De additionele kosten voor Tata Steel aangaande de maatwerkafspraak. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt), Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de analyse van SOMO1 waaruit blijkt dat de voorwaarden in de intentieverklaring met Tata Steel jaarlijks 375 tot 580 miljoen euro aan additionele kosten kunnen meebrengen boven op de eenmalige subsidie van 2 miljard euro?
Ja.
Graag geeft het kabinet eerst een algemene toelichting waar in verschillende antwoorden naar zal worden verwezen. De mogelijke maatwerkafspraak met Tata Steel Nederland (TSN) gaat over een aantal grote en maatschappelijk belangrijke doelstellingen en de beoogde ondersteuning vanuit de staat is omvangrijk. Het is dan ook begrijpelijk dat hier uitvoerig en kritisch naar wordt gekeken door bijvoorbeeld Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO).
Het is daarbij van belang dat de informatie uit de Joint Letter of Intent (JLoI) op juiste wijze wordt geïnterpreteerd zodat hier geen misverstanden over ontstaan. De JLoI bevat inspanningsverplichtingen en de contouren van de definitieve maatwerkafspraak, waaronder de beoogde doelen, projecten en het financiële kader. In deze JLoI is opgenomen dat het kabinet maximaal 2 miljard euro beschikbaar stelt voor de verduurzaming en het schoner maken van de staalproductie bij TSN. Met de JLoI committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan kostenstijgingen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro.
De SOMO-analyse stelt op basis van de opzeggronden voor TSN en de inspanningen van de staat uit de JLoI dat de staat met de maatwerkafspraak met TSN in een subsidiefuik terecht komt. Gelet op bovenstaande onderschrijft het kabinet deze stelling niet. Dit wordt hierna verder toegelicht.
Met de opzeggronden op het gebied van netwerkkosten, de nationale CO2-heffing en het beleid rond staalslakken committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Indien (nieuw) beleid op deze punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Zoals in de JLoI vermeld, stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico van TSN zelf.
De inspanningsverplichtingen van de staat uit de SOMO-analyse betreffen beleidsmatige vraagstukken die al nadrukkelijk op de politieke agenda staan, los van dit maatwerktraject met TSN. Dit betreffen randvoorwaarden voor de verduurzaming van de industrie in den brede, zoals de marktontwikkeling van biomethaan en de benodigde infrastructuur voor CO2-afvang en -opslag (CCS). Ook hiermee committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan het betalen van meerkosten aan TSN. Dit zijn generieke beleidsvraagstukken die in de volle breedte moeten worden opgelost, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten. Daarbij rekenen we de kosten van generieke investeringen in infrastructuur of van beleidsmaatregelen (zoals kortingen) bij geen enkel (maatwerk)bedrijf toe aan de individuele bedrijven.
Tenslotte geldt dat het ontvangen van een eventuele maatwerksubsidie niet betekent dat het bedrijf geen aanspraak kan maken op andere generieke duurzaamheidssubsidies, zoals bijvoorbeeld de SDE++ voor CCS. Dit zijn immers generieke subsidies waar ieder bedrijf een aanvraag voor kan indienen. Zoals in de JLoI ook staat beschreven, mag TSN in de toekomst een subsidie aanvraag indienen en zal deze aanvraag worden getoetst en gewogen zoals bij ieder ander bedrijf. Het al dan niet verkrijgen van deze eventuele generieke subsidie biedt geen mogelijkheid tot opzeggen van de maatwerkafspraak.
De komende periode onderhandelen de Ministeries van KGG en IenW verder met het bedrijf om tot een definitieve maatwerkafspraak te komen. Het kabinet zal openbaar informatie delen voor zover dat mogelijk is. Gelet op de bedrijfsvertrouwelijkheid en mogelijke koersgevoeligheid van de informatie kan niet alles openbaar gedeeld worden, maar kan het kabinet de Kamer daar wel vertrouwelijk over informeren.
Kunt u per voorwaarde in de intentieverklaring aangeven wat de verwachte meerkosten voor de Staat zijn, uitgesplitst naar:
Zoals ook aangegeven in de reactie van het ministerie op de analyse van SOMO2 en in de toelichting bij de beantwoording van deze vragen committeert de staat zich met de intentieverklaring met TSN op geen enkele manier aan enige kostenstijgingen, dus ook niet voor hierboven genoemde punten. De door het SOMO genoemde punten zijn ofwel opzeggronden die enkel voor de JLoI gelden en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten, ofwel inspanningen vanuit de staat waarmee op geen enkele manier compensatie of meerkosten aan TSN zijn toegezegd.
Indien u geen ramingen kunt geven voor bovenstaande kostenposten, bent u dan bereid deze ramingen alsnog te laten opstellen voordat een definitieve maatwerkafspraak wordt gesloten, aangezien het gaat om geld van burgers? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de toelichting op vraag 1 is aangegeven zijn de genoemde punten ofwel opzeggronden die enkel voor de JLoI gelden en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten, ofwel inspanningen vanuit de staat waarmee op geen enkele manier compensatie of meerkosten aan TSN zijn toegezegd.
Kunt u precies aangeven welke delen van de SOMO-analyse volgens u onjuist zijn, en wat volgens u wel de correcte ramingen zijn gezien uw reactie op het ESB stuk, dat het «onduidelijk is waar de aanvullende subsidies en bedragen op gebaseerd zijn.»?2
De onderzoekers van het SOMO hebben het Ministerie van KGG de kans gegeven om te reageren op een concept van het artikel, deze reactie van het ministerie is ook gepubliceerd in het ESB. Zoals ook aangegeven in antwoord 1 wordt het werk van het SOMO gewaardeerd, maar herkent het ministerie zich niet in de conclusies. Ook de berekeningen van het SOMO kunnen niet gevolgd worden. Dit is ook zo meegegeven aan het SOMO in de reactie op het conceptartikel. In deze reactie benadrukt het ministerie, net als in deze beantwoording, dat de inspanningsverplichtingen voor de staat en opzeggronden uit de JLoI geen enkele financiële garanties of enig recht op subsidies aan Tata Steel geven. De maatwerkafspraak wordt gemaakt op vrijwillige basis. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Tata Steel kan gebruik maken van het generieke subsidie-instrumentarium, maar er zal geen aanvullende maatwerksteun worden gegeven. Volgens de staat en de Adviescommissie Maatwerk Verduurzaming Industrie is de beoogde maatwerksubsidie zeer kosteneffectief en kan zij leiden tot een grote CO2-reductie en de leefomgeving voor omwonenden fors verbeteren.
Welke drempelwaarde in euro’s of percentages hanteert de Staat bij de beoordeling of een kostenstijging «significant» of «aanzienlijk» is in de zin van artikel 15, vierde lid 4, van de Joint Letter of Intent (JLoI)? Indien u geen drempelwaarde kunt geven (vanwege de huidige onderhandeling), kunt u dan aangeven of überhaupt een drempelwaarde is vastgesteld, zonder deze te specificeren?
De opzeggronden, en zo ook artikel 15 lid 4, zijn opzettelijk niet verder ingekaderd en het benoemen van drempelwaardes kan de onderhandelingspositie van de staat schaden.
Welke oplossingen voor de drie opzeggronden (netwerkkosten, CO2-heffing, staalslakken) worden momenteel besproken met Tata Steel, gegeven de uitspraak van het bedrijf dat er «(zicht op) een oplossing moet zijn»3 om tot een maatwerkovereenkomst te komen?
Het voornemen van de partijen is om in september 2026 overeenstemming te bereiken over de definitieve maatwerkafspraak.
In algemene zin kan worden gezegd dat de vraagstukken op het gebied van de netwerktarieven en de CO2-heffing deel uitmaken van een breder beleidsvraagstuk waar generiek naar oplossingen wordt gekeken voor de hele industrie, en waar dus niet specifiek met TSN over wordt gesproken. Onder andere Gehrels5 en Van Kempen6 hebben in hun rapporten onderzoek gedaan naar beleidsmatige keuzes in klimaat- en energiebeleid waarin ook de opties voor de CO2-heffing en de netwerktarieven zijn meegenomen. Het is aan het volgende kabinet om hier een oplossing voor te kiezen en implementeren.
Voor staalslakken wordt op dit moment gewerkt aan de voorbereiding van (generieke) beleidsverbeteringen. Zoals dit voor iedere beleidsaanpassing geldt, wordt hierbij afstemming gezocht met het bedrijfsleven. Onderdeel van de afspraken uit de JLoI is een project voor de verbetering van de kwaliteit van staalslak (zie artikel 3.3.b en 6.1.b.II van de JLoI, en Annex II onder 3.B). Daarnaast neemt TSN verschillende maatregelen om de uitvoering van zijn zorgplicht met betrekking tot de behandeling en toepassing van staalslak te versterken (zie artikel 10.2.b van de JLoI).
Welke voorwaarden, garanties of risicoverdelingsmechanismen uit de JLoI worden naar verwachting overgenomen in de definitieve maatwerkafspraak? Welke komen te vervallen? Indien dit nog niet bekend is, per wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
De JLoI bevat inspanningsverplichtingen en de contouren van de maatwerkafspraak, waaronder de beoogde doelen, projecten en het financiële kader. Het kabinet heeft de ambitie om uiterlijk eind september 2026 tot een definitieve maatwerkafspraak te komen. Zoals aangegeven bij antwoord 1 zal het kabinet de Kamer in de tussentijd waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk informeren over de voortgang van de onderhandelingen.
Welke factoren weegt u mee bij een besluit over het instellen van een kolenverbod? Behoren de geïnvesteerde 2 miljard euro en het risico op opzegging door Tata Steel tot die factoren?
Voor het behalen van de klimaatdoelstellingen is het voor de staat van belang om te borgen dat het industrieel gebruik van kolen op termijn wordt beëindigd. In artikel 11, lid 2 van de JLoI staat over het kolenverbod opgenomen: «Partijen treden met het oog op het aangaan van de maatwerkafspraak te goeder trouw met elkaar in overleg over de details van een mogelijk verbod op steenkool, rekening houdend met de redelijke belangen van zowel TSN als de Staat en onverminderd de bevoegdheid van de Staat om hiervoor beleid of wetgeving vast te stellen met inachtneming van de geldende wettelijke procedures.7»
De staat tracht met TSN privaatrechtelijke afspraken te maken over het beëindigen van het gebruik van kolen voor staalproductie door het bedrijf. Deze privaatrechtelijke afspraken sluiten de mogelijkheid niet uit om het einde van het kolengebruik door TSN ook publiekrechtelijk te borgen.
Het is aan de staat om hierover beleid of wetgeving vast te stellen en eventueel voorafgaand afspraken te maken in de maatwerkafspraak waarin dit ook opgenomen kan worden.
Tevens wil het kabinet graag benadrukken dat er nog geen sprake is van «de geïnvesteerde 2 miljard euro». Met de JLoI hebben de partijen zich gecommitteerd aan inspanningsverplichtingen om tot een maatwerkafspraak te komen, gebaseerd op de in de JLoI geschetste kaders. Pas na het overeenkomen van een definitieve maatwerkafspraak zal de subsidie vanuit de staat, in tranches bij het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen, worden uitgekeerd aan het bedrijf.
Kan Tata Steel bij deze formulering (artikel 11, tweede lid, van de JLoI) na ondertekening van een definitieve maatwerkafspraak een schadeclaim indienen tegen de Nederlandse staat indien de staat een kolenverbod instelt? Zo ja, wat is de maximale omvang van zo’n claim?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is het aan de staat om wel/niet beleid of wetgeving vast te stellen over (de vormgeving van) een publiekrechtelijk kolenverbod. In geval van een publiekrechtelijk kolenverbod zal altijd rekening worden gehouden met het waarborgen van de belangen van de bedrijven die hieronder zouden komen te vallen, conform wetgeving.
Geldt het instellen van een verbod op kolen in Nederland als opzeggrond voor de JLOI? Zo nee, waarom geeft de CFO van Tata Steel India dan aan dat dit een voorwaarde is om te komen tot maatwerkafspraken4?
Nee, een verbod op het gebruik van kolen is niet een van de opzeggronden voor de JLoI. Op grond van artikel 11 van de JLoI is het wel opgenomen als onderwerp dat in de komende periode verder uitgewerkt wordt. Zie de beantwoording bij vraag 8 voor de bewoording van de bepaling uit de JLoI.
Welke argumenten heeft Tata Steel aangevoerd voor het opnemen van de opzeggronden bij hogere netwerkkosten, een nationale CO2-heffing, of nieuwe milieuregels voor staalslakken? Welke alternatieven zijn overwogen?
De maatwerkafspraak vraagt om een grote investering van het bedrijf en moederbedrijf, naast een subsidiebijdrage van de staat. Om tot een maatwerkafspraak te komen is het van belang dat het bedrijf een positieve businesscase ziet voor verduurzaming. De randvoorwaarden voor het doen van de investering zijn dus van belang.
TSN is een private onderneming die zelf verantwoordelijk is en blijft om investeringsbeslissingen te nemen en zicht te houden op een gezonde financiële toekomst. Het verlenen van een subsidie en het maken van een maatwerkafspraak gebeurt op vrijwillige basis en uiteindelijk moeten alle partijen dus bereid zijn om afspraken met elkaar te maken. Afgesproken is dat TSN de JLoI kan opzeggen als op een van de hierboven genoemde terreinen maatregelen worden geïntroduceerd (of uitblijven) waardoor de businesscase onhaalbaar wordt en het bedrijf mogelijk niet meer in staat is om de benodigde investeringen te doen. De opzeggronden doen geen enkele afbreuk aan de mogelijkheden van de staat om nieuw beleid op deze terreinen in te voeren of bestaand beleid aan te scherpen.
Klopt het dat de intentieverklaring Tata het recht geeft de deal op te zeggen als «nationaal beleid voor staalslakken de financiële positie aanzienlijk negatief beïnvloedt»? Betekent dit dat de overheid moet compenseren als staalslakken permanent verboden worden in de wegenbouw of andere toepassingen?
De specifieke opzeggrond rondom staalslakken staat in artikel 15, vierde lid onder c: «Het nationale beleid of de nationale beleidsmaatregelen met betrekking tot staalslakken veranderen op een zodanige wijze dat dit een aanzienlijk negatief effect heeft op de activiteiten, projecten, bedrijfsvoering of financiële positie van TSN.9» De opzeggrond over staalslakken heeft dus alleen betrekking op wijzigingen in nationaal beleid rondom staalslakken die de businesscase van TSN aanzienlijk negatief beïnvloeden. Het is expliciet niet zo dat het bedrijf dat bij elke wijziging van beleid zou kunnen doen. Het tijdelijke verbod op bepaalde toepassingen van staalslakken is geen verbod op de productie van staalslakken. Ook is relevant dat de markt voor de toepassing van staalslakken een internationale markt is; de mogelijkheden voor export beïnvloeden de businesscase dus ook. Nederland is momenteel het enige land ter wereld dat voor bepaalde toepassingen van staalslakken restricties oplegt.
Deze opzeggrond staat kortom niet in de weg bij het maken of aanpassen van nationaal beleid rondom staalslakken, maar biedt TSN in het geval dat dergelijk beleid de businesscase van TSN aanzienlijk negatief beïnvloedt de mogelijkheid de JLoI – de inspanningsverplichting om te komen tot bindende afspraken – op te zeggen.
De opzeggrond in de JLoI betekent niet dat de overheid TSN moet compenseren voor mogelijke extra kosten door nieuw beleid of maatregelen op het gebied van staalslakken. Deze opzeggrond doet ook geen enkele afbreuk aan de verplichting van het bedrijf om op verantwoorde wijze om te gaan met staalslakken, in overeenstemming met de huidige geldende wet- en regelgeving. Ook laat dit de mogelijkheden om het nationale beleid aan te scherpen onverlet.
Wat zijn de totale maatschappelijke kosten van staalslakken die Tata jaarlijks produceert (650.000 ton)? Kunt u een overzicht geven van alle saneringen en vervuiling schade, inclusief de situatie in Spijk (670.000 ton, geschatte sanering 100 miljoen euro), en aangeven wie voor deze kosten opdraait?
De productie van circa 650.000 ton staalslak per jaar door TSN leidt niet automatisch tot maatschappelijke kosten: die ontstaan alleen wanneer staalslak onjuist of in strijd met de zorgplicht is toegepast en daardoor milieuschade optreedt. Saneringen en kosten worden per locatie en per geval beoordeeld door het bevoegd gezag. Er is daardoor geen totaalbeeld beschikbaar en er bestaat geen landelijk overzicht van de totale maatschappelijke kosten van staalslak dat jaarlijks wordt geproduceerd, noch van alle saneringen en schadegevallen.
