Het artikel 'Rijk verbiedt gemeenten om eigen maatregelen te nemen tegen staalslakken' |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rijk verbiedt gemeenten om eigen maatregelen te nemen tegen staalslakken»?1
Ja.
Klopt het dat het ministerie gemeenten heeft opgedragen bestaande lokale verboden, toepassingsregels of vergunningplichten terug te draaien? Zo ja, op basis van welke juridische analyse is dit standpunt gebaseerd? Valt dit niet onder de beleidsvrijheid van gemeenten? Of de plicht van overheden om burgers tegen vermijdbare risico’s te beschermen?
Eind december 2025 is het Circulair Materialenplan (CMP) in werking getreden en is er door IenW een brief gestuurd aan bevoegde gezagen en de Omgevingsdiensten. Deze brief had als doel om decentrale overheden te informeren over de inwerkingtreding van het CMP. Naar aanleiding van deze brief en berichtgeving in de media is er verwarring ontstaan over de bevoegdheid van decentrale overheden om op lokaal niveau aanvullende maatregelen voor het toepassen van staalslak en andere secundaire bouwstoffen te treffen. Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de juridische verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving.
Ik heb dit recent ook verder toegelicht in de Kamerbrief van 13 maart jongstleden.2
Hoe verhoudt dit verbod om de eigen inwoners tegen gezondheidsschadelijke vervuiling te beschermen, zich tot de actuele kennis over de risico’s van staalslakken voor mens en milieu, zoals onder meer blijkt uit rapportages van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Algemene Rekenkamer?
Op basis van diverse onderzoeksrapporten, zoals rapportages van het RIVM, de ILT en de Algemene Rekenkamer is op 23 juli 2025 de tijdelijke regeling staalslak (pauzeknop) ingesteld. Deze regeling verbiedt het toepassen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20% staalslak op of in de landbodem in een laagdikte van meer dan 0,5 meter of op locaties waar direct oog-, mond- of huidcontact mogelijk is. Daarnaast is er een vergunningplicht ingevoerd voor het toepassen op of in de landbodem, voor zover deze niet onder het verbod vallen. De regeling geldt ten minste tot en met juli 2026 met een mogelijke verlenging tot januari 2027. Met deze landelijke regeling worden decentrale overheden ontlast en is het op dit moment niet nodig om voor de nieuwe toepassingen van staalslak die onder dit verbod of vergunningplicht vallen maatwerkregels of voorschriften in te stellen. Voor toepassingen die niet onder de reikwijdte van de regeling vallen (bijvoorbeeld toepassingen in oppervlaktewater) is maatwerk wel mogelijk.
Bent u bekend met de overweging van gemeenten om juist vanwege concrete lokale problemen en gezondheidsklachten, strengere regels te willen stellen voor het gebruik van staalslakken? Wat is uw reflectie hierop?
Het is mij bekend dat verschillende gemeenten maatregelen treffen en hebben getroffen voor het toepassen van secundaire bouwstoffen, waaronder staalslak. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het staat bevoegde gezagen vrij om gemotiveerd lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu. Het doel van de tijdelijke regeling was om gemeenten hierin te ontlasten door op landelijk niveau voor staalslak een pauzeknop in te drukken.
Hoe verhoudt het standpunt, dat gemeenten geen generieke verboden mogen stellen, zich tot de tijdelijke stop op bepaalde toepassingen van staalslakken die het kabinet zelf heeft ingesteld vanwege gezondheidsrisico’s?
Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de juridische verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag. Zie ook het antwoord op vraag 2. Verder is in de antwoorden op vragen 3 en 4 aangegeven dat de tijdelijke regeling tot doel heeft decentrale overheden te ontlasten. In de toelichting op deze regeling is dat ook aangegeven door erop te wijzen dat het voor lokale overheden door de regeling niet meer nodig is om de bestaande bevoegdheden tot het stellen van maatwerkregels of-voorschriften in te zetten.3 Ook op het Informatiepunt Leefomgeving is een passage gewijd aan de verhouding van decentrale regels tot de tijdelijke regeling.4
Wilt u reflecteren op de stelling dat door generieke verboden te verbieden voor gemeenten, het praktisch onmogelijk wordt voor gemeenten vanwege gebrek aan middelen, capaciteit, afdoende kennis om de gezondheid van hun inwoners goed te beschermen? Denkt u dat gemeenten, aannemers of het milieu er beter bij gebaat zijn als elke lading apart moet worden getest op schadelijke stoffen en aparte toepassingsregels krijgt?
Het CMP roept enkel op om per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging te maken en geen generieke lokale beperkingen in te stellen op de toepassing van secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen in wet- en regelgeving. Een generieke beperking belemmert de afzet van secundair materiaal – en daarmee de transitie naar een circulaire economie – en het leidt tot een ongelijk speelveld in Nederland. Het staat bevoegde gezagen echter vrij om gemotiveerd af te wijken op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu.
Deelt u de mening dat gemeenten een verantwoordelijkheid hebben voor de bescherming van de gezondheid van hun inwoners en daarom ruimte moeten hebben om lokaal aanvullende maatregelen te nemen wanneer zij risico’s signaleren en het Rijk in gebreke blijft door niet tijdig effectieve regels en maatregelen te treffen?
Ja, de bevoegdheid tot het vaststellen van maatwerkregels en -voorschriften is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (afdeling 2.5). Hierbij kan worden afgeweken van de regels voor milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten in het Bal, tenzij anders is bepaald (artikel 2.12, tweede lid). Voor de milieubelastende activiteiten «toepassen van bouwstoffen en grond» bevat het Bal geen beperking. Wel is het zo dat maatwerk alleen mogelijk is met het oog op de belangen die zijn genoemd in artikel 2.2 van het Bal, waaronder het beschermen van gezondheid en milieu. Het is aan decentrale overheden zelf om hierin een afweging te maken.
Hoe verhoudt uw instructie aan gemeenten zich tot de motie van het lid Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428), waarin de regering werd verzocht om strengere regels voor het gebruik van staalslakken te onderzoeken en risico’s beter te beperken?
De motie van lid Teunissen verzoekt de regering om op basis van het voorzorgsbeginsel het gebruik van LD-staalslak te stoppen totdat alle onderzoeken rond zijn. Met de inwerkingtreding van de tijdelijke regeling staalslak op 23 juli 20255 is invulling gegeven aan deze motie. De oproep in het CMP doet op geen enkele manier afbreuk aan de ingestelde regeling.
Hoe verhoudt deze instructie voor gemeenten zich tot de motie van de leden Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343), waarin de regering werd verzocht om aanvullende maatregelen te nemen rond het gebruik van staalslakken en de relatie tot de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Zoals door de vorige Staatssecretaris aangegeven bij de appreciatie van de genoemde motie staat het zowel het kabinet als het parlement vrij om beleid te maken en wetten aan te passen, los van welke privaatrechtelijke afspraak dan ook. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag, zoals toegelicht in de antwoorden op vragen 2 en 3, staan eveneens los van welke privaatrechtelijke afspraak dan ook.
Wilt u reflecteren op de stelling dat het belang van de afzetmarkt voor secundaire bouwstoffen, zoals in de brief wordt benoemd, zwaarder telt dan de gezondheid van mens en milieu?
Een doel van dit kabinet is om de circulaire economie te bevorderen en daarbij een veilige, verantwoorde toepassing te borgen. Gezondheid en milieu zijn integraal onderdeel van de doelen van de circulaire economie. Dit is ook neergelegd in artikel 2.2 van het Bal, waarin niet alleen het beschermen van gezondheid en milieu zijn genoemd, maar ook het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen. Deze belangen moeten hand in hand met elkaar gaan.
Is over de inhoud van deze brief of het doel van deze instructie contact geweest met (vertegenwoordigers van) Tata Steel of afnemers van staalslakken van Tata Steel? Zo ja, wat was de inhoud van dat contact? Kunt u eventuele correspondentie en gespreksverslagen met de Kamer delen?
Nee, er is daarover geen contact geweest met genoemde partijen.
Klopt het dat er een financiële prikkel is om staalslakken te gebruiken in de vorm van dat als staalslakken afgenomen worden van Tata Steel, de afnemers geld krijgen daarvoor? Hoe ziet deze afzetmarkt eruit rondom de financiële prikkel? Waar ligt dan de grens tussen afval en grondstof?
Het klopt dat voor sommige toepassingen een negatieve prijs geldt. In dat geval krijgt de aannemer geld toe van de leverancier. Als het meegeven van geld aan aannemers aantoonbaar en structureel zou leiden tot een volgens de regels onjuiste of overmatige, niet-functionele toepassing, dan is er reden om op dát aspect aan te grijpen. Dit is namelijk niet toegestaan (artikel 4.1261 Bal). Dit wordt ook aangegeven in een rapport, opgesteld door Drift en Tauw, dat ook in de verzamelbrief Circulaire Economie van juni 2024 met de Kamer is gedeeld.6
Het rapport stelt dat enkel door het gegeven van een negatieve prijs (die geldt op het punt waarop de bouwstoffen uit de poort van de verwerker gaan) niet geconcludeerd kan worden dat er een prikkel is tot overmatig toepassen van materiaal. De transportkosten van staalslak vormen namelijk een belangrijk onderdeel van de totale kosten van de bouwstof. Omdat staalslak slechts op één locatie in Nederland geproduceerd wordt, is de reële prijs in de praktijk vaak positief en zijn de transportkosten hoger dan de vergoeding die de afnemer ontvangt voor de staalslakken. Daarmee heeft de afnemer op dat moment geen prikkel meer om meer af te nemen dan strikt noodzakelijk is voor het project.7
Met betrekking tot de grens tussen afval en grondstof, zijn de definities van de begrippen afvalstof, bijproduct en einde-afvalstof neergelegd in art. 1.1 Wet milieubeheer van belang. Op basis van deze definities moet worden bepaald of staalslakken afvalstoffen zijn of niet. Dat moet per geval worden bepaald. Een van de voorwaarden die bij de toepassing van staalslak als bouwstof moet zijn vervuld is dat het gebruik voldoet aan de hiervoor geldende wettelijke kaders, waaronder de eis dat geen grotere hoeveelheid mag worden toegepast dan functioneel nodig is voor het werk. Is niet aan deze voorwaarde voldaan (en dit moet per individuele situatie worden beoordeeld), dan kan er geen sprake zijn van een bijproduct of einde-afval.
Hoe ziet u de rol van het ministerie in het faciliteren en zelfs afdwingen van een afzetmarkt voor het afval van Tata Steel en de verplichting van de overheid om de gezondheid van mens en milieu te beschermen?
