Overdracht school in Altforst |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het besluit om basisschool De Tweestroom in Altforst te sluiten wordt één jaar geschorst» en de aanvulling op het arrest door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kent u een precedent waarin de rechter op zo korte termijn voor aanvang van het schooljaar het voortbestaan van een school heeft afgedwongen? Bent u bereid om in deze uitzonderlijke situatie actief inhoudelijke ondersteuning te geven aan de school ten einde recht te doen aan het arrest van het gerechtshof in het belang van goed onderwijs?
Bij mij is één ander recent voorbeeld bekend van een civielrechtelijke uitspraak naar aanleiding van een vrijwillige opheffing van een school waarin de rechter een besluit heeft geschorst. De schorsing was bedoeld om een uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wet medezeggenschap op scholen (WMS) af te kunnen wachten.2 In die zaak heeft de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS geoordeeld dat het schoolbestuur het besluit mocht nemen om de school in kwestie te sluiten.3
Het komt daarnaast vaker voor dat een schoolbestuur pas kort van tevoren zeker weet dat een school niet datzelfde jaar nog zal worden gesloten, bijvoorbeeld wanneer een instandhoudingsverzoek wordt ingewilligd. Ook komt het voor dat schoolbesturen uit eigen beweging een voorgenomen besluit tot sluiting weer intrekken. Het is in zo’n geval aan het schoolbestuur om het belang van goed onderwijs te (blijven) waarborgen.
Op 10 augustus heb ik een brief ontvangen van de advocaat van de medezeggenschapsraad van De Tweestroom en een ouder van een leerling van De Tweestroom. Naar aanleiding daarvan hebben een van de regio-adviseurs en de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur en is een gesprek gevoerd. Hieruit zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. De regio-adviseur en de inspectie zullen de situatie in de gaten blijven houden en hierover, indien nodig, in gesprek gaan met het schoolbestuur.
Welke les trekt u uit het feit dat het gerechtshof bij de schorsing van het besluit tot sluiting van de laatste basisschool in het dorpje Altforst zwaar gewicht heeft toegekend aan de zorgplicht van het bevoegd gezag jegens de ouders en hoge prioriteit heeft gegeven aan de belangen van kinderen?
Bij wet geldt dat schoolbesturen een zorgplicht hebben richting leerlingen en hun ouders of verzorgers. Ik trek hier de les uit dat de wettelijke zorgplicht zijn doel dient als middel om besluiten van schoolbesturen te laten toetsen en daarmee de rechtszekerheid van betrokkenen te waarborgen. In geval van een schoolsluiting, betekent dat bijvoorbeeld dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking moeten kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed wordt begeleid.
Deze civielrechtelijke zaak laat concreet zien dat de rechter bij sluitingsbesluiten streng aan deze zorgplicht toetst. Blijft een schoolbestuur daarin in gebreke, dan heeft dat reële gevolgen voor wat het wel en niet kan doen. Mocht het bestuur – wat het in principe vrij staat – opnieuw een sluitingsbesluit willen nemen, dan is het cruciaal dat het aantoont wél aan de zorgplicht te hebben voldaan, zodat de belangen van leerlingen en ouders of verzorgers zijn geborgd. Dit kan achteraf door de rechter worden getoetst.4 Dit laat zien dat het stelsel, waarin bewust een wettelijke zorgplicht is opgenomen dat door de rechter kan worden getoetst, werkt.
Schept de norm van Artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag ook een zekere verantwoordelijkheid voor u om waar mogelijk ondersteuning te leveren aan de gemeenschap van ouders rond de school in Altforst, ten einde een goede uitvoering van het arrest in het belang van ouders en kinderen te bevorderen? Welke rol kan de onderwijsinspectie spelen om te waarborgen dat het bevoegd gezag tijdig maatregelen treft voor de goede voortgang van het onderwijs in het komende schooljaar?
Uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind volgt, zoals het hof aangeeft, dat de belangen van een kind een hoge prioriteit hebben bij het nemen van maatregelen waar kinderen bij zijn betrokken. De zorgplicht die onder meer voortvloeit uit de Wet op het primair onderwijs is een voorbeeld van de nationale uitwerking van de bepalingen uit het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof heeft in deze casus de belangen afgewogen en geoordeeld dat de belangen van de kinderen die nu en in de nabije toekomst worden geraakt zwaarder wegen dan de belangen van het schoolbestuur om de school per 1 augustus 2026 te sluiten.5
De inspectie heeft in april 2026 een bestuursbezoek uitgevoerd bij het schoolbestuur en daarbij onder andere aandacht besteed aan de bestuurlijke kwaliteitszorg. Uit het rapport (dat te raadplegen is op de website van de inspectie) blijkt dat de inspectie geen reden ziet om over te gaan tot nader onderzoek.
Naar aanleiding van de onder antwoord 2 genoemde brief van de advocaat heeft de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur. Op basis van de door de inspectie verzamelde informatie concludeert zij dat alle inspanningen van het schoolbestuur er, in lijn met de rechterlijke uitspraken, op gericht zijn om vanaf de eerste schooldag van schooljaar 2026–2027 onderwijs te verzorgen aan De Tweestroom. De inspectie ziet geen aanleiding voor aanvullend onderzoek en/of verscherpt toezicht. Wel neemt de inspectie deze informatie mee in het reguliere toezicht op de school en het schoolbestuur.
Zoals eerder in de beantwoording aangegeven, houden de regio-adviseur en de inspectie de situatie in de gaten en gaan zij hierover, indien nodig, in gesprek met het schoolbestuur. Zo wordt waar nodig ondersteuning geboden aan het schoolbestuur, zodat de goede voortgang van het onderwijs niet onder druk komt te staan. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om de goede voortgang van het onderwijs te waarborgen en daarvoor tijdig maatregelen te treffen. Mocht blijken dat de goede voortgang van het onderwijs alsnog onder druk komt te staan, dan is het aan de inspectie om via de gebruikelijke route hier toezicht op te houden.
Wat vindt u ervan dat het door het handelen van het bevoegd gezag van de school zo lang heeft geduurd voordat recht werd gedaan aan de wens van de lokale gemeenschap en vrijwel alle ouders van de school? Vindt u ook dat de belangen van de lokale gemeenschap en de schoolgemeenschap in het vervolg zwaar moeten wegen nu het voortbestaan van de school door het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten minste gedurende het aankomende schooljaar is verzekerd? Bent u ook van mening dat het belang van de kinderen bij goed onderwijs het meest gediend is met een bevoegd gezag dat voluit wil gaan voor de kwaliteit van het onderwijs op deze kleine school? Onderkent u dat het huidige bevoegd gezag daarvoor geen geschikte partij meer lijkt nu het enerzijds duidelijk heeft laten merken kleine scholen onder of zelfs boven de vijftig leerlingen niet wenselijk te vinden en anderzijds tot op heden geen zichtbare, voortvarende actie onderneemt om uitvoering te geven aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?2
Voor het sluiten van een school kan een schoolbestuur goede redenen hebben, zoals het niet meer kunnen waarborgen van goed onderwijs, financiële problemen of personeelstekorten. Of die keuze wordt gemaakt is gelet op de vrijheid van stichting in eerste instantie aan het schoolbestuur. Zoals in de beantwoording van vraag 3 is te lezen, staat het besturen vrij om besluiten te nemen. Ze moeten begrijpelijkerwijs dan wel aan alle wettelijke voorwaarden, waaronder de zorgplicht, voldoen.
Zoals in de beantwoording van de vragen 2 en 4 is te lezen zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. Ik vind het mede om die reden niet gepast om te oordelen over het handelen en de positie van het schoolbestuur. Het besluit van het schoolbestuur is door de rechter getoetst, waarbij is geoordeeld dat niet voldoende aan de zorgplicht is voldaan. In deze civielrechtelijke procedure is het uiteindelijk aan de rechter om, via de invulling van de wettelijke zorgplicht, te oordelen of het schoolbestuur juist heeft gehandeld en of daarbij de belangen van de leerlingen en hun ouders of verzorgers voldoende zijn meegewogen.
Bent u bereid om, gezien de korte termijn tot de start van het nieuwe schooljaar en het belang van goed onderwijs, te bemiddelen tussen het huidige bevoegd gezag en een nieuwe rechtspersoon om een goede en snelle overdracht van de school te bevorderen? Bent u bovendien bereid over deze situatie contact te zoeken met de gemeente West Maas en Waal?
De keuze om een school wel of niet over te dragen is uiteindelijk aan het schoolbestuur. Zoals gemeld in antwoord 2, kan het schoolbestuur zich laten adviseren door een van de regio-adviseurs. Mocht daarbij blijken dat contact met de gemeente West Maas en Waal wenselijk is, dan zal dat contact uiteraard tot stand gebracht worden.
Om een beeld te krijgen waar ouders in de praktijk tegenaan kunnen lopen wanneer zij een school willen overnemen, hebben ambtenaren van het ministerie in april van dit jaar een algemeen gesprek gehad met bestuursleden en adviseurs van Stichting PO De Sprong. Het gesprek neem ik mee in de ontwikkeling van een handreiking om lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen.
Het bericht ‘Aantal Nederlandse muziekstudenten op conservatoria fors gedaald’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal Nederlandse studenten op de conservatoria de afgelopen jaren fors is afgenomen en wat is uw reactie op deze ontwikkeling?1
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. De indruk dat het aantal Nederlandse studenten dat begint aan een opleiding op een conservatorium afneemt, was een van de aanleidingen voor een onderzoek dat in opdracht van OCW is uitgevoerd door onderzoeksbureau Blueyard dat heeft geresulteerd in het rapport «Toegang tot de top. Strategische verkenning naar toptalentontwikkeling in klassieke muziek en dans in Nederland». Ik stuur het rapport als bijlage mee met deze beantwoording.
Is het aandeel Nederlandse studenten alleen in relatieve zin of ook in absolute zin gedaald en zo ja, met hoeveel en wat zijn hiervan volgens u de oorzaken?
Het NOS-artikel gaat alleen in op de masteropleidingen, maar de bacheloropleidingen zijn ook relevant. In de cijfers zijn ook de opleidingen Docent Muziek niet meegenomen. Deze studenten worden opgeleid tot muziekdocent in het funderend onderwijs en daarbuiten, bijvoorbeeld als zzp’er of bij een cultureel centrum.
Hieronder vindt u een overzicht van de cijfers van Nederlandse en internationale studenten van de bachelor- en mastermuziekopleidingen tussen 2006 en heden, inclusief de absolute aantallen:
Op grond van bovenstaande data constateer ik dat de berichtgeving over terugval van het percentage Nederlandse studenten enige nuancering nodig heeft. Uit de cijfers blijkt dat het percentage Nederlandse bachelorstudenten in de loop van de tijd niet is gedaald, maar het percentage Nederlandse masterstudenten wel. NOS geeft over de masterstudenten aan dat het percentage tussen 2006/2007 en 2025/2026 is teruggevallen van 52% naar 22%. Ik constateer een afname van 43% naar 22%.
De verdeling tussen Nederlandse en internationale studenten loopt per conservatorium wel uiteen; sommige conservatoria hebben een meer internationaal profiel dan andere. Daarbij gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Het is duidelijk dat het kunstonderwijs in Nederland relatief veel internationale studenten aantrekt. De commissie Bussemaker constateert in «ACT! Naar een assertief, collectief en transformatief kunstonderwijs» dat Nederlandse kunstopleidingen internationaal worden erkend als toonaangevend.2 Het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» geeft aan dat het Sectorplan HBO-kunstonderwijs 2011 «Focus op toptalent» hier mogelijk een rol in heeft gespeeld.3 In lijn met de focus destijds op (internationaal) toptalent in het hbo en wo als geheel, was het doel van dit sectorplan om het Nederlandse kunstonderwijs zijn vooraanstaande internationale positie verder te laten versterken. Kunstopleidingen zijn zich gaan ontwikkelen vanuit een bewuste onderwijsvisie met een internationaal en intercultureel karakter. Deze internationale uitwisseling draagt bij aan het Nederlandse culturele en creatieve werkveld en cultuuraanbod. Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat indertijd al is gewaarschuwd dat Nederland de eigen voedingsbodem voor talent dan ook moest onderhouden4. Er bestaat zo mogelijk een spanningsveld tussen de focus op excellentie en internationaal toonaangevend onderwijs en voldoende ruimte behouden voor de toegankelijkheid en het opleiden van het Nederlands talent.
Deelt u de zorg dat de afnemende instroom van Nederlandse studenten aan conservatoria mede het gevolg is van een afgenomen aanbod van toegankelijk en betaalbaar buitenschools muziekonderwijs in gemeenten, onder meer door het verdwijnen van muziekscholen? Zo nee, waarom niet?
Een van de conclusies in het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» is dat talentontwikkeling bestaat uit een ecosysteem van verschillende elementen die elkaar beïnvloeden en gelijktijdig met elkaar samenwerken. Het bestaan van buitenschools muziekonderwijs is daarin één van die elementen, maar zeker niet het enige. Ik vind het wenselijk dat dit gehele ecosysteem goed werkt en dat alle talenten binnen het ecosysteem voldoende mogelijkheden hebben om zich te ontwikkelen.
Onderschrijft u dat cultuureducatie en muziekonderwijs bijdragen aan de brede ontwikkeling van kinderen, onder meer op het gebied van concentratie, taalontwikkeling, sociale vaardigheden, creativiteit en welzijn en welke plaats geeft het kabinet deze maatschappelijke waarde in het cultuur- en onderwijsbeleid?
Ik onderschrijf dat cultuureducatie (waaronder muziekonderwijs) bijdraagt aan de brede ontwikkeling van kinderen. Cultuureducatie leert kritisch en creatief denken, zorgt voor de ontwikkeling van sociale en culturele vaardigheden en draagt bij aan creatieve ontplooiing en talentontwikkeling. Vanwege deze maatschappelijke waarde zet het kabinet zich in om kinderen en jongeren in contact te laten komen met kunst en cultuur op school en daarbuiten. Cultuureducatie is onderdeel van het curriculum in het funderend onderwijs via de kerndoelen kunst en cultuur. Muziek is hierbinnen een verplichte discipline. Voor het gehele leergebied kunst en cultuur zijn geactualiseerde kerndoelen opgesteld die naar verwachting per 1 augustus 2027 in werking zullen treden. Naast deze wettelijke taak voor scholen stimuleert het Ministerie van OCW, gezamenlijk met onder andere provincies en gemeenten, cultuureducatie in den brede op school en daarbuiten met programma’s zoals Cultuureducatie met Kwaliteit, de Cultuurkaart in het vo en mbo, het programma Méér Kunst en Cultuur in School en Omgeving, en de cultuurcoaches.
Heeft het kabinet inzicht in de verschillen tussen gemeenten en regio’s in de beschikbaarheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen en in de gevolgen van gemeentelijke bezuinigingen en beleidskeuzes?
In het recent opgeleverde onderzoeksrapport «Geografische spreiding van cultuur» zijn acht verschillende sectoren onderzocht, waaronder cultuurbeoefening. Voor de sector cultuurbeoefening is gekeken naar organisaties gericht op cultuureducatie en cultuurparticipatie. In dit onderzoek is muziekonderwijs meegenomen onder de brede noemer cultuurbeoefening. Het rapport laat zien dat basisvoorzieningen, zoals cultuurbeoefening, relatief gelijkmatig over het land verspreid en toegankelijk zijn.5
Het rapport biedt ook inzicht in de overheidsuitgaven aan cultuur. Wat betreft de totale uitgaven aan cultuurbeoefening komt het grootste deel vanuit gemeenten. Op gemeentelijk niveau zijn verschillen in de uitgaven aan cultuurbeoefening zichtbaar: er is sprake van enkele uitschieters en van een groep gemeenten met relatief lage uitgaven per inwoner aan cultuurbeoefening ten opzichte van het gemiddelde. Gemeenten die dit betreft kennen geen duidelijke overeenkomsten, waardoor aannemelijk is dat de verschillen samenhangen met lokale beleidskeuzes.6
De «Monitor gemeentelijk beleid voor cultuurbeoefening op school en in de vrije tijd 2026» laat ook zien dat het grootste gedeelte van de gemeenten (88%) beleid heeft voor cultuurbeoefening, meestal voor zowel school als de vrije tijd. Van deze gemeenten richt 60% zich met diverse beleidsinstrumenten op centra voor de kunsten en muziekscholen.7
Deelt u de opvatting dat de mogelijkheid om een instrument te leren bespelen niet afhankelijk mag zijn van de gemeente waarin een kind woont? Zo ja, welke rol ziet u voor het Rijk om deze verschillen te verkleinen?
