De nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat in de nacht van vrijdag 12 tot zaterdag 13 december vernielingen zijn aangebracht aan drie monumentale panden van de Universiteit van Utrecht, die met rode verf zijn besmeurd?
Ja.
Heeft u kennis genomen van het feit dat extremisten deze actie op instagram hebben opgeëist door «Palestine Action» en daarbij hebben gedreigd dat de universiteit banden met Israëlische universiteiten moet verbreken of de daders nog veel meer schade gaan veroorzaken («or we will be back and double the damage»)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de universiteit Utrecht op deze manier wordt gechanteerd en wat gaat u doen om Nederlandse universiteiten beter te vrijwaren van dergelijke antidemocratische, extremistische en antisemitische agressie?
Het spreekt voor zich dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) en ik iedere vorm van agressie en geweld of dreiging daarmee van de hand wijzen. Instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting als de veiligheid op de campus te waarborgen. Daarnaast hebben zij in hun Richtlijn protesten universiteiten en hogescholen2 aangegeven het recht om te demonstreren te ondersteunen. Ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen.
Er worden verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Ik heb uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practiceste delen. Ook werkt de Taskforce Antisemitismebestrijding momenteel aan gerichte voorstellen om de veiligheid van Joodse studenten te verbeteren. De Taskforce zal dit advies in februari publiceren. Naar aanleiding van dit advies ga ik na of er extra maatregelen nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten te borgen.
Indien sprake is van strafbare feiten zijn de politie en het Openbaar Ministerie (OM) verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging daarvan.
Bent u het eens met de stelling dat universiteiten of andere organisaties onder geen enkele voorwaarde mogen buigen of toegeven aan dergelijke dreigementen?
Het is van groot belang dat instellingen altijd de vrijheid voelen om zelfstandig en weloverwogen de afweging te maken met welke instellingen of organisaties, zowel nationaal als internationaal, zij willen samenwerken of zij de samenwerking willen beëindigen. Dit kan zijn om verschillende redenen en gebaseerd op verschillende criteria, maar altijd in lijn met wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat op sociale media dergelijke dreigementen worden geuit in een poging om de universiteit te chanteren en vindt u dat deze oproepen dienen te worden verwijderd? Graag een toelichting.
Indien er sprake is van bedreiging is dat nooit acceptabel. Als het gaat om strafbare bedreiging (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) kan dat gemeld worden bij het betreffende online platform om deze te laten verwijderen. Online platformen, zoals social media kanalen, dienen zich te houden aan de Digitaledienstenverordening (DSA). Zo verduidelijkt deze verordening in artikel 16, derde lid, dat een melding van illegale inhoud conform de vereisten van dat artikel leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moeten zij onmiddellijk handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan kunnen ze geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud.
Daarnaast kan de officier van justitie op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Dezelfde organisatie, Palestine Action, die nu dreigt met meer vernielingen, heeft eerder vernielingen geclaimd en in het verleden opgeroepen om de terroristen en moordenaars van 7 oktober te eren; welke stappen worden tegen deze organisatie ondernomen?
Zoals de Minister van JenV eerder aan uw Kamer communiceerde naar aanleiding van schriftelijke vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP)4, biedt het demonstratierecht onder geen beding een vrijbrief voor personen en organisaties om de wet te overtreden; vernielen is nooit een acceptabele vorm van je mening uiten. Demonstreren moet gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het gebruik van geweld en het opruien daartoe is strafbaar. Dit geldt ook voor acties waarbij vernieling plaatsvindt.
Het waar mogelijk faciliteren van demonstraties en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen, is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan de Minister van JenV of aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Daarnaast is het aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Bent u het eens met de stelling dat het dringend noodzakelijk is om alles op alles te zetten om een einde te maken aan de vernielingen, intimidatie en chantage van pro-Palestijnse extremisten, en dus om het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten van politie en justitie om de daders op te sporen, te vervolgen en zwaar te bestraffen? Graag een toelichting.
Binnen onze democratische rechtsstaat is het een groot goed dat eenieder de vrijheid heeft en voelt om zijn mening te laten horen, ook door middel van een demonstratie of protest. Dit grondrecht is echter niet onbegrensd. Waar strafbare feiten worden gepleegd, vormt het strafrecht een duidelijke grens. Het plegen van misdrijven, zoals bedreiging, geweld en openlijke geweldpleging heeft niks te maken met het recht om te demonstreren en hiervoor vindt in beginsel strafvervolging plaats. Opsporing en vervolging van dit soort misdrijven vindt plaats onder het gezag van het OM. Het is aan de opsporingsdiensten hoe in concrete gevallen middelen en capaciteit worden ingezet – daar hebben zowel de Minister van JenV als ik zich niet in te mengen. Aangerichte schade wordt zo mogelijk verhaald op de dader(s); hierover heeft de Minister van JenV eerder richting uw Kamer gecommuniceerd.5
Bent u het eens met de stelling dat vervolging van de daders een zeer hoge prioriteit verdient en op welke manier wordt deze prioriteit opgepakt door de bevoegde instanties? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 7.
Eerder werd het Paleis op de Dam eveneens door tuig met rode verf besmeurd, en op dat gebouw staan meerdere camera’s gericht; zijn deze beelden uitgelezen? Hoe loopt het onderzoek naar de daders? Hoe loopt het onderzoek naar de bekladding met rode verf van het Koninklijk Instituut voor de Tropen?
Naar beide incidenten is onderzoek gedaan. Uit die onderzoeken zijn geen mogelijke verdachten naar voren gekomen. Om die reden zijn de onderzoeken beëindigd.
Bent u het eens met de stelling dat inmiddels een patroon is ontstaan van bekladding en vernieling door pro-Palestina extremisten van monumentale panden? Kunt u een overzicht geven van dergelijke vernielingen en bekladdingen door pro-Palestijnse activisten sinds 7 oktober 2023, met een schatting van de schade?
Een dergelijk overzicht is niet te genereren. De registratie door politie en OM van enkel strafbare feiten, maakt het niet mogelijk deze te koppelen aan specifieke acties en/of organisaties.
Hoeveel pro-Palestijnse activisten zijn opgenomen in een persoonsgerichte anti-radicaliseringsaanpak?
In de lokale persoonsgerichte aanpak tegen radicalisering worden personen besproken die een (potentieel) gevaar vormen voor de (nationale) veiligheid, doordat zij vanuit hun ideologische overtuigingen (indirect) geweld legitimeren of de bereidheid hebben om activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen. Activisme valt niet onder de reikwijdte van de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Het besluit over het al dan niet opnemen van een persoon in de persoonsgerichte aanpak radicalisering ligt bij de lokale weegploeg. Deze bestaat uit de betreffende gemeente, politie en het OM. In artikel 5, derde lid, van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten is opgenomen, dat de weging plaatsvindt aan de hand van objectieve criteria, die luiden: de mate waarin betrokkene bereid is geweld toe te passen of te propageren, de mate waarin betrokkene vasthoudt aan extremistische denkbeelden, zijn/haar sociale relaties, de mate van identificatie met een extremistische groep of ideologie en zijn/haar zelfredzaamheid. Aangezien de weging lokaal wordt uitgevoerd, zijn de ideologische motieven van personen die zijn opgenomen in de aanpak enkel op lokaal niveau bekend.
Bent u van mening dat het zaak is om universiteiten extra ondersteuning te bieden om hun gebouwen te beveiligen zolang extremistische clubs dreigen met vernieling en deze ook ten uitvoer brengen? Welke stappen zet u om hier een einde aan te maken?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid op hun instelling. Zij spannen zich dagelijks in om een gedegen invulling te geven aan deze verantwoordelijkheid. Om instellingen te ondersteunen in de belangrijke verantwoordelijkheid die zij hebben, ga ik met de instellingen aan de slag met de evaluatie van het subsidieprogramma «Integrale Veiligheid» 2016–2023. Het onderzoek besteedt enerzijds aandacht aan de wijze waarop instellingen hun veiligheidsbeleid hebben ingericht. Anderzijds richt dit onderzoek zich nadrukkelijk op de coördinatie van het veiligheidsbeleid in de sector en de rol van uniformering en samenwerking bij het versterken van de veiligheid op de instellingen. Dit onderzoek zal inventariseren welke ervaringen, lessen en opbrengsten dit programma in de instellingen heeft opgeleverd die in de toekomst benut kunnen worden. Momenteel ben ik in gesprek met de instellingen over de opzet en aanpak van dit onderzoek. Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomsten en uw Kamer mijn reactie daarop geven.
Ik hecht er aan om, zoals ook vermeld in mijn Kamerbrief d.d. 18 december6, ook hier te benadrukken dat ik het belangrijk vind dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid, waar mogelijk, lokaal wordt genomen. Instellingen werken nauw samen met de politie en lokale driehoek. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Hierover kan ik uw Kamer melden dat de hogeronderwijsinstellingen op initiatief van Universiteiten van Nederland (UNL) met de politie momenteel procesafspraken maken over hun onderlinge samenwerking. Deze afspraken zijn onderdeel van de inspanningen die instellingen en politie verrichten om de demonstraties op campussen in goede banen te leiden en om ongeregeldheden te voorkomen.
Antisemitische bezetting universiteitsgebouw Utrecht legt onderwijs voor 350 studenten plat |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de antisemitische actiegroep Utrecht Encampment inmiddels een week lang een universiteitsgebouw aan de Drift in Utrecht bezet houdt, waardoor het onderwijs voor meer dan 350 studenten volledig is geschrapt?1, 2
Ik ben bekend met het feit dat de bezetting van het universiteitsgebouw aan de Drift in Utrecht door de actiegroep Utrecht Encampment er toe heeft geleid dat er onderwijs geen doorgang heeft kunnen vinden. Vanwege het belang voor de studenten heeft de Universiteit Utrecht zich ten volle ingezet om onderwijs zo goed mogelijk doorgang te laten vinden.3 Gedurende de bezetting heeft de universiteit in totaal 529 onderwijsactiviteiten verzet naar een andere locatie of omgezet naar online-onderwijs. In totaal hebben er tien onderwijsactiviteiten geen doorgang hebben kunnen vinden. De tien geannuleerde onderwijsactiviteiten troffen in totaal 470 studenten.
Deelt u de opvatting dat de studie van gewone studenten altijd voor moet gaan op de acties van drammende en antisemitische bezetters, en vindt u daarom dat het universiteitsbestuur, in overleg met de lokale driehoek, direct had moeten ingrijpen bij deze bezetting, gelet op de enorme onderwijsverstoring?
De instellingsbesturen hebben de belangrijke taak om onderwijs en onderzoek doorgang te laten vinden en de veiligheid op de campus te waarborgen. Ik zie dat zij zich hier iedere dag opnieuw voor inzetten. Zo ook de Universiteit Utrecht tijdens deze bezetting, zoals u kunt lezen in mijn antwoord op vraag 1. Ik vind het belangrijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de campussen zoveel mogelijk wordt genomen daar waar deze ligt, in dit geval is dat lokaal. Instellingen werken nauw samen de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Als Minister van OCW heb ik geen bemoeienis met de inzet van de politie en het moment van ingrijpen door hen bij deze bezetting.
Bent u bereid om direct contact op te nemen met het universiteitsbestuur met het verzoek om de bezetting per direct te beëindigen, zodat het onderwijs en de veiligheid op de campus kunnen worden hersteld?
De bezetting is op 14 december jl. beëindigd.
Deelt u de mening dat zodra bezetters de regels en verantwoordelijkheden voor demonstraties van de universiteit overschrijden, er zonder uitstel moet worden ingegrepen om orde en veiligheid te herstellen? Zo ja, bent u bereid deze boodschap actief uit te dragen richting de colleges van bestuur van alle universiteiten?
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 aangegeven ligt het besluit tot ingrijpen lokaal. Daarop aanvullend wil ik u melden dat ik in mijn brief aan uw Kamer d.d. 18 december jl. ben ingegaan op een vergelijkbare vraag. Daar geef ik aan dat instellingen altijd aangifte doen van strafbare feiten wanneer die plaatsvinden tijdens protesten op hun terreinen, zoals bedreiging, vernieling of openlijke geweldpleging, en zij studenten en medewerkers bijstaan die aangifte willen doen. Zoals mijn ambtsvoorganger in een andere Kamerbrief4 d.d. 19 mei jl. reeds heeft aangegeven, wordt bij vernielingen zo mogelijk de schade verhaald op de dader(s). Tot slot hecht ik er waarde aan te benadrukken dat ik regelmatig in gesprek ben met instellingen. In deze gesprekken is o.a. aandacht voor het belang van ruimte voor demonstraties op de onderwijsinstellingen, waarbij het ook van groot belang is dat deze altijd binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling plaatsvinden.
Kunt u aangeven waarom universiteitsbesturen structureel zo zwak optreden tegen antisemitische bezettingen en protesten op hun campussen? En kunt u uiteenzetten welke concrete maatregelen dit kabinet gaat nemen om het telkens terugkerende antisemitisme op Nederlandse universiteiten eindelijk te elimineren?3, 4, 5, 6, 7, 8
Ik wil benadrukken dat ik zie en weet dat de instellingbesturen zich inzetten om een goede invulling te geven aan hun verantwoordelijkheid voor een sociaal veilige leer- en werkomgeving. Dat doen zij samen met de lokale veiligheidsdriehoek. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is het van belang dat die verantwoordelijkheid lokaal wordt ingevuld.
Voorts werk ik samen met universiteiten en hogescholen via verschillende acties aan het bestrijden van antisemitisme. Ik heb u hier onlangs uitgebreid over geïnformeerd per brief d.d. 18 december jl.11 In februari 2026 presenteert de Taskforce Antisemitismebestrijding aanbevelingen voor het verbeteren van de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers. Naar aanleiding van deze aanbevelingen zal ik nagaan welke vervolgacties er nodig zijn en uw Kamer hierover informeren. Ook werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Op de langere termijn werk ik aan een wettelijke zorgplicht veiligheid, die eveneens voorziet in versterking van het toezicht op het veiligheidsbeleid van instellingen.
Het bericht ‘Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door»?1
Ja.
Vindt u het redelijk dat tentamens voor studenten gewoon doorgaan wanneer Rijkswaterstaat en de NS adviseren het reizen uit te stellen en het openbaar vervoer in de regio rond instellingen niet rijdt?
Omdat de lokale weeromstandigheden en bereikbaarheid als gevolg hiervan enorm kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van instellingen. Het uitgangspunt is dat het onderwijs zoveel mogelijk wordt gecontinueerd. Dit is ook in het belang van studenten. Daarom zijn de onderwijsinstellingen aan zet om zelf een afgewogen besluit te nemen over de wijze waarop het onderwijs en de tentaminering zijn georganiseerd en daarbij rekening te houden met de lokale omstandigheden.
Welke verplichtingen rusten op instellingen om te voorkomen dat studenten met studievertraging en extra kosten te maken krijgen vanwege dit soort situaties van overmacht?
In het geval dat een instelling besluit een tentamen op te schorten vanwege weersomstandigheden, hebben instellingen de plicht om studenten een ander examenmoment aan te bieden.
In de Onderwijs- en examenregeling wordt onder meer het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens opgenomen alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden. Ook mogelijkheden tot herkansing worden hierin opgenomen. Op deze wijze wordt rekening gehouden met (persoonlijke) omstandigheden die het deelnemen aan een tentamen in de weg staan. Het is hierbij goed om op te merken dat het missen van een tentamen niet per definitie leidt tot studievertraging en extra kosten. Vaak zijn er mogelijkheden om binnen de nominale studieduur te herkansen.
Vindt u het wenselijk dat in dit soort situaties landelijk grote verschillen tussen instellingen ontstaan terwijl de omstandigheden voor alle studenten hetzelfde zijn?
Onderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor een goede organisatie van hun onderwijs. Begin januari hebben de weersomstandigheden ertoe geleid dat onderwijsinstellingen minder goed bereikbaar waren. Hierbij waren er op lokaal niveau grote verschillen. In sommige regio’s gold dat er geen regionaal vervoer meer beschikbaar was; in andere regio’s reed het regionale of lokale vervoer gewoon (al dan niet met een aangepaste dienstregeling). Daarom vind ik het van belang dat onderwijsinstellingen zelf een afgewogen besluit nemen over de organisatie van het onderwijs gebaseerd op de lokale omstandigheden.
Bent u bereid hierover het gesprek aan te gaan met de koepelorganisaties?
Omdat de weersomstandigheden en bereikbaarheid per regio kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van de onderwijsinstelling. Wel zal ik steeds blijven uitdragen dat ik het van belang vind dat het onderwijs zoveel mogelijk doorgang blijft vinden en wanneer de omstandigheden dat niet toe laten dat instellingen – conform hun bestaande verantwoordelijkheid – studenten op de hoogte te stellen van mogelijkheden voor het inhalen van onderwijs of het herkansen van tentamens of examens.
Het bericht ‘Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten: «Blauwdruk voor terreur»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme bevatten en geweld tegen Joden verheerlijken?
Nederland veroordeelt alle vormen van antisemitisme en acht
antisemitische teksten in lesmateriaal onacceptabel. Dit draagt Nederland bilateraal en in EU-verband uit.
Bent u bekend met het eerder ingenomen standpunt van het Europees Parlement dat de EU alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd?2 Deelt Nederland deze positie ook?