Secundaire bouwstoffen zijn afkomstig van afvalstoffen en reststromen van productieprocessen die op basis van wettelijke voorwaarden geschikt zijn of kunnen worden gemaakt om op een verantwoorde wijze als bouwstof te worden gebruikt. Ze zijn dan geen afvalstof meer, maar einde-afval of bijproduct. De regels voor afvalverwerking staan in de Wet Milieubeheer (Wm) en het Circulair Materialenplan (CMP) en de regels voor toepassing als bouwstof liggen op basis van de Omgevingswet en de Wm vast in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Door recycling en voorbereiding voor hergebruik, aanpassing van productieprocessen en vervolgens het gebruik van secundaire materialen kan winning en gebruik van primaire grondstoffen, zoals zand en grind, worden voorkomen. Bevorderen van efficiënt grondstofgebruik en het beschermen van de natuurlijke hulpbronnen in verband met de overgang naar een circulaire economie is een van de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Afval (Kra). De Kra stelt ook als doel en randvoorwaarde dat de menselijke gezondheid en het milieu moeten worden beschermd.
Kortom – het is in het kader van grondstoffenefficiëntie goed als afvalstoffen of reststromen van productieprocessen kunnen worden ingezet als secundaire bouwstof, maar dit moet wel veilig gebeuren. Deze belangen moeten hand in hand gaan.
Hoeveel gemeenten hebben een generiek verbod ingevoerd en hoeveel hebben andere aanvullende regels opgesteld? Worden alle aanvullende regels nu verboden? Hoe gaat u optreden tegen gemeenten die dit weigeren?
Er is geen totaalbeeld beschikbaar. Pas sinds de inwerkingtreding van het CMP geldt op grond van artikel 10:14, vierde lid, van de Wet milieubeheer dat decentrale overheden IenW moeten informeren wanneer zij afwijken van het CMP. Op basis van deze verstrekking plicht zijn er drie meldingen ontvangen. Als reactie op de ontvangen meldingen sturen we een niet-bindend advies. Het staat bevoegde gezagen vrij hiervan af te wijken met een motivering in het uiteindelijke besluit.
Deelt u de mening dat het beperken van de ruimte voor gemeenten om maatregelen te nemen haaks kan staan op de bedoeling van de Kamer en de aangenomen moties hierover, de autonomie van gemeenten en de zorgplicht van de overheid om te zorgen voor een gezonde leefomgeving voor haar inwoners?
Ja, deze mening deel ik. Ik heb toegelicht dat hiervan geen sprake is.
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in alle correspondentie van het ministerie met gemeenten, provincies en omgevingsdiensten over het terugdraaien van lokale beperkingen op staalslakken?
Hiervan is geen sprake geweest. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid uw staalslakkenverbodverbod aan te houden, zolang de onderzoeken naar de risico’s nog niet zijn afgerond en de landelijke regels nog niet zijn aangescherpt?
Zoals ook in de brief van 21 juli 20258 waarin de tijdelijke regeling werd aangekondigd is beschreven geldt de regeling in beginsel voor een jaar en kan maximaal met een half jaar worden verlengd (artikel 23.6a Omgevingswet). De regeling is een pas op de plaats om grip te krijgen op de huidige situatie en veilige toepassingen van staalslak te kunnen borgen. In deze periode wordt onderzoek gedaan om een beter beeld te krijgen van de risico’s om vervolgens de benodigde structurele maatregelen te kunnen nemen voor een verantwoorde toepassing na de periode van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en over de opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Kunt u de Kamer informeren op hoeveel locaties in Nederland meldingen zijn geweest van milieuschade of gezondheidsklachten?
Er bestaat geen totaalbeeld van het aantal meldingen of incidenten. In 2025 heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een onderzoek uitgevoerd naar grootschalige toepassingen met toepassingslagen dikker dan 0,5 meter van de LD-staalslak. Het rapport is op 27 oktober gepubliceerd.9 De ILT heeft 26 locaties onderzocht, waarvan op 23 locaties LD-staalslak is toegepast. Van deze 23 locaties zijn op 19 locaties milieueffecten geconstateerd.
Welke stappen zijn er sinds het instellen van het tijdelijke landelijke verbod op het gebruik van staalslakken gezet om tot strengere regels of betere bescherming van mens en milieu te komen? Wanneer kan de Kamer nieuwe wetgeving verwachten?
Gedurende de looptijd van de tijdelijke regeling wordt onderzoek gedaan om een beter beeld te krijgen van de risico’s van het toepassen van staalslak. Verder is een aantal scenario’s uitgewerkt voor de opvolging van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Wat gebeurt er wanneer het tijdelijke verbod afloopt en op basis van welke criteria wordt besloten of het gebruik van staalslakken weer wordt toegestaan?
Zoals hierboven aangegeven is er een aantal scenario’s uitgewerkt voor de opvolging van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
De aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media, waaronder ook minderjarigen? Wat is uw appreciatie van de ernst en omvang van deze zaak?1
Ja.
Zoals onderstreept in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) blijven de zorgen over het jihadistische online milieu onverminderd groot.2 Met name de snelle online radicalisering van een nieuwe generatie jongeren wordt daarin als zorgwekkend aangemerkt.
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik geen nadere uitspraken doen.
Hoe duidt u deze aanhoudingen in het licht van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met name waar het gaat om online radicalisering van jongeren en de rol van sociale media?
De aanhoudingen kunnen passen in het beeld zoals onder meer geschetst in het meest recente DTN. Op openbare sociale media, in besloten chatgroepen en op gaming-platformen komen individuen buiten het zicht van ouders, leerkrachten of leeftijdsgenoten gemakkelijker en op jongere leeftijd dan voorheen in aanraking met extremistisch gedachtegoed. Door sociale media hoeven gebruikers niet altijd naar extremistische content te zoeken, maar kunnen zij ook onbedoeld en zonder ideologische motivatie met deze content in aanraking komen. Daarnaast kunnen zij onderdeel worden van online netwerken van gelijkgestemden, waar zij soms zelf extremistische content produceren en verspreiden, hetgeen weer bijdraagt aan de radicalisering van anderen.
De jonge leeftijd van een aantal verdachten past in het bredere beeld dat steeds meer terrorismeverdachten minderjarig zijn en (online) geïnspireerd raken door onder andere de Islamitische staat (ISIS). De geografische spreiding van de verdachten laat verder zien dat fysieke nabijheid geen vereiste is voor samenwerking. Online platformen maken het mogelijk dat terroristische netwerken ontstaan die gemeente- en regiogrenzen overstijgen.
Deelt u de opvatting dat online jihadistische propaganda en rekrutering via sociale media een structurele dreiging vormen voor de nationale veiligheid?
Het gedachtegoed van ISIS is online eenvoudig toegankelijk en wijdverspreid. Jihadistische propaganda, jihadistische groepen en netwerken bevinden zich op verscheidene online platformen. Deze online aanwezigheid zorgt ervoor dat het jihadistische gedachtegoed in stand blijft, hetgeen leidt tot nieuwe aanwas van jihadisten en het mogelijk vergroten van de actiebereidheid bij hen. Bovendien is de omvang van jihadistische online propaganda de laatste jaren sterk toegenomen. Het is lastig om zicht krijgen op de totale omvang van deze propaganda, omdat zij soms verstopt is op minder toegankelijke kanalen zoals besloten chatgroepen.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AVID) heeft in de open publicatie «Een web van haat» uit 2025 eerder benoemd dat de brede online beschikbaarheid en toegankelijkheid van extremistische en terroristische propaganda zeer waarschijnlijk bijdraagt aan een blijvende jihadistische dreiging.3 Daarnaast onderschrijft de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) dat online radicalisering onder jihadistische jongeren een groeiend probleem is in Nederland en in Europa.4 In de afgelopen jaren heeft deze radicalisering van jonge jihadisten in Nederland echter nog niet geleid tot een daadwerkelijke geweldsdaad in Nederland: aanslagplannen kwamen niet tot uitvoer of autoriteiten wisten voornemens tot een aanslag tijdig te onderkennen. Desondanks kunnen uit online contacten op termijn ook jihadistische netwerken ontstaan die een terroristische dreiging kunnen vormen.
Klopt het dat extremistische netwerken in toenemende mate gebruikmaken van codetaal, symboliek en andere verhullende communicatie om detectie door platforms en opsporingsdiensten te omzeilen, en hoe beoordeelt u de weerbaarheid van de huidige aanpak hiertegen?
Terroristische en extremistische groepen en netwerken maken in hun online propaganda vaak gebruik van verhullende communicatie om detectie door opsporingsdiensten en online platformen te omzeilen. Ze gebruiken daarbij codetaal, symboliek, zogenoemde «hondenfluitjes» of humor, verwerkt in memes, afbeeldingen, video’s en games. Op deze manier kunnen extremistische boodschappen op grote platformen worden verspreid en een breder publiek bereiken. Naarmate contentmoderatie strenger wordt, neemt ook de mate van verhulling toe.
Er wordt continu gewerkt aan het verbeteren van detectiemechanismen en het in kaart brengen van nieuwe uitingsvormen van terroristische online content.
Daarnaast zijn hostingbedrijven en online platformen verplicht zorgvuldig om te gaan met de content die zij aanbieden. Zo legt de Digital Services Act (DSA) voor zeer grote online platformen (VLOPs) zorgvuldigheidsverplichtingen op met betrekking tot de inrichting van hun platform en de content die daarop wordt gehost of verspreid. De DSA verplicht platformen om transparantie te bieden over de moderatie die zij verrichten, en de wijze waarop. Zo moeten zij onder meer rapporteren over de moderatie die zij hebben verricht en de geautomatiseerde middelen die daarbij eventueel zijn toegepast. Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat platformen hun verplichtingen nakomen, onder meer door samenwerking met Europese partners te intensiveren en door in de structurele dialoog met de online platformen hiervoor aandacht te vragen.
In hoeverre zijn sociale-mediaplatforms naar uw oordeel momenteel daadwerkelijk in staat om terroristische propaganda tijdig te detecteren en te verwijderen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van omzeilingstechnieken?
Sociale mediaplatformen kunnen problemen ondervinden bij het tijdig detecteren en verwijderen van terroristische propaganda wanneer omzeilingstechnieken worden gebruikt. Zoals aangegeven in antwoord 4 maken terroristische en extremistische groepen en netwerken vaak gebruik van verhullende communicatie om moderatie-inspanningen te omzeilen. Het blijft dan ook van belang dat sociale mediaplatformen oog houden voor nieuwe omzeilingstechnieken en investeren in moderatie kwaliteit en in kennis. Hoewel platformen zoals TikTok en de Meta-diensten (Instagram) geavanceerde AI inzetten voor de detectie van ernstige schendingen, blijkt de handhaving in de praktijk vaak inconsistent en traag. Dit is omdat deze geautomatiseerde systemen nog steeds moeite hebben met de contextuele en culturele nuances van de steeds veranderende codetaal. Bovendien belemmert de architectuur van gepersonaliseerde-algoritmen de moderatie, omdat gebruikers content te zien krijgen die aansluit bij hun interesses, waardoor zij minder snel geneigd zijn om propaganda te rapporteren.
