De gevolgen voor patiënten van het niet afsluiten van een contract tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam en zorgverzekeraar Achmea voor 2013 geen contract hebben afgesloten, omdat het eindbod van Achmea volgens het ziekenhuis te laag zou zijn?1 Wat is uw mening daarover?
De contractonderhandelingen zijn naar mijn informatie (nog) niet definitief afgerond. Ik heb er geen mening over anders dan dat dit een mogelijke uitkomst kan zijn in het decentrale sturingsmodel waarvoor we in ons gezondheidszorgstelsel hebben gekozen.
Welke gevolgen heeft dit voor patiënten die nu worden behandeld in het Slotervaartziekenhuis? Welke gevolgen heeft dat voor patiënten van wie de behandeling doorloopt na 1 april 2013? Welke gevolgen heeft dat voor patiënten die vanaf 1 april 2013 onder behandeling komen in het Slotervaartziekenhuis? Deelt u de mening dat het niet afsluiten van dit contract vooral vervelende gevolgen heeft voor patiënten? Hoe zou dit voorkomen kunnen worden?
Zorginhoudelijk voorzie ik geen problemen, noch voor de patiënten die al onder behandeling zijn bij het Slotervaartziekenhuis noch voor de patiënten die na 1 april met de behandeling wilden starten. Voor de laatste categorie is het afhankelijk van de polis; natura of restitutie. Voor natura verzekerden is het inderdaad vervelend dat hun polis dan niet alles meer vergoedt. Ik ga ervan uit dat Achmea betrokkenen hier tijdig voor waarschuwt zodat ze voor een ander ziekenhuis kunnen kiezen. Een andere mogelijkheid voor deze verzekerden kan zijn over te stappen naar een verzekeraar die wel een contract met het Slotervaartziekenhuis heeft (zie het antwoord op vraag2.
Dit kan voorkomen worden door de contractering af te ronden voordat verzekerden hun polis bij een verzekeraar afsluiten (conform het wetsvoorstel Verticale integratie dat sinds september 2012 in uw kamer ligt.
Deelt u de mening dat het niet goed is dat pas tijdens het nieuwe verzekeringsjaar opeens blijkt dat er geen contract wordt afgesloten tussen Achmea en het Slotervaartziekenhuis, zodat verzekerden ook niet meer van verzekeraar kunnen wisselen? Deelt u voorts de mening dat dit voorkomen zou kunnen worden door te garanderen dat contracten tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders voor half december worden afgesloten, zodat voor verzekerden duidelijk is waarop zij bij hun verzekeraar kunnen rekenen? Is dit mogelijk? Zo ja, wat kunt u doen om dit te bereiken?
Ik deel de mening dat het wenselijk is dat verzekerden, op het moment dat zij hun zorgverzekeraar kiezen, duidelijkheid hebben over welke zorgaanbieders de verzekeraar gecontracteerd heeft. Zoals gezegd ligt momenteel een wetsvoorstel in de Tweede Kamer voor aanpassing van artikel 13 van de Zvw (Kamerstukken II 2011/12, 33 362 nrs. 1–3). Eén van de voorgestelde wijzigingen is dat zorgverzekeraars uiterlijk zes weken voor het einde van het jaar aangeven welke zorgaanbieders voor het nieuwe jaar gecontracteerd zijn (of welke niet). Gaat een verzekerde in het nieuwe verzekeringsjaar naar een aanbieder waarvan hij op bovengenoemde datum niet heeft kunnen weten dat er met die aanbieder geen contract zou zijn, dan heeft hij recht op de volledige vergoeding van de gemaakte zorgkosten. Als dit wetsvoorstel dit jaar wordt aangenomen en het wordt 1 januari 2014 van kracht, dan kan het zijn werking hebben voor de polissen voor het jaar 2015.
Welke mate van vrijheid hebben verzekeraars om wijzigingen aan te brengen in de in het voorafgaande jaar wel gecontracteerde zorg of in de betalingswijze door verzekerden (zoals het dwingen tot automatische incasso door zorgverzekeraar Menzis), gedurende het verzekeringsjaar? Deelt u de mening dat die vrijheid er alleen zou behoren te zijn als de verzekerde nog kan kiezen voor een andere verzekeraar?
Voor de laatste deelvraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 3. Op de vraag welke mate van vrijheid verzekeraars hebben om wijzigingen aan te brengen in de polisvoorwaarden is mijn antwoord dat die vrijheid zover gaat als de wet toelaat. Op grond van het Burgerlijk Wetboek kan een schadeverzekering worden opgezegd als de verzekeraar de polis ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde wijzigt. Dat geldt ook voor zorgverzekeringen (behalve als de poliswijziging het directe gevolg is van een overheidswijziging in het te verzekeren pakket). Het is echter niet aan mij om te oordelen wanneer sprake is van een polisverslechtering. Het is in eerste instantie aan de verzekerde hierover contact op te nemen met zijn zorgverzekeraar, dan wel hierover een klacht bij hem in te dienen. Indien de verzekerde er zelf niet uit komt met zijn zorgverzekeraar staat vervolgens de weg open via opeenvolgend de Ombudsman Zorgverzekeringen, de Geschillencommissie Zorgverzekeringen en uiteindelijk de bevoegde rechter om hierover een uitspraak te doen.
Kunt u een aantal behandelingen noemen waarvoor geldt dat patiënten van het Slotervaartziekenhuis niet het hele bedrag vergoed zullen krijgen, omdat het gemiddeld gecontracteerde tarief voor die behandeling lager is?
Afgaande op de door het Slotervaartziekenhuis bekend gemaakte tarieven voor 2013 en de door Achmea bekend gemaakte vergoedingen voor 2013, zal dat vrijwel voor elke behandeling het geval zijn.
Is het voor patiënten mogelijk om de vordering over te dragen aan het Slotervaartziekenhuis? Is het vervolgens mogelijk dat het Slotervaartziekenhuis de rekeningen alsnog indient bij Achmea voor een hoger, zogenaamd passantentarief? Is de zorgverzekeraar verplicht het passantentarief te betalen? Hoe veel hoger ligt het passantentarief? Is deze gang van zaken dermate voor de hand liggend dat rekening gehouden moet worden met overschrijdingen?
Ja, het is mogelijk dat patiënten hun vordering op de verzekeraar overdragen aan het ziekenhuis en het ziekenhuis kan de rekening indienen op basis van het passantentarief. De verzekeraar kan echter niet meer vergoeden dan waar de verzekerde recht op heeft. Een verzekerde met een restitutiepolis heeft – conform artikel 2.2 van het Besluit zorgverzekering – recht op een marktconforme vergoeding van de behandeling die hij heeft ondergaan en een naturaverzekerde die naar een niet gecontracteerde zorgaanbieder gaat, heeft in veel gevallen recht op een lager bedrag dan dat. Welk bedrag dat is, is afhankelijk van de polis. Vaak is het een bepaald percentage van de marktconforme restitutievergoeding. In het geliberaliseerde segment stellen ziekenhuizen de passantentarieven ieder voor zich in vrijheid vast. In het geval van het Slotervaartziekenhuis liggen de passantentarieven een factor 2 à 3 hoger dan de marktconforme vergoeding van Achmea. Gezien de hierboven genoemde wettelijke beperking aan de vergoeding ga ik er niet van uit dat als gevolg van het niet tot stand komen van het contract tussen het Slotervaartziekenhuis en Achmea overschrijdingen gaan ontstaan.
De NMa opinie "Versterking landbouw vraagt om innovatie, niet om minder concurrentie" |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de opinie van de Nationale Mededingingsautoriteit (NMa) «Versterking landbouw vraagt om innovatie, niet om minder concurrentie»?1
Ja.
Wat is uw inhoudelijke mening over deze opinie?
Bij de koers voor de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), want daar gaat deze opinie van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) over, spelen veel belangen een rol. Binnen de huidige voorstellen voor het GLB wordt de positie van de primaire producent versterkt door producentenorganisaties in alle sectoren van de landbouw toe te staan. Het kabinet steunt dit voorstel van de Europese Commissie om op deze manier de marktmacht van primaire producenten te versterken. Deze producentenorganisaties dienen zich wel aan de mededingingsregels te houden. Hoe die regels er voor de agrarische sector precies uit gaan zien, is een punt dat in deze eindfase van de onderhandelingen tussen het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie met een goede betrokkenheid van u als nationaal parlement duidelijk moet worden. De Landbouwcommissie van het Europees Parlement heeft hier reeds stelling in genomen. Volgens mij moeten we een weg vinden die recht doet aan zowel de situatie van de primaire producent, als aan de rol die mededinging speelt bij onder meer vernieuwing en slagkracht van de agrarische sector.
Deelt u de mening dat de NMa in deze opinie een waardeoordeel geeft over Europarlementariërs en indirect over de leden van de Tweede Kamer door onder andere te stellen dat «Europarlementariërs de problemen in de Europese landbouw niet oplossen», «... zeggen ... nee tegen vernieuwingen» en «... oproep die we in Nederland ook nog wel eens horen», en dat zij meent de politiek te moeten beïnvloeden door onder andere te stellen: «... moeten we een geluid laten horen dat we deze weg niet op moeten»?
Nee.
Deelt u de mening dat de onafhankelijkheid van de NMa hiermee is aangetast? Zo ja, wat gaat u ondernemen om de onafhankelijkheid weer te herstellen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De NMa geeft aan wat in haar ogen en vanuit haar ervaring, als mededingingsautoriteit, nodig is bij de hervorming van het GLB. Dit strookt met de onafhankelijke positie van de NMa. Tegelijkertijd voert de Staatssecretaris van Economische Zaken de onderhandelingen over het GLB in Brussel. De NMa zal conform de uiteindelijk overeengekomen Europese kaders toezicht houden op het naleven van de mededingingsregels.
Vindt u dat een Chief Economist NMa of überhaupt een medewerker van de NMa dit soort zwaar politiek inhoudelijke opinies mag publiceren? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u ondernemen om dit in de toekomst te voorkomen én welke sanctie treft u richting de Chief Economist?
De NMa geeft vanuit haar economische expertise aan hoe zij aankijkt tegen de hervormingen in het GLB en de rol die mededinging daar in zou moeten nemen. Zoals ik in het vorige antwoord al heb verwoord, heeft de NMa een onafhankelijke positie die ruimte biedt om zulke opinies te verwoorden. Aan deze opinie van de NMa over de hervormingen van het GLB ligt een gezamenlijk statement ten grondslag van de hoofden van de Europese mededingingsautoriteiten dat op 21 december 2012 is gepubliceerd op de website van het Directoraat-generaal Mededinging van de Europese Commissie. Het standpunt van Nederland ten aanzien van de hervorming van het GLB is door het kabinet in samenspraak met de Tweede Kamer bepaald.
De NMa zal conform de Europese kaders van het GLB, zoals die na de hervorming zullen gelden, toezicht houden op het naleven van de mededingingsregels.
Het bericht dat er nauwelijks controle is op het rookverbod in de horeca |
|
Pia Dijkstra (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Nauwelijks controle op rookverbod»?1
De strekking van het bericht laat ik voor rekening van de Telegraaf.
Is het waar dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in 2012 slechts 3000 gerichte rookcontroles uitvoerde, terwijl het rookverbod in ruim 60.000 horecagelegenheden geldt? Zo ja, deelt u de mening dat dit te weinig controles zijn om het rookverbod effectief te handhaven?
De gehele horecasector bestaat uit ongeveer 43.000 horecagelegenheden. Daarnaast is er de paracommerciële sector van verenigingen, stichtingen en kerkgenootschappen die een buffet of kantine in eigen beheer hebben.
Uitsluitend binnen de cafésector en de discotheekbranche wordt het rookverbod slecht nageleefd. Het betreft een segment van ongeveer 10.000 horeca-inrichtingen. Binnen dit segment hebben in 2012 3154 gerichte inspecties plaatsgevonden. Binnen de huidige mogelijkheden van de NVWA is het toezicht zo optimaal mogelijk vormgegeven.
