Het op grote schaal opnieuw aanscherpen van de kredietvoorwaarden voor MKB-ondernemers |
|
Selçuk Öztürk (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving dat in het eerste kwartaal van 2013 maar liefst 50% van de banken opnieuw de kredietvoorwaarden voor Midden- en Kleinbedrijf (MKB)-ondernemers heeft aangescherpt?1
Ja.
Bent u tevens op de hoogte van de uitspraken van de voorzitter van MKB-Nederland, die stelt dat MKB’ers niet meer naar de bank durven, omdat ze ervan uitgaan dat de kredietaanvraag toch afgewezen wordt?2
Ja. Ik wil daar echter wel de volgende kanttekeningen bij maken. Uit de financieringsmonitor die ik u heden stuurde blijkt dat slechts 4% van het kleinbedrijf met een financieringsbehoefte geen financiering aanvroeg omdat men verwachtte die niet te kunnen krijgen. In zijn algemeenheid zou ik gezonde bedrijven met een financieringsbehoefte die twijfelen over hun kans op succes zeker willen aanraden die financieringsaanvraag toch te doen, maar wel grondig voorbereid.
Wat vindt u van zijn stelling dat banken vooral moeilijk doen met het verstrekken van leningen tussen 50.000 en 250.000 euro, ongeveer 80 procent van de kredieten in het MKB, en dat de banken op deze leningen niet meer serieus ingaan, omdat ze in de ogen van de banken niet meer rendabel zijn, waardoor een heel groot knelpunt is ontstaan?
Banken zullen ook aanvragen tussen de 50.000 en de 250.000 euro serieus bekijken. Bedrijven zullen zich wel moeten realiseren dat gezien de economische situatie veel ondernemingsplannen op dit moment veel moeilijker te realiseren zijn. Een financier, ook een bank, zal overtuigd moeten zijn dat het plan levensvatbaar is en het krediet kan worden terugbetaald. Een goede voorbereiding is daarom essentieel. Bij die voorbereiding hoort ook een oriëntatie of bancaire financiering de juiste manier is om de financieringsbehoefte in te vullen. Is sprake van grote risico’s, dan moet een bedrijf veel meer op zoek gaan naar eigen vermogen.
Waarom gaan de banken opnieuw in tegen de breed gedeelde politieke en maatschappelijke heersende opinie dat het MKB niet verstoken mag blijven van een adequate kredietverstrekking?
Hier is sprake van een dilemma. Maatschappelijk en politiek is ook de breed gedragen opinie dat banken niet te grote risico’s mogen nemen. Daar is inmiddels ook uitgebreide regelgeving voor gereed of in voorbereiding. De stakeholders van banken zoals spaarders, de kapitaalmarkt, aandeelhouders en overheden eisen van banken ook dat zij minder risico’s nemen. Veel op de Nederlandse markt gerichte bedrijven hebben het moeilijk gezien de conjuncturele ontwikkelingen en financiering van deze bedrijven brengt reële risico’s op verliezen met zich mee. Ik probeer dat dilemma voor een deel op te lossen met garantieregelingen zoals vooral de borgstellingsregeling voor het MKB en, in samenwerking met de banken, een vangnet voor kleinere kredieten in de vorm van Qredits. In hun voorbereiding op een financieringsaanvraag kunnen bedrijven die mogelijkheden ook meenemen.
Kunt u, net als uw voorganger op 6 december 2011, opnieuw een sessie beleggen met de banken om hen opnieuw op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te wijzen? Vindt u dat de banken op dit punt erg hardleers zijn?
Ik ben in het antwoord op de vorige vraag al ingegaan op het dilemma voor banken om enerzijds te willen financieren, maar anderzijds niet onverantwoorde risico’s te mogen nemen. Daarom vind ik de aanduiding hardleers niet op zijn plaats.
De contacten met banken zijn intensief maar ook in een nieuw overleg zal de bedrijfseconomische werkelijkheid niet veranderd kunnen worden.
Wat zijn de resultaten van de krediettop (Catshuissessie) over kredietverlening aan het MKB, die heeft plaatsgevonden in april?
In de bijeenkomst tussen institutionele beleggers en een kabinetsdelegatie is besloten dat de komende maanden in kaart gebracht zal worden welke mogelijkheden er zijn voor institutionele beleggers om in het Nederlandse MKB te investeren. Een werkgroep onder leiding van Delta Lloyd CEO Hoek voert deze verkenning uit.
Zijn de door de banken genoemde redenen, zoals de toenemende kosten van de vermogenspositie en de hogere risicoperceptie, reëel te noemen?
Voor het MKB, dat veel meer dan het grootbedrijf voor de binnenlandse markt werkt, is de sterk teruggelopen vraag naar hun producten en diensten uiteraard een ernstig probleem. Daardoor worden de omzetten en winstgevendheid sterk negatief beïnvloed, hetgeen dus tot aanmerkelijk hogere bedrijfsrisico’s leidt. De hogere risicoperceptie is dus inderdaad reëel. Dat de hogere kosten van de vermogenspositie kunnen leiden tot een aanscherping van de kredietvoorwaarden is evenzeer plausibel. Overigens noemen de banken de hogere kosten van de vermogenspositie ook als reden voor het aanscherpen van de kredietvoorwaarden bij leningen aan grote bedrijven3. Banken noemen deze reden wel minder vaak4, dit kan op twee mogelijke manieren verklaard worden. Ten eerste hebben veel minder banken de kredietvoorwaarden voor het grootbedrijf aangescherpt dan voor het MKB. Ten tweede hebben leningen aan grote bedrijven gemiddeld genomen een lager risicogewicht.
Klopt het dat het MKB slechts een klein deel van de kredietportfolio uitmaakt en in hoeverre speelt het Basel 3 argument een rol? Wordt dat niet sterk overdreven?
De omvang van de kredietverlening aan het MKB wordt door experts op ca 1/3 van de totale markt voor bedrijfsfinanciering (ca € 350 mrd aan uitstaande leningen) geschat, dus zeker niet te verwaarlozen.
Knelt Basel 3 sterker voor het MKB dan voor het grootbedrijf?
Op grond van Bazel III moeten banken hun kapitaalratio verhogen. Deze gewogen kapitaalratio wordt berekend op basis van het risicogewicht van leningen. Het risicogewicht voor MKB-leningen in CRD IV (de Europese omzetting van Bazel III) is verlaagd ten opzichte van andere leningen met een vergelijkbaar kredietrisico. Het is echter wel zo dat ook na deze verlaging MKB leningen gemiddeld genomen risicovoller zijn dan leningen aan het grootbedrijf, hetgeen zich vertaalt zich in een hoger risicogewicht. Een MKB-lening zal dus gemiddeld genomen zwaarder meetellen in de berekening van de kapitaalratio van een bank. Dit is altijd zo geweest, hoewel CRD IV dus wel een versoepeling op dit punt bevat.
