De zorgkosten als gevolg van luchtverontreiniging door zware bedrijfswagens (zogenaamde heavy goods vehicles, hierna: HGV’s) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Reducing the € 45 billion health cost of air pollution from lorries»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de zorgkosten als gevolg van de luchtverontreiniging door HGV’s dienen te worden verlaagd? Zo nee, waarom niet?
Emissies van (vracht)verkeer dragen bij aan de gezondheidsschade die wordt veroorzaakt door luchtverontreiniging. Dat is reden om deze emissies structureel aan te pakken. Dat gebeurt door in EU-kader grenzen te stellen aan de uitstoot via de uitlaatgassen. De betrokken «Euro»-eisen zijn in de afgelopen jaren stapsgewijs aangescherpt. Een volgende aanscherping voor vrachtwagens (Euro VI) is per 31 december 2012 van kracht geworden voor nieuwe types vrachtwagens en zal per 31 december 2013 van kracht zijn voor alle nieuw verkochte vrachtwagens.
Deelt u de mening van de European Environment Agency (EEA) dat de zorgkosten als gevolg van luchtverontreiniging door HGV’s, geschat op € 43 tot 46 miljard per jaar, zouden moeten worden opgenomen in de prijzen van goederen? Zo nee, waarom niet?
In het milieubeleid geldt als algemeen uitgangspunt dat «de vervuiler betaalt». In aanvulling op de Euro-eisen aan de uitstoot worden vrachtwagens belast voor het gebruik van de weginfrastructuur.
In Nederland geldt specifiek voor zware vrachtvoertuigen boven de 12 ton de BZM (Belasting zware motorrijtuigen), beter bekend als «het Eurovignet». Nederland heeft met België, Denemarken, Luxemburg en Zweden een Eurovignetverdrag gesloten en deze landen heffen gezamenlijk het Eurovignet. Het Eurovignet wordt gedifferentieerd op basis van indeling in euroklasse en in het regeerakkoord is hieromtrent afgesproken dat het Eurovignet verder word toegespitst op schonere vrachtwagens. Voor een wijziging van de tariefstructuur is een verdragwijziging nodig. Hierover vindt in de loop van 2013 overleg plaats met de andere verdragslanden.
Het Eurovignet wordt geheven binnen het kader van de Eurovignetrichtlijn. Bij de wijziging van de Eurovignetrichtlijn in 2011 is een begin gemaakt met het internaliseren van een deel van de externe kosten, te weten de schade die ontstaat door luchtverontreiniging en geluidshinder. De Europese Commissie dient uiterlijk op 16 oktober 2015 een rapportage op te stellen over de effecten van deze richtlijn.
Onderschrijft u de bevindingen van de EEA dat in Nederland de totale zorgkosten van luchtverontreiniging als gevolg van wegtransport € 3,689 miljard bedragen, waarbij € 1,734 miljard euro voor rekening komt van de HGV’s? Zo nee, waarom niet?
Bij de berekening is uit gegaan van algemeen geaccepteerde aannames over de ernst, omvang en kosten van gezondheidseffecten door deeltjes- en gasvormige luchtverontreiniging. Deze aannames zijn ook onderbouwd in het door de WHO ondersteunde «Clean Air for Europe»-programma. Er is dan ook geen aanleiding om uit te gaan van misrekeningen. Alhoewel over de monetaire waardering van ziekte en sterfte discussie mogelijk blijft, zijn de cijfers als «benchmark» in Europa breed aanvaard. Wel moet onderscheid gemaakt worden tussen de waardering van verloren levensjaren en «zorgkosten». De genoemde geldbedragen slaan op het geheel van de gezondheidsschade en bestaan voor bijna 75% uit verloren levensjaren en voor ruim 15% uit verloren gezonde levensjaren door chronische bronchitis en andere luchtwegaandoeningen. Circa 9% bestaat uit de kosten van arbeidsverzuim en nog geen 1% uit kosten van medicijnen en ziekenhuisopname (de zorgkosten in engere zin). Met name over de waardering van verloren levensjaren bestaat discussie.
Bent u bereid om precies uit te zoeken wat de schadelijke effecten zijn van HGV’s voor de volksgezondheid in Nederland, in termen van aantal vroegtijdige extra sterftegevallen dan wel het gemiddeld verlies in levensverwachting?
Het RIVM berekent jaarlijks het aantal vroegtijdige sterfgevallen ten gevolge van acute blootstelling aan verhoogde luchtverontreiniging en het gemiddelde levensduurverlies ten gevolge van langdurige blootstelling aan luchtverontreiniging voor de gehele Nederlandse bevolking. Ten gevolge van acute blootstelling overlijden naar schatting jaarlijks ca. 3000 mensen enkele weken tot maanden eerder dan anders het geval zou zijn geweest. De langdurige blootstelling veroorzaakt naar schatting gemiddeld voor de Nederlandse burger een levensduurverlies van ca. 11 maanden. In aansluiting bij de internationale benadering speelt in dergelijke berekeningen van de gezondheidseffecten de blootstelling aan PM2.5 een overheersende rol.
Bent u bereid uit te zoeken welk aandeel HGV’s in Nederland hebben in de totale luchtverontreiniging, uitgesplitst naar fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2)? Zo nee, waarom niet?
Het aandeel van HGV’s aan de gemiddelde concentraties van PM10, PM2.5 en NO2 in Nederland is respectievelijk 2,0%, 2,7% en 16,4%. In de grote agglomeraties is de bijdrage aan de gemiddelde concentratie iets groter (respectievelijk 2,3%, 2,9% en 18,6%).
Onderschrijft u de bevindingen van de EEA dat in Nederland de zorgkosten van Euroklasse III HGV’s gemiddeld 7,1 eurocent per km zijn en in Amsterdam zelfs gemiddeld 8,1 cent per km, terwijl de zorgkosten van Euroklasse IV HGV’s gemiddeld respectievelijk 4,4 en 4,9 cent per km zijn? Zo nee, waarom niet?
Bij de EEA berekeningen is uitgegaan van internationaal algemeen geaccepteerde aannames. Zie ook antwoord 4.
Hoeveel HGV’s van Euroklasse III en lager zijn er nog in het wagenpark in Nederland?
De HGV’s van Euroklasse III en lager maken ca. 52% uit van het Nederlandse vrachtwagenpark.
Welke stappen bent u bereid te nemen om het wagenpark van logistieke bedrijven zodanig te vernieuwen dat zij geen gebruik meer maken van HGV’s van Euroklasse III en lager, maar enkel nog van Euroklasse VI, V en VI?
In de afgelopen jaren zijn door de rijksoverheid al veel maatregelen genomen om het wagenpark schoner te maken. Voor vrachtwagens en bussen is veel subsidiegeld gestopt in het voorzien van bestaande voertuigen van emissieverminderende voorzieningen (roetfilters) en de stimulering van de aanschaf van de schoonste vrachtwagens (Euro V, EEV).
Medio 2012 is het subsidieprogramma voor de stimulering van nieuwe Euro VI-voertuigen gestart; hiervoor is € 40 mln. gereserveerd. Vanaf 31 december 2013 mogen Euro V-voertuigen niet meer geleverd worden. Verder is Nederland één van de deelnemers in het Eurovignet (zie ook het antwoord op vraag 3). Daarnaast hebben decentrale overheden verschillende maatregelen genomen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Eén van de belangrijkste voorbeelden hiervan is de milieuzone voor vrachtverkeer in binnensteden en op de Maasvlakte. De toegangseisen op de Maasvlakte verschillen van die van milieuzones in binnensteden. Op de Maasvlakte geldt vanaf 1 januari 2014 dat alle vrachtauto's met dieselmotor die nieuw op kenteken zijn gezet vanaf 1 januari 2013 over een Euro VI motor moeten beschikken. Vrachtauto's die vóór 1 januari 2013 nieuw op kenteken zijn gezet mogen niet ouder zijn dan zeven jaar. In binnensteden hebben diesel vrachtauto’s met Euro IV motor of hoger en met Euro III motor met gecertificeerd roetfilter die jonger zijn dan acht jaar toegang tot de milieuzone. Per 1 juli 2013 wordt deze eis aangescherpt naar alleen euro IV vrachtauto’s of hoger.
Ook bij aanbestedingen door overheden en contracten met leveranciers kunnen eisen worden gesteld aan het gebruikte wagenpark.
Deelt u de mening dat, gezien de toenemende kennis over de schadelijke effecten van luchtverontreiniging voor de volksgezondheid, er binnen Europa strengere wetgeving nodig is?2 Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier gaat u zich daar voor inzetten en welke concrete maatregelen stelt u voor?
De Europese Commissie werkt momenteel aan de herziening van het EU-beleid en de EU-regelgeving met betrekking tot luchtverontreiniging en luchtkwaliteit. Eind 2013 hoopt de Commissie nieuwe voorstellen te presenteren. Nederland draagt hieraan bij middels WHO-bijeenkomsten ter evaluatie van de huidige kennis over gezondheidseffecten en via expertbijeenkomsten van de Europese Commissie. Het kabinet zet zich in voor verdere reductie van emissies en van blootstelling aan luchtverontreiniging. De wijze waarop en via welke maatregelen zal in belangrijke mate samenhangen met nieuwe Europese afspraken over het EU-bronbeleid. Het is belangrijk dat de daarin nagestreefde ambitie een Europees gedeelde ambitie zal zijn, omdat anders het gelijke Europese speelveld ontbreekt en de Nederlandse concurrentiepositie wordt aangetast.
De vermogensgrenzen van de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen |
|
Sadet Karabulut |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Acht u het wenselijk dat de verruiming van de bevoegdheid van de raad, provinciale staten en het algemeen bestuur om kwijtschelding van belastingen te verlenen niet is geëffectueerd voor mensen met een uitkering? Kunt u dit toelichten?1 2
Met dagtekening 2 maart 20123 heeft mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer over deze verruiming een brief gezonden. Over dit onderwerp vindt nog overleg plaats binnen het Kabinet, waarbij zorgvuldig zal worden gekeken naar de uitgangspunten uit de brief van 2 maart 2012.
Ziet u mogelijkheden om alsnog tegemoet te komen aan de wens om bij gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van belastingen en heffingen die door gemeenten, provincies en waterschappen worden geheven, de vermogenstoets in zijn geheel gelijk te stellen aan de vermogenstoets die wordt gehanteerd in artikel 34 van de Wet werk en bijstand, zoals bedoeld in het amendement Spekman?3 Zo nee, wat is hiervan de reden?
Ik ben niet voornemens om een gelijkstelling van de vermogenstoets bij kwijtschelding aan de vermogenstoets die wordt gehanteerd in de Wet werk en bijstand, dwingend aan de decentrale overheden voor te schrijven. Hiermee zou sprake zijn van een ongewenste inperking van de beleidsvrijheid van de decentrale overheden.
Acht u het wenselijk dat de vermogensgrens voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, vanwege een ongelukkig peilmoment, door gemeente of provincie niet wordt toegekend, omdat mensen op het peilmoment net bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag of een teruggave van de Belastingdienst op de rekening gestort hebben gekregen en daardoor teveel vermogen op de bankrekening hebben staan? Zo nee, welke maatregelen gaat u ondernemen om dit in de toekomst te voorkomen en ervoor te zorgen dat mensen aanspraak kunnen maken op hun recht op kwijtschelding van gemeentelijke heffingen?
Bij de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen geldt als peilmoment de datum waarop het verzoek om kwijtschelding wordt ingediend. Belastingschuldigen bepalen zelf wanneer zij het verzoek indienen. De kwijtscheldingsregeling stelt hiervoor geen termijn.
