzekerheid, toch tot vergunningverlening worden overgegaan. Het ligt dus genuanceerder dan de conclusie van de Waddenacademie mogelijk doet veronderstellen.
Hoe verhoudt de door RWS-NN destijds voorgestelde beperkte vergunningsduur van een tot drie jaar zich tot het beleid van de Minister van LNV om vergunningen voor langere perioden (zes jaar) te verlenen? Is er overleg geweest om deze tegenstrijdige visies te harmoniseren?
In algemene zin kan worden gezegd dat het afstemmen van de looptijd van een natuurvergunning op die van het Natura 2000-beheerplan een goede manier is om activiteiten in een gebied te reguleren en zo te sturen op het kunnen behalen van de doelen.
Zonder aansluiting van de verschillende sporen kan het zijn dat een paar jaar na vergunningverlening extra maatregelen nodig blijken vanuit de Natura 2000-beheerplannen met opnieuw extra (in)spanning voor de vissers. RWS heeft deze redeneerlijn op ambtelijk niveau kenbaar gemaakt bij LVVN. Dit punt is door LVVN doorvertaald in een viertal evaluatiemomenten van de vergunning, in lijn met de Natura 2000-beheerplan-cycli.
Hoe waarborgt u dat interne verschillen van inzicht tussen Rijkswaterstaat en de Minister van LNV niet leiden tot juridische zwakte en onduidelijkheid in beleid, waardoor natuurorganisaties gemakkelijker procedures kunnen winnen?
Er is hier sprake van verschillende rollen en bevoegdheden en niet van een juridische zwakte. Het is aan de voortouwnemer om andere bevoegd gezagen, in dezen LVVN als bevoegd gezag voor de vergunningverlening, te wijzen op een mogelijke spanning met de in het Natura2000-beheerplan vastgestelde doelen. Het is uiteindelijk aan het bevoegd gezag zelf hoe dit gewogen wordt.
Erkent u dat deze handelwijze het vertrouwen in de overheid schaadt en vissersgezinnen in grote onzekerheid heeft gebracht, doordat hierdoor de vergunningverlening jaren vertraging opliep?
RWS heeft mij verzekerd dat hier niet vanuit verkeerde intenties is gehandeld, maar vanuit een adviserende rol richting LVVN, die voortkomt vanuit de rol van voortouwnemer. Niettemin is het achteraf gezien niet geheel rolzuiver en geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS, mede gelet op de politiek-bestuurlijke en juridische gevoeligheid van dit dossier, nadrukkelijk gevraagd voortaan als voortouwnemer rolvast te handelen. Ik herken echter niet dat dit de oorzaak is van een jarenlange vertraging van de vergunningverlening. Ik begrijp natuurlijk dat een vertraging in de vergunningverlening voor vissersgezinnen in zijn algemeen bijzonder vervelend is.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de rol van RWS-NN in dit dossier, specifiek naar de vraag of Rijkswaterstaat buiten haar mandaat is getreden en hoe de samenwerking met natuurorganisaties is verlopen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, had de vraagstelling van de review niet vooraf door RWS gedeeld moeten worden met de Waddenvereniging. Ik heb RWS nadrukkelijk gevraagd hier in het vervolg scherp op te zijn. Voor het overige heeft RWS gehandeld binnen de rol van voortouwnemer van het Natura 2000-beheerplan. Een nader onderzoek heeft wat mij betreft geen meerwaarde.
Kunt u bevestigen dat uw ministerie de Passende Beoordeling informeel heeft gedeeld met RWS-NN, en hoe beoordeelt u dat deze vervolgens is gebruikt om vergunningverlening te frustreren en juridische procedures te voeden?
Nee, RWS heeft de PB niet informeel vanuit het Ministerie van IenW ontvangen, maar op ambtelijk verzoek rechtstreeks van het Ministerie van LNV.
Deelt u de analyse dat de door de Waddenacademie gehanteerde interpretatie van het voorzorgsbeginsel dusdanig streng is dat feitelijk geen enkele activiteit in Natura 2000-gebieden meer kan worden vergund? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 9.
Hoe beoordeelt u de constatering dat natuurorganisaties deze review en door Rijkswaterstaat aangeleverde notities inzetten om rechtszaken te voeren tegen het beleid van u als Minister van Infrastructuur en Waterstaat?
Er zijn in deze context geen rechtszaken bekend tegen het beleid van het Ministerie van IenW.
Wat zegt dit volgens u over de onafhankelijkheid van de Waddenacademie?
Ik zie geen aanleiding vraagtekens te zetten bij de onafhankelijkheid van de Waddenacademie.
Wat zegt dit volgens u over de rol van Rijkswaterstaat?
Zie het antwoord op de vragen 1,2, 3 en 4.
Erkent u dat deze werkwijze bijdraagt aan rechtsonzekerheid en wantrouwen bij vissers, die het gevoel hebben dat beleid gebaseerd wordt op politieke voorkeuren in plaats van objectieve wetenschap?
Ik ben het met u eens dat vissers gebaat zijn bij zekerheid en duidelijkheid vanuit de overheid. De wetgever heeft de Minister van IenW de taak gegeven – toebedeeld aan RWS – om zorg te dragen voor het (doen) nemen van instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen in de betreffende Natura2000-gebieden.
Het verlenen van vergunningen voor visserij is echter niet aan de Minister van IenW. Wel kan RWS, namens de Minister van IenW, bij het betreffende bevoegd gezag voor vergunningverlening aangeven wat de mogelijke consequenties zijn van het verlenen van de vergunning op de in het Natura 2000-beheerplan geformuleerde doelen. Het is vervolgens aan het vergunningverlenend bevoegd gezag om hier een besluit over te nemen.
Bent u bereid om, mede op basis van het recente onderzoek van Wageningen University & Research waarin eerdere aannames worden weerlegd, de huidige en voorgenomen beperkingen voor de garnalenvisserij te herzien en vissers waar nodig te compenseren, omdat zij hierdoor onnodig lang in onzekerheid hebben gezeten?
Voor compensatie voor de onzekerheid omtrent de vergunningverlening wordt geen grond gezien. Het is niet duidelijk naar welke publicatie hier specifiek verwezen wordt, maar bij de actualisatie van de beheerplannen wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie, waaronder onderzoeken van de WUR.
Hoe verklaart u dat twee onderdelen van de rijksoverheid (RWS-NN en het Ministerie van LNV) elkaar in dit dossier tegenwerken, met vissers als direct slachtoffer?
Er is in dit dossier samenwerking tussen LVVN – over beleid omtrent de garnalenvisserij – en RWS als voortouwnemer in diverse N2000-beheerplannen. Flankerend daaraan speelt de vergunningverlening vanuit LVVN. Uiteindelijk ligt de regulering van de visserij bij LVVN als het vergunningverlenend bevoegd gezag.
Bent u bereid de Kamer te informeren hoe wordt voorkomen dat in de toekomst opnieuw «wetenschap op bestelling» wordt georganiseerd door overheidsorganisaties of in samenwerking met natuurorganisaties?
Er is geen sprake geweest van «wetenschap op bestelling». RWS heeft de Waddenacademie verzocht een onafhankelijke review uit te voeren op de PB. Het is achteraf gezien geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS nadrukkelijk gevraagd hier in het vervolg scherp op te zijn.
Bent u bereid om, gelet op de ernst van deze gang van zaken, de directeur-generaal van Rijkswaterstaat uit te nodigen voor een hoorzitting in de Tweede Kamer om publiekelijk verantwoording af te leggen over het delen van vertrouwelijke documenten met externe partijen en het beïnvloeden van wetenschappelijke beoordelingen, alsmede de samenwerking met natuurorganisaties bij het formuleren van juridische argumenten tegen het beleid van de rijksoverheid zelf?
In de voorgaande antwoorden is aangegeven hoe het proces rond het delen van de PB verlopen is en welke rol RWS hier in had. Het is op grond van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer aan de vaste commissie voor IenW om te bepalen wie zij voor een hoorzitting uitnodigt.
Kunt u al deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bij een aantal vragen is ervoor gekozen om te werken met verwijzingen naar eerdere antwoorden, om zo veel mogelijk dubbelingen te voorkomen.
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het bericht dat AI-gegenereerde stemhulpen kiezers misleiden. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met verschillende berichten dat AI-gegenereerde stemwijzers onjuiste informatie verstrekken en kiezers misleiden, zoals in Gouda, Leiden en De Ronde Venen?1, 2, 3
Deelt u de grote zorg dat hier stemadviezen worden gegeven op basis van tal van onjuistheden en zelfs met niet bestaande partijen?
Welke gevolgen heeft onjuiste informatieverstrekking voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen en welke aansprakelijkheid geldt er bij het onjuist of onvolledig verstrekken van informatie?
Al eerder werd door de Autoriteit Persoonsgegevens gewaarschuwd voor de uitkomsten van AI-gegenereerde chatbots, die meer dan de helft van de tijd PVV en GroenLinks-PvdA op de eerst plek adviseerden, wat is er met deze bevindingen gedaan? Vindt u dit voldoende, zo ja waarom?
Hoe vaak zijn de in de nieuwsartikelen genoemde «stemhulpen» in de afgelopen dagen geraadpleegd? Hoe verhoudt zich dat tot het aantal kiesgerechtigden?
