Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Ja.
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Dit klopt. Zoals gemeld in de Kamerbrief over Digitale Autonomie die uw Kamer 11 juni 2026 heeft ontvangen, is de Belastingdienst recent door een ethisch hacker gewezen op het gebruik van Adobe Analytics op de websites van de Belastingdienst, waarbij gegevens zonder toestemming werden doorgezonden naar Adobe. De Belastingdienst heeft deze functionaliteit direct uitgezet toen bleek dat dit inderdaad het geval was.
De Belastingdienst heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geïnformeerd en een datalek gemeld. Ik betreur dat dit is gebeurd en ik ben dankbaar dat deze ethisch hacker de Belastingdienst hierop heeft gewezen. Er is contact geweest om te bedanken voor het melden van de kwetsbaarheid. Ook heeft een aanvullend inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. De Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen ontvangen graag signalen over beveiliging en privacy via het beschikbare responsible disclosure proces (ook wel Coordinated Vulnerability Disclosure genoemd), zodat deze continu op een hoger plan kunnen worden gebracht. Daarnaast geven we prioriteit aan de verkenning of er op andere plekken binnen de Belastingdienst, Toeslagen of Douane sprake is van vergelijkbare onzorgvuldigheden bij het gebruik van de analyticstooling. De uitkomsten hiervan deel ik met uw Kamer in de eerstvolgende stand-van-zakenbrief.
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
De Belastingdienst gebruikte Adobe Analytics voor het meten van gebruik, navigatie en prestaties van de digitale dienstverlening, om die voor burgers en bedrijven te verbeteren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de functie om analyticsgegevens naar Adobe te sturen per 5 juni 2026 uitgezet. Dat betekent dat er op dit moment niets verzonden wordt aan Adobe. In de tabel in bijlage 1 staat aangegeven welke gegevens gedeeld werden met Adobe op het moment van uitzetten van de functie.2
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Zoals hierboven aangegeven, staat de functie om analyticsgegevens met Adobe te delen uit. Voordat deze functie was uitgezet werd een identifier gebruikt en werden tracking-cookies geplaatst bij de eindgebruikers voor twee jaar.
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
De functie om analyticsgegevens met Adobe te delen staat uit. Op dit moment kunnen we daarom uitsluiten dat gegevens verstrekt worden. In het antwoord op vraag 3 staat aangegeven welke gegevens werden gedeeld met Adobe. We kunnen niet uitsluiten dat meer gegevens zijn gedeeld, omdat niet duidelijk is wat een gebruiker gedeeld heeft in een vrij tekstveld of zoekmachine. Wel weten we dat het IP-adres in ieder geval meegezonden werd, zoals toegelicht op pagina 12 van bijlage 1.
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke. De standaarddienst voor websiteanalytics wordt afgenomen bij leverancier IBM, waarbij Adobe de onderleverancier is. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Er is destijds met IBM daarom een standaardcontract afgesloten, maar geen verwerkersovereenkomst. Naar nu blijkt zijn er wel persoonsgegevens verwerkt, waardoor een verwerkersovereenkomst nodig was geweest. Destijds is hier onvoldoende aandacht voor geweest.
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van Adobe Analytics was niet in lijn met de geldende ePrivacy-regels en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze functionaliteit is dan ook uitgezet.
Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken (zie vraag 6). Daarom zijn de grondslag en de noodzakelijkheid niet beoordeeld. Als wij nu beoordelen welke gegevens zijn gedeeld, zijn wij van mening dat het niet noodzakelijk is om al deze gegevens te verwerken. De verwerking is dan ook gestopt. Bij het opnieuw inrichten van websiteanalytics zal de Belastingdienst de grondslag beoordelen en de noodzakelijkheidstoets uitvoeren.
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
De inrichting voldeed niet aan de geldende ePrivacy-regels. Gelet op het gebruik van tracking-cookies met een bewaartermijn van twee jaar en de aard en omvang van de verzamelde gegevens had toestemming gevraagd moeten worden.
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
De feitelijke verwerking sloot niet aan bij de cookieverklaring en de privacyverklaring. De betreffende functionaliteit is dan ook uitgezet.
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 6 en 7. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Hierdoor is er ook geen DPIA uitgevoerd. De Belastingdienst gaat evalueren of er op basis van de nieuwe inrichting van webanalytics nog een DPIA nodig is en zal, indien blijkt dat er een DPIA uitgevoerd moet worden, de CPO en Functionaris Gegevensbescherming betrekken conform standaardprocedure.
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bij het opnieuw inrichten van de websiteanalytics zal conform standaardprocedure, indien nodig (zie vraag 10), een DPIA en/of een risico-inschatting, gemaakt worden. Dit is randvoorwaardelijk voor het in gebruik nemen van websiteanalytics. Alle risico’s die hier een rol spelen, inclusief bovenstaande punten, worden meegenomen. Hierbij zal in het bijzonder aandacht zijn voor de inzet van analytics en de daarvoor benodigde persoonsgegevens.
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De verwerking is stopgezet en wordt pas opnieuw opgestart nadat de rechtmatigheid en proportionaliteit zijn beoordeeld en passend zijn geborgd. Daarbij zal eerst een DPIA worden opgesteld en zullen verwerkersafspraken, waaronder een verwerkersovereenkomst, worden vastgesteld.
De positie van vrouwenrechten en reproductieve rechten binnen het kabinet |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «SGP eist lagere abortuscijfers in ruil voor steun aan kabinetsplannen»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de oproep om de afschaffing van de verplichte bedenktijd bij abortuszorg en de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven, terug te draaien? Deelt u de mening dat dergelijke stappen een inperking zouden zijn van de lichamelijke autonomie van vrouwen?
Het kabinet staat pal voor kwalitatieve en toegankelijke abortuszorg. De abortuszorg die abortusartsen en huisartsen bieden – zonder verplichte minimale beraadtermijn voor vrouwen – is zorgvuldig en van hoge kwaliteit. Dat is een groot goed. Het kabinet is niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Kunt u toezeggen dat u als Minister geen stappen zult zetten die de reproductieve rechten en rechten van vrouwen inperken, zoals het terugbrengen van de verplichte bedenktijd en het afschaffen van de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Vindt u dat het verlagen van het abortuscijfer een doel op zich moet zijn, zoals de SGP in het artikel stelt? Of deelt u de mening van de indiener dat toegang tot kwalitatieve en veilige abortuszorg het hoofddoel moet zijn?
Voor het kabinet staan niet het aantal zwangerschapsafbrekingen, maar de zorgvuldigheid, kwaliteit en toegankelijkheid van abortuszorg centraal. Het is voor het kabinet geen doel op zich om het aantal abortussen te verlagen. Het kabinetsbeleid richt zich op het behouden van goede en toegankelijke abortuszorg
en op het versterken van de regie van mensen op hun kinderwens. In de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap staan verschillende activiteiten om deze regie te versterken.2
In hoeverre bent u bereid mee te gaan met de bezwaren van conservatieve partijen die ten kosten gaan van reproductieve rechten en waar trekt u de grens?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het kabinet niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg over het VWS jaarverslag, d.d. 25 juni 2026?
Ja.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Een groot deel van deze uitgaven zijn gerelateerd aan de versterkingsoperatie. Deze operatie blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven voor de versterkingsoperatie zijn in de ontwerpbegroting 2025 nog gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028, maar die planning is gedurende de uitvoering van de begroting verschoven. Dit verklaart grotendeels de geconstateerde afwijking.
Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen hiervoor. Middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Ja. Ik begrijp goed dat dit tot frustratie en onzekerheid leidt. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Uit het verleden blijkt dat gehaaste besluiten vaak leiden tot vertraging. Daarom zet ik de koers voort om snelheid en kwaliteit meer in balans te brengen. Op deze manier kan ik voor bewoners ook een positieve bijdrage leveren in een voor hen ingrijpend proces zoals bijvoorbeeld door de woningen tegelijkertijd met de versterking te verduurzamen.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) raamt jaarlijks hoeveel aanvragen worden verwacht en voor welke regeling bewoners daarbij kiezen. Ik volg deze raming in mijn begroting. Met de nieuwe regelingen sinds Nij Begun is gebleken dat de praktijk behoorlijk kan afwijken van de raming. Het feit dat er minder geld is uitgegeven, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. In zoverre vind ik deze onderbesteding dan ook niet problematisch. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niks aan af.
Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is voor het voorkomen van mijnbouwschade dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geïnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen1.
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Zie antwoord vraag 3.
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
Ik begrijp goed dat het lange wachten problematisch is. Niet alleen aan de Schipsloot maar ook elders in het gebied. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 2 niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Daarom bouw ik voort op de ingezette koers om meer balans aan te brengen tussen snelheid en kwaliteit in de versterking.