Het niet functioneren van tal van faunavoorzieningen die als compensatie moesten dienen voor het aantasten van de natuur |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat veel faunavoorzieningen die zijn aangelegd als compensatie voor de schade die economische activiteiten toebrengen aan de natuur, niet functioneren, zoals droogstaande vispassages, verdronken zoogdiertunnels, amfibieëntunnels met ontwerp en constructiefouten en in verval geraakte looprichels terwijl deze dienen om de weg ter hoogte van een brug of duiker te kunnen passeren?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Mij zijn geen onderzoeksgegevens bekend die bovenstaande bewering kunnen bevestigen of ontkennen. Het is uiteraard niet wenselijk dat aangelegde faunavoorzieningen niet als zodanig functioneren. Zie verder mijn antwoord op de vragen 3, 5 en 6.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze en met welke regelmaat faunavoorzieningen worden gecontroleerd? Kunt u de resultaten ten aanzien van het functioneren van faunavoorzieningen over de afgelopen 3 jaar uiteenzetten? Zo neen, waarom kunt u daar geen inzage in verschaffen?
Faunavoorzieningen worden in de regel aangelegd in het kader van het Meerjarenprogramma Ontsnippering. Door Rijkswaterstaat zijn in dat kader vele honderden faunapassages en vele honderden kilometers raster, onder meer om dieren naar die passages te geleiden, aangelegd. Rijkswaterstaat organiseert zelf inspectie en onderhoud van faunavoorzieningen en heeft daarvoor richtlijnen opgesteld.2 Ook door provincies, waterschappen, gemeenten en particuliere organisaties worden dergelijke voorzieningen getroffen. Het is mij niet bekend hoe deze organisaties op het functioneren van faunavoorzieningen controleren.
Kunt u uiteenzetten hoe vaak er de afgelopen 3 jaar wettelijke sancties zijn opgelegd voor het niet functioneren van faunavoorzieningen die zijn aangelegd ter compensatie van activiteiten of ontwikkelingen die schade toebrengen aan de natuur? Zo neen, waarom niet?
Indien het gaat om overtredingen van de Flora- en faunawet of voorzieningen die zijn voorgeschreven op grond van een ontheffing ex artikel 75 van die wet, kan ik handhavend optreden. De afgelopen drie jaar is door Dienst Regelingen in 200 gevallen afgedwongen dat de vereiste faunavoorzieningen alsnog werden gerealiseerd of, indien deze niet functioneerden, werden gerepareerd. In de meeste gevallen zijn de beheerders tot herstel van de faunavoorzieningen overgegaan, zodat geen sancties behoefden te worden opgelegd. Het betrof hier niet slechts faunapassages, maar ook andere faunavoorzieningen zoals nestgelegenheid voor vogels, vleermuiskasten, voortplantingspoelen voor amfibieën e.d.
Deelt u de mening dat het zorgwekkend is dat er bij schadelijke activiteiten voor de natuur op basis van de natuurwetgeving vaak wordt overgegaan tot mitigerende en compenserende maatregelen in de vorm van faunavoorzieningen, terwijl de gerealiseerde voorzieningen vervolgens niet of onvoldoende worden gecontroleerd en gemonitord op deugdelijkheid, functioneren en op de te realiseren doelen ten aanzien van de getroffen soort(en)? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u maatregelen treffen? Zo neen, waarom niet?
Zoals vermeld in mijn antwoord op vraag 3 beperkt mijn verantwoordelijkheid en bevoegdheid zich tot voorzieningen die zijn gerelateerd aan overtredingen van de Flora- en faunawet en voorzieningen die zijn voorgeschreven op grond van een ontheffing ex artikel 75 Flora- en faunawet. In voorkomende gevallen wordt bestuurlijk handhavend opgetreden.
Kunt u de observaties bevestigen van ecoloog en onderzoeker Edgar van der Grift van Alterra dat de vele in verval geraakte loopbruggen, verdronken zoogdiertunnels en in slechte staat verkerende paddenschermen geen incidenten zijn? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt dit zich dan tot de vele niet functionerende voorzieningen die zijn aangetroffen in een steekproef waarvan de resultaten zijn gepubliceerd in Natuur Bos en Landschap?
De publicatie in Vakblad Natuur, Bos en Landschap heeft dezelfde strekking als de publicatie waarnaar u in vraag 1 verwijst. Als dit allemaal klopt, is dat reden voor zorg. Ik kan echter deze beweringen nu niet bevestigen.
Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid een onderzoek in te stellen naar het functioneren van faunavoorzieningen? Zo nee, waarom acht u dit niet noodzakelijk? Zo ja, op welke termijn?
Eenieder die gebreken aan faunavoorzieningen constateert, kan de verantwoordelijke beheerder daarop aanspreken en, indien de voorziening voortkomt uit verplichtingen voortvloeiend uit de Natuurbeschermingswet 1998 of de Flora- en faunawet, een handhavingsverzoek indienen bij respectievelijk de provincie dan wel Dienst Regelingen van mijn ministerie. Ik roep dan ook iedereen op dit ook te doen. Ik zal zelf de verschillende terreinbeherende organisaties en de gemeenten en provincies benaderen en hen vragen te bezien of er inderdaad een achteruitgang is in het functioneren van faunavoorzieningen.
Kinderen die de dupe worden van (v)echtscheidingen |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veel werk jeugdzorg door dure vechtscheidingen»?1
Ja
Is de trend – toename van kinderen die slachtoffer worden van een vechtscheiding – die Bureau Jeugdzorg Amsterdam waarneemt waar? Welke cijfers zijn er bekend bij andere Bureaus jeugdzorg?
De bureaus jeugdzorg registreren niet aan de hand van specifieke problematiek. Hierdoor is niet bekend of de door bureau jeugdzorg Amsterdam gesignaleerde trend een landelijke trend betreft. Ook is niet bekend hoeveel werk de bureaus jeugdzorg hebben aan vechtscheidingen.
Hoeveel werk hebben Bureaus Jeugdzorg aan vechtscheidingen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe zorgwekkend is, gelet op het feit dat Bureaus Jeugdzorg vrij laat worden ingeschakeld en de desbetreffende kinderen kampen met een verslaving of eetstoornis, de situatie van kinderen die de dupe worden van een vechtscheiding?
Een scheiding van de ouders kan voor kinderen verstrekkende psychosociale gevolgen hebben waarbij risico’s op een (tijdelijke) stagnerende ontwikkeling bestaan. Relaties maken deel uit van het privédomein van individuele burgers waarbij de ouders verantwoordelijk zijn voor het welzijn van hun kinderen. De overheid moet zich hierbij terughoudend opstellen.
Dit laat onverlet dat goede vroegsignalering van groot belang is als een kind de dupe dreigt te worden van een (v)echtscheiding. Met de decentralisatie van alle ondersteuning, hulp en zorg bij opgroeien en opvoeden naar gemeenten, wil het kabinet een omslag realiseren naar preventie en aansluiten bij eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van jeugdigen en hun ouders. Gemeenten kunnen hun taak doelmatiger uitvoeren door ontschotting en investering in preventie en vroegtijdig signaleren.
Eerder hebben de minister van VWS en ik dit belicht in de Gezamenlijke agenda VWS «Van systemen naar mensen» die wij op 8 februari 2013 aan uw Kamer hebben aangeboden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 620, nr. 78).
Verder is het met de invoering van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in 2009 voor alle ouders met minderjarige kinderen verplicht een ouderschapsplan op te stellen. Deze verplichting geldt bij echtscheiding, beëindiging van samenleving of geregistreerd partnerschap. In het ouderschapsplan moeten afspraken worden opgenomen over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, de omgang met en informatie-uitwisseling over de kinderen en de verdeling van de kosten voor de kinderen. Wanneer de ouders niet tot overeenstemming komen bij het opstellen van een ouderschapsplan, en het kind dus de dupe dreigt te worden van een (v)echtscheiding, beslist de rechter waarbij deze zich kan laten adviseren door de Raad voor de Kinderbescherming.
Welke maatregelen gaat u nemen om vroegsignalering te bevorderen, en om het welzijn van kinderen die de dupe worden van een vechtscheiding te waarborgen, zodat kinderen geen «speelbal» worden tussen hun vader en moeder?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen zijn er om ouders medeverantwoordelijk te maken voor de gevolgen van hun vechtscheiding voor hun kinderen?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht “Kritisch rapport over voortgang jeugdzorg |
|
Mona Keijzer (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kritisch rapport over voortgang jeugdzorg»?1
Ja.
Deelt u de zorgen, geuit in het rapport?
De bevindingen in het rapport sluiten naadloos aan bij de gespreksagenda in het bestuurlijk afstemmingsoverleg met betrokken partijen.
Kunt u toezeggen dat de termijnen waarbinnen overkoepelende planningsdocumenten, de wettelijke, bestuurlijke en financiële kaders en de afspraken over continuïteit van zorg gehaald worden en hierover aan de Kamer rapporteren?
Ja, dat zeggen we toe. In het transitieplan zullen deze punten terugkomen. Het transitieplan zal zo spoedig mogelijk na het bestuurlijk overleg met VNG en IPO dat in april plaatsvindt, aan uw kamer worden aangeboden.
Kunt u een overzicht geven van de concrete afspraken die zijn gemaakt met de veldpartijen over hun inbreng en verantwoordelijkheid in het decentralisatieproces?
De veldpartijen – koepels van zorgaanbieders en beroepsverenigingen, maar ook de landelijke cliëntenorganisaties – zijn van wezenlijk belang voor het slagen van de stelselwijziging. Hun expertise, hun draagvlak en hun inzet acht ik van groot belang tijdens de transitie. De veldpartijen zijn op verschillende manieren betrokken:
Zijn er afspraken gemaakt met Zorgverzekeraars Nederland en de koepelorganisaties van de aanbieders van jeugdzorg hoe een zorgvuldige en effectieve overdracht te realiseren?
In het overleg met VNG, IPO en veldpartijen is geïnventariseerd welke thema’s allemaal spelen bij een zorgvuldige en effectieve overdracht, zoals frictiekosten, continuïteit van zorg, etc.
In het bestuurlijk overleg van april zullen over frictiekosten en continuïteit van zorg nadere afspraken worden gemaakt.
Tevens is overleg gaande over de wijze waarop zorgverzekeraars en gemeenten gaan samenwerken om een zorgvuldige overdracht te realiseren.
Het falende Nederlandse anti-dopingbeleid |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederlands anti-dopingbeleid faalt»?1
Ja.
Wat is uw opvatting over de uitspraak van de Belgische autoriteiten «Nederland is een zwakke schakel in de internationale bestrijding van de dopinghande»?
Het in de uitzending geschetste beeld wordt door de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) en het openbaar ministerie (OM) niet herkend. Dit neemt niet weg dat het nuttig is de eigen aanpak te blijven bezien op eventuele mogelijkheden tot verbetering. Wij verwijzen in dat verband naar onze antwoorden hierna.
Is u bekend dat er de afgelopen twee jaar een verdubbeling van het aantal laboratoria van vier naar acht heeft plaatsgevonden? Zo ja, welke actie(s) heeft u ondernomen? Zo nee, waarom niet? Heeft u – indien van toepassing – deze informatie gedeeld met de Nederlandse Dopingautoriteit? Zo nee, waarom niet?
Het OM heeft meegedeeld dat tijdens een bezoek van de Belgische autoriteiten aan het Functioneel Parket onder andere is aangegeven dat vanuit België een tendens werd gezien van een toename van laboratoria. Concrete aantallen zijn daarbij niet genoemd. De IGZ en het OM kunnen (een toename van) het bestaan van laboratoria niet op basis van eigen informatie bevestigen.
Daarnaast is tijdens het bezoek gesproken over een concreet onderzoek inzake doping. In deze zaak is de uit België ontvangen informatie door de opsporingsdiensten in Nederland in behandeling genomen.
Bent u geïnformeerd door de advocaat-generaal van het Gentse hof over de verdubbeling van het aantal laboratoria van vier naar acht in de afgelopen twee jaar? Zo ja, welke actie(s) heeft u hierop ondernomen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met het gegeven dat de doping wordt verhandeld via een twintigtal websites, die vermoedelijk door Nederlanders worden beheerd? Zo ja, wat heeft u gedaan en wat gaat u doen om deze illegale handel een halt toe te roepen? Zo nee, waarom niet?
