De toegezegde medewerking van de gemeente Haarlemmermeer aan de vestiging in Hoofddorp van wat het grootste sekscomplex van Europa gaat worden |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u ervan kennisgenomen dat de gemeente Haarlemmermeer heeft toegezegd medewerking te verlenen aan de vestiging in Hoofddorp van wat het grootste sekscomplex van Europa dreigt te gaan worden?
Ik heb vernomen dat de gemeente Haarlemmermeer in beginsel bereid is om, met inachtneming van haar beleidskaders en planologische kaders, medewerking te verlenen aan de mogelijke ontwikkeling van een erotisch uitgaanscentrum. Een officiële aanvraag voor een dergelijk complex op de desbetreffende locatie is niet door de gemeente ontvangen en daardoor niet beoordeeld.
Is de vestiging van dit mega-bordeel in overeenstemming met het lokale prostitutiebeleid en bestemmingsplan?
Aangezien het voornemen van de ondernemer niet is geconcretiseerd in aanvragen en plannen, kan over de conformiteit met het lokale beleid nu geen uitsluitsel worden geven. Wel laat, in algemene zin, het gemeentelijk prostitutiebeleid onder voorwaarden ruimte voor nog twee seksinrichtingen. Het huidige bestemmingsplan van de voorgenomen locatie geeft vooralsnog geen ruimte voor de vestiging van een seksbedrijf. Een nieuw bestemmingsplan zou dus vereist zijn.
Wat is uw mening over de vestiging van dit complex ter grootte van een complete woonwijk, mede gezien het feit dat de meerderheid van de bewoners van Haarlemmermeer en Hoofddorp volgens een onlangs gehouden peiling tegen de komst van een dergelijk mega-bordeel is?
Aangezien er nog geen concrete aanvraag is ingediend bij de gemeente voor de vestiging van het seksbedrijf staat de beoogde grootte van de vestiging niet vast. Het is uiteindelijk aan de gemeente om te onderzoeken of de plannen binnen het gemeentelijk prostitutie- en omgevingsbeleid passen en om met eventuele bezwaren van bewoners om te gaan.
Bestaat naar uw mening het risico dat een sekscomplex van een dergelijke omvang kan leiden tot ongewenste nevenverschijnselen, bijvoorbeeld verband houdende met drugshandel, mensenhandel en illegale prostitutie?
De seksbranche is een criminogene branche. De prostitutiesector is net als andere sectoren gebonden aan wet- en regelgeving die erop gericht is om deze eventuele effecten tegen te gaan. De aanpak van mensenhandel en de hieraan gerelateerde prostitutie is daarbij een prioriteit van dit kabinet. In mijn brief van 8 maart 2013 aan uw Kamer1 heb ik u gemeld welke maatregelen er zijn en worden genomen om een schone, legale prostitutiebranche te creëren.
Welke mogelijkheden ziet u om de vestiging van een dergelijk mega-bordeel tegen te gaan?
In Nederland is het legaal om in overeenstemming met het gemeentelijk prostitutie- en omgevingsbeleid een seksbedrijf te vestigen. Ik zie dan ook geen reden om de vestiging van een seksbedrijf in Haarlemmermeer tegen te gaan.
De fiscale regeling voor hypotheekrenteaftrek |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat eigenaar-bewoners die al eerder hypotheekrenteaftrek over X jaar en een hoofdsom Y genoten hebben bij de aankoop van een andere woning slechts hypotheekrenteaftrek kunnen krijgen als de looptijd van de nieuwe lening (30-X) jaar bedraagt?1
Zie antwoord op vraag 2.
Zo ja, waarom is het niet mogelijk dat bedoelde eigenaar-bewoners een standaard annuïtaire lening over dertig jaar voor een bedrag Z afsluiten, waarbij de fiscale aftrek voor (30-X) jaar gebaseerd is op de hoofdsom Z en vervolgens voor X jaar gebaseerd is op de hoofdsom (Z-Y)?2
Voor de beantwoording van deze vraag wordt achtereenvolgens ingegaan op de uitwerking onder het tot 1 januari 2013 geldende recht en het vanaf die datum geldende overgangsrecht en vervolgens op de uitwerking onder het nieuwe recht.
Sinds de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bedraagt de maximale termijn waarvoor recht bestaat op aftrek van rente betaald over een eigenwoningschuld (hierna: eigenwoningrente) 30 jaar. Deze maximale aftrektermijn blijft van toepassing (blijft doorlopen) op leningen die onder het sinds 1 januari 2013 geldende overgangsrecht kwalificeren als bestaande eigenwoningschuld. Evenals onder het oude recht geldt derhalve voor overgangsrechtschulden dat een ter zake van een vorige eigen woning «verbruikt» deel van de dertigjaarstermijn in mindering komt op de termijn voor de nieuwe eigen woning als de schuld wordt overgesloten op die nieuwe woning. Voor de overgangsrechtschulden gelden in tegenstelling tot het nieuwe recht geen eisen aan de vorm van de lening. De schuld mag aflossingsvrij zijn en mag na de 30 jaar dus nog bestaan, zij het dat er vanaf dat moment geen recht op renteaftrek meer is.
Met ingang van 2013 geldt voor nieuwe eigenwoningschulden de verplichting om contractueel en feitelijk ten minste annuïtair af te lossen in maximaal 360 maanden (30 jaar). In artikel 3.119c van de Wet IB 2001 is de aflossingseis opgenomen en is in het derde lid van dat artikel de wijze waarop rekening moet worden gehouden met eerdere eigenwoningschulden geregeld. Het verstreken deel van de looptijd van de voorgaande eigenwoningschuld verkort de resterende periode waarin recht op renteaftrek bestaat en daarmee tevens de maximale periode waarin de schuld geheel moet worden afgelost.
In de hiervoor beschreven situaties »blijft» belastingplichtige binnen het voor hem geldende recht (ofwel geheel onder het oude recht/overgangsrecht ofwel geheel onder het nieuwe recht). In de door vragensteller meegezonden casus doet zich echter een bijzonderheid voor, omdat een deel van de aftrekperiode onder oud recht is geweest en er daarna onder nieuw recht een nieuwe schuld wordt aangegaan. Deze casus luidt als volgt:
A heeft per 1 januari 2001 een eigen woning gekocht waarvoor een hypotheek is afgesloten van € 90.000.
In 2011, na precies 10 jaar, verkoopt A deze woning weer voor € 110.000. In de tussenliggende periode heeft A niets afgelost. Er ontstaat hierdoor een eigenwoningreserve van € 20.000.
In 2013 koopt A een nieuwe woning waarvoor de totale kosten € 150.000 bedragen. A gebruikt voor de financiering de eigenwoningreserve van € 20.000 en brengt daarnaast € 10.000 eigen geld in waardoor de nieuwe eigenwoningschuld € 120.000 (€ 150.000-/- (€ 20.000+€ 10.000)) bedraagt.
Hierbij wordt de vraag gesteld wat de fiscale gevolgen zijn in bovenstaande, en daarmee vergelijkbare, casusposities. Van belang hierbij is dat de belastingplichtige als het ware de overgang maakt van het oude recht naar het nieuwe recht.
De dertigjaarstermijn geldt met ingang van 2001 en geldt ook onder het nieuwe recht als uitgangspunt. Voor de toepassing van de aflossingseis (als bedoeld in artikel 3.119c van de Wet IB 2001) dient de periode waarover aftrek van eigenwoningrente is genoten vanaf 2001 bij het bepalen van de resterende periode van renteaftrek dan ook te worden meegeteld, ook in de situatie dat de eigenwoningschuld in 2012 niet meer bestond (derde lid van het onderhavige artikel). In de betreffende casus heeft dit tot gevolg dat de periode 2001 tot en met 2010 meetelt voor de bepaling van de resterende periode waarin recht bestaat op renteaftrek op de nieuwe eigenwoningschuld. Op basis van de huidige wettekst betekent dit tevens dat de periode van eerdere renteaftrek onder het oude recht de maximale periode verkort waarin de schuld volledig moet worden afgelost. In de casus van het voorbeeld betekent dit dat de eigenwoningschuld van € 120.000 in 20 jaar zou moeten worden afgelost om renteaftrek op die schuld te krijgen. Dit verkorte aflossingsschema zou tot gevolg hebben dat het tempo waarin deze eigenwoningschuld zou moeten worden afgelost (aanzienlijk) sneller is dan bij een aflossingseis die op een periode van 30 jaar gebaseerd is, met aanzienlijk hogere maandlasten tot gevolg. Dit terwijl deze belastingplichtige onder het oude recht niet hoefde af te lossen.
De uitwerking dat een eerdere periode van renteaftrek waarin nog niet hoefde te worden afgelost (onder oud recht dan wel onder het overgangsrecht) de termijn waarbinnen de daaropvolgende schuld onder het nieuwe recht moet worden afgelost verkort, acht ik niet wenselijk. Vooruitlopend op wetgeving zal ik op korte termijn in een beleidsbesluit goedkeuren dat in gevallen als het onderhavige, de nieuwe eigenwoningschuld in 360 maanden mag worden afgelost, met dien verstande dat wel de renteaftrekperiode verkort wordt met de eerder genoten periode van aftrek. Deze meer soepele invulling brengt dus niet met zich mee dat bezien over de periode waarin onder het oude en het nieuwe recht rente wordt afgetrokken, meer dan 360 maanden aftrek mogelijk is. Indien reeds met betrekking tot een eerdere eigenwoningschuld een periode aftrek is genoten, dan wordt deze periode voor de berekening van het aantal maanden waarvoor nog recht op aftrek van eigenwoningrente bestaat in mindering gebracht op de maximale aftrektermijn van 360 maanden. De aftrek van eigenwoningrente stopt na afloop van het aldus bepaalde aantal maanden, terwijl de maandelijkse annuïteit dan in beginsel nog doorloopt. Er is namelijk geen aanleiding om, anders dan onder het oude en het nieuwe recht, belastingplichtigen een recht op aftrek te geven voor een termijn langer dan 30 jaar (360 maanden).
Ten overvloede merk ik nog op dat voor zover een nieuwe eigenwoningschuld meer bedraagt dan de oude eigenwoningschuld, voor dit meerdere in ieder geval een nieuwe periode van 360 maanden geldt voor de aflossing en het recht op aftrek. Dit vloeit voort uit artikel 3.119c, vierde lid, van de Wet IB 2001.
Zo nee, kunt u aan de hand van enkele rekenvoorbeelden duidelijk maken hoe de hypotheekrenteaftrek voor eigenaar-bewoners die al eerder hypotheekrenteaftrek genoten, al dan niet met een interval, werkt?
Het hiervoor beschreven antwoord leidt voor het beschreven cijfervoorbeeld tot het navolgende:
Voor € 90.000 heeft belastingplichtige nog gedurende 240 maanden (360 maanden -/- 120 maanden) recht op aftrek van eigenwoningrente, mits vanaf het aangaan van de schuld in 2013 contractueel en daadwerkelijk wordt afgelost volgens een (ten minste) annuïtair schema dat leidt tot een volledige aflossing in maximaal 360 maanden. Voor de overige € 30.000 van de eigenwoningschuld geldt een recht op aftrek van eigenwoningrente van 360 maanden, mits die schuld in maximaal 360 maanden contractueel en daadwerkelijk volgens een (ten minste) annuïtair schema volledig wordt afgelost.
Het contracteerbeleid van zorgverzekeraars bij logopedisten |
|
Renske Leijten |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Deelt u de conclusie uit het onderzoek «De waarde van logopedie» dat iedere euro die gebruikt wordt voor de behandeling van spraak- en taalstoornissen bij kinderen € 1,67 tot € 3,04 oplevert?1 Kunt u uw antwoord toelichten?