Gaat u na welke initiatiefnemers er achter deze zogenaamde stemhulpen schuil gaan en met welk oogmerk zij actief zijn? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, wie is daar wel voor verantwoordelijk?
Deelt u de grote zorg dat de democratie actief wordt ondermijnd door desinformatie en dat kwaadwillenden zelfs verder kunnen gaan dan onjuist en onzorgvuldig informeren, en zelfs manipuleren? Zo ja, kunt en gaat u handhaven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze stemhulpen aansprakelijk stellen, laten aanpassen of zonodig beëindigen? Zo ja, bent u bereid dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat deze aanbieders of anderen hiermee doorgaan?
Op welke wijze raadt u kiezers aan zich te informeren, en hoe waarschuwt de regering burgers voor misleiding en AI-advies waarmee ze knollen voor citroenen aangesmeerd krijgen?
Bent u in overleg met lokale overheden om burgers actief te informeren over online stemwijzers die misinformatie verspreiden, over aanpassing van deze sites of zonodig sanctioneren?
Wie is in Nederland verantwoordelijk voor opsporing en handhaving in deze? Kunt u inzicht geven welke omvang of de regelgeving voldoende instrumenten geeft om met snelheid te acteren en of er voldoende capaciteit is?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in elk geval laten weten op welke wijze handhavend wordt opgetreden?
Het bericht dat omwonenden van azc Lochem 1000 euro krijgen om hun eigen veiligheid te regelen. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat omwonenden van het asielzoekerscentrum (azc) in Lochem maximaal 1.000 euro per huishouden krijgen van de gemeente om zelf «preventieve maatregelen» te nemen voor hun veiligheid, zoals camera’s en hekken, vanwege de onrust en onveiligheid veroorzaakt door asielzoekers?1
Erkent u dat dit het keiharde bewijs is dat asielzoekers structureel zorgen voor overlast, intimidatie, bedreigingen en onveiligheid in Nederland, en dat omwonenden nu letterlijk met hun eigen portemonnee (via belastinggeld) hun bescherming moeten regelen tegen deze asielwaanzin? Zo nee, waarom ontkent u de verschrikkelijke realiteit die talloze Nederlanders dagelijks ervaren?
Kunt u exact uiteenzetten hoeveel incidenten van geweld, diefstal, bedreigingen, aanrandingen en andere overlast door asielzoekers in en rond het azc Lochem zijn gemeld bij de politie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en hoeveel van deze meldingen zijn verzwegen of niet serieus zijn genomen?
Deelt u de mening dat het volstrekt absurd en schandalig is dat belastinggeld wordt verspild om omwonenden te «compenseren» voor de onveiligheid die dit kabinet veroorzaakt door overlastgevers niet uit te zetten, de Spreidingswet te handhaven en geen asielstop in te voeren?
Bent u het ermee eens dat de enige oplossing het sluiten van het azc is? Zo nee, hoeveel slachtoffers van intimidatie, diefstal of geweld moeten er nog bijkomen?
Bent u bereid om alsnog de Spreidingswet per direct in te trekken en een volledige asielstop in te stellen? Zo nee, waarom prioriteert u asielzoekers boven de veiligheid van de eigen bevolking?
De Algemene Bestuursdienst (ABD) |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Was de Algemene Bestuursdienst (ABD) ervan op de hoogte dat het cv van Nathalie van Berkel niet correct was? Zo nee, waarom niet?
Worden de cv’s van ambtenaren die vallen onder de ABD gecontroleerd? Zo nee, waarom niet?
Is het, wat u betreft, acceptabel dat ambtenaren, die onderdeel uitmaken van de ABD, hun cv hebben «opgepoetst» met onwaarheden? Of is dit onverenigbaar met de integriteit van het openbaar bestuur?
Bent u bereid de cv’s van ambtenaren die onderdeel uitmaken van de ABD – of op zijn minst de ambtenaren die behoren tot de Topmanagementgroep van de ABD – door een extern bureau te laten controleren? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Ambtenaren verzwegen Palestijnse dodentallen voor Schoof' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van Vrij Nederland, over het verzwijgen van Palestijnse dodentallen door ambtenaren voor de Minister-President?1
Het beeld dat moedwillig informatie wordt achtergehouden is onjuist. Ik ervaar de advisering binnen het ministerie als professioneel en volledig, waarbij alle relevante invalshoeken en feiten worden meegenomen. Over de oorlog in de Gazastrook is er een constante informatiestroom, ook richting het Ministerie van Algemene Zaken. Daarin zijn met grote regelmaat cijfers over aantallen slachtoffers (ongeacht nationaliteit) opgenomen. Er zijn verschillende manieren waarop bewindslieden geïnformeerd worden over een kwestie, een gespreksfiche is daar één van.
Kunt u inzage geven in het proces van het opstellen van het desbetreffende gespreksfiche uit het artikel? Klopt het dat meerdere malen de cijfers over de Palestijnse en Libanese slachtoffers uit het feitenrelaas zijn gehaald?
Een gespreksfiche bestaat onder meer uit spreekpunten en achtergrondinformatie. In de achtergrondinformatie dient de informatie te staan die nodig is om het gesprek inhoudelijk goed te kunnen voeren. De gesprekspunten bieden een basis voor de manier waarop het gesprek gevoerd kan worden. Met het opstellen van de gesprekspunten wordt de afweging gemaakt op welke wijze het meest effectief een boodschap wordt overgebracht. Dat is mede afhankelijk van de gesprekspartner in kwestie, zijn of haar kennis over een situatie of onderwerp, en de relatie van een land ten opzichte van het te bespreken onderwerp. Hierdoor is het niet altijd nodig of opportuun in de gesprekspunten een situatie te beschrijven om er wel over te spreken. Naast de gesprekspunten zelf, wordt tijdens het gesprek ook gebruik gemaakt van de achtergrondinformatie.
Het artikel in Vrij Nederland refereert aan een gesprek van de Minister-President met een Arabische leider in het najaar van 2024. Hoewel er geen duidelijkheid bestaat over het exacte gesprek waar het artikel aan refereert, is naar aanleiding van de publicatie nagegaan welk gesprek het mogelijk kan betreffen. Hierbij kwam een specifiek gesprek naar voren, waarbij slachtofferaantallen in de achtergrondinformatie stonden. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 1.
Hoe kan het dat relevante feitelijke informatie uit een gespreksfiche wordt gehaald? Wat zijn de vereisten bij het opstellen van zo’n fiche en wie controleert dit? Is er sprake van een vier-ogen principe?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Bij het opstellen van een gespreksfiche zijn diverse personen betrokken, zowel op het departement in Den Haag als op de Nederlandse posten in de regio. Het aantal betrokkenen hangt met name af van de inhoud van het gesprek en het aantal gespreksonderwerpen. Daarnaast wordt een gespreksfiche op verschillende niveaus geaccordeerd. Waar nodig ook op politiek niveau. In ieder geval kijken altijd meer dan twee mensen.
Hoe verantwoordt u dat Israëlische doden een hogere status krijgen op het Ministerie van Buitenlandse zaken, dan Palestijnse of Libanese doden?
Daarvan is geen sprake. Het kabinet werpt deze aantijging verre van zich.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de dubbele moraal en mogelijke angstcultuur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom?
Nee. Buitenlandse Zaken hecht aan een open en veilige werkcultuur, waarbinnen ruimte bestaat voor kritisch intern debat. De ambtelijke leiding draagt deze norm actief uit, evenals de norm van brede en deskundige ambtelijke advisering. Het departement investeert in een inclusieve werkomgeving, met ruimte voor diversiteit van perspectieven, en de ontwikkeling van vaardigheden als luisteren en het voeren van een open dialoog. De effecten van die inzet worden regulier gemeten in o.a. het tweejaarlijkse medewerkerstevredenheidsonderzoek, het jaarlijkse arbojaarverslag en Rijksbrede instrumenten als de nieuwe Inclusiemonitor. De uitkomsten uit deze metingen bieden voldoende inzicht voor de verdere ontwikkeling van de organisatie.
De onrust onder inwoners van Moerdijk. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Moerdijk leeft tussen hoop en vrees: «Ik heb hier huilende mensen gehad»» op Omroep Brabant?1
Deelt u de opvatting dat langdurige bestuurlijke onzekerheid over het voortbestaan van een dorp diep ingrijpt in het dagelijks leven van inwoners en dat het Rijk hierin een eigen verantwoordelijkheid heeft, nu het mede-initiatiefnemer is van de gebiedsontwikkeling?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de inwoners van Moerdijk als gevolg van het handelen van de Rijksoverheid nog langer in onzekerheid blijven?
Welke stappen onderneemt u, vooruitlopend op een principebesluit, om de spanning en onzekerheid van de inwoners van Moerdijk te verzachten en rechtszekerheid en duidelijkheid voor inwoners te vergroten om verdere sociale ontwrichting te voorkomen?
Kunt u uiteenzetten welke uitgangspunten het kabinet hanteert bij de beoordeling of het opheffen van een dorp proportioneel en subsidiair is, en hoe deze toets zich verhoudt tot het uitgangspunt van een leefbare woonomgeving in de Nota Ruimte?
Hoe ziet het verplaatsen van het dorp Moerdijk eruit zowel als het gaat om het administratieve proces als de ruimtelijke kaders?
