Het onderzoek “Van Inzicht naar uitvoering van het Verwey-Jonker Instituut in Opdracht van Het Vergeten Kind. |
|
Marijke Synhaeve (D66), Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de conclusies van de onderzoekers dat er in Nederland geen gebrek is aan kennis over effectieve interventies, maar het niet lukt dit consequent en landelijk toe te passen? Zo ja, wat zijn hier volgens u de belangrijkste redenen voor?
Ja. Kwaliteitsontwikkeling is versnipperd en er is veel winst te behalen bij de implementatie van kennis en effectieve interventies. De knelpunten bij implementatie kennen organisatorische en inhoudelijke factoren, denk hierbij aan ontbrekende randvoorwaarden zoals tijdsgebrek, hoge werkdruk, gebrek aan personeel en onvoldoende implementatiebegeleiding. Daarom werkt Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) aan de verbetering van de kwaliteit in de jeugdhulp op basis van een Leeragenda1. Onderzoek naar- en implementatie van kennis heeft hierbij nadrukkelijk aandacht. Tevens wordt er in het NWA programma «Doen wat werkt2» manieren van leren op de werkvloer (leerinterventies) voor jeugdzorgprofessionals ontwikkelt en wordt onderzocht hoe deze geborgd kunnen worden binnen teams, organisaties en het jeugdstelsel.
Deelt u de analyse dat uithuisplaatsingen alleen ingezet zouden moeten worden wanneer dit echt noodzakelijk is, gezien de ernstige korte- en langetermijngevolgen voor kinderen? Herkent u ook de analyse van de onderzoekers dat de systeembarrieres, zoals versnippering, risicomijding, hoge werkdruk, volle caseloads en perverse financiele prikkels, ertoe leiden dat het huidige systeem vooral crisisinterventies en korte termijnkostenbeheersing beloont en preventieve inzet te weinig? Welke rol ziet u om hierin bij te sturen?
Ja, wij delen de analyse dat een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel is die alleen wanneer dit noodzakelijk en proportioneel is moet worden uitgesproken. Daarbij is de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voornemens het subsidiariteitsvereiste in de rechtsgrond voor de machtiging uithuisplaatsing aan te scherpen in het wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Tegelijkertijd zien we ook dat het huidige systeem onder druk staat. Hier liggen meerdere oorzaken aan ten grondslag. Met de veranderstrategie van het Toekomstscenario, die voor de zomer zal worden vastgesteld, werken we samen met de partners aan concrete doorbraakacties die voor de kinderen en gezinnen tot daadwerkelijke en merkbare verbeteringen zullen leiden. Deze doorbraakacties zijn in lijn met de doelen van het toekomstscenario en met de middelen die we hebben. Dat betekent een systeem ingericht aan de hand van de vier pijlers; Eenvoudig, gezinsgericht, rechtsbeschermend en transparant en lerend. Deze beweging zetten we gezamenlijk voort, met onze ketenpartners en medeopdrachtgevers.
Erkent u het belang van focus op terugkeer vanaf dag één wanneer uithuisplaatsing onvermijdelijk is, en het beperken van doorplaatsingen? Hoe monitort u dit en welke prikkels/hulpmiddelen zet u in om doorplaatsingen te minimaliseren?
Ja, ik vind het belangrijk dat uithuisplaatsingen en onnodige doorplaatsingen zoveel mogelijk te voorkomen. Als een uithuisplaatsing toch noodzakelijk is, dan dient deze zo kort mogelijk te duren met zo min mogelijk doorplaatsingen. Een uithuisplaatsing is helaas niet altijd te voorkomen. Met de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming zet ik mij samen met Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in om de zorg voor jeugdigen te verbeteren en uithuisplaatsingen zoveel mogelijk te voorkomen.
In de Richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing3 is opgenomen dat voorafgaand aan een uithuisplaatsing samen met het gezin een hulpverleningsplan opgesteld wordt, waarbij de gedeelde verklarende analyse als basis dient. In dit hulpverleningsplan wordt opgenomen op wat ervoor nodig is om het kind te kunnen terugplaatsen, en op welke termijn. Tijdens de uithuisplaatsing moeten de hulp en begeleiding er in de eerste plaats op gericht zijn om het kind zo snel mogelijk weer terug te plaatsen. In de richtlijn is de opgenomen dat een overplaatsing opnieuw een ingrijpende verandering betekent voor het kind, met risico’s op schade. In zo’n situatie moet altijd opnieuw de mogelijkheid om het kind terug te plaatsen in de thuissituatie worden overwogen.
Het aantal onnodige doorplaatsingen moet verder worden teruggedrongen. Daarvoor is het nodig om samen met gemeenten en aanbieders voldoende plekken en beter passende zorg te organiseren. Een goede analyse van problematiek is daarbij heel belangrijk, met een grote rol voor een lokaal team. Daarnaast is samenwerking tussen aanbieders bij complexe cases essentieel, in plaats van doorschuiven naar een ander. Het werk dat we samen verzetten om Hervormingsagenda Jeugd uit te voeren, draagt bij aan terugdringen van onnodige doorplaatsingen, onder meer via het kwaliteitskader brede analyse. Om dit inzichtelijk te maken heb ik samen met het CBS en Jeugdzorg Nederland verkend of een monitor kon worden opgezet voor het aantal doorplaatsingen, maar hierover konden geen betrouwbare uitspraken worden gedaan.
Hoe verklaart u het dat al jaren in communicatie van zowel de rijksoverheid als gemeenten wordt gesteld dat gezinsgericht werken het uitgangspunt is, maar jongeren ouders en ook hulpverleners zelf aangeven dat er nog steeds teveel hulpverleners en instanties over de vloer komen, dit ineffectief is en teveel overlegtijd kost in plaats van daadwerkelijke hulp?
Belangrijke pijlers van het Toekomstscenario zijn eenvoudig en gezinsgericht werken. Dat betekent dat een vaste hulpverlener (uit het Lokale Team) zo lang betrokken blijft als nodig bij een gezin. Het lokale team vormt het vaste gezicht voor het gezin en betrekt andere (veiligheids)expertise waar nodig. Professionals in proeftuinen geven aan dat ze daardoor meer inzicht krijgen in de gezinsdynamiek, de juiste hulp tijdig kan worden betrokken zodat escalatie wordt voorkomen en er meer vertrouwen ontstaat van gezinnen in de hulpverlening.
Zoals het rapport van het Verweij Jonker instituut aangeeft, vergt gezinsgerichte samenwerking inspanning en de lange adem van betrokkenen op alle niveaus: op micro niveau (professionals die het hele gezin en achterliggende problemen in oogschouw nemen bij de hulpverlening), meso niveau (organisaties die domeinoverstijgende samenwerking faciliteren met tijd en professionele ruimte) en op macro niveau (landelijke kaders die gezinsgericht werken ondersteunen). In het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en de Hervormingagenda Jeugd zetten we in op alle drie deze niveaus, door o.a. een Handelingskader gericht op het breed kijken en analyseren voor professionals, een Convenant Lokale Teams, actieonderzoek van IPW en «Kompas domeinoverstijgende samenwerking» als leidraad voor gemeenten en organisaties op meso niveau.
Tot slot zorgen we ook dat landelijke kaders goed benut kunnen worden; zo gaan we met de Nederlandse GGZ na of de consultatiefunctie ggz goed werkt voor jeugdzorgprofessionals (afspraak AZWA) en hoe gezinsgericht werken kan worden geborgd in de volwassenen-ggz (Actieprogramma Mentale gezondheid en ggz). Ook wordt door het Rijk, in samenwerking met de VNG, gewerkt aan een Sociale Agenda voor Nederland. Dit wordt een structurele en integrale agenda waarin ook huisvesting, leefbaarheid van wijken, gezondheid en zorg, veiligheid, lokale teams en onderwijs worden samengebracht.
Juist omdat gezinsgericht werken een verandering vraagt op al deze niveaus, is die niet van vandaag op morgen gerealiseerd, maar vraagt dit om een lange adem en een blik over de domeinen heen bij alle betrokkenen.
Begrijpt u ook dat kinderen en ouders er soms wanhopig van worden, of in de weerstand staan als ze aan de zoveelste persoon opnieuw hun verhaal moeten vertellen?
Dat begrijpen wij. Het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming is er dan ook op gericht om bij volwassenen of kinderen waar veiligheidsvraagstukken spelen met één of twee vaste hulpverleners (uit het lokaal team en indien nodig het veiligheidsteam) betrokken te blijven bij een gezin. Op basis van een brede analyse van wat er speelt in het gezin aan het begin van de hulpverlening, wordt zonodig de verschillende expertise en ondersteuning erbij betrokken. Daarbij is het van belang ook te kijken naar achterliggende oorzaken, bijvoorbeeld slechte huisvesting, GGZ problematiek, of schuldenproblematiek die voor stress zorgen. De vaste gezichten blijven echter altijd het vaste aanspreekpunt. Deze werkwijze wordt uitgewerkt in een handelingskader voor alle professionals die te maken hebben met onveiligheid in thuissituaties.
Proeftuinen van het Toekomstscenario hebben hier goede ervaringen mee opgedaan: door langdurig betrokken te blijven kennen hulpverleners de dynamiek in gezinnen goed, ontstaat wederzijds vertrouwen en kan op tijd de juiste hulp worden ingezet, waardoor ook escalatie van problematiek wordt voorkomen. In de voortgangsbrief Jeugd informeren wij u over het de voortgang van het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Zijn er concrete plannen om domeinoverstijgend werken de norm te maken door het budget flexibeler te maken waardoor gemeenten en utvoerende organisaties daadwerkelijk kunnen samenwerken over de grenzen van jeugdzorg, onderwijs en zorg heen? Welke ruimte ziet u om dit mogelijk te maken?
Ik ben in gesprek met VNG en collega bewindspersonen om samen een agenda voor het sociaal domein te ontwikkelen. Hierbij staat de integraliteit op de verschillende domeinen zoals wonen, gezondheid, veiligheid en onderwijs centraal. Het belang van een integrale invalshoek wordt onderschreven door de onderzoekers.
Binnen het Rijk wordt al op verschillende manieren gewerkt aan het stimuleren van domeinoverstijgend werken. Met het wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek (Wams) wordt voorgesteld om de taken van het college in de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek te expliciteren. Het college krijgt met dit wetsvoorstel de taak om op verzoek van een cliënt of (een gemotiveerd) verzoek van een al betrokken professional een onderzoek naar de mogelijkheid (of noodzaak) tot een gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek instellen. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, heeft het college de taak om een gecoördineerde aanpak van de gebleken meervoudige problematiek te organiseren. Daartoe wijst het college een persoon als coördinator aan.
Daarnaast regelt het concept Wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet o.a. dat het college verantwoordelijk is voor samenhang en effectieve samenwerking tussen het lokale team en andere domeinen zoals maatschappelijke ondersteuning, participatie, schuldhulpverlening, onderwijs, veiligheid, publieke gezondheidszorg en zorg. Ook wordt met dit conceptwetsvoorstel richting gegeven aan de samenwerking tussen lokale teams en scholen. Het conceptwetsvoorstel is tot 13 april 2026 opgesteld voor internetconsultatie4.
Voor wat betreft de flexibilisering van budgetten geldt dat het grootste deel van de middelen voor jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning in de algemene uitkering van het gemeentefonds zitten. De middelen hierin zijn vrij besteedbaar en kunnen dus flexibel worden ingezet. Met ingang van 1 januari jl. is verder de Wet domeinoverstijgende samenwerking in werking getreden. Hiermee hebben zorgkantoren meer financiële ruimte gekregen om afspraken over de zorgdomeinen heen te maken.
Hoe maakt u van onderwijs een vaste partner in vroegsignalering en ondersteuning (gezamenlijke plannen, continuïteit rond schoolgang, alternatieve leertrajecten), gezien de bewezen betekenis van school als stabiele factor?
De school is voor jeugdigen en hun ouders een vertrouwde plek is: ze komen er dagelijks en worden er gezien. De school is bij uitstek de plek om signalen op te vangen en jeugdigen te ondersteunen vanuit de voor hen vertrouwde pedagogische basis. Het onderwijs is daarmee al een vaste partner in de vroegsignalering en ondersteuning, door o.a. de inzet van de jeugdgezondheidszorg en jongerenwerkers op school.
Deze samenwerking en afstemming wordt verder versterkt en geborgd in het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet dat half februari in internetconsultatie is gegaan. Met dit wetsvoorstel wordt mede beoogd de samenwerking tussen het onderwijs en lokale teams te versterken, zodat scholen het lokale team kunnen betrekken bij vragen en ondersteuning. Met als doel kinderen in de eigen omgeving op te laten groeien en naar school te laten gaan. Ook is dit onderdeel van de afspraken in het convenant stevige lokale teams. Hieraan werk ik samen met de VNG, mijn collega de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en relevante andere partijen, zoals aanbieders en client- en beroepsorganisaties. Dit convenant is inmiddels afgesloten. Tot slot werk ik samen met mijn collega de van OCW aan inclusief onderwijs. Met als doel dat kinderen thuis nabij onderwijs kunnen volgen en zich kunnen ontwikkelen in een passende leeromgeving, waar indien nodig op school ondersteuning op maat geboden wordt.
Deelt u de meninig van de onderzoekers dat pilots en projecten enkel zin hebben als de leerpunten daarna structureel verankerd worden? Welke rol heeft uw ministerie daarin?
Ja, wij delen de opvatting van de onderzoekers dat pilots en projecten alleen echt waarde hebben als de lessen daaruit structureel worden verankerd in beleid, financiering en uitvoering. Het rapport is daar duidelijk over: duurzame verandering ontstaat niet door losse projecten, maar vraagt om een breed gedragen visie, langetermijnstrategie en structurele samenwerking op alle niveaus.
Dit sluit goed aan bij de fase waarin we zitten met het Toekomstscenario. Waar de afgelopen jaren vooral in het teken stonden van verkennen, beproeven en leren in proeftuinen binnen de huidige wettelijke kaders, ligt de opgave nu in het duurzaam verankeren van werkzame elementen in de praktijk. Daarmee verschuift de focus van experimenteren naar transitie: het gericht veranderen van cultuur, werkwijze en structuur, zodat de beoogde manier van werken niet naast het bestaande stelsel blijft bestaan, maar er stap voor stap onderdeel van wordt.
Concreet betekent dit dat we nu zijn aangekomen om wat beproefd is te verbreden, verdiepen en op te schalen naar landelijke dekking. Dit zal worden verwerkt in de veranderstrategie van het Toekomstscenario die voor de zomer zal worden vastgesteld.
Op welke manier gaat u zorgen dat overal en structureel vroegtijdig samen met gezin en netwerk een gedeelde verklarende analyse wordt gemaakt als basis voor passende hulp? Erkent u dat dit een randvoorwaarde is vóór uithuisplaatsing?
Een goede vraagverheldering samen met het gezin is cruciaal voor het kunnen inzetten van passende hulp, zoals ook opgenomen in de richtlijn «Samen beslissen over hulp5». Bepaalde situaties vragen om een (gedeelde) Verklarende Analyse, zoals een (overwogen) uithuisplaatsing. Ik zie ook dat jeugdregio’s en zorgaanbieders dit belang erkennen. Zo hebben in Noord-Holland hebben jeugdregio’s en zorgaanbieders dit ook afgesproken binnen een Thuis van Noortje. Namelijk dat wanneer een uithuisplaatsing overwogen wordt, er altijd recent een verklarende analyse gemaakt moet zijn die als basis dient voor de vervolgstappen. Ook bij plaatsing in de gesloten jeugdhulp is het belangrijk dat er een actuele verklarende analyse is. Dit is onderdeel van de bestuurlijke afspraken die medio 2024 zijn gemaakt tussen Rijk, VNG en Jeugdzorg Nederland. In de richtlijn «beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing» staat: bij de afweging over uithuisplaatsing is een gedeelde verklarende analyse noodzakelijk. Aangezien professionals volgens de wet moet handelen met de voor die hulpverlener geldende professionele standaard (artikel 4.1.1. lid 3), is het belangrijk dat dit in de richtlijnen is opgenomen.
Een (gedeelde) verklarende analyse is daarmee een randvoorwaarde vóór uithuisplaatsing, maar we weten vanuit de praktijk dat dit niet overal gebeurt, en dat het ook niet altijd goed gebeurt. Zodoende wordt er gewerkt aan verbetering en implementatie van verklarend analyseren via KBL. KBL heeft in hun Leeragenda een leerlijn «Verklarend analyseren» geprioriteerd. Deze wordt dit jaar uitgevoerd. Deze leerlijn versterkt de beweging om een gedeelde verklarende analyse beter toe te passen en verder te verbeteren als basis voor jeugdhulp.
Deelt u dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen, dat het huidige systeem dit onvoldoende beloont, en welke rol neemt uw ministerie in het delen en opschalen van effectieve interventies?
Ja, wij delen de opvatting dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen. Het rapport stelt expliciet dat de kwaliteit van besluitvorming en het eerder inzetten van passende hulp staat of valt met het vakmanschap van professionals. Daarbij gaat het niet alleen om opleiding en kennis, maar ook om luisteren, reflecteren, durven vertragen, multidisciplinair toetsen en werken met intervisie, supervisie en steun van gedragswetenschappers en collega’s. Deze elementen worden momenteel verder uitgewerkt in het Toekomstscenario, specifiek in het handelingskader dat geschreven wordt voor en door professionals, maar ook in de proeftuinen wordt gekeken wat dit dan in de praktijk behelst.
Bent u bereid om met uw collega’s op Onderwijs en Sociale Zaken in gesprek te gaan met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren? Op welke andere manier kunt u «schotten doorbreken», zoals het advies luidt?