Het rapport «De waarde van logopedie» is in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF) door onderzoeksbureau SEO tot stand gekomen. De conclusies van het rapport komen volledig voor rekening van de onderzoekers. Vanwege het belang dat ik hecht aan het actief meedenken van partijen bij het vinden van bezuinigingsmogelijkheden, heb ik de onderzoekers samen met de NVLF op 20 december 2012 op het ministerie uitgenodigd om het rapport en de bevindingen toe te laten lichten. Uit deze toelichting heb ik geconcludeerd dat als gevolg van een juiste inzet van logopedische interventies deze mogelijk op termijn tot besparingen kunnen leiden.
Deelt u de conclusie uit het kostenonderzoek van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) waaruit blijkt dat het noodzakelijk is het tarief voor logopedie aan te passen om logopedisten voldoende armslag te geven?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
In december 2011 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een beleidsregel afgegeven, die erop neerkomt dat in drie jaren (2012, 2013 en 2014) het tarief voor logopedie verhoogd wordt naar € 29,22 per zitting. Macro levert dat een effect op het Budgettair Kader Zorg (BKZ) van € 34, 2 miljoen. Met deze forse ophoging van het kader voor logopedie, geen vanzelfsprekendheid in tijden van toenemende bezuinigingsdruk, heb ik ruimte gegeven aan een intensivering binnen de logopedische zorg.
Deelt u de conclusie dat het volgen van de NZa aanbeveling op termijn leidt tot een besparing? Wat bent u van plan met die aanbevelingen te doen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoorden op de vragen 1 en 2.
Bent u van mening dat de € 8 miljoen die u heeft uitgetrokken voor het aanpassen van de logopedietarieven hier door de zorgverzekeraars ook voor zijn gebruikt? Zo ja, waarop baseert u dit? Zo nee, welke actie gaat u ondernemen?
Op grond van gegevens van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) stel ik vast dat de trend van overschrijdingen op het budget voor logopedische zorg zich nog steeds voortzet. Als zorgverzekeraars een aanleiding zien voor kostenmatiging binnen de logopedie door middel van een scherper inkoopbeleid vind ik dat passen bij de rol die zij op grond van de Zorgverzekeringswet vervullen. Zorgverzekeraars hebben immers een belangrijke rol toegewezen gekregen om de zorg in Nederland betaalbaar, toegankelijk en van goede kwaliteit te houden. Het staat zorgverzekeraars en aanbieders vrij contracten af te sluiten met tarieven die lager zijn dan de maximumtarieven die de NZa vast stelt.
Is het waar dat het verdwijnen van de schoollogopedie leidt tot een groter beroep op de eerste lijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb vernomen dat zich een verschuiving voor doet van schoollogopedie naar eerstelijnszorg. Over de wenselijkheid en de omvang van die verschuiving ben ik in overleg met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) en Zorgverzekeraars Nederland. De NVLF is samen met individuele zorgverzekeraars bij deze besprekingen betrokken.
Is het waar dat zorgverzekeraars klanten actief verwijzen naar de eerste lijn logopedie omdat zij de tweede lijn te duur vinden? Is het waar dat diezelfde zorgverzekeraars deze eerste lijn verwijten te veel behandelingen uit te voeren? Wat vindt u van deze handelwijze van de zorgverzekeraars en wat bent u van plan te ondernemen?
Hierover zijn mij geen signalen bekend. Ik zal dit betrekken bij de besprekingen zoals genoemd in het antwoord op vraag 5.
Onderschrijft u dat alleen als grote groepen logopediepraktijken op basis van onderlinge afspraken onderhandelen met een zorgverzekeraar, er een gelijkwaardige onderhandelingspositie ontstaat? Is dit op basis van de Mededingingswet toegestaan? Kunt u aangeven hoe u zich voorstelt dat in vrijheid en dus op basis van gelijkwaardigheid kan worden onderhandeld over «prijs», «prestatie» en «hoeveelheid» zoals uzelf voorstaat? Bent u in dat licht van mening dat de macht van zorgverzekeraars te groot is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit navraag bij de NZa blijkt dat er geen aanwijzingen zijn van machtsmisbruik van zorgverzekeraars bij de inkoop van logopedische zorg. Eén van de verwachtingen die bij logopedisten kennelijk leven is dat aan elk contract een individuele onderhandeling dient vooraf te gaan. Dat is niet het geval. Verzekeraars zullen een bod moeten doen om aan hun wettelijke zorgplicht te voldoen. Dit betekent echter niet dat er een recht bestaat op individuele onderhandelingen. Verzekeraars zullen vanwege logistieke redenen met vaak gestandaardiseerde contracten werken. Ik erken dat grotere praktijken in beginsel over een sterkere onderhandelingspositie beschikken voor zover deze praktijken beduidend van belang zijn voor het vervullen van de zorgplicht door de zorgverzekeraar. Onderlinge mededingingsbeperkende prijsafspraken tussen praktijken zijn evenwel in strijd met de Mededingingswet. Samenwerking in het belang van de patiënt en de kwaliteit van zorg en daaruit voortvloeiend gezamenlijk onderhandelen, is binnen de kaders van de wet echter toegestaan.
Bent u bereid om op basis van uw systeemverantwoordelijkheid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar het functioneren van de marktwerking op het deelgebied logopedie?
Zoals ik in voorgaande antwoorden heb aangegeven zie ik geen misstanden in de markt voor logopedie die nadelig kunnen uitwerken op het belang van de patiënt/consument. Nader onderzoek lijkt me daarom niet opportuun.
Het bericht dat Tata Steel geen extra gehandicapten wil |
|
Sadet Karabulut |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Hoe verhoudt de beslissing van het 9.000 werknemers tellende bedrijf Tata Steel om slechts 10 werkervaringsplaatsen voor jonggehandicapten ter beschikking te stellen, zich tot uw wens om tienduizenden jongeren met een arbeidsbeperking in reguliere bedrijven aan het werk te helpen en tot het sociaal akkoord waarin u afstapt van het invoering van een actief verplicht quotum en alle jonggehandicapten onderworpen moeten worden aan een herkeuring?1 2 3 4
In het sociaal akkoord hebben kabinet en sociale partners afspraken gemaakt over het aan de slag helpen van mensen met een arbeidsbeperking. Met dit akkoord stellen werkgevers zich garant voor 125.000 extra banen (25.000 voor de overheid) voor deze doelgroep die moeilijk aan de slag komt. Ik reken er op dat werkgevers en werknemers hier de komende tijd mee aan de slag gaan. Het tijdspad van ruim 10 jaar biedt ruimte om daar in te groeien.
De afspraak met sociale partners over extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking is overigens niet vrijblijvend. In het sociaal akkoord is ook opgenomen dat deze afspraak wordt gemonitord. Als werkgevers onvoldoende banen realiseren treedt, na overleg met sociale partners en gemeenten, een quotumregeling in werking met dezelfde aantallen. In 2016 is de eerste meting. Dan moeten er 11.000 banen zijn gerealiseerd.
Het sociaal akkoord dateert van 11 april jongstleden. De uitwerking van de gemaakte afspraken vraagt tijd en maakt nog geen onderdeel uit van lopende cao-onderhandelingen. Dit geldt ook voor de onderhandelingen die Tata Steel in IJmuiden op dit moment met de vakbonden voert over een nieuwe cao. Afgelopen week hebben zij een principe-akkoord bereikt. In dat principe-akkoord is afgesproken dat Tata Steel wederom tien Wajongers een leerwerktraject aanbiedt, met de mogelijkheid tot een arbeidsovereenkomst erna. Tata Steel maakt sinds 2009 cao-afspraken over het jaarlijks aanbieden van tien werkervaringsplaatsen voor jongeren met een Wajong-uitkering. Een inspanning die volgens het bedrijf afgezet moet worden tegen een jaarlijkse werving van ongeveer honderd nieuwe medewerkers, tegen het feit dat drie procent van de actuele personeelsbezetting bestaat uit medewerkers waarvan is vastgesteld dat zij in meerdere of mindere mate arbeidsongeschikt zijn en tenslotte tegen de moeilijke economische omstandigheden waarin de staalsector zich bevindt.
In aanvulling op de lopende cao-onderhandelingen geeft Tata Steel aan naar de toekomst toe zich in te zetten om de afspraken uit het sociaal akkoord over extra banen voor arbeidsgehandicapten te realiseren.
Is het u bekend dat vakbonden, UWV en gemeenten regionale afspraken willen maken met Tata Steel maar dit bedrijf hier niets van wil weten? Wat is uw reactie hierop en bent u bereid om met Tata Steel in gesprek te gaan om hen te bewegen om te komen tot serieuze en regionale afspraken voor werk voor mensen met een beperking? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Acht u het aannemelijk dat meer grote ondernemingen zich zullen blijven gedragen als Tata Steel en geen arbeidsplaatsen ter beschikking stellen aan mensen met een beperking omdat ze een «apart bedrijf» zijn? Deelt u deze mening?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er meer (grote) ondernemingen in Nederland die zich om deze reden onttrekken aan de afspraken die in het sociaal akkoord over het openstellen van arbeidsplekken voor mensen met een beperking zijn gemaakt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de Kamer informeren over bestaande cao afspraken met grote bedrijven in Nederland over het in dienst nemen van mensen met een arbeidsbeperking? Zo nee, waarom niet?
Voor een indruk van afspraken over het in dienst nemen van arbeidsgehandicapten in cao’s verwijs ik naar de SZW rapportage «Cao-afspraken 2011», die op 29 november 2012 als bijlage bij het rapport «Duurzame inzetbaarheid in cao en praktijk» naar uw Kamer is gezonden. De peildatum voor deze rapportage is 1 april 2012. Voor deze rapportage zijn 100 cao’s onderzocht, die van toepassing zijn op ca 5,4 miljoen werknemers (ruim 85 procent van de werknemers onder een cao).
Verder verwijs ik naar de website www.cao.szw.nl. Daarop staan alle cao’s die zijn aangemeld en waarvoor een kennisgeving van ontvangst is afgeven (zie onderwerp cao aanmelding, vervolgens overzichten cao/avv).
Het omzetten van dagbesteding binnen de PGB naar ZIN en vice versa |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat cliënten die hun volledige dagbesteding in persoonsgebonden budget (PGB) omzetten naar dagbesteding in het kader van zorg in natura (ZIN), gekort worden in het aantal dagdelen waarin zij gebruik mogen maken van dagbesteding? Wat is hiervan de reden?
Dit klopt niet. Er vindt geen korting plaats.
Klopt het dat wanneer cliënten met volledige dagbesteding in het kader van ZIN deze omzetten naar PGB, zij ook worden gekort in het aantal dagdelen waarin zij gebruik mogen maken van de dagbesteding? Wat is hiervan de reden?
Tot 2013 kregen cliënten met een pgb op basis van een verblijfsindicatie een budget voor dagbesteding dat standaard was gebaseerd op 9 dagdelen vermenigvuldigd met het geldende tarief per dagdeel vanuit de pgb-regeling. Deze berekening van het budget voor dagbesteding was een van de redenen dat het pgb voor cliënten met een verblijfsindicatie hoger was dan de beschikbare middelen voor zorg in de zorg in natura. In het Begrotingsakkoord 2013 is afgesproken dat pgb voor cliënten met een verblijfsindicatie wordt gelijkgesteld aan de beschikbare middelen voor zorg vanuit de zorg in natura. Daarom wordt nu op de andere manier de hoogte van het pgb voor dagbesteding berekend. Het budget voor dagbesteding is gerelateerd aan de beschikbare middelen voor dagbesteding bij verblijfszorg thuis (VPT). Dit betekent dat cliënten die vanaf 1 januari 2013 hun indicatie voor dagbesteding (als onderdeel van hun verblijfsindicatie) omzetten van zorg in natura naar een pgb een lager budget zouden krijgen dan voorheen. Met dit budget kunnen cliënten zelf bepalen hoeveel dagdelen dagbesteding zij willen afnemen.
Deelt u de mening dat het hier gaat om een onjuiste omzetting?
