Uitstroom van beleggers uit woningfondsen |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vesteda poogt massale uitstroom beleggers uit woningfonds te beperken»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat (internationale) beleggers op grote schaal kapitaal terugtrekken uit Nederlandse woningfondsen?
De verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Kunt u in kaart brengen wat de omvang is van de (verwachte) uitstroom van kapitaal uit Nederlandse woningfondsen in de afgelopen jaren en op dit moment met daarbij een onderscheidt tussen nationaal en internationaal kapitaal?
Het is onbekend hoeveel kapitaal er exact is uitgestroomd bij woningfondsen en welke investeerders redempties hebben aangevraagd. De nationaliteit van deze investeerders betreft geen openbare informatie. Het kabinet is niet bekend met vergelijkbare situaties als bij Vesteda. Aangezien Vesteda de grootste woningbelegger van Nederland is en investeerders hier slechts eens in de zeven jaar een dergelijke redemptie kunnen aanvragen, valt deze casus het meest op.
Naast dat (buitenlandse) investeerders via een woningfonds investeren, kunnen ze dit ook direct doen. De omvang van de woningfondsen geeft dus een beperkt beeld van het geïnvesteerde volume. Zo is de voorraad huurwoningen in bezit van internationale beleggers – zonder tussenkomst van een woningfonds – in 2025 gedaald tot ruim 72.500, terwijl dit in 2024 ruim 80.000 huurwoningen betrof.2
De afname van buitenlandse investeerders in nieuwbouw huurwoningen is een recente ontwikkeling. In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3 Het vertrek van buitenlandse investeerders uit de Nederlandse woningmarkt is een zorgelijke ontwikkeling, omdat Nederland voor een grote nieuwbouwopgave staat in de huursector, waar veel investeringen voor nodig zijn. Nederlandse investeerders, private partijen en woningcorporaties gezamenlijk, hebben onvoldoende kapitaal om deze opgave in te vullen en dus zijn buitenlandse investeringen essentieel.
Welke gevolgen heeft deze uitstroom voor investeringen in de Nederlandse woningmarkt, in het bijzonder voor de bouw van (midden)huurwoningen en het aantal beschikbare huurwoningen?
In zijn algemeenheid leidt uitstroom van investeringen, indien deze niet gecompenseerd wordt door investeringen die instromen, tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Het kabinet blijft de voorraad huurwoningen monitoren, en werkt ondertussen door aan afspraken uit het Coalitieakkoord op dit belangrijke dossier. Namelijk door de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. De eerste resultaten op dit vlak zijn inmiddels geboekt (zie ook het antwoord op vraag 15). Het kabinet gaat hier via de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw verder invulling aan geven. Na de zomer volgt het actieplan met daarin meer maatregelen en verdere uitwerkingen.
Kunt u daarnaast in kaart brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70% voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten en hoeveel woningen hierdoor geraakt worden?
Institutionele beleggers nemen doorgaans een groot deel van een nieuwbouwproject op zich. Als een institutionele belegger instapt, wordt de eis van 70 procent voorverkoop vaak sneller gehaald. Het is niet mogelijk om exact in kaart te brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70 procent voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten. Dit komt omdat er geen openbare data beschikbaar is over de mate waarin institutionele beleggers per project deelnemen en wat de exacte timing van hun betrokkenheid is.
Kunt u in kaart brengen hoe breed de problematiek van redemptieverzoeken speelt onder (internationale) pensioenfondsen en andere institutionele beleggers, en wat dit betekent voor de investeringscapaciteit in de Nederlandse woningmarkt?
Zoals in vraag 3 beantwoord is het kabinet niet bekend vergelijkbare situaties zoals die van Vesteda, maar blijft het kabinet de situatie monitoren en werkt het verder aan beleid om het investeringsklimaat te verbeteren. Indien grootschalige redemptie plaatsvindt, zonder dat genoeg investeerders instromen, leidt dit tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit zal ertoe leiden dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Welke rol speelt de fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen bij hun bereidheid om in Nederland te investeren in woningbouw?
De mate waarin buitenlandse partijen – waaronder ook pensioenfondsen – bereid zijn om in de Nederlandse woningmarkt te investeren is afhankelijk van verschillende factoren. In de praktijk is het de optelsom van factoren die investeerders doet besluiten wel of niet in Nederland te investeren in Nederland. Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.4 Deze verschillende factoren en de verscheidenheid aan investeerders maken het niet mogelijk het precieze effect van de fiscale behandeling op het investeringsgedrag van pensioenfondsen aan te geven. Wel heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen. SEO geeft daarbij aan dat de maatregel met de meeste impact op het investeringsklimaat in brede zin de regulering van de middenhuursector is. SEO heeft niet specifiek de situatie van buitenlandse pensioenfondsen onderzocht. Wel doet SEO de aanbeveling om de toepassing van de pensioenfondsvrijstelling in de vennootschapsbelasting bij buitenlandse pensioenfondsen nader te onderzoeken naar aanleiding van signalen hierover uit de praktijk.
De Nederlandse vennootschapsbelasting maakt geen onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Naast Nederlandse pensioenfondsen kunnen in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de vrijstelling in de vennootschapsbelasting. Deze vrijstelling werkt ook door naar de dividendbelasting.5 In het buitenland gevestigde pensioenfondsen kunnen zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. Met het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb is ingevuld wanneer sprake is van een pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling.6 De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie op het SEO onderzoek bekijkt de Belastingdienst momenteel zorgvuldig of en zo ja welke voorwaarden in het beleidsbesluit modernisering behoeven. Voor zover de knelpunten binnen het huidig rechtskader kunnen worden weggenomen kan dit gebeuren door middel van kennisgroepstandpunten die worden gepubliceerd op de website van de Belastingdienst en/of door aanpassing van het beleidsbesluit. Ter illustratie, onlangs is een tweetal kennisgroepstandpunten gepubliceerd om duidelijkheid te creëren over de toepasselijkheid van de pensioenfondsvrijstelling.7 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.8
Deelt u de opvatting dat ongunstige fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen ertoe kan leiden dat Nederland investeringen in de woningmarkt misloopt? Zo ja, hoe groot acht u dit effect?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid in kaart te brengen welke fiscale knelpunten buitenlandse pensioenfondsen ervaren bij investeringen in de Nederlandse woningmarkt en welke mogelijkheden er zijn om deze knelpunten weg te nemen?
Zoals in het vorige antwoord naar voren komt, is de aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. In het nieuwsartikel en de bovengenoemde vragen worden enkele punten naar voren gebracht waaraan het kabinet werkt met als doel verbetering van het investeringsklimaat voor woningbouw. Zo is het kabinet voornemens het tarief van de overdrachtsbelasting voor investeerders te verlagen naar 7%. Daarnaast is het kabinet voornemens om voorafgaand aan de evaluatie de Wet betaalbare huur te optimaliseren om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Ten aanzien van de pensioenfondsvrijstelling gaat de Belastingdienst kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb9 nog actueel zijn en modernisering behoeven. De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet en er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Het toetsen aan de voorwaarden voor buitenlandse pensioenfondsen kan bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen.
Verder is het kabinet bekend met het signaal dat de wijziging van het fbi-regime een pijnpunt kan zijn voor vastgoedbeleggingen. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou echter betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van zo’n nieuw fiscaal regime is ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.10 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.11 Wat betreft de earningsstrippingmaatregel zal het kabinet – in navolging van de aanbeveling uit het SEO-rapport – verder verkennen of, en zo ja in hoeverre, de effecten van deze maatregel voor vastgoedbedrijven beter in beeld kunnen worden gebracht aan de hand van de bij de Belastingdienst beschikbare gegevens. Voor private verhuurders die investeren in de bouw van nieuwe middenhuurwoningen zoekt het kabinet in de Taskforce Versnelling Woningbouw naar aanvullende oplossingen om het investeringsklimaat te verbeteren. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen. Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt.12
Zou u in de hiervoor genoemde verkenning naar fiscale knelpunten de in het nieuwsartikel genoemde afschaffing van de fiscale beleggingsinstelling (FBI)-status en de renteaftrekbeperking en de pensioenfondsvrijstelling willen meenemen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u hierover in gesprek met (internationale) beleggers en pensioenfondsen, en zo ja, wat zijn de belangrijkste signalen die u uit deze gesprekken ontvangt?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over de recente ontwikkelingen. In deze gesprekken komen verschillende signalen naar boven die verklaren waarom de investeringen zijn afgenomen. Een aantal Nederlandse pensioenfondsen geeft aan dat zij tegen de grenzen aanloopt van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd. Door het verslechterde investeringsklimaat zijn met name buitenlandse investeerders minder bereid om in Nederlandse woningen te investeren. Nederlandse institutionele investeerders die wel nog investeringsruimte hebben, hebben ook moeite met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Het kabinet krijgt signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huurbeleid en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid en dus een minder aantrekkelijk investeringsklimaat. Ook hoort het kabinet in gesprekken met de sector dat indien de rente en/of bouwkosten stijgen, dat het dan nog lastiger wordt om investeringen in woningen rond te rekenen.
