Het bericht dat GGD Nederland, het Trimbos-instituut en het Nederlands instituut voor alcoholbeleid (STAP) adviseren zo snel mogelijk over te stappen op effectieve alcoholleeftijdscontrole in supermarkten |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de oproep van GGD Nederland, het Trimbos-instituut en het Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid (STAP) aan supermarkten om zo snel mogelijk over te stappen op een effectief gebleken leeftijdscontrolesysteem?
Wij ondersteunen de oproep van deze partijen. De naleving van de leeftijdsgrenzen bij de verkoop van alcohol is in veel gevallen nog volstrekt onvoldoende. De aanstaande verhoging van de leeftijdsgrens naar 18 jaar maakt het belang van verbetering van de naleving van de leeftijdsgrenzen bij de verkoop van alcoholhoudende dranken in supermarkten nog groter, doordat de groep te controleren mensen groter wordt. Als er systemen zijn die kunnen bijdragen aan een betere naleving van de leeftijdsgrens, dan gaan wij er van uit dat supermarkten daarin hun verantwoordelijkheid nemen.
Ondersteunt u deze dringende oproep van de gezondheidsinstellingen, ook gezien recent onderzoek waaruit blijkt dat een 14- of 15-jarige bij supermarkten binnen 10 minuten alcohol kan kopen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat u doen om te zorgen dat de supermarktbranche daadwerkelijk overgaat tot effectieve leeftijdscontrole?
Per 1 januari 2013 is het toezicht op de naleving van de Drank- en Horecawet overgegaan naar gemeenten. Deze wet geeft de burgemeester meer mogelijkheden dan voorheen om op te treden tegen overtredingen van de leeftijdsgrenzen door supermarkten. Als wordt vastgesteld dat artikel 20 van de Drank- en Horecawet binnen een periode van 12 maanden 3 maal is overtreden, kan de burgemeester op grond van artikel 19a supermarkten tijdelijk de bevoegdheid ontzeggen alcoholhoudende drank te verkopen. Wij gaan ervan uit dat supermarkten een dergelijke sanctie zoveel mogelijk willen voorkomen en dat de inzet van effectieve leeftijdscontrolesystemen daar een bijdrage aan kan leveren.
Deelt u de mening dat het vervangen van de huidige controle door effectieve leeftijdscontrole ook gunstig is voor gemeenten, omdat hun toezichtslasten aanzienlijk kunnen worden gereduceerd?
Die mening delen wij. Als supermarkten gebruik gaan maken van effectieve leeftijdscontrolesystemen, vermindert dat de noodzaak van het houden van toezicht op de naleving van de leeftijdsgrenzen bij de supermarkten die dergelijke effectieve systemen inzetten. Dat betekent dat gemeentelijke toezichthouders zich meer kunnen richten op andere verstrekkers en sectoren waar alcohol wordt verkocht, zoals de horeca en de sportkantines.
Het negeren van een rijverbod door een dronken chauffeur |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Dronken buschauffeur rijdt door na botsing» en «Dronken buschauffeur na ongeluk ontslagen»?1
Ja.
Is het waar dat een werkgever niet op de hoogte wordt gesteld van het feit dat een werknemer, die beroepsmatig in het bezit van een geldig rijbewijs moet zijn, dat rijbewijs niet meer heeft? Zo ja, waarom is dat zo? Zo nee, hoe is dit dan wel geregeld?
Ten aanzien van het verstrekken van gegevens omtrent invordering, inneming en teruggave van het rijbewijs en ontzegging van de rijbevoegdheid vermelden het Reglement Rijbewijzen, het Privacyreglement Centraal Rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister en het Besluit aanwijzing Stichting Waarborgfonds Motorverkeer voor ontvangen van gegevens uit het rijbewijsregister een aantal personen of instanties aan wie de Dienst Wegverkeer inlichtingen verstrekt. Werkgevers worden in al deze regelingen niet genoemd. De politie mag op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) en het Besluit politiegegevens alleen politiegegevens verstrekken aan limitatief genoemde derden. Werkgevers staan daarbij niet genoemd.
Het Openbaar Ministerie kan op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daarop gebaseerde Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens strafvorderlijke gegevens over verdachten of veroordeelden verstrekken aan bepaalde instanties, waaronder werkgevers in de vervoerssector. Voorwaarde hierbij is wel dat uit het strafdossier blijkt van feiten en omstandigheden die twijfels doen rijzen over het behoorlijk beroepsmatig functioneren van de verdachte of veroordeelde. Er moet van geval tot geval worden beoordeeld of er aanleiding is van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Is het in het kader van het inlichten van een werkgever relevant of het rijbewijs door de politie is ingevorderd, door de officier van Justitie is ingenomen dan wel door de rechter de rijbevoegdheid is ontzegd? Zo ja, op welke wijze en waarom?
Als de politie een rijbewijs invordert dat wordt daarvan een proces-verbaal ingezonden naar de officier van justitie. Deze beslist over inhouding dan wel teruggave van een rijbewijs. Voor het verstrekken van gegevens die bij de politie of het Openbaar Ministerie berusten verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Ontzeggingen van de rijbevoegdheid die zijn opgelegd door de strafrechter kunnen alleen door de voorzitter van de rechtbank aan derden worden verstrekt.
Deelt u de mening dat de bescherming van de verkeersveiligheid en de veiligheid van passagiers voorrang dient te hebben boven de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene van wie de rijbevoegdheid is ingevorderd, ingenomen of ontzegd? Zo ja, hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is dat iemand waarvan het rijbewijs is ingenomen geen voertuig bestuurt. Een persoon die toch achter het stuur wordt aangetroffen begaat een misdrijf. De verkeersveiligheid, de veiligheid van passagiers en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn allen belangrijke aspecten. Het Openbaar Ministerie en de rechter beoordelen in een individuele zaak wat het zwaarst moet wegen, en houden daarbij rekening met alle relevante omstandigheden. Als het Openbaar Ministerie aanleiding ziet om de werkgever in te lichten heeft het deze bevoegdheid. Zie het antwoord op vraag 2. Gelet hierop zie ik geen aanleiding om bijvoorbeeld een algemene meldplicht aan werkgevers in het leven te roepen.
Houdt de rechter bij het opleggen van een onvoorwaardelijke rijontzegging rekening met de omstandigheid dat iemand zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en is dit belang daarmee reeds meegewogen bij het desalniettemin opleggen van de rijontzegging?
De rechter betrekt in zijn afweging bij het opleggen van een straf of maatregel onder meer de gevolgen daarvan voor de te veroordelen persoon, gelet op diens persoonlijke omstandigheden. Wanneer ter zitting de mogelijkheid van een onvoorwaardelijke rijontzegging als sanctie aan de orde komt, is het gegeven dat iemand zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk in dit verband een relevante omstandigheid.
De strijd tegen de drugscriminaliteit en de wens van gemeenten wietteelt te legaliseren |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Hennepteelt groeit politie boven het hoofd»?1
Het artikel is mij bekend. Het is goed nieuws dat het aantal meldingen door burgers over wietplantages flink is gestegen. Daarnaast is het aantal plantages dat jaarlijks wordt geruimd nog steeds hoog. Alle inspanningen hebben effect. Desondanks blijft de georganiseerde hennepteelt een ernstig probleem en blijft de aanpak hiervan een topprioriteit van deze regering. Hierbij wordt ingezet op een geïntegreerde aanpak samen met gemeenten, belastingdienst en andere partners, zodat ook de criminele organisaties die schuil gaan achter de kleine telers in het vizier komen. Om deze samenwerking nog bestendiger te maken, zijn de gemeenschappelijke uitgangspunten voor de geïntegreerde aanpak recentelijk vastgelegd in een Leidraad Geïntegreerde Aanpak van Ondermijnende Criminaliteit.
Hoeveel politiecapaciteit houdt zich op dit moment bezig met de illegale hennepteelt? Wat kost deze inzet van politie?
Politiecapaciteit wordt niet specifiek geoormerkt. Ook wordt geen uitsplitsing gemaakt naar kosten voor de bestrijding van bepaalde vormen van criminaliteit. Criminaliteit wordt bestreden en capaciteit wordt daar ingezet waar dit nodig is.
Wat is uw reactie op het gegeven dat verzekeraars duizenden claims krijgen die samenhangen met hennepteelt, zoals branden in woningen, met een totale jaarlijkse schade van 100 miljoen euro?
Dat verzekeraars schade hebben ten gevolge van hennepteelt is bekend. Om die reden wordt in het kader van de bestrijding van georganiseerde hennepteelt regelmatig contact onderhouden met het Verbond van Verzekeraars (VVV) of het daaraan verbonden Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude (CBV). Dit contact heeft er onder meer toe geleid dat het CBV, Meld Misdaad Anoniem en de politie samenwerken wanneer er (anonieme) signalen binnenkomen die betrekking hebben op de hennepteelt.
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle kosten die de huidige strijd tegen de georganiseerde hennepteelt voor de samenleving met zich meebrengt? Zo nee, waarom niet? Blijft u, ook met het oog op deze kosten, vasthouden aan het huidige beleid met alle onwenselijke effecten van dien?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het artikel «Gemeente mag zelf wiet kweken» en de opmerkingen van de geciteerde hoogleraar/rechtswetenschapper dat het verbieden van gemeentelijke hennepteelt onzin is en nergens op slaat?2
Zoals ik eerder heb aangegeven is de geldende wet- en regelgeving duidelijk: regulering van de hennepteelt is in strijd met VN-verdragen, EU-recht en de Opiumwet. Er is geen ruimte voor gemeentelijke initiatieven die daarvan afwijken. Ik heb uw Kamer tijdens het algemeen overleg over de clubpas van 13 december 2012 een inventarisatie toegezegd van de plannen van gemeenten om hennepteelt te reguleren. In het verlengde daarvan heb ik ook toegezegd om onderzoek te doen naar de kleinschalige hennepteelt in Europa en de VS, waarbij ik ook de juridische aspecten zal meenemen. Ik zal uw Kamer hierover voor het einde van dit jaar berichten.
Deelt u de mening van deze hoogleraar dat de internationale regels boterzacht zijn en er niet toe leiden dat gemeentelijke experimenten met wietteelt onder alle omstandigheden verboden moeten blijven?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op de observatie dat Nederland aan alle kanten voorbij wordt gestreefd door bijvoorbeeld Amerikaanse staten voor wat betreft de regulering van wietteelt? Hoe kan dit, indien het toestaan van gereguleerde wietteelt in zou druisen tegen internationale regels, zoals u stelt?
Zie antwoord vraag 5.
Zit deze hoogleraar er volgens u geheel naast of bent u bereid toe te geven dat de internationale regels wel degelijk enige ruimte laten om gereguleerde wietteelt toe te staan?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid enkele gemeenten alsnog toestemming te verlenen te experimenteren met gereguleerde wietteelt, juist ook vanwege de strijd tegen de drugsgerelateerde criminaliteit?
Zie antwoord vraag 5.
Het rapport ‘sociaal economische gevolgen van echtscheiding’ |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het verkennend rapport «sociaal-economische gevolgen van echtscheiding»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevindingen in het rapport die wijzen op de negatieve effecten op gezondheid, geluk en welbevinden en, als gevolg daarvan, op de overheidsfinanciën? Kost echtscheiding Nederland jaarlijks circa € 2 miljard?
Over het effect van echtscheiding op de overheidsfinanciën geeft het rapport geen directe informatie. Het rapport stelt dat er een relatie is tussen echtscheiding en maatschappelijke kosten, maar dat deze relatie niet noodzakelijkerwijs een oorzakelijke is. Gezien het voorgaande zal nader onderzoek naar de omvang van de totale maatschappelijke kosten van echtscheiding onvoldoende oorzakelijke verbanden kunnen aantonen.
Op welke wijze kan het risico op armoede als gevolg van echtscheiding worden voorkomen?
Een echtscheiding is een gebeurtenis waarbij mensen vaak geconfronteerd worden met een terugval in inkomen. Het is dan zaak dat mensen zo snel mogelijk bekijken op welke wijze zij hun inkomsten en uitgaven het beste in balans kunnen brengen. Als dit mensen niet zelf lukt, dan kunnen zij zich tot de gemeente wenden voor hulp.
Participatie via werk is de beste manier om onverwachte gebeurtenissen, zoals een scheiding, financieel op te kunnen vangen. Via allerlei maatregelen en voorzieningen investeert het kabinet in een stelsel dat mensen in staat stelt om te werken. Daarnaast faciliteert het kabinet financiële educatie, opdat mensen een verstandig financieel beleid voeren waarbij rekening gehouden wordt met tegenvallers.
