Uitstroom van beleggers uit woningfondsen |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vesteda poogt massale uitstroom beleggers uit woningfonds te beperken»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat (internationale) beleggers op grote schaal kapitaal terugtrekken uit Nederlandse woningfondsen?
De verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Kunt u in kaart brengen wat de omvang is van de (verwachte) uitstroom van kapitaal uit Nederlandse woningfondsen in de afgelopen jaren en op dit moment met daarbij een onderscheidt tussen nationaal en internationaal kapitaal?
Het is onbekend hoeveel kapitaal er exact is uitgestroomd bij woningfondsen en welke investeerders redempties hebben aangevraagd. De nationaliteit van deze investeerders betreft geen openbare informatie. Het kabinet is niet bekend met vergelijkbare situaties als bij Vesteda. Aangezien Vesteda de grootste woningbelegger van Nederland is en investeerders hier slechts eens in de zeven jaar een dergelijke redemptie kunnen aanvragen, valt deze casus het meest op.
Naast dat (buitenlandse) investeerders via een woningfonds investeren, kunnen ze dit ook direct doen. De omvang van de woningfondsen geeft dus een beperkt beeld van het geïnvesteerde volume. Zo is de voorraad huurwoningen in bezit van internationale beleggers – zonder tussenkomst van een woningfonds – in 2025 gedaald tot ruim 72.500, terwijl dit in 2024 ruim 80.000 huurwoningen betrof.2
De afname van buitenlandse investeerders in nieuwbouw huurwoningen is een recente ontwikkeling. In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3 Het vertrek van buitenlandse investeerders uit de Nederlandse woningmarkt is een zorgelijke ontwikkeling, omdat Nederland voor een grote nieuwbouwopgave staat in de huursector, waar veel investeringen voor nodig zijn. Nederlandse investeerders, private partijen en woningcorporaties gezamenlijk, hebben onvoldoende kapitaal om deze opgave in te vullen en dus zijn buitenlandse investeringen essentieel.
Welke gevolgen heeft deze uitstroom voor investeringen in de Nederlandse woningmarkt, in het bijzonder voor de bouw van (midden)huurwoningen en het aantal beschikbare huurwoningen?
In zijn algemeenheid leidt uitstroom van investeringen, indien deze niet gecompenseerd wordt door investeringen die instromen, tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Het kabinet blijft de voorraad huurwoningen monitoren, en werkt ondertussen door aan afspraken uit het Coalitieakkoord op dit belangrijke dossier. Namelijk door de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. De eerste resultaten op dit vlak zijn inmiddels geboekt (zie ook het antwoord op vraag 15). Het kabinet gaat hier via de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw verder invulling aan geven. Na de zomer volgt het actieplan met daarin meer maatregelen en verdere uitwerkingen.
Kunt u daarnaast in kaart brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70% voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten en hoeveel woningen hierdoor geraakt worden?
Institutionele beleggers nemen doorgaans een groot deel van een nieuwbouwproject op zich. Als een institutionele belegger instapt, wordt de eis van 70 procent voorverkoop vaak sneller gehaald. Het is niet mogelijk om exact in kaart te brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70 procent voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten. Dit komt omdat er geen openbare data beschikbaar is over de mate waarin institutionele beleggers per project deelnemen en wat de exacte timing van hun betrokkenheid is.
Kunt u in kaart brengen hoe breed de problematiek van redemptieverzoeken speelt onder (internationale) pensioenfondsen en andere institutionele beleggers, en wat dit betekent voor de investeringscapaciteit in de Nederlandse woningmarkt?
Zoals in vraag 3 beantwoord is het kabinet niet bekend vergelijkbare situaties zoals die van Vesteda, maar blijft het kabinet de situatie monitoren en werkt het verder aan beleid om het investeringsklimaat te verbeteren. Indien grootschalige redemptie plaatsvindt, zonder dat genoeg investeerders instromen, leidt dit tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit zal ertoe leiden dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Welke rol speelt de fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen bij hun bereidheid om in Nederland te investeren in woningbouw?
De mate waarin buitenlandse partijen – waaronder ook pensioenfondsen – bereid zijn om in de Nederlandse woningmarkt te investeren is afhankelijk van verschillende factoren. In de praktijk is het de optelsom van factoren die investeerders doet besluiten wel of niet in Nederland te investeren in Nederland. Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.4 Deze verschillende factoren en de verscheidenheid aan investeerders maken het niet mogelijk het precieze effect van de fiscale behandeling op het investeringsgedrag van pensioenfondsen aan te geven. Wel heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen. SEO geeft daarbij aan dat de maatregel met de meeste impact op het investeringsklimaat in brede zin de regulering van de middenhuursector is. SEO heeft niet specifiek de situatie van buitenlandse pensioenfondsen onderzocht. Wel doet SEO de aanbeveling om de toepassing van de pensioenfondsvrijstelling in de vennootschapsbelasting bij buitenlandse pensioenfondsen nader te onderzoeken naar aanleiding van signalen hierover uit de praktijk.
De Nederlandse vennootschapsbelasting maakt geen onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Naast Nederlandse pensioenfondsen kunnen in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de vrijstelling in de vennootschapsbelasting. Deze vrijstelling werkt ook door naar de dividendbelasting.5 In het buitenland gevestigde pensioenfondsen kunnen zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. Met het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb is ingevuld wanneer sprake is van een pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling.6 De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie op het SEO onderzoek bekijkt de Belastingdienst momenteel zorgvuldig of en zo ja welke voorwaarden in het beleidsbesluit modernisering behoeven. Voor zover de knelpunten binnen het huidig rechtskader kunnen worden weggenomen kan dit gebeuren door middel van kennisgroepstandpunten die worden gepubliceerd op de website van de Belastingdienst en/of door aanpassing van het beleidsbesluit. Ter illustratie, onlangs is een tweetal kennisgroepstandpunten gepubliceerd om duidelijkheid te creëren over de toepasselijkheid van de pensioenfondsvrijstelling.7 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.8
Deelt u de opvatting dat ongunstige fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen ertoe kan leiden dat Nederland investeringen in de woningmarkt misloopt? Zo ja, hoe groot acht u dit effect?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid in kaart te brengen welke fiscale knelpunten buitenlandse pensioenfondsen ervaren bij investeringen in de Nederlandse woningmarkt en welke mogelijkheden er zijn om deze knelpunten weg te nemen?
Zoals in het vorige antwoord naar voren komt, is de aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. In het nieuwsartikel en de bovengenoemde vragen worden enkele punten naar voren gebracht waaraan het kabinet werkt met als doel verbetering van het investeringsklimaat voor woningbouw. Zo is het kabinet voornemens het tarief van de overdrachtsbelasting voor investeerders te verlagen naar 7%. Daarnaast is het kabinet voornemens om voorafgaand aan de evaluatie de Wet betaalbare huur te optimaliseren om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Ten aanzien van de pensioenfondsvrijstelling gaat de Belastingdienst kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb9 nog actueel zijn en modernisering behoeven. De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet en er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Het toetsen aan de voorwaarden voor buitenlandse pensioenfondsen kan bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen.