Het kabinet is bekend met dit standpunt. Europese steun aan de Palestijnse Autoriteit is afhankelijk van voortgang op noodzakelijke hervormingen, waar lesmateriaal onderdeel van is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland onderschrijft dat lesmateriaal in lijn moet zijn met UNESCO-normen, zoals ook is overeengekomen tussen de Commissie en de Palestijnse Autoriteit (PA). Tijdens mijn recente bezoek aan de PA heb ik dat ook ter sprake gebracht.
Welke consequenties verbindt Nederland aan het feit dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme blijken te bevatten?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden antisemitische schoolboeken zich tot de zogenaamde Letter of Intent die in de zomer van 2024 is ondertekend door de Europese Commissie en de Palestijnse Autoriteit, waarin ook hervorming van het schoolcurriculum is opgenomen?
De Europese financiële steun voor de PA is afhankelijk van voortgang op de hervormingsagenda waarvan onderwijs een belangrijk aandachtspunt is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland blijft in dit kader consequent aandacht vragen voor het belang van het tegengaan van antisemitisme in schoolboeken.
Zoals in het verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 7 en 8 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3132), is de intentieverklaring getekend door de Europese Commissie en de PA op 19 juli 2024. De verklaring bevat een strategie gericht op het stabiliseren van de PA en de economie op de Westelijke Jordaanoever, waaraan een noodsteunprogramma was verbonden van EUR 400 miljoen. De Commissie handelt bij onvoldoende voortgang. Illustratief hiervoor was het Europese besluit om in een eerder stadium nog geen geld over te maken voor de tweede tranche van het noodsteunprogramma (EUR 17.5 miljoen) vanwege onvoldoende voortgang op het implementeren van de in de intentieverklaring afgesproken «prioritaire acties» op het gebied van hervorming van het sociaalzekerheidsstelsel, waaronder betalingen aan families van gevangenen.
Er wordt consequent aandacht gevraagd voor het belang van hervormingen op het gebied van onderwijs waaronder lesmateriaal. Op 20 november jl. kwam de Europese «Palestine Donor Group» bijeen waar de Europese steun aan de PA centraal stond, inclusief gemaakte voortgang op het gebied van hervormingen. Ook hier onderstreepte zowel de Europese Commissie als Nederland het belang van voortzetten van de Palestijnse hervormingsagenda, ook op het gebied van schoolboeken. De Palestijnse Autoriteit bevestigde gecommitteerd te zijn om met de EU afgesproken hervormingen door te voeren, en UNESCO-normen te hanteren voor het schoolcurriculum. Hierover staat de PA in nauw contact met UNESCO.
Hoe wordt gecontroleerd of deze hervorming van het curriculum daadwerkelijk en effectief plaatsvindt? Wat zijn de benchmarks op basis waarvan verdere financiering aan de Palestijnse Autoriteit wordt verstrekt? Wat gebeurt er nu blijkt dat de Palestijnse Autoriteit zich niet aan de Letter of Intent houdt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat, nu er blijkbaar niks veranderd is aan de inhoud van de schoolboeken, dit direct gevolgen moet hebben voor het verstrekken van EU-(onderwijs)subsidies aan de Palestijnse Autoriteit? Bent u bereid om dit standpunt ook in Europese gremia in te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of Nederland ook zelfstandig (los van de EU-subsidies) geld steekt in onderwijs of lesmateriaal van de Palestijnse Autoriteit? Zo ja, gaat u deze subsidies direct stopzetten?
Nederland verstrekt geen subsidies op het gebied van onderwijs of lesmateriaal aan de PA.
De publicatie van ‘Het 7 Oktober-effect’, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het onderzoeksrapport «Het 7 oktober-effect, Joodse en Israëlische ervaringen te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse hogescholen en universiteiten», een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?1
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies en aanbevelingen van dit rapport dat een documentatie bevat van gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten en hogescholen vanaf 7 oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering, een toename van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere onderzoek «Onveilige Ruimtes: de opkomst van antisemitisme in de Nederlandse academische wereld» waarin één van de bevindingen was dat bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun universiteit geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er significante vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de opvolging ervan?2
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit moment, in het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit rapport?
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de intimiderende, agressieve sfeer van protesten en manifestaties en het onversneden antisemitisme dat hierbij geregeld de kop opsteekt, bij een groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft geleid tot angst, stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over welke andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of andere studenten in sommige gevallen hun studie afbraken en dat medewerkers hun heil elders zochten? In hoeverre wordt nu in kaart gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande redenen stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en hogescholen op dit moment tekortschieten om Joodse studenten en medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen zijn genomen of worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins en de manier waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn omgegaan? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt en geïmplementeerd? Graag een toelichting.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die tot voor kort werkzaam was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die Hamas verheerlijkte op zijn X-account en pleitte voor steun en bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de aansporing van deze docent aan zijn studenten – te horen op een audio-opname – om bij te dragen aan de strijd voor het «voor eens en altijd beëindigen van het zionisme»?3, 4, 5
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de universiteit ten aanzien van deze geradicaliseerde docent?
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen een docent die zich op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen kunnen/moeten universiteiten leren ten aanzien van deze situatie?
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te doen op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die de mogelijkheid biedt om instellingen die falen in het beoefenen van hun publieke taken een aanwijzing te geven of andere maatregelen te nemen als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van de Minister, wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Kunt u schetsen in welke gevallen de Minister zou overgaan tot het geven van een aanwijzing en/of het treffen van een maatregel tegen instellingen? Wanneer zou hier sprake van zijn?
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting te geven over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over grensoverschrijdend gedrag?
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Wijdverbreid antisemitisme in klaslokalen |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat UNESCO waarschuwt dat driekwart van de leraren in de Europese Unie antisemitisme in het klaslokaal waarneemt?1
Deelt u de zorg dat antisemitisme, ook in het onderwijs, zichtbaar toeneemt? Wat is uw reactie op de bevindingen uit het UNESCO-rapport? Welke bevindingen geven u de meeste zorg en zijn er zaken die u nader onderzocht en uitgediept zou willen hebben, en zo ja, hoe kunt u dit bevorderen?
Heeft u concreet inzicht in de mate waarin Nederlandse leraren antisemitisme, intimidatie of vijandigheid jegens Joodse leerlingen ervaren in het primair en voortgezet onderwijs? Zo ja, kunt u deze inzichten delen en daarbij aangeven uit welke bronnen Jodenhaat met name wordt gevoed? Zo nee, hoe gaat u dit alsnog structureel in kaart brengen? Welke rol speelt de veiligheidsmonitor daarbij en welke rol kan het UNESCO-rapport vervullen bij de verdere ontwikkeling ervan?
In hoeverre worden concrete uitingen van antisemitisme in het onderwijs momenteel gemonitord en geregistreerd door scholen en schoolbesturen? Acht u deze monitoring toereikend, mede gelet op de bevindingen van UNESCO?
Welke concrete handvatten, richtlijnen of ondersteuning ontvangen scholen en leraren momenteel om antisemitisme in de klas te herkennen, bespreekbaar te maken en effectief tegen te gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezigheid van hakenkruizen in scholen? Acht u deze ondersteuning toereikend gelet op bevindingen van UNESCO en bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de sectororganisaties?
Welke rol speelt Holocausteducatie binnen het Nederlandse curriculum bij het bestrijden van antisemitisme, het doorgeven van historisch besef aan nieuwe generaties en de positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap? Bent u bereid met uitgevers in gesprek te gaan over de lessen die uit de UNESCO-rapporten getrokken kunnen worden als het gaat om de rol van lesmateriaal?
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot de bevindingen en aanbevelingen van UNESCO en de Europese Commissie inzake antisemitisme in het onderwijs?
Welke inzet pleegt Nederland binnen de EU en internationaal om antisemitisme tegen te gaan? Kunt u concreet aangeven welke initiatieven Nederland ondersteunt of bevordert? Met welke EU-lidstaten zou u op dit vlak een aanjagende rol kunnen vervullen zodat het Joodse leven in de EU niet wegsterft, maar haar historische plek kan behouden?
Bent u bereid om naar aanleiding van dit rapport te bezien of aanvullende (internationale of nationale) maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Antisemitisme en politieke indoctrinatie door een docente van het ROC |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een docente van het ROC Nijmegen minderjarige leerlingen in de klas heeft geronseld voor pro-Palestina-demonstraties en hen heeft blootgesteld aan eenzijdige, activistische en antisemitische propaganda?1
Deelt u de mening dat het ronselen van leerlingen voor demonstraties, het verspreiden van boycotapps tegen Israëlische producten wat kan worden gezien als een antisemitische boycot en het tonen van activistische en antisemitische propaganda in een klaslokaal niets met onderwijs te maken heeft en een vorm is van politieke en ideologische indoctrinatie?
Deelt u de mening dat het door een docent in het onderwijs suggereren dat «Joden» of «pro-Joden» genocide zouden steunen en het vals framen van Israël als een «genocidale staat» antisemitisch is en rechtstreeks bijdraagt aan een onveilig en intimiderend klimaat voor Joodse leerlingen op school en bovendien olie op het vuur gooit van Jodenhaat in Nederland?
Hoe beoordeelt u het feit dat deze docente actief is binnen Extinction Rebellion (XR) en «Docenten voor Palestina» en haar antisemitische activisme zichtbaar verweeft met haar onderwijs aan minderjarige studenten, en acht u dit verenigbaar met de vereiste politieke en ideologische neutraliteit van het onderwijs?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om antisemitisme in het onderwijs hard aan te pakken en Joodse leerlingen te beschermen, en bent u bereid landelijk en afdwingbaar vast te leggen dat docenten zich tijdens lestijd strikt neutraal moeten opstellen en het verboden is om leerlingen op te roepen tot politieke acties, demonstraties en boycots, met daaraan verbonden duidelijke sancties bij overtreding?
Spraakherkenningshulpmiddelen en tolken in relatie tot het onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Moes , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is er gebeurd met uw toezegging in antwoord op onze Kamervragen in augustus 20251 waarin u zegt «VWS en OCW gaan samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein en bekijken wat er eventueel nodig is om dat mogelijk te maken.»? Hebben deze gesprekken plaatsgevonden? Welke (aanvullende) behoeften zijn er bij leerlingen en studenten? Hoe gaat u hier samen met genoemde instanties aan werken?
Zijn in deze gesprekken ook slechthorende en dove leerlingen en studenten zelf bevraagd zodat hun ervaringen meegenomen worden? Bent u bereid ervaringsdeskundige leerlingen en studenten ook structureel te betrekken bij uw beleid rondom toegankelijkheid van het onderwijs? Zo ja, op welke manier?
Bent u het met ons eens dat zowel de toegang tot spraakherkenningshulpmiddelen als het meepraten van ervaringsdeskundigen over beleid dat hen aangaat, een verplichting is die voortvloeit uit het VN-Verdrag Handicap, maar ook gewoon in ons aller belang is?
Kunt u toelichten waarom het UWV schrijftolken wél vergoedt voor het volgen van onderwijs, terwijl spraakherkenningshulpmiddelen, die dezelfde functionele behoefte vervullen (namelijk het omzetten van spraak naar tekst) voor werk wél, maar voor onderwijs niet door het UWV worden vergoed? Acht u deze ongelijke behandeling van functioneel gelijkwaardige voorzieningen logisch en uitlegbaar?
Kunt u aanvullend ook uitleggen hoe uw antwoord op de vragen 5 en 6 in onze vorige Kamervragen (waarin u stelt dat mensen die doof en slechthorend zijn toegang moeten hebben tot hulpmiddelen die passen bij hun situatie en u stelt dat de toegang tot onderwijs voor deze groep geborgd moet zijn) zich verhoudt tot de complexe regelgeving waarbij vergoedingen voor hulpmiddelen afhankelijk zijn van de situatie en allemaal op een verschillende manier geregeld worden? Is het niet veel effectiever, gebruiksvriendelijker en uiteindelijk ook goedkoper als dit drastisch wordt versimpeld?
Bent u het met ons eens dat spraak-naar-teksthulpmiddelen op dit moment een belangrijke aanvullende rol vervullen in het onderwijs, met name wanneer er geen tolk beschikbaar is, en dat dit een reden zou moeten zijn om deze middelen te vergoeden voor degenen die dat nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen?
Is de vraag naar schrijf- en gebarentolken in het (hoger) onderwijs bekend? Zo ja, kunt u ons deze overzichten verstrekken? Zo nee, bent u bereid deze vraag structureel te monitoren?
Is bekend of naast de opleiding AD schrijftolk van de Hogeschool Utrecht2 nog meer opleidingen gaan stoppen? Kunt u de ontwikkeling van het aantal opleidingen en studenten in de afgelopen 5 jaar uiteenzetten? Erkent u dat het tekort aan schrijf- en gebarentolken niet wordt veroorzaakt door gebrek aan vraag of werk, maar door lage instroom en het dreigende verdwijnen van de opleiding tot schrijftolk, en dat dit vraagt om gericht opleidings- en instroombeleid? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u bekend met de oproep van Terry Koper op LinkedIn3 die beschrijft hoe hij misschien geen passende masteropleiding kan volgen vanwege de beschikbaarheid van schrijftolken die Engels kunnen tolken? Wat zijn volgens u geschikte oplossingen voor studenten die tegen soortgelijke problemen aanlopen?
Hoe gaat u borgen dat de toegankelijkheid voor dove en slechthorende studenten niet verder onder druk komt te staan, gezien de beperkte beschikbaarheid van Engelstalige schrijftolken? Bent u bereid om samen met het onderwijsveld extra inspanning te verrichten om te zorgen dat er voldoende aanbod is?
Wilt u deze vragen vóór het Wetgevingsoverleg Gehandicaptenbeleid beantwoorden?
Het artikel 'Ouders die schreeuwen of duwen: leraren geconfronteerd met onaanvaardbaar gedrag' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente bericht van RTL Nieuws over grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?1
Wat is uw reactie op de bevinding dat zeker 300 basisscholen de afgelopen vijf jaar te maken hebben gehad met grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?
Is er structureel onderzoek gedaan naar de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders richting docenten? Of wordt hier momenteel onderzoek naar gedaan?
Herkent u het beeld dat het gedrag van ouders zorgt voor minder werkplezier en een toename van de werkdruk voor docenten?
Is u bekend of dit gedrag een van de redenen is dat docenten stoppen met werken in het onderwijs? Zo ja, hoe groot is deze groep docenten die vanwege grensoverschrijdend gedrag van ouders stopt?
Is de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders meer zichtbaar in het primair onderwijs of in het voortgezet onderwijs?
Is bekend of docenten zich voldoende gesteund voelen door schoolbesturen en schoolleiders in situaties van grensoverschrijdend gedrag door ouders? Welke ruimte ziet u om docenten te ondersteunen bij het omgaan met agressief of grensoverschrijdend gedrag van ouders?
Is bekend hoeveel scholen een protocol hebben opgesteld gericht op het omgaan met grensoverschrijdend gedrag van ouders? Hoe beoordeelt u het feit dat scholen protocollen voor de omgang met dit gedrag hebben?
Het bericht ‘Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door»?1
Ja.
Vindt u het redelijk dat tentamens voor studenten gewoon doorgaan wanneer Rijkswaterstaat en de NS adviseren het reizen uit te stellen en het openbaar vervoer in de regio rond instellingen niet rijdt?
Omdat de lokale weeromstandigheden en bereikbaarheid als gevolg hiervan enorm kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van instellingen. Het uitgangspunt is dat het onderwijs zoveel mogelijk wordt gecontinueerd. Dit is ook in het belang van studenten. Daarom zijn de onderwijsinstellingen aan zet om zelf een afgewogen besluit te nemen over de wijze waarop het onderwijs en de tentaminering zijn georganiseerd en daarbij rekening te houden met de lokale omstandigheden.
Welke verplichtingen rusten op instellingen om te voorkomen dat studenten met studievertraging en extra kosten te maken krijgen vanwege dit soort situaties van overmacht?
In het geval dat een instelling besluit een tentamen op te schorten vanwege weersomstandigheden, hebben instellingen de plicht om studenten een ander examenmoment aan te bieden.
In de Onderwijs- en examenregeling wordt onder meer het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens opgenomen alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden. Ook mogelijkheden tot herkansing worden hierin opgenomen. Op deze wijze wordt rekening gehouden met (persoonlijke) omstandigheden die het deelnemen aan een tentamen in de weg staan. Het is hierbij goed om op te merken dat het missen van een tentamen niet per definitie leidt tot studievertraging en extra kosten. Vaak zijn er mogelijkheden om binnen de nominale studieduur te herkansen.
Vindt u het wenselijk dat in dit soort situaties landelijk grote verschillen tussen instellingen ontstaan terwijl de omstandigheden voor alle studenten hetzelfde zijn?
Onderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor een goede organisatie van hun onderwijs. Begin januari hebben de weersomstandigheden ertoe geleid dat onderwijsinstellingen minder goed bereikbaar waren. Hierbij waren er op lokaal niveau grote verschillen. In sommige regio’s gold dat er geen regionaal vervoer meer beschikbaar was; in andere regio’s reed het regionale of lokale vervoer gewoon (al dan niet met een aangepaste dienstregeling). Daarom vind ik het van belang dat onderwijsinstellingen zelf een afgewogen besluit nemen over de organisatie van het onderwijs gebaseerd op de lokale omstandigheden.
Bent u bereid hierover het gesprek aan te gaan met de koepelorganisaties?