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik ben bekend met het signaal dat bewoners menen dat er sprake is van fouten in de brief. Dat beeld herken ik niet. Op basis van signalen die tijdens Kamerdebatten naar voren kwamen is mijn voorganger ingegaan op de uitnodiging van de bewoners voor een «bewonersreis». Hierbij heeft hij ook uitvoerig met de bewoners gesproken. Op 22 juni heb ik samen met de regeringscommissaris een bezoek gebracht aan Schipsloot. In de gesprekken daar is mij ook duidelijk geworden hoe complex te situatie is. Verder loopt de communicatie met bewoners in eerste instantie via de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de gemeente.
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De indeling in clusters was bedoeld om de omvangrijke complexe opgave van de versterking uitvoerbaar te maken door groepen woningen met soortgelijke maatregelen in een gebied in één cluster onder te brengen. De indeling van de clusters was gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. De clusterindeling betekent niet automatisch dat dit leidt tot dezelfde maatregelen voor alle adressen die op dat moment in één cluster zijn ondergebracht.
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
De clusterindeling van NCG waarnaar wordt verwezen is niet gebaseerd op de bestuurlijke afspraken. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven is deze clusterindeling van NCG bedoeld om werkzaamheden op een goede manier te kunnen combineren en overzichtelijk te houden. Het voorkomen van verschillen is dus geen doel van deze clusterindeling.
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
Met de zinsnede uit de brief dat het proces «ongewijzigd kon doorlopen» is bedoeld dat de versterking aan Schipsloot niet langer werd gekoppeld aan de Middenstraat, juist omdat de uit te werken stappen aan de Middenstraat gingen afwijken in verband met sloop-nieuwbouw. Hierdoor kon het versterkingsproces aan de Schipsloot ongewijzigd doorlopen. Onderdeel van dat proces was dat de versterkingsadviezen inclusief kostenberekeningen moesten worden afgerond. Deze zijn inmiddels gecontroleerd en zijn aan bewoners van de Schipsloot aangeboden. Er vindt binnenkort een bewonersavond plaats over het vervolg.
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Bij de scenario-afweging per woning wordt bepaald of versterking of sloop-nieuwbouw aan de orde is. Dit gebeurt op basis van de kostenraming behorende bij het versterkingsadvies. Wat vervolgens mogelijk is, is onder andere afhankelijk van de marktwaarde van de huidige woning (zonder grond), de kosten voor uitvoeren van het versterkingsadvies en de kostennieuwbouw met bijkomende kosten. De scenario afweging is daarmee iets anders, dan het toepassen van de routekaart voor verschillen. Bij toepassing van de routekaart wordt op basis van de individuele scenario-afwegingen beoordeeld of er sprake is van onaanvaardbare verschillen tussen bewoners waarbij dempende maatregelen nodig zijn.
Deze werkwijze is ook gehanteerd in de Middenstraat. De scenario-afweging in de Middenstraat leidde in relatief veel situaties alsnog tot sloop/nieuwbouw. Vervolgens is op basis van de verschillen die daardoor ontstonden alsnog besloten om ook in de overige situaties sloop/nieuwbouw aan te bieden, ook als voor die woningen versterking uit de individuele scenario-afweging volgde. Zoals aangegeven zijn de versterkingsadviezen met de kostenraming nu ook beschikbaar voor de Schipsloot. Op basis daarvan zal ook daar op individueel niveau een scenario-afweging worden gemaakt. Vervolgens wordt ook voor de Schipsloot na de scenario-afweging beoordeeld of de uitkomsten aanleiding geven om tot aanvullende maatregelen te komen om verschillen te overbruggen. Hiermee wordt hetzelfde proces gevolgd als bij de Middenstraat.
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Nee, de wijze van het doorlopen van de routekaart komt overeen met de beschreven werkwijze in de Kamerbrief. Wel is het zo dat de communicatie met de bewoners uit de Schipsloot hierover niet goed is gegaan. Dat heeft NCG erkend. NCG heeft hiervoor excuses aangeboden aan de bewoners.
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Voor de bewoners in de Schipsloot wordt hetzelfde proces gevolgd als in de Middenstraat. Hiermee kom ik de afspraken na. Ik begrijp ook goed dat bewoners snel duidelijkheid willen hebben. Het doorlopen van de verschillende stappen heeft echter ook tijd nodig. Ik acht het van belang dat NCG bewoners daar goed in meeneemt, bewoners serieus neemt en knelpunten proactief oplost. Indien dat niet gebeurt dan spreek ik NCG daar op aan.
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Zie antwoord vraag 13.
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Contact met huurders loopt via de eigenaar van de woning als aanspreekpunt voor de versterking. NCG heeft hierover overleg met de woningcorporaties. Met de woningbouwcorporatie is afgesproken dat zij de huurders informeren over de aanpak van verschillen in de straat. Mocht daarover onduidelijkheid zijn bij bewoners dan kunnen zij contact opnemen met de woningbouwcorporatie. Dit is ook zo gegaan bij de Middenstraat.
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Alle huurders horen tijdig en juist geïnformeerd te worden. Hiervoor is de verhuurder primair verantwoordelijk. NCG communiceert met de verhuurder van het gebouw, die weer met de huurder communiceert. Als het gaat om huurwoningen die behoren tot een woningcorporatie, neemt de desbetreffende woningcorporatie contact op met huurder. Dit gaat meestal goed, maar er is ruimte voor verbetering. In dit kader hebben de woningcorporaties de afgelopen periode stappen gezet om hun huurders goed te informeren. Zo communiceren de woningcorporaties juist per straat en/of blok om rust en duidelijkheid te creëren. Ook communiceert de gemeente met alle bewoners als er door de versterking verandering optreedt in hun buurt. Verder spreken corporaties regelmatig met Stut en Steun en Huurdersplatform Aardbevingen Groningen over hoe huurders goed te informeren.
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Het kabinet streeft in lijn met Nij Begun naar gelijkwaardige vergoedingen voor eigenaren en huurders. Daarom werk ik samen met de uitvoeringsorganisaties aan de uitvoering van maatregelen voor vergoeding aan huurders. Voor wat betreft de schadeafhandeling door het IMG zijn de aangekondigde aanpassingen met betrekking tot huurders reeds geïmplementeerd: sinds september 2025 beoordeelt het IMG bijvoorbeeld aanvragen voor de immateriële schadevergoeding van niet-woningeigenaren waaronder huurders en eigenaren op dezelfde manier.
Voor wat betreft de versterking door de NCG geldt dat voor veruit de meeste huurders de vergoedingen waar zij recht op hebben nu geregeld zijn. In het geval van sociale huurders lopen deze vergoedingen via de woningcorporaties, die daarvoor budget ontvangen van NCG. Bij huurders van private eigenaren loopt dit via de verhuurder of de NCG.
Er zijn nog enkele specifieke groepen huurders voor wie nog niet alle vergoedingen geregeld zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om huurders in de batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid. Op basis van een recente overeenkomst tussen het Rijk en de betrokken gemeenten krijgen ook deze huurders recht op verschillende vergoedingen. Hierover ontvangen deze huurders binnenkort meer informatie vanuit de gemeenten en/of de NCG, afhankelijk van de vergoedingen waar zij recht op hebben.
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 18.
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Om de aanpak van de sloopnieuwbouw van de ruim 300 woningen in Hart van Opwierde uitvoerbaar te houden is de uitvoering in 3 clusters van ongeveer 100 woningen opgedeeld. Nog niet op iedere plek zijn de werkzaamheden gestart. Cluster 1 is inmiddels afgerond en cluster 2 is van start gegaan. In cluster 3 is inmiddels ook al een deel van de woningen gesloopt. NCG is met de laatste bewoners in gesprek om akkoord te krijgen op de uitvoeringsovereenkomst voor hun woning. Als dat is afgerond en de versterkingsbesluiten definitief zijn, kan ook daar met de sloop en bouwwerkzaamheden worden gestart. De genoemde onzekerheid heeft hier betrekking op het proces van uitvoering van het nieuwbouwplan en niet meer, zoals aan Schipsloot, op de uitkomst van de versterkingsadviezen en de maatregelen die daarbij horen. Om die onzekerheid zoveel mogelijk weg te nemen houdt NCG regelmatig bewonersavonden waar planningen worden gedeeld. Ook voert NCG zogenaamde individuele en tevens blokgesprekken gesprekken. Op deze manier worden bewoners zo goed mogelijk meegenomen in deze ingrijpende operatie van deze buurt.