Klopt het dat de NVWA in sommige delen van Nederland geen controles uitvoert? Zo ja, kunt u aangeven in welke delen van Nederland er wel en in welke delen er niet wordt gecontroleerd, en bent u bereid de controles gelijkmatiger over het land te verdelen?
Dit klopt niet, in principe wordt een verantwoorde spreiding nagestreefd.
Uiteraard wordt in dunbevolkte gebieden minder gecontroleerd. Daarbij is ook een adequate ondersteuning van de politie bij gerichte acties een punt van betekenis.
In bijgaand2 overzicht uit 2012 staan de controlebezoeken per gemeente weergegeven.3
Klopt het dat de NVWA in sommige horecagelegenheden meerdere controles uitvoert, terwijl andere zaken nooit worden gecontroleerd? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Het kan zeker voorkomen dat sommige horecagelegenheden frequenter worden gecontroleerd dan andere omdat ze als notoire overtreder te boek staan. Het kan ook zijn dat door toeval andere gelegenheden nooit gecontroleerd zijn, of omdat er nooit klachten over zijn gemeld.
Sinds het najaar van 2012 gaat de NVWA vaker over op integrale gemeentelijk controle om alle bij elkaar gelegen horecagelegenheden binnen een kort tijdsbestek te kunnen controleren.
Hoeveel inspecteurs stelt de NVWA beschikbaar voor het handhaven van het rookverbod?
Zeven horecateams zijn naast het toezicht op de voedselveiligheid tevens belast met het toezicht op de rookvrije horeca. De formatie van het aantal inspecteurs bedraagt 144,7.
In hoeveel gevallen hebben controles in 2012 geleid tot maatregelen, zoals waarschuwingen en boetes? Kunt u het totaal aantal van de maatregelen uitsplitsen naar waarschuwingen, eerste overtredingen (600 euro), tweede overtredingen (1200 euro), derde overtredingen (2400 euro) en vierde overtredingen (4500 euro)?
Het aantal schriftelijke waarschuwingen bedroeg 352. Voor een eerste overtreding zijn 1 394 boetes opgelegd (114 nog van € 300 en 1 280 van € 600), voor een tweede overtreding 181 (30 nog van € 600 en 151 van € 1200), voor een derde overtreding 84 (13 nog van € 1 200 en 71 van € 2400) en voor een vierde overtreding 62 (3 nog van € 2 400 en 59 van € 4 500).
Klopt het dat de NVWA naast de rookcontroles nog 13.000 andere inspecties heeft uitgevoerd naar onder meer brandveiligheid en hygiëne, en dat bij een deel van die controles ook gekeken is of er asbakken op tafel staan?2 Kunt u aangeven om hoeveel extra «asbakcontroles» het gaat? In hoeveel gevallen hebben deze controles geleid tot maatregelen?
Naast de gerichte rookcontroles hebben er nog 14.074 voedselveiligheidinspecties binnen de horeca plaatsgevonden, waarbij het roken eveneens een aandachtspunt is.
Voor wat betreft het rookverbod hebben deze controles geleid tot het opmaken van 200 schriftelijke waarschuwingen en 485 boeterapporten.
Hoeveel gerichte rookcontroles bent u voornemens uit te voeren in 2013?
Voor 2013 staan 4000 gerichte rookcontroles gepland.
Bent u bereid het aantal rookinspecties structureel te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Ik onderzoek op dit moment de mogelijkheden om de handhavingscapaciteit te vergroten. De ontwikkeling van de benodigde capaciteit is mede afhankelijk van de stand van de naleving.
Het delen van inlichtingen ten behoeve van drone aanvallen |
|
Jasper van Dijk , Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Drone strike prompts suit, raising fears for U.S. allies», dat gaat over een Amerikaanse drone aanval in Pakistan die tot een proces in Groot-Brittannië tegen Britse ambtenaren heeft geleid omdat zij mogelijk inlichtingen over het in de aanval gedode individu aan de Amerikanen hadden verstrekt?1
Ja.
Kunt u bevestigen, zoals het artikel stelt, dat ook door Nederland in de regio verzamelde inlichtingen met de Verenigde Staten worden gedeeld? Indien neen, wat zijn hier dan de feiten? Indien ja, kunt u aangeven wie precies deze informatie verzamelt, met welke Amerikaanse militaire en civiele overheidsorganen dit direct dan wel indirect wordt gedeeld en in welke omvang dit gebeurt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Over de samenwerking met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan. Op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) kan de MIVD samenwerken met partnerdiensten.
Kunnen de door Nederland verzamelde en met de Verenigde Staten gedeelde inlichtingen ook gebruikt worden voor targeted killings, zoals door middel van drone aanvallen? Indien ja, is er een geografische beperking van het gebruik van door Nederland verzamelde en met de Verenigde Staten gedeelde inlichtingen? Is het uitgesloten dat dergelijke inlichtingen gebruikt kunnen worden voor targeted killings buiten Afghanistan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Is het reeds voorgekomen dat door Nederland verzamelde inlichtingen door de Verenigde Staten gebruikt zijn voor targeted killings in Afghanistan dan wel daarbuiten? Indien neen, welke garanties heeft u dat dit niet is gebeurd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe groot acht u de mogelijkheid dat, net als nu in Groot-Brittannië gebeurt, Nederlandse ambtenaren gerechtelijk zullen worden vervolgd vanwege betrokkenheid bij het Amerikaanse beleid van targeted killings? Kunt u uw antwoord toelichten?
De rechtszaak in het Verenigd Koninkrijk betreft geen strafrechtelijke vervolging. Voor het overige zij verwezen naar het antwoord op de vragen 2 t/m 4.
Leeft, net als binnen de Britse inlichtingendiensten, ook bij Nederlandse ambtenaren de angst dat zij door samenwerking met het Amerikaanse beleid van targeted killings mogelijk vervolgd kunnen worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Taalproblemen in de zorg |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Apothekers moeten taalbarrière slechten»1 en «Spraakverwarring in de spreekkamer» en «Zonder tolken verslechtert de zorg»2?
Ja.
Wat is uw reactie op het signaal dat ouderen met een migrantenachtergrond vaak de bijsluiter niet kunnen lezen, of de uitleg van de apotheker niet snappen?
Communicatie is belangrijk in de zorg, zowel bij het vaststellen van de diagnose, als bij de behandeling zelf en bij leefstijladvies. Mensen zijn er zelf primair verantwoordelijk voor dat ze in het Nederlands kunnen communiceren. Dat betekent dat zij zelf naar oplossingen zoeken als zij de Nederlandse taal niet machtig zijn en daardoor de bijsluiter niet of niet goed kunnen lezen. Maar ook zorgverleners hebben op grond van de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) de verplichting om zich in te spannen om zo begrijpelijk mogelijk te communiceren. De apotheker kan relevante informatie daartoe ook op andere wijze verstrekken dan met een schriftelijke of mondelinge toelichting. Via beeldmateriaal kan bijvoorbeeld worden uitgelegd hoe een middel moet worden gebruikt. Dit is niet alleen in het belang van ouderen met een migrantenachtergrond, maar ook van mensen die laaggeletterd zijn. Voor apotheken is sinds 2009 hiervoor een nuttig instrument beschikbaar: de zogenoemde balieklapper.3
Deelt u de mening dat zorg, waaronder die van apothekers, voor iedereen toegankelijk moet zijn? Zo ja, deelt u voorts de mening dat die toegankelijkheid voor mensen met een taalbarrière op dit moment voldoende gegarandeerd is?
Ja, ik deel de mening dat de zorg in Nederland voor iedereen toegankelijk moet zijn. Er zijn verschillende manieren waarop zowel de cliënt als de zorgverlener hulp kunnen inschakelen als er sprake is van een taalbarrière.
Zo nemen ouderen vaak iemand uit hun netwerk van familieleden en mantelzorgers mee als zij gebruik maken van zorg. Dit betreft ook veel oudere migranten. Het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) heeft samen met het Netwerk van Organisaties van Oudere Migranten (NOOM) en Marokko Media een website ontwikkeld met meer informatie en hulpmiddelen voor dit netwerk van familie en mantelzorgers. Op www.zorgvoorjeouders.nl kunnen zij informatie vinden over de zorg in Nederland, de meeste voorkomende ziektes en informatie over het goed gebruik van medicijnen. Als oudere migranten bepaalde problematiek niet in aanwezigheid van familie willen bespreken kunnen zij zelf de tolkentelefoon inschakelen.
Deelt u bovendien de mening dat het belangrijk is dat artsen en apothekers goed met allochtone patiënten moeten kunnen communiceren, zeker gezien het feit dat migranten op leeftijd, in vergelijking met autochtone ouderen, vaker een gezondheidsachterstand hebben?
Zorgverleners moeten in staat zijn om zorg op maat te bieden, rekening houdend met de vaardigheden en achtergrond van de patiënt. Om ervoor te zorgen dat ook kwetsbare groepen de zorg krijgen die zij nodig hebben, is het van belang dat er professionele standaarden zijn die vanuit het cliëntperspectief zijn geschreven. Naar aanleiding van de motie van mevrouw Bruins Slot zal ik het Kwaliteitsinstituut vragen om informatie over kwaliteit van zorg ook toegankelijk te maken voor laaggeletterden. De in het antwoord op vraag 2 genoemde balieklapper vind ik een goed voorbeeld hiervan.
Wat is uw reactie op de stelling dat de kwaliteit van de zorg lijdt onder de bezuiniging op medische tolken, bijvoorbeeld doordat behandelingen vertraging oplopen door de taalbarrière?
Ik heb geen gegevens ontvangen waaruit blijkt dat de kwaliteit van zorg aantoonbaar zou lijden doordat de inzet van tolken niet meer centraal wordt vergoed. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft ook geen meldingen ontvangen van incidenten die betrekking hadden op taalproblemen in de zorg.
Zoals ik heb aangegeven kunnen mensen er zelf voor kiezen om een professionele tolk in te schakelen of een familielid, mantelzorger of vrijwilliger mee te nemen als zij gebruik maken van zorg. Daarnaast zijn zorgverleners gehouden zich in te spannen om zo goed mogelijk met patiënten te communiceren vanuit hun verantwoordelijkheid voor goede informatie en het informed consent.
Wat is uw reactie op de uitspraak dat huisartsen zonder tolk vaker doorverwijzen?
De zorgverlener moet goed kunnen inspelen op de verschillen tussen patiënten en moet de zorgverlening optimaal afstemmen op de individuele behoeften en mogelijkheden. Zoals ik bij vraag 2 heb aangegeven hebben zowel patiënten als zorgverleners een verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goede onderlinge communicatie. Mensen die minder goed onder woorden kunnen brengen welke klachten zij hebben worden soms eerder doorverwezen voor nader onderzoek. Ik vind het om die reden van belang dat de patiënt zich inspant om in het Nederlands te kunnen communiceren.
Kunt u aangeven hoeveel extra zorgkosten er jaarlijks gemaakt worden, doordat artsen eerder doorverwijzen of de behandeling vertraagd wordt, omdat de patiënt de Nederlandse taal niet machtig is? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik heb geen indicatie van extra zorgkosten die gemaakt worden omdat de patiënt de Nederlandse taal niet machtig is en deze zelf geen informele of professionele tolk heeft ingeschakeld. Uit bijgevoegde kosten- en opbrengstenanalyse van tolkdiensten is, met kanttekeningen, op te maken dat op het moment dat tolken nog vergoed werden door de overheid, voor wat betreft huisartsen en ggz-instellingen de kosten voor het toenmalige gebruik van professionele tolken ongeveer € 7 miljoen bedroegen en de opbrengsten ongeveer € 3,5 miljoen. Overigens is in het rapport op enkele punten bedrijfsgevoelige informatie weggelakt.