Wanneer mensen onverhoopt (tijdelijk) niet in staat zijn voldoende inkomen te genereren, is er voor hen een sociaal vangnet in de vorm van een bijstandsuitkering.
Bent u bereid terug te komen op antwoorden op eerdere vragen over de omvang van de totale maatschappelijke kosten van echtscheiding2, waarin u aangeeft dat een onderzoek naar de omvang van de totale maatschappelijke kosten van echtscheiding in Nederland geen toegevoegde zou hebben? Zo ja, wilt u dan aanvullend onderzoek verrichten naar de sociaal-economische gevolgen van echtscheiding? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kent u de verkennende studie «relatie ondersteunend aanbod Centra Jeugd en Gezin» (CJG's)3, waaruit blijkt dat er in Nederland nog nauwelijks sprake is van preventief relatieondersteuningsaanbod vanuit de CJG's? Waarom is er nauwelijks hulpaanbod? Hoe kan dit aanbod worden vergroot?
De verkennende studie «relatie ondersteunend aanbod Centra Jeugd en Gezin» laat zien dat er weinig maatschappelijk draagvlak lijkt te bestaan voor relatieondersteunend aanbod. Dit wordt bevestigd door de aanbieders van relatieondersteunende programma’s. Bij paren lijkt het behoren tot het privédomein van relaties en relatieproblemen een belemmering te zijn om hulp te zoeken bij relatieproblemen.
De voormalige minister voor Jeugd en Gezin heeft, als opdrachtgever van de verkennende studie, de taak voor het realiseren van relatieondersteunend hulpaanbod neergelegd bij gemeenten en Centra voor Jeugd en Gezin. Gemeenten hebben een belangrijke rol als het gaat om het beschikbaar stellen van lichtere vormen van hulpverlening en (in toenemende mate) de algemene regie op een goed op elkaar aansluitend pakket van beschikbare hulpverlening. Dit geldt ook voor hulpaanbod op het gebied van relatieondersteuning. De rol van gemeenten zal na de decentralisatie van de zorg voor jeugd op dit laatste terrein nog veel belangrijker worden.
Om gemeenten en Centra voor Jeugd en Gezin te ondersteunen bij het vormgeven van relatieondersteunend aanbod, is de handreiking «Relatieondersteunend aanbod voor (aanstaande) ouders» ontwikkeld. Deze handreiking is op 21 november 2012 gepubliceerd op de website www.voordejeugd.nl . Via de link http://www.voordejeugd.nl/actueel/nieuws/288-relatieondersteunend-aanbod-voor-aanstaande-ouders is de handreiking te downloaden.
Wil u nader onderzoek doen, zoals wordt aanbevolen in de verkennende studie, naar de effectiviteit van het huidige Nederlandse aanbod relatieondersteunende programma’s?
Het ministerie van VWS financiert ZonMw voor het uitvoeren van het programma «Effectief werken in de jeugdsector». Eén van de programmalijnen voorziet in onderzoek naar de effectiviteit van interventies. De programmacommissie van ZonMw beoordeelt de wetenschappelijke relevantie van de onderzoeksvoorstellen.
Deelt u de mening dat het, gezien de sociaal-economische gevolgen, belangrijk is dat overheidsbeleid gericht moet zijn op het versterken van familie- en gezinsrelaties? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan? Zo nee, waarom niet?
Op 8 februari 2013 hebben we uw Kamer de Gezamenlijke agenda VWS «Van systemen naar mensen» aangeboden (MEVA/AEB-3155166). Met de decentralisatie van alle ondersteuning, hulp en zorg bij opgroeien en opvoeden naar gemeenten, willen we een omslag realiseren naar preventie en aansluiten bij eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van jeugdigen en hun ouders. Door ontschotting van budgetten ontstaan meer mogelijkheden voor «één gezin, één plan, één regisseur» én voor zorgvernieuwing. Gemeenten kunnen hun taak doelmatiger uitvoeren door ontschotting en investering in preventie en vroegtijdig signaleren. Hierdoor wordt het makkelijker verbindingen te leggen tussen zorg, lokaal gezondheidsbeleid, onderwijs, werk en inkomen, sport en veiligheid.
Wanneer is de handreiking verstuurd, waarin aandacht wordt besteed aan de gevolgen van relatieproblemen tussen ouders en de wijze waarop CJG's op dit terrein een rol kunnen spelen? Kan de Kamer deze handreiking ontvangen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe geeft u invulling aan de Nota Gezinsbeleid «De Kracht van het Gezin» uit 2008?4
Het gezinsbeleid wordt op de verschillende betrokken ministeries uitgevoerd. Op de onderdelen hiervan wordt de Kamer door de daarvoor verantwoordelijke bewindspersoon geïnformeerd. De verantwoordelijkheid voor de kinderopvang, het kindgebonden budget, de kinderbijslag, het stelsel van verlofregelingen en de tegemoetkoming ouders thuiswonende gehandicapte kinderen is belegd bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het regeerakkoord «Bruggen slaan» is besloten tot een herziening van de kindregelingen. Binnen afzienbare tijd zal de Kamer geïnformeerd worden over de precieze invulling hiervan.
Ter zake van de combinatie arbeid en zorg heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een wetsvoorstel ingediend met voorstellen voor flexibeler toepassingsmogelijkheden van de regelingen uit de Wet arbeid en zorg en de Wet aanpassing arbeidsduur (wetsvoorstel modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden). Dit onderwerp maakt tevens onderdeel uit van de gesprekken met sociale partners in het kader van de sociale agenda.
Fraude bij Holland Casino |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Casino ten einde raad: verlink foute collega's»?1
Ja.
Is het waar dat frauderende medewerkers door de directie van Holland Casino tijd krijgen zichzelf aan te geven en dat zij in ruil daarvoor een vorm van baangarantie krijgen? Zo ja, deelt u de mening dat frauderende medewerkers van Holland Casino wellicht niet goed in staat zijn om taken zoals het voorkomen van witwassen van geld, fraude of gokverslaving uit te voeren en dat dat arbeidsrechtelijke consequenties dient te hebben? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Holland Casino heeft mij desgevraagd meegedeeld in haar bedrijfsvoering het tegengaan van fraude, criminaliteit en kansspelverslaving hoog in het vaandel te hebben staan en dat, in het verlengde daarvan, de integriteit van haar personeel boven iedere twijfel verheven moet zijn. Dit komt duidelijk tot uiting in een aantal interne regels en procedures bij Holland Casino. Begin vorig jaar zijn arbeidsrechtelijke stappen genomen tegen een aantal medewerkers van het casino in Scheveningen die deze regels hadden overtreden, onder meer omdat zij betrokken waren bij het organiseren van illegale kansspelen. In de periode daarna bleven op de werkvloer van het casino echter nog steeds hardnekkige geruchten de ronde doen dat ook andere werknemers betrokken waren bij illegale kansspelen. Het bewijs daarvan was echter niet te leveren. De directie van het casino in Scheveningen heeft haar medewerkers vervolgens, in een uiterste poging de feiten op tafel te krijgen dan wel de geruchten in de kiem te smoren, per brief opgeroepen er melding van te maken als zij zélf dan wel eventuele collega’s betrokken zijn bij het organiseren of spelen van illegale kansspelen.
Op basis van eventuele meldingen worden gesprekken gevoerd met de betrokken medewerkers en wordt vervolgens bepaald tot welke maatregelen wordt overgegaan. Het onderzoek wordt begin april afgerond. Naar ik van Holland Casino heb begrepen, zullen in geval van feitelijk vastgestelde integriteitsschendingen passende arbeidsrechtelijke maatregelen worden genomen, maar worden medewerkers die zichzelf op eigen initiatief melden niet ontslagen.
Het behoort tot de competentie van het bestuur van Holland Casino om, als onderdeel van de bedrijfsvoering, te bepalen hoe om te gaan met eventuele geconstateerde strafbare feiten of andere overtredingen van haar medewerkers, zolang dit geen afbreuk doet aan de wijze waarop Holland Casino uitvoering geeft aan haar publieke taken.
Deelt u de mening dat de directie van Holland Casino, mede gegeven de publieke taken die dit bedrijf heeft, zich niet zou moeten beperken tot interne maatregelen of sancties, laat staan het geven van enige vorm van baangarantie voor fraudeurs, maar dat aangifte van strafbare feiten bij de politie eerder voor de hand ligt? Zo ja, hoe gaat u dit aan de directie van Holland Casino vertellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de directie van Holland Casino sinds 1 januari 2012 aangiften gedaan van strafbare feiten die door medewerkers van het bedrijf zouden zijn gepleegd? Zo ja, hoe vaak is dit gebeurd en wat is de aard van de delicten waarvoor aangifte is gedaan? Zo nee, deelt u dan de mening dat de berichten over een stroom incidenten, de signalen dat medewerkers de regels overtreden en het feit dat er geen of nauwelijks aangiften bekend zijn, de indruk wekken van een doofpotcultuur bij Holland Casino?
Holland Casino heeft mij meegedeeld sinds 1 januari 2012 zeven keer aangifte te hebben gedaan, nadat zich verschillende incidenten hadden voorgedaan. Het betrof incidenten waarbij sprake was van samenspel tussen medewerkers en gasten, dan wel diefstal. Incidenten komen op verschillende manieren aan het licht: via medewerkers die hun leidinggevende informeren, door signalen van gasten of door zelfstandig onderzoek van de afdeling Security & Legal. Gemelde incidenten worden altijd onderzocht.
Op basis van mij bekende informatie heb ik niet de indruk dat er bij Holland Casino sprake is van een doofpotcultuur. Het bedrijf kent zowel vertrouwenspersonen als een klokkenluidersregeling. Ook schroomt Holland Casino niet om aangifte te doen van strafbare feiten, zelfs wanneer dit leidt tot media-aandacht. Incidenten worden bovendien breed binnen de organisatie gecommuniceerd.
Over welke mogelijkheden beschikken u of andere organen van de overheid om toezicht te houden op Holland Casino? Wordt daar in verband met het voorkomen van fraude door medewerkers van dat bedrijf gebruik van gemaakt? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Naast mijn stelselverantwoordelijkheid voor het kansspelbeleid in brede zin zijn er verschillende overheidsorganen die, steeds vanuit verschillend perspectief, toezicht houden op Holland Casino.
De kansspelautoriteit ziet toe op de naleving van de Wet op de kansspelen (en onderliggende regelgeving) en de aan Holland Casino verleende vergunning. Het gaat hier in het algemeen om voorschriften die ertoe strekken de voor kansspelen relevante publieke belangen – het tegengaan van kansspelverslaving en het beschermen van consumenten – te borgen. Bij overtreding van deze voorschriften kan de kansspelautoriteit o.a. een bestuurlijke boete opleggen.
Conform het deelnemingenbeleid is de Minister (in dit geval: de Staatssecretaris) van Financiën verantwoordelijk voor het beheer van het aandeelhouderschap in de onderneming en treedt hij bij Holland Casino, gelet op diens rechtsvorm, op als ware hij aandeelhouder. Dit komt tot uiting in de statuten van Holland Casino, waarin verschillende rechten en bevoegdheden van de minister in zijn rol van aandeelhouder zijn vastgelegd.
De Nederlandsche Bank ziet toe op de naleving van tal van wetten van financiële aard. Het betreft hier onder andere de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de Wet op het financieel toezicht, de Wet inzake de geldtransactiekantoren en de Sanctiewet.
De Algemene Rekenkamer tenslotte kan onderzoek instellen naar het financiële beheer van Holland Casino.
Naast deze overheidsorganen ziet de raad van commissarissen van Holland Casino toe op de algemene gang van zaken in de stichting, het financiële verloop bij de stichting en de winstafdracht aan de Staat der Nederlanden alsmede op het beleid van het bestuur.
Het voorkomen van dan wel het omgaan met fraude door medewerkers van de onderneming valt net als bij andere ondernemingen binnen de normale verantwoordelijkheden van het bestuur, en is als zodanig niet specifiek belegd bij één van de publieke toezichthouders. Naar mijn mening is dat ook niet nodig, omdat het hier gaat om maatregelen die het bestuur in het kader van haar normale bedrijfsvoering kan (en zal) treffen en waarop de raad van commissarissen toezicht houdt.
Wat is de stand van zaken met de plannen om het staatsbedrijf Holland Casino te verkopen? Wordt er bij die plannen uitdrukkelijk rekening gehouden met eisen ten aanzien van de integriteit van het personeel en taken met betrekking tot het voorkomen van fraude, witwassen van geld en gokverslaving?