De situatie in Spijk, waar circa 670.000 ton staalslak is toegepast en lokaal wordt gesproken over een saneringsopgave van circa € 100 miljoen, betreft een locatiespecifieke raming en geen landelijk vastgestelde kosteninschatting. Wie voor herstel- en saneringskosten opdraait, is niet generiek vast te stellen en hangt af van de concrete omstandigheden. In beginsel is de toepasser verantwoordelijk voor juiste toepassing, mogelijke aansprakelijkheid van producent of leverancier indien wettelijke verplichtingen niet zijn nageleefd.
Zijn de kosten van staalslakkenverwerking en -sanering meegenomen in de totale businesscase van Tata Steel? Zo nee, wat is de reden hiervoor en wat is de omvang van deze kosten?
De beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro valt uiteen twee delen: 1) een lening van 200 miljoen euro voor de aankoop van biomethaan en/of waterstof, en 2) 1,8 miljard euro aan investeringssteun voor de bouw van een Direct Reduction Plant en Electric Arc Furnace (DRP-EAF) en de extra milieumaatregelen. Alleen de investeringskosten van de projecten uit de JLoI komen in aanmerking voor deze investeringssteun van 1,8 miljard euro. Investeringskosten betreffen onder andere materiaal- en bouwkosten voor de DRP-EAF en voor de aanvullende milieumaatregelen. De huidige kosten voor staalslakkenverwerking en -sanering vallen hier dus niet onder.
Een van de projecten uit de JLoI is gericht op verbetering van de kwaliteit van staalslak (art. 3.3.b en 6.1.b.II JLoI en annex II onder 3.B). Dit betreft een innovatieve methode voor de verwerking van staalslak in de toekomst. Dit project is onderdeel van de JLoI (aanvullende milieumaatregelen) en zodoende wel meegenomen in de businesscase. Zoals in het antwoord op vraag 13 aangegeven is in beginsel de toepasser van staalslak verantwoordelijk voor de juiste toepassing.
Welke andere maatschappelijke kosten van Tata Steel’s operatie erkent u naast staalslakken, zoals gezondheidsschade door luchtvervuiling, stikstofuitstoot, en milieuschade? Kunt u deze kosten kwantificeren en aangeven in hoeverre deze worden meegewogen in de afweging over de subsidiedeal?
De bedrijfsactiviteiten van TSN zorgen, net als de activiteiten van ieder industrieel bedrijf, voor maatschappelijke baten (o.a. werkgelegenheid; investeringen in onderzoek en innovatie; belastingopbrengsten; strategische autonomie) en kosten (o.a. emissies van vervuilende stoffen en als gevolg daarvan gezondheids- en milieuschade en -risico's; emissies van broeikasgassen en als gevolg daarvan klimaatverandering). Het PBL heeft becijferd9 dat de totale milieuschade door Nederlandse industrie in 2022 € 9,6 miljard bedroeg. De bruto toegevoegde waarde van de Nederlandse industrie bedroeg in 2022 volgens CBS-cijfers € 102,8 miljard.
Bij het toepassen van de door het PBL gehanteerde methode op de specifieke maatschappelijke kosten als gevolg van uitstoot door Tata Steel zouden veel methodologische slagen om de arm moeten worden gehouden. Een dergelijke berekening zou dan ook niet veel zeggingskracht hebben. Om deze reden is deze dan ook niet meegenomen in de afwegingen en onderhandelingen over het wel of niet inzetten op een maatwerkafspraak met Tata Steel.
Dat neemt niet weg dat de inzet van het kabinet is om de maatschappelijke kosten van de bedrijfsactiviteiten fors te doen afnemen. Voor gezondheid specifiek geldt dat het RIVM op verzoek van het kabinet in kaart heeft gebracht welk causaal verband bestaat tussen bepaalde emissies door Tata Steel en gezondheidsschade bij omwonenden. Deze schade is uiteraard zeer onwenselijk en daarom is een belangrijk doel van de maatwerkafspraak om schadelijke emissies fors te reduceren. Daarbij ligt de focus op die stoffen waarvoor het causale verband tussen uitstoot en gezondheidsschade (door blootstelling op immissieniveau) het duidelijkst is. Die aanpak is in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond.
Welke mechanismen voorziet u op te nemen in de definitieve maatwerkafspraak om te voorkomen dat de Staat gedwongen wordt tot aanvullende investeringen om eerder geïnvesteerd kapitaal te beschermen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 committeert de staat zich met de JLoI op geen enkele manier aan aanvullende investeringen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro.
In de JLoI staan een aantal mechanismen genoemd waarmee wordt geborgd dat de maatwerksubsidie wordt gebruikt voor het realiseren van de maatschappelijke doelen. Allereerst is er vooraf een grondige beoordeling van de businesscase gemaakt, waarin mogelijke financiële risico’s worden geïdentificeerd. De businesscase wordt getoetst door een financieel adviseur van de staat. Daarnaast zal tijdens de projectperiode de subsidie worden uitgekeerd in tranches; na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen wordt een tranche voorlopig uitgekeerd. Dat betekent dat de staat de volgende tranche van de subsidie pas overmaakt als er voldoende voortgang is in de projecten en de subsidie wordt pas definitief vastgesteld als de afgesproken doelen zijn behaald. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. De staat heeft ook de mogelijkheid om de subsidie op te schorten als er een tekort blijkt om de projecten te realiseren. Ook zal een clawback mechanisme worden ingesteld om overcompensatie te voorkomen. In de JLoI staan ook de financiële verplichtingen van TSN en TSL, waaronder dat alle kosten voor de projecten buiten de € 2 miljard bijdrage van de staat voor rekening van Tata Steel zijn. De staat zal ook zekerheden krijgen om de verstrekte subsidie te beschermen. In de definitieve maatwerkafspraak zullen de afspraken en mechanismen nader worden uitgewerkt.
Wat betekent de formulering «as it currently stands» in Artikel 7 van de JLoI? Onder welke omstandigheden zou deze formulering niet meer gelden en zou vervolgfinanciering alsnog worden overwogen? Erkent u dat dit ruimte biedt voor toekomstige subsidieverzoeken?
Dit betekent dat de staat op dit moment geen realistisch scenario voor zich ziet waarin de tweede fase van de verduurzaming van TSN in aanmerking komt voor maatwerkondersteuning. Ten eerste is de kans op goedkeuring van de EC voor een tweede steunverzoek voor één bedrijf klein. Daarnaast zal de tweede fase pas medio jaren «30 worden uitgevoerd. Op dat moment zijn naar verwachting hoge EU ETS kosten en een goedwerkende CBAM in combinatie met een mogelijk kolenverbod aan de orde, waarmee er vermoedelijk geen sprake is van een onrendabele top en/of bovenwettelijke maatregelen. Dit alles maakt het zeer onwaarschijnlijk dat er überhaupt subsidie mag worden verstrekt voor deze fase.
Tegelijkertijd kan dit scenario nooit volledig uitgesloten worden, omdat zowel wet- en regelgeving als klimaatbeleid in de toekomst kunnen wijzigen en een bedrijf niet op voorhand uitgesloten kan worden van eventueel in de toekomst bestaande generieke subsidie-instrumenten. Zoals ook in het antwoord op vraag 1 is beschreven geldt daarnaast dat het ontvangen van een eventuele maatwerksubsidie niet betekent dat het bedrijf geen aanspraak kan maken op andere generieke duurzaamheidssubsidies, zoals bijvoorbeeld de SDE++ voor CCS.
Welke garanties (naast het terugbetalen van 200 miljoen euro) heeft de Staat dat de klimaatdoelstellingen daadwerkelijk worden behaald indien biomethaan niet beschikbaar of betaalbaar blijkt, gezien de analyse door SOMO dat als de biomethaanmarkt niet van de grond komt, Tata Steel afhankelijk blijft van LNG-import, waardoor de CO2-besparing grotendeels teniet wordt gedaan?
De grootste CO2 reductie wordt bereikt door over te stappen van kolen op aardgas. In de JLoI is overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de DRP zal vervangen door groene waterstof en/of biomethaan. Voor de aankoop van deze groene energiebronnen verstrekt de staat een lening van 200 miljoen euro. Indien er in de gehele periode geen groene waterstof en/of biomethaan wordt gekocht door TSN, moet de lening inclusief rente en een (eventuele) boete worden terugbetaald. Als de waterstof en/of biomethaan wel wordt ingekocht, wordt de lening (proportioneel) omgezet in een subsidie. Zie hiervoor ook artikel 7.2.2 van de JLoI. Verdere juridische waarborgen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen uit het relevante staatssteunkader van de EC, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy (CEEAG).
Zullen de CO2-reductiedoelstellingen via CCS (Carbon Capture and Storage) en biomethaan in de JLoI in de maatwerkafspraak worden omgezet in resultaatverplichtingen, of blijven het inspanningsverplichtingen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag, is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen die volgt uit het relevante staatssteunkader en zal TSN daar dus de benodigde stappen voor moeten zetten. De komende tijd zal verder worden uitgewerkt hoe dit als resultaatsverplichting kan worden vastgelegd in de definitieve maatwerkafspraak.
Hoeveel kubieke meter aardgas moet worden vervangen door biomethaan om de uitstoot van Tata Steel tussen 2032 en 2037 jaarlijks met 1,2 megaton omlaag te brengen?
Vanaf 2032 begint TSN met het inzetten van maximaal 0,5 bcm biomethaan per jaar in de DRP ter vervanging van aardgas. Hiermee kan een extra CO2-reductie tot 1,2 Mton per jaar worden bereikt.
Welke analyse heeft het kabinet gemaakt van het risico dat biomethaansubsidies de transitie naar een landbouwsysteem met minder dieren vertragen, gegeven dat mest als grondstof een economische prikkel vormt voor het in stand houden van de huidige veestapel?
Gezien er andere rest- en afvalstromen zijn die ook benut kunnen worden voor de productie van biomethaan, is er geen afhankelijkheid van mest. Daarnaast wordt ook import van biomethaan voorzien.
Het milieubeleid en de bijbehorende regelgeving in de landbouw, waar een vermindering van de omvang van de veestapel onderdeel van uitmaakt, bepaalt de hoeveelheid mest die geproduceerd wordt in Nederland. Het is verstandig om mest nuttig te gebruiken, zowel vanuit het oogpunt van het benutten van laagwaardige reststromen als vanuit de noodzaak om methaanemissie uit mest in stallen te voorkomen. Het kabinet houdt bij de vormgeving van biomethaanbeleid rekening met een krimp van de veestapel10. Waarbij een daling in de hoeveelheid beschikbare mest geen risico vormt voor het biomethaan beleid. Het kabinet zet samen met de landbouwsector in op innovaties, zoals stikstof- en ammoniakstrippers, om de bijdrage van vergisters aan de reductie van stikstof- en methaanemissies te vergroten.
Welk percentage van de productiekosten van biomethaan wordt momenteel gedekt door subsidies? Welke exitstrategie hanteert het kabinet om te voorkomen dat publieke middelen langdurig worden ingezet voor een sector die zonder subsidie niet rendabel is?
Hebt u kennisgenomen van de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)5 dat «verlies van biodiversiteit een reëel risico» is bij grootschalige biomassaproductie? Welke maximale hoeveelheid biomethaan acht het kabinet duurzaam produceerbaar in Nederland zonder negatieve effecten op biodiversiteit en landgebruik?
De binnenlandse productie van biomethaan wordt o.a. gesubsidieerd via de SDE++. De SDE++ dekt de onrendabele top af, de hoogte van de subsidie ligt niet vast en hangt onder meer af van de opbrengsten uit de geleverde energie en hangt dus af van de marktprijs van biomethaan.
Het doel van de maatwerkafspraak met TSN is, naast de realisatie van schone en groene staalproductie in de IJmond, juist ook om een duurzaam verdienmodel te realiseren (zonder structurele subsidies). Er moet daarbij zicht zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Het Groen Staal Plan betreft een zeer omvangrijke investering van TSN en het moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL). Het bedrijf zal niet investeren zonder zicht op een lange termijn verdienmodel. Daarnaast zijn ook strenge voorwaarden verbonden aan een subsidie die verleend wordt door de overheid. Op basis van de Europese regels voor staatssteun voor verduurzaming die van toepassing zijn, geldt dat steun niet ingezet mag worden om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De EC toetst hier streng op.
Hoeveel hectare landbouwgrond of organisch restmateriaal is nodig voor de productie van 0,5 miljard m3 biomethaan per jaar die Tata Steel beoogt af te nemen?
Biomethaan kan via verschillende methodes en op basis van verschillende reststromen geproduceerd worden. Er kan daarom niet een generiek aantal hectares gekoppeld worden aan de productie van 0,5 bcm biomethaan. De mogelijke nationale biomethaan productie is afhankelijk van de hoeveelheid grondstoffen (doorgaans rest- en afvalstromen) die beschikbaar komen in de maatschappij, niet andersom. In een recent rapport12 dat is opgesteld in opdracht van het kabinet, is becijferd dat in Nederland een productiepotentie is die oploopt van 1,4 bcm in 2035 tot 2,8 bcm in 2050. Daarnaast is het voor TSN ook mogelijk om biomethaan te importeren vanuit bijvoorbeeld Europese landen, via het bestaande gasnetwerk. Het importpotentieel voor Nederland loopt volgens dit rapport tussen op van 3,3 bcm in 2035 tot 7,4 bcm in 2050. Externe adviseur Common Futures schat het Europese productiepotentieel voor biomethaan productie op 100 bcm, meer dan genoeg om aan de vraag van TSN te voldoen13. Het rapport van Common Futures is meegestuurd bij verzending van de JLoI aan de Tweede Kamer.
Onder welke omstandigheden zou het kabinet overwegen om voor fase 2 van het verduurzamingsplan alsnog subsidie te verstrekken, hetzij via maatwerk, hetzij via generieke instrumenten, zoals SDE++ of NIKI? Welk maximumbedrag is hiervoor denkbaar?
Zie het antwoord op vraag 17.
Bent u bekend met de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de kwartaalcijferpresentatie6, waarin hij stelt: «We did not want to go that hydrogen route. Hydrogen is uncertain on availability and economics, so we are focused on natural gas with an optionality of the auctioning of biomethane»? Komen deze uitspraken overeen met de aannames in de JLoI over de toekomstige energiedragers?
Het verduurzamingsplan van TSN uit november 2023 waarin wordt uitgegaan van de bouw van een DRP-EAF op waterstof vormt nog altijd de basis voor de JLoI met TSN. Het beeld dat de CFO van TSL schetst dat de beschikbaarheid en prijzen van waterstof onzeker zijn, wordt herkend. De ontwikkeling van de waterstofmarkt gaat trager dan voorzien ten tijde van het opstellen van het verduurzamingsplan door TSN. Om deze reden zijn de plannen van TSN ook verder doorontwikkeld en heeft biomethaan een rol gekregen. Echter, om de beoogde CO2-reductie te realiseren en aan de eisen van het staatssteunkader te voldoen zal TSN moeten overstappen op groene energiebronnen. De staat wil deze overstap ondersteunen met een subsidie in de vorm van een lening die TSN moet gebruiken om groene waterstof en/of biomethaan aan te kopen via tenders. De tenders voor biomethaan en groene waterstof moeten in de markt worden gezet, deze zogenaamde «auctioning» is verplicht en geen «optionality». Indien TSN in de periode 2032–2037 geen waterstof of biomethaan koopt, zal de lening moeten worden terugbetaald met rente en een eventuele boete.
Heeft u er kennis van genomen dat de CFO van Tata Steel Limited stelt dat biomethaan pas «much later, post 2035» relevant wordt voor Tata Steel Nederland7, terwijl de JLoI uigaat van overschakeling naar biomethaan vanaf 2032? Welke van deze twee tijdlijnen is correct?
In de JLoI is afgesproken dat TSN in de periode 2032–2037 gaat overstappen op groene waterstof en/of biomethaan. Zoals in het antwoord op de vorige vraag aangegeven gaat TSN hiervoor tenders in de markt zetten. Over de precieze voorwaarden van deze tenders zullen afspraken worden gemaakt tussen de overheid en het bedrijf. Wanneer exact wordt overgestapt is afhankelijk van het slagen van deze tenders. Het zou dus kunnen voorkomen dat het in 2032 niet gelijk lukt om de volledige volumes in te kopen. Dan zou de overstap op groene energiebronnen later in de tijd gemaakt worden en wordt de bijbehorende CO2-reductie dus ook later gerealiseerd. De doelen en waarborgen voor het behalen van deze doelen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Hoe interpreteert u de uitspraak van de CFO die stelt dat het «possible [is] to buy it on paper, as a hedge, if the physical does not flow»8? Betekent dit dat Tata Steel voornemens is biomethaan slechts administratief in te kopen via certificaten, zonder daadwerkelijk fysiek biomethaan te gebruiken?