Verder is het kabinet bekend met het signaal dat de wijziging van het fbi-regime een pijnpunt kan zijn voor vastgoedbeleggingen. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou echter betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van zo’n nieuw fiscaal regime is ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.10 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.11 Wat betreft de earningsstrippingmaatregel zal het kabinet – in navolging van de aanbeveling uit het SEO-rapport – verder verkennen of, en zo ja in hoeverre, de effecten van deze maatregel voor vastgoedbedrijven beter in beeld kunnen worden gebracht aan de hand van de bij de Belastingdienst beschikbare gegevens. Voor private verhuurders die investeren in de bouw van nieuwe middenhuurwoningen zoekt het kabinet in de Taskforce Versnelling Woningbouw naar aanvullende oplossingen om het investeringsklimaat te verbeteren. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen. Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt.12
Zou u in de hiervoor genoemde verkenning naar fiscale knelpunten de in het nieuwsartikel genoemde afschaffing van de fiscale beleggingsinstelling (FBI)-status en de renteaftrekbeperking en de pensioenfondsvrijstelling willen meenemen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u hierover in gesprek met (internationale) beleggers en pensioenfondsen, en zo ja, wat zijn de belangrijkste signalen die u uit deze gesprekken ontvangt?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over de recente ontwikkelingen. In deze gesprekken komen verschillende signalen naar boven die verklaren waarom de investeringen zijn afgenomen. Een aantal Nederlandse pensioenfondsen geeft aan dat zij tegen de grenzen aanloopt van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd. Door het verslechterde investeringsklimaat zijn met name buitenlandse investeerders minder bereid om in Nederlandse woningen te investeren. Nederlandse institutionele investeerders die wel nog investeringsruimte hebben, hebben ook moeite met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Het kabinet krijgt signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huurbeleid en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid en dus een minder aantrekkelijk investeringsklimaat. Ook hoort het kabinet in gesprekken met de sector dat indien de rente en/of bouwkosten stijgen, dat het dan nog lastiger wordt om investeringen in woningen rond te rekenen.
Waarom is er nog geen kabinetsreactie op het onderzoek naar het Investeringsklimaat middenhuur dat SEO Economisch Onderzoek heeft verricht in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Financiën, terwijl dit samenhangt met belangrijke trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, en een belangrijke basis moet vormen voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Op 20 april jl. heeft het kabinet uw Kamer de kabinetsreactie op het onderzoek Investeringsklimaat middenhuur van SEO Economisch Onderzoek gestuurd. Vanwege de demissionaire status van het vorig kabinet tijdens publicatie van het onderzoek was dit nog niet gedaan.
Zou u in kaart willen brengen welke impact deze vertraging van de kabinetsreactie heeft op trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, maar ook voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Vertraging van de kabinetsreactie heeft op zichzelf geen impact op het investeringsklimaat en de woningbouw. Wel is het natuurlijk goed dat een nieuw kabinet is aangetreden en missionair het woningtekort kan aanpakken. Dit kabinet heeft hiervoor onder andere een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld met als doel binnen zes maanden een integraal programma op te stellen dat de koers uitzet hoe zo snel als mogelijk de jaarlijkse realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar bereikt kan worden. Eén van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Wat is de stand van zaken van het plan van aanpak om de verruimde staatssteunruimte voor middenhuur te benutten, zoals verzocht in de motie-Vedder c.s. (Kamerstuk 36 600-XXII, nr. 35)?
Het is goed nieuws dat de Europese Commissie op 16 december 2025 mogelijk heeft gemaakt om staatssteun in te kunnen zetten voor middenhuur. Op dit moment brengt het kabinet de verschillende mogelijkheden voor de implementatie in kaart, ook voor provincies en gemeenten. Er zijn verschillende opties denkbaar binnen de door de Europese Commissie gestelde kaders. Zoals Uw Kamer is toegezegd, wordt u vóór de zomer een plan van aanpak gepresenteerd. De gekozen optie zal worden uitgewerkt in een wijziging van de Woningwet.
Welke kansen ziet u om via publiek-private samenwerking (PPE-constructies), garantstellingen of andere instrumenten de investeringsbereidheid van (institutionele) beleggers in de middenhuur te vergroten, en hoe gaat u deze kansen concreet benutten?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig worden vormgegeven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van (midden)huurwoningen weer kan toenemen. In dat kader heeft het kabinet een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld. Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan ingaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.
Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in Hoenderloo»?1
Ja
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»? Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
De IGJ beschrijft hoe een optelsom van factoren maakt dat ze een terrein met potentiële grote risico’s voor jongeren zien. Dit herken ik en dit baart mij zorgen.
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat er op dit moment 16 unieke zorgaanbieders gevestigd zijn op het terrein. Dit verschilt van de 20 zorgaanbieders die de IGJ voor het recente toezicht heeft kunnen herleiden. Het verschil laat zich verklaren door twee factoren: een aantal aanbieders heeft het terrein in de afgelopen periode verlaten en de gehanteerde telwijze verschilt, waarbij soms wordt uitgegaan van unieke aanbieders met meerdere vestigingen en soms van de afzonderlijke vestigingen of locaties zelf.
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar later de situatie nog steeds zorgelijk is?
De bevindingen van de IGJ zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is het niet zo dat er sinds 2024 niets is gebeurd. De IGJ is al langere tijd actief bij een aantal aanbieders op het Hoenderloo-terrein. Er zijn sinds 2024 meermaals meldingen opgepakt, deze worden echter niet gepubliceerd.
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat het platform nog steeds actief is en eens per 6 weken samenkomt. Een afvaardiging van de zorgaanbieders op het terrein, dorpsbelangenverenigingen, De Vos Groep, gemeente Apeldoorn en de wijkagent sluiten aan bij dit overleg. Binnen het platform worden signalen, bijzonderheden en actuele ontwikkelingen in Hoenderloo gedeeld en waar nodig afgestemd. Samenwerking wordt hier gestimuleerd en er worden afspraken over communicatie gemaakt. De korte lijnen hebben bijgedragen aan begrip en een adequate afhandeling bij meldingen. Het platform heeft daarmee vooral een signalerende en verbindende functie, gericht op het delen van informatie, afstemmen tussen partijen en tijdig agenderen van relevante ontwikkelingen.
Aanvullend vindt iedere vier weken overleg plaats met de gebiedswethouder en gebiedsdirecteur. In dit overleg worden de belangrijkste signalen en actualiteiten uit het dorp besproken en, indien nodig, vertaald naar bestuurlijke aandacht of vervolgacties. Concreet gaat het onder meer om een bemiddelende rol van een gebiedsbestuurder, communicatie naar inwoners en (nieuwe) samenwerkingsafspraken.
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet opgeleverd?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als dat nodig is. De gemeente is niet altijd inhoudelijk betrokken bij een casus. Vanuit hun toezichthoudende rol is het nodig dat gemeenten weten van welke aanbieder de jongere de zorg ontvangt. Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is echter niet altijd bekend op welke locatie de cliënt verblijft, dat is voor dit type toezicht ook niet noodzakelijk. De jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp. En de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
In de zoektocht naar passende hulp wordt, bij gebrek aan passende zorg, soms gekozen voor plaatsingen op een zorglocatie ver buiten de regio die oorspronkelijk niet door de gemeente is gecontracteerd. Dergelijke plaatsingen zijn kwetsbaarder. Zo worden er bijvoorbeeld meestal minder eisen gesteld aan plaatsingen via maatwerkcontracten. Het is daarom belangrijk dat er beter zicht komt op deze plaatsingen. Samen met de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) zet ik daarom stappen om één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen buiten de regio die niet in het belang zijn van de jeugdige, in beeld te krijgen en zo veel als mogelijk tegen te gaan. Gemeenten worden daarvoor op zeer korte termijn verzocht om deze zomer deze jongeren per jeugdregio in beeld te brengen, als zijnde een nulmeting. Daarna gaan jeugdregio’s stapsgewijs toe werken naar meer zicht op de jongere en diens zorgbehoefte met als doel dat zij zoveel mogelijk in eigen regio hulp ontvangen. Ook wordt gekeken of er een verklarende analyse is, of de huidige zorg passend is én hoe toegewerkt wordt naar passende zorg voor deze jeugdige. Gemeenten kunnen hier per direct ondersteuning bij krijgen vanuit een landelijk programma vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Ik volg de inspanningen van de gemeenten en verwacht uw Kamer in het najaar te kunnen informeren over de eerste bevindingen.
Vanuit de Hervormingsagenda wordt daarnaast onverminderd ingezet op het verbeteren van het (landelijk) inzicht in het stelsel en het verbeteren van datagedreven werken. Het CBS werkt nu aan een data-infrastructuur voor een centrale monitor van het jeugdstelsel (met o.a. een dashboard en statistieken) en is voornemens na de zomer een eerste versie te lanceren. Deze bevat waar mogelijk cijfers op landelijk, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarnaast zet de VNG in op het stimuleren en verbeteren van datagedreven werken bij gemeenten, waarbij de centrale monitor ook gebruikt kan worden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Ik herken de constateringen uit het onderzoeksrapport van de IGJ. Het organiseren en bieden van passende hulp is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen (overheden/aanbieders/professionals).