Zeker ben ik bereid om met mijn collega’s van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken in gesprek te gaan, maar ook met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren. Ik ben in gesprek met VNG en collega-bewindspersonen om samen een agenda voor het sociaal domein te ontwikkelen. Hierbij staat de integraliteit op de verschillende domeinen zoals wonen, gezondheid, veiligheid en onderwijs centraal. Het belang van een integrale invalshoek wordt onderschreven door de onderzoekers. Daarnaast zijn er al veel initiatieven. In Tilburg wordt een actieonderzoek voorbereid in samenwerking met IPW rond een bureaucratievrij kindcentrum. Hier wordt onder andere in kaart gebracht hoe de financiering vanuit gemeente en Rijk vereenvoudigd kan worden. Naar verwachting worden de eerste onderzoeksresultaten eind dit jaar bekend
De continuïteit van jeugdhulp in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schoolbesturen bezorgd over Lelystadse jeugdzorg» van 24 februari 20261, waarin schoolbesturen waarschuwen dat door het wegvallen van jeugd-GGZ-aanbieders per 1 juli kinderen tussen wal en schip dreigen te vallen?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere aanbieders hebben aangekondigd te stoppen met het aanbieden van jeugd-GGZ in Lelystad, en welke gevolgen heeft dit volgens u voor de continuïteit van de zorg en de bestaande wachtlijsten?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten de jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Nu de schoolbesturen hun zorgen hebben geuit via een brief aan onder meer de gemeenteraad van Lelystad is het in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
De huidige twee aanbieders van jeugd-GGZ hebben er voor gekozen om niet in te schrijven op de aanbesteding voor jeugd-GGZ per 1 juli 2026. Dit aanbestedingsproces is afgerond en de gemeente Lelystad heeft zeven nieuwe aanbieders gecontracteerd. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Deelt u de zorg dat het wegvallen van specialistische jeugdhulp directe gevolgen heeft voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk en welke concrete acties onderneemt u om verdere escalatie te voorkomen?
Scholen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas en hebben samen met het samenwerkingsverband een zorgplicht. Vanuit deze rol kunnen zij o.a. extra ondersteuning en specialisten inzetten, zoals een orthopedagoog, psycholoog en gedragsspecialist. Deze extra ondersteuning of inzet van specialisten moet gericht zijn om succesvol onderwijs te kunnen volgen en moet bijdragen aan onderwijsdoelen. Daarbij dient uiteraard goede afstemming te zijn met gemeenten over de inzet en beschikbaarheid van jeugdhulp. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad van Lelystad om te zorgen dat er goed uitvoering wordt gegeven aan de Jeugdwet. Zij zijn verantwoordelijk dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp ontvangen en dat er ook een goede afstemming is met aanpalende domeinen, zoals het onderwijs.
Op welke wijze waarborgt u dat gemeenten hun regierol daadwerkelijk kunnen invullen wanneer contractonderhandelingen met jeugdhulpaanbieders vastlopen?
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om te voorzien in een passend jeugdhulpaanbod voor de kinderen en gezinnen woonachtig in hun gemeente. Gemeenten moeten hierover afspraken maken met jeugdhulpaanbieders. In de gemeente Lelystad is geen sprake van vastgelopen contractonderhandelingen, maar van een wijziging van contractering van aanbieders. Lelystad heeft zeven nieuwe zorgaanbieders gecontracteerd voor de jeugd-GGZ per 1 juli 2026. De NZa wil meer zicht krijgen op wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Lelystad om te voorkomen dat kinderen die op een wachtlijst staan zonder tijdige passende hulp komen te zitten?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Dit is ook primair aan de gemeente. De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg.
Het bericht 'Leiden scherpt de regels voor jeugdhulp aan; Zorg Minder snel doorverwijzen, meer eigen verantwoordelijkheid' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Leidse plan om de regels voor jeugdhulp aan te scherpen, met als doel duidelijker af te bakenen wat wel en niet onder jeugdhulp valt, het terugdringen van onterechte doorverwijzingen terug, en de kosten beter te beheersen? Zo ja, wat is uw oordeel over deze aanpak?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Een oordeel over de conceptverordening is in de eerste plaats aan de gemeenteraad van de gemeente Leiden. Op landelijk niveau zie ik dat deze beweging in lijn is met de Hervormingsagenda Jeugd en ik zie verschillende elementen uit het concept wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet terug. Bijvoorbeeld het inrichten van een stevig lokaal team met verschillende taken waaronder informatie en advies, toeleiding en het bieden van hulp en het voorliggend maken van jeugdhulp op groepsbasis.
Hoe beoordeelt u het voornemen in Leiden om verwijzingen naar jeugdhulp scherper te laten toetsen door gemeentelijke jeugdteams en eerder te kijken naar eigen kracht, het sociale netwerk en andere vormen van ondersteuning, voordat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet? Ziet u hierin elementen die landelijk navolging verdienen?
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet komen verschillende van deze voornemens terug, zoals de toets op eigen kracht, mogelijke inzet van het sociale netwerk en inzet van voorliggende voorzieningen. Met dit wetsvoorstel worden gemeenten verplicht stevige lokale teams in te richten die breed kijken naar hulpvragen van gezinnen en jeugdigen en zelf jeugdhulp kunnen bieden. Deze teams moeten daarnaast zorgvuldig beoordelen of aanvullende jeugdhulp nodig is, dan wel of een gezin voldoende ondersteuning heeft vanuit het sociale netwerk of dat voorzieningen in de pedagogische basis passend zijn, die voorliggend zijn op aanvullende jeugdhulp.
Deelt u de zorg dat binnen de jeugdhulp fraude en misbruik veelvuldig plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat zorgverleners zaken onterecht naar jeugdhulp doorschuiven, zorgtrajecten onnodig verlengen of oneigenlijk declareren, zoals in Leiden expliciet wordt benoemd? Hoe groot acht u dit probleem landelijk?
Ik deel de zorg over fraude en misbruik binnen de jeugdhulp. Fraude en misbruik tasten de betrouwbaarheid en de betaalbaarheid van de jeugdhulp en de zorg in het algemeen aan. Dit is onaanvaardbaar en moet worden voorkomen en effectief worden aangepakt. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Geld voor de zorg hoort in de zorg.
Het is niet mogelijk om tot een goed onderbouwde omvang van fraude in de zorg te komen. De exacte landelijke omvang van fraude en misbruik binnen de jeugdhulp is niet bekend. Helaas is wel duidelijk dat het om veel geld gaat en weten we ook dat we nog veel niet in beeld hebben.
Het Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) ontving in 2025 in totaal 678 signalen van fraude in de zorg, waarvan er 81 gerelateerd zijn aan de Jeugdwet. Voor de interpretatie van deze cijfers is het belangrijk te benoemen dat zij nog geen volledig beeld geven van de fraude in de jeugdzorg. Oorzaak daarvan is onder andere dat nog niet alle gemeenten zijn aangesloten bij het IKZ en de aangesloten partners nog niet alle signalen delen met het IKZ. Tot slot wordt binnen de jeugdzorg veel gewerkt met onderaannemers, wat het zicht op wanpraktijken soms belemmert.
Welk inzicht heeft u op dit moment in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp, in het bijzonder rond declaraties, persoonsgebonden budgetten, onnodige verlenging van zorgtrajecten en onjuiste verwijzingen? Kunt u daarbij aangeven waar de grootste blinde vlekken in toezicht en handhaving zitten?
Zie het antwoord op vraag 3. Er is geen volledig inzicht in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp. Ik wil hierbij benadrukken dat de uitvoering van de jeugdzorg decentraal is georganiseerd. Dit betekent dat het toezicht op de rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdzorg ook decentraal is belegd. Hierdoor ontbreekt een landelijk totaalbeeld.
De cijfers die ik van het IKZ heb ontvangen over 2025 geven de indruk dat het onder andere gaat om zorgverwaarlozing/onvoldoende kwaliteit van zorg, spookzorg (valse declaraties), upcoding (zwaardere behandeling declareren dan uitgevoerd) en het geven van een onjuiste voorstelling van zaken.
Welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen om fraude in de jeugdhulp keihard aan te pakken, frauderende aanbieders sneller op te sporen en van de markt te weren, onterecht besteed zorggeld terug te vorderen en gemeenten beter in staat te stellen misbruik direct te signaleren en te stoppen? Acht u het daarbij noodzakelijk om gemeenten meer ruimte, beleidsvrijheid, wettelijke bevoegdheden of handhavingsinstrumenten te geven op het gebied van opsporing en handhaving? Zo ja, welke?
Mijn voorgangers, de Minister en Staatssecretarissen van VWS, hebben uw Kamer op 3 oktober 2025 geïnformeerd over de aanpak van fraude in de zorg, waaronder de jeugdhulp2. De brief omschrijft de maatregelen die reeds genomen zijn of momenteel voorbereid worden om fraude in de zorg tegen te gaan. Ik zal deze hieronder kort samenvatten, waarbij ik specifiek focus op jeugdhulp.
Gemeenten hebben, als inkoper van jeugdzorg, instrumenten om fraude tegen te gaan. Het is aan gemeenten om bij het aangaan van contracten met zorgaanbieders nadere voorwaarden op te nemen, zoals nadere (kwaliteits-)eisen aan (pgb-) zorgaanbieders en regels voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de mogelijkheid een VOG te eisen, ook voor bestuurders. Bij zorgen over de integriteit van een zorgaanbieders kunnen gemeenten een Bibob toets uitvoeren. Naast goed contractmanagement is belangrijk dat de gemeente ook het rechtmatigheidstoezicht op de Jeugdwet professioneel organiseert.
De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj), die op 1 januari 2026 inwerking is getreden stelt bovendien strengere eisen aan de bestuursstructuur en een transparante financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen door de eis van een intern toezichthouder, transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording.
Ook het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), dat momenteel in voorbereiding is, beoogt extra voorwaarden en verplichting te stellen aan de bedrijfsvoering van aanbieders. De voorwaarden en verplichting hebben betrekking op het uitkeren van winst, het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen en op van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt over een breed, integraal pakket van maatregelen gericht op het voorkomen, stoppen en bestraffen van zorgfraude. Onder andere is in het AZWA opgenomen dat het (gemeentelijk) toezicht op de jeugdhulp verstevigd en geprofessionaliseerd zal worden en dat hiertoe een stimuleringsprogramma wordt opgezet. Daarnaast is in het AZWA en de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken dat verkend wordt of voor jeugdhulpaanbieders een vergunningsplicht ingevoerd dient te worden. Ik werk samen met branche- en beroepsorganisaties, inkopers van zorg, toezichthouders en opsporingsinstanties hard aan de uitwerking van deze maatregelen. We zetten erop in dat ze zo spoedig mogelijk en zoveel mogelijk effect hebben.
In het coalitieakkoord is aanvullend daarop over zorgfraude afgesproken dat:
De positie van kinderen en familieleden van femicideslachtoffers |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De wet schiet tekort voor de kinderen van femicideslachtoffers» in de Volkskrant?1
Ja.
Wat vindt u van het onderzoek van de Femicide Monitor van de Universiteit Leiden waaruit blijkt dat 62 procent van de slachtoffers van femicide kinderen had en dat 76 procent van deze kinderen minderjarig was, waarvan velen getuige waren van het geweld?2
Met de Femicide Monitor wordt onder meer in beeld gebracht hoeveel kinderen hun moeder hebben verloren door femicide. Geen enkel kind hoort dit mee te maken. Toch laat de Femicide Monitor zien dat dit jaarlijks voor gemiddeld 25 kinderen de realiteit is. De impact van het verlies van een moeder door femicide op een kind is enorm. Bovendien zijn kinderen vanwege hun jonge leeftijd extra kwetsbaar. Wij vinden het daarom zeer belangrijk dat er aandacht is en blijft voor deze groep kinderen.
Kunt u nader toelichten welke wettelijke kaders er momenteel gelden voor kinderen en de zorg voor hen na femicide? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre worden deze kaders in de praktijk nageleefd?
Voor kinderen en de zorg voor hen na femicide gelden de reguliere voogdij- en gezagsbepalingen uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is per 1 januari 2018 de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding in werking getreden. Dit wettelijk kader regelt onder meer dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) om een voorlopige voogdijregeling kan verzoeken, om zo meteen na partnerdoding de onmiddellijke zorg voor het kind te waarborgen. Het ouderlijk gezag van de verdachte/dader-ouder is dan geschorst en de voorlopige voogdij wordt doorgaans belegd bij de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling is dan als voogd bevoegd om beslissingen over het kind te nemen. Ook zijn er binnen het bijbehorende Handelingsprotocol omgang na partnerdoding (hierna: het protocol) samenwerkingsafspraken gemaakt over wie welke taken op zich neemt en welke expertise op welk moment ingeschakeld kan worden.
De RvdK doet op basis van dit protocol onderzoek naar de wenselijkheid van contact of omgang tussen het kind en de verdachte/dader-ouder. Op basis van dit onderzoek dient de RvdK binnen drie maanden een verzoek bij de kinderrechter in tot vaststelling van een contact- of omgangsregeling of tot ontzegging van contact of omgang.
In 2023 is de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding geëvalueerd door het WODC.3 Uit deze evaluatie volgt dat in vrijwel alle gevallen de wet wordt nageleefd.4
Klopt het dat na femicide vaak direct een voogd, veelal een voogdijinstelling, wordt benoemd die volledige zeggenschap krijgt over besluiten met betrekking tot het verblijf, de schoolkeuze, de therapie en de omgang van de betrokken kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het zeer traumatiserend kan zijn voor kinderen, van wie de moeder om het leven is gekomen wegens femicide, om herhaaldelijk overgeplaatst te worden? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat dit gebeurt?
Het verliezen van de ene ouder door het toedoen van de andere ouder is een zeer ingrijpende gebeurtenis in het leven van een kind. De (over)plaatsing van een kind moet, net als een contact- of omgangsregeling met (familie van) de overblijvende ouder, altijd in het belang van het kind zijn. Dat is een afweging die door de kinder- of familierechter wordt gemaakt en waarbij alle omstandigheden omtrent het kind worden betrokken.
Uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers en de Blijf Groep volgen verschillende aanbevelingen die onder meer zien op de verblijfplaats van het kind en het contact tussen de daderouder en het kind enerzijds en het contact tussen de familie van de moeder en het kind anderzijds. Daarnaast volgt uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» van het Verwey-Jonker Instituut dat het niet vanzelfsprekend is dat huiselijk geweld en onveiligheid worden meegenomen in rechterlijke beslissingen omtrent zorgregelingen, gezag en omgang. De toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is daarom eind 2025 een verbetertraject gestart, dat als doel heeft te waarborgen dat wanneer er onderbouwde vermoedens zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure. De rechtspraak, maar ook andere organisaties zoals de RvdK en Slachtofferhulp Nederland, werken mee aan dit verbetertraject. Ook wordt de expertise van de advocatuur en van ervaringsdeskundigen en nabestaanden betrokken in dit traject. Zoals eerder toegezegd zal de Minister van Justitie en Veiligheid voor de zomer een bredere reactie op het aanpakplan aan de Tweede Kamer toesturen, wanneer uw Kamer ook wordt geïnformeerd over het genoemde verbetertraject.
Deelt u de zorg dat verplicht contact met (de familie van) de dader en het wegvallen van contact met de familie van de vermoorde moeder kan leiden tot traumaverdieping en onveiligheid voor deze kinderen? Zo nee, bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ook bereid om toe te werken naar het ontwikkelen en inzetten van kennis om samen met het kind te ontdekken wat hier de beste oplossing is?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat de Nederlandse wet momenteel geen geschillenregeling kent voor conflicten over de uitoefening van de voogdij bij femicide, waardoor kinderen en nabestaanden beslissingen van de voogd niet aan de rechter kunnen voorleggen, zoals blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad?3 Hoe beoordeelt u deze lacune in de wet?
Het klopt dat de Nederlandse wet op dit moment geen regeling kent voor geschillen over de uitvoering van voogdij indien de voogdij wordt uitgeoefend door een gecertificeerde instelling (hierna: GI). In die situatie ligt de dagelijkse zorg voor de minderjarige niet bij de GI maar bij een ander, bijvoorbeeld een nabestaande, en kan een verschil van inzicht ontstaan over de vraag welke gezagsbeslissing het meest in het belang van de minderjarige is.
Met het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt voorgesteld een geschillenregeling te introduceren voor geschillen die de uitvoering van de voogdij door de GI betreffen. Deze mogelijkheid wordt opengesteld voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt (bijvoorbeeld nabestaanden), de RvdK, de GI en de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp waar de minderjarige is geplaatst. Ook geldt voor minderjarigen die jonger zijn dan twaalf jaar een informele rechtsingang, zodat ook zij zich tot de rechter kunnen wenden als sprake is van een geschil over de uitoefening van de voogdij. Op basis van deze regeling krijgen dus ook kinderen van femicideslachtoffers en nabestaanden die hen opvoeden en verzorgen toegang tot de rechter bij geschillen over de uitoefening van de voogdij door de GI. Het bereik van de geschillenregeling is beperkt tot de genoemde groep om te voorkomen dat minderjarigen onderwerp kunnen worden van extra juridische procedures begonnen door personen die geen directe verantwoordelijkheid hebben voor de verzorging of opvoeding van het kind.
Wat betreft andere mogelijkheden voor toegang tot de rechter biedt de wet op dit moment al de mogelijkheid aan nabestaanden om de rechter te verzoeken de voogdij van een natuurlijke persoon (bijvoorbeeld een andere nabestaande) of een GI te beëindigen als zij – kort gezegd – menen dat de voogdij niet op een verantwoorde wijze wordt uitgeoefend en de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd (artikel 1:329, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:327 en 1:328 BW). Deze mogelijkheid staat open voor bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad. Daaronder vallen onder andere grootouders, ooms en tantes en meerderjarige broers en zussen. Zij kunnen de rechter ook verzoeken om hen daarna met de voogdij te belasten (artikel 1:334, lid 1 en 2, BW). Nabestaanden kunnen daarnaast, indien zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot de minderjarige, een verzoek tot vaststelling, wijziging of ontzegging van het recht op omgang indienen bij de rechtbank (artikel 1:377a en 1:377e BW).