Deelt u de mening, zeker gezien de uitspraak dat er jaarlijks meer zorgkosten gemaakt worden door sneller doorverwijzen, dat de inzet van tolken in de zorg juist zorgkosten kan besparen?
Ik deel de mening niet dat het collectief financieren van tolken leidt tot kostenbesparingen. Als in de zorg alleen gebruik gemaakt wordt van collectief vergoede, professionele tolken leidt dit (op basis van de kosten- en batenanalyse uit 2009) mogelijk zelfs tot een toename van zorgkosten. De inzet van tolken door mensen zelf is één van de mogelijkheden om zorgkosten te besparen. De patiënt en de zorgverlener kunnen samen ook zoeken naar andere oplossingen om een taalbarrière te overbruggen.
Wanneer kan de Kamer de resultaten van het onderzoek naar de problemen in de praktijk, na afschaffing van de tolkenvergoeding in de zorg, tegemoet zien?
Bij de behandeling van de begroting heb ik toegezegd om de huidige praktijk te onderzoeken met betrekking tot de vergoeding van tolken in de zorg en waar de problemen zitten ten aanzien van informed consent. Ik betrek hierbij ook zorgverzekeraars en de KNMG. Ik informeer u hierover door de voorjaarsnota 2013, dus uiterlijk in mei 2013.
De inzet van bijzondere bevoegdheden door de geheime diensten tegen politici, in het bijzonder tegen Roel van Duijn |
|
Ronald van Raak |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Deelt u de opvatting van de Nationale ombudsman dat uw ministerie en de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst (AIVD) hebben gehandeld in strijd met de beginselen van «transparantie» en «behoorlijkheid», door de heer Roel van Duijn pas na vele en lange procedures – tot aan de Raad van State – inzicht te geven in de bemoeienis van geheime diensten met diens leven en politieke activiteiten?1
De heer Van Duijn komt vooral voor in de dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 kent een uitputtend stelsel voor de behandeling van verzoeken om inzage in (persoons)gegevens, met inbegrip van het daarbij te hanteren beoordelingskader. Dat stelsel beoogt zowel de belangen van de verzoeker als die van de dienst te borgen. Bij de behandeling van verzoeken om kennisneming wordt zorgvuldig beoordeeld of de aangetroffen gegevens vrijgegeven kunnen worden.
Naar aanleiding van een verzoek om inzage in zijn persoonsdossier heeft de AIVD aan de heer Van Duijn documenten verstrekt. In zijn bezwaarschrift heeft de heer Van Duijn zijn verzoek verbreed. Daarop zijn aanvullende documenten verstrekt. De heer Van Duijn heeft bovendien gebruik gemaakt van alle rechtsmiddelen die hem ter beschikking stonden (bezwaar, beroep en hoger beroep).
Deelt u de opvatting van de Nationale ombudsman dat het «onbevredigend» en «onverstandig» is dat u heeft geweigerd om een nader onderzoek te laten doen naar de inzet van bijzondere bevoegdheden tegen Roel van Duijn?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) te vragen alsnog een onderzoek te doen naar de inzet van bijzondere bevoegdheden tegen Roel van Duijn, in het bijzonder naar de «behoorlijkheid»?
De Commissie van Toezicht voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft in dit geval geen taak en bevoegdheden om onderzoek te doen. De zaak betreft een periode van voor de inwerkingtreding van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
Overigens ben ik bereid een gesprek aan te gaan met de heer Van Duijn en heb hem inmiddels hiertoe uitgenodigd.
Deelt u de opvatting van de Nationale ombudsman dat de AIVD wel rekening houdt met de «rechtmatigheid» van zijn optreden, maar onvoldoende met de «behoorlijkheid» van zijn bemoeienis met het leven en de activiteiten van politici?
Ieder overheidsorgaan, ook de AIVD, dient zich bij haar optreden te houden aan regels omtrent behoorlijkheid. Deze eis geldt ten aanzien van alle burgers, of zij nu politici zijn of niet. De eis dat de AIVD op een behoorlijke en zorgvuldige wijze handelt bij de verwerking van gegevens, waaronder de uitoefening van bijzondere bevoegdheden, is in artikel 12 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 vastgelegd. De CTIVD kan toezien op de naleving daarvan.
Deelt u de mening dat nadere regels noodzakelijk zijn om de behoorlijkheid van de inzet van bijzondere bevoegdheden door geheime diensten tegen politici te waarborgen?
Deze casus heeft betrekking op de voorganger van de AIVD, de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). Het wettelijk kader met betrekking tot toezicht en rapportage was destijds een andere dan nu geldt voor de AIVD. De AIVD heeft onder meer tot taak onderzoek te doen naar personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. Politici zijn niet bij voorbaat uitgesloten van onderzoek. Aan de uitoefening van bijzondere bevoegdheden zijn in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 eisen gesteld en daaraan wordt iedere uitoefening getoetst. De CTIVD kan in het kader van haar toezichthoudende taak de rechtmatige uitoefening van bijzondere bevoegdheden toetsen. De Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer (CIVD) is belast met de controle op de operationele taakuitvoering van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Er worden in het openbaar geen mededelingen gedaan over operationele zaken die in de CIVD aan de orde komen.
Worden op dit moment door de geheime diensten bijzondere bevoegdheden ingezet tegen politici?
Zie antwoord vraag 5.
Zult u in de toekomst toestemming geven aan geheime diensten om bijzondere bevoegdheden in te zetten tegen politici?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer altijd geïnformeerd op het moment dat geheime diensten bijzondere bevoegdheden inzetten tegen politici?
Zie antwoord vraag 5.
Hebben politici die onderwerp zijn geweest van bemoeienis door de veiligheidsdiensten altijd een wettelijke notificatie ontvangen?
Indien een voor notificatie in aanmerking komende bijzondere bevoegdheid is uitgeoefend, zal vijf jaar na beëindiging daarvan worden onderzocht of aan betrokkene een notificatieverslag kan worden uitgebracht. Dat geldt ook voor politici.
Wetsvoorstel dat de pensioenen voor politieke ambtsdragers moderniseert |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het persbericht van uw ministerie van 21 september jl, waarin staat dat het kabinet akkoord gegaan is met een wetsvoorstel dat de pensioenen voor politieke ambtsdragers moderniseert, door de pensioenleeftijd te verhogen en te flexibiliseren en het mogelijk te maken om de pensioenen ook te verlagen in lijn met verlagingen bij het ABP?1
Ja.
Herinnert u zich dat in het persbericht een beoogde ingangsdatum van het wetsvoorstel van 1 januari 2013 staat?
Ja.
Om welke redenen is het wetsvoorstel nog niet ingediend?
De Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd heeft aanmerkelijke gevolgen voor de pensioenreglementen van de pensioenfondsen. De reglementen moeten worden aangepast aan een inbouw van de AOW op een flexibele leeftijd. Bovendien moet de flexibele wijziging van de pensioenrichtleeftijd in de reglementen worden verwerkt. De meeste pensioenfondsen hebben deze aanpassing nog niet afgerond.
De beoogde wijzigingen in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers zijn inhoudelijk gezien vergelijkbaar met aanpassingen in een ouderdomspensioenreglement. Daar komt nog bij dat het Appa-pensioen nog niet is afgestemd op een flexibele ingangsleeftijd – anders dan (bijvoorbeeld) het ABP-pensioen. Deze vaste ingangsleeftijd past niet meer bij de in de loop der jaren wijzigende leeftijd waarop het AOW-pensioen wordt uitgekeerd. De complexiteit van dergelijke aanpassingen van de Appa vraagt om zorgvuldige aanpak.
Wanneer is het wetsvoorstel aan de Raad van State gestuurd en wanneer heeft de Raad advies uitgebracht?
Het wetsvoorstel is op 9 oktober 2012 voor advies aan de Raad van State aangeboden. Op 13 december 2012 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State advies vastgesteld over het voorstel voor een Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa. Dit advies is op 17 december 2012 aan het ministerie toegezonden.
Wilt u bevorderen dat het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk aan de Tweede Kamer wordt gezonden en openbaar wordt gemaakt?
Ja, het wetsvoorstel ontvangt u omstreeks 1 maart 2013.
Reclames en patiënten werving van GGZ-instelling Indigo |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe rijmt u uw antwoord op eerdere vragen, waarin u stelt mijn zorgen te delen over de reclame om patiënten te werven door de GGZ-instelling Indigo, als u tevens schrijft geen actie te ondernemen?1
Zoals ik in mijn andere antwoorden heb aangegeven, valt de handelwijze van de instelling binnen de regels van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). In tegenstelling tot wat de LVE schrijft, biedt de instelling geen hulp voor mensen die geen verwijsbrief hebben van de huisarts. Zodra men contact opneemt met Indigo worden zij door de medewerkers geïnformeerd over de mogelijkheden en de rol van de huisarts als verwijzer. Indien de huisarts vervolgens vermoedt dat deze persoon een stoornis heeft, verwijst hij naar een instelling, dat kan ook een andere instelling zijn. De zorgverlening die wordt verleend past binnen de aanspraak van de wet en de behandelwijze geschiedt conform richtlijnen en standaarden. Daarbij ga ik er vanuit dat indien de huisarts constateert dat er geen sprake is van een psychische stoornis, maar bijvoorbeeld alleen van klachten van somberheid en stress, de patiënt niet wordt doorverwezen naar de GGZ. Om die reden onderneem ik geen actie op dit moment, maar ik ben wel alert. Daarom vind ik het belangrijk dat de NZa deze casus wel gaat monitoren. Ik kom hier later nog op terug.
Wat bedoelt u met uw opmerking dat de handelwijze van de instelling «vooralsnog» binnen de regels van de Zorgverzekeringswet lijkt te vallen? Kan hieruit worden opgemaakt dat u voornemens bent de wet aan te scherpen, waardoor dergelijke reclame/misleiding niet meer voor kan komen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn binnen de Zorgverzekeringswet geen beperkingen ten aanzien van reclame uitingen door zorgaanbieders. Buiten het feit dat ik – zoals ik reeds al aangaf – het niet nodig acht op dit moment maatregelen te nemen, zou de Zvw op dit punt niet aangepast kunnen worden.
In de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) is in artikel 39 geregeld dat «Zorgaanbieders ervoor zorgdragen dat de door of namens hen verstrekte of beschikbaar gestelde informatie terzake van een product of dienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en niet misleidend is». Er mag dus reclame gemaakt worden, zolang dit niet misleidend is. De NZa houdt hier toezicht op, en heeft de wettelijke regels voor zorgaanbieders hierover nader toegelicht en verduidelijkt in het Richtsnoer Informatieverstrekking Zorgaanbieders.
Wat bedoelt u concreet als u de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vraagt er «aandacht aan te besteden»? Welke verandering gaat dit in de praktijk opleveren en op welke termijn? Vindt u dat de NZa op een gedegen en zorgvuldige manier reclame-uitingen van zorgaanbieders beoordeelt op hun misleiding? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs u hierbij naar het antwoord op vraag 2. Op de vraag of er een verandering zal gaan optreden als ik vraag aan de NZa er aandacht aan te besteden, kan ik op dit moment niet antwoorden. Dit is afhankelijk van de wijze waarop de NZa het een en ander wel of niet zal beoordelen.
Bent u het met de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen (LVE) eens dat mensen altijd eerst naar de huisarts zouden moeten gaan als zij klachten hebben, aangezien u de poortwachtersfunctie van de huisarts belangrijk vindt? Zo ja, waarom doet u dan niets (of laat u niets doen) aan de handelwijze van Indigo? Zo neen, waarom niet?
Zoals ik in mijn vorige antwoorden heb aangegeven, verwijst Indigo de patiënten eerst naar de huisarts voordat ze bij de Indigo in behandeling gaan. Dat is ook verplicht. De huisarts zal conform richtlijnen de patiënt wel of niet verwijzen naar de GGZ.
