Het artikel ‘Kabinet trekt enkele tonnen uit voor Joodse studenten’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met bovenstaand artikel?1
Ja.
Welke «centrale Joodse studentenorganisatie» heeft formeel om financiële middelen gevraagd bij het Ministerie van OCW en welke persoon/personen heeft/hebben dit verzoek namens deze centrale Joodse studentenorganisatie gedaan?
Wanneer is dit verzoek precies gedaan?
Welke specifieke Joodse studentenorganisaties, stichtingen en/of verenigingen zijn aangesloten bij deze centrale Joodse studentenorganisatie?
Welk schriftelijk plan, activiteitenvoorstel of projectvoorstel lag aan de financiering ten grondslag?
Welke concrete activiteiten, doelstellingen en beoogde resultaten waren in dit plan opgenomen en/of welke concrete problemen moesten volgens het plan worden aangepakt?
Welk bedrag is uiteindelijk beschikbaar gesteld, aan welke rechtspersoon of persoon zijn deze middelen toegekend en op grond van welke subsidieregeling, wettelijke bevoegdheid of andere financieringsconstructie is dit gebeurd?
Op basis van welke criteria heeft het ministerie vastgesteld dat de indiener(s) van het voorstel voldoende representatief waren voor de doelgroep waarvoor de middelen bedoeld zijn?
In hoeverre valt deze subsidieverstrekking onder de aanbestedingsplicht?
Subsidies vallen onder het bestuursrecht en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet onder het inkooprecht. Wanneer de Rijksoverheid een subsidie verleent, zijn de reguliere Europese en nationale aanbestedingsregels in beginsel niet van toepassing op het verleningsproces. Om te beoordelen of de besteding van overheidsmiddelen op de juiste wijze geschiedt en geen staatssteun oplevert wordt – zoals gebruikelijk – bij elke ingediende aanvraag een staatssteuncheck uitgevoerd.
Bent u het ermee eens dat de Kamer voor een goede controle van de besteding van publieke middelen volledig moet kunnen vaststellen wie het initiatief heeft genomen, wie het plan heeft opgesteld, wie als gesprekspartner van het ministerie heeft opgetreden en aan wie de middelen uiteindelijk zijn toegekend?
Transparantie is van belang zodat de Kamer in staat is haar controlerende taak uit te oefenen. Zoals bij de beantwoording van vragen 2 t/m 8 genoemd, wordt na de formele besluitvorming voldoende informatie openbaar. Bij individuele subsidieverstrekkingen kent de Kamer geen directe operationele controle, dat betekent o.a. dat zij aan de voorkant van processen niet gaat over de verdeling van middelen. Die exclusieve bestuursbevoegdheid ligt bij de Minister als bestuursorgaan.
Indien dat niet zo is, waarom niet? Indien dat wel zo is, waarom is dat niet gedaan?
In dit specifieke geval is van een subsidiebesluit (nog) geen sprake, slechts van een reservering ten behoeve van verstrekking van middelen ten behoeve van Joodse studenten en medewerkers. In algemene zin controleert de Tweede Kamer via de Grondwet en de Comptabiliteitswet de Minister, die op haar beurt via het bestuursrecht (Awb) toezicht houdt op de individuele subsidierelaties. De Tweede Kamer treedt dus niet op als de bezwaarschriftcommissie of directe controleur van één of meerdere specifieke subsidieontvanger(s).
Bent u zodoende bereid de volledige subsidieaanvraag, het projectplan, de begroting, de beoordelingsstukken, de subsidiebeschikking, de verantwoordingsvoorwaarden en een chronologisch overzicht van alle relevante contacten en besluiten te doen toekomen aan de Kamer?
Zie mijn antwoord op vragen 2 t/m 8.
Ben u ervan op de hoogte dat er in Nederland meerdere Joodse studentenorganisaties zijn en bent u het met mij eens dat deze organisaties evengoed aanspraak zouden moeten kunnen maken op publieke middelen?
Ja, ik ben daarvan op de hoogte. Voor wat betreft hun aanspraak verwijs ik u naar mijn antwoord op vragen 2 t/m 8 en 10–11.
Op welke wijze dienen deze organisaties hun plan/initiatief bij u onder de aandacht te brengen?
Nee, zie mijn antwoord op vragen 10 en 11.
Bent u bereid alsnog een tender uit te schrijven of een gangbare en transparante subsidieprocedure in te richten waarop alle Joodse studentenorganisaties, die dat wensen, kunnen reageren?
Zie antwoord vraag 14.
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten in Nederland |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Iraanse studenten in Nederland op dit moment in betalingsproblemen komen en mogelijk moeten terugkeren naar Iran als zij, bijvoorbeeld, hun collegegeld niet kunnen betalen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Ja, ik ken het bericht. Ik heb signalen ontvangen dat een deel van de Iraanse studenten in Nederland moeite heeft om zich op hun studie te kunnen concentreren door de heftige thuissituatie. In bepaalde gevallen komen daar ook nog eens financiële problemen bij, zoals geen toegang hebben tot je bankrekening.
Wat is precies bekend over de omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven? Zijn u coulanceregelingen bekend voor het treffen van een betalingsregeling als Iraanse studenten in financiële problemen geraken? Zo ja, welke onderwijsinstellingen bieden financiële ondersteuning en waaruit bestaan deze regelingen precies voor wat betreft ondersteuning bij de kosten voor levensonderhoud, studiekosten en dergelijke?
De omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven kunnen per student verschillen. In het algemeen geldt dat Iraanse studenten in Nederland verblijven op basis van een studievisum voor studenten en dat ze zijn ingeschreven bij een hogeschool of universiteit. Net als andere internationale studenten van buiten de Europese Economische Ruimte komen studenten uit Iran niet in aanmerking voor het wettelijke collegegeld of studiefinanciering. Op basis van hun studievisum mogen Iraanse studenten het hele jaar door tot maximaal 16 uur per week werken in loondienst of in plaats daarvan voltijdswerken in de maanden juni, juli en augustus. Hun werkgever moet dan een tewerkstellingsvergunning aanvragen. Internationale studenten kunnen ook werken als zzp’er.
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) biedt ruimte voor hogescholen en universiteiten om maatwerk te verzorgen om zo goed mogelijk aan te kunnen sluiten bij de specifieke situatie van een student. Ik zie dat instellingen hier ook gebruik van maken. Zo ondersteunen instellingen deze studenten bijvoorbeeld via het treffen van betalingsregelingen, het opstellen van een noodfonds, het tijdelijk opheffen van herinschrijfblokkades, (mentale) begeleiding via studentpsychologen, studentendecanen en social workers voor internationale studenten en het organiseren van bijeenkomsten voor studenten en medewerkers om samen te komen en elkaar te ondersteunen.
Ik heb geen centraal overzicht van welke onderwijsinstellingen financiële ondersteuning bieden en waaruit die getroffen regelingen precies bestaan. De koepelorganisaties VH en UNL beschikken hier ook niet over. De wijze van ondersteuning kan per student verschillen. Instellingen kunnen samen met de student nagaan welke beschikbare oplossing het best past bij de specifieke situatie van de student.
Klopt het dat bij het niet voldoen van het collegegeld automatische uitschrijving bij de onderwijsinstelling volgt en dat dan ook het verblijfsrecht in Nederland vervalt? Zijn u gevallen bekend waarin Iraanse studenten door financiële problematiek hun verblijfsrecht in Nederland dreigen te verliezen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hier?
Volgens de WHW is betaling van het collegegeld een voorwaarde voor een geldige inschrijving als student. Bij de inschrijving van een student aan een hogeschool of universiteit wordt gevraagd om aan te tonen dat het collegegeld betaald is of zal worden (artikel 7.37 WHW). De afspraken over betaaldata, termijnen en eventuele mogelijkheden voor uitstel van betaling zijn niet wettelijk vastgelegd. Hier kan een instelling zelf afspraken over maken. Instellingen spannen zich waar mogelijk in, zodat studenten ingeschreven blijven staan. Er is geen sprake van een automatische uitschrijving als een student het collegegeld niet heeft voldaan. Wel regelt de WHW dat een instellingsbestuur de inschrijving mag beëindigen indien een student het collegegeld na aanmaning niet heeft voldaan (artikel 7.42 tweede lid WHW).
Wanneer een onderwijsinstelling een student van buiten de EER uitschrijft, voldoet de student niet meer aan het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor studie is afgegeven en wordt deze verblijfsvergunning ingetrokken. De EU-richtlijn 2016/801 inzake voorwaarden voor de toelating en het verblijf van onder meer studenten van buiten de EU schrijft dit ook voor (artikel 21, eerste lid, onder a). Wel dient een lidstaat in elk besluit tot intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd (artikel 21, zevende lid). Voordat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, beoordeelt de IND per geval of er individuele redenen zijn om van intrekking c.q. niet-verlenging af te zien.
Naast een geldige inschrijving bij een onderwijsinstelling dienen studenten gedurende hun verblijf over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Bij de IND zijn signalen bekend dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan dit middelenvereiste te blijven voldoen. Om hoeveel studenten het gaat is niet bekend.
Intrekking van de verblijfsvergunning voor studie betekent het verval van het verblijfsrecht, tenzij de desbetreffende voormalige student op grond van een andere toelatingsgrond dan studie in aanmerking komt voor verblijf in Nederland.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe Iraanse studenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund bij de studiekosten en kosten van het levensonderhoud? Zo nee, waarom niet?
Vooralsnog worden er geen aanvullende algemene maatregelen voor studenten en onderwijsinstellingen overwogen. Wel ben ik met instellingen in gesprek over de signalen die zij binnenkrijgen en zal ik ook het gesprek voeren over grenzen waar zij tegenaan lopen.
Binnen de WHW is ruimte opgenomen voor onderwijsinstellingen om maatwerk te bieden en studenten financieel te ondersteunen, zodat rekening gehouden kan worden met de specifieke omstandigheden van een getroffen student.
Er zijn bijvoorbeeld instellingen die een noodfonds hebben ingesteld, betalingsregelingen hebben getroffen met studenten wanneer zij het collegegeld niet kunnen betalen en herinschrijfblokkades tijdelijk hebben opgeheven. Ook kunnen instellingen het instellingscollegegeldtarief voor bepaalde groepen studenten verlagen tot minimaal het wettelijk collegegeldtarief. Het is aan de instelling zelf om te bepalen of zij van deze mogelijkheid gebruik maken.
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te voorkomen dat betalingsproblemen leiden tot uitschrijving bij de betreffende onderwijsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten spannen zich waar mogelijk in om te voorkomen dat betalingsproblemen van Iraanse studenten leiden tot uitschrijving en zij hun verblijfsvergunning verliezen. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Ik ben met onderwijsinstellingen in gesprek over de situatie van Iraanse studenten in Nederland en de problemen die een deel van de Iraanse studenten in Nederland ervaren gaan ons aan het hart. Ik vraag instellingen om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden. Ik zie dat instellingen dit ook doen.