Is de echte reden niet dat er per MKB-klant gewoon minder winst wordt gemaakt dan op een grotere klant en klopt het dat het streven naar winstmaximalisatie en kostenminimalisatie de banken hindert in het nemen van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid?
Indien kredietverlening aan een bepaalde doelgroep zoals kleine bedrijven niet meer rendabel zou zijn, dan is deze niet duurzaam en zal deze dus op termijn verdwijnen. Wel zijn er verschillende instrumenten om in de kern gezonde ondernemers te ondersteunen bij het verkrijgen van financiering. U kunt hierbij denken aan garantieregelen zoals de borgstelling MKB, de garantie ondernemersfinanciering of aan het innovatiefonds MKB.
Hoe gaat u bevorderen dat de banken weer hun maatschappelijke verantwoordelijkheid gaan nemen?
De samenleving heeft een gedeeld belang bij een goed functionerend bankbedrijf. De crisis heeft geleerd dat banken een grote stabiliteit en continuïteit moeten kennen. Het is dan ook van groot maatschappelijk belang dat banken hun kapitaalratio verhogen. Daarnaast is het van groot maatschappelijk belang dat bedrijven met een kwalitatief goede financieringsaanvraag deze financiering ook kunnen krijgen. De contacten met de banken gaan nadrukkelijk over het functioneren van banken gegeven dit tweeledige maatschappelijke belang. Daar waar nodig ondersteun ik de kredietverlening door middel van verschillende initiatieven, waaronder verscheidene garantieregelingen.
De laatste politieke ontwikkelingen op Sint Maarten |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de laatste politieke ontwikkelingen op Sint Maarten?1
Ja
Bent u er mee bekend dat er parlementaire steun is voor een regering bestaande uit ministers van UP, DP en het onafhankelijke statenlid Laville, waarbij laatstgenoemde genoemd wordt als Minister van Toerisme, Economische Zaken, Telecommunicatie en Vervoer?
Hoewel ik niet betrokken ben bij het formatieproces van een nieuwe regeringscoalitie op Sint Maarten, ben ik op de hoogte van dergelijke berichten. Het is echter niet aan mij om uitspraken te doen over de integriteit van mogelijke individuele kandidaat-ministers van Sint Maarten. In zijn algemeenheid ben ik van mening dat een zeer strikte toets op integriteit, naar het voorbeeld van Curaçao, zeer wenselijk is. De rijksministerraad heeft dit ook bij herhaling uitgesproken.
Bent u er ook mee bekend dat statenlid Laville nog recentelijk publiekelijk heeft verklaard dat hem door de lijsttrekker van de UP een bedrag van USD 350.000,00 is geboden om weer terug te keren naar de UP?2 Bent u er ook mee bekend dat daarnaast statenlid Laville nog verdacht is van vermeend wapenbezit en bedreiging?3 Heeft u vertrouwen in de integriteit van deze beoogde Minister?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte van het feit dat de vicevoorzitter van de Staten aangifte heeft gedaan van poging tot omkoping door de leider van de UP?4
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de status van het onderzoek naar het kopen van stemmen door de leider van de UP bij de Statenverkiezingen van 2010? Bent u er mee bekend dat het onderzoek hier naar door de Landsrecherche sindsdien nog niet van de grond is gekomen, althans nog niet is afgerond, zoals onder meer blijkt uit publicaties?5
Rechtshandhaving valt onder de autonome bevoegdheden van de landen. Dit betekent dat het aan het Openbaar Ministerie op Sint Maarten is om onderzoeken te verrichten en te bepalen of en zo ja wie vervolgd zou moeten worden. Ik ben als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland niet verantwoordelijk voor eventuele strafrechtelijke onderzoeken van het land Sint Maarten.
Deelt u de opvatting dat het kopen van stemmen een ernstig aantasting van de democratie is? Zo nee, waarom niet? Bent u voorts van mening dat een dergelijk onderzoek binnen een redelijke termijn, met het oog op de huidige omstandigheden, dient te zijn afgerond? Zo nee, waarom niet?
Indien er stemmen worden gekocht is dat inderdaad een ernstige aantasting van elke democratie, waar dan ook. Ik ben niet in de positie om uitspraken te doen over redelijke termijnen van strafrechtelijke onderzoeken op Sint Maarten.
Is het vorenstaande al voldoende reden om te twijfelen aan de integriteit van Theo Heyliger, lijsttrekker van de UP en beoogd Minister van Volkshuisvestiging, Ruimtelijke Ordening, Infrastructuur en Milieu? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vragen 2,3,4
Deelt u de mening dat na alle commotie rondom de net afgetreden Minister van Justitie Duncan er goed gelet moet worden op de screening van de nieuwe ministersploeg en dat dit van belang is voor het internationaal aanzien van Sint Maarten en daarmee van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Ja. De screening van aanstaande ministers is een landsaangelegenheid van Sint Maarten, geregeld in de Landsverordening integriteitbevordering ministers. Nederland is hierbij dan ook niet betrokken. Het mag echter als vanzelfsprekend worden beschouwd dat niet alleen Sint Maarten, maar ook het gehele Koninkrijk baat heeft bij een goede screeningsprocedure voor de kandidaat-ministers van Sint Maarten. De rijksministerraad heeft er bij Sint Maarten dan ook op aangedrongen werk te maken van een zorgvuldige screening bij het aantreden van een nieuwe regering. De gouverneur van Sint Maarten heeft in de formatieopdracht aan minister-president Wescot aandacht gevraagd voor het screeningsproces. Daarmee wordt zichtbaar opvolging gegeven aan de uiting van zorg van de Rijksministerraad.
Heeft u er vertrouwen in dat de screening van de beoogde kabinetsleden zorgvuldig zal worden uitgevoerd? Kunt u aangeven of Nederland hierbij zal assisteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Passende zorg voor mensen met gespecialiseerde begeleiding met minder dan 10 uur zorg per week |
|
Otwin van Dijk (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zorgorganisaties kunnen veel mensen die PGB verliezen geen zorg bieden»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de meldactie die Per Saldo (de belangenvereniging voor mensen met een PGB) georganiseerd heeft voor mensen die door de 10-uurs grens op het persoonsgebonden budget (PGB) vanaf 1 januari 2014 geen PGB meer kunnen ontvangen voor hun begeleidingsvraag, waarover in het artikel wordt gesproken?
Ja. Ik heb u hierover per brief van 18 april 2013 (TK 2012–2013, 25 657, nr. 98) geïnformeerd.