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners zich soms machteloos voelen. Ik kan echter niet ingaan op individuele gevallen. NCG zet zich er voor in voorspelbaar te zijn, zorgvuldig te werken en oog te houden voor wat bewoners echt nodig hebben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit nog niet altijd even goed gaat. Om snel knelpunten op te kunnen lossen is het mandaat laag belegd in de organisatie. Ook in de communicatie richting bewoners worden verbeteringen aangebracht. Bijvoorbeeld door gespreksverslagen te maken en deze ter goedkeuring voor te leggen aan bewoners. In dit soort situaties kan het bewoners helpen om een onafhankelijk adviseur in de arm te nemen. Voor de inhuur van deze adviseurs is een vergoeding beschikbaar.
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
Zie antwoord vraag 21.
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
De NCG heeft na de publicatie van het bewonerstevredenheidrapport in 2025 ingezet op het verbeteren van de communicatie. De eerste stappen daarin worden nu zichtbaar. Zo zijn brieven die gestuurd worden actief gecontroleerd en aangepast op begrijpelijkheid. Daarnaast worden bewoners gedurende het versterkingsproces beter op de hoogte gehouden van de voortgang en worden gespreksverslagen ter goedkeuring aan de bewoner aangeboden. Tot slot wordt ook gekeken naar een betere en structurele verspreiding van informatiefolders en lopen er initiatieven om uniformer naar bewoners te communiceren. Daarnaast loopt op dit moment een proef met kort cyclisch meten en sturen, waarbij regelmatiger op adresniveau gemeten wordt hoe de bewoner de dienstverlening van NCG beoordeelt. Op basis hiervan kan gerichter verbeterd worden, zowel op adresniveau gedurende het versterkingsproces als ook andere verbeteringen. Ook doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) in het advies over de beoordelingsrapporten gerichte aanbevelingen om de communicatie met bewoners te verbeteren. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op.
Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 2. Juist daarom is de ervaring van bewoners in de dagelijkse praktijk voor mij leidend in de maatregelen die ik met NCG neem. Mijn inzet is om de versterking niet alleen technisch zorgvuldig uit te voeren, maar ook begrijpelijker, voorspelbaarder en betrouwbaarder te maken. Hier moeten nog stappen in gezet worden. Dit blijkt ook uit het advies van de ACVG over de beoordelingsrapporten. Dit advies bevat aanbevelingen die gericht zijn op het verbeteren van het vertrouwen. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op. Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Nee, die signalen herken ik niet. Een wisselwoning is tijdelijk en zal natuurlijk nooit als thuis voelen voor een bewoner. Er zijn wel verschillen tussen wisselwoningen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften en persoonlijke situatie van bewoners levert NCG maatwerk bij wisselwoningen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen en huisdieren Hierdoor kunnen er uitlegbare verschillen zijn tussen bewoners. Indien bewoners niet tevreden zijn over hun tijdelijke huisvesting, kunnen zij daarover in gesprek met NCG.
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Zie antwoord vraag 26.
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Elk noodsignaal van een gedupeerde die vastloopt is er een te veel. Het komen tot een oplossing in situaties die bij de vangnetten voorliggen, is vaak een langdurig proces. Bij deze situaties is veelal sprake van een opeenstapeling van vaak complexe (persoonlijke) omstandigheden. In samenwerking met betrokken partijen en de bewoner wordt gezocht naar een totaaloplossing. Dit maakt dat de oplossing en daarmee ook de kosten per situatie heel verschillend en van te voren niet goed te voorspellen zijn. Daar bijkomend worden gemaakte kosten ook via de reguliere budgetten van de NCG en het IMG gedekt. Indien nodig worden op advies van het Interventieteam Vastgelopen Situaties en/of de Commissie Bijzondere Situaties middelen uit de knelpuntenpot bijgelegd. Bovenstaande maakt dat de uitgaven kunnen afwijken van de begroting.
Bovenstaande geldt ook voor de inzet van de knelpuntenregeling die het IMG specifiek tot zijn beschikking heeft om unieke en schrijnende situaties op te lossen wanneer de wettelijke kaders daar onvoldoende ruimte voor bieden. De uitgaven voor de verschillende vangnetten en de knelpuntenregeling van het IMG zijn dus geen geschikte indicatie voor het aantal opgeloste situaties en de voortgang op het gebied van complexe casuïstiek.
IMG en NCG hebben het afgelopen jaar verdere stappen gezet om de langlopende en complexe casuïstiek verder in beeld te brengen en lossen deze met prioriteit op. Het hiervoor benodigde budget is beschikbaar en wordt benut.
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Zie antwoord vraag 28.
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Het Interventieteam (IVS) zoekt naar duurzame totaaloplossingen, elke casus is specifiek en vraagt een maatwerkaanpak. Het kost tijd om de problematiek goed in beeld te brengen en vraagt soms ook aanvullende deskundigheid of onderzoek. Ook is het van belang om nauw overleg te voeren met gedupeerden en betrokken instanties. Feit blijft dat het bieden van perspectief vaak ingewikkeld is en veel tijd kost, juist bij deze complexe casuïstiek. Dat beloftes niet worden nagekomen herken ik niet. Een zorgvuldig proces zoals hierboven beschreven vanuit IVS of CBS, zorgt er juist voor dat afspraken worden nagekomen.
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Dit beeld herken ik niet. Zowel IMG als NCG gaan soepel om met de termijnen als een bewoner aangeeft extra tijd nodig te hebben. Hierom heb ik de motie van het lid Beckerman c.s. (33 529, 1303) die mede hiertoe oproept ook Oordeel Kamer gegeven.
Het IMG heeft voorafgaand aan Nij Begun zijn beleid inzake de omgang met termijnen versoepeld. Wanneer bewoners bijvoorbeeld meer tijd nodig hebben voor het indienen van een zienswijze op een adviesrapport, kunnen zij daarvoor 4 weken extra krijgen. Bewoners krijgen verder twee keer zoveel tijd als wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar in te dienen, namelijk 12 in plaats van 6 weken. Ook is het mogelijk binnen die termijn een pro forma bezwaar in te dienen, waarin de bewoner kan aangeven meer tijd nodig te hebben voor het bezwaarschrift. De bewoner wordt dus op verschillende momenten extra tijd geboden. Los van bovenstaande: als een bewoner aangeeft nog extra tijd nodig te hebben, dan staat het IMG hier welwillend tegenover.
Ook NCG gaat soepel om met beslistermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben, ook als de formele bezwaartermijn al voorbij is.
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
De versterkingsoperatie blijft een complex proces, waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. Zo ook bij versterking in eigen beheer. De geraamde uitgaven van de versterkingsoperatie in de ontwerpbegroting 2025 zijn gebaseerd op een einddatum van 2028, maar die planning is in het uitvoeringsjaar van de begroting aangepast. Dit verklaart grotendeels de afwijking. Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen, middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
Ja. Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners juist in een langdurig en ingrijpend traject behoefte hebben aan regie. Daarom kan iedere bewoner de versterking onder eigen regie laten uitvoeren, mits aan de voorwaarden uit de Tijdelijke wet Groningen wordt voldaan. Wel is het zo dat aan het eind van iedere fase van bewoners wordt verwacht dat zij aan NCG informatie aanleveren, zodat NCG kan beoordelen of die fase is uitgevoerd conform de eisen die NCG stelt op basis van de TwG. Dit is noodzakelijk, omdat bewoners altijd moeten kunnen terugvallen op NCG als de bewoner de versterking niet meer in eigen regie wil uitvoeren. De versterking blijft een veiligheidsoperatie. Ook wanneer bewoners kiezen voor versterken in eigen beheer, blijft NCG verantwoordelijk om te toetsen of de versterking is uitgevoerd conform het vastgestelde uitvoeringsontwerp en daarmee ook voldoet aan de veiligheidsnorm.
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
Zie antwoord vraag 33.
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
De Staat van het kerngebied maakt duidelijk dat bewoners met schade in het «kerngebied», nog te weinig merken van de veranderingen in de schadeafhandeling en versterking. Het rapport geeft meer onderbouwing voor de regionale verschillen die ook in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe zijn gesignaleerd over de tevredenheid over de schadeafhandeling en versterking. Zoals blijkt uit verschillende onderzoeken zijn de tevredenheidscijfers over de schadeafhandeling gemiddeld genomen toegenomen, maar bestaan er ook substantiële verschillen in ervaringen van bewoners. Daarbij is de waardering van de uitvoering van de versterkingsoperatie nog steeds laag. Ook speelt de versterking bijna volledig in het kerngebied af waarbij sprake is van een lage bewonerstevredenheid. Ik kan me dan ook goed vinden in het leggen van focus op de zwaarst gedupeerden. Het IMG en de NCG besteden daarom ook extra aandacht aan inwoners van dit gebied. Zo zijn er verschillende gezamenlijke steunpunten van IMG en NCG in het versterkingsgebied, waar inwoners met hun vragen terecht kunnen.