Bent u bereid om bij deze groep Iraanse studenten in Nederland af te zien van het intrekken van studievisa? Zo nee, waarom niet?
Indien een vreemdeling niet meer voldoet aan het verblijfsdoel waarvoor zijn verblijfsvergunning is afgegeven, wordt deze vergunning in beginsel ingetrokken. Op grond van de in antwoord 3 genoemde EU-richtlijn is een categorale regeling voor Iraanse studenten, zoals voorgesteld in de vraag, niet mogelijk.
Bent u bereid om samen met onderwijsinstellingen te bezien hoe onder de huidige omstandigheden materiële en mentale steun aan de groep Iraanse studenten in Nederland geboden kan worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 en 4 biedt de WHW ruimte voor hogescholen en universiteiten om maatwerk te verzorgen om studenten zo goed mogelijk te ondersteunen. Veel instellingen maken daar ook gebruik van.
Zo zijn er instellingen die bijeenkomsten organiseren om Iraanse studenten een hart onder de riem te steken, zoals ook aangehaald wordt in het bericht uit
vraag 1, of die extra inzetten op begeleiding. Daarnaast zijn hogescholen en universiteiten verplicht om bij het hanteren van een bindend studieadvies rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student. En kunnen studenten zich wenden tot een examencommissie, studieadviseur of de Commissie Persoonlijke Omstandigheden (CPO), die bekijkt of en in welke mate er sprake is van studievertraging en hoe hiermee om te gaan.
Ik ben met instellingen in gesprek over de signalen die zij binnenkrijgen en zal ook het gesprek voeren over grenzen waar zij tegenaan lopen.
Bent u bereid om, met het oog op de naderende deadline voor de inschrijving aan onderwijsinstellingen, deze schriftelijke vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Het is cruciaal dat kinderen veilig zijn en scholen hebben hier een belangrijke rol in, met name in signalering. Het is dus een positieve ontwikkeling dat scholen steeds vaker Veilig Thuis benaderen: meer kinderen krijgen daardoor de ondersteuning en bescherming die ze nodig hebben. Tegelijkertijd brengt de forse toename van adviesvragen en meldingen een aanzienlijke druk op de capaciteit van Veilig Thuis met zich mee. Kindermishandeling is een hardnekkig probleem en een goede verbinding tussen school en Veilig Thuis is belangrijk om passende ondersteuning en bescherming te bieden.
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Ja, het aantal meldingen uit het onderwijs is de afgelopen jaren met ruim 1.600 gestegen. Cijfers van het CBS geven het volgende beeld:
2022
4.630
2023
5.420
2024
5.690
2025
6.290
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Ja, ik deel die mening. Leerkrachten en ander onderwijspersoneel hebben een belangrijke signalerende rol. Zij zien hun leerlingen vrijwel dagelijks en kunnen signalen in de klas opvangen van kindermishandeling en kunnen hiermee het verschil maken voor een leerling. Het is goed om te zien dat scholen hierbij ook vaker de weg naar Veilig Thuis weten te vinden, zij kunnen de leerkrachten ook steunen in de verantwoordelijkheid die zij voelen om goed met de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling om te gaan.
Alle scholen in Nederland hebben de plicht om de meldcode Veilig Thuis te gebruiken, deze schooleigen te maken en toe te passen bij vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld. Voor het onderwijs is hierbij ook een afwegingskader gemaakt, dat scholen helpt bij het goed gebruiken van de meldcode2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Het is belangrijk dat professionals bij Veilig Thuis en die in het onderwijs elkaars werk kennen en oog hebben voor ieders perspectief. Zo kan het voor scholen bij vermoedens lastig zijn om te melden, omdat zij altijd te maken hebben met een vertrouwensrelatie met de ouders en het kind zelf. Bij twijfel over hoe te handelen kunnen scholen al bij stap 2 in de meldcode contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is belangrijk dat scholen dit bij twijfel ook doen.
Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de inspectierapporten over de casus Vlaardingen, is het afgelopen jaar en dit jaar geïnvesteerd in scholing voor professionals in het onderwijs (bijvoorbeeld intern begeleiders, aandachtsfunctionarissen en leraren), specifiek gericht op de rol van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze trainingen worden verzorgd door de landelijke vereniging van aandachtsfunctionarissen (LVAK) en zijn vormgegeven samen met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.
Het kabinet werkt daarnaast aan een versteviging van de adviesfunctie in de meldcode, daarbij wordt de mogelijkheid van een adviesplicht afgewogen.
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Bij vrijwel alle Veilig Thuis-organisaties bestaan wachtlijsten. Dit uit zich vooral in het niet halen van de wettelijke termijn van tien weken voor de dienst «onderzoek en vervolg» en het niet tijdig afronden van de veiligheidsbeoordeling binnen vijf dagen.
Een eenduidig landelijk beeld van de wachtlijsten is niet te geven: Mede vanwege de manier van aanbesteden door gemeenten en de afspraken die zijn gemaakt over de bijbehorende verantwoording van Veilig Thuis aan de gemeenten, bestaan er verschillen in hoe het al dan niet behalen van de termijn wordt geregistreerd. De noodzaak om hier gezamenlijk verbetering in aan te brengen wordt door alle betrokken partijen diep gevoeld. Daarom werk ik samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG hard aan een meer uniforme manier van werken en registreren binnen Veilig Thuis.
De IGJ houdt toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van Veilig Thuis.
Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld. Ik breng daarnaast samen met het LNVT, VNG, J&V en de IGJ in kaart welke aanpassingen in wettelijke taken en grondslagen van Veilig Thuis nodig zijn om gezinnen en huishoudens sneller de juiste zorg en ondersteuning te bieden.
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Alle meldingen die bij Veilig Thuis binnenkomen, worden binnen 24 uur inhoudelijk beoordeeld op urgentie. Deze beoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide professionals, die kijken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen daarbij direct prioriteit.
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Sinds de situatie van het Vlaardings pleeggezin heeft Veilig Thuis intensief voorlichting gegeven over het zelf melden van mishandeling van kinderen («disclosure»). Deze voorlichting richt zich onder meer op wat professionals in zo'n situatie kunnen en moeten doen.
Disclosure valt altijd onder de noemer «acuut en/of structureel onveilige situatie». Binnen de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt daarom als professionele norm dat er een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis en dat een top tot teen-onderzoek volgt.
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
De wachtlijsten bij Veilig Thuis kennen meerdere oorzaken. Waar mogelijk werkt Veilig Thuis actief aan het wegnemen daarvan.
Om achterstanden terug te dringen en meldingen sneller op te pakken, worden extra maatregelen ingezet. Voorbeelden zijn gezamenlijke overwerksessies en doorbraakteams die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.
Om personeelsverloop en -tekorten aan te pakken worden landelijk en regionaal wervingscampagnes gevoerd en informatiebijeenkomsten en speeddates georganiseerd voor geïnteresseerde kandidaten. Daarnaast wordt actief samengewerkt met hogescholen om studenten kennis te laten maken met het werk van Veilig Thuis. Ook wordt geïnvesteerd in zijinstromers en young professionals, die via begeleiding, opleiding en een zorgvuldig inwerkprogramma geleidelijk worden voorbereid op deze complexe werkzaamheden.
Verder is geïnvesteerd in het digitale ondersteuningsaanbod, zodat eerder en efficiënter advies en ondersteuning kan worden geboden. De gedachte is dat vroegtijdig oppakken van signalen erger kan voorkomen met minder intensieve interventies, wat uiteindelijk het aantal meldingen doet afnemen. Daarnaast worden werkprocessen continu doorontwikkeld en worden in de regio's samenwerkingsafspraken gemaakt om specifieke knelpunten lokaal aan te pakken.
Tot slot richt het Toekomstscenario zich op het verbeteren van de aanpak in brede zin. Het doel is om meer situaties van onveiligheid binnen gezinnen op te pakken via sterke lokale wijkteams, met veiligheidsexpertise dichtbij. Dit moet leiden tot snellere en passende hulp, waardoor situaties minder snel escaleren en meldingen minder vaak nodig zijn.
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Veilig Thuis is de enige partij binnen het vrijwillig kader met een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van informatie met partijen in zowel het vrijwillige als het gedwongen kader. Bij een melding wordt standaard een check op bekendheid uitgevoerd bij een aantal vaste partijen, zoals de politie, de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Afhankelijk van de melding kan Veilig Thuis ook bij andere partijen informatie opvragen, zoals bij school, huisarts of het lokaal team.
Hiervoor is Veilig Thuis wel afhankelijk van informatie over wie er bij de situatie betrokken zijn. Als betrokken organisaties die informatie niet verstrekken, bijvoorbeeld omdat zij het beroepsgeheim laten prevaleren boven het delen van informatie, heeft Veilig Thuis onvoldoende basis om te kunnen handelen.
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
Er bestaan inderdaad grote regionale verschillen in wachttijden bij Veilig Thuis. De afhandeling van meldingen is in de basis echter gelijk: alle 25 Veilig Thuis-organisaties werken met hetzelfde handelingsprotocol. Verschillen in regionale samenwerking, bijvoorbeeld wachtlijsten bij ketenpartners, kunnen desondanks van invloed zijn op de wachttijden.
Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG wordt nadrukkelijk verkend hoe de werkwijze verder geüniformeerd kan worden. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke aanscherping van de wettelijke vereisten en naar wat de minimale basis voor elke gemeente zou moeten zijn.
Waarom kiest u ervoor zich publiekelijk via Instagram te profileren met de Moslim Studenten Associatie, terwijl joodse studenten al maanden worden weggepest, bedreigd en de campus moeten mijden uit doodsangst door islamitische haat en begrijpt u dat dit de indruk wekt dat joodse zorgen totaal niet serieus worden genomen? Zo nee, waarom niet?1
Ik vind het van groot belang dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs. Daarom spreek ik met een brede groep studenten met verschillende achtergronden.
Ik neem de zorgen van Joodse studenten zeer serieus en zet me via de uitwerking van de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 in om de situatie voor hen te verbeteren.2
Hoeveel gesprekken heeft u sinds 7 oktober 2023 eigenlijk gevoerd met joodse studentenorganisaties over de explosie aan islamitisch antisemitisme of zijn die gesprekken op één hand te tellen omdat u de islamitische agenda prioriteit geeft boven de joodse slachtoffers?
Sinds de aanvang van mijn ambtsperiode voer ik regelmatig gesprekken met een variëteit aan vertegenwoordigers uit de Joodse gemeenschap over hun veiligheid, omdat ik dit belangrijk vind.