Omdat de weersomstandigheden en bereikbaarheid per regio kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van de onderwijsinstelling. Wel zal ik steeds blijven uitdragen dat ik het van belang vind dat het onderwijs zoveel mogelijk doorgang blijft vinden en wanneer de omstandigheden dat niet toe laten dat instellingen – conform hun bestaande verantwoordelijkheid – studenten op de hoogte te stellen van mogelijkheden voor het inhalen van onderwijs of het herkansen van tentamens of examens.
De nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat in de nacht van vrijdag 12 tot zaterdag 13 december vernielingen zijn aangebracht aan drie monumentale panden van de Universiteit van Utrecht, die met rode verf zijn besmeurd?
Ja.
Heeft u kennis genomen van het feit dat extremisten deze actie op instagram hebben opgeëist door «Palestine Action» en daarbij hebben gedreigd dat de universiteit banden met Israëlische universiteiten moet verbreken of de daders nog veel meer schade gaan veroorzaken («or we will be back and double the damage»)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de universiteit Utrecht op deze manier wordt gechanteerd en wat gaat u doen om Nederlandse universiteiten beter te vrijwaren van dergelijke antidemocratische, extremistische en antisemitische agressie?
Het spreekt voor zich dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) en ik iedere vorm van agressie en geweld of dreiging daarmee van de hand wijzen. Instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting als de veiligheid op de campus te waarborgen. Daarnaast hebben zij in hun Richtlijn protesten universiteiten en hogescholen2 aangegeven het recht om te demonstreren te ondersteunen. Ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen.
Er worden verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Ik heb uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practiceste delen. Ook werkt de Taskforce Antisemitismebestrijding momenteel aan gerichte voorstellen om de veiligheid van Joodse studenten te verbeteren. De Taskforce zal dit advies in februari publiceren. Naar aanleiding van dit advies ga ik na of er extra maatregelen nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten te borgen.
Indien sprake is van strafbare feiten zijn de politie en het Openbaar Ministerie (OM) verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging daarvan.
Bent u het eens met de stelling dat universiteiten of andere organisaties onder geen enkele voorwaarde mogen buigen of toegeven aan dergelijke dreigementen?
Het is van groot belang dat instellingen altijd de vrijheid voelen om zelfstandig en weloverwogen de afweging te maken met welke instellingen of organisaties, zowel nationaal als internationaal, zij willen samenwerken of zij de samenwerking willen beëindigen. Dit kan zijn om verschillende redenen en gebaseerd op verschillende criteria, maar altijd in lijn met wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat op sociale media dergelijke dreigementen worden geuit in een poging om de universiteit te chanteren en vindt u dat deze oproepen dienen te worden verwijderd? Graag een toelichting.
Indien er sprake is van bedreiging is dat nooit acceptabel. Als het gaat om strafbare bedreiging (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) kan dat gemeld worden bij het betreffende online platform om deze te laten verwijderen. Online platformen, zoals social media kanalen, dienen zich te houden aan de Digitaledienstenverordening (DSA). Zo verduidelijkt deze verordening in artikel 16, derde lid, dat een melding van illegale inhoud conform de vereisten van dat artikel leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moeten zij onmiddellijk handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan kunnen ze geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud.
Daarnaast kan de officier van justitie op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Dezelfde organisatie, Palestine Action, die nu dreigt met meer vernielingen, heeft eerder vernielingen geclaimd en in het verleden opgeroepen om de terroristen en moordenaars van 7 oktober te eren; welke stappen worden tegen deze organisatie ondernomen?
Zoals de Minister van JenV eerder aan uw Kamer communiceerde naar aanleiding van schriftelijke vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP)4, biedt het demonstratierecht onder geen beding een vrijbrief voor personen en organisaties om de wet te overtreden; vernielen is nooit een acceptabele vorm van je mening uiten. Demonstreren moet gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het gebruik van geweld en het opruien daartoe is strafbaar. Dit geldt ook voor acties waarbij vernieling plaatsvindt.
Het waar mogelijk faciliteren van demonstraties en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen, is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan de Minister van JenV of aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Daarnaast is het aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Bent u het eens met de stelling dat het dringend noodzakelijk is om alles op alles te zetten om een einde te maken aan de vernielingen, intimidatie en chantage van pro-Palestijnse extremisten, en dus om het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten van politie en justitie om de daders op te sporen, te vervolgen en zwaar te bestraffen? Graag een toelichting.
Binnen onze democratische rechtsstaat is het een groot goed dat eenieder de vrijheid heeft en voelt om zijn mening te laten horen, ook door middel van een demonstratie of protest. Dit grondrecht is echter niet onbegrensd. Waar strafbare feiten worden gepleegd, vormt het strafrecht een duidelijke grens. Het plegen van misdrijven, zoals bedreiging, geweld en openlijke geweldpleging heeft niks te maken met het recht om te demonstreren en hiervoor vindt in beginsel strafvervolging plaats. Opsporing en vervolging van dit soort misdrijven vindt plaats onder het gezag van het OM. Het is aan de opsporingsdiensten hoe in concrete gevallen middelen en capaciteit worden ingezet – daar hebben zowel de Minister van JenV als ik zich niet in te mengen. Aangerichte schade wordt zo mogelijk verhaald op de dader(s); hierover heeft de Minister van JenV eerder richting uw Kamer gecommuniceerd.5
Bent u het eens met de stelling dat vervolging van de daders een zeer hoge prioriteit verdient en op welke manier wordt deze prioriteit opgepakt door de bevoegde instanties? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 7.
Eerder werd het Paleis op de Dam eveneens door tuig met rode verf besmeurd, en op dat gebouw staan meerdere camera’s gericht; zijn deze beelden uitgelezen? Hoe loopt het onderzoek naar de daders? Hoe loopt het onderzoek naar de bekladding met rode verf van het Koninklijk Instituut voor de Tropen?
Naar beide incidenten is onderzoek gedaan. Uit die onderzoeken zijn geen mogelijke verdachten naar voren gekomen. Om die reden zijn de onderzoeken beëindigd.
Bent u het eens met de stelling dat inmiddels een patroon is ontstaan van bekladding en vernieling door pro-Palestina extremisten van monumentale panden? Kunt u een overzicht geven van dergelijke vernielingen en bekladdingen door pro-Palestijnse activisten sinds 7 oktober 2023, met een schatting van de schade?
Een dergelijk overzicht is niet te genereren. De registratie door politie en OM van enkel strafbare feiten, maakt het niet mogelijk deze te koppelen aan specifieke acties en/of organisaties.
Hoeveel pro-Palestijnse activisten zijn opgenomen in een persoonsgerichte anti-radicaliseringsaanpak?
In de lokale persoonsgerichte aanpak tegen radicalisering worden personen besproken die een (potentieel) gevaar vormen voor de (nationale) veiligheid, doordat zij vanuit hun ideologische overtuigingen (indirect) geweld legitimeren of de bereidheid hebben om activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen. Activisme valt niet onder de reikwijdte van de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Het besluit over het al dan niet opnemen van een persoon in de persoonsgerichte aanpak radicalisering ligt bij de lokale weegploeg. Deze bestaat uit de betreffende gemeente, politie en het OM. In artikel 5, derde lid, van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten is opgenomen, dat de weging plaatsvindt aan de hand van objectieve criteria, die luiden: de mate waarin betrokkene bereid is geweld toe te passen of te propageren, de mate waarin betrokkene vasthoudt aan extremistische denkbeelden, zijn/haar sociale relaties, de mate van identificatie met een extremistische groep of ideologie en zijn/haar zelfredzaamheid. Aangezien de weging lokaal wordt uitgevoerd, zijn de ideologische motieven van personen die zijn opgenomen in de aanpak enkel op lokaal niveau bekend.
Bent u van mening dat het zaak is om universiteiten extra ondersteuning te bieden om hun gebouwen te beveiligen zolang extremistische clubs dreigen met vernieling en deze ook ten uitvoer brengen? Welke stappen zet u om hier een einde aan te maken?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid op hun instelling. Zij spannen zich dagelijks in om een gedegen invulling te geven aan deze verantwoordelijkheid. Om instellingen te ondersteunen in de belangrijke verantwoordelijkheid die zij hebben, ga ik met de instellingen aan de slag met de evaluatie van het subsidieprogramma «Integrale Veiligheid» 2016–2023. Het onderzoek besteedt enerzijds aandacht aan de wijze waarop instellingen hun veiligheidsbeleid hebben ingericht. Anderzijds richt dit onderzoek zich nadrukkelijk op de coördinatie van het veiligheidsbeleid in de sector en de rol van uniformering en samenwerking bij het versterken van de veiligheid op de instellingen. Dit onderzoek zal inventariseren welke ervaringen, lessen en opbrengsten dit programma in de instellingen heeft opgeleverd die in de toekomst benut kunnen worden. Momenteel ben ik in gesprek met de instellingen over de opzet en aanpak van dit onderzoek. Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomsten en uw Kamer mijn reactie daarop geven.
Ik hecht er aan om, zoals ook vermeld in mijn Kamerbrief d.d. 18 december6, ook hier te benadrukken dat ik het belangrijk vind dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid, waar mogelijk, lokaal wordt genomen. Instellingen werken nauw samen met de politie en lokale driehoek. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Hierover kan ik uw Kamer melden dat de hogeronderwijsinstellingen op initiatief van Universiteiten van Nederland (UNL) met de politie momenteel procesafspraken maken over hun onderlinge samenwerking. Deze afspraken zijn onderdeel van de inspanningen die instellingen en politie verrichten om de demonstraties op campussen in goede banen te leiden en om ongeregeldheden te voorkomen.
Nederlandse rol in Europese onderhandelingen over Nieuwe Genomische Technieken (NGT) en uitvoering van motie Kostic en motie Akerboom |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente artikel van IFOAM Organics Europe van 4 december 2025, waarin wordt gesteld dat het voorlopige politiek akkoord over de Europese regelgeving voor Nieuwe Genomische Technieken (NGT’s) «een groot risico vormt voor Europese voedselsoevereiniteit» en dat het akkoord belangrijke waarborgen voor patenten, traceerbaarheid en etikettering heeft uitgehold, waardoor boeren, veredelaars, consumenten en milieu onvoldoende worden beschermd?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel van IFOAM.
Bent u bekend met de Argos uitzending waaruit op basis van interne documenten is gebleken dat de Nederlandse regering zich niet heeft ingezet voor keuzevrijheid, transparantie, bescherming van kleine zaadveredelaars en het inperken van de macht van gentech-bedrijven en monopolisering?2
Ja, ik ben bekend met de uitzending van Argos over het NGT-voorstel.
Bent u bekend met het artikel uit De Groene van 9 september jongstleden waaruit blijkt dat de nieuwe Europese regelgeving «grote zaadconcerns nog meer macht zal geven en kleine veredelaars in de problemen zal brengen» en dat Nederlandse ministeries «een sleutelrol bij de lobby voor de versoepeling van gentech-regels» speelden?3
Ja, ik ben bekend met dit artikel uit de Groene.
Hoe heeft u de laatste voorstellen voor de nieuwe regelgeving onafhankelijk wetenschappelijk laten toetsen aan de eis van de Kamer uit 2023 middels de motie-Akerboom (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1590) om a) keuzevrijheid van eindconsumenten te garanderen, b) de biologische sector gentechvrij te houden en c) de macht van gentech-bedrijven en monopolisering tegen te gaan? Kunt u wetenschappelijke bronnen en bijbehorende conclusies meesturen?
Het huidige voorstel voldoet aan de toezeggingen die gedaan zijn aan de kamer. De motie Akerboom waar u naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Kamerfractie van de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat4. Wat het kabinet betreft moet keuzevrijheid worden geborgd door middel van transparante en objectieve informatievoorziening richting de consument. Echter, hoeft dit niet persé door een fysiek etiket op het levensmiddel. Ook voor (producten van) planten uit conventionele veredeling is er geen etiketteringsplicht, daarom zou verplichte etikettering van (producten van) categorie 1 NGT-planten die vergelijkbaar zijn aan (producten van) planten uit conventionele veredeling niet proportioneel zijn. Daarnaast zou het problematisch zijn voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het kabinet heeft zich tijdens het raadstraject volgens het BNC-fiche5 ingezet voor een duidelijke en bruikbare openbare EU-database die voldoende transparant is voor consumenten en gebruikers. Daarnaast heeft het kabinet in het BNC-fiche aangegeven de wens van de biologische sector te respecteren om vrij van NGT producten te blijven, het kabinet heeft recent een eerste verkenning laten uitvoeren naar mogelijke vermengingsroutes van NGT gewassen en biologische gewassen waaruit blijkt dat de scheiding tussen gangbaar en biologisch in veruit de meeste gevallen afdoende is om vermenging te voorkomen6. Ook heeft het kabinet in het BNC-fiche aangegeven dat het NGT voorstel een goede manier is om deze technieken toegankelijk te maken voor een brede groep veredelaars, juist ook voor het MKB.
Kunt u heel precies beschrijven op welke manier Nederland zich tijdens het hele proces voor de volgende onderdelen heeft ingezet in Europa, a) keuzevrijheid voor consumenten garanderen (inclusief consumentenlabeling), b) biologische sector gentechvrij houden, c) macht van gentech-bedrijven en monopolisering tegengaan en wat het resultaat daarvan is, en kunt u daar schriftelijke bewijsstukken van meesturen?
Ik heb mij tijdens het Raadsproces niet ingezet voor fysieke etikettering voor eindconsumenten, in het BNC-fiche is aangegeven dat het kabinet het voorstel van de Commissie voor een online openbare database voor categorie 1 NGT-planten steunt. Het kabinet heeft zich tijdens het raadstraject ingezet voor een duidelijke en bruikbare openbare EU-database die voldoende transparant is voor consumenten en gebruikers. Daarnaast is in het BNC-fiche aangegeven dat het kabinet de biologische sector vrij van NGTs wil houden. Het kabinet heeft respect voor de wens van de biologische sector om geen gebruik te maken van NGTs. Voor het kabinet is het van belang dat het landbouw- en voedselsysteem werkbaar moet blijven voor zowel de biologische sector als voor sectoren die wel gebruik willen maken van NGT-planten. Een professionele en particuliere gebruiker zou vrij moeten zijn om wel of niet te kiezen voor NGT-planten. Het kabinet is daarom tevreden met de genoemde maatregelen, zoals het etiketteren van uitgangsmateriaal, om voor in de keten de keuzevrijheid van de gebruiker, waaronder ook de biologische gebruiker, te garanderen. Met betrekking tot octrooien heb ik mij in de Raad ingezet conform de Kamerbrief over de uitvoering van de motie van de leden Hertzberger en Meulenkamp en de motie van het lid De Groot7 en mijn kamerbrief met de beantwoording van de vragen van de Eerste Kamerfractie van de PvdD over het Raadsmandaat8. Ik heb mij in de Raad ingezet om meer transparantie te bieden in het octrooilandschap van de plantenveredeling en om te voorkomen dat octrooirechten een blokkade vormen voor toegang tot genetische eigenschappen voor veredelaars. De technische onderhandelingen in de Raad en in de trilogen zijn vertrouwelijk, hier kan ik geen stukken over delen. Het resultaat is de compromistekst die nu voorligt. Dit compromis strookt met de inzet van het Nederlandse kabinet.
Kunt u een lijst geven van bedrijven (of hun belangenbehartigers) die u tijdens het hele traject van onderhandelingen over NGT’s heeft gesproken en een volledige opsomming geven van de input die u daaruit heeft overgenomen?
Op 14 oktober 2022 is een open stakeholder consultatie gehouden voor iedereen die geïnteresseerd was in de inzet van het kabinet op het door de Commissie aangekondigde NGT-voorstel. Hier waren vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, onderzoeksinstellingen, vertegenwoordigers van de biologische sector en milieuorganisaties bij aanwezig. Op 7 juli 2023 heb ik een stakeholderbijeenkomst georganiseerd ten behoeve van het BNC fiche, hierbij was de biologische sector vertegenwoordigd. Daarnaast sta ik altijd open om met iedereen in gesprek te gaan over het NGT dossier. Op deze wijze is gesproken met vertegenwoordigers van de biologische sector, en met vertegenwoordigers van de veredelingssector en biotechnologiesector. Het kabinet heeft van geen enkele partij input overgenomen, wel heeft het kabinet alle belangen meegewogen bij de appreciatie van het NGT-voorstel in het BNC-fiche.
Kunt u een lijst geven van maatschappelijke organisaties, biologische sector en consumentenorganisaties die u tijdens het hele traject van onderhandelingen over NGT’s heeft gesproken? Waarom heeft u fundamentele punten van hun zienswijzen niet overgenomen in het BCN fiche, maar wel vooral die van de biotechindustrie?
Het kabinet heeft gesproken met IUCN-NL, Natuur en Milieu, Natuur- en Milieufederatie Noord-Holland, Bionext, de Biowinkel vereniging, Biohuis en Demeter, Corporate Observatory Europe, NAJK, en MVO. Het kabinet heeft van geen enkele partij zienswijzen overgenomen, wel heeft het kabinet alle belangen meegewogen bij de appreciatie van het NGT-voorstel in het BNC-fiche.