Daarnaast wil het IMG voor het eind van dit jaar ervoor zorgen dat alle mensen met een langlopend fysiek schadedossier een keuze kunnen maken voor herstel of een vergoeding. Waar nodig zet het IMG daar ook extra capaciteit voor in. Ook de vaste herhaalvergoeding, waarmee na nieuwe bevingen nieuwe schades snel en makkelijk met een vast bedrag kunnen worden vergoed, kan in dit gebied een verschil maken. Daarnaast begint het IMG later dit jaar met het proactief benaderen van stille gedupeerden. Dat zijn inwoners die nog geen gebruik hebben gemaakt van schaderegelingen terwijl zij hier wél recht op hebben. Aanvullend gaat het IMG ook gedupeerden proactief benaderen die eerder wel een aanvraag hebben gedaan, maar mogelijke (nieuwe) schade niet hebben gemeld, terwijl zij waarschijnlijk wel (weer) geholpen kunnen worden. Met name in het gebied waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden, kan deze proactieve aanpak een verschil maken voor de zwaarst gedupeerden. Ook de NCG geeft prioriteit aan de zwaarst gedupeerden binnen de versterking. De NCG heeft hiervoor eerder dit jaar de meest complexe en langlopende casussen in kaart gebracht om voor die adressen met voorrang te komen tot een oplossingsrichting, en daarover het gesprek aan te gaan met de bewoners.
In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe zal ik ook ingaan op de situatie van inwoners in dit gebied met de grootste problematiek en de daarvoor benodigde verbeteracties. U ontvangt deze kabinetsreactie in juli.
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 35.
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Eerder is door mijn voorgangers vastgesteld dat een volledige herbeoordeling van alle individuele NAM- en CVW-schadedossiers niet uitvoerbaar is. Het gaat om bijna 100.000 schademeldingen waarbij dossiers vaak onvolledig zijn en uniforme beoordelingscriteria ontbreken. Het vorige kabinet heeft daarom in 2025 een werkwijze gepresenteerd met oplossingen die wel voor handen zijn voor oude NAM/CVW-schades. Deze werkwijze voorziet deels in een generieke aanpak en deels in een aanpak op maat.
Met de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) kunnen bewoners in het effectgebied hun eerdere schadevergoeding onder voorwaarden door het IMG laten aanvullen tot € 10.000 per adres. Inmiddels is deze vergoeding aan ruim 47.000 bewoners toegekend. Hierbij gaat het naast aanvullingen op eerder door de NAM en CVW afgehandelde schades ook om aanvullingen op eerdere schadevergoedingen van de voorganger van IMG, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, en het IMG zelf. De AVV regeling zal in de toekomst ook aan oud-eigenaren worden aangeboden en biedt voor veel bewoners een praktische oplossing voor verschillen die in het verleden zijn ontstaan.
Daarnaast is er voor een groep bewoners met schrijnende schadeproblematiek voor wie de AVV onvoldoende oplossing biedt een aanpak op maat ingericht. Voorafgaand hieraan is verkend wat de aard en omvang is van deze groep door gesprekken met de regio, maatschappelijke organisaties en de uitvoeringsorganisaties. Hiervoor zijn casussen aangedragen, waaruit het beeld naar voren is gekomen dat het om een zeer beperkte groep gaat. Tegelijkertijd kan op basis van de aangeleverde casussen niet met zekerheid worden vastgesteld dat hiermee alle situaties in beeld zijn. Daarom blijft het voor gemeenten, IMG en NCG mogelijk om nieuwe casussen aan te dragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS). De bewoners met oude NAM- of CVW-schades die te maken hebben met schrijnende en voortdurende problematiek kunnen in ieder geval terecht bij het IVS. Het IVS kan integrale oplossingen bieden, zoals herstelplannen, sloop/nieuwbouw of financiële ondersteuning. Momenteel is één dergelijke casus in behandeling genomen door het IVS. Er is met de eigenaren overeenstemming over de oplossingsrichting die nu wordt uitgewerkt en het IVS voorziet geen knelpunten bij de uitvoering.
Er zijn ook bewoners die nog verwikkeld zijn in procedures met de NAM. Hierover is met de NAM contact geweest. Het betreft onder meer bewoners die met de NAM een schadevergoeding zijn overeengekomen, maar deze nog niet (geheel) hebben ontvangen omdat door de bewoners volgens NAM nog niet is voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De NAM heeft deze bewoners aangeboden om alsnog de (resterende) vergoeding uit te keren.
Daarnaast zijn er nog 19 lopende rechtszaken tussen de NAM en bewoners of ondernemers. De NAM heeft aangegeven mee te willen denken over afronding, maar geeft aan dat het veelal omvangrijke claims betreft waarbij partijen ver uit elkaar liggen.
Los van de bovenstaande werkwijze kan het Team op Maat van het IMG in het kader van de knelpuntenregeling onder bepaalde voorwaarden óók casuïstiek in behandeling nemen waarbij sprake is van eerder behandelde NAM- of CVW schades om te komen tot een passende totaaloplossing.
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Zie antwoord vraag 37.
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
Het IMG vraagt bij de verschillende schaderegelingen naar de waardering daarvan door de aanvrager. Dit doorlopende onderzoek, waarvan de resultaten jaarlijks worden gepubliceerd in de Bouwen aan Herstel monitor, laat zien dat de Aanvullende Vaste Vergoeding in 2025 gemiddeld gewaardeerd werd met een 8,3. De tevredenheid over de werkwijze van het Interventieteam Vastgelopen Situaties wordt niet separaat gemeten.
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
In de Kamerbrief van 12 september 2025 staat dat een substantieel deel van de groep met oude NAM/CVW-schade geholpen kan worden met de AVV en, onder bepaalde voorwaarden, met regelingen als duurzaam herstel en daadwerkelijk herstel van het IMG. Zoals in het antwoord op vragen 37 en 38 is aangeven is er een zeer beperkte groep die niet geholpen is met deze regelingen, omdat sprake is van schrijnende en complexe schadeproblematiek waarvoor specifieke ondersteuning en een totaaloplossing nodig is. Met de regionale partijen, het IMG en de NCG is afgesproken dat zij gedupeerden met deze problematiek aandragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties, die deze situaties beoordeelt en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende oplossing.
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het koopinstrument is een laatste redmiddel als bewoners hun woning niet meer tegen een «normale» prijs kunnen verkopen. Nadat bewoners voldoen aan de voorwaarden van het Koopinstrument krijgen de eigenaren inderdaad een bod van 95% van de taxatiewaarde. De gedachte daarachter is dat dit bod aanzienlijk hoger is dan de waarde van de woning en dat het instrument als zodanig niet de markt mag verstoren. Bovendien is het Koopinstrument destijds ook ontwikkeld gezamenlijk met de waardedalingsregeling van IMG die complementair aan elkaar zijn.
Bovenstaande geldt al sinds het begin van het koopinstrument en het percentage is sindsdien niet veranderd. Er is dus geen sprake van een ongelijke behandeling tussen bewoners die gebruik hebben gemaakt van deze regeling.
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen 1,3, 4 en 29 heb aangegeven, duidt een lagere besteding niet in alle gevallen op problemen of schrijnende situaties. Dat laat onverlet dat ik ook zie dat er nog te veel mensen zijn met langlopende dossiers en dat het hier soms om heel schrijnende situaties gaat. Ik heb op 22 juni jl. een bezoek gebracht aan bewoners van de Schipsloot en heb toen ook gesproken over de ervaringen en frustraties van bewoners. Hier was ook regeringscommissaris Henk Nijboer bij aanwezig. Hij is door het kabinet aangesteld om partijen in de regio bij elkaar te brengen en om mij te adviseren over het wegnemen van knelpunten die voortgang van de versterking en schadeafhandeling belemmeren.
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
Ja, ik herken dit risico. De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek heeft gedaan naar de gaswinning in Groningen heeft daarom ook expliciet geadviseerd om samen mét Groningers in dialoog te treden over hoe de ereschuld wordt ingelost. Hier geeft het kabinet op verschillende manieren invulling aan. Zo hebben honderden inwoners meegedacht over de uitwerking van de Sociale Agenda, worden doorlopend initiatieven genomen om jongeren te betrekken, hebben IMG en NCG een burgerpanel en bewonersadviesraad ingesteld, en is in het PEGA-wetsvoorstel vastgelegd dat de conclusies en aanbevelingen uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe expliciet met inwoners worden besproken. Vorige maand hebben bijvoorbeeld 152 gesprekken plaatsgevonden met inwoners in Loppersum, Delfzijl, Appingedam, Winsum, Uithuizen, Ten Boer, Veendam, Winschoten en Paterswolde naar aanleiding van het verschijnen van de Staat van Groningen & Noord-Drenthe 2026. In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe kom ik terug op deze gesprekken.