Waarom kiest u ervoor om de islamitische agenda voor te trekken door moslimstudenten publiekelijk in de schijnwerpers te zetten, terwijl joodse studenten de dupe worden van deze eenzijdige aanpak en dagelijks te maken hebben met antisemitisme en onveiligheid en is dit niet precies de capitulatie voor de islam die joodse studenten opoffert?
Ik zet geen enkele groep studenten boven de andere. Het is geen competitie. Elke groep studenten is belangrijk voor mij.
Deelt u de mening dat uw Instagram-bericht met de Moslim Studenten Associatie, terwijl joodse studenten dagelijks worden geconfronteerd met islamitische Jodenhaat, antisemitisme en intimidatie, getuigt van verraad aan joodse studenten en capitulatie voor de islamisering van ons onderwijs? Zo nee waarom niet?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 1.
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Meer aandacht in het onderwijs voor (het voorkomen van) geweld tegen vrouwen en meisjes |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie «Van achter de voordeur naar het klaslokaal» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers, Valente en de Blijf Groep?
Wat vindt u van de oproep om aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie expliciet aandacht te besteden in de klas als onderdeel van het burgerschapsonderwijs en/of seksuele vorming en ziet u mogelijkheden om deze elementen expliciet op te nemen in de SLO-documenten of in de wijze waarop de Inspectie toeziet op de naleving ervan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat professionals en organisaties in het veld belangrijke hiaten zien in de wijze waarop scholen binnen de kerndoelen en eindtermen aandacht besteden aan gendergerelateerd geweld en het voorkomen daarvan en bent u het met de indieners van de petitie eens dat dit nog onvoldoende gebeurt?
Heeft u cijfers van de mate waarin op scholen expliciet aandacht wordt besteed aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie? Zo nee, bent u bereid de Inspectie hiernaar te vragen?
Op welke manier is het herkennen van signalen en het veilig en zorgvuldig handelen wanneer een kind mogelijk met geweld (zelf of in het gezin) te maken heeft, op dit moment onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Op welke wijze is het lesgeven over gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie momenteel onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Zijn er op dit moment voldoende lesmethodes waar scholen gebruik van kunnen maken als zij aandacht willen besteden aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie en zo ja, waar kunnen scholen deze vinden? Zo nee, wat kunt u vanuit uw rol doen om meer laagdrempelige lesmethodes hiervoor beschikbaar te krijgen?
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de indieners van de petitie om gezamenlijk tot een aanpak te komen waarmee het onderwijs beter in staat wordt gesteld een rol te spelen in het voorkomen en het herkennen van gendergerelateerd geweld en relationele onveiligheid?
In hoeverre acht u, vanuit uw zicht op de praktijk van scholen, de huidige mogelijkheden voor het tijdig delen van informatie over signalen en meldingen over gendergerelateerd geweld tussen scholen, politie en Veilig Thuis voldoende en bent u bereid hier navraag over te doen bij scholen?
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van J&V en de Minister van VWS om het onderwijs op te nemen als één van de pijlers in het Actieplan Stop geweld tegen vrouwen?
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten |
|
Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan het middelenvereiste te blijven voldoen, zoals blijkt uit signalen die bij de IND bekend zijn?1
Klopt het dat Iraanse studenten door sommige onderwijsinstellingen wordt aangeraden om asiel aan te vragen? Bent u het eens dat dat niet de juiste oplossing is als een financiële regeling het probleem ook zou oplossen?
Vindt u het wenselijk als onderwijsinstellingen besluiten níet gebruik te maken van de ruimte die ze onder de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) hebben om maatwerk te verzorgen, als dat tot gevolg heeft dat Iraanse studenten worden gedwongen hun studie te stoppen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat betekent dit voor uw inzet?
Bent u bereid om de financiële regelingen die onderwijsinstellingen hanteren voor Iraanse studenten te inventariseren en de Kamer hierover in september te informeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij Iraanse studenten de vinger aan de pols te houden of de regelingen van de onderwijsinstellingen toereikend zijn en de Kamer over de uitkomsten van deze gesprekken te informeren? Zo nee, waarom niet?
Welke wettelijke ruimte is er om af te wijken van de regel dat niet-EER-studenten met een studievisum maximaal 16 uur per week mogen werken als de situatie, zoals die van Iraanse studenten, zich daartoe noodzaakt?
Wilt u zich zodanig inzetten dat geen enkele Iraanse student gedwongen wordt zijn of haar studie in Nederland te stoppen en terug te keren naar Iran doordat de student in de praktijk geen toegang meer heeft tot eigen geld of geld van de familie? Zo ja, wat betekent dat voor uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Wanneer bent u wél bereid om aanvullende maatregelen te nemen om Iraanse studenten in Nederland financieel te ondersteunen, bijvoorbeeld door hen te laten studeren tegen het wettelijke collegegeld?
Het bericht 'Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol' |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol»?1
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Gaza naar Jordanië te reizen?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 waarin de Minister slechts verplicht wordt om een geringe inspanning te verrichten?
Waarom is er niet gewacht met het bieden van ondersteuning aan de rest van de groep van 42 Gazanen totdat er een uitspraak in de bodemprocedure ligt?
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Jordanië naar Nederland te reizen?
Hoe verklaart u dat er naast 21 Gazaanse studenten ook 18 meereizende gezinsleden naar Nederland zijn gekomen? Op grond van welke rechterlijke uitspraak heeft Nederland de plicht om deze meereizende gezinsleden ondersteuning te bieden?
Hoe verklaart u dat de verhouding studenten versus meereizende gezinsleden bijna 1 op 1 is? Hoe verhoudt zich dit tot het gemiddelde aantal gezinsleden dat meereist met migranten met een studievisum?
Klopt het dat Gazaanse studenten tijdens het verblijf de meereizende gezinsleden financieel moeten onderhouden? In hoeverre is dit mogelijk gezien de levensstandaard in Gaza en het feit dat deze Gazanen naar Nederland komen om te studeren?
Klopt het dat deze meereizende gezinsleden geen zelfstandig verblijfsrecht hebben en Nederland dus moeten verlaten zodra de gezinsband wordt verbroken?
Hoe groot schat u de kans in dat deze meereizende gezinsleden daadwerkelijk Nederland zullen verlaten en zullen terugkeren naar Gaza indien de gezinsband wordt verbroken?
Op basis waarvan bepalen universiteiten welke buitenlandse studenten zij toelaten tot hun universiteit?
Welke ondersteuning hebben universiteiten geboden om deze studenten van Jordanië naar Nederland te laten reizen? Hebben zij bijvoorbeeld één of meerdere overnachtingen in Jordanië en de vliegtickets betaald?
Hoe komen de Nederlandse universiteiten aan het geld om deze Gazaanse studenten te ondersteunen?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan deze studenten tijdens hun verblijf in Nederland? Valt onder deze ondersteuning ook huisvesting?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de ondersteuning die Nederlandse studenten krijgen van universiteiten in hun zoektocht naar een studentenkamer, indien universiteiten inderdaad huisvesting aan deze groep bieden?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich tot het kabinetsvoornemen om het aantrekken van internationale studenten zo veel als kan te beperken tot internationaal toptalent? Is daar hier sprake van?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich voorts tot de ambitie uit het regeerakkoord om te zorgen voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn? Is daar hier sprake van?
Hoe past het toelaten van deze Gazaanse studenten in de huidige bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van anderstalige opleidingen dan wel de regionale draagkracht?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan de meereizende gezinsleden?
Wat zijn de totale kosten voor de universiteiten om deze Gazaanse studenten in Nederland te laten studeren?
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat universiteiten actief ondersteuning bieden bij het naar Nederland halen van studenten en hun gezinsleden uit oorlogsgebieden?
Het bericht ‘Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere»?1
Hoe verhoudt de oprichting van scholen die zich nadrukkelijk richten op een specifieke levensbeschouwelijke of politieke gemeenschap zich volgens u tot de ambitie uit uw beleidsbrief om onderwijs te laten bijdragen aan verbinding in de samenleving, het tegengaan van segregatie en een sterke democratische rechtsstaat?
Deelt u de mening dat scholen niet alleen een onderwijsfunctie hebben, maar ook een belangrijke maatschappelijke functie vervullen doordat kinderen met verschillende achtergronden elkaar daar ontmoeten?
Hoe beoordeelt u in dat licht de ontwikkeling dat steeds meer nieuwe scholen zich richten op specifieke levensbeschouwelijke, religieuze en zelfs ideologische doelgroepen?
Klopt het dat uit de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen blijkt dat nieuwe scholen gemiddeld een homogenere leerlingenpopulatie hebben dan scholen in hun omgeving en dat effecten op onderwijssegregatie zichtbaar zijn op lokaal niveau?
Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken?
Klopt het dat uit dezelfde evaluatie blijkt dat het aantal nieuwe basisscholen sinds de invoering van de wet aanzienlijk is gestegen en dat islamitische scholen inmiddels de grootste categorie nieuw gestichte basisscholen vormen?
Welke lessen heeft u uit deze ontwikkeling getrokken voor de verdere uitvoering van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen?
Op welke wijze wordt bij aanvragen voor nieuwe scholen momenteel beoordeeld wat de gevolgen zijn voor segregatie en de ontmoeting tussen verschillende groepen leerlingen?
Acht u het wenselijk dat publiek bekostigd onderwijs zich steeds verder organiseert langs ideologische of zelfs politieke scheidslijnen?
Klopt het dat in het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet de uitkomsten van de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zal betrekken bij een herziening van de wet? Wat is de actuele stand van zaken van deze herziening?
Deelt u de opvatting dat de huidige wet sterk uitgaat van aangetoonde ouderbelangstelling maar onvoldoende rekening houdt met bredere belangen zoals huisvesting, arbeidsmarkt, segregatie en een evenwichtig onderwijsaanbod?
Welke mogelijkheden ziet u om in de wet een explicietere afweging op te nemen tussen oudervoorkeuren enerzijds en deze belangen, zoals segregatie, anderzijds?
Deelt u de mening dat gemeenten momenteel onvoldoende instrumenten hebben om ongewenste versnippering van het onderwijsaanbod tegen te gaan?
Bent u bereid te verkennen of gemeenten een zwaardere rol moeten krijgen bij nieuwe schoolstichtingen, bijvoorbeeld door hun oordeel over segregatie-effecten of de gevolgen voor het lokale onderwijsaanbod zwaarder te laten meewegen?
Het met hulp van de Nederlandse overheid overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat 42 Palestijnen uit Gaza met actieve hulp van de Nederlandse overheid naar Nederland zijn overgebracht1?