Deze mening deel ik niet, omdat ik deze is gebaseerd is op het uitgangspunt dat bij cliënten met een verblijfsindicatie de pgb’s vanaf 2013 aansluiten bij de beschikbare middelen voor zorg vanuit de zorg in natura.
Wilt u stappen ondernemen om de omzetting van PGB dagbesteding naar ZIN en dagbesteding ZIN naar PGB zorgvuldiger te laten plaats vinden, waardoor er niet langer ongelijke situaties ontstaan?
Ik deel niet uw mening dat er ongelijke situaties zijn ontstaan.
De aanpak van PGB-fraude |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Twee aanhoudingen om pgb-fraude»?1
Ja.
Hoe groot is het bedrag dat tot dusver aan pgb-fraude is teruggevorderd? Hoe groot is de stijging van dit bedrag sinds uw brief2 waarin u de versterking en uitbreiding van de aanpak van pgb-fraude aankondigt?
In het plan van aanpak pgb-fraude 2013/2014 (TK, vergaderjaar 2012–2013, 25 657, nr. 96) dat ik op 2 december 2012 aan de Kamer heb gezonden, is vermeld dat door zorgkantoren voor circa € 6 mln. aan pgb-fraude is teruggevorderd. Het Openbaar Ministerie heeft naar schatting voor enkele tientallen miljoenen aan zaken in onderzoek. Met ingang van 2013 is de aanpak van pgb-fraude geïntensiveerd. Aangezien pgb-fraude zaken bewerkelijk en complex zijn, kost een zorgvuldige behandeling hiervan tijd. Het effect op de teruggevorderde middelen is vier maanden na de intensivering van de aanpak dan ook nog niet zichtbaar.
Op welke wijze wordt de versterkte aanpak van pgb-fraude geëvalueerd?
Ten behoeve van de uitvoering van het plan van aanpak pgb fraude is de regiegroep pgb fraudebestrijding opgericht. In deze regiegroep komen alle betrokken partijen periodiek bijeen. Tijdens deze bijeenkomsten wordt de voortgang besproken en komen leereffecten aan de orde. Zo zullen de zorgkantoren onder andere verslag doen van de bevindingen uit de af te leggen huisbezoeken en deelt de Inspectie SZW haar kennis, expertise en signalen.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de aangekondigde samenwerking tussen ministeries, opsporingsinstanties en gemeenten vorm heeft gekregen? Op welke manier hebben professionals, die te maken hebben met het medisch beroepsgeheim, mogelijkheden gekregen om mogelijke fraudeurs te melden? Wat is het effect van deze maatregel op de pgb-fraude?
Zoals ik in mijn plan van aanpak heb aangekondigd, wordt met alle betrokken partijen samengewerkt in de Taskforce Integriteit Zorgsector (voorheen de regiegroep «verbetering fraudebestrijding in de zorg»). Voor wat betreft het melden van mogelijke fraudeurs door professionals die te maken hebben met het medisch beroepsgeheim geldt het volgende. In de beleidsreactie op het rapport Medisch beroepsgeheim in dubio (TK, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 XVI, nr. 129) die ik op 16 januari 2013 aan uw Kamer heb gestuurd, heeft de minister een wetswijziging aangekondigd met betrekking tot het medisch beroepsgeheim en de bestrijding van fraude. Uw Kamer heeft over dit rapport en de beleidsreactie vragen over dit onderwerp gesteld. Bij de beantwoording van deze vragen zal de minister hierop terugkomen.
Welke maatregelen om de pgb-regeling fraudebestendiger te maken zijn opgenomen in de pgb-regeling 2013? Wat is het effect van deze maatregelen?
De afgelopen jaren is een aantal maatregelen genomen om pgb-fraude te bestrijden. Een overzicht hiervan heb ik bij mijn plan van aanpak pgb-fraude aan de Kamer gezonden. Conform de afspraak uit het Begrotingsakkoord is aanvullend in de pgb-regeling 2013 opgenomen dat mensen die in aanmerking willen komen voor een pgb hun medewerking moeten verlenen aan het voeren van een face-to-face gesprek. Deze gesprekken zijn er enerzijds op gericht om cliënten bewuster voor een pgb te laten kiezen, en anderzijds om potentiële fraudeurs af te schrikken. Inmiddels voeren alle zorgkantoren deze gesprekken met degenen, die voor een pgb kiezen. De effecten van deze gesprekken zullen in beeld worden gebracht. Zoals ik in het plan van aanpak pgb-fraude heb beschreven worden meer maatregelen genomen om pgb-fraude te bestrijden. Niet al deze maatregelen lenen zich echter voor opname in de pgb-regeling, zoals het oprichten van een aparte eenheid voor pgb-fraude bij de Inspectie SZW (ISZW).
Hoe groot is het deel van de pgb-aanvragers waarmee door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een face-to-face-gesprek gevoerd wordt in 2013? Wat is het effect van deze gesprekken op de pgb-fraude?
De face-to-face indicaties van potentiële pgb-houders worden door het CIZ dit jaar gefaseerd ingevoerd. Vanaf 1 april jl. is het CIZ hiermee gestart. Met ingang van 1 januari 2014 worden alle nieuwe aanvragers met voorkeur voor een pgb face-to-face geïndiceerd. De verwachting is dat deze gesprekken zullen bijdragen aan het voorkomen van fraude bij het aanvragen van een indicatie. Het daadwerkelijke effect is vast te stellen wanneer meer ervaring met deze manier van indiceren is opgedaan.
Van hoeveel pgb-bemiddelingsbureaus heeft het CIZ in 2012 en 2013 het mandaat om zelf indicaties te mogen afgeven ingetrokken?
Pgb-bureaus hebben geen toegang tot het taakmandaat om zelf indicaties te mogen afgeven. Pgb-bureaus kunnen wel aangesloten zijn op de digitale aanmeldfunctionaliteit van het CIZ. De indicatieaanvragen die via deze aanmeldfunctionaliteit worden ingediend, worden op dezelfde wijze afgehandeld als een aanvraag, die door de cliënt zelf wordt ingediend.
Hoe vaak heeft het CIZ in 2013 ambtshalve geherindiceerd?
Op dit moment zijn er 650 ambtshalve herindicaties bij het CIZ in behandeling.
Op welke wijze zal het CIZ juridisch beter gepositioneerd worden, als het gaat om het verminderen van risico’s van fraude in de gehele AWBZ?
Momenteel onderzoek ik of ik het CIZ meer bevoegdheden kan geven in het kader van fraudebeheersing. Dit is een van de maatregelen die is voorgesteld naar aanleiding van de risicoanalyse op fraude in de AWBZ zorg in natura, zoals ik u heb laten weten in de brief (TK, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 XVI, nr. 15) die op 31 oktober 2012 naar de Kamer is gestuurd. Zoals ik in mijn Kamerbrief Hervorming langdurige zorg d.d. 25 april 2013 (Kamerstuk II 30 597, nr.296) heb aangekondigd, zullen er tevens veranderingen worden aangebracht in het indicatieproces om de toegang tot de kern-AWBZ goed te bewaken. Zo zal er meer persoonlijk contact komen tussen de indicatiesteller en de cliënt en zullen standaardindicatieprotocollen, indicatiemeldingen en herindicaties via taakmandaat verdwijnen.
Bent u voornemens het afleggen van de pgb-test te verplichten?
Zoals ik in mijn plan van aanpak heb aangegeven, overweeg ik het afleggen van een pgb-test of deelname aan een cursus verplicht te stellen. Bij deze afweging wil ik de eerste resultaten van de face-to-face bezoeken van het CIZ en de huisbezoeken die de zorgkantoren afleggen, betrekken.
Bij hoeveel procent van de verzekerde cliënten is in 2013 reeds een huisbezoek afgelegd door het zorgkantoor? Hoe vaak is bij deze huisbezoeken fraude geconstateerd?
De zorgkantoren zijn momenteel bezig met het op zorgvuldige wijze treffen van de voorbereidingen voor de af te leggen huisbezoeken. Medio dit jaar wordt gestart met het daadwerkelijk afleggen van de huisbezoeken. De verwachting is dat ik u eind van het jaar een indruk kan geven van hetgeen uit de huisbezoeken naar voren komt.
Is de aparte eenheid voor pgb-fraude bij de Inspectie SZW (ISZW) reeds operationeel? Hoeveel fraudezaken worden door deze eenheid in 2013 aangepakt?
Een aparte eenheid binnen de Inspectie SZW is met ingang van 1 januari 2013 gestart met deze onderzoeken. De Inspectie SZW zal per jaar minimaal zes opsporingsonderzoeken en drie opsporingsonderzoeken in combinatie met fraude op een van de domeinen van SZW uitvoeren.
Wanneer is het thematisch onderzoek van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) naar pgb-fraude gereed? Kunt u dit onderzoek aan de Kamer doen toekomen?
Elk jaar rapporteert de Nza over hoe de zorgkantoren de AWBZ uitvoeren. In dit onderzoek zal de Nza extra aandacht besteden aan het onderwerp pgb-fraude. Het onderzoeksrapport zal naar verwachting op 1 december 2013 worden afgerond en, evenals vorige jaren, naar de Kamer worden gezonden.
Welke formele bevoegdheden krijgt de NZa om pgb-fraude op te sporen?
Het opsporen van pgb-fraude is belegd bij de Inspectie SZW, zie ook het antwoord op vraag 12. Zoals aangegeven in de brief (d.d. 15 mei jongstleden, Kamerstuk II 28 828, nr. 30) van de minister en mij over de aanpak van zorgfraude, bezien wij momenteel of het toezichts- en handhavingsinstrumentarium adequaat is. De NZa heeft los daarvan meer capaciteit gekregen om toezicht uit te oefenen op de zorgkantoren bij aanpak van pgb-fraude.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van het plan om per 1 januari 2014 het systeem van trekkingsrechten in te voeren? Wordt de geplande invoeringsdatum gehaald?
Momenteel wordt door VWS samen met betrokken partijen de invoering van het trekkingsrecht uitgewerkt. Deze inhoudelijke uitwerking en de keuze voor een uitvoerende partij, dienen zorgvuldig te gebeuren. Ik streef ernaar om het trekkingsrecht vanaf 2014 in te voeren.
De aanpak van georganiseerde wietteelt |
|
Myrthe Hilkens (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aanpak wietcriminaliteit faalt» en de daarbij behorende tv-rapportage?1
Ja.
Bevat het bericht of de rapportage feitelijke onjuistheden? Zo ja, waar bestaan die uit?
Een groot deel van de reportage betrof interviews met slachtoffers en verhuurbemiddelaars over individuele gevallen. Over de juistheid van de door hen aangedragen informatie kan ik niet oordelen. Ik beperkt mij daarom tot hetgeen over het verslag van de expertmeeting wordt gezegd. Hoewel niet feitelijk onjuist, is wel selectief uit het verslag geciteerd.
Kent u het in de reportage genoemde verslag van de Taskforce Aanpak Georganiseerde Hennepteelt van eind januari 2013? Zo ja, kunt u het voorzien van uw reactie aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Het in de Zemblarapportage genoemde verslag betreft een verslag van de expertmeeting van de Taskforce Aanpak Georganiseerde Hennepteelt. In het verslag wordt gedetailleerd ingegaan op speerpunten van de Taskforce voor de komende periode. Deze houden mede verband met de goedkeuring op afzienbare termijn van het onlangs door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel2 dat voorbereidingshandelingen gericht op hennepteelt strafbaar stelt. Het is niet in het belang van de aanpak van de cannabisteelt als bekend wordt welke acties er wanneer zijn te verwachten.
Klopt de in het bericht aangehaalde conclusie dat het klassieke doorrechercheren door de politie/justitie na het aantreffen van een kwekerij om op die manier de organisatie erachter aan te pakken in de praktijk niet of onvoldoende blijkt te werken? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, welke concrete resultaten heeft de taskforce behaald?