Bent u bekend met het aangenomen voorstel van de gemeenteraad van Moerdijk (19 november 2025) dat een voorkeur voor de variant Oost uitspreekt omdat deze het minst schadelijk is voor de gemeente als geheel? Zo ja, wat is uw visie over de inhoud?
Bent u in het kader van het aangenomen Moerdijkse raadsvoorstel «Ophalen toestemming voor besluit Powerport 1 december 2025» ermee bekend dat bij het oorspronkelijke raadsvoorstel meerdere amendementen zijn aangenomen ten behoeve van de leefbaarheid na de realisatie van Powerport, zoals de verbreding van de A16 bij de Moerdijkbrug?
Deelt u de visie zoals neergelegd door de Moerdijkse gemeenteraad, of heeft u een andere visie?
Waaraan denkt het kabinet als het gaat om «redelijke compensatie»?
Wordt er een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse opgesteld waarin ook psychosociale effecten, verlies van erfgoed, waardedaling van omliggende dorpen en effecten op vertrouwen in de overheid worden meegewogen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer deze? Zo nee, waarom wordt deze niet opgesteld?
Wat is uw huidige inschatting van de totale publieke kosten van de verschillende varianten (Oost en Zuid-Oost), inclusief verwerving, compensatie, herhuisvesting, infrastructuur, leefbaarheidsmaatregelen en eventuele planschade?
Hoe worden deze kosten verdeeld tussen Rijk, provincie, gemeente, havenbedrijf en netbeheerders, en welke middelen zijn reeds gereserveerd op de Rijksbegroting?
Wat is de termijn waarop deze middelen beschikbaar kunnen zijn?
Hoeveel extra milieubelasting (geluid, stikstof, verkeersbewegingen, veiligheidsrisico’s) ondervinden omliggende kernen zoals Zevenbergen, Langeweg en Zevenbergschen Hoek in beide varianten, en hoe weegt u deze effecten ruimtelijk en sociaal tegen elkaar af?
Aan welke (lopende) extra onderzoeken werd door de Minister gerefereerd tijdens het persmoment op 1 december 2025 in het gemeentehuis te Zevenbergen?
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over deze onderzoeken?
Kunt u specificeren welke onderzoeken tussen december 2025 en juni 2026 worden uitgevoerd (bijvoorbeeld naar alternatieven, brede welvaart, sociaal-maatschappelijke impact, juridische haalbaarheid en milieueffecten), wie deze uitvoert en welke scenario’s daarin worden meegenomen?
Hoeveel meer overlast gaan de bewoners van Zevenberg, Langeweg en Zevenberse Hoek ondervinden wanneer het kabinet kiest voor de Zuid-Oost variant en hoe weegt u de kosten van die overlast ten opzichte van de kosten van het verplaatsen van het dorp Moerdijk?
Kunt u concreet aangeven welke typen bedrijvigheid onder de gereserveerde 450 hectare voor de uitbreiding van het haven en industriegebied vallen en op basis van welke ruimtelijke en milieukaders deze selectie plaatsvindt?
Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat deze ruimte uiteindelijk wordt ingevuld met andersoortige, ruimte-intensieve of overlastgevende functies die niet direct samenhangen met de energietransitie of circulaire economie?
Hoe past deze ontwikkeling binnen het rijksbeleid om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte, functiemenging te beperken waar leefbaarheid onder druk staat en verdozing van het landschap tegen te gaan?
Op welke wijze wordt het vertrouwen van inwoners in de overheid actief gemonitord en versterkt in dit proces, en welke lessen trekt u hieruit voor toekomstige grootschalige ruimtelijke ingrepen elders in Nederland?
Kunt u bevestigen dat zonder een uitgewerkt en financieel gedekt pakket voor herhuisvesting, compensatie en behoud van sociale samenhang geen onomkeerbare stappen worden gezet?
Het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese?1
Vindt u haar opmerking dat Israël de «gemeenschappelijke vijand van de mensheid is» ook onacceptabel en buitengewoon onsmakelijk? Zo nee, waarom niet?
Ziet u ook dat haar recente uitspraken geen incident zijn, maar onderdeel vormen van een bredere activistische haatcampagne tegen Israël en het Joodse volk? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om zich achter Frankrijk te scharen en bij de VN-mensenrechtenraad onomwonden te pleiten voor het ontslag van Albanese? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen vóór de eerstvolgende sessie van de VN-mensenrechtenraad beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Starter gezocht: leeftijd steeds vaker reden voor discriminatie» waaruit blijkt dat leeftijd steeds vaker een reden is voor discriminatie, onder andere bij werving en selectie?1
Kunt u reageren op de inhoud van dit bericht?
Hoe verklaart u dat leeftijdsdiscriminatie ondanks een wettelijk verbod toch voorkomt op de arbeidsmarkt? Waar schiet volgens u de huidige aanpak tekort?
Herkent u het beeld dat er een toename is van leeftijdsdiscriminatie? In hoeverre speelt een hogere meldingsbereidheid een rol in de stijgende cijfers?
Heeft u in beeld of leeftijdsdiscriminatie een algemeen verschijnsel is op de arbeidsmarkt ofwel voornamelijk voorkomt in specifieke sectoren en gevallen?
Op welk vlak schiet het huidige beleid tekort als veel 55-plussers ondanks de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt toch moeite hebben om passend werk te vinden?
Bent u het eens dat discriminatie, en meldingen van discriminatie, serieus genomen en beter afgehandeld moeten worden?
Hoe zorgt u op het moment ervoor dat werkgevers en HR-professionals beter worden voorbereid op het herkennen en voorkomen van leeftijdsdiscriminatie?
Welke andere maatregelen neemt u om oudere mensen aangesloten te houden op de arbeidsmarkt?
Welke consequenties zijn momenteel verbonden aan leeftijdsdiscriminerend handelen door werkgevers of organisaties?
Kunt u ons nader informeren wat de stand van zaken is en welke concrete resultaten de ingezette maatregelen hebben opgeleverd, zoals die zijn aangekondigd in de Kamerbrief van 18 januari 2024?2 Zijn er sinds deze Kamerbrief aanvullende acties ondernomen? Zo ja, welke? Zo nee, bent u nog voornemens aanvullende acties te ondernemen?
Bent u bereid om met werkgeversorganisaties verder te verkennen hoe beeldvorming van 55-plussers kan worden verbeterd, gelet op het belang van een positieve beeldvorming van 55-plussers waar het kabinet in dezelfde brief over schrijft?
Kijkt u in het kader van de verkenning die is aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december 2025 ook expliciet naar het stimuleren van LLO-deelname bij 55-plussers, aangezien zij gemiddeld juist minder vaak deelnemen aan deze programma’s? Zo nee, bent u bereid dit expliciet op te nemen in de aangekondigde verkenning?
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
De oproep van strafrechters om het tbs-systeem te ontlasten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat strafrechters het tbs-stelsel zien vastlopen?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Hoe beoordeelt u de oplossingsrichtingen die de twee genoemde vooraanstaande strafrechters schetsen om de bestaande overbelasting van het tbs-stelsel te helpen bestrijden, naast de voorgenomen uitbreiding van 200 extra tbs-plekken? Wat vindt u van het voorstel van deze strafrechters om het aantal plekken in lichtere forensische klinieken en in beschermd woonprojecten uit te breiden?
Kunt u aangeven welke voorzieningen beschikbaar zijn voor forensische zorg, om hoeveel plekken het daarbij gaat, welke problemen bij de toeleiding naar de afzonderlijke zorgvormen bestaan, hoe het concreet met de doorstroom van tbs-gestelden naar alternatieve zorgvormen is gesteld en hoe de afzonderlijke zorgaanbieders met elkaar samenwerken om onder de huidige bestaande omstandigheden een maximaal aantal patiënten de gepaste (beveiligde) zorg en begeleiding te bieden?
Kunt u uitsluiten dat de huidige capaciteitsdruk leidt tot onveilige situaties voor personeel en samenleving? En in hoeverre leidt de passantenproblematiek tot schadevergoedingen wegens onrechtmatige detentie?
Welke maatregelen zijn nodig om het vastgelopen stelsel vlot te trekken door te voorzien in een adequaat aantal tbs-plekken, om de doorstroom naar alternatieve zorgvormen te optimaliseren en om de samenwerking tussen betrokken organisaties en overheden (onder andere het Openbaar Ministerie, de advocatuur, de Rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Geestelijke Gezondheidszorg, zorginstellingen, decentrale overheden en begeleidende organisaties) te optimaliseren? Bent u bereid om hiervoor de noodzakelijke stappen te zetten, zoals bijvoorbeeld het instellen van een taskforce? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de verdere besluitvorming hierover?
Het bericht ‘Commission wrong to give Hungary €10B, says EU top court adviser’ van Politico. |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commission wrong to give Hungary € 10B, says EU top court adviser?» dat op 12 februari 2026 verscheen op Politico?1
Hoe weegt u de claim van Europarlementariërs dat het geld dat in 2023 toch is vrijgegeven aan Hongarije politiek gemotiveerd was en dus onterecht was?
Bent u het eens dat het in ieder geval niet door positieve ontwikkelingen wat betreft de rechtsstaat in Hongarije kwam dat de 10 miljard euro waren vrijgegeven?
Vindt u dat het vrijgeven van Europese Unie (EU)-fondsen op merites gebaseerd moet blijven?
Als het Europees Hof van Justitie het eens is dat het geld onrechtmatig is vrijgegeven, op welke termijn moet Hongarije de 10 miljard euro dan terugbetalen?