Waarom acht u het uw taak om Palestijnen uit Gaza naar Nederland te halen, terwijl Nederland al kampt met een ongekende asiel- en migratiecrisis?
Wie heeft aangedrongen op het overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland? Welke non-gouvernementele organisaties (ngo), universiteiten, actiegroepen, ambtenaren, internationale organisaties en andere belanghebbenden hebben hierbij een rol gespeeld en welke kosten zijn er gemaakt?
Waarom staat u het toe dat complete gezinnen meekomen terwijl de verleende visa bedoeld zijn voor studie of werk van individuele personen?
Binnen welke termijn moeten de eerste Palestijnen Nederland weer verlaten? Welke concrete maatregelen worden genomen als zij weigeren terug te keren?
Welke harde garanties bestaan er dat alle 42 Palestijnen Nederland daadwerkelijk verlaten zodra hun visum eindigt?
Kunt u garanderen dat geen van deze Palestijnen na afloop van hun visum een asielaanvraag zal indienen om alsnog permanent verblijf in Nederland af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het binnenhalen van personen uit een door Hamas bestuurd gebied enorme veiligheidsrisico’s met zich kan brengen? Zo ja, waarom brengt u Nederlanders bewust in gevaar door onze grens open te zetten voor personen uit Gaza?
Zijn alle Palestijnen individueel en uitgebreid gescreend op veiligheidsrisico’s, radicalisering, banden met terroristische organisaties, extremistische activiteiten en identiteitsfraude? Hoeveel van deze personen beschikken niet over volledige of verifieerbare identiteitsdocumenten?
Bent u bereid per direct te stoppen met het actief faciliteren van de komst van Palestijnen naar Nederland en ook geen nieuwe visa meer te verstrekken aan personen uit Gaza? Zo nee, waarom niet?
Wilt u al deze Palestijnen samen met alle andere Palestijnen die in Nederland verblijven direct naar Jordanië sturen, de enige echte legitieme Palestijnse Staat en het verzet vanuit het Hashemitische Koninkrijk de prullenbak in gooien? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: ‘Jullie moeten allemaal sterven, vuile fascisten’' |
|
Marjolein Faber (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: «Jullie moeten allemaal sterven vuile fascisten»» en wat is uw reactie op de in het artikel beschreven gebeurtenissen?1
Klopt het dat leden van de Groot-Nederlandse Studentenvereniging (GNSV) in Leiden zijn omsingeld, gevolgd, geïntimideerd en bedreigd door personen die zich met Antifa identificeren, waarbij onder meer uitspraken zouden zijn gedaan als «Ik geef je een nekschot» en «jullie moeten allemaal sterven»?
Welke informatie is hierover bekend bij politie en justitie en deelt u de mening dat dergelijke uitlatingen als ernstige bedreigingen strafrechtelijk onderzocht dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Zijn er naar aanleiding van dit incident aangiftes opgenomen, verdachten geïdentificeerd of onderzoeken gestart? Zo nee waarom niet?
Kunt u tevens aangeven hoe u beoordeelt dat de betrokkenen volgens berichtgeving niet alleen bij het station werden benaderd, maar ook werden gevolgd naar de locatie van hun bijeenkomst?
Deelt u de mening dat studenten, ongeacht hun politieke overtuiging, veilig moeten kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en gebruik moeten kunnen maken van hun recht op vrije meningsuiting en vereniging zonder angst voor intimidatie, geweld of doodsbedreigingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u aan dit incident?
Worden extreemlinkse groeperingen die zich schuldig maken aan intimidatie, bedreiging, geweld of het verstoren van bijeenkomsten voldoende in beeld gebracht door politie, gemeenten en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en kunt u daarbij aangeven hoeveel incidenten waarbij extreemlinkse activisten betrokken waren bij bedreigingen, vernielingen, geweld of verstoringen van bijeenkomsten zich in de afgelopen vijf jaar hebben voorgedaan?
Kunt u uitsluiten dat binnen universiteitssteden een klimaat ontstaat waarin rechtse of conservatieve studenten zich niet langer veilig voelen om hun politieke overtuiging uit te dragen? Zo nee, bent u bereid in overleg te treden met universiteiten en studentenorganisaties om politieke intimidatie en geweld keihard aan te pakken en de Kamer vóór het einde van het zomerreces te informeren over de uitkomsten van eventuele onderzoeken en aanvullende maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Het artikel ‘Kabinet trekt enkele tonnen uit voor Joodse studenten’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met bovenstaand artikel?1
Ja.
Welke «centrale Joodse studentenorganisatie» heeft formeel om financiële middelen gevraagd bij het Ministerie van OCW en welke persoon/personen heeft/hebben dit verzoek namens deze centrale Joodse studentenorganisatie gedaan?
Wanneer is dit verzoek precies gedaan?
Welke specifieke Joodse studentenorganisaties, stichtingen en/of verenigingen zijn aangesloten bij deze centrale Joodse studentenorganisatie?
Welk schriftelijk plan, activiteitenvoorstel of projectvoorstel lag aan de financiering ten grondslag?
Welke concrete activiteiten, doelstellingen en beoogde resultaten waren in dit plan opgenomen en/of welke concrete problemen moesten volgens het plan worden aangepakt?
Welk bedrag is uiteindelijk beschikbaar gesteld, aan welke rechtspersoon of persoon zijn deze middelen toegekend en op grond van welke subsidieregeling, wettelijke bevoegdheid of andere financieringsconstructie is dit gebeurd?
Op basis van welke criteria heeft het ministerie vastgesteld dat de indiener(s) van het voorstel voldoende representatief waren voor de doelgroep waarvoor de middelen bedoeld zijn?
In hoeverre valt deze subsidieverstrekking onder de aanbestedingsplicht?
Subsidies vallen onder het bestuursrecht en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet onder het inkooprecht. Wanneer de Rijksoverheid een subsidie verleent, zijn de reguliere Europese en nationale aanbestedingsregels in beginsel niet van toepassing op het verleningsproces. Om te beoordelen of de besteding van overheidsmiddelen op de juiste wijze geschiedt en geen staatssteun oplevert wordt – zoals gebruikelijk – bij elke ingediende aanvraag een staatssteuncheck uitgevoerd.
Bent u het ermee eens dat de Kamer voor een goede controle van de besteding van publieke middelen volledig moet kunnen vaststellen wie het initiatief heeft genomen, wie het plan heeft opgesteld, wie als gesprekspartner van het ministerie heeft opgetreden en aan wie de middelen uiteindelijk zijn toegekend?
Transparantie is van belang zodat de Kamer in staat is haar controlerende taak uit te oefenen. Zoals bij de beantwoording van vragen 2 t/m 8 genoemd, wordt na de formele besluitvorming voldoende informatie openbaar. Bij individuele subsidieverstrekkingen kent de Kamer geen directe operationele controle, dat betekent o.a. dat zij aan de voorkant van processen niet gaat over de verdeling van middelen. Die exclusieve bestuursbevoegdheid ligt bij de Minister als bestuursorgaan.
Indien dat niet zo is, waarom niet? Indien dat wel zo is, waarom is dat niet gedaan?
In dit specifieke geval is van een subsidiebesluit (nog) geen sprake, slechts van een reservering ten behoeve van verstrekking van middelen ten behoeve van Joodse studenten en medewerkers. In algemene zin controleert de Tweede Kamer via de Grondwet en de Comptabiliteitswet de Minister, die op haar beurt via het bestuursrecht (Awb) toezicht houdt op de individuele subsidierelaties. De Tweede Kamer treedt dus niet op als de bezwaarschriftcommissie of directe controleur van één of meerdere specifieke subsidieontvanger(s).
Bent u zodoende bereid de volledige subsidieaanvraag, het projectplan, de begroting, de beoordelingsstukken, de subsidiebeschikking, de verantwoordingsvoorwaarden en een chronologisch overzicht van alle relevante contacten en besluiten te doen toekomen aan de Kamer?
Zie mijn antwoord op vragen 2 t/m 8.
Ben u ervan op de hoogte dat er in Nederland meerdere Joodse studentenorganisaties zijn en bent u het met mij eens dat deze organisaties evengoed aanspraak zouden moeten kunnen maken op publieke middelen?
Ja, ik ben daarvan op de hoogte. Voor wat betreft hun aanspraak verwijs ik u naar mijn antwoord op vragen 2 t/m 8 en 10–11.
Op welke wijze dienen deze organisaties hun plan/initiatief bij u onder de aandacht te brengen?
Nee, zie mijn antwoord op vragen 10 en 11.
Bent u bereid alsnog een tender uit te schrijven of een gangbare en transparante subsidieprocedure in te richten waarop alle Joodse studentenorganisaties, die dat wensen, kunnen reageren?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom kiest u ervoor zich publiekelijk via Instagram te profileren met de Moslim Studenten Associatie, terwijl joodse studenten al maanden worden weggepest, bedreigd en de campus moeten mijden uit doodsangst door islamitische haat en begrijpt u dat dit de indruk wekt dat joodse zorgen totaal niet serieus worden genomen? Zo nee, waarom niet?1
Ik vind het van groot belang dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs. Daarom spreek ik met een brede groep studenten met verschillende achtergronden.
Ik neem de zorgen van Joodse studenten zeer serieus en zet me via de uitwerking van de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 in om de situatie voor hen te verbeteren.2
Hoeveel gesprekken heeft u sinds 7 oktober 2023 eigenlijk gevoerd met joodse studentenorganisaties over de explosie aan islamitisch antisemitisme of zijn die gesprekken op één hand te tellen omdat u de islamitische agenda prioriteit geeft boven de joodse slachtoffers?
Sinds de aanvang van mijn ambtsperiode voer ik regelmatig gesprekken met een variëteit aan vertegenwoordigers uit de Joodse gemeenschap over hun veiligheid, omdat ik dit belangrijk vind.
Waarom kiest u ervoor om de islamitische agenda voor te trekken door moslimstudenten publiekelijk in de schijnwerpers te zetten, terwijl joodse studenten de dupe worden van deze eenzijdige aanpak en dagelijks te maken hebben met antisemitisme en onveiligheid en is dit niet precies de capitulatie voor de islam die joodse studenten opoffert?
Ik zet geen enkele groep studenten boven de andere. Het is geen competitie. Elke groep studenten is belangrijk voor mij.
Deelt u de mening dat uw Instagram-bericht met de Moslim Studenten Associatie, terwijl joodse studenten dagelijks worden geconfronteerd met islamitische Jodenhaat, antisemitisme en intimidatie, getuigt van verraad aan joodse studenten en capitulatie voor de islamisering van ons onderwijs? Zo nee waarom niet?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 1.