Op dit moment werken de ministeries van Veiligheid en Justitie en van Financiën, in nauw overleg met de kansspelautoriteit, beleidsmatige maatregelen uit die strekken tot herinrichting van de casinomarkt. Integraal onderdeel van de herinrichting is de privatisering van Holland Casino. De Staatssecretaris van Financiën en ik streven ernaar uw Kamer daarover voor de zomer nader te berichten. Bij de uitwerking van de plannen zal nadrukkelijk rekening worden gehouden met de beleidsdoelstellingen – het tegengaan van kansspelverslaving, het beschermen van de consument en het tegengaan van fraude en witwassen.
Het beleid voor de koninklijke archieven |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de strekking van de motie-Kalsbeek waarin de regering wordt verzocht alle stukken die (mede) betrekking hebben op de uitoefening van de functie van staatshoofd, over te brengen naar het nationaal archief?1
De tekst van de motie is bekend.
Kunt u een overzicht verschaffen van de stukken die op basis van deze motie sindsdien zijn overgebracht vanuit het Koninklijk Huis archief naar het nationaal archief?
Het Koninklijk Huisarchief is een particulier archief waarop de Archiefwet niet van toepassing is. Vanuit het particulier archief van prins Bernhard zijn stukken overgedragen aan het Kabinet der Koningin en vervolgens door het Kabinet der Koningin aan het ministerie van Defensie.
De overgedragen stukken hebben betrekking op de werkzaamheden van de inspecteur-generaal van de krijgsmacht, het bevelhebberschap van de binnenlandse strijdkrachten en enkele organen die werkzaam waren op het terrein van Defensie.
Kunt u aangeven hoe de in de motie-Kalsbeek voorgestelde procedure in de praktijk werkt, daarbij ingaand op de vragen op welke wijze en naar welke informatie wordt gezocht in het Koninklijk Huis Archief om te bepalen of bepaalde stukken al dan niet in het Nationaal Archief thuishoren?
De inrichting en werking van de procedure is beschreven in antwoorden en de reactie die de regering na de indiening van de motie-Kalsbeek aan de Kamer heeft gezonden met betrekking tot het Koninklijk Huisarchief (Kamerstukken II 2004/5, 29 800 III, nrs. 23 en 29 en 2008/9, 31 700 III, nr. 16).
Kunt u aangeven wie naast de directeur van het Koninklijk Huis Archief en de directeur van het Nationaal Archief mede bepalen of stukken al dan niet thuishoren in het Nationaal Archief?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhouden uw uitspraken over de reeds van toepassing zijnde procedure zoals bedoeld in de motie-Kalsbeek, vóór de motie, zich tot het feit dat officiële stukken met betrekking tot prins Benhard in zijn functie als inspecteur-generaal van de krijgsmacht, tot voor kort niet in een openbaar toegankelijk archief rustten?
De betreffende stukken maakten onderdeel uit van een verzameling stukken. Bij het inventariseren hiervan is de beschreven werkwijze gevolgd die heeft geleid tot overbrenging van stukken aan het ministerie van Defensie waarop de Archiefwet van toepassing is.
Kunt u verzekeren dat alle bestaande archiefstukken die betrekking hebben op de staatsfuncties van prins Bernhard waarin hij was benoemd door de regering in ballingschap in de periode 1940–1945, zoals de functies van hoofdverbindingsofficier; hoofd Nederlandse militaire missie; Hoofd van het Centraal Orgaan Voorbereidingen Terugkeer naar Nederland; Bevelhebber van de Nederlandse Strijdkrachten, evenals zijn directe betrokkenheid bij het Contact Holland en het Bureau Bijzondere Opdrachten, in het Nationaal Archief zijn opgenomen, in lijn met de door u geponeerde stelling dat «ook stukken die betrekking hebben op andere leden van het koninklijk huis die een publiek ambt hebben vervuld» zijn opgenomen in het Nationaal dan wel het ministerieel archief?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er grond is voor de veronderstelling dat het Koninklijk Huisarchief terzake delen bevat en bent u derhalve bereid delen van het Koninklijk Huisarchief openbaar te maken voor historici om deze kwestie nader te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u aanleiding om stukken die betrekking hebben op reizen van prins Bernhard in ballingschap naar het Vaticaan, Zweden, Midden-Amerika, Zuid-Amerika en Afrika toegankelijk te maken in het Nationaal Archief? Zo nee, waarom niet?
Stukken die hierop betrekking hebben en ressorteren onder instellingen waarop de Archiefwet van toepassing is, zullen volgens de bepalingen van de Archiefwet en het Archiefbesluit worden overgedragen aan het Nationaal Archief en daar dan toegankelijk zijn volgens de geldende voorschriften.
Het bericht dat internetoplichting voortaan een zaak voor de civiele rechter zou zijn |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in de Leeuwarder Courant over internetbedrog?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja. Voor mijn reactie verwijs ik naar het antwoord op de hierna volgende vragen.
Is het waar dat het ten laste leggen van het delict verduistering niet meer mogelijk is ten aanzien van mensen die betalingen van een ander opstrijken, maar de beloofde goederen niet leveren? Kunt u de exacte effecten van het genoemde arrest van de Hoge Raad uiteen zetten? Is hiermee de strafrechtelijke aanpak van internetoplichting moeilijker geworden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het krantenbericht refereert aan een arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2012 (LJN: BV8280). Het betrof een zaak waar dvd’s vooraf waren betaald maar niet geleverd. De Hoge Raad oordeelde dat het betaalde geld na overmaking eigendom werd van de verdachte. Hier is geen sprake van wederrechtelijke toe-eigening en dus in strafrechtelijk zin ook geen sprake van verduistering (iemand kan zijn eigen geld immers niet wederrechtelijk toe-eigenen). Het feit dat de tegenprestatie (het leveren van de dvd’s) niet was nagekomen maakt dit niet anders. Het gevolg van dit arrest is dat een situatie waarbij geld wordt ontvangen maar de tegenprestatie uitblijft niet kan worden vervolgd als verduistering.
Mogelijk kan in dergelijke gevallen nog wel vervolgd worden wegens oplichting. Daarvoor moet volgens artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht bijvoorbeeld sprake zijn van «listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels», zoals het gebruik van valse keurmerken of een valse naam. Hier zal in sommige, maar zeker niet in alle gevallen van internetoplichting sprake van zijn. Zo had in de genoemde zaak over de niet-geleverde dvd’s het Hof Den Bosch de verdachten al vrijgesproken van de primair ten laste gelegde oplichting, omdat zij onder eigen naam en met eigen bankrekening handelden. Ook in een andere recente uitspraak van het Hof Den Haag (LJN: BW5086) is iemand die online concertkaartjes verkocht maar niet leverde vrijgesproken van oplichting, omdat hij gebruik maakte van zijn eigen voornaam en bankrekening en er geen sprake was van een listige kunstgreep of samenweefsels van verdichtsels.
Gevallen van internetfraude waarbij noch verduistering noch oplichting ten laste kan worden gelegd zijn bij de huidige wetgeving gezien de jurisprudentie niet te kwalificeren als een strafbaar feit.
Deelt u de mening dat het oplichten van mensen op het internet door mensen wel te laten betalen maar geen goederen te leveren, aangepakt moet worden met het strafrecht en dat slachtoffers van oplichting op het internet niet te horen moeten krijgen dat het een civiele zaak betreft? Kunt u bevestigen dat het strafrecht ingezet blijft worden tegen dergelijke vormen van internetoplichting? Op welke wijze kan een strafrechtelijke aanpak tegen internetoplichters gewaarborgd blijven?
De zaak waarover de Hoge Raad oordeelde toont eens te meer aan dat mensen goed op moeten letten als zij, bijvoorbeeld via internet, zaken doen met een onbekende tegenpartij. Dat geldt zeker als er vooraf (aan)betaald moet worden. Er zijn op internet verschillende oplossingen voorhanden waarmee de risico’s van dergelijke transacties beperkt kunnen worden.
Ook als mensen eenmaal slachtoffer zijn geworden van oplichting houden ze een eigen verantwoordelijkheid om de schade die zij hierdoor geleden hebben te verhalen. Het strafrecht kan niet voor ieder zakelijk conflict een oplossing bieden. Maar bij ernstige gevallen, bijvoorbeeld als het gaat om grote bedragen en/of grote aantallen gedupeerden, moet naar mijn mening ook langs strafrechtelijke weg opgetreden kunnen worden. Zoals vermeld in antwoord op vraag 2 kan het Openbaar Ministerie ook nu nog optreden tegen bepaalde gevallen van internetoplichting. Ik zal naar aanleiding van het arrest in overleg met het Openbaar Ministerie bezien of, en zo ja op welke wijze, nieuwe strafrechtelijk mogelijkheden gecreëerd moeten worden.
Turkije’s oorlogstaal en de Nederlandse Patriotmissie |
|
Lilian Helder (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Erdogan: Israel Waging «State Terrorism» in Syria»?1
Ja.
Erkent u dat Turkije alle grenzen overschrijdt door Israël te betichten van staatsterrorisme? Zo ja, bent u bereid met onmiddellijke ingang de Turkse ambassadeur op het matje te roepen en uw ongenoegen te uiten? Zo nee, waarom niet?
Turkije heeft bij navraag aangegeven dat het geenszins de bedoeling was Syrië op te roepen tot een aanval op Israël, maar dat de uitspraken bedoeld waren als scherpe kritiek op het regime van Assad.
Nederland zal verder bij Turkije en Israël blijven aandringen op stappen die toenadering mogelijk maken.
Deelt u de mening dat uw Turkse ambtsgenoot Davutoglu Syrië ophitst tot oorlog door Syrië te verwijten dat het niet reageert op de vermeende Israëlische aanval op legitieme militaire doelen? Zo ja, bent u bereid met onmiddellijke ingang de Turkse ambassadeur op het matje te roepen en ook hierover uw ongenoegen te uiten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat minister Davutoglu door zijn insinuatie dat er een geheime overeenkomst is tussen Assad en Israël, onderlinge haat en antisemitisme in Syrië aanwakkert?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de opdracht voor de zelfmoordaanslag op de Amerikaanse ambassade in Ankara afkomstig was van een Turkse terroristenleider die in Nederland verblijft? Zo ja, wanneer wordt dit terroristennetwerk opgerold? Zo nee, wat zijn dan de feiten?2
Tot op heden is mij geen informatie bekend die een dergelijke betrokkenheid vanuit Nederland bij de aanslag bevestigt.
Deelt u de overtuiging dat het belachelijk en onverantwoord is dat onze militairen gevaar lopen om Turkije, dat zich zo vijandig uitlaat, te beschermen?3
Nee, zie verder antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Bent u bereid onze Nederlandse Patriots en militairen per direct terug te halen, nu Turkije Syrië zelf actief aanspoort om de binnenlandse oorlog uit te breiden naar buurland Israël? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie verder antwoord op vragen 2,3 en 4.
Werkloze Friezen die direct bij de sociale werkplaats aan het werk worden gezet |
|
Sadet Karabulut |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Is het waar dat dertien Friese gemeenten een werkproject zijn gestart waarbij mensen die zich aanmelden voor de bijstand direct bij de sociale werkplaats aan het werk worden gezet op straffe van een korting op de uitkering?1 2
Voor de beantwoording van de vragen heb ik nadere informatie van de deelnemende gemeenten ontvangen.
Ja. De mensen waarom het hier gaat worden niet in het kader van de sociale werkvoorziening geplaatst. Het betreft mensen die een beroep op de gemeente doen en via tussenkomst van Empatec aan de slag worden geholpen. NV Empatec is het mensontwikkelbedrijf van 13 Friese gemeenten. Het voert niet alleen de sociale werkvoorziening uit voor gemeenten maar ook andere re-integratiediensten.
Wat is de reden dat sociale werkplaats Empatec bijstandsgerechtigden met behoud van uitkering laat instromen in plaats van personen met een indicatie voor de sociale werkplaats die op de wachtlijst bij Empatec staan? Wat is de primaire doelstelling van sociale werkplaats Empatec?
De mensen waarom het hier gaat worden niet in het kader van de sociale werkvoorziening geplaatst. Dertien gemeenten in het westen van Friesland starten samen met Empatec een proefproject om uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk aan werk te helpen. De gemeenten hebben de keus gemaakt om mensen niet thuis te laten zitten met een uitkering, maar actief aan het werk te helpen.
Kunt u toelichten waarom bij sociale werkplaats Empatec na 1 januari 2014 wel bijstandsgerechtigden mogen instromen, maar geen personen met een indicatie voor de sociale werkplaats? Is het uw intentie om de sociale werkplaatsen om te vormen tot bedrijven waar bijstandsgerechtigden verplicht worden met behoud van uitkering te gaan werken?
Gemeenten hebben beleidsvrijheid in het organiseren van de uitvoering van de Wsw. Veel gemeenten maken daarbij gebruik van sw-bedrijven. Naast de uitvoering van de Wsw kunnen gemeenten de expertise van sw-bedrijven ook inzetten voor andere taken.