Ja, via websites worden dopinggeduide middelen aangeboden. Wij verwijzen voor de aanpak van dopinghandel naar antwoord 8 en naar de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Bruins Slot van uw Kamer (Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 2520, ingezonden 6 maart 2013). Verder werkt de IGZ op dit moment aan een aanvullende aanpak die tot doel heeft om onbevoegde aanbieders van geneesmiddelen op internet te beboeten. Het gaat daarbij om reclame voor en het onbevoegd aanbieden van geregistreerde geneesmiddelen, en om reclame voor en het aanbieden van ongeregistreerde of vervalste geneesmiddelen en dopinggeduide middelen.
Welke samenwerkingsverbanden zijn er op het gebied van dopinghandel met België? Welke overige internationale samenwerkingsverbanden zijn er op het gebied van dopinghandel en met welke landen?
Nederland werkt in Europees verband samen met de lidstaten, waaronder België, op het terrein van in de internationale bestrijding van de dopinghandel. Zo neemt de IGZ deel aan de Working Group of Enforcement Officers (WGEO) van de Europese Unie, waarin alle Europese lidstaten zijn vertegenwoordigd. In de WGEO neemt de internationale samenwerking op het gebied van illegale handel in geneesmiddelen een prominente plaats in. Binnen het kader van de prioritering van de werkzaamheden van de IGZ zal de IGZ contact opnemen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om gezamenlijk en in afstemming met elkaar op te treden. Verder werkt het OM zoals bij alle grensoverschrijdende criminaliteit samen met de EU-lidstaten, waaronder België, en voert het in voorkomende gevallen rechtshulpverzoeken uit. Er is geen aanleiding om deze samenwerking te veranderen.
Welke mogelijkheden tot verbetering van de samenwerking met België op het gebied van dopinghandel zijn er nog? Op welke wijze gaat u de (mogelijke) verbetering realiseren?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke wijze gaat u de opsporing van dopinghandel een grotere prioriteit geven bij de betreffende opsporingsinstanties?
In het antwoord van mijn ambtgenoot van VWS van eind 2012 op schriftelijke vragen van het lid Bruins Slot van uw Kamer is de werkwijze van onder andere het Bureau Opsporing van de IGZ en het OM beschreven bij het bestrijden van dopingfeiten.2 Zij treden waar mogelijk op tegen dopingzaken die zich aandienen. De handel in doping valt onder de reguliere strafrechtelijke aanpak van illegale medicijnen en is door het OM niet als speerpunt benoemd.
Medio februari 2013 is er ambtelijk overleg gestart tussen de Ministeries van VWS (IGZ), VenJ en Financiën (Douane). Voor de volgende fase zal ook de Dopingautoriteit aansluiten en zijn tevens de politie en het OM uitgenodigd. In dit overleg wordt aan de hand van de rollen en taken van alle partijen bekeken hoe er beter kan worden samengewerkt en of er beter en meer informatie kan worden uitgewisseld. Over de uitkomsten van en mogelijke vervolgstappen na dit overleg zal de Minister van VWS uw Kamer voor het zomerreces informeren.
Tevens organiseert de IGZ een intern symposium over de illegale productie van en illegale handel in (grondstoffen voor) dopinggeduide middelen. Doel van die bijeenkomst, die naar verwachting in het najaar van 2013 zal plaatsvinden, is om de omvang van de illegale productie en handel in kaart te brengen, de aandacht voor dit onderwerp onder handhavende diensten te verhogen en te onderzoeken of binnen Nederland extra handhavingcapaciteit moet en kan worden georganiseerd voor het bestrijden van dopingcriminaliteit.
Het hangt af van de resultaten van deze activiteiten of het nodig en mogelijk zal zijn uitgebreider in te zetten op het bestrijden van dopingfeiten.
Welke zaken zijn er aangekaart tijdens het bezoek van de Belgische Multidisciplinaire Hormonencel aan het Functioneel Parket van vorig jaar? Welke gevolgen heeft dat bezoek gehad voor de aanpak van dopinghandel?
Zie antwoord vraag 3.
Overweegt u op basis van de ontwikkelingen op het gebied van doping de zelfregulering te gaan herzien, dan wel aan te passen, teneinde te komen tot een effectievere dopingbestrijding?
Nee, vooralsnog niet.
Er gelden verplichte regels en reglementen voor alle sporten in alle landen, die zijn vastgelegd in de World Anti-Doping Code van World Anti Doping Agency (WADA). Het toepassen van de dopingregels is een verantwoordelijkheid van de sport en vindt plaats door NOC*NSF, de bonden en de Dopingautoriteit. Uitgangspunt is immers dat de sport zelf verantwoordelijk is voor het tegengaan van het gebruik van doping. Mijn ambtgenoot van VWS blijft de sport steunen om het dopingprobleem aan te pakken. Zij doet dit met name door financiering van de Dopingautoriteit en het betalen van contributie aan de World Anti Doping Agency (WADA). Verder ondersteunt zijde «onderzoeks- en adviescommissie antidoping aanpak», die de KNWU en het NOC*NSF hebben ingesteld. Deze commissie zal concrete aanbevelingen doen ter verbetering van de huidige anti-dopingaanpak, binnen de context van het beleid van NOC*NSF en de rijksoverheid en de mondiale ontwikkelingen van de wielersport. Mijn ambtgenoot van VWS wacht deze aanbevelingen af en zal deze in de bredere context van het anti-dopingbeleid bekijken.
Hatelijke uitlatingen van de Turkse premier Erdogan over het Zionisme |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving waarin is vermeld dat de Turkse premier Erdogan Zionisme heeft omschreven als een misdaad tegen de menselijkheid?1 Hoe beoordeelt u de gedane uitlatingen?
Ja, ik heb kennis genomen van de uitspraak van premier Erdoğan. Ik neem hier uitdrukkelijk afstand van. De uitspraak kan niet door de beugel en ik heb er alle begrip voor dat in Israël hierop ontstemd is gereageerd. Dit soort uitspraken schaadt een gunstig klimaat voor vrede in de regio en ze hinderen normalisering van de betrekkingen tussen Turkije en Israël. Nederland blijft een groot voorstander van een toenadering tussen Turkije en Israël en zal zich hiervoor ook sterk blijven maken.
Wat betekenen deze uitspraken in uw ogen voor de relatie tussen Turkije en Israël? Heeft u de indruk dat Turkije aanstuurt op een steeds hardere confrontatie met Israël?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u uw verontwaardiging over deze uitlatingen laten blijken? Bent u bereid om de Turkse ambassadeur te ontbieden om uw afkeuring uit te spreken over deze uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd kan de uitspraak niet door de beugel en neem ik er uitdrukkelijk afstand van. De Nederlandse positie ter zake wordt blijvend op politiek en ambtelijk niveau bij Turkije uitgedragen en dat is ook naar aanleiding van deze concrete uitspraak gebeurd.
Hoe heeft de Nederlandse delegatie gereageerd tijdens de VN-bijeenkomst waar deze uitlatingen zijn gedaan? Heeft deze delegatie van zijn afkeuring laten blijken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Secretaris-Generaal van de VN Ban Ki-Moon – die aanwezig was op de betreffende bijeenkomst – de uitlatingen van premier Erdogan niet heeft veroordeeld, terwijl zijn voorganger Kofi Anan destijds heel expliciet de link tussen Zionisme en racisme heeft veroordeeld?
Secretaris-Generaal van de VN Ban Ki-Moon heeft afstand genomen van de uitlatingen en gezegd: «it is unfortunate that such hurtful and divisive comments were uttered at a meeting being held under the theme of responsible leadership.»
De moord op een christelijke asielzoeker |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Christelijke asielzoeker als moslim begraven» en het vervolgartikel «Kerk Noardburgum vreest geweld tegen bekeerlingen»?1
Ja
Kunt u aangeven of het slachtoffer in kwestie voor zijn dood is bedreigd vanwege zijn keuze voor het christelijk geloof? Zo ja, was het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) hiervan op de hoogte?
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) was bekend met de keuze van betrokken asielzoeker voor het christelijk geloof. Bij zijn plaatsing is hiermee rekening gehouden, door hem te plaatsen in een locatie waar diverse christelijke asielzoekers gehuisvest zijn. Het COA meldde mij dat noch door betrokkene, noch door andere bewoners of belangenorganisaties aan het COA signalen gegeven zijn dat hij bedreigd werd dan wel dat hij zich onveilig voelde.
Bent u bekend met de zorgen van de kerkelijke gemeente van het slachtoffer die in het verleden meerdere malen te maken heeft gehad met bedreigingen van bekeerde asielzoekers? Zijn er de afgelopen anderhalf jaar bedreigingen geweest van asielzoekers wegens de godsdienstige overtuiging in het asielzoekerscentrum Burgum? Zo ja, welke maatregelen zijn er getroffen om dit aan te pakken?
Het COA heeft aangegeven geen meldingen ontvangen te hebben over bedreigingen wegens godsdienstige overtuigingen van asielzoekers in azc Burgum. In azc Burgum zijn meerdere christelijke asielzoekers gehuisvest. Hun geloofsovertuiging is openlijk bekend zonder dat dit tot problemen heeft geleid. De medewerkers op de locatie zijn extra waakzaam om te voorkomen dat zich incidenten voordoen.
Herkent u zich in de zorgen van de kerkelijke gemeente over het asielzoekerscentrum St. Annaparochie over de bedreigingen en intimidatie van christelijke asielzoekers? Zo ja, welke maatregelen zijn er getroffen om een einde te maken aan deze dreigende situatie? Bent u van mening dat deze maatregelen effectief zijn geweest?
Het COA heeft aangegeven de zorgen van de kerkelijke gemeente niet te herkennen. In het azc St. Annaparochie zijn diverse christelijke asielzoekers gehuisvest zonder dat dit tot problemen leidt met bewoners met een andere overtuiging. Het COA meldde mij dat bij het incident waar, in het genoemde artikel in het Nederlands Dagblad, aan wordt gerefereerd volgens de verklaring van het slachtoffer geen sprake was van discriminatie of intimidatie op basis van zijn geloofsovertuiging. Het COA is alert op signalen van discriminatie en intimidatie en heeft de medewerkers getraind in het herkennen van signalen en diverse interventietechnieken. Bij de afhandeling van het genoemde incident bleek dit effectief te zijn.
Zijn de genoemde incidenten ook bekend bij de politie en het COA? Bent u van mening dat de veiligheid van (bekeerde) christelijke asielzoekers momenteel voldoende gewaarborgd zijn? Zo ja, waar baseert u dat op?
Alle incidenten van enige omvang worden door het COA met de politie besproken in een regulier afstemmingsoverleg. Ook indien er sprake is van een gespannen situatie wordt dit aan de politie gemeld. Daarnaast ondersteunt het COA bewoners als zij aangifte willen doen. Het COA stelt zich ten doel de veiligheid van alle bewoners zoveel mogelijk te borgen. Ten aanzien van integriteitsschendingen voor kwetsbare groepen op de COA-locaties, zoals bekeerde christenen en LHBT’s, zijn diverse maatregelen genomen, mede naar aanleiding van het in vraag 7 genoemde rapport. Ik ben van mening dat de veiligheid van kwetsbare groepen in de COA-opvang, waaronder christelijke asielzoekers, zo veel mogelijk geborgd is. Een volledige garantie dat zich nimmer een incident zal voordoen is niet realistisch.
Deelt u de mening dat een onafhankelijk vertrouwenspersoon beschikbaar moet worden gesteld waarbij asielzoekers, zo nodig anoniem, een eerste melding kunnen doen van geweld en intimidatie? Zo nee, waarom niet?
De mening dat er een onafhankelijke vertrouwenspersoon moet worden ingesteld waarbij asielzoekers, zonodig anoniem, een eerste melding kunnen doen van geweld en intimidatie, deel ik niet.
Meldingen van geweld of dreigingen kunnen bij de COA medewerkers, desgewenst anoniem, worden gedaan. Ook kunnen asielzoekers terecht bij medewerkers van Vluchtelingenwerk en het Gezondheidscentrum asielzoekers (GCA). Op ieder azc worden bewoners er voorts op gewezen dat er belangenverenigingen zijn voor christenen en andere groepen. De COA-medewerker zal bewoners doorverwijzen naar een belangenvereniging die aansluit bij de hulpvraag van de individuele bewoner.