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Ik ben het hiermee eens. Cijfers uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe die ik u vorige maand heb toegestuurd, laten zien dat het vertrouwen in de overheid van Groningers en Noord-Drenten al lange tijd gemiddeld genomen lager is dan in de rest van Nederland.10 Vertrouwen keert niet van de ene op de andere dag terug. De hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe vordert weliswaar gestaag, maar doet een groot beroep op het geduld, de flexibiliteit en het incasseringsvermogen van mensen. Dat vraagt om een overheid die oog heeft voor wat schade en versterking met mensen doet, en geen onrealistische verwachtingen wekt. Laagdrempelig contact is daarbij cruciaal. Zo investeren het IMG en de NCG in persoonlijk contact, bijvoorbeeld met fysieke steunpunten in bibliotheken en dorpshuizen, en met individuele toelichtingen op schadebesluiten of versterkingsadviezen. Uiteindelijk zal het vertrouwen van mensen vooral moeten verbeteren door concrete resultaten: veilige, verduurzaamde huizen en herstelde schade. Om dit doel te helpen bereiken, heeft het kabinet Henk Nijboer aangesteld als regeringscommissaris. Hij zal volop in de regio zijn om de samenwerking tussen partijen te bevorderen, en zichtbaar en aanspreekbaar te zijn voor inwoners, maatschappelijke partijen, medeoverheden en andere betrokkenen. Hij kan mij daarover gevraagd en ongevraagd van advies voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Ja.
Het bericht dat het Rijk al maanden wist dat ze het dorp Moerdijk weg wilden hebben |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert , Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat nog voordat met de bewoners van Moerdijk gesproken is het ministerie al de conclusie had getrokken dat het dorp Moerdijk weg moest?1
Ambtelijke uitwerking van verschillende opties en advisering daarop in verschillende fases van het besluitvormingsproces zijn gebruikelijk en gaan vooraf aan een uiteindelijk besluit van het kabinet in samenwerking met betrokken medeoverheden.
Het kabinet heeft niet de conclusie getrokken dat het dorp Moerdijk weg moet. Het kabinet is voornemens om een gezamenlijk besluit met de provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk te nemen over de ontwikkelrichting voor het haven- en industriecluster Moerdijk en de toekomst van het dorp Moerdijk. Verkenningen en onderzoeken maken onderdeel uit van besluitvormingstrajecten, maar zijn daarbij nadrukkelijk geen beslissingen. Het uitgangspunt is te allen tijde geweest dat beslissingen zoveel mogelijk voortkomen uit draagvlak en goed overleg met bewoners en bestuurders. Daarbij hebben de betrokken bewindspersonen lopend contact met de bewoners van het dorp Moerdijk. De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei is meerdere keren in gesprek gegaan met bewoners. Het eerste gesprek heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden met de dorpstafel van Moerdijk. De bewindspersonen uit het vorige kabinet zijn in januari 2025 op werkbezoek geweest in het dorp Moerdijk, waar zij ook met inwoners hebben gesproken.
Op welk moment precies zijn welke (concept) besluiten genomen en was informatie hierover beschikbaar en definitief? Kan dit verwerkt worden in een duidelijke tijdlijn met interne publicatie- en beslismomenten?
In het BO Leefomgeving van 6 september 20242 is afgesproken om gezamenlijk toe te werken naar een globaal beoogd programma voor een houdbaar toekomstperspectief voor de Powerport regio Moerdijk. Na dit besluit werken het kabinet en regio gezamenlijk aan een integraal gebiedsgericht toekomstperspectief. Parallel lieten eerste ruimtelijke verkenningen zien dat de ruimtebehoefte van energie-infrastructuur, circulaire economie en goederenvervoer het ruimteaanbod binnen de hekken van het bestaande haven- en industriecluster Moerdijk en het Amerterrein ver overstijgt. Daarom werd de verkenning verbreed naar het vinden van ruimte «buiten de hekken» van de bestaande terreinen op drie schaalniveaus: lokaal, regionaal en nationaal.
In het BO Leefomgeving van 11 juni 20253 is door het kabinet en regio geconstateerd dat de ruimtevraag van de Powerport regio Moerdijk ook bij een minimaal pakket van onafwendbare en zeer aannemelijke ontwikkelingen niet past binnen de bestaande (milieu)ruimte van het haven- en industrieterrein van Moerdijk en Amercentrale-terrein in Geertruidenberg. Toen is ook besloten om – naast maximale inzet op inbreiding en herstructurering – het haven- en industriecluster van Moerdijk en het Amercentrale-terrein in Geertruidenberg strategisch uit te breiden. Voor Moerdijk worden twee ontwikkelrichtingen verkend: in oostelijke en zuidoostelijke richting t.o.v. het haven- en industriecluster Moerdijk.
In het BO Powerport regio Moerdijk van 1 december 20254 is geen besluit genomen over de ontwikkelrichting (oost of zuidoost) voor Moerdijk. Het kabinet en regio hebben afgesproken een gezamenlijke voorkeur voor een ontwikkelrichting uit te spreken eind juni 2026. Alleen de gemeente Moerdijk heeft haar voorkeur uitgesproken op 1 december 2025. Het kabinet en de provincie Noord-Brabant hebben die voorkeur nog niet uitgesproken.
Waarom is deze informatie niet eerder met het dorp gedeeld?
Er is nog geen besluit genomen over de toekomst van het dorp Moerdijk. Het kabinet is nog met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant in gesprek over de toekomst van het dorp en de uitbreiding van het haven- en industriecluster. Ook zijn het kabinet, de gemeente en de provincie in gesprek met inwoners van het dorp over hun zorgen en het proces tot aan besluitvorming.
De informatie die openbaar gemaakt kon worden is gedeeld met de gemeenteraad en provinciale staten. Deze informatie is terug te vinden op de website van de gemeente Moerdijk5 en provincie Noord-Brabant6.
Ziet u in dat hiermee ten onrechte de indruk is gewekt dat bewoners zeggenschap hebben in dit proces? Wat denkt u dat hiervan het gevolg is voor het vertrouwen van mensen in de overheid?
Het kabinet is zich ervan bewust dat een besluit over de toekomst van het dorp Moerdijk en de omliggende regio veel impact heeft op inwoners en ondernemers uit de regio. Het kabinet neemt dit besluit daarom niet lichtvaardig en blijft in gesprek met gemeente, provincie, inwoners en ondernemers uit de regio.
Waarom is deze informatie niet eerder met de Kamer gedeeld ondanks herhaalde informatieverzoeken en duidelijke aandacht van het parlement?
Zie antwoord op vraag 3, er is nog geen besluit genomen. Het kabinet heeft de afgelopen periode informatie gedeeld met de Tweede Kamer via Kamerbrieven en de beantwoording van Kamervragen7 8 9 10. De Kamerbrieven met betrekking op Moerdijk staan genoemd bij het antwoord op vraag 2.
Gaat u alle beschikbare informatie met het parlement delen vóór het debat over het dorp Moerdijk?
Zie antwoord op vraag 5, het kabinet heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over het proces afgelopen periode en de informatie die daaraan ten grondslag heeft gelegen.
Hoe reageert u op de stelling dat u het parlement en de bewoners van Moerdijk een valse voorstelling van zaken heeft gegeven?
Het kabinet en de regionale overheden hebben vorig jaar geparticipeerd met inwoners en ondernemers uit de regio over de twee scenario’s die op dat moment voorlagen. Participanten zijn meegenomen in de opgave zoals die toen voorlag en hebben kunnen aangeven welke randvoorwaarden zij belangrijk vinden bij een oostelijke of zuidoostelijke uitbreiding van het haven- en industriecluster. Deze participatieronde is afgerond in november 2025.
Na het BO Powerport regio Moerdijk van 1 december 2025 is gecommuniceerd dat er nog geen besluit genomen kon worden over de ontwikkelrichting voor Moerdijk. Het kabinet heeft recent met een Kamerbrief aangegeven meerdere scenario’s te willen verkennen, waarbij een minder ingrijpend scenario nadrukkelijker in beeld is gekomen. In dat scenario wordt gekeken naar een kleinere uitbreiding van het haven- en industriecluster Moerdijk waarbij ook het dorp Moerdijk kan blijven bestaan. Hierover is nog niet geparticipeerd met inwoners en ondernemers.
