Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Ja, dit is mij bekend.
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet u voor de hoge uitval?
Dit beeld herken ik. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA 2023–2024)2 van het CBS en TNO blijkt dat ruim 60% van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie 31–40 jaar aangeeft wel eens te hebben verzuimd in de afgelopen 12 maanden. Voor alle vrouwelijke werknemers is dit gemiddeld 55%3. Vrouwen van 31–40 jaar geven aan langer te hebben verzuimd (11 werkdagen ten opzichte van 9 werkdagen gemiddeld). Het ziekteverzuimpercentage (het aantal verzuimde dagen per 100 werkdagen) laat hetzelfde beeld zien. Die ligt voor vrouwen van 31–40 jaar hoger dan gemiddeld voor alle vrouwen (6,7% versus 5,7%).
Weleens verzuimd afgelopen 12 maanden
54,6
59,9
61,0
52,5
49,6
Hoe vaak verzuimd afgelopen 12 maanden
1,6
1,79
1,78
1,41
1,47
Hoeveel werkdagen verzuimd afgelopen 12 maanden
9,2
7,95
11,1
9,38
10,8
Ziekteverzuimpercentage
5,73
4,75
6,72
5.70
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–2024
Als specifieke redenen voor het verzuim noemen vrouwelijke werknemers van 31–40 jaar vaker dan gemiddeld een te hoge werkdruk en emotioneel te zwaar werk als reden. Vrouwen van 31–40 jaar geven ook vaker dan gemiddeld aan een werk-privé disbalans te ervaren.
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Volgens de NEA werken vrouwen in de leeftijdscategorie 31–40 het meest in de zorg, zakelijke dienstverlening, onderwijs en handel. Ze werken vaak in banen met een gemiddeld inkomen, op vaste contracten en met hoge taakeisen4.
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aandeel vrouwen van deze groep die verzuimt en vervolgens instroomt in de WIA of de Ziektewet.
Onderstaande tabel toont over een periode van vijf jaar (2021–2025) de totale instroom aan personen in de WIA, de instroom van het aantal vrouwen in de leeftijdsgroep 30 tot 40 jaar (30 t/m 39) in de WIA en dit aandeel uitgedrukt als percentage van de totale instroom van vrouwen.
Daarnaast is in onderstaande tabel de instroom van vrouwen in de leeftijdsgroepen 30 t/m 39 jaar ook uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. Per duizend verzekerde vrouwen in de groep 30 t/m 39 jaar kregen in 2025 negen vrouwen een nieuwe WIA-uitkering toegekend.
55.599
54.769
59.581
68.984
71.239
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
11%
12%
12%
13%
13%
0,7%
0,6%
0,7%
0,9%
0,9%
Bron: UWV
Onderstaande tabel toont over de periode 2021–2025 de totale instroom in de Ziektewet, de instroom van het aantal vrouwen in de Ziektewet in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar en dit aandeel vrouwen uitgedrukt als percentage van de totale instroom.
346.101
393.697
311.855
324.241
343.907
68.224
72.848
68.572
73.633
77.744
20%
19%
22%
23%
23%
Bron UWV
Voor de Ziektewet wordt de instroom van het aantal vrouwen niet uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. De instroom in de Ziektewet is namelijk niet representatief voor alle verzekerden maar beperkt zich tot specifieke groepen, waaronder vrouwen die ziek zijn als gevolg van zwangerschap of bevalling.
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Uit onderstaande tabel blijkt dat in alle leeftijdscategorieën het aandeel dat heeft verzuimd, de verzuimfrequentie en het ziekteverzuimpercentage hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen. Vooral het ziekteverzuimpercentage voor vrouwen van 31–40 jaar ligt aanmerkelijk hoger dan bij mannen. Bij mannen is het kortdurend verzuim in deze leeftijdsgroep het hoogste.
Man (21–30)
51,7
1,35
4,99
2,72
Vrouw (21–30)
59,9
1,79
7,95
4,75
Man (31–40)
54,2
1,33
7,13
3,59
Vrouw (31–40)
61,0
1,78
11,1
6,72
Man (41–50)
47,5
1,16
7,83
3,92
Vrouw (41–50)
52,5
1,41
9,38
5,70
Man (50+)
42,7
1,21
10,3
5,32
Vrouw (50+)
49,6
1,47
10,8
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–202
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze vrouwen in de WIA instromen?
Onderstaande tabel toont over de periode van 2021–2025 de instroom in de WIA van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar naar type contractvorm.
Er is zowel een toename van vrouwen met een vast contract en een tijdelijk en oproepcontract.
2.651
2.744
3.346
4.262
4.504
2.281
2.386
2.293
3.004
3.545
603
529
534
619
531
679
644
694
791
933
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
Bron UWV
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80 en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Onderstaande twee tabellen tonen over de periode 2021–2025 het percentuele aandeel van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar die zijn ingestroomd in de WIA en Ziektewet met een dagloon tussen 80–100 van het maximumdagloon. Deze instroom ligt hoger dan met een dagloon boven de 100% van het maximumdagloon.
5%
4%
5%
6%
5%
2%
2%
2%
3%
2%
5%
5%
5%
6%
6%
3%
3%
3%
3%
3%
Bron: UWV
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Uit onderzoek5 blijkt dat vrouwspecifieke aandoeningen, zoals (1) bekkenbodemproblemen, (2) cyclusstoornissen en cyclus gerelateerde buikpijn, (3) hormonale problemen en (4) vulvaire klachten, vaak voorkomen en een grote impact hebben op de kwaliteit van leven. Gemiddeld krijgt elke vrouw minimaal een van de bovengenoemde vrouwspecifieke aandoeningen tijdens haar werkzame leven. Een groot deel van deze vrouwen ervaart zoveel hinder dat het dagelijks functioneren en werk hierdoor negatief beïnvloed wordt. Volgens cijfers van TNO6 over gezondheidsklachten bij vrouwen (gebaseerd op cijfers van de NEA 2023) gaat het om 39% van de vrouwelijke werknemers, ofwel 1,5 miljoen vrouwen. Dit leidt voor een deel van deze vrouwen ook tot verzuim. Van alle vrouwelijke respondenten heeft 56% zich het afgelopen jaar een keer ziekgemeld, tegenover 51% van de mannen. Ook geeft 66% van de vrouwen met hormoongerelateerde klachten aan dat zij minder werk gedaan krijgen bij klachten.
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Op basis van de NEA is niet vast te stellen welk deel van de vrouwen uitvalt vanwege burn-outklachten. Er wordt wel naar de soort klachten bij het laatste verzuim gevraagd, waarbij onderscheid is gemaakt naar psychische klachten, klachten in het bewegingsapparaat, griep/verkoudheid en overige klachten.
Onder psychische klachten vallen overspannenheid, burn-outklachten, vermoeidheid en concentratieproblemen. Het gaat dus om allerlei klachten die psychisch van aard zijn, waaronder ook het hebben van een burn-out of burn-outklachten. Gemiddeld verzuimt 9% van de vrouwen met psychische klachten. Bij jongere vrouwen in de leeftijdscategorieën 21–30 en 31–40 jaar komt dat iets vaker voor (respectievelijk 10% en 11,5%).
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Met de Nationale Strategie Vrouwengezondheid zet het kabinet sinds 2025 extra in op aandacht voor vrouwengezondheid. Het gaat om meer aandacht en kennis over vrouwspecifieke aandoeningen en verbetering van diagnostiek, maar ook om meer bewustwording en bespreekbaarheid op de werkvloer van vrouwengezondheid.
Aan de hoge uitval van vrouwen op de arbeidsmarkt en daarmee ook verhoogde instroom in de WIA liggen zowel maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren ten grondslag. In lijn met de motie van het lid Neijenhuis7 brengen we samen met VWS de oorzaken en oplossingsrichtingen in kaart. Het kabinet zal de Kamer over de stand van zaken voor de volgende begrotingsbehandeling van SZW informeren.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
In het artikel wordt genoemd dat de zorgtaken tussen vrouwen en hun partner niet goed zijn verdeeld. Aangegeven wordt dat vrouwen hun carrière veelal moeten balanceren met de zorg voor kinderen en soms ook het verlenen van mantelzorg voor bijvoorbeeld ouders. Dit kan zorgen voor druk onder vrouwen. De verdeling van zorgtaken is in de eerste plaats een onderwerp van gesprek dat thuis plaatsvindt. De overheid faciliteert een gelijkwaardige verdeling van zorgverantwoordelijkheden tussen partners onder meer via het verlofstelsel en de Wet flexibel werken. Op dit moment wordt gewerkt aan de vereenvoudiging van het verlofstelsel met als doel het stelsel begrijpelijker en toegankelijker te maken voor zowel werknemers als werkgevers. Dit moet ervoor zorgen dat meer mensen het verlof opnemen en dit kan daarnaast bijdragen aan een betere balans tussen werk en privé.