Klopt het dat als blijkt dat Hongarije het geld moet terugbetalen, maar ze dit niet doen, er kan worden ingehouden op andere fondsen voor Hongarije?
Is het in dit licht niet ook opzienbarend dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van het Security Action for Europe (SAFE)-instrument van de EU?
Bent u van mening dat het terecht is dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van SAFE?
Zijn er mogelijkheden om het aandeel van Hongarije voor SAFE te beperken op basis van rechtsstaatschendingen of anderszins?
Het gebruik van foutieve algoritmes bij de reclassering |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Risicovol algoritmegebruik» van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) waaruit blijkt dat de reclassering jarenlang een gebrekkig algoritme gebruikte om recidiverisico’s te voorspellen?1
Hoelang worden deze foutieve algoritmes gebruikt?
Hoelang was u al op de hoogte van deze problemen bij de reclassering?
Waarom zijn deze foutieve algoritmes niet eerder stopgezet?
Hoeveel plegers van ernstige geweldsmisdrijven zijn door deze foutieve algoritmen eerder op straat gekomen?
Hoe beoordeelt u de conclusie van de IJenV dat in circa een kwart van de gevallen het recidiverisico te hoog of te laag is ingeschat door fouten in het algoritme?
In hoeverre kunt u vaststellen dat op basis van deze gebrekkige algoritmes er verkeerde beslissingen worden genomen?
Acht u het mogelijk dat fouten als gevolg van gebrekkige algoritmes invloed hebben op de veiligheid van de samenleving of de rechtspositie van betrokkenen?
Gaat u onderzoek doen naar de gevolgen van het gebruik van deze algoritmes door de reclassering?
Hoe oordeelt u over de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat door het gebruik van kenmerken als postcode en inkomen in algoritmen, er indirect sprake kan zijn van discriminatie?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de fouten door het gebruik van gebrekkige algoritmen te herstellen en het systeem te verbeteren om herhaling te voorkomen?
Wanneer verwacht u de Kamer informeren over de voortgang van het herstel en de verbeteringen?
Het bericht dat jongeren in de jeugdzorg niet durven te klagen over misstanden. |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderombudsman: jongeren in de jeugdzorg durven niet te klagen over misstanden» in de Trouw d.d. 11 februari 2026?
Deelt u de mening dat het van cruciaal belang is dat kinderen in de jeugdzorg zich veilig genoeg voelen om een klacht in te dienen bij misstanden?
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat kinderen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten?
Herkent u de signalen uit het onderzoek van de Kinderombudsman, waaruit blijkt dat kinderen in de jeugdzorg vrijwel nooit een formele klacht durven in te dienen uit angst voor repercussies? Wat vindt u hiervan?
Bent u op de hoogte van de wijze waarop jeugdzorgorganisaties hun klachtenprocedures inrichten?
Het onderzoek stelt dat de klachtenprocedures te ingewikkeld zijn en het voor jongeren vaak niet duidelijk is hoe de klachtenprocedure werkt, herkent u de conclusies uit het onderzoek van de Kinderombudsman over de gebreken in de klachtenprocedures van de jeugdzorg?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de klachtenprocedures in de jeugdzorg verbeterd worden en kinderen zich veilig voelen om informeel, dan wel formeel te melden?
Klopt het dat in sommige gevallen een officiële klacht ingediend moet worden via een begeleider?
Het onderzoek van de Kinderombudsman stelt ook dat de afhandeling van klachten onvoldoende verloopt, herkent u dit beeld en zo ja hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt verbeterd?
Deelt u de mening dat een gebrek aan lerend vermogen bij de organisatie naar aanleiding van een klacht de drempels hiertoe voor een jongere nog hoger maakt? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit lerend vermogen toeneemt?
Kunt u aangeven op welke manier klachtenprocedures binnen de residentiële jeugdhulp beter kunnen aansluiten bij de aanbevelingen die de Kinderombudsman in 2016 hierover heeft gedaan?
Hoe ziet u uw rol als stelselverantwoordelijke ten aanzien van de jeugdzorg in het verbeteren van de klachtenprocedures?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden?
Het bericht ‘Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog’ |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Rijkaart , Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog»?1
Wat is uw reactie op de conclusie dat na de oorlog tientallen keren Joodse begraafplaatsen zijn geruimd?
Hoe is het mogelijk dat zich op sommige begraafplaatsen die als geruimd te boek stonden nog steeds graven bevonden?
Op welke wijze wilt u richting de Joodse gemeenschap erkenning geven van deze pijnlijke situaties, zeker gezien de status die binnen de Joodse gemeenschap aan het begraven wordt toegekend?
Hoe wilt u bijdragen aan meer duidelijkheid over de precieze omvang van het probleem en de noodzakelijke stappen die op basis daarvan gezet dienen te worden?
Gaat u in overleg met betrokken (overheids)organisaties om nader onderzoek en een betere verantwoording en inventarisatie mogelijk te maken?
Op welke wijze zorgt u er in samenwerking met gemeenten voor dat van alle voormalige Joodse begraafplaatsen duidelijk wordt of er zich ondanks de gewijzigde bestemming toch nog graven bevinden en hoe verdere schade wordt voorkomen? Wilt u hiervoor in samenwerking met de VNG een plan opstellen?
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap over de wijze waarop de overheid kan bijdragen aan erkenning en verwerking van deze gebeurtenissen en de gevolgen ervan voor nabestaanden en het treffen van gedragen maatregelen waar dat nodig blijkt?
Het onderzoek van de Consumentenbond naar tekortkomingen in de bescherming van online gokkers en de lopende massaclaim van de Consumentenbond. |
|
Sarah Dobbe (SP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Verboden trucs in legale online casino’s: massaclaim in de maak»1 en «Consumenten voor totaalverbod gokreclame én betere bescherming»2?
Hoe weegt u het feit dat 84% van door de Consumentenbond onderzochte populatie een totaalverbod op gokreclame steunt en 88% betere bescherming tegen dark patterns verlangt?
Kunt u expliciet aangeven of u van oordeel bent dat de Wet kansspelen op afstand, zoals deze sinds 2021 wordt uitgevoerd, onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare spelers en waarop u dat oordeel baseert?
Bent u het ermee eens dat de belofte van «veilig en gecontroleerd» online gokken niet is waargemaakt, nu structureel sprake is van toenemende gokverslavingen, ernstige financiële schade bij gedupeerde burgers en het gebruik van gedragsbeïnvloedende technieken door legale aanbieders?
Deelt u de opvatting dat het toepassen van dergelijke gedragsbeïnvloedende technieken door vergunninghoudende gokbedrijven onverenigbaar is met hun zorgplicht, juist omdat zij aantoonbaar bijdragen aan problematisch speelgedrag?
Is het ontbreken van een expliciet wettelijk verbod op dark patterns een lacune in de bescherming van burgers die actief zijn op online gokplatforms? Zo ja, hoe en op welke wijze en termijn bent u van plan dit probleem aan te pakken?
Hoe beoordeelt u de vaststelling van de Consumentenbond dat meerdere legale aanbieders werken met oneerlijke standaardinstellingen en extreem hoge speellimieten, en kunt u bevestigen of dit naar uw oordeel in strijd is met geldende wet- en regelgeving?
Kunt u concreet aangeven welke maximale speellimieten en welke uitgangspunten voor standaardinstellingen momenteel wettelijk of beleidsmatig gelden, en waarom deze niet hebben voorkomen dat spelers gemiddeld duizenden euro’s verliezen?
Hoe vaak heeft de Kansspelautoriteit sinds 2021 handhavend opgetreden tegen legale aanbieders wegens schending van de zorgplicht, en kunt u daarbij per jaar aangeven hoeveel waarschuwingen, boetes en vergunningmaatregelen zijn opgelegd? Acht u deze handhavingspraktijk, bezien in het licht van de huidige maatschappelijke schade en de lopende massaclaim, voldoende afschrikwekkend, en zo ja, waarom?
Deelt u de juridische opvatting dat het structureel schenden van de zorgplicht en het toepassen van verboden of misleidende technieken kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen, met als mogelijke consequentie ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding aan gedupeerden?
Welke concrete gevolgen zou een rechterlijke vaststelling van dergelijk onrechtmatig handelen volgens u moeten hebben voor de vergunningverlening, verlenging of intrekking bij betrokken aanbieders?
Kunt u concreet aangeven welke aanvullende wettelijke maatregelen u op korte termijn zult nemen om de zorgplicht van online kansspelaanbieders afdwingbaar te versterken, en op welke termijn de Kamer hierover voorstellen kan verwachten?
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het artikel 'Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen meeste raadsleden door' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen de meeste raadsleden door»?1
Hoe oordeelt u over het bericht dat de agressie, bedreiging en intimidatie die gemeenteraadsraadsleden ervaren sinds vier jaar meer dan verdubbeld is?
Hoe oordeelt u over het bericht dat een derde van de raadsleden in de afgelopen bestuursperiode te maken heeft gehad met agressie, bedreiging of (verbaal) geweld, ruim twee keer zoveel als in 2022 en ruim zes keer zoveel als in 2015?
Hoe oordeelt u over het bericht dat dertig procent van de bedreigde raadsleden aangeeft dat haar functioneren hierdoor wordt beïnvloed?