Het is aan gemeenten om te bepalen hoe zij de lokale infrastructuur voor cultuurbeoefening ondersteunen en wat, zoals bijvoorbeeld muziekscholen. Wel zijn er tussen het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 afgesloten. Hierin is een van de ambities dat wordt ingezet op een sterk ecosysteem voor cultuurbeoefening, waarin iedereen de mogelijkheid heeft een leven lang cultuur te beoefenen. Onder deze ambitie valt onder andere de afspraak dat de ondertekenende partijen vanuit de eigen verantwoordelijkheid gezamenlijk werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en – participatie, amateurkunst en talentontwikkeling in stad, dorp, landelijk gebied en het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Hoe kijkt u naar de rol van muziekscholen en Lokaal Muziekles, waar muzikaal talent begint, als onderdeel van het culturele ecosysteem van Nederland en welke rol ziet u hierin voor het kabinet?
Muziekscholen hebben een belangrijke functie als kweekvijver voor muzikaal talent. Naast gemeentelijk gesubsidieerde muziekscholen en kunstcentra waar ook muziekles wordt gegeven, zijn er ook particuliere instellingen – zoals Lokaal Muziekles – en zzp’ers die muzieklessen aanbieden en die een belangrijke rol hebben bij talentontwikkeling. Zoals ik bij antwoord 6 aangaf, heb ik bestuurlijke afspraken gemaakt met IPO en VNG om te werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en talentontwikkeling, het is hierbij aan gemeenten om te bepalen hoe zij dit ondersteunen.
In hoeverre verwacht u dat het eerder ingezette beleid voor de versterking van amateurkunst, bijvoorbeeld via de Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst, voldoende effect heeft om de beschikbaarheid en toegankelijkheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen te verbeteren?
Dit jaar is de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst opengesteld voor de periode 2026–2028. De focus van deze regeling ligt op het versterken van de landelijke infrastructuur amateurkunst door bijvoorbeeld samenwerkingen tussen provinciale steuninstellingen, amateurkunstinstellingen en amateurkunstgroepen. Ik verwacht dat dit positief effect gaat hebben op de beschikbaarheid, toegankelijkheid en ondersteuning van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen. Daarnaast ziet het beleid op cultuureducatie erop toe dat kinderen via school in aanraking komen met kunst en cultuur, waaronder muziek. Momenteel wordt gewerkt aan een aanpak om het beleidsinstrumentarium voor cultuureducatie en de infrastructuur die daarmee de afgelopen jaren is opgebouwd te verankeren, samenhangender en steviger te maken voor de periode na 2029. Ook daarvan verwacht ik dat cultuureducatie – waaronder muziek – toegankelijker wordt voor kinderen in heel Nederland.
Welke gevolgen verwacht u van de afnemende instroom van Nederlandse conservatoriumstudenten voor de toekomstige beschikbaarheid van professionele musici, muziekdocenten en orkestleden?
In de professionele Nederlandse orkesten zijn al veel internationale musici werkzaam en dat is op zich geen bezwaar; de klassieke muzieksector is nu eenmaal een internationale sector. Ik ben wel van mening dat de infrastructuur in Nederland zodanig moet zijn dat in Nederland opgroeiende toptalenten een kans hebben om een opleiding te volgen aan het conservatorium en uiteindelijk door te stromen naar professionele orkesten. Zoals in «Toegang tot de top» wordt beschreven is de sector bovendien circulair: toptalenten worden zelf docent, dirigent of rolmodel en houden daarmee de ontwikkeling van nieuwe generaties talent in stand. Internationale studenten gaan dit naar verwachting minder vaak doen: er zijn duidelijke signalen dat zij de kennis van het Nederlands ontberen die nodig is om aan te sluiten op de Nederlandstalige arbeidsmarkt en ze zijn vaker georiënteerd op de internationale arbeidsmarkt. Dat kan het ecosysteem onder druk zetten.
Vindt u dat Nederland een verantwoordelijkheid heeft om te zorgen voor een duurzame voedingsbodem voor eigen muzikaal talent? Zo ja, hoe geeft u daar invulling aan samen met provincies en gemeenten?
Ik vind het wenselijk dat er een rijk muziekleven is in Nederland, met voldoende mogelijkheden voor in Nederland opgegroeide kinderen om op het hoogste niveau mee te doen. Ook onderzoeksrapport «Toegang tot de top» constateert dat er gaten lijken te zitten in het ecosysteem. Ik zet me er daarom voor in dat de voorwaarden hiervoor verbeteren. In de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 is talentontwikkeling onderwerp van gesprek met de provincies en gemeenten. Het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» is aanleiding om hierover het gesprek voort te zetten.
Kunt u uiteenzetten hoe het kabinet uitvoering geeft aan het voornemen uit het coalitieakkoord om extra aandacht te hebben voor talentontwikkeling, muziekscholen en landelijke dekking van cultuurvoorzieningen?
Talentontwikkeling heeft vele verschillende aspecten en spelers. Naast de inzet met provincies en gemeenten via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 (zie de antwoorden op vragen 6, 7 en8 zie ik ook een rol voor de Rijkscultuurfondsen in het kader van hun opdracht voor het cultuurbestel 2029 en verder. Mijn ambitie is om zowel met de andere overheden als de Rijkscultuurfondsen stappen te zetten om lacunes waar mogelijk op te vullen.
De opening van de Renaissanceschool in Almere |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Renaissanceschool in Almere rijksbekostiging ontvangt? Per welke datum is deze bekostiging toegekend en kan het advies van de Inspectie van het Onderwijs (onderwijsinspectie) als bijlage worden meegestuurd?
Ja, de Renaissanceschool in Almere ontvangt vanaf augustus 2026 bekostiging. Het besluit hierover is genomen op 3 juni 2025 en ook gepubliceerd in de Staatscourant.1 Het inspectieadvies is opgevraagd via een WOO-verzoek en zal op korte termijn openbaar worden gemaakt.
Welke rechtspersoon is het bevoegd gezag van de Renaissanceschool? Wie zijn de bestuurders en toezichthouders, en welke andere organisaties zijn formeel of feitelijk bij deze school betrokken?
Het bevoegd gezag is de Tocqueville stichting. De namen van de bestuurders van de stichting zijn geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De stichting heeft een one-tier model waar het toezicht onderdeel uitmaakt van het bestuur. In het uittreksel van de KvK worden geen andere organisaties genoemd die formeel of feitelijk betrokken zijn bij deze stichting.
Het bestuur is verantwoordelijk voor wat er op de school gebeurt.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat een school aparte leertrajecten aanbiedt voor jongens en meisjes op basis van «de biologische verschillen tussen de seksen» en daarbij stelt dat individuele verschillen in aanleg en geslacht «fundamenteel en onveranderlijk» zijn?
In beginsel mag een school bij het aanbieden van onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht.2 De Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) staat voor bijzondere scholen een beperkte uitzondering toe op deze hoofdregel.3 Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Een school mag alleen onderscheid naar geslacht maken voor zover dat onderscheid een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormt, gelet op de religieuze of levensbeschouwelijke
grondslag van de school. Onderscheid naar geslacht is alleen toegestaan indien er sprake is van gelijkwaardige voorzieningen en het gemaakte onderscheid mag niet verder gaan dan passend is op basis van genoemde grondslag.
In alle gevallen moet de school aan de wettelijke burgerschapsopdracht blijven voldoen, die onder andere is vastgelegd in artikel 8, lid 3a, van de Wet op het Primair Onderwijs. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dat ze zorgdragen voor een schoolcultuur die daar van uitgaat. Daarop ziet de inspectie toe. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt ook nadrukkelijk van scholen dat ze haar leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in geslacht, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Voor een school die onderscheid maakt op grond van geslacht, brengt dat een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee.
Hoe verhoudt het aanbieden van aparte leertrajecten zich tot de Algemene wet gelijke behandeling en sociale veiligheidsverplichting uit artikel 8, lid 3a, Wet op het primair onderwijs?
Zie antwoord vraag 3.
Is het huidige toezichtkader voldoende toegerust om in te grijpen wanneer scholen leerlingen op basis van geslacht structureel verschillend behandelen of verschillende leertrajecten aanbieden?
In het antwoord op vraag 3 is beschreven wat wel en niet mag bij onderscheid naar geslacht; dat volgt uit de Awgb en uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Wanneer een school zich niet aan de wettelijke burgerschapsopdracht houdt, kan de inspectie een herstelopdracht geven en, bij uitblijven van herstel, een financiële sanctie opleggen. Leven er bij leerlingen, ouders of onderwijspersoneel twijfels over of de Awgb wordt nageleefd, dan kunnen ze daarover een oordeel vragen bij het College voor de Rechten van de Mens.
Deelt u de opvatting dat een school leerlingen moet leren kritisch te denken op basis van feiten en wetenschap, en dat het wegzetten van wetenschappelijke consensus als «falsifieerbare hypothesen» in de levensovertuiging van de school hiermee op gespannen voet staat?
Met de kerndoelen wordt gereguleerd welke kennis, inzicht en vaardigheden leerlingen moeten verwerven en welke ervaringen zij binnen het onderwijs moeten opdoen. Een school moet waarborgen dat haar onderwijsprogramma gericht is op het realiseren van de kerndoelen. Onderdeel daarvan is ook het leren gebruiken van natuurwetenschappelijke werkwijzen, daarbij behoort het toepassen van onderzoekstappen.4 Daarnaast staat het een bijzondere school vrij om ook een eigen mens- en maatschappijvisie over te brengen in het onderwijs. Dat mag echter slechts voor zover de kerndoelen en de vereisten van de burgerschapsopdracht in acht worden genomen.
Hoe verhoudt de publieke bekostiging van een school die door een politieke partij expliciet als «onze eigen school» en als onderdeel van de eigen «zuil» wordt gepresenteerd, zich tot de vereiste van algemeen maatschappelijk nut die ten grondslag ligt aan de bekostigingssystematiek?
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria (zoals de belangstellingsmeting of de kwaliteitstoets). De lat voor nieuwe scholen is democratisch bepaald en voor iedereen gelijk. Ook in de praktijk moet elke school voldoen aan dezelfde wettelijke voorschriften, daar ziet de inspectie op toe.
Hoe wenselijk acht u het dat een politieke partij of politieke beweging een eigen school opricht?
Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan.
Deze vrijheid is echter niet onbegrensd. Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht rust op scholen ook de verantwoordelijkheid om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en om hen voor te bereiden op deelname aan onze pluriforme samenleving. Dat vraagt onder meer van scholen dat ze ruimte bieden voor uitwisseling van ideeën, ook als die ideeën schuren met de eigen grondslag, zodat leerlingen zelfstandig leren denken en eigen keuzes kunnen maken.
Deelt u de mening dat het gebruik van rijksbekostiging voor het opbouwen van de politieke infrastructuur van een partij een ongeoorloofd doel is dat haaks staat op de publieke functie van onderwijs?
De bekostiging die nieuwe scholen ontvangen mag enkel worden uitgegeven aan de kosten voor personeel en exploitatie van de school. De inspectie controleert hierop. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
Hoe waarborgt u dat leerlingen leren omgaan met verschillende opvattingen en niet worden opgevoed binnen de ideologische wereld van één politieke partij?
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben scholen de plicht om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid. De inspectie beoordeelt of scholen voldoen aan deze plicht, en kan hier tevens op handhaven als dat nodig is.
Welke wettelijke waarborgen bestaan er op dit moment om te voorkomen dat een bekostigde school feitelijk functioneert als verlengstuk van een politieke partij of politieke beweging?
De wettelijke burgerschapsopdracht borgt op alle scholen, ook scholen die uitgaan van een specifieke richting, dat het onderwijs zich herkenbaar richt op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet. Daarnaast dienen scholen leerlingen kennis over en respect voor verschillen bij te brengen, onder ander op het gebied van godsdienst, levensovertuiging en politieke gezindheid. Dit volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht en heeft ook een plaats in de nieuwe kerndoelen burgerschap, die in 2027 worden opgenomen in de wet.
Deelt u de opvatting dat artikel 23 van de Grondwet ruimte biedt voor scholen met een eigen richting, maar geen vrijbrief is voor discriminatie, uitsluiting, antidemocratische vorming of partijpolitieke indoctrinatie?
Ja, die mening deel ik. Niet voor niets is in het coalitieakkoord opgenomen dat de vrijheid van onderwijs niet mag worden misbruikt om de kernwaarden van onze democratische rechtsstaat te ondermijnen. De vrijheid van onderwijs stopt daar waar discriminatie, uitsluiting of de vorming van antidemocratisch gedachtegoed begint. Voor scholen geldt nadrukkelijk de plicht om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat te bevorderen en om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in lijn is met deze basiswaarden.
Hoe beoordeelt u de opening van de school in het kader van de burgerschapsopdracht? Acht u de het huidige toetsingskader van de onderwijsinspectie voldoende toereikend?
Het toetsingskader van de onderwijsinspectie sluit voldoende aan bij de huidige burgerschapsopdracht en wetgeving. Op basis van de inhoud van de bekostigingsaanvraag bestaat nu geen aanleiding om aan te nemen dat de school niet aan de burgerschapsopdracht zal voldoen. De inspectie toets hier nog eens op in het eerste jaar.
Bent u bereid, indien blijkt dat deze praktijk binnen het huidige toezichtkader onvoldoende kan worden aangepakt, te onderzoeken of het toezichtkader of de wet ten aanzien van de oprichting van nieuwe scholen moet worden aangescherpt?
Het inspectietoezicht en de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zijn bedoeld om ongewenste praktijken tegen te gaan. De inspectie controleert in het eerste jaar na de start van iedere school of de school voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van onder andere de kwaliteit en veiligheid, waaronder de eisen rondom burgerschap.
Klopt het dat dit de eerste school is die via een marktonderzoek is opgericht en welk bureau heeft dit onderzoek uitgevoerd? Kan het marktonderzoek meegestuurd worden?
Het klopt dat dit de eerste nieuwe school is die de belangstelling heeft aangetoond via een marktonderzoek. Het betreffende marktonderzoek is ook opgevraagd via een WOO-verzoek en wordt parallel aan de beantwoording van deze schriftelijke vragen openbaar gemaakt.
Hoe beoordeelt u dat via een marktonderzoek de oprichting van de school wordt mogelijk gemaakt, terwijl het eerder niet gelukt is ondanks flinke campagnes de benodigde verklaringen te verzamelen en gezien het geringe aantal aanmeldingen?
Het is binnen de stichtingsprocedure mogelijk om voldoende belangstelling aan te tonen via ouderverklaringen of (in uitzonderingssituaties5) een marktonderzoek. Beide methoden zijn bedoeld om een goede voorspelling te geven van de daadwerkelijke belangstelling voor een school. Het marktonderzoek moet zijn afgenomen op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek.
In 2022 heeft de Tocqueville stichting ook een belangstellingsmeting gedaan, maar vervolgens geen bekostigingsaanvraag ingediend. Daarna heeft dit bestuur besloten een particuliere school op te richten en deze later weer te sluiten. De praktijk zal moeten uitwijzen in hoeverre het marktonderzoek een goede voorspeller is van de daadwerkelijke belangstelling voor de nieuwe school. Omdat de cijfers uit het marktonderzoek en de huidige leerlingenpopulatie verschillen, nemen we deze vorm van belangstellingsmeting mee bij de evaluatie van de wet. Elke nieuwe school moet aan het begin van het vierde jaar minimaal de helft van de stichtingsnorm behalen. In het geval van de Renaissanceschool bedraagt dit aantal 139. Zo niet, dan stopt de bekostiging aan het einde van dat schooljaar.
Het bericht ‘Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere»?1
Ja
Hoe verhoudt de oprichting van scholen die zich nadrukkelijk richten op een specifieke levensbeschouwelijke of politieke gemeenschap zich volgens u tot de ambitie uit uw beleidsbrief om onderwijs te laten bijdragen aan verbinding in de samenleving, het tegengaan van segregatie en een sterke democratische rechtsstaat?
Alle scholen hebben hun onderwijs in te richten in overeenstemming met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Binnen, onder meer, die kaders creëert de vrijheid van onderwijs (Artikel 23 van de Grondwet) het recht om scholen te stichten, met (onder voorwaarden) volledige overheidsbekostiging, en om hun onderwijs verder vorm te geven. Dat kunnen scholen op openbare of bijzondere grondslag zijn. De vrijheid van onderwijs zorgt voor meer keuzevrijheid voor ouders en leerlingen om een school te kiezen die bij hen past. Dat leidt tot een zekere mate van onderwijssegregatie. De overheid formuleert, vanuit doelmatigheidsoverwegingen, de lat waaraan elke nieuwe school moet voldoen.
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria. Een belangrijk onderdeel hiervan is het advies van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) over de te verwachten onderwijskwaliteit. Initiatieven voor nieuwe scholen moeten bijvoorbeeld aannemelijk maken dat zij het burgerschapsonderwijs op deugdelijke wijze gaan inrichten. Zo moet het onderwijs zich onder andere herkenbaar richten op de bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Alleen als aan de in de wet genoemde criteria om in aanmerking te komen voor bekostiging wordt voldaan, kan de nieuwe school haar deuren openen.
Deelt u de mening dat scholen niet alleen een onderwijsfunctie hebben, maar ook een belangrijke maatschappelijke functie vervullen doordat kinderen met verschillende achtergronden elkaar daar ontmoeten?