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang kent een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de midden en hoge inkomens aanzienlijk goedkoper. Bovendien wordt voor alle ouders de marginale druk lager. Meer verdienen (bijvoorbeeld door meer te gaan werken) zal namelijk niet langer voor een lager vergoedingspercentage zorgen. Omdat vrouwen nog altijd vaak de minst werkende en minstverdienende ouder zijn zal dit naar verwachting vooral voor hen positief uitpakken. Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang stimuleert daarmee gelijke arbeidsdeelname en een evenwichtigere werk en zorg verdeling tussen ouders.
Het kinderopvangstelsel in Scandinavische landen is wezenlijk anders dan in Nederland, maar net als daar wordt kinderopvang ook hier voor de meeste ouders veel beter betaalbaar. Daarnaast kan het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang bijdragen aan een cultuurverandering. De nieuwe systematiek (zonder voorschotten en zonder kans op terugvorderingen) zorgt namelijk voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders. Hierdoor kan het op termijn de norm worden om meer kinderopvang te gebruiken dan drie dagen per week. Een dergelijke normverandering is niet op voorhand te kwantificeren maar zal wel worden gemonitord.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arbo-artsen?
Ook zijn er initiatieven zoals het gratis VSA-spreekuur (Vrouwspecifieke aandoeningen) van AmsterdamUMC voor eigen medewerkers om vrouwen met hormonaal gerelateerde problemen te helpen en tijd tot diagnose te verkorten. Het blijkt dat dit spreekuur bijdraagt aan het bespreekbaar maken op de werkvloer en het doorbreken van het taboe. Op dit moment wordt onderzocht of dit initiatief landelijk kan worden ingezet.
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker worden?
Overgangsklachten kunnen op verschillende manieren behandeld worden. Wat het beste werkt, verschilt per vrouw en hangt van de ernst van de klachten af. Ook is het belangrijk dat onderliggende oorzaken en eventuele andere problemen worden uitgesloten. De belangrijkste behandelmogelijkheden zijn in grote lijnen:
De meeste van bovengenoemde behandelmethoden kunnen worden vergoed uit de basisverzekering als zij worden verricht door een huisarts of – na verwijzing – door een medisch specialist. Het eigen risico is niet van toepassing voor behandelingen bij de huisarts; wel bij de medisch specialist. Ook is voor medicatie soms een eigen bijdrage nodig. Overgangsconsulten en -behandelingen en alternatieve behandelingen worden vaak vergoed via een aanvullende verzekering.
Voor een grotere bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen is er Thuisarts.nl. Hier staan de mogelijkheden voor behandelingen, de richtlijnen8 en wordt in begrijpelijke taal informatie gegeven. Dit geldt eveneens voor de richtlijn overgang van de NVOG9. Daarnaast zijn er specifieke organisaties die vrouwen voorlichting geven rondom de overgang.
Zoals eerder in de Kamerbrief over het doorbreken van het taboe rondom de overgang en werk10 is aangegeven zijn er ook diverse maatregelen in gang gezet om het taboe rondom de overgang te doorbreken. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat u hier concreet uitvoering aangeven?
De werkconferentie Vrouwengezondheid op 4 februari jl. is een belangrijke stap geweest in de uitwerking van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–203011. Met de Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. De conferentie kenmerkte zich door een sterke betrokkenheid en duidelijke bereidheid tot samenwerking op het terrein van de vrouwengezondheid. Met de ondertekening van het convenant «Samen in actie voor betere vrouwengezondheid12» hebben twaalf partijen het belang van een gezamenlijke inzet op dit terrein benadrukt. Met het convenant spreken partijen verder af om ook zelf vrouwengezondheid blijvend op de agenda te zetten, eigen initiatieven te versterken, kennis en data te delen en samen nieuwe acties te starten. Dit doen zij onder andere door:
Op de site van ZonMw staat beschreven hoe organisaties ook zelf bij kunnen dragen aan de beweging naar een betere vrouwgezondheid. Het is een positieve ontwikkeling dat partijen ook daadwerkelijk samen in actie komen. Er zijn inmiddels 30 pledges13 ingediend. Het kabinet kijkt ernaar uit om verder samen te werken aan een Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid. Met de werkagenda vrouwengezondheid, die op 25 juni 2026 wordt gelanceerd, zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. Ook is het kabinet positief over de manier waarop verschillende initiatiefnemers elkaars initiatieven verder willen brengen, bijvoorbeeld op het gebied van het verminderen van ziekteverzuim. Voor de zomer wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de uitwerking van de werkagenda, de monitoring en de overige ontwikkelingen op het gebied van vrouwengezondheid.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Verschillende Europese lidstaten hebben wetsvoorstellen aangekondigd om een minimumleeftijd in te stellen voor sociale media. Lidstaten hebben de bevoegdheid om een minimumleeftijd voor te schrijven voor toegang tot bepaalde producten of online diensten, met inbegrip van sociale mediadiensten.
In het coalitieakkoord is het voornemen geuit voor een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. Een minimumleeftijd op Europees niveau heeft mijn voorkeur, omdat sociale mediabedrijven grensoverschrijdend opereren. Het is daarom efficiënter om te kiezen voor een gezamenlijke oplossing en uniforme Europese regels, omdat dit versnippering tussen lidstaten voorkomt.
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Nederland heeft tijdens de Informele Telecomraad van 29 en 30 april 2026 het belang uitgedragen van een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. De Kamer zal hier op korte termijn via een verslag nader over worden geïnformeerd.
Daarnaast ga ik de komende periode mogelijkheden voor samenwerking verder verkennen door met verschillende lidstaten in gesprek te gaan. Ik heb onder meer een bijeenkomst op initiatief van Frankrijk bijgewoond, waar ik met andere Europese leiders en de Europese Commissie sprak over een Europese minimumleeftijd voor sociale media.
Tot slot voert de Universiteit van Amsterdam (UvA) momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Ik zal de resultaten van dit onderzoek uiterlijk voor het zomerreces publiceren.
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Het is belangrijk om tot een gezamenlijke Europese aanpak te komen, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vragen 2 en 3.
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, zal ik met verschillende lidstaten in gesprek gaan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor samenwerking. Na deze gesprekken en de resultaten van het onderzoek van de UvA zal ik nagaan wat de meest geschikte vorm van samenwerking is.
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voert de UvA momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Daarbij wordt uiteraard ook ingegaan op de relatie tot de DSA als hoeksteen van het Europese platformrecht. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen bij de uitvoering van het coalitieakkoord.
Voor wat betreft de technische handhaafbaarheid, geldt dat online leeftijdsverificatie een belangrijk instrument kan zijn, mits fundamentele rechten en grondrechten zoals privacy, gegevensbescherming, non-discriminatie en digitale toegankelijkheid worden gewaarborgd. De toepassing moet proportioneel zijn en steeds per context worden afgewogen; er is geen one size fits all-oplossing. Om de ontwikkeling van privacyvriendelijke leeftijdsverificatie te ondersteunen, heeft de Europese Commissie een blauwdruk voor een Europese white-label leeftijdsverificatie-app gepubliceerd. Het kabinet verkent momenteel of de EU-blauwdruk app in Nederland geïmplementeerd kan worden of dat er ook andere mogelijkheden zijn voor implementatie van leeftijdsverificatie.
Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Uitstroom van beleggers uit woningfondsen |
|
Hanneke Steen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vesteda poogt massale uitstroom beleggers uit woningfonds te beperken»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat (internationale) beleggers op grote schaal kapitaal terugtrekken uit Nederlandse woningfondsen?
De verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Kunt u in kaart brengen wat de omvang is van de (verwachte) uitstroom van kapitaal uit Nederlandse woningfondsen in de afgelopen jaren en op dit moment met daarbij een onderscheidt tussen nationaal en internationaal kapitaal?