Gemeenten krijgen met de inwerkingtreding van de Participatiewet de mogelijkheid om via een nieuwe voorziening beschut werk te organiseren voor mensen met een arbeidshandicap. Zij kunnen daarbij desgewenst de opgebouwde kennis van de sw-bedrijven voor deze groep inzetten.
Kunt u toelichten in welke mate er sprake is van verdringing van werknemers van de sociale werkplaatsen door bijstandsgerechtigden die moeten werken met behoud van uitkering?
Zie het antwoord op vraag 2. Er is volgens de gemeenten geen sprake van verdringing. Empatec verzorgt voor haar gemeenten al jarenlang re-integratietrajecten waarbij continu ca 450 WWB-ers en Wajongers een traject volgen. De bedrijfsvoering is er op gericht dat er voldoende en passend werk is voor zowel WWB-ers als Wsw-ers. In de afgelopen jaren heeft Empatec geïnvesteerd in doorontwikkeling van haar werkbedrijven, zodat er voor beide doelgroepen hoogwaardig werk en opleidingsmogelijkheden zijn ontstaan.
Krijgen bijstandsgerechtigden die verplicht moeten werken met behoud van uitkering na de projectduur de garantie van een vast contract bij een reguliere werkgever of worden zij teruggeplaatst in de bijstand?
Werken met behoud van uitkering is een van de instrumenten die de gemeente kan inzetten om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te activeren en te begeleiden naar werk. Werken met behoud van uitkering is mogelijk voor een beperkte periode. Gedacht kan worden aan een periode van zes maanden. Uitzondering op de genoemde duur van werken met behoud van uitkering vormen de participatieplaatsen. Gemeenten kunnen dit instrument inzetten voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, maar die wel het perspectief hebben dat zij met langere begeleiding weer inzetbaar zijn in reguliere arbeid. Mensen op een participatieplaats kunnen hierbij twee jaar werken met behoud van uitkering. De gemeente kan deze periode onder voorwaarden met maximaal twee keer een jaar verlengen. Bij een participatieplaats staat de toenadering tot de arbeidsmarkt voorop, moet er sprake zijn van een additionele arbeidsplaats waardoor verdringing wordt voorkomen en aan uitkeringsgerechtigden zonder startkwalificatie, wordt na zes maanden scholing of een opleiding aangeboden, tenzij dit niet bijdraagt aan de arbeidsmarktkansen. Gemeenten moeten uitkeringsgerechtigden na zes maanden werken op een participatieplaats en vervolgens elke zes maanden een premie geven, tenzij de uitkeringsgerechtigde naar het oordeel van het college onvoldoende heeft meegewerkt.
Volgens de betrokken gemeenten hebben tientallen bedrijven inmiddels aangegeven zeer enthousiast te zijn over de nieuwe aanpak en de integrale werkwijze van het proefproject. De werkwijze is er op gericht om mensen zo snel als mogelijk te begeleiden naar een dienstverband bij een werkgever conform de daarvoor geldende cao. Werken bij een werkgever met behoud van uitkering wordt tot een minimum beperkt. In principe wordt hierbij uitgegaan van een periode van maximaal 3 maanden. Empatec streeft naar een proefplaatsing van gemiddeld 1 maand. De werkgever neemt het besluit of personen al dan niet in dienst worden genomen.
Welke reguliere bedrijven hebben zich reeds aan dit werkproject gecommitteerd? Krijgen bijstandsgerechtigden die binnen dit werkproject aan de slag gaan in een reguliere functie bij een reguliere werkgever bijbehorend functieloon betaald zoals omschreven in de geldende cao? Zo nee, wat is hiervan de reden?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u het wenselijk dat bijstandsgerechtigden een jaar lang werken maar onder het minimumloon worden betaald? Deelt u de mening dat dit onwenselijk? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen na drie maanden tenminste het wettelijk minimumloon verdienen met uitzicht op cao-functieloon? Zo nee, bent u tegen eerlijk werk voor eerlijk loon?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de kosten en de baten van het Friese werkproject? Wanneer is het project geslaagd?
Het is niet aan mij om te bepalen wanneer dit project geslaagd is. Dat is ter beoordeling van de colleges en gemeenteraden. De kosten worden binnen de budgetten van de samenwerkende partijen gedekt. Het doel is om meer mensen naar een regulier arbeidsplaats te begeleiden door het ontwikkelen van een gezamenlijke integrale aanpak en door maatwerk. Het streven van de deelnemende gemeenten is om ten opzichte van 2011 5% meer uitstroom naar regulier werk te realiseren.
Wat zijn de regionale werkloosheidscijfers van Friesland? Welke doelstelling hebben de 13 Friese gemeenten geformuleerd als het gaat om het tegengaan van werkloosheid in de regio?
Het CBS (Statline) geeft ten aanzien van het werkloosheidscijfer voor de Provincie Friesland de stand van eind 2011 weer: 5,7% (landelijk was toen 5,4%). Het gemiddelde percentage werkzoekenden (ingeschreven niet-werkende werkzoekenden; NWW) van de dertien betrokken gemeenten bedroeg eind 2011 6,2%. De doelstelling van het proefproject is om de uitstroom naar regulier werk te verhogen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Het bericht dat de activiteiten van de stichting Ombudsman op 1 juni worden beëindigd |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de activiteiten van de stichting Ombudsman op 1 juni worden beëindigd?1
Ja.
Is het waar dat door het wegvallen van de subsidies voor de omroep- en patiëntenorganisaties de activiteiten van de stichting Ombudsman, zoals sociaal juridische dienstverlening, niet meer worden verricht? Zo ja, is er een andere organisatie die de taken overneemt?
CG-Raad en Platform VG, die tot nog toe hun juridische ondersteuning door de Stichting De Ombudsman (Juridisch Steunpunt Regelrecht) lieten uitvoeren, gaan vanaf 1 april 2013 zelf juridische ondersteuning aanbieden aan hun leden. CG-Raad en Platform VG hebben daartoe besloten samen met de NPCF en het Landelijk Platform GGZ een nieuwe eigen juridische dienst in te richten. Als uitvloeisel van de visiebrief «Bundel je kracht, samen sterk» van 20 mei 2011 ontvangen de vier organisaties gezamenlijk een aanvullende subsidie voor activiteiten die hun gezamenlijke regierol in het veld versterkt. Een van de activiteiten waartoe is besloten, is het gezamenlijk inrichten van deze dienstverlening. Vanaf april 2013 zullen de leden van de CG-Raad en Platform VG al gebruik kunnen maken van de nieuwe juridische dienstverlening, de NPCF en Landelijk Platform GGZ volgen in het najaar.
Kunt u aangeven of, en zo ja,op welke wijze, deze activiteiten alleen nog onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vallen (en geen Rijkstaak meer is) en door gemeenten worden gefaciliteerd?
Zoals aangegeven blijft juridische dienstverlening door de 4 koepels plaatsvinden. Gemeenten zijn daarnaast verantwoordelijk voor het lokale beleid, onder meer met betrekking tot de Sociaal Raadslieden en de invulling van het prestatieveld informatie, advies en cliëntondersteuning van de Wmo. Zij zijn niet verantwoordelijk voor de activiteiten c.q. de financiering van de landelijke Stichting De Ombudsman.
Hoe verhoudt het bovenstaande zich tot uw visie op de hervormingen van de AWBZ, de overheveling naar de Wmo, het scheiden van wonen en zorg en het extramuraliseren van de zorgzwaartepakketten 4?
Ik vind het met het oog op de hervormingen van belang dat vooral aan de voorkant van het systeem, bij het keukentafelgesprek met de cliënt wordt meegedacht over wat zijn wensen en behoeften zijn en waar hij daarbij ondersteuning nodig heeft in aanvulling op zijn eigen mogelijkheden en die van zijn sociale netwerk. Op die manier wil ik zoveel mogelijk voorkomen dat er achteraf allerlei juridische zaken nodig zijn omdat de cliënt ontevreden is met de uitkomst van het gesprek.
In mijn beleidsbrief over de hervorming van de langdurige zorg zal ik uitgebreid ingaan op de waarborgen voor en de positie van de burger.
Het bericht dat Achmea en het Slotervaartziekenhuis geen contract hebben afgesloten |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het Slotervaartziekenhuis en zorgverzekeraar Achmea geen contract hebben afgesloten?1
Mijn reactie is dat het niet tot stand komen van een contract een mogelijke uitkomst is in het decentrale sturingsmodel waarvoor we in ons gezondheidszorgstelsel hebben gekozen. Overigens heb ik inmiddels begrepen van Achmea dat de onderhandelingen over de contractering voor 2013 met het Slotervaartziekenhuis niet definitief zijn afgerond.
Wat vindt u ervan dat Achmea al aan al haar verzekerden heeft laten weten dat zij geen contract heeft afgesloten met het Slotervaartziekenhuis, en dat zij voortaan de declaraties eerst zelf moeten voorschieten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gegeven de ontstane situatie is het niet anders dan de plicht van Achmea om haar cliënten zo goed mogelijk voor te lichten over de gevolgen van het niet tot stand komen van het contract met het Slotervaartziekenhuis.
Vindt u het juist dat Achmea haar verzekerden heeft laten weten dat zij enkel een declaratie kunnen indienen die slechts deels vergoed wordt? Ziet u dit ook als een boete op de keuze voor het Slotervaartziekenhuis? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik zie de niet volledige vergoeding niet als een boete op de keuze voor het Slotervaartziekenhuis. Een zorgverzekeraar vergoedt waar de verzekerde recht op heeft. Een verzekerde met een restitutiepolis heeft – conform artikel 2.2 van het Besluit zorgverzekering – recht op een marktconforme vergoeding van de behandeling die hij heeft ondergaan en een naturaverzekerde die naar een niet gecontracteerde zorgaanbieder gaat, heeft in veel gevallen recht op een lager bedrag dan dat. Welk bedrag dat is, is afhankelijk van de polis. Vaak is het een bepaald percentage van de marktconforme restitutievergoeding.
Acht u het mogelijk dat de gedeeltelijke vergoeding van de declaraties in het voordeel zijn voor Achmea, omdat zij een deel van de (elders wel vergoede) kosten als boete verhaalt op de verzekerde die kiest voor het Slotervaartziekenhuis? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het onwenselijk is dat mensen die onder behandeling zijn in het Slotervaartziekenhuis geconfronteerd worden met de rekening en de eigen bijdrage die Achmea daar bovenop vraagt? Zo ja, hoe gaat u regelen dat de patiënten geen rekening krijgen? Zo nee, waarom niet?
Voor mensen die onder behandeling zijn op het moment dat het contract tussen de behandelende instelling en de zorgverzekeraar wordt verbroken biedt artikel 13 lid 5 van de Zvw bescherming. Volgens die bepaling houdt de verzekerde recht op zorgverlening door die aanbieder voor rekening van de zorgverzekeraar. Hoe de declaraties van het ziekenhuis worden afgehandeld is een zaak van partijen waarin ik me niet kan en wil mengen.
Deelt u de mening dat ook nieuwe patiënten, die bij Achmea zijn verzekerd, terecht moeten kunnen in het Slotervaartziekenhuis? Kunt u dit garanderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nieuwe patiënten die bij Achmea zijn verzekerd kunnen terecht bij het Slotervaartziekenhuis, daar is geen garantie van mijn kant voor nodig. Ik ben me ervan bewust dat er aan het kiezen door Achmea verzekerden voor dat ziekenhuis financiële consequenties verbonden kunnen zijn, zoals ik in het antwoord op de vragen 3 en 4 heb uiteengezet, afhankelijk van de definitieve uitkomst van de onderhandelingen.
Erkent u dat de patiënt/verzekerde speelbal is geworden van deze krachtmeting tussen het Slotervaartziekenhuis en Achmea? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik zie de verzekerde als een mondig individu en niet als een speelbal. De verzekerde kan gebruik maken van zijn rechten als zich in het maatschappelijk verkeer onverwachte ontwikkelingen voordoen. Indien het niet contracteren van het Slotervaartziekenhuis kan worden beschouwd als een polisverslechtering heeft de verzekeringnemer een opzegrecht. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als Achmea eind 2012, toen de polissen voor 2013 werden gesloten, de indruk had gewekt dat met het Slotervaartziekenhuis wel gecontracteerd zou worden. De verzekeringnemer kan dan overstappen naar een verzekeraar die het Slotervaartziekenhuis wel heeft gecontracteerd. In het antwoord op vraag 8 zet ik uiteen dat de verzekerde een extra steun in de rug krijgt met het bij de Tweede Kamer liggende voorstel tot wijziging van artikel 13 Zvw.