Dat er voor jongeren met de meest zware problematiek nog te vaak onvoldoende passende jeugdhulp beschikbaar is, heeft verschillende oorzaken die uiteenlopen van onvoldoende goede (verklarende) analyse aan het begin van een traject tot aan het ontbreken van het benodigd aanbod. Zie daarvoor ook mijn recente brief over acties m.b.t. aanpak t.b.v. passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek.3 Het is niet eenvoudig om passende zorg te organiseren voor jongeren met complexe problematiek en onze inzet zal daarom niet in alle gevallen direct resultaat hebben.
Vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp is volgens de Jeugdwet niet toegestaan. Er wordt volop ingezet op het voorkomen hiervan, onder meer middels het informeren van de sector met de handreiking «Omgaan met dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de open jeugdhulp met verblijf». Deze is in opdracht van VWS opgesteld. Tegelijkertijd zullen er specifieke omstandigheden blijven bestaan waarin de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen nodig is om te zorgen dat een jongere passende hulp kan krijgen. Daarom werk ik, zoals mijn voorganger heeft aangekondigd, aan een wetswijziging om de toepassing van vrijheidsbeperking in specifieke omstandigheden in de open residentiële jeugdhulp mogelijk te maken.
Vanuit de transformatie van de gesloten jeugdhulp wordt gewerkt aan de realisatie van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Onderdeel daarvan is ook het voorkomen dat kinderen gesloten geplaatst worden. Om hier een impuls aan te geven gaan we de bestuurlijke afspraken over de transformatie gesloten jeugdhulp uit 2024 aanvullen en verder concretiseren. Tot slot treffen we vanuit de Hervormingsagenda verschillende maatregelen om de jeugdhulp te verbeteren. Zoals de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, de verbetering van kwaliteit in de sector en de ombouw van residentiële jeugdhulpinstellingen naar kleinschaligheid.
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari 2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik navraag gedaan bij de gemeente Apeldoorn en de politie. De categorieën die in de vraag beschreven zijn, worden niet als dusdanig geregistreerd. Daarom is voor de beantwoording van deze vraag aangesloten bij meldingen zoals deze worden geregistreerd bij de politie.
Sinds 1 januari 2025 heeft de politie in totaal 1.160 meldingen gehad op het Hoenderloo-terrein. Deze waren van de volgende aard:
Daarnaast zijn er in totaal 13 incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van middelengebruik. Er zijn 5 incidenten geweest waarbij sprake was van bedreiging.
Er zijn 19 incidenten geweest waarbij er sprake was van vernieling. Er wordt niet geregistreerd of een bepaald incident een gevoel van onveiligheid bij jongeren tot gevolg heeft. Een gesprek met een politieagent kan bovendien door de ene jongere als beschermend, maar door de ander als onveilig worden ervaren.
Ik heb deze vraag eveneens voorgelegd aan de IGJ. De IGJ beschikt niet over een totaaloverzicht van het aantal incidenten dat sinds 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden op het Hoenderloo-terrein. De IGJ heeft in het toezicht op het Hoenderloo-terrein bij de 20, destijds bij de IGJ bekende zorgaanbieders, het aantal incidenten in de jeugdhulp uitgevraagd. In de periode 2024 tot mei 2025 hebben deze zorgaanbieders 319 incidenten gerapporteerd. Ook zijn zorgaanbieders gevraagd voorbeelden van incidenten te geven. De genoemde voorbeelden heeft IGJ gecategoriseerd in «middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen». De IGJ beschikt echter niet over cijfers over het aantal incidenten per hiervoor genoemde categorie of het aantal incidenten waarbij jongeren zich onveilig voelden.
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Jeugdhulpaanbieders moeten een calamiteit of geweld bij de verlening van jeugdhulp verplicht melden bij de IGJ. Aanbieders hoeven dus niet alle incidenten bij de inspectie te melden. Het is wel belangrijk dat aanbieders deze zelf registreren en analyseren. Tijdens het toezicht kan de inspectie deze incidentenregistratie inzien en meenemen in het toezicht.
In het jaarbeeld van de IGJ staat dat er in 2025 in totaal 1.240 meldingen binnen de jeugdzorg zijn gedaan, waarvan 160 meldingen over calamiteiten, 410 meldingen over geweld en 670 «andere meldingen». De IGJ registreert deze meldingen niet volgens de categorieën middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen.
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
De IGJ publiceert rapporten over individuele aanbieders naar aanleiding van haar toezicht op een hiertoe bestemde website4. Daarbij kan gezocht worden op sector jeugdzorg, publicatiejaar en het soort toezichtdocument. In de rapporten is te lezen wat de aard van het toezicht was en welke opvolging de IGJ hieraan heeft gegeven. Daarnaast publiceert de IGJ overkoepelende rapporten op haar website. Sinds 1 januari 2025 zijn (thematische) rapporten verschenen over de uitvoering van jeugdbescherming, gesloten jeugdhulp, gezinshuizen, pleegzorg, eetstoornissenzorg en het Hoenderloo-terrein. Dergelijke rapporten worden vanuit de IGJ gepubliceerd op haar website. De aanbevelingen uit de rapporten richten zich op de jeugdhulpverleners en landelijke partijen die hier opvolging aan moeten geven.
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben.
Het stelsel van toezicht en controle is in ontwikkeling en er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen. Vanaf 1 januari 2026 moeten bijvoorbeeld (bepaalde) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, op grond van de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, een interne toezichthouder hebben. Daarnaast heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een wettelijke toezichtstaak gekregen op het terrein van de Jeugdwet voor het toezicht op de openbare jaarverantwoording en transparantie financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen (inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027).
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Inspecties en de NZa hebben diverse bestuurlijke, maar ook informele instrumenten om te zorgen dat jeugdzorgaanbieders zich aan de wet- en regelgeving houden. Ook gemeenten hebben bestuursrechtelijk instrumenten tot hun beschikking en kunnen vanuit hun rol als inkoper maatregelen nemen om te zorgen dat kwaliteitseisen worden nageleefd. Het is hierbij van belang dat bestaande bevoegdheden/instrumenten optimaal worden benut en dat multidisciplinaire samenwerking tussen partijen wordt bevorderd. Er zijn en worden nog stappen gezet om samenwerking tussen toezichthouders beter mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van regelgeving die toezichthoudende partijen beter in staat stelt gegevens met elkaar uit te wisselen. Voor meer informatie hierover verwijs ik u ook naar de Kamerbrief over zorgfraude die nog voor de zomer aan uw Kamer wordt toegestuurd. Daarin staat ook dat ik naast het versterken van het toezicht heb besloten een vergunningsplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren. Door toelating, screening en toezicht beter met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhangende aanpak waarbij risico’s en misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Ten slotte zijn er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt met betrokken partijen over de aanpak van zorgfraude. Deze maatregelen dragen in brede zin bij aan een effectief stelstel van toezicht en controle. Er wordt o.a. ingezet op het verder verstevigen en professionaliseren van het gemeentelijk toezicht. Ik ben voornemens om dit met een stimuleringsprogramma verder vorm te geven. Over de invulling hiervan ben ik met de VNG in overleg.
Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
De dood van Henry Nowak als gevolg van etnisch gemotiveerd geweld en institutioneel falen van de Britse politie. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de moord op de 18-jarige Britse student Henry Nowak, die op 3 december 2025 in Southampton vijf keer werd neergestoken met een ceremonieel zwaard en stervend werd geboeid door de politie op basis van de gefabriceerde verklaring van zijn moordenaar?
Hoe oordeelt u over de omstandigheden van de dood van Henry Nowak, waarbij de politie de aanvaller geloofde boven het slachtoffer, mede omdat de aanvaller het slachtoffer beschuldigde van racistische uitlatingen?
Heeft u naar aanleiding van de dood van Henry Nowak uw zorgen geuit over het institutionele falen van de Britse politie bij uw Britse ambtsgenoot en kunt u dit antwoord toelichten?