Welke verbeteringen zijn doorgevoerd door het COA in samenwerking met stichting Gave en het COC naar aanleiding van het (onafhankelijk) rapport van Deloitte BOI? Welke verbeteringen moeten nog doorgevoerd worden? Hoeveel meldingen van bedreiging zijn er tegen (bekeerde) christenen gedaan sinds het uitkomen van het rapport?
Het COA heeft, in goede samenwerking en afstemming met Stichting Gave en het COC, alle aanbevelingen uit het in de vraagstelling genoemde rapport overgenomen. Het rapport is uw Kamer eerder toegezonden2.
In 2012 zijn er diverse gesprekken gevoerd waarin de organisaties konden aangeven of zij nog suggesties hadden voor aanpassingen in de werkwijze van het COA. Deze gesprekken zullen ook in 2013 weer plaatsvinden. In 2013 zal in goed overleg, waar nodig, gewerkt worden aan verdere verbeteringen in de positie van christelijke en LHBT asielzoekers.
Belangenorganisaties kunnen bij het COA ook meldingen doen van signalen betreffende (dreigende) incidenten. Het COA heeft mij meegedeeld dat uit de jaarrapportage van Stichting Gave blijkt dat in 2012 in totaal 18 meldingen werden gedaan vanuit 13 verschillende azc’s (dit betreft zowel de meldingen aan het COA als aan Stichting Gave).
Het bericht “ABN biedt toch dividend na meevaller” |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel in het Financieel Dagblad waarin wordt gesteld dat de nettowinst van ABN AMRO over 2012 uitkomt op een bedrag van 1285 miljoen euro en dat de stijging van de winst (met 34%) volledig is toe te schrijven aan meevallers, onder meer in de voorzieningen voor slechte kredieten en andere vorderingen? Acht u het verstandig dat ABN AMRO 250 miljoen euro aan dividend uitkeert als de stijging van de winst enkel veroorzaakt wordt door meevallers?1
Dat artikel ken ik. Dividenduitkering is niet afhankelijk van hoeveel de winst stijgt of daalt, maar van de hoogte van de winst. Uit het persbericht van ABN AMRO is op te maken dat de winst ook exclusief eenmalige posten zodanig is dat een dividend op de plaats werd geacht.
ABN AMRO keerde medio 2012 geen interim-dividend uit omdat de vooruitzichten te onzeker waren; wat zijn de vooruitzichten op dit moment? Hoe hoog schat u het risico op tegenvallers het komende half jaar in?
De vooruitzichten blijven zodanig onzeker dat ABN AMRO geen uitspraken doet over toekomstige dividenden, waaronder een eventueel interim--dividend. Een bank moet een zo goed mogelijke schatting maken van de verwachte toekomstige resultaten op haar portfolio. Realisaties van tegenvallers en/of meevallers ten opzichte van de schatting zijn nooit uit te sluiten.
In december 2012 schreef ABN AMRO aan zijn klanten: «De nieuwe Europese regelgeving schrijft voor dat banken meer kapitaal en liquiditeit moeten aanhouden. Het verstrekken van kredieten wordt hierdoor duurder. We ontkomen er niet aan een deel van de kosten aan u door te berekenen.»; dat is ook gebeurd, want vanaf 1 januari 2013 betalen MKB-ondernemers met een doorlopend krediet bij ABN AMRO rente over kredieten die zij niet opnemen; hoe beoordeelt u het doorrekenen van de kosten aan ondernemers door ABN AMRO, terwijl de nettowinst van deze bank uitkomt op 1285 miljoen euro?
De bedrijfsvoering en de besluitvorming ten aanzien van de tariefstelling van producten is een zaak van het bestuur van ABN AMRO. Een gezonde onderneming concurreert op prijs en maakt winst; de precieze afweging is aan de onderneming. Als certificaathouder (het aandeelhouderschap is op verzoek van de Kamer op afstand ondergebracht bij NLFI, de Staat houdt certificaten) heb ik niet de intentie dit type beslissingen te willen beïnvloeden. Ik neem aan dat ABN AMRO doelt op de invoering van het Bazel III-kapitaalakkoord, waarin staat dat banken ook voor niet-getrokken kredietlijnen een hoeveelheid kapitaal moeten aanhouden. Het verplicht aanhouden van (doorgaans laagrenderende) liquide middelen is voor een bank een kostenpost, die zij – net als andere kostenposten – aan klanten zal trachten door te berekenen. De geharmoniseerde liquiditeitsregels zullen vanaf 2015 van kracht worden maar banken zullen reeds nu, zeker voor langlopende kredietlijnen, kunnen willen anticiperen op de nieuwe regels.
Kunt u uw uitspraak tijdens het debat over de Parlementaire enquêtecommissie financieel stelsel dat systeembanken hogere buffers zouden moeten aanhouden dan de internationale regels voorschrijven concreter maken? Hoe hoog zouden de buffers van systeembanken volgens u moeten zijn?
De Financial Stability Board (FSB) heeft een lijst opgesteld van wereldwijd systeemrelevant bevonden banken, waarop ING voorkomt. Wij gaan nationaal conform die FSB-afspraak een extra buffer vereisen van ING, maar introduceren tegelijkertijd eenzelfde vereiste voor alle banken die in het Nederlandse financiële stelsel systeemrelevant zijn. Dat vereiste wordt ingevuld conform de methodiek van de Financial Stability Board (FSB) en zal resulteren in een extra buffervereiste voor deze banken van maximaal 3 procent van de risicogewogen activa (RWA), afhankelijk van de mate van systeemrelevantie. De Nederlandsche Bank (DNB) zal daarvoor de mogelijk systeemrelevante banken toetsen aan een aantal criteria: de relatieve omvang van de bank ten opzichte van de sector en het bbp, de mate waarin belemmeringen bestaan voor de afwikkelbaarheid, de verwevenheid van de bank met andere (voornamelijk financiële) partijen, de vervangbaarheid van de dienstverlening van de bank en eventuele gedragseffecten die zich kunnen voordoen in de markt als gevolg van informatie over, of een gedraging van de bank in kwestie. Dit beleid maakt onderdeel uit van het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2014, dat momenteel bij de Raad van State ligt en dit voorjaar bij uw Kamer zal worden ingediend.
DNB zal, als het wetsvoorstel wordt aangenomen, vanaf 2014 systeemrelevante banken kunnen aanwijzen en daaraan een buffervereiste koppelen. De totale buffer van een systeemrelevante bank is gerelateerd aan de mate van systeemrelevantie en kan dus per systeemrelevant bevonden bank verschillen. DNB zal deze aanwijzingsbevoegdheid vanaf 2014 gebruiken. Zo krijgen de banken snel duidelijkheid over hun kapitaalbehoefte in de komende jaren zodat ze die beter kunnen plannen.
De FSB-regels zullen vereisen dat de banken tussen 2016 en 2018 elk jaar 25 procent extra van hun systeemrelevantiebuffer opbouwen om zo in 2019 de uiteindelijk vereiste kapitaalbuffer volledig te hebben opgebouwd. Ook de Nederlandse systeemrelevantiebuffer zal vanaf 2016 via dit ingroeipad moeten worden opgebouwd. Met het oog op een soepelere ingroei naar de volledige kapitaalbuffer zullen de banken, doordat ze in 2014 al duidelijkheid krijgen over de hoogte van hun systeemrelevantiebuffer, hier al in 2014 in hun kapitaaltransitieplannen rekening mee kunnen houden.
Wanneer zouden systeembanken aan deze strengere eisen moeten voldoen?
Zie antwoord vraag 4.
Voldoen de buffers van ABN AMRO al aan de door u gewenste norm?
ABN AMRO voldoet aan de op dit moment geldende kapitaalvereisten en zet reeds stappen om te voldoen aan de kapitaal- en buffervereisten die op grond van Bazel III zullen gaan gelden. Die nieuwe vereisten zullen stapsgewijs worden ingevoerd om schokeffecten tegen te gaan en zo banken voldoende tijd te gunnen om de kapitaalpositie te versterken. ABN AMRO is een systeemrelevante bank, maar de hoogte van de systeemrelevantiebuffer voor ABN Amro is nog niet formeel vastgesteld. Ik kan niet treden in de bevoegdheden van het bestuur van de bank ten aanzien van het al dan niet anticiperen op toekomstige hogere kapitaal- en buffereisen en of de bank eventueel eerder dan wettelijk vereist aan die hogere eisen wil voldoen.
ABN AMRO moet zich gedragen als ware het een onderneming met een gewone aandeelhouder, waarbij als wederprestatie voor het ingelegde kapitaal groei en/of dividend wordt verlangd. Het (al dan niet verplicht) versterken van de kapitaalpositie kan er wel toe leiden dat er (gedeeltelijk) wordt afgezien van het uitkeren van dividend.
Zo nee, is de nettowinst over 2012 toereikend om de buffers van de bank op het door u gewenste niveau te brengen?
Zie antwoord vraag 6.
Zo nee, vindt u het dan wenselijk dat ABN AMRO ervoor kiest een deel van de winst uit te keren als dividend in plaats van de volledige winst in te zetten voor het versterken van zijn kapitaalbuffers?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht "Mongolië pikt het niet meer en zegt belastingverdrag met Nederland op" |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat Mongolië het belastingverdrag met Nederland heeft opgezegd omdat het de dupe zegt te zijn van multinationals die de Nederlandse fiscale wetgeving gebruiken om de belastingen in Mongolië te ontwijken?1
De vraag lijkt te suggereren dat alle belastingen («de belastingen») in Mongolië worden ontweken. Dat is evenwel niet het geval, zoals reeds is gebleken uit het antwoord op vraag 2 van het lid Groot. Het gaat enkel om de Mongoolse bronbelasting op deelnemingsdividenden, waarvoor Mongolië destijds bewust een nultarief met Nederland is overeengekomen. Het belastingverdrag beperkt echter geenszins de heffing van vennootschapsbelasting in Mongolië over de winst van Oyu Tolgoi. Mongolië kan zijn Vpb-tarieven verhogen, indien het van mening is dat de belastingopbrengst groter zou moeten zijn. Dat is ook de suggestie van het IMF in een andere studie over Mongolië (van juni 2010) «A Fiscal Regime for Mining. A Way Forward» (http://www.imf.org): «Mongolia could increase the CIT (corporate income tax) rate for mining companies from 25 to 35 percent and reduce the withholding tax rate on dividends paid by mining companies to zero. Mali, South Africa, Suriname, and Zambia follow this approach.» (blz. 26–27). Deze suggestie wordt vervolgens als een aanbeveling in het rapport opgenomen (blz. 32).
Verder heeft de staat Mongolië voor zijn belang van 34% geen overheidsgelden hoeven uit te geven, derhalve gratis verkrijging van aandelen. De staat Mongolië zal dus gerechtigd zijn tot een groot percentage van het uit te keren deelnemingsdividend. In de investeringsovereenkomst is bovendien, conform de Mineralenwet, vastgelegd dat de staat in de toekomst het recht heeft om zijn aandelenkapitaal te verhogen naar 50%.
Ook ontvangt Mongolië royalty’s s op grond van de Mineralenwet. De royalty bedraagt 5% en is ook vastgelegd in de overeenkomst.
Het vorenstaande komt erop neer dat de Mongoolse regering de meeste winst zal ontvangen, zonder financieel risico. Blijkens de reeds genoemde studie van het IMF uit 2010 (blz. 43–45) zal de Mongoolse regering 55% van de winst vóór belas-tingen (cash flow) over de duur van het project ontvangen en 71%, als rekening wordt gehouden met verliezen uit de eerste jaren van het project. Twee andere onafhankelijke berekeningen komen gemiddeld ook precies uit op 71%, terwijl de berekening van de Mongoolse regering zelf uitkomt op 59%, een en ander blijkens de website van Oyu Tolgoi. Uit de IMF-studie van 2010 valt te concluderen dat het percentage van 71 voor de Mongoolse overheid een van de hoogste in de wereld is inzake investeringsovereenkomsten tussen overheden en private partijen over mijnexploitatie (ondanks het nultarief).