Waarom is er nog geen kabinetsreactie op het onderzoek naar het Investeringsklimaat middenhuur dat SEO Economisch Onderzoek heeft verricht in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Financiën, terwijl dit samenhangt met belangrijke trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, en een belangrijke basis moet vormen voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Op 20 april jl. heeft het kabinet uw Kamer de kabinetsreactie op het onderzoek Investeringsklimaat middenhuur van SEO Economisch Onderzoek gestuurd. Vanwege de demissionaire status van het vorig kabinet tijdens publicatie van het onderzoek was dit nog niet gedaan.
Zou u in kaart willen brengen welke impact deze vertraging van de kabinetsreactie heeft op trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, maar ook voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Vertraging van de kabinetsreactie heeft op zichzelf geen impact op het investeringsklimaat en de woningbouw. Wel is het natuurlijk goed dat een nieuw kabinet is aangetreden en missionair het woningtekort kan aanpakken. Dit kabinet heeft hiervoor onder andere een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld met als doel binnen zes maanden een integraal programma op te stellen dat de koers uitzet hoe zo snel als mogelijk de jaarlijkse realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar bereikt kan worden. Eén van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Wat is de stand van zaken van het plan van aanpak om de verruimde staatssteunruimte voor middenhuur te benutten, zoals verzocht in de motie-Vedder c.s. (Kamerstuk 36 600-XXII, nr. 35)?
Het is goed nieuws dat de Europese Commissie op 16 december 2025 mogelijk heeft gemaakt om staatssteun in te kunnen zetten voor middenhuur. Op dit moment brengt het kabinet de verschillende mogelijkheden voor de implementatie in kaart, ook voor provincies en gemeenten. Er zijn verschillende opties denkbaar binnen de door de Europese Commissie gestelde kaders. Zoals Uw Kamer is toegezegd, wordt u vóór de zomer een plan van aanpak gepresenteerd. De gekozen optie zal worden uitgewerkt in een wijziging van de Woningwet.
Welke kansen ziet u om via publiek-private samenwerking (PPE-constructies), garantstellingen of andere instrumenten de investeringsbereidheid van (institutionele) beleggers in de middenhuur te vergroten, en hoe gaat u deze kansen concreet benutten?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig worden vormgegeven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van (midden)huurwoningen weer kan toenemen. In dat kader heeft het kabinet een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld. Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan ingaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.
Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in Hoenderloo»?1
Ja
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»? Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
De IGJ beschrijft hoe een optelsom van factoren maakt dat ze een terrein met potentiële grote risico’s voor jongeren zien. Dit herken ik en dit baart mij zorgen.
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat er op dit moment 16 unieke zorgaanbieders gevestigd zijn op het terrein. Dit verschilt van de 20 zorgaanbieders die de IGJ voor het recente toezicht heeft kunnen herleiden. Het verschil laat zich verklaren door twee factoren: een aantal aanbieders heeft het terrein in de afgelopen periode verlaten en de gehanteerde telwijze verschilt, waarbij soms wordt uitgegaan van unieke aanbieders met meerdere vestigingen en soms van de afzonderlijke vestigingen of locaties zelf.
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar later de situatie nog steeds zorgelijk is?
De bevindingen van de IGJ zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is het niet zo dat er sinds 2024 niets is gebeurd. De IGJ is al langere tijd actief bij een aantal aanbieders op het Hoenderloo-terrein. Er zijn sinds 2024 meermaals meldingen opgepakt, deze worden echter niet gepubliceerd.
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat het platform nog steeds actief is en eens per 6 weken samenkomt. Een afvaardiging van de zorgaanbieders op het terrein, dorpsbelangenverenigingen, De Vos Groep, gemeente Apeldoorn en de wijkagent sluiten aan bij dit overleg. Binnen het platform worden signalen, bijzonderheden en actuele ontwikkelingen in Hoenderloo gedeeld en waar nodig afgestemd. Samenwerking wordt hier gestimuleerd en er worden afspraken over communicatie gemaakt. De korte lijnen hebben bijgedragen aan begrip en een adequate afhandeling bij meldingen. Het platform heeft daarmee vooral een signalerende en verbindende functie, gericht op het delen van informatie, afstemmen tussen partijen en tijdig agenderen van relevante ontwikkelingen.
Aanvullend vindt iedere vier weken overleg plaats met de gebiedswethouder en gebiedsdirecteur. In dit overleg worden de belangrijkste signalen en actualiteiten uit het dorp besproken en, indien nodig, vertaald naar bestuurlijke aandacht of vervolgacties. Concreet gaat het onder meer om een bemiddelende rol van een gebiedsbestuurder, communicatie naar inwoners en (nieuwe) samenwerkingsafspraken.
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet opgeleverd?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als dat nodig is. De gemeente is niet altijd inhoudelijk betrokken bij een casus. Vanuit hun toezichthoudende rol is het nodig dat gemeenten weten van welke aanbieder de jongere de zorg ontvangt. Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is echter niet altijd bekend op welke locatie de cliënt verblijft, dat is voor dit type toezicht ook niet noodzakelijk. De jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp. En de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
In de zoektocht naar passende hulp wordt, bij gebrek aan passende zorg, soms gekozen voor plaatsingen op een zorglocatie ver buiten de regio die oorspronkelijk niet door de gemeente is gecontracteerd. Dergelijke plaatsingen zijn kwetsbaarder. Zo worden er bijvoorbeeld meestal minder eisen gesteld aan plaatsingen via maatwerkcontracten. Het is daarom belangrijk dat er beter zicht komt op deze plaatsingen. Samen met de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) zet ik daarom stappen om één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen buiten de regio die niet in het belang zijn van de jeugdige, in beeld te krijgen en zo veel als mogelijk tegen te gaan. Gemeenten worden daarvoor op zeer korte termijn verzocht om deze zomer deze jongeren per jeugdregio in beeld te brengen, als zijnde een nulmeting. Daarna gaan jeugdregio’s stapsgewijs toe werken naar meer zicht op de jongere en diens zorgbehoefte met als doel dat zij zoveel mogelijk in eigen regio hulp ontvangen. Ook wordt gekeken of er een verklarende analyse is, of de huidige zorg passend is én hoe toegewerkt wordt naar passende zorg voor deze jeugdige. Gemeenten kunnen hier per direct ondersteuning bij krijgen vanuit een landelijk programma vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Ik volg de inspanningen van de gemeenten en verwacht uw Kamer in het najaar te kunnen informeren over de eerste bevindingen.
Vanuit de Hervormingsagenda wordt daarnaast onverminderd ingezet op het verbeteren van het (landelijk) inzicht in het stelsel en het verbeteren van datagedreven werken. Het CBS werkt nu aan een data-infrastructuur voor een centrale monitor van het jeugdstelsel (met o.a. een dashboard en statistieken) en is voornemens na de zomer een eerste versie te lanceren. Deze bevat waar mogelijk cijfers op landelijk, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarnaast zet de VNG in op het stimuleren en verbeteren van datagedreven werken bij gemeenten, waarbij de centrale monitor ook gebruikt kan worden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Ik herken de constateringen uit het onderzoeksrapport van de IGJ. Het organiseren en bieden van passende hulp is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen (overheden/aanbieders/professionals).
Dat er voor jongeren met de meest zware problematiek nog te vaak onvoldoende passende jeugdhulp beschikbaar is, heeft verschillende oorzaken die uiteenlopen van onvoldoende goede (verklarende) analyse aan het begin van een traject tot aan het ontbreken van het benodigd aanbod. Zie daarvoor ook mijn recente brief over acties m.b.t. aanpak t.b.v. passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek.3 Het is niet eenvoudig om passende zorg te organiseren voor jongeren met complexe problematiek en onze inzet zal daarom niet in alle gevallen direct resultaat hebben.
Vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp is volgens de Jeugdwet niet toegestaan. Er wordt volop ingezet op het voorkomen hiervan, onder meer middels het informeren van de sector met de handreiking «Omgaan met dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de open jeugdhulp met verblijf». Deze is in opdracht van VWS opgesteld. Tegelijkertijd zullen er specifieke omstandigheden blijven bestaan waarin de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen nodig is om te zorgen dat een jongere passende hulp kan krijgen. Daarom werk ik, zoals mijn voorganger heeft aangekondigd, aan een wetswijziging om de toepassing van vrijheidsbeperking in specifieke omstandigheden in de open residentiële jeugdhulp mogelijk te maken.
Vanuit de transformatie van de gesloten jeugdhulp wordt gewerkt aan de realisatie van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Onderdeel daarvan is ook het voorkomen dat kinderen gesloten geplaatst worden. Om hier een impuls aan te geven gaan we de bestuurlijke afspraken over de transformatie gesloten jeugdhulp uit 2024 aanvullen en verder concretiseren. Tot slot treffen we vanuit de Hervormingsagenda verschillende maatregelen om de jeugdhulp te verbeteren. Zoals de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, de verbetering van kwaliteit in de sector en de ombouw van residentiële jeugdhulpinstellingen naar kleinschaligheid.
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari 2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik navraag gedaan bij de gemeente Apeldoorn en de politie. De categorieën die in de vraag beschreven zijn, worden niet als dusdanig geregistreerd. Daarom is voor de beantwoording van deze vraag aangesloten bij meldingen zoals deze worden geregistreerd bij de politie.
Sinds 1 januari 2025 heeft de politie in totaal 1.160 meldingen gehad op het Hoenderloo-terrein. Deze waren van de volgende aard:
Daarnaast zijn er in totaal 13 incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van middelengebruik. Er zijn 5 incidenten geweest waarbij sprake was van bedreiging.
Er zijn 19 incidenten geweest waarbij er sprake was van vernieling. Er wordt niet geregistreerd of een bepaald incident een gevoel van onveiligheid bij jongeren tot gevolg heeft. Een gesprek met een politieagent kan bovendien door de ene jongere als beschermend, maar door de ander als onveilig worden ervaren.
Ik heb deze vraag eveneens voorgelegd aan de IGJ. De IGJ beschikt niet over een totaaloverzicht van het aantal incidenten dat sinds 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden op het Hoenderloo-terrein. De IGJ heeft in het toezicht op het Hoenderloo-terrein bij de 20, destijds bij de IGJ bekende zorgaanbieders, het aantal incidenten in de jeugdhulp uitgevraagd. In de periode 2024 tot mei 2025 hebben deze zorgaanbieders 319 incidenten gerapporteerd. Ook zijn zorgaanbieders gevraagd voorbeelden van incidenten te geven. De genoemde voorbeelden heeft IGJ gecategoriseerd in «middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen». De IGJ beschikt echter niet over cijfers over het aantal incidenten per hiervoor genoemde categorie of het aantal incidenten waarbij jongeren zich onveilig voelden.
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Jeugdhulpaanbieders moeten een calamiteit of geweld bij de verlening van jeugdhulp verplicht melden bij de IGJ. Aanbieders hoeven dus niet alle incidenten bij de inspectie te melden. Het is wel belangrijk dat aanbieders deze zelf registreren en analyseren. Tijdens het toezicht kan de inspectie deze incidentenregistratie inzien en meenemen in het toezicht.
In het jaarbeeld van de IGJ staat dat er in 2025 in totaal 1.240 meldingen binnen de jeugdzorg zijn gedaan, waarvan 160 meldingen over calamiteiten, 410 meldingen over geweld en 670 «andere meldingen». De IGJ registreert deze meldingen niet volgens de categorieën middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen.
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
De IGJ publiceert rapporten over individuele aanbieders naar aanleiding van haar toezicht op een hiertoe bestemde website4. Daarbij kan gezocht worden op sector jeugdzorg, publicatiejaar en het soort toezichtdocument. In de rapporten is te lezen wat de aard van het toezicht was en welke opvolging de IGJ hieraan heeft gegeven. Daarnaast publiceert de IGJ overkoepelende rapporten op haar website. Sinds 1 januari 2025 zijn (thematische) rapporten verschenen over de uitvoering van jeugdbescherming, gesloten jeugdhulp, gezinshuizen, pleegzorg, eetstoornissenzorg en het Hoenderloo-terrein. Dergelijke rapporten worden vanuit de IGJ gepubliceerd op haar website. De aanbevelingen uit de rapporten richten zich op de jeugdhulpverleners en landelijke partijen die hier opvolging aan moeten geven.
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben.
Het stelsel van toezicht en controle is in ontwikkeling en er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen. Vanaf 1 januari 2026 moeten bijvoorbeeld (bepaalde) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, op grond van de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, een interne toezichthouder hebben. Daarnaast heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een wettelijke toezichtstaak gekregen op het terrein van de Jeugdwet voor het toezicht op de openbare jaarverantwoording en transparantie financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen (inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027).
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Inspecties en de NZa hebben diverse bestuurlijke, maar ook informele instrumenten om te zorgen dat jeugdzorgaanbieders zich aan de wet- en regelgeving houden. Ook gemeenten hebben bestuursrechtelijk instrumenten tot hun beschikking en kunnen vanuit hun rol als inkoper maatregelen nemen om te zorgen dat kwaliteitseisen worden nageleefd. Het is hierbij van belang dat bestaande bevoegdheden/instrumenten optimaal worden benut en dat multidisciplinaire samenwerking tussen partijen wordt bevorderd. Er zijn en worden nog stappen gezet om samenwerking tussen toezichthouders beter mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van regelgeving die toezichthoudende partijen beter in staat stelt gegevens met elkaar uit te wisselen. Voor meer informatie hierover verwijs ik u ook naar de Kamerbrief over zorgfraude die nog voor de zomer aan uw Kamer wordt toegestuurd. Daarin staat ook dat ik naast het versterken van het toezicht heb besloten een vergunningsplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren. Door toelating, screening en toezicht beter met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhangende aanpak waarbij risico’s en misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Ten slotte zijn er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt met betrokken partijen over de aanpak van zorgfraude. Deze maatregelen dragen in brede zin bij aan een effectief stelstel van toezicht en controle. Er wordt o.a. ingezet op het verder verstevigen en professionaliseren van het gemeentelijk toezicht. Ik ben voornemens om dit met een stimuleringsprogramma verder vorm te geven. Over de invulling hiervan ben ik met de VNG in overleg.
Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
Het nieuwsbericht dat bruggen, sluizen en wegen in verval raken, maar het geld voor de hoognodige reparaties ontbreekt |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit nieuwsartikel?1
Hoeveel bruggen, viaducten, tunnels en sluizen verkeren in een slechte staat en wat is bij ieder van deze objecten het risico op instorten? Kunt u een allesomvattende lijst toezenden?
Als, volgens u, 60% van de bruggen op het hoofdwegennet de levensduur al heeft bereikt of zelfs heeft overschreden, wat zegt dit dan over het risico dat Nederlanders lopen door hier overheen en/of onderdoor te rijden?
Bent u van mening dat het niet langer uit te leggen is dat er geen extra geld wordt vrij gemaakt voor de verouderde infrastructuur nu de negatieve gevolgen alsmaar toenemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u onderhoud van bestaande infrastructuur prioriteit geven terwijl ook bestaande fileknooppunten, waaronder maar niet uitsluitend knooppunt A1 Hoevelaken en de N35, worden opgelost?
Hoeveel geld is er nodig om te voldoen aan de gehele onderhoudsopgave en hoeveel komt u tekort?
Hoeveel economische schade ontstaat er jaarlijks als gevolg van uitgestelde werkzaamheden, omleidingen, afsluitingen, filevorming en overige noodmaatregelen?
Welke concrete maatregelen bent u van plan te nemen om verdere achteruitgang tegen te gaan?
Kunt u garanderen dat er in Nederland nooit een viaduct, brug, tunnel of sluis zal instorten als het gevolg van uitgestelde, dan wel niet-uitgevoerde, herstelwerkzaamheden vanwege geldgebrek? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het recht op reparatie |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de huidige stand van zaken van Right to Repair en de concrete uitvoering van deze wetgeving?
Bent u bekend met het TNO-onderzoek1 waaruit blijkt dat consumenten door reparatie en revisie van onder meer wasmachines, smartphones en e-bikeaccu’s tientallen tot honderden euro’s kunnen besparen en producten jarenlang langer kunnen gebruiken? Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de circulaire economie en het verminderen van grondstoffengebruik?
Welke nationale maatregelen kunnen er op korte termijn worden genomen om reparatie aantrekkelijker te maken en bent u bereid hiervoor concrete voorstellen uit te werken?