Indien het antwoord op vraag drie ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een stervend slachtoffer wordt geboeid en medische hulp wordt onthouden, terwijl de dader – die het slachtoffer vals beschuldigde van racistische uitlatingen – ongemoeid werd gelaten?
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse media en de politiek nauwelijks aandacht hebben besteed aan de dood van Henry Nowak, terwijl vergelijkbare zaken met andere slachtoffers wel tot uitgebreide politieke en maatschappelijke reacties leidden?
Hoe verklaart u dit verschil in politieke, journalistieke en maatschappelijke aandacht?
Hoe beoordeelt u het feit dat de laatste woorden van Henry Nowak – «I can't breathe» – identiek zijn aan die van George Floyd, maar geen vergelijkbare politieke of maatschappelijke reactie hebben opgeroepen in Nederland?
Deelt u de opvatting dat consequent anti-racismebeleid betekent dat geweld en institutioneel falen worden veroordeeld ongeacht de achtergrond van het slachtoffer?
Kunt u het antwoord op vraag negen toelichten?
Bent u bereid publiekelijk aandacht te vragen voor de zaak-Nowak en uw medeleven te betuigen aan de familie, zoals ook is gedaan bij vergelijkbare zaken?
Het bericht 'De islam neemt de Duitse klaslokalen over' |
|
Geert Wilders (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente Der Spiegel-artikel van 14 mei 2026, waarin een schooldirectrice in Noord-Duitsland beschrijft hoe een kleine groep islamitische leerlingen met groepsdruk, halal-eisen, verplichte hoofdbedekking voor meisjes vanaf groep 7 en afwijzing van muziek en kerst de hele schoolcultuur naar hun hand zet?1, 2
Erkent u dat de openbare scholen in Nederland in rap tempo islamiseren onder invloed van dezelfde barbaarse ideologie, met almaar hardere eisen over halal-voeding, gebedsruimtes, verplichte bedekkende kleding en aanpassingen van lesstof? Zo nee, waarom niet?
Hoelang blijft u willens en wetens werkeloos toekijken terwijl de barbaarse ideologie onze openbare scholen in hoog tempo islamiseert, totdat we net als in Duitsland het punt bereiken waarop leerkrachten volledig de controle kwijt zijn en de schoolcultuur verloren is?
Waarom durft u de radicale barbaarse ideologie islam die hierachter zit niet gewoon bij naam te noemen, terwijl zelfs een links blad als Der Spiegel spreekt over ondraaglijke groepsdwang en het einde van een normale schoolcultuur? Hoelang blijft u deze gevaarlijke ideologie nog beschermen tegen kritiek, ten koste van Nederlandse leerkrachten, meisjes en de toekomst van ons openbaar onderwijs?
Welke harde maatregelen gaat u nemen, denk aan een duidelijk verbod op islamitische druk op scholen, geen subsidies meer voor extremistische organisaties en strenge handhaving om te voorkomen dat Nederlandse scholen dezelfde kant op gaan als in Duitsland?
Hoe kunt u het nog langer tolereren dat leerkrachten en schoolleiders geïntimideerd en monddood gemaakt worden uit angst voor racismeverwijten, terwijl deze barbaarse ideologie steeds meer terrein wint en onze seculiere scholen dreigt over te nemen?
Het artikel ‘Nederland is inventief maar te weinig commercieel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert , Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland is inventief maar te weinig commercieel» van auteur Killian McCarthy?1
Deelt u de analyse dat Nederland internationaal sterk presteert op innovatie en kennisontwikkeling, maar achterblijft bij de opschaling en commercialisering van innovatieve bedrijven ten opzichte van andere innovatieve economieën?
Heeft u inzicht in het aantal Nederlandse unicornbedrijven en de ontwikkeling daarvan sinds 2010? Zo nee, bent u bereid dit structureel inzichtelijk te maken?
Wordt het aantal unicornbedrijven door u gebruikt als indicator voor de effectiviteit van het Nederlandse startup- en scale-up ecosysteem en het investeringsklimaat? Zo nee, waarom niet?
Wat is de actuele stand van zaken van de gesprekken met de pensioensector over investeringen in Nederlandse technologiebedrijven en scale-ups?
Kunt u inzicht geven in de omvang van investeringen van Nederlandse institutionele beleggers, waaronder pensioenfondsen en verzekeraars, in durfkapitaal en venturecapitalfondsen over de afgelopen tien jaar?
Welke aanvullende maatregelen neemt u om de beschikbaarheid van groeikapitaal voor startups en scale-ups te vergroten, aanvullend op de inzet via Invest-NL, de Nationale Investeringsinstelling, het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de gesprekken met pensioenfondsen?
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige beleid voldoende aansluit bij de behoeften van bedrijven in de zogenoemde grow-upfase? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre richt het kabinetsbeleid zich op het vergroten van exitmogelijkheden voor startups en scale-ups, waaronder beursgangen en strategische overnames?
Wat is naar verwachting het effect van het wetsvoorstel Implementatiewet noteringen en benchmarks2 op het aantal beursgangen (IPO’s) en het vestigingsklimaat voor groeibedrijven in Nederland?
Wat is uw inzet om het ondernemersvliegwiel te verbeteren en werknemersparticipatie bij start ups aantrekkelijker te maken?
Welke maatregelen zijn er op fiscaal vlak in de in het artikel genoemde landen Zweden, Estland en Ierland, maar ook in de VS, Israël en Singapore, die specifiek innovaties verder ondersteunen?
Welke aanvullende beleidsmaatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat Nederlandse innovaties vaker doorgroeien tot internationaal concurrerende ondernemingen?
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het rondetafelgesprek in de Kamer over belastingmaatregelen ter ondersteuning van startups en scale-ups op 11 juni 2026?
Het bericht ‘Hoe de Waddentop in Esbjerg uitmondde in een deceptie’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het verloop en de uitkomsten van de trilaterale Waddenzeeconferentie in Esbjerg?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er geen gezamenlijke regeringsverklaring tot stand is gekomen tussen Nederland, Duitsland en Denemarken?
Deelt u de mening dat voor een goede bescherming van het Werelderfgoed Waddenzee goede internationale afspraken onontbeerlijk zijn?
Acht u intensievere samenwerking tussen de Waddenzeelanden noodzakelijk gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het beschermen van de Waddenzee als ecologische eenheid en UNESCO Werelderfgoed?
Welke concrete resultaten zijn volgens u, ondanks het uitblijven van een regeringsverklaring, wel bereikt tijdens de conferentie in Esbjerg?
Welke prioriteiten stelt Nederland tijdens het aankomende voorzitterschap van de Trilaterale Waddenzee Samenwerking?
Welke concrete doelen wil Nederland tijdens het voorzitterschap bereiken op het gebied van natuurherstel, klimaatadaptatie en ecologische bescherming van de Waddenzee?
Welke stappen gaat Nederland als voorzitter zetten om te komen tot meer gezamenlijke en bindende afspraken tussen de drie Waddenzeelanden?
Hoe gaat Nederland zich tijdens het voorzitterschap inzetten voor betere afstemming over grootschalige infrastructuurprojecten, zoals de aanleg van stroomkabels door het Waddengebied?
Hoe gaat Nederland tijdens het voorzitterschap voorkomen dat nationale verschillen blijven leiden tot versnipperde besluitvorming binnen de trilaterale samenwerking?
Wanneer is de eerstvolgende geplande bestuurlijke bijeenkomst in het kader van de trilaterale Waddenzee-samenwerking?
Het UNRWA-terror-network |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek van UN-Watch inzake de verwevenheid van UNRWA met terroristische organisaties?1
Is het u bekend dat in de VS een verdergaand onderzoek gaande is gericht op ca. 1.500 UNRWA medewerkers en dat wordt onderzocht/overwogen om UNRWA aan te wijzen als terroristische organisatie?2
Deelt u de mening dat deze informatie over verwevenheid van een VN-organisatie (waar Nederland veel geld in steekt) met terroristen buitengewoon verontrustend is?
Blijft u nog steeds op uw handen zitten of gaat u actie ondernemen? Zo ja, wat gaat u doen?