Het is onbekend hoeveel kapitaal er exact is uitgestroomd bij woningfondsen en welke investeerders redempties hebben aangevraagd. De nationaliteit van deze investeerders betreft geen openbare informatie. Het kabinet is niet bekend met vergelijkbare situaties als bij Vesteda. Aangezien Vesteda de grootste woningbelegger van Nederland is en investeerders hier slechts eens in de zeven jaar een dergelijke redemptie kunnen aanvragen, valt deze casus het meest op.
Naast dat (buitenlandse) investeerders via een woningfonds investeren, kunnen ze dit ook direct doen. De omvang van de woningfondsen geeft dus een beperkt beeld van het geïnvesteerde volume. Zo is de voorraad huurwoningen in bezit van internationale beleggers – zonder tussenkomst van een woningfonds – in 2025 gedaald tot ruim 72.500, terwijl dit in 2024 ruim 80.000 huurwoningen betrof.2
De afname van buitenlandse investeerders in nieuwbouw huurwoningen is een recente ontwikkeling. In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3 Het vertrek van buitenlandse investeerders uit de Nederlandse woningmarkt is een zorgelijke ontwikkeling, omdat Nederland voor een grote nieuwbouwopgave staat in de huursector, waar veel investeringen voor nodig zijn. Nederlandse investeerders, private partijen en woningcorporaties gezamenlijk, hebben onvoldoende kapitaal om deze opgave in te vullen en dus zijn buitenlandse investeringen essentieel.
Welke gevolgen heeft deze uitstroom voor investeringen in de Nederlandse woningmarkt, in het bijzonder voor de bouw van (midden)huurwoningen en het aantal beschikbare huurwoningen?
In zijn algemeenheid leidt uitstroom van investeringen, indien deze niet gecompenseerd wordt door investeringen die instromen, tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Het kabinet blijft de voorraad huurwoningen monitoren, en werkt ondertussen door aan afspraken uit het Coalitieakkoord op dit belangrijke dossier. Namelijk door de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. De eerste resultaten op dit vlak zijn inmiddels geboekt (zie ook het antwoord op vraag 15). Het kabinet gaat hier via de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw verder invulling aan geven. Na de zomer volgt het actieplan met daarin meer maatregelen en verdere uitwerkingen.
Kunt u daarnaast in kaart brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70% voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten en hoeveel woningen hierdoor geraakt worden?
Institutionele beleggers nemen doorgaans een groot deel van een nieuwbouwproject op zich. Als een institutionele belegger instapt, wordt de eis van 70 procent voorverkoop vaak sneller gehaald. Het is niet mogelijk om exact in kaart te brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70 procent voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten. Dit komt omdat er geen openbare data beschikbaar is over de mate waarin institutionele beleggers per project deelnemen en wat de exacte timing van hun betrokkenheid is.
Kunt u in kaart brengen hoe breed de problematiek van redemptieverzoeken speelt onder (internationale) pensioenfondsen en andere institutionele beleggers, en wat dit betekent voor de investeringscapaciteit in de Nederlandse woningmarkt?
Zoals in vraag 3 beantwoord is het kabinet niet bekend vergelijkbare situaties zoals die van Vesteda, maar blijft het kabinet de situatie monitoren en werkt het verder aan beleid om het investeringsklimaat te verbeteren. Indien grootschalige redemptie plaatsvindt, zonder dat genoeg investeerders instromen, leidt dit tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit zal ertoe leiden dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Welke rol speelt de fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen bij hun bereidheid om in Nederland te investeren in woningbouw?
De mate waarin buitenlandse partijen – waaronder ook pensioenfondsen – bereid zijn om in de Nederlandse woningmarkt te investeren is afhankelijk van verschillende factoren. In de praktijk is het de optelsom van factoren die investeerders doet besluiten wel of niet in Nederland te investeren in Nederland. Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.4 Deze verschillende factoren en de verscheidenheid aan investeerders maken het niet mogelijk het precieze effect van de fiscale behandeling op het investeringsgedrag van pensioenfondsen aan te geven. Wel heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen. SEO geeft daarbij aan dat de maatregel met de meeste impact op het investeringsklimaat in brede zin de regulering van de middenhuursector is. SEO heeft niet specifiek de situatie van buitenlandse pensioenfondsen onderzocht. Wel doet SEO de aanbeveling om de toepassing van de pensioenfondsvrijstelling in de vennootschapsbelasting bij buitenlandse pensioenfondsen nader te onderzoeken naar aanleiding van signalen hierover uit de praktijk.
De Nederlandse vennootschapsbelasting maakt geen onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Naast Nederlandse pensioenfondsen kunnen in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de vrijstelling in de vennootschapsbelasting. Deze vrijstelling werkt ook door naar de dividendbelasting.5 In het buitenland gevestigde pensioenfondsen kunnen zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. Met het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb is ingevuld wanneer sprake is van een pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling.6 De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie op het SEO onderzoek bekijkt de Belastingdienst momenteel zorgvuldig of en zo ja welke voorwaarden in het beleidsbesluit modernisering behoeven. Voor zover de knelpunten binnen het huidig rechtskader kunnen worden weggenomen kan dit gebeuren door middel van kennisgroepstandpunten die worden gepubliceerd op de website van de Belastingdienst en/of door aanpassing van het beleidsbesluit. Ter illustratie, onlangs is een tweetal kennisgroepstandpunten gepubliceerd om duidelijkheid te creëren over de toepasselijkheid van de pensioenfondsvrijstelling.7 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.8
Deelt u de opvatting dat ongunstige fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen ertoe kan leiden dat Nederland investeringen in de woningmarkt misloopt? Zo ja, hoe groot acht u dit effect?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid in kaart te brengen welke fiscale knelpunten buitenlandse pensioenfondsen ervaren bij investeringen in de Nederlandse woningmarkt en welke mogelijkheden er zijn om deze knelpunten weg te nemen?
Zoals in het vorige antwoord naar voren komt, is de aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. In het nieuwsartikel en de bovengenoemde vragen worden enkele punten naar voren gebracht waaraan het kabinet werkt met als doel verbetering van het investeringsklimaat voor woningbouw. Zo is het kabinet voornemens het tarief van de overdrachtsbelasting voor investeerders te verlagen naar 7%. Daarnaast is het kabinet voornemens om voorafgaand aan de evaluatie de Wet betaalbare huur te optimaliseren om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Ten aanzien van de pensioenfondsvrijstelling gaat de Belastingdienst kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb9 nog actueel zijn en modernisering behoeven. De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet en er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Het toetsen aan de voorwaarden voor buitenlandse pensioenfondsen kan bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen.
Verder is het kabinet bekend met het signaal dat de wijziging van het fbi-regime een pijnpunt kan zijn voor vastgoedbeleggingen. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou echter betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van zo’n nieuw fiscaal regime is ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.10 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.11 Wat betreft de earningsstrippingmaatregel zal het kabinet – in navolging van de aanbeveling uit het SEO-rapport – verder verkennen of, en zo ja in hoeverre, de effecten van deze maatregel voor vastgoedbedrijven beter in beeld kunnen worden gebracht aan de hand van de bij de Belastingdienst beschikbare gegevens. Voor private verhuurders die investeren in de bouw van nieuwe middenhuurwoningen zoekt het kabinet in de Taskforce Versnelling Woningbouw naar aanvullende oplossingen om het investeringsklimaat te verbeteren. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen. Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt.12
Zou u in de hiervoor genoemde verkenning naar fiscale knelpunten de in het nieuwsartikel genoemde afschaffing van de fiscale beleggingsinstelling (FBI)-status en de renteaftrekbeperking en de pensioenfondsvrijstelling willen meenemen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u hierover in gesprek met (internationale) beleggers en pensioenfondsen, en zo ja, wat zijn de belangrijkste signalen die u uit deze gesprekken ontvangt?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over de recente ontwikkelingen. In deze gesprekken komen verschillende signalen naar boven die verklaren waarom de investeringen zijn afgenomen. Een aantal Nederlandse pensioenfondsen geeft aan dat zij tegen de grenzen aanloopt van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd. Door het verslechterde investeringsklimaat zijn met name buitenlandse investeerders minder bereid om in Nederlandse woningen te investeren. Nederlandse institutionele investeerders die wel nog investeringsruimte hebben, hebben ook moeite met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Het kabinet krijgt signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huurbeleid en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid en dus een minder aantrekkelijk investeringsklimaat. Ook hoort het kabinet in gesprekken met de sector dat indien de rente en/of bouwkosten stijgen, dat het dan nog lastiger wordt om investeringen in woningen rond te rekenen.