Kunt u deze vragen een voor een en uiterlijk voorafgaand aan het debat over het dorp Moerdijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat een huurder met twee koopappartementen in een sociale huurwoning mag blijven |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechter zet streep door ontruiming: man met twee koopappartementen mag in sociale huurwoning blijven»?1
Hoe beoordeelt u deze situatie waarin een huurder die eigenaar is van twee koopappartementen toch in zijn sociale huurwoning kan blijven wonen, terwijl honderdduizenden woningzoekenden jarenlang niet aanmerking komen voor een (sociale huur-) woning?
In hoeverre deelt u de opvatting dat sociale huurwoningen in de eerste plaats bedoeld zijn voor huishoudens die (financieel) niet in staat zijn zelfstandig in hun huisvesting te voorzien en dat het onwenselijk is dat personen met een substantieel vermogen een sociale huurwoning bezet houden? Zo nee, waarom niet?
Weet u hoeveel sociale huurwoningen worden bewoond door mensen die daarnaast eigenaar zijn van één of meerdere woningen of beschikken over vermogen dat ruim boven de nog in te voeren vermogensgrens ligt? Zo ja, hoe veel woningen zijn dit? Zo niet, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Klopt het dat woningcorporaties in dergelijke gevallen op dit moment slechts beperkt mogelijkheden hebben om een huurovereenkomst te beëindigen? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Wat is de stand van zaken van de in het coalitieakkoord aangekondigde invoering van de eenmalige vermogenstoets en de jaarlijkse inkomenstoets bij sociale huurwoningen? Indien sprake is van vertraging, wat is daarvan de oorzaak?
Bent u bereid in de toekomst een herhaaldelijke vermogenstoets te verkennen voor sociale huurders die na intrekking in de woning aanzienlijk vermogen opbouwen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te bezien of woningcorporaties een expliciete wettelijke grondslag kunnen krijgen om de huur te beëindigen indien een huurder beschikt over voldoende vermogen en daarmee redelijkerwijs zelf in zijn huisvesting kan voorzien?
Welke andere maatregelen acht u noodzakelijk om ervoor te zorgen dat sociale huurwoningen daadwerkelijk beschikbaar blijven voor huishoudens die daarop zijn aangewezen en niet worden bezet door mensen die over aanzienlijke vermogens beschikken?
Bent u bereid de Kamer vóór de begrotingsbehandeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te informeren over de voortgang van de invoering van de vermogenstoets en andere maatregelen om scheefwonen effectiever tegen te gaan?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Etkin Armut (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
Berichtgeving dat voormalig minister Brekelmans een operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Waarom geeft u wel een algemeen antwoord1 over het belang van de aanhouding van Jos Leijdekkers, maar weigert u in te gaan op de concrete beschuldigingen2 dat voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming over de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers?
Waarom beroept u zich op operationele vertrouwelijkheid om geen antwoord te geven op vragen over de politieke verantwoordelijkheid van voormalig Minister Brekelmans? Welk concreet operationeel of veiligheidsbelang wordt volgens u geschaad door te bevestigen of te ontkennen of voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden?
Deelt u de mening dat, indien voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden en daarmee zijn eigen belang boven het landsbelang heeft gesteld, de Kamer en de Nederlandse samenleving het recht hebben dit te weten? Zo nee, waarom niet?
Aangezien u deze vraag in de beantwoording van de eerdere Kamervragen onbeantwoord heeft gelaten, verzoek ik u nogmaals het volgende aan te geven: welke rol heeft voormalig Minister Brekelmans gespeeld bij de besluitvorming over de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers en heeft hij daarbij vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid bezwaar gemaakt tegen de uitvoering van die voorgenomen operatie?
De uitzending van Nieuwsuur 'Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?» over de opkomst van afslankmedicatie en de vraag of Nederland daarop is voorbereid?1
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de toegang tot afslankmedicatie de komende jaren vooral afhankelijk wordt van de portemonnee van patiënten, terwijl patiënten zonder voldoende financiële middelen kunnen uitwijken naar buitenlandse of schimmige websites?
Heeft u een concreet scenario klaarliggen voor de situatie waarin goedkope generieke varianten van GLP-1- en GLP-1/GIP-middelen op grote schaal online beschikbaar komen voor Nederlandse patiënten? Zo ja, wat houdt dat scenario in? Zo nee, waarom niet en wanneer komt dat er wel?
Welke inschatting maakt u van de huidige omvang van het gebruik van afslankmedicatie buiten de reguliere zorgkanalen, bijvoorbeeld via buitenlandse websites, online platforms of sociale media?
Welke prognoses heeft u over de verwachte groei van dit gebruik in 2026 en de jaren daarna, mede gelet op het vooruitzicht dat goedkopere varianten uit onder meer India en China beschikbaar komen?
Welke cijfers zijn beschikbaar over meldingen van verkeerd gebruik, bijwerkingen, vergiftigingen of ziekenhuisopnames door afslankmedicatie bij onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, Lareb, huisartsenposten en spoedeisende hulpafdelingen en kunt u deze cijfers uitsplitsen over 2023, 2024, 2025 en 2026 en daarbij waar mogelijk onderscheid maken tussen geregistreerde middelen, off-labelgebruik, online bestelde middelen, vermoedelijk vervalste middelen, zelf geïmporteerde middelen en middelen waarvan de herkomst onbekend is?
Klopt het dat het Zorginstituut Nederland nog bezig is met beoordelingen van nieuwe obesitasmedicatie, waaronder Wegovy en Mounjaro? Waarom moet dit proces zo lang duren, mede gelet op de snelle groei van de markt en het toenemende gebruik buiten de reguliere zorg?
Wanneer verwacht u de publicatie van de adviezen over Wegovy en Mounjaro voor de behandeling van obesitas? Bent u bereid het Zorginstituut te vragen deze publicatie te versnellen? Zo nee, waarom niet en welke afweging ligt daaraan ten grondslag?
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat het beleid in de praktijk neerkomt op afwachten, terwijl patiënten ondertussen zelf middelen bestellen, doseringen aanpassen of zonder begeleiding stoppen en opnieuw beginnen?
Hoe beoordeelt u het door emeritus hoogleraar Chris Mulder genoemde voorbeeld van een gecontroleerd model waarbij patiënten goedkope medicatie uit het buitenland kunnen bestellen, maar waarbij overheid, inspectie en laboratoria de betrouwbaarheid van middelen toetsen en artsen of apothekers het gebruik begeleiden?
Bent u bereid de juridische, medische en praktische haalbaarheid van zo’n gecontroleerd import- en testmodel voor afslankmedicatie te onderzoeken, inclusief de ruimte binnen Nederlandse en Europese geneesmiddelenwetgeving en binnen bijvoorbeeld het octrooirecht, de douaneregels en de regels voor persoonlijke import?
Indien u een dergelijk model niet mogelijk of niet wenselijk acht, kunt u precies aangeven welke wettelijke, Europese, medische of praktische belemmeringen daaraan in de weg staan?
Bent u bereid te onderzoeken of een lijst van betrouwbare buitenlandse fabrikanten of producten kan worden opgesteld, dan wel of batchgewijze kwaliteitscontrole mogelijk is, zodat patiënten niet volledig zijn overgeleverd aan schimmige websites?
Bent u bereid met huisartsen, apothekers, medisch specialisten en patiëntenorganisaties richtlijnen te ontwikkelen voor veilige begeleiding van patiënten die afslankmedicatie gebruiken of overwegen, ook wanneer zij deze middelen niet via vergoeding verkrijgen?
Op welke termijn informeert u de Kamer over de aanpak van deze problematiek, inclusief scenario’s voor goedkope import, online aanbod, toezicht, patiëntveiligheid, medische begeleiding en de beoordeling van mogelijke vergoeding?
De veiligheid bij Pluryn en andere grote zorginstellingen |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners sterven, personeel loopt weg: grote zorgen over veiligheid bij zorgorganisatie Pluryn»?1
Kunt u reageren op de oorzaken die in het artikel worden geschetst van een grote zorgorganisatie waarin de afstand tussen directie en werkvloer steeds groter is en personeelstekorten en invalkrachten zorgen voor risico’s voor de veiligheid en kwaliteit van zorg?
Hoeveel calamiteiten en incidenten hebben zich voorgedaan bij locaties van Pluryn in de afgelopen vijf jaar en wat was de aard van elk van deze incidenten? Hoe verhoudt zich dit tot incidenten bij andere zorginstellingen van soortgelijke omvang?