Verder kan er nog op worden gewezen dat heffing van bronbelasting op deel-nemingsdividenden naast heffing van winstbelasting (het zogenaamde klassieke stelsel) economisch dubbele belasting tot gevolg heeft: dezelfde winst wordt zowel bij de vennootschap belast als bij de aandeelhouder. In een ideale wereld zou wereldwijd een dergelijke economisch dubbele belasting, die, zoals reeds opgemerkt, internationaal in beginsel als «problematisch» wordt ervaren, vermeden dienen te worden (nationaal en onder verdragen). Nu de ideale wereld niet bestaat, wordt naar mogelijkheden gezocht om de economisch dubbele belasting voor ondernemingen te voorkomen. Dit economisch op zich juiste streven (dat ook het aantrekken van investeringen bevordert) conflicteert evenwel met de behoefte van regeringen om via bronheffingen op deelnemingsdividenden extra belastinginkomsten te genereren voor de ontwikkeling van hun land. Dit is dan ook het dilemma waarvoor staten zich bij het sluiten van verdragen geplaatst zien.
Het zal duidelijk zijn dat op basis van de vermelde gegevens moeilijk gezegd kan worden dat Mongolië de dupe is van multinationals die de Nederlandse fiscale wetgeving gebruiken om de belastingen in Mongolië te ontwijken. Het artikel in de NRC geeft een eenzijdig en onvolledig beeld. Het toekomstige gemis van Mongolië aan bronheffing mag niet geïsoleerd worden bezien, maar dient afgezet te worden tegen de totale belasting- en dividendopbrengst voor de staat Mongolië uit de mijnbouw. Daar komt bij dat alleen de dividenden op aandelen die niet in handen zijn van de Mongoolse staat, Mongolië zullen verlaten en Mongolië nationaal mogelijkheden heeft om invloed uit te oefenen op de belastingopbrengst, via bijvoorbeeld verhoging van Vpb-tarieven.
Wat is uw oordeel over het belastingverdrag dat Nederland met Mongolië had gesloten?
Het Verdrag is in 2002 tot stand gekomen na een verzoek van Mongolië. Ook Nederland had belangstelling. Een verdrag paste in het streven naar een verdere politieke bestendiging van de relatie met Mongolië, dat lid was van de Nederlandse kiesgroep bij de European Bank for Reconstruction and Development. Het Verdrag stemde in het algemeen overeen met het gebruikelijke patroon van de destijds gesloten verdragen en het toenmalige verdragsbeleid (Kamerstukken II 1997/98, 25 087, nr. 4). Voor deelnemingsdividenden was dat verdragsbeleid gericht op een nultarief vanwege de Nederlandse deelnemingsvrijstelling om zo voor ondernemingen de extra kosten van onverrekenbare buitenlandse bronheffing en daarmee economisch dubbele belasting te voorkomen, zonder op dit punt een expliciete uitzondering te maken voor ontwikkelingslanden. Op verschillende punten werd rekening gehouden met specifieke wensen van Mongolië.
Inmiddels wordt voor het verdragsbeleid betreffende ontwikkelingslanden, conform de Notitie en overleg met de Kamer, nog meer dan voorheen rekening gehouden met de bijzondere positie van ontwikkelingslanden (zie slot blz. 3 van deze brief). Vanuit het nieuwe verdragsbeleid is er nu reden en ruimte om het Verdrag in overeenstemming te brengen met dat beleid en hogere bronheffingen te accepteren.
Onder verwijzing naar wat in een Ernst & Young tax alert2 van augustus 2012 staat: Mongolia has already tried to renegotiate the Netherlands and Luxembourg tax treaties. The Dutch competent authority have agreed to amend the dividend clause of its treaty from 0% to 5%, but have refused various other amendment requests,heeft Mongolië dus geprobeerd het verdrag te heronderhandelen maar wilde Nederland met bepaalde voorwaarden niet instemmen? Kunt u toelichten welke wijzigingen dat waren en waarom wilde Nederland er niet mee instemmen?
Anders dan de geciteerde passage in het tax alert veronderstelt, heeft Nederland niet op voorhand geweigerd met bepaalde voorwaarden in te stemmen. Ik verwijs hiervoor naar paragraaf «Verloop tot de opzegging van het Verdrag» in deze brief.
De opzegging is vorig jaar gedaan, voorafgaand aan het algemeen overleg Belastingverdragen; waarom heeft u de opzegging niet aan de Kamer gemeld?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Mongolië heeft, na de goedkeuring door het Mongoolse Parlement op 2 november 2012 van de opzegging, per diplomatieke nota van 28 november daaropvolgend Nederland officieel bericht dat het Verdrag werd opgezegd. Het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft vervolgens per diplomatieke nota de ontvangst medio december bevestigd. Op 20 februari 2013 is in het Tractatenblad een bericht over de opzegging officieel gepubliceerd (Trb. 2013, 33).
Aanvankelijk is overwogen om in een brief aan de Kamer de opzegging van het Verdrag te melden. Uiteindelijk is daarvan afgezien, omdat ten tijde van de beoogde verzending van de brief aan de Kamer in de loop van januari bleek dat er een Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Financiën op 23 januari 2013 gepland was. Van die gelegenheid is toen gebruikgemaakt om mondeling mededeling te doen van de opzegging (Kamerstukken 25 087, nr. 48, blz. 21).
Hoe beoordeelt u het feit dat het IMF het belastingverdrag tussen Nederland en Mongolië in een adviesrapport als «problematisch» kwalificeerde?3 Zijn er meer van dit soort technical assistance rapporten waarin de verdragen met Nederland als problematisch worden gekwalificeerd en/of de regeringen tot actie worden opgeroepen? Zo ja, kunt u deze naar de Kamer sturen?
Voor de eerste vraag over de kwalificatie van het Verdrag als «problematisch» verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 van het lid Groot.
Met betrekking tot de andere vragen merk ik op dat, voor zover mij bekend, er geen andere technical assistance rapporten als bedoeld zijn gepubliceerd.
Onder verwijzing naar een recent verworpen motie, die de regering opriep om alle lopende belastingverdragen afgesloten met derde landen door te lichten op negatieve effecten voor ontwikkelingslanden en hier staande praktijk van te maken bij het afsluiten van nieuwe belastingverdragen, bent u bereid uw standpunt met betrekking tot het doorlichten van belastingverdragen op negatieve effecten voor ontwikkelingslanden te herzien?
Onder andere in mijn beoordeling van deze motie heb ik aangegeven dat er geen reden is alle Nederlandse verdragen te evalueren. Tevens heb ik aangegeven dat de voorbereidingen op een onderzoek naar een aantal verdragen tussen Nederland en ontwikkelingslanden zijn gestart. Naar verwachting zullen de minister voor Bui-tenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en ik in de zomer over de uitkomsten en eventuele beleidsmatige implicaties aan uw Kamer kunnen rapporteren.
In de Notitie heb ik al aangegeven dat ik bij het sluiten van belastingverdragen bereid ben rekening te houden met de bijzondere positie en belangen van ontwikkelingslanden. In die zin maakt de toets van belastingverdragen op negatieve gevolgen voor ontwikkelingslanden al vast onderdeel uit van het Nederlandse fiscale verdragsbeleid.
Zo nee, kunt u dan toelichten waarom u er niets voor voelt belastingverdragen te toetsen op de negatieve gevolgen voor ontwikkelingslanden? Kunt u in uw beantwoording een duidelijk onderscheid maken tussen bestaande verdragen en nieuw af te sluiten verdragen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het binnenkort te houden algemeen overleg Belastingdienst/Diverse fiscale onderwerpen?
Ja.
Bent u bereid voorafgaand aan dit algemeen overleg tevens een reactie naar de Kamer te sturen op het boek «Het Belastingparadijs» van onderzoeksjournalisten Martin van Geest, Joost van Kleef en Henk Willem Smits, dat op 1 maart 2013 verschijnt?
Het is niet mijn gewoonte om te reageren op publicaties die in boekvorm verschijnen en waarin fiscale onderwerpen worden behandeld vanuit een bepaalde visie. Uiteraard zal ik wel antwoord geven op eventuele specifieke beleidsmatige vragen die uw Kamer stelt wanneer concrete passages in het boek daar aanleiding toe geven.
Turkse vluchtelingenkampen alias jihadistische rekruteringskampen |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Christians Squeezed Out by Violent Struggle in North Syria» en «Syrië telt spoedig geen christenen meer», waarin onder meer de problemen van Syrische christenen in Turkije worden aangekaart?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat in Turkse vluchtelingenkampen de terreurorganisatie Jahbat al Nusra gevluchte Syrische mannen die de strijdbare leeftijd hebben, rekruteert en terugstuurt naar Syrië om daar jihad te voeren?
Er is geen bevestigde informatie beschikbaar over vluchtelingen in Turkse vluchtelingenkampen die gerekruteerd worden door de terreurorganisatie Jahbat al Nusra. Ik zie daarom geen aanleiding dit aan te kaarten.
Deelt u de mening dat het onbestaanbaar is dat in Turkije door de VN-gefinancierde vluchtelingenkampen, waar Nederland ook flink aan bijdraagt, omgetoverd blijken te worden tot rekruteringskampen voor jihadisten? Zo ja, bent u bereid dit aan te kaarten bij de VN en Turkije en geen euro meer over te maken voor noodhulp aan Syrische vluchtelingenkampen via de VN zolang deze situatie voortduurt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de Iraakse constatering dat de steun van Turkije aan de Syrische oppositie ook een destabiliserend effect heeft op Irak? Welke consequenties verbindt u daaraan? 2
De federale regering in Bagdad, die een moeizame relatie met Turkije onderhoudt, maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Syrië en de mogelijke consequenties hiervan voor de eigen soennitische minderheid. Nederland blijft, net als de EU en de VN, tegenover Irak benadrukken dat een stabiel en verenigd Irak belangrijk is voor de stabiliteit in de regio.
Deelt u de mening dat er snel een oplossing moet komen voor de naar Turkije gevluchte Syrische christenen, die aangeven zich onveilig te voelen door de rebellen in de kampen en die geen liefdadigheidshulp ontvangen vanwege hun christen-zijn?
Volgens UNHCR zijn er geen aanwijzingen voor «sektarisch» geweld richting Syrische christenen in Turkse vluchtelingenkampen. Syrische christenen kiezen er veelal voor om, met toestemming van de autoriteiten, buiten de vluchtelingenkampen te verblijven. UNHCR heeft contact met enkele van deze vluchtelingen.
Heeft u kennisgenomen van het verzoek van Syria Request, waarin wordt beschreven dat de meeste Syrische christenen uit Hassaka ervoor kiezen 850 kilometer dwars door het Syrische oorlogsgebied te vluchten, naar Libanon, omdat Turkije hen de toegang weigert tot Tur Abdin?
Ja, Syria’s Request is door mijn ministerie geïnformeerd dat er geen informatie is die erop wijst dat Turkije vluchtelingen de toegang weigert tot Tur Abdin.
Hoe apprecieert u in dit kader de toezegging van Ankara om een apart vluchtelingenkamp voor Syrische christenen op te zetten indien nodig? Is de Turkse regering bereid om in het Tur Abdin een vluchtelingenkamp in te richten, en zo ja, hoeveel Syrische-christelijke vluchtelingen is Turkije bereid hierin toe te laten en wat gebeurt er met de overigen?
Deze toezegging wordt door UNHCR Turkije niet bevestigd.
Een mogelijke gang naar de Ondernemingskamer in het kader van mogelijk mismanagement bij SNS |
|
Arnold Merkies , Eddy van Hijum (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden die u tijdens het vragenuur van 26 februari jl. gaf over een mogelijke gang naar de Ondernemingskamer in het kader van mogelijk mismanagement bij SNS?
Ja.
Wat zijn de overwegingen van het kabinet om geen onderzoek te vragen naar de ondergang van SNS bij de Ondernemingskamer?
Bent u bekend met de uitspraken van de minister-president dat het nationaliseren van SNS noodzakelijk was vanwege het mismanagement aldaar? Waarom blokkeert u dan een onderzoek door de Ondernemingskamer, die juist bij uitstek in staat is om een eventueel wanbeleid te signaleren?