Het proces met certificaten bij biomethaan werkt vergelijkbaar met het aankopen van groene elektriciteit met certificaten. Omdat transport via pijpleiding de meest duurzame en efficiënte transportmethode voor gassen is worden biomethaan en aardgas beiden in het reguliere Europese gasnet ingevoed. Hiermee ontstaat een mix van biomethaan en aardgas die alleen onderscheiden kan worden middels certificering. Met de certificaten kan de duurzame herkomst van de biomethaan worden aangetoond en de CO2-reductie van het gebruik van biomethaan worden toegekend.
In de JLoI staat opgenomen dat TSN alleen biomethaan mag gebruiken dat voldoet aan de duurzaamheidseisen van de Europese Unie (RED II). TSN zal de duurzaamheid van de gekochte biomethaan moeten aantonen met zowel een Garantie van Oorsprong (GvO) als een Proof of Sustainability certificaat. Hiermee is de duurzaamheid en de CO2-reductie die gepaard gaat met het gebruik van biomethaan geborgd.
Om de benodigde hoeveelheid biomethaan te kunnen inkopen zal TSN, naast het inkopen van in Nederland geproduceerde biomethaan, ook biomethaan (via certificaten) moeten importeren uit andere Europese landen. Vanwege de mondiale afspraken over emissiestatistieken tellen buitenlandse GvO’s niet mee voor de doelen in de nationale Klimaatwet, omdat de emissiereductie meetelt in het land waar biomethaan wordt geïnjecteerd in het gasnet. Het telt juridisch gezien wel mee als emissiereductie onder het EU-ETS. Echter, vanwege praktische beperkingen is dit binnen het ETS op het moment nog niet mogelijk. Er is namelijk nog geen Europese databank/monitoringssysteem om dubbeltelling van GvO’s te voorkomen. Hierdoor tellen momenteel in Nederland alleen Nederlandse GvO’s voor CO2-reductie onder het EU ETS. Op basis van gesprekken met de EC en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is de verwachting dat tegen de tijd dat TSN overstapt op biomethaan de Europese Union Database for Biofuels is geïmplementeerd, waardoor dubbeltelling van GvO’s wordt voorkomen en ook buitenlandse GvO’s kunnen meetellen onder EU ETS.
Voor de gezondheidswinst van de omwonenden maakt het niet uit of TSN aardgas of biomethaan gebruikt. Deze gassen zijn chemisch gezien namelijk exact hetzelfde samengesteld, waardoor de effecten op gezondheid ook gelijk zijn. De grootste gezondheidswinst wordt gerealiseerd door de overstap van kolen op aardgas.
Welke consequenties heeft het voor de daadwerkelijke CO2-reductie als Tata Steel inderdaad biomethaan «op papier» zou inkopen in plaats van fysiek? En welke consequenties heeft dit voor de gezondheidswinst van omwonenden die met deze deal beoogd worden?
Zie antwoord vraag 28.
Wanneer is het idee van het gebruik van biomethaan precies op tafel gekomen, wie heeft dat precies ingebracht (Tata Steel Nederland, Tata Steel India, de Nederlandse Staat, of anders) en welke afwegingen lagen hieraan ten grondslag? Kunt u daar een tijdlijn van schetsen? Kunt u ons alle correspondentie sturen die te maken heeft met biomethaan en Tata Steel tussen het ministerie en externen en ook de interne correspondentie hierover sinds de onderhandelingen zijn begonnen (conform informatieplicht)?
Het uitgangpunt voor de verduurzaming van TSN is nog altijd het plan van TSN: het bouwen van een DRP-EAF op groene waterstof. In landen om ons heen zien we dat staalproducenten hun verduurzamingsplannen op basis van waterstof heroverwegen (ThyssenKrupp in Duitsland), uitstellen (ArcelorMittal in België) of niet uitvoeren en de verkregen subsidie teruggeven (ArcelorMittal in Duitsland). Daarnaast is de afgelopen jaren de ontwikkeling van de waterstofmarkt langzamer op gang gekomen dan eerder verwacht. Vanwege het belang om uiteindelijk over te gaan op groene energiebronnen en verdere CO2-reductie te realiseren, is daarom door partijen onderzocht of een andere groene energiebron een mogelijkheid zou zijn.
In het staalproductieproces is koolstof nodig als grondstof om van ijzer staal te maken. Ook bij staalproductie op basis van waterstof is er altijd nog een koolstofbron nodig om staal te kunnen maken. Een duurzame koolstofbron hiervoor is biomethaan. Momenteel gebruikt TSN al biomethaan ter vervanging van aardgas in een aantal processen. TSN heeft dus al ervaring opgedaan met het aankopen en inzetten van biomethaan.
De overheid ziet biomethaan als een belangrijke duurzame koolstof- en energiebron voor processen waar andere technologieën zoals elektrificatie niet toereikend zijn. Om de biomethaan-markt verder op te schalen wordt biomethaan-productie gestimuleerd middels de SDE++ en aan de afname kant komt er een bijmengverplichting voor ETS2 sectoren voor biomethaan. Daarbij, zoals de AMVI in haar advies ook onderstreept, kan de vraag van grote industriële afnemers zoals TSN ook bijdragen aan marktontwikkeling door het bieden van lange termijn afnamezekerheid aan producenten. Uit het recent door Guidehouse afgeronde onderzoek naar de lange termijn productie en inzet van biomethaan komt staal naar voren als een van de sectoren waar biomethaan een goedkoper alternatief is dan waterstof, mede door de hoogwaardige inzet als grondstof17.
Gegeven de hierboven geschetste ontwikkelingen en nieuwe inzichten is de inzet van biomethaan (naast waterstof) opgenomen in het plan van TSN. De mogelijkheid om biomethaan of waterstof in te zetten in plaats van alleen waterstof geeft meer mogelijkheden om uiteindelijk een verdere verduurzamingsslag te maken. Het is aan de onderneming om – afhankelijk van de ontwikkelingen – te kiezen voor biomethaan of groene waterstof.
Bij het versturen van de Kamerbrief over de ondertekening van de JLoI is ook het rapport van Common Futures meegestuurd18. Dit rapport gaat nader in op de mogelijkheden van biomethaan. In bovengenoemd antwoord is geschetst hoe, naast de mogelijkheid van waterstof, ook de mogelijkheid van biomethaan is opgenomen in de JLoI. Het is op dit moment niet mogelijk om alle correspondentie sinds de onderhandelingen over biomethaan te delen, dit zou namelijk de onderhandelingspositie van de staat kunnen benadelen.
Hoe strookt de timing van deze verandering van het idee om waterstof te gebruiken naar het idee om biomethaan te gebruiken met het feit dat de technische review van het groen staalplan mid 2024 is uitgevoerd, en de economische review begin 2025 al is afgerond9? Heeft Mott Macdonald daarmee de meest recente plannen beoordeeld?
De technische en financiële adviseurs van de staat hebben hun reviews voortdurend gedaan, en dus ook op basis van de laatste, doorontwikkelde versie van de plannen, zoals deze ook in de JLoI zijn opgenomen. De DRP-EAF is flexibel voor wat betreft het gebruik van aardgas, waterstof en biomethaan. Omdat aardgas en biomethaan chemisch exact hetzelfde zijn heeft een aanpassing van gebruikte volumes geen invloed op de technische review. Waterstof is sinds het begin van dit traject onderdeel van de plannen en is ook meegenomen in de technische review. De review van de te behalen CO2-reductie met biomethaan was onderdeel van de environmental review van begin 2025.
Heeft u de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de earnings call van 6 november 2025 voorgelegd aan Tata Steel Nederland met het verzoek om opheldering? Zo ja, wat was de reactie? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen en de Kamer over de uitkomst te informeren?
De uitspraken die TSN en TSL in dit soort bijeenkomsten voor aandeelhouders doen zijn aan hen. De in de JLoI vastgelegde doelen, projecten en het financiële kader zijn overeengekomen door alle partijen. Op basis hiervan wordt de definitieve maatwerkafspraak uit onderhandeld.
Is het een voorwaarde voor de uitkering van de maatwerksubsidie van 200 miljoen euro dat Tata Steel biomethaan of groene waterstof fysiek bijmengt in de installaties? Is het ook toegestaan dat Tata Steel met die subsidie groencertificaten inkoopt uit het buitenland? Zo ja, hoe draagt dit dan bij aan het behalen van de Nederlandse klimaat- en biodiversiteitsdoelen?
Nee, dat is geen voorwaarde. TSN mag ook gebruik maken van certificaten en inkopen uit het buitenland. Zie verder het antwoord op vraag 28 en 29.
Kan Tata Steel aanspraak maken op de SDE++ of andere subsidieregelingen voor het eventueel inkopen van groencertificaten voor biomethaan of groene waterstof?
De SDE++ is een exploitatiesubsidie en kan zodoende niet worden gebruikt om biomethaan of groene waterstof aan te kopen. TSN krijgt een maatwerksubsidie voor de aankoop van (gecertificeerde) biomethaan en/of groene waterstof (de lening van 200 miljoen euro). Binnen de geldende staatssteunkaders is het niet toegestaan om dezelfde kosten dubbel te financieren met verschillende subsidies. RVO voert altijd een cumulatietoets uit, waarmee getoetst wordt of er sprake is van overstimulering. Dit zal ook worden gedaan als er een aanvraag komt voor steun vanuit een andere regeling voor de aankoop van groencertificaten. Indien een deel toch gesubsidieerd kan worden, zal de subsidie nooit hoger zijn dan het toegestane plafond.
Hoe beoordeelt u dit risico op precedentwerking, zoals gesteld in het ESB artikel: «Als Tata bijvoorbeeld een uitzondering krijgt op de nationale CO2-heffing, hoe kan een nieuw kabinet dan andere bedrijven een nationale heffing opleggen?»
Zie voor dit antwoord de inleidende tekst onder antwoord 1. Er is geen sprake van dat TSN een uitzondering zou kunnen krijgen op de nationale CO2-heffing. Het beleid rondom deze heffing heeft een generieke werking die van toepassing is op alle bedrijven. Indien (nieuw) beleid op dit punt leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van deze opzeggrond.
Overweegt u een tegemoetkoming voor alleen Tata van netwerkkosten en de CO2-heffing, of zou dit altijd voor alle bedrijven gelden?
Er wordt geen specifieke tegemoetkoming aan TSN voor de netwerkkosten en de CO2-heffing overwogen, omdat het generiek beleid betreft dat voor alle bedrijven binnen een sector geldt. Een oplossing zal dus altijd gevonden moeten worden via een generieke beleidswijziging, zie ook het antwoord op vraag 1.
Heeft het kabinet een impactanalyse gemaakt van de precedentwerking van de Tata-deal voor andere maatwerkafspraken? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
De steuncasus voor TSN is dermate specifiek (er zijn geen andere (staal)fabrikanten of maatwerkbedrijven in Nederland die een soortgelijke CO2-reductie kunnen realiseren), dat een definitieve maatwerkafspraak niet kan worden gekopieerd naar andere gevallen en de precedentwerking van de afspraken op nihil wordt ingeschat.
Op welke gronden kunt u een verzoek van een ander bedrijf om dezelfde opzeggronden als Tata Steel (netwerkkosten, CO2-heffing) afwijzen zonder in strijd te handelen met het gelijkheidsbeginsel?
Er wordt geen uitzondering gemaakt voor een bedrijf in de maatwerkaanpak. Met bedrijven die onderdeel zijn van de maatwerkaanpak wordt gesproken over de benodigde randvoorwaarden om te kunnen investeren Een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Bedrijven moeten altijd zelf een overweging maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan.
Waarom is, gegeven de autonome prikkel vanuit het ETS (vanaf 2031 verdwijnen 78% van de gratis emissierechten voor Tata Steel, en vanaf 2034 vervallen deze volledig), een aanvullende maatwerksubsidie van 2 miljard euro noodzakelijk?
Voor de beoogde maximale subsidie voor de verduurzamingsprojecten van 1,4 miljard euro is gekeken naar de businesscase van het project zodat er niet meer steun wordt gegeven dan de onrendabele top van het project. De verwachte ETS kosten alleen blijken onvoldoende om deze investering rendabel te maken. Investeringssteun is noodzakelijk om tot een investeringsbeslissing te kunnen komen. Dit wordt ook getoetst door de EC voordat een eventueel steunverzoek wordt goedgekeurd. Alle Europese staalfabrikanten moeten verduurzamen en ook zij hebben hiervoor steun nodig vanuit de overheden. In de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro is 600 miljoen euro gereserveerd voor de milieumaatregelen, deze 600 miljoen euro subsidie levert geen CO2-reductie op.
Hoeveel jaar eerder dan de ETS-verplichting (netto-nul in 2040) bereikt Tata Steel met dit plan netto-nul uitstoot? Wat zijn de kosten per jaar versnelling?
In de JLoI is opgenomen dat TSN ernaar streeft om uiterlijk 2045 en zo snel als redelijkerwijs mogelijk is klimaatneutraliteit te bereiken. Het ETS is een handelssysteem met een emissieplafond dat afloopt. Het feit dat er geen gratis rechten meer worden uitgekeerd betekent niet dat een bedrijf geen CO2 meer uit kan stoten. Zo kunnen rechten worden gekocht of overgehouden rechten van eerdere jaren worden meegenomen en later ingezet. Het ETS is een prikkel om CO2 te reduceren en zorgt ervoor dat er geen nieuwe rechten meer worden uitgegeven na 2039.
Bent u bereid om, alvorens een definitieve maatwerkafspraak te sluiten, de Kamer een integrale kosten-batenanalyse te doen toekomen waarin alle directe en indirecte kosten van de deal zijn opgenomen, inclusief de kosten van de zes voorwaarden uit de intentieverklaring?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is toegelicht, worden er geen extra kosten voor TSN voor de door SOMO aangehaalde punten voorzien. De kosten en baten van de plannen in de JLoI zijn door de AMVI beoordeeld in termen van de doelmatigheid van de steun, waarbij zij aangeeft dat er een aanzienlijke emissiereductie wordt bereikt tegen relatief lage kosten. De financieel adviseur van de staat ziet toe op de onderbouwing en haalbaarheid van de businesscase. Ook de EC toetst hierop. Het rapport van de financiële adviseur zal bij de definitieve maatwerkafspraak openbaar worden gemaakt.
Bent u bereid de Kamer vooraf te informeren over de risicoverdeling in de definitieve maatwerkafspraak, zodat de Kamer kan beoordelen in hoeverre publieke middelen worden ingezet om private risico’s af te dekken?
De Kamer wordt regelmatig, waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk, geïnformeerd over de voortgang van de maatwerkafspraken met Tata Steel, bijvoorbeeld via Kamerbrieven en technische briefings. Ook in de toekomst zal het kabinet dit blijven doen. Indien gewenst kan de stand van zaken op dit vlak worden toegelicht in een (vertrouwelijke) technische briefing.
Kunt u toezeggen dat een definitieve maatwerkafspraak niet wordt gesloten zonder expliciete instemming van de Kamer, gegeven de omvang van de publieke middelen en de structurele aard van de verplichtingen?
Bij maatwerkafspraken is – zoals vaker met de Tweede Kamer is gecommuniceerd – het geëigende moment om te spreken over de contouren van de maatwerkafspraak op het moment dat de JLoI aan de Kamer wordt gestuurd. Daarna gaat het kabinet immers proberen te komen tot een afspraak binnen de kaders van die JLoI. Het kabinet gaat dan ook graag met de Tweede Kamer over de JLoI in gesprek tijdens het nog in te plannen plenaire debat dat is aangevraagd. Daaraan voorafgaand zal ook een technische briefing worden georganiseerd over de JLoI met TSN. Voor wat betreft de finale maatwerkafspraak en de financiële implicaties daarvan geldt – zoals ook aangegeven in de Kamerbrief over het vaststellen van het mandaat voor de onderhandelingen over de maatwerkafspraak met Tata Steel – dat deze onder voorbehoud van parlementaire autorisatie van de begroting is.20
Gezien het feit dat de commissies die ingesteld zijn om te adviseren over de maatwerkafspraken (AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond) in hun advies aangeven dat onder andere de financiële modellen en bijbehorende aannames rondom het Groen Staalplan «nog niet in een finale fase» waren ten tijde van hun advies10, bent u bereid een volgende versie inclusief de relevante aannames alsnog aan hen voor te leggen voor advies? Zo nee, hoe beoordeelt u dan het feit dat deze commissies advies hebben moeten geven terwijl nog grote (financiële) aannames niet transparant waren en dus niet getoetst konden worden?