Wat is uw oordeel over het feit dat 85% van de respondenten van de meldactie van Per Saldo zegt geen passende zorg te kunnen vinden bij instellingen? Wat is uw oordeel over het feit dat 56% van alle respondenten aangeeft al bij zorginstellingen geïnformeerd te hebben en nee te horen hebben gekregen? Herkent u deze signalen? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Zoals aangegeven in antwoorden op vragen (van 11 april jongstleden) van het lid Voortman, gaat het om een niet-representatieve meldactie waarbij het zorgkantoor niet naar hun oordeel is gevraagd. Daarmee hoeven de uitkomsten geen juiste weerspiegeling te geven van de situatie van de circa 45.000 budgethouders die op 1 januari 2014 hun pgb zullen verliezen.
Desondanks neem ik het signaal zeer serieus en begrijp ik dat mensen zich zorgen maken. Ik deel de mening dat voor alle mensen met een AWBZ-indicatie, en daarmee ook voor mensen die gespecialiseerde begeleiding nodig hebben, passende zorg beschikbaar moet zijn. Het pgb kan een goed instrument zijn om de zorg beter aan te laten aansluiten bij wat mensen nodig hebben. Juist om dit instrument te behouden voor hen voor wie het bedoeld is, zijn maatregelen nodig. Ik overleg, zoals ik heb aangegeven tijdens het nota-overleg van afgelopen week over de Hervorming van de Langdurige Zorg, momenteel met Per Saldo, zorgkantoren en brancheorganisaties voor kleine aanbieders hoe de 10 uursmaatregel uitgewerkt kan worden en of er alternatieven zijn die passen binnen het beschikbare budgettaire kader. Ik verwacht uw Kamer begin juli hierover te kunnen informeren.
Heeft u zelf signalen ontvangen dat mensen die alleen gespecialiseerde begeleiding nodig hebben voor minder dan 10 uur per week en per 1 januari 2014 geen PGB meer kunnen krijgen, geen passende zorg kunnen vinden bij instellingen? Zo ja, welke signalen en om hoeveel mensen gaat het?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat mensen die gespecialiseerde begeleiding nodig hebben (vaak mensen met psychiatrische aandoeningen zoals een autismespectrumstoornis of mensen met niet-aangeboren hersenletsel) passende zorg moeten kunnen krijgen? Zo ja, hoe kunt u er zorg voor dragen dat mensen passende zorg ontvangen en welke mogelijkheden heeft u daarvoor? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Per Saldo over de resultaten van de meldactie en de mogelijkheden om passende gespecialiseerde begeleiding te borgen voor mensen ook als zij minder dan 10 uur begeleiding per week hebben?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat weidegang niet noodzakelijk is voor weidepremie |
|
Sjoera Dikkers (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat weidegang niet noodzakelijk is voor weidepremie?1
De Stichting weidegang stelt aan weidemelk de voorwaarde dat weidegang wordt toegepast (minimaal 120 dagen per jaar en minimaal 6 uur per dag). Ongeveer 70% van de in Nederland geproduceerde melk is afkomstig van koeien die weidegang krijgen. Het merendeel van de melkveehouders die hun koeien weiden, ontvangt daarvoor een weidepremie, maar niet al deze melk wordt ook daadwerkelijk als weidezuivel verkocht.
Enkele zuivelondernemingen stimuleren integrale duurzaamheid waarvan naast weidegang bijvoorbeeld ook milieu en dierenwelzijn onderdeel uitmaken en passen een duurzaamheidspremie toe, deze zuivel wordt niet als weidemelk verkocht.
De term «weidemelk» geldt alleen voor melk van koeien die daadwerkelijk weidegang krijgen, dat is in de praktijk ook het geval. Ik zie geen aanleiding om daarover met de betreffende bedrijven nader te spreken.
Is het u bekend of de melk waarvoor wel een premie is ontvangen als «weidemelk» verkocht is?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de term «weidemelk» alleen zou mogen gelden voor melk van koeien die ook daadwerkelijk op het land lopen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het misleiding van de consument is wanneer er op het pak weidemelk staat, terwijl in de praktijk de verduurzaming van de stallen al voldoende is om een dergelijk predikaat te krijgen?
In artikel 29, lid 1 van de Warenwet is opgenomen dat aanduidingen, vermeldingen of voorstellingen die doordat zij onjuist of onvolledig zijn of een onjuiste indruk wekken, misleidend zijn met betrekking tot de kenmerken van de betrokken eet- en drinkwaar, en met name tot de aard, identiteit, hoedanigheden samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, oorsprong of herkomst, wijze van vervaardiging of verkrijging, bij het verhandelen van eet- en drinkwaren, en bij de aanprijzing ervan, niet mogen worden gebezigd. Aan weidemelk wordt de voorwaarde gesteld dat weidegang wordt toegepast. Het is niet nodig om andere voorwaarden te stellen.
Deelt u de mening dat koeien in het Nederlandse landschap thuishoren en dat het voor de dieren beter is om zoveel mogelijk buiten te lopen? Zo ja, wat gaat u eraan doen om dit te bevorderen? Zo niet, waarom niet?
Weidegang is een belangrijk maatschappelijk thema. Weidende koeien kenmerken het Nederlandse landschap. Zij maken de melkveehouderij zichtbaar en bepalen mede wat het beeld dat de maatschappij heeft van de Nederlandse zuivelsector en haar producten. Weidegang komt op diverse punten tegemoet aan de behoefte van de koe om haar natuurlijk gedrag te kunnen vertonen.
In 2012 hebben 59 partijen het Convenant Weidegang ondertekend, waaronder het ministerie van Economische Zaken.
Bent u bereid om met de betreffende bedrijven te spreken over de voorwaarden die aan een term als «weidegang' zijn verbonden? Zo ja, kunt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomsten van dit gesprek? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Ziet u naar aanleiding van dit bericht de noodzaak om voorwaarden te stellen aan het gebruik van termen als «duurzaam», «weidemelk» en «fair» aangezien er geen standaard geldende definities zijn en de consument niet weet aan welke standaarden het voeren van dergelijke termen dan voldoen? Zo ja, welke stappen ziet u voor zich? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het gegeven dat vrouwen in achterstandswijken nog steeds geen gelijkwaardige perinatale zorg krijgen |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de onderzoeksresultaten van het nieuwste EURO-PERISTAT-onderzoek?
Ja.
Deelt u de mening dat het positief is dat het verminderen van perinatale sterfte van baby's de goede kant opgaat, maar dat het onverteerbaar is dat de situatie voor vrouwen en baby's in achterstandswijken er niet evenredig beter op wordt?