Gezien de zorgen van burgers over de nieuwe wet, bent u bereid eerst te waarborgen dat het onmogelijk wordt dat bedrijven straks patenten kunnen vastleggen op planten die bewerkt zijn met nieuwe gentechnieken en op bepaalde essentiële eigenschappen van planten? Zo nee, waarom negeert u de wensen van burgers?4
Zoals beschreven in de brief over de uitvoering van de motie van de leden Hertzberger en Meulenkamp en de motie van het lid De Groot en mijn kamerbrief met de beantwoording van de vragen van de Eerste Kamerfractie van de PvdD over het Raadsmandaat, zijn de voorwaarden waar een octrooi op kan worden verkregen (en waarop niet) vastgelegd in het Europees Octrooi Verdrag (EOV). Het is niet mogelijk om de octrooieerbaarheid van planten of planteigenschappen via een EU-verordening te wijzigen, daarvoor is aanpassing van het EOV noodzakelijk. Het EOV is een internationaal verdrag dat alleen met instemming van alle 39 deelnemende landen kan worden gewijzigd. Dat wil niet zeggen dat het kabinet de zorgen van burgers over octrooien in de plantenveredeling niet serieus neemt. Ik heb mij in de Raad ingezet voor maatregelen die transparantie in het octrooilandschap binnen de veredeling vergroten voor veredelaars. Voor zover de regering met deze vraag wordt verzocht om octrooirechten op plantaardig materiaal te beperken, merk ik nogmaals op dat Europees Octrooibureau (EOB) sinds 1 juli 2017 al geen octrooien meer verleend voor planten of dieren die uitsluitend via een wezenlijk biologische werkwijze zijn verkregen. Bovendien geldt dat als een technisch kenmerk ook via traditionele veredeling kan worden verkregen, het octrooi enkel geldt voor de plant die via het beschermde technische proces is verkregen. Het EOB vereist hiervoor een disclaimer om de bescherming te beperken tot het technisch geproduceerde product en ziet hier streng op toe10.
Bent u bekend met het onderzoek uit Environmental Sciences Europe waarin wordt geconcludeerd dat het Europese voorstel ertoe leidt dat veel gewassen die genetisch bewerkt zijn niet langer hoeven te worden onderzocht op risico’s voordat ze geteeld en mogen worden verkocht, wat ingaat tegen het voorzorgsprincipe en gevaren met zich meebrengt?5
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Met het NGT-voorstel heeft de Europese Commissie twee categorieën van NGT-planten voorgesteld: categorie 1- NGT (NGT-1) en categorie 2- NGT (NGT-2). NGT-1 planten kunnen ook met conventionele veredeling of in de natuur tot stand komen, daarom is het risicoprofiel vergelijkbaar met dat van conventioneel veredelde planten. Het kabinet steunt de inzet dat NGT-1 planten daarom op dezelfde manier behandeld worden als conventioneel veredelde planten. Om de NGT-1 status te verkrijgen worden een NGT-plant door de bevoegde autoriteit beoordeeld op de equivalentie met conventioneel veredelde planten, daarmee wordt voldaan aan het voorzorgprincipe.
Waarom is er niet geluisterd naar zulke onafhankelijke onderzoeken en waarom is toegelaten dat de grens tussen NGT1 en NGT2 gewassen willekeurig en zonder een wetenschappelijke basis is gekozen? Bent u bereid om alsnog eerst zulke onderzoeken mee te nemen voordat u definitief besluit? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven in de beantwoording van de Eerste Kamervragen van de PvdD fractie en SP fractie over het Raadsmandaat12 zijn de equivalentiecriteria gebaseerd op wetenschappelijke literatuuranalyses van de Europese Commissie ondersteund door de wetenschappelijke opinie van de EFSA en wetenschappelijk werk van het Joint Research Centre. Daarnaast heeft de Nederlandse Commissie Genetische Modificatie (COGEM) in haar adviezen13 aangegeven dat planten verkregen met behulp van NGT-1 (cisgenese en mutagenese) qua veiligheid vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde gewassen.
Bent u bereid om alsnog eerst te waarborgen dat op het voedseletiket wordt vermeld of in een product ingrediënten zitten die met nieuwe gentechnologie bewerkt zijn? Zo nee, waarom negeert u de wens van de Kamer en burgers om transparantie naar consumenten toe te waarborgen?
In het BNC-fiche staat het standpunt van het kabinet beschreven. De inzet van het kabinet is gericht op het kunnen maken van onderscheid tussen planten die wel, en planten die niet vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde planten. Het uitgangspunt is dat categorie 1 NGT planten vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde planten, met dezelfde risico’s voor mens en milieu. Daarom acht kabinet het proportioneel om deze planten ook zoveel mogelijk op dezelfde manier te behandelen. Categorie 2 NGT producten blijven wel onder de etiketteringsregels voor GGO’s vallen. Dit standpunt gaat niet in tegen een wens van de Kamer. De motie Akerboom waar u in vraag 4 naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat. Dat is na te lezen in de handelingen van de Kamer.
Welke waarborgen zijn er dat biologische boeren en andere producenten die gentechvrij willen werken niet zelf verantwoordelijk worden gemaakt om vermenging te vermijden, maar bedrijven die gentech gebruiken?
Voor mijn antwoord verwijs ik u naar mijn beantwoording van de vragen van de fracties van de BBB, de Christen Unie, de PvdD en Groenlinks-PvdA over het BNC-fiche14. Hierin zijn de mogelijkheden om biologische ketens vrij te houden van NGT producten geschetst zoals deze in het NGT-voorstel zijn opgenomen. Er zal zorgvuldig worden gekeken of en zo ja welke aanvullende nationale maatregelen noodzakelijk en effectief zijn om producenten te ondersteunen om vermenging van NGT producten en NGT-vrije producten te vermijden. Vanwege de noodzaak om EU-verordeningen tijdig te implementeren en gelet op de terughoudendheid ten aanzien van nationale koppen heeft tijdige implementatie van de NGT-verordening prioriteit.
Aangezien studies concluderen dat de nieuwe regelgeving tot extra last en kosten voor de biologische sector kan leiden en dit niet rechtvaardig is, hoe gaat u dat precies uitsluiten?
Ik herken deze zorg van de biologische sector, maar het is mij niet duidelijk naar welke studies wordt verwezen. Het kabinet heeft een eerste verkenning laten uitvoeren naar mogelijke vermengingsroutes van NGT gewassen en biologische gewassen waaruit blijkt dat de scheiding tussen gangbaar en biologisch in veruit de meeste gevallen afdoende is om vermenging te voorkomen. Er zal zorgvuldig worden gekeken of en zo ja welke aanvullende nationale maatregelen noodzakelijk en effectief zijn om producenten te ondersteunen om vermenging van NGT producten en NGT-vrije producten te vermijden. Vanwege de noodzaak om EU-verordeningen tijdig te implementeren en gelet op de terughoudendheid ten aanzien van nationale koppen heeft tijdige implementatie van de NGT-verordening prioriteit.
Aangezien het Europese voorstel duidelijk ten nadele is van de pionier-veredelaars van de duurzame landbouw en keuzevrijheid voor de eindconsument en het tegengaan van de macht van gentech-bedrijven en monopolisering niet is gegarandeerd, bent u bereid om in lijn met de motie-Akerboom nog geen steun te verlenen aan definitieve vaststelling van NGT-wetgeving, totdat er duidelijke en bindende garanties zijn voor etikettering voor de eindconsument, traceerbaarheid en juridisch solide bescherming tegen ongewenste patentering? Zo nee, waarom niet?
Het huidige voorstel voldoet aan de toezeggingen die gedaan zijn aan de kamer. De motie Akerboom waar u naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat. Dat is na te lezen in de handelingen van de Kamer.
Weet u nog dat de Kamer in maart 2024 de motie-Kostić (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 89) heeft aangenomen waarin de regering wordt verzocht niet in te stemmen met het Europese Commissievoorstel voor NGT's voordat een volledig en onafhankelijk onderzoek naar de impact ervan – onder meer op kleine veredelaars, boeren en consumenten – is afgerond en meegewogen in beleid?
Ja ik ken deze motie en het kabinet heeft de uitvoering van deze motie schriftelijk met de kamer gedeeld15.
Aangezien het onderzoek dat in de motie-Kostić wordt gevraagd niet is uitgevoerd en meegewogen, bent u bereid om bij de aanstaande COREPER-vergadering in lijn met de motie-Kostić nog geen steun te verlenen aan definitieve vaststelling van NGT-wetgeving of zich te onthouden van stemmen, totdat het onderzoek is afgerond en meegewogen? Zo nee, waarom voert u deze belangrijke randvoorwaarde van de Kamer niet uit?
De uitvoering van de motie Kostić is schriftelijk met de kamer gedeeld. Voorafgaand aan de presentatie van het NGT-voorstel is door de Europese Commissie een uitgebreide impactanalyse16 uitgevoerd, waarbij ook de impact op boeren en veredelaars is onderzocht. De conclusie uit de impactanalyse is dat het Commissievoorstel een positief effect zal hebben op boeren en veredelaars.
Bent u op zijn minst bereid om iets meer tijd te nemen in de definitieve besluitvorming, zodat betrokkenen eerst het uiteindelijke compromis tussen Raad en het Europees Parlement goed kunnen bestuderen en zodat er tijd is om zienswijzen van Nederlandse stakeholders (zoals biologische boeren, veredelaars en consumenten) op het compromis goed mee te nemen in het definitieve oordeel van het kabinet? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om eerst met de biologische sector, kleine veredelaars en consumentenvertegenwoordigers in gesprek te gaan over de laatste versie van het Europese voorstel? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de compromistekst bestudeerd en gewogen aan de hand van het BNC-fiche, mijn gecommuniceerde inzet in Kamerbrieven, en de beantwoording van moties over het NGT-voorstel. Naar mijn oordeel ligt er een goed compromis voor dat strookt met de inzet van het kabinet. Ik zie het gebruik van NGTs in de plantenveredeling als een belangrijk gereedschap dat ik de plantaardige sector wil bieden om uitdagingen omtrent ziekten en plagen het hoofd te kunnen bieden. Daarom zie ik geen reden om meer tijd te nemen in de definitieve besluitvorming en aanvullend in gesprek te gaan met stakeholders.
Kunt u de vragen één voor één met spoed beantwoorden, in ieder geval vóór de aanstaande COREPER-vergadering?
Ik heb uw vragen één voor één en met spoed beantwoord. Ik heb mijn uiterste best gedaan om de beantwoording van deze vragen voor de COREPER-vergadering van 19 december 2025 naar de Tweede Kamer te sturen.
Het artikel 'Gemeente zet stappen tegen moslimdiscriminatie met nieuw actieplan: ‘Genoeg is genoeg’' |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «gemeente zet stappen tegen moslimdiscriminatie met nieuw actieplan: «Genoeg is genoeg»»?1
Ja, dat ben ik.
Deelt u de zorg dat lespakketten over «islamitisch erfgoed» en georganiseerde moskeebezoeken het seculiere karakter van het onderwijs onaanvaardbaar aantasten door deze kwaadaardige ideologie actief de klas binnen te halen en kinderen hieraan bloot te stellen?
Die zorg deel ik niet. Ten eerste is het in het licht van de grondwettelijke onderwijsvrijheid die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet een misverstand dat het onderwijs per definitie «een seculier karakter» heeft. Er zijn in Nederland immers scholen van allerlei religieuze signaturen. Alleen openbare scholen behoren neutraal te zijn (artikel 23, derde lid, van de Grondwet). Dit neutraliteitsvereiste betekent echter niet dat openbare scholen geen aandacht zouden mogen besteden aan religies of levensbeschouwingen. Integendeel: de wettelijke burgerschapsopdracht vereist dat scholen competenties aan hun leerlingen proberen bij te brengen die nodig zijn deel om te nemen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.2 Het bezoeken van gebedshuizen kan in dat kader onderdeel zijn van het onderwijsprogramma, maar het is aan de (openbare) school daar zelf keuzes in te maken. Het onderwijsprogramma van een openbare school mag echter nooit zo zijn ingericht, dat een bepaalde religie of levensbeschouwing wordt «voorgetrokken» ten opzichte van andere; dan zou het immers niet meer neutraal zijn.3 Ik heb geen signalen dat daarvan in dit geval sprake zou zijn.
Kunt u onderzoeken wie deze gevaarlijke lespakketten ontwikkelt en financiert, inclusief mogelijke buitenlandse partijen?
Het betreffende lespakket is aangekondigd in een actieplan van de gemeente Den Haag. Ik vertrouw erop dat de gemeente deze plannen zorgvuldig en op basis van de behoefte van scholen verder uitwerkt.
Wanneer er zorgen zijn over mogelijke ongewenste buitenlandse inmenging, kunnen burgers via verschillende wegen signalen bij de Rijksoverheid onder de aandacht brengen en meldingen doen. Voor een uitgebreidere update over de stand van zaken rond een centraal meldpunt ongewenste buitenlandse inmenging verwijs ik u naar de brief van Minister van Oosten van Justitie en Veiligheid van 12 december jl.4
Bent u bereid dit onzinnige actieplan te verbieden en de islamisering van het onderwijs te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Artikel 23 van de Grondwet beschermt het recht op onderwijsvrijheid en – meer specifiek – de vrije keuze der leermiddelen.5 Dit recht komt alle scholen die zijn gebaseerd op een denominatieve grondslag gelijkelijk toe.6
Bent u tevens bereid alle islamitische scholen te sluiten en kinderen te laten genieten van onderwijs gebaseerd is op vrijheid en gevrijwaard is van de islamitische ideologie van intolerantie, haat en geweld? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat ben ik niet. Zie antwoord 4.
Antisemitische bezetting universiteitsgebouw Utrecht legt onderwijs voor 350 studenten plat |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de antisemitische actiegroep Utrecht Encampment inmiddels een week lang een universiteitsgebouw aan de Drift in Utrecht bezet houdt, waardoor het onderwijs voor meer dan 350 studenten volledig is geschrapt?1, 2
Ik ben bekend met het feit dat de bezetting van het universiteitsgebouw aan de Drift in Utrecht door de actiegroep Utrecht Encampment er toe heeft geleid dat er onderwijs geen doorgang heeft kunnen vinden. Vanwege het belang voor de studenten heeft de Universiteit Utrecht zich ten volle ingezet om onderwijs zo goed mogelijk doorgang te laten vinden.3 Gedurende de bezetting heeft de universiteit in totaal 529 onderwijsactiviteiten verzet naar een andere locatie of omgezet naar online-onderwijs. In totaal hebben er tien onderwijsactiviteiten geen doorgang hebben kunnen vinden. De tien geannuleerde onderwijsactiviteiten troffen in totaal 470 studenten.
Deelt u de opvatting dat de studie van gewone studenten altijd voor moet gaan op de acties van drammende en antisemitische bezetters, en vindt u daarom dat het universiteitsbestuur, in overleg met de lokale driehoek, direct had moeten ingrijpen bij deze bezetting, gelet op de enorme onderwijsverstoring?
De instellingsbesturen hebben de belangrijke taak om onderwijs en onderzoek doorgang te laten vinden en de veiligheid op de campus te waarborgen. Ik zie dat zij zich hier iedere dag opnieuw voor inzetten. Zo ook de Universiteit Utrecht tijdens deze bezetting, zoals u kunt lezen in mijn antwoord op vraag 1. Ik vind het belangrijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de campussen zoveel mogelijk wordt genomen daar waar deze ligt, in dit geval is dat lokaal. Instellingen werken nauw samen de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Als Minister van OCW heb ik geen bemoeienis met de inzet van de politie en het moment van ingrijpen door hen bij deze bezetting.
Bent u bereid om direct contact op te nemen met het universiteitsbestuur met het verzoek om de bezetting per direct te beëindigen, zodat het onderwijs en de veiligheid op de campus kunnen worden hersteld?
De bezetting is op 14 december jl. beëindigd.
Deelt u de mening dat zodra bezetters de regels en verantwoordelijkheden voor demonstraties van de universiteit overschrijden, er zonder uitstel moet worden ingegrepen om orde en veiligheid te herstellen? Zo ja, bent u bereid deze boodschap actief uit te dragen richting de colleges van bestuur van alle universiteiten?
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 aangegeven ligt het besluit tot ingrijpen lokaal. Daarop aanvullend wil ik u melden dat ik in mijn brief aan uw Kamer d.d. 18 december jl. ben ingegaan op een vergelijkbare vraag. Daar geef ik aan dat instellingen altijd aangifte doen van strafbare feiten wanneer die plaatsvinden tijdens protesten op hun terreinen, zoals bedreiging, vernieling of openlijke geweldpleging, en zij studenten en medewerkers bijstaan die aangifte willen doen. Zoals mijn ambtsvoorganger in een andere Kamerbrief4 d.d. 19 mei jl. reeds heeft aangegeven, wordt bij vernielingen zo mogelijk de schade verhaald op de dader(s). Tot slot hecht ik er waarde aan te benadrukken dat ik regelmatig in gesprek ben met instellingen. In deze gesprekken is o.a. aandacht voor het belang van ruimte voor demonstraties op de onderwijsinstellingen, waarbij het ook van groot belang is dat deze altijd binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling plaatsvinden.