Tijdens het debat over de nationalisatie van SNS REAAL heeft u aangegeven dat er een zeer serieus en gedegen onderzoek komt naar de ondergang van SNS; waarom kan een onderzoek door de Ondernemingskamer hier dan niet gewoon deel van uitmaken?
Bent u zich ervan bewust dat het niet uitvoeren van een onderzoek door de Ondernemingskamer alleen maar leidt tot extra onrust en onzekerheid? Waarom bent u bereid dit op de koop toe te nemen?
Ik zie niet in waarom het niet initiëren van een enquêteprocedure tot onrust of onzekerheid zou leiden. Door de nationalisatie is de situatie rond SNS REAAL gestabiliseerd. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari jl. heeft vervolgens definitieve zekerheid verschaft. Met de uitspraak is komen vast te staan dat de nationalisatie rechtmatig was.
In België woonachtige verdachten van een mishandeling te Eindhoven |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Cassatie laat uitlevering van minderjarigen niet toe» en het in het bericht genoemde arrest van het Belgische Hof van Cassatie?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat het genoemde arrest kan betekenen dat België niet langer minderjarige ingezetenen, die verdacht worden van een strafbaar feit, in het buitenland zal uitleveren? Zo ja, maakt het daarbij uit over welke nationaliteit de ingezetene beschikt? Zo nee, waarom niet?
Bij de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging is de nationaliteit van de betrokken persoon geen weigeringsgrond. Dit volgt uit het Kaderbesluit EAB. De leeftijd van de betrokken persoon kan in zoverre relevant zijn dat als de betrokkene krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat nog niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld vanwege zijn leeftijd, dit een weigeringsgrond voor overlevering is. Dit vloeit voort uit artikel 3 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel.
In het betreffende arrest van het Belgische Hof van Cassatie ging het om een aanhoudingsbevel ter fine van strafexecutie. De minderjarige waar het arrest over gaat, was al door een Roemeense rechtbank veroordeeld. Het valt te bezien of het Hof van Cassatie een analoge redenering zal volgen voor een aanhoudingsbevel ter fine van vervolging. De conclusie dat verdachte minderjarigen niet meer zullen kunnen worden overgeleverd, kan dan ook niet op voorhand worden getrokken.
Is het waar dat landen die ingezetenen niet uitleveren zelf zorg dragen voor de vervolging van die ingezetenen als die verdacht worden van het plegen van een strafbaar feit in het buitenland? Zo ja, op grond van welke internationale verplichtingen? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het aut dedere aut judicare beginsel, dient een land ofwel uit te leveren, ofwel zelf te vervolgen. De niet-uitlevering brengt dus de verplichting met zich om zelf te vervolgen. Deze verplichting strekt zich uit over eigen onderdanen en ingezetenen en dus ook over minderjarigen voor zover zij vatbaar zijn voor vervolging onder het gewone strafrecht.
Het is naar Belgisch recht mogelijk een persoon die feiten pleegde op de leeftijd van 16 of 17 voor de jeugdrechtbank te vervolgen. Artikel 44 van de Belgische jeugdbeschermingswet laat dit toe, op basis van de (ouderlijke) verblijfplaats van de verdachte, of de plaats van aantreffen.
Bent u van mening dat, in het geval België niet langer minderjarige ingezetenen zou uitleveren, het zelf zorg zou moeten dragen voor vervolging? Zo ja, over welke wettelijke mogelijkheden daartoe beschikt België? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De gevolgen van door medeoverheden verstrekte hypotheken voor de schuldpositie |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het van belang is dat de Kamer inzicht heeft in de gevolgen van de door gemeenten, provincies, waterschappen en ZBO’s in het verleden verstrekte hypothecaire leningen aan medewerkers voor de schuldpositie van die organen? Zo nee, waarom niet?1
Sinds 1 januari 2009 is het op grond van Wet FIDO art. 2, 4e lid, niet meer toegestaan dat openbare lichamen contracten afsluiten met betrekking tot het verstrekken van hypothecaire leningen of garanties op de verstrekking ervan door financiële instellingen. De totale waarde aan voor die tijd uitgegeven hypothecaire leningen aan personeel, neemt daarom komende jaren steeds verder in grootte af, totdat de waarde in zijn geheel op termijn is afgebouwd.
Het verstrekken van hypothecaire leningen aan eigen personeel is een autonome aangelegenheid waarover geen specifieke rapportageplicht bestaat. Verstrekte leningen in algemene zin maken echter wel onderdeel uit van de begroting en verantwoording, waardoor via het stelsel van horizontale verantwoording aan de raad daarover en het reguliere verticale toezicht door de provinciale toezichthouder, risico’s geïdentificeerd en gemitigeerd kunnen worden.
Bij ZBO’s die onderdeel zijn van de Staat en ZBO’s met eigen rechtspersoonlijkheid die de arbeidsvoorwaarden van het Rijk volgen, geldt een iets andere situatie. In de arbeidsvoorwaarden van het Rijk is van het verstrekken van hypotheken door de werkgever nimmer sprake geweest. Wel was er ooit de mogelijkheid tot het verstrekken van garanties op hypothecaire leningen van financiële instellingen, maar dat is lang geleden afgeschaft.
ZBO’s met eigen rechtspersoonlijkheid en andere (eigen) arbeidsvoorwaarden geven zelf inzicht in en leggen verantwoording af over eventueel verstrekte leningen en daarmee gepaard gaande risico’s in hun begroting en jaarrekening en op hun balans. De minister houdt hier toezicht op en de rechtmatigheid en de doelmatigheid worden extern getoetst. Ook hier kunnen dus mogelijke risico’s worden gesignaleerd en – zo nodig – worden geïntervenieerd.
Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verstrekte hypothecaire leningen aan personeel tot onverantwoorde en onvoorzienbare financiële risico’s leiden bij de medeoverheden en ZBO’s. Ik deel daarom niet de mening dat het van belang is voor de Kamer om inzicht te krijgen in de gevolgen van de door gemeenten, provincies, waterschappen en ZBO’s in het verleden verstrekte hypothecaire leningen.
Deelt u de mening dat het feit dat dit een autonome aangelegenheid betreft een informatieverzoek aan de betreffende organen niet in de weg staat, analoog aan bijvoorbeeld het recente informatieverzoek over de derivatenpositie? 2 Zo nee, waarom niet?
De derivatenposities van medeoverheden zijn inderdaad onlangs in kaart gebracht middels een inventarisatie. In tegenstelling tot (verstrekte) leningen zijn derivatenposities doorgaans geen gangbaar onderdeel van de begroting en verantwoording van medeoverheden, waardoor het minder vanzelfsprekend was er van uit te gaan dat de hieraan verbonden mogelijke risico’s volledig inzichtelijk en beheersbaar waren. Voor de in het verleden verstrekte hypothecaire leningen geldt dit niet (zie antwoord3. Het feit dat het een autonome aangelegenheid betreft voor medeoverheden staat een informatieverzoek niet in de weg. Maar op basis van bovenstaande gronden zie ik helaas geen reële kans een informatieverzoek te doen. Dit geldt ook voor de ZBO’s.
Bent u bereid te inventariseren wat de effecten zijn van eventueel uitstaande hypothecaire leningen voor de schuldpositie van gemeenten, provincies en waterschappen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze inventarisatie tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u tevens bereid te inventariseren welke ZBO’s hypothecaire leningen aan hun medewerkers hebben verstrekt en welke bedragen hier mee gemoeid zijn? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze inventarisatie tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De aantasting van het leefgebied van de zeer zeldzame veldspitsmuis in Sibculo |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat de beschermde zeer zeldzame veldspitsmuis voorkomt op het kloosterterrein in Sibculo, maar dat Stichting Klooster Sibculo door intensief beheer en niet toegestane onderhoudswerkzaamheden meerdere malen het leefgebied van de veldspitsmuis heeft aangetast en daarmee verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet heeft overtreden?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
In het verleden hebben kapwerkzaamheden plaatsgevonden, waardoor mogelijk verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet zijn overtreden. Uit onderzoek dat de Stichting Klooster Sibculo (verder: de Stichting) na de kap heeft laten uitvoeren door de Zoogdiervereniging blijkt dat er inderdaad veldspitsmuizen voorkomen op het kloosterterrein. Door Dienst Regelingen is daarom bij de Stichting om een beheerplan gevraagd. De Stichting heeft door de Zoogdiervereniging een beheerplan laten opstellen.
Kunt u uiteenzetten hoe u ervoor zorgt dat het beheer van het kloosterterrein in overeenstemming is en blijft met de Flora- en faunawet en welke deskundige(n) u hiervoor raadpleegt?
Als daar aanleiding voor is, controleert de NVWA op verzoek van Dienst Regelingen of de stichting zich houdt aan het door de Zoogdiervereniging opgestelde beheerplan.
Kunt u bevestigen dat u Stichting Klooster Sibculo heeft opgelegd de toekomstige kloostertuin die zij willen realiseren geschikt te maken als leefgebied voor de veldspitsmuis als compensatie voor het blootleggen van oude kloostermuren? Zo neen, waarom niet?
De Stichting zal bij werkzaamheden die niet onder het beheerplan vallen opnieuw onderzoek moeten (laten) verrichten. De Stichting is daarvan op de hoogte. Het is dan aan Dienst Regelingen om te bepalen of al dan niet compensatie moet worden opgelegd.
Is het waar dat Stichting Klooster Sibculo het niet eens is met de aanvullende maatregelen die u heeft opgelegd ten aanzien van de inrichting en onderhoud van het kloosterterrein in Sibculo? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en hoe wilt u voorkomen dat in de toekomst nogmaals het leefgebied van de veldspitsmuis verder zal worden aangetast?
Bij de Stichting leven nog enige onduidelijkheden. Er zal nog overleg met Dienst Regelingen plaatsvinden.
Deelt u de mening dat verdere aantasting van het leefgebied van de zeer zeldzame veldspitsmuis te allen tijde dient te worden voorkomen in plaats van achteraf te worden opgemerkt en dat daar intensief toezicht voor noodzakelijk is, gelet op het feit dat Stichting Klooster Sibculo in het verleden meerdere malen de fout in is gegaan met het beheer en ouderhoud van het terrein? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoe u ervoor zorgt dat er voldoende toezicht zal worden gehouden op het beheer en onderhoud van het kloosterterrein, de inrichting van de toekomstige kloostertuin en of dit wel in overeenstemming gebeurt met de door u gestelde aanvullende eisen met betrekking tot zeer extensief en gefaseerd onderhoud, zodat het leefgebied van de velspitsmuis niet verder wordt aangetast? Zo neen, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op de vragen 2, 3 en 5.
Schaarse grondstoffen |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft de Nederlandse overheid er voldoende zicht op welke schaarse grondstoffen kritiek zijn voor de Nederlandse economie? Zo ja, welke grondstoffen zijn dit?
Graag verwijs ik u naar de stand van zakenbrief van het kabinet over grondstoffen welke het kabinet in april aan u zal sturen. Hierin wordt op bovenstaande vraag ingegaan. Met deze brief wordt tevens uitvoering gegeven aan de moties de Lange (32 852, nr. 4) en de Roon (32 852, nr. 7) die tijdens het notaoverleg op 2 juli 2012 met uw Kamer zijn ingediend.
Wat is de strekking van het plan om bepaalde essentiële grondstoffen veilig te stellen en zo de kwetsbaarheid voor onze economie te verminderen?
Ook hier verwijs ik naar de hiervoor genoemde brief.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de samenwerking met het bedrijfsleven? In welke mate zijn er reeds bilaterale afspraken gemaakt met herkomstlanden van kritieke grondstoffen (bijvoorbeeld analoog aan de Duitse Rohstoffallianz)?
Ook hier verwijs ik naar de hiervoor genoemde brief.