De wet schrijft voor dat de kinderrechter die een beslissing neemt over een minderjarige van twaalf jaar of ouder (zoals een beslissing over de voogdij), die minderjarige eerst in de gelegenheid stelt om zijn mening te geven, bijvoorbeeld tijdens een kindgesprek (artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt, in aansluiting op de huidige rechtspraktijk, voorgesteld om deze wettelijke leeftijdsgrens te verlagen naar acht jaar. Indien daar aanleiding voor is kan de rechter overigens ook minderjarigen die jonger zijn dan acht jaar in de gelegenheid stellen hun mening kenbaar te maken.
Welke mogelijkheden ziet u om de regels dan wel de wet te wijzigen zodat kinderen en nabestaanden van femicideslachtoffers toegang krijgen tot de rechter bij geschillen over voogdij en expliciet kunnen verzoeken om (op termijn) met de voogdij te worden belast? Hoe zou hierbij de de stem en inspraak van kinderen geborgd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 8.
Welke mogelijkheden zijn er om te borgen dat in gevallen waarin kinderen getuige zijn geweest van huiselijk geweld en in het bijzonder van partnerdoding of een poging daartoe, het Openbaar Ministerie ook vervolgt wegens kindermishandeling?
De beleidsregels van het Openbaar Ministerie zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in onder meer de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (hierna: Aanwijzing). In algemene zin gaat de Aanwijzing uit van de bescherming van kwetsbaren, waaronder kinderen, en benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de veiligheid binnen het gezin. Op dit moment is niet in een beleidsregel van het Openbaar Ministerie expliciet opgenomen dat getuige zijn van huiselijk geweld en/of (een poging tot) partnerdoding leidt tot strafrechtelijke vervolging wegens kindermishandeling. De in de vraag benoemde waarborging ligt in het in de Aanwijzing opgenomen uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie in een concrete zaak kan vervolgen wegens kindermishandeling in voornoemde gevallen, afhankelijk van de feiten, omstandigheden en de bewijsbaarheid. Het Openbaar Ministerie kan overigens ook ambtshalve vervolgen, behoudens in het geval van klachtdelicten.
Hoe beoordeelt u de wens uit de praktijk om te komen tot een protocol waarin wordt vastgelegd waar kinderen van femicideslachtoffers verblijven en waarin tevens een verplichting wordt opgenomen voor de Raad voor de Kinderbescherming om, indien dit in het belang van het kind is, het contact met de familie van de vermoorde moeder in stand te houden en zich daar actief voor in te zetten?
In het kader van de aanbevelingen uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» wordt gekeken naar de werking en mogelijke verbetering van het bestaande Handelingsprotocol omgang na partnerdoding. Daarin nemen wij deze wens uit de praktijk mee. Zoals in de beantwoording van vragen 5, 6 en 7 is aangegeven, zal de Minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer voor de zomer een bredere reactie op dit aanpakplan toesturen.
In hoeverre acht u het van belang dat rechters die oordelen over zaken waarin sprake is van (ernstig) huiselijk geweld, dwingende controle, intieme terreur of femicide, beschikken over aantoonbare en specialistische kennis op dit terrein? Hoe verhoudt dit belang zich tot de constatering in het recente rapport van de Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence, dat voor rechters en officieren van justitie geen verplichte scholing bestaat op dit onderwerp?4 Op welke wijze sluit het voornemen van de Raad voor de rechtspraak, zoals opgenomen in het jaarplan 2026, om te investeren in kennis over femicide en intieme terreur hierbij aan?5
Wij achten het van belang dat de rechters die oordelen over zaken waarin vormen van (ernstig) huiselijk geweld spelen, beschikken over de juiste kennis hierover. Uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» door het Verwey-Jonker Instituut volgt dat kennis over huiselijk geweld en geweldspatronen tot de algemene basiskennis van (familie)rechters zou moeten behoren. Dit is onderdeel van het verbeterplan waar in de vraag naar wordt verwezen, dat onder meer ziet op het verbinden van het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de familierechter. Daarnaast ziet het verbeterplan ook op deskundigheidsbevordering binnen alle rechtsgebieden van de rechtspraak en van officieren van justitie. Hierover worden momenteel gesprekken gevoerd met de rechtspraak en het Openbaar Ministerie. De scholing van rechters en officieren van justitie is ook onderdeel van deze gesprekken. De Rechtspraak is momenteel in samenwerking met SSR, het opleidingsinstituut van zowel de rechtspraak als het Openbaar Ministerie, het cursusaanbod over huiselijk geweld aanzienlijk aan het uitbreiden.
Zoals hiervoor aangegeven, wordt de Tweede Kamer voor de zomer nader geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Bent u voornemens deze bijscholing verplicht te stellen en, zo ja, op welke termijn? En zo nee: hoe voorkomt u dat scholing vrijblijvend blijft en vooral wordt gevolgd door rechters die hier al affiniteit mee hebben?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht 'Kinderen weggehaald uit gezinshuis waar vuurwapens werden gevonden. ‘Dit verdient niet de schoonheidsprijs’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kinderen maandenlang verbleven in een Fries gezinshuis waar vuurwapens, munitie en zelfs materiaal in verband met ricine zijn aangetroffen, en beseft u hoe ontluisterend dit is voor het vertrouwen in de jeugdzorg?1
Hoe kan het in vredesnaam dat kinderen die door de overheid uit hun thuissituatie zijn gehaald zogenaamd voor hun veiligheid, vervolgens terechtkomen in een gezinshuis van een potentiële terrorist en waar zulke levensgevaarlijke spullen aanwezig blijken te zijn? Welke screening heeft bijvoorbeeld ooit plaatsgevonden op dit gezinshuis, op de gezinshuisouders en op hun directe leefomgeving, en hoe kan het dat die screening kennelijk totaal onvoldoende was?
Waarom zijn deze kinderen niet onmiddellijk weggehaald na de inval van 11 juni 2025, maar hebben zij nog maanden in deze onaanvaardbare situatie moeten verblijven? Wie nam dat besluit, op basis waarvan, en acht u dat besluit achteraf nog steeds verdedigbaar? Welke instanties waren bijvoorbeeld op welk moment op de hoogte van de inval, de aangetroffen wapens en de verdere veiligheidsrisico’s, en wie heeft vervolgens nagelaten om direct in te grijpen?
Hoeveel andere gezinshuizen, pleeggezinnen of vergelijkbare jeugdhulplocaties zijn de afgelopen vijf jaar in beeld geweest wegens wapens, geweld, extremisme, criminaliteit, terrorisme of andere acute veiligheidsrisico’s? Kunt u daarvan een volledig overzicht naar de Kamer sturen? Indien registratie ontbreekt, bent u bereid ervoor te zorgen dat een registratiesysteem landelijk wordt ingesteld, zodat de Kamer helder inzicht krijgt?
Welke directe maatregelen gaat u nu nemen om te voorkomen dat kinderen elders in Nederland op dit moment nog in een vergelijkbaar onveilige jeugdhulpsetting verblijven en bent u bereid alle gezinshuizen in Nederland versneld door te lichten op veiligheid, antecedenten, wapenbezit, criminele contacten en signalen van radicalisering of extremisme, en de Kamer vóór het zomerreces over de uitkomsten te informeren?
Kunt u zich indenken hoe de ouders van deze uithuisgeplaatste kinderen zich moeten voelen nu blijkt dat hun kinderen in een gezinshuis met vuurwapens, munitie en ricine-gerelateerd materiaal verbleven? Zo ja, begrijpt u dat dit ook bij andere ouders van uit huis geplaatste kinderen leidt tot diep wantrouwen, angst en onzekerheid over de veiligheid van hun kind? En wat gaat u concreet doen om dat wantrouwen en die onzekerheid weg te nemen?
De opleiding en BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»?1
Hoe kan de BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) bijdragen aan het tekort dat er is aan GZ-psychologen?
Hoe kan het dat u stelt dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen leidt tot hogere zorgkosten door een hogere inschaling, terwijl uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als GZ-psychologen?
Klopt het dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn voor jongeren van 18 jaar en ouder, en daardoor in de praktijk deze groep niet zelfstandig kunnen behandelen?
Erkent u dat de overgangsregeling van maximaal 365 dagen slechts een tijdelijke oplossing biedt, waarna alsnog een behandelonderbreking optreedt en cliënten opnieuw een intake en behandeling moeten starten, met onnodige belasting en inefficiëntie tot gevolg?
Hoe doelmatig acht u het dat K&J-psychologen zich kunnen omscholen tot GZ-psycholoog met publieke opleidingsmiddelen van 54.000 euro, per opleidingsplek, terwijl zij reeds een opleiding hebben gevolgd die volgens veldpartijen en de hoofdopleiders van de GZ-opleiding als gelijkwaardig wordt beschouwd?
Herkent u het signaal uit het artikel dat selectiecommissies kandidaten voor de reguliere GZ-opleiding weigeren omdat de kandidaten met een K&J-opleiding overgekwalificeerd zijn?
Heeft u overwogen om deze groep K&J-psychologen in te zetten als volwaardig GZ-psycholoog en tegelijkertijd het aantal opleidingsplaatsen tijdelijk te verlagen, hetgeen kan leiden tot een bezuiniging van minstens 54 miljoen euro in de komende 10 jaar (54.000 x +/- 1.000)? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Kunt u toelichten waarom de uitvoering van de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598), waarin wordt opgeroepen om met het veld te spreken over een oplossing voor deze groep, in de praktijk niet heeft geleid tot een gesprek over de meer dan 1.000 gedupeerde K&J-psychologen, maar zich heeft gericht op de toekomstige positionering van K&J-psychologen? Waarom zijn K&J-psychologen zelf niet uitgenodigd voor het rondetafelgesprek van 4 februari 2026, terwijl de motie juist oproept om met hen in gesprek te gaan?
Hoe verhoudt de stelling dat een BIG-registratie niet noodzakelijk is voor patiëntveiligheid zich tot het feit dat binnen de GGZ het regiebehandelaarschap bij complexere problematiek en bij jongeren van 18 jaar en ouder juist is voorbehouden aan BIG-geregistreerde professionals, precies waar de K&J-psychologen werkzaam zijn?
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Mona Keijzer , Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?
De uitzending van BOOS over Yes We Can Clinics |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van BOOS van 7 april 2026 gezien, over de misstanden bij Yes We Can Clinics?1
Wat vindt u van de in de uitzending getoonde bevindingen waaruit blijkt dat een flink aantal jongeren trauma’s hebben opgelopen na hun behandeling bij Yes We Can Clinics?
In hoeverre zijn signalen die binnenkwamen bij de redactie van BOOS ook bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: Inspectie) of het Ministerie van VWS bekend? Zijn er signalen binnengekomen bij de Inspectie? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken hoeveel, in welke jaren en wat de aard is van de meldingen?
Als er signalen bekend waren, was dit reden voor de Inspectie om een nieuw onderzoek te doen of voor gemeenten om in te grijpen? Zo nee, waarom niet? Als er geen signalen binnenkwamen, wat zegt dat over de bekendheid van de Inspectie bij de doelgroep?
Zijn er elders signalen binnengekomen, bijvoorbeeld bij de vertrouwenspersonen van Jeugdstem?
Is ooit onderzocht of de bewering op de website van Yes We Can Clinics dat 74% van de jongeren geen specialistische behandeling meer nodig had, klopt? Had dat moeten gebeuren en zo ja, door wie? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat een methode die oorspronkelijk werd gebruikt in de verslavingszorg, door Yes We Can Clinics ook wordt toegepast op tieners en adolescenten die kampen met (de gevolgen van) allerlei andere soorten problematiek, van depressie tot ADHD tot borderline? Wie heeft beoordeeld dat de methode van Yes We Can Clinics toegepast mag worden op jongeren met deze uiteenlopende zorgvraag? Aan welke criteria is dit getoetst en wanneer?
Klopt het dat het laatste Inspectiebezoek aan Yes we Can Clinics plaatsvond op 10 december 2018? Zijn er sindsdien nog aangekondigde of onaangekondigde bezoeken geweest? Hoe kan het dat de Inspectie onderzoekt of de «zorgverlening aan de voorwaarden voor goede en veilige zorg voldoen,» terwijl niet met jongeren zelf wordt gesproken, maar enkel vijf dossiers zijn bekeken? Welke rol hebben gemeenten die jongeren plaatsen bij Yes We Can Clinics?
Is het overnemen van een jeugdzorginstelling door een private equity organisatie, zoals bij Yes We Can Clinics gebeurde in 2021 door Holland Capital en in september 2025 door Bencis Capital Partners, reden voor extra toezicht of een Inspectiebezoek? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het verantwoord dat jeugdzorginstellingen zoals Yes We Can Clinics worden gekocht door private equityorganisaties die primair gericht zijn op het maken van winst en doorverkoop? Worden gecontracteerde gemeenten en zorgverzekeraars actief op de hoogte gesteld wanneer een private equity organisatie een instelling opkoopt? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit? Zo nee, waarom niet?
Kan de overname van een jeugdzorginstelling door een private equity-partij reden vormen om een contract open te breken door bijvoorbeeld een gecontracteerde gemeente of zorgverzekeraar?
Wat vindt u ervan dat tussen 2021 en 2024 de omzet van 35 miljoen naar 56 miljoen euro is gestegen en er jaarlijks miljoenen winst wordt gemaakt? Zijn dergelijke overnames en winsten een reden voor nader onderzoek of toezicht? Zo nee, waarom niet? Wat vindt u ervan dat er miljoenen winst wordt gemaakt, terwijl de behandeling van publiek geld wordt betaald? Vinden er ook winstuitkeringen plaats en zo ja, aan wie?
Voor welk bedrag heeft Bencis Capital Partners in 2024 het oprichtersechtpaar Jan Willem en Petra Poot uitgekocht?
Het Inspectierapport uit 2018 stelt al dat de klachtenfunctionaris «niet geheel onafhankelijk» is, hoe is dit momenteel geregeld? Is er inzicht in de hoeveelheid en de aard van de klachten en wat ermee is gedaan? Deelt u de mening dat een klachtenfunctionaris altijd onafhankelijk van de instelling zou moeten opereren?
Is u bekend dat het Inspectierapport uit 2018 beschrijft dat de personele bezetting bestaat uit «psychiaters, verpleegkundigen, GZ-psychologen, basispsychologen, jongerencoaches, groepswerkers ervaringsdeskundigen en groepscounselors,» terwijl uit de uitzending van BOOS het beeld naar voren komt dat met name ervaringsdeskundigen en counselors betrokken zijn bij de behandeling? Is het personeelsbestand veranderd of heeft de Inspectie hier iets over het hoofd gezien? Is de regiebehandelaar nog steeds altijd een psychiater?
Wat vindt u van de geschetste methode waarbij jongeren worden geconfronteerd met hun aandoening of verslaving, en dit ook geldt voor jongeren die slachtoffer zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik, eetstoornissen en depressies? Acht u dit verantwoord?
Kunnen jongeren met de behandeling stoppen op ieder moment dat zij willen? Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat dit niet in alle gevallen mogelijk is?
Kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in Hoenderloo»?1
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»? Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar later de situatie nog steeds zorgelijk is?
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet opgeleverd?
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari 2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Gedwongen uithuisplaatsingen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven bij hoeveel procent van de gedwongen uithuisplaatsingen (bijvoorbeeld afgelopen jaar) minstens één van de ouders door de strafrechter (al) veroordeeld is voor (een vorm van) kindermishandeling en indien u hiertoe niet in staat bent, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten verrichten en zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Leiden scherpt de regels voor jeugdhulp aan; Zorg Minder snel doorverwijzen, meer eigen verantwoordelijkheid' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Leidse plan om de regels voor jeugdhulp aan te scherpen, met als doel duidelijker af te bakenen wat wel en niet onder jeugdhulp valt, het terugdringen van onterechte doorverwijzingen terug, en de kosten beter te beheersen? Zo ja, wat is uw oordeel over deze aanpak?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Een oordeel over de conceptverordening is in de eerste plaats aan de gemeenteraad van de gemeente Leiden. Op landelijk niveau zie ik dat deze beweging in lijn is met de Hervormingsagenda Jeugd en ik zie verschillende elementen uit het concept wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet terug. Bijvoorbeeld het inrichten van een stevig lokaal team met verschillende taken waaronder informatie en advies, toeleiding en het bieden van hulp en het voorliggend maken van jeugdhulp op groepsbasis.
Hoe beoordeelt u het voornemen in Leiden om verwijzingen naar jeugdhulp scherper te laten toetsen door gemeentelijke jeugdteams en eerder te kijken naar eigen kracht, het sociale netwerk en andere vormen van ondersteuning, voordat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet? Ziet u hierin elementen die landelijk navolging verdienen?
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet komen verschillende van deze voornemens terug, zoals de toets op eigen kracht, mogelijke inzet van het sociale netwerk en inzet van voorliggende voorzieningen. Met dit wetsvoorstel worden gemeenten verplicht stevige lokale teams in te richten die breed kijken naar hulpvragen van gezinnen en jeugdigen en zelf jeugdhulp kunnen bieden. Deze teams moeten daarnaast zorgvuldig beoordelen of aanvullende jeugdhulp nodig is, dan wel of een gezin voldoende ondersteuning heeft vanuit het sociale netwerk of dat voorzieningen in de pedagogische basis passend zijn, die voorliggend zijn op aanvullende jeugdhulp.
Deelt u de zorg dat binnen de jeugdhulp fraude en misbruik veelvuldig plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat zorgverleners zaken onterecht naar jeugdhulp doorschuiven, zorgtrajecten onnodig verlengen of oneigenlijk declareren, zoals in Leiden expliciet wordt benoemd? Hoe groot acht u dit probleem landelijk?