Bent u bereid om in nationale aanbestedingen voorwaarden op te nemen die producenten stimuleren producten terug te nemen, te hergebruiken en repareerbaar te ontwerpen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om de bewijslast binnen de wettelijke garantieperiode verder richting producenten te verschuiven, zodat consumenten eenvoudiger aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging bij defecten?
Welke financiële middelen zijn momenteel beschikbaar om reparatiebedrijven, revisiebedrijven en ondernemingen die producten circulair en repareerbaar ontwerpen op te schalen? In hoeverre acht u deze middelen voldoende om reparatie in Nederland structureel de norm te maken?
Het ontbreken van een heldere definitie van femicide in de Nederlandse rechtspraktijk |
|
Hanneke van der Werf (D66), Etkin Armut (CDA), Songül Mutluer (PvdA), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Femicide in de Nederlandse rechtspraktijk: juridische erkenning en straftoemeting»?1
Waarom ontbreekt tot op heden een eenduidige definitie van femicide binnen de Nederlandse rechtspraktijk? Wanneer kan de Kamer een definitie verwachten?
Deelt u de mening dat het van belang is om tot een landelijke en juridisch toepasbare definitie van femicide te komen zodat politie, Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak hetzelfde toetsingskader hanteren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat dat internationale organisaties zoals de World Health Organization en United Nations Women een bredere en explicieter gender gerelateerde definitie van femicide hanteren dan momenteel in Nederland gebruikelijk is? Zo ja, bent u bereid de definities en aanbevelingen van deze organisaties mee te nemen bij het opstellen van een Nederlandse definitie van femicide? En zo ja, wanneer kunnen we dat tegemoet zien?
Gaat u gevolg geven aan de aanbeveling uit het genoemde onderzoek om «femicidezaken» consequenter als zodanig te laten benoemen omdat dit zorgt voor een betere registratie en monitoring van femicide en bijdraagt aan maatschappelijke bewustwording van gender gerelateerd dodelijk geweld? Zo ja, op welke wijze gaat u deze aanbeveling uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van respondenten uit het onderzoek die voorstander zijn «van de introductie van femicide of gender gerelateerde kenmerken als wettelijke strafverzwaringsgrond, omdat dit kan bijdragen aan het structureler (h)erkennen van gender gerelateerde kenmerken in de strafrechtspraktijk»? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van de onderzoekers dat verdere specialisatie binnen de strafrechtpraktijk en versterking van kennis over gender gerelateerd geweld van belang is? Zo ja, waarom en hoe gaat u deze specialisatie bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat rode vlaggen zoals stalking, dwingende controle, psychisch geweld, obsessief gedrag tijdens en zelfs na een relatiebreuk structureel beter moeten worden herkend? Welke concrete acties worden thans hiertoe ondernomen door de justitiële keten? Kunt u dat onderbouwen?
Bent u bereid in overleg te treden met het OM en de rechterlijke macht over het verbeteren van dossiervorming om femicide te kunnen herkennen en te erkennen?
Bent u bereid de mogelijkheid te bespreken om ook zaken waar sprake is van vrouwenmoord, maar de dader niet vervolgd kan worden omdat hij na de daad een einde aan zijn eigen leven heeft gemaakt in de toekomst ook te kunnen registreren als femicide?
Bent u bereid een kabinetsreactie inclusief voorgestelde maatregelen binnen zes weken naar de Kamer te sturen?
Het bericht dat migratiedeskundige Ruud Koopmans niet langer welkom zou zijn als spreker bij een bijeenkomst van Pakhuis de Zwijger |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat socioloog en migratiedeskundige Ruud Koopmans niet langer welkom zou zijn als spreker bij een bijeenkomst van Pakhuis de Zwijger vanwege uitingen op sociale media?
Ontvangt Pakhuis de Zwijger direct of indirect rijkssubsidie, dan wel financiering via rijksfondsen, semipublieke instellingen of andere publieke middelen? Zo ja, om welke bedragen gaat het in de afgelopen vijf jaar?
Deelt u de opvatting dat van publiek gefinancierde debatinstellingen een zekere mate van pluriformiteit en openheid mag worden verwacht, juist waar het gaat om maatschappelijk controversiële onderwerpen zoals migratie?
Hoe verhoudt het weren van een spreker vanwege publieke politieke of maatschappelijke uitingen zich volgens u tot het publieke doel van debatinstellingen die zeggen ruimte te bieden aan het maatschappelijk gesprek?
Acht u het wenselijk dat een gerenommeerd migratiewetenschapper wordt geweerd wegens online uitingen, terwijl hij juist was uitgenodigd om over migratie in debat te gaan?
Welke criteria gelden voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen op het gebied van maatschappelijke dialoog, democratische vorming of publiek debat ten aanzien van ideologische diversiteit en pluriformiteit?
Deelt u de zorg dat er een situatie kan ontstaan waarin gesubsidieerde debatinstellingen in de praktijk vooral sprekers uitnodigen die passen binnen een relatief smal ideologisch spectrum?
Zijn er bij het Rijk of subsidieverstrekkers waarborgen of evaluatiecriteria aanwezig om te voorkomen dat publiek gefinancierde instellingen bijdragen aan institutionele uitsluiting van legitieme maatschappelijke opvattingen?
Hoe beoordeelt u de spanning tussen enerzijds codes of conduct van debatinstellingen en anderzijds het publieke belang van open debat, juist tussen fundamenteel verschillende perspectieven?
Bent u bereid in overleg te treden met publiek gefinancierde debatinstellingen over de vraag hoe ideologische pluriformiteit en ruimte voor controversiële, maar democratisch legitieme stemmen beter kunnen worden gewaarborgd?
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
De financiële problemen bij ziekenhuis Bernhoven door de weigerachtige houding van meerdere zorgverzekeraars om het ziekenhuis voldoende te financieren |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat het ziekenhuis Bernhoven in de financiële problemen dreigt te geraken doordat zij minder zorg gericht op productie levert, maar passende zorg gericht op de patiënt als uitgangspunt?1, 2, 3
Bent u op de hoogte van het feit dat vijf zorgverzekeraars, te weten: Zilveren Kruis/Achmea, Menzis, ONVZ, ASR en Salland die samen een marktaandeel van twintig procent hebben in het werkgebied van Bernhoven, weigeren om – net als de andere zorgverzekeraars Bernhoven aanvullend te financieren zodat de financiële toekomst van Bernhoven kan worden gegarandeerd?
Bent u het ermee eens dat alle zorgverzekeraars gezamenlijk de plicht hebben het ziekenhuis Bernhoven langjarig voldoende te financieren om te voorkomen dat het ziekenhuis failliet gaat en/of gedwongen zou worden te fuseren met een ander ziekenhuis in de omgeving waardoor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de ziekenhuiszorg voor 280.000 patiënten in de regio Oss, Bernheze, Maashorst, Meijerijstad onder druk komt te staan?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is wanneer een ziekenhuis financieel gestraft wordt voor het inzetten op passende zorg, terwijl uw kabinet juist expliciet wil inzetten op passende zorg?
Deelt u de mening van uw voorganger dat de werkwijze van het ziekenhuis Bernhoven een voorbeeld is dat navolging verdient? Kunt u dit toelichten?4
Klopt het dat een aantal verzekeraars de gemaakte afspraken uit het continuïteitsplan uit 2024 niet nakomt? Kunt u dit toelichten?
Hoe groot is het risico dat een deel van de zorg uit het ziekenhuis Bernhoven zal verdwijnen?
Bent u bereid de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) te vragen te bemiddelen dan wel in te grijpen bij het conflict tussen een aantal zorgverzekeraars en ziekenhuis Bernhoven om te komen tot een eerlijke en reële financiering door alle zorgverzekeraars waarbij enerzijds verkeerd uitpakkende productieprikkels worden vermeden en anderzijds het ziekenhuis langjarig financiële zekerheid kan worden geboden?
Bent u het ermee eens dat ten alle tijde moet worden voorkomen dat het ziekenhuis Bernhoven failliet gaat? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel als de toegankelijkheid van de zorg nog verder achteruitgaat?
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Het bericht dat Algerije alle protestantste kerken gesloten heeft |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Reformatorisch Dagblad (9 mei 2026) waarin gesteld wordt dat de autoriteiten van Algerije sinds 2017 alle protestantse kerken in het land gesloten hebben?1
Deelt u de belangrijkste conclusies uit het onderliggende rapport van het European Centre for Law and Justice (ECLJ)?2 Wat is uw bredere reflectie op de in het rapport beschreven positie van christenen in Algerije?