Vindt u het echt geen misleiding dat een (grote) instelling mensen werft voor zorg, door een «gratis eerste consult» aan te bieden en daarmee mensen de zorg in te lokken?
Zoals ik in de beantwoording van de vorige set Kamervragen heb aangegeven, biedt de instelling een gratis eerste consult aan om de patiënt de gelegenheid te bieden om bij zichzelf na te gaan of hij/ zij bereid is het behandeltraject bij de instelling aan te gaan. Ik heb al aangegeven dat dit integer kan zijn, maar ook de schijn van aanbodgestuurde vraag in zich draagt. Vandaar dat ik benadruk dat een verwijsbrief van de huisarts nodig is en de NZa vraag hieraan extra aandacht te besteden. Het is wettelijk niet verboden een gratis eerste consult aan te bieden. Zorgaanbieders hebben in beginsel het recht, uit altruïsme of anderszins, zorg te verlenen zonder dat hier een betaling tegenover staat, tenzij zij daarmee een contractuele verplichting jegens hun verzekeraar schenden.
Hoe gaat u voorkomen dat mensen naar de huisarts gaan, om achteraf een doorverwijzing te vragen om naar Indigo te gaan en hoe kunt u dan de poortwachtersfunctie van huisartsen garanderen?
Indigo zal, zoals zij ook aangeeft, patiënten vóóraf een verwijsbrief laat halen door de huisarts en dat de huisarts adequaat, en aan de hand van de richtlijnen die daarvoor gehanteerd worden, deze patiënt wel of niet doorstuurt naar een zorgaanbieder.
Hoeveel meer dochterondernemingen van Parnassia BavoGroep werft patiënten via reclames? Bent u bereid dit te onderzoeken?
De andere zorgbedrijven die vanuit de Parnassia Groep aan de uitingen deelnamen zijn: Bavo Europoort, PsyQ, Brijder en Lucertis.
Het bericht dat verschillende apotheken in Hengelo, Borne en Hof van Twente nog geen contract hebben met Achmea |
|
Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat verschillende apotheken in Hengelo, Borne en Hof van Twente nog geen contract hebben met Achmea en dus mogelijk medicijnen contant moeten afrekenen?1
Het staat zorgverzekeraars en zorgaanbieders vrij om wel of geen contract met elkaar af te sluiten. Het is van belang dat een zorgverzekeraar voldoende zorg contracteert om aan zijn zorgplicht te kunnen voldoen. Achmea heeft aangegeven met 1976 van de 1981 apotheken in Nederland een contract te hebben gesloten.
Verder heeft Achmea aangegeven dat de informatie uit het bericht feitelijk onjuist is. Bij de apotheken in Borne, Hengelo en Hof van Twente lopen de overeenkomsten door in 2013.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is wanneer patiënten contant moeten afrekenen wanneer zij bij hun eigen apotheek terecht willen?
Nee, die mening deel ik niet. Het kan voorkomen dat er geen contract tot stand komt tussen een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder. Dit kan voor verzekerden ertoe leiden dat zij contant af moeten rekenen en de declaratie in moeten dienen bij hun zorgverzekeraar. De vergoeding die zij ontvangen van hun zorgverzekeraar is afhankelijk van de polisvoorwaarden. Ingeval van een restitutiepolis heeft de verzekerde recht op een marktconforme vergoeding, ingeval van een naturapolis bepaalt de zorgverzekeraar de hoogte van de vergoeding (via art. 13 Zvw).
Daarbij geldt dat indien het niet contracteren van een apotheek kan worden beschouwd als een polisverslechtering de verzekeringnemer een opzegrecht heeft. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als Achmea eind 2012, toen de polissen voor 2013 werden gesloten, de indruk heeft gewekt dat de betreffende apotheek wel gecontracteerd zou worden.
Het is echter niet aan mij om te oordelen of hier sprake is van een polisverslechtering. Het is in eerste instantie aan de verzekerde hierover contact op te nemen met zijn zorgverzekeraar, dan wel hierover een klacht bij hem in te dienen. Indien de verzekerde er zelf niet uit komt met zijn zorgverzekeraar staat vervolgens de weg open via opeenvolgend de Ombudsman Zorgverzekeringen, de Geschillencommissie Zorgverzekeringen en uiteindelijk de bevoegde rechter om hierover een uitspraak te doen.
Is het waar dat verschillende Achmeaverzekerden in Enschede nu al niet meer terecht kunnen bij hun eigen apotheek? Om hoeveel patiënten gaat het? Hoever moeten deze patiënten reizen om een apotheek te bereiken waar Achmea wel een contract mee heeft? Vindt u het acceptabel dat deze patiënten niet meer terecht kunnen bij hun eigen apotheek? Vindt u de afstand die deze patiënten moeten reizen acceptabel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Patiënten kunnen in principe nog steeds terecht bij hun «eigen» apotheek, alleen de vergoeding die zij ontvangen kan wijzigen ten opzichte van de situatie waarin er wel een contract was afgesloten tussen de apotheek en de zorgverzekeraar. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 2. Zorgverzekeraars hebben verder een zorgplicht. Voor verzekerden met een polis waarbij de zorgverzekeraar zorgaanbieders heeft gecontracteerd (doorgaans de naturapolis) moet de zorgverzekeraar zorg op een «redelijke afstand» van de woonplaats van de verzekerde aanbieden en «tijdig» leveren. In het veld worden zogenaamde streefnormen met betrekking tot de tijdigheid gehanteerd. Zo mag de toegangstijd tot de apotheek voor consumenten maximaal 1 werkdag bedragen. Wat een redelijke afstand is, verschilt per zorgsoort en is niet in normen of regelgeving vastgelegd. De NZa houdt toezicht op het naleven van de zorgplicht door zorgverzekeraars.
Achmea heeft aangegeven dat drie apotheken in Enschede hun overeenkomst met Achmea hebben opgezegd. Achmea heeft een contract met 14 van de 17 apotheken in Enschede en heeft haar verzekerden per brief geïnformeerd over de mogelijke alternatieven. De brief is verzonden aan in totaal 2155 verzekeringsnemers die woonachtig zijn binnen postcodegebieden rondom de niet gecontracteerde apotheken. Niet alleen de verzekerden maar ook de omliggende apotheken en de huisartsen in de omgeving zijn per brief geïnformeerd door Achmea. De alternatieve apotheken die Achmea heeft gecontracteerd zijn allemaal gelegen binnen een acceptabele reisafstand en er worden tevens alternatieve distributievormen aangeboden, zoals een bezorgservice. Daarnaast is een groep verzekerden gebeld door Achmea om eventuele vragen te beantwoorden en ondersteuning te bieden bij het overstappen naar een alternatieve apotheek.
Verder heeft Achmea een coulanceperiode ingesteld. Bij declaratie door de verzekerde van een factuur met betrekking tot vóór 1 april a.s. verstrekte medicijnen, wordt 100% van het marktconforme tarief vergoed door Achmea. Bovendien heeft Achmea met de apotheken afgesproken dat in een bijzondere situatie, bijvoorbeeld een hoog bedrag op de factuur, een apotheek na overleg eventueel rechtreeks bij Achmea kan declareren, zodat de verzekerde een dergelijk hoog bedrag niet eerst zelf hoeft voor te schieten.
Hoeveel Achmeaverzekerden kunnen in de toekomst niet meer terecht bij hun eigen apotheek? Hoever moeten Achmeaverzekerden uit Hengelo, Borne en Hof van Twente straks reizen om een apotheek te bereiken waar Achmea wel een contract mee heeft? Vindt u het acceptabel dat deze patiënten niet meer terecht kunnen bij hun eigen apotheek? Vindt u de afstand die deze patiënten moeten reizen acceptabel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven in mijn reactie op vraag 1 heeft Achmea mij gemeld met de apotheken in Borne, Hengelo en Hof van Twente een contract te hebben. Verder verwijs ik u graag naar mijn reactie op vraag 3 waarin ik heb toegelicht dat het niet tot stand komen van een contract in principe geen knelpunt hoeft te zijn zolang de zorgverzekeraar zijn zorgplicht naleeft en zijn verzekerden tijdig en voldoende informeert over de consequenties. De NZa houdt hier toezicht op.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer mensen gedwongen moeten wisselen van apotheek? Deelt u voorts de mening dat gedwongen wisselen van apotheker problemen kan opleveren, bijvoorbeeld bij ouderen of chronisch zieken die hun vertrouwde apotheek veelvuldig bezoeken, waardoor hun medicijngebruik bekend is bij de apotheker? Deelt u tevens de mening dat de veiligheid van medicijngebruik hierdoor achteruit gaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het wisselen van apotheek kan voor sommige mensen vervelend zijn. Ik ga er echter vanuit dat zorgverzekeraars apotheken contracteren die goede kwaliteit van zorg leveren en zich dus op de hoogte stellen van het meest actuele geneesmiddelengebruik van de patiënt. Dit is vastgelegd in de beroepsnormen van apothekers en «de Richtlijn Overdracht van medicatiegegevens in de keten» verplicht hiertoe. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u er aan doen om te zorgen dat patiënten die verzekerd zijn bij Achmea bij alle apotheken blijvend terecht kunnen, zonder contant te moeten afrekenen of een eigen bijdrage te moeten betalen?
Het is niet mijn verantwoordelijkheid om op te treden in de contractonderhandelingen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Zolang Achmea zijn verzekerden goed en tijdig informeert en zijn zorgplicht nakomt is er voor mij geen reden om stappen te ondernemen.
Vindt u niet ten principale dat de keuzevrijheid van patiënten om hun apotheek naar keuze te kunnen kiezen in het geding is bij een dergelijk financieel conflict tussen een verzekeraar en een apotheker? Zo neen, waarom niet?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Zorgverzekeraars hebben de verantwoordelijkheid gekregen om de zorg toegankelijk, betaalbaar en kwalitatief op niveau te houden in het belang van zijn verzekerden. Hiertoe sluiten zorgverzekeraars contracten met zorgaanbieders en het kan voorkomen dat er geen contract tot stand komt. De verzekerde kan jaarlijks de verzekeraar kiezen die het beste bij hem past. De ene verzekeraar zal selectiever contracteren, de andere wat ruimer. Ingeval van een naturapolis dienen verzekerden er rekening mee te houden dat zij alleen recht hebben op een volledige vergoeding van zorg indien zij naar een door de verzekeraar gecontracteerde zorgaanbieder gaan. Een verzekerde kan echter altijd naar de zorgaanbieder van eigen keuze gaan, maar indien er geen contract is afgesloten zal hij of een restitutiepolis moeten hebben of mogelijk een deel van de kosten zelf moeten betalen.
Vervolgingen en veroordelingen wegens majesteitsschennis |
|
Gerard Schouw (D66), Alexander Pechtold (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Majesteitsschennis is springlevend»?1
De stelling in het artikel dat er in het afgelopen decennium sprake is van een toename van het aantal vervolgingen wegens majesteitsschennis wordt niet ondersteund door de cijfers die ik van het Openbaar Ministerie (OM) heb ontvangen. Ik verwijs verder naar mijn antwoorden op de hierna volgende vragen.
Herinnert u zich de mondelinge vragen over het politieoptreden op 1 februari 2013 waarbij iemand wegens het uiten van kritische teksten over de monarchie weggestuurd is?2
Ja.
Hoeveel burgers zijn vanaf 2000, gespecificeerd per jaar, veroordeeld voor majesteitsschennis? Op grond van welke wetsartikelen zijn zij veroordeeld?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal personen dat volgens cijfers van het OM in eerste aanleg is veroordeeld voor het overtreden van artikel 111 (belediging Koning), artikel 112 (belediging echtgenoot Koning etc.) en artikel 113 (verspreiden etc. van beledigend geschrift/afbeelding) van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012.