Ja, die mening deel ik. Mede daarom geldt voor scholen de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze leerlingen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving en dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid.
Hoe beoordeelt u in dat licht de ontwikkeling dat steeds meer nieuwe scholen zich richten op specifieke levensbeschouwelijke, religieuze en zelfs ideologische doelgroepen?
Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit Artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan. Maar die ruimte is niet onbegrensd, en hoeft daardoor niet in de weg te staan van de maatschappelijke functie die scholen hebben: ongeacht hun grondslag hebben scholen zich te houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. In de stichtingsaanvraag moeten scholen al aantoonbaar maken dat ze zich hieraan gaan houden.
Klopt het dat uit de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen blijkt dat nieuwe scholen gemiddeld een homogenere leerlingenpopulatie hebben dan scholen in hun omgeving en dat effecten op onderwijssegregatie zichtbaar zijn op lokaal niveau?
Omdat de zogenoemde segregatie-analyses slechts zijn gebaseerd op de periode augustus 2023 tot oktober 2024, geven de onderzoekers aan dat ze alleen rapporteren over eerste indicaties van effecten. Voor het basisonderwijs wijzen die in sommige gevallen op een homogenere leerlingpopulatie op scholen die onder de wet MRvNS zijn gesticht. De onderzoekers geven tegelijkertijd aan dat de stijging van onderwijssegregatie in het basisonderwijs, die samenhangt met de komst van nieuwe scholen, zeer beperkt is en enkel op een lokaal schaalniveau zichtbaar is. De volgende evaluatie (2026–2030) zal meer informatie opleveren over het effect van nieuwe scholen op onderwijssegregatie. De resultaten van de evaluatie zullen begin 2031 openbaar worden gemaakt en met uw Kamer worden gedeeld.
Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken?
In het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken hoeft een homogene leerlingenpopulatie niet automatisch een probleem te zijn, mits scholen ervoor zorgen dat leerlingen ondanks de homogene populatie in aanraking komen met verschillende achtergronden en denkbeelden. Dit is een plicht die alle scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben.
Klopt het dat uit dezelfde evaluatie blijkt dat het aantal nieuwe basisscholen sinds de invoering van de wet aanzienlijk is gestegen en dat islamitische scholen inmiddels de grootste categorie nieuw gestichte basisscholen vormen?
Het klopt dat er jaarlijks meer scholen worden gesticht dan voor invoering van de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen. Gemiddeld tussen de 30 en 35 per jaar (op een totaal van circa 7.500 scholen in Nederland), inclusief verzelfstandigingen en splitsingen van bestaande dislocaties, tegenover gemiddeld 18 per jaar onder de oude procedure. Het aantal nieuwe scholen per jaar blijft daarmee binnen de verwachte bandbreedte van 20 tot 50 per jaar. Islamitische scholen vormen met circa 30 tot 35% de grootste categorie binnen de nieuw gestichte basisscholen.
Uit belangstellingsmetingen blijkt behoefte aan islamitisch onderwijs, zeker in de grote steden. Onder de oude stichtingsprocedure was het moeilijker een islamitische school te stichten, omdat de wensen van ouders toen geen directe rol speelden.
Welke lessen heeft u uit deze ontwikkeling getrokken voor de verdere uitvoering van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen?
De belangstellingsmeting stelt ouders in staat zich uit te spreken over hun onderwijswensen. Voor alle scholen geldt dat kwaliteit van groot belang is. In hoeverre nieuwe scholen daaraan bijdragen, is nog niet duidelijk. Nieuwe scholen drukken daarnaast extra op tekorten in onderwijshuisvesting en personeel, met name in (grote) steden. Meer grip op het aantal nieuwe scholen binnen bepaalde regio’s is daarom steeds meer van belang. Ik verken welke mogelijkheden daartoe zijn.
Op welke wijze wordt bij aanvragen voor nieuwe scholen momenteel beoordeeld wat de gevolgen zijn voor segregatie en de ontmoeting tussen verschillende groepen leerlingen?
Het eventuele segregerende effect van een nieuwe school is geen onderdeel waar in de stichtingsprocedure op wordt getoetst. Wel is burgerschap een toetsingscriterium. Er is aanvullend inzicht nodig op het effect. Zie verder het antwoord op vraag 5.
Acht u het wenselijk dat publiek bekostigd onderwijs zich steeds verder organiseert langs ideologische of zelfs politieke scheidslijnen?
Voor mij staat voorop dat elk kind goed onderwijs krijgt, ongeacht de grondslag van de school. Daarbij is naast taal en rekenen ook burgerschap van groot belang, dat leerlingen kennis en respect bijbrengt van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en hen de sociale en maatschappelijke competenties bijbrengt die hen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, Nederlandse samenleving.
Klopt het dat in het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet de uitkomsten van de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zal betrekken bij een herziening van de wet? Wat is de actuele stand van zaken van deze herziening?
Ja, dat klopt. In mijn brief van 2 juli 2026 is uw Kamer geïnformeerd over actuele stand van zaken van de herziening van de stichtingsprocedure. Ik wil in eerste instantie inzetten op het Wetsvoorstel praktische verbeteringen stichtingsprocedure en het beter positioneren van het gesprek in de regio met gemeenten en schoolbesturen. Aan uw Kamer is toegezegd dat het wetsvoorstel voor het einde van dit kalenderjaar naar de Raad van State wordt gestuurd.
Deelt u de opvatting dat de huidige wet sterk uitgaat van aangetoonde ouderbelangstelling maar onvoldoende rekening houdt met bredere belangen zoals huisvesting, arbeidsmarkt, segregatie en een evenwichtig onderwijsaanbod?
Het oprichten van nieuwe scholen met overheidsbekostiging een grondrecht. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dit grondrecht kan door de overheid alleen met uniforme bekostigingscriteria (zoals een belangstellingsmeting of stichtingsnormen) op rijksniveau (niet decentraal) worden begrensd. Dat kan betekenen dat een nieuwe school een meer gesegregeerde populatie aantrekt en dat sommigen zullen vinden dat het onderwijsaanbod minder evenwichtig wordt. Daarnaast zien we dat de stichtingsvrijheid in sommige gevallen schuurt met de beschikbare huisvesting en het beschikbare onderwijspersoneel binnen een gemeente. Meer grip op het aantal nieuwe scholen binnen bepaalde regio’s is daarom steeds meer van belang. Ik ga breed verkennen welke mogelijkheden daartoe zijn.
Welke mogelijkheden ziet u om in de wet een explicietere afweging op te nemen tussen oudervoorkeuren enerzijds en deze belangen, zoals segregatie, anderzijds?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat gemeenten momenteel onvoldoende instrumenten hebben om ongewenste versnippering van het onderwijsaanbod tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid te verkennen of gemeenten een zwaardere rol moeten krijgen bij nieuwe schoolstichtingen, bijvoorbeeld door hun oordeel over segregatie-effecten of de gevolgen voor het lokale onderwijsaanbod zwaarder te laten meewegen?
In mijn brief van 2 juli 2026 ben ik ingegaan op het toekennen van een (mede)beslissende rol aan gemeenten en op uw motie hierover. De hoofdlijn is dat een (mede)beslissende rol toekennen aan gemeenten in strijd lijkt te zijn met Artikel 23 van de Grondwet.
Het lesmateriaal dat het COC aanbiedt aan basisscholen in het kader van Paarse Vrijdag. |
|
Ranjith Clemminck (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het lesmateriaal dat het COC verspreidt op scholen in het kader van Paarse Vrijdag, een evenement dat vrijdag 9 oktober 2026 plaatsvond?1
In de Handleiding voor leerkrachten «Voorbereiding op Paarse Vrijdag» staat dat geslacht of sekse «beter gezien kan worden als een spectrum waarop ieder mens zich ergens bevindt»; dit wordt aangeboden als achtergrondkennis, terwijl de biologische realiteit is dat er niet meer dan twee geslachten bestaan, bent u het eens met de vraagstellers dat de bewering «geslacht is een spectrum» een onwetenschappelijke stellingname is? Zo nee, waarom niet?2
De handleiding onderbouwt het idee dat geslacht een spectrum is met het feit dat sommige mensen ontwikkelingsproblemen hebben, waardoor zij bij geboorte niet direct herkenbaar zijn als meisje of jongen, hetgeen vroeger bekend stond als intersekse-condities, waarbij personen met intersekse-condities een onderdeel vormen van de veel grotere groep van personen met DSD’s (Differences in Sex Development): ontwikkelingsproblemen van geslachtsdelen en vruchtbaarheid die meestal pas in de puberteit of bij een kinderwens worden gediagnosticeerd bij vrouwen en mannen; wat vindt u ervan dat -gezien het feit dat iedereen biologisch gezien óf man óf vrouw is- het COC leerkrachten op basisscholen voorhoudt dat er «meer lichamen zijn dan mensen denken en dat de wereld niet op te delen valt in jongens en meisjes en mannen en vrouwen»?3, 4
Bent u het eens met de vraagstellers dat mensen behorend tot de categorie intersekse of DSD het als discriminatie kunnen ervaren als zij te horen krijgen dat sekse een spectrum is en dat zij dus eigenlijk geen echte man of echte vrouw zijn? Zo nee, waarom niet?
De handleiding omschrijft «genderidentiteit» als hoe iemand zich voelt: de innerlijke beleving bepaalt hoe iemand wordt benoemd, maar hoewel een gevoel echt en belangrijk kan zijn, zegt het niet wat iemand lichamelijk feitelijk is. Bestaat er volgens u een risico dat een voetballend meisje of een jongen die graag borduurt, door de lessen van het COC wordt aangemoedigd in de gedachte dat hij of zij in een «verkeerd lichaam» is geboren? Zo nee, waarom niet?
De les «Daarom heet ik zo!» uit de zogenoemde kennisbieb van het COC behandelt «het belang van namen en erbij horen» en laat kinderen elkaar vragen stellen als «wat betekent je naam?», «misschien past je naam niet bij je?» en «misschien past een andere naam beter bij je?» omdat je misschien van het andere geslacht bent en in transitie gaat; wat vindt u ervan dat kinderen van tien jaar oud op deze manier worden aangemoedigd om na te denken over de vraag of zij misschien van het andere geslacht zijn?6
Meent u dat kinderen die nog weinig feitelijke kennis hebben en die net uit de fase van magisch denken komen en deels nog in Sinterklaas geloven in staat zijn om de claims over «geen jongen en geen meisje zijn» of «zowel een jongen als een meisje zijn» rationeel te bezien?
Is het volgens u nodig om over «genderidentiteit» te spreken om de acceptatie te bevorderen van lhbti en gedrag dat afwijkt van stereotypen over mannelijkheid en vrouwelijkheid? Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?
De vraagstellers vinden het zorgelijk dat de boodschap van Paarse Vrijdag in de loop der jaren is verschoven van «je bent oké zoals je bent en je mag houden van wie je wil», naar «misschien is er een probleem met je lichaam» waarbij bijvoorbeeld vrouwelijk gedrag van een jongen wordt geproblematiseerd omdat dit een teken zou kunnen zijn dat hij in een «verkeerd lichaam» zit; het COC leert kinderen op deze manier niet zozeer homoseksualiteit te accepteren en jongens en meisjes vrij te laten in hun kleding, interesses en gedrag, maar bevestigt juist genderstereotypen, deelt u deze visie? Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?
Kunt u een overzicht geven hoeveel rijkssubsidie het COC heeft ontvangen voor alle activiteiten rond Paarse Vrijdag en de lespakketten die gratis aan scholen worden aangeboden en hoeveel dit precies in de afgelopen jaren was?
De lespakketten voor Paarse Vrijdag willen kinderen op de basisschool niet alleen informeren over seksuele diversiteit, een doel dat vraagstellers steunen, Paarse Vrijdag wil leerkrachten en leerlingen ook overtuigen van het idee dat er een innerlijke «genderidentiteit» bestaat die losstaat van het objectieve, biologische geslacht, kan dit idee volgens u wetenschappelijk worden onderbouwd?
De handleiding stelt dat de nieuwe kerndoelen voor het primair, voorgezet en speciaal onderwijs scholen een mooie kans bieden om de inhoud van het Paarse Vrijdag-pakket steviger te verankeren in hun onderwijs omdat seksuele diversiteit en «genderdiversiteit» samenhangen met democratische basiswaarden, maatschappelijke diversiteit, relationele en seksuele ontwikkeling en sociale en emotionele ontwikkeling; is dit wat u betreft een juiste voorstelling van zaken en moeten scholen, omdat zij volgens de kerndoelen aandacht moeten besteden aan seksuele diversiteit, ook het seksespectrummodel en het begrip genderidentiteit als vaststaand feit onderwijzen? Zo ja, waarom, zo nee waarom niet?7
Erkent u dat het idee dat genderidentiteit kan afwijken van het biologische geslacht een onderwerp is waar vanuit wetenschappelijk, filosofisch en maatschappelijk oogpunt zeer verschillend over wordt gedacht?
Mogen scholen wat u betreft ook bepalen dat zij niet willen meegaan in de gedachte dat de mens een genderidentiteit heeft die losstaat van de biologische realiteit, en dat zij conform die opvatting onderwijzen?
Deelt u de opvatting dat kinderen kunnen leren homoseksualiteit te respecteren en jongens en meisjes vrij te laten in hun kleding, interesses en gedrag, zonder hen te leren dat hun gevoel bepaalt of zij een jongen, meisje, beide of geen van beide zijn en welke pedagogische meerwaarde heeft die laatste boodschap voor basisschoolleerlingen en waarop is die meerwaarde gebaseerd?
Welke onafhankelijke effectevaluaties zijn beschikbaar van Paarse Vrijdag en de daarbij aangeboden lespakketten voor het basisonderwijs en kunt u per onderzoek aangeven welke materialen en leeftijdsgroepen zijn onderzocht, of een vergelijkingsgroep is gebruikt en welke effecten zijn gevonden op pestgedrag, acceptatie en sociale veiligheid? Zo nee, waarop berust dan het oordeel dat de aanpak van het COC geschikt is voor de basisschool?
De publicatie ‘’Becoming a refugee during your studies’’ van de Universiteit Maastricht |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ELPEEDA-publicatie «Becoming a refugee during your studies» van de Universiteit Maastricht?
Klopt het dat de universiteit in kwestie actief verschillende ondersteunende diensten aanbiedt voor studenten die asiel zoeken en voor degenen die al een vluchtelingenstatus hebben en wat houdt dat concreet in?
Klopt het voorts dat de Universiteit Maastricht een stap-voor-stap handleiding aanbiedt voor het aanvragen van asiel en acht u deze diensten passend bij de wettelijke taken van een universiteit en haar verantwoordelijkheid als erkend referent?
Kunt u reflecteren op de inhoud van deze stap-voor-stap handleiding?
Hoeveel geld en capaciteit besteedt de Universiteit Maastricht aan advisering en begeleiding bij asielaanvragen en welke middelen worden hiervoor ingezet en vindt u dat een wenselijke besteding?
Klopt het dat de webpagina over deze ondersteunende diensten eerder expliciet vermeldde dat de universiteit adviseert over of en wanneer studenten asiel moeten aanvragen en daarbij ook verwees naar deze stap-voor-stap handleiding? Klopt het voorts dat deze pagina’s op de huidige website ontbreken en wanneer en waarom is deze informatie aangepast?
Is er de afgelopen tijd contact geweest over dit onderwerp tussen uw ministerie en de Universiteit Maastricht naar aanleiding van de recente casus van een Gazaanse student en zijn de bovengenoemde aanpassingen het gevolg van dat contact?
In hoeverre acht u het wenselijk dat de Universiteit Maastricht tot recent nog actieve hulp aanbood aan studenten die «overwegen om asiel aan te vragen» en in hoeverre kan dit worden gezien als het faciliteren van en/of actief aanmoedigen van asielaanvragen?
In hoeverre passen de diensten die de Universiteit Maastricht kennelijk aanbiedt rond het faciliteren van asielaanvragen zich tot het kabinetsbeleid dat juist gericht is op meer controle en een verminderde instroom van asielmigranten?
Hoeveel asielaanvragen zijn er door studenten die «overwegen om asiel aan te vragen» ingediend naar aanleiding van gesprekken met medewerkers van de Universiteit Maastricht?
Wat zijn de nationaliteiten van de studenten die naar aanleiding van deze gesprekken asiel hebben aangevraagd?
Bent u bereid om in contact te treden met de Universiteit van Maastricht om opheldering te vragen over de diensten die zij aanbieden en de Kamer over deze contacten te informeren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het artikel ‘Leraren en scholieren massaal aan de schandpaal: honderden TikTok-accounts verspreiden vernederende AI-filmpjes’ |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Leraren en scholieren massaal aan de schandpaal: honderden TikTok-accounts verspreiden vernederende AI-filmpjes»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Herkent u het beeld dat vrijwel iedere middelbare school inmiddels te maken heeft met zogeheten «shipping-accounts» en «raad de leerling»-accounts? Beschikt u over cijfers over de omvang van dit probleem?