Bent u bereid om de categorische sluiting van protestantse kerken en andere schendingen van godsdienstvrijheid officieel te veroordelen?
Bent u bereid om de Algerijnse ambassadeur te ontbieden? Zo nee, welke diplomatieke druk acht u gepast?
Kunt u aangeven op welk niveau er in de Europese Unie (EU) afstemming is over christenvervolging in Algerije?
Kunt u verzekeren dat deze kwestie hoge prioriteit heeft voor Mairead McGuinness, de recent aangestelde Europese gezant voor godsdienstvrijheid? Bent u bereid de strafrechtelijke vervolging van christenen, de opsluiting van religieuze leiders en de sluiting van kerken actief onder haar aandacht te brengen en in EU-verband te bezien welke effectieve drukmiddelen kunnen worden ingezet?
Op welke wijze heeft Nederland zich eerder richting de Algerijnse autoriteiten ingezet ten aanzien van de positie van christenen en godsdienstvrijheid? Welke rol speelt de Nederlandse Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging hierin?
De rol van de Adviesraad Migratie bij de cancelling van hoogleraar Ruud Koopmans. |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Subsidiehuis Pakhuis de Zwijger cancelt migratiekritische hoogleraar Ruud Koopmans»?1
Bent u bekend met het feit dat dit debat wordt georganiseerd in samenwerking met de Adviesraad Migratie, een officieel adviesorgaan van uw ministerie?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gerenommeerde hoogleraar wordt gecanceld door een gesubsidieerde organisatie dat samenwerkt met de Adviesraad Migratie?
Hoe beoordeelt u het dat de Adviesraad Migratie samenwerkt met een links bolwerk die kritische, wetenschappelijke stemmen over migratie censureert? Is dit volgens u nog wel een onafhankelijke en evenwichtige adviesraad?
Erkent u dat dit incident een schoolvoorbeeld is van de linkse cancelcultuur in Nederland, waarbij kritiek op het falende asiel- en migratiebeleid systematisch de kop wordt ingedrukt?
Hoe denkt u als Minister van Asiel en Migratie dat een open en eerlijk debat over asielmigratie nog mogelijk is, wanneer zelfs een hoogleraar als Ruud Koopmans wordt gecanceld door een gesubsidieerd links centrum dat samenwerkt met uw eigen Adviesraad Migratie?
Bent u bereid de Adviesraad Migratie per direct ter verantwoording te roepen voor deze laffe cancelactie en te eisen dat zij de annulering onmiddellijk intrekt? En bent u tevens bereid de Adviesraad Migratie op te heffen als zij weigert dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Het artikel ‘De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel» en wat is daarop uw reactie?1
Hoe past dit verhaal in de beweging naar passende zorg die dit kabinet propageert?
Ziet u een afname van onnodige zorg in Bernhoven en hoe kijkt u daar tegenaan?
Bent u van mening dat een beweging van passende zorg en minder onnodige zorg verder uitgerold moet worden, en is Bernhoven daar een voorbeeld in? Zo ja waarom en wat gaat u eraan doen om dit verder uit te rollen? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn de financiële problemen van het ziekenhuis ontstaan door de beweging naar passende zorg?
Hoe kijkt u aan tegen de prijsprikkels die de spanning tussen passende zorg en minder inkomsten door minder behandelingen veroorzaakt?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zorginstellingen die de beweging naar passende zorg maken daarvoor niet «gestraft» worden?
Bent u voornemens dit verdienmodel te doorbreken zodat het collectieve belang en niet het individuele belang van een ziekenhuis centraal komt te staan?
Het bericht 'Désirée (38) haar donor eist vaderrol: 'In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Désirée (38) haar donor eist vaderrol: «In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig»»?1
Kunt u, zonder in te gaan op deze individuele zaak, uiteenzetten welk wettelijk toetsingskader geldt wanneer een bekende donor, ondanks vooraf mondeling en schriftelijk gemaakte afspraken dat hij géén vaderrol krijgt, later alsnog erkenning, omgang of een vaderrol opeist?
Klopt het dat een bekende donor niet automatisch recht heeft op omgang enkel omdat hij biologisch vader is, maar dat hij onder omstandigheden wel een beroep kan doen op een nauwe persoonlijke betrekking of family life? Welke juridische waarde heeft in dat kader een donorovereenkomst waarin expliciet is vastgelegd dat de donor geen juridische, opvoedkundige of verzorgende vaderrol zal krijgen?
Klopt het dat een donorovereenkomst niet volledig kan uitsluiten dat een rechter later alsnog omgang of family life aanneemt? Acht u dat voor alleenstaande wensmoeders voldoende duidelijk voordat zij met een bekende donor in zee gaan?
Hoe wordt in dit soort zaken het «belang van het kind» concreet vastgesteld? Kunt u aangeven welke factoren rechters en de Raad voor de Kinderbescherming daarbij in de praktijk meewegen?
Wordt bij de beoordeling van het belang van het kind ook meegewogen of sprake is van bedreiging, stalking, intimidatie, psychische druk, dwingende controle of andere signalen die kunnen wijzen op onveiligheid?
Deelt u de opvatting dat onveiligheid van de verzorgende ouder ook kan doorwerken in de veiligheid en ontwikkeling van het kind, en daarom niet los mag worden gezien van het belang van het kind?
Hoe voorkomt het huidige stelsel dat een juridische procedure over omgang of erkenning zelf wordt gebruikt als middel van druk, controle of intimidatie richting de moeder?
Hoe verhoudt de aanpak van femicide en psychisch geweld zich tot het familierechtelijke uitgangspunt dat contact met een ouder of biologische vader in beginsel in het belang van het kind kan zijn?
Aangezien de Raad voor de Kinderbescherming stelt dat contact met beide ouders alleen uitgangspunt is «als dat veilig kan»; hoe wordt geborgd dat dit uitgangspunt ook consequent wordt toegepast bij bekende donoren die geen oorspronkelijke vaderrol zouden hebben?
Beschikt u over cijfers van zaken waarin een donorovereenkomst door de rechter anders wordt gewogen dan de wensmoeder vooraf mocht verwachten? Zo nee, acht u het wenselijk hier meer inzicht in te krijgen?
Acht u de huidige informatievoorziening aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk over de juridische risico’s van donorconceptie met een bekende donor, waaronder het verschil tussen een donor, een juridische ouder, een erkenner, een gezaghebbende ouder en iemand met omgangsrecht?
Bent u bereid stappen te zetten om de rechtspositie en rechtszekerheid van alleenstaande wensmoeders bij gebruik van een bekende donor beter te borgen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen, bijvoorbeeld via wetgeving, betere voorlichting, richtlijnen of aanvullende waarborgen in de beoordeling van omgangs- en erkenningsverzoeken?
Het zich niet uitspreken tegen extreemrechts geweld en het ontbreken van steun van het kabinet voor de getroffen vluchtelingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Erkent het kabinet dat er sprake is van een groei van extreemrechts, waarvoor de veiligheidsdiensten al langer waarschuwen?
Erkent u dat het kabinet een grote verantwoordelijkheid heeft om de groei van extreemrechts effectief tegen te gaan en het in elk geval niet verder te laten doorwoekeren?
Waarom heeft u het geweld en de brandstichting bij een noodopvanglocatie voor vluchtelingen niet veroordeeld als extreemrechts geweld, maar koos u ervoor om de daders slechts te bestempelen als «een groep relschoppers» die «zorgen» zouden hebben die je «altijd» mag «uitspeken» en heeft u alleen in algemene termen gezegd dat geweld nooit mag?
Bent u alsnog bereid om uit te spreken dat het hier ging om extreemrechts geweld? Zo nee, waarom niet?
Waarom hebben zowel u als mevrouw Yeşilgöz in haar rol als eerste vicepremier (en uw vervanger bij de persconferentie na de ministerraad van 13 mei) niet expliciet specifiek medeleven betuigd met de vluchtelingen en medewerkers in het pand die slachtoffer zijn geworden van dit intimiderende geweld en de brandstichting bij hun onderkomen?
Bent u bereid om op zeer korte termijn een bezoek te brengen aan de bewoners en de medewerkers van de noodopvanglocatie in Loosdrecht om hen alsnog een hart onder de riem te steken en persoonlijk uw medeleven over te brengen, namens het hele kabinet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De nationale organisatie van HCID-zorg, quarantainebeleid en infectiepreventie naar aanleiding van de hantavirusuitbraak op de MV Hondius |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Dit weten we nu over de hantavirus-uitbraak»1, «Medewerkers Radboudumc in quarantaine vanwege fouten rond hantavirus»2, «Honderden in quarantaine op cruiseschip Ambition door uitbraak norovirus»3 en «Opnieuw norovirus op cruiseschip: een dode, 1.700 mensen in quarantaine»4?