Uit de praktijk blijkt dat een integrale aanpak vaak effectiever is dan een puur strafrechtelijke aanpak. Door te bepalen welke overheidsorganisatie(s) het meest effectief het veiligheidsprobleem kan aanpakken, de criminele organisatie kan afbreken of barrières kan opwerpen, zijn we succesvoller. Binnen deze integrale aanpak kan doorrechercheren een heel nuttig instrument zijn. De Taskforce Aanpak Georganiseerde Hennepteelt levert sinds 2008 een ondersteunende bijdrage aan de aanpak van hennepteelt. Voorbeelden van die bijdragen zijn:
Zijn er capaciteitsproblemen bij politie en justitie bij de aanpak van georganiseerde wietteelt? Zo ja, waar bestaan die problemen uit en hoe worden ze opgelost? Zo nee, waar is het in het bericht gestelde dan op gebaseerd?
Er is geen sprake van capaciteitsproblemen bij politie en justitie, al is de capaciteit uiteraard niet onbeperkt. Het doel van de in antwoord op vraag 2 genoemde expertmeeting was om de beschikbare kennis en capaciteit van de politie zo slim mogelijk in te zetten.
De berichten ‘Gokbranche wil lagere belasting’ en ‘Het Nederlandse model voor gokken op internet komt eraan’ |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Gokbranche wil lagere belasting»1 en «Het Nederlandse model voor gokken op internet komt eraan»?2
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland zich niet afhankelijk moet opstellen richting grote online gokbedrijven die alleen willen toetreden tot de Nederlandse markt op hun eigen voorwaarden, zoals een fors lager kansspelbelastingtarief, die zelf jarenlang illegaal op de Nederlandse markt opereren?
Ja.
Wat vindt u van de uitspraken van Unibet dat de overheid geen «betuttelende» beperkingen aan gokbedrijven moet opleggen als het gaat om het tegengaan van gokverslaving?
Het voorkomen van kansspelverslaving is één van de belangrijkste pijlers van het kansspelbeleid. Nederlandse burgers die willen deelnemen aan kansspelen moeten dat op een veilige en verantwoorde manier kunnen doen. Dit vergt geen betutteling, maar een serieuze invulling van dit beleidsdoel. Daarom zullen gepaste voorwaarden worden gesteld aan aanbieders om kansspelverslaving te voorkomen.
Klopt het dat u een verlaagd tarief van 20 procent overweegt om daarmee aan de online gokbranche tegemoet te komen? Zo ja, waarom acht u twee aparte tarieven noodzakelijk en op basis van welke argumenten?
Een lager tarief voor legale kansspelen op afstand wordt inderdaad overwogen. Ervaring uit het buitenland laat zien dat een te hoog tarief tot het niet realiseren van de beleidsdoelstellingen leidt. Een te hoge lastendruk zorgt voor een beperkte kanalisatie, waardoor spelers de mogelijkheid hebben en in verleiding komen te spelen bij illegale aanbieders. Hierdoor valt een groot gedeelte van de Nederlandse spelers buiten het gereguleerde aanbod. Niet voor niets kennen verschillende lidstaten die kansspelen op afstand gereguleerd hebben een lager kansspelbelastingtarief voor kansspelen op afstand dan voor landbased kansspelen, zoals bijvoorbeeld België en Denemarken.
Hoe gaat u voorkomen dat partijen de Nederlandse kansspelbelasting kunnen ontduiken en illegaal blijven opereren vanuit kansspelbelastingparadijzen zoals Malta?
Door een goed gereguleerd stelsel te creëren, waarbinnen aanbieders een passend en attractief aanbod kunnen bieden, zodat de Nederlandse speler geen behoefte of verleiding heeft te spelen bij illegale partijen en waarbij deze illegale partijen door een krachtig handhavingsinstrumentarium zoveel mogelijk worden geweerd van de Nederlandse markt. In het wetsvoorstel Kansspelen op afstand, dat in mei in consultatie gaat, zullen deze instrumenten nader worden toegelicht.
Over islamitisch-extremistisch geweld tegen christenen in Nigeria |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de toename van islamitisch-extremistisch geweld tegen christenen in het noorden van Nigeria, wat geresulteerd heeft in tenminste 900 doden in de afgelopen twee jaar?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze ontwikkelingen? Welke trends zijn hier zichtbaar? Is hier sprake van een religieuze zuivering door moslim-fundamentalisten (Boko Haram e.a.)?
De ontwikkelingen in het midden en noorden van Nigeria zijn zorgelijk. Met het oog op de agenda van Boko Haram vormt eenieder die zich tegen een nauwe interpretatie van de islam keert (waaronder naast christenen ook gematigde islamitische kopstukken), alsmede overheids- en veiligheidsfunctionarissen, banken en gevangenissen een voornaam doelwit. Hoewel christenen dus zeker tot de doelen behoren, valt er een evenredig aantal islamitische slachtoffers.
Bent u voornemens om – zo mogelijk in internationaal verband – de overheid van Nigeria aan te spreken op de falende bescherming van haar burgers in met name het noorden en het midden van Nigeria en via welke kanalen denkt u dit te zullen doen?
Nederland blijft zeer bezorgd over de toename van het geweld in Nigeria en vraagt daar zowel bilateraal, in EU- als in VN-verband aandacht voor. Nederland zal, samen met de internationale gemeenschap, in de politieke dialoog met Nigeria blijven zoeken naar een gebalanceerde reactie en inzetten op een effectieve aanpak van i) de geweldstoename door de Nigeriaanse autoriteiten, ii) armoede en goed bestuur ter bevordering van de stabiliteit en iii) vrede en veiligheid in Nigeria.
Is het mogelijk om de antipiraterij-missie, waarbij Nederland is betrokken, als handvat te gebruiken om de overheid van Nigeria aan te spreken op de falende bescherming van haar burgers? Zo ja, wilt u zich hiervoor inzetten?
De antipiraterij-missies waarbij Nederland is betrokken richten zich op piraterijbestrijding voor de kust van Somalië. Nederland zal via de gebruikelijke multilaterale kanalen en vooral in de bilaterale relatie met Nigeria wijzen op de nationale verantwoordelijkheid van Nigeria ten aanzien van de bescherming van haar burgers.
Op welke wijze kan de Nigeriaanse overheid worden geholpen / gestimuleerd door de Nederlandse overheid en de internationale gemeenschap in het tegengaan van religieuze geweldsuitbarstingen tussen moslims en christenen? Wordt daaraan ook concreet gestalte gegeven?
Tijdens de laatste EU Nigeria Joint Way Forward Ministerial Meeting heeft de EU beloofd Nigeria’s inspanningen ten aanzien van stabilisering van het noorden te steunen. Binnen dat kader heeft de EU Coördinator Terrorismebestrijding recentelijk een bezoek gebracht aan Nigeria. Doel van dat bezoek was de lancering van een Instrument for Stability scoping mission en het in kaart brengen van de veiligheidsdreiging inclusief de reactie van de overheid daarop. Hieruit is een aantal aanbevelingen naar voren gekomen die onder andere betrekking hebben op goed bestuur, rule of law en counternarratives in de regio. Er zal in samenspraak met de Nigeriaanse autoriteiten worden bezien op welke wijze concreet gestalte kan worden gegeven aan deze aanbevelingen.
In hoeverre en op welke wijze spant de Organisatie voor Islamitische Samenwerking (OIC) zich in om een einde te maken aan het genoemde geweld in Nigeria, en met welke resultaten?
De OIC veroordeelt het religieuze geweld scherp.
Welke risicodreiging voor de veiligheid van Europa, en dus ook van Nederland, gaat er uit van de opkomst van de radicaal-islamitische organisatie Boko Haram in Nigeria en in de omliggende landen? Hoe wordt hierop gereageerd en met welke effecten?
De extremistische agenda van Boko Haram is primair gericht op de politieke situatie in Nigeria, en de geweldsdaden van de beweging hebben vooraleerst lokale doelwitten. De toename van ontvoeringen van westerlingen door Boko Haram of daaraan verwante groeperingen is een zorgelijke ontwikkeling. Daarnaast veroorzaken de gewelddadige acties van Boko Haram en daaraan gelieerde groeperingen een algemene verslechtering van de veiligheidssituatie in Nigeria. Het risico bestaat dat Europese en Nederlandse belangen in het gebied hierdoor worden getroffen. De Europese Unie voert een actieve dialoog met de Nigeriaanse autoriteiten over samenwerking en capaciteitsopbouw van de veiligheidssector. Daarnaast zetten verschillende landen zich bilateraal in om de effectiviteit van de Nigeriaanse beleids- en operationele reactie tegen extremistisch geweld structureel te versterken. Voor de korte termijn blijft de situatie echter zorgwekkend en ontraadt Nederland alle reizen naar de noordelijke deelstaten Borno, Yobe, alsook de deelstaat Kano.
Het bericht dat ook Nederlandse patiënten in het buitenland organen kopen en deze laten transplanteren |
|
Myrthe Hilkens (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de reportage «Op zoek naar een nier» over hoe orgaanhandelaren misbruik maken van patiënten die op zoek zijn naar een nieuwe nier waarbij ook Nederlandse patiënten zijn betrokken?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit een onwenselijke gang van zaken is waar zo snel mogelijk een einde aan moet worden gemaakt? Zo ja, op welke manier denkt u dat te kunnen doen? Zo nee, waarom niet?
Ja, illegale orgaantransplantaties zijn onwenselijk en zijn al bij wet verboden. Het om niet-principe en uitdrukkelijke, voorafgaande toestemming van de donor zijn in Nederland belangrijke uitgangspunten bij orgaandonatie. Onvrijwillige orgaandonatie is een vorm van mensenhandel die niet alleen in Nederland, maar ook in het buitenland strafbaar is grond van artikel 273f wetboek van strafrecht, mits dit delict ook strafbaar is in het betreffende land. Na implementatie van de EU-richtlijn mensenhandel (2011/36/EU) zal dit vereiste van dubbele strafbaarstelling komen te vervallen. Het wetsvoorstel ter implementatie van deze richtlijn (Kamerstukken I, vergaderjaar 2012–2013, 33 309 nr A) is op 2 april 2013 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. Het voorbereidend onderzoek door de Eerste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie vond plaats op 14 mei 2013.
Om te voorkomen dat mensen hun toevlucht zoeken tot een illegale transplantatie in het buitenland wordt op de website van de Nederlandse Transplantatie Stichting gewezen op de gevaren en het mogelijke illegale karakter van een transplantatie in het buitenland. Deze website wordt mogelijk gemaakt met subsidie van het ministerie van VWS. Daarnaast zet ik vol in op het vergroten van het aantal transplantaties in Nederland. Ik heb u daarover geïnformeerd in mijn brief van 21 december 2011 (GMT/IB 3095531). Ook groeit in Nederland de bereidheid om bij leven een orgaan af te staan. Om te voorkomen dat mensen financieel nadeel ondervinden van deze daad van medemenselijkheid, is er de subsidieregeling Donatie bij leven. Op basis van deze regeling vindt vergoeding plaats van kosten die een rechtstreeks gevolg zijn van de verwijdering van een orgaan.
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over aanwijzingen dat er ook Nederlandse patiënten in het buitenland organen kopen en laten transplanteren?2 Zo ja, op welke termijn kan het voorstel van de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS), zoals is aangekondigd in uw antwoord, worden verwacht?
Ja. Het voorstel van de NTS heb ik op 3 december 2012 ontvangen. De NTS stelt voor om hierover periodiek te rapporteren op basis van de Nederlandse resultaten van het grote Europese onderzoek onder leiding van het Erasmus Medisch Centrum dat onlangs is gestart. Daarnaast zal de NTS samen met de Stichting Eurotransplant nader onderzoeken waarom patiënten zonder duidelijke reden van de wachtlijst verdwijnen.