Kunt u aangeven waarom universiteitsbesturen structureel zo zwak optreden tegen antisemitische bezettingen en protesten op hun campussen? En kunt u uiteenzetten welke concrete maatregelen dit kabinet gaat nemen om het telkens terugkerende antisemitisme op Nederlandse universiteiten eindelijk te elimineren?3, 4, 5, 6, 7, 8
Ik wil benadrukken dat ik zie en weet dat de instellingbesturen zich inzetten om een goede invulling te geven aan hun verantwoordelijkheid voor een sociaal veilige leer- en werkomgeving. Dat doen zij samen met de lokale veiligheidsdriehoek. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is het van belang dat die verantwoordelijkheid lokaal wordt ingevuld.
Voorts werk ik samen met universiteiten en hogescholen via verschillende acties aan het bestrijden van antisemitisme. Ik heb u hier onlangs uitgebreid over geïnformeerd per brief d.d. 18 december jl.11 In februari 2026 presenteert de Taskforce Antisemitismebestrijding aanbevelingen voor het verbeteren van de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers. Naar aanleiding van deze aanbevelingen zal ik nagaan welke vervolgacties er nodig zijn en uw Kamer hierover informeren. Ook werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Op de langere termijn werk ik aan een wettelijke zorgplicht veiligheid, die eveneens voorziet in versterking van het toezicht op het veiligheidsbeleid van instellingen.
Onderzoek naar nieuwe behandeloptie voor long-COVID |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met een recente studie waarin een nieuwe behandelstrategie voor long-COVID is onderzocht en waarin aanzienlijke verbeteringen bij deelnemers werden gerapporteerd?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u deze studie? En hoe beoordeelt u de veelbelovende resultaten die de studie laat zien?
Het is niet aan mij om (resultaten van) studies inhoudelijk te beoordelen, dat is aan de instanties die daarvoor bevoegd zijn. Omdat dit een apotheekbereiding betreft, zijn de zorgverzekeraars aan zet om te beoordelen of dit geneesmiddel vergoed kan worden.
Deelt u de opvatting dat long-COVID een groot maatschappelijk en economisch probleem is, onder meer door arbeidsverzuim, uitval en stijgende zorgkosten, en dat elk onderzoek naar mogelijke behandelopties daarom maatschappelijk relevant is?
Onderzoek naar behandeling van post-covid vind ik relevant. Er is nog veel onbekend over de aandoening. Langzaam leren we meer, bijvoorbeeld over het voorkomen van PEM (post-exertionele malaise) en POTS (posturaal orthostatisch tachycardie syndroom).
Ik vind het belangrijk dat patiënten met post-covid en andere PAIS (post-acuut infectieus syndroom) erkend en herkend worden in de zorg en in het welzijnsdomein. Voldoende kennis opdoen en delen is daarvoor van belang. Wat betreft post-covid financieren we daarom vanuit het Ministerie van VWS via ZonMw biomedisch en klinisch onderzoek naar post-covid en subsidiëren we de kennisinfrastructuur rondom onderzoek en zorg (Post-Covid Netwerk Nederland). Verder subsidiëren we nazorgorganisatie stichting C-support en ondersteunen we expertisecentra voor post-covid. Langdurige financiering is aan het nieuwe Kabinet.
Hoe beoordeelt u, in het licht van de maatschappelijke relevantie en de betrokkenheid van academische centra als Amsterdam UMC, het feit dat deze studie grotendeels met eigen middelen van een zelfstandige kliniek is uitgevoerd, zonder publieke of externe steun?
Ik waardeer het zeer dat onderzoekers zich inzetten voor het ontwikkelen en onderzoeken van nieuwe therapieën voor post-covid. Ik heb daarom ook budget beschikbaar gesteld voor een subsidieprogramma via ZonMw en deze onderzoekers daar eerder ook op gewezen.
Hoe beoordeelt u het feit dat zorgverzekeraars tot op heden geen gehoor geven aan verzoeken tot vergoeding van deze behandeling, ondanks de positieve signalen uit het onderzoek?
Ik heb begrepen dat de zorgverzekeraars de vergoedingsaanvraag inmiddels in behandeling hebben.2 Het gaat hier om een niet-geregistreerd middel, namelijk een apotheekbereiding. Het is daarom aan de zorgverzekeraars om een vergoedingsaanvraag te beoordelen. Zij beoordelen dan gezamenlijk of sprake is van zogenoemde rationele farmacotherapie. Rationele farmacotherapie is een behandeling met een geneesmiddel in een voor de patiënt geschikte vorm, waarvan de werkzaamheid en effectiviteit door wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld en die ook het meest economisch is voor de zorgverzekering. Dit is een voorwaarde om in het basispakket opgenomen te kunnen worden.
Deelt u de mening dat onderzoek met een grotere patiëntengroep wenselijk is? En zo ja, kunt u toezeggen om onderzoeksfinanciering beschikbaar te stellen voor vervolgonderzoek naar deze en andere kansrijke behandelstrategieën voor long-COVID?
Ik kan geen uitspraak doen over de benodigde data, dat is aan de partijen die daarover gaan.
Bent u bereid een tijdelijke voorziening te treffen waarmee long-COVID-patiënten met een dringende hulpvraag toegang krijgen tot deze nieuwe behandelstrategie?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Ik heb uiteraard begrip voor de uitzichtloosheid en daarmee wanhoop van patiënten met een aandoening, zoals post-covid, waarvoor (nog) geen (effectieve) behandeling bestaat en ik kan de hoop die een (observationele) studie met positieve resultaten teweegbrengt dan ook goed volgen. Ook begrijp ik de wens om zo snel mogelijk toegang te krijgen goed.
Tegelijkertijd hecht ik er sterk aan dat de procedures voor toelating en vergoeding altijd, en dus ook in dit geval, zorgvuldig worden doorlopen. Deze procedures zijn er niet voor niets en bewaken dat alle patiënten in Nederland, nu én in de toekomst, kunnen beschikken over toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare (geneesmiddelen-)zorg. Overigens wil ik benadrukken dat iedereen die betrokken is bij het beoordelingsproces oog heeft voor het belang van de patiënt en niemand onnodig voor vertraagde toegang wil zorgen. Elke patiënt, met welke aandoening dan ook, moet erop kunnen rekenen dat nieuwe geneesmiddelen volgens vaste procedures, en volgens vaste criteria, beoordeeld worden, door onafhankelijke experts, en met inspraakmogelijkheden voor belanghebbenden.
Wilt u toezeggen de Kamer te informeren over de bereidheid tot financiering en de beleidsmatige inbedding van eventuele vervolgstudies?
Zoals in het antwoord op vraag 3 aangeven is een besluit over langdurige financiering aan het nieuwe Kabinet. Daarnaast wil ik de uitkomsten van lopende onderzoekstrajecten afwachten, voordat ik u kan informeren over eventuele vervolgstudies. Uiteraard ben ik bereid uw Kamer over deze uitkomsten informeren.
Bent u bekend met de berichten «Meisjes krijgen lagere schooladviezen dan jongens terwijl ze beter scoren» en «Doorstroomtoets helpt ook niet tegen onderadvisering meisjes, maar Staatssecretaris schuift aanpassing op lange baan»?1, 2
Ja.
Deelt u de constatering dat meisjes structureel lagere adviezen krijgen dan jongens, ondanks dat zij gemiddeld hoger scoren op de doorstroomtoets én in het voortgezet onderwijs vaker op hoger niveau eindigen? Hoe beoordeelt u dit in het licht van kansenongelijkheid?
Ik deel de constatering dat meiden nog veel te vaak te maken krijgen met onderadvisering in het voorlopig schooladvies. Dat blijkt uit het onderzoek van DUO over onderadvisering bij meiden.3 Uit de jaarlijkse monitor van DUO over het schooladvies en de doorstroomtoets4 weten we dat onderadvisering in het voorlopig schooladvies speelt bij verschillende groepen. Het is niet acceptabel dat er nog steeds groepen leerlingen zijn die bij gelijke geschiktheid géén gelijk advies krijgen. En daarmee geen gelijke onderwijskansen.
Deze onderzoeken onderstrepen het belang van de doorstroomtoets en de maatregel bijstellen schooladvies voor kansengelijkheid in de overgang van po naar vo. Sinds de invoering van deze maatregel over bijstelling van het schooladvies, krijgt ca. 3 op de 4 leerlingen die op de toets hoger scoort dan het voorlopig schooladvies, een bijgesteld schooladvies.5
Wat zijn volgens u de primaire oorzaak voor de toename van de kloof in advisering tussen jongens en meisjes sinds 2017/2018?
DUO doet geen uitspraken over de oorzaak van de toegenomen onderadvisering van meiden op grond van hun onderzoek. De onderzoekers geven aan dat hier verdiepend onderzoek voor nodig is.
OCW zet daarom in op kennisvergroting. Bijvoorbeeld door de leerloopbanen van leerlingen op langere termijn te volgen. En door in 2026 verdiepend onderzoek te starten naar de oorzaken van onderadvisering.6
Ouderlijke druk blijkt een grote invloed te hebben op het verkrijgen van een hoger advies, hoe waarborgt u dat het schooladvies onafhankelijk tot stand komt om zo onderadvisering van meisjes tegen te gaan?
Ik vertrouw op de professionaliteit van het team op de basisschool dat zich bezighoudt met de schooladviesprocedure. Zij wegen verschillende factoren om tot een gedegen schooladvies te komen. Eén van die factoren is de informatie die zij van ouders meekrijgen over de leerling. Onderzoek laat zien dat ouders goed en tijdig betrekken bij de stap van po naar vo zorgt voor een soepelere overgang voor leerlingen. Middels de Handreiking schooladvisering ondersteun ik scholen daarbij.7
Bent u bereid om het door DUO aanbevolen vervolgonderzoek te faciliteren waarbij leerlingen langer worden gevolgd (tussen voorlopig advies en plaatsing in leerjaar 3) om meer inzicht te krijgen in deze problematiek?
Ja, ik ben bereid om dit te faciliteren.
Wat vindt u ervan dat de doorstroomtoets in de praktijk onvoldoende corrigeert voor onderadvisering van meisjes terwijl die toets juist bedoeld was als objectief tegenwicht?
Het probleem van onderadvisering wordt door de toets als objectief gegeven niet geheel opgelost, maar wel al voor een groot deel gecorrigeerd. Voor meiden geldt dat ten tijde van de laatste eindtoets in 2022 ca. 8500 meiden een bijgesteld advies kregen, terwijl dat steeg naar 21.000 meiden na de invoering van de doorstroomtoets en de maatregel bijstellen in 2023.
Dat meiden toch achterblijven in het definitieve advies, ondanks vergelijkbare scores op de toets, kan met verschillende factoren te maken hebben. Niet álle meiden die onderschat zijn, krijgen een bijgesteld advies. Maar bijvoorbeeld ook overadvisering van jongens zou kunnen meespelen. Dat er ook in het definitieve advies nog verschillen zijn, vind ik onwenselijk. En daarom zet ik in op kennisvergroting (zie antwoord8 en daarnaast op ondersteuning van scholen en leerkrachten bij de schooladviesprocedure, bijvoorbeeld met de Handreiking schooladvisering.9
Hoe reflecteert u op de uitspraken van uw ambtsvoorganger dat specifiek meisjes baat hebben bij het naar boven bijstellen van het niveau, maar dat dit in de praktijk niet gebleken is?
Ik ben het eens met mijn ambtsvoorganger, dat meiden baat hebben bij de maatregel bijstellen. Zij doelde op het veel hogere aantal bijstellingen sinds de doorstroomtoets (zie vraag10 en op de cijfers over onderadvisering uit de jaarlijkse monitoring door DUO. Daaruit blijkt dat meiden baat hebben bij de maatregel, omdat zij vaker dan jongens te maken hebben met onderadvisering in het voorlopige schooladvies.11 In 2023 zagen we dat ondergeadviseerde meiden ook nog iets vaker dan ondergeadviseerde jongens daadwerkelijk een bijgesteld schooladvies krijgen.12
Hoe weegt u de uitspraken van onderwijswetenschapper prof. dr. Meeter dat de doorstroomtoets niet functioneert als objectief tegenwicht?
Ik ben het daar niet mee eens. Door de maatregel bijstellen schooladvies krijgen veel meer ondergeadviseerde leerlingen een advies dat past bij de vaardigheden die ze hebben laten zien op de toets. Het probleem van onderadvisering is daarmee nog niet opgelost, maar wel al voor een groot deel gecorrigeerd. Als deze maatregel niet zou worden toegepast, dan zou jaarlijks voor duizenden meiden (en jongens) het voorlopig schooladvies waarin zij zijn onderschat blijven staan.
Kunt u reflecteren op het feit dat meisjes in het voortgezet onderwijs vaker opstromen dan jongens? Deelt u de analyse dat dit een aanwijzing is dat meisjes bij aanvang te laag worden ingeschaald?
Het is niet met zekerheid te zeggen, of de opstroomcijfers op zichzelf betekenen dat leerlingen in het schooladvies onderschat zijn. Echter, de jaarlijks terugkerende hogere mate van discrepantie tussen het voorlopig schooladvies en het toetsadvies bij meiden, is wel een indicatie dat er sprake is van structurele onderadvisering en dat meiden dus bij aanvang worden onderschat.
Voor sommige leerlingen is een directe weg richting een bepaalde onderwijssoort de meest passende route, waar andere leerlingen juist baat hebben bij stapelen of switchen. Ook vertellen opstroom- en afstroomcijfers niet het hele verhaal: niet alle leerlingen die zijn onderschat stromen «op». Leerlingen kunnen ook «afstromen» zonder dat er sprake was van overschatting, bijvoorbeeld wanneer een andere (meer praktische) onderwijssoort beter past bij hun wensen. De data over deze «wisselstroom» houden we goed in de gaten middels monitoring en evaluatie en analyseren we uitgebreider in het aangekondigde vervolgonderzoek naar leerloopbanen.
Hoe beoordeelt u de analyse dat de huidige systematiek van verplichte bijstelling naar boven eerder leidt tot verschillen tussen scholen dan tot eerlijkere kansen tussen leerlingen?
Ik deel deze analyse niet. De maatregel bijstellen schooladvies is nu twee jaar van toepassing geweest. Over het algemeen gesproken zien we dat veel meer leerlingen die op de toets laten zien meer uitdaging aan te kunnen, sinds de invoering van deze maatregel daadwerkelijk een bijgesteld advies krijgen. We zien daarbij verschillen tussen groepen leerlingen, hoe vaak zij voor een bijstelling in aanmerking komen en hoe vaak zij die ook daadwerkelijk krijgen.13 Maar voor alle groepen geldt dat zij nu veel vaker een bijgesteld advies krijgen, dan voorheen. Daarmee zorgt de maatregel voor eerlijkere kansen in de overgang van po naar vo.
Het is belangrijk om te kijken hoe de maatregel bijstellen schooladvies in de komende jaren in de praktijk uitpakt voor verschillende groepen leerlingen. Dat gebeurt in de evaluatie van de Wet doorstroomtoetsen po en het aangekondigde vervolgonderzoek naar leerloopbanen. Daarbij wordt ook gekeken naar analyses zoals die van de PO-raad, over verschillen tussen soorten gemeentes. Ik ben hier met de relevante partijen, zoals de PO-Raad en de Inspectie, over in gesprek.
Hoe beoordeelt u vormen van latere selectie, zoals een landelijk dekkend netwerk van brede brugklassen of uitstel van selectie voor het merendeel van de leerlingen, als oplossing voor deze toetsproblematiek en alle bijkomende druk op twaalfjarige leeftijd?
Vormen van latere selectie zouden kunnen bijdragen aan het verminderen van de druk op het overgangsmoment van po naar vo, zowel voor leerkrachten en scholen als voor leerlingen en hun ouders. Dit is gebleken uit verschillende onderzoeken en rapporten, zoals het advies van de Onderwijsraad over «Later selecteren, beter differentiëren» en de daaropvolgende ex ante beleidsevaluatie «Doorstroom in een kansrijk stelsel».14
In die beleidsevaluatie is de aanbeveling gedaan om vooralsnog het huidige stelsel te behouden, en intussen meer kennis op te bouwen en verder te werken aan «reparatiemogelijkheden» om de nadelige effecten van vroege selectie te ondervangen. OCW zet om die reden in op kennisopbouw en kennisdeling op dit thema. Zo lopen er onder andere via het NRO verschillende leertrajecten. Daarnaast werk ik aan de verkenning naar een breder schooladvies, naar aanleiding van de motie Rooderkerk.
Scholen kunnen ondertussen in de organisatie van hun onderwijs al bewuste keuzes maken om vormen van latere selectie toe te passen. Bijvoorbeeld door tweejarige dakpanklassen aan te bieden.
Bent u bekend met de oproep van de PO-raad om uiterlijk in 2027 over te gaan op één landelijke doorstroomtoets, mede om ongelijkheid tussen toetsaanbieders te verminderen en het stelsel begrijpelijker te maken voor ouders en leerlingen? Hoe reageert u hierop en acht u dit haalbaar?3
Ja, ik ben bekend met de oproep van de PO-Raad. Het is niet haalbaar om uiterlijk in 2027 over te gaan op één landelijke doorstroomtoets, zoals ik ook aan uw kamer heb toegelicht tijdens het debat van 11 december jl. Het snelst mogelijke afnamemoment van één landelijke doorstroomtoets is 2029, waarvan hieronder het tijdpad is weergegeven. Het is goed om te weten dat aan deze versnelde invoering verschillende haken en ogen zitten die zorgvuldig moeten worden gewogen. Een stelselwijziging vraagt om beleidsontwikkeling, een wetswijziging, toetsontwikkeling en implementatie. Kortom, stappen waar geen versnelling op mogelijk is. Ook vind ik het belangrijk om te weten wat de wensen van scholen zijn als het gaat om de doorstroomtoets. Daarnaast is het van belang dat scholen zich goed kunnen voorbereiden en zij de komende jaren niet worden geconfronteerd met verandering op verandering. Dat neemt niet weg dat ik welwillend tegenover een mogelijke stelselovergang naar één doorstroomtoets sta. Binnen de mogelijkheden die er zijn zal ik mijn uiterste beste doen om het traject zo snel mogelijk te laten verlopen.
