Het bericht ‘Nabestaanden krijg geen inzage in rapport zorginstelling na dodelijke gebeurtenis’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Nabestaanden krijg geen inzage in rapport zorginstelling na dodelijke gebeurtenis»?1
Het artikel beschrijft een zeer tragisch verhaal. Een moeder is haar zoon verloren door suïcide. Volgens het artikel worstelde de zoon jarenlang met depressieve gevoelens en psychoses. Uiteindelijk werd hij verplicht opgenomen en behandeld in een GGZ-instelling. Tijdens zijn verblijf in die instelling is hij overleden door zelfdoding. Het grote verdriet van de moeder is invoelbaar en aangrijpend.
Ook vertelt het artikel van Pointer over het onderzoek na de zelfdoding. In de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) is geregeld wat een zorgaanbieder moet doen na een dergelijke calamiteit. De zorgaanbieder moet een calamiteit onverwijld melden aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ). De zorgaanbieder onderzoekt vervolgens in beginsel zelf de calamiteit. De zorgaanbieder informeert daarbij de nabestaanden over de calamiteit en over de maatregelen die hij naar aanleiding van de calamiteit neemt of zal nemen. Na afronding van het calamiteitenonderzoek door de zorgaanbieder stuurt de zorgaanbieder de gevraagde stukken naar IGJ. Deze stukken worden door de IGJ beoordeeld. Als de IGJ daartoe noodzaak ziet, kan zij zelf onderzoek doen naar de calamiteit.
Niet alle zorgaanbieders verstrekken het calamiteitenrapport aan de nabestaanden, hoewel die daaraan wel behoefte kunnen hebben. Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de evaluatie van de Wkkgz is het kabinet van plan om te gaan regelen dat zorgaanbieders nabestaanden actief informeren over het calamiteitenonderzoek en dat de nabestaande recht krijgt op een samenvatting van het calamiteitenrapport, indien hij of zij daarom verzoekt.2
Op welke manier weegt u het belang van het beschermen van een zorginstelling ten opzichte het belang van nabestaanden?
Het kabinet vindt het allebei van belang: enerzijds helderheid voor nabestaanden over wat er is misgegaan en hoe dat kon gebeuren en anderzijds een zorgvuldig calamiteitenonderzoek op basis waarvan de zorginstelling kan leren en verbetermaatregelen kan treffen.
De meeste nabestaanden willen geïnformeerd worden over wat er is misgegaan. Tegelijkertijd kunnen zorgmedewerkers de angst hebben dat volledige openheid voor hen nadelige gevolgen kan hebben. Zo kan bij zorgverleners de vrees bestaan dat het onderzoeksrapport gebruikt gaat worden in een tuchtzaak, om schadevergoeding van de zorgaanbieder te eisen of voor «naming en shaming» via onder meer sociale media. Dat alles kan ertoe leiden dat zij niet of in mindere mate medewerking verlenen aan het onderzoek naar de calamiteit of incidenten helemaal niet meer melden. In dat geval worden de mogelijkheden om te leren niet optimaal benut. Dit komt de kwaliteit van zorg uiteindelijk niet ten goede en is dat ook in het nadeel van (toekomstige) cliënten. Vertrouwen is hierbij dan ook van groot belang.
Klopt het dat nabestaanden dossiers van bijvoorbeeld hun kinderen niet te zien krijgen omdat daar geen toestemming voor is gegeven, maar dat daar ook van tevoren nooit naar is gevraagd?
In principe krijgt niemand anders dan de cliënt zelf informatie over de cliënt of inzage in gegevens uit het medisch dossier, tenzij de cliënt daar toestemming voor geeft. De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (hierna: WGBO) bevat echter sinds 2020 een bepaling die het inzagerecht voor nabestaanden en voormalig vertegenwoordigers in het medisch dossier van overleden cliënten regelt. Ook als de cliënt tijdens zijn leven geen toestemming heeft gegeven, mag de hulpverlener in sommige situaties inzage in het dossier geven. Dat kan als een nabestaande een mededeling over een incident heeft gekregen (op grond van de Wkkgz) of als iemand een zwaarwegend belang heeft, bijvoorbeeld als er een vermoeden is dat er een medische fout is gemaakt. Diegene moet dan wel aannemelijk maken dat zijn belang wordt geschaad en inzage nodig is om dit belang te beschermen.
Ten aanzien van kinderen is in de WGBO apart geregeld dat als een cliënt is overleden vóór zijn of haar zestiende verjaardag, een hulpverlener aan de persoon die het gezag had over het kind inzage of een kopie van het dossier mag geven als hier om wordt gevraagd.
Bent u bereid te verkennen of het mogelijk is om bij inschrijving bij een zorginstelling toestemming te vragen om familie of naasten inzage te geven in het dossier na mogelijke incidenten, en de Kamer hierover te informeren?
In de WGBO is sinds 2020 al geregeld dat nabestaanden en voormalig vertegenwoordigers gegevens uit het medisch dossier van de overledene mogen inzien als zij een mededeling van een incident hebben ontvangen. Dit recht op inzage of afschrift is beperkt tot gegevens uit het dossier die betrekking hebben op het incident (dus niet voor het hele dossier). Daarnaast kan de cliënt zelf een document (laten) opstellen of mondeling aan de hulpverlener aangeven aan wie welke gegevens uit zijn medisch dossier na zijn overlijden wel of niet verstrekt mogen worden. Dit kan de cliënt bij inschrijving bij de zorginstelling doen, maar ook op een later moment. De cliënt mag zijn of haar toestemming op ieder moment ook weer intrekken. Het kabinet vindt het van belang dat het inzagerecht van nabestaanden zoveel als mogelijk bij leven van de cliënt bespreekbaar wordt gemaakt en desgewenst in het dossier wordt vastgelegd.
Deelt u de opvattingen van Johan Legemaate, voormalig hoogleraar gezondheidsrecht, dat openheid de norm zou moeten zijn, en dat aan die norm nu niet wordt voldaan?
Het kabinet vindt openheid over incidenten en calamiteiten belangrijk. Bij calamiteiten gaat het om niet beoogde of onverwachte gebeurtenissen in de zorg met ernstige gevolgen voor de cliënt: de cliënt overlijdt of heeft ernstige schade. Dan wil je als cliënt, of in dit geval als nabestaande, weten wat er is gebeurd, hoe dat is gebeurd, en welke stappen zijn ondernomen om in de toekomst herhaling te voorkomen.
Na afloop van het calamiteitenonderzoek vindt het kabinet dat de cliënt, diens vertegenwoordiger of nabestaande het recht heeft op een mondelinge terugkoppeling van de bevindingen van het calamiteitenonderzoek, tenzij hij aangeeft daar geen behoefte aan te hebben. Indien de cliënt daar prijs op stelt, moet hij ook een schriftelijke samenvatting kunnen ontvangen van wat precies is onderzocht, wat de uitkomsten van het calamiteitenonderzoek zijn, alsmede de verbetermaatregelen die de zorgaanbieder naar aanleiding van het onderzoek zal treffen. Een voorstel hiertoe zal worden opgenomen in het wetsvoorstel Evaluatiewet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Wat is uw reactie op de oproep van de Patiëntenfederatie dat calamiteitenrapporten voor nabestaande openbaar zouden moeten zijn tenzij de cliënt heeft aangegeven dit niet te willen?
Voor het opstellen van een zorgvuldig en leerzaam calamiteitenonderzoek en nuttige verbetermaatregelen is de medewerking van de betrokken zorgverleners onmisbaar. Het kabinet wil voorkomen dat zorgmedewerkers onvoldoende meewerken aan het calamiteitenonderzoek uit angst voor een tuchtzaak, schadevergoeding of «naming en shaming» via onder meer sociale media, of incidenten helemaal niet meer melden. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de behoefte aan transparantie voor de cliënt en nabestaanden bij incidenten en calamiteiten. Daarom wil het kabinet voorstellen dat de zorgaanbieder de cliënt, diens vertegenwoordiger of nabestaande een mondelinge terugkoppeling moet geven over het calamiteitenonderzoek en dat de cliënt recht krijgt op een samenvatting van het calamiteitenrapport indien de cliënt daarom verzoekt. Een voorstel hiertoe zal worden opgenomen in het wetsvoorstel Evaluatiewet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat nabestaanden moeten procederen, om alsnog openheid en informatie te krijgen over de dood van een dierbaren, en dat in die tijd nabestaanden niet kunnen toekomen aan rouwverwerking?
Het kabinet vindt dit inderdaad niet wenselijk. Daarom wil het kabinet voorstellen dat de zorgaanbieder de cliënt, diens vertegenwoordiger of nabestaande een mondelinge terugkoppeling moet geven over het calamiteitenonderzoek en dat de cliënt recht krijgt op een samenvatting van het calamiteitenrapport indien de cliënt daarom verzoekt. Een voorstel hiertoe zal worden opgenomen in het wetsvoorstel Evaluatiewet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Deelt u de mening dat gemeenten die verantwoordelijk zijn voor de zorg altijd inzage zouden moeten hebben in calamiteiten en rapporten als het ernstige tekortkomingen of de dood van een cliënt betreft? Zo niet, hoe verwacht u dan dat gemeente volledige verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de kwaliteit van de zorg waar zij verantwoordelijk voor zijn gemaakt?
Indien er een calamiteit en/of geweldsincident heeft plaatsgevonden bij een aanbieder van een Wmo-voorziening, dan is de aanbieder, op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), verplicht hiervan een melding te maken bij de toezichthoudend ambtenaar van de gemeente.
Gemeenten hebben, om aan hun verantwoordelijkheden in het kader van de Jeugdwet en de Wmo 2015 te voldoen, (doorgaans) echter geen inzage nodig in het (volledige) rapport. Het is wel wenselijk dat zij door de aanbieder voor zover noodzakelijk op de hoogte worden gesteld van de hoofdlijnen en verbeter-maatregelen die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Gemeenten kunnen hierover afspraken maken met de aanbieders.