Wat is uw reactie op de uitspraak van een arts in de reportage «Op zoek naar een nier» dat hij van een aantal van zijn patiënten vermoedt dat ze illegaal aan een nieuwe nier zijn gekomen, in het licht van uw antwoord op bovengenoemde eerdere vragen dat in Nederland een concreet geval bekend is uit 2007 van een patiënt die naar Pakistan is gereisd om zich daar te laten transplanteren?
Ik heb geantwoord dat mij één concreet geval bekend is. Dat betrof een patiënt die op tv vertelde over de niertransplantatie die in Pakistan had plaatsgevonden. De arts in de reportage spreekt vermoedens uit die nu in het Europese onderzoek nader worden onderzocht. Ik verwacht dat ik op basis van de hierboven genoemde rapportage van de NTS en het gezamenlijke onderzoek van NTS en Eurotransplant meer inzicht krijg in de omvang van het probleem.
De gevolgde procedure inzake herbenoeming van de burgemeester van Assen |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de mededeling van de Commissaris van de Koningin in de provincie Drenthe over de wijze waarop de gemeenteraad van Assen tot besluitvorming over de aanbeveling tot herbenoeming van de burgemeester is gekomen?1
Ja.
Hoe verhoudt de gevolgde procedure zich tot de voorgeschreven procedure bij herbenoeming zoals vermeld in uw circulaire benoeming, functioneringsgesprekken en herbenoeming burgemeesters?2
De gevolgde procedure is niet in overeenstemming met de circulaire. Daarin staat dat de stemming hoofdelijk dient te geschieden, terwijl er met stembriefjes (en dus geheim) is gestemd.
Hoe valt het verschil in stemprocedures met elkaar te rijmen nu in genoemde circulaire wordt voorgeschreven dat er hoofdelijke stemming over de aanbeveling tot herbenoeming moet plaatsvinden, terwijl de Commissaris meldt dat er schriftelijk en geheim is gestemd?
In de circulaire, die om de paar jaar wordt herzien, is voor het eerst aan dit aspect van de procedure aandacht besteed. Uit verschillende signalen blijkt dat de circulaire op dit punt aanleiding geeft tot vragen, nu in de praktijk kennelijk op uiteenlopende wijzen wordt gestemd. Voor zover men met stembriefjes (en dus geheim) stemt, voelt men zich daarbij gesteund door de tekst van artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet. Daarin is bepaald dat de stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geheim is.
Behoort de gemeenteraad bij een eventuele stemming over aanbevelingen voor benoeming, herbenoeming en voor ontslag, hoofdelijk dan wel schriftelijk te stemmen? Hoe verhoudt zich dat tot de voorgeschreven stemmingswijzen in artikel 31 en artikel 32 van de Gemeentewet?
Naar mijn interpretatie behoort de stemming bij dergelijke aanbevelingen hoofdelijk te geschieden. Artikel 31 ziet op stemmingen voor niet-politieke functies. Stemmingen over aanbevelingen inzake de burgemeester of over de benoeming van wethouders vallen naar mijn mening niet onder artikel 31. Ik baseer mij daarbij onder meer op de overweging dat het bij dergelijke stemmingen niet zo kan zijn dat bij het staken van de stemmen artikel 31, derde lid, van toepassing is dat bepaalt dat in dat geval uiteindelijk, dat wil zeggen na herstemming in dezelfde vergadering, het lot beslist. Ik meen dat, nu in de artikelen over de totstandkoming van aanbevelingen inzake de burgemeester (artikelen 61 e.v.) respectievelijk het artikel over de benoeming van wethouders (artikel3 geen specifieke bepalingen over de stemming zijn opgenomen, de hoofdregel inzake stemmingen van artikel 32 van toepassing is. Dat artikel bepaalt in het eerste lid dat hoofdelijk wordt gestemd. Het vijfde lid van dat artikel bepaalt dat ingeval de stemmen staken, tenzij de vergadering voltallig is, in een volgende vergadering opnieuw wordt gestemd en indien de stemmen dan opnieuw staken het voorstel niet is aangenomen. Ik kan mij echter voorstellen dat dit in de praktijk, gelet op de letterlijke tekst van artikel 31, tot vragen leidt. Uit het juridisch advies dat is ingewonnen bij prof. mr. D.J. Elzinga, hoogleraar staatsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, is gebleken dat het naar zijn mening geen kwestie is van de toepasselijkheid van artikel 31 of artikel 32, maar dat de gemeenteraad de vrijheid heeft om tussen beide artikelen te kiezen. Nu een zo grote verscheidenheid van opvattingen blijkt te bestaan, meen ik dat de wetgever op dit punt duidelijkheid moet verschaffen. Ik ben daarom voornemens een wijziging van de Gemeentewet te bevorderen, waarin de hiervoor door mij bepleite lijn wordt vastgelegd. Tot die tijd zal ik de gemeenteraden vragen alvast dienovereenkomstig te handelen. Indien een gemeenteraad niettemin kiest voor een geheime stemming, acht ik dat overkomelijk.
Bent u voornemens om met aangescherpte regelgeving of aanvullend beleid te komen, opdat de herbenoemingsprocedure zo zorgvuldig mogelijk gevolgd wordt?
Ik heb een wetsvoorstel tot wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Waterschapswet (institutionele bepalingen) voorbereid, welke zoals toegezegd nog voor het zomerreces bij de Tweede Kamer zal worden ingediend. Dat wetsvoorstel bevat ook enkele maatregelen ter verbetering van de procedure tot herbenoeming.
Op welke wijze wilt u de kwaliteit van de herbenoemingsprocedure verder versterken?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat onderzoeken naar de gevaren van bestrijdingsmiddelen voor bijen in Nederland niet openbaar gemaakt worden |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Geheime» studies van chemiereus Bayer tonen schadelijkheid insecticide voor bijen aan»?1
Zie mijn brief van 14 mei 2013 aan uw Kamer over bijen en neonicotinoïden.
Sinds wanneer zijn de resultaten van deze studies bij het ministerie bekend? Welke acties zijn daarop ondernomen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom zijn deze studies in Engeland wel openbaar, maar weigert het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) twee van de drie studies openbaar te maken, zelfs nu die vrij toegankelijk zijn?
Deze zaak is onder de rechter en die heeft het Ctgb verboden om tot openbaarmaking over te gaan voordat er in de bodemprocedure uitspraak is gedaan. Ik verwijs verder naar mijn brief aan uw Kamer van 14 mei 2013 terzake.
Hoe beoordeelt u de afweging van het Ctgb om de studies niet openbaar te maken omdat deze geen gegevens zouden bevatten over subletale effecten, terwijl in de studies wel degelijk significante subletale effecten worden aangetoond?
De studies die in Engeland zijn vrijgegeven waren niet bedoeld om de subletale effecten te beoordelen, maar bedoeld voor de acute effecten. In het registratiedossier imidacloprid zijn studies opgenomen waarin veel specifieker naar subletale effecten is gekeken en die veel kritischer zijn voor de risicobeoordeling dan de studies die zich richten op de acute toxiciteit. Daarom heeft het Ctgb na afweging van de betrokken belangen ervoor gekozen de studies die specifiek zien op subletale effecten openbaar te maken. Het is nu aan de rechter om te beoordelen of het Ctgb de betrokken belangen goed heeft afgewogen. Zie verder mijn brief van 14 mei 2013 aan uw Kamer.
Deelt u de mening dat hieruit blijkt dat het publieke belang gediend is met de openbaarheid van deze en vergelijkbare studies en dat dit aanleiding is om de richtlijnen voor openbaarmaking bij het Ctgb aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze vragen voor het debat over bijen en gewasbeschermingsmiddelen op 23 april om 15.30 uur te beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt, omdat afstemmen met het Ctgb nodig was.
De vragen worden beantwoord voor het AO Bijensterfte op donderdag 16 mei aanstaande.
Het onderzoek van de Dienst Uitvoering Onderwijs naar de kwaliteit van de Harvard Universiteit |
|
Pieter Duisenberg (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de brief die aan u is gericht, geschreven door een Nederlandse student, betreffende de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) die eerst een onderzoek laat uitvoeren naar de kwaliteit van de Harvard Universiteit, alvorens een studielening toe te kennen?
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat dit onderzoek naar de kwaliteit van Harvard acht tot twaalf weken kan duren en dat dit voor de student te lang is gezien de deadline van Harvard?
Het onderzoek naar de kwaliteit van de buitenlandse opleiding kan maximaal acht weken duren. Dat is de uiterste termijn die DUO heeft afgesproken met de Nuffic, die DUO adviseert bij de waardering van buiten landse opleidingen. Daarna is nog maximaal vier weken nodig om de gegevens verder te verwerken binnen DUO. De advisering van buitenlandse opleidingen voor het collegejaar 2012–2013 heeft tot nu toe gemiddeld 14,64 werkdagen geduurd. Dat is aanzienlijk korter dan de acht weken dat een advies maximaal mag duren.
Desondanks vind ik het verstandig dat DUO de maximale termijn van acht weken aan de student meldt. Dat de advisering in de praktijk in verreweg de meeste gevallen sneller verloopt is uiteraard prettig, maar, om teleurstelling te voorkomen, is het niet wenselijk dat als norm te stellen.
Om de aanvraag ná het advies van de Nuffic vervolgens binnen DUO verder af te handelen was voor het collegejaar 2012/2013 tot nu toe gemiddeld 9,45 werkdagen nodig. Ook dat ligt ruim onder de vier weken die daar maximaal voor staan.
Dit maakt de volledige doorlooptijd gemiddeld 24,09 werkdagen. Dat is minder dan vijf weken.
Deelt u de mening dat de acht tot twaalf weken die DUO nodig heeft om de kwaliteit van Harvard te beoordelen, alvorens over te gaan op het toekennen van een studielening, erg lang is?
De kwaliteitsbeoordeling van buitenlandse opleidingen is een lastig en intensief proces. Niet slechts de kwaliteit, maar ook het niveau van de buitenlandse opleiding moet worden getoetst en vergeleken met een Nederlandse opleiding. Bij de kwaliteitsbeoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de nationale accreditatie in het betreffende land. Vervolgens moet, om daadwerkelijk in aanmerking te komen voor studiefinanciering, het eindniveau van de buitenlandse opleiding vergelijkbaar zijn met een Nederlandse opleiding waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat. In veel gevallen leidt dit tot dubbele toetsing: een toetsing vooraf voor het bepalen van de aanspraak op studiefinanciering en een toetsing achteraf om aan de hand van het uiteindelijk behaalde diploma te bepalen of er recht bestaat op omzetting van de prestatiebeurs in een gift. Lastig om te toetsen blijft het exacte niveau van de opleiding: Nederland kent een binair onderwijssysteem, maar dit geldt lang niet voor alle landen ter wereld. In de landen die een dergelijk systeem niet kennen is het moeilijker te bepalen of een opleiding moet worden gekwalificeerd als een opleiding middelbaar beroepsonderwijs, een opleiding hoger beroepsonderwijs of een opleiding wetenschappelijk onderwijs.
In sommige gevallen wordt studiefinanciering aangevraagd voor studies die lastig te vergelijken zijn met het Nederlandse onderwijssysteem. De Nuffic heeft dan meer tijd nodig om de studie te beoordelen. Daarnaast zijn er piekmomenten waarin er veel aanvragen tegelijk binnenkomen. Ook dat zorgt voor een langere verwerkingstijd. Daarbij wordt een maximum van 12 weken (acht weken Nuffic en vier weken DUO) aangehouden. Maar in de praktijk betreft dit aantal weken een uitzondering.
Studenten die in Nederland gaan studeren wordt overigens ook aangeraden de aanvraag om studiefinanciering drie maanden van te voren in te dienen. Dat is dezelfde termijn als voor een aanvraag om meeneembare studiefinanciering.
Deelt u de mening dat Harvard een universiteit is met een excellente staat van dienst en dat studeren aan deze universiteit een buitengewone kans is voor een student?