Ernstige bijtincidenten met honden en preventieve maatregelen rond hoog-risicohonden |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de aanval door een hond op een 7-jarige jongen in Hilversum, waarbij het slachtoffer ernstig gewond is geraakt?1
Kunt u aangeven hoeveel ernstige bijtincidenten met honden de afgelopen vijf jaar bekend zijn en in hoeveel gevallen daarbij kinderen betrokken waren?
Welke ontwikkelingen ziet u in het aantal meldingen van ernstige bijtincidenten met honden?
Deelt u de opvatting dat verantwoord hondenbezit vraagt om duidelijke verantwoordelijkheid van eigenaren, zeker wanneer sprake is van honden met een verhoogd risico op agressief gedrag?
Hoe beoordeelt u de werking van de huidige Nederlandse aanpak rond hoog-risicohonden en ernstige bijtincidenten?
In hoeverre verschillen gemeentelijke beleidsregels en handhaving momenteel als het gaat om hoog-risicohonden en acht u deze verschillen wenselijk?
Welke mogelijkheden bestaan momenteel om eerder in te grijpen wanneer sprake is van signalen van gevaarlijk gedrag van honden of onverantwoord eigenaarschap?
Welke rol ziet u voor preventieve maatregelen, zoals gedragsbeoordelingen, trainingen voor eigenaren, socialisatie of aanvullende voorwaarden bij honden met een verhoogd risico?
Wordt momenteel voldoende ingezet op verantwoord fokken en voorlichting aan hondenbezitters om agressief gedrag zoveel mogelijk te voorkomen?
Heeft u kennisgenomen van buitenlandse voorbeelden, zoals in Ierland, waar voor specifieke hoog-risicohonden aanvullende regels gelden zoals een muilkorf- en aanlijnplicht in de openbare ruimte?
Welke lessen ziet u in dergelijke buitenlandse aanpakken voor Nederland waar het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten?
In hoeverre acht u aanvullende landelijke kaders voor hoog-risicohonden, zoals duidelijke regels rond aanlijnen, muilkorven of verantwoordelijkheid van eigenaren, wenselijk of effectief?
Waar ziet u op dit moment de belangrijkste tekortkomingen in wet- en regelgeving of handhavingsmogelijkheden als het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten met honden?
Welke mogelijkheden ziet u om deze tekortkomingen weg te nemen en de bescherming van omwonenden, voorbijgangers en in het bijzonder kinderen verder te versterken?
Hoe beoordeelt u de huidige mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij fatale incidenten? Acht u het bestaande instrumentarium voldoende effectief en afschrikwekkend?
Deelt u de opvatting dat van eigenaren van honden die een verhoogd risico vormen voor hun omgeving een grotere verantwoordelijkheid mag worden verwacht en dat daar waar nodig passende consequenties tegenover moeten staan wanneer die verantwoordelijkheid onvoldoende wordt genomen?
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de aangekondigde maatregelen rondom hoog-risicohonden, waaronder het landelijk meldpunt, de ontwikkeling van een houdercursus en overige preventieve maatregelen?
Welke resultaten zijn sinds de aankondiging van deze maatregelen bereikt en op welke wijze wordt gemonitord of deze daadwerkelijk bijdragen aan het terugdringen van ernstige bijtincidenten?
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van mensen en in het bijzonder van kinderen altijd voorop moet staan bij beleid rond hoog-risicohonden?
De praktische organisatie en naleving rond het Offerfeest 2026 |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over het toezicht tijdens het Offerfeest 2026?1
Kunt u toelichten welke lessen uit eerdere edities van het Offerfeest concreet zijn verwerkt in de aanpak voor 2026, zowel ten aanzien van dierenwelzijn als handhaving en preventie van overtredingen?
Gelet op het feit dat de NVWA meldt dat in 2025 een groter aandeel dieren bedwelmd is geslacht, welke factoren hebben volgens u aan deze ontwikkeling bijgedragen en ziet u mogelijkheden om deze ontwikkeling verder te versnellen?
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van vermijdbaar dierenleed altijd leidend moet zijn bij beleid rondom rituele slacht?
Hoe beoordeelt u vanuit dierenwelzijnsperspectief het feit dat dieren bij onverdoofde slacht aantoonbaar langer bij bewustzijn kunnen blijven en daarbij meer stress en pijn ervaren?
Bent u bekend met signalen van dierenartsen en dierenwelzijnsorganisaties dat dieren tijdens onverdoofde slacht langdurig worden gefixeerd, worden gekanteld in zogenoemde kantelboxen en in sommige gevallen herhaaldelijk moeten worden aangesneden voordat bewustzijnsverlies optreedt?2
Hoe wordt tijdens het Offerfeest gecontroleerd dat dieren direct na de halssnede voldoende bewustzijnsverlies vertonen en welke maatregelen worden genomen wanneer dat niet het geval is?
Bent u bekend met wetenschappelijke kritiek op de zogenoemde waterbadmethode bij pluimvee, waarbij dieren wel bewegingsloos maar niet volledig buiten bewustzijn zouden zijn?3
Hoe beoordeelt u het risico dat dieren bij toepassing van de waterbadmethode alsnog bij bewustzijn de halssnede ondergaan of levend in verdere slachtprocessen, zoals de broeibak, terechtkomen?
Deelt u de opvatting dat technieken waarbij dieren langdurig bij bewustzijn blijven, zichtbaar stress ervaren of hun eigen slachtproces meemaken, zo veel mogelijk moeten worden uitgebannen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat uitzonderingen voor religieuze slachtmethoden telkens opnieuw worden verlengd, terwijl het maatschappelijke en politieke draagvlak voor verdere verbetering van dierenwelzijn groeit?
Deelt u de opvatting dat de overheid een duidelijke norm moet uitdragen dat bedwelmde slacht de standaard is en het onverdoofd slachten of koken van dieren verboden hoort te zijn?
Welke aanvullende mogelijkheden ziet u om dierenwelzijn tijdens het Offerfeest verder te verbeteren en het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen, bijvoorbeeld via reversibele bedwelming of strengere voorwaarden aan slachtmethoden?
Bent u bereid om na afloop van het Offerfeest 2026 de aanpak te evalueren met de NVWA, gemeenten, slachthuizen en betrokken maatschappelijke en religieuze organisaties en de Kamer daarbij expliciet te informeren over mogelijkheden om het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen?
Het bericht dat op middelbare scholen commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat op middelbare scholen, zoals bij het Mondial College in Nijmegen, commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school?1
Klopt het dat commerciële partijen via schermen en posters in scholen op deze manier onder de aandacht worden gebracht bij leerlingen tijdens schooltijd?
Deelt u de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving horen te zijn en geen plek waar kinderen worden verleid met commerciële advertenties? Zo nee, waarom niet?
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak het voorkomt dat scholen commerciële advertenties via schermen of posters tonen? Kun u aangeven over wat voor soort producten dit gaat en waar in de scholen deze worden tentoongesteld?
Deelt u de opvatting dat wanneer een externe partij geld verdient aan de aandacht van leerlingen, dit niet op thuishoort?
Deelt u de opvatting dat scholen minderjarigen horen te beschermen tegen ongewenste commerciële reclames, juist ook vanwege het groeiende aantal jongeren met schuldenproblematiek, de impulsaankoopgevoeligheid en de grote mentale druk onder jongeren om erbij te horen?
Hoe voorkomt u dat commerciële partijen via scholen ongewenst invloed krijgen op het consumptiegedrag van kinderen, waarbij kinderen een extra kwetsbare doelgroep zijn, zowel vanwege hun leeftijd als het feit dat zij de plek van adverteren (de school) niet kunnen mijden?
Bestaan er op dit wetgeving of afspraken over commerciële reclames binnen schoolgebouwen in onderwijs? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Kunt u inzicht geven in de afspraken die scholen hebben met deze commerciële partijen en hierbij ook inzicht geven in wat er gebeurt met de opbrengsten van het beschikbaar stellen van reclameplekken door scholen?