De AMVI adviseert in haar advies om «een professionele partij een rapport/verklaring af te laten geven ten aanzien van de werking van de modellen, modelopbouw, analyse van aannames, validatie van uitkomsten en werking van de scenario’s». Dat advies neemt het kabinet over. Zo zullen, in lijn met het advies, verschillende scenario’s worden uitgewerkt waarmee de financiële implicaties van een aantal scenario’s inzichtelijk worden gemaakt. De financiële beoordeling van de businesscase is met een grondige toets van externe, onafhankelijke financieel adviseurs, die hierover met een definitieve maatwerkafspraak een openbaar rapport over zullen uitbrengen en controle door de EC op proportionaliteit voldoende geborgd.
Welke due diligence heeft de Staat gaat de op de financiële modellen van Tata Steel voordat de JLoI werd getekend om de businesscase te toetsen? Welke externe financiële adviseur heeft de Staat hierbij betrokken en wat waren de conclusies van dit advies?
De staat wordt vanaf de start van de gesprekken over een maatwerkafspraak met TSN bijgestaan door externe adviseurs. Zo zijn onder andere de financiële modellen getoetst door onze adviseur KPMG. Ook wordt een technisch, commercieel en dus ook financieel due diligence gedaan door verschillende experts die de overheid bijstaan in dit traject. Voor de definitieve maatwerkafspraak zullen de finale financiële modellen eveneens opnieuw door de externe financieel adviseurs worden getoetst. De adviseurs zullen ook een openbaar rapport opstellen dat meegestuurd kan worden bij een definitieve maatwerkafspraak. Tot slot is en wordt de businesscase ook door de EC getoetst op o.a. proportionaliteit.
Bent u bereid volledige transparantie te bieden over alle financiële implicaties, inclusief maatschappelijke kosten zoals staalslakkenverwerking, een onafhankelijke second opinion op de businesscase en alle structurele kostenposten, voordat u de Kamer om instemming met de definitieve overeenkomst vraagt?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is de businesscase uitvoerig getoetst door de adviseurs van de staat en door de EC. Bij de definitieve maatwerkafspraak zullen ook stukken van de adviseurs openbaar worden gemaakt. Hiermee wordt volgens het kabinet volledige transparantie geboden binnen de mogelijkheden die er zijn, rekening houdend met de bedrijfsvertrouwelijke informatie die de staat ontvangt en waar prudent mee moet worden omgegaan. De Kamer kan desgewenst tussentijds (vertrouwelijk) worden geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen over de maatwerkafspraak.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de JLoI met Tata Steel?
Ja.
De Kamerbrief Side-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25087, 359) |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VS bedingen uitzonderingen op minimumbelasting multinationals»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de in het artikel opgenomen stelling dat Amerikaanse multinationals zijn uitgezonderd van de wereldwijde minimumbelasting van 15% waarover in 2021 door ruim 130 landen een akkoord is gesloten, en dat deze uitzonderingspositie de minimumbelasting voor multinationals verwatert?
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het zogeheten Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende Side-by-Side veiligehavenregel niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig is aan Pijler 2.
Kunt u reflecteren op de in hetzelfde artikel opgenomen stelling dat onder meer Polen, Tsjechië en Estland aanvankelijk bezwaar hebben gemaakt tegen deze uitzonderingspositie vanwege de vrees voor een verslechtering van de concurrentiepositie van Europese concerns?
Het kabinet begrijpt dat er bij sommige EU-lidstaten vrees bestond voor een akkoord over de Side-by-Side veiligehavenregel omwille van de concurrentiepositie van Europese multinationals. Niettemin vindt het kabinet dat met het akkoord het best mogelijke resultaat is bereikt waarbij de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen in stand kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband. Dat is ook van belang voor het EU-concurrentievermogen. De EU is immers niet gebaat bij een nieuwe race naar de bodem in de winstbelasting.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van Van Weeghel dat het hanteren van een samengesteld wereldwijd gemiddeld effectief belastingtarief Amerikaanse ondernemingen een voordeel verschaft ten opzichte van concurrenten uit landen die de OESO-minimumbelasting per jurisdictie toepassen, waaronder de EU-lidstaten, Japan, het Verenigd Koninkrijk en Canada?
Het IF heeft geconcludeerd dat het Amerikaanse belastingstelsel aan de overeengekomen voorwaarden voldoet en de status krijgt van een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van het Amerikaanse NCTI2-systeem wordt in voorkomende gevallen belasting geheven over de niet-uitgekeerde winsten van buitenlandse dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals. Voor de berekening van die belasting wordt onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van die dochterondernemingen wereldwijd en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinational in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het Amerikaanse NCTI-systeem minder belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Echter, gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van De Wilde dat de Verenigde Staten bij het bepalen van de binnenlandse effectieve belastingdruk fiscale stimulansen buiten beschouwing laten, terwijl deze onder de OESO-regels juist meetellen, en dat deze systematiek investeren in de Verenigde Staten aantrekkelijker maakt voor Amerikaanse bedrijven dan voor ondernemingen uit EU-landen en andere early adopters?
Voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals is van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives onder Pijler 2 er naar verwachting toe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen in de Verenigde Staten fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde voorwaarden kunnen opereren als Amerikaanse multinationals.
Hoe rijmt u de in het artikel opgenomen passages, waarin wordt gesteld dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals leidt tot concurrentievoordelen en een verwatering van de minimumbelasting, met de stelling in de Kamerbrief dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die Pijler 2 wel implementeren (p.2?
Voor de Side-by-Side veiligehavenregel zijn robuuste en strikte criteria afgesproken. Daarnaast is de werking van de binnenlandse bijheffing onveranderd. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Kunt u, ter toelichting op de werking van het Side-by-Side-regime, een uitgewerkt rekenvoorbeeld (met expliciet vermelde aannames) verstrekken waarin u eenzelfde multinationale groep onder (i) de reguliere Pijler 2-systematiek (per jurisdictie-toets met toepassing van IIR/UTPR) en (ii) het Side-by-Side-regime (met vrijstelling van IIR/UTPR voor de uiteindelijke moederentiteit in een kwalificerende jurisdictie) vergelijkt en daarbij inzichtelijk maakt in welke gevallen en waarom deze benadering in de praktijk kan leiden tot een lagere (of anders verdeelde) effectieve belastingdruk?
Ten eerste hangt de uitkomst van een vergelijking af van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime. Tot nu toe is alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. De kenmerken en de technische vormgeving van Pijler 2 zijn niet goed vergelijkbaar met de kenmerken en de technische vormgeving van het Amerikaanse belastingstelsel. Om enigszins recht te doen aan de gevallen in de praktijk zou moeten worden uitgegaan van een groot aantal variabelen zoals de belastbare winstgrondslag, de aanwezigheid van «substance», de belastingheffing in de eigen jurisdictie en in de jurisdicties van de dochterondernemingen alsmede de mogelijkheid tot verrekening van in het buitenland geheven belastingen. Als gevolg daarvan zouden steeds verschillende aannames moeten worden gemaakt. Een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld zou geen betrouwbaar beeld geven in welke gevallen in de praktijk het Amerikaanse belastingstelsel kan leiden tot een lagere of anders verdeelde belastingdruk.
Kunt u in het in de vorige vraag gevraagde rekenvoorbeeld tevens uitgaan van een situatie waarin de multinationale groep activiteiten ontplooit in ten minste één laagbelastende jurisdictie, en inzichtelijk maken hoe de effectieve belastingdruk onder de reguliere Pijler-2-systematiek zich in dat geval verhoudt tot de belastingdruk onder het Side-by-Side-regime?
Ook hier geldt dat de uitkomst van een vergelijking afhangt van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime en dat tot nu toe alleen het Amerikaanse belastingstelsel is aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Ook in geval van een multinationale groep met een dochteronderneming in ten minste één laagbelastende jurisdictie geeft een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld om de hiervoor genoemde redenen geen betrouwbaar beeld hoe de belastingdruk onder Pijler 2 zich in de praktijk verhoudt tot de belastingdruk onder het Amerikaanse belastingstelsel.
Acht u het vanuit het oogpunt van gelijke concurrentieverhoudingen verdedigbaar dat Amerikaanse multinationals kunnen volstaan met een wereldwijd gemiddeld effectief tarief, terwijl Europese multinationals per jurisdictie aan de 15%-toets zijn onderworpen?
Op grond van het Amerikaanse NCTI-systeem wordt voor de berekening van de toepasselijke belasting onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van de tot een Amerikaanse multinationale groep behorende dochterondernemingen buiten de VS en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende andere landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinationale groep in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het NCTI-systeem minder of meer belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Het IF heeft vastgesteld dat er geen materieel risico is dat de buitenlandse winsten van Amerikaanse multinationale groepen die gezien hun omvang onder Pijler 2 zouden vallen, onderworpen zijn aan een effectief tarief van minder dan 15%. Het uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarbij is de toekomstige evaluatie van belang om te volgen hoe dit in de praktijk uitpakt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete waarborgen het kabinet ziet om te voorkomen dat de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime leidt tot structurele concurrentieverstoringen ten nadele van in de EU gevestigde concerns en in hoeverre deze waarborgen naar uw oordeel toereikend zijn?
Als onderdeel van het akkoord is afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden ondervangen. Daartoe zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken in hoeverre jurisdicties binnenlandse bijheffingen behouden of invoeren. Verder zal worden gekeken naar eventuele onbedoelde effecten zoals materiële concurrentieverstoringen tussen multinationale groepen en negatieve gedragseffecten, zoals een toename van winsten in laagbelastende jurisdicties zonder een binnenlandse bijheffing. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Kunt u uiteenzetten welke mitigerende maatregelen (fiscaal en niet-fiscaal) het kabinet voorziet om eventuele structurele concurrentieverstoringen te beperken die kunnen voortvloeien uit de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime ten opzichte van in de EU gevestigde concerns?
Welke maatregelen eventueel aangewezen zouden zijn, hangt ervan af welke elementen in welk systeem een eventuele structurele concurrentieverstoring zouden veroorzaken. Dat is op voorhand niet te zeggen en zou moeten blijken uit de evaluatie. Dat neemt niet weg dat altijd gekeken kan worden naar fiscale maatregelen ten gunste van het vestigingsklimaat voor zover die passen in het Pijler 2-raamwerk.
In hoeverre acht u het risico reëel dat multinationals hun winstallocatie aanpassen om optimaal gebruik te maken van de vrijstelling van IIR en UTPR onder het Side-by-Side-regime en welke kwantitatieve inschatting ligt hieraan ten grondslag?
Het is niet geheel duidelijk wat in dit verband wordt bedoeld met de aanpassing van de winstallocatie nu de voor Pijler 2 relevante winst wordt bepaald aan de hand van de commerciële jaarrekening. Het is denkbaar dat een multinational met hoofdkantoor in een kwalificerende Side-by-Sidejurisdictie besluit om winstgevende activiteiten in een voorheen laagbelastende jurisdictie die een binnenlandse bijheffing heeft ingevoerd, te verplaatsen naar een andere, nog steeds laagbelastende jurisdictie (zonder binnenlandse bijheffing). Maar of dat werkelijk een reëel risico is, is moeilijk in te schatten omdat voor een dergelijke verplaatsing verscheidene factoren een rol kunnen spelen. De aangekondigde evaluatie in 2029 zal hier naar verwachting meer inzicht in geven.
Indien bij deze risico-inschatting wordt uitgegaan van mogelijke gedragseffecten, betreft dit dan een aanvullende derving bovenop de in de Kamerbrief geraamde circa € 120 miljoen per jaar die voortvloeit uit het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel, of zijn deze gedragseffecten reeds in die raming verdisconteerd?
Het akkoord zal naar verwachting in eerste instantie met name effect hebben op multinationals met een Amerikaans hoofdkantoor en op multinationals die kunnen profiteren van de gunstigere behandeling van belastingvoordelen. De positieve gedragseffecten van de minimumbelasting, zoals winstverschuiving (terug) naar Nederland, zullen bij deze bedrijven naar verwachting in mindere mate optreden. Dit is al meegenomen in de budgettaire raming. Dit inzicht zorgt dus niet voor een aanvullende derving bovenop de geraamde € 120 miljoen.
Bent u voornemens om, naast de in het Inclusive Framework afgesproken evaluatie («stocktake») in 2029, een nationale evaluatie uit te voeren naar de effecten van het Side-by-Side-regime, in het bijzonder ten aanzien van concurrentieverhoudingen, gedragseffecten en budgettaire opbrengsten voor Nederland?
Het is van belang dat het IF zal monitoren hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en -als nodig actie kan ondernemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te adresseren. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om bij die evaluatie in het oog te houden dat Nederlandse bedrijven onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale bedrijven in Side-by-Side- of UPE Safe Harbour-jurisdicties. Uiteraard zal uw Kamer te zijner tijd worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze evaluatie en zullen bij de Nederlandse weging van de uitkomsten waar relevant ook eigen gegevens en analyses worden betrokken. Daarbij zal het kabinet ook de signalen vanuit de praktijk in de gaten houden.
Welke gevolgen verwacht u dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
Het is niet de verwachting dat de Side-by-Side veiligehavenregel grote gevolgen heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat. In het algemeen geldt dat het IF-akkoord van belang is om zekerheid en stabiliteit te waarborgen in het internationale belastingsysteem. Daar heeft ook het Nederlandse vestigingsklimaat baat bij.
Welke signalen ontvangt u vanuit het Nederlandse bedrijfsleven over de gevolgen van deze uitzonderingspositie voor hun internationale concurrentiepositie?
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.3 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het bedrijfsleven erop dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het kabinet wijst in dit verband op de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in een Side-by-Side veilige haven jurisdictie.
In hoeverre leidt deze uitzonderingspositie er naar uw oordeel toe dat Nederlandse en Europese ondernemingen structureel op achterstand komen ten opzichte van Amerikaanse concurrenten?
De positie, in het bijzonder de fiscale positie, van Nederlandse en Europese ondernemingen hangt af van verscheidene nationale en internationale factoren. Het kabinet denkt niet dat Nederlandse en Europese ondernemingen als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel structureel op achterstand komen. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarnaast zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Welke concrete maatregelen onderneemt u om te voorkomen dat Nederland economisch nadeel ondervindt van de uitzonderingspositie voor de Verenigde Staten?
Het is voorbarig om op voorhand te stellen dat Nederland een beduidend economisch nadeel ondervindt als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel zoals ook in de beantwoording van vraag 17 geschetst. Het IF zal een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Acht u het wenselijk dat Nederland onderdeel blijft van internationale afspraken die ertoe kunnen leiden dat het Nederlandse vestigingsklimaat minder aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven in een nadeliger positie komen ten opzichte van Amerikaanse ondernemingen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals, zoals de wereldwijde minimumbelasting, het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De OESO-modelregels voor de wereldwijde minimumbelasting zijn binnen de Europese Unie opgenomen in Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie. Nederland heeft deze richtlijn geïmplementeerd door middel van de Wet minimumbelasting 2024. Nederland is hiermee gehouden aan de regels van de wereldwijde minimumbelasting. Nog los daarvan: in het hypothetische geval waarin Nederland de regels van de minimumbelasting niet zou toepassen, zouden andere jurisdicties de minimumbelasting die Nederland als gevolg daarvan niet zou heffen, wel kunnen heffen. Het kabinet is daarnaast van mening dat het opnemen van de het Side-by-Side pakket in de Nederlandse wetgeving zorgt voor eenduidigheid en belastingplichtigen zekerheid biedt, wat ook ten goede kan komen aan het vestigingsklimaat.
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze uitzonderingspositie, de haalbaarheid en geloofwaardigheid van toekomstige mondiale belastingafspraken wanneer de Verenigde Staten structureel een eigen uitzonderingspositie afdwingen en andere landen zich daaraan aanpassen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals of de uitwisseling van gegevens tussen landen het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De betrokkenheid van de Verenigde Staten is daarbij van groot belang, zeker voor zover hun belastingsysteem als gelijkwaardig kan worden gezien.