In het Peristat rapport wordt niet ingegaan op de perinatale sterfte in achterstandswijken. De Peristat onderzoekers erkennen de belangrijke rol van ongelijkheid in perinatale sterfte maar hebben beperkte data beschikbaar om daar iets over te zeggen. In veel landen ontbreken daarover (nog) betrouwbare gegevens. In paragraaf 3.5 leggen de Peristat onderzoekers daarover verantwoording af. Dat laat overigens onverlet dat ik het met u eens ben dat de perinatale sterfte in achterstandssituaties een punt van zorg is. Uit een Nederlands onderzoek1 blijkt dat het wonen in een achterstandswijk gepaard gaat met een hogere perinatale sterfte dan in andere wijken. Het betreft daarbij voor een groot deel niet-medische risico’s en een laag kennisniveau over gezond zwanger worden en zwanger zijn. Ik financier daarom al geruime tijd een project van het ErasmusMC dat in 14 gemeenten wordt uitgevoerd. In dit project «Healthy Pregnancy 4 All» wordt geëxperimenteerd met een risicoselectie instrument (R4U) en met programmatische preconceptiezorg. De eerste gegevens uit dit project zullen in 2014 beschikbaar komen.
Welke vorderingen zijn er nu precies gemaakt voor vrouwen in achterstandswijken? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de situatie voor deze vrouwen versneld verbetert?
In de voortgangsbrief2 over zwangerschap en geboorte die ik u eind april stuurde, heb ik u geïnformeerd over alle activiteiten die worden ondernomen om de perinatale sterfte in Nederland terug te dringen. Sommige activiteiten zijn gericht op alle (aanstaande) zwangeren en (aanstaande) moeders; sommigen zijn specifiek gericht op kwetsbare groepen. Het gaat daarbij om het eerder genoemde programma «Healthy Pregnancy 4 All», om activiteiten binnen het ZonMw-programma «Zwangerschap en Geboorte» en om activiteiten die het College Perinatale Zorg (CPZ) aanstuurt. De resultaten van al deze activiteiten worden zichtbaar in het cijfers van de Perinatale Registratie Nederland (PRN) en de Perinatale Audit Nederland (PAN). Dat is echter altijd achteraf pas zichtbaar. Ik vind het positief dat reeds in 2010 de eerste zichtbare verandering in de babysterfte in de cijfers tot uiting is gekomen, en verwacht dat de daling in een volgend rapport stevig zal hebben doorgezet.
Wordt er, na het bekend worden van deze gegevens, door het College Perinatale Zorg voldoende extra ingezet? Waaruit blijkt dat?
Ik vind dat het CPZ voortvarend aan de slag is gegaan als ik kijk naar de voortgangsrapportage van het CPZ die ik u eveneens toezond met mijn brief van 24 april jl. Projecten zijn gestart, onderzoeken lopen waardoor meer kennis beschikbaar komt en regionale samenwerking is geïntensiveerd. Het CPZ zet daarbij zowel in op verbeteringen in algemene zin als verbeteringen gericht op specifieke groepen. In het geval van achterstandsituaties zet het CPZ in op het vergroten van bewustwording van het belang van preconceptiezorg en eenduidige voorlichting aan zwangeren in achterstandswijken via kennisoverdracht en het stimuleren van projecten. Hierbij gaat het onder andere om digitale instrumenten, social media en websites zoals www.strakszwangerworden.nl. Op deze laatste website is bijvoorbeeld een animatie te vinden voor laaggeletterden. Momenteel jaagt het CPZ dergelijke ontwikkelingen aan maar het is natuurlijk op termijn wel de bedoeling dat dit structureel in de dagelijkse praktijk wordt ingebed. Ik realiseer me terdege dat dit de komende jaren nog het nodige vergt van alle bij de geboortezorg betrokken professionals, afzonderlijk maar vooral gezamenlijk.
De band tussen de Moslimbroederschap en een Amsterdamse moskee |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Koeweit aan de macht in buurtmoskee Slotervaart»?1
Ja.
Klopt het dat de eigenaar van de Blauwe Moskee, de Koeweiti Mutlaq Alqarawi (via de stichting Europe Trust Nederland), gelieerd is aan de Moslimbroederschap?
Dit is bij ons niet bekend. De overheid houdt geen overzicht bij van welke individuen aan welke organisaties zijn gelieerd. Alleen wanneer daartoe aanleiding is, zoals wanneer uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van enige illegale handelingen blijkt, doen de bevoegde overheidsinstanties onderzoek naar individuen.
Deelt u de visie dat een organisatie, die in haar motto stelt dat de koran haar wet is en de jihad haar weg, niet getolereerd dient te worden in Nederland en dus ook nooit invloed mag hebben op moskeeën?
In Nederland gelden de vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting. In de Nederlandse samenleving is daarom, binnen de grenzen van de wet, ruimte voor diverse levensbeschouwingen en opvattingen.
In Nederland dient iedereen zich aan de wet te houden en is het bijvoorbeeld verboden om aan te zetten tot geweld. Waar er concrete aanleiding bestaat is het aan de bevoegde instanties om actie te ondernemen, bijvoorbeeld door middel van opsporing en vervolging. Als er aanwijzingen zijn dat (buitenlandse) financiering van een moskee een mogelijke dreiging voor de nationale veiligheid oplevert, dan kan de AIVD onderzoek verrichten. Zo’n onderzoek kan uiteindelijk leiden tot vervolging door het Openbaar Ministerie.
Kunt u aangeven welke moskeeën in Nederland gefinancierd zijn door buitenlandse mogendheden en welke moskeeën en mogendheden dat zijn? Zo neen, waarom niet?
De kamer is eerder geïnformeerd over de risico’s van buitenlandse financiering (TK 2008–2009, 29 754, nr. 145). In deze brief wordt onder andere in gegaan op de weerbaarheid van moskeeën zelf die de risico’s van buitenlandse financiering kan beperken. Er wordt tevens aangegeven dat de overheid een goed systeem kent voor toezicht-, handhaving- en sanctiemogelijkheden, als ongebruikelijke transacties, of illegale financiële activiteiten zich voordoen.
Op 4 juni jl. is de motie-Segers c.s. (29 754, nr. 221) over een onderzoek naar financiële steun vanuit onvrije landen aangenomen. De Tweede Kamer zal naar aanleiding van deze motie verder over dit onderwerp worden geïnformeerd.
Bent u van mening dat de financiering van moskeeën door OIC-landen (landen behorende bij de Organisatie van de Islamitische Samenwerking) of aan deze landen gelieerde organisaties verboden zou moeten worden? Zo neen, waarom niet?
Nee. Vanwege het beginsel van scheiding van kerk en staat, alsmede de vrijheid van godsdienst, is overheidsinmenging in kerkgenootschappen niet altijd mogelijk, noch wenselijk. De overheid kan in beginsel geen maatregelen nemen ten aanzien van de samenstelling van een moskeebestuur en de financiering van een moskee, ook niet als deze (gedeeltelijk) vanuit het buitenland plaatsvindt. Het is vreemde mogendheden daarnaast toegestaan om contact te onderhouden met (voormalig) onderdanen zolang dit op basis van vrijwilligheid gebeurt en er geen sprake is van integratiebelemmering.