Ik deel de zorg over fraude en misbruik binnen de jeugdhulp. Fraude en misbruik tasten de betrouwbaarheid en de betaalbaarheid van de jeugdhulp en de zorg in het algemeen aan. Dit is onaanvaardbaar en moet worden voorkomen en effectief worden aangepakt. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Geld voor de zorg hoort in de zorg.
Het is niet mogelijk om tot een goed onderbouwde omvang van fraude in de zorg te komen. De exacte landelijke omvang van fraude en misbruik binnen de jeugdhulp is niet bekend. Helaas is wel duidelijk dat het om veel geld gaat en weten we ook dat we nog veel niet in beeld hebben.
Het Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) ontving in 2025 in totaal 678 signalen van fraude in de zorg, waarvan er 81 gerelateerd zijn aan de Jeugdwet. Voor de interpretatie van deze cijfers is het belangrijk te benoemen dat zij nog geen volledig beeld geven van de fraude in de jeugdzorg. Oorzaak daarvan is onder andere dat nog niet alle gemeenten zijn aangesloten bij het IKZ en de aangesloten partners nog niet alle signalen delen met het IKZ. Tot slot wordt binnen de jeugdzorg veel gewerkt met onderaannemers, wat het zicht op wanpraktijken soms belemmert.
Welk inzicht heeft u op dit moment in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp, in het bijzonder rond declaraties, persoonsgebonden budgetten, onnodige verlenging van zorgtrajecten en onjuiste verwijzingen? Kunt u daarbij aangeven waar de grootste blinde vlekken in toezicht en handhaving zitten?
Zie het antwoord op vraag 3. Er is geen volledig inzicht in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp. Ik wil hierbij benadrukken dat de uitvoering van de jeugdzorg decentraal is georganiseerd. Dit betekent dat het toezicht op de rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdzorg ook decentraal is belegd. Hierdoor ontbreekt een landelijk totaalbeeld.
De cijfers die ik van het IKZ heb ontvangen over 2025 geven de indruk dat het onder andere gaat om zorgverwaarlozing/onvoldoende kwaliteit van zorg, spookzorg (valse declaraties), upcoding (zwaardere behandeling declareren dan uitgevoerd) en het geven van een onjuiste voorstelling van zaken.
Welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen om fraude in de jeugdhulp keihard aan te pakken, frauderende aanbieders sneller op te sporen en van de markt te weren, onterecht besteed zorggeld terug te vorderen en gemeenten beter in staat te stellen misbruik direct te signaleren en te stoppen? Acht u het daarbij noodzakelijk om gemeenten meer ruimte, beleidsvrijheid, wettelijke bevoegdheden of handhavingsinstrumenten te geven op het gebied van opsporing en handhaving? Zo ja, welke?
Mijn voorgangers, de Minister en Staatssecretarissen van VWS, hebben uw Kamer op 3 oktober 2025 geïnformeerd over de aanpak van fraude in de zorg, waaronder de jeugdhulp2. De brief omschrijft de maatregelen die reeds genomen zijn of momenteel voorbereid worden om fraude in de zorg tegen te gaan. Ik zal deze hieronder kort samenvatten, waarbij ik specifiek focus op jeugdhulp.
Gemeenten hebben, als inkoper van jeugdzorg, instrumenten om fraude tegen te gaan. Het is aan gemeenten om bij het aangaan van contracten met zorgaanbieders nadere voorwaarden op te nemen, zoals nadere (kwaliteits-)eisen aan (pgb-) zorgaanbieders en regels voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de mogelijkheid een VOG te eisen, ook voor bestuurders. Bij zorgen over de integriteit van een zorgaanbieders kunnen gemeenten een Bibob toets uitvoeren. Naast goed contractmanagement is belangrijk dat de gemeente ook het rechtmatigheidstoezicht op de Jeugdwet professioneel organiseert.
De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj), die op 1 januari 2026 inwerking is getreden stelt bovendien strengere eisen aan de bestuursstructuur en een transparante financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen door de eis van een intern toezichthouder, transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording.
Ook het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), dat momenteel in voorbereiding is, beoogt extra voorwaarden en verplichting te stellen aan de bedrijfsvoering van aanbieders. De voorwaarden en verplichting hebben betrekking op het uitkeren van winst, het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen en op van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt over een breed, integraal pakket van maatregelen gericht op het voorkomen, stoppen en bestraffen van zorgfraude. Onder andere is in het AZWA opgenomen dat het (gemeentelijk) toezicht op de jeugdhulp verstevigd en geprofessionaliseerd zal worden en dat hiertoe een stimuleringsprogramma wordt opgezet. Daarnaast is in het AZWA en de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken dat verkend wordt of voor jeugdhulpaanbieders een vergunningsplicht ingevoerd dient te worden. Ik werk samen met branche- en beroepsorganisaties, inkopers van zorg, toezichthouders en opsporingsinstanties hard aan de uitwerking van deze maatregelen. We zetten erop in dat ze zo spoedig mogelijk en zoveel mogelijk effect hebben.
In het coalitieakkoord is aanvullend daarop over zorgfraude afgesproken dat:
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
Het bericht 'Hotel vangt jarenlang kwetsbare mensen op, gemeente zet er streep door' |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hotel vangt jarenlang kwetsbare mensen op, gemeente zet er streep door»?1
Klopt het dat de gemeente Midden-Groningen in het verleden kwetsbare personen heeft doorverwezen naar dit hotel als tijdelijke opvanglocatie? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat een particulier initiatief dat jarenlang feitelijk een publieke taak heeft vervuld, nu geconfronteerd wordt met handhaving en hoge dwangsommen?
Deelt u de opvatting dat het primair de verantwoordelijkheid van de overheid en gemeenten is om te zorgen voor structurele, passende huisvesting van kwetsbare personen, en dat het onwenselijk is wanneer deze verantwoordelijkheid in de praktijk verschuift naar particuliere ondernemers, zonder duidelijke contractuele basis of een langetermijnvisie?
Welke landelijke kaders bestaan er om te voorkomen dat tijdelijke noodoplossingen, zoals het onderbrengen van kwetsbare personen in hotels, jarenlang voortduren zonder structurele oplossing, en acht u deze kaders voldoende effectief?
Bent u bereid te onderzoeken hoe het Rijk gemeenten beter kan ondersteunen of aanspreken op hun zorgplicht, zodat kwetsbare bewoners niet van de ene op de andere dag hun woonplek verliezen en particuliere initiatieven die uit maatschappelijke betrokkenheid handelen, niet in een juridisch vacuüm terechtkomen?
De continuïteit van jeugdhulp in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schoolbesturen bezorgd over Lelystadse jeugdzorg» van 24 februari 20261, waarin schoolbesturen waarschuwen dat door het wegvallen van jeugd-GGZ-aanbieders per 1 juli kinderen tussen wal en schip dreigen te vallen?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere aanbieders hebben aangekondigd te stoppen met het aanbieden van jeugd-GGZ in Lelystad, en welke gevolgen heeft dit volgens u voor de continuïteit van de zorg en de bestaande wachtlijsten?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten de jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Nu de schoolbesturen hun zorgen hebben geuit via een brief aan onder meer de gemeenteraad van Lelystad is het in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
De huidige twee aanbieders van jeugd-GGZ hebben er voor gekozen om niet in te schrijven op de aanbesteding voor jeugd-GGZ per 1 juli 2026. Dit aanbestedingsproces is afgerond en de gemeente Lelystad heeft zeven nieuwe aanbieders gecontracteerd. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Deelt u de zorg dat het wegvallen van specialistische jeugdhulp directe gevolgen heeft voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk en welke concrete acties onderneemt u om verdere escalatie te voorkomen?
Scholen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas en hebben samen met het samenwerkingsverband een zorgplicht. Vanuit deze rol kunnen zij o.a. extra ondersteuning en specialisten inzetten, zoals een orthopedagoog, psycholoog en gedragsspecialist. Deze extra ondersteuning of inzet van specialisten moet gericht zijn om succesvol onderwijs te kunnen volgen en moet bijdragen aan onderwijsdoelen. Daarbij dient uiteraard goede afstemming te zijn met gemeenten over de inzet en beschikbaarheid van jeugdhulp. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad van Lelystad om te zorgen dat er goed uitvoering wordt gegeven aan de Jeugdwet. Zij zijn verantwoordelijk dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp ontvangen en dat er ook een goede afstemming is met aanpalende domeinen, zoals het onderwijs.
Op welke wijze waarborgt u dat gemeenten hun regierol daadwerkelijk kunnen invullen wanneer contractonderhandelingen met jeugdhulpaanbieders vastlopen?
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om te voorzien in een passend jeugdhulpaanbod voor de kinderen en gezinnen woonachtig in hun gemeente. Gemeenten moeten hierover afspraken maken met jeugdhulpaanbieders. In de gemeente Lelystad is geen sprake van vastgelopen contractonderhandelingen, maar van een wijziging van contractering van aanbieders. Lelystad heeft zeven nieuwe zorgaanbieders gecontracteerd voor de jeugd-GGZ per 1 juli 2026. De NZa wil meer zicht krijgen op wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Lelystad om te voorkomen dat kinderen die op een wachtlijst staan zonder tijdige passende hulp komen te zitten?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Dit is ook primair aan de gemeente. De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg.
Het onderzoek “Van Inzicht naar uitvoering van het Verwey-Jonker Instituut in Opdracht van Het Vergeten Kind. |
|
Marijke Synhaeve (D66), Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de conclusies van de onderzoekers dat er in Nederland geen gebrek is aan kennis over effectieve interventies, maar het niet lukt dit consequent en landelijk toe te passen? Zo ja, wat zijn hier volgens u de belangrijkste redenen voor?
Ja. Kwaliteitsontwikkeling is versnipperd en er is veel winst te behalen bij de implementatie van kennis en effectieve interventies. De knelpunten bij implementatie kennen organisatorische en inhoudelijke factoren, denk hierbij aan ontbrekende randvoorwaarden zoals tijdsgebrek, hoge werkdruk, gebrek aan personeel en onvoldoende implementatiebegeleiding. Daarom werkt Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) aan de verbetering van de kwaliteit in de jeugdhulp op basis van een Leeragenda1. Onderzoek naar- en implementatie van kennis heeft hierbij nadrukkelijk aandacht. Tevens wordt er in het NWA programma «Doen wat werkt2» manieren van leren op de werkvloer (leerinterventies) voor jeugdzorgprofessionals ontwikkelt en wordt onderzocht hoe deze geborgd kunnen worden binnen teams, organisaties en het jeugdstelsel.
Deelt u de analyse dat uithuisplaatsingen alleen ingezet zouden moeten worden wanneer dit echt noodzakelijk is, gezien de ernstige korte- en langetermijngevolgen voor kinderen? Herkent u ook de analyse van de onderzoekers dat de systeembarrieres, zoals versnippering, risicomijding, hoge werkdruk, volle caseloads en perverse financiele prikkels, ertoe leiden dat het huidige systeem vooral crisisinterventies en korte termijnkostenbeheersing beloont en preventieve inzet te weinig? Welke rol ziet u om hierin bij te sturen?
Ja, wij delen de analyse dat een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel is die alleen wanneer dit noodzakelijk en proportioneel is moet worden uitgesproken. Daarbij is de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voornemens het subsidiariteitsvereiste in de rechtsgrond voor de machtiging uithuisplaatsing aan te scherpen in het wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Tegelijkertijd zien we ook dat het huidige systeem onder druk staat. Hier liggen meerdere oorzaken aan ten grondslag. Met de veranderstrategie van het Toekomstscenario, die voor de zomer zal worden vastgesteld, werken we samen met de partners aan concrete doorbraakacties die voor de kinderen en gezinnen tot daadwerkelijke en merkbare verbeteringen zullen leiden. Deze doorbraakacties zijn in lijn met de doelen van het toekomstscenario en met de middelen die we hebben. Dat betekent een systeem ingericht aan de hand van de vier pijlers; Eenvoudig, gezinsgericht, rechtsbeschermend en transparant en lerend. Deze beweging zetten we gezamenlijk voort, met onze ketenpartners en medeopdrachtgevers.
Erkent u het belang van focus op terugkeer vanaf dag één wanneer uithuisplaatsing onvermijdelijk is, en het beperken van doorplaatsingen? Hoe monitort u dit en welke prikkels/hulpmiddelen zet u in om doorplaatsingen te minimaliseren?
Ja, ik vind het belangrijk dat uithuisplaatsingen en onnodige doorplaatsingen zoveel mogelijk te voorkomen. Als een uithuisplaatsing toch noodzakelijk is, dan dient deze zo kort mogelijk te duren met zo min mogelijk doorplaatsingen. Een uithuisplaatsing is helaas niet altijd te voorkomen. Met de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming zet ik mij samen met Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in om de zorg voor jeugdigen te verbeteren en uithuisplaatsingen zoveel mogelijk te voorkomen.
In de Richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing3 is opgenomen dat voorafgaand aan een uithuisplaatsing samen met het gezin een hulpverleningsplan opgesteld wordt, waarbij de gedeelde verklarende analyse als basis dient. In dit hulpverleningsplan wordt opgenomen op wat ervoor nodig is om het kind te kunnen terugplaatsen, en op welke termijn. Tijdens de uithuisplaatsing moeten de hulp en begeleiding er in de eerste plaats op gericht zijn om het kind zo snel mogelijk weer terug te plaatsen. In de richtlijn is de opgenomen dat een overplaatsing opnieuw een ingrijpende verandering betekent voor het kind, met risico’s op schade. In zo’n situatie moet altijd opnieuw de mogelijkheid om het kind terug te plaatsen in de thuissituatie worden overwogen.
Het aantal onnodige doorplaatsingen moet verder worden teruggedrongen. Daarvoor is het nodig om samen met gemeenten en aanbieders voldoende plekken en beter passende zorg te organiseren. Een goede analyse van problematiek is daarbij heel belangrijk, met een grote rol voor een lokaal team. Daarnaast is samenwerking tussen aanbieders bij complexe cases essentieel, in plaats van doorschuiven naar een ander. Het werk dat we samen verzetten om Hervormingsagenda Jeugd uit te voeren, draagt bij aan terugdringen van onnodige doorplaatsingen, onder meer via het kwaliteitskader brede analyse. Om dit inzichtelijk te maken heb ik samen met het CBS en Jeugdzorg Nederland verkend of een monitor kon worden opgezet voor het aantal doorplaatsingen, maar hierover konden geen betrouwbare uitspraken worden gedaan.
Hoe verklaart u het dat al jaren in communicatie van zowel de rijksoverheid als gemeenten wordt gesteld dat gezinsgericht werken het uitgangspunt is, maar jongeren ouders en ook hulpverleners zelf aangeven dat er nog steeds teveel hulpverleners en instanties over de vloer komen, dit ineffectief is en teveel overlegtijd kost in plaats van daadwerkelijke hulp?
Belangrijke pijlers van het Toekomstscenario zijn eenvoudig en gezinsgericht werken. Dat betekent dat een vaste hulpverlener (uit het Lokale Team) zo lang betrokken blijft als nodig bij een gezin. Het lokale team vormt het vaste gezicht voor het gezin en betrekt andere (veiligheids)expertise waar nodig. Professionals in proeftuinen geven aan dat ze daardoor meer inzicht krijgen in de gezinsdynamiek, de juiste hulp tijdig kan worden betrokken zodat escalatie wordt voorkomen en er meer vertrouwen ontstaat van gezinnen in de hulpverlening.
Zoals het rapport van het Verweij Jonker instituut aangeeft, vergt gezinsgerichte samenwerking inspanning en de lange adem van betrokkenen op alle niveaus: op micro niveau (professionals die het hele gezin en achterliggende problemen in oogschouw nemen bij de hulpverlening), meso niveau (organisaties die domeinoverstijgende samenwerking faciliteren met tijd en professionele ruimte) en op macro niveau (landelijke kaders die gezinsgericht werken ondersteunen). In het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en de Hervormingagenda Jeugd zetten we in op alle drie deze niveaus, door o.a. een Handelingskader gericht op het breed kijken en analyseren voor professionals, een Convenant Lokale Teams, actieonderzoek van IPW en «Kompas domeinoverstijgende samenwerking» als leidraad voor gemeenten en organisaties op meso niveau.
Tot slot zorgen we ook dat landelijke kaders goed benut kunnen worden; zo gaan we met de Nederlandse GGZ na of de consultatiefunctie ggz goed werkt voor jeugdzorgprofessionals (afspraak AZWA) en hoe gezinsgericht werken kan worden geborgd in de volwassenen-ggz (Actieprogramma Mentale gezondheid en ggz). Ook wordt door het Rijk, in samenwerking met de VNG, gewerkt aan een Sociale Agenda voor Nederland. Dit wordt een structurele en integrale agenda waarin ook huisvesting, leefbaarheid van wijken, gezondheid en zorg, veiligheid, lokale teams en onderwijs worden samengebracht.
Juist omdat gezinsgericht werken een verandering vraagt op al deze niveaus, is die niet van vandaag op morgen gerealiseerd, maar vraagt dit om een lange adem en een blik over de domeinen heen bij alle betrokkenen.
Begrijpt u ook dat kinderen en ouders er soms wanhopig van worden, of in de weerstand staan als ze aan de zoveelste persoon opnieuw hun verhaal moeten vertellen?
Dat begrijpen wij. Het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming is er dan ook op gericht om bij volwassenen of kinderen waar veiligheidsvraagstukken spelen met één of twee vaste hulpverleners (uit het lokaal team en indien nodig het veiligheidsteam) betrokken te blijven bij een gezin. Op basis van een brede analyse van wat er speelt in het gezin aan het begin van de hulpverlening, wordt zonodig de verschillende expertise en ondersteuning erbij betrokken. Daarbij is het van belang ook te kijken naar achterliggende oorzaken, bijvoorbeeld slechte huisvesting, GGZ problematiek, of schuldenproblematiek die voor stress zorgen. De vaste gezichten blijven echter altijd het vaste aanspreekpunt. Deze werkwijze wordt uitgewerkt in een handelingskader voor alle professionals die te maken hebben met onveiligheid in thuissituaties.