Kunt u deze vragen binnen twee weken en elk van de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn elk afzonderlijk beantwoord. Helaas is het niet gelukt om de vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden.
Het repatriëren van het Nederlandse goud dat in New York is opgeslagen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is het, onder andere gezien de recente dreigende taal vanuit Washington richting Groenland en het feit dat de Verenigde Staten een militaire aanval op Groenland en daarmee NAVO-bondgenoot Denemarken niet langer wil uitsluiten, inmiddels niet verstandig om uit voorzorg het Nederlandse goud dat in New York is opgeslagen zo snel mogelijk te repatriëren? Zo nee, waarom niet?
Het beheer van de Nederlandse goudvoorraad is belegd bij De Nederlandsche Bank (DNB) en maakt onderdeel uit van haar onafhankelijke taken als nationale centrale bank binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken. Die onafhankelijkheid houdt in dat DNB, binnen het wettelijk kader en los van politieke besluitvorming, verantwoordelijk is voor beslissingen over de spreiding van de reserves, gericht op het borgen van financiële stabiliteit en het functioneren van het monetaire stelsel. Met de VS, Canada en het VK heeft DNB goede afspraken over het opslaan en de beveiliging van het goud. DNB houdt de ontwikkelingen rond de goudvoorraad voortdurend in de gaten en maakt daarbij doorlopend risicoanalyses.
De financiële dekking van fossiele subsidies en mogelijke klimaatrechtszaken uit het Klimaatfonds |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Argos-fragment van 6 december 2025 en het Argos-artikel van 24 oktober 2025 over het aanwenden van het Klimaatfonds voor fossiele subsidies en mogelijke dwangsommen uit klimaatzaken?1, 2
Ja.
Hoe kijkt u naar de juridische afdwingbaarheid van het klimaatdoel in 2030? Voorziet u mogelijke rechtszaken?
Het nationale 2030-doel van de Klimaatwet is niet rechtstreeks juridisch afdwingbaar. De Klimaatwet waarborgt politieke controle op de voortgang van het klimaatbeleid. Dit betekent dat het kabinet zich moet inspannen om de doelen uit de Klimaatwet te halen en het parlement het kabinet daarop kan aanspreken.
Op grond van rechtsbronnen, zoals het Unierecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), gelden klimaatverplichtingen waarover een rechter uitspraken kan doen. Dit gebeurde onder meer in het Urgenda-arrest.
In hoeverre worden noodmaatregelen in kaart gebracht en overwogen, voor het geval dat de rechterlijke macht oordeelt dat het huidige maatregelenpakket niet voldoende is om de klimaatdoelen te bereiken? Als dit het geval is, kunt u deze analyses met de Kamer delen?
In het recent verschenen rapport «Routes naar Realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie» zijn opties in kaart gebracht die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstelling in 2030, die variëren in mate van impact. Dit rapport is op 2 december 2025 met de Tweede Kamer gedeeld.3
In hoeverre is overwogen om middelen uit het Klimaatfonds aan te wenden voor het betalen van dwangsommen die volgen uit mogelijke klimaatzaken?
Het kabinet heeft er niet voor gekozen om middelen uit het Klimaat- en energiefonds4 in te zetten voor het betalen van dwangsommen. De middelen uit het Klimaat- en energiefonds zijn op grond van de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds bestemd voor maatregelen die bijdragen aan emissiereductie en aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening en samenleving. Het betalen van dwangsommen valt niet binnen dit doel. Bovendien zijn de middelen binnen het Klimaatfonds op dit moment vrijwel volledig bestemd voor klimaatmaatregelen via reserveringen en toekenningen onder voorwaarden, waardoor betaling van dwangsommen uit het Klimaatfonds ten koste zou gaan van emissiereductie die door deze maatregelen in 2030 zou worden gerealiseerd. Ten aanzien van toekomstige besteding uit het Klimaat- en energiefonds geldt in algemene zin dat deze aan een volgend kabinet is en dit kabinet geen toezegging kan doen over hoe zij deze middelen inzetten.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor het betalen van de dwangsommen wegens onvoldoende klimaatbeleid?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten welke maatregelen en bedragen er momenteel gereserveerd zijn in het Klimaatfonds voor fossiele subsidies?
Conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds dienen middelen uit het fonds uitgegeven te worden aan additionele maatregelen die bijdragen aan het behalen van de reductiedoelstellingen in de Klimaatwet, de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving en een rechtvaardige klimaattransitie. Dit is ook het uitgangspunt voor het huidige kabinet.
De middelen uit het fonds zijn bedoeld voor maatregelen binnen het klimaat- en energiedomein, waarbij de scope breder is dan puur CO2-reductie. Dit betekent dat niet enkel middelen worden ingezet op emissiereductie, maar ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. Het is belangrijk dat er draagvlak blijft voor klimaat- en energiebeleid en dat burgers en bedrijven niet worden geconfronteerd met (te) hoge energiekosten. Dit remt niet alleen de verduurzaming, bijvoorbeeld middels elektrificatie, maar draagt ook niet bij aan de ervaren rechtvaardigheid van de transitie. Om die reden heeft het kabinet in het voorjaar van 2025 ook middelen uit het Klimaat- en energiefonds beschikbaar gesteld die de energierekening voor huishoudens en bedrijven verlagen en tegelijkertijd een prikkel geven voor elektrificatie. Voor een exact verloop van de toevoegingen, onttrekkingen en uitgaven van het fonds verwijs ik u naar Hoofdstuk 2 van de Meerjarenprogramma’s Klimaatfonds van de afgelopen jaren.
Wat vindt u ervan dat er middelen uit het Klimaatfonds worden besteed aan activiteiten die de energietransitie en daarmee de maatregelen tegen klimaatverandering vertragen of zelfs tenietdoen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is om middelen uit het Klimaatfonds, die zijn bedoeld om broeikasgassen te reduceren en de klimaatdoelen te halen, in te zetten voor het tegenovergestelde (namelijk mogelijke dwangsommen voor het niet halen van de klimaatdoelen en het verstrekken van fossiele subsidies)?
Zie ook de antwoorden op vragen 4 & 5 en 6 & 7.
Het kabinet wil het Klimaat- en energiefonds, conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds, inzetten ten behoeve van de klimaat- en energietransitie.
Zoals ook in eerdere antwoorden aangegeven kijkt het kabinet bij de besteding van middelen uit het fonds niet enkel naar directe reductie van broeikasgasemissie, maar laat het ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. In dit verband wordt ook ingezet op maatregelen die bijdragen aan draagvlak en rechtvaardigheid van het klimaat- en energiebeleid. Het gebruik van middelen uit het Klimaat- een energiefonds die hierop toezien acht het kabinet dan ook gerechtvaardigd. Het kabinet is niet voornemens deze maatregelen te herzien.
Bent u bereid dergelijke maatregelen uit het Klimaatfonds te herzien, met mogelijk als gevolg het schrappen hiervan, om ruimte te maken voor maatregelen ten behoeve van het doel van het Klimaatfonds?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor beleid dat geen CO2 reduceert maar fossiel gebruik juist stimuleert?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van de KGG-begroting begin februari 2026?
Ja.
Het bericht 'Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: ‘Geen direct ontslag’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: «Geen direct ontslag»»?1
Klopt het dat Defensie overweegt het drugsbeleid te versoepelen?
Wat is de exacte motivatie om dat te doen?
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde overweging van Defensie om het beleid rondom drugsgebruik door militairen tegen het licht te houden omdat de «opvattingen over drugsgebruik aan het verschuiven zijn»?
Hoe verhoudt deze overweging zich tot het kabinetsbeleid, dat gericht is op voorkomen en denormaliseren van (hard)drugsgebruik?
Hoe vaak leidde drugsgebruik bij Defensie in de afgelopen jaren tot ontslag?
Hoe waarborgt u dat de operationele gereedheid en veiligheid van militairen niet in het geding komen bij een eventuele versoepeling van het zero-tolerance drugsbeleid?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over drugsbeleid van de commissie Justitie en Veiligheid op 26 februari 2026?
Mensonterend en vernederend optreden door beveiligingspersoneel in AZC Budel |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht en deelt u de opvatting dat dit gedrag vernederend, mensonterend en volstrekt onacceptabel is, ongeacht het moment waarop het heeft plaatsgevonden?1
Welke concrete sancties zijn destijds opgelegd aan de betrokken beveiligingsmedewerker naar aanleiding van dit incident, en kunt u bevestigen of sprake is geweest van ontslag, melding bij de werkgever, aangifte of andere disciplinaire maatregelen?
Deelt u de zorg dat het feit dat deze beelden pas jaren later publiek worden, erop wijst dat vluchtelingen zich mogelijk niet veilig voelen om misstanden te melden? Zo nee, waarom niet?
Welke verantwoordelijkheid draagt u voor het toezicht op beveiligingsbedrijven die werkzaam zijn in locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en acht u dit toezicht momenteel voldoende om machtsmisbruik en intimidatie te voorkomen?
Hoeveel meldingen van grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag door beveiligingspersoneel in asielzoekerscentra (azc’s) zijn in de afgelopen vijf jaar bekend bij het COA of bij u en welke structurele lessen zijn hieruit getrokken?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat vluchtelingen die bescherming zoeken in Nederland worden blootgesteld aan machtsmisbruik, vernedering of racistische bejegening door personeel dat juist hun veiligheid zou moeten waarborgen?
Bent u bereid om te onderzoeken of de opleiding, screening en begeleiding van beveiligingspersoneel in azc’s aangescherpt moet worden, en zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Het rapport ‘Gevangen in Vrijheden’ van de Taskforce Antisemitismebestrijding. |
|
Annelotte Lammers (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Gevangen in Vrijheden» van de Taskforce Antisemitismebestrijding, waaruit blijkt dat Joodse studenten worden uitgescholden voor «kankerjood», met stokken geslagen, zich voortdurend moeten verantwoorden voor hun Joods-zijn en zich daardoor zeer onveilig voelen op hun eigen campus?1
Deelt u de mening dat uit dit rapport en uit de voortdurende toename van antisemitisme steeds duidelijker blijkt dat antizionisme een verkapte vorm is van antisemitisme?
Welke middelen wendt u zelf aan en welke middelen stimuleert u bestuurders te gebruiken, om met harde hand op te treden tegen terugkerend antisemitisme? Indien geen, waarom niet?
Deelt u de mening dat de visa ingetrokken moeten worden van buitenlandse studenten die zich schuldig maken aan antisemitisme en dat een visumverbod tot de mogelijkheden moet behoren om dergelijke studenten te weren? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat laffe bestuurders uit angst bedreigende spandoeken en haatteksten laten hangen? Zo ja, gaat u eisen dat dergelijke uitingen per direct worden verwijderd en dat daders worden gesanctioneerd?
Bent u bereid maatregelen te nemen tegen docenten en bestuurders die een bepalende rol spelen in het creëren of laten voortbestaan van een onveilige sfeer voor Joodse studenten, door het niet nemen van adequate maatregelen dan wel door zelf bij te dragen aan een antisemitische cultuur? Zo ja, hoever bent u bereid te gaan? Heeft u de hoofdverantwoordelijken inmiddels in kaart gebracht?
Deelt u de mening dat de tijd van praten voorbij is en dat er per direct concrete resultaten geboekt moeten worden om antisemitisme in de kiem te smoren? Zo ja, neemt u de aanbevelingen uit het rapport over?
Statushouders die worden geschoold om voor de klas te staan |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het programma Wereldburgers voor de Klas in Leiden, waarin statushouders met een buitenlandse onderwijsachtergrond versneld richting een functie in het Nederlandse onderwijs worden begeleid?1
Welke concrete, onafhankelijke en toetsbare criteria hanteert u om te bepalen dat onderwijsbevoegdheden uit landen met fundamenteel andere onderwijssystemen, didactiek en waardenkaders gelijkwaardig zouden zijn aan Nederlandse lerarenopleidingen en wie draagt de verantwoordelijkheid wanneer deze aannames ten koste gaan van onderwijskwaliteit en leerlingontwikkeling?
Waarom ontbreekt een expliciete, afdwingbare eis dat deelnemers aan dit programma volledig voldoen aan Nederlandse kernwaarden waaronder gelijkwaardigheid van man en vrouw, vrijheid van meningsuiting en strikte scheiding van religie en onderwijs en waarom accepteert u daarmee een bewust risico voor de neutraliteit van het openbaar onderwijs?
Hoe verklaart u dat programma’s als Wereldburgers voor de Klas, uitgevoerd door onder meer Stichting Wereldburger en DZB Leiden, onder de vlag van «lerarentekort» functioneren als integratie- en participatietrajecten, zonder overtuigend en openbaar bewijs dat zij leiden tot structurele kwaliteitsverbetering in het onderwijs?
Waarom blijft u vasthouden aan het inzetten van statushouders in het onderwijs als beleidsinstrument, terwijl dit geen structurele oplossing biedt voor het lerarentekort, falend beleid maskeert en ouders en leerlingen opzadelt met kwaliteitsverlies, communicatieproblemen, instabiliteit in de klas en onzekerheid over normen en neutraliteit in het onderwijs?
Welke stappen zet u om per direct te stoppen met het faciliteren van onderwijsprogramma’s die statushouders richting structurele arbeid en langdurig verblijf leiden en hoe gaat u borgen dat het onderwijs niet langer wordt ingezet als verlengstuk van migratiebeleid maar zich weer richt op kwaliteit, veiligheid en Nederlandse belangen?
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkingsvergunningen voor warmteprojecten |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkings- en lozingsvergunningen1 zijn voor warmteprojecten in het kader van de energietransitie die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben (TEO/WKO)?
Zijn warmteprojecten meegenomen in het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van een landelijke vergunning- of meldingsplicht?
Is de veronderstelling juist dat er nog relatief weinig kennis is over de daadwerkelijke effecten van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit en dat een actualiseringsplicht derhalve investeringsrisico’s met zich meebrengt?
Deelt u de analyse dat warmteprojecten, zeker wanneer sprake is van collectieve warmtenetten, pas van de grond kunnen komen als vooraf zeker is gesteld dat voor enkele decennia warmte geleverd kan worden en de investering terugverdiend kan worden?
Deelt u de analyse dat een actualiseringsplicht met een frequentie van bijvoorbeeld tien jaar2 de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten dusdanig aantast dat de investeringsbereidheid zal dalen en dat maatschappelijk gewenste warmteprojecten moeilijker van de grond zullen komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe waardeert u deze impact in het licht van de energie- en warmtetransitie?
Deelt u de mening dat warmteprojecten, ook bij de uitwerking van genoemde regelgeving, in principe gezien moeten worden als projecten van hoger openbaar belang3, gelet op de bijdrage aan de doelen voor hernieuwbare energie (REDIII) en klimaat en het belang van leveringszekerheid richting eindgebruikers?
Hoe kunnen bedrijven en huishoudens verzekerd blijven van de levering van hun duurzame warmte(netten), als de daarvoor benodigde watervergunning bij een actualisering ingeperkt en/of ingetrokken wordt in geval van een mogelijk negatief effect op de waterkwaliteit ter plekke?
Is de veronderstelling juist dat de Kaderrichtlijn Water ruimte biedt om een actualiseringsverplichting zodanig in te vullen dat deze niet generiek geldt, maar alleen van toepassing wordt voor risicovolle activiteiten en zo dicht mogelijk blijft bij de huidige verplichting op basis van artikel 5.38 van de Omgevingswet?
Bent u voornemens de voorgenomen actualiseringsplicht en aanverwante wijzigingen zodanig in te vullen dat deze gericht wordt op risicovolle activiteiten dan wel dat een uitzonderingspositie gecreëerd wordt voor warmteprojecten, en dat de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten niet onnodig aangetast wordt? Zo nee, waarom niet?
De juridische status, werking en het gebruik van de webmodule beoordeling arbeidsrelaties voor zzp’ers |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u tijdens het commissiedebat Zzp van 18 december 2025 heeft gesteld dat de webmodule «in lijn is gebracht met wet- en regelgeving en ook met geldende jurisprudentie» en dat daarin rekening wordt gehouden met alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest, inclusief extern ondernemerschap?
Op welke concrete jurisprudentie baseert u de stelling dat de webmodule in lijn is met geldende jurisprudentie?
Op welke wijze past de webmodule de door de Hoge Raad voorgeschreven holistische weging van alle relevante gezichtspunten bij de kwalificatie van arbeidsrelaties toe?