Zie verder vraag 4.
Wat is uw reactie op het bericht dat Frankrijk de handelsvergunning van de Diane-35 pil en generieke varianten van de markt heeft gehaald ondanks de aanbeveling van het PRAC?1 2
In het verleden zijn Diane 35 en generieke varianten daarvan via nationale procedures toegelaten in de lidstaten van Europa. De beoordelingsautoriteiten van de lidstaten beoordelen geneesmiddelen weliswaar op basis van dezelfde wetgeving, maar overigens onafhankelijk van elkaar op basis van zelfstandig vergaarde geneesmiddelenbewakingsgegevens: het College ter beoordeling Geneesmiddelen (CBG) voor Nederland en het Agence Nationale de Securité du Médicament et des produits de santé (ANSM) voor Frankrijk. Het kan dus voorkomen dat de weging van de baten en risico’s van het ANSM afwijkt van de bevindingen van het CBG. Dat Frankrijk op grond meldingen van bijwerkingen de weging baten en risico anders inschat en tot andere maatregelen overgaat, is een nationale bevoegdheid en staat los van de beoordeling door het CBG in Nederland. Een dergelijke inschatting is nationaal tot er een uitkomst is van de Unie-spoedprocedure (zie hieronder).
De herbeoordeling van Diane-35 en generieken is deel van de geneesmiddelenbewaking zoals neergelegd in de Geneesmiddelenrichtlijn, waaraan Nederland zich als lidstaat heeft gecommitteerd. De besluitvorming van de in dat kader gestarte Unie-spoedprocedure is nog niet afgerond. Deze procedure waarborgt dat de beoordelingsautoriteiten de individueel vergaarde kennis op (tijds)efficiënte wijze delen en op basis daarvan gezamenlijk tot een eenduidige en efficiënte aanpak op Europees niveau kunnen komen en, indien aangewezen, tot geharmoniseerde maatregelen kunnen overgaan. Nog daargelaten dat ik niet bevoegd ben om handelsvergunningen in te trekken – in Nederland is er bewust voor gekozen om de toelating en het uit de handel nemen van geneesmiddelen over te laten aan het onafhankelijke CBG – vertrouw ik op de deskundigheid van het CBG om de baten en risico’s van deze geneesmiddelen te beoordelen en om Nederland tijdens deze herbeoordeling bij het Europees Geneesmiddelenbureau EMA te vertegenwoordigen. Ik kan en wil niet vooruitlopen op deze Europese besluitvorming.
Hoe reageert u op de motivatie van de Agence Nationale de Securité du Médicament (ANSM) dat de werking van de Diane-35 en generieke varianten niet opweegt tegen de risico’s die vrouwen lopen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting van de ANSM over de risico’s die het gebruik van de Diane-35 pil met zich meebrengt?
Zie antwoord vraag 1.
Is deze beslissing van de ANSM voor u reden om ook de Nederlandse handelsvergunning voor Diane-35 in te trekken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Zie antwoord vraag 1.
Welke positie neemt u in de Co-ordination Group for Mutual Recognition and Decentralised Procedures – Human (CMDh) in? Bent u voornemens daar te pleiten voor het in de ban doen van de Diane-35 pil en generieke varianten? Zo nee, waarom niet?3
Bij de verschillende geledingen van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) wordt Nederland in vertegenwoordigd door het CBG. Zo ook in de coördinatiegroep (CMDh). In die besluitvorming speel ik, noch in nationale zin, noch in Europese zin, een rol. Niet ik, maar het CBG beschikt immers over de vereiste deskundigheid op dat gebied. Tijdens deze herbeoordeling van Diane-35 en generieken treedt Nederland bovendien op als rapporteur en Frankrijk als co-rapporteur. Zoals op de websites van de EMA en het CBG is te lezen, is het Risicobeoordelingscomité op basis van de rapportage van Nederland met een meerderheid van 31 tegen 1 tot de aanbeveling gekomen om – kort gezegd – Diane-35 en generieken niet uit de handel te halen. Deze aanbeveling Is inmiddels op 30 mei jl. met dezelfde stemverhouding overgenomen door de CMDh. Zou sprake zijn geweest van unanimiteit in de CMDh, dan zou de Europese besluitvormingsprocedure hiermee zijn afgerond. Nu geen sprake is van unanimiteit dient de Europese Commissie een besluit te nemen.
Welke mogelijkheden hebben de Nederlandse autoriteiten om – in weerwil van afwegingen op Europees niveau – op basis van gezondheidsrisico’s en eigen afwegingen bepaalde medicijnen een handelsvergunning te weigeren dan wel in te trekken? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
De Nederlandse autoriteiten zijn in het geval van decentraal toegelaten geneesmiddelen, zoals de onderhavige, bevoegd om onafhankelijk te oordelen over de verlening, schorsing en intrekking van handelsvergunningen tot aan het moment waarop sprake is van een besluit in het kader van de nieuwe Unie-spoedprocedure. Een besluit in het kader van de Unie-spoedprocedure is bindend voor alle lidstaten. In het geval van Diane-35 is op dit moment nog geen sprake van een besluit.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg geneesmiddelenbeleid dat gepland staat voor 6 juni a.s.?
Ja.
De stijging van de energieprijzen op Bonaire als gevolg van een conflict tussen de energieproducent (Ecopower) en de het Water en Energiebedrijf Bonaire (WEB) |
|
René Leegte (VVD), André Bosman (VVD), Pieter Litjens (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de stijging van de energieprijzen op Bonaire als gevolg van een conflict tussen de energieproducent (Ecopower) en de het Water en Energiebedrijf Bonaire (WEB)?
De recente tariefstijging is in belangrijke mate veroorzaakt door enerzijds de kostenontwikkeling van de elektriciteitsproductie en anderzijds het langdurig verzuim van het bestuurscollege de tarieven kostendekkend vast te stellen. Het laatste is veeleer aanleiding geweest voor de spanning tussen WEB en Ecopower over de te verrekenen kosten.
Hoe groot is de subsidie uit Nederland die nodig was om de tariefstijging van energie op Bonaire te beperken?
EZ heeft in 2012 WEB € 5,5 miljoen ter beschikking gesteld en I&M € 2,3 miljoen voor de periode tot eind 2013. Het vorige kabinet heeft besloten tot een aansluitende tijdelijke voorziening te regelen in de aanstaande wet elektriciteits- en drinkwatervoorziening voor CN.