Proeftuinen van het Toekomstscenario hebben hier goede ervaringen mee opgedaan: door langdurig betrokken te blijven kennen hulpverleners de dynamiek in gezinnen goed, ontstaat wederzijds vertrouwen en kan op tijd de juiste hulp worden ingezet, waardoor ook escalatie van problematiek wordt voorkomen. In de voortgangsbrief Jeugd informeren wij u over het de voortgang van het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Zijn er concrete plannen om domeinoverstijgend werken de norm te maken door het budget flexibeler te maken waardoor gemeenten en utvoerende organisaties daadwerkelijk kunnen samenwerken over de grenzen van jeugdzorg, onderwijs en zorg heen? Welke ruimte ziet u om dit mogelijk te maken?
Ik ben in gesprek met VNG en collega bewindspersonen om samen een agenda voor het sociaal domein te ontwikkelen. Hierbij staat de integraliteit op de verschillende domeinen zoals wonen, gezondheid, veiligheid en onderwijs centraal. Het belang van een integrale invalshoek wordt onderschreven door de onderzoekers.
Binnen het Rijk wordt al op verschillende manieren gewerkt aan het stimuleren van domeinoverstijgend werken. Met het wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek (Wams) wordt voorgesteld om de taken van het college in de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek te expliciteren. Het college krijgt met dit wetsvoorstel de taak om op verzoek van een cliënt of (een gemotiveerd) verzoek van een al betrokken professional een onderzoek naar de mogelijkheid (of noodzaak) tot een gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek instellen. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, heeft het college de taak om een gecoördineerde aanpak van de gebleken meervoudige problematiek te organiseren. Daartoe wijst het college een persoon als coördinator aan.
Daarnaast regelt het concept Wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet o.a. dat het college verantwoordelijk is voor samenhang en effectieve samenwerking tussen het lokale team en andere domeinen zoals maatschappelijke ondersteuning, participatie, schuldhulpverlening, onderwijs, veiligheid, publieke gezondheidszorg en zorg. Ook wordt met dit conceptwetsvoorstel richting gegeven aan de samenwerking tussen lokale teams en scholen. Het conceptwetsvoorstel is tot 13 april 2026 opgesteld voor internetconsultatie4.
Voor wat betreft de flexibilisering van budgetten geldt dat het grootste deel van de middelen voor jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning in de algemene uitkering van het gemeentefonds zitten. De middelen hierin zijn vrij besteedbaar en kunnen dus flexibel worden ingezet. Met ingang van 1 januari jl. is verder de Wet domeinoverstijgende samenwerking in werking getreden. Hiermee hebben zorgkantoren meer financiële ruimte gekregen om afspraken over de zorgdomeinen heen te maken.
Hoe maakt u van onderwijs een vaste partner in vroegsignalering en ondersteuning (gezamenlijke plannen, continuïteit rond schoolgang, alternatieve leertrajecten), gezien de bewezen betekenis van school als stabiele factor?
De school is voor jeugdigen en hun ouders een vertrouwde plek is: ze komen er dagelijks en worden er gezien. De school is bij uitstek de plek om signalen op te vangen en jeugdigen te ondersteunen vanuit de voor hen vertrouwde pedagogische basis. Het onderwijs is daarmee al een vaste partner in de vroegsignalering en ondersteuning, door o.a. de inzet van de jeugdgezondheidszorg en jongerenwerkers op school.
Deze samenwerking en afstemming wordt verder versterkt en geborgd in het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet dat half februari in internetconsultatie is gegaan. Met dit wetsvoorstel wordt mede beoogd de samenwerking tussen het onderwijs en lokale teams te versterken, zodat scholen het lokale team kunnen betrekken bij vragen en ondersteuning. Met als doel kinderen in de eigen omgeving op te laten groeien en naar school te laten gaan. Ook is dit onderdeel van de afspraken in het convenant stevige lokale teams. Hieraan werk ik samen met de VNG, mijn collega de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en relevante andere partijen, zoals aanbieders en client- en beroepsorganisaties. Dit convenant is inmiddels afgesloten. Tot slot werk ik samen met mijn collega de van OCW aan inclusief onderwijs. Met als doel dat kinderen thuis nabij onderwijs kunnen volgen en zich kunnen ontwikkelen in een passende leeromgeving, waar indien nodig op school ondersteuning op maat geboden wordt.
Deelt u de meninig van de onderzoekers dat pilots en projecten enkel zin hebben als de leerpunten daarna structureel verankerd worden? Welke rol heeft uw ministerie daarin?
Ja, wij delen de opvatting van de onderzoekers dat pilots en projecten alleen echt waarde hebben als de lessen daaruit structureel worden verankerd in beleid, financiering en uitvoering. Het rapport is daar duidelijk over: duurzame verandering ontstaat niet door losse projecten, maar vraagt om een breed gedragen visie, langetermijnstrategie en structurele samenwerking op alle niveaus.
Dit sluit goed aan bij de fase waarin we zitten met het Toekomstscenario. Waar de afgelopen jaren vooral in het teken stonden van verkennen, beproeven en leren in proeftuinen binnen de huidige wettelijke kaders, ligt de opgave nu in het duurzaam verankeren van werkzame elementen in de praktijk. Daarmee verschuift de focus van experimenteren naar transitie: het gericht veranderen van cultuur, werkwijze en structuur, zodat de beoogde manier van werken niet naast het bestaande stelsel blijft bestaan, maar er stap voor stap onderdeel van wordt.
Concreet betekent dit dat we nu zijn aangekomen om wat beproefd is te verbreden, verdiepen en op te schalen naar landelijke dekking. Dit zal worden verwerkt in de veranderstrategie van het Toekomstscenario die voor de zomer zal worden vastgesteld.
Op welke manier gaat u zorgen dat overal en structureel vroegtijdig samen met gezin en netwerk een gedeelde verklarende analyse wordt gemaakt als basis voor passende hulp? Erkent u dat dit een randvoorwaarde is vóór uithuisplaatsing?
Een goede vraagverheldering samen met het gezin is cruciaal voor het kunnen inzetten van passende hulp, zoals ook opgenomen in de richtlijn «Samen beslissen over hulp5». Bepaalde situaties vragen om een (gedeelde) Verklarende Analyse, zoals een (overwogen) uithuisplaatsing. Ik zie ook dat jeugdregio’s en zorgaanbieders dit belang erkennen. Zo hebben in Noord-Holland hebben jeugdregio’s en zorgaanbieders dit ook afgesproken binnen een Thuis van Noortje. Namelijk dat wanneer een uithuisplaatsing overwogen wordt, er altijd recent een verklarende analyse gemaakt moet zijn die als basis dient voor de vervolgstappen. Ook bij plaatsing in de gesloten jeugdhulp is het belangrijk dat er een actuele verklarende analyse is. Dit is onderdeel van de bestuurlijke afspraken die medio 2024 zijn gemaakt tussen Rijk, VNG en Jeugdzorg Nederland. In de richtlijn «beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing» staat: bij de afweging over uithuisplaatsing is een gedeelde verklarende analyse noodzakelijk. Aangezien professionals volgens de wet moet handelen met de voor die hulpverlener geldende professionele standaard (artikel 4.1.1. lid 3), is het belangrijk dat dit in de richtlijnen is opgenomen.
Een (gedeelde) verklarende analyse is daarmee een randvoorwaarde vóór uithuisplaatsing, maar we weten vanuit de praktijk dat dit niet overal gebeurt, en dat het ook niet altijd goed gebeurt. Zodoende wordt er gewerkt aan verbetering en implementatie van verklarend analyseren via KBL. KBL heeft in hun Leeragenda een leerlijn «Verklarend analyseren» geprioriteerd. Deze wordt dit jaar uitgevoerd. Deze leerlijn versterkt de beweging om een gedeelde verklarende analyse beter toe te passen en verder te verbeteren als basis voor jeugdhulp.
Deelt u dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen, dat het huidige systeem dit onvoldoende beloont, en welke rol neemt uw ministerie in het delen en opschalen van effectieve interventies?
Ja, wij delen de opvatting dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen. Het rapport stelt expliciet dat de kwaliteit van besluitvorming en het eerder inzetten van passende hulp staat of valt met het vakmanschap van professionals. Daarbij gaat het niet alleen om opleiding en kennis, maar ook om luisteren, reflecteren, durven vertragen, multidisciplinair toetsen en werken met intervisie, supervisie en steun van gedragswetenschappers en collega’s. Deze elementen worden momenteel verder uitgewerkt in het Toekomstscenario, specifiek in het handelingskader dat geschreven wordt voor en door professionals, maar ook in de proeftuinen wordt gekeken wat dit dan in de praktijk behelst.
Bent u bereid om met uw collega’s op Onderwijs en Sociale Zaken in gesprek te gaan met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren? Op welke andere manier kunt u «schotten doorbreken», zoals het advies luidt?
Zeker ben ik bereid om met mijn collega’s van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken in gesprek te gaan, maar ook met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren. Ik ben in gesprek met VNG en collega-bewindspersonen om samen een agenda voor het sociaal domein te ontwikkelen. Hierbij staat de integraliteit op de verschillende domeinen zoals wonen, gezondheid, veiligheid en onderwijs centraal. Het belang van een integrale invalshoek wordt onderschreven door de onderzoekers. Daarnaast zijn er al veel initiatieven. In Tilburg wordt een actieonderzoek voorbereid in samenwerking met IPW rond een bureaucratievrij kindcentrum. Hier wordt onder andere in kaart gebracht hoe de financiering vanuit gemeente en Rijk vereenvoudigd kan worden. Naar verwachting worden de eerste onderzoeksresultaten eind dit jaar bekend
Het bericht dat jongeren in de jeugdzorg niet durven te klagen over misstanden. |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderombudsman: jongeren in de jeugdzorg durven niet te klagen over misstanden» in de Trouw d.d. 11 februari 2026?
Ja.
Deelt u de mening dat het van cruciaal belang is dat kinderen in de jeugdzorg zich veilig genoeg voelen om een klacht in te dienen bij misstanden?
Ja. Het klachtrecht in de jeugdzorg is een belangrijke vorm van rechtsbescherming voor jeugdigen en/of ouders. Jeugdigen en/of ouders moeten zich veilig genoeg voelen om te klagen over de manier waarop een instantie hen helpt (onder meer over bejegening). Klachtrecht is ervoor bedoeld dat jeugdigen en/of ouders zich gehoord voelen en dat een klacht kan bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat kinderen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten?
In het rapport «Je bent maar een kind, je durft gewoon niet»1 is één van de bevindingen dat jeugdigen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten. Ik vind dit zorgelijk. De voormalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en mijn ambtsvoorganger hebben vorig jaar onderzoek laten uitvoeren om een actueel overzicht te krijgen van de uitvoeringspraktijken en verbeterpunten van interne klachtbehandeling bij organisaties in het brede jeugdzorgdomein. Dit onderzoek is 17 december jl. aan uw Kamer aangeboden2. Het rapport biedt aanknopingspunten om het klachtrecht te verbeteren. Het is een omvangrijk rapport dat aanbevelingen doet op zowel juridisch gebied als op de uitvoering. Momenteel bestuderen de Staatssecretaris van JenV en ik dit nader. Hiervoor voeren het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS gesprekken met de betrokken organisaties, zoals met de VNG en de brancheorganisaties. Ook gaan we in gesprek met jongeren als onderdeel van de kinderrechtentoets. De bevindingen uit het rapport van de Kinderombudsman nemen we hierin uiteraard mee. Voor de zomer van 2026 informeren de Staatssecretaris van JenV en ik de Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de te zetten stappen.
Herkent u de signalen uit het onderzoek van de Kinderombudsman, waaruit blijkt dat kinderen in de jeugdzorg vrijwel nooit een formele klacht durven in te dienen uit angst voor repercussies? Wat vindt u hiervan?
Uit de cijfers van Jeugdstem blijkt dat zij de afgelopen drie jaar duizenden jongeren en ouders hebben ondersteund bij een klachttraject, zie de tabel hieronder:
Klacht ondersteuningstrajecten
Jeugdigen
Ouders
2023
1.912
1.613
2024
2.521
1.832
2025
2.480
1.895
Ik vind het belangrijk dat jongeren zelfstandig een klacht kunnen indienen in een veilig pedagogisch klimaat. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor het creëren en het waarborgen van een cultuur waar het veilig en toegankelijk is voor jeugdigen en ouders om een klacht in te dienen. Ook is het van belang dat klachtenprocedures toegankelijk zijn en er een organisatiecultuur is waarin geleerd wordt van feedback van jeugdigen en ouders. Deze aanbeveling komt ook overeen met een aanbeveling uit het eerder genoemde rapport3.
Daarom is het belangrijk dat zij een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon die hen kan ondersteunen bij het indienen van een klacht. Ik subsidieer hiervoor Jeugdstem, een landelijke en onafhankelijke organisatie van vertrouwenspersonen in de jeugdzorg, die hen een luisterend oor biedt. Deze gesprekken zijn veilig en vertrouwelijk. Jeugdigen en ouders kunnen ook bij een vertrouwenspersoon terecht voor informatie en advies, onder meer over hun rechtspositie.
Bent u op de hoogte van de wijze waarop jeugdzorgorganisaties hun klachtenprocedures inrichten?
Met het hierboven genoemde onderzoek is een beeld gegeven van de klachtenprocedures in het jeugdzorgdomein. Het is de taak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) om toe te zien of een jeugdhulpaanbieder beschikt over een klachtenprocedure die voldoet aan de Jeugdwet.
Het onderzoek stelt dat de klachtenprocedures te ingewikkeld zijn en het voor jongeren vaak niet duidelijk is hoe de klachtenprocedure werkt, herkent u de conclusies uit het onderzoek van de Kinderombudsman over de gebreken in de klachtenprocedures van de jeugdzorg?
Ik herken dit beeld. Dit wordt ook bevestigd in het onlangs gepubliceerde onderzoek naar klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein4, dat in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van VWS is uitgevoerd.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de klachtenprocedures in de jeugdzorg verbeterd worden en kinderen zich veilig voelen om informeel, dan wel formeel te melden?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, wordt uw Kamer voor de zomer van 2026 geïnformeerd over te zetten stappen.
Klopt het dat in sommige gevallen een officiële klacht ingediend moet worden via een begeleider?
Op grond van de Jeugdwet mogen jeugdigen en/of ouders zelfstandig een klacht indienen. Hier is geen begeleider voor nodig. Desgewenst kunnen jeugdigen en/of ouders een beroep doen op ondersteuning indien dit wenselijk wordt geacht.
Het onderzoek van de Kinderombudsman stelt ook dat de afhandeling van klachten onvoldoende verloopt, herkent u dit beeld en zo ja hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt verbeterd?
Ja, ik herken dit beeld. Voor de zomer van 2026 informeren we de Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de voortgang van de te zetten stappen.
Deelt u de mening dat een gebrek aan lerend vermogen bij de organisatie naar aanleiding van een klacht de drempels hiertoe voor een jongere nog hoger maakt? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit lerend vermogen toeneemt?
Dit zou niet zo moeten zijn. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, dient het klachtrecht onder meer bij te dragen aan het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp. Het eerdergenoemde onderzoek5 geeft op dit punt ook een aanbeveling. Mede hierover voeren het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS gesprekken met de betrokken organisaties
Kunt u aangeven op welke manier klachtenprocedures binnen de residentiële jeugdhulp beter kunnen aansluiten bij de aanbevelingen die de Kinderombudsman in 2016 hierover heeft gedaan?
In de vervolgstappen op het eerder genoemde onderzoek zullen ook de bevindingen uit het recente rapport van de Kinderombudsman en de aanbevelingen van de Kinderombudsman uit 2016 worden meegenomen. Overigens zijn er sindsdien 2016 wel ontwikkelingen geweest. Zo heeft Jeugdstem in 2023 materiaal ontwikkeld, waarmee professionals in een vroeg stadium met cliënten het gesprek aan kunnen gaan over welke stap het beste genomen kan worden wanneer ze ontevreden zijn. Het doel hiervan is om de informatievoorziening voor jeugdigen en ouders te verbeteren en de toegankelijkheid van klachtenprocedures te vergroten. Ook heeft Jeugdstem opleidingsmateriaal over klachtafhandeling ontwikkeld voor professionals.6
Hoe ziet u uw rol als stelselverantwoordelijke ten aanzien van de jeugdzorg in het verbeteren van de klachtenprocedures?
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor de wettelijke kaders voor de klachtenprocedures bij jeugdzorgorganisatie. Organisaties in het jeugdzorgdomein kunnen binnen deze kaders hun eigen interne klachtenprocedure inrichten. Met de Staatssecretaris van JenV kijk ik naar de mogelijkheden om klachtenprocedures te versterken.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden?
Ja, zie antwoorden hierboven.
De positie van kinderen en familieleden van femicideslachtoffers |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De wet schiet tekort voor de kinderen van femicideslachtoffers» in de Volkskrant?1
Ja.
Wat vindt u van het onderzoek van de Femicide Monitor van de Universiteit Leiden waaruit blijkt dat 62 procent van de slachtoffers van femicide kinderen had en dat 76 procent van deze kinderen minderjarig was, waarvan velen getuige waren van het geweld?2
Met de Femicide Monitor wordt onder meer in beeld gebracht hoeveel kinderen hun moeder hebben verloren door femicide. Geen enkel kind hoort dit mee te maken. Toch laat de Femicide Monitor zien dat dit jaarlijks voor gemiddeld 25 kinderen de realiteit is. De impact van het verlies van een moeder door femicide op een kind is enorm. Bovendien zijn kinderen vanwege hun jonge leeftijd extra kwetsbaar. Wij vinden het daarom zeer belangrijk dat er aandacht is en blijft voor deze groep kinderen.
Kunt u nader toelichten welke wettelijke kaders er momenteel gelden voor kinderen en de zorg voor hen na femicide? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre worden deze kaders in de praktijk nageleefd?