Waarom is er nog geen kabinetsreactie op het onderzoek naar het Investeringsklimaat middenhuur dat SEO Economisch Onderzoek heeft verricht in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Financiën, terwijl dit samenhangt met belangrijke trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, en een belangrijke basis moet vormen voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Op 20 april jl. heeft het kabinet uw Kamer de kabinetsreactie op het onderzoek Investeringsklimaat middenhuur van SEO Economisch Onderzoek gestuurd. Vanwege de demissionaire status van het vorig kabinet tijdens publicatie van het onderzoek was dit nog niet gedaan.
Zou u in kaart willen brengen welke impact deze vertraging van de kabinetsreactie heeft op trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, maar ook voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Vertraging van de kabinetsreactie heeft op zichzelf geen impact op het investeringsklimaat en de woningbouw. Wel is het natuurlijk goed dat een nieuw kabinet is aangetreden en missionair het woningtekort kan aanpakken. Dit kabinet heeft hiervoor onder andere een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld met als doel binnen zes maanden een integraal programma op te stellen dat de koers uitzet hoe zo snel als mogelijk de jaarlijkse realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar bereikt kan worden. Eén van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Wat is de stand van zaken van het plan van aanpak om de verruimde staatssteunruimte voor middenhuur te benutten, zoals verzocht in de motie-Vedder c.s. (Kamerstuk 36 600-XXII, nr. 35)?
Het is goed nieuws dat de Europese Commissie op 16 december 2025 mogelijk heeft gemaakt om staatssteun in te kunnen zetten voor middenhuur. Op dit moment brengt het kabinet de verschillende mogelijkheden voor de implementatie in kaart, ook voor provincies en gemeenten. Er zijn verschillende opties denkbaar binnen de door de Europese Commissie gestelde kaders. Zoals Uw Kamer is toegezegd, wordt u vóór de zomer een plan van aanpak gepresenteerd. De gekozen optie zal worden uitgewerkt in een wijziging van de Woningwet.
Welke kansen ziet u om via publiek-private samenwerking (PPE-constructies), garantstellingen of andere instrumenten de investeringsbereidheid van (institutionele) beleggers in de middenhuur te vergroten, en hoe gaat u deze kansen concreet benutten?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig worden vormgegeven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van (midden)huurwoningen weer kan toenemen. In dat kader heeft het kabinet een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld. Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan ingaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.
Het bericht ‘Strenger handhaven bij brug kanaal Roosteren’ |
|
Judith Buhler (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de verslechterde staat van de brug over het Julianakanaal bij Roosteren en de zorgen van inwoners, ondernemers en agrariërs over de gevolgen van de ingestelde gewichtsbeperkingen?1
Klopt het dat nieuwe informatie wijst op ernstigere veiligheidsrisico’s van de brug bij Roosteren dan eerder bekend was? Zo ja, wat houden deze risico’s precies in en welke gevolgen heeft dit voor de veiligheid van weg- en vaarweggebruikers?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie voor Roosteren uitzonderlijk is, nu vrachtverkeer en landbouwvoertuigen zwaarder dan 3,5 ton geen gebruik meer kunnen maken van de brug en een deel van de omgeving feitelijk alleen nog via België bereikbaar is? Welke gevolgen ziet u hiervan voor inwoners, ondernemers en agrarische bedrijven?
Waarom vindt de fysieke inspectie van de brug volgens de huidige planning pas eind november plaats, terwijl sprake is van ernstige veiligheidsrisico’s en grote gevolgen voor de bereikbaarheid van de regio? Ziet u mogelijkheden om dit onderzoek te versnellen?
Welke afstemming heeft plaatsgevonden met de provincie Limburg, de betrokken gemeenten en belangenorganisaties van ondernemers en landbouwers over de gevolgen van de beperkingen en de mogelijke oplossingsrichtingen? Wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken?
Ziet u mogelijkheden om samen met Rijkswaterstaat te bezien welke tijdelijke of structurele maatregelen mogelijk zijn om de bereikbaarheid van Roosteren en omgeving te verbeteren en om het onderzoek naar de staat van de brug te versnellen? Zo ja, welke stappen bent u bereid hiervoor te zetten en op welke termijn kunnen betrokkenen hierover duidelijkheid verwachten?
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
Het rapport ‘Geldzaken in de praktijk (2026)’ van het Nibud. |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Geldzaken in de praktijk van het Nibud?1
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de financiële situatie van jongvolwassenen het meest verslechterd is ten opzichte van 2024, en dat op dit moment 54% van de jongvolwassenen aangeeft moeite te hebben met rondkomen, welke verklaring ziet u hiervoor en welke gerichte maatregelen neemt u om te voorkomen dat jongvolwassenen in de schulden belanden?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat inmiddels meer dan de helft van de huishoudens ten minste één betalingsprobleem heeft gehad en dat betalingsproblemen zich opstapele, en dat de financiële problemen vaak al groot zijn voordat huishoudens geholpen kunnen worden door gemeenten of schuldhulp, en dat de moties Hamstra2 door de Kamer zijn aangenomen en dat deze de regering oproepen te onderzoeken of banken hun klanten en werkgevers hun werknemers kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening bij signalen van geldzorgen, welke aanvullende maatregelen neemt u om mensen eerder in beeld te krijgen voordat betalingsachterstanden uitgroeien tot problematische schulden?
Constaterende dat uit het rapport van het Nibud blijkt dat inkomenszekerheid ministens zo belangrijk is als de inkomstenhoogte, en dat mensen met weinig grip op hun inkomen in 80% van de gevallen moeite hebben met rondkomen, en dat in het coalitieakkoord staat het streven naar één vaste betaaldag, welke stappen heeft u al genomen om dit te bereiken en welke stappen bent u nog voornemens om te nemen om dit te bereiken? Welke andere maatregelen neemt u om de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van inkomen te bevorderen?
Constaterende dat huishoudens met wisselende inkomens en jongvolwassenen vaak niet weten op welke inkomensondersteuning zij recht hebben en waar zij informatie kunnen vinden over toeslagen, terwijl deze doelgroep juist vaak recht heeft op inkomensondersteuning, en dat de Wet proactieve dienstverlening een stap in de goede richting is om niet-gebruik tegen te gaan, bent u het eens dat verregaandere stappen vereist zijn om toe te werken naar automatisch uitkeren? Welke stappen bent u voornemens om te nemen en op welk termijn?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de meeste huishoudens bij geldproblemen hun vaste lasten zo lang mogelijk proberen te betalen en als eerste bezuinigen op voeding, kleding, hobby’s, sociale activiteiten en zorg, hoe voorkomt u dat huishoudens, in het bijzonder huishoudens met kinderen, niet in staat zijn om deel te nemen aan het sociale leven omdat zij anders hun vaste lasten niet kunnen betalen?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport volgt dat 25% van de huishoudens aankopen via creditcard of achteraf betalen niet betalen wanneer zij in geldproblemen zitten, en dat hierdoor een grote kans bestaat dat schulden ontstaan of verergeren, en met name jongvolwassenen zijn kwetsbaar hiervoor, bent u het eens dat deze doelgroep daartegen beschermd moet worden en op welke wijze is de Minister van plan om dit te doen?
Hoewel op papier de koopkracht de afgelopen jaren is verbeterd, constateert het Nibud dat huishoudens een duidelijke verslechtering ervaren in hun financiële situatie, hoe verklaart u dit verschil?
Het bericht 'Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol' |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert , Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol»?1
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Gaza naar Jordanië te reizen?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 waarin de Minister slechts verplicht wordt om een geringe inspanning te verrichten?
Waarom is er niet gewacht met het bieden van ondersteuning aan de rest van de groep van 42 Gazanen totdat er een uitspraak in de bodemprocedure ligt?
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Jordanië naar Nederland te reizen?
Hoe verklaart u dat er naast 21 Gazaanse studenten ook 18 meereizende gezinsleden naar Nederland zijn gekomen? Op grond van welke rechterlijke uitspraak heeft Nederland de plicht om deze meereizende gezinsleden ondersteuning te bieden?