Hoe oordeelt u over het bericht dat vrouwelijke raadsleden meer bedreigd worden dan mannelijke raadsleden?
Wat gebeurt er om de raadsleden beter te beschermen en weerbaar te maken tegen dit soort praktijken?
Wat kunt u verbeteren in de aanpak van agressie en bedreiging tegen raadsleden?
Bent u bereid hierin waar nodig samen te werken met de Ministerie van Justitie en Veiligheid, bijvoorbeeld door aanscherping van het programma «Bewaken en beveiligen»?
Het bericht ‘Overheid weigert herstel voor 1.800 jongeren uit toeslaenaffaire’ |
|
Jimmy Dijk (SP), Lisa Westerveld (GL), Inge van Dijk (CDA) |
|
Moes , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Overheid weigert herstel voor 800 jongeren uit toeslagenaffaire»?1
Hoe beoordeelt u het signaal van de vijf Kinderombudsmannen in hun rapport «Niet mijn (studie)schuld», waarbij de Kinderombudsmannen, net als de Commissie Hamer en de VNG, al geruime tijd oproepen om gedupeerde jongeren te helpen met hun DUO-schulden?
Wat is volgens u de rol van (lokale) (Kinder-)ombudsmannen en andere instanties, ambtenaren en memo’s geweest bij het signaleren van de problematiek rondom het toeslagenschandaal?
Hoe is de overheid in uw ogen omgegaan met het tijdig en serieus reageren op dergelijke signalen, waardoor het toeslagenschandaal voorkomen had kunnen worden dan wel eerder kunnen worden opgemerkt?
Welke zwaarwegende argumenten heeft u om het rapport van de Kinderombudsmannen terzijde te schuiven en te concluderen dat het probleem aan de jongeren ligt die de regelingen niet weten te vinden?2
Hoe wilt u – indachtig de titels van de rapporten van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (Ongekend Onrecht) en van de Parlementaire Enquête Fraudebeleid en Dienstverlening (Blind voor mens en recht) – voorkomen dat met het terzijde schuiven van het signaal van deze vijf kinderombudsmannen wederom een groep burgers onrecht wordt aangedaan?
Bent u het ermee eens dat het voor gedupeerde jongeren die al tijden wensen erkend te worden als slachtoffer van het handelen van de overheid helend kan werken als zij gezien en erkend worden als slachtoffer van het toeslagenschandaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan om deze jongeren alsnog te erkennen als slachtoffer?
Bent u het – na uw eerdere weigering om onderzoek te doen naar het aantal jongeren van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden zijn ontstaan door het toeslagenschandaal en naar de hoogte van deze DUO-schulden, zoals de motie-Van Nispen c.s. (Kamerstukken II, 2025/26, 36 708, nr. 53) en motie Kat c.s. (Kamerstukken II, 2023/24, 31 066, nr. 1308) om vroegen – het ermee eens dat nu de Kinderombudsmannen zelf een onderzoek hebben uitgevoerd en 1.800 jongeren tellen met deze problematiek dat het om een relatief beperkte groep jongeren gaat van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden door het toeslagenschandaal zijn ontstaan? Bent u het er tevens mee eens dat zelfs als het daadwerkelijke aantal driemaal zo hoog is het nog steeds een relatief beperkte groep jongeren betreft? Zo nee, welke reden heeft u om aan te nemen dat het nog veel meer jongeren betreft?
Bent u het ermee eens dat jongeren, die slachtoffer zijn geworden van het toeslagenschandaal en eigen schade & schulden hebben, principieel zélf ook op een directe manier geholpen moeten worden in het rechtzetten van onrecht zonder dat zij hiervoor naar hun ouders hoeven te stappen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven wat het doel en nut is van de tijdelijke telefoonlijn bij DUO, waar gedupeerde jongeren terecht kunnen met vragen? Hoelang blijft deze telefoonlijn in bedrijf?
Klopt het dat DUO deze gedupeerde jongeren na een gesprek met de telefoonlijn naar de onderwijsinstelling verwijst, omdat de onderwijsinstelling zou moeten beoordelen of de jongere voor een uitzondering in aanmerking komt? Zelfs als de jongere die het betreft zijn studie al jaren geleden heeft behaald of afgebroken? Zo ja, bent u het ermee eens dat dit bijdraagt aan onnodige administratieve obstakels voor de betreffende jongeren? Is er een reden waarom DUO niet zelf het contact kan leggen met de onderwijsinstelling om de benodigde informatie op te halen? Zo nee, hoe verklaart u dat jongeren tegen dit soort problemen aanlopen?
Klopt het dat DUO geen schulden kwijtscheldt, behalve als de student in geval van bijzondere omstandigheden zijn studie heeft afgebroken of na tien jaar zijn diploma niet heeft gehaald?
Hoeveel gedupeerde jongeren vallen onder deze twee uitzonderingen? Vindt u dat u hen hiermee het toekomstperspectief biedt dat u hen toewenst?
Klopt het dat verzoeken voor maatwerk door DUO geregeld worden afgewezen? Welk percentage wordt afgewezen?
Kunt u aangeven hoe vaak welke vorm van maatwerk door DUO is toegekend? Zo nee, hoe kunt u dan concluderen dat maatwerk door DUO een oplossing is voor de problemen van getroffen jongeren? Zo ja, kunt u aangeven hoe en of de gedupeerde jongeren met dit maatwerk ook daadwerkelijk zijn geholpen?
Hoe bent u van plan ervoor te zorgen dat de jongeren die het betreft deze telefoonlijn weten te vinden als u niet weet hoeveel en welke jongeren het precies betreft?
Bent u het ermee eens dat gedupeerde jongeren weer een toekomstperspectief verdienen?
Bent u het ermee eens dat een diploma halen het beste instrument is voor een goed toekomstperspectief? Zo ja, wat is dan u reden, gelet op het feit dat de commissie Hamer aangeeft dat de brede ondersteuning vanuit de gemeenten onvoldoende is voor het toekomstperspectief van gedupeerde jongeren, om toch de nieuwe regeling voor studie en ontwikkeling, welke nu opgetuigd wordt voor gedupeerde uithuisgeplaatste kinderen, niet open te stellen voor álle gedupeerde jongeren?
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven geen generieke regeling te willen treffen voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van de jongeren? Zo nee, wat heeft u dan precies aangeven
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven dat volgens u de bestaande regelingen voor gedupeerde jongeren volstaan? Zo nee, wat heeft u dan precies aangegeven? Zo ja, kunt u onderbouwen hoe u tot deze conclusie komt, nu de Kinderombudsmannen in hun rapport juist gemotiveerd aangeven dat deze conclusie niet klopt en bestaande regelingen niet volstaan?
Bent u het ermee eens dat de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam niet oproepen tot een generieke regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, maar juist oproepen tot een regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan vanwege het toeslagenschandaal? Zo nee, kunt u aangeven waartoe de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam volgens u precies toe oproepen?
Wat is uw reactie ten aanzien van een (nadrukkelijk niet generieke) regeling waarbij de DUO-schulden van jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan door het toeslagenschandaal worden kwijtgescholden? Bent u bereid een dergelijke regeling op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Het bericht 'Ambtenaar stelt voor om 19-jarige Forum-kandidaat ‘op te hangen aan een lantaarnpaal’' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Is de Minister bekend met het bericht «Ambtenaar stelt voor om 19-jarige Forum-kandidaat «op te hangen aan een lantaarnpaal»»?1
Is het correct dat een medewerker van zorgorganisatie SamenTwente op Twitter/X over een 19-jarige FVD-kandidaat voor de gemeenteraad in Utrecht heeft geschreven: «Met fascisten ga je geen debat aan. Da’s zonde van de tijd. Die moet je gewoon ouderwets ondersteboven aan een lantaarnpaal hangen. En eventueel Bella Ciao erbij zingen.»? Is de Minister bereid, eventueel gebruik makend van de «trusted flagger» status van het ministerie, bij Twitter/X na te vragen of deze tweet daadwerkelijk verstuurd is? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de medewerker van deze zorgorganisatie formeel gezien een «ambtenaar» is?
Vindt de Minister, primair verantwoordelijk voor zowel het functioneren van de rijksdienst (ambtenarij) als het beschermen van onze democratie, het acceptabel voor een ambtenaar om publiekelijk een kandidaat van een politieke partij waar deze ambtenaar het niet mee eens is, te bedreigen? Is een dergelijke (doods)bedreiging verenigbaar met de Ambtenarenwet?
Behoort, in de ogen van de Minister, een ambtenaar, die een (kandidaat-)politicus publiekelijk bedreigt uit zijn ambt te worden gezet? Zo nee, waarom niet?
Mogelijke plaatsing van Chinese laadpalen bij gebouwen van de Rijksoverheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Rijkaart , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Rijksvastgoedbedrijf mogelijk honderden laadpalen van een Chinees bedrijf wil laten plaatsen bij gebouwen van de rijksoverheid, ondanks groeiende zorgen over strategische afhankelijkheid en veiligheid?1
Klopt het dat bij aanbestedingen voor laadinfrastructuur voor overheidsgebouwen het uitgangspunt is dat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse bedrijven en technologieën? Zo ja, hoe verhoudt de mogelijke keuze voor Chinese leveranciers zich tot dit uitgangspunt?
Op welke wijze zijn bij deze aanbesteding nationale veiligheidsrisico’s, waaronder cyberveiligheid, databeveiliging en mogelijke ongewenste toegang tot systemen van overheidsgebouwen, meegewogen?