Wordt bijgehouden hoeveel incidenten een dodelijk gevolg hebben? Wanneer moet er precies melding worden gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven signalen van (oud-)medewerkers en betrokkenen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn? Zijn dergelijke signalen eerder gedeeld met de IGJ of met uw ministerie? Zo ja, wanneer en wat was de aard van deze meldingen?
Is het voor bewoners en naasten van zorginstellingen zoals Pluryn voldoende duidelijk dat zij onveilige situaties kunnen en melden en waar dit kan? Zo ja, op welke manier wordt dat aan hen gecommuniceerd? Is de manier waarop dit kan toegankelijk voor deze specifieke doelgroep? Aan wie kunnen zij melden en op welke manier?
Hoe is dit geregeld voor medewerkers? Waar kunnen zij onveilige situaties melden en hoe wordt hier opvolging aan gegeven?
In hoeverre zijn (oud-)cliënten en naasten betrokken bij de evaluaties van de kwaliteit en veiligheid van zorg, zowel bij Pluryn als in algemene zin bij zorginstellingen?
Kunt u schetsen welke verantwoordelijkheden er liggen bij gemeenten en welke bij het Rijk als het gaat om toezicht over de veiligheid?
Welke lessen zijn volgens u niet voldoende geleerd uit eerdere onderzoeken naar incidenten en misstanden binnen de jeugdzorg en gehandicaptenzorg, waarbij eveneens sprake was van personeelstekorten, hoog verloop en onvoldoende continuïteit van zorg?
Kunt u uitsluiten dat financiële druk, aanbestedingsprikkels of bezuinigingen hebben bijgedragen aan de ontstane situatie? Zo ja, waarop baseert u dat?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat cliënten de dupe worden van personeelstekorten en bezuinigingen binnen residentiële zorginstellingen? Deelt u de mening dat veiligheid van jongeren en cliënten altijd zwaarder moet wegen dan productieafspraken, financiële doelstellingen of organisatorische belangen? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan?
Het niet-onafhankelijke en niet-vrijblijvende karakter van de Schijf van Vijf |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kunt u volhouden dat de Schijf van Vijf slechts vrijblijvende publieksvoorlichting is, terwijl het kabinet in haar reactie op rapportages en onderzoeken voeding en alcohol schrijft dat het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten per supermarkt jaarlijks wordt gemonitord, gepubliceerd en gebruikt als uniforme maatstaf voor de mate waarin supermarkten bijdragen aan de zogenoemde gezonde keuze?
Erkent u dat een advies ophoudt vrijblijvend te zijn zodra de overheid supermarkten publiekelijk langs dezelfde meetlat legt, percentages per supermarktketen publiceert en vervolgens op basis van die meting «concrete afspraken» wil maken over vergroting van het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten? Zo nee, waar ligt voor u dan nog de grens tussen vrijblijvende informatie en beleidsmatige sturing?
Hoe kunt u spreken van onafhankelijkheid, terwijl het Voedingscentrum volledig afhankelijk is van overheidsfinanciering, zijn plannen moet laten aansluiten op beleidsdoelen van de overheid, zich richting subsidieverstrekkende ministeries moet verantwoorden en bij verlies of verlaging van subsidie direct minder invloed kan uitoefenen via scholen, zorg, wijkbijeenkomsten en andere kanalen?
Erkent u dat er sprake is van een kunstmatige scheiding wanneer het kabinet zich beroept op het «onafhankelijke» oordeel van het Voedingscentrum over welke producten wel of niet in de Schijf van Vijf vallen, terwijl dat oordeel vervolgens door hetzelfde kabinet wordt gebruikt voor monitors, beleid, afspraken met supermarkten, productverbetering en mogelijke wettelijke beperkingen op kindermarketing?
Hoe kunt u stellen dat de Schijf van Vijf geen normerend instrument is, terwijl producten, supermarkten, marketinguitingen en zelfs baby- en kindervoeding in kabinetsstukken worden beoordeeld aan de hand van de vraag of zij wel of niet voldoen aan de richtlijnen van de Schijf van Vijf, waarna het kabinet spreekt over zorgwekkende uitkomsten, noodzakelijke verbetering van het aanbod en verdere inzet richting bedrijfsleven en Europese regelgeving?
Bent u bereid voortaan eerlijk te erkennen dat de Schijf van Vijf in de praktijk geen losstaand, onafhankelijk en vrijblijvend voedingsadvies is, maar een door de overheid gefinancierde beleidsnorm die via het Voedingscentrum, RIVM-monitors, supermarktafspraken, productverbetering, scholen, zorginstellingen en regelgevingstrajecten wordt ingezet om burgers, instellingen en bedrijven in een door de overheid gewenste richting te sturen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
Het afhuren van (meerdere) strandtenten in Scheveningen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat op moment van schrijven, 25 juni 2026, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) één of meerdere Beach bars in Scheveningen heeft afgehuurd voor eigen festiviteiten?1
Kunt u aangeven welke kosten hiermee gemaakt worden, wie er onder de genodigden vallen en voor hoeveel personen deze bijeenkomst bedoeld is?
Kunt u aangeven wanneer en op welk ambtelijk niveau het besluit is genomen deze Beach bar(s) af te huren?
Kunt u aangeven welke publieke belangen er gediend worden door met publiek geld Beach bars in Scheveningen af te huren en hoe dit zich verhoudt tot de steeds verder oplopende lasten van belastingbetalende hardwerkende burgers?
Kunt u aangeven hoe vaak per jaar dergelijke activiteiten ondernomen worden door het Ministerie van BZK en welke kosten hiervoor gemaakt en gereserveerd worden?
Kunt u aangeven wat er exact begint met verbinden?2
Kunt u aangeven hoe dergelijke activiteiten zich verhouden tot het eerder aangekondigde beleid waarbij bezuinigd zou worden op onder andere borrels?3
Kunt u, als Minister van het moederdepartement, aangeven hoe bovenstaande vragen gestalte vinden op andere departementen en hoe dit zich verhoudt tot uw ministerie?
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
Het massaal niet doorbetalen van huishoudelijke hulpen bij ziekte |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat negen op de tien huishoudens hun huishoudelijke hulp niet doorbetalen bij ziekte terwijl dat wel wettelijk verplicht is?1
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat een grote groep huishoudelijke hulpen inkomsten misloopt doordat werkgevers hun wettelijke verplichtingen niet nakomen? Zo nee, waarom niet?
Welke acties heeft het kabinet de afgelopen tien jaar ondernomen om huishoudens en huishoudhulpen te informeren over hun rechten en plichten?
Vindt u deze voorlichting voldoende? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt momenteel gecontroleerd of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting om loon door te betalen bij ziekte?
Hoeveel meldingen, klachten, onderzoeken en handhavingsacties zijn er de afgelopen vijf jaar geweest met betrekking tot het niet naleven van de Regeling dienstverlening aan huis?
Welke mogelijkheden hebben huishoudelijke hulpen om hun recht op loondoorbetaling af te dwingen?
Vindt u deze mogelijkheden toegankelijk genoeg voor mensen met een laag inkomen?
Deelt u de mening dat huishoudelijke hulpen door de huidige regeling in een kwetsbare positie verkeren, omdat zij afhankelijk zijn van particuliere werkgevers die vaak niet op de hoogte zijn van hun verplichtingen of deze niet nakomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat huishoudhulpen krijgen waar zij recht op hebben?
Bent u het ermee eens dat de regeling dienstverlening aan huis opnieuw tegen het licht moet worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
Taakdelegatie |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht verstrekken van alle taken die onderdeel uitmaken van de totale sociaal medische dienstverlening bij UWV; van het in ontvangst nemen van een aanvraag, het verzamelen van informatie, de onderdelen van een beoordeling, de monitoring en begeleiding van een uitkeringsgerechtigde, etc?
Kan bij de beantwoording van vraag 1 per taak worden aangegeven wie deze taak nu (meestal) verricht en kan daarnaast worden aangegeven welke professionals die taak op basis van huidige wetgeving mogen verrichten?
Kan bij de beantwoording van vraag 1 een onderscheid worden aangebracht tussen taken die volledig zijn voorbehouden aan verzekeringsartsen en taken die binnen de huidige wettelijk kaders ook door een andere sociaal medische professional mogen worden verricht?
Kan een dergelijk overzicht zoals bij vragen 2 en 3 voor de Ziektewet, WIA en Wajong afzonderlijk worden gegeven?
Indien er taken worden uitgevoerd door de verzekeringsarts, terwijl deze binnen het huidige wettelijk kader ook door een andere professional kunnen worden uitgevoerd: welke (verklarende) factoren spelen daarbij een rol? Welke belemmeringen kunnen worden geduid? Welke randvoorwaarden zijn hier nodig? En hoe worden deze in de werkprocessen van UWV (structureel) geborgd of zouden deze geborgd kunnen worden?