Is er nu een kostendekkend tarief voor de levering van energie op Bonaire?
Ja.
Zijn de betalingen van het WEB aan Ecopower nu volledig conform de facturering?
Ja.
Wat is de stand van zaken van de «operationele audit» zoals aangegeven in de antwoorden van de toenmalige Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie?1
De audit van WEB is uitgevoerd door de Auditdienst Rijk. Het belangrijkste beeld dat naar voren kwam was dat van een bijna failliet bedrijf dat geruime tijd geen diepte en onderhoudsinvesteringen heeft verricht. Belangrijke adviezen om de tarieven te verhogen, de kwaliteit van het management te verbeteren en te zorgen voor een oplossing van het conflict met Ecopower alsmede te zorgen voor een degelijke externe financiering zijn ter harte genomen en geëffectueerd.
Wat is de status van het onderzoek dat de Gezaghebber van Bonaire naar aanleiding van het conflict had aangegeven te zullen instellen naar de integriteit van bestuurders van het WEB?
De gezaghebber van Bonaire heeft in het najaar van 2012 voorgesteld een dergelijk onderzoek uit te voeren. Inmiddels is dit voornemen nader geconcretiseerd. Het onderzoek zou zich moeten richten op de verantwoordingsmechanismen in de verhouding tussen WEB, het openbaar lichaam Bonaire als aandeelhouder van WEB en het bestuurscollege met als doel om voor de toekomst lessen te trekken uit de wijze waarop deze mechanismen de afgelopen jaren hebben gefunctioneerd. Het onderzoek wordt naar verwachting dit najaar afgerond.
Ik vind het een belangrijk en positief signaal dat door het bestuur van Bonaire het initiatief is genomen om een dergelijk onderzoek uit te voeren in aanvulling op de stappen die het eilandbestuur in de afgelopen periode al heeft gezet om de governance rond WEB te versterken. Zo is recent een nieuw management aangetreden en heeft in samenspraak met de Rijksoverheid een aantal verschuivingen plaatsgevonden in de samenstelling van de Raad van Commissarissen.
Deelt u de mening dat er sprake is geweest van bestuurlijke onbehoorlijkheid van het bestuur van het WEB in de richting van ECO power en dat een integriteitsonderzoek dus essentieel is? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, is het zakelijk conflict tussen WEB en Ecopower ingegeven door de voortdurende discrepantie tussen kosten en opbrengsten uit de tarieven. In algemene zin, en achteraf, kan worden gesteld dat het jammer is het bestuur van WEB en Ecopower niet eerder een oplossing hebben gezocht langs de weg van bemiddeling, arbitrage of de stap naar de rechter. Het is niet aan mij om te beoordelen of de betrokken bestuurders onbehoorlijk hebben gehandeld. Wel ondersteun ik, zoals aangegeven, het voornemen van het bestuurscollege om een onderzoek uit te voeren dat zich richt op de verantwoordingsmechanismen in de verhouding tussen WEB, het openbaar lichaam Bonaire als aandeelhouder van WEB en het bestuurscollege. Uit dit onderzoek kunnen lessen worden getrokken zodat de situatie die zich tussen Ecopower en WEB heeft voorgedaan in de toekomst kan worden voorkomen.
Bent u bereid, als er geen sprake is van een onderzoek van de zijde van de Gezaghebber, om dat integriteitsonderzoek in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat door onbehoorlijk bestuur van de zijde van het WEB een energiebedrijf in de problemen is gekomen? Zo nee, waarom niet?
Het niet volledig voldoen van de rekening van Ecopower door WEB lijkt Ecopower op enig moment financieel in problemen te hebben gebracht wat repercussies had voor de continuïteit van de elektriciteitsproductie.
Deelt u de zorgen dat het WEB met opzet te weinig betaalde aan Ecopower om de prijs van het aandeel Ecopower te laten dalen om op die manier het bedrijf goedkoop op te kunnen kopen?
Daar zijn geen concrete aanwijzingen voor. Er was in elk geval sprake van een zakelijk conflict dat door middel van een arbitrageprocedure is opgelost.
In hoeverre is er sprake van een failliet van Bonaire, aangezien het WEB een NV van de overheid is? Moet het openbaar lichaam Bonaire voor de kosten opdraaien die uit de arbitrage voortvloeiden.?
Van een failliet van Bonaire is geen sprake.
De eerder genoemde structurele discrepantie tussen kosten en tariefinkomsten is weggenomen door de tariefstijging, de bijdrage van EZ en I&M en door een degelijke externe financiering die de directie van WEB heeft verkregen.
Is er sprake van een artikel 12 gemeente, aangezien de begroting van Bonaire een dergelijke rekening niet zou kunnen betalen en Nederland is ingesprongen met een geldbedrag zoals genoemd in vraag 1?
De wet financiën openbare lichamen Bonaire Sint Eustatius en Saba kent geen bepaling vergelijkbaar met artikel 12 van de financiële verhoudingswet. Op dit punt wijkt de financiële verhouding van het Rijk met de openbare lichamen dus af van de financiële verhouding van het Rijk met gemeenten. Bij de transitie is ervoor gekozen om het BES-fonds niet te integreren in het gemeentefonds. Ook is in het BES-fonds geen sprake van solidariteitsgedachte: elk openbaar lichaam heeft recht op een eigen uitkering uit het fonds. Een fonds dat integraal onderdeel is van de Rijksbegroting en daar dus de solidariteit is belegd. Dit laatste vloeit logischerwijs ook voort uit het feit dat het slechts om drie eilanden gaat: Het ligt dan niet in de rede om eventuele financiële problemen van Bonaire te leggen bij de andere twee (kleine) eilanden. Verder kunnen departementen (net zoals bij gemeenten) doeluitkeringen verstrekken conform artikel 91 van de wet financiën BES; dat is wat het minister van Economische Zaken hier heeft gedaan.
Welke rol speelde het bestuurscollege in dit conflict tussen het WEB en Ecopower, gelet op het feit dat het WEB een NV van de overheid is? Welke rol speelde de gezaghebber om het conflict eerder te beslechten en op die manier het oplopen van de betalingsachterstand te voorkomen?
Het bestuurscollege heeft het ministerie van EZ medio 2011 gevraagd te bemiddelen in het conflict. Waar deze bemiddeling niet direct resultaat opleverde, heeft deze er wel toe geleid dat partijen zich hebben gebonden aan arbitrage.
Toen door het wegvallen van de stroomvoorziening in augustus 2011 de openbare orde in gevaar dreigde te komen, heeft de Gezaghebber het initiatief genomen de voorziening te herstellen en te borgen.
Welke afwegingen zijn gemaakt om te komen tot de oplossing zoals deze nu tot stand is gekomen? Waarom is de locatiekeuze juist op die plek gevallen? Waarom is er gekozen voor de combinatie van wind en energie die nog nergens anders in productie was?