111
1
2
1
1
1
1
2
1
1
1
112
1
1
1
113/1
113/2
1
Hoeveel zaken heeft het Openbaar Ministerie (OM) sinds 2000, gespecificeerd per jaar, ingeschreven in verband met ondermijning van de koninklijke waardigheid? Op grond van welke wetsartikelen stelde het OM vervolging in?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal zaken dat het OM inschreef op grond van artikelen 111 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012. De toename van de instroom in het jaar 2002 kan worden verklaard uit de aanhoudingen die zijn verricht op de dagen rond het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima.
111
3
3
5
1
5
2
1
2
1
1
112
2
3
1
113/1
1
21
1
1
113/2
1
Het onderstaande overzicht betreft het aantal zaken waarin het OM een verdachte dagvaardde op grond van artikelen 111 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012. Daarnaast legde het OM in 2012 in één zaak een OM-strafbeschikking op voor overtreding van artikel 112 van het Wetboek van Strafrecht.
111
2
1
1
2
2
1
2
1
1
112
2
1
113/1
113/2
1
Waarom is het aantal vervolgingen in verband met majesteitsschennis sinds het einde van de jaren negentig toegenomen?
Uit cijfers van het OM blijkt dat in 1998 één persoon werd gedagvaard op grond van artikel 111 van het Wetboek van Strafrecht en in 1999 vier personen op grond van dit artikel en een op grond van artikel 112 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van deze cijfers en de cijfers over de periode 2000–2012 deel ik uw conclusie dat er sprake is van een toename van het aantal vervolgingen in verband met majesteitsschennis sinds het eind van de jaren negentig niet.
Deelt u de mening dat belediging van het Staatshoofd niet zwaarder bestraft behoeft te worden dan belediging van gewone burgers of bevolkingsgroepen, maar dat het Staatshoofd naar de rechter kan wanneer hij zich belasterd voelt, vergelijkbaar met de situatie in België en Groot-Brittannië? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 111 van het Wetboek van Strafrecht wordt opzettelijke belediging van de Koning gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie. Het gaat hier om een bijzondere strafbaarstelling in vergelijking tot de misdrijven die in artikelen 261 en verder van het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld. In die artikelen worden verschillende vormen van belediging onderscheiden, zoals smaad, laster en eenvoudige belediging, en met straffen bedreigd die naar de mate van de ernst van het delict variëren. In dat kader bevat artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht strafverhogingen voor vormen van belediging die onder meer het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een ambtenaar in de uitoefening van zijn bediening betreffen. De strafwetgever heeft voor het misdrijf van artikel 111 geen aanleiding gezien om onderscheidingen aan te brengen in de vormen van strafbare belediging. Gelet op de personen tegen wie dat misdrijf wordt gepleegd, draagt blijkens de wetsgeschiedenis elke belediging een zodanig ernstig karakter dat de onderscheidingen van de artikelen 261 en verder wat betreft de strafsancties en kwalificaties buiten aanmerking blijven3. Ik zie thans geen aanleiding om van deze overwegingen afstand te nemen.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting en het recht op betoging zwaarder wegen dan de artikelen betreffende majesteitsschennis? Zo nee, waarom niet?
De strafbaarstellingen van belediging kunnen indruisen tegen het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van betoging. De vraag wanneer een beperking op deze rechten kan worden gerechtvaardigd, moet naar de specifieke feiten en omstandigheden van het geval worden beoordeeld.
Deelt u de mening dat het OM geen prioriteit moet geven aan majesteitsschennis en de relevante artikelen als dode letter dient te beschouwen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u het OM hiertoe opdracht geven?
De handhaving van strafbaarstellingen van belediging en majesteitsschennis heeft geen prioriteit.
Bent u bereid een wetsvoorstel voor te bereiden om belediging van burgers en leden van het Koninklijk Huis gelijk te bestraffen en bij de Kamer in te dienen, waarbij de artikelen 111,112,113 en 114, tweede lid, Wetboek van Strafrecht alsook de artikelen 118,119,121 en 122, tweede lid, Wetboek van Strafrecht BES worden geschrapt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel tegemoet zien?
Om de redenen zoals verwoord in antwoord op de vragen 6 en 7 luidt het antwoord op deze vraag ontkennend.
De uitspraken over de fusies van ziekenhuizen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview met de heer Don, lid van de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), en met de ingezonden brief van de heer Abeln en anderen1 2 die hierop een reactie is?
Ja.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de heer Don in het interview suggereert dat de NMa strenger kijkt naar fusies dan naar samenwerking tussen ziekenhuizen («Het is minder helder voor de klant, en daarom potentieel schadelijker»)? Bent u het ermee eens dat deze suggestie ongelukkig is en dat er geen reden is om nuttige vormen van samenwerking tussen ziekenhuizen strenger te beoordelen dan fusies?
Ik heb van het artikel kennis genomen. Ik ben het met u eens dat nuttige vormen van samenwerking doorgang moeten hebben. Het gaat dan om vormen van samenwerking die goed zijn voor de patiënt. Het toezicht van de NMa is erop gericht om kartels tegen te gaan. Hiervan is sprake als bijvoorbeeld prijs- of marktverdelingsafspraken worden gemaakt en nieuwe toetreders worden tegengewerkt. Deze vormen van samenwerking zijn niet goed voor de patiënt en daarom vind ik het belangrijk dat de NMa daarop streng toezicht houdt.
In mijn brief (Vergaderjaar 2011–2012, Kamerstuk II 29 247, nr.168) van vorig jaar zomer heb ik aangegeven dat samenwerking in het belang van de patiënt mag en moet. Samenwerking in de vorm van uitruil van functies of van concentratie van functies tussen ziekenhuizen dient van de verzekeraar uit te gaan. Hij koopt immers in in het belang van de patiënt, zo schreef ik vorig jaar.
Deelt u de mening dat het interview met de heer Don de indruk wekt dat de NMa liever heeft dat ziekenhuizen fuseren in plaats van samen te werken?
Ik begrijp van de NMa dat dat niet de indruk is die zij wil wekken. In het interview benadrukt de heer Don dat veel samenwerkingsverbanden geen probleem zijn. Ik weet van de NMa dat zij zeker geen goede samenwerking wil blokkeren en ook niet wil sturen richting ziekenhuisfusies in plaats van samenwerking.
Zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vorige vraag, vind ik dat samenwerking in het belang van de patiënt mag en moet. Samenwerking en fusies die leiden tot een significante beperking van de mededinging zijn niet in het belang van de patiënt. Daarom vind ik het belangrijk dat de NMa daarop scherp toezicht houdt.
Herkent u zich in de kritiek van ziekenhuisdirecteuren dat de opstelling van de NMa bij fusies, respectievelijk samenwerking tussen ziekenhuizen, een vlucht stimuleert naar de «veilige weg» van de fusie? Bent u bereid te onderzoeken hoe deze perverse fusieprikkels kunnen worden weggenomen, zodat ziekenhuizen niet onnodig fuseren omdat dit nu kennelijk de makkelijkste weg?
Zoals ik ook heb aangegeven in de beantwoording van de vorige vraag, herken ik mij daar niet in. Wel vind ik, zoals ik u tijdens de begrotingsbehandeling heb gemeld, dat een accentverschuiving ten opzichte van de huidige praktijk nodig is, als we willen dat er meer wordt samengewerkt en dat de ketensamenwerking van de grond gaat komen. Ik kondigde toen aan hiertoe voorstellen aan de Kamer te zullen zenden. Deze voorstellen zullen naar mijn mening ertoe moeten bijdragen dat onnodig fuseren wordt tegengegaan.
Is het waar dat het niet (meer) mogelijk is om samenwerkingsovereenkomsten voor goedkeuring aan te melden bij de NMa, maar dat het wel mogelijk is aan de NMa een informele zienswijze te vragen over plannen tot samenwerking? Klopt het dat de NMa ook richtsnoeren over samenwerking in de zorg heeft gepubliceerd, maar deze algemeen en theoretisch van aard zijn?
Het klopt dat de NMa samenwerkingsovereenkomsten niet vooraf goed kan keuren. Wel is het voor ziekenhuizen mogelijk om een informele zienswijze te vragen. De afgelopen drie jaar is er geen informele zienswijze afgegeven door de NMa, wel is er regelmatig informeel contact met ziekenhuizen geweest over wat wel en niet mag. De NMa kan niet op eigen initiatief informele zienswijzen geven, omdat dat niet mogelijk is zonder inzicht in een concrete casus. Wel heeft de NMa mij laten weten altijd open te staan voor aanvragen voor informele zienswijzen of anderszins informele contacten met betrekking tot samenwerking tussen ziekenhuizen.
Naast informele zienswijzen geeft de NMa voorlichting in de vorm van onder meer richtsnoeren en brochures. Zo geven de Richtsnoeren voor de zorgsector (2010) door middel van beschrijvingen en voorbeelden inzicht in de beoordelingscriteria die worden gehanteerd bij de handhaving van het kartelverbod in de zorgsector.
Deelt u de zorgen van de heer Don waar hij de vraag stelt «worden de ziekenhuizen niet te groot, zijn ze nog wel bestuurbaar?», maar dat dit niet onder de toets van de NMa valt?
Zoals ik in antwoorden op schriftelijke vragen van mevrouw Klever (PVV) al aangaf is schaalgrootte een afgeleide van de vraag welke (soorten) zorg een ziekenhuis wil en kan leveren. Het antwoord op die vraag dient bij uitstek in de fusie-effectrapportage gegeven te worden door de besturen van ziekenhuizen die het voornemen hebben te fuseren. In het wetsontwerp aangaande de zorgspecifieke fusietoets dat bij uw kamer ter behandeling voorligt zal de verplichting tot het opstellen van een fusie effectrapportage worden verankerd. Ook is het betrekken van de relevante stakeholders een onderdeel van de fusie-effectrapportage. Zorgbestuurders worden langs deze weg gedwongen de stakeholders zorgvuldig te betrekken en hierop te reageren. Op deze manier wordt door bestuur en stakeholders gezamenlijk beoordeeld of inderdaad sprake is van «onnodige» schaalvergroting.
Het rapport Maatschappelijke effecten afschaffing ov-studentenkaart |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Maatschappelijke effecten afschaffing ov-studentenkaart» van Panteia en Significance?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat studenten gemiddeld € 1355 meer kwijt zijn aan reiskosten bij afschaffing van de ov-kaart zonder aanpassing van het reisgedrag en € 1053 na aanpassing van het reisgedrag? Welke kans ziet u om studenten effectief te compenseren voor de extra kosten bij afschaffing van de ov-kaart?
Het is goed dat de openbaar vervoerbedrijven een eerste aanzet hebben gedaan in het inzichtelijk maken van de kosten als gevolg van de voorgenomen besparing op de reisvoorziening. De berekeningen in het rapport van Panteia en Significance zijn echter gebaseerd op de aanname dat de huidige reisvoorziening wordt afgeschaft en er geen andere voorziening voor in de plaats komt. Dit terwijl het nadrukkelijke streven van het kabinet is om wél een alternatief vervoersarrangement voor studenten vorm te geven. De (financiële) effecten voor studenten zullen dan aanmerkelijk kleiner zijn.
Welke vorm het arrangement precies krijgt en welke effecten zich zullen voordoen, is nog onbekend. De openbaar vervoerbedrijven hebben hierop ook invloed aangezien het nieuwe vervoersarrangement in samenwerking en onderhandeling met de vervoerbedrijven zal worden vormgegeven.
Niettemin zal de gemiddelde student vanaf 1 januari 2016 met hogere reiskosten te maken krijgen. Dat is een gevolg van de bewuste keuze van het kabinet om te besparen op de ondersteuning in de kosten van levensonderhoud en reizen teneinde de vrijkomende middelen te investeren in de kwaliteit van onderwijs.
Ondersteunt u de conclusie dat de student na afschaffing van de ov-studentenkaart 45% minder met het ov gaat reizen dan hij nu gratis reist? Acht u dit een wenselijk scenario?
Dit percentage zal naar verwachting lager uitvallen wanneer een alternatief vervoersarrangement is vorm gegeven.