Q1 t/m Q2
Beleidsmatige voorbereiding
Besluit over stelselovergang
Q3 t/m Q4
Wetsvoorstel ontwerpen
Q1
Internetconsultatie
Q2
Advies Raad van State
Q3 t/m Q4
Indiening wetsvoorstel Tweede Kamer
Q1
Behandeling wetsvoorstel in Tweede Kamer
Q2
Behandeling wetsvoorstel in Eerste Kamer
Q3
Inwerkingtreding
Q1
Eerste afname één landelijke doorstroomtoets
Het bericht ‘Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten: «Blauwdruk voor terreur»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme bevatten en geweld tegen Joden verheerlijken?
Nederland veroordeelt alle vormen van antisemitisme en acht
antisemitische teksten in lesmateriaal onacceptabel. Dit draagt Nederland bilateraal en in EU-verband uit.
Bent u bekend met het eerder ingenomen standpunt van het Europees Parlement dat de EU alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd?2 Deelt Nederland deze positie ook?
Het kabinet is bekend met dit standpunt. Europese steun aan de Palestijnse Autoriteit is afhankelijk van voortgang op noodzakelijke hervormingen, waar lesmateriaal onderdeel van is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland onderschrijft dat lesmateriaal in lijn moet zijn met UNESCO-normen, zoals ook is overeengekomen tussen de Commissie en de Palestijnse Autoriteit (PA). Tijdens mijn recente bezoek aan de PA heb ik dat ook ter sprake gebracht.
Welke consequenties verbindt Nederland aan het feit dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme blijken te bevatten?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden antisemitische schoolboeken zich tot de zogenaamde Letter of Intent die in de zomer van 2024 is ondertekend door de Europese Commissie en de Palestijnse Autoriteit, waarin ook hervorming van het schoolcurriculum is opgenomen?
De Europese financiële steun voor de PA is afhankelijk van voortgang op de hervormingsagenda waarvan onderwijs een belangrijk aandachtspunt is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland blijft in dit kader consequent aandacht vragen voor het belang van het tegengaan van antisemitisme in schoolboeken.
Zoals in het verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 7 en 8 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3132), is de intentieverklaring getekend door de Europese Commissie en de PA op 19 juli 2024. De verklaring bevat een strategie gericht op het stabiliseren van de PA en de economie op de Westelijke Jordaanoever, waaraan een noodsteunprogramma was verbonden van EUR 400 miljoen. De Commissie handelt bij onvoldoende voortgang. Illustratief hiervoor was het Europese besluit om in een eerder stadium nog geen geld over te maken voor de tweede tranche van het noodsteunprogramma (EUR 17.5 miljoen) vanwege onvoldoende voortgang op het implementeren van de in de intentieverklaring afgesproken «prioritaire acties» op het gebied van hervorming van het sociaalzekerheidsstelsel, waaronder betalingen aan families van gevangenen.
Er wordt consequent aandacht gevraagd voor het belang van hervormingen op het gebied van onderwijs waaronder lesmateriaal. Op 20 november jl. kwam de Europese «Palestine Donor Group» bijeen waar de Europese steun aan de PA centraal stond, inclusief gemaakte voortgang op het gebied van hervormingen. Ook hier onderstreepte zowel de Europese Commissie als Nederland het belang van voortzetten van de Palestijnse hervormingsagenda, ook op het gebied van schoolboeken. De Palestijnse Autoriteit bevestigde gecommitteerd te zijn om met de EU afgesproken hervormingen door te voeren, en UNESCO-normen te hanteren voor het schoolcurriculum. Hierover staat de PA in nauw contact met UNESCO.
Hoe wordt gecontroleerd of deze hervorming van het curriculum daadwerkelijk en effectief plaatsvindt? Wat zijn de benchmarks op basis waarvan verdere financiering aan de Palestijnse Autoriteit wordt verstrekt? Wat gebeurt er nu blijkt dat de Palestijnse Autoriteit zich niet aan de Letter of Intent houdt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat, nu er blijkbaar niks veranderd is aan de inhoud van de schoolboeken, dit direct gevolgen moet hebben voor het verstrekken van EU-(onderwijs)subsidies aan de Palestijnse Autoriteit? Bent u bereid om dit standpunt ook in Europese gremia in te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of Nederland ook zelfstandig (los van de EU-subsidies) geld steekt in onderwijs of lesmateriaal van de Palestijnse Autoriteit? Zo ja, gaat u deze subsidies direct stopzetten?
Nederland verstrekt geen subsidies op het gebied van onderwijs of lesmateriaal aan de PA.
Een leerkracht van de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg die tot tweemaal toe een Free-Palestine shirt uittrekt bij Qasim (8) |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Juf trekt Free Palestine-shirt twee keer uit bij Qasim (8), zeggen ouders en ze stappen naar het College voor de Rechten van de Mens»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de beschrijving dat een leerkracht het t-shirt van een achtjarige leerling tot twee keer toe eigenhandig zou hebben uitgetrokken? Deelt u de mening dat dit een ernstige schending van de lichamelijke integriteit is?
Iedere leerling moet zich veilig voelen op school. Daar draagt de school de verantwoordelijkheid voor. Als een leerling zich door toedoen van een leerkracht onveilig voelt, is het belangrijk dat dit wordt uitgesproken en dat hier met alle betrokkenen het gesprek over wordt gevoerd.
Het voorval dat in het artikel beschreven wordt, heeft vorig jaar plaatsgevonden. Naar aanleiding van het voorval heeft de school contact opgenomen met de inspectie. De school heeft de inspectie laten zien dat zij na het voorval veel contact gehad heeft met alle ouders van de school, zowel over de sociale veiligheid op school als over de invulling van de burgerschapsopdracht op de school.
De casus ligt nu voor bij het College voor de Rechten van de Mens. Ik wacht hun oordeel af en neem dat oordeel uiterst serieus. Ik begrijp dat de school hetzelfde doet.
Zijn er binnen het primair onderwijs duidelijke richtlijnen voor situaties waarin een leerkracht een leerling (deels) aan- of uitkleedt? Zo ja, welke? Zo nee, acht u het wenselijk deze alsnog op te stellen?
Er zijn geen richtlijnen voor situaties waarin een leerkracht een leerling zonder toestemming aan- of uitkleedt. Het uitgangspunt is dat een leerkracht dat niet doet. De school draagt de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat dit duidelijk is onder leerkrachten. Ik zie geen noodzaak om hier vanuit het ministerie specifieke richtlijnen over op te stellen en dat lijkt me in het kader van de regeldruk ook niet gewenst.
Acht u het handelen van de leerkracht op de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg, zoals beschreven, in strijd met de zorgplicht voor een sociaal veilig schoolklimaat? Hoe beoordeelt u de mogelijke impact op het kind?
Het is niet aan mij, maar aan de inspectie om te beoordelen of een school handelt in strijd met de zorgplicht. De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat haar beoordeling is dat het bestuur na het voorval naar behoren heeft gehandeld. De inspectie geeft aan dat zij geen aanleiding ziet tot twijfel aan het zorgsysteem en dus geen aanleiding ziet tot handhavend optreden.
Hoe beoordeelt u de melding dat de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg later ontkende wat de leerkracht eerder zou hebben toegegeven? Vindt u dat scholen transparant moeten zijn richting ouders over dit soort incidenten?
Natuurlijk is het belangrijk dat scholen transparant zijn over incidenten die raken aan de sociale veiligheid van kinderen. Voor een beoordeling van dit voorval specifiek, verwijs ik naar de beoordeling van de inspectie. De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat haar beoordeling is dat het bestuur na het voorval naar behoren heeft gehandeld.
In hoeverre mogen scholen, waaronder de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg, leerlingen verbieden kleding met een politieke boodschap te dragen? Kunt u uiteenzetten welke juridische kaders hierbij gelden?
Scholen mogen schoolregels hanteren vanuit pedagogisch-didactische overwegingen en met het oog op de orde en veiligheid op school. Deze regels kunnen gaan over kleding. Denk aan het verplichten van gymkleding gedurende de gymles, aan het verbieden van petjes in de klas en ook aan het verbieden van kleding waar beledigende of opruiende uitlatingen op geschreven zijn.
Natuurlijk heeft een school daarbij rekening te houden met de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid van leerlingen. Tegelijkertijd heeft de school een verplichting om zorg te dragen voor een schoolcultuur waarin alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten, dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie bepaalt of scholen aan deze verplichting voldoet.
De school zegt neutraliteit na te streven, maar zou eerder wél acties voor Oekraïne hebben ondersteund. Acht u dit selectief neutraliteitsbeleid? Is dit verenigbaar met het discriminatieverbod en met burgerschapsonderwijs?
Een school bepaalt zelf aan welke onderwerpen zij wel en geen aandacht besteedt, uiteraard binnen de kaders van de daarvoor geldende voorschriften. De inspectie ziet erop toe dat scholen zich aan de wettelijke kaders houden en treedt zo nodig handhavend op.
De keuze van een school om wel aandacht te besteden aan één actueel onderwerp en niet aan een ander, kan bij leerlingen en ouders wel vragen oproepen. Het kan dan helpen als de school uitlegt waarop die keuze gebaseerd is of als de school toch ruimte maakt voor het bespreken van een actueel onderwerp als blijkt dat daar vanuit veel leerlingen behoefte aan is. Zo leren leerlingen dat verschillende opvattingen er mogen zijn en leren ze om daar op een respectvolle manier mee om te gaan. Dit past goed bij de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze zorg dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen worden gestimuleerd om actief met deze basiswaarden te oefenen. Voor leerkrachten die het moeilijk vinden om zo’n gesprek te begeleiden, biedt het Ministerie van OCW via het Expertisepunt Burgerschap een subsidie aan die leerkrachten de gelegenheid geeft om zich hierin te laten bijscholen.
Is een intern «spreekverbod» over specifieke internationale conflicten volgens u pedagogisch en juridisch wenselijk? Wat zijn de risico’s voor het schoolklimaat?
De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze zorgdragen voor een schoolcultuur waarin alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten. Bij het opstellen van leefregels dient de school daar rekening mee te houden.
Als een bepaald maatschappelijk onderwerp onder leerlingen op school leeft, is dat wat mij betreft een mooi haakje om hierover met leerlingen in gesprek te gaan. Juist als er heel verschillende opvattingen over zo’n onderwerp bestaan, zo leren leerlingen dat verschillende opvattingen er mogen zijn en leren ze om daar op een respectvolle manier mee om te gaan. Ook dat past goed bij de wettelijke burgerschapsopdracht.
Hoe kijkt u aan tegen de gestelde gevolgen voor de leerling, waaronder het gevoel van onveiligheid en de overstap naar een andere school? Vindt u dat de school hiermee heeft voldaan aan haar zorgplicht?
Iedere leerling die zich op school onveilig voelt, is er een te veel. Het is niet aan mij om te beoordelen of een school voldoet aan haar zorgplicht. De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat haar beoordeling is dat het bestuur na het voorval naar behoren heeft gehandeld. De inspectie geeft aan dat zij geen aanleiding ziet tot twijfel aan het zorgsysteem en dus geen aanleiding ziet tot handhavend optreden.
Ziet u aanleiding voor onderzoek of interventie door de Inspectie van het Onderwijs naar aanleiding van deze gebeurtenis? Zo ja, welke stappen overweegt u? Zo nee, waarom niet?
De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat zij geen aanleiding hebben gezien tot handhavend optreden.
Zijn bij u of de Inspectie van het Onderwijs andere incidenten bekend waarbij leerlingen worden beperkt in politieke uitingsvrijheid, of waarin leerkrachten vergelijkbaar fysiek ingrijpen bij leerlingen? Zo ja, kunt u deze benoemen en aangeven of hiernaar onderzoek loopt?
De inspectie houdt geen specifieke registratie bij van dergelijke incidenten.
Bent u bereid scholen duidelijke handreikingen te bieden over het omgaan met politieke symboliek, lichamelijke integriteit en gesprekken over internationale conflicten? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
In relatie tot de omgang met politiek, lichamelijke integriteit en gevoelige maatschappelijke thema’s gelden wettelijke kaders, waaronder de zorgplicht van scholen en de wettelijke burgerschapsopdracht. Binnen die kaders zijn scholen zelf verantwoordelijk voor de invulling van hun onderwijs. Ik zie geen noodzaak om scholen van specifieke richtlijnen te voorzien.
Het stopzetten van het Sinterklaasfeest op een Utrechtse basisschool |
|
Annette Raijer (PVV), Martin Bosma (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een Utrechtse basisschool ervoor heeft gekozen om het traditionele Sinterklaasfeest te schrappen en te vervangen door een zogeheten «Kinderfeest», inclusief sjoelbakken en een stroopwafelkar, zoals vermeld in het artikel «Utrechtse basisschool stopt met sinterklaasviering: «Spanning, pijn en onrust»» en bent u het ermee eens dat hiermee een van de meest verbindende, vrolijke en breed gedragen tradities in Nederland zonder enige noodzaak wordt ingeruild voor iets dat op een gewone donderdagmiddagactiviteit lijkt?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf hoe zij invulling geven aan hun onderwijs en aan activiteiten en vieringen die daar onderdeel van uitmaken. Het is een mooi feest dat op veel plaatsen gevierd wordt.
Hoe beoordeelt u de motivatie van de school dat Sinterklaas zou zorgen voor «onrust en ongemak bij teamleden en ouders», terwijl op vrijwel alle andere scholen in Nederland dit kinderfeest juist zorgt voor saamhorigheid, plezier en betrokkenheid en kunt u verklaren waarom deze school zo sterk afwijkt van de landelijke praktijk?
In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf om op basis van de schooleigen context en gemeenschap weloverwogen keuzes te maken in het vieren van feestdagen.
Klopt het dat de school zelf aangeeft dat het Sinterklaasfeest «toch al niet leefde» bij een gedeelte van de ouders en kinderen, met name vanwege de achtergrond van ouders met Surinaamse afkomst? Zo ja, vindt u het wenselijk dat een Nederlandse school haar tradities afschaft omdat een deel van de ouders zich hier niet mee identificeert, en kan de Minister bevestigen dat Nederlandse tradities op Nederlandse scholen moeten worden beschermd en niet worden weggepoetst?
In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf om beslissingen te nemen hoe zij invulling geven aan feestdagen. Het is niet aan de overheid om scholen te verplichten bepaalde feestdagen te vieren. Daarnaast is het Sinterklaasfeest op veel scholen nog een belangrijke feestdag die gevierd wordt.
Deelt u de zorg dat dit besluit een precedent schept waardoor scholen onder druk kunnen komen te staan om meer Nederlandse tradities vaarwel te zeggen, puur omdat groepen ouders dit liever niet zien? Zo nee, hoe waarborgt u dat typisch Nederlandse feesten zoals Sinterklaas, dat al generaties lang onderdeel is van onze cultuur, niet stukje bij beetje worden uitgehold of vervangen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om deze school hierop aan te spreken en scholen in het algemeen duidelijk te maken dat het schrappen van Nederlandse tradities geen wenselijke ontwikkeling is?
Nee. Scholen hebben de vrijheid en het recht om zelf keuzes te maken in het vieren van bepaalde Nederlandse feestdagen en de wijze waarop.
Kunt u toezeggen dat u als Minister actief bewaakt dat scholen niet buigen voor culturele druk, maar Nederlandse cultuur en tradities juist koesteren en doorgeven aan de volgende generatie?
Zie antwoord vraag 5.
De bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten |
|
Annette Raijer (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten, waarbij demonstranten het gebouw binnendrongen, afsloten en bezoekers actief de toegang belemmerden?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat universiteitsbesturen in gesprek gaan met bezetters die een academisch evenement fysiek blokkeren?
De instellingsbesturen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht als ook de veiligheid op de campus te waarborgen. Natuurlijk moet er ruimte zijn en blijven voor demonstraties op de onderwijsinstellingen. Maar wel binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling. Geweld, vernielingen, discriminatie, en haatzaaien zijn strafbare feiten en hebben geen plek bij protesten. Universiteitsbesturen gaan zelf over welke interventie zij op welk moment passend vinden, waaronder of zij in gesprek gaan met demonstranten. Het is belangrijk dat keuzes voor het borgen van veiligheid zoveel mogelijk lokaal wordt genomen door de instellingsbestuurders in nauwe samenspraak met de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan de situatie het beste worden ingeschat en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Vindt u dat de Universiteit Leiden verplicht is aangifte te doen tegen deze bezetting, aangezien universiteiten in hun eigen richtlijnen vastleggen dat bezettingen verboden zijn en strafbare feiten niet zonder gevolgen mogen blijven? Zo nee, waarom niet?