Klopt het dat de webmodule geen expliciete vragen bevat over elementen van extern ondernemerschap, zoals het werken voor meerdere opdrachtgevers, acquisitie en het dragen van ondernemersrisico?
Kunt u de puntentoekenning en wegingssystematiek van de webmodule volledig inzichtelijk maken, inclusief de juridische en beleidsmatige onderbouwing van de aan die systematiek ten grondslag liggende keuzes?
Kunt u bevestigen dat de webmodule binnen de Rijksoverheid en andere overheidsorganisaties wordt gebruikt bij de inhuur van zzp’ers?
Hoe verhoudt het gebruik van de webmodule bij de inhuur van zzp’ers door overheidsorganisaties zich tot uw uitspraak in het commissiedebat van 18 december 2025 dat de webmodule een indicatief hulpmiddel is en geen juridisch bindend karakter heeft?
Kunt u bevestigen dat de Belastingdienst de webmodule gebruikt ter ondersteuning van standpunten in (voor)overleg of handhavingscontexten?
Hoe verhoudt het gebruik van de webmodule door de Belastingdienst zich tot het uitgangspunt dat aan de webmodule geen rechten kunnen worden ontleend en dat deze geen juridisch bindend instrument is?
Bent u bekend met eventuele interne juridische adviezen, signalen of aandachtspunten binnen uw ministerie, de Belastingdienst of andere betrokken uitvoeringsorganisaties waarin wordt gewezen op mogelijke spanning tussen de webmodule en recente jurisprudentie over de kwalificatie van arbeidsrelaties?
Op welke wijze zijn dergelijke signalen, indien aanwezig, betrokken bij de ontwikkeling en het gebruik van de webmodule?
Het plotseling stopzetten van programma DuurzaamDoor |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u ertoe besloten om het succesvolle programma DuurzaamDoor plotseling stop te zetten na 15 jaar (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 12?
Op basis van welke ambtelijke adviezen heeft u hiertoe besloten? Waren er ook ambtelijke adviezen die hiertegen adviseerden?
Op welke datum is binnen het ministerie hierover geïnformeerd? Op welke datum zijn het programmamanagement, de stuurgroep en andere medewerkers hiervan op de hoogte gesteld?
Hoe is er op uw besluit door deze betrokkenen bij DuurzaamDoor gereageerd?
Hoeveel werknemers waren er betrokken bij DuurzaamDoor? Hoeveel van die medewerkers werden deels bekostigd door het geld van DuurzaamDoor?
Kunt u bevestigen dat met het beëindigen van DuurzaamDoor ook de participatietafels die onder het programma vielen (Energietransitie, Natuurinclusief bouwen, Veranderkracht en Voedseltransitie) tot een einde zijn gekomen?
Kunt u vertellen of het voortbestaan van de waardevolle initiatieven, waarvan DuurzaamDoor aan de wieg heeft gestaan (Duurzame Dinsdag, de onderwijs coöperatie Leren voor Morgen, de Green Protein Alliance en het netwerk Klimaatadaptief bouwen met de Natuur (KAN)), zoals aangegeven in uw brief, mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Kunt u aangeven of het voortbestaan van andere initiatieven mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Welke initiatieven zijn dat?
Kunt u vertellen of het voortbestaan van projecten, waaronder het Kennisplatform Collectieve Kracht, waarvan DuurzaamDoor (mede)financierder was, mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Welke andere projecten werden door DuurzaamDoor (mede)gefinancierd?
Beaamt u de stelling van TwynstraGudde in het evaluatierapport «Eindevaluatie DuurzaamDoor 2021–2024» dat het programma DuurzaamDoor een gewenste aanpak is van een benodigd antwoord op structurele problemen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke transities, en beantwoordt aan wetenschappelijk onderzoek opgesteld door Grin, Rotmans en Schot, «Transitions to Sustainable Development. New Directions in the Study of Long Term Transformative Change»? Zo ja, waarom stopt u dan het programma voortijdig? Zo nee, op grond waarvan?1
Deelt u de conclusie uit het evaluatierapport van TwynstraGudde dat DuurzaamDoor een waardevolle bijdrage levert aan duurzaamheidstransities? Zo ja, waarom heeft zij desondanks besloten het programma te beëindigen?
Kunt u aangeven waarom, terwijl op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) staat dat DuurzaamDoor is gestart om duurzaamheidsvraagstukken aan te pakken, uw nieuwe project Aanpak Sociale Innovatie (in tegenstelling tot DuurzaamDoor) geen focus meer heeft op duurzaamheid en duurzaamheidstransitie, maar veel abstracter op maatschappelijke opgaven binnen het Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)-domein (voedsel, natuur en landelijk gebied)?2
Welke aanleiding heeft u om te denken dat een programma gericht op duurzaamheidstransitie niet meer relevant is in tijden van klimaatverandering, energietransitie en strategische autonomie?
Op welke wijze denkt u het gat te kunnen opvullen dat DuurzaamDoor achterlaat in de Nederlandse doorvertaling van internationale frameworks en verdragen op het gebied van leren en innoveren voor duurzaamheid? Denkt u anders over de in het evaluatierapport van TwynstraGudde beschreven centrale rol van DuurzaamDoor hierin?
Klopt het dat eerder de intentie was, zoals in de begroting voor 2025 vermeld stond, het programma door te laten lopen tot tenminste 2029 (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 2 (tabel 59, blz. 143))? Waarom waren er tot aan 2029 anders middelen begroot voor DuurzaamDoor?
Klopt het dat u heeft besloten om DuurzaamDoor te stoppen ver voor de begrootte «einddatum van de Subsidie (regeling)», die in 2027 was gesteld?
In hoeverre zijn het managementteam, de stuurgroep en samenwerkingspartners meegenomen in de tijd voor het besluit dat DuurzaamDoor tot een einde zou komen?
Op welke wijze is rekening gehouden met de meerjarige samenwerkingen en langlopende leertrajecten die binnen DuurzaamDoor liepen en wat betekent het stopzetten van het programma voor de continuïteit en betrouwbaarheid van de overheid als samenwerkingspartner?
Erkent u de bijdrage van DuurzaamDoor, gezien het feit dat in het Biodiversiteitsplan Europees Nederland staat dat het programma DuurzaamDoor een ondersteuning en professionalisering faciliteert van het grote en fijnmazige netwerk van lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie? Welke reden ziet u in dit licht om te stoppen met DuurzaamDoor? Op welke manier denkt u het gat dat DuurzaamDoor achterlaat op te kunnen vangen?
Is de aanname juist dat de begrote middelen voor DuurzaamDoor vanaf 2026 beschikbaar komen voor uw nieuwe project over sociale innovatie, zoals lijkt te worden gesteld (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 2)?
Kunt u aangeven welke lessen, trajecten en projecten, uit 15 jaar DuurzaamDoor expliciet worden meegenomen in de nieuwe Aanpak Sociale Innovatie en waar dit alles is vastgelegd?
Is er een maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van het stoppen van DuurzaamDoor? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen?
Bent u bereid het volledige besluitvormingsdossier rondom het stopzetten van DuurzaamDoor, inclusief interne nota’s, adviezen en besluitstukken, met de Kamer te delen?
Kunt u deze vragen vraag voor vraag, voor haar aftreden, beantwoorden?
De brief ' Stand van Zaken Aanpak Schaduwvloot' |
|
Jan Paternotte (D66), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Tieman , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat, gelet op de snel veranderende veiligheidssituatie, lopende vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen via de schaduwvloot, de in de brief genoemde urgentie zich niet verhoudt tot het voorgenomen tijdpad tot de zomer voor het indienen van aanvullende wetgeving?1
Betekent dit tijdpad dat daadwerkelijke inspectie, aanhouding of het dwingen tot uitwijken van schepen die onder een valse vlag varen in de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ) in de praktijk pas mogelijk zal zijn na inwerkingtreding van deze wetgeving?
Betekent dit tevens dat het handelingsperspectief ten aanzien van vermoedelijk vals gevlagde schepen zich tot die tijd beperkt tot het benaderen van schepen en het registreren daarvan in systemen als SafeSeaNet en Thetis?
Kan actievere fysieke handhaving van vals gevlagde schepen plaatsvinden zonder inwerkingtreding van aanvullende nationale wetgeving? Zo ja, op welke termijn verwacht u hiermee aan te kunnen vangen? Zo nee, waarin schiet de huidige juridische ruimte precies tekort?
Kan het aangekondigde wetgevingsproces worden versneld? Zo nee, waarom niet?
Waarin verschilt de Nederlandse opvatting hierover van die van bijvoorbeeld Frankrijk, dat – voor zover uit openbare bronnen blijkt – lijkt te hebben gehandeld zonder zich te baseren op aanvullende nationale wetgeving?
Betreft de door de u aangekondigde wetgeving nieuwe wetgeving of een aanvulling op bestaande (sanctie-)wetgeving?
Kan Nederland in de tussentijd (fysieke) ondersteuning leveren bij handhaving buiten de eigen EEZ, bijvoorbeeld in nabijgelegen MRS-gebieden (Mandatory Reporting of Ships) van bondgenoten, zoals in samenwerking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in het Kanaal?
Het rapport waarin de Britse inlichtingendienst stelt dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen raken aan nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk |
|
Christine Teunissen (PvdD), Kati Piri (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport waarin de Britse inlichtingendienst waarschuwen dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen de nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengen, en hoe beoordeelt u de relevantie van deze conclusies voor Nederland en Europa?1, 2, 3
Herkent u de analyse dat klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps niet alleen milieuproblemen zijn, maar ook harde veiligheidsrisico’s, onder meer via voedsel- en wateronzekerheid, energiezekerheid, migratie, geopolitieke spanningen en toegenomen conflict? Kunt u dit toelichten?
In welke mate bekijkt het Rijk vandaag milieu-, klimaat-, en natuurrisico’s als veiligheidskwesties? Hoe vindt hierover afstemming plaats met Europese partners?
Heeft de Rijksoverheid beschikking over een gelijkaardige risicoanalyse voor Nederland? Zo ja, kunt u deze analyse, al dan niet vertrouwelijk, met de Tweede Kamer delen?
Zo nee, is er een Nederlandse overheidsdienst die een structurele risicoanalyse maakt van de impact van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen op de nationale veiligheid van Nederland? Indien niet, staat een dergelijke risicoanalyse op de planning?
Indien het niet op de planning staat, kunt u alsnog de Kamer voor de zomer een rapportage bezorgen over de veiligheidsrisico’s ten gevolge van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen voor Nederland?
Zijn de Nederlandse Krijgsmacht, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) zich bewust van de risico’s die de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen voor de fysieke veiligheid van Nederland en de Nederlanders, onder andere door de verwachtte toename aan internationale conflicten en destabilisering van gemeenschappen wereldwijd die de voedingsbodem voor terrorisme kunnen vergroten? Zo ja, hoe bereiden ze zich op die risico’s voor en acht het kabinet deze voorbereiding voldoende?
Kunt u uiteenzetten hoe u structureel en systematisch gaat waarborgen dat de risico’s van klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps voor de nationale veiligheid en welvaart daadwerkelijk worden meegewogen in alle relevante beleidsprocessen?
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van toename aan besmettelijke ziektes in Nederland en pandemieën die naar Nederland kunnen overwaaien? Zo ja, hoe bereid het Nederlandse zorgsysteem zich hierop voor?
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van lagere opbrengsten in de landbouw, een lager wereldwijd aanbod aan voedsel en bijgevolg stijgende voedingsprijzen? Zo ja, hoe bereid het Rijk zich hierop voor om zo de langetermijnvoedselzekerheid van Nederland te garanderen zonder beroep te doen op vernietigende landbouwmethoden die het probleem juist verergeren?
Deelt u de conclusie dat deze veiligheidsbedreiging potentieel de Nederlandse welvaart kunnen ondermijnen?
Herkent u de vaststelling dat er een realistische mogelijkheid is dat bepaalde wereldwijde ecosystemen zoals koraalriffen en boreale wouden reeds vanaf 2030 kunnen instorten met alle daaruit volgende veiligheidsrisico’s voor de wereld en dus ook voor Nederland? Welke nationale, Europese en internationale noodmaatregelen zijn nog mogelijk om dit te voorkomen?
Hoe zal Nederland gezien de huidige ontrafeling van de internationale orde ertoe bijdragen dat de gevolgen van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen niet nog meer leidt tot een vijandige wereld waarin enkel het recht van de sterkste geldt? Hoe zal Nederland er juist toe bijdragen dat landen zich maximaal verenigen om deze uitdagingen samen aan te gaan en bij een toegenomen druk op beperkte hulpmiddelen vrede te waarborgen?
Hoe gaat u de samenleving, inclusief lagere overheden en burgers, transparant informeren over de conclusies van dergelijke analyses, zodat tijdig kan worden geïnvesteerd in zowel drastische emissiereductie en natuurherstel als in rechtvaardige adaptatie en weerbaarheid?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Gecorrigeerde temperatuurreeksen van het KNMI |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Klimaatcritici krijgen gelijk van KNMI: 7 extra hittegolven sinds 1900»1 en «KNMI publiceert verbeterde homogene temperatuurreeksen»?2
Hoe reageert u op de correctie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dat er tussen 1900 en 1950 niet zeven, maar veertien hittegolven zijn geweest – oftewel twee keer zoveel?
Wat vindt u ervan dat klimaatcritici, zoals in dit geval stichting Clintel, jarenlang zijn weggezet als «klimaatontkenners», terwijl hun inhoudelijke kritiek nu juist correct blijkt te zijn?
Hoe kan het dat het KNMI nu pas de temperatuurreeksen corrigeert, terwijl de discussie over het aantal hittegolven al vanaf 2016 loopt? Heeft het KNMI werkelijk tien jaar nodig gehad om dit te onderzoeken?
Is het mogelijk dat er meer fouten of onnauwkeurigheden in historische temperatuurreeksen zitten? Bent u ertoe bereid dit te (laten) onderzoeken?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle genomen of voorgenomen klimaatmaatregelen die direct of indirect, geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op de oude, incorrecte temperatuurreeksen – en deze maatregelen vervolgens direct intrekken?
De rechterlijke uitspraak aangaande bescherming van Bonaire tegen klimaatverandering |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter en de overweging dat de Nederlandse Staat niet voldoende heeft beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering voor de inwoners van Bonaire? Wat is uw reactie op de uitspraak?1
Kunt u bevestigen dat de Staat niet in beroep zal gaan tegen de gedane uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de motie van de leden Ceder en Wuite over in kaart brengen wat nodig is aan klimaatadaptieve maatregelen voor de BES-eilanden (Kamerstuk 36 200 IV, nr. 18) waarin de regering werd verzocht om samen met lokale autoriteiten in kaart te brengen welke klimaatadaptieve maatregelen noodzakelijk zijn?
Op welke wijze garandeert de Rijksoverheid dat inwoners van alle Nederlandse gemeenten, inclusief die buiten Europees Nederland zoals Bonaire, gelijke bescherming genieten tegen de gevolgen van klimaatverandering en evenredig wordt ingezet op klimaatadaptatie? Hoe reflecteert u op de constatering van de rechtbank dat de inwoners van Bonaire hierbij zonder goede reden anders behandeld worden dan de inwoners van Europees Nederland?
Klopt het dat er voor Bonaire geen vergelijkbare programma’s zijn ontwikkeld zoals er voor Europees Nederland wel zijn ontwikkeld (Deltaprogramma, klimaatadaptatiestrategie)? Wat is de verklaring waarom dit niet reeds is ontwikkeld? Wat is er in de afgelopen jaren wel gebeurd om Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland c.q. het Caribisch deel van ons Koninkrijk) te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering dan wel in te zetten op klimaatadaptatie? In hoeverre zijn deze plannen vergelijkbaar met de programma’s en maatregelen die in Europees Nederland worden uitgevoerd?
Welke acties gaat u ondernemen c.q. in gang zetten om een antwoord te bieden op de uitspraak en werk te maken van een échte klimaatadaptatiestrategie voor Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland)? Kunt u een tijdlijn geven hoe de uitspraak opgevolgd wordt, enerzijds om binnen 18 maanden te komen tot wettelijke bindende doelen en anderzijds om voor 2030 een uitgewerkt plan voor Bonaire te hebben?
Op welke wijze betrekt de Rijksoverheid de lokale bevolking van Bonaire bij de ontwikkeling, implementatie en monitoring van klimaatbeschermingsmaatregelen?