Is het mogelijk om reclameuitingen op scholen te verbieden? Waarom wel of niet en welke subsidiaire mogelijkheden zijn er?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor de behandeling van de Slotwet OCW 2025?2
De positie van christenen in India |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Harde maatregelen tegen christenen in India: water en werk geweigerd»?1
Beschikt u over eigen informatie over de in het artikel beschreven situatie? Klopt het dat christelijke gemeenschappen via boycotmaatregelen onder druk worden gezet om hun geloof af te zweren?
Bent u bereid om deze situatie, zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen van de Indiase autoriteiten en daarbij aan te dringen op bescherming van de getroffen christelijke gemeenschappen en op toegang tot de waterbronnen, banen binnen het overheidsprogramma en de producten uit het bos? Zo nee, waarom niet?
Hoe taxeert u de antibekeringswet die is aangenomen door de Indiase deelstaat Chhattisgarh?2 Is deze wet inderdaad in strijd met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Op welke wijze heeft u deze kwestie aangekaart, zowel in bilateraal als in EU-verband?
Kunt u in bredere context de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India schetsen? Deelt u de zorgen over onderdrukking van deze minderheden in India?
Wordt de situatie van christenen en andere religieuze minderheden in India expliciet betrokken bij de Nederlandse inzet ten aanzien van de betrekkingen met India? Zo ja, op welke wijze?
Is christenvervolging als gespreksonderwerp aan bod gekomen tijdens het recente bezoek van Minister-President Modi aan Nederland, conform motie-Bikker/Stoffer (Kamerstuk 36 800, nr. 56)? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete stappen zet Nederland momenteel in EU- en VN-verband ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India? Bent u bereid tot extra inzet? Zo nee, waarom niet?
Het Wetsvoorstel strafbaarstelling illegaal verblijf |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen gewijzigde motie van de leden Keijzer en Markuszower over het met grote spoed naar de Kamer sturen van het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State en het wetsvoorstel inzake de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme (Kamerstuk 23 432, nr. 662)?
Kunt u toelichten waarom deze motie tot op heden nog niet is uitgevoerd en waarom het nader rapport en het wetsvoorstel nog niet aan de Tweede Kamer zijn toegezonden?
Deelt u de opvatting dat spoedige behandeling van het wetsvoorstel, gelet op de maatschappelijke en nationale veiligheidsbelangen, noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Op welke uiterste datum verwacht u het nader rapport en het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer te sturen?
Bent u bereid deze vragen binnen enkele dagen te beantwoorden?
Het bericht ‘Opnieuw bloedbad in Congo: tientallen christenen vermoord’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Opnieuw bloedbad in Congo: tientallen christenen vermoord»?1
Hoe taxeert u momenteel de conflictsituatie in Oost-Congo? Wat is de inzet van Nederland, zowel bilateraal als in EU-verband, voor duurzame vrede in de regio? Welke stappen worden de komende tijd gezet?
Heeft u aanwijzingen dat burgers gericht werden aangevallen vanwege het feit dat ze christen zijn? Zo ja, wat betekent dit voor de inzet van het kabinet?
Welke mogelijkheden komen uit het onderzoek om de Allied Democratic Forces (ADF) op de Europese terrorisme-sanctielijst te plaatsen?2
Wat is de inzet van het kabinet, juist gezien de ebola-uitbraak in de regio, om bij te dragen aan zo goed mogelijke toegang tot medische zorg?
Het gebrek aan draagvlak voor de uitvoering van de Spreidingswet en de inzet van dwangmaatregelen jegens gemeenten |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Asielminister Van den Brink wil uitleg over opvangplekken: dit is het tekort in jouw gemeente»?1
Kunt u bevestigen dat op dit moment 250 van de 342 gemeenten niet voldoen aan de taakstelling uit de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (hierna: de Spreidingswet), en dat ruim honderd gemeenten in het geheel geen opvang bieden?
Indien de cijfers in bovenstaande vraag niet correct zijn, hoeveel gemeenten voldoen op dit moment dan niet aan de taakstelling van de Spreidingswet en hoeveel gemeenten bieden in zijn geheel geen opvang?
Deelt u de opvatting dat een situatie waarin bijna driekwart van de gemeenten niet aan de wettelijke taak voldoet, wijst op een breed en structureel gebrek aan maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de gedwongen vestiging van asielzoekerscentra?
Indien u de in vraag 4 verwoorde opvatting niet deelt, hoe verklaart u dan dat na ruim twee jaar werking van de wet slechts 92 gemeenten aan hun opgave voldoen?
Acht u het uitvoerbaar en proportioneel om een wet met dwang te handhaven waarvan de naleving bij een ruime meerderheid van de gemeenten uitblijft?
Indien het antwoord op vraag 6 bevestigend luidt, op grond van welke afweging?
Is er naar uw oordeel een omstandigheid denkbaar die een tekort aan opvangplekken in een gemeente kan rechtvaardigen?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke omstandigheden acht u dan legitiem, en betrekt u daarbij factoren als het ontbreken van lokaal draagvlak, ruimtelijke beperkingen en zorgen over de openbare orde en veiligheid?
Indien het antwoord op vraag 8 ontkennend luidt, met welk oogmerk nodigt u gemeenten dan uit om uitleg te komen geven, indien de uitkomst van die gesprekken reeds op voorhand vaststaat?
Kunt u uiteenzetten in welke gevallen een door een gemeente aangevoerde reden kan leiden tot bijstelling van haar taakstelling?
Acht u het wenselijk de autonomie van 250 gemeenten te doorkruisen door over te gaan tot actief toezicht en, in laatste instantie, tot het aanwijzen van opvanglocaties die gemeenten verplicht zijn te accepteren?
Erkent u dat het zelf aanwijzen van opvanglocaties, tegen een besluit van de gemeenteraad in, een vergaande inbreuk vormt op de lokale democratische besluitvorming?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid af te zien van dwangmaatregelen jegens gemeenten waar aantoonbaar geen lokaal draagvlak bestaat?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, waarom weegt de uitvoering van de taakstelling voor u zwaarder dan de uitkomst van het lokale democratische proces?
Bent u bereid de Spreidingswet in te trekken indien de medewerking van gemeenten niet wezenlijk verbetert?
Indien u niet bereid bent tot intrekking, bent u dan bereid een gedoogbeleid te voeren waarbij de dwangbepalingen van de Spreidingswet niet worden uitgevoerd zolang het vereiste lokale draagvlak ontbreekt?
Waarom kiest u niet voor het reduceren van de instroom tot nihil, als structurele oplossing?
Beschikt uw ministerie over voldoende ambtelijke capaciteit (fte) om de circa 250 niet-voldoende presterende gemeenten onder actief toezicht te plaatsen?
Kunt u kwantificeren hoeveel fte gemoeid is met het onder actief toezicht plaatsen van één gemeente, en welk totaal beslag dit zou leggen indien dit voor 250 gemeenten gelijktijdig zou moeten geschieden?
Indien de daarvoor benodigde capaciteit ontbreekt, betekent dit dan dat het instrument van actief toezicht in de praktijk slechts selectief of symbolisch kan worden ingezet?
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot een gelijke behandeling van gemeenten?
Hoe verhoudt het uitnodigen van gemeentebestuurders om zich op uw ministerie te verantwoorden zich tot gemeentelijke autonomiteit?
Bent u bereid de verslagen of notulen van de gesprekken met gemeenten openbaar te maken, dan wel vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage te geven?
Indien u daartoe niet bereid bent, waarom niet?
Het vooroplopen van Nederland in de halfgeleiderindustrie |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Onderschrijft u de conclusie uit de European Semiconductor Demand Study van 21 mei 2026 dat de Europese chipvraag richting 2040 verdubbelt? Welke consequenties trekt zij daaruit?1
Klopt het dat de ambitie van de eerste Europese chipverordening een Europees marktaandeel van 20% was, en dat dit aandeel nu 8% bedraagt en bij de modernste chips zelfs 3%? Welke harde lessen trekt u hieruit?
Herinnert u zich uw eerdere antwoord dat het kabinet «de komende weken» met het veld tot een shortlist van projecten zou komen, en kunt u bevestigen dat deze toezegging dateert van april 2026? Ligt deze shortlist er, en bent u bereid deze per ommegaande met de Kamer te delen?