Hoe verklaart u dat de verhouding studenten versus meereizende gezinsleden bijna 1 op 1 is? Hoe verhoudt zich dit tot het gemiddelde aantal gezinsleden dat meereist met migranten met een studievisum?
Klopt het dat Gazaanse studenten tijdens het verblijf de meereizende gezinsleden financieel moeten onderhouden? In hoeverre is dit mogelijk gezien de levensstandaard in Gaza en het feit dat deze Gazanen naar Nederland komen om te studeren?
Klopt het dat deze meereizende gezinsleden geen zelfstandig verblijfsrecht hebben en Nederland dus moeten verlaten zodra de gezinsband wordt verbroken?
Hoe groot schat u de kans in dat deze meereizende gezinsleden daadwerkelijk Nederland zullen verlaten en zullen terugkeren naar Gaza indien de gezinsband wordt verbroken?
Op basis waarvan bepalen universiteiten welke buitenlandse studenten zij toelaten tot hun universiteit?
Welke ondersteuning hebben universiteiten geboden om deze studenten van Jordanië naar Nederland te laten reizen? Hebben zij bijvoorbeeld één of meerdere overnachtingen in Jordanië en de vliegtickets betaald?
Hoe komen de Nederlandse universiteiten aan het geld om deze Gazaanse studenten te ondersteunen?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan deze studenten tijdens hun verblijf in Nederland? Valt onder deze ondersteuning ook huisvesting?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de ondersteuning die Nederlandse studenten krijgen van universiteiten in hun zoektocht naar een studentenkamer, indien universiteiten inderdaad huisvesting aan deze groep bieden?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich tot het kabinetsvoornemen om het aantrekken van internationale studenten zo veel als kan te beperken tot internationaal toptalent? Is daar hier sprake van?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich voorts tot de ambitie uit het regeerakkoord om te zorgen voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn? Is daar hier sprake van?
Hoe past het toelaten van deze Gazaanse studenten in de huidige bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van anderstalige opleidingen dan wel de regionale draagkracht?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan de meereizende gezinsleden?
Wat zijn de totale kosten voor de universiteiten om deze Gazaanse studenten in Nederland te laten studeren?
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat universiteiten actief ondersteuning bieden bij het naar Nederland halen van studenten en hun gezinsleden uit oorlogsgebieden?
De obstakels bij integratie voor de buitenlandse partners van Nederlanders |
|
Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Nederlanders die een liefdesrelatie hebben met een niet-EU-inwoner en aan de inkomenseisen voldoen, de mogelijkheid zouden moeten hebben om samen met hun geliefde een leven op te bouwen in Nederland, waarbij de niet-Nederlandse partner zo snel mogelijk zou moeten kunnen inburgeren?
Deelt u de mening dat praktische obstakels die de vlotte inburgering van deze liefdespartners in de weg staan, zo veel mogelijk vermeden en opgeheven moeten worden?
Acht u het wenselijk dat liefdespartners van Nederlanders honderden euro’s kwijt zijn louter en alleen aan de reiskosten om het basisexamen inburgering in het buitenland te kunnen afleggen?
Is het mogelijk om buitenlandse partners van Nederlanders het basisexamen inburgering in het buitenland digitaal van op afstand te laten afleggen wanneer er geen examenfaciliteit in hun stad of dorp beschikbaar is? Zo nee, wat is ervoor nodig om dat wel mogelijk te maken?
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het basisexamen inburgering in het buitenland? En wat is de gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf?
Kan de termijn van acht weken waarover DUO beschikt om de examenuitslag bekend te maken, ingekort worden? Zo ja, met hoeveel weken? Zo nee, wat precies staat een inkorting in de weg?
Hoe verhoudt de lange duurtijd van de combinatie van het basisexamen inburgering in het buitenland plus de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf zich tot het recht op gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wanneer aan alle inkomens- en huisvestingseisen wordt voldaan, en wanneer de wachttijd in de praktijk samenvalt met perioden waarin echtgenoten elkaar door visumtellingen niet eens fysiek mogen ontmoeten?
Is het mogelijk bij het inplannen van het basisexamen inburgering in het buitenland al het proces voor een machtiging tot voorlopig verblijf op te starten, zodat deze processen parallel lopen en mensen dus niet onnodig lang hoeven te wachten? Zo nee, wat concreet staat dat in de weg?
Op welke objectieve gronden zijn partners uit Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea of Zwitserland vrijgesteld van het basisexamen buitenland, terwijl partners uit andere landen deze eis wel krijgen opgelegd? Is dit onderscheid nog te rechtvaardigen?
Overweegt u de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland uit te breiden naar andere landen wanneer het gaat om de liefdespartners van Nederlanders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Is het kabinet bereid te onderzoeken of inburgering in Nederland zelf, onder begeleiding van de Nederlandse echtgenoot en familie, een gelijkwaardig of beter alternatief kan zijn voor het examen in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Hoe weegt het kabinet de mentale en relationele schade van maandenlange gedwongen scheiding mee in de proportionaliteitstoets? Welke maatregelen zal het kabinet nemen om een vlottere inreis en integratie van liefdespartners van Nederlanders te garanderen om dit soort mentale en relationele schade te voorkomen?
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Herhaalde aanvallen van het Israëlische leger op medisch personeel in Libanon |
|
Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De eerste ambulance werd geraakt; toen de tweede, derde en vierde. Hoe Israël medisch personeel aanvalt in Libanon»?1
Herkent u het beeld dat het Israëlische leger in Libanon zogenoemde double-tap-aanvallen uitvoert, waarbij hulpverleners die na een eerste aanval te hulp schieten herhaaldelijk opnieuw worden beschoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie van de door NRC geraadpleegde experts dat deze aanvallen in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht, in het bijzonder met de bescherming van medisch personeel en ambulances? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u deze aanvallen op medisch personeel en ambulances in het licht van de verplichtingen van Israël onder artikel 2 van de EU-Israël Associatieovereenkomst?
Is het kabinet bereid deze aanvallen scherp en publiekelijk te veroordelen, en dit ook rechtstreeks over te brengen aan de Israëlische regering? Zo nee, waarom niet?
Hebben eerdere gesprekken met Israëlische Ministers en andere diplomatieke contacten geleid tot aantoonbare verandering in het optreden van het Israëlische leger? Zo nee, welke conclusie trekt het kabinet daaruit over de effectiviteit van diplomatieke waarschuwingen?
Is het kabinet bereid deze praktijken aan te grijpen om in Europees verband opnieuw en blijvend te pleiten voor spoedige politieke en handelsmaatregelen tegen Israël, zolang het Israëlische leger burgers, hulpverleners en medisch personeel blijft aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de relatie met Israël nu het Israëlische leger, na meerdere waarschuwingen, opnieuw hulpverleners, ambulances en medische voorzieningen blijkt aan te vallen?
Het opheffen van het gespecialiseerde IGJ-team voor de aanpak van zorgfraude |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Team dat zorgfraude onderzoekt opgeheven bij Inspectie, terwijl regulier toezicht signalen niet oppakt: «Inspecteurs worden misleid door malafide zorgaanbieders»»1
Bent u ervan op de hoogte dat het speciale team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) wordt opgeheven?
Wat is volgens u de verklaring voor het opheffen van dit team?
Hebben overwegingen rond de veiligheid van de zorg invloed gehad op dit besluit? Zo ja, op welke manier?
Deelt u de zorg dat de aanpak van zorgfraude in de praktijk nog altijd tekortschiet en dat juist daarom specialistische expertise binnen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) noodzakelijk blijft?
Acht u het uitlegbaar dat juist dit gespecialiseerde team voor de aanpak van zorgfraude wordt opgeheven, terwijl u in juni nog een plan presenteerde waarin wordt ingezet op multidisciplinaire teams om zorgfraude beter te bestrijden? Kunt u hier een toelichting op geven?
Was u op de hoogte van de interne spanningen binnen de IGJ over de aanpak van zorgfraude en het verschil van inzicht tussen het reguliere toezicht en het gespecialiseerde IBZ-team?
Is er volgens u een verband tussen deze spanningen binnen de IGJ en het opheffen van het IBZ-team?