Op de eilanden van Caribisch Nederland kan door het bijzonder gunstige windklimaat enerzijds, en de hoge kosten van fossiele brandstof anderzijds, met wind elektriciteit duurzaam en voordelig worden opgewekt. Op Bonaire wordt circa 35% van de elektriciteit opgewekt door middel van windenergie. De twaalf windturbines zijn gesitueerd aan zee aan de noordkant van het eiland in een gedeelte dat onbewoond is en waar de windcondities gunstig zijn. Ik beschik niet over informatie welke afwegingen zijn gemaakt om tot deze aanpak te komen, inclusief de locatiekeuze. Ik beschik ook niet over informatie die aannemelijk maakt dat bij deze besluiten sprake is geweest ongewenste belangenverstrengeling. Ik verwijs in dit kader nogmaals naar het governance-onderzoek. Het betreft hier immers een onderwerp dat expliciet onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Lichaam valt. Ik zal aan het bestuurscollege van Bonaire verzoeken om dit onderwerp bij dit onderzoek te betrekken.
Wie waren de beslissers om tot de verschillende besluiten te komen? Is er in die groep van beslissers een ongewenste samenloop van belangen die gescheiden hadden moeten zijn of de schijn van belangenverstrengeling in zich hebben?
Zie antwoord op vraag 14.
Is hier een rol weggelegd voor de Onderzoeksraad Integriteit Overheid? Zo ja, hoe gaat u die inschakelen? Zo nee, waarom niet?
Neen, de Onderzoeksraad Integriteit Overheid is bevoegd ten aanzien van Rijk, politie, defensie, provincies en zbo’s. Daarnaast zal de onderzoeksraad met ingang van 1 januari 2014 naar alle waarschijnlijkheid ook het bevoegde externe meldpunt voor medewerkers uit de sector Gemeenten worden. De openbare lichamen op Caribisch Nederland alsmede Ecopower en het Water- en Energiebedrijf Bonaire vallen daar niet onder.
Kent u het artikel «How the EU subsidises Israel’s military-industrial complex»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat binnen het Seventh Framework Program (FP7) van de EU het Israëlische bedrijf IAI, dat een belangrijke leverancier is voor het Israëlische leger, subsidie voor onderzoek heeft ontvangen, waaronder voor de ontwikkeling van onbemande vliegtuigen? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Ja, het Israëlische bedrijf Israel Aerospace Industries heeft onder het Seventh Framework Program (FP7) onder meer subsidie ontvangen voor onderzoek – samen met twaalf andere Europese onderzoeksinstellingen – naar de ontwikkeling van onbemande vliegtuigen.
Kunt u een overzicht geven van de subsidies die de EU binnen het FP7 heeft verstrekt aan Israëlische bedrijven die (ook) actief zijn in de militaire industrie?
Op basis van de voor handen zijnde gegevens kan ik u melden dat 23 Israëlische entiteiten voor een totaalbedrag van 26 miljoen euro deelnemen aan 49 FP7-projecten met het thema maatschappelijke veiligheid. Dit onderzoek in FP7 kent een zuiver civiele oriëntatie.
Kunt u bevestigen dat het Israëlische bedrijf Ahava, dat in een illegale nederzetting actief is, binnen het FP7 van de EU subsidie voor onderzoek heeft ontvangen?2 Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Het bedrijf Ahava Dead Sea Laboratories voert vier projecten uit onder het Nanosciences, Nanotechnologies, Materials and new Production Technologies-programma (NMP). Dit zijn projecten over nanodeeltjes, milieu en gezondheid.
Kunt u een overzicht geven van de subsidies die de EU binnen het FP7 heeft verstrekt aan bedrijven die in illegale nederzettingen actief zijn?
De Europese Commissie beschikt niet over een dergelijk overzicht. Ik kan u wel melden dat alle Israëlische bedrijven die genoemde subsidie ontvangen juridisch gevestigd zijn binnen de internationaal erkende grenzen van de staat Israël.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat de EU door middel van subsidies investeert in de Israëlische militaire industrie en in Israëlische bedrijven die actief zijn in illegale nederzettingen? Indien neen, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ten aanzien van de criteria voor de toekomstige toekenningen aan derde landen van het genoemde programma vinden momenteel verkenningen plaats door de Europese Commissie. Zodra deze hebben geleid tot meer duidelijkheid over de technische en juridische (on)mogelijkheden van aanpassing van de criteria, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Vooruitlopend daarop kan ik u al wel melden dat wat het kabinet betreft bij de toekenning van Europese subsidies aan defensie-onderzoek in derde landen het voor de hand ligt aansluiting te zoeken bij de criteria die gelden binnen het EU-wapenexportbeleid. Voorkomen moet worden dat subsidiestromen bijdragen aan interne conflicten, regionale instabiliteit en/of mensenrechtenschendingen.
Deelt u de opvatting dat er een einde aan deze praktijken moet worden gemaakt en dat binnen de opvolger van FP7, Horizon 2020, EU subsidies voor de Israëlische militaire industrie en voor Israëlische bedrijven die actief zijn in illegale nederzettingen expliciet uitgesloten zouden moeten worden? Indien neen, waarom niet? Indien ja, bent u bereid hier in EU-verband op aan te dringen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht "Seksuele intimidatie co-assistenten" |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Seksuele intimidatie co-assistenten»?1
Ja.
Wat vindt u van dit bericht?
Seksuele intimidatie is nooit acceptabel. Studenten, waar onder coassistenten, moeten kunnen leren in een veilige omgeving.
Bent u ervan op de hoogte dat in 2006 naar aanleiding van een gelijksoortige enquête vertrouwenspersonen zijn aangesteld, maar daarvan door weinig studenten gebruik wordt gemaakt? Is bij studenten bekend dat er speciale vertrouwenspersonen zijn waar zij terecht kunnen en is bekend waarom studenten daar geen gebruik van maken?
De enquête van het KNMG Studentenplatform uit 2006 is inderdaad de aanleiding geweest voor umc’s om vertrouwenspersonen aan te stellen. Voor algemene ziekenhuizen en umc’s geldt dat in de CAO nadrukkelijk aandacht is voor het voorkomen van ongewenste intimiteiten en de behandeling van klachten bij ongewenste intimiteiten. Het onderzoek over seksuele intimidatie onder coassistenten van het KNMG studentenplatform geeft geen verklaring waarom studenten de vertrouwenspersonen niet weten te vinden.
Hoe kunt u, samen met de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), stimuleren dat studenten wel gebruik gaan maken van vertrouwenspersonen?