Het bericht dat een Amerikaanse farmaceut miljarden aan belastingvoordeel in NL ontvangt |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amerikaanse farmaceut krijgt miljarden aan belastingvoordeel in Nederland (Trouw)»1?
Ja.
Kunt u aangeven wat de tien grootste gebruikers van de innovatiebox zijn en wat de budgettaire derving is per bedrijf? Zo nee, waarom kunnen journalisten deze informatie dan wél boven tafel krijgen?
Nee. In de antwoorden op de Feitelijke Kamervragen bij de Voorjaarsnota 2026 is de verdeling van het budgettaire belang over de gebruikers van de innovatiebox inzichtelijk gemaakt op basis van de aangiftegegevens van de Belastingdienst over 2023. Vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Het is daarom niet mogelijk om exacte informatie of exacte bedragen per belastingplichtige te noemen. Ik heb geen zicht op de bronnen van journalisten, maar in algemene zin staat het bedrijven vrij om inzicht te geven in hun eigen fiscale verplichtingen en daarbij behorende belastingvoordelen, bijvoorbeeld via hun jaarverslag.
Klopt het dat ruim 90 procent van het voordeel uit de innovatiebox naar ASML, MSD & Booking gaat2? In hoeverre is deze belastingkorting doelmatig en politiek wenselijk volgens u?
Vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR kan ik niet specifiek ingaan op de individuele posities van belastingplichtigen. Ik herken wel het beeld dat het voordeel van de innovatiebox grotendeels terecht komt bij een aantal internationaal opererende bedrijven. Deze bedrijven nemen een groot deel van de investeringen in R&D voor hun rekening. Daarnaast spelen deze bedrijven een centrale rol in de innovatie-ecosystemen in Nederland en betalen ze een relatief groot deel van de totale vennootschapsbelasting in Nederland. De innovatiebox bewerkstelligt kort samengevat dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit sluit aan bij de doelstellingen van de innovatiebox om het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven te bevorderen en om innovatie in Nederland te stimuleren.
Hoe legt u aan gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers uit dat zij jaarlijks een miljard extra belasting moeten betalen voor een belastingkorting aan één bedrijf dat vrijwel al haar activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst?
Het kabinet is het niet eens met de suggestie dat gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers jaarlijks extra belasting moeten betalen doordat Nederland een innovatiebox heeft. De innovatiebox heeft volgens het kabinet namelijk per saldo een positief effect op de Nederlandse economie. Bedrijven die vrijwel al hun activiteiten naar het buitenland verplaatsen kunnen geen of nauwelijks winst toerekenen aan Nederland op basis van internationale transfer pricing-regels. Als er geen winst in Nederland wordt gemaakt, levert de innovatiebox ook geen belastingvoordeel op. Het feit dat een bedrijf wel gebruikmaakt van de innovatiebox, bewijst juist dat er nog steeds economische activiteiten (zoals R&D, octrooibeheer of productontwikkeling) in Nederland plaatsvinden en dat er in Nederland belasting wordt betaald.
De innovatiebox is niet automatisch toepasbaar op alle winsten. Bedrijven moeten aantonen dat de winsten voortkomen uit zelf ontwikkelde innovaties in Nederland. Als een bedrijf geen of minder R&D in Nederland verricht, kan het ook geen of minder gebruik maken van de regeling. Daarnaast worden voordelen gekort als R&D-werkzaamheden binnen het concern worden uitbesteed.
Wat is de economische onderbouwing achter het extra fiscaal stimuleren van zeer winstgevende uitvindingen uit het verleden? In hoeverre draagt dit daadwerkelijk bij aan extra innovatie bij uitdagers van gevestigde belangen?
De combinatie van WBSO in de aanloopfase (directe korting op loonkosten) en de innovatiebox bij doorgroeien (lager effectief tarief op de winst) vormen tezamen het generieke innovatie-instrumentarium. Bedrijven wegen de combinatie van de voordelen van beide regelingen mee bij hun beslissingen over het land waarin ze investeren in R&D. Uit de evaluatie van de innovatiebox uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek en Dialogic blijkt dat de innovatiebox bijdraagt aan R&D-investeringen, hoewel het effect minder sterk is dan bij de WBSO. De maatschappelijke baten van innovatie slaan door spill-over effecten breder neer. Ook toeleveranciers van bedrijven met veel innovatie hebben meer kans om door te groeien en te innoveren. Naast de innovatiebox (outputzijde; winsten) worden bedrijven in Nederland ook aan de inputzijde (kosten) gestimuleerd om te innoveren door de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO). De innovatiebox is daarnaast primair bedoeld om Nederland aantrekkelijk te houden voor innovatieve ondernemingen, zowel om bedrijvigheid uit het buitenland aan te trekken als om te voorkomen dat bestaande activiteiten vertrekken. Zonder een dergelijke regeling zou Nederland zichzelf uit de markt prijzen, omdat veel andere landen inmiddels vergelijkbare of gunstigere fiscale regimes hebben. Het gaat hierbij niet alleen om nieuwe innovatie, maar ook om het behouden van bestaande economische waarde (zoals octrooien en kennisintensieve arbeidsplaatsen).
Bent u bereid om de innovatiebox zo vorm te geven dat hij wél doelmatig wordt en meer gericht op kleinere bedrijven, bijvoorbeeld door nadere voorwaarden te stellen over maximaal fiscaal voordeel, door het voordeel te maximeren op daadwerkelijk gemaakte kosten voor desbetreffende innovatieve activiteiten of door een temporele beperking?
Het hoofddoel van de innovatiebox is het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet kiest er daarom voor om de bestaande regeling in de huidige vorm voort te zetten. Dat neemt niet weg dat het kabinet gaat onderzoeken hoe de toegang tot de regeling kan worden verbeterd. Daarbij zal ook aandacht zijn voor kleinere bedrijven. Uw Kamer wordt hier na de zomer verder over geïnformeerd.
Bent u bereid om te voorkomen dat bedrijven die hun activiteiten (grotendeels) naar het buitenland verplaatsen nog langer gebruik kunnen maken van de innovatiebox? Zo nee, waarom niet?
Bedrijven kunnen alleen gebruikmaken van de innovatiebox voor winsten die voortkomen uit zelf ontwikkelde innovaties in Nederland. Wanneer een bedrijf vrijwel al zijn activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst, kan het bedrijf geen of nauwelijks winst aan Nederland toerekenen op basis van internationale transfer pricing-regels. In dat geval kan een bedrijf dus ook niet of in zeer beperkte mate profiteren van de innovatiebox.
Daarnaast wordt nogmaals benadrukt dat het kabinet een groot belang hecht aan een stabiel en voorspelbaar vestigingsklimaat. Uit de evaluatie blijkt dat de innovatiebox hieraan bijdraagt. Het kabinet kiest er daarom voor om de regeling in de huidige vorm voort te zetten.
Het bericht ‘Grensgemeenten balen van Duitse grenscontroles: 'Ernstige ongevallen gebeurd'' |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grensgemeenten balen van Duitse grenscontroles: «Ernstige ongevallen gebeurd»»?1
Ja.
Herkent u de signalen van Nederlandse grensgemeenten dat deze controles leiden tot sluipverkeer, verkeersonveilige situaties en ongevallen op lokale wegen?
Ja.
Kunt u reflecteren op de effecten van de Duitse grenscontroles op de verkeersveiligheid in Nederlandse grensregio’s?
Lidstaten gaan primair zelf over het beheer van hun grenzen. Het is duidelijk dat de wijze waarop Duitsland controleert, namelijk op of dichtbij de grens, een negatieve impact heeft op de doorstroming en verkeersveiligheid. Nederland heeft hiervoor contact met Duitsland over de samenwerking in het kader van de binnengrenscontroles en de gevolgen van de binnengrenscontroles, zowel op politiek en ambtelijk als operationeel niveau. Tegelijkertijd nemen we in Nederland maatregelen om de verkeersveiligheid zoveel mogelijk te waarborgen. Dit doen we bijvoorbeeld met behulp van mobiele tekstkarren voor de informatievoorziening en mobiele rijstrooksignaleringen om de snelheid te verlagen. Rijkswaterstaat zet zich momenteel al maximaal in om de verkeersveiligheid te borgen. Daarnaast heb ik Rijkswaterstaat onlangs gevraagd, naar aanleiding van de ongelukken die er recent zijn geweest, om waar mogelijk extra maatregelen te treffen. Naar aanleiding daarvan zal Rijkswaterstaat op korte termijn nog extra bebording plaatsen op de A1 en A12 om weggebruikers nog iets beter te waarschuwen. Een volgende mogelijke stap in de verbetering van de verkeersveiligheid zal een permanent karakter hebben.
In hoeverre deelt u de zorgen dat door uitwijkend verkeer dorpskernen minder bereikbaar worden en dat de doorgang voor hulpdiensten onder druk komt te staan?
Ik deel deze zorgen. Nederland staat in contact met Duitsland over de samenwerking in het kader van de binnengrenscontroles en de gevolgen van de binnengrenscontroles, zowel op politiek en ambtelijk als operationeel niveau.
Bent u bekend met het signaal dat de gemeente Losser werkzaamheden aan een brug heeft moeten uitstellen vanwege deze controles, omdat geen goede omleidingsroute kan worden ingericht?
Ja.
Bent u bereid in overleg te treden met betrokken gemeenten en Duitse autoriteiten om te voorkomen dat noodzakelijke infrastructurele werkzaamheden, zoals in de gemeente Losser, moeten worden uitgesteld door de gevolgen van grenscontroles?