In Nederland geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) uitvoering aan de Verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI-verordening) en is bevoegd om terroristische content te detecteren en deze te laten verwijderen of ontoegankelijk te laten maken. De ATKM streeft ernaar om in samenwerking met de platformen moderatie van terroristische online content verder te verbeteren en spreekt hen aan wanneer zij naar haar oordeel meer kunnen doen. Waar nodig zet zij hierbij verwijderingsbevelen en haar handhavingsinstrumentarium in.
Welke concrete verplichtingen hebben platforms onder Nederlandse en Europese regelgeving om terroristische content actief op te sporen en te verwijderen, hoe wordt toezicht gehouden op de naleving daarvan en welke sancties volgen bij nalatigheid?
Bij de bestrijding van illegale content ligt de nadruk in de huidige wet- en regelgeving vooral op het verwijderen of tegengaan van de content zelf. Zo bevat het huidige wettelijke instrumentarium, zoals de TOI-verordening en de DSA, duidelijke verplichtingen voor de bestrijding van terroristische en andere illegale content op online platformen.
De ATKM heeft op grond van de TOI-verordening primair tot taak terroristische online-inhoud te identificeren en het ontoegankelijk maken van online terroristische online-inhoud af te dwingen.
Indien terroristische online-inhoud is geïdentificeerd, vaardigt de ATKM een verwijderingsbevel uit aan de aanbieder van hostingdiensten waar de terroristische online-inhoud wordt gehost. De ATKM kan een verwijderingsbevel uitvaardigen aan alle aanbieders van hostingdiensten die hun diensten aanbieden in de Europese Unie. Hierop heeft de aanbieder van hostingdiensten één uur de tijd om deze inhoud te verwijderen óf de toegang daartoe in alle EU-lidstaten te blokkeren. De ATKM houdt scherp toezicht op deze 1-uurs termijn. In vrijwel alle gevallen hebben internetbedrijven hieraan opvolging gegeven.5
Wanneer een verwijderingsbevel niet (tijdig) door een aanbieder van hostingdiensten wordt nageleefd, kan de ATKM een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. Indien een aanbieder systematisch of aanhoudend de verwijderingsbevelen niet naleeft, is het wettelijk maximum boetebedrag € 1.100.000 of, indien dat meer is, ten hoogste 4% van de mondiale omzet van de onderneming.
Wanneer een in Nederland gevestigde aanbieder van hostingdiensten twee of meer definitieve verwijderingsbevelen heeft ontvangen kan de ATKM besluiten dat deze aanbieder is blootgesteld aan terroristisch online inhoud. De aanbieder dient dan onder andere aanvullende specifieke maatregelen te nemen om zijn diensten te beschermen tegen de verspreiding van terroristisch online inhoud. De aanbieder kiest zelf welke specifieke maatregelen hij hiervoor treft en rapporteert hierover aan de ATKM.6
De verplichtingen onder de DSA zijn gelaagd en afhankelijk van de omvang van de dienst. Online platformen moeten op grond van artikel 16 beschikken over een gebruiksvriendelijk meldsysteem voor illegale inhoud. Bij een vermoeden van een strafbaar feit dat het leven of de veiligheid van een persoon bedreigt, moeten zij volgens artikel 18 de opsporingsdiensten informeren. Daarnaast moeten meldingen van trusted flaggers op basis van artikel 22 met voorrang worden behandeld.
Voor VLOPs gelden strengere eisen. Zij moeten volgens artikel 34 systemische risico’s rond de verspreiding van illegale content analyseren en op grond van artikel 35 passende maatregelen nemen. Bij ernstige nalatigheid kunnen op grond van artikel 52 boetes tot 6% van de wereldwijde jaaromzet worden opgelegd. Ook moeten VLOPs de mogelijke risico’s voor bijvoorbeeld de openbare veiligheid analyseren en beperken, bijvoorbeeld door algoritmische versterking te verminderen of gebruikers naar hulpinstanties te verwijzen. De Europese Commissie houdt toezicht op deze verplichtingen.
Erkent u de noodzaak om het instrumentarium voor bindende verwijderbevelen, blokkades of andere interventies te versterken wanneer platforms er niet in slagen om terroristische propaganda effectief tegen te gaan?
Het wettelijk instrumentarium, zoals de DSA en de TOI-verordening, biedt mogelijkheden om op te treden tegen onveilige online omgevingen. Zo is in het kader van voorgenoemde wetten een opbouw van handhavingsmogelijkheden voorzien.
Wat betreft de manier waarop er gehandhaafd kan worden onder de TOI-verordening door de ATKM verwijs ik u graag naar het uitgebreide antwoord op vraag 6. Om de doeltreffendheid en praktische effecten van de Uitvoeringswet TOI en de bevoegdheden van de ATKM te beoordelen, is in 2025 de evaluatie van deze wet gestart. Daarin wordt de juridische reikwijdte van verwijderbevelen onderzocht, waaronder de juridische mogelijkheid en wenselijkheid van bevoegdheden ten aanzien van «legal yet harmful» materiaal. In het najaar van dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de resultaten hiervan.
Daarnaast heeft Nederland in december 2025, samen met Duitsland en Frankrijk, de Europese Commissie opgeroepen om in samenspraak met onder andere online platformen een vrijwillige gedragscode op te stellen ter bestrijding van online radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme.7 De voorstellen voor de gedragscode richten zich op de bescherming van gebruikers van online platformen, het delen van signalen van online radicalisering, en het tegengaan van zogeheten «platform migratie» waarbij (geblokkeerde) gebruikers (telkens) naar andere platformen uitwijken (en accounts op nieuwe platformen openen).
De DSA biedt ruimte voor de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de Nederlandse toezichthouder, en de Europese Commissie om handhavend op te treden bij niet-naleving van de verplichtingen uit de verordening. De verordening laat in een uiterst geval en onder voorwaarden ruimte voor de toezichthouder om de rechter te verzoeken de toegang tot een dienst tijdelijk te beperken wanneer sprake is van een voortdurende inbreuk die neerkomt op een strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid van personen wordt bedreigd. De Europese Commissie kan VLOPs dwingende maatregelen opleggen en boetes uitdelen wanneer zij systemische risico's onvoldoende mitigeren.
In 2027 vindt de evaluatie van het effect en doeltreffendheid van de DSA plaats. Om dit instrumentarium verder te versterken, zal Nederland een actieve rol spelen in deze evaluatie en ons inzetten voor verdere aanscherping van regels waar dat wenselijk en mogelijk is. Daarbij richten wij ons niet alleen op de aanpak van illegale en schadelijke content, maar nadrukkelijk ook op het gebrek aan transparantie en de werking van schadelijke algoritmen. Deze inzet sluit aan bij de doelstellingen uit het coalitieakkoord. Zo zal het kabinet zich inzetten om sociale media veiliger te maken door middel van strenger toezicht op platformen en transparantie over algoritmen, en effectieve handhaving tegen illegale content. In de komende periode zal worden bezien op welke wijze hier nadere invulling aan kan worden gegeven.
Kunt u, voor zover het onderzoek dat toelaat, inzicht geven in de nationaliteiten en verblijfsstatussen van de verdachten, en aangeven in hoeverre er sprake is van banden met jihadistische conflictgebieden zoals Syrië?
Zoals het Openbaar Ministerie naar buiten heeft gebracht, zijn er verspreid over negen politie-eenheden in totaal zestien verdachten aangehouden. Volgens het Openbaar Ministerie hebben dertien verdachten de Syrische nationaliteit en drie verdachten de Nederlandse nationaliteit. Het kabinet doet geen uitspraken over individuele verblijfsstatussen of andere persoonsgegevens van de verdachten.
Indien verdachten recente banden hebben met of afkomstig zijn uit jihadistische conflictgebieden, hoe wordt dit betrokken in de dreigingsanalyse en geeft dit aanleiding om aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen?
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik geen uitspraken doen.
De NCTV houdt de ontwikkelingen omtrent de jihadistische dreiging nauwlettend in de gaten en rapporteert daarover in het DTN. Ook wordt voortdurend bezien of de huidige aanpak voldoende handvatten biedt of dat aanscherping van maatregelen nodig is.
Welke preventieve maatregelen worden ingezet om jongeren te beschermen tegen online radicalisering en rekrutering, en hoe wordt de samenwerking met gemeenten, onderwijs en ouders hierbij vormgegeven?
De lokale aanpak vormt een essentieel onderdeel van de kabinetsinzet tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, waarbij altijd sprake is van maatwerk. Met name waar het jongeren betreft is het belang van effectieve vroegsignalering groot en dergelijk maatwerk vereist – een noodzaak die ook door de AIVD is benadrukt in haar publicatie «Een web van haat».8 Hierbij is een grote rol weggelegd voor preventie, bijvoorbeeld door het bevorderen van digitale weerbaarheid van jongeren, het ondersteunen van ouders en het trainen van (lokale) professionals zoals jeugdwerkers en leerkrachten om mogelijke signalen van (online) radicalisering vroegtijdig te herkennen.
Het versterken van digitale weerbaarheid is een belangrijke pijler binnen de preventieve aanpak van online radicalisering9, waarbij passende en effectieve interventies op lokaal niveau van groot belang zijn. Op dit gebied werk ik intensief samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), waaronder bij het toekennen van de Versterkingsgelden aan gemeenten. Vanuit de Versterkingsgelden worden diverse lokale interventies ondersteund die bijdragen aan het versterken van de digitale weerbaarheid van jongeren, zoals lessen op school over mediawijsheid en online jongerenwerk. SZW zet daarnaast ook op lokaal niveau preventief in op het versterken van bewustwording, kennisontwikkeling en -deling en samenwerking van professionals op het thema online radicalisering.10 De NCTV heeft de Expertise-Unit Sociale Stabiliteit in 2025 en 2026 gevraagd met regionale advisering de lokale aanpak te ondersteunen, met als doel duurzame netwerken tussen lokale professionals op te bouwen ter bevordering van lokale preventie en deskundigheidsbevordering. Tevens is de aansluiting tussen zorg- en veiligheidspartners een aandachtspunt. Daarbij is een extra focus aangebracht voor de aanpak van snelle online radicalisering van jongeren door jongerenwerkers, onderwijzers, ouders en jongeren, en hoe deze aanpak zelf kan worden vormgegeven door inzet op online veiligheid en digitale weerbaarheid.
Tot slot is het van groot belang dat (lokale) professionals uit het sociaal-, onderwijs-, zorg- en veiligheidsdomein over de juiste kennis en handvatten beschikken om signalen vroegtijdig te herkennen zodat hierop effectief kan worden gehandeld. Het Rijksopleidingsinstituut tegen Radicalisering (ROR) werkt samen met gemeentes aan de deskundigheid van professionals door middel van kennisverspreiding en het versterken van vaardigheden en biedt diverse trainingen en workshops aan professionals, zoals een workshop «Online Radicalisering» of de serious game voor docenten genaamd «Botsende ideeën». Daarnaast biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en mensen die in hun privé omgeving te maken krijgen met (mogelijke) radicalisering of extremisme.