Turkse pleegkinderen in Europa |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Mona Keijzer (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de voorzitter van de Turkse parlementaire onderzoekscommissie voor de mensenrechten dat de Turkse regering zou overwegen Turkse kinderen die zijn ondergebracht bij christelijke en homoseksuele gezinnen in Europese landen terug te halen naar Turkije?1
Er kan geen sprake zijn van «terughalen» van Turkse kinderen door de Turkse regering. Deze uitspraak vindt geen enkele steun in het Haags Kinderbeschermingsverdrag uit 1961.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de voorzitter dat Turkije eventueel beroep zou kunnen doen op de Haagse Conventie uit 1961? Wat zou de betekenis van deze conventie in dit verband kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de bezwaren van de Turkse regering tegen het pleeggezinnenbeleid in Nederland en andere Europese landen?
Voor zover er bij de Turkse regering bezwaren zouden leven tegen het pleeggezinnenbeleid, ben ik niet in de positie deze uiteen te zetten.
Klopt het dat de Turkse regering de Turkse ambassades in Europese landen heeft opgedragen aandacht te besteden aan de kwestie van de pleegzorg? Zo ja op welke wijze?
De Turkse autoriteiten hebben Nederland verzocht hen te informeren als een kind met de Turkse nationaliteit onder verantwoordelijkheid van Bureau Jeugdzorg komt te vallen en over gerechtelijke beslissingen over plaatsing van kinderen met de Turkse nationaliteit in pleeggezinnen. Op dit moment wordt bezien hoe hiermee moet worden omgegaan.
Op hoeveel kinderen met een Turks paspoort in Nederland is een uithuisplaatsing van toepassing?
Ik beschik niet over deze informatie.
Hoeveel van deze kinderen verblijven bij een gezin zonder Turkse wortels?
Zie antwoord vraag 5.
Is er naar uw mening behoefte aan meer Turkse pleeggezinnen?
Ja. De culturele diversiteit van het pleegouderbestand is geen afspiegeling van de Nederlandse samenleving. Er is in de praktijk wel behoefte aan pleegouders met een andere culturele achtergrond. De regionale verschillen daarin zijn groot. Daarom wordt de werving van pleegouders vooral regionaal ingestoken, zowel wat betreft de algemene werving onder diverse doelgroepen, als ook de kindgerichte werving (op maat).
Heeft Turkije bij zijn klachten ook aangeboden om de helft van de kosten van de noodzakelijk geachte jeugdzorg voor deze deels Turkse kinderen ten koste van Turkije te laten komen?
Nee.
Bent u voornemens met de Turkse ambassadeur het gesprek aan te gaan om uit te leggen hoe het Nederlandse systeem van Jeugdzorg werkt?
Wanneer de Turkse overheid of de Turkse ambassade de Nederlandse regering benadert met vragen over de werkwijze in de Nederlandse pleegzorg, zijn wij bereid hen toe te lichten dat er zorgvuldige afwegingen worden gemaakt bij het plaatsen van kinderen in pleeggezinnen.
Wat gaat u verder ondernemen in deze kwestie?
Zie antwoord vraag 9.
De sluiting van het Institut Néerlandais |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraken van 8 november 2012, waarin u aangaf dat u de culturele samenwerking met Frankrijk wilt versterken, dat het u «een lief ding waard is…het Institut Néerlandais in stand te houden», en dat de kans «zeer, zeer groot is» dat het Institut Néerlandais openblijft?1
Ik heb destijds gezegd «Nederland moet meer doen aan culturele programma’s in Frankrijk en de schaarse beschikbare middelen minder stoppen in stenen». Het Institut Néerlandais gaat mij aan het hart. Een andere opzet onder verantwoordelijkheid van de ambassade en in samenwerking met Nederlandse en lokale culturele instellingen is goedkoper en kosteneffectiever.
Het pand aan de Rue de Lille blijft een culturele bestemming met Nederlandse signatuur behouden door actievere exploitatie door de eigenaar, de Fondation Custodia. De ambassade is voornemens in het pand kantoorruimte te huren ten behoeve van de culturele afdeling, die op projectbasis zal samenwerken met Custodia.
Hoe verhoudt deze belofte zich tot het feit dat u nu stopt met de subsidie voor het Institut?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom heeft u de Raad van Cultuur gevraagd een advies uit te brengen over een nieuwe opzet van de culturele relaties van Nederland met Frankrijk, nadat u besloot de subsidie voor het Institut Neerlandais te staken?
Frankrijk kent een rijke traditie van kunst en cultuur en een hoogstaand cultureel aanbod. In deze concurrerende omgeving de Nederlandse culturele sector voor het voetlicht brengen, vergt een gedegen vraaggerichte aanpak. Ik heb de Raad voor Cultuur verzocht advies uit te brengen over de toekomstige programmering omdat ik hecht aan de bilaterale culturele betrekkingen met Frankrijk en aan advies hierover van het culturele veld. Dit is een goede gelegenheid een extra slag te maken op het gebied van professionalisering, efficiëntie en vernieuwing.
Hoe verhoudt de frase «Minister Timmermans heeft de Raad voor Cultuur verzocht dit voorjaar een advies uit te brengen over een nieuwe opzet van de bilaterale culturele relaties met Frankrijk» in het persbericht over deze kwestie zich tot het feit dat de Raad voor Cultuur al in september 2012 aan uw voorganger liet weten hierover een ongevraagd advies uit te brengen?
Ik heb na mijn aantreden besloten om het ongevraagd advies om te zetten in een gevraagd advies om hiermee aan te geven dat dit voor mij hoge prioriteit heeft.
Waarom volgt u niet de motie-Bonis/Ten Broeke2, waarin het kabinet wordt verzocht «alvorens onomkeerbare besluiten te nemen die het postennet aangaan, een toekomstvisie op het postennet te ontwikkelen en deze met de Kamer te delen»?
Het Institut Néerlandais is een stichting naar Frans recht en geen onderdeel van het postennet. Het advies van de Raad voor Cultuur betreft de culturele relaties met Frankrijk en hoe daar met de beschikbare middelen op terrein van professionalisering, efficiëntie en vernieuwing een extra slag te maken.
Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te nemen totdat de toekomstvisie op het postennetwerk in de Kamer besproken is en het advies van de Raad van Cultuur binnen is?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u doorgerekend wat de langetermijneffecten zijn van deze verminderde Nederlandse culturele aanwezigheid in Frankrijk? Bent u bereid deze cijfers met de Kamer te delen?
Er zal geen sprake zijn van verminderde culturele aanwezigheid in Frankrijk. In de nieuwe opzet wordt alleen bespaard op vaste kosten voor huur, onderhoud en personeel. Sterker nog, deze opzet biedt ons de mogelijkheid onze culturele aanwezigheid te versterken.
Hoe gaat u na 2013 de continuïteit van culturele programma’s in Frankrijk waarborgen? Gaat Nederland wel meer doen aan culturele programma’s in Frankrijk, ondanks de sluiting? Zo ja, wordt hier het vrijgekomen geld voor gebruikt? Zo neen, waarom niet?
Een kleine, flexibele culturele afdeling van de ambassade brengt minder vaste kosten mee waardoor een groter deel van de middelen aangewend kan worden voor culturele activiteiten. Uitgangspunten zijn uiteraard continuïteit en ook intensivering van Nederlandse aanwezigheid op belangrijke Franse festivals, beurzen en podia en behoud van de bestaande netwerken.
Wat zal er gebeuren met de kunstcollectie uit de nalatenschap van Frits Lugt?
De kunstcollectie uit de nalatenschap van Frits Lugt maakt geen onderdeel uit van het Institut Néerlandais. Zij wordt beheerd door de Fondation Custodia die ook gevestigd is aan de Rue de Lille.
Het bericht "Europese Commissie houdt Nederland buiten transactietax" |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Europese Commissie houdt Nederland buiten transactietax»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de stelling van de Europese Commissie dat de verliespost voor pensioenen volgens lobbyorganisatie De Pensioenfederatie «schromelijk overdreven» zou zijn en de uitspraak van de Commissie «We zijn daar nog eens goed in gedoken en we komen echt op veel lagere bedragen uit: minder dan een half miljard»?
Zoals ook aangegeven in mijn brief aan de Tweede Kamer van 18 februari jl.2 en mijn reactie op de vragen van de leden Nijboer en Vermeij die u ook bijgevoegd vindt in deze brief, zal Nederland zich enkel kunnen aansluiten bij de nauwere samenwerking met het oog op een mogelijke heffing op de financiële sector wanneer de Nederlandse pensioenfondsen hiervan gevrijwaard blijven, er geen disproportionele samenloop is met de huidige bankenbelasting en de inkomsten ervan terugvloeien naar de lidstaten.
Het huidige voorstel voldoet niet aan deze voorwaarden van het regeerakkoord. Zo worden pensioenfondsen belast door de financiële transactietaks (hierna: FTT). Nederland zal daarom op dit moment niet toetreden tot de nauwere samenwerking. Op basis van het nieuwe Commissievoorstel zal verder worden onderhandeld. Nederland zal zich er actief voor blijven inzetten om de Nederlandse wensen onder de aandacht te brengen bij de Commissie en de overige lidstaten.
Zoals ook eerder gesteld in mijn reactie op de vragen van de leden Nijboer en Vermeij is de impact van een FTT zoals voorgesteld door de Commissie zeer moeilijk te voorspellen, omdat deze afhangt van vele factoren. Zo brengt een FTT naast directe kosten ook indirecte kosten voor financiële instellingen met zich mee. De kosten zorgen ervoor dat financiële instellingen uit efficiëntie-overwegingen minder financiële transacties afsluiten, deze transacties naar tegenpartijen buiten de FTT-zone verplaatsen, of zoeken naar onbelaste substituten. De grootte en werking van deze effecten verschillen per financieel instrument.
Naar aanleiding van het eerdere voorstel van de Commissie voor een FTT van september 2011 hebben het CPB, DNB en AFM een inschatting gemaakt wat de gevolgen zullen zijn van een FTT in het geval Nederland hieraan zou deelnemen. Dit is op 20 maart 2012 naar de Tweede Kamer gestuurd.3 Uit de ramingen van DNB blijkt dat deelname aan de FTT de Nederlandse banken, pensioenfondsen en verzekeraars jaarlijks ongeveer € 4 miljard zou kosten wanneer Nederland zou deelnemen aan de FTT. Hiervan komt ongeveer € 2,0 miljard van de banken, € 1,7 miljard van pensioenfondsen en € 0,3 miljard van verzekeraars. Hierbij moet als kanttekening gesteld worden dat het «sneeuwbaleffect» van de FTT (het effectieve FTT-bedrag van een transactie wordt groter omdat bij een transactie vaak meer partijen betrokken zijn) slechts ten dele is meegenomen. Aannemelijk is dat pensioenfondsen – die net als andere eindbeleggers afhankelijk zijn van financiële tussenpartijen voor het aangaan en afwikkelen van transacties – zullen worden geconfronteerd met dienstverleners die de lasten die voor hen volgen uit een FTT zullen doorberekenen. Dit kan de gepresenteerde kosten van de FTT voor pensioenfondsen en andere eindbeleggers verder verhogen. Bovenstaande schattingen zijn hoe dan ook significant anders dan de inschatting van de Commissie.
Het recente voorstel voor een richtlijn ter implementatie van nauwere samenwerking op het gebied van een financiële transactiebelasting komt grotendeels overeen met het originele voorstel uit 2011. Nederland neemt, zoals gesteld, niet deel aan de nauwere samenwerking die tot stand is gekomen voor het huidige FTT-voorstel zolang niet voldaan is aan de voorwaarden in het regeerakkoord. Toch zullen ook Nederlandse bedrijven en de financiële sector, die veel activa in de landen van de FTT-zone bezitten en veel zaken doen met financiële instellingen in die zone, geraakt worden als de belasting conform het voorstel van de Commissie in de nieuwe «FTT-zone» wordt geïmplementeerd. De belangrijkste oorzaak hiervan is de uitgebreide grondslag van het FTT-voorstel op basis van het vestigingsplaatsprincipe en het uitgifteprincipe.