Het opheffen van de afdeling ArtScience door de Hogeschool der Kunsten Den Haag |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de afdeling ArtScience die gezamenlijk vormgegeven wordt door de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en het Koninklijk Conservatorium per september opgeheven wordt?1
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat met het opdelen en elders onderbrengen van de opleidingen van ArtScience de structuur verdwijnt die deze opleidingen met elkaar verbindt en waarvoor studenten zich expliciet hadden ingeschreven?
Wat vindt u ervan dat het besluit tot opheffing er plotseling toe geleid heeft dat studenten van het ArtScience-programma sommige cursussen niet meer kunnen volgen, geen toegang meer hebben tot faciliteiten en geen duidelijke informatie ontvangen over de toekomst van hun studie?
Bent u bereid stappen te ondernemen om het gesprek tussen studenten, medewerkers en het bestuur op gang te brengen om tenminste te kijken wat er gedaan kan worden voor de studenten wiens studievoortgang door dit besluit bedreigd wordt?
Vindt u het een wenselijke gang van zaken dat het besluit tot opheffing van een 35 jaar oude afdeling in één vergadering tot stand lijkt te zijn gekomen en door het hoofd Marketing aan studenten is gecommuniceerd via een bericht op hun online portal?
Kunt u een overzicht geven van of nagaan welke opleidingen in 2026 en 2027 vanwege de bezuinigingen van het kabinet Schoof – inclusief de nog voor 2026 staande bezuinigingen – worden ingekrompen, samengevoegd of geheel verdwijnen?
Begrijpt het kabinet dat het wrang voelt dat er alsnog drastische bezuinigingen worden doorgevoerd op hogescholen en universiteiten terwijl bij de presentatie van het coalitieakkoord bij studenten en medewerkers de hoop werd gewekt dat de bezuinigingen en de gevolgen daarvan zouden worden teruggedraaid?
Waarom is ervoor gekozen een jaar te wachten met het terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen van het kabinet Schoof?
Erkent u dat nieuwe investeringen daarmee voor sommige opleidingen en studenten te laat zullen komen?
Bent u van plan om maatregelen te treffen om opleidingen die geheel of als opzichzelfstaande opleiding verdwijnen vanwege de staande bezuinigingen financieel te ondersteunen om zo de periode tot het daadwerkelijk terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen te overbruggen?
In hoeverre wordt bij de in uw Beleidsbrief 2026–2030 genoemde «lastige keuzes» voor een nieuwe verdeling van middelen specifiek rekening gehouden met het voortbestaan van kleine of niche studies of studies die anderszins grote gevolgen hebben ondervonden aan de onderwijsbezuinigingen?
Wanneer gaat u duidelijkheid geven over deze nieuwe verdeling en bent u het ermee eens dat als dit niet voor de zomer gebeurt studenten geen goed geïnformeerde keuzes kunnen maken over hun studie en onderwijsinstellingen in onzekerheid blijven over het onderwijs dat ze komende jaren kunnen bieden?
Indien u de hierboven genoemde maatregelen zoals het alsnog terugdraaien van de bezuinigingen voor 2026, het financieel ondersteunen van instellingen ter overbrugging, of het bij de herverdeling van middelen rekening houden met studies die geraakt zijn door de bezuinigingen niet gaat nemen, welke maatregelen bent u dan bereid te nemen om studenten die hierdoor geraakt zijn te helpen?
Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Bruggen , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
Het artikel 'Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8»?1
Hoe beoordeelt u de signalen van vmbo- en praktijkscholen dat het beleid van zogenoemd kansrijk adviseren leidt tot grote aantallen afstromende leerlingen, extra werkdruk, stijgend ziekteverzuim en organisatorische problemen binnen scholen?
Deelt u de opvatting dat een beleid dat bedoeld is om kansen te vergroten, maar in de praktijk leidt tot teleurstelling, faalervaringen en gedwongen schoolwisselingen voor duizenden kinderen, zijn doel voorbijschiet? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel leerlingen zijn sinds de invoering van het beleid rond kansrijk adviseren alsnog afgestroomd naar een lager onderwijsniveau en bent u bereid inzichtelijk te maken welke gevolgen dit heeft gehad voor de personele inzet, de ondersteuningsbehoefte en de kosten binnen het vmbo en praktijkonderwijs?
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt hoeveel leerlingen die op basis van een kansrijk advies instromen uiteindelijk binnen één, twee of drie jaar alsnog afstromen naar een lager onderwijsniveau? Zo ja, kunt u deze gegevens, uitgesplitst naar schoolsoort en schooljaar sinds de invoering van dit beleid, met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt de effectiviteit van dit beleid niet systematisch gemonitord?
Erkent u dat het streven naar kansengelijkheid nooit ten koste mag gaan van realistische schooladviezen, onderwijskwaliteit en het welzijn van leerlingen? Zo ja, bent u bereid het beleid rond kansrijk adviseren te heroverwegen en te onderzoeken hoe het professionele oordeel van leraren weer zwaarder kan gaan wegen?
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten in Nederland |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Iraanse studenten in Nederland op dit moment in betalingsproblemen komen en mogelijk moeten terugkeren naar Iran als zij, bijvoorbeeld, hun collegegeld niet kunnen betalen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Ja, ik ken het bericht. Ik heb signalen ontvangen dat een deel van de Iraanse studenten in Nederland moeite heeft om zich op hun studie te kunnen concentreren door de heftige thuissituatie. In bepaalde gevallen komen daar ook nog eens financiële problemen bij, zoals geen toegang hebben tot je bankrekening.
Wat is precies bekend over de omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven? Zijn u coulanceregelingen bekend voor het treffen van een betalingsregeling als Iraanse studenten in financiële problemen geraken? Zo ja, welke onderwijsinstellingen bieden financiële ondersteuning en waaruit bestaan deze regelingen precies voor wat betreft ondersteuning bij de kosten voor levensonderhoud, studiekosten en dergelijke?
De omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven kunnen per student verschillen. In het algemeen geldt dat Iraanse studenten in Nederland verblijven op basis van een studievisum voor studenten en dat ze zijn ingeschreven bij een hogeschool of universiteit. Net als andere internationale studenten van buiten de Europese Economische Ruimte komen studenten uit Iran niet in aanmerking voor het wettelijke collegegeld of studiefinanciering. Op basis van hun studievisum mogen Iraanse studenten het hele jaar door tot maximaal 16 uur per week werken in loondienst of in plaats daarvan voltijdswerken in de maanden juni, juli en augustus. Hun werkgever moet dan een tewerkstellingsvergunning aanvragen. Internationale studenten kunnen ook werken als zzp’er.
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) biedt ruimte voor hogescholen en universiteiten om maatwerk te verzorgen om zo goed mogelijk aan te kunnen sluiten bij de specifieke situatie van een student. Ik zie dat instellingen hier ook gebruik van maken. Zo ondersteunen instellingen deze studenten bijvoorbeeld via het treffen van betalingsregelingen, het opstellen van een noodfonds, het tijdelijk opheffen van herinschrijfblokkades, (mentale) begeleiding via studentpsychologen, studentendecanen en social workers voor internationale studenten en het organiseren van bijeenkomsten voor studenten en medewerkers om samen te komen en elkaar te ondersteunen.
Ik heb geen centraal overzicht van welke onderwijsinstellingen financiële ondersteuning bieden en waaruit die getroffen regelingen precies bestaan. De koepelorganisaties VH en UNL beschikken hier ook niet over. De wijze van ondersteuning kan per student verschillen. Instellingen kunnen samen met de student nagaan welke beschikbare oplossing het best past bij de specifieke situatie van de student.
Klopt het dat bij het niet voldoen van het collegegeld automatische uitschrijving bij de onderwijsinstelling volgt en dat dan ook het verblijfsrecht in Nederland vervalt? Zijn u gevallen bekend waarin Iraanse studenten door financiële problematiek hun verblijfsrecht in Nederland dreigen te verliezen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hier?
Volgens de WHW is betaling van het collegegeld een voorwaarde voor een geldige inschrijving als student. Bij de inschrijving van een student aan een hogeschool of universiteit wordt gevraagd om aan te tonen dat het collegegeld betaald is of zal worden (artikel 7.37 WHW). De afspraken over betaaldata, termijnen en eventuele mogelijkheden voor uitstel van betaling zijn niet wettelijk vastgelegd. Hier kan een instelling zelf afspraken over maken. Instellingen spannen zich waar mogelijk in, zodat studenten ingeschreven blijven staan. Er is geen sprake van een automatische uitschrijving als een student het collegegeld niet heeft voldaan. Wel regelt de WHW dat een instellingsbestuur de inschrijving mag beëindigen indien een student het collegegeld na aanmaning niet heeft voldaan (artikel 7.42 tweede lid WHW).
Wanneer een onderwijsinstelling een student van buiten de EER uitschrijft, voldoet de student niet meer aan het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor studie is afgegeven en wordt deze verblijfsvergunning ingetrokken. De EU-richtlijn 2016/801 inzake voorwaarden voor de toelating en het verblijf van onder meer studenten van buiten de EU schrijft dit ook voor (artikel 21, eerste lid, onder a). Wel dient een lidstaat in elk besluit tot intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd (artikel 21, zevende lid). Voordat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, beoordeelt de IND per geval of er individuele redenen zijn om van intrekking c.q. niet-verlenging af te zien.
Naast een geldige inschrijving bij een onderwijsinstelling dienen studenten gedurende hun verblijf over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Bij de IND zijn signalen bekend dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan dit middelenvereiste te blijven voldoen. Om hoeveel studenten het gaat is niet bekend.
Intrekking van de verblijfsvergunning voor studie betekent het verval van het verblijfsrecht, tenzij de desbetreffende voormalige student op grond van een andere toelatingsgrond dan studie in aanmerking komt voor verblijf in Nederland.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe Iraanse studenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund bij de studiekosten en kosten van het levensonderhoud? Zo nee, waarom niet?
Vooralsnog worden er geen aanvullende algemene maatregelen voor studenten en onderwijsinstellingen overwogen. Wel ben ik met instellingen in gesprek over de signalen die zij binnenkrijgen en zal ik ook het gesprek voeren over grenzen waar zij tegenaan lopen.
Binnen de WHW is ruimte opgenomen voor onderwijsinstellingen om maatwerk te bieden en studenten financieel te ondersteunen, zodat rekening gehouden kan worden met de specifieke omstandigheden van een getroffen student.
Er zijn bijvoorbeeld instellingen die een noodfonds hebben ingesteld, betalingsregelingen hebben getroffen met studenten wanneer zij het collegegeld niet kunnen betalen en herinschrijfblokkades tijdelijk hebben opgeheven. Ook kunnen instellingen het instellingscollegegeldtarief voor bepaalde groepen studenten verlagen tot minimaal het wettelijk collegegeldtarief. Het is aan de instelling zelf om te bepalen of zij van deze mogelijkheid gebruik maken.