Ziet u verband tussen het aanwakkeren van online jihadisme en recente demonstraties waarbij uitingen zijn gedaan die terroristisch geweld verheerlijken dan wel legitimeren? Hoe wordt in zulke gevallen direct ingegrepen bij strafbare uitingen?
In algemene zin kunnen uitingen die online worden gedaan direct of indirect effect hebben in de fysieke wereld. Intolerante en gewelddadige boodschappen worden, met name door de komst van sociale media, razendsnel verspreid om de geesten van anderen ontvankelijk te maken voor terroristische denkbeelden. Als mensen online propaganda van terroristische organisaties voorgeschoteld krijgen, kan dat radicalisering in de hand werken en van invloed zijn op de wijze waarop deze personen zich gedragen in onze maatschappij, niet alleen online maar ook op straat, bijvoorbeeld bij bijeenkomsten of demonstraties.
Personen die online radicaliseren door veelvuldige blootstelling aan terroristische boodschappen kunnen hun intolerante gedachtegoed in de openbare ruimte uitdragen, bijvoorbeeld door terroristische misdrijven te verheerlijken of door steun te betuigen aan terroristische organisaties. Om deze verheerlijkende propaganda nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Uiteraard kan er op dit moment ook al strafrechtelijk worden opgetreden tegen strafbare uitingen die online of offline in het openbaar worden gedaan.
Op het moment dat er strafbare uitlatingen worden gedaan tijdens een demonstratie is het aan het Openbaar Ministerie als gezag om een afweging te maken of de politie moet ingrijpen. Het Openbaar Ministerie kan eveneens na een demonstratie ingrijpen door dan tot strafvervolging over te gaan. Deze afweging is aan het Openbaar Ministerie.
Welke maatregelen gaat u nemen om online radicalisering, rekrutering en terroristische propaganda krachtiger tegen te gaan? Bent u bereid de Kamer hier spoedig over te informeren?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om online radicalisering, extremisme en terrorisme aan te pakken – in het bijzonder waar het jongeren betreft. Er wordt voortdurend bezien of de huidige wet- en regelgeving toereikend is en er wordt stevig ingezet op preventie, bewustwording en samenwerking met lokale en internationale partners. In het voorjaar van 2026 zal ik in de volgende voortgangsbrief van de Versterkte Aanpak Online nader ingaan op de verdere ontwikkelingen in het tegengaan van online extremisme en terrorisme.
De kosten van het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat u gebruik heeft gemaakt van een privévlucht ter waarde van € 92.997 voor uw bezoek aan de Zr. Ms. Evertsen?1
Ja, er is gebruik gemaakt van een gecharterd vliegtuig.
Wanneer is het besluit genomen om dit bezoek op de betreffende datum te laten plaatsvinden?
In de dagen in aanloop naar dit bezoek is dit besluit genomen.
Is bij de planning van dit bezoek meegewogen terughoudend te zijn in verband met de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart?
De aanvang van de inzet van Zr. Ms. Evertsen en haar bemanning is leidend geweest bij de planning van dit bezoek.
Is overwogen het bezoek op een ander moment te plannen, zodat gebruik kon worden gemaakt van de Gulfstream, het regeringsvliegtuig of een lijnvlucht? Zo nee, waarom niet?
Bij het plannen van reizen wordt altijd gekeken naar verschillende opties, waaronder de mogelijkheden voor inzet van regeringstoestellen, gebruik van lijnvluchten of eventuele alternatieven. In dit geval was de Gulfstream niet beschikbaar in verband met inzet elders.
Voor dit type reis met complicerende aspecten – waaronder tijdigheid, de veiligheidssituatie en het militaire/operationele karakter van bepaalde reisbewegingen – was geen geschikte alternatieve lijnvlucht beschikbaar. Uiteindelijk is gekozen voor inhuur.
Was er sprake van een operationele noodzaak die verhinderde dat het bezoek naar een datum werd verplaatst waarop het regeringsvliegtuig, de Gulfstream of een lijnvlucht beschikbaar was?
Het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen vond ik van grote betekenis. Het zijn onze mensen die, vanuit een oefening, naar een kwetsbaar gebied afreizen voor een inzet die bijdraagt aan de Nederlandse vrede en veiligheid. Ik ben van mening dat het daarom cruciaal was om als Minister van Defensie zo snel mogelijk af te reizen om mijn waardering en steun te tonen aan de bemanning, ook namens het kabinet en de Kamer.
Waarom moest het bezoek binnen één dag plaatsvinden? Was het mogelijk geweest om het bezoek te spreiden of te combineren, waardoor gebruik van een lijnvlucht wel tot de mogelijkheden zou hebben behoord?
Bezoeken aan troepen worden kort gehouden om de inzet niet nodeloos te verstoren.
Kunt u de samenstelling van de delegatie nader specificeren en motiveren?
Onderdeel van de delegatie waren ikzelf als Minister, de commandant van het Commando Zeestrijdkrachten, de commandant van het Joint Force Command, twee adjudanten, een woordvoerder en een cameraman (en noodzakelijke beveiliging).
Heeft de prijs per persoon (€ 10.333) voor deze privévlucht een rol gespeeld bij het vaststellen van de omvang en samenstelling van de delegatie? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, op basis van welke criteria is de delegatie vastgesteld?
Nee. De delegatie is samengesteld zoals dat gebruikelijk is, waarbij gekeken wordt naar wie vanuit zijn/haar functie een toegevoegde waarde heeft bij het bezoek. Op basis daarvan wordt er bij de planning van reizen uiteraard rekening gehouden met de noodzakelijk omvang van de delegatie en de daarmee gemoeide kosten.
Zijn er eerder vergelijkbaar hoge kosten gemaakt voor het vervoer van een bewindspersoon naar uitgezonden Nederlandse militairen?
Een dergelijk bezoek en het incidenteel moeten aanwenden van een privétoestel is niet uniek voor bewindspersonen met een portefeuille die ook betrekking heeft op zaken buiten de landsgrenzen. Daarbij moet worden opgemerkt dat het maken van vergelijkingen tussen verschillende reizen complex is, zeker waar het reizen naar inzetgebieden betreft die gekenmerkt worden door specifieke operationele en veiligheidsomstandigheden.
Deelt u de opvatting dat bij dienstreizen met publieke middelen altijd de meest doelmatige en soberste reismogelijkheid gekozen moet worden? Voldoet het gebruik van een privévlucht ter waarde van € 92.997 voor een eendaags bezoek van enkele uren volgens u aan deze criteria?
Ik deel de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Tegelijkertijd zijn reizen soms van grote betekenis, waarbij ook niet-financiële aspecten zwaarwegend zijn. Dat geldt mijns inziens ook voor een troepenbezoek als dit, waarbij de betrokken militairen plotseling hebben moeten schakelen tussen een situatie waarin zij op oefening waren, naar een ernstinzet met alle risico’s van dien. Als eindverantwoordelijke wilde ik mijn dank en steun uitspreken, zoals ook past bij de rol van Minister van Defensie. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe bent u ambtelijk geadviseerd over onder andere de timing en de kosten van dit bezoek?
Zoals gebruikelijk is bij het plannen van reizen ben ik ambtelijk geadviseerd over mogelijkheden, waarbij de timing een van de aspecten is. Over de kosten ben ik vooraf niet geïnformeerd. Daar is een afweging gehanteerd passend bij een departement dat genoodzaakt is veel internationale reizen te maken.
Heeft u achteraf spijt van uw besluit om met een privévlucht ter waarde van € 92.997 af te reizen naar Cyprus?
Nee, ik heb geen spijt van het besluit om met een ingehuurde vlucht te vliegen. Zoals gezegd deel ik de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Tegelijkertijd vind ik dat dit bezoek cruciaal was om waardering en steun aan onze militairen over te brengen. Daar sta ik voor.
Kunt u al deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór maandag 30 maart?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Een privéjet voor Minister Yesilgöz van bijna 93.000 euro voor een ééndaags bezoek |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat voor een eendaags werkbezoek een privéjet is ingehuurd voor 92.997 euro?1
Ja.
Welke concrete noodzaak rechtvaardigde deze uitzonderlijk dure keuze? Welke alternatieven zijn onderzocht en wie heeft hiervoor toestemming gegeven?
Het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen vond ik van grote betekenis. Het zijn onze mensen die naar een kwetsbaar gebied afreizen voor een inzet die bijdraagt aan de Nederlandse vrede en veiligheid. Ik ben van mening dat het daarom cruciaal was om als Minister van Defensie zo snel mogelijk af te reizen met de verantwoordelijk commandanten om mijn waardering te tonen aan de bemanning, ook namens het kabinet en de Kamer.
Bij het plannen van reizen wordt altijd gekeken naar verschillende opties, waaronder de mogelijkheden voor inzet van regeringstoestellen, gebruik van lijnvluchten of eventuele alternatieven. In dit geval was de Gulfstream niet beschikbaar in verband met inzet elders.
Voor dit type reis met complicerende aspecten – waaronder tijdigheid, de veiligheidssituatie en het militaire/operationele karakter van bepaalde reisbewegingen – was geen geschikte alternatieve lijnvlucht beschikbaar. Uiteindelijk is gekozen voor inhuur.
Klopt het dat dit allemaal «volgens de regels» is gegaan, en zo ja, beseft u hoe totaal wereldvreemd dit overkomt op Nederlanders die hun energierekening en boodschappen nauwelijks nog kunnen betalen?
Ik deel de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Dat geldt uiteraard ook bij het maken van reizen. Reiskosten zijn altijd een factor die wordt meegewogen bij de planning van reizen en het kiezen van reisopties. Tegelijkertijd zijn reizen soms van grote betekenis, waarbij ook niet-financiële aspecten zwaarwegend zijn. Dat geldt mijns inziens ook voor een troepenbezoek als deze. Dit gaat om militairen die dezelfde Nederlanders veilig houden, die plotseling hebben moeten schakelen tussen een situatie waarin zij op oefening waren, naar een ernst-inzet met alle risico’s van dien. Als eindverantwoordelijke wilde ik mijn dank en steun uitspreken, zoals ook past bij de rol van Minister van Defensie.
Deelt u de mening dat deze bijna 93.000 euro beter besteed had kunnen worden aan de inzetbaarheid en ondersteuning van onze militairen, in plaats van aan een duur pr-moment voor de Minister?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Het bericht ‘Vertrek van beleggers uit woningbedrijf Vesteda leidt mogelijk tot verkoopgolf van huurwoningen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat grote beleggers, waaronder pensioenfonds ABP en verzekeraar Allianz, voor in totaal 4,1 miljard euro hun belangen willen afbouwen in woningverhuurder Vesteda? Wat is uw reactie hierop?1
Hoeveel huurwoningen zijn er in Nederland de afgelopen vijf jaar verdwenen als gevolg van uitponden door zowel particuliere als institutionele beleggers?