Vanuit mijn portefeuille blijf ik mij inzetten om de negatieve effecten op de verkeersveiligheid en doorstroming zoveel mogelijk te mitigeren en heb ik Rijkswaterstaat onlangs gevraagd, naar aanleiding van de ongelukken die er recent zijn geweest, om waar mogelijk extra maatregelen te treffen. Naar aanleiding daarvan zal Rijkswaterstaat op korte termijn nog extra bebording plaatsen op de A1 en A12 om weggebruikers nog iets beter te waarschuwen. De Minister van Asiel en Migratie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid staan in contact met Duitsland om de impact van controles in het grensgebied op het grensverkeer beperken.
Wat zijn de effecten van de controles op de mobiliteit en logistiek in Nederlandse grensregio’s, met name in termen van vertragingen in goederenvervoer, verstoringen in logistieke ketens en extra verkeersdruk? En welke impact heeft dit op logistieke bedrijven, ondernemers en gemeentelijke infrastructuur en kosten?
Files als gevolg van de Duitse binnengrenscontroles zijn er met name op de A1 en A12 met vertraging tot maximaal ca. 30 minuten, afhankelijk van de dag en de tijd. Het is duidelijk dat deze vertraging ook invloed heeft op het weggoederenvervoer. Mede op basis van input van de vervoerssector worden de kosten door de sector geschat op maximaal 1 miljoen euro per maand.
Kunt u inzicht geven in de economische gevolgen van de controles voor Nederlandse grensregio’s, bijvoorbeeld door vertragingen, verminderde bereikbaarheid en extra kosten voor gemeenten?
Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat de Nederlandse binnengrenscontroles een significant negatief effect hebben gehad op de grensregio’s. Er is periodiek contact tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Koninklijke Marechaussee en bestuurders uit de grensregio’s over de gevolgen van binnengrenscontroles voor de grensregio’s. Er zijn wel effecten waargenomen van de Duitse binnengrenscontroles, waaronder vertragingen als gevolg van snelheidsbeperkende maatregelen, waarbij de snelheid van het verkeer richting Duitsland wordt teruggebracht tot stapvoets.
Kunt u toelichten wat de effecten zijn van de huidige Nederlandse grenscontroles door de Koninklijke Marechaussee (KMAR) op verkeersstromen, wachttijden en verkeersveiligheid?
De Nederlandse grenscontroles hebben vrijwel geen tot beperkt effect op de verkeersstromen, wachttijden en verkeersveiligheid. Dit komt door de manier van controleren: de KMar begeleidt de voertuigen van de weg af naar een controlelocatie. De KMar voert gerichte en flexibele controles uit, die informatie- en risico- gestuurd zijn. Daarnaast kan grensoverschrijdend verkeer gebruik blijven maken van de reguliere wegen van en naar buurlanden. Hierdoor hebben de Nederlandse controles vrijwel geen negatieve effecten op het reguliere verkeer.
Bent u bereid om, in overleg met betrokken gemeenten en buurlanden, maatregelen te verkennen om negatieve effecten van grenscontroles op verkeersveiligheid en bereikbaarheid te beperken?
De Minister van Asiel en Migratie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid staan in contact met Duitsland om de impact van controles in het grensgebied op het grensverkeer beperken. Vanuit mijn portefeuille blijf ik mij inzetten om de verkeersveiligheid en doorstroming zo goed mogelijk te borgen.
Het onderbrengen van nareizigers in hotels door het COA |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Kunt u nauwgezet aangeven welke stappen er gezet zijn door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en u sinds uw aankondiging in december rond het onderbrengen van nareizigers in hotels?1
De maatregel waarbij nareizigers door COA onder worden gebracht in hotels, wordt hierna aangeduid als de «aanvullende nareismaatregel». Deze aanvullende nareismaatregel bouwt voort op de maatregel versnelde uitplaatsing, waarbij nareizende familieleden bij de gehuisveste referent verblijven, zoals gecommuniceerd in de Kamerbrief van 23 september jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 3476).
Op vrijdag 19 december jl. zijn de colleges van B&W geïnformeerd over de aanvullende maatregel waarbij nareizigers worden ondergebracht in hotels. Voorts is vanuit het ministerie een opdracht verstuurd aan het COA voor de uitvoering van deze maatregel. Om daadwerkelijk te starten was het noodzakelijk dat de zogenaamde hotel- en accommodatie regeling (HAR) regeling, tijdelijke regeling voor het stimuleren van uitstroom vergunninghouders uit de asielopvang 2026, verlengd zou worden. Deze is op 27 januari jl. gepubliceerd, waarna het COA daadwerkelijk kon starten met de uitvoering.
Op 20 januari zijn gemeenten via een webinar verzorgd door het departement en het COA, ambtelijk verder geïnformeerd over de maatregel.
COA onderzoekt per gemeente met een achterstand op de taakstelling huisvesting vergunninghouders of er geschikte kamers in een hotel beschikbaar zijn. Indien de inhuizing kan plaatsvinden, informeert het COA de gemeente. Ook voor overige statushouders geldt dat hotels kunnen worden ingezet voor tijdelijk onderdak in afwachting van uitstroom naar een reguliere woning. Hiervoor kunnen gemeenten de HAR+ inzetten.
Klopt het dat het COA voornemens is om deze of volgende week de eerste lichting nareizigers gaat onderbrengen in een hotel in de gemeente Schouwen-Duiveland?2 Zo nee, wanneer dan wel?
COA heeft binnen het kader van de verstrekte opdracht op 17 februari jl. de eerste uitplaatsing uitgevoerd. Op 25 februari jl. zijn er in Schouwen-Duivenland nareizigers uitgeplaatst. In totaal zijn er 202 nareizigers versneld uitgeplaatst in zes gemeenten (d.d. 21 april).
Kunt u de Kamer voorzien van een overzicht van voorgenomen plaatsingen die op dit moment bekend zijn en/of reeds verricht zijn? Zo nee, waarom niet?
COA heeft binnen het kader van de verstrekte opdracht 202 nareizigers versneld uitgeplaatst binnen zes gemeenten (d.d. 21 april). Ik doe geen uitspraken over mogelijke toekomstige uitplaatsingen ten behoeve van het proces.
Kunt u de Kamer tevens voorzien van alle communicatie vanuit het Rijk en/of het COA richting gemeenten over deze regeling?
Het departement en het COA hebben in het kader van de aanvullende nareismaatregel de volgende communicatiemiddelen met gemeenten verstrekt. De hierna benoemde stukken zijn toegevoegd in de bijlage van deze beantwoording.
1.1. Bijlage visual huisvesten nareizigers
Zoals in bovengenoemde bijlagen ook staat vermeld, loopt individuele communicatie met gemeenten via het COA. In samenwerking met het COA en de VNG zijn in totaal drie Webinars georganiseerd over de versnelde uitplaatsing en de aanvullende maatregel.
Klopt het dat gemeenten hooguit geïnformeerd worden door het COA wanneer er nareizigers in een hotel worden ondergebracht, maar verder geen zeggenschap hebben?
In de opdracht voor de aanvullende nareismaatregel die door het departement aan het COA is verstrekt staat dat COA een gemeente minimaal 2 dagen, maar bij voorkeur eerder, voorafgaand aan de plaatsing informeert. Deze kaders zijn in de informatiemail (d.d. 19 december) met de colleges van B&W gecommuniceerd. De informatiemail is toegevoegd als bijlage bij deze beantwoording. Wanneer de gemeente zelf een alternatief voor het tijdelijk onderdak heeft, onderzoekt het COA dit graag met de gemeente. Gezien de tijdelijke duur van deze statushouders in een hotel vereist dit geen besluit van de gemeente.
Bij hoeveel procent van de nareizigers die u voornemens bent in hotels te plaatsen is er sprake van dat het nagereisde familielid al wel huisvesting heeft in de koppelgemeente, maar dat deze niet geschikt wordt geacht voor meerdere bewoners?
De samenstelling van de groep nareizigers is dynamisch en wisselt per week. De gemeente geeft bij afgifte van het inreisvisum aan of de woning van de referent passend is voor huisvesting van de nareizende familieleden. In principe worden nareizigers, daar waar mogelijk, direct bij de referent geplaatst als de referent reeds in een gemeente gehuisvest is. Bij kleinere gezinnen tot drie personen gaat dit gemakkelijker dan bij grote gezinnen. Het COA treedt altijd in overleg met gemeenten alvorens nareizende familieleden worden gehuisvest bij referenten. In afwachting van geschikte huisvesting kan eventueel een tijdelijke accommodatie geregeld worden.
Wat wordt in dezen verstaan onder al dan niet geschikt voor meerdere bewoners? Welke criteria gelden hiervoor en wie bepaalt deze?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het onuitlegbaar is om nareizigers op kosten van de belastingbetaler onder te brengen in hotels wanneer hun familielid al huisvesting in diezelfde gemeente heeft, ook als die misschien niet ideaal is voor meerdere bewoners? Zo nee, waarom niet?
Het uitgangspunt is dat nareizigers bij de gehuisveste referent verblijven. Waar mogelijk verwijst het COA daarom nareizigers, behoudens contra-indicaties en binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid, door naar de gemeente waar de referent woonachtig is. Zij trekken daar, voor zover passend, bij het familielid in of zoeken in samenspraak met de gemeente andere huisvesting in de nabijheid, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 23 september jl. Deze werkwijze is echter slechts voor een beperkte doelgroep toepasbaar, omdat de woning van de referent niet altijd geschikt is of omdat de referent zelf nog niet is gehuisvest en nog op een COA-locatie verblijft. Derhalve wordt er wegens de hoge druk op de reguliere COA-opvanglocaties en aanvullend op bovenstaande werkwijze gebruik gemaakt van opvang in hotels.
Waarom geeft u het COA expliciet de opdracht om nareizigers in hotels in of nabij de koppelgemeente te plaatsen, terwijl u op 23 september jl. in uw Kamerbrief nog sprak over intrekken door de nareizigers bij hun familielid of het samen met de gemeente zoeken naar andere huisvesting in de buurt (Kamerstuk 19 637, nr. 3476)? Deelt u de conclusie dat uw Kamerbrief op essentiële onderdelen afwijkt van de manier waarop deze regeling vervolgens is uitgerold?