Hoeveel personen – passagiers, bemanning, ziekenhuispersoneel en contacten – bevinden zich momenteel op Nederlands grondgebied in (thuis)quarantaine naar aanleiding van de uitbraak op de MV Hondius, en hoe wordt feitelijk gecontroleerd dat deze quarantaine ook wordt nageleefd?
Kunt u bevestigen dat het Radboudumc sinds mei 2022 als enige ziekenhuis in Nederland beschikt over een high-level isolation unit (HLIU) en dat desondanks na internationale afstemming bewust is besloten de hantaviruspatiënt níét in deze HLIU op te nemen, maar op een reguliere verpleegafdeling?
Hoe beoordeelt u het feit dat twee dagen ná deze vakinhoudelijke afweging twaalf medewerkers van het Radboudumc zes weken in quarantaine moesten omdat bloed en urine niet volgens de juiste internationale voorschriften zijn verwerkt, en dat het ziekenhuis stelt dat «het meest actuele internationale voorschrift nog niet beschikbaar was» voor de medewerkers?
Bent u bekend met de infectiologische, microbiologische, IC- en Euregio-capaciteiten van het Maastricht UMC+, alsmede met het feit dat Maastricht in 2014 werd genoemd met ebola-bedcapaciteit, en kunt u toelichten waarom Maastricht UMC+ thans niet formeel is aangewezen als VHK/HCID-behandelcentrum voor Zuid-Nederland, mede gezien de geografische spreiding van de huidige aangewezen centra?
Wie is er, in het Nederlandse stelsel, eindverantwoordelijk voor het tijdig beschikbaar stellen van de meest actuele internationale infectiepreventie- en controleprotocollen (IPC-protocollen) aan behandelende ziekenhuizen vóórdat een patiënt met een hoogrisico-infectieziekte wordt opgenomen – het RIVM, de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), of het ziekenhuis zelf? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment sluitend?
Hoeveel patiënten met een high consequence infectious disease (HCID) heeft de Nederlandse zorg in de afgelopen vijf jaar opgenomen, in welke ziekenhuizen, en in hoeveel van deze gevallen is daadwerkelijk gebruikgemaakt van een HLIU? Bent u bereid dit overzicht aan de Kamer te doen toekomen?
Bent u ermee bekend dat in het Verenigd Koninkrijk Andesvirus formeel is geclassificeerd als «airborne HCID»5, dat behandeling uitsluitend plaatsvindt in een beperkt aantal aangewezen Airborne HCID Treatment Centres6 en dat dwingende, gestandaardiseerde IPC- en PPE-protocollen gelden zodra deze classificatie van toepassing is?
Erkent u dat het Britse model – een formele HCID-classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra – risico’s structureel uitsluit die het Nederlandse model, waarin per geval een afweging wordt gemaakt, toelaat? Erkent u dat juist deze week is gebleken dat het Nederlandse «case-by-case»-model in dit geval heeft gefaald?
Waarom kent Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk, geen formele nationale HCID-lijst conform ECDC-standaard, geen vooraf aangewezen behandelcentra voor HCID-categorieën en geen dwingende virus-specifieke IPC-protocollen? Welke afweging ligt hieraan ten grondslag, en wanneer is deze afweging voor het laatst herzien?
Bent u bereid toe te zeggen dat u vóór novermber 2026: en de Kamer hierover uiterlijk in novermber 2026 schriftelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, als noodzakelijke aanvulling op de in vraag 10 gevraagde HCID-structuur, een verplicht en structureel auditkader op de naleving van HCID- en IPC-protocollen in Nederlandse ziekenhuizen in te voeren, met ten minste de volgende elementen:
Wat zijn de totale geraamde kosten van de repatriëringsoperatie van de MV Hondius (evacuatievluchten, ambassade-inzet, SCOT-team, RIVM/GGD-inzet, zes weken thuisquarantaine en de Radboudumc-quarantaine inclusief vervangende inzet), en in hoeverre worden deze kosten verhaald op de rederij, de reisverzekeraars of de individuele passagiers? Bent u bereid een gespecificeerd kostenoverzicht aan de Kamer te sturen?
Acht u het redelijk dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de kosten van repatriëring en nasleep van een commerciële cruise waarop het besmettingsrisico is opgelopen? Welke wettelijke en verzekeringstechnische instrumenten ziet u om dit principieel anders te regelen voor toekomstige uitbraken?
Kunt u bevestigen dat op het Britse cruiseschip Ambition voor de kust van Bordeaux 1.700 opvarenden in quarantaine zijn geplaatst, dat een 92-jarige Britse passagier vermoedelijk is overleden aan het norovirus en dat ten minste vijftig passagiers ziek zijn geworden? Hoeveel Nederlanders bevinden zich aan boord, en welke ondersteuning krijgen zij op dit moment van de Nederlandse ambassade en het Snel Consulair Ondersteuningsteam (SCOT)?
Bent u ermee bekend dat in dezelfde week ook op het cruiseschip Caribbean Princess een uitbraak van het norovirus is vastgesteld, waarbij meer dan honderd passagiers en tien bemanningsleden ziek zijn geworden? Hoe beoordeelt u het feit dat in een tijdsbestek van enkele weken drie grote virusuitbraken (Hondius, Ambition, Caribbean Princess) op cruiseschepen plaatsvinden, en is er naar uw oordeel sprake van een structureel falen van de hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector?
Bent u bereid om – gelet op deze opeenvolgende uitbraken – een structurele preventieve informatieplicht in te voeren waarbij Nederlandse burgers die een cruise overwegen vóór boeking actief en eenduidig worden geïnformeerd over recente uitbraken, de uitbraakgeschiedenis per rederij en route, en de gezondheidsrisico’s van langdurig verblijf op cruiseschepen, bijvoorbeeld via een centrale «cruise-risicopagina» op nederlandwereldwijd.nl?
Bent u bereid om, in samenwerking met het RIVM, de European Maritime Safety Agency (EMSA) en het ECDC, bepaalde cruiseroutes of -regio’s waar zich recent uitbraken hebben voorgedaan tijdelijk als «verhoogd risico» aan te merken, met aanvullende preventieve verplichtingen voor rederijen die deze routes bevaren (zoals verplichte screening bij inscheping, verscherpte hygiëneprotocollen en een meldplicht bij verdachte ziektegevallen)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een vast protocol «Snelle Repatriëring Nederlanders» vast te stellen voor infectieziekte-uitbraken op cruiseschepen, met heldere afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie, zodat Nederlanders bij toekomstige uitbraken niet langer dagen of weken hoeven te wachten op evacuatie, zoals bij de MV Hondius het geval was? Bent u bereid dit protocol vóór 1 januari 2027 aan de Kamer voor te leggen?
Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Vincent Karremans (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de regels rondom het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland?
Klopt het dat personen die gebruikmaken van de 30%-regeling, zoals kennismigranten, hun buitenlandse rijbewijs uit elk land kunnen omwisselen voor een Nederlands rijbewijs zonder opnieuw examens hoeven af te leggen?
Klopt het dat statushouders daarentegen, bijvoorbeeld afkomstig uit Syrië, hun rijbewijs niet kunnen omwisselen en daardoor opnieuw examens moeten afleggen, kosten moeten maken en daardoor vertraagd worden?
Hoe verklaart u het verschil in behandeling tussen kennismigranten die onder de 30%-regeling vallen en statushouders bij het omwisselen van rijbewijzen?
In hoeverre is dit verschil tussen de behandeling bij bijvoorbeeld een Syrische arbeidsmigrant en een Syrische statushouder gebaseerd op verkeersveiligheid of objectieve kwaliteitseisen, en in hoeverre op andere factoren zoals verblijfsgrond en economische positie?
Tot hoeverre acht u het wenselijk dat de afweging of iemand zijn rijbewijs kan omwisselen of niet, gebaseerd is op verblijfsgrond en economische positie?
Deelt u de opvatting dat het onderscheid tussen groepen migranten op basis van regeling (zoals de 30%-regeling) moeilijk uitlegbaar is wanneer het niet direct samenhangt met verkeersveiligheid?
Bent u bereid te onderzoeken of de regels voor het omwisselen van rijbewijzen eenduidiger en rechtvaardiger kunnen, bijvoorbeeld door één lijn te trekken voor verschillende groepen migranten op basis van objectieve verkeerskwaliteiteisen?