In hoeveel gemeenten bezit Vesteda woningen, en in welke gemeenten is de concentratie het grootst?
Kunt u uitsplitsen hoeveel woningen van Vesteda in ieder van de categorieën sociale huur, middenhuur, en vrije huur vallen?
Heeft u contact gehad met Vesteda of de betrokken beleggers over de mogelijke gevolgen van hun vertrek voor de huurmarkt?
Deelt u de mening dat dit aantoont dat het overlaten van volkshuisvesting aan de markt een fundamentele vergissing is geweest?
Acht u het aanvaardbaar dat het woonrecht van tienduizenden huurders volledig afhankelijk is van de interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen van private fondsen als Vesteda?
Hoe rijmt u het feit dat Vesteda’s 2.000 woningen primair fungeren als rendementsartikel voor pensioenfondsen en verzekeraars, met de grondwettelijke plicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen zoals vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet?
Deelt u de mening dat het een teken van fundamenteel falen is wanneer een overheid haar volkshuisvestingstaak alleen nog kan uitvoeren door commerciële beleggers gunstige voorwaarden te bieden? Deelt u de mening dat het precies deze mentaliteit is dat de wooncrisis veroorzaakt heeft?
Welke wettelijke instrumenten heeft u op dit moment om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda na verkoop worden omgezet naar koopwoningen?
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda massaal worden omgezet naar koopwoningen? Zo ja, welke instrumenten overweegt u in te zetten?
Is het juridisch mogelijk om Vesteda te verplichten eventueel te verkopen woningen als eerste aan woningcorporaties of gemeenten aan te bieden, en bent u bereid dit te onderzoeken?
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat dergelijke situaties waarin beleggers tegelijkertijd uit stappen voorkomen kunnen worden en huurwoningen behouden worden?
Bent u bereid een concreet plan te presenteren waarbij woningcorporaties en gemeenten structureel meer middelen krijgen om de rol van commerciële beleggers op de huurmarkt over te nemen?
Het bericht 'Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs»?1
Hoe duidt u de stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld, van 673 gevallen in 2024 naar 757 in 2025?
In hoeverre is volgens u sprake van een daadwerkelijke toename van eergerelateerd geweld, los van een toename aan meldingen?
Klopt het dat in een aanzienlijk deel van de gemelde zaken personen met een Syrische achtergrond betrokken zijn, zoals gemeld in het artikel? Zo ja, hoe duidt u die cijfers?
Klopt het dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor het asiel- en integratieproces?
Wordt in de asielopvang en bij gemeenten actief gesignaleerd op risico’s of verdenkingen van eergerelateerd geweld? Zo ja, welke instrumenten en protocollen worden hiervoor gebruikt en hoe wordt expertise gedeeld met politie, Veilig Thuis en andere betrokken instanties?
Hoe is de samenwerking georganiseerd tussen politie, Veilig Thuis, gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken organisaties wanneer signalen van eergerelateerd geweld ontstaan binnen migrantengemeenschappen of in de asielopvang?
Welke maatregelen worden genomen om potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en LHBTI-personen, tijdig te beschermen?
Deelt u de opvatting dat eergerelateerd geweld een ernstige aantasting vormt van de Nederlandse rechtsorde en fundamentele vrijheden?
Welke gevolgen kan betrokkenheid bij eergerelateerd geweld hebben voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning, ook wat betreft verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd?
In hoeverre kan een verdenking, vervolging of veroordeling voor eergerelateerd geweld aanleiding zijn om een verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken vanwege betrokkenheid bij geweld binnen de familie- of eersfeer?
Acht u het huidige instrumentarium binnen het vreemdelingenrecht voldoende om op te treden tegen personen die zich schuldig maken aan eergerelateerd geweld, of ziet u aanleiding om dit aan te scherpen?
Het stopzetten van Q- en C-support |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen die leven naar aanleiding van de bekendmaking van het vervroegd stopzetten van Q- en C-support per 2027?1
Wat betekent de stopzetting per 2027 voor de naar schatting 400.000 mensen met post-COVID, waarvan 100.000 ernstig getroffen?
Deelt u de lezing dat nog steeds veel patiënten vastlopen, aangezien ook nu nog maandelijks 150 nieuwe patiënten zich melden naast de ruim 34.000 patiënten die al in beeld zijn bij C-support?
Waar kunnen deze patiënten wat u betreft terecht na het stopzetten van Q- en C-support als de reguliere zorg op dat moment nog niet genoeg kennis en expertise heeft om hen voldoende en passend te ondersteunen?
Deelt u de zorg dat het vroegtijdig stopzetten van Q- en C-support kan leiden tot langdurige uitval bij patiënten, hogere WIA-instroom en een hogere zorgconsumptie, en dat het risico hierop kleiner is als de kennis beter is ingebed in de reguliere zorg?
Deelt u de opvatting dat Q- en C-support een uniek overzicht van de aard, ernst en impact van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID heeft en dat waardevolle kennis mogelijk verloren gaat als de organisaties worden afgebouwd op het moment dat deze kennis op andere plekken nog onvoldoende in huis is?
Bent u ermee bekend dat zorgmedewerkers, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen, UWV en werkgevers aangeven dat zij zonder de ondersteuning van Q- en C-support op dit moment nog onvoldoende kennis en handelingsperspectief hebben om patiënten zelfstandig en verantwoord te helpen?
Erkent u dat de bekendheid van post-COVID onder deze groepen daarmee beter moet en nog niet voldoende op orde is? Zo nee, kunt u dit nader onderbouwen?
Zou C-support wat u betreft een rol moeten of kunnen spelen in het vergroten van die bekendheid? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstellingen van Q- en C-support pas zijn behaald als de kennis over postinfectieuze aandoeningen als post-COVID voldoende is geborgd op andere plekken, waarmee de organisatie zichzelf in feite overbodig zou hebben gemaakt?
Waarom is de eerder besproken transitieperiode van drie jaar, die juist was bedoeld om kennis zorgvuldig over te dragen aan het reguliere veld en de ondersteuning van patiënten geleidelijk af te kunnen bouwen, nu verkort tot slechts één jaar?
Bent u bereid oplossingsrichtingen te verkennen waarbij Q- en C-support meer tijd krijgen om de bekendheid van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID bij patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties te vergroten, zodat het reguliere veld voldoende is voorbereid op zelfstandige ondersteuning op het moment dat de organisaties stoppen?
Ziet u het als optie om de waakvlamconstructie bij het RIVM en/of de GGD’en onder te brengen, waarbij Q- en C-support zich voorlopig kunnen blijven focussen op het voorlichten, adviseren en ondersteunen van patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties?
Het bericht ‘Al vijf weken geen gasten meer in hospice Dedemsvaart, Bert vecht voor het voortbestaan: 'Anders is het voorbij'’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het hospice in Dedemsvaart de deuren dreigt te moeten sluiten?1
Deelt u de mening dat de kracht van hospices juist ligt in lokale verankering en dat de inzet van vrijwilligers van groot belang is? Hoe beoordeelt u in dit kader het risico dat centralisatie van hospices leidt tot een afname van vrijwilligers, gezien hun sterke lokale binding?
Welke wijzigingen in de bekostiging van hospices zijn doorgevoerd of voorzien, en wat zijn de gevolgen hiervan voor kleinschalige hospices en bijna-thuis-huizen, mede in relatie tot versnipperde financiering en personeelstekorten?
Kunt u ingaan op de specifieke situatie in de regio Salland, waar niet alleen het hospice in Dedemsvaart, maar bijvoorbeeld ook in Hardenberg onder druk staat? Is de toegankelijkheid van hospicezorg in de regio Salland voldoende geborgd?
Hoe kijkt u naar het voorbestaan van de hospices in Dedemsvaart en Hardenberg in het licht van de vergrijzing?
Kunt u toelichten hoe binnen het beleid rekening wordt gehouden met regionale verschillen, zoals bevolkingsdichtheid en reisafstanden tot hospices?
Klopt het dat thuiszorgorganisaties de nachtzorg in kleinschalige hospices steeds lastiger rond krijgen vanwege een tekort aan personeel? Zo ja, welke concrete mogelijkheden ziet u om het tekort aan zorgpersoneel in de nachtzorg te verlichten?
Deelt u de mening dat de inzet van vrijwilligers in kleinschalige hospices cruciaal is? Zo ja, hoe neemt u dit mee in de verbetering van de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis en in de Toekomstagenda?
Hoe geeft u concreet uitvoering aan uw uitspraak in het schriftelijk overleg over het rapport «Hospices in Nederland» dat het van belang is om de ondersteuning en inzet van vrijwilligers structureel te borgen?
Het Jaarverslag van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld 2025 |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het jaarverslag 2025 van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEG EGG)?
Hoe duidt u de stijging van het aantal gemelde zaken bij het LEC EGG van 674 in 2024 naar 757 in 2025? In hoeverre is deze toename volgens u het gevolg van een daadwerkelijke toename van het aantal zaken of van een betere herkenning en meldingsbereidheid?
Hoe verhoudt het aantal zaken van 757 zich tot het totale aantal eergerelateerde geweldszaken dat bij de politie in beeld komt, inclusief zaken die niet aan het LEC EGG worden voorgelegd?
Kunt u de 757 zaken uitsplitsen in hoeveel zaken er een vrouwelijk slachtoffer en in hoeveel zaken een mannelijk slachtoffer? Kunt u met de Kamer delen wat potentiële motieven kunnen zijn voor eergerelateerd geweld met mannelijke slachtoffers?
Hoe verklaart u de regionale verschillen waarbij de politie-eenheden in Den Haag, Midden-Nederland en Oost-Nederland de meeste zaken aandragen? Is er voor deze politie-eenheden meer onderwijs geweest voor een betere en snellere herkenning van de problematiek?
Welke maatregelen worden genomen om basiskennis over eergerelateerd geweld voor alle politie-eenheden op een vergelijkbaar niveau te brengen?
Wat is uw beeld van waar eergerelateerd geweld het eerst in beeld komt? Is dit bij de politie of bij hulpverleningsinstanties?
Hoe ziet de huidige samenwerking tussen politie, hulpverlening en opvanginstellingen eruit bij vermoedens van eergerelateerd geweld?
Kunt u de checklist waarover wordt gesproken in het jaarverslag met de Kamer delen?
Hoe beoordeelt u het feit dat in bijna de helft van de zaken deze checklist ontbreekt? Worden er op dit moment nog maatregelen genomen om het gebruik van de checklist te bevorderen, na een eerdere poging in 2019?
Hoe duidt u dat de meeste meldingen vanuit de Syrische gemeenschap komen? Wordt er in beleid specifiek aandacht besteed aan deze groep om voorlichting te geven over deze problematiek?