Voor kinderen en de zorg voor hen na femicide gelden de reguliere voogdij- en gezagsbepalingen uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is per 1 januari 2018 de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding in werking getreden. Dit wettelijk kader regelt onder meer dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) om een voorlopige voogdijregeling kan verzoeken, om zo meteen na partnerdoding de onmiddellijke zorg voor het kind te waarborgen. Het ouderlijk gezag van de verdachte/dader-ouder is dan geschorst en de voorlopige voogdij wordt doorgaans belegd bij de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling is dan als voogd bevoegd om beslissingen over het kind te nemen. Ook zijn er binnen het bijbehorende Handelingsprotocol omgang na partnerdoding (hierna: het protocol) samenwerkingsafspraken gemaakt over wie welke taken op zich neemt en welke expertise op welk moment ingeschakeld kan worden.
De RvdK doet op basis van dit protocol onderzoek naar de wenselijkheid van contact of omgang tussen het kind en de verdachte/dader-ouder. Op basis van dit onderzoek dient de RvdK binnen drie maanden een verzoek bij de kinderrechter in tot vaststelling van een contact- of omgangsregeling of tot ontzegging van contact of omgang.
In 2023 is de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding geëvalueerd door het WODC.3 Uit deze evaluatie volgt dat in vrijwel alle gevallen de wet wordt nageleefd.4
Klopt het dat na femicide vaak direct een voogd, veelal een voogdijinstelling, wordt benoemd die volledige zeggenschap krijgt over besluiten met betrekking tot het verblijf, de schoolkeuze, de therapie en de omgang van de betrokken kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het zeer traumatiserend kan zijn voor kinderen, van wie de moeder om het leven is gekomen wegens femicide, om herhaaldelijk overgeplaatst te worden? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat dit gebeurt?
Het verliezen van de ene ouder door het toedoen van de andere ouder is een zeer ingrijpende gebeurtenis in het leven van een kind. De (over)plaatsing van een kind moet, net als een contact- of omgangsregeling met (familie van) de overblijvende ouder, altijd in het belang van het kind zijn. Dat is een afweging die door de kinder- of familierechter wordt gemaakt en waarbij alle omstandigheden omtrent het kind worden betrokken.
Uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers en de Blijf Groep volgen verschillende aanbevelingen die onder meer zien op de verblijfplaats van het kind en het contact tussen de daderouder en het kind enerzijds en het contact tussen de familie van de moeder en het kind anderzijds. Daarnaast volgt uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» van het Verwey-Jonker Instituut dat het niet vanzelfsprekend is dat huiselijk geweld en onveiligheid worden meegenomen in rechterlijke beslissingen omtrent zorgregelingen, gezag en omgang. De toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is daarom eind 2025 een verbetertraject gestart, dat als doel heeft te waarborgen dat wanneer er onderbouwde vermoedens zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure. De rechtspraak, maar ook andere organisaties zoals de RvdK en Slachtofferhulp Nederland, werken mee aan dit verbetertraject. Ook wordt de expertise van de advocatuur en van ervaringsdeskundigen en nabestaanden betrokken in dit traject. Zoals eerder toegezegd zal de Minister van Justitie en Veiligheid voor de zomer een bredere reactie op het aanpakplan aan de Tweede Kamer toesturen, wanneer uw Kamer ook wordt geïnformeerd over het genoemde verbetertraject.
Deelt u de zorg dat verplicht contact met (de familie van) de dader en het wegvallen van contact met de familie van de vermoorde moeder kan leiden tot traumaverdieping en onveiligheid voor deze kinderen? Zo nee, bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ook bereid om toe te werken naar het ontwikkelen en inzetten van kennis om samen met het kind te ontdekken wat hier de beste oplossing is?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat de Nederlandse wet momenteel geen geschillenregeling kent voor conflicten over de uitoefening van de voogdij bij femicide, waardoor kinderen en nabestaanden beslissingen van de voogd niet aan de rechter kunnen voorleggen, zoals blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad?3 Hoe beoordeelt u deze lacune in de wet?
Het klopt dat de Nederlandse wet op dit moment geen regeling kent voor geschillen over de uitvoering van voogdij indien de voogdij wordt uitgeoefend door een gecertificeerde instelling (hierna: GI). In die situatie ligt de dagelijkse zorg voor de minderjarige niet bij de GI maar bij een ander, bijvoorbeeld een nabestaande, en kan een verschil van inzicht ontstaan over de vraag welke gezagsbeslissing het meest in het belang van de minderjarige is.
Met het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt voorgesteld een geschillenregeling te introduceren voor geschillen die de uitvoering van de voogdij door de GI betreffen. Deze mogelijkheid wordt opengesteld voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt (bijvoorbeeld nabestaanden), de RvdK, de GI en de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp waar de minderjarige is geplaatst. Ook geldt voor minderjarigen die jonger zijn dan twaalf jaar een informele rechtsingang, zodat ook zij zich tot de rechter kunnen wenden als sprake is van een geschil over de uitoefening van de voogdij. Op basis van deze regeling krijgen dus ook kinderen van femicideslachtoffers en nabestaanden die hen opvoeden en verzorgen toegang tot de rechter bij geschillen over de uitoefening van de voogdij door de GI. Het bereik van de geschillenregeling is beperkt tot de genoemde groep om te voorkomen dat minderjarigen onderwerp kunnen worden van extra juridische procedures begonnen door personen die geen directe verantwoordelijkheid hebben voor de verzorging of opvoeding van het kind.
Wat betreft andere mogelijkheden voor toegang tot de rechter biedt de wet op dit moment al de mogelijkheid aan nabestaanden om de rechter te verzoeken de voogdij van een natuurlijke persoon (bijvoorbeeld een andere nabestaande) of een GI te beëindigen als zij – kort gezegd – menen dat de voogdij niet op een verantwoorde wijze wordt uitgeoefend en de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd (artikel 1:329, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:327 en 1:328 BW). Deze mogelijkheid staat open voor bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad. Daaronder vallen onder andere grootouders, ooms en tantes en meerderjarige broers en zussen. Zij kunnen de rechter ook verzoeken om hen daarna met de voogdij te belasten (artikel 1:334, lid 1 en 2, BW). Nabestaanden kunnen daarnaast, indien zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot de minderjarige, een verzoek tot vaststelling, wijziging of ontzegging van het recht op omgang indienen bij de rechtbank (artikel 1:377a en 1:377e BW).
De wet schrijft voor dat de kinderrechter die een beslissing neemt over een minderjarige van twaalf jaar of ouder (zoals een beslissing over de voogdij), die minderjarige eerst in de gelegenheid stelt om zijn mening te geven, bijvoorbeeld tijdens een kindgesprek (artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt, in aansluiting op de huidige rechtspraktijk, voorgesteld om deze wettelijke leeftijdsgrens te verlagen naar acht jaar. Indien daar aanleiding voor is kan de rechter overigens ook minderjarigen die jonger zijn dan acht jaar in de gelegenheid stellen hun mening kenbaar te maken.
Welke mogelijkheden ziet u om de regels dan wel de wet te wijzigen zodat kinderen en nabestaanden van femicideslachtoffers toegang krijgen tot de rechter bij geschillen over voogdij en expliciet kunnen verzoeken om (op termijn) met de voogdij te worden belast? Hoe zou hierbij de de stem en inspraak van kinderen geborgd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 8.
Welke mogelijkheden zijn er om te borgen dat in gevallen waarin kinderen getuige zijn geweest van huiselijk geweld en in het bijzonder van partnerdoding of een poging daartoe, het Openbaar Ministerie ook vervolgt wegens kindermishandeling?
De beleidsregels van het Openbaar Ministerie zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in onder meer de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (hierna: Aanwijzing). In algemene zin gaat de Aanwijzing uit van de bescherming van kwetsbaren, waaronder kinderen, en benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de veiligheid binnen het gezin. Op dit moment is niet in een beleidsregel van het Openbaar Ministerie expliciet opgenomen dat getuige zijn van huiselijk geweld en/of (een poging tot) partnerdoding leidt tot strafrechtelijke vervolging wegens kindermishandeling. De in de vraag benoemde waarborging ligt in het in de Aanwijzing opgenomen uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie in een concrete zaak kan vervolgen wegens kindermishandeling in voornoemde gevallen, afhankelijk van de feiten, omstandigheden en de bewijsbaarheid. Het Openbaar Ministerie kan overigens ook ambtshalve vervolgen, behoudens in het geval van klachtdelicten.
Hoe beoordeelt u de wens uit de praktijk om te komen tot een protocol waarin wordt vastgelegd waar kinderen van femicideslachtoffers verblijven en waarin tevens een verplichting wordt opgenomen voor de Raad voor de Kinderbescherming om, indien dit in het belang van het kind is, het contact met de familie van de vermoorde moeder in stand te houden en zich daar actief voor in te zetten?
In het kader van de aanbevelingen uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» wordt gekeken naar de werking en mogelijke verbetering van het bestaande Handelingsprotocol omgang na partnerdoding. Daarin nemen wij deze wens uit de praktijk mee. Zoals in de beantwoording van vragen 5, 6 en 7 is aangegeven, zal de Minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer voor de zomer een bredere reactie op dit aanpakplan toesturen.
In hoeverre acht u het van belang dat rechters die oordelen over zaken waarin sprake is van (ernstig) huiselijk geweld, dwingende controle, intieme terreur of femicide, beschikken over aantoonbare en specialistische kennis op dit terrein? Hoe verhoudt dit belang zich tot de constatering in het recente rapport van de Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence, dat voor rechters en officieren van justitie geen verplichte scholing bestaat op dit onderwerp?4 Op welke wijze sluit het voornemen van de Raad voor de rechtspraak, zoals opgenomen in het jaarplan 2026, om te investeren in kennis over femicide en intieme terreur hierbij aan?5
Wij achten het van belang dat de rechters die oordelen over zaken waarin vormen van (ernstig) huiselijk geweld spelen, beschikken over de juiste kennis hierover. Uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» door het Verwey-Jonker Instituut volgt dat kennis over huiselijk geweld en geweldspatronen tot de algemene basiskennis van (familie)rechters zou moeten behoren. Dit is onderdeel van het verbeterplan waar in de vraag naar wordt verwezen, dat onder meer ziet op het verbinden van het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de familierechter. Daarnaast ziet het verbeterplan ook op deskundigheidsbevordering binnen alle rechtsgebieden van de rechtspraak en van officieren van justitie. Hierover worden momenteel gesprekken gevoerd met de rechtspraak en het Openbaar Ministerie. De scholing van rechters en officieren van justitie is ook onderdeel van deze gesprekken. De Rechtspraak is momenteel in samenwerking met SSR, het opleidingsinstituut van zowel de rechtspraak als het Openbaar Ministerie, het cursusaanbod over huiselijk geweld aanzienlijk aan het uitbreiden.
Zoals hiervoor aangegeven, wordt de Tweede Kamer voor de zomer nader geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Bent u voornemens deze bijscholing verplicht te stellen en, zo ja, op welke termijn? En zo nee: hoe voorkomt u dat scholing vrijblijvend blijft en vooral wordt gevolgd door rechters die hier al affiniteit mee hebben?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht ‘Plotseling sluit zorgvilla van Fenna (2), kosten te hoog en problemen met bezetting’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plotseling sluit zorgvilla van Fenna (2), kosten te hoog en problemen met bezetting»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoeveel kinderen zijn de dupe van de onverwachte sluiting van de zorgvilla’s van ExpertCare?
Volgens de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bieden de vier locaties van Villa Expertcare zorg aan 70 kinderen.
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting. Wat bent u voornemens daaraan te gaan doen? Waarom zijn de tarieven niet kostendekkend?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en houdt mij intensief op de hoogte van de relevante ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn.
Wat betreft de tarieven voor aanbieders van medische kindzorg heeft de NZa mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek is gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»2. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Bent u in contact met ExpertCare en de getroffen ouders om hen bij te staan in de zoektocht naar een nieuwe plek voor de kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er nog meer medische kindzorg locaties bekend waar sluiting dreigt? Zo ja, hoeveel?
Het is mij niet bekend dat bij andere locaties voor medische kindzorg sluiting dreigt. Ook bij de NZa zijn op dit moment geen signalen bekend van voorgenomen sluitingen van andere aanbieders van medische kindzorg.
Bent u bereid om met de betrokken partijen om tafel te gaan om te voorkomen dat er meer van dit soort sluitingen plaatsvinden en kinderen en hun ouders de dupe worden? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om zelf het initiatief te nemen voor aanvullend overleg. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. Van hen wordt verwacht dat ze tijdig maatregelen nemen om eventuele financiële problemen te voorkomen en, wanneer dit niet lukt, met betrokken stakeholders in overleg te gaan over een oplossing. Zorgverzekeraars en de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) zijn reeds in overleg met elkaar. Daarbij is gesproken over de toegankelijkheid van medische kindzorg op korte, middellange en lange termijn. De NZa houdt mij op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
De misstanden en uitbuiting van Nederlandse jongeren in Franse gastgezinnen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikelen in de Telegraaf en Dagblad van het Noorden over de misstanden bij Franse gastgezinnen waar Nederlandse jongeren via jeugdzorgbedrijf Tjeenz en onderaannemer Force en Soi werden geplaatst? Wat is uw reactie op dit artikel waaruit blijkt dat Nederlandse jongeren feitelijk werden uitgebuit in plaats van dat zij hulp kregen voor hun problemen?1, 2
Ja. Ik ben geschrokken van het bericht dat er mogelijk misstanden waren bij Nederlandse jongeren die in Frankrijk jeugdhulp krijgen. Iedere jongere moet in een veilige omgeving hulp kunnen krijgen, ook als deze hulp in het buitenland wordt gegeven.
Is bekend hoeveel jongeren momenteel in het buitenland zitten via soortgelijke trajecten? Kunt u garanderen dat al deze jongeren nu veilig zijn?
Als jongeren in het buitenland worden geplaatst, dan dient de verplichte procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden gevolgd te worden. Met deze procedure wordt voorafgaand aan de plaatsing van de jongere in het buitenland instemming gevraagd aan de buitenlandse Centrale autoriteit, zodat de landelijke autoriteiten van dat land op de hoogte zijn van de plaatsing. Het CA heeft dus zicht op het aantal geregistreerde (pleegzorg)plaatsingen in het buitenland. Meestal gaat dat om plaatsingen bij familieleden, in een enkel geval bij een gastgezin of zorginstelling. In 2024 ging dit in totaal om 12 kinderen. Als deze procedure niet wordt gevolgd, dan is er geen zicht op deze jongeren en zijn de mogelijkheden om effectief toezicht te houden en op te treden wanneer de veiligheid van jongeren in het geding is beperkt, aangezien de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) geen toezicht houdt in het buitenland.
Wie is er volgens u verantwoordelijk voor het toezicht op leefomstandigheden en kwaliteit van hulp, op het moment dat een jongere in het buitenland wordt geplaatst? Hoe wordt het toezicht vormgegeven en hoe wordt de kwaliteit van de geboden hulp getoetst? Wie is er bevoegd om in te grijpen bij misstanden? Wat is de rol van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bij jeugdhulp in het buitenland?
De Nederlandse kwaliteitseisen gelden ook voor jeugdhulp die gemeenten of aanbieders in het buitenland inkopen of aanbieden. Een gemeente of jeugdhulpaanbieder die ervoor kiest jeugdhulp in het buitenland in te zetten, moet zich er dus van vergewissen dat deze hulp voldoet aan de in Nederland geldende eisen en dat wordt voldaan aan internationale regelgeving en de wet- en regelgeving van het ontvangende land. Zij zijn hier verantwoordelijk voor.
Voordat een jongere geplaatst kan worden in het buitenland, dient de procedure bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden gevolgd te worden door aanbieders en gemeenten. Het volgen van de procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden is de verantwoordelijkheid van de plaatsende instantie, namelijk de gemeente of GI. Deze procedure staat beschreven in de Europese Verordening Brussel II ter. De Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het plaatsende land vraagt hierbij goedkeuring aan de Centrale autoriteit van het ontvangende land alvorens in dat land jeugdhulp verleend kan worden aan een jongere. Dit is van belang zodat het land waar de jongere wordt geplaatst hiervan op de hoogte is, weet wie toezicht houdt en hoe zo nodig contact opgenomen kan worden met de ouders. Bovendien is de procedure voor het plaatsen van de jongere in het buitenland onderhevig aan de nationale regels en voorwaarden van dat land. Via de Centrale autoriteiten kan informatie worden gevraagd welke regels en voorwaarden dat zijn, dit kan per land verschillen.
Verder dienen de afspraken die gemaakt zijn in het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd opgevolgd te worden. Het Platform Jeugdhulp in het Buitenland, de IGJ en de VNG hebben deze afspraken gemaakt. De jeugdhulpaanbieder die jongeren in het buitenland plaatst is volgens het Afsprakenkader verplicht aan de IGJ door te geven wie de lokale toezichthouder is en hoe het toezicht op de kwaliteit is vormgegeven (en wie er dus kan ingrijpen bij eventuele misstanden). Op deze manier kan, indien er zorgen zijn over de kwaliteit van de zorg in het buitenland, de IGJ contact opnemen met de buitenlandse collega-inspectie. Gemeenten hebben in dit kader ook een verantwoordelijkheid, in het Afsprakenkader is hierover het volgende opgenomen: «Nederlandse gemeenten hebben zich aan de afspraken uit dit kader verbonden. Dit betekent dat gemeenten zorgdragen dat iedere buitenlandse plaatsing volgens de criteria van dit afsprakenkader geschiedt.»
Hebt u ook gelezen dat dat deze jongeren stiekem eten aten dat voor dieren was bedoeld, geen wc tot hun beschikking hadden in de nacht, werden opgesloten, rotklussen moesten doen en werden vernederd? Hoe kan het dat deze ernstige misstanden niet eerder ergens zijn opgepakt door de verantwoordelijke organisaties of anderen?