Uiteraard is algemeen bekend dat de Harvard Universiteit een excellente universiteit is. De waardering van buitenlandse studies gaat echter niet slechts over de kwaliteit van de onderwijsinstelling. In het kader van de studiefinanciering beoordeelt DUO op grond van het advies van de Nuffic of een opleiding in het buitenland vergelijkbaar is met een Nederlandse opleiding waarvoor studiefinanciering wordt verstrekt. Het niveau en de kwaliteit van de opleiding moet dus vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en het afsluitend examen voor de opleiding moet vergelijkbaar zijn met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW.
Deelt u de mening dat een onderzoek naar de kwaliteit van Harvard in feite niet langer hoeft te duren dan enkele dagen?
In de praktijk is gebleken dat het onderzoek ook niet meer dan enkele dagen in beslag heeft genomen. Dat is bij het overgrote deel van de aanvragen het geval. De genoemde termijnen zijn de maximum termijnen, het gaat daarbij niet om de gemiddelde verwerkingsduur.
Deelt u de mening dat het te betreuren zou zijn als een lange onderzoeksprocedure bij DUO een studie aan een buitenlandse instelling als Harvard in de weg zou staan?
DUO adviseert zowel studenten die in Nederland gaan studeren als studenten die een buitenlandse opleiding willen volgen om drie maanden voor aanvang van de opleiding de financiering aan te vragen. Als een student later aanvraagt kan het zijn dat later uitsluitsel valt te geven. Voor zover dit bij DUO bekend is hebben zich in de praktijk (sinds de invoering van de meeneembare studiefinanciering in september 2007) nog geen voorbeelden voorgedaan waarbij een student niet aan een opleiding in het buitenland heeft kunnen beginnen omdat de uitslag van het onderzoek te lang op zich heeft laten wachten.
Bent u bereid om DUO aan te sporen studenten met ambitie, zoals in dit specifieke geval, te faciliteren zodat zij hun droom kunnen verwezenlijken?
Ik vind het belangrijk dat studenten hun droom kunnen verwezenlijken. Ik denk dat de procedure die is ingericht om te beoordelen of buitenlandse opleidingen van voldoende niveau en kwaliteit zijn afdoende is en tevens voldoende zekerheid aan studenten biedt.
Het liberaliseren van huurwoningen uit het gereguleerde segment |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de samenstelling (naar bouwjaar, woningtype en levensloopbestendigheid) is van de voorraad van één miljoen huurwoningen uit het gereguleerde segment, waarvan u in uw brief van 11 april 20131 stelt dat ze «.. van zodanig hoge kwaliteit zijn dat ze in beginsel geliberaliseerd kunnen worden.»?
De ruim 1 mln. gereguleerde huurwoningen die, gelet op het aantal huurpunten, in principe geliberaliseerd kunnen worden, bestaan voor 72% uit eengezinswoningen en voor 28% uit meergezinswoningen. Het betreft vooral huurwoningen gebouwd na 1979 (zie tabel). Het aantal nultreden-woningen bedraagt ca. 23% van de in principe te liberaliseren huurwoningen.
%
voor 1945
6%
1945–1959
9%
1960–1969
13%
1970–1979
19%
1980–1989
14%
1990–
11%
72%
voor 1945
3%
1945–1959
2%
1960–1969
3%
1970–1979
4%
1980–1989
5%
1990–
12%
28%
totaal
100%
Wat is uw definitie van «zodanig hoge kwaliteit dat ze in beginsel geliberaliseerd kunnen worden»?
Het gaat om woningen waarvan het puntenaantal op grond van het woningwaarderingstelsel zodanig hoog is dat de woning bij een nieuwe verhuring met een huurprijs boven de geldende liberalisatiegrens, en dus geliberaliseerd, verhuurd kan worden. Voor de berekening van het in de brief genoemde aantal is uitgegaan van huurwoningen met meer dan 142 punten en een feitelijke huur onder de liberalisatiegrens.
Indien blijkt dat (vrijwel) alle nieuwe sociale huurwoningen groter dan een studentenappartementje, (vrijwel) alle eengezinswoningen en een groot deel van de levensloopbestendige huurwoningen uit het gereguleerde segment onder uw definitie van «zodanig hoge kwaliteit «vallen, waar moeten na het (in beginsel) liberaliseren van die 1 miljoen huurwoningen straks (grote) gezinnen met kinderen en mensen met een zorgbehoefte wonen (als ze een inkomen hebben onder € 33.000), wat vindt u een redelijke wachttijd op een passende woning voor deze categorieën huurders en bent u bereid deze wachttijd te monitoren?
De ruim 1 mln. in beginsel te liberaliseren huurwoningen bestaan voor 72% uit eengezinswoningen en voor 23% uit nultreden-woningen. Dat wil niet zeggen dat alle eengezinswoningen of alle nultreden-woningen in dit segment vallen. Ook is niet gezegd dat alle woningen die in beginsel geliberaliseerd verhuurd kunnen worden ook geliberaliseerd verhuurd moeten worden. Het is aan de corporatie om hierin gerichte keuzes te maken, ook met het oog op de lokale en/of regionale woningvraag. Het is gebruikelijk dat gemeenten afspraken met corporaties maken over de te hanteren «kernvoorraad». Ik hanteer geen criteria voor wachttijden. Huurwoningen van corporaties worden over het algemeen via het zogenoemde aanbodmodel verhuurd, waarbij huurders reageren op vrijgekomen woningen. Er is daarbij geen sprake van wachtlijsten noch wachttijden.
Moeten uit uw brief van 11 april 2013 geconcludeerd worden dat nieuwbouwwoningen in de sociale huursector (anders dan studentenappartementen) een anachronisme of zelfs overbodig zijn, omdat deze woningen van zodanig hoge kwaliteit zijn dat ze in beginsel geliberaliseerd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw beschavingsnorm – qua vloeroppervlak en woningtype – voor een gezin met twee, respectievelijk drie of vier kinderen die afhankelijk zijn van een huurwoning in het gereguleerde segment?
De Nederlandse wetgeving kent maar één norm ten aanzien van het vloeroppervlakte en omvang van het huishouden: in het Bouwbesluit 2012 is aangegeven dat een woning door niet meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte mag worden bewoond. Het is aan huishoudens zelf om te kiezen voor het woningtype dat zij willen. Huishoudens met één of meer personen met een handicap kunnen bij woningcorporaties voorrang krijgen voor aangepaste woningen.
Wat is uw beschavingsnorm – qua vloeroppervlak, woningtype en ontsluiting – voor een huishouden met één of meer personen met een handicap?
Zie antwoord vraag 5.
Als het bij nader inzien toch niet zo’n goed idee is om die miljoen huurwoningen te liberaliseren, wat is op grond van het recente woningmarktonderzoek Woon2012, per woningmarktregio, de noodzakelijke «ijzeren voorraad» aan eengezinswoningen en levensloopbestendige woningen om te voorzien in de behoefte van de doelgroep? Indien u nog niet beschikt over deze gegevens, bent u bereid om hier nader onderzoek naar te laten doen en de Kamer hierover vóór de behandeling van de begroting van het ministerie van Wonen en Rijksdienst 2014 te informeren?
Voorop staat dat gezinshuishoudens in de gereguleerde sector zelf mogen kiezen of zij in een eengezinswoning of een meergezinswoning willen wonen. Maar gesteld dat alle gezinnen met kinderen die tot de doelgroep behoren in een eengezinshuurwoning zouden willen wonen dan blijkt uit het WoON2012 dat er op dit moment voldoende eengezinshuurwoningen met 142 of minder huurpunten in de voorraad aanwezig zijn, om het huidige aantal gezinnen met 2 of meer kinderen die tot de doelgroep behoren en in een huurwoning wonen, te huisvesten. Er zijn 200.000 gezinnen die tot deze groep behoren en er zijn 400.000 eengezinswoningen met 142 punten of minder beschikbaar. Hetzelfde geldt voor personen met een handicap die tot de doelgroep horen. Er zijn op dit moment meer levensloopbestendige2 woningen met 142 punten of minder dan huishoudens die behoren tot de doelgroep en op dit moment huren en waarbij minimaal een van de partners een ernstige beperking heeft. Dit geldt voor elk woningmarktgebied. Op landelijk niveau is er op dit moment een overschot van bijna 400.000 levensloopbestendige woningen.
Het bericht van de Franse regering om er binnen de EU voor te ijveren dat country-by-country reporting verplicht wordt gesteld voor alle bedrijven |
|
Jesse Klaver (GL), Arnold Merkies |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van de Franse regering om er binnen de Europese Unie (EU) voor te ijveren dat «country-by-country reporting» verplicht wordt gesteld voor alle bedrijven (voor zover ze grensoverschrijdend actief zijn)?1
Steunt u het Franse voorstel om «country-by-country reporting» verplicht te stellen voor alle (internationaal opererende) bedrijven in het licht van de motie-Merkies/Klaver 2?
Zijn u andere landen bekend die zich binnen de EU actief willen inzetten voor het verplicht stellen van «country-by-country reporting» voor alle (internationaal opererende) bedrijven? Zo ja, welke?
Gaat u het voorstel actief uitdragen in de EU om er meer steun voor te krijgen, onder meer van de Europese Commissie?
Gaat u in het licht van de motie Klaver3 het voorstel opnemen in het actieplan tegen Nederland belastingparadijs?
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het debat over de Europese Top van 22 mei 2013?
Het categorisch weigeren van mediacontacten van personen werkzaam in het gevangeniswezen |
|
Nine Kooiman |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp, waarin u de Kamer laat weten dat contacten met regionale media worden toegestaan en dat voor contacten met de landelijke pers is afgesproken dat hierover eerst moest worden afgestemd met de Directie Voorlichting van het ministerie van Veiligheid en Justitie?1
Ja.
Hoeveel verzoeken om dergelijke contacten met landelijke media zijn inmiddels voorgelegd aan de Directie Voorlichting van het ministerie van Veiligheid en Justitie? Hoeveel daarvan zijn afgewezen en hoeveel zijn er toegewezen?
Dagelijks verzoeken diverse media om contact in enige vorm met de Dienst Justitiële Inrichtingen. Als het om verzoeken van landelijke media gaat, is de afspraak dat hierover eerst moet worden afgestemd met de directie Voorlichting van het ministerie. De directie Voorlichting beoordeelt de verzoeken inhoudelijk alvorens een besluit te nemen over toekenning c.q. afwijzing. Sinds de beantwoording van de vorige Kamervragen zijn in totaal twaalf verzoeken voorgelegd aan de Directie Voorlichting van het Ministerie. Deze zijn alle gehonoreerd. Zie voorts het antwoord op vraag 4.
Is het waar dat contacten tussen personen die werkzaam zijn in het gevangeniswezen met landelijke pers categorisch worden afgewezen? Zo ja, op basis waarvan? Waar bent u bang voor?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat landelijke media bijvoorbeeld interesse hebben in het volgen van een of meer inrichtingswerkers op de dag van het rondetafelgesprek over de bezuinigingsplannen in de Tweede Kamer? Wat is hier op tegen?
Wanneer het parlement een hoorzitting organiseert om in de behoefte aan informatie te voorzien, dan vind ik het passend om terughoudendheid te betrachten bij contacten met de pers voorafgaand aan die hoorzitting. Zoals aan zowel de pers als aan de PI-medewerkers is meegedeeld, is na afloop van de hoorzitting wel gelegenheid voor contacten met de pers.
Bent u eveneens bekend met het feit dat als een van de argumenten om dergelijke verzoeken om mediacontacten af te wijzen genoemd wordt «respect voor de Tweede Kamer»? Kunt u dit toelichten? Bent u bereid in ieder geval dit non-argument niet meer te gebruiken?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 17 april om 18:00 uur te beantwoorden?
Ja.
De opvangomstandigheden voor asielzoekers in Polen |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Migration Is Not a Crime. Report on the Monitoring of Guarded Centres for Foreigners» over de opvangomstandigheden voor asielzoekers in Polen?1 Wat is uw oordeel daarover?