Welke financiële omvang is gekoppeld aan de projecten op de shortlist?
Kunt u bevestigen dat u eerder heeft gesteld dat privaat financieel commitment essentieel is voor de uitvoering? Erkent u dat bedrijven juist wachten op een helder signaal van de overheid voordat zij investeren, en dat het huidige proces dit kip-en-ei-probleem in stand houdt? Hoe duidt u het in dit verband dat een project als ChipNL wel is opgenomen in de Nationale Technologiestrategie, maar zonder bijbehorende financiering?
Kunt u bevestigen dat u eerder heeft aangegeven dat geen scenario's zijn doorgerekend voor het wegvallen van private investeringen in sleuteltechnologieën? Acht u dit, gezien de nu beschikbare cijfers over de Europese marktpositie, nog wenselijk?
Kunt u bevestigen dat de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat samen met stakeholders zes hoogtechnologische markten zou stimuleren? Wanneer rapporteert deze taskforce concreet aan de Kamer?
Hoe verhouden de Semicon Visie 2035, de Nationale Technologiestrategie, het werk van de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat, en de IPCEI AST zich tot elkaar? Werken deze trajecten parallel, of dreigt dubbeling en vertraging?
Onderschrijft u dat Nederland binnen de EU een onevenredig grote rol vervult in cruciale schakels van de halfgeleiderketen, van lithografie tot design en mature node-productie? Hoe waarborgt u dat Nederland niet slechts reageert op het voorstel van de Europese Commissie, maar deze positie actief inzet om de richting van de Chipverordening 2.0 mede vorm te geven?
Bent u bereid het BNC-fiche over het voorstel over de chipverordening 2.0 met spoed (dus niet binnen zes, maar bijvoorbeeld twee weken) naar de Kamer te zenden, zodat tijdig een debat over de uitvoering van de Semicon Visie 2035 hieraan kan worden gekoppeld?
Het bericht 'Dubai trainde Colombiaanse huurlingen voor inzet in oorlog Afrika: vastgoed en goud voeden netwerk rond leger Soedan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat, uit het rapport van Human Rights Watch, blijkt dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) Colombiaanse huurlingen heeft ingezet in de oorlog in Soedan?1
Was u op de hoogte van de trainingskampen en het economische netwerk in de Emiraten, zoals aangegeven in het rapport?
Onderschrijft u, zoals in het rapport gesteld wordt, dat de VAE betrokken is en zelfs een actieve rol speelt in de oorlog in Soedan?
Bent u bereid om deze betrokkenheid openlijk te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid druk te zetten op de VAE, middels het handelsakkoord met de Europese Unie (EU) bijvoorbeeld, om zich terug te trekken uit het conflict? Zo nee, waarom niet?
Sluit u zich aan bij de oproep van Human Rights Watch om ervoor te zorgen dat er een eind komt aan militaire samenwerking en wapenexport vanuit de VAE naar de Rapid Support Forces (RSF)? Zo nee, hoe is dat in lijn met het internationaal recht?
Waar ligt wat u betreft de rode lijn? Wanneer is de betrokkenheid van een bondgenoot in een conflict zo evident, dat de internationale gemeenschap zich hierover moet uitspreken?
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken van 4 juni?
De beantwoording op 24 april van schriftelijke vragen over het bericht ‘Gebruik van de C7NLD door het Russische Vrijwilligerskorps’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Welke stappen heeft u ondernomen om, ondanks de complexe situatie waar u naar verwijst in uw beantwoording op 24 april, te verifiëren of de berichtgeving van Left Laser1, 2 klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen? Kunt u specifiek aangeven wat u hebt gedaan en wanneer u dat heeft gedaan om te achterhalen of de berichtgeving klopt?
Bent u bereid om nader te onderzoeken of de berichtgeving van Left Laser klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen of nog steeds komen? Graag een toelichting.
Heeft u redenen om aan te nemen dat de berichtgeving van Left Laser niet zou kloppen? Zo ja, hoe weerlegt u de bewijsvoering binnen die berichtgeving van Left Laser dat Nederlandse wapens in handen komen van in ieder geval een Russische extreemrechtse militie? Graag een toelichting.
Op basis van de berichtgeving en geleverde bewijzen door Left Laser, deelt u de mening dat er in ieder geval een risico bestaat dat Nederlandse wapens terechtkomen bij het Russische Vrijwilligerskorps? Zo niet, kunt u dat onderbouwen? Zo wel, deelt u de mening dat er geen risico mag bestaan dat Nederlandse wapens in handen komen van extreemrechtse milities? Hoe verhoudt zich dit blootgelegde risico tot de Nederlandse wapenexportcriteria?
Indien u de berichtgeving van Left Laser niet kunt ontkrachten, waarom schrijft u dan in de antwoorden van 24 april: «het kabinet heeft geen eigenstandige informatie dat Oekraïne deze voorwaarden schendt», aangezien dit impliceert dat u over voldoende informatie beschikt om vast te stellen dat Oekraïne de voorwaarden niet schendt? Op basis van welke informatie baseert u dit?
Kunt u inzage geven in de toetsing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), zoals deze is opgenomen in de uitvoervergunning, van de leveringen die mogelijk in handen zijn gevallen van het Russische Vrijwilligerscorps?
Hoe verhoudt zich het gebruik van Nederlandse wapens door het Russische Vrijwilligerskorps tot de eindgebruikersverklaring ondertekend door de Oekraïense autoriteiten waarin zij verklaren de enige gebruiker van de goederen te zijn en deze enkel ten behoeve van zelfverdediging in te zetten?
Hoe wordt het gebruik van Nederlandse wapens die worden geleverd aan Oekraïne überhaupt door Nederland gecontroleerd?
Hoe onderzoekt en controleert u signalen van oneigenlijk gebruik van geleverde Nederlandse militaire goederen aan Oekraïne?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Aangezien u als antwoord aan Left Laser schrijft «Voor de rest is het aan Oekraïne hoe militair gezien het voormalige Nederlandse materieel wordt ingezet en bij welke eenheden», vallen hier wat u betreft ook militaire organisaties onder die los staan van het Oekraïense leger?» Kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Bent u bereid de Oekraïense regering te verzoeken Nederlandse wapens niet langer aan eenheden te verschaffen die niet tot het Oekraïense leger behoren en te vragen deze wapens af te nemen van het Russische vrijwilligerskorps? Zo nee, waarom niet?» Kunt u deze vragen alsnog expliciet beantwoorden?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het mogelijk bewapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne met Nederlandse wapens?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het ontwapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne?
Deelt u de mening van Lars Gerdes, vicedirecteur van Frontex, dat er «grote kans» is op wapensmokkel en dat dit een veiligheidsprobleem voor Europa en de rest van de wereld kan worden3? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Wat doet u om te borgen dat door Nederland geleverde wapens niet terecht komen in wapensmokkelnetwerken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Het bericht 'Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen – Zwolle ongeldig' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen-Zwolle ongeldig»?1
Hoeveel asielzoekers zijn in 2025 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle? Hoe verhoudt dit zich tot 2024?
Hoeveel asielzoekers zijn er tot dusver in 2026 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle?
Hoeveel asielzoekers die in 2026 zijn beboet hebben zichzelf geïdentificeerd met een pas van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Hoe verklaart u dat de COA-pas sinds begin 2026 niet meer gebruikt kan worden om zwartrijdende asielzoekers te identificeren, terwijl dit voor 2026 wel kon?
Wat is uw reactie op de constatering van de woordvoerder van Arriva in het artikel, die stelt dat deze beslissing het werken bijna onmogelijk maakt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zwartrijdende asielzoekers door deze beslissing worden beloond? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel met een rechtsgeldig vervoersbewijs gebruik maakt van het openbaar vervoer? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om er alsnog voor te zorgen dat alle boetes die zijn uitgedeeld aan zwartrijdende asielzoekers worden betaald?
Welk gevolg heeft het ongeldig verklaren van boetes van zwartrijdende asielzoekers op de mogelijkheid om een reisverbod op te leggen?