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te voorkomen dat betalingsproblemen leiden tot uitschrijving bij de betreffende onderwijsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten spannen zich waar mogelijk in om te voorkomen dat betalingsproblemen van Iraanse studenten leiden tot uitschrijving en zij hun verblijfsvergunning verliezen. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Ik ben met onderwijsinstellingen in gesprek over de situatie van Iraanse studenten in Nederland en de problemen die een deel van de Iraanse studenten in Nederland ervaren gaan ons aan het hart. Ik vraag instellingen om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden. Ik zie dat instellingen dit ook doen.
Bent u bereid om bij deze groep Iraanse studenten in Nederland af te zien van het intrekken van studievisa? Zo nee, waarom niet?
Indien een vreemdeling niet meer voldoet aan het verblijfsdoel waarvoor zijn verblijfsvergunning is afgegeven, wordt deze vergunning in beginsel ingetrokken. Op grond van de in antwoord 3 genoemde EU-richtlijn is een categorale regeling voor Iraanse studenten, zoals voorgesteld in de vraag, niet mogelijk.
Bent u bereid om samen met onderwijsinstellingen te bezien hoe onder de huidige omstandigheden materiële en mentale steun aan de groep Iraanse studenten in Nederland geboden kan worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 en 4 biedt de WHW ruimte voor hogescholen en universiteiten om maatwerk te verzorgen om studenten zo goed mogelijk te ondersteunen. Veel instellingen maken daar ook gebruik van.
Zo zijn er instellingen die bijeenkomsten organiseren om Iraanse studenten een hart onder de riem te steken, zoals ook aangehaald wordt in het bericht uit
vraag 1, of die extra inzetten op begeleiding. Daarnaast zijn hogescholen en universiteiten verplicht om bij het hanteren van een bindend studieadvies rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student. En kunnen studenten zich wenden tot een examencommissie, studieadviseur of de Commissie Persoonlijke Omstandigheden (CPO), die bekijkt of en in welke mate er sprake is van studievertraging en hoe hiermee om te gaan.
Ik ben met instellingen in gesprek over de signalen die zij binnenkrijgen en zal ook het gesprek voeren over grenzen waar zij tegenaan lopen.
Bent u bereid om, met het oog op de naderende deadline voor de inschrijving aan onderwijsinstellingen, deze schriftelijke vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'De islam neemt de Duitse klaslokalen over' |
|
Geert Wilders (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente Der Spiegel-artikel van 14 mei 2026, waarin een schooldirectrice in Noord-Duitsland beschrijft hoe een kleine groep islamitische leerlingen met groepsdruk, halal-eisen, verplichte hoofdbedekking voor meisjes vanaf groep 7 en afwijzing van muziek en kerst de hele schoolcultuur naar hun hand zet?1, 2
Ja, daarvan ben ik op de hoogte.
Erkent u dat de openbare scholen in Nederland in rap tempo islamiseren onder invloed van dezelfde barbaarse ideologie, met almaar hardere eisen over halal-voeding, gebedsruimtes, verplichte bedekkende kleding en aanpassingen van lesstof? Zo nee, waarom niet?
Bij mij zijn geen signalen bekend van wat uw leden de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemen.
Wettelijk is vastgelegd dat openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging. In dat opzicht is het openbaar onderwijs neutraal. Dat betekent onder andere dat het onderwijs niet doorslaat in de richting van één bepaalde religie en dat aan leerlingen geen religieuze leefregels worden opgelegd. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet hierop toe.
Voor gebedsruimtes specifiek geldt dat ze in openbare scholen niet hoeven te bestaan. Het is aan openbare scholen zelf om te beoordelen of ze in een gebedsruimte kunnen en willen voorzien.
Hoelang blijft u willens en wetens werkeloos toekijken terwijl de barbaarse ideologie onze openbare scholen in hoog tempo islamiseert, totdat we net als in Duitsland het punt bereiken waarop leerkrachten volledig de controle kwijt zijn en de schoolcultuur verloren is?
Bij mij zijn geen signalen bekend van wat uw leden de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemen.
Waarom durft u de radicale barbaarse ideologie islam die hierachter zit niet gewoon bij naam te noemen, terwijl zelfs een links blad als Der Spiegel spreekt over ondraaglijke groepsdwang en het einde van een normale schoolcultuur? Hoelang blijft u deze gevaarlijke ideologie nog beschermen tegen kritiek, ten koste van Nederlandse leerkrachten, meisjes en de toekomst van ons openbaar onderwijs?
Het openbaar onderwijs is neutraal. De inspectie ziet hierop toe.
Welke harde maatregelen gaat u nemen, denk aan een duidelijk verbod op islamitische druk op scholen, geen subsidies meer voor extremistische organisaties en strenge handhaving om te voorkomen dat Nederlandse scholen dezelfde kant op gaan als in Duitsland?
Ik zie geen noodzaak om maatregelen te nemen, aangezien bij mij geen signalen bekend zijn van wat u de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemt.
Hoe kunt u het nog langer tolereren dat leerkrachten en schoolleiders geïntimideerd en monddood gemaakt worden uit angst voor racismeverwijten, terwijl deze barbaarse ideologie steeds meer terrein wint en onze seculiere scholen dreigt over te nemen?
Een school moet veilig zijn voor alle leerlingen en onderwijspersoneel, zodat bijvoorbeeld over angst voor racismeverwijten op een open manier kan worden gesproken. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie ziet hierop toe. Daarnaast scherp ik met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs de zorgplicht voor de veiligheid aan. Daarmee krijgen scholen scherper zicht op de veiligheid, bieden we betere ondersteuning en begeleiding bij onveiligheid en zorgen we dat het veiligheidsbeleid wordt gecoördineerd en jaarlijks wordt gecoördineerd.
Het bericht dat op middelbare scholen commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat op middelbare scholen, zoals bij het Mondial College in Nijmegen, commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school?1
Ja.
Klopt het dat commerciële partijen via schermen en posters in scholen op deze manier onder de aandacht worden gebracht bij leerlingen tijdens schooltijd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving horen te zijn en geen plek waar kinderen worden verleid met commerciële advertenties? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving moeten bieden waarin de ontwikkeling, het belang en het welzijn van leerlingen centraal staan. Binnen de wettelijke kaders hebben scholen de ruimte om hun eigen afwegingen te maken omtrent sponsoring en reclame-uitingen op school, maar deze ruimte is niet vrijblijvend. In het Sponsorconvenant2 zijn heldere normen en criteria afgesproken om leerlingen te beschermen tegen schadelijke reclame-uitingen. Met het sponsorconvenant helpen we scholen bij zorgvuldige en transparante besluitvorming over het aangaan van sponsorovereenkomsten. Zo mag sponsoring de ontwikkeling van leerlingen niet schaden en moet dit passen bij de pedagogische en onderwijskundige taak van de school. Daarnaast mag de onderwijsinhoud niet worden beïnvloed en de kernactiviteiten van de school dienen niet afhankelijk te worden van sponsorinkomsten. Ik verwacht van scholen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en dialoog voeren met hun medezeggenschapsraad bij het overwegen van een sponsorovereenkomst.
Mocht een school in de praktijk toch de grenzen van het convenant of de wet overschrijden, dan is het de verantwoordelijkheid van het bestuur om hierop aanspreekbaar te zijn. Belanghebbenden kunnen eventuele misstanden formeel aanhangig maken via de interne klachtenprocedure van de school. Daarnaast biedt de Reclame Code Commissie een laagdrempelige route om de inhoud van specifieke sponsor- of reclame-uitingen te laten toetsen aan de Nederlandse Reclamecode.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak het voorkomt dat scholen commerciële advertenties via schermen of posters tonen? Kun u aangeven over wat voor soort producten dit gaat en waar in de scholen deze worden tentoongesteld?
Dit wordt niet door het Ministerie van OCW bijgehouden.
Deelt u de opvatting dat wanneer een externe partij geld verdient aan de aandacht van leerlingen, dit niet op thuishoort?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de opvatting dat scholen minderjarigen horen te beschermen tegen ongewenste commerciële reclames, juist ook vanwege het groeiende aantal jongeren met schuldenproblematiek, de impulsaankoopgevoeligheid en de grote mentale druk onder jongeren om erbij te horen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe voorkomt u dat commerciële partijen via scholen ongewenst invloed krijgen op het consumptiegedrag van kinderen, waarbij kinderen een extra kwetsbare doelgroep zijn, zowel vanwege hun leeftijd als het feit dat zij de plek van adverteren (de school) niet kunnen mijden?
Het uitgangspunt is dat de school een veilige, neutrale omgeving moet zijn waar leerlingen op een goede manier onderwijs kunnen volgen. De overheid voorkomt schadelijke beïnvloeding door wettelijke randvoorwaarden te stellen aan de besluitvorming omtrent reclame-uitingen en via sectorafspraken zoals opgenomen in het Sponsorconvenant.
Scholen zijn wettelijk verplicht om hun sponsorbeleid vooraf helder op te nemen in het schoolplan en de schoolgids. Hierdoor zijn de keuzes transparant voor inspectie, ouders en leerlingen. Ook is in de wet vastgelegd dat de school de medezeggenschapsraad moet betrekken bij besluiten over sponsoring. Een school kan dus niet zomaar besluiten over sponsoring of reclame. Mocht een school de wettelijke voorschriften niet naleven, dan voorziet de wet in een formele klachtenregeling.
Bestaan er op dit wetgeving of afspraken over commerciële reclames binnen schoolgebouwen in onderwijs? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u inzicht geven in de afspraken die scholen hebben met deze commerciële partijen en hierbij ook inzicht geven in wat er gebeurt met de opbrengsten van het beschikbaar stellen van reclameplekken door scholen?
Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor het opstellen en ondertekenen van een sponsorovereenkomst. In het Sponsorconvenant is opgenomen dat scholen sponsorinkomsten apart zichtbaar moeten maken in de jaarrekening van de school. Over de periode van 2020–2024 ging het om 0,006%3 van de totale baten van de scholen in het primair- en voortgezet onderwijs. Wat een school vervolgens doet met de opbrengsten, wordt niet bijgehouden.
Is het mogelijk om reclameuitingen op scholen te verbieden? Waarom wel of niet en welke subsidiaire mogelijkheden zijn er?
Op dit moment bieden de huidige wetgeving en het Sponsorconvenant scholen al voldoende handvatten om bewuste, autonome keuzes te maken. De regie ligt hiermee bij de school en de medezeggenschapsraad.