Erkent u dat deze situatie niets meer te maken heeft met de keuzevrijheid van de verzekerde om te kiezen voor de behandelaar en/of ziekenhuis van zijn keuze? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er is naar mijn mening verbetering nodig in de situatie dat verzekerden, op het moment dat zij hun zorgverzekeraar kiezen, duidelijkheid moeten hebben over welke zorgaanbieders de verzekeraar gecontracteerd heeft. Om dit te regelen ligt momenteel een wetsvoorstel in de Tweede Kamer voor aanpassing van artikel 13 van de Zvw (Kamerstukken II 2011/12, 33 362 nrs. 1–3). Eén van de voorgestelde wijzigingen is dat zorgverzekeraars uiterlijk zes weken voor het einde van het jaar aangeven welke zorgaanbieders voor het nieuwe jaar gecontracteerd zijn (of welke niet). Gaat een verzekerde in het nieuwe verzekeringsjaar naar een aanbieder waarvan hij op bovengenoemde datum niet heeft kunnen weten dat er met die aanbieder geen contract zou zijn, dan heeft hij recht op de volledige vergoeding van de gemaakte zorgkosten. Als dit wetsvoorstel dit jaar wordt aangenomen en het wordt 1 januari 2014 van kracht, dan kan het zijn werking hebben voor de polissen voor het jaar 2015.
Erkent u tevens dat deze situatie niets te maken heeft met de kwaliteit van de geleverde zorg in het Slotervaartziekenhuis? Zo ja, waarop baseert u dan de overtuiging dat kwaliteit van zorg steeds meer een facet van de zorginkoop door zorgverzekeraars wordt?2 Zo nee, kunt u de Inspectierapporten die dit bewijzen naar de Kamer sturen?
Ik heb geen aanwijzingen dat het niet tot stand komen van het contract tussen Achmea en het Slotervaartziekenhuis het gevolg is van een meningsverschil over de kwaliteit van de geleverde zorg. Ik zit echter niet aan de onderhandelingstafel dus ik kan hier verder geen antwoord op geven.
Is het uw diepe wens dat patiënten vaker gedwongen zullen worden om een ziekenhuis op financiële grond uit te sluiten? Zo nee, waarom schaft u dan de restitutiepolis voor de basisverzekering af? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
Dat patiënten vaker gedwongen zullen worden om een ziekenhuis op financiële grond uit te sluiten is voor mij een wens noch een doel. Wel is het een doel te zorgen voor een toegankelijk en efficiënt werkend gezondheidszorgstelsel. Selectieve zorginkoop door concurrerende zorgverzekeraars is een middel om dat doel te bereiken. Zoals ik ook in het antwoord op vraag 1 heb uiteengezet kan het niet tot stand komen van een contract tussen een zorgverzekeraar en een ziekenhuis een effect zijn van dat selectieve inkoopproces. Met de vraag over de restitutiepolis doelt u waarschijnlijk op het regeerakkoord voornemen om onder de Zorgverzekeringswet alleen nog de verzekering van zorg in natura toe te staan. De restitutiepolis wordt niet afgeschaft maar verplaatst naar de aanvullende verzekering. Een overweging bij dat voornemen is geweest om het proces van selectieve zorginkoop te bevorderen en het macro-beheersinstrument eerlijker in te kunnen zetten (zie het rapport van Commissie Baarsma). Ik kom hierop uitgebreider terug als de concrete wijze van uitwerking van dat voornemen bekend is.
Gebrek aan controle ziekenhuis declaraties door zorgverzekeraar |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ook tevreden over feit dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) werk maakt van gebrek aan controle op declaraties van ziekenhuizen door zorgverzekeraars, maar dat meer nodig is?1
Ja, ik ben tevreden met het feit dat de NZa hier werk van maakt en ja, het klopt dat er meer nodig is. Het aanpakken van onterechte en ongepaste declaraties is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorgaanbieders zijn in algemene zin verantwoordelijk voor het juist en gepast declareren. De zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor het controleren of de zorgaanbieder daadwerkelijk een juiste en gepaste declaratie heeft ingediend. Deze boodschap heeft NZa ook duidelijk op 7 maart jl. naar voren gebracht in de nieuwsbrief die specifiek over correct declareren gaat. De zorgautoriteit heeft aangekondigd dat ze haar toezicht verder gaat intensiveren. De NZa gaat ziekenbestuurders, medisch specialisten en zorgverzekeraars aanspreken op hun verantwoordelijkheid bij het voorkomen van onterechte declaraties. In het toezicht op de zorgverzekeraars zet de NZa al sinds enkele jaren in op verbetering van de controle van declaraties. Zo heeft de NZa in het bijgevoegde «Samenvattend rapport rechtmatigheid uitvoering Zorgverzekeringswet 2011» aangegeven dat de zorgverzekeraars meer werk moeten maken van deze controles.
Is er een analyse gemaakt van de oorzaak van verkeerde en te hoge declaraties uit de zorg enerzijds en gebrek aan controle hierop door zorgverzekeraars anderzijds? Zo ja, wat is de oorzaak en hoe wordt deze aangepakt? Zo nee, gaat dit nog gebeuren?
De Erasmus Universiteit Rotterdam en het Verwey-Jonker Instituut hebben in opdracht van de NZa de beleving van en de bereidheid tot naleving van de wettelijke declaratievoorschriften onderzocht onder medisch-specialisten.3 Uit deze Doelgroepenanalyse declaratiepraktijk medisch specialistische zorg blijkt onder meer dat de sector erkent dat niet-correct declareren plaatsvindt maar ook dat een aanzienlijk deel van de beroepsbeoefenaren zich al op een juiste manier aan de regels houdt. In het kader van de intensivering van het toezicht op correct declareren, is de NZa (onder meer) met ziekenhuizen, verzekeraars, medisch specialisten en hun brancheorganisaties in gesprek en geeft de zorgautoriteit aan welke verbeteringen in declaratiegedrag worden verwacht. De NZa zal daarbij voorlichten over de belangrijkste do’s en don’ts bij het declareren. Als er aanleiding toe bestaat, stelt de NZa een toezichtonderzoek in, zoals ze dat in december 2012 bij een academisch ziekenhuis heeft gedaan. Voorts is in het kader van de beoogde intensivering van het toezicht op de Zorgverzekeringswet (Zvw) onder regie van mijn departement een analyse gemaakt van de vraag hoe controle en toezicht eraan kunnen bijdragen dat voorkomen wordt dat declaraties voor ziekenhuiszorg die niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden uit het Zorgverzekeringsfonds worden gefinancierd. Uit deze analyse komt naar voren dat er reële aanknopingspunten tot verbetering zijn bij alle partijen in de zorgketen (van regulering en pakketbeheer tot registratie, declaratie, verantwoording en controle en toezicht). De gewenste verbeteringen draaien vooral maar niet uitsluitend rond de vraag of aan de volgende wettelijke voorwaarden wordt voldaan: is de zorg feitelijk geleverd? Is de geleverde zorg volgens de stand van de wetenschap en praktijk? En is de geleverde zorg naar inhoud en omvang redelijkerwijs aangewezen? Hierbij zijn de volgende aandachtsgebieden geïdentificeerd.
Als de prestatiebeschrijving (in het kader van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)) niet goed aansluit op het collectief verzekerd pakket volgens de Zvw kan de rechtmatigheid van de declaraties moeilijker worden gecontroleerd. De NZa heeft dit onderwerp als aandachtspunt benoemd in de doorontwikkelagenda DOT (november 2011 en 2012). Op verzoek van de NZa onderzoeken DBC-Onderhoud en het CVZ in samenspraak met zorgverzekeraars en zorgaanbieders momenteel hoe een betere aansluiting tussen de aanspraken in het verzekerd pakket en prestatiebeschrijvingen het controleproces kan ondersteunen.
In de Zvw is de inhoud en omvang van de te verzekeren prestaties in veel gevallen open geformuleerd. Duidelijkere normen over gepast gebruik vergemakkelijken effectieve controle door zorgaanbieders en zorgverzekeraars en toezicht door de NZa. Het CVZ brengt regelmatig een standpunt of advies uit ter verduidelijking, waardoor deze open formulering in de praktijk beter hanteerbaar wordt. De voorgenomen oprichting van het Nederlands Kwaliteitsinstituut zal bijdragen aan een verbetering van de richtlijnen en de transparantie en implementatie ervan. Dit draagt op haar beurt bij aan de verduidelijking van de normering wat onder andere weer zorginkoop door zorgverzekeraars op basis van kwaliteit vergemakkelijkt.
In het huidige controlesysteem bestaan onvoldoende stimulansen voor de zorgaanbieder om te voorkomen dat onjuiste declaraties worden aangeleverd. Onderzocht zal worden hoe zorgaanbieders kunnen worden gestimuleerd om de controle op declaraties te versterken.
Controle is normaliter een onderdeel van een risicomanagementsysteem (zijnde het cyclisch doorlopend proces van het identificeren en beoordelen van risico’s en het vaststellen van beheersmaatregelen om de risico’s in voorkomende gevallen te verkleinen of uit te bannen). De aandacht voor controle is nog in ontwikkeling en zou een integraal element bij de invoering van systemen moeten zijn. Onderzocht wordt hoe dit verder kan worden gestimuleerd.
Om de juistheid van de declaraties te kunnen vaststellen moeten declaraties worden gecontroleerd. Voor een goede uitvoering van deze controles dienen aan de hand van betrouwbare data onder andere opvallende afwijkingen of statistische verbanden (de potentiële risico’s) in kaart te worden gebracht. Vervolgens dienen deze te worden geanalyseerd en gewogen. De uitkomst hiervan indiceert de aandachtsgebieden waarop het risicobeheer (inclusief AO/IC) van zorgverzekeraars en zorgaanbieders zich dient te richten. Kortom er dienen bij beide partijen op elkaar afgestemde risicomanagementsystemen te bestaan.
Door bij risicoanalyses bovendien zoveel mogelijk samen te werken tussen zorgaanbieders onderling, zorgverzekeraars onderling en tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars samen wordt de kwaliteit van de analyses verbeterd en worden kosten bespaard. Voldoende onderzoekscapaciteit (softwaresystemen en data-analisten) en adviserend geneeskundigen vormen hierbij de basis voor elk risicobeheersysteem.
De risico’s dat bij het declareren niet aan de wettelijke voorwaarden worden voldaan, zijn in kaart gebracht. Het is nu zaak om de bovenstaande aandachtspunten in concrete stappen om te zetten. Ik ben in overleg met de betrokken ZBO’s en veldpartijen om een gezamenlijk plan van aanpak op te stellen.
Is ook onderzocht waarom declaraties van het ziekenhuis, in tegenstelling tot bijvoorbeeld van de tandarts, zo laat worden verzonden en voor velen onbegrijpelijke codetaal bevatten?
Er is een aantal oorzaken aan te wijzen die leiden tot verschillen tussen de declaraties van medisch specialistische zorg en tandartszorg. Medisch specialistische zorg wordt gedeclareerd in zogenaamde DBC-zorgproducten. Deze kennen afsluitregels als onderdeel van de declaratieregels die bepalen dat de declaratie van de verleende zorg pas na een bepaalde termijn mag plaatsvinden. Dit voorkomt dat er een nieuw DBC-zorgproduct geopend moet worden als de patiënt kort na het sluiten van het DBC-zorgproduct toch nog een keer terug moet komen. De verdere afhandeling, waaronder de controle, van de declaratie kost meer tijd vanwege de hogere mate van ingewikkeldheid. Medisch specialistische zorg bestaat vaak uit verschillende soorten zorgverlening die in sommige gevallen door meerdere medisch specialisten is geleverd. Daarnaast kunnen vertragingen in contractonderhandelingen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders ertoe leiden dat de zorg door het ziekenhuis later gedeclareerd wordt.
Ziekenhuizen sturen doorgaans nagenoeg alle facturen rechtstreeks naar de zorgverzekeraar. Dit laat onverlet dat de NZa toezicht houdt op de informatieverstrekking van zorgaanbieders aan patiënten. Zo zijn zorgaanbieders verplicht om het tarief dat zij in rekening brengen bekend te maken als de patiënt daar om vraagt.
Het verbeteren van de helderheid van zorgnota’s die de verzekeraar aan de verzekerde verstrekt, heeft voor mij een hoge prioriteit. Hierover heb ik op 10 november 2011 in de Kamer gezegd dat als zorgverzekeraars hier geen actie op ondernemen, dat ik met wettelijke maatregelen zal komen. Inmiddels is er een aantal stappen gezet. In 2012 heeft de NPCF een enquête uitgezet onder haar leden waarin wordt gevraagd naar de begrijpelijkheid van de nota’s. Momenteel wordt er aan de hand van de uitkomsten van deze enquête gewerkt aan verbeteringen. Hierbij wordt tevens aandacht besteed aan het verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Privacyaspecten zijn daarbij een belangrijk aandachtspunt. Ik houd de Kamer op hoogte van de vorderingen.