Bent u bekend met de motie van het lid Lahlah over het wegnemen van drempels voor asielzoekers met een W-document om een rijbewijs aan te vragen1 en uw appreciatie waarin u deze motie ontraadt?2
Klopt het dat asielzoekers met een W-document wel theorie- en praktijkexamens kunnen afleggen bij het CBR, maar vervolgens geen Nederlands rijbewijs kunnen aanvragen?
Klopt het dat er op dit moment tussen en binnen gemeentes verschillen zijn in de mogelijkheden voor asielzoekers om een rijbewijs te kunnen aanvragen na afgelegde theorie- en praktijkexamens?
Kunt u nader toelichten hoe het woonlandbeginsel uit de Europese rijbewijsrichtlijn wordt geïnterpreteerd in relatie tot asielzoekers met een W-document?
In hoeverre biedt dit woonlandbeginsel ruimte voor nationale interpretatie, en benut Nederland deze ruimte maximaal?
Hoe gaan andere EU-lidstaten om met asielzoekers die een rijbewijs willen aanvragen voordat zij een definitieve verblijfsstatus hebben? Zijn er voorbeelden van landen waarbij asielzoekers wel een rijbewijs kunnen aanvragen?
Deelt u de opvatting dat het toestaan van examens zonder de mogelijkheid om een rijbewijs te verkrijgen kan leiden tot inefficiëntie, kosten en frustratie bij betrokkenen?
Deelt u de opvatting dat, indien dit juridisch mogelijk is, wie zijn rijexamens heeft gehaald ook een rijbewijs moet kunnen krijgen?
In uw appreciatie van de eerder genoemde motie van het lid Lahlah geeft u aan dat er wordt gewerkt aan een implementatie van de vierde rijbewijsrichtlijn vanuit Brussel; zal deze implementatie ruimte kunnen bieden voor de wetgever om iets te doen aan onze invulling van «gewone verblijfplaats» en het woonlandbeginsel?
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen de bestaande Europese kaders, deze belemmeringen te verminderen of weg te nemen?
In hoeverre bent u bereid zich in te spannen om bestaande belemmeringen weg te nemen voor asielzoekers, met name wanneer deze niet direct voortvloeien uit verkeersveiligheidseisen maar uit administratieve of verblijfsrechtelijke voorwaarden? Op welke manier bent u van plan om die inspanning invulling te geven en met welk tijdspad?
Het bericht ‘Minister laat Gazanen met geldig visum nog altijd niet naar Nederland komen’ |
|
Kati Piri (PvdA), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland, in tegenstelling tot andere Europese landen, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om Gazanen met een Nederlands studievisum via een internationaal konvooi Gaza te laten verlaten?1
Deelt u de opvatting dat er weinig aanleiding kan zijn om personen van wie door de IND is vastgesteld dat zij recht hebben op tijdelijk studiegerelateerd verblijf in Nederland, geen mogelijkheid te bieden Gaza te verlaten?
Bent u, mede gelet op recente uitspraken van de Raad van State en de rechtbank over uw inspanningsverplichting richting Gazaanse MVV-houders, bereid zich ervoor in te spannen dat Nederlandse visumhouders kunnen deelnemen aan een volgend konvooi, zodat zij in Jordanië hun visumsticker kunnen ophalen?
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen een week beantwoorden?
Het geschrapte ‘rampscenario’ van het IPCC |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zijn meest extreme rampscenario (4 tot 6 graden opwarming in 2100) heeft geschrapt?1
Heeft u kennisgenomen van de analyse dat meer dan 80 procent van de mediaberichtgeving gebaseerd zou zijn op dit inmiddels achterhaalde scenario?2
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 1 en 2?
Bent u van mening dat de afgelopen jaren een vertekend en te alarmistisch beeld van de klimaatontwikkelingen is geschetst? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is het huidige Nederlandse klimaatbeleid gebaseerd op aannames en modellen van het IPCC, die inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Acht u het verantwoord om door te gaan met beleid dat een zeer grote economische en maatschappelijke impact heeft, terwijl de onder dat beleid liggende en van het IPCC afkomstige aannames en modellen inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Zo ja, waarom wel? Zo nee, welke wijzigingen bent u bereid door te voeren?
Bent u bereid een volledige herijking uit te voeren van het Nederlandse klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Bent u bereid om, in het licht van deze ontwikkelingen, maatregelen te nemen om de lasten voor burgers te verlagen, bijvoorbeeld door het klimaatbeleid (deels) te schrappen of zelfs terug te draaien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe gaat u voorkomen dat beleid in de toekomst wordt gebaseerd op extreme en onrealistische scenario’s?
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat alle klimaatrechtszaken van de afgelopen jaren zouden verwijzen naar het inmiddels geschrapte rampscenario van het IPCC?3
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10?
Erkent u dat, als de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10 klopt, dit verstrekkende gevolgen heeft voor de juridische grondslagen op basis waarvan rechters de Nederlandse staat en Nederlandse bedrijven hebben veroordeeld tot vergaand en kostbaar klimaatbeleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de vonnissen in klimaatrechtszaken direct of indirect steunen op het rampscenario van het IPCC, dat inmiddels door datzelfde IPCC is geschrapt? Bent u bereid de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In de klimaatrechtszaak inzake Bonaire (ECLI:NL:RBDHA:2026:1344) gaat de rechter onder punt 4.21 uit van een zeespiegelstijging van 27 cm in 2050 en 85 cm in 2100, gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte «rampscenario» SSP5-8.5; hoe beoordeelt u het feit dat deze rechterlijke uitspraak met verstrekkende gevolgen mede gebaseerd is op scenario’s van het IPCC die inmiddels door datzelfde IPCC zijn geschrapt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid om in het hoger beroep tegen de uitspraak inzake Bonaire expliciet mee te nemen dat de rechtbank zich mede heeft gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte SSP5-8.5-scenario, en dat de onderbouwing van de uitspraak daarmee wezenlijk is gewijzigd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Gesprekken die op EU-niveau worden gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Euractiv-artikel waarin vermeld staat dat er voor de zomer gesprekken gevoerd zullen worden tussen EU-ambtenaren en een Talibandelegatie met als doel om Afghanen mogelijk terug te sturen?1
Bent u door de Europese Commissie of andere betrokken landen op de hoogte gesteld van deze gesprekken?
Zullen er ook Nederlandse ambtenaren deelnemen aan deze gesprekken? Op welke manier is Nederland betrokken bij deze gesprekken?
Kunt u de Kamer informeren over wat er besproken zal worden met de Talibandelegatie?
Klopt het dat de gesprekken als doel hebben om mensen met de Afghaanse nationaliteit waaronder asielzoekers in Europa terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, over welke doelgroep gaat het?
Ziet u Afghanistan als een veilig en vrij land, specifiek voor bijvoorbeeld vrouwen en meisjes en mensen die in het verleden kritiek hebben geuit op de Taliban?
Als er Afghaanse asielzoekers terug zouden worden gestuurd naar Afghanistan, kunt u dan zeker weten dat zij daar geen gevaar zullen lopen zoals verplicht onder het non-refoulement principe? Zo ja, hoe?
Is het terugsturen van Afghaanse vrouwen en meisjes naar een land waar zij zeer onderdrukt leven niet überhaupt onethisch?
Ziet u de Taliban als een normale gesprekspartner?
Bent u van mening dat een dergelijke bijeenkomst een stap zet in de richting van het erkennen van het Talibanregime? Acht u dat wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen voor het eerstvolgende commissiedebat op 27 mei a.s. over de JBZ-Raad beantwoorden?
Het NRC-artikel ‘Website voor extreme ‘drogeerporno’ draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Website voor extreme «drogeerporno» draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen»?1
Deelt u de mening dat deze normloze grensoverschrijdende video’s walgelijk zijn en dat alles in het werk moet worden gesteld om vrouwen en meisjes te beschermen en daders op te sporen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Wat is uw reactie op de bevindingen uit dit artikel, zeker gelet op de rol van Nederlandse bedrijven die de verantwoordelijkheid van zich afschuiven in deze zaak?
Deelt u de beoordeling dat het vervaardigen, verspreiden en bekijken van dergelijk beeldmateriaal kan vallen onder meerdere strafbare feiten, waaronder verkrachting, aanranding en het vervaardigen en verspreiden van strafbaar pornografisch materiaal? Zo ja, wat betekent dat voor alle betrokken bij NForce, motherless.com, vervaardigers, verspreiders en gebruikers?