Hoeveel reizen studenten maken met het openbaar vervoer is uiteindelijk hun eigen afweging. Op dit moment kunnen studenten doordeweeks danwel in het weekend vrij reizen met de reisvoorziening die door de overheid wordt bekostigd. Dat betekent dat overheidsmiddelen deels niet doelmatig worden besteed. Ongeveer 30% van het totaal aantal gereisde kilometers wordt gemaakt met een niet-onderwijsgerelateerd doel.
Ondersteunt u de conclusie dat naar schatting 50.000 studenten ervoor zullen kiezen op zichzelf te gaan wonen als gevolg van de afschaffing van de ov-studentenkaart? Denkt u dat er betaalbare woonruimte voor deze studenten beschikbaar is?
Ik ondersteun de conclusie niet. In het onderzoek wordt als uitgangspunt genomen dat de reisvoorziening wordt afgeschaft terwijl de invloed van een alternatief vervoersarrangement niet in het onderzoek is meegenomen (zie ook mijn antwoord op vraag 2. Veel is afhankelijk van de uiteindelijke vorm van het nieuwe vervoersarrangement.
De landelijke monitor studentenhuisvesting die door Kences samen met het ministerie van BZK in 2012 is ontwikkeld, volgt de vraag-/aanbodverhouding per stad. Deze monitor is te vinden op www.wonenalsstudent.nl.
Ondersteunt u de conclusie dat het aanbod van openbaar vervoer zal dalen met gemiddeld tussen de 12,5% (bus, tram, metro) en 10,4% (trein)? Vindt u dit een wenselijk scenario?
Studenten vormen een substantieel deel van openbaar vervoerreizigers (oplopend tot 25 à 40% in de spits). Daar is deel van het openbaar vervoersysteem op gebouwd en ook de businesscases van de verschillende vervoerders. Echter, zoals ook in de antwoorden op de vragen 2 en 3 is aangegeven, zullen de effecten op het openbaar vervoer lager uitvallen dan vermeld in het rapport omdat er wordt voorzien in een alternatief vervoersarrangement voor studenten. Daarnaast zijn in het onderzoeksrapport niet alle effecten meegewogen. Zoals een mogelijk minder grote druk van studenten op de ochtendspits. Wanneer minder materieel in de spits ingezet hoeft te worden of er meer ruimte voor andere betalende reizigers ontstaat, kan dat een positief effect hebben op het openbaar vervoer en leiden tot het beter benutten van de beschikbare capaciteit. Bij de vormgeving van het nieuwe vervoersarrangement zullen daarom zowel positieve als negatieve effecten worden meegewogen.
Zoals ik ook in mijn hoofdlijnenbrief Studiefinanciering van 18 januari 2013 heb aangegeven, zal ik bij de voorbereiding van het vormgeven van het nieuwe vervoersarrangement samenwerken met onder meer de minister van Infrastructuur en Milieu, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de decentrale overheden.
Ondersteunt u de conclusie dat de afschaffing van de ov-jaarkaart zal leiden tot extra milieuschade en files als gevolg van een toename van het autogebruik? Acht de u dit wenselijk?
Ik ondersteun de conclusie niet. De in het rapport genoemde effecten zijn om bovengenoemde redenen erg voorbarig. In het rapport wordt bovendien alleen gespeculeerd over mogelijke negatieve effecten van veranderingen rond de reisvoorziening. Daartegenover kunnen ook de positieve effecten worden geplaatst. Bijvoorbeeld kunnen studenten voor de korte afstanden ervoor kiezen de fiets te nemen in plaats van een bus. Dat is goed voor gezondheid en milieu.
Hoe verhoudt de afschaffing van de ov-studentenkaart zich tot het actieplan «Groei op het spoor»?
Met de uitvoering van het Actieplan «Groei op het spoor» is er naar gestreefd om de trein aantrekkelijker te maken voor steeds meer mensen, door drempels weg te nemen. Over de voortgang wordt uw Kamer regelmatig door de staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu geïnformeerd. De huidige studentenreisvoorziening maakt geen deel uit van de maatregelen uit het Actieplan.
Voor studenten streeft het kabinet naar een aantrekkelijk alternatief vervoersarrangement, zodat de trein een goede manier blijft om in de studieperiode te reizen. Daarnaast kan groei op het spoor op verschillende manieren worden gerealiseerd. Dat studenten waarschijnlijk minder kilometers over het spoor zullen afleggen, betekent niet dat er per saldo geen groei mogelijk is. Het is denkbaar dat de lege plaatsen van studenten snel worden opgevuld door andere betalende reizigers die bijvoorbeeld op dit moment drukke treinen mijden. Middelen die nu worden gereserveerd voor investeringen in materieel kunnen dan anders worden besteed, bijvoorbeeld aan veiligheid en comfort, wat uiteindelijk zou kunnen resulteren in groei op het spoor.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over de hoofdlijnenbrief studiefinanciering voorzien voor 13 februari 2013?
Bij dezen.
De positie van forensische accountants bij onderzoek naar fraude |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Maak advocaat leidend bij fraude»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, aangezien forensische accountants sinds kort ook onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) vallen, het de intentie van de wetgever is geweest dat in geval deze accountants bij een onderzoek in een onderneming op frauduleuze transacties uit het verleden stuiten, die inderdaad gemeld dienen te worden? Zo ja, welke sancties staan er op het niet melden van dergelijke transacties? Zo nee, waarom niet?
Melding van een dergelijke transactie kan verplicht zijn voor zover de accountant van die transactie heeft kennisgenomen ten behoeve van zijn dienstverlening aan een cliënt en die transactie een handeling of samenstel van handelingen betreft van of ten behoeve van die cliënt. In geval van overtreding van de meldingsplicht zijn bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties en maatregelen mogelijk. Het Bureau Financieel Toezicht kan als toezichthouder een boete of een dwangsom opleggen. Verder is het onterecht niet melden van ongebruikelijke transacties op grond van de Wet op de economische delicten strafbaar met hechtenis van ten hoogste zes maanden (in geval van opzet: twee jaren), een taakstraf of geldboete van maximaal 19.500 euro. Het maximum van de geldboete is hoger bij veroordeling van een rechtspersoon en indien de betrokken transacties een waarde vertegenwoordigen van meer dan 4875 euro.
Deelt u de mening dat als een forensisch accountant opeens op verdachte zaken uit het verleden stuit waarbij er sprake is van gegevens waarvan de melding wettelijk verplicht is, het melden van die gegevens ook beoogd is? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat het uitgangspunt, zoals dat blijkt uit de zinsneden dat «het te laat is om de forensisch accountant te weerhouden van zijn meldplicht», een in ieder geval naar de intentie van de wet verkeerd uitgangspunt is? Zo nee, waarom niet?
Het antwoord op beide vragen is ja. Per 1 januari 2013 is de WWFT op een aantal punten inhoudelijk gewijzigd. Eén van de wijzigingen betrof de werkzaamheden van de forensische accountancy. Forensische accountancyopdrachten, ongeacht of deze samenhangen met het samenstellen, beoordelen of controleren van de jaarrekening, vallen onder de WWFT. Het uitgangspunt van de wet is dat ongebruikelijke transacties die onder de meldplicht vallen dienen te worden gemeld. Het niet naleven van die meldplicht kan bestuursrechtelijk of strafrechtelijk worden gesanctioneerd.
Klopt het in het bericht gestelde dat als een advocaat de leidende persoon in een forensisch onderzoek is, dat de door die advocaat ingeschakelde forensisch accountant geen meldplicht zou hebben? Zo ja, hoe kant een leidende rol van een advocaat in deze worden afgebakend? Zo ja, deelt u de mening dat daarmee op een niet door de wetgever beoogde manier aan die meldplicht wordt ontkomen en dat dit niet in het belang is van fraudebestrijding bij ondernemingen? Zo ja, wat gaat u doen om de forensisch accountant die onder leiding van een advocaat onderzoek doet toch aan zijn meldplicht te houden? Zo nee, waarom niet en wilt u de relevante beroepsgroepen dan uitdrukkelijk op hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de meldplicht wijzen?
Of de forensisch accountant een meldplicht heeft hangt af van de rol die de advocaat vervult die opdrachtgever is van de forensisch accountant. Indien de advocaat werkzaamheden verricht waarop voor hemzelf het verschoningsrecht van toepassing is, dan mag de forensisch accountant zich op het afgeleide verschoningsrecht beroepen en geldt geen meldplicht. Dit doet zich voor bij werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid van de WWFT: de bepaling van rechtspositie van de cliënt, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding. Blijkens de wetsgeschiedenis dient dit restrictief te worden uitgelegd2. Voorkomen dient te worden dat door het enkel inschakelen van een advocaat het toezicht en de meldplicht illusoir worden gemaakt (misbruik afgeleid verschoningsrecht). In ieder concreet geval dient dan ook te worden toegelicht wat de rol en functie is van de advocaat. Als de advocaat werkzaamheden verricht waarop het verschoningsrecht niet van toepassing is, bijvoorbeeld als mediator of curator, dan kan de forensisch accountant geen beroep doen op het afgeleid verschoningsrecht en geldt de meldplicht onverkort.
Bestaan er beroepsgroepen die wel onder de Wwft en daaruit voortvloeiende meldplicht vallen, maar waarbij dat niet opgaat als zij hun beroep uitoefenen onder de regie of leiding van een beroepsbeoefenaar waarvoor een verschoningsrecht geldt? Zo ja, welke beroepsgroepen betreft dit? Zo ja, ziet u dit als een probleem en hoe gaat u dit oplossen?
Het in antwoord op vraag 4 ten aanzien van forensische accountants gestelde geldt ook voor alle andere beroepsgroepen die onder de Wwft vallen, zoals autohandelaren en belastingadviseurs. Met inachtneming van de in antwoord 4 gemaakte kanttekening over de restrictieve uitleg die misbruik van het afgeleid verschoningsrecht moet voorkomen zie ik dat niet als een probleem.
Het bericht: “Rechter kent wet niet goed“ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rechter kent wet niet goed»?1
Ja.
Klopt het dat er in Nederland onnodig veel mensenhandelaren op vrije voeten komen omdat rechters de wet niet voldoende kennen?
Uit onderzoek van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel blijkt dat het aantal vrijspraken in mensenhandelzaken relatief hoog is. Om onnodige vrijspraken in mensenhandelzaken te voorkomen is specialisatie en opbouw van expertise binnen de gerechten nodig. In antwoord op schriftelijke vragen van het lid Van der Steur van 28 december 20122 informeerde ik uw Kamer reeds over de nodige afspraken die in dit kader binnen het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) zijn gemaakt. Sinds 1 januari 2013 is per gerecht de behandeling van mensenhandelzaken geconcentreerd bij een klein aantal rechters en juridisch medewerkers met expertise op dit gebied. Mensenhandelzaken die worden aangebracht door het Landelijk Parket worden afgedaan bij vier speciaal daartoe aangewezen gerechten. Daarmee is gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel om te specialiseren binnen de rechterlijke macht.
Hoe verhoudt dit zich tot hetgeen in het regeerakkoord staat, namelijk dat mensenhandel harder bestreden zal worden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het commentaar van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, waarin zij aangeeft dat zij in haar laatste onderzoek heeft laten zien dat er vrijspraken zijn geweest als gevolg van een gebrek aan kennis en ervaring met het betreffende wetsartikel?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich de uitspraak van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie dat het heel lastig is om een mensenhandelaar op te sporen? Deelt u de mening dat het dan erg onbevredigend is dat een dergelijke crimineel vervolgens wordt vrijgelaten door gebrek aan kennis bij rechters? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat voorkomen moet worden dat dergelijke criminelen vrijkomen door een gebrek aan kennis bij rechters. Juist om die reden is ingezet op specialisatie en expertiseopbouw binnen de Rechtspraak.