Er is geen sprake van een koerswijziging, maar van een aanvulling op bovengenoemde maatregel (Kamerstuk 19 637, nr. 3476). De aanvullende maatregel voor nareis bouwt voort op de maatregel versnelde uitplaatsing, waarbij nareizende familieleden bij de gehuisveste referent verblijven, zoals gecommuniceerd in de Kamerbrief van 23 september jl. Om de druk op de opvangcapaciteit van het COA en de aanmeldcentra in Ter Apel en Zevenaar verder te verlichten, is deze aanvullende maatregel nodig geacht.
Het eerder plaatsen van nareizigers in de gemeente waaraan zij zijn gekoppeld brengt bovendien het voordeel met zich mee dat zij sneller kunnen integreren. Dit is van belang voor zowel de nareizigers als de gemeente.
Wat heeft u doen besluiten om de koers te verleggen naar onderbrengen van nareizigers in hotels buiten gemeenten om?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is uw reactie geweest op gemeenten, waaronder in ieder geval de gemeente Castricum, die u hebben aangesproken op deze koerswijziging en de onduidelijkheid daaromtrent?
De samenwerking met medeoverheden in de opgave rondom opvang en huisvesting van asielzoekers en statushouders is voor mij van groot belang. Gemeenten, waaronder de gemeente Castricum, hebben vragen en zorgen geuit over de maatregel en de mogelijke gevolgen daarvan. Zoals eerder toegelicht betreft de maatregel geen wijziging van de koers, maar een aanvulling op een reeds genomen maatregel. Dit wordt ook in de bijgevoegde communicatiemiddelen richting gemeenten vermeld.
Wat zijn de totale voorziene kosten van deze hele operatie, inclusief het financieren van het hotelverblijf gedurende de eerste zes maanden door het COA?
Nareizigers die nog niet zijn gehuisvest worden opgevangen in de COA opvang. De bekostiging van het onderbrengen van nareizigers in hotels loopt via het noodopvangbudget van het COA. Het is derhalve niet de verwachting dat dit leidt tot substantiële meerkosten ten opzichte van de situatie dat deze personen in de COA locaties worden opgevangen.
Het COA financiert de hotelaccommodatie of ander vormen van tijdelijk onderdak gedurende maximaal zes maanden. Doordat hiermee de nareiziger reeds in de gemeenten wordt opgevangen, is de verwachting dat de gemeente sneller de verantwoordelijkheid overneemt en de periode tot huisvesting verkort wordt, wat bijdraagt aan snellere integratie en het beperken van de totale opvangkosten voor het COA.
Kunt u nauwgezet uiteenzetten hoe het semipermanent (ten minste een half jaar) huisvesten van nareizigers in hotels zich verhoudt tot landelijke en lokale wet- en regelgeving?
De Omgevingswet bepaalt dat het gebruik van een gebouw, zoals het exploiteren van een hotel, alleen is toegestaan als dit past binnen het omgevingsplan of daarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend. De eigenaar of exploitant van het hotel is verantwoordelijk voor het aanvragen van de benodigde omgevingsvergunning. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het behandelen van aanvragen voor omgevingsvergunningen. De functie van een hotel valt doorgaans onder de bestemming «logies».
Veel gemeenten hebben in beleidsregels vastgelegd hoelang verblijf binnen een logiesfunctie mogelijk is voordat dit als «wonen» wordt aangemerkt. Vaak geldt hiervoor een maximale termijn van ongeveer zes maanden. Of een langer verblijf is toegestaan, hangt af van de functies die in het omgevingsplan zijn opgenomen en van de manier waarop de gemeente het begrip «wonen» toepast in de lokale regelgeving.
Wat is uw inschatting van de economische schade voor ondernemers in gemeenten waar hotelkamers worden gehuurd voor nareizigers in plaats van door toeristen en andere bezoekers?
Een gegeven is dat door deze maatregel voor exploitanten van het hotel een gegarandeerde bezetting resulteert van een aantal kamers dat door COA wordt afgenomen met als gevolg gegarandeerde inkomsten. Een inschatting van de mogelijke economische effecten kan niet worden gegeven, omdat deze gegevens niet worden gemeten of op een andere wijze systematisch worden bijgehouden. Hierdoor is het niet mogelijk om een betrouwbare of onderbouwde kwantitatieve inschatting te maken.
Wat verwacht u van gemeenten met betrekking tot de financiering van de huisvesting van nareizigers in hotels wanneer het hen niet lukt om binnen zes maanden vervangende huisvesting voor hen te regelen?
Het is de verwachting dat een groot deel van de nareizigers binnen een periode van zes maanden gehuisvest kan worden. Vanuit het Rijk zijn verschillende stimuleringsmaatregelen om gemeenten te ondersteunen bij het realiseren van huisvesting indien een reguliere woning niet beschikbaar is (o.a. Regeling stimuleren uitstroom vergunninghouders uit de asielopvang (HAR+) en Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties).
Indien dit niet tijdig lukt, kan een gemeente met de HAR+ regeling het huidige tijdelijk onderdak in een hotel verlengen. Mocht er sprake zijn van overmacht kan er altijd in contact worden getreden met het COA en het departement over een maatwerkoplossing.
Hoe verhoudt het onderbrengen van nareizigers in hotels zich tot de reguliere wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders? Deelt u de conclusie dat u met deze werkwijze de reguliere interventieladder omzeilt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke gronden denkt u dit te kunnen doen?
Nareizigers zijn, nadat zij het (korte) aanmeldproces in Zevenaar hebben doorlopen en een vergunning hebben ontvangen, statushouder. Wanneer de gemeente de statushouder huisvest valt dit onder de realisatie van de taakstelling huisvesting vergunninghouders van de betreffende gemeente. Wanneer dit niet mogelijk is plaatst COA nareizigers uit naar een hotel of andere tijdelijke accommodatie in of rondom de koppelgemeente. Na uitplaatsing blijft het COA gedurende maximaal zes maanden verantwoordelijk. Dit geeft gemeenten de ruimte om een passende oplossing voor structurele huisvesting of tijdelijk onderdak te vinden. Zolang de gemeente de verantwoordelijkheid nog niet heeft overgenomen, is er geen sprake van huisvesting van de betreffende nareizigers. Pas nadat de gemeente de nareiziger huisvest, telt deze mee voor de wettelijke taakstelling voor deze gemeente.
Het interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van de taakstelling huisvesting vergunninghouders is belegd bij de provincies. Wanneer gemeenten de taakstelling niet halen, treden provincies met hen in overleg en kunnen zij het instrumentarium van het interbestuurlijk toezicht inzetten. Indeplaatsstelling is het uiterste middel binnen het interbestuurlijk toezicht en wordt alleen ingezet als andere interventies niet tot het gewenste resultaat leiden. Gedeputeerde staten hebben op grond van artikel 124 van de Gemeentewet de bevoegdheid tot indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing; deze bevoegdheid is exclusief aan hen voorbehouden. Deze tijdelijke maatregel laat dit bestaande toezichtkader onverlet.
Deelt u de conclusie dat het buiten de gemeente om huisvesten van nareizigers in hotels een maatregel is die feitelijk neerkomt op indeplaatsstelling conform de hoogste trede op de interventieladder? Zo nee, waarom niet en wat is het verschil?
Nee. Bij indeplaatsstelling treedt de provincie in de plaats bij het definitief huisvesten van de statushouders. In dit geval zorgt het COA voor een tijdelijke oplossing en geeft het de gemeente de tijd om aan de wettelijke verantwoordelijkheid te voldoen. Aan de wettelijke taak voor gemeenten om statushouders te huisvesten wordt niets gewijzigd. Het COA draagt na uitplaatsing naar het hotel of een andere tijdelijke accommodatie nog voor een periode van maximaal 6 maanden de verantwoordelijkheid, dit biedt gemeenten de ruimte om een passende oplossing voor huisvesting dan wel (ander) tijdelijk onderdak te vinden. Totdat de gemeente de verantwoordelijkheid voor de nareizigers overneemt, is er geen sprake van huisvesting van de betreffende nareizigers. Er is daarom geen sprake van een interventie vergelijkbaar met indeplaatsstelling op de wettelijke taakstelling huisvesting vergunninghouders.
Indien u ook voornemens bent nareizigers te plaatsen in hotels in gemeenten die zich op een lagere trede van de interventieladder bevinden, erkent u dan dat u dergelijke gemeenten hiermee opzadelt met een bovenwettelijke last? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder vermeld hebben geregistreerde nareizigers een status en telt het pas mee voor de realisatie van de wettelijke taakstelling vergunninghouders wanneer de statushouder is gehuisvest. Voor de prioritering van de uitplaatsing is ervoor gekozen om de bestaande achterstanden in de huisvesting van statushouders leidend te laten zijn. Totdat de gemeente de verantwoordelijkheid voor de nareizigers overneemt, is er geen sprake van huisvesting van de betreffende nareizigers. Er is daarom geen sprake van een interventie vergelijkbaar met indeplaatsstelling op de wettelijke taakstelling huisvesting vergunninghouders.
Erkent u dat deze maatregel opnieuw een schoolvoorbeeld is van dweilen met de kraan open? Zo nee, waarom niet?
De aanvullende nareismaatregel is tijdelijk en aanvullend op de structurele instrumenten. Voor structurele en duurzame capaciteitsuitbreiding van opvangplekken en doorstroom van statushouders naar huisvesting in gemeenten blijven voor asiel de Spreidingswet en voor statushouders de wettelijke taakstelling en urgentieregeling het uitgangspunt zolang de situatie daartoe vraagt. Tijdelijke capaciteitsmaatregelen worden ingezet in afwachting van het effect van de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact.