Deelt u de opvatting dat het vervaardigen van deze beelden de lichamelijke en geestelijke integriteit van vrouwen en meisjes ernstig aantast? Zo ja, welke hulp is er voor deze vrouwen beschikbaar en hoe beschermd u hen in het vervolg? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is het bij u bekend dat Nederlandse mensen en/of bedrijven betrokken zouden zijn bij het uploaden dan wel verspreiden van dit beeldmateriaal, en wat betekent dit voor de opsporingsprioriteit?
Deelt u de mening dat Nederland er wereldwijd slecht op staat als het gaat om de verspreiding van pornografisch materiaal? Zo ja, welke doelstelling heeft u om dit te veranderen?
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat servers in Nederland worden gebruikt voor het hosten van websites waarop strafbaar materiaal wordt verspreid en welke wettelijke instrumenten bestaan er om hostingproviders te verplichten deze content te verwijderen of servers offline te halen?
Welke bevoegdheden heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) en worden die als voldoende beoordeeld?
Deelt u de opvatting dat individuele gebruikers die strafbare content plaatsen moeten worden opgespoord en vervolgd?
In hoeverre beschikken politie en Openbaar Ministerie over voldoende capaciteit, technische expertise en juridische mogelijkheden om deze vormen van online seksueel geweld effectief op te sporen en te vervolgen? Kunt u dit cijfermatig onderbouwen?
Welke rol ziet u voor hostingbedrijven en datacenters bij het voorkomen van misbruik van hun diensten voor de verspreiding van strafbaar materiaal en welke consequenties ervaren zij bij het verspreiden van deze mensonwaardige troep?
Hoe wordt voorkomen dat slachtoffers opnieuw worden geschaad, bijvoorbeeld doordat beelden langdurig online blijven staan of telkens opnieuw worden gedeeld?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te verkennen, zoals verscherpt toezicht op hosting van risicovolle content, snellere blokkadebevoegdheden of zwaardere sancties voor nalatige dienstverleners?
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat over mensenhandel en prostitutie op 20 mei 2026 informeren over eventuele vervolgstappen die u naar aanleiding van deze signalen overweegt?
De uitbraak van het Hantavirus |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u op dit moment de ernst en het potentiële risico van het Hantavirus voor de volksgezondheid?
Zou u uiteen kunnen zetten hoe momenteel de prevalentie van het Hantavirus in Nederland concreet wordt gemonitord? Welke methodologieën worden daarbij toegepast?
Heeft u reeds de verschillende mogelijke methodologieën om de besmettingen met en de verspreiding van het Hantavirus te monitoren in kaart gebracht en/of externe expertise ingewonnen om deze methodologieën in kaart te brengen?
Welke methodologieën passen andere landen reeds toe?
Zijn er op dit moment meerdere varianten van het Hantavirus in omloop? Zo ja, welke varianten betreft het en in welke regio’s of landen worden deze vastgesteld?
Kunt u de laatste stand van zaken geven van de wetenschappelijke kennis met betrekking tot de besmettelijkheid van de verschillende varianten?
Welke cruciale kennis ontbreekt momenteel nog? Laat u bijkomend onderzoek uitvoeren naar die ontbrekende kennis?
Bent u bekend met de casus van een Italiaanse man die in het ziekenhuis opgenomen werd met symptomen van het Hantavirus?1
Beschikt u over meer informatie of deze man in contact is gekomen met de Nederlandse vrouw die met eenzelfde KLM-vlucht wilde meereizen en even later aan de gevolgen van het Hantavirus overleed? Wordt hier nader onderzoek naar gevoerd?
Klopt het dat er aanwijzingen zijn dat bepaalde varianten van mens op mens overdraagbaar zouden kunnen zijn? Zo ja, wat is hierover bekend? Welke acties onderneemt u om hierover meer kennis te vergaren?
Hoe verloopt momenteel het bron- en contactonderzoek indien sprake is van een vermoedelijke of bevestigde besmetting?
Beschikt Nederland momenteel over voldoende capaciteit om, indien noodzakelijk, snel en effectief bron- en contactonderzoek uit te voeren en op te schalen?
Kunt u stap voor stap toelichten welke procedures in werking treden wanneer iemand besmet blijkt te zijn? Welke stappen moeten besmette mensen en hun omgeving doorlopen?
Welke behandelmogelijkheden zijn momenteel beschikbaar of in ontwikkeling voor besmette patiënten? Zijn die van toepassing op verschillende varianten van het virus?
Wordt gewerkt aan de ontwikkeling van vaccins of andere preventieve maatregelen om besmetting met het Hantavirus te voorkomen? Zo ja, welke rol speelt Nederland hierin?
Werkt Nederland op het vlak van vaccins samen met andere Europese landen en Europese instellingen? Zo ja, hoe ziet die samenwerking eruit?
Indien Nederland onderzoek naar vaccins mee financiert of faciliteert, welke voorwaarden zullen gesteld worden naar betaalbaarheid en beschikbaarheid van eventuele ontwikkelde vaccins?
Welke internationale maatregelen worden genomen naar aanleiding van de huidige uitbraak van het Hantavirus en op welke manier draagt Nederland daaraan bij?
Kunt u reflecteren op de huidige positie van het kabinet ten aanzien van het internationale pandemieverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)? In hoeverre verschilt de positie van dit kabinet ten aanzien van het pandemieverdrag van die van het vorige kabinet?
In welke mate monitort Nederland virusuitbraken en opkomende infectieziekten in andere landen om vroeg geïnformeerd te zijn van mogelijke gezondheidsrisico’s door ziektes die zich naar Nederland zouden kunnen verspreiden?
Welke bijdrage levert Nederland aan internationaal onderzoek om te voorkomen dat lokale uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises en om behandelingen of preventieve maatregelen voor dergelijke gezondheidsrisico’s te ontwikkelen?
Kunt u reflecteren op de staat van de wereldwijde pandemische paraatheid en de gevolgen daarvan voor gezondheidsrisico’s in Nederland, inclusief Caraïbisch Nederland?
Welke rol ziet deze regering voor zichzelf in de versterking van mondiale samenwerking op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid?
Bent u bekend met het bericht «Van vrouwenmars tot kindermars: wat de asielprotesten zeggen over de normalisering van extreemrechts»?1
Deelt u de zorgen dat rechts-extremistische groepen bewust maatschappelijke onrust proberen aan te wakkeren rondom asielopvang om hun extreemrechtse ideologie breder te verspreiden?
Welke signalen zijn bij u bekend over de betrokkenheid van extreemrechtse groeperingen bij lokale protesten tegen asielzoekerscentra?
Klopt het beeld dat sprake is van rondreizende rechts-extremisten die asieldemonstraties laten escaleren, vernielingen plegen en politieagenten belagen?
Kunt u inzichtelijk maken welke verschillende rechts-extremistische groepen aanwezig zijn bij dit soort protesten?
Is bekend of er afstemming tussen de verschillende rechts-extremistische groepen plaatsvindt, of dat zij geïsoleerd van elkaar handelen?
Zijn de individuele leden van deze groepen in beeld, en is daarbij een overlap te zien van lidmaatschap van meerdere rechts-extremistische groepen?
In hoeverre worden leden van deze groepen die zich misdragen tijdens demonstraties opgespoord en veroordeeld? Is de pakkans hierbij hoog genoeg volgens u?
Op welke manier kunnen rechts-extremistische leden van groepen die eerder zijn veroordeeld voor (het aanzetten tot) geweld, vernielingen en agressie bij protesten geweerd worden van toekomstige georganiseerde acties waarbij ordeverstoring en geweld de bovenhand voeren, en vreedzaam demonstreren ver te zoeken is?
Welke preventieve maatregelen kunnen extra worden genomen te voorkomen dat dergelijke rondtrekkende rechts-extremistische groepen de lokale demonstraties gijzelen?
Welke rol spelen online platforms en Telegramgroepen volgens u bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten?
Bent u bereid te onderzoeken of sprake is van landelijke coördinatie tussen extreemrechtse actiegroepen die actief zijn bij lokale asielprotesten?
In hoeverre kunnen uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed onder de huidige wetgeving strafbaar zijn, ook wanneer deze verhuld plaatsvinden?
Welke maatregelen worden genomen om burgemeesters en lokale driehoeken beter te kunnen ondersteunen bij demonstraties waarbij signalen bestaan van radicalisering, geweld en intimidatie?
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de NCTV dat het niet expliciet benoemen van rechts-extremistische motieven kan bijdragen aan verdere normalisering van extremistisch gedachtegoed?
Hoe wordt voorkomen dat inwoners met oprechte zorgen over het plaatsen van asielzoekers worden meegezogen in rechts-extremistische of antidemocratische bewegingen?