Hoe kunnen scholen erachter komen wie op hun school zo’n kanaal «runt»? Welke maatregelen kunnen schoolbesturen vervolgens nemen?
Worden ouders betrokken als de kinderen die een kanaal «runnen» minderjarig zijn of als slachtoffers zich bij de docent melden? Zijn scholen voldoende toegerust om in dergelijke situaties zorgvuldig op te treden en slachtoffers te ondersteunen?
In hoeverre maakt «cyberpesten», waaronder het verspreiden van AI-gegenereerde beelden van medeleerlingen en docenten, onderdeel uit van de Week tegen Pesten die dit jaar van 21 tot en met 25 september is gehouden?
Zijn er voor het middelbaar onderwijs speciale lespakketten om cyberpesten en online pesten en de gevolgen hiervan bespreekbaar te maken in de klas? Zo ja, kunnen scholen makkelijk aan dit materiaal komen?
Bent u bekend met de nieuwe campagne «Er zijn grenzen» van stichting Offlimits, die aandacht vraagt voor online grensoverschrijdend gedrag? Hoe beoordeelt u dit initiatief en welke mogelijkheden ziet u om deze campagne en het bijbehorende voorlichtingsmateriaal onder de aandacht te brengen van scholen, leerlingen en ouders?
Welke mogelijkheden hebben slachtoffers, ouders en scholen, bijvoorbeeld op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), om vernederende of gemanipuleerde beelden snel van platforms als TikTok te laten verwijderen?
Welke maatregelen nemen platforms, zoals TikTok, om cyberpesten via «shipping-accounts» tegen te gaan? En is dit volgens u voldoende, mede gelet op het hoge aantal accounts dat volgens de berichtgeving actief is?
In hoeverre moeten zeer grote onlineplatforms (VLOP’s) op grond van de Digital Services Act (DSA) bij hun risicoanalyses en risicobeperkende maatregelen rekening houden met cyberpesten en de verspreiding van AI-gegenereerde beelden van minderjarigen?
Welke mogelijkheden biedt de DSA om platforms te verplichten belastende AI-gegenereerde beelden te verwijderen en op te treden tegen accounts die structureel worden gebruikt om minderjarigen te vernederen? En wat is er mogelijk als platforms dit onvoldoende inrichten?
Welke mogelijkheden hebben toezichthouders om handhavend op te treden wanneer platforms onvoldoende maatregelen treffen?
Acht u de bestaande mogelijkheden voldoende effectief om dergelijke praktijken effectief tegen te gaan of is aanvullend Europees of nationaal beleid noodzakelijk?
Het Marktonderzoek Digitale Leermaterialen in het voortgezet onderwijs van de Autoriteit Consument & Markt |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Letschert , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie van de consultatieversie van het Marktonderzoek Digitale Leermaterialen in het voortgezet onderwijs?1
Deelt u de mening dat is gebleken dat de markt voor leermaterialen in het voortgezet onderwijs niet goed werkt en dat meer regie vanuit de overheid en scholen nodig is?
Deelt u de mening dat gezien de opgaven waar het onderwijs voor staat vergaande marktwerking rondom leermaterialen onwenselijk is?
Gaat u uitgevers aanspreken op de koppelverkoop van licenties en leerboeken? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van de trend dat het aanbod herbruikbare leerboeken de laatste jaren gedaald is naar bijna nul en wat gaat u doen om deze trend te keren?
Bent u ermee bekend dat scholen in het voortgezet onderwijs jaarlijks voor ongeveer 280 miljoen euro aan leermaterialen inkopen, terwijl de prijzen de afgelopen zeven jaar sneller zijn gestegen dan de prijzen van vergelijkbare producten? Wat betekent dit voor de schoolbudgetten?
Gaat u een monitor opzetten om de ontwikkelingen in het aanbod van en de prijzen voor leermaterialen te kunnen volgen?
Vindt u dat aanvullende bevoegdheden of regelgeving nodig zijn om ook uitgevers zonder machtspositie aan te kunnen pakken, nu de Autoriteit Consument & Markt (ACM) aangeeft op dit moment weinig tegen deze uitgevers te kunnen doen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het met de ACM eens dat voorlichting aan en betere begeleiding van schoolbesturen en vakgroepen bij de inkoop van leermaterialen prioriteit dienen te krijgen? Hoe gaat u deze voorlichting en begeleiding bieden of daarbij ondersteunen?
Bent u bereid scholen te helpen bij het opstellen van beleid voor de gezamenlijke inkoop van leermaterialen? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen?
Bent u bereid de gezamenlijke inkoop van leermaterialen door scholen anderszins te ondersteunen? Zo ja, hoe en op welke termijn?
Bent u bereid scholen financieel te ondersteunen bij de overstap naar nieuwe leermaterialen, aangezien die overstap nu vaak niet gemaakt wordt omdat dit een eenmalige investering vereist die op korte termijn niet haalbaar is, terwijl die op langere termijn juist geld kan besparen?
Bent u bereid normen of vereisten op te stellen voor interoperabiliteit en dataportabiliteit zodat vendor lock-in tegen kan worden gegaan? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u het toezicht op de kwaliteit van digitale leermaterialen verstevigen?
Welke overige aanbevelingen uit het ACM-rapport gaat u opvolgen en op welke manier?
Indien er aanbevelingen zijn die u niet bereid bent op te volgen, waarom niet?
Wat is de stand van zaken van het onderzoek van de Ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Economische Zaken dat parallel loopt aan het marktonderzoek van de ACM en wanneer worden de uitkomsten daarvan verwacht?
Kan u een reactie geven op het eindrapport van de ACM zodra dit is verschenen?
Bent u op de hoogte van vergelijkbare problemen op de markt voor leermaterialen in het primair onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs?
De onveiligheid van Joodse en Israëlische studenten aan de Universiteit Maastricht en de ongeloofwaardigheid van de minister |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Kent u het commentaar van De Nieuwe Ster van 3 oktober 2026 en schrikt u daarvan, of vindt u het normaal dat een publiek bekostigde universiteit een Gazaanse student omarmt en Joodse studenten laat barsten?1
Het Openbaar Ministerie ziet geen strafbaar feit; maakt dat de videopost ineens onschuldig en ontslaat dat het universiteitsbestuur van zijn plicht Joodse en Israëlische studenten te beschermen? Waarom noemt de verklaring van het bestuur hun veiligheid niet eens? Noemt u dat besturen, of wegkijken?
Klopt het dat IJAR al zes maanden heeft gevraagd of steun aan terroristische organisaties op de Universiteit Maastricht is toegestaan, en nul op het rekest krijgt en klopt het dat de universiteit dit sinds 26 september wist en IJAR pas op 28 september belde? Vindt u dat voldoende, of is dit het zoveelste bewijs dat Joodse studenten aan hun lot worden overgelaten?
Hoe verklaart u dat collegeverstoorders met bivakmutsen spreektijd krijgen, de lezing van Rawan Osman wordt afgebroken en Shabbos Kestenbaum niet mag spreken, terwijl een Palestijnse spreker wel welkom is en geeft u toe dat op de Universiteit Maastricht niet de regels bepalen wie spreekt, maar de intimidatie van de luidste actievoerder?
Klopt het dat een wervingstekst sprak van een Israëlische «slachtpartij», dat Hezbollah als verzetsbeweging werd aangekondigd, dat activisten een eigen zaal op de Tapijnkazerne kregen en dat de banden met de Hebrew University werden doorgesneden? Wilt u per punt de feiten op tafel leggen of blijft activistische druk op kosten van de belastingbetaler gewoon het beleid bepalen?
Hoeveel meldingen van antisemitisme, bedreiging en intimidatie heeft de Universiteit Maastricht sinds 2022 ontvangen en wat is daarmee gebeurd behalve aangifte en mooie woorden? Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te starten naar de bescherming van Joodse en Israëlische studenten? Zo nee, waarom dekt u dit falen?
U was bestuursvoorzitter van precies deze universiteit. Bij welke van deze besluiten was u zelf betrokken en wat heeft u toen gedaan behalve actievoerders faciliteren? Erkent u dat u ongeloofwaardig bent zolang u uw eigen optreden beoordeelt en bent u bereid dit dossier per direct over te dragen en af te treden? Zo nee, waarom blijft u zitten?
Het oprichten van scholen voor speciaal onderwijs |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Kamer een overzicht ontvangen van alle wettelijke belemmeringen en beperkingen voor het oprichten van scholen voor speciaal onderwijs die zijn weggenomen naar aanleiding van de (unaniem aangenomen) motie van het lid Kwint van 12 november 2019 waarin de regering door de Kamer werd opgedragen dit te doen?1
De transitie naar passend en inclusief onderwijs |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Aan welke voorwaarden moeten (reguliere) scholen voldoen voordat zij meer leerlingen met specialistische ondersteuningsbehoeften kunnen opvangen, en wie controleert dit?
Welke criteria voor toegang tot het speciaal onderwijs worden richting 2035 voorzien? Hoe worden ouders en kinderen hierbij betrokken en hoe wordt voorkomen dat budget of beschikbare capaciteit bepalend is voor de toegang tot het speciaal onderwijs?
Hoe wordt voldoende capaciteit in het speciaal onderwijs behouden, inclusief gebouwen en deskundig personeel? Welke mogelijkheid heeft een kind om terug te keren als regulier onderwijs onvoldoende passend blijkt?
Zijn de kosten voor aanpassing van schoolgebouwen (in het kader van de transitie naar passend en inclusief onderwijs) onderzocht? Hoe worden die kosten verdeeld en gefinancierd?
Hoe worden ervaringen van schooldirecteuren, leerkrachten, ouders en kinderen betrokken bij de verdere uitwerking? Wat gebeurt er als scholen aangeven dat de plannen met de beschikbare mensen en middelen niet uitvoerbaar zijn?
Het bericht ‘Student universiteit claimt betrokken te zijn bij 7 oktober’ |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het schandaal dat de Universiteit Maastricht een student naar Nederland heeft gehaald die lachend naar Hamas-moordenaars wijst en zegt: «This is me»?1
Hoe kan het dat een met Nederlands belastinggeld gefinancierde universiteit iemand een podium geeft die de gruwelijke slachtpartij van 7 oktober 2023 als heldendaad verheerlijkt of zelfs deelnam aan de moorden? Was u hiervan op de hoogte en welke consequenties verbindt u hieraan voor de universiteit?
Erkent u dat de Universiteit Maastricht geen onderwijsinstelling meer is die veiligheid biedt, maar een importkanaal voor islamitische en jihadistische haat? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid deze barbaarse terrorist die nu geschorst is direct het land uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel Joodse studenten moeten er eerst worden geïntimideerd voordat u deze universiteit tot de orde roept?
Deelt u de mening dat met het binnenhalen van Palestijnse studenten de veiligheid van Joodse studenten niet meer gegarandeerd kan worden? Zo ja, bent u bereid alle Palestijnse studenten het land uit te zetten en er geen meer ons land binnen te laten? Zo nee, waarom niet?
Waarom treedt u, die deze jihadist tot de universiteit heeft toegelaten, niet af?
Bent u bekend met het bericht «Student universiteit claimt betrokken te zijn bij 7 oktober», waarin een student op video naar gemaskerde terroristen wijst en zegt: «This is me»?1 2
Kunt u gedetailleerd uiteenzetten hoe de veiligheids- en terrorismescreening eruitziet bij personen die op basis van een reguliere vergunning, zoals een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) voor studie, Nederland inreizen, en in hoeverre deze screening vergelijkbaar is met of afwijkt van de screening binnen de asielprocedure? Vindt deze screening volledig plaats vóórdat de persoon in kwestie Nederland binnenkomt? Zo nee, waarom niet, en hoelang duurt dit gemiddeld? In hoeveel gevallen wordt een screening uitgevoerd en in hoeveel gevallen wordt deze niet afgerond vóór inreis? Is er, gelet op het rapport van de Algemene Rekenkamer van 20 mei 2026 waaruit blijkt dat de terrorismescreening in de asielprocedure gemiddeld pas na twee jaar plaatsvindt in plaats van binnen de norm van 14 dagen, sprake van vergelijkbare achterstanden bij de screening van studenten en andere houders van een reguliere vergunning? Zo ja, hoe groot zijn die achterstanden gemiddeld? In hoeveel gevallen (en procentueel) van de uitgevoerde veiligheids- en terrorismescreenings wordt een reguliere vergunning geweigerd?
Heeft deze student een antecedentenverklaring ondertekend? Zo ja, zijn uit de antwoorden op het formulier veiligheidsrisico’s te herleiden? Zo nee, hoe beoordeelt u dat hij nadien zelf claimt betrokken te zijn geweest bij een terreuraanslag, en is hier sprake van een valse verklaring?
Kunt u gedetailleerd uiteenzetting hoe de antwoorden van het antecedentenformulier in het algemeen en in de situatie van deze specifieke student zijn geverifieerd? Zo nee, waarom niet?
Werden bij de veiligheids- en terrorismescreening voorafgaand aan de mvv-verlening ook het socialmedia-account van deze student betrokken, en zo ja, wat waren daarvan de bevindingen en conclusies? Hoe beoordeelt u de socialmediaposts waarop de student te zien is op een foto waar de tekst «Soldier of Gaza» zichtbaar is en er emoji’s van een jihadistisch gebaar staan, posts over «het martelaarschap van mijn derde broer Ahmed in Jabalia» en «Ik vraag Allah om mijn leven te bezegelen met hetzelfde einde als dat van jou, broeder»? Waren deze uitingen bekend vóórafgaand aan het verlenen van de mvv, en zo nee, waarom zijn ze niet naar voren gekomen bij de screening? Hoe verhoudt het naar Nederland halen van studenten die zich in dergelijke bewoordingen uitlaten over martelaarschap zich tot de bevindingen van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), waarin jihadisme nog altijd als de grootste terroristische dreiging voor Nederland wordt aangemerkt? Deelt u de mening dat bij personen bij wie signalen bestaan die wijzen op mogelijke directe of indirecte betrokkenheid bij Hamas of daaraan gelieerde organisaties, of op verheerlijking daarvan, uit voorzorg de toegang tot Nederland moet worden geweigerd, dan wel – indien reeds in Nederland – de verblijfsvergunning per direct moet worden ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Wat waren de precieze overwegingen van de Universiteit Maastricht om juist deze student uit te nodigen en welke afwegingen maakt de universiteit in bredere zin bij de werving van studenten uit Gaza, gegeven de bekende verwevenheid van Hamas met het bestuurlijk en maatschappelijk apparaat aldaar? Bestaat hiervoor een toetsingskader of selectiecriteria? Zo ja, welke?
Bent u bereid onmiddellijk te verzoeken een onderzoek te laten doen door AIVD, politie en Openbaar Ministerie (OM) naar de identiteit van deze persoon en de waarheid van zijn claim, met de hoogste prioriteit? Zo nee, waarom niet? En hoe beoordeelt u de aanwezigheid van deze student in Nederland en de veiligheid van Nederlanders?
Bent u bereid deze persoon vooruitlopend op dat onderzoek per direct in vreemdelingenbewaring te plaatsen om onderduiken of vertrek te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zijn verblijfsvergunning per direct in te trekken en hem (en meegereisde gezinsleden) uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de toelating van studenten uit Gaza en de Palestijnse gebieden per direct stop te zetten en te laten screenen hoeveel vergelijkbare gevallen er al zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het College van Bestuur (CvB) van de Universiteit Maastricht ernstig heeft gefaald in zijn zorgplicht en bent u bereid het CvB hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en met de hoogste spoed beantwoorden?
De Renaissanceschool in Almere |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat de Renaissanceschool in Almere met slechts vier leerlingen heeft kunnen starten en daarvoor reguliere bekostiging en een kleinescholentoeslag ontvangt van ruim 507.000 euro per volledig kalenderjaar?
Hoe beoordeelt u dat het blijkbaar wettelijk mogelijk is om toestemming te verlenen voor het openen van de school, terwijl de belangstellingsmeting gebaseerd is op een voorgenomen locatie die kilometers buiten het gebied ligt van de uiteindelijke vestigingsplaats van de school?
Deelt u de opvatting dat de belangstellingsmeting hiermee geen goede basis is voor het te verwachten leerlingenaantal, mede gezien het aantal van vier leerlingen dat gestart is in het eerste leerjaar ver verwijderd is van het volgens het marktonderzoek te verwachten aantal leerlingen van 364 leerlingen in het 11e kalenderjaar?
Bent u het ermee eens dat de school onder valse voorwendselen is gestart, aangezien de school in de belangstellingsmeting richting ouders omschreven werd als «degelijk onderwijs op basis van klassieke en moderne onderwijstechnieken» met «vele excursies», maar niet werd vermeld dat de school gelieerd is aan een politieke partij?
Klopt het dat uit de interne stukken van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat in de aanvraag uit 2024 nergens sprake was van gescheiden lessen of afzonderlijke leertrajecten wegens biologische verschillen tussen jongens en meisjes?
Kwamen de begrippen «jongens», «meisjes», «biologische verschillen» en «levensovertuiging» ook niet voor in het bij de Inspectie van het Onderwijs ontvangen schoolplan van de Renaissanceschool? Kunt u dit schoolplan met de Kamer delen?