Het tweestatusstelsel beoogt een afnemend effect op te instroom te hebben. Dit kan bijdragen aan een afname van de druk op de asielopvang. Deze wet zal onverkort worden uitgevoerd.
Deelt u de conclusie dat Nederland de 53.000 verzoeken om nareis die momenteel in de pijplijn zitten simpelweg niet aankan? Zo ja, bent u bereid om in navolging van Oostenrijk alle mogelijkheden aan te grijpen om nareis te stoppen, in plaats van de hotelbranche voor astronomische bedragen om te vormen tot onderdeel van het COA?
Het terugdringen van de inzet van hotels is voor mij een prioriteit. Daarvoor dient primair ingezet te worden op het vergroten van de meerjarige opvangcapaciteit en het bevorderen van de doorstroom van statushouders. Daarnaast stelt het tweestatusstelsel strengere voorwaarden aan de komst van nareizigers. Hiermee beoogt het kabinet de toekomstige druk van nareizigers terug te kunnen dringen.
Het bericht ‘Strenger handhaven bij brug kanaal Roosteren’ |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de verslechterde staat van de brug over het Julianakanaal bij Roosteren en de zorgen van inwoners, ondernemers en agrariërs over de gevolgen van de ingestelde gewichtsbeperkingen?1
Klopt het dat nieuwe informatie wijst op ernstigere veiligheidsrisico’s van de brug bij Roosteren dan eerder bekend was? Zo ja, wat houden deze risico’s precies in en welke gevolgen heeft dit voor de veiligheid van weg- en vaarweggebruikers?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie voor Roosteren uitzonderlijk is, nu vrachtverkeer en landbouwvoertuigen zwaarder dan 3,5 ton geen gebruik meer kunnen maken van de brug en een deel van de omgeving feitelijk alleen nog via België bereikbaar is? Welke gevolgen ziet u hiervan voor inwoners, ondernemers en agrarische bedrijven?
Waarom vindt de fysieke inspectie van de brug volgens de huidige planning pas eind november plaats, terwijl sprake is van ernstige veiligheidsrisico’s en grote gevolgen voor de bereikbaarheid van de regio? Ziet u mogelijkheden om dit onderzoek te versnellen?
Welke afstemming heeft plaatsgevonden met de provincie Limburg, de betrokken gemeenten en belangenorganisaties van ondernemers en landbouwers over de gevolgen van de beperkingen en de mogelijke oplossingsrichtingen? Wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken?
Ziet u mogelijkheden om samen met Rijkswaterstaat te bezien welke tijdelijke of structurele maatregelen mogelijk zijn om de bereikbaarheid van Roosteren en omgeving te verbeteren en om het onderzoek naar de staat van de brug te versnellen? Zo ja, welke stappen bent u bereid hiervoor te zetten en op welke termijn kunnen betrokkenen hierover duidelijkheid verwachten?
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
Het rapport ‘Geldzaken in de praktijk (2026)’ van het Nibud. |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Geldzaken in de praktijk van het Nibud?1
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de financiële situatie van jongvolwassenen het meest verslechterd is ten opzichte van 2024, en dat op dit moment 54% van de jongvolwassenen aangeeft moeite te hebben met rondkomen, welke verklaring ziet u hiervoor en welke gerichte maatregelen neemt u om te voorkomen dat jongvolwassenen in de schulden belanden?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat inmiddels meer dan de helft van de huishoudens ten minste één betalingsprobleem heeft gehad en dat betalingsproblemen zich opstapele, en dat de financiële problemen vaak al groot zijn voordat huishoudens geholpen kunnen worden door gemeenten of schuldhulp, en dat de moties Hamstra2 door de Kamer zijn aangenomen en dat deze de regering oproepen te onderzoeken of banken hun klanten en werkgevers hun werknemers kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening bij signalen van geldzorgen, welke aanvullende maatregelen neemt u om mensen eerder in beeld te krijgen voordat betalingsachterstanden uitgroeien tot problematische schulden?
Constaterende dat uit het rapport van het Nibud blijkt dat inkomenszekerheid ministens zo belangrijk is als de inkomstenhoogte, en dat mensen met weinig grip op hun inkomen in 80% van de gevallen moeite hebben met rondkomen, en dat in het coalitieakkoord staat het streven naar één vaste betaaldag, welke stappen heeft u al genomen om dit te bereiken en welke stappen bent u nog voornemens om te nemen om dit te bereiken? Welke andere maatregelen neemt u om de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van inkomen te bevorderen?
Constaterende dat huishoudens met wisselende inkomens en jongvolwassenen vaak niet weten op welke inkomensondersteuning zij recht hebben en waar zij informatie kunnen vinden over toeslagen, terwijl deze doelgroep juist vaak recht heeft op inkomensondersteuning, en dat de Wet proactieve dienstverlening een stap in de goede richting is om niet-gebruik tegen te gaan, bent u het eens dat verregaandere stappen vereist zijn om toe te werken naar automatisch uitkeren? Welke stappen bent u voornemens om te nemen en op welk termijn?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de meeste huishoudens bij geldproblemen hun vaste lasten zo lang mogelijk proberen te betalen en als eerste bezuinigen op voeding, kleding, hobby’s, sociale activiteiten en zorg, hoe voorkomt u dat huishoudens, in het bijzonder huishoudens met kinderen, niet in staat zijn om deel te nemen aan het sociale leven omdat zij anders hun vaste lasten niet kunnen betalen?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport volgt dat 25% van de huishoudens aankopen via creditcard of achteraf betalen niet betalen wanneer zij in geldproblemen zitten, en dat hierdoor een grote kans bestaat dat schulden ontstaan of verergeren, en met name jongvolwassenen zijn kwetsbaar hiervoor, bent u het eens dat deze doelgroep daartegen beschermd moet worden en op welke wijze is de Minister van plan om dit te doen?
Hoewel op papier de koopkracht de afgelopen jaren is verbeterd, constateert het Nibud dat huishoudens een duidelijke verslechtering ervaren in hun financiële situatie, hoe verklaart u dit verschil?
Het bericht 'Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol' |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol»?1
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Gaza naar Jordanië te reizen?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 waarin de Minister slechts verplicht wordt om een geringe inspanning te verrichten?
Waarom is er niet gewacht met het bieden van ondersteuning aan de rest van de groep van 42 Gazanen totdat er een uitspraak in de bodemprocedure ligt?
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Jordanië naar Nederland te reizen?
Hoe verklaart u dat er naast 21 Gazaanse studenten ook 18 meereizende gezinsleden naar Nederland zijn gekomen? Op grond van welke rechterlijke uitspraak heeft Nederland de plicht om deze meereizende gezinsleden ondersteuning te bieden?
Hoe verklaart u dat de verhouding studenten versus meereizende gezinsleden bijna 1 op 1 is? Hoe verhoudt zich dit tot het gemiddelde aantal gezinsleden dat meereist met migranten met een studievisum?
Klopt het dat Gazaanse studenten tijdens het verblijf de meereizende gezinsleden financieel moeten onderhouden? In hoeverre is dit mogelijk gezien de levensstandaard in Gaza en het feit dat deze Gazanen naar Nederland komen om te studeren?
Klopt het dat deze meereizende gezinsleden geen zelfstandig verblijfsrecht hebben en Nederland dus moeten verlaten zodra de gezinsband wordt verbroken?
Hoe groot schat u de kans in dat deze meereizende gezinsleden daadwerkelijk Nederland zullen verlaten en zullen terugkeren naar Gaza indien de gezinsband wordt verbroken?
Op basis waarvan bepalen universiteiten welke buitenlandse studenten zij toelaten tot hun universiteit?
Welke ondersteuning hebben universiteiten geboden om deze studenten van Jordanië naar Nederland te laten reizen? Hebben zij bijvoorbeeld één of meerdere overnachtingen in Jordanië en de vliegtickets betaald?
Hoe komen de Nederlandse universiteiten aan het geld om deze Gazaanse studenten te ondersteunen?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan deze studenten tijdens hun verblijf in Nederland? Valt onder deze ondersteuning ook huisvesting?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de ondersteuning die Nederlandse studenten krijgen van universiteiten in hun zoektocht naar een studentenkamer, indien universiteiten inderdaad huisvesting aan deze groep bieden?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich tot het kabinetsvoornemen om het aantrekken van internationale studenten zo veel als kan te beperken tot internationaal toptalent? Is daar hier sprake van?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich voorts tot de ambitie uit het regeerakkoord om te zorgen voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn? Is daar hier sprake van?
Hoe past het toelaten van deze Gazaanse studenten in de huidige bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van anderstalige opleidingen dan wel de regionale draagkracht?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan de meereizende gezinsleden?
Wat zijn de totale kosten voor de universiteiten om deze Gazaanse studenten in Nederland te laten studeren?
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat universiteiten actief ondersteuning bieden bij het naar Nederland halen van studenten en hun gezinsleden uit oorlogsgebieden?
De obstakels bij integratie voor de buitenlandse partners van Nederlanders |
|
Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Nederlanders die een liefdesrelatie hebben met een niet-EU-inwoner en aan de inkomenseisen voldoen, de mogelijkheid zouden moeten hebben om samen met hun geliefde een leven op te bouwen in Nederland, waarbij de niet-Nederlandse partner zo snel mogelijk zou moeten kunnen inburgeren?
Deelt u de mening dat praktische obstakels die de vlotte inburgering van deze liefdespartners in de weg staan, zo veel mogelijk vermeden en opgeheven moeten worden?
Acht u het wenselijk dat liefdespartners van Nederlanders honderden euro’s kwijt zijn louter en alleen aan de reiskosten om het basisexamen inburgering in het buitenland te kunnen afleggen?
Is het mogelijk om buitenlandse partners van Nederlanders het basisexamen inburgering in het buitenland digitaal van op afstand te laten afleggen wanneer er geen examenfaciliteit in hun stad of dorp beschikbaar is? Zo nee, wat is ervoor nodig om dat wel mogelijk te maken?
