| Ingediend | 3 april 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 23 april 2026 (na 20 dagen) |
| Indiener | Christine Teunissen (PvdD) |
| Beantwoord door | Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
| Onderwerpen | internationaal organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z07060.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1734.html |
Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd over het standpunt van het kabinet over deze wetgeving.2 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen van executies wat wordt gezien als onmenselijk en ondoeltreffend. Daarnaast is het discriminatoire karakter van de wetgeving extra zorgwekkend en onacceptabel. Het kabinet heeft de zorgen over en afkeur van het wetsvoorstel meermaals kenbaar gemaakt bij de Israëlische autoriteiten, zowel publiekelijk als achter de schermen, bijvoorbeeld tijdens het gesprek van de Minister-President met de Israëlische president Herzog op 1 april jl. en het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 15 april jl. Nederland heeft zich daarnaast aangesloten bij de verklaring van de Europese Unie namens de 27 lidstaten over de wetgeving.
Ja, een wettelijke regeling die onderscheid maakt op basis van nationaliteit of etniciteit bij het opleggen van de doodstraf is volgens het kabinet in strijd met het non-discriminatiebeginsel. Het kabinet wijst er hierbij op dat het Internationaal Gerechtshof in zijn advies van 19 juli 2024 inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse heeft vastgesteld dat Israël de verplichting heeft om alle wetgeving en maatregelen die discriminerend zijn jegens de Palestijnse bevolking in de bezette Palestijnse Gebieden in te trekken. Met het invoeren van deze nieuwe wetgeving gaat Israël tegen dit advies in.
Het kabinet neemt de waarschuwing van VN-experts serieus. De VN-experts verwijzen specifiek naar de bepaling in de Israëlische wetgeving die het opleggen en uitvoeren van de doodstraf binnen een termijn van 90 dagen mogelijk zou maken. Het Vierde Verdrag van Genève bepaalt dat opzettelijk aan beschermde personen het recht onthouden op een eerlijke en rechtmatige berechting, een ernstige inbreuk is op dat verdrag. Dergelijke ernstige inbreuken zijn aangemerkt als oorlogsmisdrijven.
Volgens het Vierde Verdrag van Genève mag een bezettende macht alleen de doodstraf opleggen aan beschermde personen (in dit geval de lokale Palestijnse bevolking) indien deze personen schuldig zijn bevonden aan spionage, een ernstige daad van sabotage tegen de militaire installaties van de bezettende macht, of aan opzettelijke vergrijpen die de dood van één of meer personen tot gevolg hebben gehad. Terdoodveroordeelden hebben het recht om gratie of uitstel van executie te verzoeken. Een belangrijke voorwaarde is dat de doodstraf alleen mag worden opgelegd indien bovengenoemde vergrijpen al strafbaar waren, met de doodstraf als strafbepaling, volgens de wetgeving van het bezette gebied die van kracht was voordat de bezetting begon.
Verschillende onderdelen van de wet lijken in strijd te zijn met het recht op een eerlijk proces en, vanwege de aard van de wetgeving, daardoor met het recht op leven. Het gaat daarbij om het verplichte karakter van de doodstraf onder deze wet en het gebrek aan discretionaire ruimte voor de rechter, naast het feit dat de doodstraf onder deze wet zal worden opgelegd aan Palestijnse burgers door militaire rechtbanken in de bezette Palestijnse Gebieden. Dit is een van de vele maatregelen waarmee de Palestijnse bevolking gescheiden wordt gehouden van de kolonisten in de bezette gebieden, in strijd met het discriminatieverbod onder artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Over de praktijk van berechting van Palestijnse burgers door Israëlische militaire rechtbanken – en de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces hierbij – uiten internationale waarnemers al langer zorgen. Wanneer aan deze zelfde militaire rechtbanken de (dwingende) bevoegdheid wordt toegekend tot het opleggen van de doodstraf aan burgers, worden deze zorgen des te pregnanter. Wanneer de doodstraf wordt opgelegd als gevolg van een procedure waarin het recht op een eerlijk proces wordt geschonden, moet de opgelegde doodstraf worden beschouwd als willekeurig en in strijd met het recht op leven.
Zie het antwoord op vraag 1, 4 en 5. De zorgen van het kabinet worden gedeeld met verschillende gelijkgezinde staten en internationale experts. Ook binnen Israël heeft de wetgeving tot veel kritiek geleid. Direct na het aannemen van de wet door de Knesset, hebben verschillende Israëlische organisaties beroep hiertegen ingesteld bij het Israëlische Hooggerechtshof. Het kabinet volgt de uitspraak van het Hooggerechtshof nauwlettend.
Nederland voert wereldwijd een afschaffingsbeleid ten aanzien van de doodstraf. Dit afschaffingsbeleid wordt al vele jaren gezamenlijk met EU-partners verricht op grond van EU-richtlijnen en Nederland draagt ook actief bij aan het uitvoeren van dit beleid. De EU roept in het bijzonder op tot het handhaven of instellen van moratoria als een eerste stap naar afschaffing. Nu de Israëlische doodstrafwet is aangenomen roept Nederland Israël op de wet niet te implementeren en zal Nederland actief handelen langs de lijnen van het (Europese) afschaffingsbeleid. Het kabinet heeft de zorgen over en afkeur van het wetsvoorstel meermaals kenbaar gemaakt bij de Israëlische autoriteiten, zowel publiekelijk als achter de schermen, bijvoorbeeld tijdens het gesprek van de Minister-President met de Israëlische president Herzog op 1 april jl. en het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 15 april jl. Nederland heeft zich daarnaast aangesloten bij de verklaring van de Europese Unie namens de 27 lidstaten over de wetgeving
Zie het antwoord op vraag 7.
Zie antwoord vraag 8.
Het kabinet heeft getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording. Door de korte termijn en de juridisch complexe materie, is het niet gelukt de vragen voor de voortzetting van het Commissiedebat Humanitaire hulp te beantwoorden.