Heeft de aankondiging van Baudet op 24 juni 2026 over dat jongens en meisjes aparte leertrajecten krijgen geleid tot een ander oordeel bij de Inspectie van het Onderwijs danwel het ministerie over de onderwijskwaliteit van de Renaissanceschool? Zo nee, waarom niet?
Heeft de Inspectie van het Onderwijs, zoals aangekondigd in het ambtsbericht van 26 juni 2026, inmiddels contact opgenomen met het bestuur van de Renaissanceschool naar aanleiding van de uitspraak van Baudet over aparte leertrajecten en wat waren de bevindingen van dit contact en welke vervolgstappen heeft de Inspectie van het Onderwijs hierop genomen?
Bent u, mede gezien de passage in het coalitieakkoord dat de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen «zo snel mogelijk wordt herzien», voornemens de wetsevaluatie naar voren te halen, zodat deze op korte termijn kan worden behandeld?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden, voorafgaand aan het debat Stichting, sturing en toezicht in het funderend onderwijs op 14 oktober 2026?
Geslacht versus gender in het primair onderwijs |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Is het correct, zoals in dit gesprek wordt beweerd1, dat in de kerndoelen voor het primair onderwijs het woord «geslacht» in de omschrijving is vervangen door het woord «gender»2? Indien dit het geval is, waarom is dit gebeurd en is deze wijziging met de Kamer besproken?
Staat het docenten in het primair onderwijs vrij kinderen (de biologische realiteit) te onderwijzen dat er vanzelfsprekend slechts twee geslachten zijn: man en vrouw?
Vindt u het acceptabel dat, zoals in het gesprek wordt beweerd3, docenten die constateren dat geslacht een binair concept is (met andere woorden, er zijn alleen mannen en vrouwen) blijkbaar soms door hun school met ontslag bedreigd worden? Zo nee, wat gaat u doen om dit soort uitwassen te voorkomen?
Het bericht ‘Nieuwe islamitische school vindt opmerkelijke manier om leerlingen te werven: ze krijgen een fatbike of laptop’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe islamitische school vindt opmerkelijke manier om leerlingen te werven: ze krijgen een fatbike of laptop»?1
Klopt het dat het Novum Saeculum Lyceum in Gouda leerlingen die overstappen van een andere middelbare school een gratis fatbike of laptop in het vooruitzicht stelt?
Deelt u de mening dat leerlingen voor een school moeten kiezen vanwege de kwaliteit en visie van het onderwijs en niet met dure cadeaus bij andere scholen moeten worden weggelokt?
Deelt u voorts dat dit meer neigt naar het omkopen van leerlingen dan naar het aanbieden van goed onderwijs?
Is het voor een publiek bekostigde school wettelijk toegestaan om de inschrijving of overstap van een leerling te belonen met een persoonlijk cadeau ter waarde van honderden euro’s? Welke wettelijke regels gelden hier op dit moment voor?
Is u bekend hoe de fatbikes en laptops worden gefinancierd? Worden hiervoor reguliere onderwijsbekostiging, startbekostiging of andere publieke middelen gebruikt? Worden eventuele onrechtmatig bestede middelen teruggevorderd?
Als dit soort cadeaus door een externe partij worden betaald, is er dan sprake van sponsoring? Is dat hier het geval? Zo ja, bent u bekend met wie die sponsoren zijn en of het geld uit het buitenland afkomstig is?
Bent u bereid de Inspectie van het Onderwijs hier onderzoek naar te laten doen? Zo nee, waarom is dat volgens u niet nodig?
Klopt het dat Stichting De Ozonlaag inmiddels ongeveer een kwart van het islamitisch voortgezet onderwijs bestuurt en in korte tijd scholen heeft geopend in diverse steden? Hoe is beoordeeld of het bestuur voldoende capaciteit en deskundigheid heeft om deze snelle uitbreiding verantwoord te begeleiden?
Wat is de actuele stand van zaken van de Wet bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit in het funderend onderwijs? Wanneer ontvangt de Kamer dit wetsvoorstel?
Kunt u zich voorstellen dat een school die na een belangstellingsmeting slechts enkele tientallen daadwerkelijke inschrijvingen heeft en vervolgens dure cadeaus nodig heeft om leerlingen te werven, vragen oproept over de betrouwbaarheid van de huidige belangstellingsmeting? Zo ja, hoe neemt u dat mee in de aangekondigde wetsherziening?
Het bericht ‘Hij werd weggestuurd bij het Cornelius Haga Lyceum, maar nu heeft Soner Atasoy vier islamitische scholen’ |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Soner Atasoy werd weggestuurd bij het Cornelius Haga Lyceum, maar nu helemaal terug is als schoolbestuurder van islamitische scholen en inmiddels een kwart van het islamitisch voortgezet onderwijs in Nederland in handen heeft op kosten van de belastingbetaler?1
Hoe heeft u kunnen toestaan dat iemand waar de AIVD in 2019 al voor waarschuwde vanwege vermeende contacten met salafistische groeperingen, na een ernstig conflict bij het Cornelius Haga Lyceum werd ontslagen en de behandeling van moslims vergeleek met de vervolging van Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog, zonder enige belemmering islamitische scholen kon oprichten van belastinggeld en welke integriteitscontroles zijn uitgevoerd om te voorkomen dat deze man zijn gang kan blijven gaan met het oprichten van islamitische scholen?
Deelt u de mening dat Artikel 23 van de Grondwet nooit mag worden gebruikt als vrijbrief om met Nederlands belastinggeld onderwijs te verzorgen waarin de Koran en de Soenna uiteindelijk zwaarder wegen dan gelijkwaardigheid, individuele vrijheid en de waarden van onze democratische rechtsstaat? Zo ja, waar ligt voor u de grens?
Kunt u aangeven hoeveel belastinggeld deze scholen jaarlijks ontvangen, welke bestuurlijke, financiële en ideologische risico’s vooraf zijn onderzocht en hoe controleert de Inspectie van het Onderwijs daadwerkelijk wat leerlingen wordt bijgebracht over de Holocaust, antisemitisme, homoseksualiteit, gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en de Nederlandse normen en waarden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u een volledig overzicht aan de Kamer sturen?
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk een onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de oprichter en het bestuur, geldstromen, personele en organisatorische verwevenheid, de ideologische koers en het daadwerkelijke burgerschapsonderwijs van alle scholen die onder Atasoy of aan hem verbonden stichtingen vallen? Zo nee, hoeveel rode vlaggen moeten er nog verschijnen voordat u eindelijk ingrijpt?
Klopt het dat Atasoy, naast de vestigingen in Tilburg, Almere, Breda en Gouda, plannen heeft om nog meer islamitische middelbare scholen te openen en om hoeveel aanvragen gaat het, in welke gemeenten, welke aanvragen zijn goedgekeurd en hoeveel publiek geld is daarmee gemoeid?
Bent u bereid alle islamitische scholen te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Lesmethoden op islamitische scholen waarin homoseksualiteit wordt afgewezen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur over de rol van de islam bij geweld en vijandigheid tegen homoseksuelen en met het opinieonderzoek van EenVandaag naar de ervaringen van lhbti’ers in Nederland?1 2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Heeft u kennisgenomen van de in de uitzending getoonde islamitische lesmaterialen waarin kinderen onder meer leren dat Allah een volk vernietigde vanwege homoseksuele relaties, dieren een lhbti-vlag in het vuur gooien en het homohuwelijk in verband wordt gebracht met de «ontwrichting van de samenleving» en «ernstige ziektes»? Zo ja, wat is uw reactie op deze lesmaterialen?
Ja, ik heb kennisgenomen van de in de uitzending getoonde lesmaterialen. Deze lesmaterialen zijn ook getoond in een uitzending van Nieuwsuur in september vorig jaar. De suggesties die in de lesmaterialen worden gedaan, keur ik volstrekt af. Deze suggesties kunnen ertoe leiden dat kinderen een afkeer krijgen van homoseksualiteit en homoseksuele personen. Dat zijn denkbeelden waar het onderwijs nooit aan mag bijdragen.
Om dat te voorkomen, geldt in Nederland de wettelijke burgerschapsopdracht die van scholen eist dat ze de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit, bevorderen en daarnaar handelen. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet erop toe dat scholen aan deze eisen voldoen.
Acht u het aanvaardbaar dat dergelijke lesmaterialen worden gebruikt op scholen die door de Nederlandse overheid worden bekostigd? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan?
Alle scholen in Nederland moeten zich houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie houdt daar toezicht op. De inspectie houdt geen toezicht op afzonderlijke lesmaterialen, maar kijkt wel naar de manieren waarop lesmaterialen worden gebruikt. Als de inspectie lesmateriaal tegenkomt dat kan leiden tot homofobie of tot andere vormen van onverdraagzaamheid, zal de inspectie constateren dat bij het gebruik ervan strijdigheid met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat kan optreden. Een onderzoek op een school die zulk lesmateriaal gebruikt, wordt dan mede gericht op het precieze gebruik.
Ook breder controleert de inspectie hoe de school kennis en respect van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bevordert. Doen scholen dit onvoldoende, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en kan de inspectie een herstelopdracht geven.
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs deze specifieke lesmaterialen heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat het gebruik hiervan binnen de geldende wettelijke kaders is toegestaan? Zo ja, op welke wettelijke bepalingen en inhoudelijke afwegingen is deze conclusie gebaseerd?
De inspectie houdt geen toezicht op lesmateriaal zelf, maar houdt toezicht op het gebruik ervan.
Naar aanleiding van de publicatie van Nieuwsuur vorig jaar heeft de inspectie gesproken met besturen, schoolleiders, leraren en leerlingen van de betrokken scholen. In de gesprekken met besturen en schoolleiders is gesproken over de bevordering van basiswaarden binnen de religieuze context van de scholen. De inspectie heeft gesprekspartners bevraagd op hun gebruik van de leermiddelen die in de publicatie van Nieuwsuur aan bod kwamen. Onder leraren en leerlingen is vervolgens getoetst of wat besturen aangaven ook is wat in de praktijk wordt ervaren. Dat is conform de gangbare werkwijze van de inspectie.
De inspectie constateert op basis hiervan dat de betreffende scholen doordachte curricula hebben waarin zowel ruimte is voor het actief bevorderen van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat als voor de eigen levensbeschouwelijke identiteit van de school. Eén school vormt een uitzondering. Deze school heeft van de inspectie een herstelopdracht gekregen omdat het burgerschapsonderwijs op de school niet voldeed aan de wettelijke eisen. De school heeft na een hersteltermijn de geconstateerde tekortkomingen nog niet hersteld. De inspectie beraadt zich op maatregelen.
Heeft de Inspectie van het Onderwijs volledig zicht op de lesmethoden, leesboekjes en aanvullende religieuze leermiddelen die op islamitische scholen worden gebruikt? Zo nee, hoe kan de Inspectie dan vaststellen of het onderwijs voldoet aan de burgerschapsopdracht en of sprake is van een sociaal veilige leeromgeving?
De inspectie houdt geen overzicht bij van alle lesmethoden die op scholen worden gebruikt, hiermee handelt zij conform de huidige wetgeving. De inspectie betrekt in haar toezicht de manier waarop lesmateriaal in de lessen wordt gebruikt om te beoordelen of de school handelt conform de wettelijke burgerschapsopdracht en de zorgplicht voor de veiligheid.
Op welke wijze controleert de Inspectie of religieuze lesmaterialen niet alleen afzonderlijk, maar ook in hun onderlinge samenhang bijdragen aan een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat?
De inspectie houdt toezicht op het gebruik van lesmaterialen, afzonderlijk of samen, en hoe dat zich verhoudt tot bijvoorbeeld de schoolcultuur. Uit de wettelijke burgerschapsopdracht volgt dat een schoolcultuur in overeenstemming moet zijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit.
Is bij u en de Inspectie bekend door welke personen, organisaties, uitgeverijen of religieuze instellingen de in de uitzending getoonde lesmethoden zijn ontwikkeld en verspreid? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke partijen hierbij betrokken zijn?
De inspectie heeft kennisgenomen van het lesmateriaal dat in de genoemde uitzending wordt getoond, maar houdt geen toezicht de specifieke herkomst van de methoden.
Is bekend hoe de ontwikkeling, productie, aanschaf en verspreiding van deze lesmaterialen zijn gefinancierd, waaronder eventuele financiering door Nederlandse overheden, schoolbesturen, religieuze organisaties of buitenlandse personen, organisaties of overheden? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Dit is niet bekend. Voor de aanschaf van lesmaterialen ontvangen scholen centrale bekostiging in de vorm van een lumpsum, waarbinnen zij zelf bestedingsvrijheid hebben. De inspectie houdt geen toezicht op de aanschaf van lesmaterialen door scholen. Evenmin controleert de inspectie de financiële stromen van afzonderlijke uitgeverijen, ontwikkelaars of lesmaterialen. Indien signalen aanhouden over dergelijk lesmateriaal, bezie ik of nader toezicht op de herkomst van lesmateriaal van waarde kan zijn en wat daar wettelijk voor nodig is. brengen.
Worden deze lesmethoden centraal ingekocht of aanbevolen door samenwerkingsverbanden, koepelorganisaties of andere organisaties binnen het islamitisch onderwijs? Zo ja, welke organisaties betreft dit en op hoeveel scholen worden deze materialen gebruikt?
Scholen bepalen zelf hoe zij de inkoop van lesmateriaal organiseren. Dit kunnen zij doen als individuele school, maar ook op bestuursniveau of binnen een koepelorganisatie. Hier zijn geen overzichten of tellingen van.
Welke wettelijke taken, bevoegdheden en mogelijkheden hebben gemeenten om toezicht te houden of in te grijpen wanneer binnen hun gemeente islamitische scholen worden opgericht of uitgebreid en er zorgen bestaan over de gebruikte lesmaterialen, de invulling van de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid van leerlingen? Acht u de huidige positie en het instrumentarium van gemeenten hierbij toereikend? Zo nee, bent u bereid gemeenten meer mogelijkheden te geven om dergelijke zorgen bij de Inspectie en het ministerie af te dwingen en opvolging daarvan te verlangen?
In de Grondwet is het onderwijs bestempeld als een verantwoordelijkheid van de regering. De inspectie houdt toezicht op het onderwijs en controleert of scholen aan de wettelijke eisen voldoen. Leven er binnen een gemeente zorgen over een school, dan kunnen zij die overbrengen aan de inspectie.
Met het oog op de stichting van scholen specifiek heeft de gemeente de mogelijkheid om bij iedere stichtingsaanvraag hun zienswijze in te brengen. De grondslag van een school is op zichzelf echter nooit een legitieme grond voor bezwaar.
De beschreven rolverdeling tussen gemeente en Rijk acht ik passend bij de grondwettelijke uitgangspunten en daarmee ook toereikend.
Hoe verhoudt het gebruik van de genoemde lesmaterialen zich volgens u tot de wettelijke burgerschapsopdracht, waaronder het bevorderen van respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en het creëren van een schoolcultuur die daarmee in overeenstemming is?
Vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht heeft een school de plicht om leerlingen kennis over en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Dat houdt ook in dat respect voor verschillen de norm is, bijvoorbeeld in seksuele gerichtheid. De genoemde lesmaterialen passen daar niet bij en leiden ertoe dat de inspectie in haar toezicht extra aandacht heeft voor de invulling van de burgerschapsopdracht en het burgerschapsonderwijs op de betreffende school.
Deelt u de opvatting dat de vrijheid van onderwijs geen vrijbrief kan zijn om kinderen met publiek geld les te geven uit materialen die homoseksuele relaties stigmatiseren of in verband brengen met ziekte, vernietiging en maatschappelijke ontwrichting?
Ja, die opvatting deel ik. Het onderwijs moet voor iedereen veilig en vrij zijn, en geen voedingsbodem voor denkbeelden die indruisen tegen de basiswaarden van onze democratische rechtsstaat. Dat geldt overigens niet alleen voor het bekostigd onderwijs, maar bijvoorbeeld voor al het onderwijs, ook particulier.
Welke mogelijkheden hebben de Inspectie en de Staatssecretaris op dit moment om in te grijpen wanneer een school dergelijke lesmethoden gebruikt, maar volgens de huidige uitleg nog niet aantoonbaar de wettelijke ondergrens overschrijdt? Acht u dit instrumentarium toereikend?
De inspectie ziet toe op de naleving van de wet en beoordeelt in dat kader of scholen voldoen aan de wettelijke eisen die de burgerschapsopdracht aan hen stelt. Zo niet, dan krijgen scholen een herstelopdracht. Zie verder het antwoord op vraag 14 voor een uitgebreidere beschrijving van het instrumentarium dat de inspectie en de Minister hebben bij het niet naleven van wettelijke eisen.