Klopt het dat er binnen de IGJ zorgen zijn geuit over verlies van expertise over de aanpak van zorgfraude door het verdwijnen van dit gespecialiseerde team?
Hoe bent u van plan deze kennis over zorgfraude te borgen binnen de IGJ? Kunt u dat toelichten?
Wat bent u concreet van plan met de in uw plan aangekondigde multidisciplinaire teams voor de aanpak van zorgfraude?
Bent u bereid de Kamer op korte termijn en voor de opheffing van het IBZ-team te informeren over hoe de specialistische kennis wordt geborgd?
Het bericht dat VUmc in 2040 stopt als ziekenhuis en de zorgtaken naar locatie AMC gaan |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VUmc stopt in 2040 als ziekenhuis, zorgtaken gaan naar locatie AMC»1 en van de strategische huisvestingsroute van Amsterdam UMC richting 2040?2
Wat betekent dit voorgenomen besluit concreet voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc?
Begrijpt u dat patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking zich zorgen kunnen maken als een ziekenhuislocatie in hun buurt op termijn verdwijnt?
Wat betekent het verdwijnen van de ziekenhuisfunctie op locatie VUmc voor de bereikbaarheid van ziekenhuiszorg voor inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten?
Is onderzocht hoeveel langer patiënten straks onderweg zijn naar het ziekenhuis, zowel met de auto, het openbaar vervoer als de ambulance?
Kunt u uitsluiten dat deze concentratie van ziekenhuiszorg leidt tot langere reistijden, langere wachttijden of minder toegankelijke zorg voor patiënten?
Klopt het dat financiële redenen, zoals te veel vierkante meters en hoge huisvestingskosten, een belangrijke rol spelen bij dit voorgenomen besluit?
Hoe voorkomt u dat betaalbaarheid, vastgoed en efficiency zwaarder gaan wegen dan goede en bereikbare zorg voor patiënten?
Hoe kijkt u terug op het eerdere verdwijnen van de spoedeisende hulp en de huisartsenpost op locatie VUmc, juist omdat toen al zorgen bestonden over werkdruk en toegankelijkheid van zorg?
Hoe beoordeelt u de waarschuwing dat het door dit besluit moeilijker kan worden om de geneeskundeopleiding van de Vrije Universiteit in stand te houden?
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit volgens u voor de opleidingscapaciteit van artsen en medisch specialisten in Amsterdam?
Deelt u de zorg dat het verminderen van ziekenhuiscapaciteit onverstandig kan zijn met het oog op de vergrijzing, waarbij de zorgvraag juist verder zal toenemen?
Deelt u de zorg dat met het verdwijnen van ziekenhuiscapaciteit ook de beschikbare capaciteit voor rampen, calamiteiten, infectie-uitbraken of oorlogssituaties verder afneemt?
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit voor het zorgpersoneel op beide locaties, en hoe wordt voorkomen dat medewerkers door onzekerheid over hun werkplek of toekomst afhaken?
Heeft de cliëntenraad Amsterdam UMC al advies uitgebracht over dit voorgenomen besluit en zo ja, kunt u dit advies met de Kamer delen? Zo nee, waarom is de cliëntenraad nog niet om advies gevraagd?
Bent u bereid de Kamer voor het definitieve besluit te informeren over de gevolgen voor patiënten, bereikbaarheid, acute zorg, wachttijden, personeel, opleidingscapaciteit, rampenopvang en de toegankelijkheid van ziekenhuiszorg in de regio? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het eerder genoemde plan voor een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie voor Amsterdam UMC, waarover in 2025 werd bericht, niet langer aan de orde is? Zo nee, welke onderdelen van dat plan spelen nog wel een rol bij de huidige strategische huisvestingsroute?3
Gesprekken die zijn gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gesprek Taliban en EU afgelopen, ook Nederland zat aan tafel»?1
Erkent u dat er ook Nederlandse ambtenaren bij de gesprekken zaten die zijn gevoerd met de Taliban in Brussel?
Zo ja, hoe kan het dat u tijdens het commissiedebat JBZ-Raad van 27 mei beweerde dat Nederlandse ambtenaren niet betrokken zijn bij de gesprekken?
Wanneer is het besluit genomen om ambtenaren van Nederland te laten deelnemen aan de gesprekken met de Taliban in Brussel? Wie waren er betrokken bij dit besluit?
Waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd?
Is er over de deelname van een ambtenaar van het Ministerie van Asiel en Migratie aan het overleg advies ingewonnen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe luidde het advies?
Erkent u dat deze gesprekken een stap zijn richting de normalisering van het Taliban-regime en dat zij met deze gesprekken een podium hebben gekregen in het hart van onze Europese democratie? Zo nee, waarom niet?
Waarom zorgt u ervoor dat Nederland door Nederlandse ambtenaren te sturen bijdraagt aan het normaliseren van het wrede Taliban-regime?
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat het gesprek met de Taliban in Brussel «waanzin» is? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens Instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat we onze geloofwaardigheid over mensenrechten volledig verliezen als we de Taliban voor een kopje thee in Brussel uitnodigen? Zo nee, waarom niet?
Is er sprake van eenheid van kabinetsbeleid, als ambtenaren van één ministerie deelnemen aan het gesprek met de Taliban, terwijl de premier zich op Instagram in felle bewoordingen uitlaat tegen het gesprek met de Taliban?
Vertegenwoordigt de Taliban volgens u het Afghaanse volk? Zo nee, waarom kiest u ervoor om ambtenaren wel met hen in gesprek te laten gaan en hen samen met vertegenwoordigers van de Europese Commissie en 14 andere EU-landen te verwelkomen in Brussel?
Erkent u dat de gesprekken die zijn gevoerd met de delegatie van de Taliban een meerwaarde hadden voor het regime? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is deze precies en vindt u dat de mogelijkheid om Afghanen misschien terug te kunnen sturen waard?
Wat is er precies besproken tijdens de gesprekken? Kunt u op korte termijn een verslag aan de Kamer doen toekomen?
Sluit Nederland uit dat officiële vertegenwoordigers van het Taliban-regime in Nederland geaccrediteerd worden? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de eisen die de Taliban hebben neergelegd in ruil voor het terugsturen van uitgeprocedeerde Afghanen?
Is er gesproken over de veiligheid van deze mensen? Zo ja, wat is hierover besproken? Zo nee, waarom niet?
Is er gesproken over de mensenrechtensituatie in Afghanistan, en met name de situatie van vrouwen en meisjes die in Afghanistan onderdrukt worden? Zo ja, wat is er besproken, zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de start van het zomerreces beantwoorden?
Misstanden bij You-Zorg Nederland en misbruik van mensen met een verstandelijke beperking |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorginstelling in Assen moet zorg deels staken. Eigenaar verdacht van verkrachting cliënt, zijn vrouw verzweeg geen diploma te hebben»?1
Deelt u de mening dat het feit dat opnieuw cliënten in een kwetsbare positie, mishandeld zijn door hun zorgaanbieder, laat zien dat het te makkelijk is om misbruik te maken van ons zorgsysteem?
Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of uw ministerie eerder signalen ontvangen over onveiligheid en gebrekkige zorg bij You-Zorg Noord? Zo ja, wanneer zijn deze signalen binnengekomen, wat was de aard van deze signalen en welke vervolgacties zijn ondernomen? Zijn er elders signalen binnengekomen? Zo ja, waar, wanneer en hoe zijn die opgepakt?
Hoe wordt geborgd dat alle cliënten van You-Zorg Noord zo snel mogelijk bij een andere zorgaanbieder terecht kunnen en hier ook passende zorg ontvangen?
Is er direct passende nazorg en ondersteuning geregeld voor de cliënten en de familieleden van deze cliënten?
Is er ooit door de Inspectie, vertrouwenspersonen of een andere onafhankelijke instantie gesproken met de cliënten van You-Zorg in het kader van een reguliere kwaliteitscontrole of specifiek ter preventie van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag?
Bent u van mening dat er momenteel voldoende waarborgen zijn om te voorkomen dat zorgverleners zonder voldoende deskundigheid of met verkeerde bedoelingen (langdurig) toegang hebben tot kwetsbare cliënten? Zo ja, kunt u dit onderbouwen aan de hand van concrete data en argumenten? Zo nee, welke concrete maatregelen gaat u op korte en lange termijn nemen om dit te verbeteren?