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het basisexamen inburgering in het buitenland? En wat is de gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf?
Kan de termijn van acht weken waarover DUO beschikt om de examenuitslag bekend te maken, ingekort worden? Zo ja, met hoeveel weken? Zo nee, wat precies staat een inkorting in de weg?
Hoe verhoudt de lange duurtijd van de combinatie van het basisexamen inburgering in het buitenland plus de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf zich tot het recht op gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wanneer aan alle inkomens- en huisvestingseisen wordt voldaan, en wanneer de wachttijd in de praktijk samenvalt met perioden waarin echtgenoten elkaar door visumtellingen niet eens fysiek mogen ontmoeten?
Is het mogelijk bij het inplannen van het basisexamen inburgering in het buitenland al het proces voor een machtiging tot voorlopig verblijf op te starten, zodat deze processen parallel lopen en mensen dus niet onnodig lang hoeven te wachten? Zo nee, wat concreet staat dat in de weg?
Op welke objectieve gronden zijn partners uit Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea of Zwitserland vrijgesteld van het basisexamen buitenland, terwijl partners uit andere landen deze eis wel krijgen opgelegd? Is dit onderscheid nog te rechtvaardigen?
Overweegt u de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland uit te breiden naar andere landen wanneer het gaat om de liefdespartners van Nederlanders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Is het kabinet bereid te onderzoeken of inburgering in Nederland zelf, onder begeleiding van de Nederlandse echtgenoot en familie, een gelijkwaardig of beter alternatief kan zijn voor het examen in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Hoe weegt het kabinet de mentale en relationele schade van maandenlange gedwongen scheiding mee in de proportionaliteitstoets? Welke maatregelen zal het kabinet nemen om een vlottere inreis en integratie van liefdespartners van Nederlanders te garanderen om dit soort mentale en relationele schade te voorkomen?
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Herhaalde aanvallen van het Israëlische leger op medisch personeel in Libanon |
|
Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De eerste ambulance werd geraakt; toen de tweede, derde en vierde. Hoe Israël medisch personeel aanvalt in Libanon»?1
Herkent u het beeld dat het Israëlische leger in Libanon zogenoemde double-tap-aanvallen uitvoert, waarbij hulpverleners die na een eerste aanval te hulp schieten herhaaldelijk opnieuw worden beschoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie van de door NRC geraadpleegde experts dat deze aanvallen in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht, in het bijzonder met de bescherming van medisch personeel en ambulances? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u deze aanvallen op medisch personeel en ambulances in het licht van de verplichtingen van Israël onder artikel 2 van de EU-Israël Associatieovereenkomst?
Is het kabinet bereid deze aanvallen scherp en publiekelijk te veroordelen, en dit ook rechtstreeks over te brengen aan de Israëlische regering? Zo nee, waarom niet?
Hebben eerdere gesprekken met Israëlische Ministers en andere diplomatieke contacten geleid tot aantoonbare verandering in het optreden van het Israëlische leger? Zo nee, welke conclusie trekt het kabinet daaruit over de effectiviteit van diplomatieke waarschuwingen?
Is het kabinet bereid deze praktijken aan te grijpen om in Europees verband opnieuw en blijvend te pleiten voor spoedige politieke en handelsmaatregelen tegen Israël, zolang het Israëlische leger burgers, hulpverleners en medisch personeel blijft aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de relatie met Israël nu het Israëlische leger, na meerdere waarschuwingen, opnieuw hulpverleners, ambulances en medische voorzieningen blijkt aan te vallen?
Het opheffen van het gespecialiseerde IGJ-team voor de aanpak van zorgfraude |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Team dat zorgfraude onderzoekt opgeheven bij Inspectie, terwijl regulier toezicht signalen niet oppakt: «Inspecteurs worden misleid door malafide zorgaanbieders»»1
Bent u ervan op de hoogte dat het speciale team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) wordt opgeheven?
Wat is volgens u de verklaring voor het opheffen van dit team?
Hebben overwegingen rond de veiligheid van de zorg invloed gehad op dit besluit? Zo ja, op welke manier?
Deelt u de zorg dat de aanpak van zorgfraude in de praktijk nog altijd tekortschiet en dat juist daarom specialistische expertise binnen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) noodzakelijk blijft?
Acht u het uitlegbaar dat juist dit gespecialiseerde team voor de aanpak van zorgfraude wordt opgeheven, terwijl u in juni nog een plan presenteerde waarin wordt ingezet op multidisciplinaire teams om zorgfraude beter te bestrijden? Kunt u hier een toelichting op geven?
Was u op de hoogte van de interne spanningen binnen de IGJ over de aanpak van zorgfraude en het verschil van inzicht tussen het reguliere toezicht en het gespecialiseerde IBZ-team?
Is er volgens u een verband tussen deze spanningen binnen de IGJ en het opheffen van het IBZ-team?
Klopt het dat er binnen de IGJ zorgen zijn geuit over verlies van expertise over de aanpak van zorgfraude door het verdwijnen van dit gespecialiseerde team?
Hoe bent u van plan deze kennis over zorgfraude te borgen binnen de IGJ? Kunt u dat toelichten?
Wat bent u concreet van plan met de in uw plan aangekondigde multidisciplinaire teams voor de aanpak van zorgfraude?
Bent u bereid de Kamer op korte termijn en voor de opheffing van het IBZ-team te informeren over hoe de specialistische kennis wordt geborgd?
Het bericht dat VUmc in 2040 stopt als ziekenhuis en de zorgtaken naar locatie AMC gaan |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VUmc stopt in 2040 als ziekenhuis, zorgtaken gaan naar locatie AMC»1 en van de strategische huisvestingsroute van Amsterdam UMC richting 2040?2
Wat betekent dit voorgenomen besluit concreet voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc?
Begrijpt u dat patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking zich zorgen kunnen maken als een ziekenhuislocatie in hun buurt op termijn verdwijnt?
Wat betekent het verdwijnen van de ziekenhuisfunctie op locatie VUmc voor de bereikbaarheid van ziekenhuiszorg voor inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten?
Is onderzocht hoeveel langer patiënten straks onderweg zijn naar het ziekenhuis, zowel met de auto, het openbaar vervoer als de ambulance?
Kunt u uitsluiten dat deze concentratie van ziekenhuiszorg leidt tot langere reistijden, langere wachttijden of minder toegankelijke zorg voor patiënten?
Klopt het dat financiële redenen, zoals te veel vierkante meters en hoge huisvestingskosten, een belangrijke rol spelen bij dit voorgenomen besluit?
Hoe voorkomt u dat betaalbaarheid, vastgoed en efficiency zwaarder gaan wegen dan goede en bereikbare zorg voor patiënten?
Hoe kijkt u terug op het eerdere verdwijnen van de spoedeisende hulp en de huisartsenpost op locatie VUmc, juist omdat toen al zorgen bestonden over werkdruk en toegankelijkheid van zorg?
Hoe beoordeelt u de waarschuwing dat het door dit besluit moeilijker kan worden om de geneeskundeopleiding van de Vrije Universiteit in stand te houden?
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit volgens u voor de opleidingscapaciteit van artsen en medisch specialisten in Amsterdam?
Deelt u de zorg dat het verminderen van ziekenhuiscapaciteit onverstandig kan zijn met het oog op de vergrijzing, waarbij de zorgvraag juist verder zal toenemen?
Deelt u de zorg dat met het verdwijnen van ziekenhuiscapaciteit ook de beschikbare capaciteit voor rampen, calamiteiten, infectie-uitbraken of oorlogssituaties verder afneemt?
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit voor het zorgpersoneel op beide locaties, en hoe wordt voorkomen dat medewerkers door onzekerheid over hun werkplek of toekomst afhaken?
Heeft de cliëntenraad Amsterdam UMC al advies uitgebracht over dit voorgenomen besluit en zo ja, kunt u dit advies met de Kamer delen? Zo nee, waarom is de cliëntenraad nog niet om advies gevraagd?
Bent u bereid de Kamer voor het definitieve besluit te informeren over de gevolgen voor patiënten, bereikbaarheid, acute zorg, wachttijden, personeel, opleidingscapaciteit, rampenopvang en de toegankelijkheid van ziekenhuiszorg in de regio? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het eerder genoemde plan voor een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie voor Amsterdam UMC, waarover in 2025 werd bericht, niet langer aan de orde is? Zo nee, welke onderdelen van dat plan spelen nog wel een rol bij de huidige strategische huisvestingsroute?3
Gesprekken die zijn gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gesprek Taliban en EU afgelopen, ook Nederland zat aan tafel»?1
Erkent u dat er ook Nederlandse ambtenaren bij de gesprekken zaten die zijn gevoerd met de Taliban in Brussel?
Zo ja, hoe kan het dat u tijdens het commissiedebat JBZ-Raad van 27 mei beweerde dat Nederlandse ambtenaren niet betrokken zijn bij de gesprekken?
Wanneer is het besluit genomen om ambtenaren van Nederland te laten deelnemen aan de gesprekken met de Taliban in Brussel? Wie waren er betrokken bij dit besluit?
Waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd?
Is er over de deelname van een ambtenaar van het Ministerie van Asiel en Migratie aan het overleg advies ingewonnen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe luidde het advies?
Erkent u dat deze gesprekken een stap zijn richting de normalisering van het Taliban-regime en dat zij met deze gesprekken een podium hebben gekregen in het hart van onze Europese democratie? Zo nee, waarom niet?
Waarom zorgt u ervoor dat Nederland door Nederlandse ambtenaren te sturen bijdraagt aan het normaliseren van het wrede Taliban-regime?
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat het gesprek met de Taliban in Brussel «waanzin» is? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens Instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat we onze geloofwaardigheid over mensenrechten volledig verliezen als we de Taliban voor een kopje thee in Brussel uitnodigen? Zo nee, waarom niet?