Zijn er op dit moment wensen en/of plannen om de capaciteit of de middelen van het LEC EGG uit te breiden, gezien de jaarlijkse stijging van het aantal zaken?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Becker voor een nieuw meerjarenplan zelfbeschikking en een versterkte aanpak van schadelijke praktijken (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 17)?
Welke rol speelt eergerelateerd geweld binnen het beleid rond femicide en geweld tegen vrouwen?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een gerechtelijk uitreisverbod bij risico op genitale verminking in het buitenland?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een strafverzwaringsgrond voor strafbare feiten als het plegen of medeplegen van eergerelateerd geweld?
Bent u bereid binnen twee maanden de uitwerking naar de Kamer te sturen van de regeerakkoordafspraak dat er een adviesplicht komt bij signalen van huiselijk geweld en andere schadelijke praktijken voor onderwijs- en zorgprofessionals?
Het bericht 'Spanje sluit luchtruim voor militaire vliegtuigen die deelnemen aan oorlog in Iran' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Spanje sluit luchtruim voor militaire vliegtuigen die deelnemen aan oorlog in Iran»?1
Hoeveel militaire vluchten verbonden aan de illegale oorlog in Iran maken gebruik van het Nederlandse luchtruim?
Hoeveel militaire en commerciële vracht verbonden aan de illegale oorlog in Iran wordt via Nederlandse havens en -luchtruim naar het Midden-Oosten verstuurd?
Kunt u reflecteren op het feit dat deze militaire vracht mogelijk gebruikt kan worden voor mensenrechtenschendingen?
Bent u voornemens om u aan te sluiten bij het besluit van Zwitserland, Spanje, Italië, en Frankrijk en het Nederlandse luchtruim en militaire bases te sluiten voor militaire en commerciële vracht dat bestemd is voor de illegale oorlog in Iran? Zo nee, waarom niet?
Kunt u reflecteren op de uitspraak van Spaanse Minister Carlos Cuerpo dat «dit besluit deel uitmaakt van het eerder genomen besluit van onze regering om niet mee te doen of bij te dragen aan een oorlog die in strijd [is] met het internationaal recht»?
Kunt u deze vragen apart en voor maandag 6 april beantwoorden?
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet heeft besloten om structureel circa € 30 miljoen per jaar te schrappen dat eerder was gereserveerd voor proactieve dienstverlening, bedoeld om niet-gebruik van onder andere de bijstand tegen te gaan?
Klopt het dat dit budget expliciet was gereserveerd omdat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht om niet-gebruik effectief terug te dringen? Kunt u toelichten welke analyse hier destijds aan ten grondslag lag?
Deelt het kabinet nog steeds de eerdere analyse dat proactieve dienstverlening leidt tot meer participatie, minder schulden en betere gezondheid? Zo ja, waarom wordt het bijbehorende budget geschrapt? Zo nee, op basis van welke nieuwe inzichten is het kabinet van deze analyse afgeweken?
Kunt u toelichten of hier sprake is van gewijzigd beleid, gewijzigde inzichten of uitsluitend een budgettaire afweging?
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Aartsen tijdens de begroting SZW dat het wetsvoorstel inzake proactieve dienstverlening op dit moment bij de Kamer ligt en dat hij daarover snel met de Kamer in gesprek hoopte te gaan?
Hoe verhoudt deze bezuiniging zich tot de aangenomen motie van het lid Hamstra c.s. over «automatisch uitkeren», ingediend bij de behandeling van de begroting SWZ, die als appreciatie Oordeel Kamer kreeg?1 Wat betekent de bezuiniging voor de uitvoering van de motie?
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Vijlbrief tijdens het commissiedebat Armoede en Schulden, dat er geen claim lag op de niet-gebruikte middelen en dat het omlaag brengen van het niet-gebruik niet de begroting in gevaar brengt?
Kunt u een tijdlijn geven van de besluitvorming rondom dit budget en deze maatregel, inclusief het moment waarop het kabinet heeft besloten om deze middelen te schrappen?
Kunt u bevestigen dat het tegengaan van niet-gebruik een van de pijlers is van het Nationaal Programma Armoede en Schulden? Hoe verhoudt het schrappen van deze middelen zich tot deze pijler?
Welke waarborgen ziet het kabinet om te voorkomen dat mensen die recht hebben op inkomensondersteuning buiten beeld blijven?
Kunt u uiteenzetten welke concrete aanpak het kabinet nu in de plaats stelt om niet-gebruik tegen te gaan, en waarin deze aanpak inhoudelijk en qua effectiviteit verschilt van de eerder aangekondigde inzet?
Welke doelstellingen hanteert het kabinet momenteel ten aanzien van het terugdringen van niet-gebruik, en hoe wordt gemeten of deze worden behaald zonder de eerder gereserveerde middelen?
Hoe beoordeelt het kabinet de kritiek van gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die deze maatregel heel onverstandig noemen?
Hoe groot is de groep mensen die geen gebruik maakt van de bijstand terwijl zij daar wel recht op hebben? Klopt het dat het hierbij om circa 150.000 mensen gaat?
Hoeveel mensen leven naar schatting onder het bestaansminimum als gevolg van dit niet-gebruik?
Verwacht het kabinet dat het niet-gebruik van de bijstand de komende jaren zal toenemen, mede in het licht van voorgenomen wijzigingen in de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) waardoor meer mensen mogelijk op de bijstand aangewezen raken? Zo nee, waarop baseert het kabinet die verwachting?
Welke maatschappelijke gevolgen verwacht het kabinet van het schrappen van deze maatregel, in het bijzonder op het gebied van schuldenproblematiek, gezondheid, participatie en arbeidsmarktdeelname?
Is het kabinet bereid deze bezuiniging terug te draaien en de eerder aangekondigde aanpak van proactieve dienstverlening alsnog volledig uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Calvé en andere Unilever-merken worden Amerikaans, kans op beursnotering in NL’ |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Calvé, Cup A Soup en Hellmann’s van Unilever Amerikaans worden, met een kans op beursnotering in Nederland, op de website van de NOS van 31 maart 2026?1
Hoe reflecteert u op de keuze van McCormick om het internationale hoofdkantoor in Nederland te vestigen? Hoe reflecteert u op het nieuws dat het voedselinnovatiecentrum van Unilever in Wageningen blijft?
Ziet u mogelijkheden om positieve economische spillovers van de vestiging van grote bedrijven in Nederland, zoals McCormick, te versterken? Zo ja, op welke manier?
Hoe probeert u precies McCormick naar de Nederlandse beurs te halen?
Wat is uw bredere strategie om grote bedrijven ertoe te bewegen zich in Nederland te vestigen of te kiezen voor een notering aan de beurs in Amsterdam?
Hoe kan de Kamer u helpen om ervoor te zorgen dat grote bedrijven zich vaker in Nederland vestigen of dat grote bedrijven vaker kiezen voor een notering aan de Amsterdamse beurs?
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
Recente berichtgeving over de invoering van de doodstraf door Israël, de aanhoudende kolonistenaanvallen op Taybeh en ontwikkelingen rond de Tent of Nations |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Knesset passes death penalty law for Palestinians convicted of deadly acts of terror»1 en andere recente berichtgeving over dit onderwerp?
Klopt het dat de Israëlische Knesset een wet heeft aangenomen die de doodstraf (door ophanging) als standaardstraf invoert voor niet-Israëliërs die door militaire rechtbanken zijn veroordeeld voor dodelijke aanslagen? Hoe beoordeelt u het feit dat deze wet in de praktijk vooral of uitsluitend van toepassing lijkt te zijn op Palestijnen, en niet op Israëlische daders van vergelijkbare feiten?
Deelt u de zorgen van internationale organisaties en de Europese Unie dat deze wet in strijd is met internationale mensenrechtennormen en het non-discriminatiebeginsel? Op welke wijze voldoet de wet daar volgens het kabinet niet aan?
Hoe beoordeelt u het ontbreken van mogelijkheden tot beroep of gratie in deze wet, zoals gemeld in de berichtgeving?
Bent u bereid deze zorgen bilateraal en in EU-verband over te brengen aan de Israëlische autoriteiten? Welke verdere stappen overweegt u verder te nemen?
Welke gevolgen verwacht u dat deze wet zal hebben voor de rechtsstaat, de spanningen in de regio en de veiligheidssituatie op de Westelijke Jordaanoever? Welke rol kan Nederland hierin spelen?
Bent u bekend met het artikel van Cvandaag over de zorgen van een priester uit het christelijke dorp Taybeh over aanhoudende aanvallen door Israëlische kolonisten?2
Kunt u bevestigen dat in het overwegend christelijke dorp Taybeh sprake is van herhaalde aanvallen op bewoners, landbouwgrond en religieuze locaties door kolonisten en dat dit niet is opgehouden sinds de laatste keer dat de ChristenUnie hier aandacht bij het kabinet voor vroeg? Welke stappen heeft de Minister genomen sinds de eerder gestelde en beantwoorde Kamervragen?3 Wat de respons van de Israëlische autoriteiten?
Kunt u aangeven in hoeverre de Israëlische autoriteiten optreden tegen daders van kolonistengeweld en in hoeverre sprake is van straffeloosheid? En heeft het ministerie een beeld in hoeveel dorpen/gebieden dit inmiddels speelt? Hoeveel kolonisten die opgepakt zijn, zijn in de afgelopen 2 jaar uiteindelijk veroordeeld?
Bent u bereid zich in EU-verband in te zetten voor concrete maatregelen om Palestijnse (en in ook in het bijzonder christelijke) gemeenschappen zoals Taybeh beter te beschermen tegen geweld door kolonisten?
Welke stappen onderneemt Nederland momenteel om de veiligheid, rechtsbescherming en leefbaarheid van gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever te ondersteunen?
Klopt het dat sinds de beantwoording van eerdere Kamervragen4 de situatie rond de Tent of Nations (d.d. 14 april 2025) is verergerd? Zo ja, op welke wijze?
Klopt het dat er inmiddels wegen en andere infrastructuur zijn aangelegd op het terrein van Tent of Nations? Klopt het dat deze infrastructuur door de rechter als illegaal is bestempeld en verwijderd moet worden? Waarom wordt er niet gehandhaafd en waar ligt dat aan?
Klopt het dat zolang de uitspraak van de rechter niet wordt nageleefd en de infrastructuur wordt verwijderd, de bewegingsvrijheid van de eigenaren van de Tent of Nations de facto wordt beperkt door deze «facts on the ground»?
Klopt het dat er wooncontainers direct naast het land van de familie Nassar zijn geplaatst? Zo ja, is het rechtmatig dat deze daar staan? Zo nee, wat is uw inzet richting de Israëlische autoriteiten om te zorgen dat deze worden verwijderd?
Hoe staat het met de lopende rechtszaak tussen de Israëlische regering en de eigenaren van de Tent of Nations? Is er zicht op een datum voor uitspraak? Kunt u hier de Israëlische autoriteiten op aanspreken dat er sprake lijkt te zijn van onnodige vertraging met «facts on the ground» tot gevolg? Welke andere stappen kan het kabinet zetten?