In hoeverre acht u het risico reëel dat slimme laadpalen – die verbonden zijn met digitale netwerken en energie-infrastructuur – kunnen worden misbruikt voor spionage, sabotage of verstoring van vitale infrastructuur?
Wordt bij de beoordeling van dergelijke technologieën rekening gehouden met het feit dat Chinese bedrijven onder Chinese wetgeving verplicht kunnen worden om informatie te delen met de Chinese overheid? Zo ja, hoe is dit risico beoordeeld?
In hoeverre bestaat het risico dat door de inzet van Chinese technologie bij laadinfrastructuur een structurele economische afhankelijkheid ontstaat, bijvoorbeeld door onderhoud, software-updates of vervangingsonderdelen, en hoe wordt dit risico gewogen?
Hoe verhoudt deze mogelijke keuze zich tot het bredere kabinetsbeleid om strategische afhankelijkheden van China te verminderen en technologische en economische veiligheid te versterken?
Bent u bereid te onderzoeken of voor vitale of gevoelige overheidslocaties een «Europees, tenzij»-benadering kan worden toegepast bij de inkoop van energie- en laadinfrastructuur, en de Kamer hierover te informeren?
De Algemene maatregel van bestuur Wet veilige jaarwisseling |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) is gekozen voor een verplichte inschrijving in het Handelsregister, terwijl het amendement Bikker expliciet beoogde een laagdrempelig alternatief te bieden voor burgerinitiatieven die niet noodzakelijkerwijs in een formele rechtsvorm opereren?1
Er is gekozen voor een verplichte inschrijving bij de Kamer van Koophandel, omdat het wenselijk is om te borgen dat een ontheffinghouder een rechtspersoon is die aansprakelijk kan worden gesteld voor schade of letsel veroorzaakt in het kader van de verleende ontheffing. Er worden geen eisen gesteld aan het type vereniging of stichting. Daarmee is deze voorwaarde zo laagdrempelig mogelijk vormgegeven.
Op welke wijze is getoetst of deze eis verenigbaar is met de intentie van het amendement?
Indieners van het amendement Bikkers c.s. geven in de toelichting aan dat het ook voor anderen dan personen met gespecialiseerde kennis mogelijk moet zijn om consumentenvuurwerk te mogen afsteken. Indieners wilden het onder voorwaarden mogelijk maken voor georganiseerde groepen burgers om zich tot de gemeente te wenden om tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier voor hun gemeenschap vuurwerk af te steken op een daartoe aangewezen plek. Daarbij wezen de indieners bijvoorbeeld op dorps- of buurtverenigingen die op een centrale plek in het dorp of in de wijk vuurwerk organiseert. Bovenstaande is met de uitwerking in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling mogelijk gemaakt.
Waarom is bepaald dat een vereniging uitsluitend een ontheffing kan aanvragen in de gemeente waarin zij volgens de Kamer van Koophandel (KvK) is ingeschreven?
In de internetconsultatieversie van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling was een vestigingsplaatsvereiste opgenomen, maar deze eis is geschrapt om ook het aanvragen van een ontheffing in bijvoorbeeld buurgemeenten mogelijk te maken.
Hoe wordt omgegaan met lokale initiatieven binnen grotere gemeenten met meerdere kernen of wijken, waar de feitelijke activiteiten niet samenvallen met de formele vestigingsplaats?
In de internetconsultatieversie van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling was een vestigingsplaatsvereiste opgenomen, maar deze eis is geschrapt om ook het aanvragen van een ontheffing in bijvoorbeeld buurgemeenten mogelijk te maken.
Zijn minder beperkende alternatieven onderzocht om identiteit en verantwoordelijkheid te borgen, zoals gemeentelijke registratie, aanwijzing van een verantwoordelijke persoon of een door de gemeente erkende contactstructuur? Zo ja, waarom zijn deze niet overgenomen? Zo nee, waarom niet?
Met de uitwerking van de huidige ontheffingsmogelijkheid is aangesloten bij de bestaande structuren van verenigingen en stichtingen. Het is wenselijk dat duidelijk is wie aangesproken kan worden bij letsel of schade. Dat wordt op deze manier het beste geborgd.
Kant u toelichten hoe u de passage uit het amendement Bikker heeft geïnterpreteerd waarin wordt gevraagd om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande regels voor particulieren?
Omdat de situatie niet meer vergelijkbaar is met de situatie zonder landelijk vuurwerkverbod, is het niet mogelijk om alle bestaande regels voor particulieren een-op-een over te nemen. Er is immers een brede meerderheid binnen zowel de Eerste als Tweede Kamer voor een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, met een ontheffingsmogelijkheid voor groepen burgers. Daarmee is het mogelijk voor gemeenten om groepen burgers de kans te geven om samen het nieuwe jaar in te luiden met vuurwerk. Hierbij is het noodzakelijk geacht om een aantal voorwaarden en voorschriften vast te stellen met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
Wel is bijvoorbeeld aangesloten bij het type vuurwerk dat nu is toegestaan op basis van de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk, en is voor de ontbranders de huidige leeftijdsgrens gehanteerd. In de huidige regelgeving is er een maximum van 25 kg vuurwerk per persoon toegestaan. Omdat er op een afsteeklocatie maximaal 200 kg vuurwerk neergelegd mag worden, is ervoor gekozen om het mogelijk te maken maximaal acht ontbranders aan te wijzen. Daarmee is getracht een balans te vinden waarin zowel de veiligheid van ontbranders en omstanders wordt geborgd, en daarnaast ook wordt gezorgd voor een uitvoerbare regeling.
Waarom is in de AMvB gekozen voor een systematiek die sterk leunt op professionele ontbrandingsregels?
Gekozen is om, daar waar mogelijk, aan te sluiten bij reeds geldende eisen in huidige wet- en regelgeving. Professionele toepassers maken in de praktijk bij hun evenementen veelal gebruik van consumentenvuurwerk. Hiervoor moeten zij aan diverse eisen voldoen. Daarom is ervoor gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels voor professionele toepassers wanneer zij consumentenvuurwerk afsteken.
Op welke punten is bewust afgeweken van het particuliere regime, en welke beleidsmatige noodzaak lag daaraan ten grondslag?
Het landelijk vuurwerkverbod stelt dat particulieren geen vuurwerk meer mogen bezitten, kopen of afsteken. Hiermee zijn de regels van het particuliere regime niet meer van toepassing. Bij het invullen van de ontheffingsmogelijkheid is voor het waarborgen van de veiligheid zowel gekeken naar de oorspronkelijke regels van het particuliere regime als naar de regels van professionele toepassers. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 6 en 7.
Is een vergelijking gemaakt tussen het particuliere en het professionele regime op het gebied van risico’s, uitvoeringslasten en handhaafbaarheid? Zo ja, kan deze analyse met de Kamer worden gedeeld?
Er is gekeken naar alle regels die gelden voor professionele ontbrandingen wanneer zij uitsluitend consumentenvuurwerk tot ontbranding brengen. Daar waar opportuun is geacht, is daarbij aangesloten. Bij de afweging welke eisen over zijn genomen, hebben o.a. veiligheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid voor verenigingen en stichtingen een rol gespeeld.
Waarom is gekozen voor een uniforme set zware eisen voor alle initiatieven, ongeacht schaal en hoeveelheid vuurwerk?
Er is voor gekozen om uit te gaan van één generieke set aan minimale voorwaarden en voorschriften die een burgemeester in acht dient te nemen bij het verlenen van een ontheffing.
Is een gedifferentieerd model overwogen, bijvoorbeeld met lichtere eisen voor kleinschalige burgerinitiatieven en zwaardere eisen voor grotere evenementen?
De ontheffingsmogelijkheid moest een kleinschalig burgerinitiatief mogelijk maken. Dit is met de huidige invulling mogelijk. Grotere evenementen kunnen georganiseerd worden door professionele toepassers.
Zo ja, waarom is dit niet uitgewerkt? Zo nee, waarom is deze optie niet onderzocht?
In het kader van de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid zijn meerdere opties overwogen. De verschillende scenario’s zijn beschreven in het Beleidskompas, die ook gepubliceerd is tijdens de internetconsultatie.2 Gelet op de lokale bevoegdheidsverdeling, dan wel de doelstelling van de wet, en om redenen van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid, is voor deze alternatieve scenario’s niet gekozen.
Waarom acht u een volledig veiligheidsplan en situatietekening noodzakelijk voor álle aanvragen, inclusief kleinschalige initiatieven?
Een veiligheidsplan en situatietekening zijn nodig voor een burgemeester om te kunnen beoordelen of het tot ontbranding brengen van maximaal 200 kilo consumentenvuurwerk op een bepaalde locatie verantwoord is.
Welke proportionaliteitsafweging is hierbij gemaakt?