Kunt u de zogenoemde escalatieladder uiteenzetten waarnaar u in de uitzending van Goedenavond Nederland van 28 juli 2026 verwees, inclusief de verschillende interventies, de voorwaarden voor toepassing daarvan en de gemiddelde tijd die verstrijkt voordat tot een bekostigingssanctie of sluiting kan worden overgegaan?3
Wanneer de inspectie constateert dat een school in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht, of met een andere wettelijke eis, geeft de inspectie in principe eerst een herstelopdracht. Dat is de opdracht aan een school om een vastgestelde tekortkoming te herstellen binnen een bepaalde termijn, maximaal een jaar. Na de hersteltermijn doet de inspectie opnieuw een onderzoek. Is de tekortkoming dan nog niet hersteld, dan kan de inspectie een bekostigingssanctie opleggen. Bij de eerste sanctie wordt maximaal 15% van de maandelijkse bekostiging ingehouden. Daarna loopt de sanctie gefaseerd op tot een uiteindelijke inhouding van 100% van de maandelijkse bekostiging.
Het proces verloopt iets anders wanneer de inspectie constateert dat een school structureel of flagrant in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht en dat dit leidt of dreigt te leiden tot een ernstige aantasting van een of meer van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. De inspectie kan dan wanbeheer vaststellen en draagt de zaak over aan de Minister, die vervolgens een aanwijzing kan opleggen. Dat is een set maatregelen die het schoolbestuur moet nemen om het wanbeheer te beëindigen. Dat moet het schoolbestuur op korte termijn doen, vaak binnen enkele weken. Bij zeer hoge urgentie en de constatering van een redelijk vermoeden van wanbeheer door de inspectie kan de Minister ook een spoedaanwijzing opleggen en is het aan het schoolbestuur om meteen het wanbeheer te beëindigen, binnen enkele dagen.
Als een school de (spoed)aanwijzing niet naleeft en het wanbeheer niet herstelt, kan de Minister direct een bekostigingssanctie opleggen en tot 100% inhouden van de maandelijkse bekostiging. Als een school een aanwijzing specifiek gericht op burgerschap of veiligheid niet naleeft en er sprake blijft van wanbeheer, kan de Minister de bekostiging van een school geheel beëindigen (bij bijzondere scholen) of de school sluiten (bij openbare scholen). Deze bevoegdheid kan alleen in uitzonderlijke gevallen worden ingezet als ultimum remedium.
Deelt u de opvatting dat de huidige escalatieladder mogelijk onvoldoende mogelijkheden biedt om snel en effectief in te grijpen wanneer scholen structureel gebruikmaken van lesmateriaal dat homoseksuelen en homoseksuele relaties stigmatiseert?
Waar het de wettelijke burgerschapsopdracht betreft, hebben de inspectie en de Minister diverse instrumenten tot hun beschikking om in te grijpen wanneer scholen de wet niet naleven. Sinds de inwerkingtreding van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium in 2023 heeft de Minister de mogelijkheid om sneller in te grijpen. Het opleggen van een spoedaanwijziging, zoals gebeurde bij scholen die niet voornemens waren de doorstroomtoets af te nemen, is hiervan een voorbeeld. In sommige gevallen kan de Minister echter alsnog minder snel ingrijpen dan gewenst. Dit najaar wordt gestart met de evaluatie van de Wet. Via de evaluatie, die in het voorjaar van 2028 gereedkomt, zal inzicht worden verkregen in de doeltreffendheid, doelmatigheid en de effecten van deze wet in de praktijk. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering. Ik zal bezien of die aanbevelingen en de ervaringen die worden opgedaan naast de evaluatie moeten leiden tot aanpassingen van de wet om waar gewenst sneller te kunnen optreden.
Bent u bereid de escalatieladder en de onderliggende wet- en regelgeving te herzien, zodat scholen die structureel dergelijke lesmethoden gebruiken sneller een aanwijzing, bekostigingssanctie of, als ultimum remedium, sluiting tegemoet kunnen zien?
Dit najaar start een evaluatie van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium. In die evaluatie wordt ook bezien of verdere uitbreiding van het huidige instrumentarium wenselijk en noodzakelijk is. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering.
Uit onderzoek van het EenVandaag Opiniepanel blijkt dat 70 procent van de ondervraagde lhbti’ers het als een probleem ervaart om de eigen seksuele oriëntatie of genderidentiteit in het openbaar te tonen en dat zij weerstand vooral ervaren vanuit religieuze en extreemrechtse hoek, waarbij met name de islam wordt genoemd.4 Hoe beoordeelt u deze uitkomsten?
Ik vind het vreselijk dat mensen zich niet geaccepteerd voelen vanwege hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit. In Nederland moet iedereen in veiligheid en vrijheid zichzelf kunnen zijn en zich gelijkwaardig weten, ongeacht seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Dat geldt overal: op school, tijdens het sporten, op de werkvloer en online. Helaas laten verschillende onderzoeken zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. De resultaten van dit onderzoek zijn niet verrassend, maar daarom niet minder zorgwekkend. Ik vind het schrijnend dat het voor een ruime meerderheid van de lhbtiq+-gemeenschap een probleem is om hun seksuele gerichtheid in het openbaar te laten zien. De signalen dat lhbtiq+ personen weerstand ervaren uit religieuze en extreemrechts hoek, zijn bekend. Op basis van nadere onderzoeksresultaten die we in 2027 verwachten, bekijken we of aanvullend onderzoek en inzichten nodig zijn met betrekking tot de oorzaken van dalende acceptatie in relatie tot onder andere de manosfeer en religieus conservatisme.
Deelt u de zorg dat onderwijs waarin homoseksualiteit expliciet negatief of bedreigend wordt voorgesteld, kan bijdragen aan het maatschappelijke klimaat waarin lhbti’ers aangeven hun gedrag, kleding en uitingen aan te passen uit angst voor negatieve reacties?
Ja, deze zorg deel ik. Ik kan mij goed voorstellen dat als de schoolcultuur homoseksualiteit negatief voorstelt, lhbtiq+ leerlingen zich onveilig voelen en dat zij dit de rest van hun leven met zich meedragen. Dat is onacceptabel. Daarom vraagt de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen dat zij zorgdragen voor een schoolcultuur vanuitde basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin iedereen zich veilig en geaccepteerd weet. Doen ze dit niet, dan handelen ze in strijd met de wet en zal de inspectie herstel afdwingen.
Onderwijs speelt een belangrijke rol in de socialisatie van leerlingen en in het vormen van een stevige en veilige pedagogische basis, waar vanuit iedere leerling zich in vrijheid kan ontwikkelen. Het bevorderen van een positief maatschappelijk klimaat voor lhbtiq+ personen reikt echter verder dan het onderwijs. Dat is een opdracht aan ons allemaal.
Bent u bereid de Inspectie van het Onderwijs opdracht te geven gericht onderzoek te doen naar de aard, omvang en inhoud van lesmaterialen over homoseksualiteit, relaties en het homohuwelijk binnen het islamitisch onderwijs, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
De inspectie doet verdiepend onderzoek naar de omgang van scholen met potentiële strijdigheid in basiswaarden, onder andere met het oog op seksuele diversiteit. Dit onderzoek richt zich op ervaringen van leerlingen en op dilemma’s en het handelingsrepertoire van leraren.
Kunt u vaststellen hoeveel scholen deze lesmethoden gebruiken of in het verleden hebben gebruikt, gedurende welke periode dit is gebeurd en hoeveel leerlingen naar schatting reeds met deze materialen in aanraking zijn gekomen?
Nee, de inspectie houdt geen overzicht of tellingen van lesmethoden bij.
Deelt u de opvatting dat leerlingen die onderwijs hebben ontvangen waarin homoseksuele relaties worden voorgesteld als ziekmakend, maatschappelijk ontwrichtend of aanleiding voor goddelijke bestraffing, mogelijk onvoldoende onderwijs hebben gekregen in overeenstemming met de wettelijke burgerschapsopdracht?
Ja, die opvatting deel ik. Dergelijk onderwijs kan leiden tot een schoolcultuur die niet in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich onvoldoende veilig weten. Een school die onvoldoende doet aan een schoolcultuur vanuit de basiswaarden, handelt in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht.
Bent u bereid maatregelen te treffen om eventuele schade bij deze leerlingen te herstellen, bijvoorbeeld door de betrokken scholen te verplichten aanvullend burgerschapsonderwijs aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit en de grondrechten van lhbti’ers?
Scholen moeten zorgdragen voor een schoolcultuur vanuit de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en gericht op de veiligheid van leerlingen. Doen ze dat niet, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en geeft de inspectie daarvoor een herstelopdracht. Blijft herstel uit, ondanks de herstelopdracht, dan kan de inspectie een financiële sanctie opleggen om de school op die manier te dwingen de tekortkomingen te herstellen en de wet na te leven.
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht, zijn alle scholen verplicht om onderwijs aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit en de universele rechten van de mens.
Zo ja, hoe wordt gecontroleerd dat dit aanvullende onderwijs daadwerkelijk wordt aangeboden en inhoudelijk voldoet aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat? Zo nee, waarom acht u herstelmaatregelen niet noodzakelijk?
Als de inspectie een herstelopdracht geeft, wordt vervolgens opnieuw onderzoek gedaan op de school naar de voortgang en mate van herstel. De inspectie onderzoekt of de school inmiddels wél voldoet aan de wettelijke eisen.
Bent u tevens bereid om, in afwachting van dat onderzoek, met de betrokken schoolbesturen in gesprek te gaan over het onmiddellijk uitfaseren van lesmaterialen waarin homoseksuele relaties in verband worden gebracht met ziekte, goddelijke bestraffing of maatschappelijke ontwrichting?
Het verbieden van lesmateriaal als zodanig past niet bij artikel 23 van de Grondwet, waarin staat dat de keuze voor leermiddelen vrij is.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Overdracht school in Altforst |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het besluit om basisschool De Tweestroom in Altforst te sluiten wordt één jaar geschorst» en de aanvulling op het arrest door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kent u een precedent waarin de rechter op zo korte termijn voor aanvang van het schooljaar het voortbestaan van een school heeft afgedwongen? Bent u bereid om in deze uitzonderlijke situatie actief inhoudelijke ondersteuning te geven aan de school ten einde recht te doen aan het arrest van het gerechtshof in het belang van goed onderwijs?
Bij mij is één ander recent voorbeeld bekend van een civielrechtelijke uitspraak naar aanleiding van een vrijwillige opheffing van een school waarin de rechter een besluit heeft geschorst. De schorsing was bedoeld om een uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wet medezeggenschap op scholen (WMS) af te kunnen wachten.2 In die zaak heeft de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS geoordeeld dat het schoolbestuur het besluit mocht nemen om de school in kwestie te sluiten.3
Het komt daarnaast vaker voor dat een schoolbestuur pas kort van tevoren zeker weet dat een school niet datzelfde jaar nog zal worden gesloten, bijvoorbeeld wanneer een instandhoudingsverzoek wordt ingewilligd. Ook komt het voor dat schoolbesturen uit eigen beweging een voorgenomen besluit tot sluiting weer intrekken. Het is in zo’n geval aan het schoolbestuur om het belang van goed onderwijs te (blijven) waarborgen.
Op 10 augustus heb ik een brief ontvangen van de advocaat van de medezeggenschapsraad van De Tweestroom en een ouder van een leerling van De Tweestroom. Naar aanleiding daarvan hebben een van de regio-adviseurs en de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur en is een gesprek gevoerd. Hieruit zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. De regio-adviseur en de inspectie zullen de situatie in de gaten blijven houden en hierover, indien nodig, in gesprek gaan met het schoolbestuur.
Welke les trekt u uit het feit dat het gerechtshof bij de schorsing van het besluit tot sluiting van de laatste basisschool in het dorpje Altforst zwaar gewicht heeft toegekend aan de zorgplicht van het bevoegd gezag jegens de ouders en hoge prioriteit heeft gegeven aan de belangen van kinderen?
Bij wet geldt dat schoolbesturen een zorgplicht hebben richting leerlingen en hun ouders of verzorgers. Ik trek hier de les uit dat de wettelijke zorgplicht zijn doel dient als middel om besluiten van schoolbesturen te laten toetsen en daarmee de rechtszekerheid van betrokkenen te waarborgen. In geval van een schoolsluiting, betekent dat bijvoorbeeld dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking moeten kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed wordt begeleid.
Deze civielrechtelijke zaak laat concreet zien dat de rechter bij sluitingsbesluiten streng aan deze zorgplicht toetst. Blijft een schoolbestuur daarin in gebreke, dan heeft dat reële gevolgen voor wat het wel en niet kan doen. Mocht het bestuur – wat het in principe vrij staat – opnieuw een sluitingsbesluit willen nemen, dan is het cruciaal dat het aantoont wél aan de zorgplicht te hebben voldaan, zodat de belangen van leerlingen en ouders of verzorgers zijn geborgd. Dit kan achteraf door de rechter worden getoetst.4 Dit laat zien dat het stelsel, waarin bewust een wettelijke zorgplicht is opgenomen dat door de rechter kan worden getoetst, werkt.
Schept de norm van Artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag ook een zekere verantwoordelijkheid voor u om waar mogelijk ondersteuning te leveren aan de gemeenschap van ouders rond de school in Altforst, ten einde een goede uitvoering van het arrest in het belang van ouders en kinderen te bevorderen? Welke rol kan de onderwijsinspectie spelen om te waarborgen dat het bevoegd gezag tijdig maatregelen treft voor de goede voortgang van het onderwijs in het komende schooljaar?
Uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind volgt, zoals het hof aangeeft, dat de belangen van een kind een hoge prioriteit hebben bij het nemen van maatregelen waar kinderen bij zijn betrokken. De zorgplicht die onder meer voortvloeit uit de Wet op het primair onderwijs is een voorbeeld van de nationale uitwerking van de bepalingen uit het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof heeft in deze casus de belangen afgewogen en geoordeeld dat de belangen van de kinderen die nu en in de nabije toekomst worden geraakt zwaarder wegen dan de belangen van het schoolbestuur om de school per 1 augustus 2026 te sluiten.5
De inspectie heeft in april 2026 een bestuursbezoek uitgevoerd bij het schoolbestuur en daarbij onder andere aandacht besteed aan de bestuurlijke kwaliteitszorg. Uit het rapport (dat te raadplegen is op de website van de inspectie) blijkt dat de inspectie geen reden ziet om over te gaan tot nader onderzoek.
Naar aanleiding van de onder antwoord 2 genoemde brief van de advocaat heeft de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur. Op basis van de door de inspectie verzamelde informatie concludeert zij dat alle inspanningen van het schoolbestuur er, in lijn met de rechterlijke uitspraken, op gericht zijn om vanaf de eerste schooldag van schooljaar 2026–2027 onderwijs te verzorgen aan De Tweestroom. De inspectie ziet geen aanleiding voor aanvullend onderzoek en/of verscherpt toezicht. Wel neemt de inspectie deze informatie mee in het reguliere toezicht op de school en het schoolbestuur.
Zoals eerder in de beantwoording aangegeven, houden de regio-adviseur en de inspectie de situatie in de gaten en gaan zij hierover, indien nodig, in gesprek met het schoolbestuur. Zo wordt waar nodig ondersteuning geboden aan het schoolbestuur, zodat de goede voortgang van het onderwijs niet onder druk komt te staan. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om de goede voortgang van het onderwijs te waarborgen en daarvoor tijdig maatregelen te treffen. Mocht blijken dat de goede voortgang van het onderwijs alsnog onder druk komt te staan, dan is het aan de inspectie om via de gebruikelijke route hier toezicht op te houden.
Wat vindt u ervan dat het door het handelen van het bevoegd gezag van de school zo lang heeft geduurd voordat recht werd gedaan aan de wens van de lokale gemeenschap en vrijwel alle ouders van de school? Vindt u ook dat de belangen van de lokale gemeenschap en de schoolgemeenschap in het vervolg zwaar moeten wegen nu het voortbestaan van de school door het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten minste gedurende het aankomende schooljaar is verzekerd? Bent u ook van mening dat het belang van de kinderen bij goed onderwijs het meest gediend is met een bevoegd gezag dat voluit wil gaan voor de kwaliteit van het onderwijs op deze kleine school? Onderkent u dat het huidige bevoegd gezag daarvoor geen geschikte partij meer lijkt nu het enerzijds duidelijk heeft laten merken kleine scholen onder of zelfs boven de vijftig leerlingen niet wenselijk te vinden en anderzijds tot op heden geen zichtbare, voortvarende actie onderneemt om uitvoering te geven aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?2
Voor het sluiten van een school kan een schoolbestuur goede redenen hebben, zoals het niet meer kunnen waarborgen van goed onderwijs, financiële problemen of personeelstekorten. Of die keuze wordt gemaakt is gelet op de vrijheid van stichting in eerste instantie aan het schoolbestuur. Zoals in de beantwoording van vraag 3 is te lezen, staat het besturen vrij om besluiten te nemen. Ze moeten begrijpelijkerwijs dan wel aan alle wettelijke voorwaarden, waaronder de zorgplicht, voldoen.