Is er sprake van eenheid van kabinetsbeleid, als ambtenaren van één ministerie deelnemen aan het gesprek met de Taliban, terwijl de premier zich op Instagram in felle bewoordingen uitlaat tegen het gesprek met de Taliban?
Vertegenwoordigt de Taliban volgens u het Afghaanse volk? Zo nee, waarom kiest u ervoor om ambtenaren wel met hen in gesprek te laten gaan en hen samen met vertegenwoordigers van de Europese Commissie en 14 andere EU-landen te verwelkomen in Brussel?
Erkent u dat de gesprekken die zijn gevoerd met de delegatie van de Taliban een meerwaarde hadden voor het regime? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is deze precies en vindt u dat de mogelijkheid om Afghanen misschien terug te kunnen sturen waard?
Wat is er precies besproken tijdens de gesprekken? Kunt u op korte termijn een verslag aan de Kamer doen toekomen?
Sluit Nederland uit dat officiële vertegenwoordigers van het Taliban-regime in Nederland geaccrediteerd worden? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de eisen die de Taliban hebben neergelegd in ruil voor het terugsturen van uitgeprocedeerde Afghanen?
Is er gesproken over de veiligheid van deze mensen? Zo ja, wat is hierover besproken? Zo nee, waarom niet?
Is er gesproken over de mensenrechtensituatie in Afghanistan, en met name de situatie van vrouwen en meisjes die in Afghanistan onderdrukt worden? Zo ja, wat is er besproken, zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de start van het zomerreces beantwoorden?
Misstanden bij You-Zorg Nederland en misbruik van mensen met een verstandelijke beperking |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorginstelling in Assen moet zorg deels staken. Eigenaar verdacht van verkrachting cliënt, zijn vrouw verzweeg geen diploma te hebben»?1
Deelt u de mening dat het feit dat opnieuw cliënten in een kwetsbare positie, mishandeld zijn door hun zorgaanbieder, laat zien dat het te makkelijk is om misbruik te maken van ons zorgsysteem?
Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of uw ministerie eerder signalen ontvangen over onveiligheid en gebrekkige zorg bij You-Zorg Noord? Zo ja, wanneer zijn deze signalen binnengekomen, wat was de aard van deze signalen en welke vervolgacties zijn ondernomen? Zijn er elders signalen binnengekomen? Zo ja, waar, wanneer en hoe zijn die opgepakt?
Hoe wordt geborgd dat alle cliënten van You-Zorg Noord zo snel mogelijk bij een andere zorgaanbieder terecht kunnen en hier ook passende zorg ontvangen?
Is er direct passende nazorg en ondersteuning geregeld voor de cliënten en de familieleden van deze cliënten?
Is er ooit door de Inspectie, vertrouwenspersonen of een andere onafhankelijke instantie gesproken met de cliënten van You-Zorg in het kader van een reguliere kwaliteitscontrole of specifiek ter preventie van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag?
Bent u van mening dat er momenteel voldoende waarborgen zijn om te voorkomen dat zorgverleners zonder voldoende deskundigheid of met verkeerde bedoelingen (langdurig) toegang hebben tot kwetsbare cliënten? Zo ja, kunt u dit onderbouwen aan de hand van concrete data en argumenten? Zo nee, welke concrete maatregelen gaat u op korte en lange termijn nemen om dit te verbeteren?
Welke concrete verbeteringen zijn er geweest na eerdere misstanden bij pgb-gefinancierde initiatieven, zoals bijvoorbeeld Aurora Borealis?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de beloften die zijn gedaan in antwoord op mijn vragen uit oktober 20242 om het risico op misbruik in bij pgb-gefinancierde wooninitiatieven te verminderen?
Hoe vaak voert de IGJ momenteel risicogericht toezicht uit bij kleinschalige wooninitiatieven en zorgaanbieders waarbij de zorg grotendeels vanuit pgb’s wordt gefinancierd?
Waarom wordt er niet voor gekozen om onze moties uit te voeren die vragen om meer inspecteurs voor specifiek deze doelgroep en gespecialiseerde vertrouwenspersonen die proactief instellingen en wooninitiatieven voor mensen met een (meervoudige) en/of psychische problematiek beperking te bezoeken?
Bent u van mening dat ons zorgstelsel voldoende waarborgen bevat om mensen met een (meervoudige) beperking die vaak niet zelf kunnen melden en afhankelijk zijn van hun zorgverleners, te beschermen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze afschuwelijke situatie?
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Het artikel '17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis' |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis»?1
Bent u bekend met de situatie van bewoners in Doesburg die al geruime tijd wachten op toestemming om hun spouwmuren te isoleren in het kader van verduurzaming?
Deelt u de zorg dat bewoners die te goeder trouw willen verduurzamen, nu worden geconfronteerd met een onduidelijk en traag proces dat het draagvlak voor klimaatbeleid kan ondermijnen?
Hoe beoordeelt u het feit dat verduurzamingsmaatregelen zoals woningisolatie in de praktijk worden vertraagd of geblokkeerd door de vereisten rondom ecologisch onderzoek naar beschermde diersoorten, alsook door extra eisen van provincies?
In hoeverre acht u het wenselijk dat individuele bewoners en VvE’s geconfronteerd worden met hoge kosten en lange wachttijden, terwijl er reeds subsidies zijn toegekend voor verduurzaming? Heeft u inzage hoeveel subsidies zijn toegekend, maar niet door kunnen gaan door eerdergenoemde knelpunten?
Kunt u toelichten hoeveel gemeenten in Nederland momenteel nog geen goedgekeurd soortenmanagementplan (SMP) hebben en wat de gemiddelde doorlooptijd is van goedkeuring door provincies? Bent u van plan om met de provincie Gelderland hierover te spreken aangezien daar nog geen enkele SMP is goedgekeurd?
Bent u het eens dat de huidige interpretatie van soortenbescherming in de praktijk leidt tot een aanzienlijke vertraging van de nationale isolatie- en energiebesparingsdoelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in overleg met provincies te komen tot een landelijke versnellingsaanpak voor SMP’s, zodat gemeenten niet onnodig lang in onzekerheid blijven over vergunningverlening? En bent u bereid provincies aan te spreken op het stellen van aanvullende eisen en het vertragen van vergunningstraject? Welke instrumenten heeft u om hierop in te grijpen?
Hoe wordt geborgd dat de bescherming van beschermde diersoorten proportioneel blijft, zonder dat dit leidt tot feitelijke stilstand van verduurzamingsmaatregelen in bestaande woningen?
In hoeverre acht u het onacceptabel dat woningeigenaren in gemeenten zonder soortenmanagementplan na een positieve eDNA-uitslag zijn aangewezen op een langdurig individueel provinciaal vergunningstraject?
Het bericht 'Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld»?1
Wat is uw reactie op de bevindingen van Nederlandse deskundigen over het verband tussen huiselijk geweld en suïcide?
Herkent u het beeld dat huiselijk geweld, psychische mishandeling, stalking en dwingende controle belangrijke risicofactoren zijn voor suïcidaliteit onder vrouwen? Zo ja, op welke manier wordt hiermee rekening gehouden in beleid en praktijk?
Zijn er cijfers bekend waaruit blijkt in hoeveel gevallen van suïcide sprake was van (een voorgeschiedenis van) huiselijk geweld? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe dit beter in beeld kan worden gebracht?
Bent u bereid te bezien of de registratie van huiselijk geweld, suïcidepogingen en suïcides beter op elkaar kan worden aangesloten, zodat patronen eerder kunnen worden herkend en gerichter beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden voor politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen wanneer er aanwijzingen zijn dat huiselijk geweld, psychische mishandeling of dwingende controle hebben bijgedragen aan een suïcide?
Bent u bekend met het fenomeen «staged suicide», waarbij een overlijden ten onrechte als suïcide wordt aangemerkt terwijl sprake kan zijn van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre komt dit volgens u voor in Nederland?
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van staged suicide in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kan het aangekondigde wetsvoorstel over de strafbaarstelling van psychisch geweld bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling mogelijk leidt tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide?
Op welke wijze wordt binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke risicogroep?
Het artikel ‘Inwoners grensdorp kunnen voordeur naar België verplaatsen: ’Ziektekosten, wegenbelasting en huur zijn lager’’ |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van berichtgeving over situaties in grensgemeenten, zoals in Baarle, waar een appartementencomplex zowel een Nederlandse als een Belgische voordeur heeft vanwege verschillen in regelgeving?1
Bent u op de hoogte van het feit dat aan de Nederlandse zijde van een dergelijk perceel geen extra woningen mochten worden gerealiseerd vanwege gemeentelijke regels, terwijl dit aan de Belgische zijde wél mogelijk bleek?
Deelt u de opvatting dat dergelijke casussen illustreren dat regelgeving in Nederland knellender kan uitpakken dan in buurlanden en daarmee ongewenste prikkels creëert? Is het mogelijk dat dergelijke regels ontstaan zijn in de jaren dat Nederland nog dacht te krimpen?
Wat vindt u van het feit dat beperkingen worden gesteld, zoals maximale bouwhoogtes, bebouwingspercentages en functiebestemmingen, die het realiseren van extra woningen kunnen beperken of uitsluiten?
Hoe beoordeelt u het dat gemeenten via deze planregels feitelijk kunnen voorkomen dat extra woningen worden toegevoegd, ook in gebieden met een groot woningtekort?
Deelt u de opvatting dat procedures, die in de praktijk maanden tot jaren kunnen duren, een rem zetten op het tempo waarin nieuwe woningen worden gerealiseerd?
Hoe beoordeelt u de stapeling van regels uit omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen en Algemene Plaatselijke Verordeningen in relatie tot de nationale woningbouwopgave?
Hoe beoordeelt u het risico dat vergelijkbare woninginitiatieven in de ene gemeente wel en in de andere gemeente niet mogelijk zijn vanwege lokaal beleid?