Instellingen hebben met elkaar afgesproken dat zij bij (vermoedens van) strafbare feiten altijd aangifte doen. Ik heb begrepen dat het College van Bestuur van de Universiteit Leiden aangifte heeft gedaan bij de politie van lokaalvredebreuk en de bezetters heeft gevorderd het gebouw te verlaten. De politie is uiteindelijk overgegaan tot ontruiming.2 Ik hecht eraan te benoemen dat ik als Minister niet kan treden in opvolging door het OM noch bemoeienis kan hebben met de rechtsgang.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist de Cleveringa-lezing, die is ingesteld ter herdenking van antisemitische maatregelen tegen Joodse academici, moest worden verplaatst door deze actie, en bent u bereid dit optreden expliciet als antisemitisch te kwalificeren? Zo nee, waarom niet?
Universiteiten en hogescholen zijn een plek voor debat en dialoog. Binnen de instelling moet men hier dan ook zoveel mogelijk de ruimte toe krijgen, bijvoorbeeld door een lezing te organiseren. Ik vind het onacceptabel wanneer studenten en/of medewerkers hierin worden belemmerd. Ik betreur het daarom zeer dat de geplande Cleveringa-lezing verplaatst moest worden. Tegelijkertijd zie ik dat de Universiteit Leiden adequaat heeft gehandeld, want door de lezing te verplaatsen kon deze toch doorgang vinden.
Het is niet aan mij als Minister van OCW om te beoordelen wanneer er sprake is van antisemitisme. Bij vermoedens van antisemitisme kan aangifte worden gedaan. Vervolgens is het aan het OM en, indien vervolging wordt ingesteld, aan de rechter om te bepalen of er in concrete gevallen sprake is geweest van antisemitisme.
Het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs over de schrijf- en rekenvaardigheid op het vmbo. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs waaruit blijkt dat 40 procent van de leerlingen vmbo basis en kader onder het basisniveau schrijf- en rekenvaardigheid zitten?1
Ik ben bekend met dit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs.
Laaggeletterdheid in Nederland neemt ieder jaar toe, welke oorzaken ziet u voor deze trend?
De gemiddelde taalvaardigheid van Nederlandse volwassenen is al dertig jaar relatief stabiel en ook in de afgelopen tien jaar niet significant afgenomen. Het percentage Nederlanders dat als laaggeletterd kan worden getypeerd is dus niet toegenomen. Wel is het zo dat laaggeletterde Nederlanders in 2023 een lager taalvaardigheidsniveau hadden dan tien jaar eerder. De afwezigheid van een toename in het percentage laaggeletterden betekent dus niet dat we tevreden zijn: het verbeteren van de taalvaardigheid van deze groep is en blijft een prioriteit.
Hoe verklaart u dat de taal- en rekenprestaties, ondanks jaren van basisvaardighedenbeleid, blijven dalen?
De taal- en rekenprestaties van leerlingen blijven gelukkig niet over de hele linie dalen. Dat kunt u ook lezen in mijn brief van 4 december 2025 over het Masterplan basisvaardigheden en de Monitor basisvaardigheden 2025 met de meest actuele data over de leerprestaties.2 Inmiddels zien we dat de prestaties van leerlingen in het primair onderwijs zich na de coronapandemie goed hersteld hebben. Groep 3-leerlingen doen het zelfs iets beter dan voor corona, met name bij begrijpend lezen en spelling. Het beeld in het vo is helaas in de onderbouw minder positief, maar ook daar zien we soms tekenen van stabilisatie en herstel en lijken leerlingen tijd het eindexamen stabieler te presteren over de jaren heen. De verschillende onderzoeken in het kader van het Masterplan basisvaardigheden bevestigen dat we op de goede weg zijn, maar ook hoe belangrijk het is om nu door te zetten. Om de focus op de basisvaardigheden vast te houden, scholen te ondersteunen evidence-informed onderwijs te geven en te helpen bij de invoering van een actueel en kennisrijk curriculum.
Volgens het onderzoek beginnen veel kinderen aan groep 1 met taalachterstand, hoe bent u van plan om dit probleem aan te pakken?
Alle kinderen verdienen het om een goede start te maken in het basisonderwijs. Vaak is dit ook het geval, maar helaas niet altijd. Daarom hebben we in 2024 een onderzoek laten uitvoeren naar kansrijke beleidsmaatregelen om jonge kinderen goed te laten starten in het basisonderwijs.3 Het gaat hierbij onder andere over de verlaging van de leerplicht en de verhoging van de kwaliteit en het bereik van voorschoolse educatie. In de beleidsreactie van 24 juni jl. worden hiervoor verschillende maatregelen aangedragen.4 Het Ministerie van VWS stelt daarnaast vanuit de aanpak Kansrijke Start subsidie beschikbaar voor het project Taalschatten. Vanuit Taalschatten is een aanpak ontwikkeld die als doel heeft om kinderen taalvaardig aan de basisschool te laten beginnen. Zo heeft Taalschatten praktische tools en voorbeelden ontwikkeld voor ouders, zorgprofessionals, en gemeenten die willen werken aan de taalontwikkeling van kinderen.
Hoe verklaart u dat vooral leerlingen vmbo basis en kader ver onder het gewenste niveau voor taal en rekenen zitten in tegenstelling tot leerlingen op vmbo-t, havo, en vwo?
Het is van groot belang dat óók deze leerlingen de basisvaardigheden voldoende beheersen om mee te doen in de samenleving en arbeidsmarkt. Zo zien we dat in het vmbo sprake is van een hardere daling van de leerprestaties sinds corona. Daarom geven we binnen de aanpak basisvaardigheden het vmbo op verschillende manieren prioriteit. Leerlingen uit vmbo basis en kader hebben over het algemeen wat meer tijd nodig dan leerlingen in de tl, havo of het vwo om het gewenste niveau 2F te halen. Hierbij geldt wel dat 2F het gewenste eindniveau voor leerlingen is die het voortgezet onderwijs verlaten. Dit onderzoek heeft in klas 2 plaatsgevonden en dat betekent dat deze leerlingen in het vmbo nog twee jaar de tijd hebben om dit niveau te bereiken. Hierbij geldt bovendien dat het vmbo geen eindonderwijs is, deze leerlingen vervolgen hun onderwijs in het mbo, om daar hun startkwalificatie te halen.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de arbeidsmarkt wanneer mbo-studenten hun opleidingen afronden met onvoldoende taal- en rekenvaardigheden?
Het mbo leidt studenten op zodat zij onder andere goed kunnen functioneren op de arbeidsmarkt. De generieke taal- en rekeneisen voor het behalen van een mbo-diploma zijn daarop afgestemd. Voor specifieke beroepen waarvoor een hoger taal- en/of rekenniveau nodig is, is dit opgenomen als eis in een beroepsgericht vak. Studenten die niet aan deze diploma-eisen voldoen, kunnen niet gediplomeerd uitstromen naar de arbeidsmarkt.
Volgens het Ministerie van OCW wordt er sinds 2000 elk jaar structureel meer geïnvesteerd in het onderwijs, zowel door de overheid als door bedrijven en huishoudens. Hoe verklaart de Minister dat we in 2025 dan toch kampen met dalende onderwijskwaliteit en leerlingen die moeite hebben met basisvaardigheden zoals schrijven en rekenen?
Er zijn in deze periode verschillende investeringen gedaan. Zo is de loonkloof tussen onderwijspersoneel in het po en het vo gedicht en zijn er, om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken, werkdrukmiddelen toegevoegd aan de bekostiging. Vanaf 2021 is tijdelijk geïnvesteerd met het Nationaal Programma Onderwijs en vanaf 2022 is specifiek structureel geïnvesteerd om leerprestaties van leerlingen op de basisvaardigheden te herstellen en te verbeteren met het Masterplan basisvaardigheden. Scholen zijn positief over de resultaten die zij behalen met de extra middelen voor basisvaardigheden, maar we zijn er nog niet.
Kunt u aangeven welke concrete maatregelen genomen zullen worden om deze neerwaartse trend te keren?
Het Masterplan basisvaardigheden dat in 2022 van start is gegaan is een integrale en langjarige aanpak dat bestaat uit een breed pakket aan maatregelen. De dalende trend in de leerprestaties, met name bij lezen, was de directe aanleiding. Vanaf het eerste jaar van het Masterplan is ieder jaar een deel van de scholen in staat gesteld, om met subsidie en ondersteuning, evidence-informed in te zetten op de verbetering van de basisvaardigheden. Vanaf 1 januari 2027 kunnen alle scholen rekenen op structurele middelen voor verbetering van de basisvaardigheden.
Naast deze snelle start op scholen omvat het Masterplan een meerjarig pakket van maatregelen om de randvoorwaarden voor goed onderwijs voor de lage termijn te verbeteren. Het gaat daarbij om zaken als de curriculumherziening, de Bibliotheek op School, de kwaliteit van leermiddelen, het bevorderen van evidence-informed onderwijs en de professionalisering van leraren. Al deze maatregelen dragen bij aan een structurele verbetering van de onderwijskwaliteit in de klas. En ook met de lerarenstrategie, school en omgeving en de schoolmaaltijden wordt een bijdrage geleverd aan de verbetering van basisvaardigheden. In mijn brief van 4 december jl. kunt u meer lezen over het Masterplan basisvaardigheden.5
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld de afgelopen vijf jaar is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in basisvaardigheden hebben opgeleverd?
Ik heb geen aanwijzingen om aan te nemen dat er in de afgelopen vijf jaar geld is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in de basisvaardigheden hebben opgeleverd.
Hoe kijkt u naar de inzet van zogeheten «brede brugklassen» en de invloed die gemengde klassen hebben op de taal- en rekenvaardigheden?
Uit onderzoek weten we dat onderwijs in een brede(re) brugklas (bijv. in een dakpanklas voor vmbo-t/havo) voor de meeste leerlingen positieve effecten heeft op leerprestaties: de cognitief minder sterke leerlingen kunnen zich optrekken aan de cognitief sterkere leerlingen (het zogenoemde «peereffect»). Dit positieve effect op de leerprestaties zien we voor leerlingen met een vmbo tot en met havo/vwo-advies. Het effect van brede(re) brugklassen op de leerprestaties van leerlingen met een vwo-advies is niet eenduidig uit onderzoek op te maken. Uit een recente meta-analyse blijkt dat vroege selectie niet leidt tot hogere onderwijsprestaties, maar wel de ongelijkheid in het onderwijssysteem vergroot. Om dit te onderzoeken loopt er onder andere via het NRO een leertraject «Van breder naar beter: De effecten van verschillende inrichtingsvarianten van heterogene brugklassen op niveaubewustzijn, zelfvertrouwen, motivatie en leerprestaties van leerlingen.» Dit leertraject zal nader ingaan op het effect van verschillende brugklasvarianten op cognitief sterkere leerlingen.
Hoe beoordeelt u het risico dat toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand ertoe leidt dat reguliere scholen minder tijd en aandacht hebben voor overige leerlingen?
Er zijn bij mij geen cijfers bekend die een toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand bij aanvang van hun schoolloopbaan bevestigen. Er zijn wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Een enquête van de Academie en Vakvereniging voor Schoolleiders wees bijvoorbeeld uit dat 80 procent van de schooldirecteuren aangeeft dat de instroom van kinderen die eigenlijk voorschool nodig hadden, maar niet zijn geweest, voor extra uitdagingen zorgt op school.6 Een leerkracht kan zijn of haar aandacht maar één keer verdelen, dus het is voorstelbaar dat dit betekent dat leerkrachten minder tijd en aandacht over hebben voor de overige leerlingen.
Die signalen neem ik serieus, en dit bevestigt opnieuw het belang van voorschoolse educatie. Uit onder andere het pre-COOL-cohortonderzoek blijkt dat voorschoolse educatie helpt om achterstanden terug te dringen, mits de kwaliteit goed is.7 Tegelijkertijd zien we dat het bereik van voorschoolse educatie de laatste jaren lijkt te dalen.8 In de beleidsreactie op het onderzoek «Kansen op een goede start» worden verschillende maatregelen aangedragen om het bereik van voorschoolse educatie te verhogen.9
Daarnaast wijs ik graag op het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, dat wordt uitgevoerd in de 20 meest kwetsbare focusgebieden in Nederland. De focusgebieden ontvangen onder andere extra middelen om extra te investeren in de voor- en vroegschoolse periode. Die worden bijvoorbeeld besteed aan extra professionalisering van jonge kind professionals, of aan de inzet van een extra beroepskracht in groep 1 en 2.
Hoe ziet u een mogelijk verband tussen de toename aan inzet van digitale leermethoden – zoals tablets, notebooks, computers – voor het verwerken van opdrachten en de dalende trend in schrijfvaardigheid?
De achteruitgang van basisvaardigheden kent veel verschillende mogelijke oorzaken, zoals het toenemende aantal taken voor scholen, het tekort aan leraren en schoolleiders en een verouderd en overladen curriculum. Bredere maatschappelijke trends zoals niet-educatieve schermtijd dragen hier eveneens aan bij.
Om het tij te keren zet het Ministerie van OCW sinds 2022 volop in op ondersteuning van scholen bij een effectieve inzet van leermiddelen om de basisvaardigheden van leerlingen te verbeteren. Via het Masterplan Basisvaardigheden en het Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal, onderzoekt het Ministerie van OCW welke leermiddelen – zowel digitaal als papier – effectief zijn voor specifieke lesdoelen en leerlingen. Zo is het Kwaliteitskader Taal ontwikkeld door een werkgroep van onderwijsprofessionals, experts en wetenschappers. Dit kader is in juni van dit jaar gelanceerd. Met dit kader kunnen scholen en educatieve uitgevers de kwaliteit van leermiddelen en aangeboden teksten beoordelen. Daarnaast onderzoekt het Groeifondsprogramma Nationaal Onderwijslab AI momenteel de mogelijkheden die digitale media bieden om verhalen op nieuwe, interactieve manieren te presenteren en kinderen beter te ondersteunen bij het lezen. Tegelijkertijd worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat kinderen enkel korte, oppervlakkige teksten online lezen, wat ten koste kan gaan van diep lezen. Het nieuwe curriculum legt de focus op lezen, schrijven en rekenen. Het verplicht scholen om rijke, kwalitatief hoogstaande teksten aan te bieden, zoals originele artikelen uit kranten, tijdschriften en passages uit literatuur.
Om een sociale en geconcentreerde leeromgeving te bevorderen heeft OCW met een brede vertegenwoordiging uit het onderwijs afgesproken dat niet-educatief gebruik van mobiele telefoons en andere persoonlijke devices niet langer is toegestaan in de klas. Deze afspraak werpt zijn vruchten af. Docenten en leerlingen voelen zich veiliger, werken geconcentreerder en zijn socialer blijkt uit landelijk onderzoek.
Deelt u de mening dat (de gevolgen van de) massale immigratie niet bevorderlijk is voor het algemene taal- en rekenniveau?
Het funderend onderwijs in Nederland is erop gericht dat alle leerlingen het benodigde taal- en rekenniveau halen.
Kunt u aangeven welk percentage van de leerlingen met ernstige taalachterstanden bestaat uit kinderen die geen Nederlands spreken bij aanvang van de schoolloopbaan?
Nee, dat kan ik niet. Ik heb geen cijfers van kinderen die bij aanvang van hun schoolloopbaan ernstige taalachterstanden hebben. Zoals ik bij vraag 11 heb aangegeven zijn er wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Daarnaast blijkt uit de Kansrijke Start monitor 2024 van het RIVM uit de gegevens van Jeugdgezondheidsorganisaties dat het aantal kinderen met een spraak-taalontwikkelingsachterstand op tweejarige leeftijd toeneemt.10
In de data wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende oorzaken van deze taalachterstand. Het is dus niet mogelijk om hier conclusies uit te trekken over het percentage kinderen dat geen Nederlands spreekt.
Wel blijkt hieruit dat er des te meer reden is om al op jonge leeftijd in te zetten op extra ondersteuning, zoals ook in de beleidsreactie op het onderzoek Kansen op een goede start is aangehaald.11
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs?
Nee, ik ben niet voornemens een separaat onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs. Met onder meer het Masterplan Basisvaardigheden zet het kabinet in op een verbetering van de basisvaardigheden van alle leerlingen in het onderwijs. Het Masterplan is een integrale en langjarige aanpak met het doel de onderwijskwaliteit duurzaam te verbeteren, met nadruk op de lees-, schrijf- en -rekenprestaties van leerlingen in het funderend onderwijs. In de monitoring van het Masterplan wordt via het Nationaal Cohortonderzoek ook gekeken naar de achtergrondkenmerken van leerlingen, waaronder een eventuele migratieachtergrond. Daarnaast investeert het kabinet al extra in kinderen met een groter risico op een achterstand door middel van voorschoolse educatie en extra financiering van scholen met een relatief grote populatie leerlingen met een groter risico op een achterstand.
De NPO en Hamas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Na het BBC-schandaal: waarom ook onderzoek naar NOS noodzakelijk is»1 en «Anti-Israël indoctrinatie van scholieren is wel degelijk zaak van de Minister»2 en herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen van 2 oktober 2025 over SchoolTV?3
Ja.
Welke lessen trekt de NOS uit zorgen die leven over de rol van de BBC bij de berichtgeving over Gaza? In hoeverre ziet de NOS ten dienste van de kwaliteitsverbetering aanleiding om een onderzoek uit te voeren over de eigen berichtgeving?