Ja, ik ben erg geschrokken van deze berichten. Jongeren moeten in een veilige omgeving hulp kunnen krijgen, ook als deze hulp in het buitenland wordt gegeven. De verplichte procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden is in deze situatie niet gevolgd. Als deze verplichte procedure en het Afsprakenkader niet worden gevolgd, dan is er geen zicht op deze jongeren en zijn de mogelijkheden om effectief toezicht te houden en op te treden wanneer de veiligheid van jongeren in het geding is beperkt, aangezien de IGJ geen toezicht houdt in het buitenland.
Kunt u verklaren waarom er niet eerder is ingegrepen bij Force en Soi? Waar is dit misgegaan? Zijn er de afgelopen jaren signalen binnen gekomen bij gemeenten, hulporganisaties en de Franse of Nederlandse Inspectie? Zo ja, wat is er gedaan met deze signalen?
De IGJ heeft mijn ministerie gemeld dat zij recentelijk is geïnformeerd door betrokken Nederlandse zorgaanbieders en Franse autoriteiten over het intrekken van de vergunning van Force en Soi. De IGJ kan niet ingaan op individuele casuïstiek of meldingen.
Klopt het dat de IGJ formeel geen rol heeft bij jeugdhulp in het buitenland, maar de toezichthouder in het betreffende land? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Ja, dat klopt. Om het toezicht in het buitenland te regelen voor Nederlandse jongeren dient de verplichte procedure bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden te worden gevolgd. De IGJ is niet bevoegd om toezicht te houden in het buitenland. Als er jeugdhulp wordt geboden in het buitenland, dan moet de aanbieder die dit aanbiedt of gemeente die dit inkoopt hierover afspraken maken met de lokale toezichthouder en er moet op nationaal niveau toestemming zijn van het ontvangende land. De IGJ moet geïnformeerd worden over welke lokale toezichthouder toezicht houdt.
Wat is precies de status van het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod dat door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Platform aanbieders in het buitenland en de IGJ is opgesteld? Klopt het dat er ook aanbieders die geen lid zijn van dit platform kinderen in het buitenland mogen plaatsen?
Het Afsprakenkader bevat afspraken die zijn opgesteld door het Platform Jeugdhulp in het buitenland, de IGJ en de VNG om de kwaliteit van de in het buitenland geboden jeugdhulp te kunnen waarborgen. Het is de bedoeling dat met dit Afsprakenkader kwaliteitstandaarden voor jongeren die in het buitenland jeugdhulp krijgen geborgd worden wanneer een jongere, onder verantwoordelijkheid van een Nederlandse jeugdhulpaanbieder, in het buitenland jeugdhulp ontvangt. De VNG adviseert haar leden om bij trajecten in het buitenland alleen jeugdhulp in te kopen bij organisaties die zich aan het Afsprakenkader houden. Momenteel wordt het Afsprakenkader herzien en verbeterd.
Het klopt dat aanbieders die geen lid zijn van dit platform kinderen in het buitenland mogen plaatsen. In het Afsprakenkader staat dat jeugdhulpaanbieders die zich aansluiten bij het Platform Jeugdhulp in beginsel moeten voldoen aan de kwaliteitsvereisten genoemd in het Afsprakenkader. Wanneer een jeugdhulpaanbieder zich niet aansluit bij het Platform Jeugdhulp, dan is het aan de betrokken gemeente het gesprek te voeren met de jeugdhulpaanbieder die zij heeft gecontracteerd over hoe de kwaliteitsvereisten geborgd worden.
Deelt u de mening dat het afsprakenkader op geen enkele wijze aandacht heeft voor de rechtspositie en rechtsbescherming van jongeren? Hoe verklaart u het dat hier zo weinig aandacht voor is, en er zo weinig geleerd lijkt te zijn van de vele rapporten die de schadelijke gevolgen van repressie en afzondering duidelijk maken?
Kinderen horen veilig te zijn in de jeugdhulp en zij verdienen kwalitatief goede zorg. Ik ga in gesprek met de IGJ en de VNG over hoe dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen. Daarnaast wordt het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd herzien en verbeterd. Ik zal bij partijen benadrukken dat daarin ook aandacht moet zijn voor de rechtspositie en rechtsbescherming van jongeren. Ook wil ik dat er meer aandacht komt voor de verplichte procedure van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden.
Wordt aan jongeren die in het buitenland worden geplaatst expliciet kenbaar gemaakt dat ze recht hebben op een vertrouwenspersoon? Zo nee, hoe rijmt dit met de Jeugdwet en Kinderrechten?
Het is aan plaatsende jeugdhulpaanbieders om hierop toe te zien dat dit gebeurt. Plaatsende jeugdhulpaanbieders dienen de Jeugdwet en kinderrechten in acht te nemen.
Deelt u de mening dat deze misstanden vragen om aanpassing van het afsprakenkader om de positie van kinderen te beschermen? Maar ook om beter toezicht? Zo ja, gaat u dit oppakken met de VNG en de IGJ?
Zie ook het antwoord bij vraag 8: het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd wordt herzien en ik ga in gesprek met de IGJ en de VNG over hoe dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen.
Het bericht 'Jongeren vatbaar voor ‘snel geld’' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»», waarin wordt beschreven hoe jongeren via sociale media worden geronseld voor criminele activiteiten?1
Ja.
Deelt u de zorg dat met name kwetsbare jongeren, waaronder jongeren die al in beeld zijn of zouden moeten zijn bij jeugdzorg of wijkteams, extra vatbaar zijn voor deze vorm van online ronseling?
Ik deel de zorgen over de vatbaarheid van kwetsbare jongeren om (online) geronseld te worden. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, hebben een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken. Dit vraagt ook om een combinatie van mediawijsheid, alsmede betrokkenheid van ouders bij de online activiteiten van hun kinderen.
In hoeverre heeft u gezamenlijk zicht op de omvang van online ronseling van minderjarigen voor criminele activiteiten?
Er is momenteel, bijvoorbeeld bij jeugdzorg of lokale wijkteams, geen gezamenlijk zicht op hoeveel jongeren online worden geronseld. Ronselaars hoeven slechts één oproep te plaatsen om grote aantallen jongeren te bereiken. Daarbij komt dat jongeren zelf terughoudend zijn in het melden van criminele uitbuiting bij de politie of andere instanties. Daarom wordt door het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) een onderzoek uitgevoerd naar de meldingsbereidheid van slachtoffers van criminele uitbuiting. De eerste inzichten uit dit onderzoek worden in de zomer van 2026 opgeleverd en gedeeld met gemeenten en andere partners binnen het preventieveld via bijvoorbeeld de digitale vindplaats van Preventie met Gezag (PmG) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).
Daarnaast financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanuit PmG het online hulpportaal «Keerpunt». Keerpunt biedt online hulpverlening aan jongeren die het slachtoffer zijn van criminele uitbuiting of vastzitten in de criminaliteit. Ook kunnen mensen uit de omgeving van een jongere bij Keerpunt terecht wanneer zij zich over diegene zorgen maken. Uit het jaarrapport van Keerpunt blijkt dat online rekrutering met name via sociale media platformen zoals Snapchat, Telegram en Instagram plaatsvindt. Het specifieke aantal is, zoals eerder benoemd, echter onbekend.
Om meer inzicht te krijgen in de modus operandi van online rekruteren wordt op dit moment in opdracht van JenV en het CKM een cyclisch onderzoek uitgevoerd op Telegram en Snapchat. Inzichten uit dit onderzoek worden omgezet naar een handzame factsheet en worden halfjaarlijks gedeeld met de gemeenten, zorg-, sociaal en veiligheidspartners en opsporingsdiensten. De eerste landelijke factsheet wordt voor de zomer van 2026 verwacht.
Klopt het dat jongeren vaak beginnen met ogenschijnlijk kleine en laagdrempelige klusjes, maar vervolgens via druk, chantage en intimidatie worden vastgezet in zwaardere criminaliteit?
Landelijke cijfermatige onderbouwing van deze aanname ontbreekt. De eerdergenoemde onderzoeken zullen hier meer zicht op geven.
In hoeverre is het huidige jeugdzorgstelsel zó ingericht dat signalen van criminele verleiding, online ronseling en normvervaging bij jongeren structureel en tijdig worden opgepikt en welke randvoorwaarden (zoals informatie-uitwisseling, capaciteit en expertise) spelen daarbij een rol?
Het jeugdzorgstelsel is gedecentraliseerd, waarbij gemeenten op basis van de jeugdwet volledig verantwoordelijk zijn voor de organisatie van alle jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. De uitvoering gebeurt door het inkopen van zorg bij jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen of via lokale wijkteams.
Bij bewustwording over en het signaleren van normvervaging en afglijden van jongeren in een kwetsbare positie naar criminaliteit, spelen de werkgevers in het jeugdzorgstel een belangrijke rol, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de (bij)scholing en professionalisering van hun werknemers die jongeren begeleiden.
Jeugdprofessionals worden hierbij onder andere geholpen door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Onlangs heeft het CCV voor professionals een lijst met «rode vlaggen» gepubliceerd. In deze lijst staan risicosignalen, zowel in de online als offline wereld, die erop kunnen wijzen dat een jongere afglijdt naar de criminaliteit.
In hoeverre worden jeugdzorgprofessionals en andere betrokken hulpverleners structureel geschoold in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en online ronseling van jongeren en in hoeverre wordt daarbij aangesloten bij bestaande expertise en werkwijzen, zoals die zijn ontwikkeld in de aanpak van loverboys en mensenhandel?
In het kader van het Actieplan Samen tegen Mensenhandel werken Defence for Children-ECPAT, Rode Kruis en FIER aan meer inzicht en bewustwording bij professionals gericht op de signalering en bewustwording van jeugdige slachtoffers van mensenhandel. Door middel van een campagne, (#GeenBuit) e-learning (BUIT) en een verdiepende (maatwerk) training zijn in totaal circa 200.000 professionals bereikt in de jeugdzorg, de migratieketen, politie, welzijn en onderwijs. Sinds april 2025 is aanvullend ingezet op bewustwording en signalering van mensenhandel op scholen (het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs) onder de noemer «Uitbuiting (niet) op school». Het aanbod bestaat uit een maatwerktraining, toolkit en vernieuwde signalenkaart.
Deze interventies zijn onderdeel van de brede aanpak van mensenhandel, gecoördineerd vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zo richt de eerder genoemde interventie die zorgt voor inzicht en bewustwording bij professionals op het gebied van jeugdige slachtoffers van mensenhandel zich op zowel criminele uitbuiting als seksuele uitbuiting. Op deze manier wordt aansluiting gezocht bij bestaande expertise en werkwijzen.
Hoe is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd tussen politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk wanneer signalen bestaan dat jongeren online worden benaderd voor criminele activiteiten en waar worden in de praktijk knelpunten ervaren?
Gemeenten geven lokaal invulling aan de samenwerking tussen partijen als politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk. Afhankelijk van de lokale verschillen is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd. Een goede samenwerking en uitwisseling van signalen van bovenstaande partijen is belangrijk om preventief en repressief signalen van ronselen te herkennen.
PmG draagt bij aan het versterken van de lokale domein-overstijgende samenwerking tussen het sociaal domein (gemeenten, zorg- en onderwijspartners) en justitiepartners op het gebied van preventie. Doel is hierbij om te voorkomen dat jongeren in aanraking komen met justitie danwel doorgroeien in de criminaliteit. In iedere PmG-gemeente vinden er multidisciplinaire casusoverleggen plaats, bijvoorbeeld signaal-overleggen op scholen in het kader van de veiligheid rond en om school in gemeenten, (preventieve) persoonsgerichte aanpakken en/of aanpak van complexe problematiek in een Zorg- en Veiligheidshuis. Afhankelijk van de casuïstiek sluiten verschillende partners aan, zoals jongerenwerkers, school, politie, reclassering en gemeente.
Het is belangrijk om tijdig signalen te delen om verder afglijden te voorkomen. Om die reden wordt in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid gewerkt aan een handreiking om gemeenten meer houvast te geven bij het organiseren van vroegsignalering die rechtmatig, zorgvuldig en met oog voor de rechten van jongeren en hun ouders wordt uitgevoerd. De verwachting is dat deze in de eerste helft van 2026 gereed zal zijn en beschikbaar komt voor alle gemeenten.
In antwoord op Kamervragen ten behoeve van het schriftelijk overleg Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september 2025 is op het punt van het delen van informatie uitgebreid ingegaan.2
Acht u de huidige strafrechtelijke mogelijkheden en handhavingsinstrumenten voldoende effectief om ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten op te sporen en hard aan te pakken? Zo nee, waar schieten deze volgens u tekort?
Voor zover ik nu kan bezien, voldoen het strafrecht en de handhaving in de aanpak van criminele ronselaars. Mij zijn geen signalen bekend dat het strafrechtelijk kader in concrete gevallen niet toereikend is om personen die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten strafrechtelijk aan te pakken. Het OM en de politie bevestigen het beeld dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de Officier van Justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld in artikel 273f, vijfde lid, onder e, Sr, waar specifiek de «uitbuiting van een persoon bij het verrichten van strafbare activiteiten» is opgenomen. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten. Of sprake is van criminele uitbuiting hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij wordt gekeken naar de aard en duur van de strafbare activiteit, de beperkingen voor de betrokkene en (in mindere mate) het economische voordeel van degene die de jongere heeft aangezet tot het plegen van het strafbare feit.
Afhankelijk van de omstandigheden zijn er daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Een minderjarige kan bijvoorbeeld tegen betaling een explosief in de nabijheid van een woning plaatsen; dan kan sprake zijn van het uitlokken van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gevaar voor personen of goederen, strafbaar op grond van artikel 157 in verbinding met artikel 47 Sr. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Hoe wordt voorkomen dat geronselde minderjarigen primair repressief worden benaderd, terwijl onderliggende problematiek zoals armoede, schulden, gezinsproblematiek of perspectiefloosheid onbehandeld blijft?
Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en PmG zetten in op het mitigeren van risicofactoren en het bevorderen van beschermende factoren om te voorkomen dat jongeren in een kwetsbare positie met criminaliteit in aanraking komen, afglijden of doorgroeien in de criminaliteit. Dit doen we in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit wordt gecombineerd met het stellen van grenzen die aan jongeren die dreigen in de criminaliteit te belanden danwel doorgroeien. De inzet van PmG sluit aan op de inzet vanuit het NPLV, waar langjarig wordt ingezet op het tegengaan van armoede, het vergroten van de gezondheid en het creëren van veilige en leefbare wijken. De lessen van het NPLV worden breder gedeeld met andere gemeenten. Zie ook de Kamervragen zoals eerder benoemd.3
Acht u het wenselijk om preventieve campagnes en opsporingsmethoden, zoals het inzetten van (digitale) lokmiddelen door politie en gemeenten, landelijk te versterken en structureel te maken?
De auteurs van het landelijk kwaliteitskader «Effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit» concluderen dat er weinig tot geen wetenschappelijk bewijs is dat universele voorlichtings- en educatieprogramma’s bijdragen aan het voorkomen van criminaliteit onder jongeren, terwijl de kans op schadelijke effecten relatief groot is.4 Daarom is terughoudendheid bij de inzet van (brede) campagnes op zijn plaats.
Lokmiddelen zijn zware opsporingsmiddelen. Het werken met een lokmiddel of lokpersoon is complex en vergt veel capaciteit. Bovendien bestaat het risico dat bij de inzet van lokmiddelen de grens tussen lokken en uitlokken wordt overschreden. Vanuit proportionaliteit en subsidiariteit zetten opsporingsdiensten ze daarom terughoudend in, vooral wanneer andere methoden onvoldoende resultaat opleveren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wet- en regelgeving binnen zowel het strafrecht als de jeugdzorg voldoende ruimte biedt voor vroegtijdig ingrijpen en de Kamer hierover te informeren?
We hebben momenteel voldoende instrumenten in handen om samen te kunnen werken, zowel aan de preventieve als aan de strafrechtelijke kant. Gemeenten zetten in om zo vroeg mogelijk kinderen, jongeren en gezinnen in een kwetsbare positie kansen te bieden. Waar nodig bieden zij passende jeugdhulp. Denk hierbij bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning aan ouders en forensische jeugdhulp aan jeugdigen. Het is aan gemeenten om te zorgen voor voldoende passend aanbod. Professionals kunnen bij de keuze voor een passende interventies o.a. gebruik maken van de Richtlijn Ernstige gedragsproblemen.5
Het strafrecht wordt pas ingezet op het moment dat er een strafrechtelijk feit is begaan. In geval van vroegsignalering is hier geen sprake van. Politie kan wel signalen opvangen dat jongeren afglijden in de criminaliteit. Zij kunnen ook samenwerken met scholen of (preventief) doorverwijzen naar jeugdhulp, gemeenten en reclassering. Ik werk voortdurend aan de verbetering van deze samenwerking, bijvoorbeeld door knelpunten in de gegevensdeling tussen gemeenten en justitiepartners op te lossen met de Taskforce Gegevensdeling.
Het bericht 'Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: “In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: «In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de trend dat steeds meer jongeren, waaronder minderjarigen, verslaafd zijn aan online gokken in het licht van de legalisering van online gokken in 2021?
Er zijn geen precieze cijfers over het aantal jongeren dat verslaafd is geraakt aan online gokken sinds 2021. In 2024 was 18% van het aantal mensen dat in behandeling is voor gokverslaving jonger dan 25 jaar.2 Dat vind ik zorgelijk. Jongeren, in het bijzonder minderjarigen, behoren tot een kwetsbare groep die extra gevoelig is voor de verleidingen van gokken. Daarom is mijn beleidsinzet er in het bijzonder op gericht om jongeren beter te beschermen tegen de risico’s van gokken.
