| Ingediend | 7 april 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 20 april 2026 (na 13 dagen) |
| Indiener | Marjolein Moorman (PvdA) |
| Beantwoord door | Judith Tielen (VVD) |
| Onderwerpen | onderwijs en wetenschap organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z07155.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1682.html |
Ja, ik ben bekend met het artikel en met de uitspraak zelf.
Er is in 2024 hoger beroep ingesteld omdat het beeld was dat er in de overgangsperiode wel voldoende bekostiging was uitbetaald aan de schoolbesturen.2
We bestuderen de uitspraak en bekijken hoe we hier uitvoering aan gaan geven. Uw Kamer wordt hier uiterlijk in juni van dit jaar verder over geïnformeerd.
Zie antwoord vraag 3.
Zie antwoord vraag 3.
Zie antwoord vraag 3.
Het gaat niet om een rekenfout in de bekostigingssystematiek. In 2006 is de bekostigingssystematiek gewijzigd van een declaratiesysteem naar lumpsumbekostiging. De overlopende kosten hadden toegekend moeten worden aan de periode van de declaratiesystematiek (de oude systematiek) volgens de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State. Volgens deze redenering was eind 2006 een tekort ontstaan voor de schoolbesturen. In 2023 is overgegaan van schooljaar- naar kalenderjaarbekostiging. Er is sprake van een andere beoordeling door de Afdeling ten opzichte van het ministerie als het gaat om de al dan niet ontstane tekorten door deze aanpassingen. Het ministerie was van mening dat er geen ontstane tekorten waren, omdat schoolbesturen altijd 100% van de bekostiging hebben ontvangen.