Welke maatregelen gaat u nemen om er per direct voor te zorgen dat rechters geen mensenhandelaren meer vrij laten wegens gebrek aan kennis en ervaring met het betreffende wetsartikel, maar in plaats daarvan de onlangs verhoogde straffen opleggen?
Zie antwoord vraag 2.
De juisheid van de berichten dat Deutsche Bank een toezegging doet aan boeren die met hun hele financiering naar een andere bank gaan. |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht LTO: Deutsche Bank doet toezegging1 en het persbericht van LTO, «Deutsche Bank maakt ruimte voor overstap naar andere bank»?2
Ja.
Is het u bekend dat er over de toezegging van Deutsche Bank (DB) waar in deze berichten melding van wordt gemaakt, nog veel onduidelijkheid heerst?
Het is mij bekend dat er onduidelijkheid is ontstaan over hoe Deutsche Bank omgaat met klanten die een leningdeel moeten herfinancieren en al dan niet willen overstappen naar een andere bank. Ik vind het van belang dat deze onduidelijkheid wordt weggenomen en ik heb hierover contact opgenomen met Deutsche Bank en Deutsche Bank heeft mij het volgende aangegeven.
Deutsche Bank heeft in december 2012 door middel van een persbericht een aanscherping van haar strategische focus aangekondigd waarin zij te kennen heeft gegeven zich meer te willen richten op «bedrijven en organisaties die behoefte hebben aan handelsfinanciering, ondersteuning bij internationaal betalingsverkeer en hoogwaardige financiële vraagstukken». In dit persbericht is de precieze inhoud van de strategie nog niet bekend gemaakt. Deutsche Bank heeft aangegeven hierbij te streven haar klanten binnenkort, in april 2013, nader te informeren over haar aangescherpte strategie.
Ten aanzien van de reeds ontstane onduidelijkheid bij klanten ten aanzien van hun financiering heeft Deutsche Bank aangegeven altijd samen met de klant op zoek te gaan naar een passende oplossing, indien de klant als gevolg van de strategische focus wordt geraakt. Een passende oplossing zal afhangen van onder andere het totaalpakket aan diensten dat wordt afgenomen, de bedrijfseconomische positie van de onderneming en de aard van de gestelde zekerheden. Eventuele oplossingsrichtingen die voor dergelijke situaties gangbaar zijn betreffen onder andere het eenmalig verlengen van de financiering van één van de leningdelen, het aanpassen van de gevraagde zekerheden of een vorm van ondersteuning bij overstap naar een andere partij, waarbij ook kan worden gekeken naar de boeteclausule.
Kunt u bij DB navragen of de toezegging van het boetevrij kunnen vertrekken klopt, aangezien van medewerkers van de bank vernomen wordt dat DB toch te allen tijde boetes zal heffen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wat u ervan vindt dat bedrijven die bij een andere bank een lening kunnen ontvangen met een gering rentevoordeel ten opzichte van hun leningenpakket bij DB, bij het overzetten van de leningen alsnog met een grote boete van enkele tienduizenden euro’s, ineens te betalen, geconfronteerd kunnen worden, terwijl de baten van dat rentevoordeel pas over de looptijd van de nieuwe lening genoten zullen worden? Deelt u de mening dat dergelijke bedrijven hierdoor alsnog vastzitten aan hun lening bij DB, terwijl ze nooit bewust hebben gekozen voor een lening bij DB?
Ik zal bij de beantwoording van deze vragen eerst ingaan op herfinanciering van leningdelen en de rol van boeteclausules hierbij. Vervolgens op de specifieke situatie bij Deutsche Bank.
Bij financieringscontracten gelden vaak boeteclausules bij vervroegde aflossing of overstap naar een andere financier. Dit komt omdat financiers zelf ook operationele en financieringskosten moeten maken, voordat zij een klant van langlopende financiering kunnen verschaffen. Indien klanten altijd zonder boetes zouden kunnen overstappen, zou dat strategisch gedrag bij hen kunnen uitlokken. Zij zouden bijvoorbeeld als de rente daalt telkens naar een andere financier kunnen overstappen. Dit veroorzaakt echter instabiliteit en zou de financiers met grote lasten opzadelen. Om deze reden zijn er boeteclausules in dergelijke financieringscontracten opgenomen.
Deutsche Bank heeft een strategische keuze gemaakt zich in de toekomst niet meer op een bepaalde groep klanten te richten. Bestaande klanten blijven hierbij echter gebonden aan het financieringsaanbod dat deze ondernemers destijds geaccepteerd hebben. Onderdeel van dit aanbod is dat tussentijdse opzegging van de financiering tot een boete zal leiden. Er kan zich hierbij een situatie voordoen waarbij Deutsche Bank de ondernemer niet meer wil herfinancieren en dat de betreffende ondernemer bij een andere financier een lagere rente kan bedingen dan de klant voorheen bij Deutsche Bank betaalde. Zoals eerder aangegeven zal Deutsche Bank in gesprek gaan met de desbetreffende klanten en gezamenlijk met de klant op zoek gaan naar een passende oplossing.
De strategiewijziging van Deutsche Bank is een zelfstandige bedrijfseconomische beslissing, het is niet aan mij om rechtstreeks in te grijpen in de strategische beslissing van een individuele bank. Wel vind ik het niet meer dan vanzelfsprekend dat Deutsche Bank samen met haar klanten op zoek gaat naar een passende oplossing. Ik verwacht van alle banken dat zij altijd het belang van de klant centraal stellen.
Kunt u bij DB navragen hoe omgegaan wordt met de boeteclausules, als er verschillende leningdelen zijn, waarbij voor het ene leningdeel een hogere rente betaald moet worden bij een andere bank, terwijl voor het andere leningdeel een lagere rente betaald moet worden bij een andere bank?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of de toezegging van het boetevrij vertrekken ook geldt voor bedrijven die een renteswap hebben? Kunnen die bedrijven ook boetevrij weg bij DB?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er aan de onzekerheid over het leningenbeleid van DB snel een einde moet komen? Kunt u er bij DB op aandringen dat de bank het gewijzigde leningenbeleid van de bank, inclusief de toezegging van het boetevrij kunnen vertrekken, zwart op wit zet, zodat voor alle bedrijven met leningen bij DB duidelijk is waar zij aan toe zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat alle bedrijven alsnog boetevrij moeten kunnen vertrekken bij DB, omdat DB tussentijds de voorwaarden heeft gewijzigd?
Zie antwoord vraag 4.
De hermelijnen koningsmantel die zou worden gedragen t.b.v. staatsieportretten en de kroning. |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Staatsieportretten Beatrix vervangen» en «Laat die cape op zolder!; Dieuwke Grijpma onderzocht geschiedenis van koningsmantel» van 30 januari jl. over de herkomst van het bont van de koningsmantel?1 2
Ja
Kunt u aangeven of de koningsmantel is afgezet met bont afkomstig van hermelijnen of met imitatiebont? Zo nee, waarom niet?
De historische mantel is afgezet met bont afkomstig van hermelijnen. Na de inhuldiging in 1980 is in de mantel geen bont meer verwerkt. Hiertoe bestaat evenmin enig voornemen.
Zal de troonopvolger bij de inhuldiging op 30 april 2013 en tijdens het maken van de staatsieportretten een koningsmantel afgezet met bont van hermelijnen dragen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit, nu de hermelijn in Nederland en Europa een beschermde diersoort is?
Deelt u de mening dat het niet passend zou zijn als de troonopvolger ten behoeve van de inhuldigingsplechtigheid en de staatsieportretten een koningsmantel draagt met hermelijnenbont, terwijl de hermelijn een beschermde inheemse diersoort is volgens de Flora- en Faunawet? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het bovendien niet passend zou zijn als de troonopvolger ten behoeve van de inhuldigingsplechtigheid en de staatsieportretten een mantel draagt van hermelijnenbont, terwijl uit opinieonderzoeken blijkt dat de meerderheid van de bevolking bont afwijst en er sinds dit jaar een wettelijk verbod is op het fokken van pelsdieren voor bont? Zo ja, bent u bereid er voor te zorgen dat de troonopvolger ten behoeve van de inhuldigingsplechtigheid en de staatsieportretten geen mantel gevoerd met hermelijnenbont zal dragen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het Besluit van 23 april 1980, tot het voeren van het Koninklijk wapen, waar in Art. 3 en Art. 6 staat dat het wapen «kan worden geplaatst op een mantel van purper, geboord van goud, gevoerd met hermelijn, opgebonden met koorden eindigende in kwasten, beide van goud, en gedekt door een baldakijn van purper geboord van goud, en dragende de Koninklijke kroon» niet langer meer in overeenstemming is met de geest van de Nederlandse wet, nu het verboden is om dieren te fokken voor bont? Zo ja, bent u bereid om het Besluit op de kortst mogelijke termijn, in ieder geval vóór 30 april 2013, te wijzigen zodat er geen officiële aanbeveling is tot het dragen van bont door het staatshoofd? Zo nee, waarom bent u hier niet toe bereid?
Nee, zie het antwoord op de vragen 2 tot en met 5.
Oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag. |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Miljoenenfraude met toeslagen kinderopvang»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat er ondanks de in 2011 aangekondigde maatregelen tegen oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag alsnog voor miljoenen mee gefraudeerd kan worden?
Het bericht over miljoenenfraude met de kinderopvang gaat over de jaren 2009 en 2010. Deze zaak is begin 2011 aan het licht gekomen. De aangekondigde maatregelen tegen oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag zijn in 2012 ingevoerd. Deze maatregelen golden derhalve nog niet toen de hierboven genoemde zaak speelde. De kans op een dergelijk omvangrijke fraudezaak is aanmerkelijk kleiner geworden door de invoering van deze maatregelen in 2012. Over deze maatregelen bent u per brief van 13 mei 20112 geïnformeerd.
Kunt u inzicht geven in de omvang van het oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag sinds 2011? Hoeveel subsidie is er hierdoor weggelekt?
Op 20 augustus 2012 heeft de staatssecretaris van Financiën een brief aan uw Kamer gezonden met betrekking tot de aanpak van fraude bij de toeslagen3. Hierin is gemeld dat tot dusver voor circa € 40 miljoen aan fraude bij de toeslagen vastgesteld kon worden en een aantal dossiers met een belang van nog eens € 40 miljoen strafrechtelijk zouden worden vervolgd.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de in 2011 aangekondigde maatregelen om oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag tegen te gaan? In hoeverre hebben de maatregelen ertoe geleid dat het oneigenlijk gebruik is teruggedrongen?
Deze aangekondigde maatregelen in de brief van 13 mei 2011 zijn veelomvattend. Er zijn zowel in de wet- en regelgeving als in de handhaving maatregelen genomen om de fraude en oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag terug te dringen. De verscherping van de regelgeving, de invoering van het Nieuwe Toeslagensysteem met ingang van 1 januari 2012 en het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om bepaalde risicopopulaties bij de jaarovergang van 2011 naar 2012 niet geautomatiseerd een nieuwe toekenning te geven, hebben bijgedragen aan de afname van het aantal aangevraagde toeslagen in 2012. De effectiviteit van de fraudemaatregelen is niet één op één aan te tonen omdat ook andere factoren (conjunctuur, verlaging van de toeslag) bepalend zijn voor de ontwikkeling van het aantal aanvragen van kinderopvangtoeslag. Omdat de omvang van het oneigenlijk gebruik niet te meten is, is het lastig aan te tonen in welke mate dit als gevolg van de genomen maatregelen is verminderd.
Bent u in licht van dit nieuwe geval van omvangrijke fraude van mening dat de in 2011 aangekondigde maatregelen afdoende zijn? Bent u voornemens om nieuwe maatregelen te treffen om oneigenlijk gebruik tegen te gaan? Zo ja, welke?