Deelt u de mening dat patiënten, indien gewenst, betrokken kunnen worden bij controle van nota's, maar dat hiervoor tijdig een leesbare factuur gestuurd moet worden door het ziekenhuis aan de patiënt?
Zie antwoord vraag 3.
Is er een breed plan van aanpak bij de NZa om foute declaraties en vervolgens niet-controlerende verzekeraars te voorkomen, op te sporen en indien nodig te handhaven? Zo ja, kan de Kamer een jaarlijkse effectenrapportage ontvangen?
Ja. De NZa onderneemt op een breed terrein acties en heeft vanaf 2010 haar toezicht verscherpt. Op het terrein van correct declareren heeft de NZa onlangs – in december 2012 – een grootschalig onderzoek uitgevoerd bij een academisch ziekenhuis. Voor 2013 heeft de NZa een interventiestrategie ontwikkeld die draait om een mix van voorlichting en bewustwording, versterking van het interne toezicht bij zorgaanbieders, indringender controles door zorgverzekeraars en, indien nodig, handhavend optreden. De NZa heeft gepast gebruik in het Protocol vereveningsonderzoek opgenomen en heeft samen met het CVZ een gezamenlijke voorlichtingsronde langs zorgverzekeraars en hun externe accountants gehouden. De NZa heeft ervoor gekozen om het toezicht op gepast gebruik in fases uit te rollen. Hierdoor hebben partijen de gelegenheid om hun rol beter op te pakken en ook het toezicht goed in te richten. In dit verband heeft de NZa eind 2012 ook de Regeling controle en administratie zorgverzekeraars (Staatscourant 2012, nr. 26404) vastgesteld, die tot doel heeft nadere voorschriften te stellen aan de uitvoering van formele en materiële controles en onderzoek signalen van fraude door zorgverzekeraars.
In het reeds genoemde «Samenvattend rapport rechtmatigheid uitvoering Zorgverzekeringswet 2011» doet de NZa verslag van de bevindingen over dat jaar en de manier waarop de door haar gewenste acties in het rapport van het voorafgaande jaar zijn opgevolgd4. Dit rapport geeft bovendien een actueel inzicht in het toezicht van de NZa en de hierbij opkomende aandachtsgebieden voor verbetering. In het rapport heeft de NZa net als bij het onderzoek in 2010 de focus gelegd op de formele en materiële controles, misbruik en oneigenlijk gebruik en gepast gebruik. Daarnaast geeft de NZa een oordeel over de juistheid van financiële verantwoordingen. De NZa vindt dat zorgverzekeraars meer werk moeten maken van de controle van declaraties van prestaties en de controle van hun financiële verantwoordingen. Met de extra aandacht in het vereveningsonderzoek is het aantal aanwijzingen van de NZa aan zorgverzekeraars en informatieverzoeken voor verbeterplannen voor formele en materiële controles, misbruik en oneigenlijk gebruik en gepast gebruik toegenomen.
ZN heeft een aantal jaren geleden het programma «Samenwerken aan Controles» uitgevoerd. Dit programma was voornamelijk gericht op het samenwerken door zorgverzekeraars op het gebied van (technische en) formele controles. Resultaat van dit programma is onder meer een gezamenlijke visie op controle, namelijk controle zo vroeg mogelijk in de keten en dat het om een «goede» declaraties moet gaan. Een ander resultaat van het programma is dat voor alle sectoren de technische controles uniform zijn opgesteld en worden uitgevoerd via VECOZO. Wat betreft de formele controles hebben de zorgverzekeraars gezamenlijk voor een aantal sectoren de controles uniform opgesteld en afgestemd met de zorgaanbieders. De daaraan vooraf liggende interpretatie van de NZa beleidsregels is ook in gezamenlijkheid uitgevoerd.
Voor de sector Medisch Specialistische Zorg worden de controles ook nog eens gezamenlijk uitgevoerd via de DOT Controlemodule. Deze module is door de zorgverzekeraars gratis beschikbaar gesteld aan de ziekenhuizen. Tot op heden hebben zestien ziekenhuizen hiervan gebruik gemaakt.
In vervolg op bovenstaande programma start ZN met een nieuw programma dat zich met name richt op het intensiveren van de materiële controle en controle op gepast gebruik. Eén van de deelprojecten richt zich op de mogelijkheden om verzekerden in te zetten bij het controleren van de nota. De zorgverzekeraars zijn ten slotte bezig hun risicomanagementsystemen te versterken.
De NVZ en de NFU hebben aangegeven dat beide organisaties betere controlefaciliteiten gedurende het zorgproces gaan inzetten. Momenteel onderzoeken de NVZ en NFU of er mogelijkheden zijn om controles, die een verband leggen tussen diagnose en geregistreerde zorg, niet langer achteraf plaats te laten vinden wat duurder en arbeidsintensiever is, maar gedurende het zorgproces in te zetten. In de huidige situatie maken nagenoeg alle ziekenhuizen gebruik van controle instrumenten, maar deze zijn onvoldoende op elkaar en op de controlemethodieken van de zorgverzekeraars afgestemd.
Grootschalige omkoping bij 380 sportwedstrijden |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Europol: grootschalige omkoping bij 380 voetbalwedstrijden»?1
Ik verwijs u naar de brief over dit onderwerp, die ik op 8 februari 2013 aan uw Kamer heb verzonden.2 Elk gegeven dat van belang is voor het onderzoek naar matchfixing wordt hierbij vanzelfsprekend betrokken.
Wat is uw reactie op de uitspraken van Europol, waarin gezegd wordt dat er voor het eerst harde bewijzen zijn verzameld van matchfixing? Zijn deze gegevens van Europol betrokken in het onderzoek dat u laat uitvoeren naar matchfixing? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de uitspraken van Europol die aangeven dat criminelen € 8 miljoen aan winst hebben geboekt door matchfixing, en dat dit nog maar het topje van de ijsberg is? Wordt in het Nederlandse matchfixingonderzoek ook gekeken naar de winsten die in Nederland zijn geboekt door criminelen? Zo nee, waarom niet?
Ik wacht in dit verband eventuele toekomstige informatie van Europol af. In ons matchfixingsonderzoek wordt de vraag over winsten meegenomen.
Wat is uw reactie op de conclusies van Europol die aangeven dat ook Nederlanders handelen in matchfixingpraktijken? Zijn deze Nederlanders bekend in het onderzoek naar matchfixing en/of bij het Openbaar Ministerie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is u bekend hoeveel zaken die betrekking hebben op matchfixing momenteel strafrechtelijk worden onderzocht, waardoor zij niet deel kunnen uitmaken van het onderzoek dat u laat doen naar matchfixing? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
In Nederland loopt geen strafrechtelijk onderzoek naar matchfixing. Ik verwijs u verder naar voornoemde brief van 8 februari 2013 aan uw Kamer.
Kunt u aangeven of in Nederland arrestaties hebben plaatsgevonden van mensen die betrokken zijn bij matchfixing? Zo nee, wilt u deze gegevens betrekken in het onderzoek dat u momenteel laat uitvoeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u alle sporten in het onderzoek naar matchfixing of zijn er sporten die niet in het onderzoek worden meegenomen? Wilt u een overzicht sturen welke sporten wel en/of niet onderzocht worden op matchfixing? Zo nee, waarom niet?
De drie sporten die in ieder geval meegenomen worden in het onderzoek zijn voetbal, tennis en de draf- en rensport. Dit zal worden aangevuld met naar verwachting twee additionele sporten. Welke sporten dat zijn hangt mede af van de vraag op welke Nederlandse wedstrijden in het buitenland gegokt kan worden.
Hoe reageert u op de opmerking van de heer Van Rompuy dat het onderzoek dat u laat uitvoeren enkel kijkt naar het verleden, terwijl juist een strategie nodig is voor de toekomst? Bent u bereid een plan te maken hoe er met klokkenluiders zal worden omgegaan, teneinde hen te bewegen zich te melden? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Er is opdracht gegeven voor een breder onderzoek naar de aard en omvang van matchfixing in Nederland. Op basis van de resultaten zal worden bepaald of, en zo ja welke, verdere maatregelen noodzakelijk zijn voor een integrale aanpak van matchfixing. De behandeling van klokkenluiders maakt deel uit van het onderzoek en betreft vooral tuchtrechtelijke aspecten.
De gevolgen voor patiënten van het niet afsluiten van een contract tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam en zorgverzekeraar Achmea voor 2013 geen contract hebben afgesloten, omdat het eindbod van Achmea volgens het ziekenhuis te laag zou zijn?1 Wat is uw mening daarover?
De contractonderhandelingen zijn naar mijn informatie (nog) niet definitief afgerond. Ik heb er geen mening over anders dan dat dit een mogelijke uitkomst kan zijn in het decentrale sturingsmodel waarvoor we in ons gezondheidszorgstelsel hebben gekozen.
Welke gevolgen heeft dit voor patiënten die nu worden behandeld in het Slotervaartziekenhuis? Welke gevolgen heeft dat voor patiënten van wie de behandeling doorloopt na 1 april 2013? Welke gevolgen heeft dat voor patiënten die vanaf 1 april 2013 onder behandeling komen in het Slotervaartziekenhuis? Deelt u de mening dat het niet afsluiten van dit contract vooral vervelende gevolgen heeft voor patiënten? Hoe zou dit voorkomen kunnen worden?
Zorginhoudelijk voorzie ik geen problemen, noch voor de patiënten die al onder behandeling zijn bij het Slotervaartziekenhuis noch voor de patiënten die na 1 april met de behandeling wilden starten. Voor de laatste categorie is het afhankelijk van de polis; natura of restitutie. Voor natura verzekerden is het inderdaad vervelend dat hun polis dan niet alles meer vergoedt. Ik ga ervan uit dat Achmea betrokkenen hier tijdig voor waarschuwt zodat ze voor een ander ziekenhuis kunnen kiezen. Een andere mogelijkheid voor deze verzekerden kan zijn over te stappen naar een verzekeraar die wel een contract met het Slotervaartziekenhuis heeft (zie het antwoord op vraag2.
Dit kan voorkomen worden door de contractering af te ronden voordat verzekerden hun polis bij een verzekeraar afsluiten (conform het wetsvoorstel Verticale integratie dat sinds september 2012 in uw kamer ligt.
Deelt u de mening dat het niet goed is dat pas tijdens het nieuwe verzekeringsjaar opeens blijkt dat er geen contract wordt afgesloten tussen Achmea en het Slotervaartziekenhuis, zodat verzekerden ook niet meer van verzekeraar kunnen wisselen? Deelt u voorts de mening dat dit voorkomen zou kunnen worden door te garanderen dat contracten tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders voor half december worden afgesloten, zodat voor verzekerden duidelijk is waarop zij bij hun verzekeraar kunnen rekenen? Is dit mogelijk? Zo ja, wat kunt u doen om dit te bereiken?
Ik deel de mening dat het wenselijk is dat verzekerden, op het moment dat zij hun zorgverzekeraar kiezen, duidelijkheid hebben over welke zorgaanbieders de verzekeraar gecontracteerd heeft. Zoals gezegd ligt momenteel een wetsvoorstel in de Tweede Kamer voor aanpassing van artikel 13 van de Zvw (Kamerstukken II 2011/12, 33 362 nrs. 1–3). Eén van de voorgestelde wijzigingen is dat zorgverzekeraars uiterlijk zes weken voor het einde van het jaar aangeven welke zorgaanbieders voor het nieuwe jaar gecontracteerd zijn (of welke niet). Gaat een verzekerde in het nieuwe verzekeringsjaar naar een aanbieder waarvan hij op bovengenoemde datum niet heeft kunnen weten dat er met die aanbieder geen contract zou zijn, dan heeft hij recht op de volledige vergoeding van de gemaakte zorgkosten. Als dit wetsvoorstel dit jaar wordt aangenomen en het wordt 1 januari 2014 van kracht, dan kan het zijn werking hebben voor de polissen voor het jaar 2015.
Welke mate van vrijheid hebben verzekeraars om wijzigingen aan te brengen in de in het voorafgaande jaar wel gecontracteerde zorg of in de betalingswijze door verzekerden (zoals het dwingen tot automatische incasso door zorgverzekeraar Menzis), gedurende het verzekeringsjaar? Deelt u de mening dat die vrijheid er alleen zou behoren te zijn als de verzekerde nog kan kiezen voor een andere verzekeraar?