Overlast rond islamitische school Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het structurele en escalerende intimiderende gedrag van moslimjongeren van het islamitische Cornelius Haga Lyceum in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer? Wat vindt u hiervan?1
Deelt u de mening dat de situatie waarbij omwonenden dagelijks worden geconfronteerd met vernielingen, bedreigingen, grove scheldpartijen, het doelbewust blokkeren van toegang tot woningen door groepen moslimjongeren en het systematisch onveilig maken van de openbare ruimte in Nederland totaal onacceptabel is en niet in Nederland thuishoort? Zo ja, wat gaat u hieraan doen, zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat hier sprake is van normverwerping en groepsintimidatie door aanhangers van een islamitische cultuur die ons structureel ondermijnt?
Deelt u onze mening dat de islam niet bij Nederland hoort? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid alle islamitische scholen te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om eindelijk hard in te grijpen door de daders hard te straffen en waar mogelijk te denaturaliseren en uit ons land te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de diepe zorgen van de buurtbewoners dat het Cornelius Haga Lyceum en zijn leerlingen inmiddels bezig lijken met het «oprichten van een eigen islamitische staat» binnen de Amsterdamse wijk Bos en Lommer en bent u bereid te erkennen dat de aanhoudende intimidatie, de grove scheldpartijen en de systematische onveiligheid het directe gevolg zijn van een barbaarse ideologie gestoeld op de leer van Mohammed die gericht is op onze onderwerping en vernedering en bovendien de Westerse en Nederlandse normen en waarden en het gezag structureel verwerpt? Zo nee, waarom niet?
Het conceptakkoord met Tata Steel en de vraagtekens bij de daadwerkelijke klimaatwinst van de miljarden staatssubsidie |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waarin experts grote vraagtekens plaatsen bij de klimaatwinst van de twee miljard euro subsidie aan Tata Steel, en hoe beoordeelt u deze kritiek?1
Deelt u de zorg van experts dat de deal weliswaar tot minder CO2-uitstoot binnen Nederland leidt, maar dat een deel van die uitstoot wordt verplaatst naar het buitenland? Kunt u dit toelichten?
Kunt u de berekeningen delen die aantonen hoeveel CO2-reductie de subsidiëring van Tata Steel daadwerkelijk wereldwijd oplevert, rekening houdend met uitstoot die buiten Nederland plaatsvindt?
Herkent u de analyse dat de overstap van kolen naar aardgas problematisch is vanwege de verwachte toename van Amerikaans schaliegas op de Europese markt, waarbij veel methaan weglekt dat 25 keer zo sterk is als CO2? Hoe weegt u dit mee in uw beoordeling van de klimaatwinst?
Waarom worden er geen eisen gesteld aan de herkomst van het gas dat Tata Steel zal gebruiken? Bent u bereid alsnog dergelijke eisen op te nemen in de definitieve afspraken om te voorkomen dat wordt overgestapt op zeer vervuilend schaliegas?
Deelt u de mening van methaanexpert Thomas Röckmann dat het niet verstandig is om twee miljard belastinggeld te investeren zonder goed te monitoren hoe groot de methaanlekkages zijn bij het gas dat Tata gebruikt? Zo ja, hoe gaat u deze monitoring waarborgen?
Hoe beoordeelt u de realistische haalbaarheid van de geplande overstap naar groen gas rond 2035, gezien de huidige markt voor groen gas lang niet groot genoeg is en Tata 1,5 keer zoveel nodig heeft als wat er nu in heel Nederland beschikbaar is?
Welke garanties zijn er dat Tata Steel bij tekorten en hoge prijzen op de groengas-markt niet langer afhankelijk blijft van aardgas dan gepland? Hoe worden deze garanties contractueel vastgelegd?
Deelt u de analyse van hoogleraar Vollebergh dat het gebruik van gas op lange termijn niet houdbaar is en het verstandiger zou zijn om direct te investeren in elektrificatie in plaats van eerst miljarden te investeren in een tussenfase met gas?
Kunt u uiteenzetten waarom bij dit soort afspraken alleen wordt gekeken naar uitstoot op Nederlandse bodem en niet naar de wereldwijde klimaatimpact, terwijl CO2 niet bij landsgrenzen ophoudt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
De gezamenlijke verklaring van 11 landen inzake UNRWA van 28 januari. |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gezamenlijke verklaring van 28 januari j.l. van de Ministers van Buitenlandse Zaken van België, Canada, Denemarken, Frankrijk, IJsland, Ierland, Japan, Noorwegen, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk waarin zij krachtig de sloop door de Israëlische autoriteiten van het hoofdkwartier van het UNRWA veroordelen?
Is Nederland benaderd voor deze gezamenlijke verklaring? Zo ja, waarom is besloten hier niet onder te staan?
Overweegt u deze verklaring alsnog te steunen? Zo nee, waarom niet?
Heeft u, afgezien van in uw brief aan de Kamer van 26 januari, publiekelijk de sloop van het UNRWA-hoofdkantoor stevig veroordeeld? Zo ja, via welke kanalen? Zo nee, waarom niet?
Heeft u na 20 januari hierover gecommuniceerd met de Israëlische autoriteiten? Wat is gecommuniceerd?
Herinnert u zich de aangenomen motie Kröger c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 37) die de regering vraagt om stevig steun uit te spreken voor het werk en het mandaat van UNRWA en stelt dat Nederland pal moet staan voor VN- en hulporganisaties nu deze worden gecriminaliseerd? Vindt u dat u in lijn met deze motie handelt? Zo ja, hoe?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Kunstsubsidies |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het diversiteits- en inclusiebeleid van gesubsidieerde musea, waaronder het Stedelijk Museum Amsterdam, en de wijze waarop dit beleid doorwerkt in het aankoopbeleid van museale collecties?
Deelt u de opvatting dat kunstsubsidies nooit mogen leiden tot (directe of indirecte) uitsluiting van kunstenaars op basis van persoonskenmerken zoals huidskleur, afkomst of seksuele geaardheid?
Is het u bekend dat binnen de culturele sector de perceptie bestaat dat het niet actief voeren van diversiteitsbeleid kan leiden tot een lagere subsidiebeoordeling? Acht u deze perceptie wenselijk?
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat «diversiteit en inclusie» een formeel beoordelingscriterium is bij subsidies die via de Raad voor Cultuur en het Mondriaan Fonds worden toegekend?
Indien ja, kunt u exact aangeven welk gewicht dit criterium heeft ten opzichte van artistieke kwaliteit in de beoordelingssystematiek (bijvoorbeeld in punten, wegingsfactoren of drempelcriteria)?
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat subsidieaanvragen zonder expliciete doelstellingen op het gebied van diversiteit en inclusie structureel lager worden beoordeeld dan aanvragen die deze wel bevatten?
Indien nee, kunt u de beoordelingsrichtlijnen overleggen waaruit dit blijkt?
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat instellingen die expliciet stellen uitsluitend artistieke kwaliteit als leidend criterium te hanteren, zonder aanvullende maatschappelijke doelstellingen, geen verhoogd risico lopen op afwijzing of korting?
Indien u dit niet kunt bevestigen: erkent u dan dat er sprake is van indirecte beleidssturing vanuit de overheid op artistieke keuzes van musea?
Acht u het verenigbaar met de publieke taak van musea dat zij in hun aankoopbeleid expliciete prioriteiten communiceren die gebaseerd zijn op identiteitskenmerken van kunstenaars?
Acht u het verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel dat musea in subsidieaanvragen kwantitatieve doelen formuleren voor aankopen op basis van kenmerken van kunstenaars, zoals afkomst of gender?
Kunt u uitsluiten, ja of nee, dat dergelijke kwantitatieve doelen in de praktijk functioneren als de facto quota, ondanks het ontbreken van die term in beleidsdocumenten?
Bent u bereid alle beoordelingskaders, handreikingen en interne richtlijnen die subsidiecommissies gebruiken bij de beoordeling van diversiteit en inclusie openbaar te maken?
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige subsidiekader voldoende waarborgen bevat om ideologische eenzijdigheid bij gesubsidieerde culturele instellingen te voorkomen?
Hoe ziet u uw rol als Minister in het bewaken van pluriformiteit in de kunstsector, zowel inhoudelijk als institutioneel?
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de effecten van diversiteitscriteria op artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de gesubsidieerde cultuursector?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
Het bericht dat de overheid informatie achterhoudt voor de toeslagenouders |
|
Elmar Vlottes (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toeslagenouders opnieuw slachtoffer: overheid houdt informatie voor hen achter en overtreedt zo de wet»?1
Hoe beoordeelt u de werkwijze van de Dienst Toeslagen om doelbewust informatie niet te verstrekken, terwijl de ouders daar in voorkomende gevallen wél recht op hadden?
Hoe beoordeelt u de uitspraak: «inzet is altijd geweest te voldoen aan wettelijke verplichtingen». Met de inhoud van het memo waaruit blijkt dat doelbewust de strijdigheid met de wet wordt aanvaard én ook wordt erkend dat de werkwijze niet houdbaar is in beroep? Bent u het ermee eens dat deze uitspraak haaks staat op de inhoud van het memo?
Heeft u inzichtelijk om welke dossiers het gaat en wat de gevolgen zijn en zijn geweest van het achterhouden van informatie voor de ouders? Wat gaat u eraan doen om deze ouders alsnog inzage te geven in het volledige dossier?
Bent u het ermee eens dat het een grove schande is om doelbewust informatie achter te houden en de toeslagenouders daarmee nog verder te duperen? Zo nee, hoe denkt u het vertrouwen van de toeslagenouders nog te herstellen als zij keer op keer geconfronteerd worden met wantrouwen en tegenwerking?
Het bericht 'Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam' en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties. |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Marum , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam»1 en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties?2
Kunt u op elk van de geuite zorgen door de advocaat van de maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Advocates for the Future, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak reageren met een gedegen onderbouwing?3
Kunt u aangeven welke vergunningen precies wanneer zijn verleend en aan wie, welke onderdelen nog wijzigbaar waren in 2024–2025, en kunt u de volledige tijdlijn inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten delen met de Kamer?
Klopt het dat de regering het ontwerpbesluit waarin het mogelijk werd gemaakt om hyperscale datacenters landelijk te verbieden in 2022 is gepresenteerd en dat al op 16 februari 2022 een voorlopig besluit werd genomen om de vestiging van hyperscale datacenters tijdelijk te blokkeren totdat nieuwe nationale criteria en regels zouden worden vastgesteld? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Kunt u bevestigen dat het gebruikelijk is om bij ruimtelijke besluiten ook «voorzienbare ontwikkelingen» en dus verwachte toekomstige wetgeving en beleid mee te wegen in de besluitvorming?
Was het juridisch ook mogelijk geweest om bij de vergunningsverlening rondom de hyperscale datacenter in Amsterdam de «voorzienbare ontwikkeling» van een komend landelijk verbod mee te wegen in de besluitvorming rondom (een van de) vergunningen? Welke mogelijke juridische ruimte zit daar in theorie?
Wat zijn de verwachte kosten in termen van energieverbruik (bijvoorbeeld equivalent aan het stroomverbruik van alle huishoudens in Haarlem), ruimtebeslag (inclusief hoogbouw van 85 meter in het havengebied), watergebruik, CO2-uitstoot en netcapaciteit voor dit project? Ten koste van welke andere belangrijke zaken gaat dit, bijvoorbeeld duurzame energieopwekking, natuur, woningbouw of klimaatadaptatie, (of iets anders)?
Hoeveel windturbines zouden in theorie nodig zijn om zo’n hyperscale datacenter te laten draaien?
Gaat dit project zorgen voor minder beschikbare ruimte en energiecapaciteit voor fundamentele zaken als woningen, zorgvoorzieningen, scholen, etc? Zo nee, hoe onderbouwt u dat? Zo ja, hoe verantwoordt u dan de keuze voor de hyperscale datacenter boven de andere zaken die gelden als van groot maatschappelijk belang?
Hoe rijmt het toelaten van zo’n energieslurpend hyperscale datacenter met al bestaande grote problemen rondom woningnood, netcongestie, hoge energieprijzen en de energietransitie?
Zijn deze problemen ooit ergens in de besluitvorming bewust meegewogen? Zo ja, hoe precies en wanneer? Zo nee, waarom niet en vindt u ook dat dat wel zou moeten gebeuren?
Is de impact op ruimte en energie voor woningen, zorgvoorzieningen, scholen, verzorgingshuizen, en andere zaken van groot maatschappelijk belang ergens in de besluitvorming rondom de hyperscale datacenter meegewogen? Zo ja, kunt u de uitgebreid schetsen wat precies is afgewogen en wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u het met ons eens dat zo’n expliciete weging wel zou moeten worden gemaakt en verankerd in beleid?
Waar en wanneer is precies het besluit genomen dat in de situatie van netcongestie een Amerikaanse hyperscale voorrang zou mogen krijgen boven bijvoorbeeld woningen?
In hoeverre acht u dit project verenigbaar met strategische energie- en grondstoffenonafhankelijkheid, gelet op de verspilling van schaarse energie en ruimte die ten koste gaat van nationale prioriteiten zoals de energietransitie, klimaataanpak en circulariteit?
Voor welke specifieke doeleinden wordt het datacenter door Microsoft gebruikt, welke soorten data worden er verwerkt en opgeslagen, en in hoeverre draagt dit bij aan de strategische digitale autonomie van Nederland en de EU, of juist aan verdere afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Kunt u dat met verwijzing naar expertbronnen onderbouwen?
Eerder bleek dat Microsoft datacenters in Nederland worden gebruikt door het Israëlische leger dat daar tientallen miljoenen uren aan opnamen van telefoongesprekken van Palestijnen opslaat, dus zou het kunnen dat de nieuwe hyperscale daarvoor ook wordt gebruikt?4 Kunt u dat met zekerheid uitsluiten? Zo nee, wat vindt u dan van die situatie ook in het kader van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor bescherming van mensenrechten? Bent u bereid om hierover iets op te nemen in uw beleid rondom datacenters?
In hoeverre acht de regering dit project verenigbaar met strategische digitale autonomie en digitale veiligheid, mede gezien de afhankelijkheid van een Amerikaans techbedrijf voor kritieke infrastructuur en overheidsdata?
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaf tijdens het vragenuur van dinsdag 27 januari 2026 aan dat ze niet ziet hoe deze casus raakt aan strategische autonomie. Staat de regering hier nog steeds zo in, en zo ja, kunt u de stelling dat de casus niets te maken heeft met strategische autonomie dan onderbouwen met verwijzingen naar onafhankelijk onderzoeken en experts?
Erkent u dat dit project, gecombineerd met het hosten van overheidsdata zoals van de Belastingdienst bij Microsoft, de strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt door o.a. de VS-data-toegang via de Amerikaanse CLOUD Act?
Kunt u de juridische adviezen delen over welke mogelijkheden er waren (en zijn) voor herroeping of aanpassing van de vergunning(en), gezien bijvoorbeeld de problemen rond netcongestie en het groot maatschappelijk belang van onze digitale veiligheid en wonen?
Als die juridische adviezen nog nergens zijn opgevraagd, bent u bereid om alsnog om extra juridisch advies te vragen, met het doel te verkennen of ergens nog ruimte is om de komst van de hyperscale datacenter tegen te houden, gezien de langdurige negatieve impact op andere zaken van groot maatschappelijk belang, zoals onze strategische autonomie en wonen?
Bent u bereid om met de advocaten van Advocates for the Future en maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak in gesprek te gaan over de casus en over de lessen die we hieruit moeten trekken en om hierover op korte termijn aan de Tweede Kamer per brief terug te koppelen?5 Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat als de vergunningsaanvraag voor deze drie torens vandaag gedaan zou worden, deze buiten het landelijk verbod zou vallen gezien de huidige regels over bijvoorbeeld hoeveelheid hectare, en zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Erkent u dat het opsplitsen van één datacenter in meerdere gebouwen met elk een afzonderlijk aansluitvermogen ertoe leidt dat de bedoeling van het hyperscale-verbod wordt ondergraven, terwijl de feitelijke maatschappelijke impact gelijk blijft? Zo nee, waar baseert u dat op?
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de regelgeving rondom het verbod, en te verkennen of er aanscherpingen nodig zijn gezien de maatschappelijke onrust en andere grote maatschappelijke belangen die om ruimte en energie vragen?
Welke andere lessen trekt u uit deze gang van zaken voor de toekomst?
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en binnen twee weken, gezien de urgentie van de situatie?
Vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten, personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen gerechtvaardigd is?
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag Handicap?
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen praten?
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende hulpmiddelen toe te passen?
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid over is?