De genoemde fraude heeft betrekking op de jaren 2009 en 2010. Vanaf vorig jaar zijn verschillende maatregelen genomen om misbruik en oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag tegen te gaan. Het gaat dan ondermeer om de maximering van het aantal vergoede opvanguren, aanscherping van controles door Belastingdienst/Toeslagen, hogere boetes en het beperken van het aanvragen van de kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht. Ik ben niet voornemens om nu al aanvullende maatregelen te nemen. Wanneer ik daar aanleiding toe zie, zal de Kamer daar over informeren.
Ouderen die letterlijk in de kou zitten. |
|
Henk van Gerven , Renske Leijten |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het verhaal van mevrouw. W. dat haar vader in een verzorgingshuis verblijft waar de temperatuur ver onder de maat is? Wilt u uw antwoord toelichten?1
Ik heb hierover een brief van mevrouw W. ontvangen en direct daarna contact op laten nemen met het verzorgingshuis. De directeur heeft verteld dat er door een technisch probleem in één van de pompen een periode is geweest waarbij op sommige kamers de temperatuur niet boven de 21,5 graden Celsius kwam. Er is een nieuwe pomp besteld, die vanuit Duitsland moest komen en niet per direct beschikbaar was. De Vijverhof heeft in de kamers waar het volgens de bewoners te koud was extra bijverwarmd. De pomp is direct bij levering vervangen.
Zorggroep Drenthe, waartoe de Vijverhof behoort, heeft een onderhoudscontract voor de CV installatie. Er is in 2011 een onderdeel van de CV installatie vervangen, er is namelijk een nieuwe zogenaamde expansieautomaat geplaatst. En in december 2012 is een mechanische ontgasser geplaatst. Dit om voor deze winter problemen met lucht in de radiatoren te voorkomen.
Op basis van de verkregen informatie kan ik niet zeggen dat de Vijverhof geen onderhoud pleegt. Hoewel de Vijverhof geen nieuw gebouw is, is de installatie wel goed in orde en wordt er dus wel degelijk onderhoud gepleegd.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat mensen, die veelal de hele dag op hun kamer verblijven, in de kou moeten zitten? Zo ja, hoe gaat u oplossen dat in verzorgingshuis «De Vijverhof» met spoed achterstallig onderhoud wordt opgelost, zodat bewoners niet meer in de kou hoeven te leven? Indien u deze mening niet deelt, wilt u dan uitgebreid antwoorden met welke reden u deze mensen in de kou laat zitten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op het feit dat het betreffende verzorgingshuis aangeeft hier geen geld voor uit te willen trekken om dit probleem op te lossen, terwijl het in 2011 een eigen vermogen had van € 14.004.458? Wilt u uw antwoord toelichten?2
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het normaal dat zorginstellingen geen onderhoud willen plegen, terwijl zij meer dan voldoende reserves hebben om onderhoud te kunnen betalen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het de juiste prioriteit van de voorzitter van de Raad van Bestuur van Zorggroep Drenthe dat er meer dan € 52.759 beschikbaar is voor een auto van de zaak, maar ondertussen bewoners in de kou zitten? Zo nee, gaat u de bestuurder aansprakelijk stellen voor slecht onderhoud van de zorginstelling waar hij verantwoordelijk voor is? Zo nee, waarom niet?3
Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 1 tot en met 4 heb aangegeven, heb ik geenszins de indruk dat sprake is van slecht onderhoud. Verder is het niet mijn directe verantwoordelijkheid de bedrijfsvoering van een individuele instelling te beoordelen.
Is temperatuur een kwaliteitscriterium waar de Inspectie op controleert? Zo neen, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de Inspectie een aanwijzing te geven bij deze instelling langs te gaan?
Temperatuur is geen apart criterium waar de inspectie op toeziet. Wel zal de inspectie bij inspectiebezoek hierover indien opportuun een opmerking maken bij de bestuurders. De inspectie had voor komend voorjaar reeds een inspectiebezoek gepland bij deze instelling, waarbij zij natuurlijk deze klacht zal meenemen en daar extra aandacht aan zal besteden.
Is u bekend hoeveel zorginstellingen in de ouderenzorg en gehandicaptenzorg temperaturen hanteren die ver onder de maat zijn? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Wilt u uw antwoord toelichten?
Nee, dit is mij niet bekend. Gelet op de in de regel adequate klachtenregelingen bij instellingen zie ik hier voor mij geen onderzoekstaak.
Energiebesparing in de gebouwde omgeving |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u er kennis van genomen dat de Franse minister van Milieu voornemens is om kantoren en winkels te verplichten om ’s avonds het licht uit te doen om energiebesparing te realiseren en lichtvervuiling tegen te gaan? Zo ja, wat vindt u van die voornemens?
Ja, ik heb kennis genomen van deze voornemens en ik ben van mening dat indien er sprake is van onnodig aanlaten van verlichting eenvoudig energie kan worden bespaard door het ’s nachts uitschakelen van verlichting.
Deelt u de mening dat het ’s avonds en ’s nachts aan laten van verlichting in lege kantoor- en winkelpanden verspilling van energie is?
Ik deel de mening dat het onnodig aan laten van verlichting energieverspilling is. Dit geldt ’s nachts, maar ook overdag. Als het donker is kan het in verband met de veiligheid noodzakelijk zijn dat er ’s nachts lampen branden in lege kantoor- en winkelpanden. Dit is een voorwaarde die soms door verzekeringsmaatschappijen wordt gesteld. Daarnaast zijn er uitzonderingen voor onder andere noodverlichting, publieke verlichting en specifieke momenten.
Deelt u de mening dat het besparen van energie een makkelijke en goedkope maatregel is om de broodnodige energietransitie dichterbij te brengen?
Het verbeteren van de energie-efficiëntie is een eenvoudige en kosteneffectieve optie om minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen. Efficiënt energiegebruik verbetert de concurrentiepositie van bedrijven, leidt tot lagere energiekosten voor de burger en levert een bijdrage aan het reduceren van broeikasgassen. Dat wil echter niet zeggen dat energiebesparing ook altijd gemakkelijk te realiseren is. Het potentieel en instrumentarium is per sector heel verschillend, en energiegebruikers hebben niet altijd de goede (financiële) prikkels en de benodigde informatie om te investeren in energiebesparing.
Als een dergelijke maatregel in Nederland ingevoerd zou worden, hoeveel energie zou er dan naar schatting jaarlijks bespaard kunnen worden?
Op basis van een schatting van ECN blijkt dat in kantoren en winkels 536 miljoen kWh ofwel 2PJ elektriciteit kan worden bespaard door het uitschakelen van onnodige verlichting buiten bedrijfstijd. De schatting gaat ervan uit dat in 10% van de werkruimtes in kantoren en winkels op werkdagen ’s avonds en ’s nachts het licht aan blijft. Uitgaande van een verbruik van 3500 kWh per huishouden zou het gaan om een besparing die gelijk is aan de elektriciteitsbehoefte van ca. 150.000 huishoudens.
Bent u bereid om in navolging van de Franse regering kantoren en winkelpanden te verplichten om ’s avonds en ‘s nachts het licht uit te doen als er niemand meer aanwezig is in deze panden? Zo nee, waarom niet en op welke wijze bent u dan voornemens om ook kantoren en winkels te laten participeren in het besparen van energie? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u dit realiseren?
Een verplichting om alle verlichting uit te schakelen ligt in Nederland niet voor de hand. Zowel in de bouw- als in de milieuregelgeving zijn reeds bepalingen opgenomen om onnodig gebruik van verlichting te voorkomen.
In het kader van de bouwregelgeving zijn minimumeisen vastgesteld voor de energieprestatie van nieuwe gebouwen. Aanwezigheidsdetectie, daglichtschakeling en een veegschakeling voor het uitschakelen van verlichting op momenten dat dit mogelijk is, dragen bij aan een hogere energieprestatie van het gebouw en zijn onderdeel van deze eisen. Deze maatregelen worden ook gewaardeerd in de bepalingsmethoden voor de bestaande bouw.
Daarnaast geldt voor bestaande gebouwen op grond van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit dat bedrijven verplicht zijn energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Hieronder vallen ook kantoorgebouwen en winkelpanden met een energieverbruik van meer dan 50.000 Kwh. Een maatregel die zich in de meeste gevallen binnen deze vijf jaar terugverdient en die in die gevallen dus onder deze verplichting valt, is bewegingsdetectie. Bij toepassen van bewegingsdetectie zal geen sprake zijn van overbodige verlichting. Bij bovenstaande dient wel te worden aangetekend dat het met oog op de veiligheid niet altijd opportuun is om de verlichting geheel uit te schakelen.
Welke overige kansen ziet u voor energiebesparing in de gebouwde omgeving en op welke wijze wilt u deze kansen benutten?
Conform mijn toezegging bij de begrotingsbehandeling voor Wonen en Rijksdienst in december 2012, zal ik in het voorjaar van 2013 komen met een nadere uitwerking voor energiebesparing in de gebouwde omgeving.
Het uitschrijven van mensen uit de GBA wanneer zij langer dan zes maanden elders verblijven |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ik pas niet in het systeem»?1
Ja.
Is het waar dat het huidige systeem niet toegerust is om mensen die langer dan zes maanden per jaar van huis zijn, ingeschreven te houden in de Gemeentelijke Basisadministratie?
De in- en uitschrijving van personen in de bevolkingsadministratie geschiedt op basis van de voorschriften in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA).
Uitschrijving is verplicht indien de ingezetene naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven. Deze periode hoeft niet aaneengesloten te zijn. Dit criterium is zo gekozen dat enerzijds zoveel mogelijk wordt tegemoet gekomen aan de wens om een zo doelmatig mogelijke basisregistratie te bereiken, en anderzijds de burger zo weinig mogelijk te belasten met aangifteverplichtingen. Bepalend is dat het verblijf van de ingezetene in Nederland als bestendig kan worden gekwalificeerd. Deze bestendigheid van het verblijf is van doorslaggevend belang om iemand als ingezetene aan te kunnen merken. Aan het ingezetenschap worden door vele overheidsinstanties gevolgen verbonden, bijvoorbeeld voor de toekenning van uitkeringen of het heffen van belastingen. Iemand die hier feitelijk niet woont (ook al bezit hij meerdere huizen) hoeft bepaalde belastingen niet te betalen, maar heeft ook geen recht op bepaalde diensten van de overheid. Het loslaten van het criterium van bestendig verblijf als voorwaarde voor inschrijving als ingezetene in de GBA zou de juiste uitvoering van een aanzienlijk aantal overheidstaken ernstig bemoeilijken.
Hoeveel personen worden per jaar uitgeschreven omdat zij langer dan zes maanden elders dan op het geregistreerde adres verblijven?
Het criterium voor uitschrijving wegens vertrek naar het buitenland is de redelijke verwachting dat de betrokkene gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven. Indien de betrokkene zelf geen aangifte wil doen van vertrek, wordt deze ambtshalve uitgeschreven. Het aantal personen dat per jaar om deze reden ambtshalve wordt uitgeschreven, is op centraal niveau niet te achterhalen. Daarvoor zou een rondgang bij alle gemeenten moeten worden gedaan.
Welke consequenties heeft het niet langer ingeschreven staan in de Gemeentelijke Basisadministratie?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken of personen, die vanwege bijvoorbeeld werk veel van huis zijn, toch in de GBA ingeschreven kunnen blijven op hun thuisadres? Zo ja, wanneer rapporteert u hierover aan de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor is uiteengezet zijn de regels voor in- en uitschrijving van een persoon als ingezetene in de GBA van essentieel belang voor de uitvoering van taken door vele overheidsinstanties. Die regels zijn dan ook overgenomen in het voorstel Wet basisregistratie personen dat op dit moment ter behandeling in de Tweede Kamer ligt. Indien het genoemde wetsvoorstel wordt aangenomen, zullen ook over niet-ingezetenen gegevens worden bijgehouden. De betrokken personen blijven daardoor in beeld voor die overheidsinstanties voor wie dat in verband met de uitvoering van hun taken van belang is.