Een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van het Ontwerpbesluit is het geven van ruimte aan lokale afwegingen waarbij oog is voor de lokale situatie. Daarom is ervoor gekozen om zo veel mogelijk ruimte te laten om op lokaal niveau afwegingen te maken over hoe een ontheffing het beste kan worden vormgegeven. Burgemeesters hebben kennis over hun gemeente en inwoners en kunnen daarom, samen met onder andere de lokale driehoek en de veiligheidsregio, bezien wat wenselijk en mogelijk is binnen hun gemeente. Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt het vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Met het oog hierop is terughoudend omgegaan met het stellen van regels en vereisten op landelijk niveau, om onnodige belemmeringen en regeldruk voor stichtingen en verenigingen te voorkomen. Wel zijn bepaalde minimale veiligheidsvoorschriften van belang om de veiligheid van ontbranders, supervisors, publiek en omwonenden te borgen. Eén daarvan is het verplicht indienen van een veiligheidsplan en een situatietekening. Een veiligheidsplan en situatietekening zijn nodig voor een burgemeester om te kunnen beoordelen of het tot ontbranding brengen van maximaal 200 kilo consumentenvuurwerk op een bepaalde locatie verantwoord is.
Zijn vereenvoudigde veiligheidsprofielen of standaardformats overwogen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen. Modelontheffingen en formats worden hierin ook overwogen. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen van de handreiking.
Waarom zijn eventuele modeldocumenten of sjablonen niet wettelijk verankerd om de administratieve last te beperken?
Door de VNG wordt, met input vanuit het Rijk, gewerkt aan een handreiking, inclusief bijvoorbeeld modelontheffingen. Het ligt niet in de rede om deze documenten wettelijk te verankeren. Het is op deze manier ook gemakkelijker deze documenten aan te passen, mocht dat nodig zijn. Bijvoorbeeld naar aanleiding van opgedane ervaringen en best practices in gemeenten.
Waarom is gekozen voor aansluiting bij de professionele grens van 200 kilogram binnen een regeling die bedoeld is voor burgerinitiatieven?
Nu kan bij het tot ontbranding brengen van 200 kilogram consumentenvuurwerk worden volstaan met een ontbrandingsmelding bij het bevoegde gezag (de provincie); daarboven is een ontbrandingstoestemming vereist. Ook valt deze maximumhoeveelheid binnen de geldende vrijstellingen in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Nu de hoeveelheid en het type vuurwerk dat wordt toegestaan met de ontheffing vergelijkbaar is, ligt het ook voor de hand zoveel mogelijk bij deze regels aan te sluiten.
Hoe verhoudt deze grens zich tot de doelstelling van het amendement Bikker, dat juist een alternatief voor particulier vuurwerkgebruik beoogde?
Naar de mening van het kabinet biedt 200 kilogram consumentenvuurwerk voldoende mogelijkheden voor het afsteken van consumentenvuurwerk door verenigingen en stichtingen. De grens van 200 kilogram consumentenvuurwerk is in de regelgeving ook nu al relevant bij professionele vuurwerkshows wanneer zij uitsluitend consumentenvuurwerk tot ontbranding brengen. Zie ook het antwoord op vraag 17.
Is onderzocht of deze grens in de praktijk functioneel en realistisch is, gelet op het feit dat een enkele compounddoos al tien tot twintig kilogram kan wegen?
Zie het antwoord op vraag 18.
Welke ondersteuning biedt u aan gemeenten om aanvragen consistent, tijdig en uitvoerbaar te beoordelen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen en modeldocumenten. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen van de handreiking.
Is onderzocht wat de verwachte uitvoeringslast is voor gemeenten en hoe deze zich verhoudt tot de beschikbare capaciteit?
De VNG heeft aangegeven in haar uitvoeringstoets dat op dit moment nog geen volledig beeld bestaat van de gemeentelijke uitvoeringskosten en de wijze waarop deze kosten financieel kunnen worden gedekt. Daarbij wijst de VNG erop dat het verlenen van ontheffingen voor het afsteken van F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling, evenals het toezicht en de handhaving daarop, een nieuwe bevoegdheid betreft voor burgemeesters en gemeenten. Volgens de VNG zullen de gemoeide kosten van de nieuwe bevoegdheid voor burgemeesters en gemeenten mede afhankelijk zijn van de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de ontheffingsmogelijkheid en van de wijze waarop gemeenten hier in hun lokale beleid invulling aan geven.
Waarom zijn geen landelijke minimumnormen of toetsingskaders opgenomen, terwijl de beslissingsbevoegdheid volledig bij de burgemeester ligt?
Om de veiligheid van de opslag, het vervoer, de verkoop en het afsteken van vuurwerk te waarborgen voor ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden is in het Ontwerpbesluit een aantal voorwaarden en voorschriften vastgesteld. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de brede wens vanuit gemeenten om waar dat kan veiligheidsvereisten nationaal vast te leggen.
Hoe wordt voorkomen dat de toekenning van ontheffingen afhankelijk wordt van de persoonlijke of politieke opvattingen van individuele burgemeesters?
De bevoegdheid om een ontheffing te verlenen is bij amendement Bikker c.s. bij de burgemeester belegd. De burgemeester kan zelf beslissen of zij van die bevoegdheid gebruik wenst te maken. Daarmee kan rekening worden gehouden met de lokale situatie, desgewenst in overleg met de lokale driehoek. Naar verwachting zullen burgemeesters hierover in gesprek gaan met de gemeenteraad.
Is het risico op ongelijke behandeling tussen gemeenten expliciet meegewogen?
Als gevolg van het amendement Bikker c.s. kan een burgemeester op grond van de Wet veilige jaarwisseling een ontheffing verlenen, maar zij hoeft dat niet te doen. Zij kan daartoe zelf beleid opstellen al dan niet in een beleidsregel. Verschillen in beleid tussen gemeenten leiden op zichzelf niet tot ongelijke behandeling tussen gemeenten. Sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat afhankelijk van lokale omstandigheden verschillen in beleid tussen gemeenten kunnen ontstaan. Wel zijn, in lijn met de wens van gemeenten, veel veiligheidsvoorschriften nationaal vastgelegd in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling.
Hoe heeft u beoordeeld dat de opslag-, uitleverings- en terugnameverplichtingen uitvoerbaar zijn voor burgerinitiatieven zonder professionele infrastructuur?
Voor verenigingen en stichtingen is het een nieuwe situatie dat vuurwerk terug dient te worden gebracht aan het verkooppunt of te worden opgehaald. Het gaat daarbij enkel om de situatie waarin vuurwerk, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, niet kon worden afgestoken. Deze verplichting is noodzakelijk omdat het gedurende het jaar met het oog op de veiligheid, niet toegestaan is voor verenigingen en stichtingen om vuurwerk in bezit te hebben en op te slaan. Naar aanleiding van signalen uit de internetconsultatie is de teruglevertermijn verruimd naar 18.00 op 1 januari. Het kabinet is daarmee van mening dat de verplichtingen uit de regeling voldoende uitvoerbaar zijn.
Op welke wijze is rekening gehouden met de gevolgen voor erkende verkooppunten, gelet op de zeer beperkte uitleverperiode en de verplichting tot terugname op 1 januari?
Tijdens de internetconsultatie heeft de vuurwerkbranche op deze punten gereageerd. In sommige gevallen heeft dit geleid tot een wijziging zoals het verlengen van het teruglevertermijn. Daarnaast heeft de branche voorgesteld om het vervoer collectief te laten uitvoeren door gecertificeerde vervoerders of door een verkooppunt. Het kabinet waardeert deze suggesties en laat het aan de markt over om dit verder uit te werken. Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling biedt hiervoor ruimte.
Is met de vuurwerksector gesproken over de financiële haalbaarheid van deze verplichtingen, gezien de vaste kosten voor opslag, beveiliging en vergunningen?
Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling wordt al het F2-vuurwerk voor consumenten verboden. Dit heeft directe gevolgen voor vuurwerkimporteurs en detailhandelaren (vuurwerkverkooppunten). Dit type vuurwerk mag immers niet meer aan consumenten worden verkocht, tenzij aan de koper door de burgemeester een ontheffing is verleend. De uitwerking van een nadeelcompensatieregeling voor importeurs en detailhandelaren is onderdeel van een separaat traject.
Welke alternatieven zijn overwogen om deze logistieke lasten beter in balans te brengen?
Zoals bij vraag 26 is aangegeven heeft de vuurwerkbranche voorstellen gedaan en deze zijn op een aantal punten overgenomen. Het kabinet waardeert deze suggesties en laat het aan de markt over om dit verder uit te werken.
Welke marktanalyse is uitgevoerd om vast te stellen dat aansprakelijkheidsverzekeringen beschikbaar en betaalbaar zijn voor kleine verenigingen en vrijwilligersgroepen?
In het kader van de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is gesproken met het Verbond van Verzekeraars en enkele individuele verzekeraars. Het Verbond van Verzekeraars heeft ook gereageerd op de internetconsultatie. Het is volgens het Verbond van Verzekeraars belangrijk voor een vereniging of stichting die een ontheffing aanvraagt, om na te gaan of de eigen (huidige) aansprakelijkheidsverzekering adequate dekking biedt voor afsteken of laten afsteken van vuurwerk. Hierbij is het verstandig om ook te kijken of en welke specifieke (aanvullende) voorwaarden de verzekeraar hierbij stelt. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat een adviseur daarbij kan helpen. Als de rechtspersoon (nog) geen aansprakelijkheidsverzekering heeft die dekking biedt, zou volgens het Verbond een tijdelijke evenementenverzekering met dekking voor aansprakelijkheid een alternatief kunnen zijn. Op basis van een gedegen landelijk uniform veiligheidspakket kunnen verzekeraars de risico’s inschatten en de verzekerbaarheid van het afsteken van vuurwerk in het kader van een ontheffing. Meestal zal dit op ad hoc en individuele basis plaatsvinden. Het is aan de verzekeraars zelf of zij bijvoorbeeld willen voorzien in collectieve verzekeringsmogelijkheden.