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
De Joint Letter of Intent met Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoorden op onze eerdere vragen over Joint Letter of Intent (JLoI nog herinneren?1
Welke mogelijkheden worden onderzocht om toch eerder tot gedwongen sluiting van de zwaar verouderde, vervuilende en lekkende Kooksgasfabriek 2 (KGF2) over te gaan, aangezien daar al jaren de regels worden overtreden en Tata Steel zelf zegt dat ze niet aan alle regels kunnen voldoen?
Klopt het dat in de huidige plannen Kooksgasfabriek 1 (KGF1) en Hoogoven 6 nog tot 2045 open zullen blijven en kolen zullen blijven gebruiken? Wat vindt u van deze tijdslijn, gezien de belangen van milieu en de gezondheid van omwonenden?
Wat vindt u ervan dat de AMVI aangeeft dat de financiële modellen en bijbehorende aannames nog niet in een finale fase waren toen zij hun advies moesten schrijven?
Welke onafhankelijke instantie beoordeelt de business case en de aannames die zijn gemaakt en kunt u ons die beoordeling sturen?
Wat gebeurt er met Project Roadmap+ als de maatwerkafspraken niet door zouden gaan? Zijn het Project Roadmap+ en de maatwerkafspraken nou wel of niet met elkaar verbonden, aangezien in de JLoI wordt aangegeven dat deze wordt uitgevoerd zonder staatssteun, maar u in uw antwoord op vraag 17 aangeeft dat «Wanneer de maatwerkafspraak is ondertekend, is TSN gebonden aan de realisatie van de projecten binnen Roadmap+»?
Komt er nog een advies van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond over de definitieve JLoI, gezien het feit dat deze twee adviesorganen aangeven dat er nog «belangrijke documenten en modellen» ontbraken toen zij hun advies moesten geven over de concept JLoI?
Wat is het oordeel van de Expertgroep Gezondheid over de laatste versie van de JLOI precies? Heeft de Expertgroep u op wat voor manier dan ook (via de ambtelijke weg of anders) daarover iets te kennen gegeven?
Gezien het recht op informatie voor Kamerleden en het feit dat de Kamer heeft uitgesproken dat het kabinet alle adviezen van Expertgroep Gezondheid moet opvolgen, kunt u ervoor zorgen dat wij nu alsnog een reactie van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond krijgen op het definitieve JLoI? Zo nee, waar bent u bang voor?
Kijkende naar uw beantwoording van onze eerdere vragen over de JLOI, hoe rijmt uw vermelding van stikstofuitstoot in 2024 voor Tata Steel Nederland (5,3 kton) met de vermelding in het jaarverslag van het bedrijf (5,065 kton)?2 Wat is de bron voor uw gegevens en hoe is het verschil te verklaren?
Hoeveel is de verwachte jaarlijkse stikstofuitstoot van Tata Steel nadat de DeNOx installatie bij de pelletfabriek in werking is gesteld? Gegeven dat de uitstoot in 2024 5.0 of 5.3 kton was en de DeNOx een «significante vermindering»3 in de stikstofuitstoot zou moeten betekenen, hoe ambitieus is een doel van 4.0 kton per jaar dan nog, zeker gezien er sprake is van een stikstofcrisis die ten koste gaat van o.a. gezondheid en woningbouw?4
Gezien het een gegeven is dat de huidige uitstoot van fijnstof (PM10) van Tata Steel IJmuiden nu 418 kton is5, waarom staat er dan in de JLOI6 dat de doelstelling om de maximale uitstoot van PM10 naar 467 een reductie zou zijn?7
Klopt het dat met deze grens Tata Steel eigenlijk meer PM10 mag emitteren dan ze nu doet?
Hoe komt u bij de cijfers die u eerder met ons deelde over de benzeenuitstoot van 19,8 ton in 2024 als uit het eMJV8 blijkt dat de uitstoot 28,2 ton is? Voor zink staat in het eMJV 19,9 ton (ipv 14,6) en lood 1,07 ton (ipv 0,8), dus waar zit het verschil in precies?9
Kunt u de tabel op p. 12 en 13 van uw eerder antwoorden op onze vragen aanvullen met daarin de bronvermelding van de data?10
Hoe verklaart u het verschil tussen de 6,8 Mton/jaar11 en de 5,86 Mton/jaar12?
Wat vindt u ervan dat de afspraken met het staalbedrijf uit het milieuconvenant van 1992 over reductie van bepaalde schadelijke stoffen in 2010, voor een groot deel niet zijn nagekomen en zelfs anno 2026 nog niet? Wat zegt dit over betrouwbaarheid van afspraken met zulke bedrijven?
Wat vindt u ervan dat voor zeer schadelijke stoffen, zoals benzeen, een reductie van 97,5% in 2010 was beloofd, maar dat de emissie van benzeen in plaats daarvan flink is gestegen?
Hoe komt dit over op omwonenden denkt u, en wat doet dat met het vertrouwen in de overheid en het staalbedrijf? Heeft u omwonenden hierover gesproken en over hun ervaringen met het gedrag en beloften van het staalbedrijf? Zo ja, wat hebben ze u meegegeven? Zo nee, waarom niet?
Hoe is daar door de tijd heen gemonitord en onafhankelijk gemeten of aan de afspraken werd voldaan en welke concrete stappen heeft het Rijk steeds gezet om er ook op toe te zien dat de afspraken werden nagekomen? Heeft het Rijk ooit iemand aangesproken op het niet nakomen van het milieuconvenant en zo ja, hoe en wanneer precies? In het kader van informatierecht van Kamerleden, kunt u een overzicht met een tijdlijn sturen over alle stappen en besluiten die hierover in de loop van tijd zijn gemaakt, zodat we kunnen leren van het verleden nu het kabinet voornemens is weer nieuwe afspraken aan te gaan met de staalfabriek?
Welke lessen trekt u over betrouwbaarheid van afspraken maken met de staalfabriek, aangezien duidelijk is dat veel afspraken uit het milieuconvenant uit 1992 nu nog steeds niet zijn gehaald, laat staan in 2010 toen ze al behaald hadden moeten worden?13
Waarom geeft u in uw eerdere antwoorden aan dat het milieuconvenant uit 1992 niet afdwingbaar is, terwijl ten tijde van het ondertekenen van het convenant werd aangegeven dat de afspraken zijn gemaakt zodat de Minister de bedrijven niet via wetgeving tot maatregelen hoefde te dwingen14, 15?
Kunt u toegeven dat het achteraf gezien niet de beste zet was om het milieuconvenant op die manier af te sluiten en dat het beter was geweest om maatregelen wettelijk af te dwingen?16 Zo nee, waarom leert u niet van het verleden?
Kunt u toezeggen dat aan een op te zetten metaaltafel ook vertegenwoordigers aan zullen sluiten van omwonendenorganisaties en milieuorganisaties zoals, Gezondheidop1, Frisse Wind, Dorpsraad Wijk aan Zee, Greenpeace en Urgenda?
Klopt het dat volgens eigen inschatting van Tata Steel Nederland er jaarlijks ongeveer 100 miljoen kilo kolen en ijzererts verwaait vanaf het terrein in IJmuiden17? Zo ja, wat vindt u hiervan? En wat betekent dit voor de gezondheid van omwonenden? Wat zijn de effecten op het milieu (graag met bronvermelding onderbouwen)?
Waar baseert u uw opmerking op dat een maatwerkafspraak een «flinke verbetering voor de gezondheid te kunnen realiseren» als er nog geen gezondheidseffectrapportage (GER) is en de Expertgroep Gezondheid IJmond zegt «De inschatting van de Expertgroep is dat de gezondheidsverbetering op basis van deze JLoI beperkt zal zijn»18? Kunt u uw mening onderbouwen met wetenschappelijke conclusies en onafhankelijke experts en daarvan de stukken naar ons sturen? Zo nee, kunt u dan stoppen met zelf bepalen wat «flinke» verbeteringen zijn voor de gezondheid van omwonenden die jarenlang door de overheid zijn genegeerd?
Hoe staat het nu met het tijdelijk verbod op staalslakken en de stop op gebruik van staalslakken bij waterwerken van het Rijk, zoals bij de Ooster- en Westerschelde? Welke reactie is er vanuit de Europese Commissie hierop gekomen en wat betekent dit voor het gebruik ervan?
Nu een aantal gemeenten hebben besloten om helemaal te stoppen met toepassing van staalslakken, kunt u andere gemeenten in het land er ook actief op wijzen wat hun mogelijkheden zijn om ook ermee te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u in ieder geval bevestigen dat u gemeenten niet heeft afgeremd of zult afremmen in het instellen van een verbod op toepassing van staalslakken en dat u de wens van gemeenten om meer te doen om milieu en gezondheid van hun burgers te beschermen respecteert?
Wordt in de business case van Tata Steel rekening gehouden met het permanent worden van het huidige tijdelijke verbod op specifieke toepassingen van staalslakken of hebben ze aangenomen dat dit verbod op termijn wordt opgeheven? Welke invloed zou een permanent verbod hebben op de business case van Tata en op de JLoI?
Klopt het dat er 1,066 miljard euro van de begroting van het Ministerie van Financiën zal worden overgeheveld naar het Klimaatfonds om de maatwerksubsidie te kunnen geven? Waarnaar refereert u precies met «de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën» waar dit geld staat?
Deelt u de mening dat het bewust verhullen van het beschikbare budget in andere posten dan de daarvoor bestemde post voor Maatwerkafspraken binnen het Klimaatfonds in strijd is met het universaliteitsbeginsel in de comptabiliteitswet? Waarom is het geld niet gewon gereserveerd op de daarvoor bestemde plek?
Waarom is er zoveel gebrek aan transparantie over waar het geld voor Tata vandaan moet komen tegenover de Kamer en de burgers, die dat geld moeten ophoesten?
Waarom denkt u dat Tata Steel Limited als moederbedrijf niet bereid is een 403-verklaring te tekenen?
Wat betekent het voor de Nederlandse burgers dat het Indiase bedrijf niet garant staat voor de leningen en verplichtingen die de Nederlandse dochter aangaat?
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India aangeeft19 dat er pas na 2035 getest zal worden met verschillende energiedragers (o.a. waterstof) terwijl in de JLoI staat dat dit vanaf 2032 toegepast zal worden? Waarom wordt überhaupt zo laat getest?
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India spreekt20 van «veranderingen in beleid» voor bijvoorbeeld nettarieven als «voorwaarden voor maatwerkafspraken? Hoe strookt dit met uw opmerking dat hier geen budget voor is?
Gezien het nieuwe onderzoek naar de schadelijke effecten op de gezondheid van mensen van dioxines, bent u nog steeds van mening dat de grote toename in de uitstoot van dioxines na het «Groen» Staalplan «niet per definitie onverantwoord» is (antwoord op vraag 40)? Zo ja, waar baseert u dit op en welke recente adviezen van gezondheidsexperts?21
Wat wordt de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na uitvoering van het «Groen» Staalplan?
Waarom neemt u een CO2-emissiereductie van 19% mee als resultaat van de maatwerkafspraken als Tata zelf aangeeft dat «het de ambitie van Tata Steel is om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen»?22
Kunt u bevestigen dat uit het milieujaarverslag 202423 van Tata Steel blijkt dat de uitstoot van schadelijke stoffen als lood, arseen en benzeen in 2024 tot ruim drie keer hoger was dan in voorgaande jaren werd vastgesteld?
Kunt u bevestigen dat er sprake kan zijn van onderrapportage door Tata Steel, wat strafbaar is onder de Wet op de Economische Delicten?
Bent u zich ervan bewust dat de Omgevingsdienst vaker heeft geconstateerd dat beweringen van Tata Steel over uitstoot niet kloppen en dat zelfs de Reclame Code Commissie Tata Steel hierover op de vingers heeft getikt? Wat vindt u daarvan? Wat zegt dat over betrouwbaarheid van Tata Steel?
Wat vindt u ervan dat de Omgevingsdienst het gedrag van Tata Steel «opportunistisch en calculerend» heeft genoemd?
Erkent u dat dit soort gedrag van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, erom vraagt dat de overheid meer regie neemt, meer controle krijgt en meer inzet op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar maakt, zodat snel en goed gecontroleerd en gemonitord kan worden en ook burgers op elk moment kunnen zien wat in hun omgeving wordt uitgestoten (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)? Zo nee, hoe gaat u dan volledige transparantie waarborgen en garanderen dat bedrijven niet meer kunnen spelen met cijfers, meetapparatuur en meetresultaten?
Ziet u het grote belang van snel toegankelijke inzicht in de volledige uitstoot van Tata Steel en de uitvoering van de opdracht van de Kamer (zoals verwoord in motie-Teunissen c.s.) om af te wijken van de reguliere processen rondom metingen en om zo snel mogelijk te zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel, inclusief het voor handhaving benodigde cameratoezicht en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken? Hoe gaat u daar precies voor zorgen en welk tijdspad met deadlines hoort daar precies bij? Wat wilt u hierover in de maatwerkafspraken opnemen?
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval voor het plenaire Tata Steel debat over de JLoI?
Olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam |
|
Mikal Tseggai (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam?1, 2
Klopt het dat de Bullebaai op Curaçao weer een belangrijk rol speelt in de internationale oliehandel vanuit Venezuela?
Klopt het dat de opslaglocaties in de Rotterdamse haven het belangrijkste doorvoerpunt binnen de Europese oliemarkt zijn voor de Venezolaanse olie?
Klopt het dat schepen die olie hebben gelost op Curaçao onder valse vlag voeren terwijl ook de verplichte transponder uitstond en zij op de Amerikaanse sanctielijst staan? Klopt het dat deze schepen hiermee de internationale zeevaartregels overtreden?
Klopt het dat het schip Regina dat op Curaçao olie heeft afgeleverd volgens de Curaçaose havenautoriteit vaart onder de vlag van Oost-Timor, maar dat dit niet blijkt te kloppen omdat Oost-Timor afgelopen jaar via een circulaire aan alle International Maritime Organization-leden (IMO) heeft laten weten dat diverse schepen frauduleus de vlag van Oost-Timor gebruiken en dat alle Oost-Timorese registraties als frauduleus moeten worden beschouwd? Heeft het Koninkrijk als IMO-lid dit ook aan de autoriteiten op Curaçao doorgegeven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer schepen die zich niet aan de internationale zeevaartregels houden kunnen aanmeren in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u het juridische kader schetsen waarbij wordt ingegaan op de precieze verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Koninkrijk en het autonome land Curaçao als het gaat om dit soort olietransporten? Kunt u hierbij nadrukkelijk ingaan op de rol van het Koninkrijk – als IMO-lid – ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving?
Kunt u toelichten wat de rol van de Kustwacht Caribisch Gebied is ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving? Klopt het dat wanneer de Kustwacht Caribisch Gebied betrokken is hiermee ook het Koninkrijk betrokken is omdat de Kustwacht Caribisch Gebied onder de verantwoordelijkheid van de Koninkrijksregering valt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van diverse deskundigen dat deze situatie in de Rijksministerraad had moeten worden besproken aangezien ook Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zienswijze van de havenveiligheidsadviseur van de Curacaose havenautoriteit dat de directie buitenlandse betrekkingen van het land Curacao in samenspraak met het Koninkrijk behoort te beoordelen of een schip op een sanctielijst mag aanmeren en dat dit hiermee dus een Koninkrijksaangelegenheid is? Zo nee, waarom niet?
Wie is de eigenaar van de op Curaçao opgeslagen Venezolaanse olie afkomstig van het schip Regina?
Deelt u de mening dat zolang de situatie rondom het transport van Venezolaanse olie, waarvan het ook de vraag is wie de economische winst op strijkt, schimmig is en er sterke vermoedens zijn dat internationale regelgeving niet goed wordt nageleefd, dit transport niet via het Koninkrijk der Nederlanden zou moeten worden getransporteerd? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de olie in de Venezolaanse voorraden bij de meest vervuilende olie ter wereld hoort, onder andere door de hoogste CO2-intensiteit en tweedehoogste methaanintensiteit van alle olieproducerende landen, en dat de exploitatie van de Venezolaanse olievoorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven in een keer zou opgebruiken? Deelt u in dat licht de mening dat de Venezolaanse olie beter onder de grond blijft?
Deelt u de vaststelling dat de afhankelijkheid van olie weer maar eens tot gewelddadig conflict geleid heeft? Deelt u de daaruit volgende conclusie dat Nederland haar klimaatplannen moet bijstellen om nog sneller de afhankelijk van fossiele brandstoffen volledig af te bouwen?
Heeft u contact met de autoriteiten op Curaçao over de onderhavige situatie? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?