Welke concrete verbeteringen zijn er geweest na eerdere misstanden bij pgb-gefinancierde initiatieven, zoals bijvoorbeeld Aurora Borealis?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de beloften die zijn gedaan in antwoord op mijn vragen uit oktober 20242 om het risico op misbruik in bij pgb-gefinancierde wooninitiatieven te verminderen?
Hoe vaak voert de IGJ momenteel risicogericht toezicht uit bij kleinschalige wooninitiatieven en zorgaanbieders waarbij de zorg grotendeels vanuit pgb’s wordt gefinancierd?
Waarom wordt er niet voor gekozen om onze moties uit te voeren die vragen om meer inspecteurs voor specifiek deze doelgroep en gespecialiseerde vertrouwenspersonen die proactief instellingen en wooninitiatieven voor mensen met een (meervoudige) en/of psychische problematiek beperking te bezoeken?
Bent u van mening dat ons zorgstelsel voldoende waarborgen bevat om mensen met een (meervoudige) beperking die vaak niet zelf kunnen melden en afhankelijk zijn van hun zorgverleners, te beschermen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze afschuwelijke situatie?
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Het artikel '17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis' |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis»?1
Bent u bekend met de situatie van bewoners in Doesburg die al geruime tijd wachten op toestemming om hun spouwmuren te isoleren in het kader van verduurzaming?
Deelt u de zorg dat bewoners die te goeder trouw willen verduurzamen, nu worden geconfronteerd met een onduidelijk en traag proces dat het draagvlak voor klimaatbeleid kan ondermijnen?
Hoe beoordeelt u het feit dat verduurzamingsmaatregelen zoals woningisolatie in de praktijk worden vertraagd of geblokkeerd door de vereisten rondom ecologisch onderzoek naar beschermde diersoorten, alsook door extra eisen van provincies?
In hoeverre acht u het wenselijk dat individuele bewoners en VvE’s geconfronteerd worden met hoge kosten en lange wachttijden, terwijl er reeds subsidies zijn toegekend voor verduurzaming? Heeft u inzage hoeveel subsidies zijn toegekend, maar niet door kunnen gaan door eerdergenoemde knelpunten?
Kunt u toelichten hoeveel gemeenten in Nederland momenteel nog geen goedgekeurd soortenmanagementplan (SMP) hebben en wat de gemiddelde doorlooptijd is van goedkeuring door provincies? Bent u van plan om met de provincie Gelderland hierover te spreken aangezien daar nog geen enkele SMP is goedgekeurd?
Bent u het eens dat de huidige interpretatie van soortenbescherming in de praktijk leidt tot een aanzienlijke vertraging van de nationale isolatie- en energiebesparingsdoelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in overleg met provincies te komen tot een landelijke versnellingsaanpak voor SMP’s, zodat gemeenten niet onnodig lang in onzekerheid blijven over vergunningverlening? En bent u bereid provincies aan te spreken op het stellen van aanvullende eisen en het vertragen van vergunningstraject? Welke instrumenten heeft u om hierop in te grijpen?
Hoe wordt geborgd dat de bescherming van beschermde diersoorten proportioneel blijft, zonder dat dit leidt tot feitelijke stilstand van verduurzamingsmaatregelen in bestaande woningen?
In hoeverre acht u het onacceptabel dat woningeigenaren in gemeenten zonder soortenmanagementplan na een positieve eDNA-uitslag zijn aangewezen op een langdurig individueel provinciaal vergunningstraject?
Het bericht 'Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld»?1
Wat is uw reactie op de bevindingen van Nederlandse deskundigen over het verband tussen huiselijk geweld en suïcide?
Herkent u het beeld dat huiselijk geweld, psychische mishandeling, stalking en dwingende controle belangrijke risicofactoren zijn voor suïcidaliteit onder vrouwen? Zo ja, op welke manier wordt hiermee rekening gehouden in beleid en praktijk?
Zijn er cijfers bekend waaruit blijkt in hoeveel gevallen van suïcide sprake was van (een voorgeschiedenis van) huiselijk geweld? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe dit beter in beeld kan worden gebracht?
Bent u bereid te bezien of de registratie van huiselijk geweld, suïcidepogingen en suïcides beter op elkaar kan worden aangesloten, zodat patronen eerder kunnen worden herkend en gerichter beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden voor politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen wanneer er aanwijzingen zijn dat huiselijk geweld, psychische mishandeling of dwingende controle hebben bijgedragen aan een suïcide?
Bent u bekend met het fenomeen «staged suicide», waarbij een overlijden ten onrechte als suïcide wordt aangemerkt terwijl sprake kan zijn van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre komt dit volgens u voor in Nederland?
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van staged suicide in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kan het aangekondigde wetsvoorstel over de strafbaarstelling van psychisch geweld bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling mogelijk leidt tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide?
Op welke wijze wordt binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke risicogroep?
Het artikel ‘Inwoners grensdorp kunnen voordeur naar België verplaatsen: ’Ziektekosten, wegenbelasting en huur zijn lager’’ |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van berichtgeving over situaties in grensgemeenten, zoals in Baarle, waar een appartementencomplex zowel een Nederlandse als een Belgische voordeur heeft vanwege verschillen in regelgeving?1
Bent u op de hoogte van het feit dat aan de Nederlandse zijde van een dergelijk perceel geen extra woningen mochten worden gerealiseerd vanwege gemeentelijke regels, terwijl dit aan de Belgische zijde wél mogelijk bleek?
Deelt u de opvatting dat dergelijke casussen illustreren dat regelgeving in Nederland knellender kan uitpakken dan in buurlanden en daarmee ongewenste prikkels creëert? Is het mogelijk dat dergelijke regels ontstaan zijn in de jaren dat Nederland nog dacht te krimpen?
Wat vindt u van het feit dat beperkingen worden gesteld, zoals maximale bouwhoogtes, bebouwingspercentages en functiebestemmingen, die het realiseren van extra woningen kunnen beperken of uitsluiten?
Hoe beoordeelt u het dat gemeenten via deze planregels feitelijk kunnen voorkomen dat extra woningen worden toegevoegd, ook in gebieden met een groot woningtekort?
Deelt u de opvatting dat procedures, die in de praktijk maanden tot jaren kunnen duren, een rem zetten op het tempo waarin nieuwe woningen worden gerealiseerd?
Hoe beoordeelt u de stapeling van regels uit omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen en Algemene Plaatselijke Verordeningen in relatie tot de nationale woningbouwopgave?
Hoe beoordeelt u het risico dat vergelijkbare woninginitiatieven in de ene gemeente wel en in de andere gemeente niet mogelijk zijn vanwege lokaal beleid?
Kunt u aangeven hoe vergunningplichten voor het splitsen, samenvoegen of verkameren van woningen ertoe leiden dat het aantal feitelijk beschikbare woonruimten wordt beperkt? Hoe komen we daarvan af?
Kunt u een integraal overzicht geven van de relevante hervormingen, beleidswijzigingen en regelgeving van de afgelopen decennia (waaronder veranderingen in de invullingsvrijheid van bestemmings- en omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen, vergunningplichten en bepalingen in Algemene Plaatselijke Verordeningen) die direct of indirect hebben bijgedragen aan het beperken van woningbouw en woningvorming, en daarmee aan het vastlopen van de woningmarkt?
Klopt het dat de regels die het aantal woningen in het bestemmings- of omgevingsplan niet laten toenemen, het splitsen van bestaande woningen beperken, wonen in bijgebouwen verbieden of wonen in aanbouwen verbieden het toevoegen van woningen bemoeilijken? Zijn er mogelijkheden om deze landelijk en generiek te schrappen? Zo ja, hoe? Bent u bereid dat te doen?
Welke maatregelen bent u verder bereid te treffen om te voorkomen dat lokale regelgeving het realiseren van extra woningen onnodig belemmert? En op welke termijn zijn deze maatregelen te verwachten? En neemt u in uw overwegingen het opleggen van een instructiebesluit mee? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe en binnen welke termijn?
Bent u op de hoogte van de situatie in Utrecht en Zuid-Limburg waarbij hoogzwangere vrouwen hun eerder toegezegde kraamzorg alsnog verliezen?1
Kunt u zich voorstellen welke onzekerheid dit teweeg brengt bij zwangere vrouwen?