Om de naleving scherp te houden, is met de convenantpartijen afgesproken om het Sponsorconvenant ieder schooljaar onder de aandacht te brengen van het onderwijsveld. Het Sponsorconvenant wordt daarnaast elke vijf jaar geëvalueerd, de eerstvolgende evaluatie wordt in 2029 gedaan. Op dit moment zie ik dan ook geen aanleiding voor aanvullende wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor de behandeling van de Slotwet OCW 2025?2
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Het is cruciaal dat kinderen veilig zijn en scholen hebben hier een belangrijke rol in, met name in signalering. Het is dus een positieve ontwikkeling dat scholen steeds vaker Veilig Thuis benaderen: meer kinderen krijgen daardoor de ondersteuning en bescherming die ze nodig hebben. Tegelijkertijd brengt de forse toename van adviesvragen en meldingen een aanzienlijke druk op de capaciteit van Veilig Thuis met zich mee. Kindermishandeling is een hardnekkig probleem en een goede verbinding tussen school en Veilig Thuis is belangrijk om passende ondersteuning en bescherming te bieden.
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Ja, het aantal meldingen uit het onderwijs is de afgelopen jaren met ruim 1.600 gestegen. Cijfers van het CBS geven het volgende beeld:
2022
4.630
2023
5.420
2024
5.690
2025
6.290
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Ja, ik deel die mening. Leerkrachten en ander onderwijspersoneel hebben een belangrijke signalerende rol. Zij zien hun leerlingen vrijwel dagelijks en kunnen signalen in de klas opvangen van kindermishandeling en kunnen hiermee het verschil maken voor een leerling. Het is goed om te zien dat scholen hierbij ook vaker de weg naar Veilig Thuis weten te vinden, zij kunnen de leerkrachten ook steunen in de verantwoordelijkheid die zij voelen om goed met de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling om te gaan.
Alle scholen in Nederland hebben de plicht om de meldcode Veilig Thuis te gebruiken, deze schooleigen te maken en toe te passen bij vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld. Voor het onderwijs is hierbij ook een afwegingskader gemaakt, dat scholen helpt bij het goed gebruiken van de meldcode2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Het is belangrijk dat professionals bij Veilig Thuis en die in het onderwijs elkaars werk kennen en oog hebben voor ieders perspectief. Zo kan het voor scholen bij vermoedens lastig zijn om te melden, omdat zij altijd te maken hebben met een vertrouwensrelatie met de ouders en het kind zelf. Bij twijfel over hoe te handelen kunnen scholen al bij stap 2 in de meldcode contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is belangrijk dat scholen dit bij twijfel ook doen.
Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de inspectierapporten over de casus Vlaardingen, is het afgelopen jaar en dit jaar geïnvesteerd in scholing voor professionals in het onderwijs (bijvoorbeeld intern begeleiders, aandachtsfunctionarissen en leraren), specifiek gericht op de rol van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze trainingen worden verzorgd door de landelijke vereniging van aandachtsfunctionarissen (LVAK) en zijn vormgegeven samen met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.
Het kabinet werkt daarnaast aan een versteviging van de adviesfunctie in de meldcode, daarbij wordt de mogelijkheid van een adviesplicht afgewogen.
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Bij vrijwel alle Veilig Thuis-organisaties bestaan wachtlijsten. Dit uit zich vooral in het niet halen van de wettelijke termijn van tien weken voor de dienst «onderzoek en vervolg» en het niet tijdig afronden van de veiligheidsbeoordeling binnen vijf dagen.
Een eenduidig landelijk beeld van de wachtlijsten is niet te geven: Mede vanwege de manier van aanbesteden door gemeenten en de afspraken die zijn gemaakt over de bijbehorende verantwoording van Veilig Thuis aan de gemeenten, bestaan er verschillen in hoe het al dan niet behalen van de termijn wordt geregistreerd. De noodzaak om hier gezamenlijk verbetering in aan te brengen wordt door alle betrokken partijen diep gevoeld. Daarom werk ik samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG hard aan een meer uniforme manier van werken en registreren binnen Veilig Thuis.
De IGJ houdt toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van Veilig Thuis.
Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld. Ik breng daarnaast samen met het LNVT, VNG, J&V en de IGJ in kaart welke aanpassingen in wettelijke taken en grondslagen van Veilig Thuis nodig zijn om gezinnen en huishoudens sneller de juiste zorg en ondersteuning te bieden.
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Alle meldingen die bij Veilig Thuis binnenkomen, worden binnen 24 uur inhoudelijk beoordeeld op urgentie. Deze beoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide professionals, die kijken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen daarbij direct prioriteit.
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Sinds de situatie van het Vlaardings pleeggezin heeft Veilig Thuis intensief voorlichting gegeven over het zelf melden van mishandeling van kinderen («disclosure»). Deze voorlichting richt zich onder meer op wat professionals in zo'n situatie kunnen en moeten doen.
Disclosure valt altijd onder de noemer «acuut en/of structureel onveilige situatie». Binnen de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt daarom als professionele norm dat er een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis en dat een top tot teen-onderzoek volgt.
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
De wachtlijsten bij Veilig Thuis kennen meerdere oorzaken. Waar mogelijk werkt Veilig Thuis actief aan het wegnemen daarvan.
Om achterstanden terug te dringen en meldingen sneller op te pakken, worden extra maatregelen ingezet. Voorbeelden zijn gezamenlijke overwerksessies en doorbraakteams die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.
Om personeelsverloop en -tekorten aan te pakken worden landelijk en regionaal wervingscampagnes gevoerd en informatiebijeenkomsten en speeddates georganiseerd voor geïnteresseerde kandidaten. Daarnaast wordt actief samengewerkt met hogescholen om studenten kennis te laten maken met het werk van Veilig Thuis. Ook wordt geïnvesteerd in zijinstromers en young professionals, die via begeleiding, opleiding en een zorgvuldig inwerkprogramma geleidelijk worden voorbereid op deze complexe werkzaamheden.
Verder is geïnvesteerd in het digitale ondersteuningsaanbod, zodat eerder en efficiënter advies en ondersteuning kan worden geboden. De gedachte is dat vroegtijdig oppakken van signalen erger kan voorkomen met minder intensieve interventies, wat uiteindelijk het aantal meldingen doet afnemen. Daarnaast worden werkprocessen continu doorontwikkeld en worden in de regio's samenwerkingsafspraken gemaakt om specifieke knelpunten lokaal aan te pakken.
Tot slot richt het Toekomstscenario zich op het verbeteren van de aanpak in brede zin. Het doel is om meer situaties van onveiligheid binnen gezinnen op te pakken via sterke lokale wijkteams, met veiligheidsexpertise dichtbij. Dit moet leiden tot snellere en passende hulp, waardoor situaties minder snel escaleren en meldingen minder vaak nodig zijn.
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Veilig Thuis is de enige partij binnen het vrijwillig kader met een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van informatie met partijen in zowel het vrijwillige als het gedwongen kader. Bij een melding wordt standaard een check op bekendheid uitgevoerd bij een aantal vaste partijen, zoals de politie, de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Afhankelijk van de melding kan Veilig Thuis ook bij andere partijen informatie opvragen, zoals bij school, huisarts of het lokaal team.
Hiervoor is Veilig Thuis wel afhankelijk van informatie over wie er bij de situatie betrokken zijn. Als betrokken organisaties die informatie niet verstrekken, bijvoorbeeld omdat zij het beroepsgeheim laten prevaleren boven het delen van informatie, heeft Veilig Thuis onvoldoende basis om te kunnen handelen.
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
Er bestaan inderdaad grote regionale verschillen in wachttijden bij Veilig Thuis. De afhandeling van meldingen is in de basis echter gelijk: alle 25 Veilig Thuis-organisaties werken met hetzelfde handelingsprotocol. Verschillen in regionale samenwerking, bijvoorbeeld wachtlijsten bij ketenpartners, kunnen desondanks van invloed zijn op de wachttijden.
Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG wordt nadrukkelijk verkend hoe de werkwijze verder geüniformeerd kan worden. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke aanscherping van de wettelijke vereisten en naar wat de minimale basis voor elke gemeente zou moeten zijn.
De 'Summer School on Palestine' van het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam |
|
Annette Raijer (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam georganiseerde «Summer School on Palestine», waarin expliciet wordt gesproken over «legal mobilisation, solidarity and resistance» en waarbij wordt samengewerkt met Birzeit University?1, 2, 3, 4
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Birzeit University internationaal onder vuur ligt vanwege Hamasinvloed op de campus, Hamasgelieerde studentenorganisaties en meerdere incidenten rondom extremisme en radicalisering en vindt u samenwerking met een dergelijke instelling wenselijk voor een Nederlandse publieke universiteit?
Het is aan universiteiten om eigen afwegingen te maken bij het aangaan of continueren van samenwerkingen. Van instellingen verwacht ik dat zij zich voortdurend inzetten om een veilige leer- en werkomgeving, de academische vrijheid en het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te borgen. Dit betekent dat zij regelmatig hun risico’s inventariseren en proportioneel veiligheidsbeleid voeren.
Bent u het ermee eens dat termen als «resistance» in de context van een samenwerking met een universiteit waar Hamasgelieerde studentenbewegingen actief zijn, op zijn minst buitengewoon ongepast en zorgwekkend zijn? Zo nee, waarom niet?
Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het onderwijs. Het past niet bij de academische vrijheid dat ik commentaar lever op de inhoud van een onderwijsprogramma.
Klopt het dat voor deze samenwerking een delegatie van studenten, medewerkers en docenten van Birzeit University naar Nederland en Den Haag zal reizen? Zo ja, op welke wijze worden deze personen vooraf gecontroleerd op mogelijke Hamas sympathieën, steun voor terrorisme of antisemitische standpunten en welke veiligheidsrisico’s acht de regering hierbij aanwezig?
Ja, het klopt dat er voor deze samenwerking een delegatie van Birzeit University naar Nederland reist.
Kennisinstellingen zijn bij uitstek plekken van open dialoog. Vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid staan hier centraal. Wanneer personen uitlatingen doen die aanzetten tot haat, geweld, discriminatie, of opruiend zijn beschouw ik dat als risico voor de veiligheid op de instelling. In deze gevallen is er mogelijk sprake van een strafbaar feit. Indien deze situatie zich voordoet is het daarom zaak dat de instelling aangifte doet. Strafrechtelijk optreden is in concrete gevallen mogelijk door de politie en het Openbaar Ministerie.
Hoe verhoudt deze ideologische eenzijdigheid zich tot academische pluriformiteit en wetenschappelijke objectiviteit?
Zie mijn antwoord op vraag 3. Universiteiten vervullen een essentiële rol in het maatschappelijk debat over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ik acht het daarom van belang dat er ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven binnen politiek-maatschappelijke thema’s.