DNB heeft in een grove schatting becijferd dat in het geval Nederland niet deel zal nemen aan de FTT, de Nederlandse financiële sector minimaal zo’n € 500 miljoen (op handel van aandelen en obligaties) aan FTT zou moeten afdragen.4 Hiervan wordt iets minder dan de helft afgedragen door pensioenfondsen.5 Hierbij is het belangrijk te stellen dat het hier om een grove (conservatieve) schatting gaat. DNB heeft enkel gekeken naar de aandelen- en obligatie handel, en heeft het «sneeuwbaleffect» van de FTT slechts ten dele meegenomen. Deze schatting van DNB kan dan ook gezien worden als een minimum bedrag waarbij het waarschijnlijk is dat nadere berekeningen over het af te dragen bedrag aan FTT hoger zal uitvallen.
Voor Nederland is het essentieel dat pensioenfondsen niet geraakt worden. Volgens schattingen beheren Nederlandse pensioenfondsen namelijk circa € 850 miljard van de € 1.500 miljard aan opgebouwd pensioenvermogen in de Eurozone. Dit voorstel heeft daar een significante impact op.
Wat is uw inschatting van de financiële gevolgen van de Financial Transaction Tax (FTT) voor pensioenfondsen? Is hiernaar onderzoek verricht door uw ministerie en/of het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, bent u bereid de uitkomsten van dit onderzoek met de Kamer te delen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u met het oog op het standpunt van de Nederlandse regering uw reactie/oordeel geven over de notitie «No exemption – The Financial Transaction Tax and Pension Funds» van het Network for Sustainable Financial Markets?
Ik ben bekend met het paper van het Network for Sustainable Financial Markets. Hoewel ik het eens ben met de stelling van de auteurs dat pensioenfondsen zoveel mogelijk op de lange termijn gerichte investeringen moeten doen, vraag ik mij af of daartoe het toepassen van een FTT op pensioenfondsen geëigend is. Uit recent onderzoek van Eumedion6 blijkt dat pensioenfondsen meer dan 80 procent van hun Nederlandse aandelen vijf jaar of langer aanhouden. Bij dergelijke looptijden kan lastig worden gesproken over speculatieve, korte termijn transacties. Bovendien ben ik het niet eens met de stelling van de auteurs dat een FTT zal aanmoedigen tot een investeringsbeleid met langere looptijden en een buy and hold strategie. Taak van pensioenfondsen is niet alleen om adequate rendementen te genereren voor deelnemers en pensioengerechtigden, maar ook om risico’s te beheersen die in de tijd veranderen en om kasstromen te accommoderen. Financiële instrumenten (derivaten, deposito’s en geldmarktinstrumenten) die worden gebruikt voor dit risico- en cashmanagement kunnen (noodzakelijkerwijs) een kortere looptijd hebben. De mogelijkheden om het volume van dergelijke transacties terug te brengen zijn beperkt en brengen het gevaar met zich dat risico’s open worden gelaten. Deelnemers en pensioengerechtigden zouden zo met een grotere volatiliteit in pensioenuitkomsten worden geconfronteerd. De alternatieve keuze, namelijk het continueren van deze transacties om de risico’s af te dekken, leidt onder een FTT tot hogere kosten. Die komen ten laste van het rendement en uiteindelijk de pensioenuitkomsten van de deelnemers.
Ik verwacht dus, in tegenstelling tot de auteurs van het paper, dat een FTT geen grote effecten zal hebben op de termijn waarop door fondsen geïnvesteerd wordt in de reële economie, terwijl de taks wel significante gevolgen zal hebben voor de risico’s die fondsen nemen en de hoogte van de pensioenuitkering aan Nederlandse burgers.
Het opzeggen door Mongolië van het belastingverdrag met Nederland |
|
Ed Groot (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mongolië neemt unieke stap en verscheurt het verdrag»?1
Ja.
In het artikel is sprake van een adviesrapport van het IMF aan Mongolië waarin het belastingverdrag met Nederland als «problematisch» wordt gekwalificeerd; klopt deze lezing van de feiten in het artikel? Zo ja, bent u dan bereid het desbetreffende rapport op te zoeken en aan de Tweede Kamer te sturen?
Het IMF heeft in juni 2012 een rapport opgesteld over technische bijstand voor Mongolië. Het rapport, opgesteld op verzoek van Mongolië en voorbereid door adviseur belastingrecht van het IMF dr. Michielse, is getiteld «Safeguarding Domestic Revenue–A Mongolian DTA Model». Het rapport is gepubliceerd op de website van het IMF (www.imf.org) in november 2012 (zie bijlage)1.
In het rapport wordt onder meer een overzicht gegeven van de verdragen van Mongolië met de bronheffingen op dividenden, interest, royalty’s en vergoedingen voor technische diensten (blz. 12). Daarbij wordt voor de genoemde categorieën in een noot aangetekend dat de verdragen van Mongolië met Koeweit, Luxemburg, de VAE en Nederland als problematisch worden beschouwd, maar enkel voor zover het gaat om één of sommige van de genoemde categorieën in de vier verdragen. Voor Nederland wordt alleen het verdragstarief van 0% voor deelnemingsdividen-den als problematisch ervaren, niet de andere verdragstarieven (blz. 12).
In de noot bij het overzicht wordt ter zake van het nultarief toegevoegd dat bescherming van de Mongoolse belastinggrondslag onmiddellijke actie vereist. Uit de aanbevelingen in het rapport valt evenwel op te maken dat daaronder niet zonder meer opzegging van verdragen lijkt te worden verstaan.
De opmerking in het artikel van de NRC dat het IMF-rapport het verdrag met Nederland (in zijn algemeenheid) als «problematisch» voor Mongolië kwalificeert, behoeft dus, gezien het vorenstaande, de nodige nuancering. Bovendien mag de bronheffingskwestie niet los worden gezien van andere heffingen door Mongolië over de opbrengst van natuurlijke rijkdommen, zoals ik hierna toelicht.
In aanvulling op het rapport en het NRC-artikel wijs ik er met nadruk op dat door Mongolië, conform internationaal gebruik, de winsten van bedrijven (inclusief mijnbouwbedrijf Oyu Tolgoi) worden belast (Vbp-tarieven zijn 10% en 25%) en dat de staat Mongolië, ingevolge de investeringsovereenkomst in 2009 gesloten tussen de regering van Mongolië en Oyu Tolgoi in samenhang met de Mineralenwet, een belang van 34% heeft in het mijnbedrijf (66% is in handen van Oyu Tolgoi)(zie www.ot.mn). Gezien de te verwachten winst zal het grootste deel worden belast tegen 25% (vóór uitkering van dividend). Het belang van 34% betekent dat de staat Mongolië in beginsel 34% van de dividenden zal kunnen ontvangen.
Heffing van bronbelasting over de dividenden naast vennootschapsbelasting over de winst leidt tot economisch dubbele belasting, wat internationaal in beginsel als «problematisch» wordt gezien.
Heffing van 5% bronbelasting door Mongolië zal dus economisch dubbele belasting tot gevolg hebben, ongeacht of deze dividenden via Nederland dan wel direct naar andere landen toestromen.
Verder ontvangt Mongolië op grond van zijn Mineralenwet royalty’s (5%) over de bruto verkoopwaarde van de mineralen.
Gezien een en ander kan uit het IMF-rapport van 2012 en het artikel geen volledig beeld van de Mongoolse belastingheffing worden verkregen, aangezien beide zich beperken tot de invloed van het Verdrag op heffing over met name passieve inkomsten. Zie verder het antwoord op vraag 1 van het lid Klaver (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 1676).
Op welke gronden heeft Mongolië besloten het belastingverdrag met Nederland op te zeggen? Heeft de Mongoolse regering hierbij ook aangegeven waaruit het financiële nadeel bestaat bij continuering van het huidige belastingverdrag met Nederland en om welke concrete fiscale regelingen het hier ging?
De toelichting op het wetsvoorstel voor opzegging van de vier genoemde verdragen vermeldt dat Mongolië zijn fiscale beleid en het volledige verdrags-netwerk heeft heroverwogen, en wel omdat men te veel heffingsrechten zou kwijtraken. Het parlement was van oordeel dat de genoemde verdragen bepalingen bevatten, die conflicteren met het belang van de Mongoolse staat en niet meer in lijn zijn met latere verdragen, en dat Mongolië belastinginkomsten zou missen als gevolg van houdsterstructuren in Nederland.
Mongolië heeft aanvankelijk overwogen om al zijn belastingverdragen te beëindigen en een nieuw verdragennetwerk op te zetten, gebaseerd op handels-omvang en wederkerigheid in economische relaties. Uiteindelijk heeft Mongolië daarvan afgezien en alleen de vier genoemde verdragen opgezegd, omdat deze volgens Mongolië het meeste financiële nadeel zouden opleveren.
Dit financiële nadeel had voor Nederland met name betrekking op het nultarief voor deelnemingsdividenden. Dit tarief spoorde niet meer met het tarief van 5%, dat Mongolië thans als verdragsbeleid hanteert. Volgens een voorbeeldberekening van het Mongoolse Ministerie van Financiën zou Mongolië voor 2014 als gevolg van de vier genoemde verdragen een belastingverlies van ca. 45 miljoen euro in totaal lijden op dividend, interest, royalty’s en vergoedingen voor technische diensten betaald door Oyu Tolgoi, maar daarbij lijkt wel te zijn uitgegaan van een maximale verliespositie, namelijk het verlies uitgaande van de nationale tarieven (in alle gevallen 20%) afgezet tegen de verdragstarieven, hetgeen geen realistische voorstelling van zaken is, omdat in het algemeen onder verdragen nationale tarieven worden verlaagd. Hoe de berekening precies tot stand is gekomen, is evenwel niet te achterhalen.
De fiscale regelingen waar het hier om gaat, zien dus op de verdragstarieven voor bronheffing, die afwijken van de nationale Mongoolse tarieven.
Is er tussen Mongolië en Nederland overleg geweest over een mogelijke aanpassing van het belastingverdrag alvorens deze drastische stap is genomen? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor paragraaf «Verloop tot de opzegging van het Verdrag» in deze brief.
Klopt het dat Oyu Tolgoi Netherlands B.V. gevestigd te Amsterdam geen medewerkers in dienst heeft en zodoende geen loon of sociale premies heeft afgedragen over het afgelopen belastingjaar? Zo ja, wat waren de redenen waarom kennelijk wel werd voldaan aan de in Nederland geldende substance eisen voor buitenlandse bedrijven die gebruik maken van het Nederlandse verdragennetwerk? Is de casus Mongolië voor u reden om aanvullende substance eisen te stellen aan hier gevestigde bedrijven? Welke concrete voorstellen wilt u daarvoor doen?
Op grond van artikel 67 AWR kan ik niet ingaan op concrete gevallen. In het algemeen kan echter niet verdedigd worden dat een voorwaarde om gebruik te mogen maken van (de voordelen in) een belastingverdrag bestaat uit het in dienst hebben van medewerkers en het afdragen van loonbelasting of sociale premies.
Het feit dat Mongolië het Verdrag heeft opgezegd, is voor mij geen aanleiding voorstellen te doen om Nederlandse wet- of regelgeving aan te passen. Bij verschillende gelegenheden heb ik duidelijk gemaakt dat ik mij ervan bewust ben dat vragen worden gesteld bij de mogelijkheden voor in Nederland gevestigde vennootschappen om gebruik te maken van verdragen. Ik heb daarbij ook duidelijk gemaakt dat dit in eerste instantie een zaak is van onze verdragspartner, die op grond van het Verdrag terugtreedt bij de uitoefening van zijn heffingsrechten. Daarnaast heb ik duidelijk gemaakt dat Nederland altijd bereid is gerichte en proportionele antimisbruikbepalingen in verdragen op te nemen. In de brief van juni 2011 is daarom Mongolië aangeboden om in het Verdrag een antimisbruik-bepaling op te nemen.
Bij de beoordeling van de vraag of het verstandig is aanvullende substance-eisen te stellen, wil ik de conclusies betrekken die zullen blijken uit het onderzoek dat SEO doet naar de betekenis van de non-bank financial sector voor de Nederlandse economie. Het opzeggen van het Verdrag door Mongolië geeft mij geen aanleiding daar nu op vooruit te gaan lopen.