Hoe kan het gebeuren dat vrouwen zo kort voor de bevalling te horen krijgen dat reeds toegezegde kraamhulp toch niet beschikbaar is?
Bent u het ermee eens dat een dergelijke gang van zaken onaanvaardbaar is en vanaf nu voorkomen moet worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Welke verantwoordelijkheid hebben kraamzorgorganisaties wanneer zij eerder toegezegde zorg niet meer kunnen leveren?
Hoe wordt voorkomen dat door deze gang van zaken de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor moeder en kind in gevaar komen?
Kunt u in het bijzonder toelichten wat er wordt gedaan om te voorkomen dat juist kwetsbare vrouwen en gezinnen de komende zomer geen toegang hebben tot kraamzorg?
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars hun zorgplicht in deze situatie hebben ingevuld?
Kunt u garanderen dat vrouwen die op deze manier noodgedwongen in een kraamhotel terecht komen niet met extra kosten (voor bijvoorbeeld vervoer of verblijf) te maken krijgen? Als dit onverhoopt wel het geval is, worden deze gezinnen hiervoor gecompenseerd door de zorgaanbieder of de verzekeraar?
Welke ondersteuning krijgen gezinnen die geen gebruik kunnen of willen maken van een kraamhotel?
Zijn bij u signalen bekend dat dit ook in andere regio’s speelt?
Kunt u toelichten welke (regionale) afspraken er zijn gemaakt om te garanderen dat elke vrouw de kraamzorg krijgt waar zij gewoon recht op heeft?
Bieden deze afspraken naar uw overtuiging voldoende zekerheid voor vrouwen?
Hoe wordt de regionale ongelijkheid aangepakt nu sommige delen van Nederland blijkbaar met méér tekorten kampen dan andere?
Bent u bereid om op korte termijn extra financiële middelen beschikbaar te stellen voor verbetering van arbeidsvoorwaarden in de kraamzorg, waaronder salaris en wachttijden?
Kunt u inmiddels verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moeten worden aangemerkt en dienovereenkomstig beloond moeten worden?2
Waarom ontbreekt er nog steeds een serieuze aanpak van de crisis in de kraamzorg, gezien het feit dat kraamverzorgenden en de Tweede Kamer hier kéér op kéér toe hebben opgeroepen? Kunt u inzichtelijk maken wat u hebt gedaan met alle eerdere aanbevelingen om de noodsituatie in de kraamzorg snel aan te pakken, van begin tot eind, van opleiding tot vergoedingen voor reizen en wachten?
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de moties Dijk/Dobbe3, Bikker c.s.4, Dobbe/Van Dijk5, Van Dijk c.s.6, Coenradie7 en Van Meetelen/Van Dijk8? Ziet u in dat uw aanpak tot nu toe niet voldoet aan de oproepen van de Tweede Kamer?
Het recht op onderwijs voor kinderen in de opvang |
|
Lisa Westerveld (GL), Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er de afgelopen jaren geen verbetering is gekomen voor de eerder geïdentificeerde problemen rond het onderwijs voor kinderen in de noodopvang?1
Bent u ingegaan op het verzoek van de Inspectie van het Onderwijs om met hen in gesprek te gaan over de al jarenlang gesignaleerde problematiek in de noodopvang en hun aanbevelingen? Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, gaat u dit doen en op welke termijn?
Bent u het ermee eens dat continuïteit van de schoolloopbaan, ook als jongeren meerderjarig worden, van groot belang is voor een ononderbroken ontwikkeling en het voltooien van de schoolloopbaan – voor de jongere, de samenleving en de economie?
Hoe komt het dat de ononderbroken toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang nog steeds niet goed is geregeld, ondanks dat de Inspectie al jaren aan de bel trekt?
Bent u het ermee eens dat hiermee de rechten van kinderen zoals onder meer beschreven in het Internationale Kinderrechtenverdrag, specifiek artikel 6 op ontwikkeling, worden geschonden en hoe verenigt u deze problematiek met de Leerplichtwet?
Is het door een onafhankelijke partij – niet zijnde de overheid –, zoals de Landsadvocaat, juridisch getoetst of Nederland wel of niet aan het Internationale Kinderrechtenverdrag voldoet inzake het onderwijs aan kinderen uit de noodopvang of de reguliere opvang? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de toegang te waarborgen voor alle kinderen?
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Hoeveel kinderen tussen de 5 en 18 jaar in de noodopvang en de reguliere opvang staan momenteel op de wachtlijst voor onderwijs, uitgesplitst naar onderwijssector?
Hoeveel kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang moesten in 2025 langer dan de de wettelijke termijn van 3 maanden wachten om naar onderwijs geleid te worden?
Klopt het dat het voorkomt dat deze termijn van 3 maanden bij iedere nieuwe verhuizing opnieuw als norm gehanteerd wordt, ondanks dat de termijn officieel slechts eenmalig geldt voor kinderen en jongeren die net in Nederland zijn aangekomen? Zo ja, bij hoeveel kinderen bleek dit in de afgelopen 3 jaar het geval?
Hoe groot is momenteel het capaciteitstekort over heel Nederland om kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang ononderbroken onderwijs te kunnen bieden?
In welke regio’s is er sprake van een capaciteitstekort om onderwijs te voorzien voor alle in die regio gevestigde kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang?
Heeft u zicht op hoe vaak kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang verhuizen en hoeveel onderwijstijd ze daardoor verliezen? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit aantal verhuizingen en de daardoor verloren onderwijstijd in kaart brengen?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang door frequente verhuizingen onderwijstijd missen en steeds een nieuwe school en nieuwe leerlingen moeten leren kennen?
Hoe staat het met de uitvoering van de ambitie uit het regeerakkoord om ervoor te zorgen dat kinderen niet continu verhuisd worden en welke acties zijn er al ondernomen? Welke acties gaat u ondernemen om dat continu verhuizen te voorkomen?
Klopt het dat kinderen in de noodopvang die over enkele maanden 18 worden, niet meer toegelaten worden tot onderwijsvoorzieningen voor kinderen in de noodopvang en blijven de bewuste kinderen daardoor langer op de wachtlijst? Hoe zit dit voor kinderen in de reguliere opvang?
Welke oplossingen voorziet u om te garanderen dat ieder kind toegang tot onderwijs krijgt, ook als ze binnen enkele maanden 18 worden?
Overweegt u daarbij meer flexibiliteit te voorzien waardoor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang in het jaar dat ze 18 worden het leerjaar kunnen afmaken, ook nadat ze meerderjarig zijn geworden? Zo niet, waarom niet?
Welke mogelijkheden ziet u om de capaciteit van onderwijs voor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang op te schalen zodat er geen wachtlijsten meer zijn en welke van die mogelijkheden zult u benutten en welke niet? En waarom die keuze?
Welke acties gaat u ondernemen om tekorten aan gekwalificeerde docenten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang op te lossen?
Hoeveel bijkomende financiering zou er nodig zijn om alle wachtlijsten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang weg te werken?
Kunt u dat budget vrijmaken? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de verantwoordelijkheden over het garanderen van toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang over vele partijen versnipperd is, wat zal u doen om meer coördinatie te garanderen? Zal het Rijk hier meer regie op pakken?2
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Strafbaarstelling van kritiek op de Chinese regering |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat per 1 juli 2026 in China een wet in werking treedt die kritiek op de regering strafbaar stelt?1
Is het juist dat ook personen die buiten China kritiek op de Chinese regering uiten daardoor strafbaar zijn en bij aankomst in China daarom gearresteerd kunnen worden?
Indien de vorige vraag door u niet ontkennend beantwoord kan worden, wat gaat u dan doen om Nederlanders die naar China willen gaan te waarschuwen dat zij het risico lopen in China gearresteerd te worden als zij eerder kritiek op de Chinese regering hebben geuit?
Heeft de bedoelde wet terugwerkende kracht voor daden die gepleegd zijn vóór de inwerkingtreding van die wet?
Is in die wet duidelijk omschreven wat wordt verstaan onder kritiek op de Chinese regering?
Klopt het dat daaronder ook wordt verstaan het uiten van gedachten die in strijd zijn met de Chinese claim dat Taiwan en inwoners van Taiwan onderdeel zijn of moeten zijn van de Volksrepubliek China?
Wilt u deze vragen voor 30 juni beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?