Voor de laatste deelvraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 3. Op de vraag welke mate van vrijheid verzekeraars hebben om wijzigingen aan te brengen in de polisvoorwaarden is mijn antwoord dat die vrijheid zover gaat als de wet toelaat. Op grond van het Burgerlijk Wetboek kan een schadeverzekering worden opgezegd als de verzekeraar de polis ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde wijzigt. Dat geldt ook voor zorgverzekeringen (behalve als de poliswijziging het directe gevolg is van een overheidswijziging in het te verzekeren pakket). Het is echter niet aan mij om te oordelen wanneer sprake is van een polisverslechtering. Het is in eerste instantie aan de verzekerde hierover contact op te nemen met zijn zorgverzekeraar, dan wel hierover een klacht bij hem in te dienen. Indien de verzekerde er zelf niet uit komt met zijn zorgverzekeraar staat vervolgens de weg open via opeenvolgend de Ombudsman Zorgverzekeringen, de Geschillencommissie Zorgverzekeringen en uiteindelijk de bevoegde rechter om hierover een uitspraak te doen.
Kunt u een aantal behandelingen noemen waarvoor geldt dat patiënten van het Slotervaartziekenhuis niet het hele bedrag vergoed zullen krijgen, omdat het gemiddeld gecontracteerde tarief voor die behandeling lager is?
Afgaande op de door het Slotervaartziekenhuis bekend gemaakte tarieven voor 2013 en de door Achmea bekend gemaakte vergoedingen voor 2013, zal dat vrijwel voor elke behandeling het geval zijn.
Is het voor patiënten mogelijk om de vordering over te dragen aan het Slotervaartziekenhuis? Is het vervolgens mogelijk dat het Slotervaartziekenhuis de rekeningen alsnog indient bij Achmea voor een hoger, zogenaamd passantentarief? Is de zorgverzekeraar verplicht het passantentarief te betalen? Hoe veel hoger ligt het passantentarief? Is deze gang van zaken dermate voor de hand liggend dat rekening gehouden moet worden met overschrijdingen?
Ja, het is mogelijk dat patiënten hun vordering op de verzekeraar overdragen aan het ziekenhuis en het ziekenhuis kan de rekening indienen op basis van het passantentarief. De verzekeraar kan echter niet meer vergoeden dan waar de verzekerde recht op heeft. Een verzekerde met een restitutiepolis heeft – conform artikel 2.2 van het Besluit zorgverzekering – recht op een marktconforme vergoeding van de behandeling die hij heeft ondergaan en een naturaverzekerde die naar een niet gecontracteerde zorgaanbieder gaat, heeft in veel gevallen recht op een lager bedrag dan dat. Welk bedrag dat is, is afhankelijk van de polis. Vaak is het een bepaald percentage van de marktconforme restitutievergoeding. In het geliberaliseerde segment stellen ziekenhuizen de passantentarieven ieder voor zich in vrijheid vast. In het geval van het Slotervaartziekenhuis liggen de passantentarieven een factor 2 à 3 hoger dan de marktconforme vergoeding van Achmea. Gezien de hierboven genoemde wettelijke beperking aan de vergoeding ga ik er niet van uit dat als gevolg van het niet tot stand komen van het contract tussen het Slotervaartziekenhuis en Achmea overschrijdingen gaan ontstaan.
De werking van het in-car alarmeringssysteem eCall, waarover bij hulpdiensten onduidelijkheid heerst |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Brandweer vreest loze meldingen autoalarm», over het in-car alarmeringssysteem eCall, dat bij ongevallen automatisch de hulpdiensten waarschuwt en waarover bij hulpdiensten in Friesland onduidelijkheid heerst?1
Ja.
Zijn de hulpdiensten voldoende geïnformeerd en voorbereid op de invoering van het eCall-systeem? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen om de hulpdiensten voor te bereiden op de invoering van het eCall-systeem?
Tot nu toe is er nog geen Europees voorstel tot verplichting van eCall. Ik verwacht een dergelijk voorstel overigens wel voor de zomer. Samen mijn collega van VenJ werk ik nu al (in het HeERO project) aan technische specificaties, ontwerp en organisatie van het toekomstige eCall systeem. De hulpdiensten worden hier actief bij betrokken. Op 6 december 2012 is een eerste informatiesessie voor de hoofden van de meldkamers geweest. Ik wil u overigens aangeven dat de verantwoordelijkheid voor het ontvangen en afhandelen van eCall noodoproepen («112-meldingen») bij mijn collega van het Ministerie van Veiligheid en Justitie berust.
Klopt het dat het eCall-systeem direct wordt gekoppeld aan de 112-alarmcentrale en dat er geen andere centrales (bijvoorbeeld de centrale van de autoproducent of de ANWB) als intermediair worden ingeschakeld?
Nederland hoeft hierin geen keuze te maken. Beide opties zijn mogelijk en zullen waarschijnlijk ook naast elkaar gebruikt gaan worden. Dit moet nog verder uitgewerkt worden. Opzet van het door Europa voorgestelde eCall systeem is dat er rechtstreeks contact is tussen het voertuig en de alarmcentrale. Er wordt echter niet voorgeschreven of dat direct via 112 of via een particuliere alarmcentrale gaat. In het HeERO-project gebruikt Nederland een directe koppeling met de 112-centrale.
Zal het aantal meldingen aan 112-alarmcentrales met de invoering van het eCall-systeem toenemen? Zo ja, zijn de 112-alarmcentrales voldoende toegerust voor een toename van het aantal meldingen?
Het eCall systeem is een toevoeging aan de bestaande mogelijkheden om de hulpdiensten te informeren door automatisch een melding te genereren als de auto een zwaar ongeval heeft gehad. Dit zijn bijvoorbeeld gevallen waarin de inzittenden zelf niet in staat zijn om 112 te bellen. Juist in deze gevallen kan het gebruik van eCall de aanrijtijden van hulpdiensten verkorten (gemiddeld ca. 4 minuten). Zelfs als eCall verplicht wordt zal het nog een aantal jaren duren voordat het hele wagenpark hiermee uitgerust zal zijn. Dit betekent dat in de eerste jaren de eCall meldingen nog beperkt zullen zijn en dat de ervaring zal leren of aanvullende maatregelen nodig zullen zijn.
Stuurt het eCall-systeem bij elk ongeval automatisch een melding naar de alarmcentrale dat er een ongeval heeft plaatsgevonden of maakt het eCall-systeem een onderscheid in de zwaarte van het ongeval?
Er is nog niet Europees vastgelegd aan welke eisen een systeem precies moet voldoen om «eCall systeem» te mogen heten. Deze eisen zullen (net als alle voertuigeisen) uiteindelijk worden vastgelegd in zogenaamde typegoedkeuringseisen. Onderdeel daarvan is dat er alleen een melding wordt gegenereerd als de auto een zwaar ongeval heeft gehad, waarbij bijvoorbeeld de airbag is geactiveerd of extreem hoge vertragingen worden gemeten. Dit om activering bij bijvoorbeeld parkeerschade e.d. te voorkomen.
Het bericht dat Hezbollah betrokken zou zijn bij de busaanslag in Bulgarije |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bulgaria links Hezbollah to bus bombing»?1
Ja.
Kunt u aangeven of het klopt dat er sterke aanwijzingen zijn dat Iran niet en Hezbollah wel betrokken is bij de busaanslag in Bulgarije, zoals blijkt uit de uitspraken van Europol-directeur Rob Wainwright?
In de verklaringen en uitspraken van de Bulgaarse autoriteiten en Europol, wordt geen melding gemaakt van enigerlei betrokkenheid van Iran, maar enkel gewezen op de betrokkenheid van Hezbollah.
Ziet u hierin voldoende aanleiding Hezbollah voor te dragen voor de «zwarte lijst» en bent u bereid u hiervoor in te spannen in Europees verband?
Nederland beschouwt Hezbollah al sinds 2004 als een terroristische organisatie. De conclusies van het Bulgaarse onderzoek bevestigen dit beeld. Nederland zal zich er andermaal sterk voor maken Hezbollah op de lijst van terroristische organisaties van de Europese Unie te plaatsen.
Bent u bereid om in overleg te treden met de directeur van Europol om u ervan te vergewissen dat de aanwijzingen inderdaad sterk zijn en hierover uw Europese collega’s bij te praten?
Europol heeft in een formele toelichting concrete informatie gegeven over de samenwerking met de Bulgaarse autoriteiten in het kader van het onderzoek naar de aanslag. In bijlage volgt deze verklaring.
Kunt u deze vragen vóór het algemeen overleg over de Raad Buitenlandse Zaken voorzien op 14 februari 2013 beantwoorden?
Ja.
Het bericht verstandelijk beperkt echtpaar in de vrieskou |
|
Raymond Knops (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Verstandelijk beperkt echtpaar in de vrieskou»?1
Het bericht is juist dat het echtpaar bij rechterlijk vonnis het huis is uitgezet vanwege grote huurachterstand. Inmiddels hebben zij tijdelijk onderkomen gevonden in een woonlocatie voor mensen met een handicap.
Is het bericht juist dat een ouder echtpaar met beperkte verstandelijke vermogens in Dordrecht op 22 januari jl. door Woonzorg Nederland zonder pardon uit een seniorenflat is gezet vanwege een huurachterstand?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat in situaties als deze geen huisuitzetting dient plaats te vinden zonder dat er een hulpverlener wordt ingeschakeld, omdat het voorkómen van huisuitzettingen beter en goedkoper is dan mensen weer van de straat te halen?
Bij brief van 22 februari jl. is uw Kamer geïnformeerd over huisuitzettingen in algemene zin.2 Daarin is aangegeven dat huurachterstand, overlast of illegale praktijken (bijvoorbeeld hennepteelt) de meest voorkomende redenen zijn voor een huisuitzetting zijn. Een te hoog opgelopen huurachterstand is echter veruit de belangrijkste reden. Aan een huurovereenkomst is de verplichting tot huurbetaling verbonden. Het voorkomen van huisuitzettingen is een verantwoordelijkheid van verhuurders. Het is niet alleen in het belang van de huurder, maar ook in het belang van de corporaties. Corporaties zijn al in een vroeg stadium alert op huurachterstanden, de zogenoemde «vroegsignalering». Corporaties proberen problematische betalingsachterstanden te voorkomen door het treffen van betalingsregelingen, het afleggen van huisbezoeken en door met gemeenten en maatschappelijke organisaties afspraken te maken over vroegtijdige signalering en doorverwijzing.
Hoe verhoudt de gang van zaken zich tot de regierol van de GGD volgens de samenwerkingsovereenkomst preventie huisuitzettingen, die de gemeente Dordrecht op 12 december 2011 met de Sociale Dienst Drechtsteden, de GGD en vijf woningcorporaties heeft gesloten?
Op 25 februari jl. zijn Woonzorg Nederland en de gemeente Dordrecht een samenwerkingsconvenant preventie huisuitzetting aangegaan. Met deze overeenkomst gaan zij de samenwerking versterken en preventief optreden om huisuitzettingen te verminderen.
Woonzorg Nederland sluit zich daarmee aan bij de grote woningcorporaties in de Drechtsteden, de Sociale Dienst Drechtsteden en GGD Zuid Holland Zuid. Met deze samenwerking wordt gestreefd naar het tegengaan van woningontruimingen door (vroeg-) tijdige interventie bij huurachterstanden. Woonzorg heeft in Dordrecht ook afspraken gemaakt met meerdere hulpverlenende instanties om bewoners te begeleiden.
Deelt u de overtuiging dat het sluiten van de (preventieve) keten noodzakelijk is in verband met een goed, sociaal beleid van alle partners in het maatschappelijk middenveld?
Ja. Het verheugt dan ook dat Woonzorg inmiddels de samenwerking is aangegaan.
Bent u bereid te bevorderen dat gemeenten als «eerste overheid» het initiatief nemen tot samenwerking om in situaties als deze huisuitzettingen te voorkomen?
Het voorkomen van huisuitzettingen is als gezegd in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de verhuurders. Samenwerking met gemeenten is hierbij van belang. In de eerdergenoemde brief is aangegeven dat hoewel de indruk is dat zij er alles aan doen om betalingsachterstanden en huisuitzettingen te voorkomen, wij het belang hiervan in overleggen met betrokken partijen nog eens zullen onderstrepen.
Een onderzoek dat uitwijst dat een meerderheid van lokale bestuurders voorstanders is van een vuurwerkverbod |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitkomsten van het onderzoek van DirectResearch onder gemeenteraadsleden, wethouders en burgemeesters waaruit blijkt dat een ruime meerderheid van lokale bestuurders en politici voorstander is van een vuurwerkverbod?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het signaal dat een meerderheid van lokale bestuurders voorstander is van een verbod op het afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling en welke consequenties verbindt u hier aan?