Zoals in de beantwoording van de vragen 2 en 4 is te lezen zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. Ik vind het mede om die reden niet gepast om te oordelen over het handelen en de positie van het schoolbestuur. Het besluit van het schoolbestuur is door de rechter getoetst, waarbij is geoordeeld dat niet voldoende aan de zorgplicht is voldaan. In deze civielrechtelijke procedure is het uiteindelijk aan de rechter om, via de invulling van de wettelijke zorgplicht, te oordelen of het schoolbestuur juist heeft gehandeld en of daarbij de belangen van de leerlingen en hun ouders of verzorgers voldoende zijn meegewogen.
Bent u bereid om, gezien de korte termijn tot de start van het nieuwe schooljaar en het belang van goed onderwijs, te bemiddelen tussen het huidige bevoegd gezag en een nieuwe rechtspersoon om een goede en snelle overdracht van de school te bevorderen? Bent u bovendien bereid over deze situatie contact te zoeken met de gemeente West Maas en Waal?
De keuze om een school wel of niet over te dragen is uiteindelijk aan het schoolbestuur. Zoals gemeld in antwoord 2, kan het schoolbestuur zich laten adviseren door een van de regio-adviseurs. Mocht daarbij blijken dat contact met de gemeente West Maas en Waal wenselijk is, dan zal dat contact uiteraard tot stand gebracht worden.
Om een beeld te krijgen waar ouders in de praktijk tegenaan kunnen lopen wanneer zij een school willen overnemen, hebben ambtenaren van het ministerie in april van dit jaar een algemeen gesprek gehad met bestuursleden en adviseurs van Stichting PO De Sprong. Het gesprek neem ik mee in de ontwikkeling van een handreiking om lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen.
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
‘Eerste islamitische basisschool in Groningen bereidt zich voor op opening: geen Sinterklaas, wel Suikerfeest’ |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Wanneer wordt u eindelijk wakker en erkent u dat de opening van een islamitische basisschool in Groningen, waar de Koran en de Soenna uitdrukkelijk als grondslag en leidraad gelden, opnieuw bijdraagt aan de islamisering van het Nederlands onderwijs, gefinancierd met Nederlands belastinggeld?1
Op de website laat Stichting NOOR, het schoolbestuur van de nieuwe islamitische basisschool in Groningen, weten dat de Koran en Soenna de pilaren vormen van het doen en laten. Dit mag, zolang het schoolbestuur zich tegelijkertijd houdt aan alle relevante wettelijke eisen, bijvoorbeeld ten aanzien van het burgerschapsonderwijs. Dat betekent onder andere dat een school onder leerlingen kennis en respect bevordert van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en verschillen, bijvoorbeeld in godsdienst en levensovertuiging.
Wat vindt u ervan dat deze islamitische basisschool in Groningen openlijk verklaart dat de Koran en de Soenna richtinggevend zijn voor het onderwijs en bent u het ermee eens dat dit een pure haatideologie is, vol met geweld, vrouwenhaat en jodenhaat en een regelrechte oorlogsverklaring aan onze Nederlandse vrijheid en identiteit?
Nee, dat ben ik niet met uw leden eens. Zie verder mijn antwoord op vraag 1.
Kunt u garanderen dat leerlingen daar niet worden geconfronteerd met opvattingen over vrouwen, Joden, homoseksuelen, geloofsafvalligen en ongelovigen die haaks staan op de Nederlandse vrijheden en de democratische rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
In Nederland hebben we de wettelijke burgerschapsopdracht, die onder andere van scholen vraagt dat hun onderwijs in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Scholen mogen geen opvattingen uitdragen die haaks staan op onze democratische rechtsstaat. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet erop toe dat scholen en besturen de wet naleven.
Deelt u de mening dat het krankzinnig is dat we met Nederlands belastinggeld een school financieren, waarin de barbaarse Koran en de leer van Mohammed de basis vormen, terwijl diezelfde teksten oproepen tot onderwerping, jihad en de vernietiging van onze Westerse beschaving? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van islamitische basisscholen, zoals van alle scholen, dat ze leerlingen onderwijzen in lijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Doen ze dit niet, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie ziet erop toe dat scholen en besturen de wet naleven. Bij iedere nieuwe school voert de inspectie al in het eerste jaar na de start van de school een volledig kwaliteitsonderzoek uit.
Waarom staat u toe dat de Koran en de Soenna als leidraad dienen op een basisschool bekostigd door de overheid en hoe voorkomt u dat kinderen worden geïndoctrineerd met de barbaarse totalitaire, middeleeuwse ideologie die haaks staat op alles waar Nederland voor staat?
Zie mijn antwoorden op vraag 3 en 4.
Wat vindt u ervan dat deze school geen Sinterklaas en Kerstmis viert, maar wel het Suikerfeest en hoe duidelijk moet het nog voor u worden voordat u erkent dat hier geen sprake is van integratie, maar het creëren en versterken van een islamitische parallelle samenleving?
Welke feestdagen op school worden gevierd, mogen scholen zelf bepalen. Voor alle scholen geldt de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, onder meer in godsdienst en levensovertuiging. Leerlingen moeten in contact worden gebracht met gebruiken en perspectieven van buiten de eigen traditie om te voorkomen dat parallelle samenlevingen ontstaan. De inspectie ziet erop toe dat scholen en besturen de wettelijke burgerschapsopdracht naleven.
Bent u bereid alles in het werk te stellen om te voorkomen dat deze school aan het nieuwe schooljaar begint? Zo nee, waarom niet?
Nee, hiertoe ben ik niet bereid. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt, onder meer, de vrijheid om scholen te stichten, ook met een eigen religieuze of levensbeschouwelijke grondslag. Deze vrijheid komt aan iedereen toe,
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria, waaronder ook een kwaliteitstoets door de inspectie op de deugdelijkheidseisen. Daaronder valt bijvoorbeeld de eis dat school moet kunnen voldoen aan de wettelijke burgerschapsopdracht. Bij iedere nieuwe school voert de inspectie al in het eerste jaar na de start van de school een volledig kwaliteitsonderzoek uit. Daarin controleert de inspectie of de school, behalve op papier, ook in de praktijk aan alle wettelijke eisen voldoet.
Het bericht ‘Aantal Nederlandse muziekstudenten op conservatoria fors gedaald’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal Nederlandse studenten op de conservatoria de afgelopen jaren fors is afgenomen en wat is uw reactie op deze ontwikkeling?1
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. De indruk dat het aantal Nederlandse studenten dat begint aan een opleiding op een conservatorium afneemt, was een van de aanleidingen voor een onderzoek dat in opdracht van OCW is uitgevoerd door onderzoeksbureau Blueyard dat heeft geresulteerd in het rapport «Toegang tot de top. Strategische verkenning naar toptalentontwikkeling in klassieke muziek en dans in Nederland». Ik stuur het rapport als bijlage mee met deze beantwoording.
Is het aandeel Nederlandse studenten alleen in relatieve zin of ook in absolute zin gedaald en zo ja, met hoeveel en wat zijn hiervan volgens u de oorzaken?
Het NOS-artikel gaat alleen in op de masteropleidingen, maar de bacheloropleidingen zijn ook relevant. In de cijfers zijn ook de opleidingen Docent Muziek niet meegenomen. Deze studenten worden opgeleid tot muziekdocent in het funderend onderwijs en daarbuiten, bijvoorbeeld als zzp’er of bij een cultureel centrum.
Hieronder vindt u een overzicht van de cijfers van Nederlandse en internationale studenten van de bachelor- en mastermuziekopleidingen tussen 2006 en heden, inclusief de absolute aantallen:
Op grond van bovenstaande data constateer ik dat de berichtgeving over terugval van het percentage Nederlandse studenten enige nuancering nodig heeft. Uit de cijfers blijkt dat het percentage Nederlandse bachelorstudenten in de loop van de tijd niet is gedaald, maar het percentage Nederlandse masterstudenten wel. NOS geeft over de masterstudenten aan dat het percentage tussen 2006/2007 en 2025/2026 is teruggevallen van 52% naar 22%. Ik constateer een afname van 43% naar 22%.
De verdeling tussen Nederlandse en internationale studenten loopt per conservatorium wel uiteen; sommige conservatoria hebben een meer internationaal profiel dan andere. Daarbij gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Het is duidelijk dat het kunstonderwijs in Nederland relatief veel internationale studenten aantrekt. De commissie Bussemaker constateert in «ACT! Naar een assertief, collectief en transformatief kunstonderwijs» dat Nederlandse kunstopleidingen internationaal worden erkend als toonaangevend.2 Het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» geeft aan dat het Sectorplan HBO-kunstonderwijs 2011 «Focus op toptalent» hier mogelijk een rol in heeft gespeeld.3 In lijn met de focus destijds op (internationaal) toptalent in het hbo en wo als geheel, was het doel van dit sectorplan om het Nederlandse kunstonderwijs zijn vooraanstaande internationale positie verder te laten versterken. Kunstopleidingen zijn zich gaan ontwikkelen vanuit een bewuste onderwijsvisie met een internationaal en intercultureel karakter. Deze internationale uitwisseling draagt bij aan het Nederlandse culturele en creatieve werkveld en cultuuraanbod. Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat indertijd al is gewaarschuwd dat Nederland de eigen voedingsbodem voor talent dan ook moest onderhouden4. Er bestaat zo mogelijk een spanningsveld tussen de focus op excellentie en internationaal toonaangevend onderwijs en voldoende ruimte behouden voor de toegankelijkheid en het opleiden van het Nederlands talent.
Deelt u de zorg dat de afnemende instroom van Nederlandse studenten aan conservatoria mede het gevolg is van een afgenomen aanbod van toegankelijk en betaalbaar buitenschools muziekonderwijs in gemeenten, onder meer door het verdwijnen van muziekscholen? Zo nee, waarom niet?
Een van de conclusies in het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» is dat talentontwikkeling bestaat uit een ecosysteem van verschillende elementen die elkaar beïnvloeden en gelijktijdig met elkaar samenwerken. Het bestaan van buitenschools muziekonderwijs is daarin één van die elementen, maar zeker niet het enige. Ik vind het wenselijk dat dit gehele ecosysteem goed werkt en dat alle talenten binnen het ecosysteem voldoende mogelijkheden hebben om zich te ontwikkelen.
Onderschrijft u dat cultuureducatie en muziekonderwijs bijdragen aan de brede ontwikkeling van kinderen, onder meer op het gebied van concentratie, taalontwikkeling, sociale vaardigheden, creativiteit en welzijn en welke plaats geeft het kabinet deze maatschappelijke waarde in het cultuur- en onderwijsbeleid?
Ik onderschrijf dat cultuureducatie (waaronder muziekonderwijs) bijdraagt aan de brede ontwikkeling van kinderen. Cultuureducatie leert kritisch en creatief denken, zorgt voor de ontwikkeling van sociale en culturele vaardigheden en draagt bij aan creatieve ontplooiing en talentontwikkeling. Vanwege deze maatschappelijke waarde zet het kabinet zich in om kinderen en jongeren in contact te laten komen met kunst en cultuur op school en daarbuiten. Cultuureducatie is onderdeel van het curriculum in het funderend onderwijs via de kerndoelen kunst en cultuur. Muziek is hierbinnen een verplichte discipline. Voor het gehele leergebied kunst en cultuur zijn geactualiseerde kerndoelen opgesteld die naar verwachting per 1 augustus 2027 in werking zullen treden. Naast deze wettelijke taak voor scholen stimuleert het Ministerie van OCW, gezamenlijk met onder andere provincies en gemeenten, cultuureducatie in den brede op school en daarbuiten met programma’s zoals Cultuureducatie met Kwaliteit, de Cultuurkaart in het vo en mbo, het programma Méér Kunst en Cultuur in School en Omgeving, en de cultuurcoaches.
Heeft het kabinet inzicht in de verschillen tussen gemeenten en regio’s in de beschikbaarheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen en in de gevolgen van gemeentelijke bezuinigingen en beleidskeuzes?
In het recent opgeleverde onderzoeksrapport «Geografische spreiding van cultuur» zijn acht verschillende sectoren onderzocht, waaronder cultuurbeoefening. Voor de sector cultuurbeoefening is gekeken naar organisaties gericht op cultuureducatie en cultuurparticipatie. In dit onderzoek is muziekonderwijs meegenomen onder de brede noemer cultuurbeoefening. Het rapport laat zien dat basisvoorzieningen, zoals cultuurbeoefening, relatief gelijkmatig over het land verspreid en toegankelijk zijn.5
Het rapport biedt ook inzicht in de overheidsuitgaven aan cultuur. Wat betreft de totale uitgaven aan cultuurbeoefening komt het grootste deel vanuit gemeenten. Op gemeentelijk niveau zijn verschillen in de uitgaven aan cultuurbeoefening zichtbaar: er is sprake van enkele uitschieters en van een groep gemeenten met relatief lage uitgaven per inwoner aan cultuurbeoefening ten opzichte van het gemiddelde. Gemeenten die dit betreft kennen geen duidelijke overeenkomsten, waardoor aannemelijk is dat de verschillen samenhangen met lokale beleidskeuzes.6
De «Monitor gemeentelijk beleid voor cultuurbeoefening op school en in de vrije tijd 2026» laat ook zien dat het grootste gedeelte van de gemeenten (88%) beleid heeft voor cultuurbeoefening, meestal voor zowel school als de vrije tijd. Van deze gemeenten richt 60% zich met diverse beleidsinstrumenten op centra voor de kunsten en muziekscholen.7
Deelt u de opvatting dat de mogelijkheid om een instrument te leren bespelen niet afhankelijk mag zijn van de gemeente waarin een kind woont? Zo ja, welke rol ziet u voor het Rijk om deze verschillen te verkleinen?
Het is aan gemeenten om te bepalen hoe zij de lokale infrastructuur voor cultuurbeoefening ondersteunen en wat, zoals bijvoorbeeld muziekscholen. Wel zijn er tussen het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 afgesloten. Hierin is een van de ambities dat wordt ingezet op een sterk ecosysteem voor cultuurbeoefening, waarin iedereen de mogelijkheid heeft een leven lang cultuur te beoefenen. Onder deze ambitie valt onder andere de afspraak dat de ondertekenende partijen vanuit de eigen verantwoordelijkheid gezamenlijk werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en – participatie, amateurkunst en talentontwikkeling in stad, dorp, landelijk gebied en het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Hoe kijkt u naar de rol van muziekscholen en Lokaal Muziekles, waar muzikaal talent begint, als onderdeel van het culturele ecosysteem van Nederland en welke rol ziet u hierin voor het kabinet?
Muziekscholen hebben een belangrijke functie als kweekvijver voor muzikaal talent. Naast gemeentelijk gesubsidieerde muziekscholen en kunstcentra waar ook muziekles wordt gegeven, zijn er ook particuliere instellingen – zoals Lokaal Muziekles – en zzp’ers die muzieklessen aanbieden en die een belangrijke rol hebben bij talentontwikkeling. Zoals ik bij antwoord 6 aangaf, heb ik bestuurlijke afspraken gemaakt met IPO en VNG om te werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en talentontwikkeling, het is hierbij aan gemeenten om te bepalen hoe zij dit ondersteunen.
In hoeverre verwacht u dat het eerder ingezette beleid voor de versterking van amateurkunst, bijvoorbeeld via de Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst, voldoende effect heeft om de beschikbaarheid en toegankelijkheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen te verbeteren?
Dit jaar is de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst opengesteld voor de periode 2026–2028. De focus van deze regeling ligt op het versterken van de landelijke infrastructuur amateurkunst door bijvoorbeeld samenwerkingen tussen provinciale steuninstellingen, amateurkunstinstellingen en amateurkunstgroepen. Ik verwacht dat dit positief effect gaat hebben op de beschikbaarheid, toegankelijkheid en ondersteuning van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen. Daarnaast ziet het beleid op cultuureducatie erop toe dat kinderen via school in aanraking komen met kunst en cultuur, waaronder muziek. Momenteel wordt gewerkt aan een aanpak om het beleidsinstrumentarium voor cultuureducatie en de infrastructuur die daarmee de afgelopen jaren is opgebouwd te verankeren, samenhangender en steviger te maken voor de periode na 2029. Ook daarvan verwacht ik dat cultuureducatie – waaronder muziek – toegankelijker wordt voor kinderen in heel Nederland.
Welke gevolgen verwacht u van de afnemende instroom van Nederlandse conservatoriumstudenten voor de toekomstige beschikbaarheid van professionele musici, muziekdocenten en orkestleden?
In de professionele Nederlandse orkesten zijn al veel internationale musici werkzaam en dat is op zich geen bezwaar; de klassieke muzieksector is nu eenmaal een internationale sector. Ik ben wel van mening dat de infrastructuur in Nederland zodanig moet zijn dat in Nederland opgroeiende toptalenten een kans hebben om een opleiding te volgen aan het conservatorium en uiteindelijk door te stromen naar professionele orkesten. Zoals in «Toegang tot de top» wordt beschreven is de sector bovendien circulair: toptalenten worden zelf docent, dirigent of rolmodel en houden daarmee de ontwikkeling van nieuwe generaties talent in stand. Internationale studenten gaan dit naar verwachting minder vaak doen: er zijn duidelijke signalen dat zij de kennis van het Nederlands ontberen die nodig is om aan te sluiten op de Nederlandstalige arbeidsmarkt en ze zijn vaker georiënteerd op de internationale arbeidsmarkt. Dat kan het ecosysteem onder druk zetten.