Wat schiet de Nederlandse belastingbetaler concreet op met het financieren van een activistische «Summer School on Palestine» waarin termen als «solidarity» en «resistance» centraal staan en wordt samengewerkt met Birzeit University en waarom moet publiek geld worden besteed aan dit soort ideologische programma’s?
Ik doe als Minister geen uitspraken over de inhoud en kwaliteit van een summer school. Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken, het verzorgen van onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan de maatschappij uit te voeren. De rijksbijdrage wordt als lumpsum uitgekeerd. Hogescholen en universiteiten bepalen binnen de kaders van de wet hoe zij de middelen inzetten en verantwoorden zich hierover via het jaarverslag.
Deelt u de mening dat dit soort eenzijdige activistische programma’s, waarin anti Israëlische retoriek en termen als «resistance» centraal staan en wordt samengewerkt met een universiteit waar Hamasinvloed en Hamasgelieerde studentenbewegingen actief zijn, bijdragen aan de normalisering van antisemitisme en het gevoel van onveiligheid onder Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten ernstig vergroten? Zo nee, waarom niet?
Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het onderwijs en voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Het past niet bij de academische vrijheid dat ik commentaar lever over de inhoud van een onderwijsprogramma of een academische samenwerking. Wel verwacht ik van instellingen dat zij zich voortdurend inzetten om de veilige leer- en werkomgeving te borgen en programma’s aanbieden die passen binnen de academische kernwaarden.
Bent u bereid het College van Bestuur van Erasmus Universiteit Rotterdam ter verantwoording te roepen over het faciliteren van een programma met banden met een universiteit waar Hamasinvloed en Hamasgelieerde studentenorganisaties actief zijn en maatregelen te nemen zodat publieke universiteiten zich weer richten op neutraal onderwijs, wetenschap en academische vrijheid in plaats van ideologische activistische programma’s die bijdragen aan antisemitisme en gevoelens van onveiligheid onder Joodse studenten en medewerkers? Zo nee, waarom niet?
Ik zie op dit onderwerp geen aanleiding om met het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam in gesprek te gaan. Het is aan universiteiten om eigen afwegingen te maken bij het aangaan of continueren van samenwerkingen.
Bent u bekend met het feit dat debatcentrum Pakhuis de Zwijger heeft besloten de eminente migratiedeskundige Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn, niet deel te laten nemen aan een debat op 1 juni dit jaar, nadat hij hier eerder wel voor was uitgenodigd?1
Ja.
Pakhuis de Zwijger motiveerde de intrekking van de uitnodiging aan Koopmans met «persoonlijke uitingen op sociale media» van Koopmans, die niet zouden passen bij de «eigen waarden en omgangsvormen» Wat vindt u van deze motivatie?
Voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen geldt dat zij artistiek en inhoudelijk autonoom zijn. Dit is een belangrijk uitgangspunt in een democratische rechtsstaat. Wel geldt in algemene zin dat van instellingen met een publieke debat- of dialoogfunctie mag worden verwacht dat zij een podium geven aan verschillende stemmen en opvattingen in het debat. Het is echter niet aan het kabinet om programmering inhoudelijk te beoordelen of te sturen op specifieke politieke of ideologische vertegenwoordiging.
Hoe een instelling invulling geeft aan de programmering en hoe dit wordt georganiseerd is ter beoordeling van de instelling. De uiteindelijke afweging blijft altijd aan de instelling zelf. De Raad voor Cultuur bevordert het gesprek in de culturele sector over invulling van de maatschappelijke doelstellingen. Een belangrijke aanjager hiervan is het advies «Maken (z)onder druk» dat de Raad voor Cultuur begin dit jaar heeft uitgebracht. In dit advies wordt ingegaan op in welke mate de artistieke vrijheid in Nederland onder druk staat, wat daar mogelijke oorzaken van zijn en welke handelingsperspectieven er zijn voor overheid, het culturele veld en het onderwijs om die vrijheid te beschermen.
Pakhuis de Zwijger ontvangt een subsidie in de context van de Regeling vierjarige instellingssubsidie 2025–2028 van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Het is aan het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie om de toegevoegde waarde van de activiteiten en de programmering van een aanvragende instelling onder deze regeling inhoudelijk te beoordelen. Indien het gaat om BIS- aanvragen: bij de beantwoording van BIS- aanvragen heeft de Raad voor Cultuur, zoals in al zijn advisering, rekening gehouden met de in «Advies aanvraag- en beoordelingsproces BIS 2025–2028» genoemde doelstellingen.
Pakhuis de Zwijger trad in 2023 na een juridische strijd toe tot de Culturele Basisinfrastructuur (BIS), waarna het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie Pakhuis de Zwijger in juli 2024 voor de periode 2025–2028 in het kader van de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» een zogenoemde categorie 1 subsidie toekende van 2,2 miljoen euro. Is uw ministerie betrokken geweest bij deze toekenning en zo, ja hoe?2
OCW is niet betrokken geweest bij het toekennen van de subsidie via de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Dit fonds maakt eigen afwegingen op grond van de in vraag 3 genoemde «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie». De regeling beschrijft ook het selectieproces. Zie hiervoor de eindnoot (a).3
Pakhuis de Zwijger heeft ook aanvragen voor subsidie gedaan bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) en Europese subsidiegelden. Is u bekend of deze aanvragen zijn gehonoreerd en zo ja, om welke bedragen het gaat en wat het totale aandeel is van subsidie in de financieringsmix van Pakhuis de Zwijger?
Verschillende aanvragen zijn gehonoreerd. Voor 2026 zijn de structurele subsidies voor Pakhuis de Zwijger:
De totale begroting van Pakhuis de Zwijger in 2026 bedraagt € 5.760.500. Het percentage subsidie is 19.1%.
Incidentele eenmalige subsidie die ontvangen is in 2026:
€ 35.000 voor 2026 (deel uitmakend van een projectsubsidie voor 2025–2026).
Tevens is Pakhuis de Zwijger de penvoerder van een tweejarige projectsubsidie van de gemeente Amsterdam. Dit gaat om € 250.000 ten bate van de «Alliantie Samen tegen Racisme» die wordt uitgevoerd met een grote groep samenwerkingspartners. Deze subsidie is voor het project, niet voor Pakhuis de Zwijger.
Deelt u de opvatting dat Pakhuis de Zwijger als debatcentrum natuurlijk vrijheid van vereniging geniet en vrij is sprekers uit te nodigen volgens eigen criteria, maar dat het tegelijk door de ruimhartige rijkssubsidie en de status van nationaal debatpodium gehouden is aan een maatschappelijke opdracht om een debat een echt debat te laten zijn door ook ruimte te geven aan standpunten waar de organisatie het niet mee eens is, omdat anders het risico dreigt dat Pakhuis de Zwijger een echokamer wordt die alleen nog de eigen opvattingen van de leiding van de instelling bevestigt?
Zie het antwoord op vraag 2
Hoe beoordeelt u de behandeling van Ruud Koopmans door Pakhuis de Zwijger in het licht van het advies van de Raad voor Cultuur uit 2023 dat «pluriformiteit» noemt als een van de vier doelstellingen waaraan cultuurbeleid in het kader van de BIS moet bijdragen («cultuur geldt als vrijhaven en plek voor debat binnen de maatschappij»)?3
Zie het antwoord op vraag 2
Bent u het eens met de stelling dat het cancelen van Ruud Koopmans niet past bij de inclusiviteit die Pakhuis de Zwijger zelf zegt na te streven zoals blijkt uit de eigen website – «wij willen mensen samenbrengen en zoeken naar de gemeenschappelijke delers, daarbij zijn we niet bang om ongemakkelijke gesprekken aan te gaan» – en uit de aanvraag van Pakhuis de Zwijger voor de Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie die benadrukt dat het debatcentrum in de periode 2025–2028 de focus wil leggen op «het vormgeven van een toekomst waarin iedereen zich thuis kan voelen?»4
Zie het antwoord op vraag 2
Het bericht ‘Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Onderkent u dat de kennis en studie van het Jiddisch van groot belang is voor de positie van de Joodse gemeenschap in Nederland? Vindt u het ook onbestaanbaar dat bij alle inspanningen om de Joodse gemeenschap te steunen en de kennis van het Joodse leven te vergroten juist de studie van het Jiddisch in Nederland zou verdwijnen?
Binnen de bacheloropleiding Hebreeuwse taal en cultuur bood de Universiteit van Amsterdam (UvA) de afgelopen vier jaar twee bachelorkeuzevakken en een tutorial (onderwijs op individuele basis) aan op het gebied van de Jiddische taalverwerving. Deze keuzevakken werden mogelijk gemaakt vanuit een externe vierjarige financiering. Met het aflopen daarvan oriënteert de UvA zich momenteel zorgvuldig op de mogelijkheden van een alternatieve en duurzame opvolging van dit onderwijs. Hierbij is het van belang om te noemen dat de inhoudelijke expertise op het gebied van het Jiddisch binnen de UvA blijft bestaan. De begeleiding van onderzoekers en geïnteresseerde studenten bij de bestudering van bronnen in het Jiddisch is hiermee geborgd.
Vindt u ook dat deze studie in Nederland beschikbaar dient te blijven, mede gezien de officiële positie die het Jiddisch in Nederland heeft?
De Jiddische taal is door de rijksoverheid erkend onder deel II van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Met de erkenning van een taal onder deel II verplicht de rijksoverheid zich ertoe om geen belemmerende wet- of regelgeving aan te nemen. Met erkenning onder deel III, waar bijvoorbeeld de Friese taal onder valt, verplicht de overheid zich ertoe meerdere artikelen te ratificeren om zo de taal te beschermen en bevorderen. Voor het Fries geldt daarom dat de overheid de verplichting heeft voorzieningen te verschaffen voor de bestudering van deze taal in het universitair onderwijs. Dit geldt niet voor het Jiddisch.
Daarnaast geldt dat volgens de wet universiteiten en hogescholen autonomie hebben ten aanzien van het starten, stoppen en vormgeven van hun onderwijs en opleidingen.
Bent u bereid te verkennen hoe voorzien kan worden in een structurele financiering van het Jiddisch? Ben u in dit kader ook bereid om in samenspraak met instellingen te onderzoeken hoe de positie van het Jiddisch zodanig kan worden geborgd in regelingen of afspraken dat sprake is van een toekomstbestendige positie?
Hierbij verwijs ik ook naar het antwoord op vraag nummer 3. Zoals daarin aangegeven, ligt de autonomie ten aanzien van het onderwijsaanbod bij de universiteiten en hogescholen. Middels de Rijksbijdrage ontvangen de instellingen hiervoor financiering vanuit de overheid. De UvA heeft mij laten weten zich te oriënteren op het wederom aanbieden van onderwijs naar het Jiddisch.