Ja, ik heb kennisgenomen van het rapport. In Polen zijn er open en gesloten opvangcentra voor vreemdelingen. De meeste asielzoekers verblijven tijdens de behandeling van hun procedure in open centra. De bevoegdheid om een vreemdeling onder te brengen in een gesloten centrum is toegekend aan de rechtbank. In reactie op protesten van vreemdelingen tegen de verblijfsomstandigheden in de gesloten centra, heeft de Poolse minister van Binnenlandse Zaken het initiatief genomen om de centra te laten inspecteren door zowel vertegenwoordigers van het ministerie van Binnenlandse Zaken als door vertegenwoordigers van ngo’s (o.a. het Helsinki Comité voor mensenrechten). In november 2012 hebben de inspecties plaatsgehad. Het in uw vraag aangehaalde rapport is het verslag opgesteld door de ngo’s. In het rapport worden in het bijzonder het regime, de penitentiaire uitstraling en de communicatie over onder meer de toegang tot rechtsmiddelen bekritiseerd. Daarnaast zijn de ngo’s van mening dat kinderen en getraumatiseerde vreemdelingen niet in de gesloten centra moeten worden ondergebracht.
In reactie op de kritieken en aanbevelingen heeft de Poolse regering een aantal maatregelen aangekondigd. Deze staan vermeld op de website van het Poolse ministerie van Binnenlandse Zaken (http://www.msw.gov.pl/portal/en/827/information of the Ministry of Interior following inspections in Guarded Centres.html). Om de uitstraling van een gevangenis weg te nemen worden tralies verwijderd en krijgen vreemdelingen binnen het gebouw volledige bewegingsvrijheid. Voor families met kinderen worden specifieke asielprocedures ingericht om het verblijf in de centra zo kort mogelijk te laten duren. Daarbij worden kinderen ondergebracht in de twee centra die zijn afgestemd op hun verblijf. De in de gesloten centra werkende grenspolitieambtenaren worden geschoold in interculturele competenties en talen om het communiceren met de asielzoekers, en het opvangen van signalen, te vergemakkelijken
Het is niet aan mij om een appreciatie te geven van het Poolse stelsel. Dat is aan de Poolse autoriteiten. Voor zover deze materie raakt aan de EU-wet- en regelgeving, is het de taak van de Europese Commissie om over correcte toepassing van het EU-recht te waken. De Commissie kijkt of het EU-recht wordt nageleefd en kan zonodig een EU-lidstaat verzoeken maatregelen te nemen als deze in gebreke blijft.
Heeft u andere signalen dat asielzoekers die in Polen bescherming vragen geconfronteerd worden met een ontoegankelijke aanvraagprocedure en gebrekkige opvangomstandigheden? Zo ja, welke? Zijn er ook signalen van misstanden zoals het standaard detineren en soms zelfs aanranden van asielzoekers?
In de afgelopen jaren zijn er enkele ngo-rapporten gepubliceerd over onder andere de detentiecentra en medische zorg. Hoewel deze rapporten kritisch zijn, kan uit deze rapporten niet worden opgemaakt dat asielzoekers in Polen structureel toegang tot de asielprocedure, opvang of medische zorg wordt onthouden. Dit geldt ook voor het in vraag 1 bedoelde rapport. Overigens staat in dit rapport dat er door de ngo’s geen bewijs is gevonden van het overtreden van de wet door de grenspolitie noch dat er incidenten zouden zijn voorgevallen waarbij vreemdelingen tijdens hun verblijf in gesloten centra werden geslagen of lastiggevallen.
In hoeverre speelt bij de beoordeling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) of een Dublin-claim wordt gelegd en of een asielzoeker moet worden overgedragen aan Polen, een rol dat de omstandigheden en voorzieningen voor asielzoekers daar mogelijk benedengemiddeld zijn? In hoeverre worden verklaringen van de asielzoeker over eerdere negatieve ervaringen in Polen meegewogen?
Kort gezegd, mag een overdracht naar een lidstaat niet plaatsvinden indien de vreemdeling in die lidstaat onmenselijk of vernederend wordt behandeld in de zin van artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de EU. Voorafgaande aan de overdracht van een asielzoeker wordt door de IND, en indien beroep is ingesteld door de rechtbank, getoetst of de overdracht niet in strijd is met deze bepalingen. De verklaringen van de betrokken vreemdeling en de rapporten van ngo’s worden hierbij betrokken. Voor de duidelijkheid merk ik wel op dat een niet-naleving van een afzonderlijke bepaling uit (bijvoorbeeld) de EU-Opvangrichtlijn niet per definitie betekent dat de asielzoeker in die lidstaat daarmee ook onmenselijk of vernederend wordt behandeld in de zin van artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest. Daarbij geldt dat indien de vreemdeling van mening is dat een lidstaat bijvoorbeeld de bepalingen uit de Opvangrichtlijn niet ten volle naleeft, dit in beginsel door hem moet worden opgebracht in de desbetreffende lidstaat.
Bent u bereid met uw Poolse collega hierover, bijvoorbeeld tijdens de JBZ-raad, in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zult u met uw collega bespreken? Kunt u de Kamer over de uitkomsten van dat gesprek informeren?
Gelet op de omstandigheid dat door de Poolse regering in reactie op de kritieken al enkele maatregelen zijn aangekondigd en het de bevoegdheid van de Europese Commissie is om te beoordelen of een stelsel in strijd is met het EU-recht, zie ik thans onvoldoende aanleiding om mijn Poolse collega hierover in de JBZ-Raad aan te spreken. Uiteraard ben ik wel bereid om mijn Poolse collega en marge van de Raad te vragen naar relevante ontwikkelingen. Daarnaast merk ik op dat Polen, net als de andere EU-lidstaten, aanvullende maatregelen zal moeten treffen om te voldoen aan de normen van de herschikte Opvangrichtlijn en Asielprocedurerichtlijn, die naar verwachting medio 2013 door de beide EU-wetgevers zullen worden aangenomen. In dat kader worden, onder voorzitterschap van de Europese Commissie, contactgroepen ingericht waar lidstaten met elkaar van gedachten kunnen wisselen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de nieuwe normen.
De kinderopvangtoeslag |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat door uw brief van 11 december 2012 ook kinderopvangtoeslag wordt toegestaan voor ouders die enkel van de peuterspeelzaal gebruik maken, waarbij als enig criterium het aantal uren van de minst werkende partner geldt?1
Nee, dat klopt niet.
Heeft u de Belastingdienst een aanwijzing gegeven, met het oog op de rechtszekerheid van ouders en het voorkomen van juridische procedures?
In mijn brief met de cijfers over het derde kwartaal (kamerstukken II, 2011/12, 31 322 nr. 198) heb ik uitgelegd op welke wijze toepassing wordt gegeven aan de wet. Deze uitleg is de basis voor de uitvoeringspraktijk van de Belastingdienst.
Hoe is het juridisch te verdedigen dat ouders die gebruik maken van peuterspeelzalen recht krijgen op kinderopvangtoeslag, terwijl de Wet kinderopvang peuterspeelzaalwerk nog steeds uitsluit van kinderopvangtoeslag?2
De stelling in de vraag is onjuist. Opvang in peuterspeelzalen geeft geen recht op kinderopvangtoeslag.
Kunt u ingaan op de uitspraak van de rechtbank Middelburg inzake deze kwestie?3 In hoeverre en op welke gronden kan gezien de wettelijke regeling volstaan worden met het buiten toepassing verklaren van een passage uit een oorspronkelijke memorie van toelichting?
In de uitspraak van de rechtbank Middelburg is geoordeeld dat opvang van peuters voor een klein aantal uren per dag moet worden gezien als peuterspeelzaalwerk en dat er voor deze opvang derhalve geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat (Rechtbank Middelburg, AWB nr. 11/883). Uit de wetsgeschiedenis van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Kamerstukken II, 2001–2002, nr. 28 447, nr. 3, blz.4 volgt dat opvang van peuters voor een beperkt aantal uren geen mogelijkheid geeft tot het combineren van arbeid en zorg. Door de rechter werd op basis hiervan geoordeeld dat er sprake is van opvang in een peuterspeelzaal. De instelling staat wel geregistreerd als kinderdagverblijf in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP). Opvang in peuterspeelzalen is uitgesloten van kinderopvangtoeslag.
Sinds 2012 bestaat de koppeling aan het aantal gewerkte uren van de minst werkende partner. De koppeling aan gewerkte uren zorgt ervoor dat ouders alleen recht op kinderopvangtoeslag hebben als de uren van de opvang bedoeld zijn voor de combinatie van arbeid en zorg. Dit heeft de doelmatigheid van de kinderopvangtoeslag verhoogd. Het hanteren van twee verschillende urencriteria voor het recht op toeslag is onwenselijk. De koppeling aan gewerkte uren zorgt voor een verbetering van de doelmatigheid van de kinderopvangtoeslag. Dit leidt ertoe dat de koppeling aan gewerkte uren van de minst werkende ouder voortaan leidend is bij het recht op toeslag bij opvang van peuters in een geregistreerd kinderdagverblijf/bij een gastouder. De passage uit de memorie van toelichting is daarom vanaf december 2012 niet meer relevant voor het recht op kinderopvangtoeslag.
Hoe is deze handelwijze in overeenstemming te brengen met de bedoeling van het wetsvoorstel tot harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzalen (Wet OKE), waarin uitdrukkelijk gevolgen zijn verbonden aan het onderscheid tussen peuterspeelzaalwerk en kindervang?
Het onderscheid tussen kinderopvang en peuterspeelzalen is niet gewijzigd. De wijziging betreft het eerder invoeren van een ander urencriterium voor het recht op kinderopvangtoeslag.
Waarom wordt de kennelijke bedoeling van de wet zonder wetswijziging gewijzigd reeds voordat de evaluatie van de wet beschikbaar is? Wanneer kan de Kamer deze evaluatie tegemoet zien?
De bedoeling van de wet is niet gewijzigd. Zie ook het antwoord op vraag 4. De evaluatie van de Wet OKE zal rond de zomer in 2014 aan de Kamer worden gezonden.
Onderschrijft u nog steeds het uitgangspunt dat de kinderopvangtoeslag gericht is op het stimuleren van de arbeidsparticipatie van beide partners? Hoe is de openstelling van de kinderopvangtoeslag voor peuterspeelzalen hiermee te verenigen, mede gezien het feit dat de toelichting bij de Wet OKE erkent dat het gebruik van het reguliere peuterspeelzaalwerk door ouders vanwege de beperkte omvang niet is ingegeven door arbeidsparticipatie?
Ja, het uitgangspunt dat de kinderopvangtoeslag gericht is op het stimuleren van arbeidsparticipatie is niet gewijzigd.
Dit is onjuist. Opvang in peuterspeelzalen geeft geen recht op kinderopvangtoeslag.
Kunt u aangeven welke onderzoeken erop wijzen dat het toekennen van kinderopvangtoeslag voor de partner die minder dan 12 uren betaald werkt doelmatig is, mede in het licht van de sterk ontwikkelde deeltijdcultuur in Nederland? Bent u bereid te overwegen om kinderopvangtoeslag enkel toe te kennen voor partners die beide minimaal 12 uren betaald werken, waardoor tevens afbakeningsproblemen met de peuterspeelzalen kunnen worden vermeden?
Er is eerder onderzoek gedaan, bijvoorbeeld door het CPB, naar de relatie tussen de kinderopvang en arbeidsparticipatie. Hierbij is gekeken naar het effect van de kinderopvangtoeslag op zowel het aantal gewerkte personen als het aantal gewerkte uren. Naar het specifieke effect van de toeslag op partners die minder dan 12 uur werken is daarbij niet gekeken.
Ik zie geen aanleiding om de toegankelijkheid van kinderopvang aan te passen.