TBA bij internationale organisaties en rechten van werknemers |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 februari 20261, waarin is geoordeeld dat de European Space Agency (ESA) geen onderneming is in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en dat daarom de artikelen 8 en 8a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) niet van toepassing zijn?
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak ertoe leidt dat werknemers die via een werkgever ter beschikking worden gesteld aan internationale organisaties zoals ESA, geen aanspraak kunnen maken op gelijke arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in de Waadi en de Europese Uitzendrichtlijn? Zo nee, waarom niet en zo ja, wat gaat u dan nu doen?
Hoe beoordeelt u, in het licht van artikel 5, eerste lid, van de Uitzendrichtlijn, dat een groep ter beschikking gestelde werknemers die feitelijk arbeid verricht bij een in Nederland gevestigde organisatie volledig buiten het beginsel van gelijke behandeling valt enkel vanwege de kwalificatie van de inlener? Acht u dat richtlijnconform?
Was het bij de implementatie van de Uitzendrichtlijn beoogd dat ter beschikking gestelde werknemers die werken bij internationale organisaties in Nederland buiten het beginsel van gelijke behandeling zouden vallen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, erkent u dan dat hier sprake is van een lacune in de wetgeving?
Deelt u de opvatting dat artikel 8 van het Verdrag tussen Nederland en ESA inzake ESTEC, waarin is bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de activiteiten van ESA in Nederland, meebrengt dat het onwenselijk is dat ter beschikking gestelde werknemers daar feitelijk buiten de bescherming van de Waadi vallen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe groot de groep werknemers in Nederland is die via vergelijkbare constructies werken bij internationale organisaties en mogelijk buiten de werking van de Waadi vallen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te laten brengen?
Welke mogelijkheden ziet u om in de herziening van de Waadi, die momenteel in de Tweede Kamer wordt behandeld, te waarborgen dat werknemers die feitelijk structureel arbeid verrichten binnen organisaties als ESA, niet structureel slechtere arbeidsvoorwaarden hebben dan direct aangestelde collega’s?
Bent u bereid om in het kader van deze wetswijziging te bezien of het begrip «inlenende onderneming» in de Waadi moet worden aangepast, zodat ook internationale organisaties hieronder kunnen vallen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om hierover in overleg te treden met sociale partner en een nadere analyse naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
De toename van eerwraak in Nederland |
|
Marjolein Faber (PVV), Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat eerwraak onacceptabel is?
Welke prioriteit geeft de politie aan dergelijke zaken? Aan hoeveel meldingen van eerwraak wordt opvolging gegeven binnen de strafrechtsketen?
Bent u het ermee eens dat eerwraak uitzetting tot gevolg moet hebben, niet alleen de dader maar ook het hele gezin?
Bent u het ermee eens dat eerwraak een cultureel probleem is en haaks staat op het eigen kabinetsbeleid van tolerantie?
Wilt u een overzicht verstrekken en daarbij het volgende opnemen: het aantal meldingen uitgesplitst naar strafbaar feit met daarin een onderverdeling van het aantal daders uitgesplitst naar land van herkomst?
Bent u het ermee eens dat de islam hier een duidelijke rol inspeelt en botst met de westerse democratie? Bent u het ermee eens dat de ongebreidelde asielinstroom uit veelal islamitische landen een directe oorzaak vormt van de toename van deze misdrijven in Nederland? Zo ja, wanneer gaat u eindelijk een asielstop en een stop op nareis invoeren?
Misstanden op locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), in het bijzonder het aanmeldcentrum Ter Apel en asielzoekerscentrum (AZC) Budel, op basis van de YouTube documentaire van Dutch Travel Maniac. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de documentaire van het YouTube-kanaal Dutch Travel Maniac, waarin anonieme beveiligers, (voormalige) bewoners en winkeliers uitgebreid verklaren over structurele misstanden op COA-locaties, waaronder het aanmeldcentrum Ter Apel en AZC Budel?
Kunt u bevestigen dat er op COA-locaties, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, op structurele basis drugs worden verhandeld, waaronder cocaïne, speed en hasj?
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, op welke locaties is dit het geval en welke maatregelen zijn er tot dusver genomen om dit te bestrijden?
Indien het antwoord op vraag twee ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Klopt het dat er bij het betreden van AZC-terreinen geen standaard fouillering of controle op contrabande plaatsvindt, met uitzondering van het gebouw van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Indien het antwoord op vraag vijf bevestigend luidt, acht u dit verantwoord gegeven de aanhoudende signalen over wapenbezit en drugshandel op deze locaties en bent u bereid structurele toegangscontroles in te voeren?
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Hoe verklaart u dat bewoners van AZC’s wapens zoals machetes, keukenmessen en glasscherven in hun bezit kunnen hebben op het terrein?
Welke maatregelen worden getroffen om wapenbezit op COA-locaties te voorkomen en te bestrijden?
Is het u bekend dat beveiligers op COA-locaties verklaren dat er op wekelijkse basis massale vechtpartijen en steekincidenten plaatsvinden en dat er dagelijks kleinere opstootjes zijn?
Kunt u een overzicht geven van het aantal geregistreerde geweldsincidenten op COA-locaties over de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar type incident en locatie?
Klopt het dat beveiligers op COA-locaties structureel te maken hebben met fysiek geweld, waaronder bijten, bespugen en bedreigingen met wapens?
Wat doet u om de veiligheid van COA-medewerkers, daarmee dus ook de beveiligers, te waarborgen?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat het COA verantwoordelijkheid hiervoor afschuift naar de externe inhurende beveiligingsorganisatie?
Herkent u het beeld dat beveiligers vrezen voor hun baan indien zij misstanden naar buiten brengen?
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom geven anonieme beveiligers dit dan aan?
Bent u bereid een klokkenluidersregeling specifiek voor personeel op COA-locaties in te richten of te versterken, zodat misstanden veilig kunnen worden gemeld?
Hoe reflecteert u op de stelling dat asielzoekers die daadwerkelijk uit oorlogsgebieden zijn gevlucht, verklaren zich structureel onveilig te voelen op COA-locaties en dat sommigen meubels tegen hun kamerdeur plaatsen om veilig te kunnen slapen?
Hoe reflecteert u op het feit dat vrouwen en gezinnen met kinderen in AZC’s aangeven zich niet vrij te kunnen bewegen vanwege intimidatie en seksuele intimidatie door medebewoners?
Kunt u bevestigen dat er gevallen bekend zijn waarin bewoners van AZC’s zich schuldig hebben gemaakt aan aanranding en dat de betreffende daders slechts een zogenaamde «time-out» kregen, bestaande uit een tijdelijke overplaatsing naar een soberere kamer, waarna zij terugkeerden naar dezelfde locatie?
Indien het antwoord op vraag twintig bevestigend luidt, acht u dit een passende sanctie bij zedendelicten?
Indien het antwoord op vraag twintig ontkennend luidt, waarom geven beveiligers en (oud)bewoners dit dan aan?
Klopt het dat de zogenaamde Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) op het terrein van Ter Apel zodanig is ingericht dat bewoners eenvoudig over het hek kunnen klimmen en zich weer vrij in het centrum van Ter Apel kunnen begeven?
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, welke maatregelen worden getroffen om dit te voorkomen?
Kunt u reflecteren op de verklaring van beveiligers dat naar schatting 80% van de incidenten niet wordt gerapporteerd of openbaar gemaakt?
Kunt u uitsluiten dat het COA tijdens inspectiedagen of bezoeken van Tweede Kamerleden bewust bewoners per touringcar laat wegrijden van locaties om de bezettingsgraad en de situatie gunstiger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is?
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, op basis waarvan kunt u dit uitsluiten?
Indien het antwoord op vraag 26 ontkennend luidt, bent u bereid hier onafhankelijk onderzoek naar te laten doen?
Klopt het dat bewoners die bij dergelijke verplaatsingen worden betrokken financiële compensaties ontvangen?
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, om welke bedragen gaat het en uit welke begrotingspost worden deze gefinancierd?
Bent u bereid structurele, onaangekondigde inspecties op COA-locaties in te voeren, zodat een realistisch beeld van de dagelijkse situatie kan worden verkregen?
Klopt het dat de eerste screening door de IND in sommige gevallen bestaat uit slechts een beperkt aantal ja/nee-vragen?
Indien het antwoord op vraag 32 bevestigend luidt, acht u dit toereikend om potentiële veiligheidsrisico’s te identificeren?
Wordt er bij de aanmelding in Ter Apel gebruikgemaakt van gezichtsherkenning of biometrische verificatie? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit in te voeren?
Wat is uw reactie op het signaal dat asielzoekers massaal paspoorten en identiteitsdocumenten weggooien of verscheuren voorafgaand aan hun aanmelding en dat er gehandeld wordt in valse paspoorten via mensensmokkelnetwerken?
Welke maatregelen worden getroffen om identiteitsfraude tegen te gaan?
Kunt u toelichten waarom de politie, zoals door meerdere bronnen uit de documentaire wordt gesteld, beperkt in staat is om op te treden tegen bewoners van AZC’s die zich schuldig maken aan strafbare feiten, omdat deze geen Nederlandse identiteit hebben?
Is het u bekend dat winkeliers in de omgeving van AZC’s te maken hebben met bedreigingen, bespuging, diefstal en seksuele intimidatie door bewoners?
Bent u bereid met de betrokken gemeenten in gesprek te gaan over aanvullende maatregelen ter bescherming van lokale ondernemers?
Hoe beoordeelt u het feit dat omwonenden van het AZC in Lochem een vergoeding van 1.000 euro van de overheid ontvangen om hun woningen beter te beveiligen? Wat zegt dit volgens u over de veiligheidssituatie rondom AZC’s?
Deelt u de mening dat het onverantwoord is om nieuwe AZC’s te openen zolang de veiligheid op bestaande locaties niet op orde is, zowel voor bewoners als voor omwonenden en personeel?
Indien het antwoord op vraag 41 ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de wijze waarop het COA omgaat met veiligheidsincidenten, de registratie daarvan en het functioneren van interne klachtenprocedures?
Het huidige mestbeleid en de financiële consequenties daarvan voor agrarisch ondernemers |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «geld betalen om mest af te voeren én dure kunstmest inkopen? «onverdedigbaar», vindt Eurocomissaris Hansen»?1
Deelt u de opvatting van Eurocommissaris Christophe Hansen dat het «onverdedigbaar» is dat boeren betalen voor mestafvoer en tegelijkertijd dure kunstmest moeten inkopen? Hoe beoordeelt u deze situatie specifiek voor Nederland?
Bent u bekend met de consequenties voor kleinere boeren door het mestbeleid omdat deze boeren relatief harder geraakt worden omdat zij minder schaalvoordelen en financiële ruimte hebben om stijgende kosten zoals mestafvoer en kunstmest op te vangen of zich aan te passen? Zijn er signalen dat kleinere bedrijven in Nederland relatief harder worden geraakt dan grotere bedrijven door de consequenties voor het verdienvermogen en mogelijke bedrijfsbeëindiging?