Hoe is beoordeeld of deze verzekeringsplicht de toegankelijkheid van de regeling beperkt?
Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling stelt geen vereisten rondom het al dan niet verplicht afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering.
Is onderzocht of de regeling leidt tot sociale uitsluiting van inwoners die geen lid zijn van verenigingen of de bijkomende kosten niet kunnen dragen?
Het is niet onderzocht of de regeling kan leiden tot sociale uitsluiting van inwoners die geen lid zijn van een vereniging. Daarbij geldt dat het in veel gevallen naar verwachting mogelijk zal zijn om het vuurwerk ook zonder lidmaatschap, bijvoorbeeld op enige afstand, te aanschouwen.
Zijn alternatieven overwogen, zoals gemeentelijke vrijwilligersverzekeringen of een landelijke standaarddekking? Zo ja, waarom zijn deze niet overgenomen?
Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling stelt geen vereisten rondom het al dan niet verplicht afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering. Het wordt aan de burgemeester overgelaten of hij dit alsnog wenst te verplichten. Het is aan verzekeraars zelf of zij bijvoorbeeld willen voorzien in een specifieke verzekering; naar verwachting zal dit in de regel op individuele basis plaatsvinden. Zie ook het antwoord op vraag 29.
Hoe wordt voorkomen dat initiatiefnemers te maken krijgen met stapeling van verplichtingen door samenloop van de AMvB en gemeentelijke APV-regels (Algemene Plaatselijke Verordening)?
Enige stapeling van verplichtingen is niet geheel te voorkomen. Of een evenementenvergunning vereist is, is afhankelijk van de regels die daarover zijn gesteld door de gemeente in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In het Vuurwerkbesluit kunnen hierover geen andere of aanvullende regels worden gesteld.
Wordt overwogen om deze samenloop expliciet te reguleren om dubbele lasten te voorkomen?
Een gemeente kan ervoor kiezen om de aanvragen samen te voegen of te koppelen. Dat is echter aan de gemeente. Dit wordt niet verplicht gesteld in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Wel zal hierover in gesprek worden gegaan met de VNG.
Welke analyse is uitgevoerd naar de naleefbaarheid van de regeling door burgerinitiatieven?
In het kader van de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling zijn diverse gesprekken gevoerd om inbreng op te halen bij een brede vertegenwoordiging van organisaties, zoals de politie, het Openbaar Ministerie (OM), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Genootschap van Burgemeesters (NGB), omgevingsdiensten, de brandweer, verzekeraars, (koepels van) sport- en wijkverenigingen, en de vuurwerkbranche. Daarbij is getracht zo breed mogelijk input op te halen ten aanzien van het borgen van de veiligheid, de uitvoerbaarheid voor burgemeesters, de handhaafbaarheid, en ook de werkbaarheid voor verenigingen, stichtingen, en bedrijven. De naleving van het vuurwerkverbod zelf is ook in het handhavingsplan3 van het Ministerie van JenV uiteengezet.
Is onderzocht of de zwaarte en complexiteit van de eisen kan leiden tot ontmoediging of verschuiving naar niet-gereguleerde activiteiten?
Het kabinet is van mening dat met de huidige uitwerking adequate minimale veiligheidsvoorschriften worden vastgesteld, waarbij daarnaast uit wordt gegaan van vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Naar de mening van het kabinet zijn de gestelde voorwaarden en voorschriften daarmee noodzakelijk, en niet onnodig zwaar of complex.
Hoe wordt de handhaving ingericht en hoe wordt voorkomen dat gemeenten en politie geconfronteerd worden met disproportionele handhavingsdruk?
De inrichting van de handhaving en inzet van boa's en de politie rondom de jaarwisseling betreft een lokale afweging. Deze wordt afgestemd binnen de lokale driehoek, zodat rekening kan worden gehouden met de specifieke omstandigheden en prioriteiten binnen de gemeente. Ter voorbereiding op de aankomende jaarwisseling, waarbij een algeheel vuurwerkverbod voor consumenten geldt met een mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen, stelt de VNG een handreiking op. Hiermee worden gemeenten ondersteund om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op zowel de uitvoering als handhaving van het verbod en de ontheffingsregeling. Daarnaast wordt de inzet van boa's bij de handhaving van de ontheffingsmogelijkheid nader verkend. Tot slot betreft de ontheffingsmogelijkheid een «kan» bepaling. Met het oog op de handhaafbaarheid kan een burgemeester er daarom voor kiezen om geen of slechts een beperkt aantal ontheffingen te verlenen.
Welke communicatiestrategie wordt ingezet om burgers en verenigingen tijdig en begrijpelijk te informeren over deze nieuwe regeling?
Op dit moment werken de Ministeries van IenW en JenV aan een communicatieaanpak. In deze aanpak wordt onderscheid gemaakt in verschillende fasen te weten 1) vanaf heden tot de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod, 2) het landelijk vuurwerkverbod is van kracht, 3) periode tot aan de jaarwisseling 2026–2027 en de volgende jaarwisselingen. Per fase worden doelgroepen, doelstellingen, boodschap, kanalen, middelen en een tijdlijn opgenomen. Fase 1 betreft de communicatie rond de verschillende mijlpijlen tot aan de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod. De eerste communicatieboodschappen zullen vanaf mei/juni gepubliceerd worden.
Worden uniforme aanvraagformulieren, modelbesluiten of landelijke richtlijnen ontwikkeld om rechtszekerheid en voorspelbaarheid te waarborgen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen. Het opnemen van een voorbeeld voor een aanvraagformulier of een ontheffing behoren tot de mogelijkheden. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning aangeboden bij het opstellen van de handreiking.
Welke concrete evaluatiecriteria hanteert u om te beoordelen of de regeling het beoogde doel bereikt?
In het Ontwerpbesluit is opgenomen dat de Wet veilige jaarwisseling in samenhang met de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd zal worden. Hoe deze evaluatie er uit moet gaan zien dient nog nader uitgewerkt te worden. Daarover wordt de Kamer medio 2026 nader geïnformeerd, zoals toegezegd aan de Eerste Kamer (Kamerstuk 35 386, J).
Wordt gemonitord hoeveel aanvragen worden ingediend, toegewezen en afgewezen, en wat de belangrijkste knelpunten zijn?
Dit is geen verplichting op grond van de Wet veilige jaarwisseling en het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. In het kader van het bepalen van de uitvoeringscapaciteit en prioritering van werkzaamheden ligt het wel voor de hand dat gemeenten dit registreren en monitoren. Dit zal worden meegenomen in de uitwerking van de evaluatie, waarover de Kamer medio 2026 wordt geïnformeerd.
Bent u bereid de AMvB binnen afzienbare tijd te herzien indien blijkt dat de regeling in de praktijk onvoldoende aansluit bij de intentie van het amendement Bikker?
Het is gebruikelijk dat wet- en regelgeving geëvalueerd wordt. De ontheffingsmogelijkheid zal binnen drie jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Indien uit de evaluatie naar voren komt dat de uitwerking niet leidt tot het gewenste resultaat, kan besloten worden om het Vuurwerkbesluit te wijzigen.
Waarom is het scenario waarin de burgemeester één of meerdere afsteeklocaties aanwijst volledig buiten beschouwing gelaten?
Voorafgaand aan de uitwerking zijn diverse scenario’s bezien en alternatieven afgewogen, zoals het scenario waarin een burgemeester een locatie aanwijst waarbij iedereen, dan wel alle leden van een vereniging, vuurwerk mogen afsteken onder de huidige regels. Tevens is bezien of het mogelijk is om bijvoorbeeld een maximumaantal ontheffingen per gemeente vast te stellen. Voor deze scenario's is zo breed mogelijk input verzameld ten aanzien van het borgen van de veiligheid, de uitvoerbaarheid voor burgemeesters, de handhaafbaarheid, en de werkbaarheid voor verenigingen, stichtingen en bedrijven. De verschillende scenario’s zijn beschreven in het Beleidskompas. Gelet op de lokale bevoegdheidsverdeling, dan wel de doelstelling van de wet, en om redenen van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid, is voor deze alternatieve scenario’s niet gekozen.
Hoe weegt u het risico op toeloop en ordeverstoringen in dit scenario af tegen de aanzienlijke drempels en uitvoeringsproblemen van de nu voorgestelde regeling?
Bij het enkel toewijzen van een afsteeklocatie door de burgemeester blijft het mogelijk dat iedere particulier ouder dan 16 jaar consumentenvuurwerk mag afsteken. Hiermee is de verwachting dat, gelet de ervaringen van afgelopen jaarwisselingen, de kans op ordeverstoringen en letsel groter is dan in het scenario zoals nu is uitgewerkt in het Ontwerpbesluit. Immers in de voorgestelde nieuwe situatie mag niemand, behalve de door de ontheffinghouder aangewezen ontbranders, consumentenvuurwerk afsteken.
Acht u het proportioneel dat dit alternatief is verworpen, terwijl ook de huidige uitwerking mogelijk niet leidt tot het realiseren van de beoogde laagdrempeligheid?
Ja, gelet op de bezwaren, wordt het verwerpen van dit alternatief proportioneel geacht.