Vindt u dat Nederland een verantwoordelijkheid heeft om te zorgen voor een duurzame voedingsbodem voor eigen muzikaal talent? Zo ja, hoe geeft u daar invulling aan samen met provincies en gemeenten?
Ik vind het wenselijk dat er een rijk muziekleven is in Nederland, met voldoende mogelijkheden voor in Nederland opgegroeide kinderen om op het hoogste niveau mee te doen. Ook onderzoeksrapport «Toegang tot de top» constateert dat er gaten lijken te zitten in het ecosysteem. Ik zet me er daarom voor in dat de voorwaarden hiervoor verbeteren. In de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 is talentontwikkeling onderwerp van gesprek met de provincies en gemeenten. Het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» is aanleiding om hierover het gesprek voort te zetten.
Kunt u uiteenzetten hoe het kabinet uitvoering geeft aan het voornemen uit het coalitieakkoord om extra aandacht te hebben voor talentontwikkeling, muziekscholen en landelijke dekking van cultuurvoorzieningen?
Talentontwikkeling heeft vele verschillende aspecten en spelers. Naast de inzet met provincies en gemeenten via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 (zie de antwoorden op vragen 6, 7 en8 zie ik ook een rol voor de Rijkscultuurfondsen in het kader van hun opdracht voor het cultuurbestel 2029 en verder. Mijn ambitie is om zowel met de andere overheden als de Rijkscultuurfondsen stappen te zetten om lacunes waar mogelijk op te vullen.
De relatie tussen de NCTV en de wetenschap |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit recent verschenen artikel op NieuwRechts, getiteld «NCTV nestelt zich in universiteiten met leerstoelen over eigen werk»1?
Ja.
Is het correct dat, zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) ook zelf op zijn eigen website schrijft met betrekking tot de Universiteit Leiden2, er aan verschillende Nederlandse universiteiten leerstoelen ingesteld zijn door de NCTV?
Ja, er is door de NCTV een bijzondere leerstoel ingesteld aan de Universiteit Leiden. Daarnaast ondersteunt de NCTV een bijzondere leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam.
In het verleden heeft de NCTV een bijzondere en een reguliere leerstoel ondersteund. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nadere toelichting hierop.
Kan de Tweede Kamer een compleet overzicht ontvangen van alle leerstoelen die door de NCTV zijn ingesteld aan Nederlandse universiteiten?
De NCTV heeft in totaal één bijzondere leerstoel ingesteld, twee bijzondere leerstoelen ondersteund en één «reguliere» leerstoel ondersteund. Ten eerste heeft de NCTV aan de Universiteit Leiden de Bijzondere Leerstoel Applied Ethics of Intelligence and Security ingesteld van 0,2 fte per 1 november 2024 voor de duur van vijf jaar. Ten tweede ondersteunt de NCTV per 1 december 2023 de Bijzondere Leerstoel Klinische Psychologie van Radicalisering van 0,4 fte aan de Universiteit van Amsterdam voor de duur van vijf jaar. Ten derde heeft de NCTV de Bijzondere Leerstoel Governance of Intelligence and Security Services van 0,2 fte aan de Universiteit Leiden van 1 september 2017 tot 25 mei 2022 ondersteund. Ten vierde heeft de NCTV de «reguliere» leerstoel Terrorisme en Contraterrorisme aan de Universiteit Leiden vanaf 1 februari 2007 ondersteund. Sinds 2014 wordt deze leerstoel niet langer door de NCTV gefinancierd, maar door de universiteit zelf.
Kwam het initiatief voor het instellen van deze «NCTV-leerstoelen» aan Nederlandse universiteiten van de universiteiten zelf of van de NCTV? Kunt u deze vraag afzonderlijk, voor elke «NCTV-leerstoel», beantwoorden?
Voor de ondersteuning van de Bijzondere Leerstoel Klinische Psychologie van Radicalisering aan de Universiteit van Amsterdam kwam het initiatief van de NCTV vanwege zorgen over gefixeerde eenlingen met psychische problematiek zoals genoemd in analyses en publicaties van de NCTV.
De Bijzondere Leerstoel Governance of Security and Intelligence Services, de Bijzondere Leerstoel Applied Ethics of Intelligence and Security en de «reguliere» leerstoel Terrorisme en Contraterrorisme zijn een gezamenlijk initiatief van de Universiteit Leiden en de NCTV.
Hoeveel NCTV-medewerkers zijn in totaal, tegelijkertijd, ook medewerker van een universiteit? Hoeveel daarvan zijn hoogleraar?
Op basis van de vastgelegde gegevens in het personeelssysteem is vastgesteld dat twee medewerkers van de NCTV momenteel werkzaamheden verrichten aan een universiteit. Zij ontvangen hiervoor geen vaste financiële vergoeding.
Voorts is een medewerker hoogleraar en vervult hij momenteel de Bijzondere Leerstoel Applied Ethics of Intelligence and Security van 0,2 fte aan de Universiteit Leiden. Deze Leerstoel is per 1 november 2024 voor de duur van vijf jaar ingesteld.
Is het eigenlijk wel toegestaan voor deze «NCTV-hoogleraren» – die dus niet alleen hoogleraar maar tegelijkertijd ambtenaar bij de NCTV zijn – om openlijk kritiek te leveren op de NCTV?
Ja, de bijzondere hoogleraren zijn wetenschappelijk onafhankelijk.
Indien toegestaan, kunt u wellicht één voorbeeld geven van kritiek geleverd door een NCTV-hoogleraar – dat wil zeggen een hoogleraar die is aangesteld op een door de NCTV ingestelde leerstoel – op de NCTV?
Als Minister treed ik niet in de beoordeling van het wetenschappelijke werk van onafhankelijke hoogleraren.
Wat behelst de functie van Chief Science Officer bij de NCTV? Is deze functionaris betrokken bij het bepalen van de wetenschappelijke agenda van de NCTV, bij de besluitvorming over welk onderzoek de NCTV via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum uitzet of bij de beoordeling van onderzoeksvoorstellen en offertes?
De Chief Science Officer (CSO) van de NCTV is verantwoordelijk voor het bevorderen van kennis en vakmanschap binnen de NCTV, het organiseren van opleidingen en is personeelsverantwoordelijk voor medewerkers van de NCTV-Academie.
De besluitvorming over wetenschappelijke prioriteiten en onderzoekswensen richting het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (WODC) ligt bij het managementteam van de NCTV.
Het WODC bepaalt zelf welke wensen worden gehonoreerd en is zelf verantwoordelijk voor het benaderen en selecteren van onderzoekers.3 De regie voor de uitvoering, vaststelling en publicatie van het onderzoek ligt eveneens bij het WODC. De CSO van de NCTV is hier niet bij betrokken. Het WODC bekostigt alle gehonoreerde onderzoekswensen zelf.
Kunt u een volledig overzicht aan de Kamer verstrekken van álle financiële relaties tussen de NCTV en Nederlandse universiteiten of kennisinstellingen sinds 2006 – dus niet alleen leerstoelen, maar ook gefinancierde promotieplaatsen, detacheringen, gastdocentschappen, opdrachtonderzoek en bijdragen aan onderzoeksprojecten – met per relatie het bedrag en de looptijd?
In bijlage I treft u een overzicht van 153 onderzoeken aan die in de periode van 2005 tot 2026 op verzoek van de NCTV en voorganger NCTb door tussenkomst van en met financiering door het WODC door kennisinstellingen zijn uitgevoerd.
Is het, wat u betreft, in het algemeen wenselijk als een veiligheidsdienst, zoals de NCTV, niet alleen de financiering maar ook de medewerkers (hoogleraren) levert voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek («NCTV-wetenschap») op zijn eigen beleidsterrein?
De NCTV is geen veiligheidsdienst, maar de nationale coördinator op het gebied van nationale veiligheid en terrorismebestrijding. De NCTV draagt als coördinator bij aan de bescherming van de nationale veiligheid. In dat kader ondersteunt de NCTV kennisontwikkeling op relevante terreinen.
Kunnen de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoord worden?
Ja, de bovenstaande vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Een gefilterd boekenpakket voor schoolbibliotheken |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Lezen is verplaatsingskunde, en dat verdwijnt nu langzaam van school» van Janneke Schotveld en met het bericht van NBD Biblion over een apart boekenpakket voor protestants-christelijke scholen?1 2
Ja.
Klopt het dat scholen vanaf komend schooljaar via een standing order een collectie kunnen afnemen waaruit boeken met onder meer magie, mythische wezens en de evolutietheorie zijn gefilterd?
Op 18 juni maakte NBD Biblion bekend christelijke scholen vanaf de zomer van 2026 een speciaal boekenpakket aan te bieden, zonder elementen als magie, horror of mythische wezens of thema’s zoals de evolutietheorie. Naar aanleiding van maatschappelijke discussie heeft de organisatie op 26 juli jl. een bericht gepubliceerd met de mededeling dat het aanbieden van het boekenpakket voorlopig gepauzeerd is en dat NBD Biblion het gesprek over het pakket wil aangaan met haar partners.3
Hoe beoordeelt u dat deze titels als «niet-passend» worden aangemerkt en aanvankelijk met een rood kruis werden gemarkeerd?
Uit de onderwijsvrijheid vloeit voort dat scholen inrichtingsvrijheid hebben. De school kiest voor de leermethode en leermiddelen. In zoverre hebben zij de ruimte om de eigen collectie van de schoolbibliotheken te bepalen. De vrijheid van richting kan met zich meebrengen dat bijzondere scholen daarbij keuzes baseren op de eigen religieuze of levensbeschouwelijke visie. Tegenover die vrijheid staat dat scholen de wettelijke plicht hebben om aan de landelijke kerndoelen te voldoen. Hieronder valt ook een breed en rijk aanbod van kinder- en jeugdliteratuur (kerndoel 1A) en de evolutietheorie (kerndoel 32B). Ook zijn scholen gehouden aan de wettelijke burgerschapsopdracht, die onder meer van scholen vraagt dat ze leerlingen kennis bijbrengen over verschillen in bijvoorbeeld godsdienst, levensovertuiging of seksuele gerichtheid. Scholen moeten deze thema's dus verplicht behandelen, ongeacht welke boeken er in de schoolbibliotheek staan.
Welke rol speelt NBD Biblion binnen het programma de Bibliotheek op school en welke publieke middelen zijn hiermee gemoeid?
NBD Biblion heeft geen formele rol binnen het programma de Bibliotheek op school. NBD Biblion fungeert als dienstverlener, voor bibliotheken en scholen, die centraal boeken inkoopt, uitleenklaar maakt en van metadata voorziet. NBD Biblion ontvangt hiervoor geen directe overheidssubsidies. Voor het programma de Bibliotheek op school subsidieert het Ministerie van OCW de stichting Lezen. Scholen en bibliotheken betalen NBD Biblion uit hun eigen budgetten.
Vindt u het wenselijk dat een organisatie met een publieke functie in het bibliotheekstelsel meewerkt aan het vooraf wegfilteren van boeken op ideologische gronden?
NBD Biblion heeft geen formele publieke functie. De stichting is opgericht door bibliotheken, boekverkopers en uitgevers om bibliotheken te ondersteunen.
De Koninklijke Bibliotheek (KB), de Samenwerkende provinciale ondersteuningsinstellingen Nederland (SPN) en de Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB) hebben recent het Gezamenlijke Collectieplan 2026–2030 gepubliceerd. Het vaststellen van dit plan is een wettelijke taak van de KB. In dit plan staat: «Als bibliotheken erkennen we het recht van ieder individu of groep om bibliotheekmateriaal voor persoonlijk gebruik te weigeren, maar kennen we geen enkel individu of groep het recht toe om de vrijheid van anderen om van datzelfde materiaal gebruik te maken te beperken.» Daarnaast zijn er handreikingen van onder meer Stichting Lezen voor de Bibliotheek op school en provinciale ondersteuningsinstelling Pro Biblio over de vorming van en het gesprek over collecties. Daarmee stimuleren de bibliotheken juist een rijk en divers leesaanbod.
Hoe verhoudt dit pakket zich tot de doelen van het Masterplan basisvaardigheden, waarin een rijke, gevarieerde schoolbibliotheek centraal staat?
In het Masterplan basisvaardigheden staat het structureel verbeteren van de onderwijsprestaties van leerlingen op het gebied van taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid centraal. Om dit doel te bereiken ontvangen scholen extra financiële middelen, krijgen zij ondersteuning van onderwijscoördinatoren in begeleide leernetwerken en worden zij gestimuleerd om evidence informed te werken. Een schoolbibliotheek past binnen de aanpak van het Masterplan basisvaardigheden, maar behoort niet tot de centrale doelstelling. De collectie van een schoolbibliotheek moet volgens het programma de Bibliotheek op school actueel en gevarieerd zijn; het aanbod komt in samenwerking tussen scholen en bibliotheken tot stand.
Deelt u de opvatting dat lezen kinderen juist in aanraking moet brengen met perspectieven die zij van huis uit niet meekrijgen?
Ja, dit hangt samen met de kerndoelen en de burgerschapsopdracht. In kerndoel 1A van de kerndoelen Nederlands staat: «De school zorgt voor een rijke taal- en leesomgeving». Het gaat hierbij om het «aanbieden van een veelzijdig en actueel aanbod van jeugdliteratuur, binnen een vaste leesroutine». Kerndoel 32B van de kerndoelen voor het voortgezet onderwijs Mens en Natuur luidt: «de leerling toont inzicht in het voortbestaan van leven op aarde», het gaat hierbij om het «verklaren van het ontstaan van biodiversiteit door evolutie: mutaties, natuurlijke selectie en soortvorming». De wettelijke burgerschapsopdracht schrijft voor dat scholen zich herkenbaar richten op het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid en de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.4
Hoe weegt u het belang van het kind op brede ontwikkeling en informatievrijheid, zoals vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag, tegenover de wens van schoolbesturen om aanbod te filteren?
Het Kinderrechtenverdrag en de wens van schoolbesturen voor een aangepast boekenaanbod hoeven elkaar niet uit te sluiten, zolang de school zich aan het wettelijk curriculum houdt. De kerndoelen en examenprogramma’s garanderen dat leerlingen een brede ontwikkeling krijgen. Daarbij betekent een gefilterd boekenaanbod in de schoolbibliotheek niet dat leerlingen verder geen toegang hebben tot informatie via bijvoorbeeld openbare bibliotheken, de boekhandel of internet.
Hoe verhoudt het wegfilteren van de evolutietheorie uit het boekenaanbod zich tot de wettelijke kerndoelen voor het primair onderwijs, waarin natuur en techniek inclusief evolutie zijn opgenomen, en tot de burgerschapsopdracht die scholen verplicht leerlingen kennis te laten maken met verschillende achtergronden en opvattingen?
Alle scholen moeten de kerndoelen volgen en zich aan de wettelijke burgerschapsopdracht houden. Als scholen hun leerlingen niet via literatuur in aanraking brengen met de evolutietheorie of met verschillende opvattingen, bijvoorbeeld ten aanzien van seksuele gerichtheid, dan moeten deze onderwerpen op een andere manier aan de orde komen in het lesprogramma. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Welke gevolgen verwacht u voor de leesmotivatie en woordenschat van leerlingen op scholen die dit pakket afnemen?
Deze scholen dienen zich te houden aan de kerndoelen en burgerschapsopdracht en zullen op een andere manier in de les aandacht besteden aan wetenschappelijke theorieën en verschillende seksuele gerichtheden. Het is mijn verwachting dat de leerlingen zich vergelijkbaar zullen ontwikkelen als op openbare scholen.
Bent u bereid met NBD Biblion in gesprek te gaan over de wenselijkheid van dit pakket en de Kamer over de uitkomst te informeren?
Zoals gezegd is NBD Biblion geen publieke organisatie. Daarom is er voor mij geen aanleiding om het gesprek hierover met de stichting aan te gaan. NBD Biblion moet dit gesprek met haar partners voeren en heeft aangekondigd dit ook te zullen doen (zie het antwoord op vraag 2).
Kunt u in kaart brengen hoeveel scholen zich hebben aangemeld en of vergelijkbare gefilterde pakketten voor andere denominaties in voorbereiding zijn?
Nee, dat breng ik niet in kaart. NBD Biblion heeft geen formele publieke functie. Bij een eventuele aanschaf van een speciaal boekenpakket voor christelijke scholen gaat het om een privaatrechtelijke overeenkomst tussen NBD Biblion en scholen of bibliotheken.
Welke instrumenten heeft u om te waarborgen dat elke leerling, ongeacht de school, toegang houdt tot een breed en pluriform boekenaanbod?
Zie het antwoord op vraag 3 en 5.