Bij wie ligt de (uiteindelijke) beslissing welke taak door wie wordt uitgevoerd? Welke sturing vindt hierop plaats, is hier sprake van een overkoepelend beleid of vaste werkafspraken?
Welke grenzen stelt de huidige wetgeving als het gaat om het laten uitvoeren van taken door een andere professional dan de verzekeringsarts? Welke aanpassingen zijn hierin mogelijk en worden hier al stappen op gezet?
Kunt u een beeld geven van de productiviteitswinst die er binnen de huidige wettelijke kaders kan worden bereikt door het beleggen van taken bij een andere professional dan de verzekeringsarts, zoals bij de sociaal medisch verpleegkundige (SMV’er)?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
Heeft u kennisgenomen van het artikel van de Telegraaf over «Broer van ernstig mishandeld meisje (6) Stadskanaal wil nooit meer iets met zijn moeder te maken»?1
Heeft u kennisgenomen van de gerechtelijke uitspraak waarin wordt vastgesteld dat deze 14-jarige jongen slachtoffer is geweest van mishandeling, misbruik en een langdurig onveilige opvoedsituatie?2
Welke concrete hulp ontvangt deze jongen op dit moment en welke organisatie voert de regie over zijn herstel en veiligheid?
Wie is eindverantwoordelijk voor de veiligheid van deze jongen en hoe wordt gecontroleerd of gemaakte veiligheidsafspraken daadwerkelijk worden nageleefd?
Kan worden bevestigd dat deze jongen, ondanks de ernstige bevindingen van de rechter, nog steeds bij zijn vader verblijft? Op basis van welke veiligheidsafweging is dat gebeurd?
Hebben onafhankelijke deskundigen beoordeeld dat verblijf bij de vader in het belang van deze jongen is? Zo ja, welke deskundigen waren daarbij betrokken en welke overwegingen lagen aan dat oordeel ten grondslag?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken deze casus expliciet mee te nemen in het lopende onderzoek naar de opvolging van signalen van kindermishandeling en kindveiligheid?
Bent u bereid de IGJ specifiek te laten onderzoeken hoe signalen over deze jongen zijn opgepakt, welke instanties betrokken waren, wie de regie voerde en waarom niet eerder is ingegrepen?
Deelt u de opvatting dat wanneer een rechter vaststelt dat een minderjarige slachtoffer is geweest van mishandeling en misbruik, maximale duidelijkheid nodig is over de vraag welke bescherming en begeleiding vervolgens wordt geboden?
Bent u bereid bij de betrokken instanties op te vragen welke veiligheidsvoorwaarden zijn verbonden aan het verblijf van deze jongen bij zijn vader en de Kamer hierover te informeren?
Bent u bereid te laten toetsen of de huidige hulpverlening en veiligheidsmaatregelen passend zijn bij de ernst van de door de rechter vastgestelde feiten?
Kunt u inzichtelijk maken welke instanties voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak signalen hebben ontvangen over mishandeling, misbruik, verwaarlozing, schoolproblemen of andere veiligheidsrisico’s rond deze jongen?
Bent u bereid een onafhankelijk feitenrelaas te laten opstellen van alle meldingen, interventies, risico-inschattingen en besluiten rondom deze jongen, zodat duidelijk wordt waar het stelsel heeft gefaald en welke verbeteringen noodzakelijk zijn?
Welke bevoegdheden gaat u vanaf vandaag concreet inzetten om te controleren of deze jongen daadwerkelijk veilig is, passende hulp ontvangt en niet opnieuw tussen instanties uit beeld raakt?
Wilt u deze vragen uiterlijk 19 juni 16.30 uur beantwoorden in het belang van het kind?
Het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u uitdrukken welke groepen door de aanscherping van de referte-eis geen recht meer hebben op Werkloosheidswet (WW-)uitkering (in de huidige situatie wel WW zouden krijgen, maar door de aanscherping niet meer)? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot Algemene Ouderdomswet (AOW-)leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Kunt u uitdrukken wat de gevolgen zijn van de inkorting van de maximale WW-duur en de vertraagde opbouw van WW op de gemiddelde WW-duur? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot AOW-leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW daadwerkelijk werkloos is?
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW een baan naast de WW heeft?
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst binnen keuringen er wordt bespaard door de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) af te schaffen? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst het oplevert dat mensen binnen de IVA niet herkeurd hoeven te worden, terwijl dit voor andere populaties binnen de WIA wel geldt? Kunt u aangeven hoe vaak er gemiddeld herkeuringen plaatsvinden binnen de periode dat mensen in de WIA zitten? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
De detentie van de Nederlandse staatsburger Omar Elshal in Egypte |
|
Christine Teunissen (PvdD), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Eindhovense Omar kwijnt al acht maanden weg in Egyptische cel: een nachtmerrie»?1
Welke consulaire en diplomatieke ondersteuning heeft Nederland sinds zijn arrestatie verleend aan de heer Elshal en zijn familie?
Heeft de Nederlandse ambassade de heer Elshal bezocht tijdens zijn detentie? Zo ja, wat waren de bevindingen van deze bezoeken? Zo nee, waarom niet?
Welke contacten heeft Nederland sinds zijn arrestatie onderhouden met de Egyptische autoriteiten over zijn detentie, rechtspositie, detentieomstandigheden en mogelijke vrijlating?
Heeft het kabinet bij de Egyptische autoriteiten zorgen geuit over zijn gezondheid, toegang tot medische zorg, juridische bijstand en contact met zijn familie? Zo ja, welke reactie heeft Egypte daarop gegeven?
Hoe beoordeelt u de signalen van familieleden en vrienden dat de heer Elshal al maanden vastzit op basis van een volgens hen vage aanklacht en dat zijn voorlopige hechtenis herhaaldelijk wordt verlengd?
Hoe beoordeelt u de signalen van familieleden en vrienden dat zij de Nederlandse inzet tot nu toe als onvoldoende ervaren en aandringen op actievere betrokkenheid van de Nederlandse ambassade?
Deelt u de opvatting dat een Nederlandse staatsburger die al acht maanden vastzit in een buitenlandse gevangenis recht heeft op maximale diplomatieke inzet van de Nederlandse regering? Zo ja, hoe geeft u daar in deze zaak invulling aan?
Bent u bereid deze zaak op politiek niveau bij de Egyptische autoriteiten aan de orde te stellen en alle beschikbare diplomatieke middelen in te zetten om de vrijlating van de heer Elshal en zijn terugkeer naar Nederland te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Het artikel ‘Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op: radicaal besluit leidt tot geschokte reacties’ |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op: radicaal besluit leidt tot geschokte reacties»?1
Was u vooraf op de hoogte van deze onderhoudsstop? Zo ja, waarom is niet eerder ingegrepen om reeds geplande werkzaamheden te voltooien?
Was u op de hoogte van het feit dat om dezelfde reden eerder ook al werkzaamheden in de regio zijn geschrapt, zoals in het artikel te lezen is?
Was het de bedoeling dat ook projecten die zich zo dicht bij de uitvoeringsfase bevinden (binnen twee jaar) opnieuw zouden worden beoordeeld, aangezien Rijkswaterstaat meldt dat deze projecten ook worden meegenomen in de herprioritering?
Vindt u het evenwichtig dat de onderhoudsstop aan het wegennet disproportioneel het noorden treft, een regio waar minder openbaar vervoer beschikbaar is?
Zo nee, hoe verklaart u dat deze onderhoudsstop zich zo concentreert in dit deel van het land?
Wat is de economische impact van de onderhoudsstop op de economie van Noord-Nederland en op het handelsverkeer?
Wat betekent deze onderhoudsstop in Noord-Nederland voor het goederenvervoer richting Noord-Duitsland en Denemarken?
Hoe rijmt u de hoge opbrengsten uit belastingen en heffingen voor weggebruikers, zoals de motorrijtuigenbelasting, accijnzen en andere heffingen, met het beperkte budget voor het meest basale onderhoud?
Is het te verwachten dat dergelijke onderhoudsstops zich ook zullen voordoen in Oost-, Zuid-, West- of Midden-Nederland?
Heeft u zicht op de onderhoudsopgave bij provincies, aangezien N-wegen ook deel uitmaken van deze onderhoudsstop? Zo ja, kan u deze toelichten?
In hoeverre speelt bij provincies een vergelijkbaar tekort voor de onderhoudsopgave als bij het Rijk?
Welke impact heeft deze onderhoudsstop op het aankomende afwegingskader voor de prioritering van infrastructuurprojecten?