Hoe verhoudt het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren zich tot de voorgenomen maatregel uit het Coalitieakkoord om zwartrijdende asielzoekers sneller en vaker een reisverbod op te leggen?
Hoe verklaart u dat negen op de tien boetes voor zwartrijdende asielzoekers niet worden betaald?
Welke maatregelen neemt het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) om boetes voor zwartrijdende asielzoekers, die ook weigeren hun uitstel van betaling niet te betalen, alsnog te innen?
Deelt u de mening dat het feit dat deze boetes kennelijk nauwelijks betaald worden niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel netjes eventuele boetes betaalt voor het niet hebben van een geldig vervoersbewijs in het openbaar vervoer?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat boetes van zwartrijdende asielzoekers alsnog betaald worden? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de mogelijkheid om leefgeld van asielzoekers in te houden, de mogelijkheid om de asielzoeker in zijn bewegingsvrijheid te beperken, de mogelijkheid om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en de mogelijkheid om de asielaanvraag af te wijzen?
Bent u van plan om aan zwartrijdende asielzoekers die weigeren boetes te betalen naast bovenstaande maatregelen ook een taakstraf op te leggen? Zo nee, waarom niet?
Klopt de suggestie uit het artikel dat zwartrijdende asielzoekers niet kunnen worden gedwongen om hun boetes te betalen omdat het COA de post van asielzoekers niet mag openen?
Indien het antwoord op vraag 16 positief luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat de post van zwartrijdende asielzoekers alsnog door het COA mag worden geopend?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
De fiscale ongelijkheid tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat bij een gelijk bruto gezinsinkomen van € 70.000 een tweeverdienersgezin door de werking van dubbele heffingskortingen netto circa € 1.100 per maand meer overhoudt dan een eenverdienersgezin?
Acht u het rechtvaardig dat het netto besteedbaar inkomen van huishoudens met een identiek bruto inkomen zo sterk uiteen kan lopen uitsluitend op basis van de verdeling van dat inkomen over één of twee partners?
Kunt u toelichten hoe het huidige fiscale stelsel rekening houdt met de verdeling van betaalde arbeid en onbetaalde zorgtaken binnen huishoudens?
Erkent u dat onbetaalde zorgtaken een economische waarde vertegenwoordigen die momenteel niet tot uitdrukking komt in de fiscale systematiek?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u dit ziet?
Hoe beoordeelt u het feit dat heffingskortingen per individu worden toegekend, terwijl bij inkomensafhankelijke regelingen juist het gezamenlijke huishoudinkomen als grondslag geldt?
Bent u bereid te onderzoeken of een systeem waarbij het huishoudinkomen gedeeltelijk per persoon wordt gewogen – bijvoorbeeld via een splitsingsfactor – kan bijdragen aan een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Welke effecten verwacht u van een dergelijke aanpassing op arbeidsparticipatie, inkomensverdeling en de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de beleidsopties en bijbehorende voor- en nadelen van inkomenssplitsing voor fiscale doeleinden?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
De negatieve BTI-toets in het kader van de overname van het bedrijf Solvinity (Platform DigiD) |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Wat betekent een negatief BTI-oordeel concreet voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van het bedrijf Solvinity en daarmee voor DigiD?
Kunt u uiteenzetten welke risico’s er bestaan voor burgers alsmede voor de overheidsdienstverlening als de huidige situatie langer voortduurt?
Welke exitstrategie is er richting 2028, zeker omdat Logius/BZK zelf meldt dat het Solvinity-contract op 27 maart 2026 met twee jaar is verlengd omdat een overstap vóór augustus 2026 niet veilig werd geacht?
Kunt u in het licht van de in de vorige vraag benoemde risico’s, de eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen omtrent de overname van Solvinity deze week beantwoorden, zodat de risico’s duidelijk in kaart kunnen worden gebracht?
Kunt u toelichten op basis van welke criteria, risicoanalyses en wettelijke kaders het BTI-advies tot stand is gekomen?
Welke specifieke veiligheids-, afhankelijkheids-, governance- of soevereiniteitsrisico’s lagen ten grondslag aan het negatieve oordeel en speelt digitale autonomie hierin ook een rol?
Kunt u het volledige BTI-advies, inclusief de onderliggende overwegingen en risicoanalyses met de Kamer delen?
Op welke exacte grondslag wordt de overname tegengehouden: Wet Vifo, hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet, beide, of andere gronden? Zo ja, welke specifieke gronden?
Kunt u toelichten welke Europese of nationale technologische alternatieven zijn onderzocht voor de overname van IT-dienst van DigiD? Kunt u tevens uitleggen of deze alternatieven van gelijkwaardige technologie zijn als die van Kyndryl, aangezien blijkt dat Europa en Nederland, de Verenigde Staten niet kunnen bijbenen op het gebied van technologische innovatie op vele gebieden?
Kunt u uitleggen dat indien het alternatief niet van gelijkwaardige technologische kwaliteit is, er voldoende rekening is gehouden met het verhoogde risico op cyberaanvallen en daarmee met de veiligheid van burgers?
Welke gevolgen verwacht het kabinet dat dit oordeel heeft voor het investerings- en vestigingsklimaat voor internationale technologiebedrijven in Nederland?
Binnen welke termijn verwacht het kabinet duidelijkheid te kunnen geven over een definitieve oplossing?
Kunt u uitleggen waarom betrokkenheid van internationale technologiepartijen binnen het GRIP-IT-project van Defensie wel verenigbaar werd geacht met nationale veiligheidsbelangen, nota bene bij de hervorming van de Defensie-ICT, terwijl in de onderhavige casus een negatief BTI-oordeel is afgegeven?
Welke lessen worden getrokken voor toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur?
Wat wordt aan burgers verteld behalve «DigiD blijft werken»?
Kunt u de vragen los van elkaar en op de kortst mogelijke termijn beantwoorden?
Het bericht 'Emiraten blijken Colombiaanse huurlingen naar oorlog in Soedan te sturen' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) betrokken zouden zijn bij het rekruteren, trainen en doorsturen van Colombiaanse huurlingen naar de Rapid Support Forces (RSF) in Soedan?1
Hoe beoordeelt u het rapport «From Bogotá to El Fasher»2 van Human Rights Watch, waarin wordt gesteld dat Colombiaanse huurlingen zijn getraind op militaire locaties in de VAE voordat zij naar Soedan werden uitgezonden?
Deelt u de opvatting dat iedere vorm van militaire, logistieke of financiële steun aan de RSF volstrekt onacceptabel is, gezien de ernstige beschuldigingen van oorlogsmisdrijven, genocidaal geweld en grootschalige wreedheden tegen burgers in Darfur en elders in Soedan?
Bent u bereid de VAE bilateraal in de strengst mogelijke termen aan te spreken op deze berichtgeving en volledige opheldering te eisen over mogelijke betrokkenheid van Emiratische autoriteiten en bedrijven, zoals de Global Security Services Group (GSSG), bij het trainen, financieren of doorsturen van huurlingen naar Soedan?
Heeft GSSG, voor zover bij u bekend, het VN-wapenembargo voor Darfur geschonden door Colombiaanse huurlingen te trainen en in te zetten voor de Rapid Support Forces in Soedan?
Bent u bereid in Verenigde Naties (VN)- en Europese Unie (EU)-verband te pleiten voor sancties tegen GSSG en directeur Mohamed Hamdan al-Zaabi, nu blijkt dat zij betrokken waren bij steun aan de RSF of schending van het VN-wapenembargo voor Darfur?
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar de rol van externe actoren en bedrijven, waaronder de VAE en in de VAE gevestigde bedrijven, bij het in stand houden van de oorlog en mensenrechtenschendingen in Soedan?
Wat is, als lid van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan, de Nederlandse inzet om wapenleveranties, huurlingenstromen en andere militaire steun aan strijdende partijen in Soedan via de Verenigde Arabische Emiraten te stoppen, en welke aanvullende stappen is het kabinet bereid te nemen om te voorkomen dat steun via de VAE de Rapid Support Forces bereikt?