Bent u het ermee eens dat legalisatie van online gokken eraan heeft bijgedragen dat gokken onder (minderjarige) jongeren genormaliseerd is en er sprake is van een aanzuigende werking? Zo nee, waarom niet?
Het is niet uitgesloten dat de legalisering, naast andere factoren zoals toegankelijkheid van online diensten, heeft bijgedragen aan de normalisering van online gokken. Het is bekend dat er in de afgelopen jaren meer jongeren, waaronder minderjarigen, online zijn gaan gokken.3 Om dit tegen te gaan zetten de Kansspelautoriteit (Ksa) en ik in op voorlichting over de risico’s van online gokken en het tegengaan van normalisering van deelname aan risicovolle kansspelen.
Op welke manier kan volgens u een cultuurverandering ingezet worden voor jonge jongens om het inzetten van geld op voetbalwedstrijden te denormaliseren?
Denormalisatie is een complex proces waarbij onder andere de sociale omgeving een belangrijke rol speelt.4 Bewustwordingsactiviteiten kunnen eraan bijdragen om jongeren en hun omgeving bewust te maken van de risico’s van sportweddenschappen en hen te laten nadenken of deelname aan deze kansspelen verstandig is. Met dit doel heeft de Ksa bijvoorbeeld al een campagne opgezet vanuit het Verslavingspreventiefonds rondom de sportzomer in 2024. In 2026 zet de Ksa via het Verslavingspreventiefonds opnieuw in op bewustwordingscampagnes. Ook worden bestaande campagnes, bijvoorbeeld de campagne om aandacht te vragen voor de Gokstop, verder uitgebreid. Daarnaast heeft de Ksa in september 2025 het consumentenplatform OpenOverGokken gelanceerd, een platform waar verschillende doelgroepen terechtkunnen voor informatie over gokken én voor informatie over hulp bij problemen door gokken. Begin van dit jaar is de publiekscampagne van OperOverGokken begonnen. Deze activiteiten maken ook onderdeel uit van de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade die op dit moment in ontwikkeling is. Preventie ten aanzien van minderjarigen en jongvolwassenen vind ik daarbij van bijzonder groot belang. Voetbalclub Roda JC heeft, in samenwerking met de Ksa, het initiatief genomen voor de campagne «Wat kost je winst»?. De club vraagt daarmee aandacht voor het feit dat jongeren het steeds normaler vinden deel te nemen aan sportweddenschappen en de gevolgen daarvan. Eenmalig speelden de spelers met «min-rugnummers».5 Ik juich dit initiatief van harte toe.
Bent u het ermee eens dat de KNVB ook een verantwoordelijkheid heeft om de zorgelijke cijfers van voetbalgerelateerde gokverslavingen onder jonge jongens te mitigeren? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de KNVB geen formele verantwoordelijkheid heeft in het voorkomen en tegengaan van gokverslaving onder jonge jongens kan zij hier als maatschappelijke organisatie wel een rol in spelen, bijvoorbeeld in de keuze om al dan niet een overeenkomst aan te gaan met een kansspelaanbieder. In dat kader merk ik op dat sportsponsoring door loterijen toegestaan is. Tegelijkertijd betekent het feit dat iets volgens de wet mag, niet dat die wettelijke ruimte moet
worden benut. Zoals mijn voorganger heeft aangegeven in antwoorden op eerdere Kamervragen zie ik geen aanleiding om hier een gesprek met de KNVB over te voeren.6
Bent u het ermee eens dat de keuzes van de KNVB om het gokbedrijf «Eurojackpot» uit te kiezen als nieuwe hoofdsponsor en de naamgeving van het KNVB bekertoernooi als «Eurojackpot-KNVB beker» uiterst ongelukkig zijn? Bent u bereid daarover het gesprek met de KNVB aan te gaan?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat een totaalverbod op online gokreclames kan helpen in het denormaliseren van online gokken, vooral voor jongvolwassenen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven is normalisatie van online gokken een complex proces waarbij de sociale omgeving een belangrijke factor is. Reclame speelt ook een rol. Als het gaat om reclame in de online omgeving moet daarnaast in aanmerking worden genomen dat deze op dit moment voor een groot deel bestaat uit reclame voor illegaal aanbod. Dan gaat het om reclame via social media zoals Facebook of TikTok onder andere door influencers. Het bestrijden van dat soort ongewenste reclames wordt niet geraakt door de maatregelen in het reguleren van de reclame voor het legale aanbod. Hiervoor is meer inzet op handhaving van illegaal aanbod nodig. Bij de afweging hoe verstrekkend een reclameverbod voor vergunde online kansspelen moet zijn moet hiermee rekening worden gehouden.
Hoe wordt op dit moment opgetreden tegen influencers die reclame maken voor online goksites?
De inzet van rolmodellen, zoals influencers, bij reclame voor vergunde online kansspelen is verboden. De Ksa heeft in dat kader recentelijk een aanbieder aangesproken.7 Reclame door influencers voor illegaal aanbod is uiteraard ook verboden. De Ksa houdt toezicht en treedt op tegen overtredingen. De Ksa heeft eerder influencers die reclame maakten voor een illegale kansspelaanbieder een last onder dwangsom opgelegd.8 In de toezichtagenda 2026 geeft de Ksa aan dat zij zich komend jaar extra richt op toezicht op reclame en dat zij extra capaciteit inzet op het frustreren van illegale infrastructuur, in samenwerking met onder andere sociale mediabedrijven.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Kansspelautoriteit om hardere sancties in te voeren voor aanbieders die leeftijdsverificatie omzeilen of niet kunnen garanderen, zoals het direct offline halen van de site en het intrekken van de vergunning?
De Ksa treedt op in het geval dat een vergunde kansspelaanbieder niet voldoet aan de strenge eisen voor leeftijdsverificatie. In gevallen dat de leeftijdsverificatie omzeild wordt bij legale aanbieders gebeurt dit echter vaak via accounts van volwassen kennissen, familie en vrienden. Bij het illegale aanbod kan de leeftijdsverificatie volledig ontbreken of niet voldoende worden gedaan. Daarom vind ik het belangrijk om juist ook in te zetten de aanpak van illegaal aanbod en op denormalisatie van online gokken bij minderjarigen, zodat zij überhaupt niet online willen gaan gokken.
Hoeveel mensen kampen naar schatting op dit moment met een online gokverslaving sinds 2021?
Cijfers over het aantal mensen dat kampt met specifiek een online gokverslaving zijn er niet. Het aantal mensen in behandeling voor gokverslaving is opgenomen in de Kerncijfers verslavingszorg 2015–2024.9 Na een daling tussen 2018 en 2022 neemt sinds 2023 het aandeel en het aantal personen in de verslavingszorg met als primaire problematiek gokken toe. In 2024 waren 2700 personen in behandeling voor gokproblematiek. Dat deze cijfers zijn gestegen kan verschillende oorzaken hebben. Het is bekend dat het aantal spelers sinds 2021 is toegenomen. Sinds 2021 is er ook meer aandacht voor gokproblematiek en hulp en ondersteuning daarbij.
Wat is volgens u de reden dat sinds 2021 de verslavingscijfers van online gokken zijn gestegen?
Zie antwoord vraag 10.
Op welke manier kunt u ervoor zorgen dat jongeren met problematisch online gokgedrag zich sneller melden bij hulporganisaties?
De inzet op bescherming tegen de risico’s van gokken is een speerpunt van mijn beleid. In mijn antwoord op vraag 4 ben ik in gegaan op de inzet om jongeren bewuster te maken van de risico’s van gokken en de beschikbare hulp en ondersteuning.
Bent u bereid om meer preventieve maatregelen te nemen om jongeren de gevaren van online gokken te laten inzien en ervoor te zorgen dat online gokken niet wordt genormaliseerd onder jongeren? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u van mening dat het versterken van preventieprogramma’s voor online gokken op scholen hierin effectief kan zijn?
Ik vind dat preventieprogramma’s voor online gokken op scholen effectief kunnen zijn. Tegelijkertijd is wel van belang dat dit met zorgvuldigheid wordt vormgegeven om jongeren niet op ideeën te brengen of af te schrikken om hulp te zoeken. Daarom moet naast de jongere zelf ook de omgeving van de jongere worden betrokken bij preventieprogramma’s. Via het Verslavingspreventiefonds dat de Ksa beheert wordt reeds het programma Helder op school uitgebreid met het thema gokken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de begroting van Justitie en Veiligheid?
Ik heb deze vragen zo snel als mogelijk beantwoord. Dat is helaas niet gelukt voor de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid.
Voedselpakketten voor Amsterdamse studenten vanwege toenemende armoede |
|
Fatihya Abdi (PvdA), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes , Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voedselpakketten voor Amsterdamse studenten vanwege toenemende armoede: «Ik sla weleens een maaltijd over»»?1
Ja.
Waren deze signalen bij u bekend?
Deze signalen waren bij mij niet bekend. Wel blijkt uit eerdere onderzoeken dat sommige studenten moeite hebben met rondkomen. Uit het Nibud Studentenonderzoek 2024 blijkt bijvoorbeeld dat ruim 20% van de mbo-studenten en 12% van de hbo-/wo-studenten betalingsachterstanden heeft. Ook gaf 9% van de hbo- en wo- studenten, 12% van de mbo bol-studenten en 10% van de mbo bbl-studenten aan veel moeite te hebben met rondkomen.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat steeds meer studenten de noodzaak voelen te kiezen tussen het betalen van collegegeld, zorgpremie, huur of de boodschappen?
Ja, we vinden het zorgelijk als studenten niet kunnen voorzien in de basale kosten voor studie en levensonderhoud. Alhoewel uit het Nibud Studentenonderzoek van 2024 naar voren komt dat studenten over het algemeen gemakkelijk rond kunnen komen en dat is verbeterd ten opzichte van eerdere jaren, blijkt ook uit andere onderzoeken dat er studenten zijn voor wie dat niet geldt.
Wat is uw reactie op het onderzoek van State of Youth NL waaruit blijkt dat niet alleen studenten, maar ruim 80 procent van de 12- tot 29-jarigen in het algemeen stress ervaart als gevolg van geldproblemen en bijna twee derde moeite heeft om rond te komen?
Dat er zo veel jongeren zijn die stress ervaren door geldproblemen is reden tot zorg. Het is belangrijk dat jongeren leren met geld om te gaan en te voorzien in hun onderhoud. Uit het onderzoek van State of Youth (wat breder is dan studenten) komt ook naar voren dat jongeren soms meer geld uitgeven dan ze van plan waren, omdat ze het moeilijk vinden om de druk te weerstaan om onnodige dingen te kopen en sociale activiteiten te ondernemen. Ook weten jongeren vaak niet waar ze hulp kunnen vinden bij geldzorgen.
Voor studenten geldt dat het voorzien in de kosten van studie en levensonderhoud een gedeelde verantwoordelijkheid is van de student zelf, de ouders en de overheid. Studenten kunnen een bijbaan nemen, sparen of lenen en van ouders wordt ook een financiële bijdrage verwacht. Voor studenten van ouders met een minder toereikend inkomen is een aanvullende beurs beschikbaar. De overheid draagt bij met de basisbeurs en het studentenreisproduct.
Om jongeren financieel weerbaarder te maken, zet de overheid onder andere in op financiële educatie, mediacampagnes en laagdrempelige ondersteuning bij geldzorgen, in en buiten onderwijsinstellingen. In de Voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden, staat hierover meer. Ook is het hebben en behouden van werk belangrijk. Het kabinet heeft besloten om vanaf 2027 het minimumjeugdloon voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar te verhogen.
Om jongeren die dat nodig hebben te begeleiden van school naar werk en bij het behoud van werk, is de wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk per 1 januari 2026 in werking getreden. En gemeenten kunnen maatwerk toepassen bij de re-integratie en inkomensondersteuning voor jongeren die in een kwetsbare positie zitten2.
Heeft u inzicht in hoeveel studenten genoodzaakt zijn zich te wenden tot reguliere voedselbanken omdat ze te weinig geld overhouden voor de boodschappen?
Nee, dit wordt niet geregistreerd.
Hoe ziet u dit nieuws in het licht van onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (HvA), waaruit blijkt dat geldzorgen negatieve invloed op de studieresultaten en het privéleven van studenten hebben?2
Welzijn wordt, zowel positief als negatief, beïnvloed door veel verschillende factoren. Financiële stress kan inderdaad een negatieve invloed hebben op het welzijn van studenten blijkt uit onderzoek4. Dit is zorgelijk. Het is daarom belangrijk dat studenten leren op een verantwoordelijke wijze met geld om te gaan en dat studenten die geldzorgen hebben zo vroeg mogelijk hulp krijgen, bij hun onderwijsinstelling of daarbuiten (zie vraag 4 en 8).
Deelt u de zorgen over de onderzoeksresultaten van de HvA waaruit blijkt dat 22 procent van de studenten niet alleen geldzorgen heeft, maar ook nog eens achterstallige rekeningen waarvoor weer driekwart van de studenten geen betalingsregeling heeft getroffen? Heeft u in beeld hoe groot deze problemen onder studenten van andere instellingen zijn?
Het is zorgelijk dat zoveel studenten een betalingsachterstand hebben. We hebben geen cijfers per onderwijsinstelling, maar uit het Nibud Studentenonderzoek uit 2024 komt een vergelijkbaar beeld naar voren wat betreft het deel van de studenten dat een betalingsachterstand heeft. Het is daarom belangrijk dat studenten die geldzorgen hebben zo vroeg mogelijk hulp krijgen bij geldzorgen, zodat betalingsachterstanden worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kosteloos aanbieden van budgetcoaches voor financiële hulp en begeleiding geen extra kostenpost voor onderwijsinstellingen zou moeten zijn, zoals nu bij de HvA het geval is, maar voor alle studenten van alle instellingen toegankelijk moet zijn, zeker omdat dit het risico op financiële problemen later in het leven vermindert en voorkomt dat problemen verergeren?
Onderwijsinstellingen zijn niet verantwoordelijk voor het aanbieden van financiële hulp. Verantwoord met geld omgaan is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de student zelf. Instellingen kunnen wel problemen signaleren bij studenten en hen op de juiste manier verwijzen of laagdrempelige hulp bieden. Er zijn diverse gratis hulproutes beschikbaar, bij de gemeente, vrijwilligers, Geldfit (website, bellijn, whatsapp, chat, mail) en andere organisaties.
Daarnaast zijn er ook voorbeelden van onderwijsinstellingen die (bijvoorbeeld vanuit de subsidieregeling «Financiële educatie voor onderwijsinstellingen») de samenwerking hebben gezocht met hun lokale gemeente en op die manier budgetcoaches op school inzetten om financiële begeleiding aan studenten met geldzorgen te bieden.
Zijn er acties ondernomen naar aanleiding van de resultaten van Europees onderzoek dat in januari 2022 met de Kamer is gedeeld waaruit blijkt dat studenten eerder op zichzelf gaan wonen als hun ouders een krappe portemonnee hebben, en studenten op kamers weer vaker financiële zorgen dan thuiswoners hebben?34
Er zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen die de financiële situatie van uitwonende studenten hebben verbeterd. In studiejaar 2023–2024 is de basisbeurs opnieuw ingevoerd voor hbo- en wo-studenten, waarmee zowel
thuiswonende als uitwonende hbo- en wo-studenten een hogere bijdrage van de overheid ontvangen. Daarnaast is vanaf 1 januari 2026 de leeftijdsgrens voor de huurtoeslag verlaagd van 23 naar 21 jaar. Hierdoor komt een groter deel van de uitwonende studenten in aanmerking voor huurtoeslag. Deze maatregelen hebben de financiële situatie van uitwonende studenten flink verbeterd.
Deelt u de mening dat de financiële situatie van ouders geen invloed zou mogen hebben op de studieperiode van hun kinderen?
Studeren moet voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht de financiële situatie van de ouders. Als het inkomen van de ouders niet toereikend is om een financiële bijdrage te leveren, dan hebben studenten recht op een aanvullende beurs, naast de basisbeurs. Minderjarige mbo bol-studenten kunnen een tegemoetkoming krijgen uit het mbo-studentenfonds, als ze onvoldoende middelen hebben om lesmiddelen aan te schaffen.
Is een basisbeurs van 130,21 euro per maand voor thuiswonenden en 324,52 euro per maand voor uitwonenden wat u betreft voldoende om de kosten te dekken, zeker met de stijgende kosten voor huur- en levensonderhoud? Deelt u de mening dat een bijbaan dit verschil niet zomaar kan overbruggen?
In het antwoord op vraag 4 gaf ik al aan dat de kosten van studie en levensonderhoud van studenten worden gedragen door de student, ouders en de overheid. Uit het Nibud Studentenonderzoek van 2024 bleek verder dat ongeveer 90% van de studenten aangeeft financieel (goed) rond te kunnen komen. Daarom heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in 2024 in de Kamerbrief over de financiële positie van studenten7 – op basis van de voorbeeldbegrotingen8 van het Nibud voor uitwonende studenten – geconcludeerd dat deze studenten in principe over voldoende middelen beschikken om in de minimale kosten van studeren en levensonderhoud te voorzien. Daarbij is wel uitgegaan van de gemiddelde kamerhuur, dat studenten een bijbaan hebben en een bijdrage van de ouders of aanvullende beurs ontvangen. Voor studenten die niet werken of een veel hogere huur betalen kan het lastiger zijn om in die kosten te voorzien.
In 2026 zal het Nibud opnieuw een Studentenonderzoek uitvoeren en de voorbeeldbegrotingen aanpassen naar de huidige situatie. Dit onderzoek wordt tweejaarlijks uitgevoerd. We blijven daarmee de financiële situatie van studenten monitoren.
Welke stappen onderneemt u of gaat u ondernemen om de geldstress onder jongeren en studenten naar beneden te brengen?
Zie het antwoord op vraag 4. De aanpak van geldzorgen van jongeren is onderdeel van het Nationaal Programma Armoede en Schulden. In de voortgangsrapportage over dat programma, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden, wordt uw Kamer op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen.