Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Ja.
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, woningnood kan directe en ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen. Ieder kind verdient (passend) onderwijs. Het moet vanzelfsprekend zijn dat alle kinderen deel kunnen nemen aan het onderwijs, zich optimaal kunnen ontwikkelen en zich kunnen voorbereiden op vervolgonderwijs en deelname aan de maatschappij. De schrijnende situaties die worden beschreven in het artikel, waarbij kinderen geen stabiele en veilige thuisbasis hebben, belemmeren de mogelijkheden voor de kinderen. Ik deel de zorgen rondom deze signalen.
Door de schaarste op de woningmarkt is het voor veel gezinnen moeilijk om een passende woning te vinden. Soms lukt het helemaal niet om een eigen woonplek te vinden en komen zij noodgedwongen terecht bij vrienden of familie, in vakantieparken of in de maatschappelijke opvang. Geen enkel kind zou een verwoestende en vaak traumatische periode van dakloosheid in hun leven mee moeten maken. Juist in gevallen van dakloosheid waar kinderen bij betrokken zijn, moet een gemeente er alles aan doen om het gezin te helpen.
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
Er zijn geen landelijke cijfers bekend hoeveel minderjarige kinderen verkeren in een situatie van dakloosheid. De regionale Ethos-tellingen waarnaar verwezen wordt in het bericht, geven voor een aantal regio’s een duidelijk beeld. De aantallen uit het bericht zijn een weergave van het aantal dakloze kinderen (totaal 4.062) dat op 8 april 2025 in 9 regio’s (totaal 57 gemeenten) geteld is. Deze Ethos-telingen zijn de afgelopen jaren in 124 gemeenten uitgevoerd en in 2026 volgen nog eens 96 gemeenten. Zodoende hebben deze regio’s goed zicht op het aantal dakloze, minderjarige kinderen en hun verblijfsituatie. Het is onbekend welk type onderwijs deze kinderen volgen.
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Zie ook het antwoord op vraag 3. De Ethos-tellingen zijn gebaseerd op een brede definitie, waar verborgen dakloosheid (verblijven bij vrienden/familie, verblijf op een vakantiepark, etc.) onderdeel van is. Met een telling krijgt een regio goed zicht op het aantal dakloze kinderen én de wijze van hun verblijf. Op basis van deze informatie kan een regio zorgen dat beleid en uitvoering beter aansluit op de behoefte van dakloze mensen. VWS wil de aankomende jaren faciliteren dat in alle regio’s periodiek tellingen worden uitgevoerd. Zodoende krijgen gemeenten en regio’s goed zicht op verborgen dakloosheid én dakloosheid onder minderjarigen.
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Scholen zijn er in de eerste plaats om goed onderwijs te verzorgen voor alle leerlingen, ook voor kwetsbare leerlingen. School moet daarvoor een veilige omgeving zijn waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n schoolklimaat leidt behalve tot betere leerprestaties en een hogere motivatie, ook tot een sterker welbevinden van kinderen. Scholen met veel kwetsbare leerlingen ontvangen extra bekostiging om hierin te voorzien. School speelt verder een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen, bijvoorbeeld door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij schoolactiviteiten. Waar nodig kan de school ondersteuning bieden om te kunnen leren, zoals een gevulde maag met een schoolmaaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten. Het kabinet werkt aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp. Vanaf 2027 investeert het Ministerie van OCW 650 miljoen euro per jaar in de verduurzaming van programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden.
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
De problemen die gepaard gaan bij een situatie van dakloosheid, worden door veel partijen gevoeld, maar iedere partij heeft een andere verantwoordelijkheid. De gemeente heeft een regierol als het gaat om het voorkomen van dakloosheid. Ik deel de opvatting dat het niet de kerntaak is van het onderwijs om het probleem van dakloosheid op te vangen. Het onderwijs is immers bedoeld om kinderen te ontwikkelen, zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij. School is wel een plaats waar zorgelijke situaties aan het licht kunnen komen, zoals ook in het artikel wordt geïllustreerd. Vanuit school kan daarna contact gelegd worden met de bredere ondersteuningsstructuur rondom de school. Hierbij kan gedacht worden aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk of lokale teams.
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet en de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning en zorg aan volwassenen en kinderen die kampen met sociale en/of psychische problematiek. Zij kopen verschillende vormen van ondersteuning en (maatschappelijke) opvang in waar inwoners gebruik van kunnen maken. Slechts een deel van de dakloze gezinnen heeft te maken met sociale of psychische problemen. Vaak is het gezin in de eerste plaats geholpen met het vinden van passende woonplek. Hoe langer de periode van dakloosheid duurt, hoe groter de kans dat sociale en/of psychische problemenontstaan of verergeren. Daarom werkt het kabinet samen met provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars aan het tegengaan van de wooncrisis door het versnellen van de woningbouw en het beter benutten van bestaande woonruimte. Gemeenten doen er alles aan om dakloze gezinnen zo goed mogelijk te helpen. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang, maakt dat er niet altijd op korte termijn een passende plek beschikbaar is.
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
De basis om goed onderwijs te kunnen volgen, is een veilige leeromgeving waar een leerling zich gezien weet. Toch is het niet volledig te voorkomen dat leerlingen met stress, door bijvoorbeeld dakloosheid, het risico op achterstanden lopen. Door programma’s als Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School en Omgeving en het onderwijsachterstandenbeleid wordt ingezet op het verminderen van de effecten van stress en het vergroten van de leer- en ontwikkelmogelijkheden van de meest kwetsbare leerlingen. Scholen met een hoge populatie kwetsbare leerlingen kunnen aanvullende middelen ontvangen om het negatieve effect dat omgevingsfactoren kunnen hebben op de leerkansen te verminderen. Dit stelt scholen in staat om aanvullende ondersteuning te bieden die het risico op achterstanden verkleinen in de vorm van bijvoorbeeld een schoolmaaltijd of ontwikkelactiviteiten, zodat ook deze leerlingen beter kunnen deelnemen aan het onderwijs. Brugfunctionarissen kunnen daarbij een voor de leerkrachten ontlastende rol vervullen.
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Het is niet bekend hoeveel dakloze gezinnen met minderjarige kinderen buiten de opvang of hulpverlening vallen. Om te bepalen of een gezin überhaupt in aanmerking komt voor gemeentelijke jeugdhulp of Wmo-ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang), voert de gemeente een onderzoek uit. Het niet beschikken over passende woonruimte is op zichzelf geen reden om in aanmerking te komen voor opvang. Op het moment dat het gezin zelfredzaam wordt bevonden, is een gemeente niet verplicht een voorziening te verstrekken. De gemeente mag een zelfredzaam gezin wel toegang geven tot de opvang, al zijn de gezinnen vooral gebaat bij passende huisvesting. Ik begrijp de complexiteit daarvan vanwege de schaarse woningmarkt, maar ik roep lokale partijen wel op om passende oplossingen te vinden.
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in besluiten rondom woningbouw, tijdelijke huisvesting / flexwonen en het organiseren van kleinschalige opvang. Daarnaast werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) dakloze mensen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentiecategorie. Dit betekent dat deze gezinnen onder bepaalde voorwaarden met voorrang recht krijgen op een woning. Aanvullend hierop zetten we in op de uitvoering van de «Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar)»3, waarmee we het aantal dakloze jongeren willen reduceren en een verdere toename willen voorkomen.
Het bericht ‘Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit»?1
Het verhaal van Froukje grijpt mij aan. Jongeren die afhankelijk zijn van jeugdhulp moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilig zijn, met respect worden behandeld en passende zorg ontvangen. Vrijheidsbeperkende maatregelen mogen nooit als straf worden ingezet en mogen uitsluitend binnen de wettelijke kaders en als uiterste middel worden toegepast. Wanneer een jongere in een kwetsbare situatie door de ingezette jeugdhulp juist extra beschadigd raakt, is dat zeer ernstig. Ik vind het belangrijk dat jongeren met ingrijpende ervaringen worden gehoord en serieus genomen.
Hoe kijkt u aan tegen het advies van uw voorganger dat jongeren die slachtoffer zijn van geweld in de jeugdzorg daarvan aangifte moeten doen? Hoe zou dit moeten werken in gevallen waarbij bij de jongere niet bekend is wie de zorgverleners zijn die zich daar schuldig aan hebben gemaakt?
Ik onderschrijf het advies van mijn ambtsvoorganger dat jongeren aangifte moeten doen bij de politie als zij slachtoffer zijn (geweest) van geweld in de jeugdzorg2. Als niet duidelijk is wie de (jeugd)hulpverleners zijn die dit geweld hebben toegepast, kan de jongere ook aangifte doen tegen de jeugdhulpaanbieder. Dit is mogelijk in die situaties waarin de strafbare gedraging van personeel binnen de sfeer van de jeugdhulpaanbieder ligt en deze gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend aan de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De professionals die zij in dienst nemen of inhuren moeten bekwaam zijn om de aan hen toebedeelde taken uit te voeren en beschikken over de juiste deskundigheid om jongeren te helpen. Daarnaast kan ook aangifte worden gedaan tegen de feitelijk leidinggevende, bijvoorbeeld als deze persoon bekend was met de werkwijze van het personeel en daarmee gepaard gaande risico’s en bevoegd was om passende maatregelen te treffen, maar dat achterwege heeft gelaten.
In hoeverre zou een zorginstelling zelf aangifte kunnen of moeten doen in een situatie die hierom vraagt? In hoeverre kan een zorginstelling deze verantwoordelijkheid van een cliënt overnemen?
Iedereen die kennis heeft van een strafbaar feit is bevoegd om hiervan aangifte te doen.3 Bij bepaalde ernstige strafbare feiten, zoals moord, doodslag of verkrachting bestaat een verplichting tot het doen van aangifte.4 Dit geldt ook voor (het bestuur of de dagelijkse leiding van) een jeugdhulpaanbieder. Daarnaast zijn jeugdhulpaanbieders verplicht om hun interne systemen zo in te richten dat signalen over misstanden intern goed kunnen worden besproken/gemeld, geanalyseerd en tot verbetering leiden.5 Dit kan bijvoorbeeld via één of meer documenten, waarin wordt beschreven hoe wordt omgegaan met strafbare feiten gepleegd door personeel of ondergeschikten. Denk bijvoorbeeld aan een intern aangiftebeleid, gedragscode of incidentenprotocol.
Voor zover geen aangifteplicht geldt, hebben zowel de jeugdhulpaanbieder als de cliënt de bevoegdheid om aangifte te doen. Deze bevoegdheden bestaan naast elkaar. Indien uitsluitend de jeugdhulpaanbieder aangifte doet van een strafbaar feit, is het aan de politie om te beoordelen of dit voldoende grond biedt voor nader onderzoek, of dat ook een aangifte van de cliënt is vereist. Volledigheidshalve wil ik benoemen dat ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aangifte kan doen, wanneer zij na onderzoek concludeert dat er mogelijk sprake is van een strafbaar feit.
Als een zorginstelling een cliënt niet gelooft en geen actie onderneemt, wie zou een cliënt dan bij kunnen staan om ze in dit proces te begeleiden?
De cliënt kan zich op verschillende wijzen laten bijstaan bij het doen van aangifte. Dit kan allereerst in de vorm van informele steun: een persoon uit het eigen netwerk van de cliënt. Daarnaast kan de cliënt zich wenden tot Slachtofferhulp Nederland6; zij kunnen de cliënt begeleiden bij het doen van aangifte. Indien de cliënt nog te maken heeft met jeugdzorg, is het op grond van Jeugdwet mogelijk om een vertrouwenspersoon in te schakelen, bijvoorbeeld via Jeugdstem7. De vertrouwenspersonen kunnen jongeren ondersteunen bij het doen van aangifte van geweldsincidenten in de jeugdzorg.
Daarnaast is ook juridische rechtsbijstand mogelijk. Allereerst kan de cliënt informatie inwinnen bij het juridisch loket of de rechtsbijstandsverzekeraar. Daarnaast is bijstand door een advocaat ook mogelijk. In gevallen waarin sprake is van ernstig psychisch of lichamelijk letsel door een geweldsmisdrijf, seksueel misbruik of seksueel geweld kan de cliënt ook in aanmerking komen voor een (gratis) slachtofferadvocaat. Komt de cliënt hiervoor niet in aanmerking, dan kan op eigen kosten gebruik worden gemaakt van een advocaat. Afhankelijk van het inkomen en eigen vermogen kan een deel van de juridische kosten worden vergoed via de gesubsidieerde rechtsbijstand.8
Deelt u de mening dat een vermindering van de externe inhuur van medewerkers essentieel is voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdzorg? Zo ja, welke concrete doelen en tijdlijn hanteert u daarvoor en welke stappen zet u om dit te bereikten? Zo nee, waarom niet?
De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De inzet van extern ingehuurd personeel is daarom niet per definitie onwenselijk. Wel is het van belang dat werkgevers inzetten op een goede balans tussen personeel in vaste loondienst en flexwerkers. Personeel in vaste loondienst zorgt voor vertrouwde gezichten voor cliënten, wat bijdraagt aan een goede vertrouwensrelatie tussen de hulpverlener en de jongere en daarmee de kwaliteit van zorg ten goede kan komen. De inzet van extern ingehuurde medewerkers moet zich richten op het opvangen van «piek en ziek», wanneer dat niet lukt met interne medewerkers.
In het Integraal Zorgakkoord (hierna: IZA) is de opgave opgenomen dat regionale werkgeversorganisaties, zorginkopers en VWS actief inzetten op regionaal werkgeverschap (flexibele schil in loondienst) en een moderner arbeidscontract dat werknemers meer mogelijkheden biedt om meer regie te voeren over vormgeving van werk en werktijden om zo het werken in loondienst aantrekkelijker te maken.
Bent u bereid om een maximumpercentage invalkrachten in te voeren per zorgbedrijf?
Het is niet wenselijk om een (maximum) percentage invalkrachten te benoemen. Een maximumpercentage zou de benodigde flexibiliteit in de personeelsinzet in de zorgsector kunnen beperken en is daarom niet passend als generieke maatregel. Het is primair de verantwoordelijkheid van werkgevers om het aannemen van vaste krachten in de zorg te bevorderen en iedereen aan te trekken en te behouden die kwalitatief goed werk kan en wil leveren.
Welke acties onderneemt u om er in ieder geval voor te zorgen dat het achteraf duidelijk is welke (extern ingehuurde) zorgverleners bij de zorg voor welke jongeren betrokken zijn geweest? Welke verantwoordelijkheid hebben de betrokken zorgaanbieders hierbij?
Jeugdhulpverleners zijn op grond van de Jeugdwet al verplicht een dossier te maken rondom de verlening van jeugdhulp. Hierin worden de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen en door de hulpverlener uitgevoerde verrichtingen vastgelegd (Jeugdwet, art. 7.3.8). Aanvullend worden ook gegevens in het dossier opgenomen als dit noodzakelijk is voor een goede hulpverlening aan de jeugdige. Volgens de veldnorm «het dossier in de jeugdhulpverlening»9 moet in het dossier te lezen zijn wat en met wie besproken is over de voortgang van de begeleiding, behandeling of ondersteuning. De betreffende hulpverlener dient dus een en ander vast te leggen, ongeacht of deze in vaste dienst is of een externe ingehuurde hulpverlener.
Daarnaast is een jeugdhulpaanbieder verplicht het dossier gedurende twintig jaar te bewaren en dient deze jeugdigen, ouders of verzorgers inzage te geven in het dossier en hen een afschrift te verstrekken van de gegevens die daarin staan. Ook de IGJ mag – in het kader van onderzoek of toezicht – een dossier inzien. De jeugdhulpaanbieder is verplicht om mee te werken aan zo’n onderzoek.
In hoeverre wordt er nadat een calamiteit (zoals gebruik van geweld en/of vrijheidsbeperkende maatregelen) aan het licht komt gecontroleerd of zorgverleners de juiste papieren hadden en of zij nog werkzaam zijn in de zorg?
De Jeugdwet bevat voor zowel de jeugdhulpaanbieders als de gecertificeerde instellingen reeds de verplichting om zich op zodanige wijze te voorzien van voldoende gekwalificeerd personeel en voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling te zorgen, dat dit leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp10. Een jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het controleren of medewerkers over de juiste kwalificaties beschikken. Daarbij zijn zij verplicht om van personen die in hun opdracht beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie zij jeugdhulp verlenen of aan wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd, in ieder geval een verklaring omtrent gedrag (hierna: VOG) te hebben.
Een calamiteit of incident moet altijd worden gemeld bij de IGJ. Afhankelijk van de ernst van de zaak kan de IGJ zelf een calamiteitenonderzoek starten, waarbij ook kan worden nagegaan of de betreffende medewerker over de vereiste kwalificaties beschikte. Of een betreffende medewerker vervolgens elders bij een zorginstelling werkzaam is geworden, kan niet worden nagegaan.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren binnen de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan.
Hoe reageert u op de signalen dat er bij D3 ook na het beëindigen van het verscherpte toezicht nog vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet als straf?
Ik wil graag benadrukken dat het in geen enkele situatie is toegestaan om gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten als straf voor een jeugdige. Jeugdigen die hiermee te maken hebben, roep ik op om zich te melden bij de vertrouwenspersoon van Jeugdstem en/of de IGJ. Wanneer zorgprofessionals hiermee te maken hebben binnen hun organisatie en bespreking intern niet tot verandering leidt, kunnen zij uiteraard ook een melding maken bij de IGJ.
In sommige situaties kan het nodig zijn om tegen de wil van de jeugdige (of van degene die het gezag over de jeugdige uitoefent) gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten. Hier zijn strikte voorwaarden en eisen aan verbonden die wettelijk zijn vastgelegd. Als het gaat om jeugdhulp zijn vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van de Jeugdwet alleen toegestaan in de gesloten jeugdhulp. Daarnaast kan op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) gedwongen zorg vanwege een psychische stoornis worden verleend indien wordt voldaan aan de eisen die deze wet daaraan stelt.
Tegelijkertijd vraagt de veranderende praktijk in de jeugdhulp veel van professionals. Recent onderzoek van Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd en Factor I11 laat zien dat de veranderingen binnen de residentiële jeugdhulp een grote impact hebben op professionals. Door de afbouw van de gesloten jeugdhulp blijkt een deel van de doelgroep die eerder werd opgenomen in de gesloten jeugdhulp naar open residentiële voorzieningen te verschuiven, waardoor de complexiteit en zwaarte van hulpvragen toenemen. Ook wordt op veel plekken ingezet op kleinschalig werken. Dit biedt kansen voor maatwerk en nabijheid, maar vraagt tegelijkertijd om het waarborgen van veiligheid en passende bescherming in situaties die steeds veeleisender worden. In deze context ervaren professionals regelmatig handelingsverlegenheid. Het rapport onderstreept het belang van nieuw vakmanschap in de residentiële jeugdhulp: vakmanschap dat professionals ondersteunt om met vertrouwen en deskundigheid te handelen in een veranderende praktijk. Stichting Beroepsopleiding Gezondheidszorg en Factor I zijn hierover in gesprek met Kwaliteit Blijvend Leren om te komen tot een meerjarenprogramma gericht op het versterken van dit vakmanschap.
De opleiding en BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel en de zorg dat kinder- en jeugdpsychologen (hierna: K&J-psychologen) na het 18e levensjaar geen zorg meer zouden kunnen leveren aan deze patiënten in de geestelijke gezondheidszorg. K&J-psychologen geven in het artikel ook aan van mening te zijn dat gedurende de beleidsvoorbereiding van een mogelijk conceptwetsvoorstel al verwachtingen zijn gewekt over het reguleren van één nieuw beroep «gz-psycholoog-generalist» (een samenvoeging van de K&J-psycholoog NIP en de gz-psycholoog), waardoor zij een BIG-registratie zouden krijgen.
De zorgen van deze K&J-psychologen deel ik niet. K&J-psychologen leveren een waardevolle bijdrage aan de geestelijke gezondheidszorg in het jeugddomein en kunnen daarnaast ook een belangrijke bijdrage leveren aan zorg voor patiënten van 18 jaar en ouder. Zoals ik in mijn brief van 18 maart 20262 aan uw Kamer gemeld, kunnen K&J-psychologen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext. Ze kunnen bovendien zonder BIG-registratie voor jongeren van 18 jaar en ouder, namelijk tot en met 19 jaar, regiebehandelaar zijn.
Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing. Een hierin opgenomen overgangsregeling3 van jeugd-ggz naar volwassen-ggz is sinds 1 januari 2017 van toepassing en is opgesteld in samenwerking tussen zorgaanbieders, beroepsgroepen, zorgverzekeraars en andere relevante betrokkenen.4 Deze regeling houdt in dat de behandeling tijdelijk kan worden voortgezet onder de Zorgverzekeringswet bij hun bestaande behandelaar, mits deze is geregistreerd in het SKJ- of BIG-register. De regeling waarborgt continuïteit van zorg en geldt maximaal 365 dagen na het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
Voor inzet van de K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. De focus ligt daarbij op de inzet van SKJ óf BIG-geregistreerde zorgmedewerkers, rekening houdend met het niveau van kennis of vaardigheden, en het kunnen werken volgens hun beroepscode en richtlijnen. De K&J-psychologen kunnen zich bij het SKJ registeren, hier is niets aan veranderd.
De term regiebehandelaar volgt uit afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). In meer complexe en hoogspecialistische zorg is, conform de veldafspraken in het LKS, het regiebehandelaarschap voorbehouden aan andere BIG-geregistreerde specialisten, zoals de psychiater, klinisch psycholoog of psychotherapeut. Het LKS maakt hierin een expliciet onderscheid naar zorgzwaarte en verantwoordelijkheidsniveau, waardoor de invulling van het regiebehandelaarschap per setting verschilt. Deze systematiek beoogt te borgen dat in elke zorgsetting een regiebehandelaar wordt ingezet met passende kennis, ervaring en verantwoordelijkheid. Daarbij kunnen onder voorwaarden ook niet-BIG-geregistreerde professionals een rol vervullen in de behandeling, afhankelijk van de afspraken in het veld. K&J-psychologen zonder BIG-registratie kunnen in de volwassen ggz wel werkzaamheden verrichten binnen de behandeling, maar kunnen geen regiebehandelaar zijn en dus geen eindverantwoordelijkheid dragen. Deze eis volgt uit de veldnorm, het LKS, en niet uit de Wet BIG. De Wet BIG zelf stelt géén eisen aan het regiebehandelaarschap. Ik deel dan ook niet de veronderstelling dat een BIG-registratie voor K&J-psychologen noodzakelijk zou zijn voor de patiëntveiligheid. De invulling van het regiebehandelaarschap en eventuele aanscherpingen daarvan zijn onderdeel van het LKS en daarmee veldafspraken tussen betrokken partijen. Voor zover deze eis uit het LKS als beperkend wordt ervaren, ligt het dus in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen.
Zoals in de brief van 18 maart 20265 aan uw Kamer gemeld, is hierover, naar aanleiding van de motie van de leden Bushoff (GroenLinks-PvdA) en Van den Hil (VVD) en de toezegging van mijn ambtsvoorganger in het tweeminutendebat op 26 november 2025, in een rondetafelgesprek op 4 februari 2026 uitgebreid gesproken met veldpartijen in de ggz die onderdeel zijn van het LKS.6 Tijdens het rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welke eventuele aanpassingen helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken is dat partijen dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het LKS. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken. Samen met gemeenten, jeugdhulpaanbieders en zorgverzekeraars wordt ingezet op verdere verbetering van de overgang van jeugdhulp naar de volwassen-ggz als geheel. Dit onderwerp maakt daarom onderdeel uit van de Versterkingsagenda Mentale Gezondheid en GGZ.
Overigens deel ik de stelling niet dat bij de beleidsvoorbereiding rondom het genoemde conceptwetsvoorstel vanuit het kabinet verwachtingen zijn gewekt. De communicatie vanuit het Ministerie van VWS over het conceptwetsvoorstel had betrekking op een beleidsvoornemen dat nog in voorbereiding was en nog in consultatie moest gaan. Er was geen sprake van een ingediend voorstel of aangenomen wet. Dit onderscheid is belangrijk om te begrijpen waarom nieuwsberichten over dit conceptwetsvoorstel zich beperken tot hoofdlijnen en waarom er nog geen details over de verdere uitwerking en voorwaarden konden worden verstrekt. Hierbij wil ik expliciet benadrukken dat VWS niet verantwoordelijk is voor communicatie of verwachtingen die door derden in het veld worden geuit.
Hoe kan de BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) bijdragen aan het tekort dat er is aan GZ-psychologen?
De instroom in de opleiding tot gz-psycholoog is op dit moment toereikend om te voorzien in de verwachte zorgvraagontwikkeling. Zoals aan uw Kamer op 22 mei 2026 gemeld stel ik voor de gz-psycholoog opleidingsplaatsen beschikbaar conform het demografische scenario van het Capaciteitsorgaan verminderd met het gemiddeld aantal onbeschikte opleidingsplekken van de afgelopen drie jaar7. Ik verwacht dat dit aantal gecombineerd met de reeds 21.451 in het BIG-register geregistreerde gz-psychologen8 voor wat betreft deze beroepsgroep voldoende zal bijdragen aan de zorg in de ggz. Het is belangrijk dat er niet meer wordt opgeleid dan door het Capaciteitsorgaan geadviseerd om een zogenoemde varkenscyclus te voorkomen en aanbod en vraag dus op elkaar aan te laten sluiten.
Overigens reguleert de Wet BIG alleen (titels en bevoegdheden van) beroepen wanneer dit noodzakelijk is voor patiëntveiligheid en het behoud van de kwaliteit van de individuele zorgverlening door een beroepsgroep. Het Zorginstituut Nederland heeft in mei 2022 aangegeven dat zwaardere regulering van het beroep K&J-psycholoog door opname in het BIG-register in dat licht niet noodzakelijk is en dat de kwaliteit van de zorg al voldoende wordt gewaarborgd door het Kwaliteitsregister Jeugd.9 K&J-psychologen kunnen (blijven) werken in de jeugdhulp, ook zonder registratie als gz-psycholoog.
Hoe kan het dat u stelt dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen leidt tot hogere zorgkosten door een hogere inschaling, terwijl uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als GZ-psychologen?
Zoals aan uw Kamer gemeld10 vormden de hogere zorgkosten één van de redenen voor het niet doorzetten van het conceptwetsvoorstel ter vereenvoudiging van de beroepenstructuur van de psychologische beroepen. Dit is rechtstreeks gebaseerd op de impactanalyse van SiRM11 en de reacties uit de internetconsultatie. Deze stijging is onder andere het gevolg van de herinschaling van K&J-psychologen en psychotherapeuten die nodig zou zijn als het conceptwetsvoorstel was doorgezet.
In het genoemde rapport wordt expliciet berekend dat de opname van K&J-psychologen in artikel 3 Wet BIG zou leiden tot een stijging van loonkosten met circa € 6 miljoen per jaar, uitgaande van ongeveer 460 fte K&J psychologen en een gemiddeld loonverschil van € 12.000 per fte. Wanneer deze berekening wordt doorgetrokken naar een groep van bijvoorbeeld 1.000 K&J-psychologen zal dit naar verwachting naar rato hoger uitkomen. Dit sluit dan ook niet aan dat uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als gz-psychologen.
Hiernaast is in de reacties uit de internetconsultatie van onder andere de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Nederlandse GGZ en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd, gewezen op onvoldoende uitgewerkte financiële gevolgen en een mogelijke kostenstijging van € 10–20 miljoen per jaar binnen het jeugddomein, die niet binnen de bestaande financiële kaders kunnen worden opgevangen.
Echter, de afweging om geen overgangsregeling te treffen berust niet uitsluitend op kostenoverwegingen. Uit de verkenning naar een omzetting, zoals toegelicht in mijn brief van 23 september 202512, blijkt dat een BIG-registratie voor K&J-psychologen niet noodzakelijk is om kwaliteit en patiëntveiligheid te waarborgen. Dit sluit aan bij de conclusie van het Zorginstituut uit 2022 dat wettelijke regulering niet noodzakelijk is en de continuïteit van de zorg in de jeugd-ggz voldoende is geborgd. Hiernaast heeft het Zorginstituut Nederland geconcludeerd dat er geen sprake is van een eenduidige opleiding tot Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP die voldoet aan de criteria voor opname in artikel 3 van de Wet BIG. Daarbij is vastgesteld dat er meerdere routes bestaan naar registratie als Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP, die inhoudelijk van elkaar verschillen en geen uniforme eindtermen kennen.13 Dit staat tegenover de opleiding tot gz-psycholoog, die een vast, landelijk vastgesteld curriculum en uniforme opleidingseisen kent.
Klopt het dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn voor jongeren van 18 jaar en ouder, en daardoor in de praktijk deze groep niet zelfstandig kunnen behandelen?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat de overgangsregeling van maximaal 365 dagen slechts een tijdelijke oplossing biedt, waarna alsnog een behandelonderbreking optreedt en cliënten opnieuw een intake en behandeling moeten starten, met onnodige belasting en inefficiëntie tot gevolg?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe doelmatig acht u het dat K&J-psychologen zich kunnen omscholen tot GZ-psycholoog met publieke opleidingsmiddelen van 54.000 euro, per opleidingsplek, terwijl zij reeds een opleiding hebben gevolgd die volgens veldpartijen en de hoofdopleiders van de GZ-opleiding als gelijkwaardig wordt beschouwd?
Ik acht het van belang dat publieke middelen doelmatig worden ingezet voor opleidingen die nodig zijn om te voorzien in de benodigde capaciteit en kwaliteit van zorg. De opleiding tot gz-psycholoog is een wettelijk geregelde postmasteropleiding die opleidt tot een BIG-geregistreerd beroep met eigenstandige verantwoordelijkheden in de zorg. De opleiding tot Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP is daarentegen geen eenduidig en wettelijk gereguleerd opleidingstraject. Het Zorginstituut Nederland heeft in 2022 vastgesteld dat meerdere routes kunnen leiden tot registratie als Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP, die inhoudelijk van elkaar verschillen en geen uniforme eindtermen kennen.14 Dit onderscheidt zich van de opleiding tot gz-psycholoog, die is vormgegeven als een wettelijk gereguleerde BIG-opleiding met een landelijk vastgesteld curriculum, uniforme opleidingseisen en publiekrechtelijke kwaliteitsborging.
Dat in het veld wordt gesproken over overlap of inhoudelijke verwantschap tussen opleidingen, doet niet af aan het feit dat het gaat om twee verschillende opleidingen en beroepen met onderscheiden kaders en eindtermen. Dat K&J-psychologen en gz-psychologen in de praktijk vergelijkbare werkzaamheden kunnen verrichten in het jeugddomein, laat dit onverlet.
Herkent u het signaal uit het artikel dat selectiecommissies kandidaten voor de reguliere GZ-opleiding weigeren omdat de kandidaten met een K&J-opleiding overgekwalificeerd zijn?
Er hebben mij signalen bereikt dat kandidaten met een K&J-opleiding niet tot de opleiding tot gz-psycholoog worden toegelaten omdat zij overgekwalificeerd zouden zijn. De keuze voor de toelating tot de opleiding tot gz-psycholoog wordt gemaakt door de praktijkopleider van de praktijkopleidingsinstelling waar de kandidaat na toelating werkzaam zal zijn, én de hoofdopleider van de opleidingsinstelling. Zij hebben samen goed zicht op de kwaliteiten en geschiktheid van de kandidaat om opgeleid tot worden tot gezondheidszorgpsycholoog. Overkwalificatie is bij de selectie geen relevante afwijzingsgrond.
Heeft u overwogen om deze groep K&J-psychologen in te zetten als volwaardig GZ-psycholoog en tegelijkertijd het aantal opleidingsplaatsen tijdelijk te verlagen, hetgeen kan leiden tot een bezuiniging van minstens 54 miljoen euro in de komende 10 jaar (54.000 x +/- 1.000)? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Ik heb deze variant niet overwogen om de bij het antwoord op vraag 6 genoemde reden dat het gaat om twee verschillende opleidingen en beroepen met onderscheiden kaders en eindtermen.
Daar bovenop geldt dat het stelsel van opleidingsplaatsen voor de gz-psycholoog is gebaseerd op de meerjarige raming van het Capaciteitsorgaan, waarin de verwachte zorgvraag en benodigde instroom voor de zorgsector als geheel worden betrokken. De jaarlijkse vaststelling van het aantal opleidingsplaatsen is hierop gebaseerd en gericht op continuïteit en kwaliteit van zorg. De keuze om al dan niet te starten met de opleiding tot gz-psycholoog blijft een individuele keuze binnen deze bestaande structuur. De verschillen in instroomprofiel, zoals eerdere opleiding, hebben daarbij geen invloed op de omvang van de beschikbare opleidingsplaatsen of de bekostigingssystematiek van de beschikbaarheidbijdrage. Daarmee is de inzet van publieke middelen voor de opleiding doelmatig, omdat deze niet is gericht op individuele leerpaden of (veronderstelde) gelijkwaardigheid van eerdere opleidingen, maar op het waarborgen van voldoende instroom.
Zoals genoemd in de kabinetsreactie van 22 mei 2026 op de raming van het Capaciteitsorgaan ben ik voornemens om vanaf 2028 voor een beperkt aantal psychologen een verkort opleidingstraject te realiseren.15 Dit om perspectief te bieden aan psychologen die al langere tijd wachten op een vervolgopleiding tot gz-psycholoog en reeds veel werkervaring hebben. Hierbij zal de randvoorwaarde gelden dat dit niet zal leiden tot een uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen hoger dan de door het Capaciteitsorgaan geraamde aantallen.
Kunt u toelichten waarom de uitvoering van de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598), waarin wordt opgeroepen om met het veld te spreken over een oplossing voor deze groep, in de praktijk niet heeft geleid tot een gesprek over de meer dan 1.000 gedupeerde K&J-psychologen, maar zich heeft gericht op de toekomstige positionering van K&J-psychologen? Waarom zijn K&J-psychologen zelf niet uitgenodigd voor het rondetafelgesprek van 4 februari 2026, terwijl de motie juist oproept om met hen in gesprek te gaan?
Ik hecht eraan om te benadrukken dat ik uitvoering heb gegeven aan de motie Bushoff/Van den Hil door het organiseren van een rondetafelgesprek met relevante veldpartijen.16 Zoals ook in mijn brief van 18 maart 202617 aan uw Kamer gemeld had het rondetafelgesprek van 4 februari 2026 als doel om vanuit een faciliterende rol veldpartijen met elkaar in gesprek te brengen over knelpunten in de praktijk rond de inzet van K&J-psychologen, in het bijzonder in relatie tot het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en het regiebehandelaarschap, en om ruimte te bieden voor het bespreken van mogelijke verbeteringen in de inzet en benutting van deze beroepsgroep.
De agenda voor dit rondetafelgesprek is in overleg met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de beroepsvereniging van psychologen, waaronder zowel K&J-psychologen als gz-psychologen, opgesteld. Voor dit rondetafelgesprek zijn de partijen uitgenodigd die betrokken zijn bij de betreffende veldnormen en kaders. Het NIP heeft aangegeven de belangen van K&J-psychologen te vertegenwoordigen. Daarnaast is aan het collectief van K&J-psychologen kenbaar gemaakt dat zij hun inbreng via het NIP konden aanleveren.
Hoe verhoudt de stelling dat een BIG-registratie niet noodzakelijk is voor patiëntveiligheid zich tot het feit dat binnen de GGZ het regiebehandelaarschap bij complexere problematiek en bij jongeren van 18 jaar en ouder juist is voorbehouden aan BIG-geregistreerde professionals, precies waar de K&J-psychologen werkzaam zijn?
Zie antwoord vraag 1.
De uitzending van BOOS over Yes We Can Clinics |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van BOOS van 7 april 2026 gezien, over de misstanden bij Yes We Can Clinics?1
Ja.
Wat vindt u van de in de uitzending getoonde bevindingen waaruit blijkt dat een flink aantal jongeren trauma’s hebben opgelopen na hun behandeling bij Yes We Can Clinics?
Ik ben geschrokken van de ervaringen die jongeren met BOOS hebben gedeeld. Een behandeling dient gericht te zijn op het verminderen en opheffen van problemen. Een behandeling mag nooit (gezondheids-)schade aanbrengen.
In hoeverre zijn signalen die binnenkwamen bij de redactie van BOOS ook bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: Inspectie) of het Ministerie van VWS bekend? Zijn er signalen binnengekomen bij de Inspectie? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken hoeveel, in welke jaren en wat de aard is van de meldingen?
Als jongeren of ouders bellen met het Landelijk Meldpunt Zorg (onderdeel van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, hierna LMZ) registreert de IGJ dit als signaal. De IGJ geeft aan dat er sinds 2022 29 signalen zijn binnengekomen. Hieronder uitgesplitst per jaar:
2022: 2
2023: 1
2024: 2
2025: 2
2026: 22, waarvan tot uitzending BOOS (1-1-26 t/m 7-4-26): 2 signalen en na uitzending BOOS (8-4-26 t/m 29-4-26): 20 signalen.
Vanwege het recent gestarte toezichtstraject deelt de IGJ geen verdere informatie over de aard van de meldingen.
Als er signalen bekend waren, was dit reden voor de Inspectie om een nieuw onderzoek te doen of voor gemeenten om in te grijpen? Zo nee, waarom niet? Als er geen signalen binnenkwamen, wat zegt dat over de bekendheid van de Inspectie bij de doelgroep?
Iedereen kan met klachten of signalen bij het LMZ van de IGJ terecht. De IGJ heeft geen zicht in de overwegingen van jongeren of ouders in deze casus om wel of niet contact op te nemen met het LMZ. De IGJ heeft de afgelopen twee jaar gewerkt aan haar toegankelijkheid voor jongeren door het uitvoeren van een jongerencampagne via sociale media. Hierbij werden jongeren uitgenodigd om hun ervaringen met jeugdhulp anoniem te delen2.
De IGJ besluit op basis van de bij haar bekende informatie om wel of niet een onderzoek in te stellen. Hierbij betrekt de IGJ de informatie uit onder andere meldingen, signalen en uitkomsten van eerdere inspectiebezoeken. Dit vormde sinds 2018 geen aanleiding om een toezichtstraject te starten. De IGJ geeft aan dat zij gezien de aard en de ernst van de signalen die onlangs bekend zijn gemaakt, recent een toezichtstraject is gestart bij Yes We Can Clinics.
Het is mij niet bekend of individuele gemeenten signalen hebben ontvangen.
Zijn er elders signalen binnengekomen, bijvoorbeeld bij de vertrouwenspersonen van Jeugdstem?
Ja, Jeugdstem geeft aan dat er drie klachten zijn geuit over Yes We Can Clinics bij vertrouwenspersonen. De laatste klacht dateert van november 2025.
Is ooit onderzocht of de bewering op de website van Yes We Can Clinics dat 74% van de jongeren geen specialistische behandeling meer nodig had, klopt? Had dat moeten gebeuren en zo ja, door wie? Zo nee, waarom niet?
Yes We Can Clinics geeft op haar website aan dat de bewering in kwestie is gebaseerd op herhaaldelijk onafhankelijk onderzoek, waarbij het meest recente onderzoek is uitgevoerd in 2023. De IGJ heeft tot op heden geen onderzoek gedaan naar de bewering op de website van Yes We Can Clinics. De IGJ kijkt in haar toezicht naar de kwaliteit, veiligheid en betrouwbaarheid van de zorg en jeugdhulp en is recent een toezichtstraject gestart bij Yes We Can Clinics.
Hoe kan het dat een methode die oorspronkelijk werd gebruikt in de verslavingszorg, door Yes We Can Clinics ook wordt toegepast op tieners en adolescenten die kampen met (de gevolgen van) allerlei andere soorten problematiek, van depressie tot ADHD tot borderline? Wie heeft beoordeeld dat de methode van Yes We Can Clinics toegepast mag worden op jongeren met deze uiteenlopende zorgvraag? Aan welke criteria is dit getoetst en wanneer?
Het is aan een behandelaar om een behandelmethode te kiezen die aansluit bij een jongere, zodat de jongere daar baat bij heeft, en deze op de juiste wijze toe te passen. Behandeling vindt plaats conform professionele standaarden, richtlijnen en kwaliteitskaders. Daarnaast is het belangrijk dat jongeren en hun ouders worden betrokken bij de keuze voor de behandelmethode en inspraak hebben tijdens de behandeling. Er kunnen verschillende behandelmethoden in de zorg worden gebruikt.
De IGJ ziet toe op de kwaliteit van de geleverde zorg. De bekwaamheid van de jeugdzorgprofessionals is hier onderdeel van. Tijdens een onderzoek beoordeelt de IGJ onder andere of een behandelmethode conform professionele richtlijnen wordt uitgevoerd. Daarnaast beoordeelt de IGJ of de zorgaanbieder samen met de jongeren en ouders de hulpvraag, de doelen en de vorm van de geboden hulp bepalen.
Klopt het dat het laatste Inspectiebezoek aan Yes we Can Clinics plaatsvond op 10 december 2018? Zijn er sindsdien nog aangekondigde of onaangekondigde bezoeken geweest? Hoe kan het dat de Inspectie onderzoekt of de «zorgverlening aan de voorwaarden voor goede en veilige zorg voldoen,» terwijl niet met jongeren zelf wordt gesproken, maar enkel vijf dossiers zijn bekeken? Welke rol hebben gemeenten die jongeren plaatsen bij Yes We Can Clinics?
Het klopt dat het laatste onderzoek naar de kwaliteit door de IGJ aan Yes We Can Clinics plaatsvond op 10 december 2018. Het bezoek in 2018 vond plaats in het kader van een specifieke toezichtronde op middelgrote ggz- en verslavingszorginstellingen. Deze toezichtronde was gericht op het beter in beeld krijgen van dit type organisaties. Door het specifieke doel van dit toezicht, toetste de inspectie een beperkt aantal normen. Daarnaast is er op hoofdlijnen getoetst. De IGJ heeft in deze toezichtronde gesproken met de bestuurders en zorgverleners, individuele dossiers beoordeeld en beleid beoordeeld. Er is niet met cliënten gesproken. Welke bronnen de IGJ bij een toezichtbezoek gebruikt, hangt af van de onderzoeksvragen.
De drie thema’s die tijdens het bezoek centraal stonden waren persoonsgerichte zorg, deskundige zorgverlener, en sturen op kwaliteit en veiligheid. Op het thema persoonsgerichte zorg toetste de inspectie normen over het behandelplan en dossiervoering. Om deze normen te toetsen voerde de IGJ gesprekken met leden van het management/directie, regiebehandelaren en uitvoerende medewerkers, deed dossieronderzoek en kreeg inzage in kwaliteitsdocumenten. In het onderzoek dat de IGJ nu is gestart naar Yes We Can Clinics zullen gesprekken met jongeren onderdeel zijn.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor organisatie en financiering van de jeugdhulp. Zij maken afspraken met aanbieders over de in te kopen zorg. Gemeenten kunnen daarbij, naast de kwaliteitseisen die gelden vanuit de Jeugdwet, specifieke kwaliteitseisen stellen aan de te leveren diensten. Dit betekent dat de gemeente niet altijd inhoudelijk betrokken is bij een casus.
Verwijzing naar specialistische zorg kan verlopen via de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, lokaal team of gecertificeerde instelling (GI). De jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp.
Is het overnemen van een jeugdzorginstelling door een private equity organisatie, zoals bij Yes We Can Clinics gebeurde in 2021 door Holland Capital en in september 2025 door Bencis Capital Partners, reden voor extra toezicht of een Inspectiebezoek? Zo nee, waarom niet?
Een overname door een private equity organisatie is geen reden voor extra toezicht. Iedere zorgaanbieder dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden, ook als er een private equity investeerder betrokken is. Vanuit de toezichthouders wordt er bij betrokkenheid van een private equity organisatie daarom ook niet anders gehandeld dan bij elke andere zorgaanbieder.
Vindt u het verantwoord dat jeugdzorginstellingen zoals Yes We Can Clinics worden gekocht door private equityorganisaties die primair gericht zijn op het maken van winst en doorverkoop? Worden gecontracteerde gemeenten en zorgverzekeraars actief op de hoogte gesteld wanneer een private equity organisatie een instelling opkoopt? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit? Zo nee, waarom niet?
Er is geen verbod op overname van jeugdhulpaanbieders door private equity partijen. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of opvolging. Dit kan een positief effect hebben op de beschikbaarheid, continuïteit en kwaliteit van zorg. Tegelijkertijd ziet het kabinet ook dat er risico’s verbonden zijn aan private equity investeringen, waarbij de betaalbaarheid en kwaliteit van zorg onder druk kan komen te staan. Daarom is dit kabinet voornemens te zorgen voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Of gemeenten en zorgverzekeraars actief op de hoogte gesteld worden als een private equity organisatie investeert in een zorg- of jeugdhulpaanbieder, is afhankelijk van de contractafspraken die gemeenten/zorgverzekeraars en aanbieders met elkaar maken. Zorginkopers kunnen nu al in de contractvoorwaarden opnemen dat zij vroegtijdig meegenomen worden in voorgenomen fundamentele beslissingen in de bedrijfsvoering, zoals een fusie of overname.
Kan de overname van een jeugdzorginstelling door een private equity-partij reden vormen om een contract open te breken door bijvoorbeeld een gecontracteerde gemeente of zorgverzekeraar?
Gemeenten of zorgverzekeraars kunnen contractueel bedingen dat zij voorafgaand aan een overname of fusie geïnformeerd worden over een overname of fusie. Dit betekent echter niet automatisch dat een contract open gebroken kan worden. Of een contract open gebroken kan worden bij een overname door een private equity partij, hangt af van het geheel van contractuele afspraken die partijen onderling hebben gemaakt en de omstandigheden van het geval.
Wat vindt u ervan dat tussen 2021 en 2024 de omzet van 35 miljoen naar 56 miljoen euro is gestegen en er jaarlijks miljoenen winst wordt gemaakt? Zijn dergelijke overnames en winsten een reden voor nader onderzoek of toezicht? Zo nee, waarom niet? Wat vindt u ervan dat er miljoenen winst wordt gemaakt, terwijl de behandeling van publiek geld wordt betaald? Vinden er ook winstuitkeringen plaats en zo ja, aan wie?
Een stijgende omzet of winst zijn op zichzelf geen directe signalen voor misstanden en/of niet integer gedrag in de zorg. Winst maken, of een positief bedrijfsresultaat behalen, is noodzakelijk om als zorg- of jeugdhulpaanbieder gezond te blijven en is in het belang van de continuïteit van zorg voor cliënten en jeugdigen. Een winstuitkering mag echter nooit ten koste gaan van de kwaliteit, toegankelijkheid of betaalbaarheid van zorg en dient altijd verantwoord plaats te vinden. Dit wordt meegenomen in het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). In dit wetsvoorstel worden voorwaarden gesteld aan het uitkeren van winst.
Overnames en winsten zijn geen directe redenen voor nader onderzoek of toezicht. Wel kan aanvullend onderzoek plaatsvinden door NZa of IGJ als zorg- en jeugdhulpaanbieders3 niet voldoen aan de eisen voor een transparante financiële bedrijfsvoering en/of als er signalen zijn dat door overname of winstuitkering sprake is van risico’s voor de kwaliteit, veiligheid of continuïteit van zorg.
Voor welk bedrag heeft Bencis Capital Partners in 2024 het oprichtersechtpaar Jan Willem en Petra Poot uitgekocht?
Deze informatie heeft het Ministerie van VWS niet.
Het Inspectierapport uit 2018 stelt al dat de klachtenfunctionaris «niet geheel onafhankelijk» is, hoe is dit momenteel geregeld? Is er inzicht in de hoeveelheid en de aard van de klachten en wat ermee is gedaan? Deelt u de mening dat een klachtenfunctionaris altijd onafhankelijk van de instelling zou moeten opereren?
De onafhankelijkheid van de klachtenfunctionaris is een wettelijke eis, zie artikel 15, lid 2 van de Wkkgz. In dit artikel staat het vereiste dat een klachtenfunctionaris zijn functie onafhankelijk kan uitvoeren.
In de klachtenregeling4 van Yes We Can Clinics, die te vinden is via de website van de organisatie, zegt Yes We Can Clinics te beschikken over een onafhankelijke klachtenfunctionaris. De IGJ zal in het lopende onderzoek nagaan of jeugdigen en hun ouders de mogelijkheid hebben om voor hun belangen op te komen conform de Wkkgz en de Jeugdwet.
De jeugdzorgaanbieder rapporteert jaarlijks via het Jaardocument Maatschappelijke verantwoording hoeveel klachten er zijn ingediend bij de klachtencommissie, het aantal klachten dat door de klachtencommissie in behandeling is genomen, en het aantal klachten waarover de klachtencommissie advies heeft uitgebracht. Deze informatie is ook voor Yes We Can Clinics openbaar toegankelijk.
Is u bekend dat het Inspectierapport uit 2018 beschrijft dat de personele bezetting bestaat uit «psychiaters, verpleegkundigen, GZ-psychologen, basispsychologen, jongerencoaches, groepswerkers ervaringsdeskundigen en groepscounselors,» terwijl uit de uitzending van BOOS het beeld naar voren komt dat met name ervaringsdeskundigen en counselors betrokken zijn bij de behandeling? Is het personeelsbestand veranderd of heeft de Inspectie hier iets over het hoofd gezien? Is de regiebehandelaar nog steeds altijd een psychiater?
Volgens het openbare kwaliteitsstatuut5 van Yes We Can Clinics is de regiebehandelaar, afhankelijk van de behandelvariant, een psychiater, psychotherapeut, GZ-psycholoog, verpleegkundige specialist, sociaal psychiatrisch verpleegkundige of klinisch psycholoog. De term regiebehandelaar is gekoppeld aan het Landelijk Kwaliteitsstatuut GGZ. Dit Kwaliteitsstatuut is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). In deze afspraken is aan het regiebehandelaarschap de voorwaarde van een registratie in het register voor Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG) verbonden. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. Dit betekent dat voor werkzaamheden die een bepaalde mate van complexiteit of risico met zich meebrengen, de zorgmedewerker geregistreerd moet zijn in het BIG-register of bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).
Het inspectierapport uit 2018 benoemt de inzet van ervaringsdeskundigen en counselors. In 2018 voldeed de zorgaanbieder aan de door de IGJ getoetste normen met betrekking tot de deskundigheid en inzet van de medewerkers. De IGJ zal in het lopende onderzoek nagaan of er voldoende deskundige hulpverleners beschikbaar zijn, afgestemd op wat de jeugdigen nodig hebben.
Wat vindt u van de geschetste methode waarbij jongeren worden geconfronteerd met hun aandoening of verslaving, en dit ook geldt voor jongeren die slachtoffer zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik, eetstoornissen en depressies? Acht u dit verantwoord?
De methodiek die toegepast wordt moet passend zijn bij de problematiek van de jeugdigen. Voor de jeugdzorg zijn verschillende basisrichtlijnen beschreven. Het kan zijn dat er door de problematiek meerdere professionele richtlijnen van toepassing zijn, en op basis daarvan een maatwerktraject wordt vormgegeven. Zie verder vraag 7. De IGJ kijkt in het toezicht naar de manier waarop Yes We Can Clinics de (behandel)richtlijnen toepast.
Kunnen jongeren met de behandeling stoppen op ieder moment dat zij willen? Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat dit niet in alle gevallen mogelijk is?
Jongeren die in het zogenaamd vrijwillig kader jeugdhulp ontvangen kunnen er – met hun ouders – altijd en op elk moment voor kiezen om een behandeling te stoppen. Een zorgaanbieder kan dat niet verbieden. Ook moet een zorgaanbieder ervoor zorgen dat jongeren en hun ouders over voldoende informatie beschikken om een keuze te maken. Als er een andere plek gevonden is, moet een zorgaanbieder zorgdragen voor een duidelijke overdracht naar het vervolgverblijf.
Ik vind het zorgelijk dat er signalen zijn dat cliënten niet konden stoppen met de behandeling die zij ondergingen. Om de informatiepositie van ouders en jongeren te versterken wordt er op dit moment gewerkt aan voorlichtingsmateriaal over de rechten van ouders en jongeren, o.a. bij vrijwillige jeugdhulp. In dit materiaal wordt ook aangegeven wat je kunt doen als je het niet eens bent met de jeugdhulp, wilt stoppen met jeugdhulp en waar je als ouders of jongere ondersteuning kunt vinden. Het voorlichtingsmateriaal zal na de zomer gepubliceerd worden.
Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Het interview van vicepremier Yesilgöz met NOS Stories over dakloze jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat verstaat u precies onder «alles op alles zetten» om het aantal dakloze mensen in 2030 naar nul te brengen?1
Hoe rijmt u deze uitspraken met het coalitieakkoord waarin geen enkel concreet plan staat voor dakloze mensen?
Waaruit blijkt precies dat het kabinet, in de woorden van de vicepremier «heel hoge prioriteit» geeft aan dakloze jongeren? Kunt u uiteenzetten wat er precies wordt gedaan voor deze groep of welke concrete maatregelen het kabinet op korte termijn neemt?
Kunt u uw bewering dat er «heel veel» in het coalitieakkoord staat over de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en over preventie, onderbouwen?
Hoeveel extra budget gaat u vrijmaken om uw woorden na te komen, in de wetenschap dat het budget dat is gekoppeld aan het Nationaal Actieplan Dakloosheid, aantoonbaar onvoldoende is om de beloften waar te maken?
Bent u bereid gemeenten te ondersteunen, die concrete plannen hebben om dakloze jongeren, of jongeren die dreigen dakloos te raken, aan een woonplek te helpen? Zo ja, hoe precies?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
Het bericht 'Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer»?1
Kunt u bevestigen dat bij Jeugdbescherming Noord een jeugdbeschermer is ingezet in kwetsbare gezinnen, terwijl sprake was van een eerdere tuchtrechtelijke berisping en Jeugdbescherming Noord niet wist waarvoor deze medewerker precies was berispt? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gecertificeerde instelling een berispte jeugdbeschermer kan inzetten in gezinnen waar diep wordt ingegrepen in het gezinsleven, zonder dat de instelling de inhoud en ernst van die berisping kent? Zo nee, waarom niet?
Welke wettelijke, professionele of organisatorische verplichtingen gelden voor gecertificeerde instellingen om vooraf te controleren of een jeugdbeschermer tuchtrechtelijk is berispt, geschorst of anderszins onderwerp is geweest van ernstige professionele tekortkomingen? Acht u die verplichtingen voldoende?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, zo nodig samen met de Inspectie Justitie en Veiligheid, te verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop Jeugdbescherming Noord deze medewerker heeft aangenomen, ingezet, begeleid en gecontroleerd, en naar de dossiers waarin deze medewerker betrokken was?
Bent u bereid te laten onderzoeken of in de betreffende dossiers sprake is geweest van onvoldoende onderbouwde, onzorgvuldige of disproportionele kinderbeschermingsmaatregelen, waaronder uithuisplaatsingen, en of ouders en kinderen daardoor schade hebben geleden?
Deelt u de opvatting dat kinderbeschermingsmaatregelen altijd zorgvuldig moeten worden onderbouwd, omdat anders het recht op gezinsleven in het geding kan komen? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat ouders jarenlang moeten procederen om fouten in zulke maatregelen boven tafel te krijgen?
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Het bericht 'Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen' |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen», waarin wordt gemeld dat in Rotterdam inmiddels 15.160 jongeren tot 23 jaar met jeugdzorg te maken hadden, dat dit neerkomt op ongeveer één op de elf jongeren, en dat dit afwijkt van de landelijke dalende trend?1
Kunt u voor de jaren 2020 tot en met 2025, uitgesplitst naar gemeente, jeugdregio en provincie, aangeven hoeveel jongeren jeugdzorg ontvingen, zowel absoluut als als percentage van het aantal jongeren tot 23 jaar?
Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, gezinsgerichte opvang, gesloten jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering?
Kunt u aangeven in welke gemeenten het jeugdzorggebruik het sterkst boven of onder het landelijke gemiddelde ligt, en welke verklarende factoren daarvoor volgens u het meest aannemelijk zijn?
Kunt u voor de afgelopen vijf jaar aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten is gestart als crisis, welk deel herhaald beroep betreft en welk deel betrekking heeft op jongeren die daarnaast ook jeugdbescherming of jeugdreclassering ontvangen?
Kunt u de jeugdzorgcijfers uitsplitsen naar leeftijdscategorie, geslacht, type huishouden, inkomenskwintiel van het huishouden en onderwijssoort?
Kunt u, voor zover beschikbaar en met inachtneming van statistische geheimhouding, de jeugdzorgcijfers tevens uitsplitsen naar geboorteland van de jongere, geboorteland van de ouders en herkomstland conform CBS-definities?
Kunt u daarbij nadrukkelijk onderscheid maken tussen jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering, omdat deze vormen inhoudelijk en beleidsmatig sterk verschillen?
Welke van deze achtergrondkenmerken hangen volgens bestaande CBS-analyses het sterkst samen met jeugdzorggebruik, en welke beleidsconclusies verbindt u daaraan?
Kunt u aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten wordt gestart via de gemeentelijke toegang, welk deel via huisarts, jeugdarts of medisch specialist, welk deel via gecertificeerde instellingen en welk deel via rechterlijke of justitiële route?
Klopt het dat gemeenten bij de medische verwijsroute wel financieel verantwoordelijk zijn, maar beperkt kunnen sturen op de feitelijke toekenning van hulp? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor kostenbeheersing en voor het terugdringen van onnodige of lichte jeugdhulp?
Welke hulpvormen heeft u concreet op het oog, gezien in de toelichting op het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet wordt gesteld dat preventie en basishulp voorliggend moeten worden op aanvullende jeugdhulp, dat jeugdhulp waar mogelijk groepsgewijs moet worden ingezet en dat bepaalde hulpvormen bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) buiten de Jeugdwet kunnen worden geplaatst?
Welke vormen van jeugdhulp worden volgens u op dit moment te vaak ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kan worden georganiseerd?
Kunt u vóór de behandeling van de nieuwe regels over de reikwijdte van de Jeugdwet een landelijke benchmark aan de Kamer te sturen met per gemeente het feitelijke jeugdzorggebruik, de modelschatting op basis van achtergrondkenmerken, de afwijking daarvan en een beleidsmatige duiding van opvallende uitschieters?
Bent u bereid daarbij expliciet inzichtelijk te maken waar sprake lijkt te zijn van overgebruik van lichte jeugdhulp, waar sprake lijkt te zijn van onderbereik van kwetsbare jongeren, en waar sprake is van relatief veel zware jeugdzorg? En kunt u dit beleidsmatig duiden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het debat over de nieuwe regels voor de reikwijdte van de Jeugdwet?
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Etkin Armut (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Sarath Hamstra (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
Het bericht dat meldingen van kindermishandeling te traag worden afgehandeld door Veilig Thuis |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Niemand weet hoe vaak het misgaat» over de trage afhandeling van meldingen van kindermishandeling door Veilig Thuis en wat is uw reactie op de zorgen van jeugdrechtadvocaten dat ernstige zaken te lang blijven liggen?1
Klopt het dat meldingen van ernstige kindermishandeling regelmatig langer openstaan dan de wettelijke termijn van tien weken en hoeveel meldingen staan momenteel langer open dan wettelijk toegestaan?
Hoeveel meldingen van vermoedens van ernstige kindermishandeling of huiselijk geweld zijn de afgelopen vijf jaar niet tijdig opgepakt en hoeveel kinderen zijn in diezelfde periode ernstig mishandeld of overleden terwijl er al signalen bekend waren bij hulpinstanties?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen mogelijk maandenlang in een onveilige thuissituatie blijven terwijl instanties al meldingen en signalen hebben ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat ernstige zaken volgens deskundigen «ondersneeuwen» door de grote hoeveelheid meldingen en is er volgens u sprake van personeelstekorten, bureaucratie, falende coördinatie of onvoldoende deskundigheid binnen Veilig Thuis?
Hoeveel fte is er de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis bijgekomen, hoeveel vacatures staan momenteel open en acht u de huidige capaciteit voldoende om kinderen tijdig te beschermen?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de afgelopen vijf jaar ingegrepen, waarschuwingen afgegeven of onderzoeken ingesteld naar Veilig Thuis-organisaties wegens tekortschietende uitvoering?
Hoe wordt momenteel gecontroleerd of meldingen daadwerkelijk leiden tot snelle en adequate actie om kinderen direct in veiligheid te brengen en klopt het dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over meldingen en de voortgang van onderzoeken?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis, jeugdzorg, gemeenten, politie en andere instanties? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen, extra middelen, bevoegdheden of wetswijzigingen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat ernstige meldingen direct prioriteit krijgen en te voorkomen dat kinderen opnieuw slachtoffer worden van langdurige mishandeling door falend toezicht?
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Geert Wilders (PVV), Marjolein Faber (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Misstanden bij gezinshuizen. |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de misstanden in De Glind en in andere gezinshuizen, zoals gerapporteerd door Omroep Gelderland en EenVandaag?1, 2, 3
Deelt u het beeld dat, ondanks dat gezinshuizen een hele mooie constructie zijn en in veel gevallen goed werken en erg waardevol zijn, er ook misstanden plaatsvinden in een aantal van deze gezinshuizen?
Klopt het dat de huidige kwaliteitscriteria gezinshuiszorg in feite richtlijnen zijn, volgens het principe «pas toe of leg uit», en geen bindende of afdwingbare eisen?
Acht u dit voldoende om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
Bent u bereid om de kwaliteitscriteria gezinshuiszorg daadwerkelijke kwaliteitseisen te maken in plaats van richtlijnen, en dit ook te verankeren in de wet?
Deelt u de zorgen dat financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat gezinsouders meer kinderen bij hen laten wonen dan verantwoord is, waardoor de kwaliteit van zorg onder druk komt te staan?
In hoeverre is het begrip gezinshuis juridisch verankerd in de Jeugdwet?
Bent u bereid dit expliciet in de wet op te nemen om duidelijkheid en uniformiteit te creëren?
Bent u bekend met signalen van de Inspectie dat zij informatie over niet-functionerende gezinshuisouders niet mogen delen vanwege het ontbreken van een vergewisplicht?
Deelt u de opvatting dat dit een direct risico vormt voor de veiligheid van de betrokken kinderen?
Bent u bereid een wettelijke vergewisplicht voor gezinshuizen in te voeren, zodat relevante informatie over de (on)geschiktheid van zorgverleners gedeeld en geborgd kan worden?
Bent u het met de indiener eens dat we op voorhand zouden moeten checken of een gezinshuisouder geschikt is, en niet pas wanneer er signalen zijn van misstanden?
Klopt het dat zelfstandige gezinshuizen zichzelf moeten melden bij de Inspectie en dat er geen volledig landelijk overzicht bestaat van het aantal gezinshuizen, en hoe beoordeelt u deze situatie?
Deelt u de opvatting dat verplichte registratie van gezinshuisouders, bijvoorbeeld via de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), noodzakelijk is om toezicht en uitsluiting bij misstanden mogelijk te maken?
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk is dat wanneer momenteel een gezinshuis na misstanden moet sluiten, zij een paar kilometer verderop weer een nieuw gezinshuis kunnen starten?
Bent u bereid om te onderzoeken of landelijke eisen voor gezinshuiszorg mogelijk zijn, zodat niet alleen het toezicht en de veiligheid verbeterd kunnen worden, maar er ook minder verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan?
Welke stappen gaat u concreet zetten om richtlijnen om te zetten in bindende kwaliteitseisen, registratie van gezinshuizen en gezinshuisouders verplicht te maken, en een vergewisplicht in te voeren?
Bent u het met de indiener eens dat het van groot belang is om meer grip te krijgen op gezinshuizen, zowel in het belang van deze kinderen als in het belang van het voortbestaan van deze waardevolle manier van jeugdzorg?
Het intrekken en verdwijnen van Zivver-bestanden binnen dossiers in de jeugdbescherming |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat Zivver-bestanden en gedeelde documenten binnen dossiers van de jeugdbescherming achteraf worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt?1
Klopt het dat bestanden die via Zivver zijn verzonden door de verzender kunnen worden ingetrokken of verwijderd nadat deze reeds beschikbaar zijn gesteld aan betrokkenen?
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van het intrekken of verwijderen van Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming, gecertificeerde instellingen of aanverwante organisaties?
Wordt geregistreerd welke documenten zijn ingetrokken, op welk moment dit is gebeurd en door wie daarvoor opdracht is gegeven?
Hoe wordt voorkomen dat relevante stukken uit dossiers verdwijnen terwijl ouders, kinderen, advocaten of rechters juist afhankelijk zijn van volledige dossierinzage?
Acht u het wenselijk dat documenten die onderdeel uitmaken van een dossier achteraf kunnen worden ingetrokken zonder onafhankelijke toetsing of kennisgeving aan alle betrokken partijen?
Welke wettelijke grondslag bestaat er voor het achteraf ontoegankelijk maken van reeds gedeelde dossierstukken?
Kunt u uitsluiten dat het intrekken van Zivver-bestanden wordt gebruikt om fouten, onvolledigheden of belastende informatie buiten beeld te houden?
Zijn er signalen bekend waarbij ouders of advocaten melding hebben gemaakt van verdwenen, gewijzigde of ingetrokken stukken binnen jeugdbeschermingsdossiers?
Hoe wordt de integriteit en volledigheid van digitale dossiers binnen de jeugdbescherming momenteel gewaarborgd?
Bestaat er een audittrail waaruit blijkt welke documenten zijn gedeeld, geopend, gewijzigd of ingetrokken? Zo ja, wie heeft toegang tot deze gegevens?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het gebruik van Zivver en andere digitale systemen binnen de jeugdbescherming, specifiek gericht op dossierintegriteit en rechtsbescherming?
Deelt u de mening dat het achteraf verdwijnen van dossierstukken het vertrouwen in de jeugdbescherming ernstig schaadt en mogelijk gevolgen heeft voor eerlijke rechtsgang?
Welke maatregelen gaat u nemen om te garanderen dat eenmaal verstrekte dossierstukken niet ongemerkt kunnen verdwijnen uit procedures die ingrijpende gevolgen hebben voor kinderen en ouders?
Op basis van welke wettelijke bevoegdheid kunnen dossierstukken of gedeelde Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt zonder toestemming van alle procesbetrokkenen?
Hoe wordt gewaarborgd dat het intrekken of verwijderen van digitale dossierstukken geen afbreuk doet aan de bewijspositie, rechtsbescherming en het recht op volledige dossierinzage van ouders, kinderen en hun advocaten?
De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?
Een verdienmodel voor het slecht huisvesten van kwetsbare jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een Amsterdamse zorgondernemer verdient aan het beroerd huisvesten van de kwetsbaarste jongeren»?1
Hoeveel jongeren worden momenteel begeleid door Accuraat?
Hoeveel locaties heeft Accuraat en waar zitten deze locaties? Met hoeveel gemeenten werken zij samen? Hoe kan het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onvoldoende toezicht heeft op het aantal locaties van Accuraat, zoals blijkt uit het feit dat zij in hun rapport van 2025 constateren dat aan het begin van het toezicht ervan uit werd gegaan dat Accuraat drie locaties had, waarna later bleek dat er nog een vierde locatie was maar tegenover Follow the Money werd er gesproken over maar liefst dertig locaties?2
Kan aangegeven worden hoeveel geld er vanuit de Rijksoverheid en gemeenten wordt besteed aan begeleid wonen, uitgesplitst per: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), langdurige zorg, jeugdzorg en justitie? Hoeveel is er specifiek gegeven aan Accuraat, uitgesplitst per «potje»? Welke geldstromen kent Accuraat, naast de eerder genoemde publieksgelden?
Klopt het dat er voor 2025 geen jaarverslag beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen (KvK-nummer: 65968158)? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen?
Klopt het dat er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen? Zo ja, hoezo is er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar?3
Klopt het dat in de WNT-verantwoording van 2023 slechts één toezichthouder genoteerd staat en dat deze toezichthouder (aangetrouwde) familie is van de genoteerde directeur? Zo nee, hoe zit het dan wel en hoezo wijkt dat af van de verantwoording?
Is het wettelijk toegestaan dat er slechts één toezichthouder is bij een instelling van dergelijke omvang en is het wettelijk toegestaan dat de toezichthouder een familieband heeft met de directeur? Zo nee, hoe kan het dat dit wel het geval is bij Stichting Accuraat? Zo ja, deelt u de mening dat dat de schijn van mogelijke belangenverstrengeling wekt?
Kunt u uiteenzetten hoe het toezicht bij instellingen die soortgelijke zorg bieden precies is vormgegeven? Welke instanties zijn allemaal betrokken, welke handhavingsinstrumenten hebben zij en waar ligt de eindverantwoordelijkheid wanneer zorg niet op een adequate manier wordt geboden? Wie is verantwoordelijk voor het verantwoord omgaan met zorggeld en wanneer wordt er ingegrepen als dit niet gebeurt? Hoe wordt in het toezicht rekeninggehouden met het gegeven dat de mensen die zorg ontvangen in een kwetsbare positie zitten en niet altijd signalen kúnnen melden bij de Inspecties?
In hoeverre worden deze bewoners/cliënten proactief bezocht door onafhankelijke vertrouwenspersonen? Wanneer is dit voor het laatst gebeurd?
Hoe vaak en wanneer hebben toezichthouders aan de bel getrokken over Accuraat over bijvoorbeeld ondermaatse zorg, bedreigingen van verhuurders en overlast? Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over dergelijke signalen en welke acties zijn hier concreet uit voortgevloeid?
Hoeveel meldingen zijn er enerzijds bij de IGJ en anderzijds bij de Inspectie JenV gedaan over Accuraat? Wat was de aard van deze meldingen en hoe zijn deze meldingen opgevolgd? Op welke wijze werken de twee inspecties samen en kunnen zij meldingen delen met elkaar?
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan over ondermaatse zorg binnen de tak van begeleid wonen? Wat was de aard van deze meldingen en welke opvolging wordt gegeven aan deze meldingen?
Wat is de huidige stand van zaken en de opbrengst van de uitvoering van de maatregelen, uitgesplitst per maatregel, die zijn genomen en in gang gezet na het rapport «Er is meer aan de hand»?
Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers zijn er aan het werk bij Accuraat? Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers werken per dienst en hoe staat dat in verhouding tot de norm? Klopt het dat slechts 9 van de 26 begeleiders bij de Amsterdamse locatie een zorgopleiding hadden afgerond? Hoe reflecteert u op de structurele inzet van ondergekwalificeerd personeel in het werken met kwetsbare jongeren?
Hoe reflecteert u op de toepassing van de kwaliteitscheck jeugdhulp die is uitgevoerd voorafgaande aan het toetreden van Accuraat binnen de sector? Zijn alle wettelijke eisen uit de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) nageleefd?
Waren er voorafgaand aan het rapport van de Amsterdamse GGD uit 2022 signalen bij de gemeenten of de IGJ bekend over ondermaatse zorg en andere kwalijke toestanden bij Accuraat? Op welke wijze werd toezicht gehouden op het doorvoeren van de verbeteringen uit het rapport?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat de overheid Accuraat blijft inhuren voor de zorg voor kwetsbare jongeren, ondanks alle misstanden en het gebrek aan transparantie over financiën?
Ziet u naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door Follow the Money aanleiding om de samenwerking met Accuraat stop te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven zijn er?
Het bericht ‘Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit»?1
Het verhaal van Froukje grijpt mij aan. Jongeren die afhankelijk zijn van jeugdhulp moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilig zijn, met respect worden behandeld en passende zorg ontvangen. Vrijheidsbeperkende maatregelen mogen nooit als straf worden ingezet en mogen uitsluitend binnen de wettelijke kaders en als uiterste middel worden toegepast. Wanneer een jongere in een kwetsbare situatie door de ingezette jeugdhulp juist extra beschadigd raakt, is dat zeer ernstig. Ik vind het belangrijk dat jongeren met ingrijpende ervaringen worden gehoord en serieus genomen.
Hoe kijkt u aan tegen het advies van uw voorganger dat jongeren die slachtoffer zijn van geweld in de jeugdzorg daarvan aangifte moeten doen? Hoe zou dit moeten werken in gevallen waarbij bij de jongere niet bekend is wie de zorgverleners zijn die zich daar schuldig aan hebben gemaakt?
Ik onderschrijf het advies van mijn ambtsvoorganger dat jongeren aangifte moeten doen bij de politie als zij slachtoffer zijn (geweest) van geweld in de jeugdzorg2. Als niet duidelijk is wie de (jeugd)hulpverleners zijn die dit geweld hebben toegepast, kan de jongere ook aangifte doen tegen de jeugdhulpaanbieder. Dit is mogelijk in die situaties waarin de strafbare gedraging van personeel binnen de sfeer van de jeugdhulpaanbieder ligt en deze gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend aan de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De professionals die zij in dienst nemen of inhuren moeten bekwaam zijn om de aan hen toebedeelde taken uit te voeren en beschikken over de juiste deskundigheid om jongeren te helpen. Daarnaast kan ook aangifte worden gedaan tegen de feitelijk leidinggevende, bijvoorbeeld als deze persoon bekend was met de werkwijze van het personeel en daarmee gepaard gaande risico’s en bevoegd was om passende maatregelen te treffen, maar dat achterwege heeft gelaten.
In hoeverre zou een zorginstelling zelf aangifte kunnen of moeten doen in een situatie die hierom vraagt? In hoeverre kan een zorginstelling deze verantwoordelijkheid van een cliënt overnemen?
Iedereen die kennis heeft van een strafbaar feit is bevoegd om hiervan aangifte te doen.3 Bij bepaalde ernstige strafbare feiten, zoals moord, doodslag of verkrachting bestaat een verplichting tot het doen van aangifte.4 Dit geldt ook voor (het bestuur of de dagelijkse leiding van) een jeugdhulpaanbieder. Daarnaast zijn jeugdhulpaanbieders verplicht om hun interne systemen zo in te richten dat signalen over misstanden intern goed kunnen worden besproken/gemeld, geanalyseerd en tot verbetering leiden.5 Dit kan bijvoorbeeld via één of meer documenten, waarin wordt beschreven hoe wordt omgegaan met strafbare feiten gepleegd door personeel of ondergeschikten. Denk bijvoorbeeld aan een intern aangiftebeleid, gedragscode of incidentenprotocol.
Voor zover geen aangifteplicht geldt, hebben zowel de jeugdhulpaanbieder als de cliënt de bevoegdheid om aangifte te doen. Deze bevoegdheden bestaan naast elkaar. Indien uitsluitend de jeugdhulpaanbieder aangifte doet van een strafbaar feit, is het aan de politie om te beoordelen of dit voldoende grond biedt voor nader onderzoek, of dat ook een aangifte van de cliënt is vereist. Volledigheidshalve wil ik benoemen dat ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aangifte kan doen, wanneer zij na onderzoek concludeert dat er mogelijk sprake is van een strafbaar feit.
Als een zorginstelling een cliënt niet gelooft en geen actie onderneemt, wie zou een cliënt dan bij kunnen staan om ze in dit proces te begeleiden?
De cliënt kan zich op verschillende wijzen laten bijstaan bij het doen van aangifte. Dit kan allereerst in de vorm van informele steun: een persoon uit het eigen netwerk van de cliënt. Daarnaast kan de cliënt zich wenden tot Slachtofferhulp Nederland6; zij kunnen de cliënt begeleiden bij het doen van aangifte. Indien de cliënt nog te maken heeft met jeugdzorg, is het op grond van Jeugdwet mogelijk om een vertrouwenspersoon in te schakelen, bijvoorbeeld via Jeugdstem7. De vertrouwenspersonen kunnen jongeren ondersteunen bij het doen van aangifte van geweldsincidenten in de jeugdzorg.
Daarnaast is ook juridische rechtsbijstand mogelijk. Allereerst kan de cliënt informatie inwinnen bij het juridisch loket of de rechtsbijstandsverzekeraar. Daarnaast is bijstand door een advocaat ook mogelijk. In gevallen waarin sprake is van ernstig psychisch of lichamelijk letsel door een geweldsmisdrijf, seksueel misbruik of seksueel geweld kan de cliënt ook in aanmerking komen voor een (gratis) slachtofferadvocaat. Komt de cliënt hiervoor niet in aanmerking, dan kan op eigen kosten gebruik worden gemaakt van een advocaat. Afhankelijk van het inkomen en eigen vermogen kan een deel van de juridische kosten worden vergoed via de gesubsidieerde rechtsbijstand.8
Deelt u de mening dat een vermindering van de externe inhuur van medewerkers essentieel is voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdzorg? Zo ja, welke concrete doelen en tijdlijn hanteert u daarvoor en welke stappen zet u om dit te bereikten? Zo nee, waarom niet?
De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De inzet van extern ingehuurd personeel is daarom niet per definitie onwenselijk. Wel is het van belang dat werkgevers inzetten op een goede balans tussen personeel in vaste loondienst en flexwerkers. Personeel in vaste loondienst zorgt voor vertrouwde gezichten voor cliënten, wat bijdraagt aan een goede vertrouwensrelatie tussen de hulpverlener en de jongere en daarmee de kwaliteit van zorg ten goede kan komen. De inzet van extern ingehuurde medewerkers moet zich richten op het opvangen van «piek en ziek», wanneer dat niet lukt met interne medewerkers.
In het Integraal Zorgakkoord (hierna: IZA) is de opgave opgenomen dat regionale werkgeversorganisaties, zorginkopers en VWS actief inzetten op regionaal werkgeverschap (flexibele schil in loondienst) en een moderner arbeidscontract dat werknemers meer mogelijkheden biedt om meer regie te voeren over vormgeving van werk en werktijden om zo het werken in loondienst aantrekkelijker te maken.
Bent u bereid om een maximumpercentage invalkrachten in te voeren per zorgbedrijf?
Het is niet wenselijk om een (maximum) percentage invalkrachten te benoemen. Een maximumpercentage zou de benodigde flexibiliteit in de personeelsinzet in de zorgsector kunnen beperken en is daarom niet passend als generieke maatregel. Het is primair de verantwoordelijkheid van werkgevers om het aannemen van vaste krachten in de zorg te bevorderen en iedereen aan te trekken en te behouden die kwalitatief goed werk kan en wil leveren.
Welke acties onderneemt u om er in ieder geval voor te zorgen dat het achteraf duidelijk is welke (extern ingehuurde) zorgverleners bij de zorg voor welke jongeren betrokken zijn geweest? Welke verantwoordelijkheid hebben de betrokken zorgaanbieders hierbij?
Jeugdhulpverleners zijn op grond van de Jeugdwet al verplicht een dossier te maken rondom de verlening van jeugdhulp. Hierin worden de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen en door de hulpverlener uitgevoerde verrichtingen vastgelegd (Jeugdwet, art. 7.3.8). Aanvullend worden ook gegevens in het dossier opgenomen als dit noodzakelijk is voor een goede hulpverlening aan de jeugdige. Volgens de veldnorm «het dossier in de jeugdhulpverlening»9 moet in het dossier te lezen zijn wat en met wie besproken is over de voortgang van de begeleiding, behandeling of ondersteuning. De betreffende hulpverlener dient dus een en ander vast te leggen, ongeacht of deze in vaste dienst is of een externe ingehuurde hulpverlener.