Onafhankelijke en betrouwbare journalistiek is een groot goed. Journalistiek draagt bij aan een goed functionerende democratie. Bij deze belangrijke rol hoort ook transparantie. Dit doet de NOS door openbaar verantwoording af te leggen over hun journalistieke berichtgeving, onder andere op basis van reacties die zij ontvangen van het publiek.4 Specifiek over de oorlog in Gaza geeft de NOS ook blijk van de gevoeligheid en risico’s rondom de betrouwbaarheid van bronnengebruik bij berichtgeving daarover. De NOS legt openbaar verantwoording af over de wijze waarop ze de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van hun berichtgeving borgen. Dit doen zij onder andere door artikelen en onderzoeken te publiceren over de eigen berichtgeving over de oorlog Gaza.5 Ook de Ombudsman publieke omroep heeft een belangrijke functie in de zelfregulering van de journalistiek bij de publieke omroep en heeft eerder inzicht geboden in het journalistiek handelen in deze thematiek.6
Als stelselverantwoordelijke sta ik voor een breed en pluriform medialandschap. Van journalistieke organisaties in dit landschap verwacht ik dat zij hun journalistieke keuzes verantwoorden en daarbij hun berichtgeving kritisch beoordelen en factchecken. Als er twijfels leven rondom de objectiviteit van berichtgeving is het aan journalistieke organisaties dit gegeven af te wegen en hier iets in hun journalistieke verantwoording mee te doen. Het is niet aan mij als Minister om nader in te gaan op de wijze waarop zij hun journalistieke verantwoording verder vormgeven.
Hoeveel specifieke berichten, reportages en andere producties heeft de NOS in de afgelopen twee jaar gewijd aan de structuur en werkwijze van de terreurorganisatie Hamas? Hoe is de betrouwbaarheid van lokale verslaggevers door de NOS getoetst en welke standaarden zijn gehanteerd voor het gebruik van informatie die afkomstig is van Hamas?
Het kabinet gaat niet over de inhoudelijke invulling van de programmering van de NOS. Ik beschik derhalve niet over aantallen producties over een bepaald thema.
De NOS reflecteert op de betrouwbaarheid van gebruikte bronnen uit Gaza. Ook de Ombudsman speelt hierbij een rol zoals blijkt uit de beantwoording op vraag 2. Dit systeem van zelfregulering moet de kwaliteit van de berichtgeving van de NOS waarborgen. De NOS is onafhankelijk in zijn werkzaamheden. Het kabinet gaat niet over de journalistieke werkwijze die de NOS in specifieke casussen hanteert. Wel ben ik voornemens het systeem van zelfregulering van de journalistiek binnen de publieke omroep te versterken. De plannen hiervoor zijn afgelopen voorjaar met de Kamer gedeeld en de uitwerking neem ik mee in de hervorming van de landelijke publieke omroep.7
Vindt u dat Hamas een politieke groepering is die ook mensen heeft die vechten of onderschrijft u het breed erkende uitgangspunt dat Hamas een terroristische organisatie is?
De EU en Nederland beschouwen Hamas als een terroristische organisatie, die in 2003 op de EU-terrorismelijst werd geplaatst. Nederland speelt in Europees verband een voortrekkersrol op het sanctioneren van Hamas, in lijn met motie Ceder c.s.,8 en heeft recent samen met gelijkgezinde partners voorstellen gedaan voor het sanctioneren van de politieke top van Hamas.
Welke ruimte heeft de landelijke publieke omroep volgens u om binnen de vereiste kwalitatief hoogwaardige nieuwsvoorziening een eigen duiding te geven van organisaties die internationaal breed als terroristisch worden aangemerkt? In hoeverre bestaan voor zulke keuzes standaarden binnen de publieke omroep?
De landelijke publieke omroep voert zijn werkzaamheden onafhankelijk uit en heeft daarbij redactionele vrijheid, die onder andere in de Mediawet is vastgelegd. Dat is een fundamenteel rechtsstatelijk uitgangspunt dat we met elkaar moeten beschermen. Het is niet aan de overheid of politiek om zich te mengen in journalistieke inhoud.
Persvrijheid is een groot goed. Dat wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich niet zouden hoeven verantwoorden over hun keuzes (zie daarover ook mijn antwoord op vraag9. Bij onvrede over de duiding gegeven aan specifieke berichtgeving kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie, is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Dit stelsel van zelfregulering moet ervoor zorgen dat media zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken.
Waarom vindt u het behoren tot de taak van de NPO om lesmateriaal te ontwikkelen voor scholen? Hoe beoordeelt u het feit dat het materiaal dat de NPO met belastinggeld produceert een verstoring vormt van de markt van leermiddelen, waarmee de NPO ook inhoudelijk meer sturend kan zijn in de beeldvorming dan andere ontwikkelaars?
Conform artikel 2.1 van de Mediawet 2008, is Educatie één van de onderdelen uit de publieke mediaopdracht. Dit wordt onder andere gedaan via het aanbodkanaal Schooltv. Opgenomen in de beschrijving van dit kanaal is het aanbieden van samenhangend educatief media-aanbod waar ook scholen gebruik van kunnen maken. De keuze voor daadwerkelijk gebruik van bepaalde leermiddelen is altijd aan de school zelf. Die vrijheid is opgenomen in artikel 23 van de Grondwet.
De doorstroomtoets op de BES-eilanden |
|
Heera Dijk (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
van Marum , Becking |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de gezamenlijke brief van de schoolbesturen op Bonaire van 6 november 2025 over de afname van de Doorstroomtoets BES en het verzoek om in 2025–2026 ook de IEP-toets te kunnen blijven afnemen?
Ja.
Klopt het dat de Doorstroomtoets BES in 2025–2026 voor het eerst wettelijk verplicht wordt afgenomen op Bonaire, na jaren van gebruik van de IEP-toets?
Ja dit klopt. De wettelijke verplichting om vanaf het schooljaar 2025–2026 voor het eerst de Doorstroomtoets Bonaire1 (of zoals de schoolbesturen het noemen: de Doorstroomtoets BES) af te nemen volgt uit de in 2022 aangenomen wet doorstroomtoetsen po. In deze wet wordt de wet- en regelgeving voor toetsen in het primair onderwijs (hierna: po) voor Europees Nederland ook van toepassing op het po in Caribisch Nederland. Hiermee krijgen ook de basisscholen daar meer inzicht in de vorderingen die hun leerlingen maken op de basisvaardigheden, ook over tijd. Op die manier kunnen zij net als scholen in Europees Nederland opbrengstgericht werken. Specifiek voor het onderwijs op Bonaire wordt ook de wet- en regelgeving rondom de overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs gelijk getrokken. Doordat het nu ook op Bonaire voor alle bekostigde basisscholen verplicht is om een schooladvies te geven, bij alle leerlingen een passende doorstroomtoets af te nemen, en de uitslag van de doorstroomtoets als objectief, tweede gegeven bij het schooladvies te gebruiken krijgen ook Bonairiaanse leerlingen een eerlijke kans op een passend advies welk schooltype in het voortgezet onderwijs het beste bij hen past.
Het grootste probleem dat in voorbereiding op deze wet geconstateerd werd was dat het huidige aanbod doorstroomtoetsen uit Europees Nederland – en dus ook de IEP-doorstroomtoets – op drie belangrijke punten niet goed aansluit bij het onderwijs op Bonaire. De opgaven en teksten zijn gemaakt voor leerlingen in Europees Nederland, en sluiten daardoor onvoldoende aan bij de leefwereld van Bonairiaanse leerlingen. Dit vergroot het risico dat de taal- en rekenvaardigheden van deze leerlingen niet goed vastgesteld worden omdat ze de vragen niet goed begrijpen of voorbeelden niet herkennen. Daarnaast meten de toetsen voor Nederlands het niveau van leerlingen aan de hand van een referentiekader dat opgesteld is voor leerlingen die in hun directe omgeving constant met de Nederlandse taal in aanraking komen. We weten dat voor het merendeel van de leerlingen op Bonaire dit niet het geval is. Tot slot wordt in deze toets de kennis en vaardigheden in het Papiaments niet gemeten ondanks dat dit één van de belangrijkste talen op het eiland is.
Om die redenen heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) de Doorstroomtoets Bonaire laten ontwikkelen. Deze meet de kennis en vaardigheden van de leerlingen op het gebied van Nederlands, Papiaments én rekenen-wiskunde, en kan zo als tweede objectief gegeven gebruikt worden bij het voorlopig schooladvies van de school. Zo krijgen ook de leerlingen op Bonaire gelijke kansen bij de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs.
Hoe beoordeelt u het signaal van de schoolbesturen dat zij in deze overgangsfase beide toetsen willen afnemen, zodat leerlingen niet afhankelijk zijn van één toetsmoment met een nieuwe, nog ongeteste methodiek?
Net als de schoolbesturen hebben wij het belang van de leerlingen altijd op één staan. Zij hebben recht op een toets die aansluit bij hun leefwereld, die rekening houdt met de talen die voor hen belangrijk zijn, en die hen een passend schooladvies biedt om op het schooltype in het voortgezet onderwijs terecht te komen waar zij zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Daarom is er al sinds de voorbereidingen op de wet doorstroomtoetsen po veel voorwerk gedaan tijdens de ontwikkeling van de Doorstroomtoets Bonaire.
Er is vanuit zowel OCW als de toetsaanbieder, Bureau ICE, veelvuldig contact geweest met de schoolbesturen op Bonaire om hen voor te bereiden op de overgang van de IEP-doorstroomtoets naar de Doorstroomtoets Bonaire. Ook zijn er veel gesprekken gevoerd en metingen gedaan om ervoor te zorgen dat de toets zo goed mogelijk aansluit bij de Bonairiaanse leerlingen. Zowel in 2024 als in 2025 zijn er op vrijwillige basis grootschalige pretesten gedaan – enerzijds om data te verzamelen en de methodiek te testen, anderzijds om leerlingen en leerkrachten de mogelijkheid te geven ervaring op te doen met de wijze van afnemen. Tot slot heeft het College voor Toetsen en Examens de toets beoordeeld en erkend dat die aan alle kwaliteitseisen voldoet. Daarom sta ik er ook achter om deze toets dit schooljaar af te nemen. Deze toets is dan ook zeer zeker niet ongetest.
Natuurlijk neem ik de zorgen van de besturen serieus. Naar aanleiding van deze brief ga ik opnieuw met de schoolbesturen in gesprek over de mogelijkheden die er zijn voor een overgangsfase tijdens de eerste afnames van de Doorstroomtoets Bonaire waarin alle talenten van elke leerling zo goed mogelijk in kaart worden gebracht. Twee doorstroomtoetsen afnemen zie ik echter niet als een reële optie. Allereerst vanwege de zeer intensieve belasting voor de Bonairiaanse leerlingen in groep 8. Maar ook vanwege de logistieke, organisatorische en financiële aanpassingen die dit van zowel schoolbesturen als de toetsaanbieder vraagt. In het gesprek kijk ik graag met hen naar mogelijke doelmatige alternatieven om aan hun wensen tegemoet te komen. Met de kanttekening dat deze noodzakelijk, uitvoerbaar en doelmatig zijn.
Overwegende dat de scholen aangeven dat een later afnamemoment op Bonaire wenselijk is (omdat de laatste maanden in groep 8 cruciaal zijn voor de ontwikkeling van leerlingen), erkent u dat de reden voor vroege afname in Europees Nederland (inschrijving bij verschillende vo-scholen) op Bonaire niet van toepassing is? Waarom is desondanks voor een vroeg afnamemoment gekozen?
In eerdere gesprekken over de overgang naar de Doorstroomtoets Bonaire hebben de schoolbesturen al aangegeven met hun afnamemoment graag te willen afwijken van de situatie in Europees Nederland. Op dit moment kan dat niet vanwege geldende wet- en regelgeving. Daarom zijn gesprekken gestart om te verkennen wat er in wet- en regelgeving aangepast moet worden aangepast, op welke termijn dit mogelijk is en welke consequenties dit heeft.
Welke risico’s ziet u voor de onderwijskansen van leerlingen op Bonaire wanneer zij worden beoordeeld op basis van een toets die vroeg in het schooljaar wordt afgenomen én waarvan de voorspellende waarde nog niet is vastgesteld?
De doorstroomtoets Bonaire is specifiek ontwikkeld om beter bij de lokale context aan te sluiten en de kansengelijkheid van de leerlingen op het eiland te vergroten. Daarom sta ik voor de kwaliteit van de Doorstroomtoets Bonaire en zie ik geen reden deze te verplaatsen. De afgelopen twee jaar hebben de basisscholen op Bonaire de IEP-doorstroomtoets in januari/februari afgenomen – net als in Europees Nederland. De overstap naar de Doorstroomtoets Bonaire brengt op dit punt geen aanvullende risico’s met zich mee.
Immers, de IEP-doorstroomtoets acht ik veel minder geschikt voor de leerlingen op Bonaire. Doordat de opgaven geen rekening houden met de meertalige context is er een vergrote kans dat leerlingen een opgave verkeerd beantwoorden omdat zij een vraag niet goed lezen of begrijpen – terwijl zij wel over de benodigde kennis en vaardigheden beschikken. Tijdens de ontwikkeling van de Doorstroomtoets Bonaire is daarom zorgvuldig bekeken welke opgaven het beste aansluiten bij de meertalige context waarin de leerlingen op Bonaire opgroeien. Onder andere door het uitvoeren van twee grote pretests met voorbeeldopgaven. Of de Doorstroomtoets Bonaire een goed voorspellende waarde heeft kan pas bepaald worden als deze door alle leerlingen op Bonaire afgenomen wordt, en een aantal jaar later bekeken kan worden op welk type onderwijs in het vo zij terechtgekomen zijn.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de scholen over de overgangsperiode tussen de oude doorstroomtoets en de nieuwe, wettelijk verplichte, doorstroomtoets?
Ja dat ben ik. We hebben ons te houden aan de wet, maar denken maximaal mee om eventuele zorgen bij schoolbesturen weg te nemen. Met als gezamenlijk doel de kansengelijkheid voor alle leerlingen op Bonaire zo groot mogelijk te maken. Zoals benoemd in antwoord 3 zal hiervoor contact opgenomen worden met de schoolbesturen.
Gaat u de eerste afname van de Doorstroomtoets BES en de overgangsperiode evalueren in samenwerking met de scholen op Bonaire, en de Kamer hierover informeren?
Ja. Tijdens de afname zorgen wij er samen met de toetsaanbieder voor dat er medewerkers op de eilanden aanwezig zijn om scholen te ondersteunen en vragen te beantwoorden. En na de eerste afname van de Doorstroomtoets Bonaire wordt er samen met de scholen gekeken hoe de prestaties op de toetsen het beste geïnterpreteerd kunnen worden, en wat dit betekent voor de overgang naar het voortgezet onderwijs. Indien nodig zal ik de Kamer hier opnieuw over informeren.
Het afschaffen van het predicaat cum laude aan de Universiteit Twente |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit Twente stopt met «cum laude» om ongelijkheid tussen mannen en vrouwen: «Luie oplossing»», waarin wordt gemeld dat de Universiteit Twente het predicaat cum laude bij promoties afschaft omdat dit volgens de universiteit «systematisch nadelig» zou uitpakken voor vrouwelijke promovendi?1
Ja.
Deelt u de kritiek van diverse academici dat dit besluit een «luie oplossing» vormt die het probleem van subjectieve beoordelingen niet oplost, maar slechts de erkenning van uitzonderlijke kwaliteit afschaft en zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van het promotiereglement van een universiteit. In de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is vastgesteld dat het college voor promoties van een universiteit is bevoegd de graden Doctor of Doctor of Philosophy te verlenen op grond van promotie. In de WHW staat dat het college voor promoties het promotiereglement vaststelt. In het promotiereglement legt elke universiteit vast wat de regels zijn voor de procedure van beoordeling, waaronder de toekenning van cum laude.
Ik vind het zorgelijk dat het beoordelen van proefschriften niet objectiveerbaar lijkt te zijn en dat het differentiëren tussen proefschriften daardoor wordt bemoeilijkt. Ik vind het belangrijk om excellente onderzoeksprestaties te waarderen. Ik ondersteun het daarom van harte dat de Universiteit Twente een andere manier zoekt om bijzondere prestaties in promotietrajecten alsnog te waarderen.
Hoe reflecteert u op de uitspraak van Renée Römkens die zegt «dat de oplossing vooral in bewustwording zit»?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met de maatregelen die een universiteit neemt om haar promotiereglement te vernieuwen.
Deelt u de mening dat het schrappen van het predicaat cum laude talentvolle promovendi, zowel mannen als vrouwen, benadeelt, terwijl de oorzaak van mogelijke ongelijkheid juist ligt in verbeterbare beoordelingsprocedures en bewustwording binnen commissies?
Ik vind het goed dat al onze talentvolle onderzoekers, ongeacht sekse, gelijke kans maken op waardering. Ik vind ook dat selecteren onderdeel is van de wetenschap en dit betekent dat er onderscheid gemaakt moet kunnen worden tussen onderzoekers.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Universiteit Twente om dit besluit te heroverwegen, en op welke wijze gaat u voorkomen dat andere universiteiten een vergelijkbare, ideologisch gemotiveerde nivellering doorvoeren die academische excellentie en meritocratie ondermijnt?
Nee, de universiteiten stellen zelf hun promotiereglement vast. Ik ga er vanuit dat zij onderling in gesprek zijn over wijzigingen in hun promotietrajecten.