Kunt u uiteenzetten of u het draagvlak voor een vuurwerkverbod onder lokale bestuurders hebt getoetst alvorens te stellen dat er onvoldoende draagvlak zou zijn voor een verbod op het afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling? Zo ja, waarom weegt u in uw afwijzing van een vuurwerkverbod niet mee dat een meerderheid van de lokale bestuurders en politici een voorstander is van een verbod op consumentenvuurwerk? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u dat het draagvlak voor het afsteken van vuurwerk tijdens de jaarwisseling tanende is, zoals ook blijkt uit dit onderzoek? Zo ja, welke consequenties verbindt u hier aan? Zo nee, waarom niet
Bent u bereid alsnog toe te werken naar een algeheel verbod op consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten? Zo nee, waarom niet?
De inzet van bijzondere bevoegdheden door de geheime diensten tegen politici, in het bijzonder tegen Roel van Duijn |
|
Ronald van Raak |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Deelt u de opvatting van de Nationale ombudsman dat uw ministerie en de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst (AIVD) hebben gehandeld in strijd met de beginselen van «transparantie» en «behoorlijkheid», door de heer Roel van Duijn pas na vele en lange procedures – tot aan de Raad van State – inzicht te geven in de bemoeienis van geheime diensten met diens leven en politieke activiteiten?1
De heer Van Duijn komt vooral voor in de dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 kent een uitputtend stelsel voor de behandeling van verzoeken om inzage in (persoons)gegevens, met inbegrip van het daarbij te hanteren beoordelingskader. Dat stelsel beoogt zowel de belangen van de verzoeker als die van de dienst te borgen. Bij de behandeling van verzoeken om kennisneming wordt zorgvuldig beoordeeld of de aangetroffen gegevens vrijgegeven kunnen worden.
Naar aanleiding van een verzoek om inzage in zijn persoonsdossier heeft de AIVD aan de heer Van Duijn documenten verstrekt. In zijn bezwaarschrift heeft de heer Van Duijn zijn verzoek verbreed. Daarop zijn aanvullende documenten verstrekt. De heer Van Duijn heeft bovendien gebruik gemaakt van alle rechtsmiddelen die hem ter beschikking stonden (bezwaar, beroep en hoger beroep).
Deelt u de opvatting van de Nationale ombudsman dat het «onbevredigend» en «onverstandig» is dat u heeft geweigerd om een nader onderzoek te laten doen naar de inzet van bijzondere bevoegdheden tegen Roel van Duijn?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) te vragen alsnog een onderzoek te doen naar de inzet van bijzondere bevoegdheden tegen Roel van Duijn, in het bijzonder naar de «behoorlijkheid»?
De Commissie van Toezicht voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft in dit geval geen taak en bevoegdheden om onderzoek te doen. De zaak betreft een periode van voor de inwerkingtreding van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
Overigens ben ik bereid een gesprek aan te gaan met de heer Van Duijn en heb hem inmiddels hiertoe uitgenodigd.
Deelt u de opvatting van de Nationale ombudsman dat de AIVD wel rekening houdt met de «rechtmatigheid» van zijn optreden, maar onvoldoende met de «behoorlijkheid» van zijn bemoeienis met het leven en de activiteiten van politici?
Ieder overheidsorgaan, ook de AIVD, dient zich bij haar optreden te houden aan regels omtrent behoorlijkheid. Deze eis geldt ten aanzien van alle burgers, of zij nu politici zijn of niet. De eis dat de AIVD op een behoorlijke en zorgvuldige wijze handelt bij de verwerking van gegevens, waaronder de uitoefening van bijzondere bevoegdheden, is in artikel 12 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 vastgelegd. De CTIVD kan toezien op de naleving daarvan.
Deelt u de mening dat nadere regels noodzakelijk zijn om de behoorlijkheid van de inzet van bijzondere bevoegdheden door geheime diensten tegen politici te waarborgen?
Deze casus heeft betrekking op de voorganger van de AIVD, de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). Het wettelijk kader met betrekking tot toezicht en rapportage was destijds een andere dan nu geldt voor de AIVD. De AIVD heeft onder meer tot taak onderzoek te doen naar personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. Politici zijn niet bij voorbaat uitgesloten van onderzoek. Aan de uitoefening van bijzondere bevoegdheden zijn in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 eisen gesteld en daaraan wordt iedere uitoefening getoetst. De CTIVD kan in het kader van haar toezichthoudende taak de rechtmatige uitoefening van bijzondere bevoegdheden toetsen. De Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer (CIVD) is belast met de controle op de operationele taakuitvoering van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Er worden in het openbaar geen mededelingen gedaan over operationele zaken die in de CIVD aan de orde komen.
Worden op dit moment door de geheime diensten bijzondere bevoegdheden ingezet tegen politici?
Zie antwoord vraag 5.
Zult u in de toekomst toestemming geven aan geheime diensten om bijzondere bevoegdheden in te zetten tegen politici?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer altijd geïnformeerd op het moment dat geheime diensten bijzondere bevoegdheden inzetten tegen politici?
Zie antwoord vraag 5.
Hebben politici die onderwerp zijn geweest van bemoeienis door de veiligheidsdiensten altijd een wettelijke notificatie ontvangen?
Indien een voor notificatie in aanmerking komende bijzondere bevoegdheid is uitgeoefend, zal vijf jaar na beëindiging daarvan worden onderzocht of aan betrokkene een notificatieverslag kan worden uitgebracht. Dat geldt ook voor politici.
Taalproblemen in de zorg |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Apothekers moeten taalbarrière slechten»1 en «Spraakverwarring in de spreekkamer» en «Zonder tolken verslechtert de zorg»2?
Ja.
Wat is uw reactie op het signaal dat ouderen met een migrantenachtergrond vaak de bijsluiter niet kunnen lezen, of de uitleg van de apotheker niet snappen?
Communicatie is belangrijk in de zorg, zowel bij het vaststellen van de diagnose, als bij de behandeling zelf en bij leefstijladvies. Mensen zijn er zelf primair verantwoordelijk voor dat ze in het Nederlands kunnen communiceren. Dat betekent dat zij zelf naar oplossingen zoeken als zij de Nederlandse taal niet machtig zijn en daardoor de bijsluiter niet of niet goed kunnen lezen. Maar ook zorgverleners hebben op grond van de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) de verplichting om zich in te spannen om zo begrijpelijk mogelijk te communiceren. De apotheker kan relevante informatie daartoe ook op andere wijze verstrekken dan met een schriftelijke of mondelinge toelichting. Via beeldmateriaal kan bijvoorbeeld worden uitgelegd hoe een middel moet worden gebruikt. Dit is niet alleen in het belang van ouderen met een migrantenachtergrond, maar ook van mensen die laaggeletterd zijn. Voor apotheken is sinds 2009 hiervoor een nuttig instrument beschikbaar: de zogenoemde balieklapper.3
Deelt u de mening dat zorg, waaronder die van apothekers, voor iedereen toegankelijk moet zijn? Zo ja, deelt u voorts de mening dat die toegankelijkheid voor mensen met een taalbarrière op dit moment voldoende gegarandeerd is?
Ja, ik deel de mening dat de zorg in Nederland voor iedereen toegankelijk moet zijn. Er zijn verschillende manieren waarop zowel de cliënt als de zorgverlener hulp kunnen inschakelen als er sprake is van een taalbarrière.
Zo nemen ouderen vaak iemand uit hun netwerk van familieleden en mantelzorgers mee als zij gebruik maken van zorg. Dit betreft ook veel oudere migranten. Het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) heeft samen met het Netwerk van Organisaties van Oudere Migranten (NOOM) en Marokko Media een website ontwikkeld met meer informatie en hulpmiddelen voor dit netwerk van familie en mantelzorgers. Op www.zorgvoorjeouders.nl kunnen zij informatie vinden over de zorg in Nederland, de meeste voorkomende ziektes en informatie over het goed gebruik van medicijnen. Als oudere migranten bepaalde problematiek niet in aanwezigheid van familie willen bespreken kunnen zij zelf de tolkentelefoon inschakelen.
Deelt u bovendien de mening dat het belangrijk is dat artsen en apothekers goed met allochtone patiënten moeten kunnen communiceren, zeker gezien het feit dat migranten op leeftijd, in vergelijking met autochtone ouderen, vaker een gezondheidsachterstand hebben?
Zorgverleners moeten in staat zijn om zorg op maat te bieden, rekening houdend met de vaardigheden en achtergrond van de patiënt. Om ervoor te zorgen dat ook kwetsbare groepen de zorg krijgen die zij nodig hebben, is het van belang dat er professionele standaarden zijn die vanuit het cliëntperspectief zijn geschreven. Naar aanleiding van de motie van mevrouw Bruins Slot zal ik het Kwaliteitsinstituut vragen om informatie over kwaliteit van zorg ook toegankelijk te maken voor laaggeletterden. De in het antwoord op vraag 2 genoemde balieklapper vind ik een goed voorbeeld hiervan.
Wat is uw reactie op de stelling dat de kwaliteit van de zorg lijdt onder de bezuiniging op medische tolken, bijvoorbeeld doordat behandelingen vertraging oplopen door de taalbarrière?
Ik heb geen gegevens ontvangen waaruit blijkt dat de kwaliteit van zorg aantoonbaar zou lijden doordat de inzet van tolken niet meer centraal wordt vergoed. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft ook geen meldingen ontvangen van incidenten die betrekking hadden op taalproblemen in de zorg.
Zoals ik heb aangegeven kunnen mensen er zelf voor kiezen om een professionele tolk in te schakelen of een familielid, mantelzorger of vrijwilliger mee te nemen als zij gebruik maken van zorg. Daarnaast zijn zorgverleners gehouden zich in te spannen om zo goed mogelijk met patiënten te communiceren vanuit hun verantwoordelijkheid voor goede informatie en het informed consent.
Wat is uw reactie op de uitspraak dat huisartsen zonder tolk vaker doorverwijzen?
De zorgverlener moet goed kunnen inspelen op de verschillen tussen patiënten en moet de zorgverlening optimaal afstemmen op de individuele behoeften en mogelijkheden. Zoals ik bij vraag 2 heb aangegeven hebben zowel patiënten als zorgverleners een verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goede onderlinge communicatie. Mensen die minder goed onder woorden kunnen brengen welke klachten zij hebben worden soms eerder doorverwezen voor nader onderzoek. Ik vind het om die reden van belang dat de patiënt zich inspant om in het Nederlands te kunnen communiceren.
Kunt u aangeven hoeveel extra zorgkosten er jaarlijks gemaakt worden, doordat artsen eerder doorverwijzen of de behandeling vertraagd wordt, omdat de patiënt de Nederlandse taal niet machtig is? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik heb geen indicatie van extra zorgkosten die gemaakt worden omdat de patiënt de Nederlandse taal niet machtig is en deze zelf geen informele of professionele tolk heeft ingeschakeld. Uit bijgevoegde kosten- en opbrengstenanalyse van tolkdiensten is, met kanttekeningen, op te maken dat op het moment dat tolken nog vergoed werden door de overheid, voor wat betreft huisartsen en ggz-instellingen de kosten voor het toenmalige gebruik van professionele tolken ongeveer € 7 miljoen bedroegen en de opbrengsten ongeveer € 3,5 miljoen. Overigens is in het rapport op enkele punten bedrijfsgevoelige informatie weggelakt.
Deelt u de mening, zeker gezien de uitspraak dat er jaarlijks meer zorgkosten gemaakt worden door sneller doorverwijzen, dat de inzet van tolken in de zorg juist zorgkosten kan besparen?
Ik deel de mening niet dat het collectief financieren van tolken leidt tot kostenbesparingen. Als in de zorg alleen gebruik gemaakt wordt van collectief vergoede, professionele tolken leidt dit (op basis van de kosten- en batenanalyse uit 2009) mogelijk zelfs tot een toename van zorgkosten. De inzet van tolken door mensen zelf is één van de mogelijkheden om zorgkosten te besparen. De patiënt en de zorgverlener kunnen samen ook zoeken naar andere oplossingen om een taalbarrière te overbruggen.
Wanneer kan de Kamer de resultaten van het onderzoek naar de problemen in de praktijk, na afschaffing van de tolkenvergoeding in de zorg, tegemoet zien?
Bij de behandeling van de begroting heb ik toegezegd om de huidige praktijk te onderzoeken met betrekking tot de vergoeding van tolken in de zorg en waar de problemen zitten ten aanzien van informed consent. Ik betrek hierbij ook zorgverzekeraars en de KNMG. Ik informeer u hierover door de voorjaarsnota 2013, dus uiterlijk in mei 2013.