Kunt u aangeven hoe vergunningplichten voor het splitsen, samenvoegen of verkameren van woningen ertoe leiden dat het aantal feitelijk beschikbare woonruimten wordt beperkt? Hoe komen we daarvan af?
Kunt u een integraal overzicht geven van de relevante hervormingen, beleidswijzigingen en regelgeving van de afgelopen decennia (waaronder veranderingen in de invullingsvrijheid van bestemmings- en omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen, vergunningplichten en bepalingen in Algemene Plaatselijke Verordeningen) die direct of indirect hebben bijgedragen aan het beperken van woningbouw en woningvorming, en daarmee aan het vastlopen van de woningmarkt?
Klopt het dat de regels die het aantal woningen in het bestemmings- of omgevingsplan niet laten toenemen, het splitsen van bestaande woningen beperken, wonen in bijgebouwen verbieden of wonen in aanbouwen verbieden het toevoegen van woningen bemoeilijken? Zijn er mogelijkheden om deze landelijk en generiek te schrappen? Zo ja, hoe? Bent u bereid dat te doen?
Welke maatregelen bent u verder bereid te treffen om te voorkomen dat lokale regelgeving het realiseren van extra woningen onnodig belemmert? En op welke termijn zijn deze maatregelen te verwachten? En neemt u in uw overwegingen het opleggen van een instructiebesluit mee? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe en binnen welke termijn?
Bent u op de hoogte van de situatie in Utrecht en Zuid-Limburg waarbij hoogzwangere vrouwen hun eerder toegezegde kraamzorg alsnog verliezen?1
Kunt u zich voorstellen welke onzekerheid dit teweeg brengt bij zwangere vrouwen?
Hoe kan het gebeuren dat vrouwen zo kort voor de bevalling te horen krijgen dat reeds toegezegde kraamhulp toch niet beschikbaar is?
Bent u het ermee eens dat een dergelijke gang van zaken onaanvaardbaar is en vanaf nu voorkomen moet worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Welke verantwoordelijkheid hebben kraamzorgorganisaties wanneer zij eerder toegezegde zorg niet meer kunnen leveren?
Hoe wordt voorkomen dat door deze gang van zaken de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor moeder en kind in gevaar komen?
Kunt u in het bijzonder toelichten wat er wordt gedaan om te voorkomen dat juist kwetsbare vrouwen en gezinnen de komende zomer geen toegang hebben tot kraamzorg?
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars hun zorgplicht in deze situatie hebben ingevuld?
Kunt u garanderen dat vrouwen die op deze manier noodgedwongen in een kraamhotel terecht komen niet met extra kosten (voor bijvoorbeeld vervoer of verblijf) te maken krijgen? Als dit onverhoopt wel het geval is, worden deze gezinnen hiervoor gecompenseerd door de zorgaanbieder of de verzekeraar?
Welke ondersteuning krijgen gezinnen die geen gebruik kunnen of willen maken van een kraamhotel?
Zijn bij u signalen bekend dat dit ook in andere regio’s speelt?
Kunt u toelichten welke (regionale) afspraken er zijn gemaakt om te garanderen dat elke vrouw de kraamzorg krijgt waar zij gewoon recht op heeft?
Bieden deze afspraken naar uw overtuiging voldoende zekerheid voor vrouwen?
Hoe wordt de regionale ongelijkheid aangepakt nu sommige delen van Nederland blijkbaar met méér tekorten kampen dan andere?
Bent u bereid om op korte termijn extra financiële middelen beschikbaar te stellen voor verbetering van arbeidsvoorwaarden in de kraamzorg, waaronder salaris en wachttijden?
Kunt u inmiddels verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moeten worden aangemerkt en dienovereenkomstig beloond moeten worden?2
Waarom ontbreekt er nog steeds een serieuze aanpak van de crisis in de kraamzorg, gezien het feit dat kraamverzorgenden en de Tweede Kamer hier kéér op kéér toe hebben opgeroepen? Kunt u inzichtelijk maken wat u hebt gedaan met alle eerdere aanbevelingen om de noodsituatie in de kraamzorg snel aan te pakken, van begin tot eind, van opleiding tot vergoedingen voor reizen en wachten?
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de moties Dijk/Dobbe3, Bikker c.s.4, Dobbe/Van Dijk5, Van Dijk c.s.6, Coenradie7 en Van Meetelen/Van Dijk8? Ziet u in dat uw aanpak tot nu toe niet voldoet aan de oproepen van de Tweede Kamer?
Het recht op onderwijs voor kinderen in de opvang |
|
Lisa Westerveld (GL), Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er de afgelopen jaren geen verbetering is gekomen voor de eerder geïdentificeerde problemen rond het onderwijs voor kinderen in de noodopvang?1
Bent u ingegaan op het verzoek van de Inspectie van het Onderwijs om met hen in gesprek te gaan over de al jarenlang gesignaleerde problematiek in de noodopvang en hun aanbevelingen? Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, gaat u dit doen en op welke termijn?
Bent u het ermee eens dat continuïteit van de schoolloopbaan, ook als jongeren meerderjarig worden, van groot belang is voor een ononderbroken ontwikkeling en het voltooien van de schoolloopbaan – voor de jongere, de samenleving en de economie?
Hoe komt het dat de ononderbroken toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang nog steeds niet goed is geregeld, ondanks dat de Inspectie al jaren aan de bel trekt?
Bent u het ermee eens dat hiermee de rechten van kinderen zoals onder meer beschreven in het Internationale Kinderrechtenverdrag, specifiek artikel 6 op ontwikkeling, worden geschonden en hoe verenigt u deze problematiek met de Leerplichtwet?
Is het door een onafhankelijke partij – niet zijnde de overheid –, zoals de Landsadvocaat, juridisch getoetst of Nederland wel of niet aan het Internationale Kinderrechtenverdrag voldoet inzake het onderwijs aan kinderen uit de noodopvang of de reguliere opvang? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de toegang te waarborgen voor alle kinderen?
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Hoeveel kinderen tussen de 5 en 18 jaar in de noodopvang en de reguliere opvang staan momenteel op de wachtlijst voor onderwijs, uitgesplitst naar onderwijssector?
Hoeveel kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang moesten in 2025 langer dan de de wettelijke termijn van 3 maanden wachten om naar onderwijs geleid te worden?
Klopt het dat het voorkomt dat deze termijn van 3 maanden bij iedere nieuwe verhuizing opnieuw als norm gehanteerd wordt, ondanks dat de termijn officieel slechts eenmalig geldt voor kinderen en jongeren die net in Nederland zijn aangekomen? Zo ja, bij hoeveel kinderen bleek dit in de afgelopen 3 jaar het geval?
Hoe groot is momenteel het capaciteitstekort over heel Nederland om kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang ononderbroken onderwijs te kunnen bieden?
In welke regio’s is er sprake van een capaciteitstekort om onderwijs te voorzien voor alle in die regio gevestigde kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang?
Heeft u zicht op hoe vaak kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang verhuizen en hoeveel onderwijstijd ze daardoor verliezen? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit aantal verhuizingen en de daardoor verloren onderwijstijd in kaart brengen?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang door frequente verhuizingen onderwijstijd missen en steeds een nieuwe school en nieuwe leerlingen moeten leren kennen?
Hoe staat het met de uitvoering van de ambitie uit het regeerakkoord om ervoor te zorgen dat kinderen niet continu verhuisd worden en welke acties zijn er al ondernomen? Welke acties gaat u ondernemen om dat continu verhuizen te voorkomen?
Klopt het dat kinderen in de noodopvang die over enkele maanden 18 worden, niet meer toegelaten worden tot onderwijsvoorzieningen voor kinderen in de noodopvang en blijven de bewuste kinderen daardoor langer op de wachtlijst? Hoe zit dit voor kinderen in de reguliere opvang?
Welke oplossingen voorziet u om te garanderen dat ieder kind toegang tot onderwijs krijgt, ook als ze binnen enkele maanden 18 worden?
Overweegt u daarbij meer flexibiliteit te voorzien waardoor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang in het jaar dat ze 18 worden het leerjaar kunnen afmaken, ook nadat ze meerderjarig zijn geworden? Zo niet, waarom niet?
Welke mogelijkheden ziet u om de capaciteit van onderwijs voor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang op te schalen zodat er geen wachtlijsten meer zijn en welke van die mogelijkheden zult u benutten en welke niet? En waarom die keuze?
Welke acties gaat u ondernemen om tekorten aan gekwalificeerde docenten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang op te lossen?
Hoeveel bijkomende financiering zou er nodig zijn om alle wachtlijsten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang weg te werken?
Kunt u dat budget vrijmaken? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de verantwoordelijkheden over het garanderen van toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang over vele partijen versnipperd is, wat zal u doen om meer coördinatie te garanderen? Zal het Rijk hier meer regie op pakken?2
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Strafbaarstelling van kritiek op de Chinese regering |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat per 1 juli 2026 in China een wet in werking treedt die kritiek op de regering strafbaar stelt?1
Is het juist dat ook personen die buiten China kritiek op de Chinese regering uiten daardoor strafbaar zijn en bij aankomst in China daarom gearresteerd kunnen worden?
Indien de vorige vraag door u niet ontkennend beantwoord kan worden, wat gaat u dan doen om Nederlanders die naar China willen gaan te waarschuwen dat zij het risico lopen in China gearresteerd te worden als zij eerder kritiek op de Chinese regering hebben geuit?
Heeft de bedoelde wet terugwerkende kracht voor daden die gepleegd zijn vóór de inwerkingtreding van die wet?
Is in die wet duidelijk omschreven wat wordt verstaan onder kritiek op de Chinese regering?
Klopt het dat daaronder ook wordt verstaan het uiten van gedachten die in strijd zijn met de Chinese claim dat Taiwan en inwoners van Taiwan onderdeel zijn of moeten zijn van de Volksrepubliek China?
Wilt u deze vragen voor 30 juni beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?