Hoe kijkt u naar innovatieve oplossingen zoals het gebruik van bewerkte dierlijke mest, bijvoorbeeld Renure, als alternatief voor kunstmest en welke belemmeringen bestaan er momenteel voor grootschalige toepassing hiervan in Nederland en Europa?
Hoe beoordeelt u de huidige afhankelijkheid van import van kunstmest, mede in het licht van geopolitieke ontwikkelingen? Deelt u de opvatting dat vermindering van importafhankelijkheid wenselijk is? Zo ja, welke concrete stappen worden gezet?
Welke concrete verbeteringen kunnen boeren op korte termijn verwachten en bent u bereid zich actief in te zetten voor oplossingen die zowel economisch als ecologisch houdbaar zijn?
Het Concertgebouw dat musici en orkesten weert die direct of indirect betrokkenheid hebben bij oorlogsmisdaden en genocide |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
Letschert |
|
Klopt het dat het Concertgebouw nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd waarbij artiesten, musici en orkesten kunnen worden geweerd indien zij (direct of indirect) betrokken zouden zijn bij discriminatie, geweld of ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder oorlogsmisdaden en genocide?1
Hoe beoordeelt u dat Het Concertgebouw nieuwe richtlijnen hanteert waarbij artiesten, musici of complete orkesten kunnen worden geweerd op basis van vermeende betrokkenheid bij internationale misdrijven, zonder dat daar een juridisch oordeel of individueel onderzoek aan voorafgaat?
Klopt het dat deze richtlijnen zijn opgesteld naar aanleiding van activistische druk rondom het optreden van een cantor van het Israëlische leger en dat deze richtlijnen zonder openbare toelichting of consultatie zijn ingevoerd?
Acht u het passend dat een gesubsidieerde culturele instelling beleid formuleert dat in de praktijk kan leiden tot collectieve uitsluiting van artiesten uit bepaalde landen of culturele groepen en daarmee het risico loopt op discriminatoire besluitvorming of zelfs (juridisch relevante) groepsbelediging?
Kunt u toelichten op welke wijze een instelling als Het Concertgebouw, dat geen internationaal-juridische bevoegdheid heeft, kan vaststellen of een artiest schuldig is aan oorlogsmisdaden of misdrijven tegen de menselijkheid en ziet u risico’s in deze vorm van zelftoegeëigende morele rechtspraak?
Bent u het ermee eens dat dergelijke uitsluiting kan leiden tot (juridisch relevante) groepsbelediging, omdat hiermee een volledige bevolkingsgroep of nationale culturele sector collectief wordt weggezet als medeplichtig aan internationale misdrijven? Zo ja, overtreedt Het Concertgebouw hier dan niet gewoon de wet?
In hoeverre zijn deze richtlijnen verenigbaar met de wettelijke non-discriminatienormen en de Governance Code Cultuur?
Acht u het wenselijk dat een instelling die (zelfs beperkt) wordt gefinancierd met publieke middelen, circa 4% gemeentelijke subsidie, een politiek-activistische boycot kan effectueren, met verstrekkende maatschappelijke gevolgen?
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan 2025–2028 van de gemeente Amsterdam staat dat subsidie wordt geweigerd of ingetrokken wanneer een instelling in strijd handelt met wet- of regelgeving en bent u het ermee eens dat deze richtlijnen strijdig zijn met deze subsidievoorwaarden, en dus een grond vormen voor ingrijpen richting Het Concertgebouw?
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat Het Concertgebouw zich in de aanvraag van de subsidie presenteert als toegankelijk huis «voor alle Amsterdammers», met nadruk op diversiteit en inclusie en bent u bereid om tijdens een overleg met de gemeente Amsterdam te pleiten voor een onderzoek naar mogelijke schendingen van subsidievoorwaarden door Het Concertgebouw?
Kunt u toezeggen de gemeente Amsterdam expliciet te adviseren de subsidie te heroverwegen of in te trekken zodra wordt vastgesteld dat Het Concertgebouw met dit boycotbeleid buiten zijn statutaire doel treedt én in strijd handelt met de aan de subsidie verbonden normen van non-discriminatie en diversiteit en inclusie?
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat deze richtlijnen een precedent kunnen scheppen waardoor andere musea en culturele instellingen onder activistische druk vergelijkbare uitsluitingscriteria overnemen, met alle gevolgen voor artistieke vrijheid, publieke toegankelijkheid en maatschappelijke polarisatie?
Klopt het dat u bevoegd bent om in te grijpen wanneer gesubsidieerde instellingen handelen op een wijze die strijdig is met wettelijke normen en bent u bereid dit te doen wanneer blijkt dat Het Concertgebouw met deze richtlijnen de grenzen van non-discriminatie overschrijdt?
Ziet u aanleiding om Het Concertgebouw erop aan te spreken dat hun richtlijnen mogelijk buiten hun statutaire doelstelling vallen nu in de statuten van Het Concertgebouw is vastgelegd dat de instelling tot doel heeft het geven van concerten, het instandhouden van het gebouw en educatie en uitdrukkelijk géén taak heeft op het gebied van internationale politieke oordeelsvorming of sanctiebeleid?
Kunt u toezeggen te laten onderzoeken of de richtlijnen van Het Concertgebouw in strijd zijn met het discriminatieverbod en/of strafrechtelijke bepalingen rond groepsbelediging en de Kamer te informeren over de juridische beoordeling?
Kunt u toezeggen om bij gemeenten die, ondanks evidente schendingen van subsidievoorwaarden door musea of andere culturele instellingen, deze subsidies toch in stand houden, te onderzoeken op welke wijze kortingen op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds kunnen worden gedaan?
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over eventuele uitkomsten van dergelijke onderzoeken en eventuele maatregelen, inclusief financiële consequenties voor Het Concertgebouw, indien blijkt dat de richtlijnen onrechtmatig of onwenselijk zijn?
Hoe luidt uw reactie op de berichten «PA drafts constitution, omits Jewish ties to Jerusalem, calls for Sharia legal system»1 en «PA paid half a billion shekels to terrorists in pay-for-slay scheme, sources reveal -exclusive»2?
Wat is de etymologische geschiedenis van de benaming «Jeruzalem»?
Klopt het met uw informatie dat de Joodse banden met Jeruzalem in de ontwerp-Grondwet, zoals opgesteld door de Palestijnse Autoriteit (PA), worden weggelaten en bijvoorbeeld enkel het beschermen van islamitische en christelijke heiligdommen wordt benoemd? Hoe beoordeelt u dit?
Meent u dat in een toekomstige situatie de Joodse banden met Jeruzalem nooit mogen worden ontkend en bent u bereid dit standpunt randvoorwaardelijk uit te dragen voor de toekomst?
Welke historische banden heeft het Joodse volk en het judaïsme wetenschappelijk-historisch gezien volgens dit kabinet ten aanzien van de vroege geschiedenis van Jerusalem en aanwezigheid door de eeuwen heen tot op heden? Hoe verhoudt dit zich tot de uitingen van de PA? Is er sprake van bewuste geschiedvervalsing volgens dit kabinet door de PA en zo ja, op welke onderdelen? Bent u bereid de PA hierop aan te spreken?
Hoe wordt invulling gegeven aan de gewijzigde motie-Ceder/Stoffer over het standpunt dat Joden welkom en veilig moeten zijn in Jeruzalem innemen en uitdragen (Kamerstuk 26 150, nr. 239)?
Klopt het dat de ontwerp-Grondwet shariawetgeving implementeert? Zo ja, hoe beoordeelt het kabinet dit? Erkent het kabinet dat dergelijke wetgeving op zeer gespannen voet staat met internationale mensenrechtenverdragen zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Wat betekent dit voor de omgang van dit kabinet met de PA?
Bent u bekend met de uitspraken van uw ambtsvoorganger over dat «de systematiek van betalingen aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood [is] herzien» en dat de «de betalingen onder het vorige systeem (...) zijn gestopt»?3
Klopt het met uw informatie dat de ontwerp-Grondwet de voorzetting van het «pay-for-slay-programma» lijkt te formaliseren? Zo nee, hoe interpreteert u het grondwetsartikel zoals genoemd in het artikel van 13 februari jl.?
Heeft u signalen ontvangen dat de PA het «pay-for-slay-programma» in 2025 heeft voortgezet, zoals uiteengezet in het artikel van 25 februari jl.? Wat vindt u daarvan?
Kunt u met zekerheid stellen dat het «pay-for-slay-programma» echt is gestopt? Zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Mocht u niet met zekerheid kunnen stellen dat het «pay-for-slay-programma» daadwerkelijk is gestopt, kunt u toezeggen om, in lijn met de aangenomen motie-Ceder (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2948), enkel in te stemmen met EU-steun aan de PA als het geld dat de PA uitgeeft aan de uitkeringen wordt afgetrokken van het bedrag aan steun? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen om de Kamer proactief te informeren als u signalen krijgt dat de PA bedragen uitkeert in het kader van «pay-to-slay» en uit een te zetten welke stappen u gaat ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers»1?
Klopt het dat de Israëlische autoriteiten voor het schooljaar 2026–2027 geen werkvergunningen meer willen verstrekken aan Palestijnse leraren uit de Westelijke Jordaanoever die werkzaam zijn op christelijke scholen in Jeruzalem?
Deelt u de zorg dat deze maatregel gevolgen heeft voor meer dan tweehonderd leraren en daarmee de continuïteit van de ongeveer vijftien christelijke onderwijsinstellingen in Jeruzalem onder druk zet?
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van deze maatregel op de positie van christelijke minderheden in Jeruzalem en het behoud van religieuze en culturele diversiteit in de stad?
Op welke wijze en hoe hard raakt deze maatregel de financiële situatie van deze leraren en hun gezinnen? Op welke wijze raakt deze maatregel de Palestijnse economie?
Klopt het dat als reden wordt aangevoerd dat de diploma’s niet zouden voldoen aan de academische standaarden die nodig zouden zijn? Hoe beoordeelt u dit argument? Mocht dit argument valide zijn, welke rol kan Nederland spelen om eventueel aan deze eis tegemoet te komen?
Bent u bereid deze kwestie zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen bij de Israëlische autoriteiten en te pleiten voor het behoud van het werk voor deze leraren?
Bent u bereid om, samen met internationale partners en kerkelijke organisaties, te bezien hoe deze scholen ondersteund kunnen worden indien deze maatregel wordt doorgezet?
Ziet u een ontwikkeling dat minderheden in Jeruzalem, inclusief (Palestijnse) christenen, steeds verder onder druk komen te staan, door situaties zoals deze en zoals in eerdere schriftelijke benoemd?2 Welke stappen onderneemt u en gaat u ondernemen om deze ontwikkelingen tegen te gaan?