Kunt u aangeven welke extra uitgaven aan kinderopvangtoeslag gemoeid zullen zijn met het openstellen van de kinderopvangtoeslag voor peuterspeelzaalwerk zonder voor- en vroegschoolse educatie (VVE)? Waarom wordt de reikwijdte van de kinderopvangtoeslag verruimd, terwijl de noodzaak van bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag aan de orde is?
Opvang in peuterspeelzalen geeft geen recht op kinderopvangtoeslag. De reikwijdte van de kinderopvangtoeslag is niet verruimd. Dit heeft dus ook niet geleid tot extra uitgaven.
Hoe is het te rechtvaardigen dat bijvoorbeeld partners die respectievelijk 80% en 10% werken onder het bereik van de kinderopvangtoeslag vallen, terwijl gezinnen waarin één partner 100% verdient buiten de regeling vallen? Is hier sprake van rechtsongelijkheid?
De kinderopvangtoeslag is bedoeld voor de combinatie van arbeid en zorg. Huishoudens waarbij beide partners werken of in een traject naar werk volgen, kunnen kinderopvangtoeslag ontvangen. De koppeling aan gewerkte uren van de minst werkende partner zorgt ervoor dat de doelmatigheid van de kinderopvangtoeslag wordt versterkt. In uw voorbeeld heeft dit huishouden beperkt recht op kinderopvangtoeslag. Het aantal uren recht op kinderopvangtoeslag wordt gebaseerd op het aantal gewerkte uren van de partner die 10% werkt.
Klopt het dat u ter dekking van de kosten van het openstellen van de kinderopvangtoeslag voor peuterspeelzaalwerk een korting op het gemeentefonds aan wilt brengen? Zo ja, hoe kan de maatschappelijke en pedagogische functie van de peuterspeelzaal op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning gewaarborgd worden wanneer gemeenten zich als gevolg van deze korting genoodzaakt zien verder te bezuinigen op peuterspeelzalen? Hoe wordt hierbij rekening gehouden met de toezegging dat, zeker met het oog op de gestelde kwaliteitseisen, structureel toereikende middelen beschikbaar worden gesteld?4
De kinderopvangtoeslag is, zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 1 en 3 toelicht, momenteel niet opengesteld voor opvang in peuterspeelzalen. Ik ben wel voornemens de financiering van het peuterspeelzaalwerk onder de Wet Kinderopvang te brengen. Samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bekijk ik momenteel hoe de verschillende functies van peuterspeelzalen en kinderopvang kunnen worden gecombineerd en welke toekomstige financieringsstructuur daar het beste bij past. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de geldende kwaliteitseisen. De toekomstige verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk en gemeenten speelt een belangrijke rol bij de vraag of een korting op het gemeentefonds voor de hand ligt. Voor de zomer zal ik uw Kamer informeren over mijn verdere plannen op dit punt.
Het bericht ‘Meer mensenhandel, minder veroordeelden’ |
|
Gert-Jan Segers (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Meer mensenhandel, minder veroordeelden»?1
Ja.
Deelt u de zorgen over de vierde plaats die Nederland inneemt, na Spanje, Italië en Roemenië, als EU-land met het grootste aantal slachtoffers van mensenhandel? Leidt dit tot aanpassingen van het beleid? Zo ja, welke aanpassingen? Zo nee, waarom niet?
Mensenhandel is een zeer ernstig misdrijf. De aanpak van mensenhandel is dan ook een prioriteit van dit kabinet. Mede vanwege de prioriteit die wordt gegeven aan de aanpak van mensenhandel komt een groot aantal slachtoffers in beeld. Bovendien komt door de brede multidisciplinaire aanpak de aard en de omvang van mensenhandel in Nederland steeds beter in zicht. Ook het Eurostatrapport waarnaar in het bericht «Meer mensenhandel, minder veroordeelden» wordt verwezen, geeft aan dat onder andere een hogere prioritering van de aanpak van mensenhandel het aantal geregistreerde slachtoffers kan beïnvloeden.2 Ik zie hierin dan ook geen aanleiding om het beleid gericht op de bestrijding van mensenhandel aan te passen.
Overigens is het voor een vergelijking van het aantal slachtoffers van mensenhandel op EU-niveau van belang te vermelden dat in Nederland mogelijkeslachtoffers van mensenhandel worden geregistreerd. Andere lidstaten hanteren andere definities. Door het verschil in registratiecriteria kan een vergelijking met andere EU-lidstaten een vertekend beeld geven. Eurostat zelf stelt in het rapport dat de huidige staat van de resultaten niet geheel voldoet aan de strenge vereisten van de European Statistics Code of Practice en dat bij de interpretatie van de cijfers dan ook voorzichtigheid is geboden.3
Welke tendens is er in Nederland inzake het aantal veroordelingen voor mensenhandel?
Uit cijfers van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel blijkt dat In 2010 voor het eerst sprake was van een duidelijke relatieve stijging van het aantal veroordelingen voor mensenhandel naar 59% en in 2011 is dit ongeveer gelijk gebleven (60%). In 2012 zien we wederom een forse stijging in het aandeel mensenhandelveroordelingen (naar 71%). Uit de cijfers blijkt verder dat de rechter in eerste aanleg in 2012 de meeste mensenhandelzaken heeft afgedaan (153). Dit is het grootste aantal sinds in ieder geval het jaar 2000.
Bent u bereid de EU-lidstaten die de richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel, de bescherming van slachtoffers ervan, en ter vervanging van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU L101) nog niet geïmplementeerd hebben op te roepen zo snel mogelijk de richtlijn te implementeren, gelet op het bericht hierover in Die Welt, dat op dit moment slechts vijf EU-lidstaten de richtlijn hebben geïmplementeerd?2
Het toezicht op de naleving en tijdige implementatie door de lidstaten van Europese wetgeving ligt bij de Europese Commissie. Als een lidstaat niet aan zijn verplichtingen voldoet, kan de Commissie tegen die inbreuk optreden en zo nodig een zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie.
Kunt u per EU-lidstaat inzicht verschaffen in het aantal slachtoffers van mensenhandel voor prostitutiedoeleinden?
Het in het antwoord op vraag 2 genoemde Eurostatrapport getiteld «Trafficking in human beings», dat onlangs is verschenen, verschaft inzicht in het aantal (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel per EU-lidstaat dat slachtoffer is van seksuele uitbuiting in de periode 2008 tot 2010.5
Bent u bereid een vergelijking te maken van de wetgeving in andere EU-lidstaten inzake mensenhandel en prostitutie in verhouding tot het aantal slachtoffers van mensenhandel? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Een overzicht van het aantal geregistreerde (mogelijke) slachtoffers van seksuele uitbuiting per EU-lidstaat heeft naar mijn mening geen toegevoegde waarde bij het vaststellen van de effectiviteit van wetgeving inzake de bestrijding van mensenhandel in verschillende EU-lidstaten. Een groot aantal geregistreerde mogelijke slachtoffers kan juist een belangrijke indicatie zijn dat mensenhandel beter in beeld wordt gebracht en dat de aanpak van mensenhandel zijn vruchten begint af te werpen.
Bovendien worden in de Europese Unie geen uniforme registratiecriteria gehanteerd voor mogelijke slachtoffers van mensenhandel, waardoor een vergelijking op EU-niveau van het aantal slachtoffers mensenhandel een vertekend beeld kan geven.
Wilt u de «best practices» in andere EU-lidstaten benutten voor verbeteringen van het Nederlandse beleid en kunt u hier de Tweede Kamer nader over informeren?
Ik acht een uitwisseling van internationale «best practices» in het kader van de aanpak van mensenhandel van groot belang. Mede in het verlengde daarvan heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie, in nauwe samenwerking met Polen en Cyprus, medio april een Europese conferentie ter versterking van de multidisciplinaire operationele samenwerking bij de aanpak van mensenhandel georganiseerd. Tijdens deze conferentie stond de uitwisseling van «best practices» tussen verschillende beroepsgroepen uit de lidstaten en met de betrokken Europese agentschappen centraal. Het was een zeer inspirerende conferentie waaruit het belang van multidisciplinaire internationale samenwerking, ook op operationeel niveau, duidelijk naar voren kwam. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten van deze conferentie informeren.
Hoe beoordeelt u de stelling van de EU-commissaris voor Binnenlandse Zaken Malmström dat dit slechts het topje van de ijsberg is? Wat zijn uw bevindingen in Nederland?
Het is erg moeilijk een betrouwbare schatting van het aantal slachtoffers van mensenhandel te geven, aangezien dit misdrijf zich doorgaans in het verborgene afspeelt. In Nederland zien we dat het geregistreerde aantal mogelijke slachtoffers van mensenhandel jaarlijks toeneemt, mede dankzij de alertheid van ketenpartners en de actievere melding van signalen van mensenhandel.
Wat is uw reactie op het rapport dat de EU-commissaris voor Binnenlandse Zaken Malmström vandaag hierover uitbrengt?
Zicht op de aard en omvang van mensenhandel en grensoverschrijdende samenwerking zijn van belang voor effectief beleid op dit terrein. Ik acht het rapport «Trafficking in human beings» van de Europese Commissie dan ook van groot belang voor de verdere versterking van de (internationale) aanpak van mensenhandel.
De onderhoudstop van de kerncentrale Borssele |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de tijdplanning voor de onderhoudstop van de kerncentrale Borssele?1
De onderhoudsstop van de kerncentrale Borssele is gepland van vrijdag 12 april t/m ca. 17 mei 2013.
Wordt, mede gelet op de ouderdom van de centrale, het hele reactorvat gecontroleerd? Zo nee, tot welke onderdelen beperkt de controle zich dan en wordt uitgesloten dat er elders in het reactorvat wel haarscheuren voorkomen?
De inspectie van het reactorvat is opgenomen in een door de Kernfysische Dienst goedgekeurd meerjaren inspectieprogramma. In een 10 jaar cyclus wordt het gehele programma van inspecties op het primaire systeem inclusief het reactorvat uitgevoerd. Naar aanleiding van de verlenging van de bedrijfsduur van de kerncentrale Borssele is dit programma uitgebreid. Tijdens de komende onderhoudsstop zal de vatwand extra worden geïnspecteerd. De vatringen worden in deze onderhoudsstop over de gehele hoogte en dikte gemeten. Op vier verschillende posities ten opzichte van de omtrek van de vatwand wordt gemeten. Dit is ruim voldoende voor de controle, maar mocht het nodig blijken zal deze meting worden uitgebreid.
Op welke wijze wordt de fysieke staat van het reactorvat gecontroleerd en is die techniek op tijd beschikbaar? Welke meet en rekentechnieken worden daarvoor toegepast?
De fysieke staat van het reactorvat wordt met een ultrasoon onderzoeksmethode gecontroleerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van apparatuur en dataverwerking programma’s die aan de huidige stand der techniek voldoen. De onderzoekstechnieken zijn internationaal gekwalificeerd (European Network for Inspection Qualification) en beschikbaar om ingezet te worden. Resultaten worden getoetst aan de hand van rekenmethodes en tegen eisen uit de internationale nucleaire veiligheidscode ASME (American Society of Mechanical Engineers). Deze veiligheidcode is door Nederland erkend.
Wordt het reactorvat van de kerncentrale in Borssele ook onderzocht met ultrasoon geluid zoals u stelde tijdens het dertigledendebat over het bericht «Europese kerncentrales niet veilig genoeg» op 6 maart jl.?
Ja.
Is de duur van de onderhoudsperiode toereikend om het volledige reactorvat door te meten? Zo nee, bent u in uw hoedanigheid van toezichthouder bereid om zo nodig af te dwingen dat de inspectie wordt uitgebreid indien de verzamelde gegevens daartoe aanleiding geven?
Zie beantwoording vraag 2. Mochten de uitkomsten van de metingen daartoe aanleiding geven wordt het onderzoek uitgebreid. De Kernfysische Dienst houdt mij van de resultaten van de inspectie op de hoogte.