Daarnaast is een jeugdhulpaanbieder verplicht het dossier gedurende twintig jaar te bewaren en dient deze jeugdigen, ouders of verzorgers inzage te geven in het dossier en hen een afschrift te verstrekken van de gegevens die daarin staan. Ook de IGJ mag – in het kader van onderzoek of toezicht – een dossier inzien. De jeugdhulpaanbieder is verplicht om mee te werken aan zo’n onderzoek.
In hoeverre wordt er nadat een calamiteit (zoals gebruik van geweld en/of vrijheidsbeperkende maatregelen) aan het licht komt gecontroleerd of zorgverleners de juiste papieren hadden en of zij nog werkzaam zijn in de zorg?
De Jeugdwet bevat voor zowel de jeugdhulpaanbieders als de gecertificeerde instellingen reeds de verplichting om zich op zodanige wijze te voorzien van voldoende gekwalificeerd personeel en voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling te zorgen, dat dit leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp10. Een jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het controleren of medewerkers over de juiste kwalificaties beschikken. Daarbij zijn zij verplicht om van personen die in hun opdracht beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie zij jeugdhulp verlenen of aan wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd, in ieder geval een verklaring omtrent gedrag (hierna: VOG) te hebben.
Een calamiteit of incident moet altijd worden gemeld bij de IGJ. Afhankelijk van de ernst van de zaak kan de IGJ zelf een calamiteitenonderzoek starten, waarbij ook kan worden nagegaan of de betreffende medewerker over de vereiste kwalificaties beschikte. Of een betreffende medewerker vervolgens elders bij een zorginstelling werkzaam is geworden, kan niet worden nagegaan.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren binnen de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan.
Hoe reageert u op de signalen dat er bij D3 ook na het beëindigen van het verscherpte toezicht nog vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet als straf?
Ik wil graag benadrukken dat het in geen enkele situatie is toegestaan om gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten als straf voor een jeugdige. Jeugdigen die hiermee te maken hebben, roep ik op om zich te melden bij de vertrouwenspersoon van Jeugdstem en/of de IGJ. Wanneer zorgprofessionals hiermee te maken hebben binnen hun organisatie en bespreking intern niet tot verandering leidt, kunnen zij uiteraard ook een melding maken bij de IGJ.
In sommige situaties kan het nodig zijn om tegen de wil van de jeugdige (of van degene die het gezag over de jeugdige uitoefent) gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten. Hier zijn strikte voorwaarden en eisen aan verbonden die wettelijk zijn vastgelegd. Als het gaat om jeugdhulp zijn vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van de Jeugdwet alleen toegestaan in de gesloten jeugdhulp. Daarnaast kan op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) gedwongen zorg vanwege een psychische stoornis worden verleend indien wordt voldaan aan de eisen die deze wet daaraan stelt.
Tegelijkertijd vraagt de veranderende praktijk in de jeugdhulp veel van professionals. Recent onderzoek van Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd en Factor I11 laat zien dat de veranderingen binnen de residentiële jeugdhulp een grote impact hebben op professionals. Door de afbouw van de gesloten jeugdhulp blijkt een deel van de doelgroep die eerder werd opgenomen in de gesloten jeugdhulp naar open residentiële voorzieningen te verschuiven, waardoor de complexiteit en zwaarte van hulpvragen toenemen. Ook wordt op veel plekken ingezet op kleinschalig werken. Dit biedt kansen voor maatwerk en nabijheid, maar vraagt tegelijkertijd om het waarborgen van veiligheid en passende bescherming in situaties die steeds veeleisender worden. In deze context ervaren professionals regelmatig handelingsverlegenheid. Het rapport onderstreept het belang van nieuw vakmanschap in de residentiële jeugdhulp: vakmanschap dat professionals ondersteunt om met vertrouwen en deskundigheid te handelen in een veranderende praktijk. Stichting Beroepsopleiding Gezondheidszorg en Factor I zijn hierover in gesprek met Kwaliteit Blijvend Leren om te komen tot een meerjarenprogramma gericht op het versterken van dit vakmanschap.
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Ja.
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, woningnood kan directe en ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen. Ieder kind verdient (passend) onderwijs. Het moet vanzelfsprekend zijn dat alle kinderen deel kunnen nemen aan het onderwijs, zich optimaal kunnen ontwikkelen en zich kunnen voorbereiden op vervolgonderwijs en deelname aan de maatschappij. De schrijnende situaties die worden beschreven in het artikel, waarbij kinderen geen stabiele en veilige thuisbasis hebben, belemmeren de mogelijkheden voor de kinderen. Ik deel de zorgen rondom deze signalen.
Door de schaarste op de woningmarkt is het voor veel gezinnen moeilijk om een passende woning te vinden. Soms lukt het helemaal niet om een eigen woonplek te vinden en komen zij noodgedwongen terecht bij vrienden of familie, in vakantieparken of in de maatschappelijke opvang. Geen enkel kind zou een verwoestende en vaak traumatische periode van dakloosheid in hun leven mee moeten maken. Juist in gevallen van dakloosheid waar kinderen bij betrokken zijn, moet een gemeente er alles aan doen om het gezin te helpen.
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
Er zijn geen landelijke cijfers bekend hoeveel minderjarige kinderen verkeren in een situatie van dakloosheid. De regionale Ethos-tellingen waarnaar verwezen wordt in het bericht, geven voor een aantal regio’s een duidelijk beeld. De aantallen uit het bericht zijn een weergave van het aantal dakloze kinderen (totaal 4.062) dat op 8 april 2025 in 9 regio’s (totaal 57 gemeenten) geteld is. Deze Ethos-telingen zijn de afgelopen jaren in 124 gemeenten uitgevoerd en in 2026 volgen nog eens 96 gemeenten. Zodoende hebben deze regio’s goed zicht op het aantal dakloze, minderjarige kinderen en hun verblijfsituatie. Het is onbekend welk type onderwijs deze kinderen volgen.
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Zie ook het antwoord op vraag 3. De Ethos-tellingen zijn gebaseerd op een brede definitie, waar verborgen dakloosheid (verblijven bij vrienden/familie, verblijf op een vakantiepark, etc.) onderdeel van is. Met een telling krijgt een regio goed zicht op het aantal dakloze kinderen én de wijze van hun verblijf. Op basis van deze informatie kan een regio zorgen dat beleid en uitvoering beter aansluit op de behoefte van dakloze mensen. VWS wil de aankomende jaren faciliteren dat in alle regio’s periodiek tellingen worden uitgevoerd. Zodoende krijgen gemeenten en regio’s goed zicht op verborgen dakloosheid én dakloosheid onder minderjarigen.
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Scholen zijn er in de eerste plaats om goed onderwijs te verzorgen voor alle leerlingen, ook voor kwetsbare leerlingen. School moet daarvoor een veilige omgeving zijn waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n schoolklimaat leidt behalve tot betere leerprestaties en een hogere motivatie, ook tot een sterker welbevinden van kinderen. Scholen met veel kwetsbare leerlingen ontvangen extra bekostiging om hierin te voorzien. School speelt verder een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen, bijvoorbeeld door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij schoolactiviteiten. Waar nodig kan de school ondersteuning bieden om te kunnen leren, zoals een gevulde maag met een schoolmaaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten. Het kabinet werkt aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp. Vanaf 2027 investeert het Ministerie van OCW 650 miljoen euro per jaar in de verduurzaming van programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden.
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
De problemen die gepaard gaan bij een situatie van dakloosheid, worden door veel partijen gevoeld, maar iedere partij heeft een andere verantwoordelijkheid. De gemeente heeft een regierol als het gaat om het voorkomen van dakloosheid. Ik deel de opvatting dat het niet de kerntaak is van het onderwijs om het probleem van dakloosheid op te vangen. Het onderwijs is immers bedoeld om kinderen te ontwikkelen, zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij. School is wel een plaats waar zorgelijke situaties aan het licht kunnen komen, zoals ook in het artikel wordt geïllustreerd. Vanuit school kan daarna contact gelegd worden met de bredere ondersteuningsstructuur rondom de school. Hierbij kan gedacht worden aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk of lokale teams.
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet en de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning en zorg aan volwassenen en kinderen die kampen met sociale en/of psychische problematiek. Zij kopen verschillende vormen van ondersteuning en (maatschappelijke) opvang in waar inwoners gebruik van kunnen maken. Slechts een deel van de dakloze gezinnen heeft te maken met sociale of psychische problemen. Vaak is het gezin in de eerste plaats geholpen met het vinden van passende woonplek. Hoe langer de periode van dakloosheid duurt, hoe groter de kans dat sociale en/of psychische problemenontstaan of verergeren. Daarom werkt het kabinet samen met provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars aan het tegengaan van de wooncrisis door het versnellen van de woningbouw en het beter benutten van bestaande woonruimte. Gemeenten doen er alles aan om dakloze gezinnen zo goed mogelijk te helpen. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang, maakt dat er niet altijd op korte termijn een passende plek beschikbaar is.
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
De basis om goed onderwijs te kunnen volgen, is een veilige leeromgeving waar een leerling zich gezien weet. Toch is het niet volledig te voorkomen dat leerlingen met stress, door bijvoorbeeld dakloosheid, het risico op achterstanden lopen. Door programma’s als Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School en Omgeving en het onderwijsachterstandenbeleid wordt ingezet op het verminderen van de effecten van stress en het vergroten van de leer- en ontwikkelmogelijkheden van de meest kwetsbare leerlingen. Scholen met een hoge populatie kwetsbare leerlingen kunnen aanvullende middelen ontvangen om het negatieve effect dat omgevingsfactoren kunnen hebben op de leerkansen te verminderen. Dit stelt scholen in staat om aanvullende ondersteuning te bieden die het risico op achterstanden verkleinen in de vorm van bijvoorbeeld een schoolmaaltijd of ontwikkelactiviteiten, zodat ook deze leerlingen beter kunnen deelnemen aan het onderwijs. Brugfunctionarissen kunnen daarbij een voor de leerkrachten ontlastende rol vervullen.
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Het is niet bekend hoeveel dakloze gezinnen met minderjarige kinderen buiten de opvang of hulpverlening vallen. Om te bepalen of een gezin überhaupt in aanmerking komt voor gemeentelijke jeugdhulp of Wmo-ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang), voert de gemeente een onderzoek uit. Het niet beschikken over passende woonruimte is op zichzelf geen reden om in aanmerking te komen voor opvang. Op het moment dat het gezin zelfredzaam wordt bevonden, is een gemeente niet verplicht een voorziening te verstrekken. De gemeente mag een zelfredzaam gezin wel toegang geven tot de opvang, al zijn de gezinnen vooral gebaat bij passende huisvesting. Ik begrijp de complexiteit daarvan vanwege de schaarse woningmarkt, maar ik roep lokale partijen wel op om passende oplossingen te vinden.
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in besluiten rondom woningbouw, tijdelijke huisvesting / flexwonen en het organiseren van kleinschalige opvang. Daarnaast werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) dakloze mensen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentiecategorie. Dit betekent dat deze gezinnen onder bepaalde voorwaarden met voorrang recht krijgen op een woning. Aanvullend hierop zetten we in op de uitvoering van de «Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar)»3, waarmee we het aantal dakloze jongeren willen reduceren en een verdere toename willen voorkomen.