De NFU en haar leden nemen het signaal zeer serieus. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek gaat de NFU daarom samen met het KNMG studentenplatform bekijken welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn. Daarnaast zal bij de eigen studenten advies ingewonnen worden via co- of masterraden (vertegenwoordigingen van coassistenten). Decanen zullen waar mogelijk verbeteringen doorvoeren.
Welke sancties kan het ziekenhuis nemen als een specialist of staflid seksueel intimiderend gedrag vertoont?
De Arbeidsomstandighedenwet biedt het algemeen juridisch kader voor het veiligheids- en gezondheidsbeleid van de werkgever voor zijn medewerkers. Voor algemene ziekenhuizen en umc’s geldt ook dat in de CAO is vastgelegd dat zij streven naar het voorkomen van seksuele intimidatie en daartoe maatregelen nemen. Ieder ziekenhuis geeft daaraan concrete invulling door een regeling die het personeel moet beschermen. Een belangrijk onderdeel van een dergelijke regeling is het kunnen opleggen van disciplinaire straffen, uiteenlopend van een schriftelijke berisping tot ontslag.
Bent u ervan op de hoogte dat 6 op de 10 ondervraagden zeggen geïntimideerd te zijn door een patiënt? Hebben ziekenhuizen daar beleid op? Zo nee, kunt u dan aangeven wat u hier precies aan gaat doen?
Ik ben onder de indruk van de uitkomsten van de enquête. Agressie en geweld tegen zorgverleners is onacceptabel en moet worden teruggedrongen. Dat geldt ook voor seksuele intimidatie. Daarom heb ik in maart 2012 het Actieplan Veilig werken in de zorg opgesteld met sociale partners in de zorg, waar onder de ziekenhuizen, en de ministers van Veiligheid en Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties3. Het Actieplan bouwt voort op het lopend beleid van sociale partners en het kabinet om een veilig werkklimaat te realiseren. Voor het beleid van ziekenhuizen op het terrein van seksuele intimidatie verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u, aangezien er in 2006 en in 2012 ongeveer dezelfde resultaten uit de enquête kwamen, de komende jaren monitoren of de seksuele intimidatie in de ziekenhuizen nu echt gaat dalen?
Ik ben bereid seksuele intimidatie van zorgverleners te monitoren. Daarbij zal ik aansluiten bij het Onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn. Dit programma wordt uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau in opdracht van sociale partners en mij.
De berichtgeving dat alleenstaande AOW-ers minder vakantiegeld krijgen dan andere jaren |
|
Anoushka Schut-Welkzijn (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u vernomen dat alleenstaande AOW-ers minder vakantiegeld krijgen dan andere jaren?
Ja.
Kunt u uitleggen waarom dit het geval is?
Het AOW-pensioen van een alleenstaande AOW-er ligt al enkele jaren rond het punt waarop het bedrag aan te betalen belasting hoger is dan de heffingskortingen. Het ene jaar is het bedrag aan te betalen belasting lager dan de heffingskortingen, zodat er geen belasting hoeft te worden betaald (zoals in 2011 en 2012). Dit jaar is het AOW-pensioen hoger dan de inkomensgrens tot waar geen belasting hoeft te worden betaald, waardoor er wel belasting verschuldigd is. Dit komt doordat het AOW-pensioen dit jaar is gestegen door een koppeling aan de loonontwikkeling, in combinatie met hogere belastingtarieven. In de systematiek van de loonbelasting wordt het vakantiegeld in dat geval belast met de tabel bijzondere beloningen. Hierdoor valt het netto vakantiegeld in 2013 lager uit dan in 2012. De SVB heeft overigens ook in 2010 belasting ingehouden op het vakantiegeld van de alleenstaande AOW-er. De SVB volgt hierin de regels van de loonbelasting. Door gedurende het jaar belasting in te houden, hoeven alleenstaande AOW-ers zonder aanvullend pensioen na afloop van het jaar geen aangifte inkomstenbelasting te doen.
Hoewel ik begrijp dat ouderen zich afvragen wat dit betekent voor hun totale inkomen, is het goed te weten dat in de koopkrachtplaatjes met dit belastingeffect rekening is gehouden. Op basis van de meest recente raming van het CPB, de juniraming, is de totale koopkrachtontwikkeling over 2013 voor een alleenstaande AOW-er zonder aanvullend pensioen positief (+ ½ procent).
Deelt u de mening dat duidelijke voorlichting direct en via de website over de wijziging van de hoogte van het vakantiegeld door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van belang is om onrust onder AOW-gepensioneerden te voorkomen?
Duidelijke voorlichting is altijd van belang, ook in dit geval. De SVB heeft via de website voorlichting gegeven over de hoogte van het vakantiegeld. De SVB heeft dat op twee momenten gedaan: in april toen de vakantie-uitkering online was te bekijken en op 22 mei, een dag voor de betaling van de vakantie-uitkering. Op dezelfde momenten zijn ook de medewerkers van de SVB via intranet geïnformeerd opdat zij de klanten hierover desgevraagd begrijpelijk uitleg konden geven. Overigens heeft de SVB slechts enkele telefoontjes ontvangen.
Directe communicatie, bijvoorbeeld in de vorm van een brief, is in dit soort gevallen niet gebruikelijk.
Wilt u ervoor zorg dragen dat de SVB op de website en in het contact met de betreffende AOW-ers begrijpelijk uitlegt wat de oorsprong is van deze wijziging en wat dit betekent voor de totale uitkering die de AOW-gerechtigde zal ontvangen?
De SVB heeft op de website zo begrijpelijk mogelijk uitgelegd wat de oorsprong van de wijziging is en wat de effecten zijn: netto minder vakantiegeld. De SVB heeft naar mijn oordeel in de communicatie adequaat gehandeld.
Het bericht dat 135 thuiszorgmedewerkers ontslagen worden |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Zorggroep VDA in Veghel vraagt ontslag aan voor 135 medewerkers»?1
Ik heb van dit bericht kennisgenomen. Het is aan de Zorggroep VDA om afwegingen te maken over de inzet van de onderneming.
Verwacht u dat er de komende tijd meer thuiszorgaanbieders zullen stoppen met het aanbieden van huishoudelijke verzorging? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, ik beschik op dit moment niet over een landelijk beeld. Verwacht mag worden dat aanbieders rekening houden met de voorgestane vernieuwing van de langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning. Dat is ook noodzakelijk om de met de hervorming beoogde effecten te realiseren. Er zullen aanbieders zijn die zich terugtrekken en er zullen ook nieuwe aanbieders tot de markt toetreden. Dit kan de benodigde innovatie een impuls geven. Thuiszorgaanbieders zullen ook in de nieuwe situatie een zeer belangrijke rol spelen. De daadwerkelijke effecten van de hervormingen op de arbeidsmarkt worden nauwlettend in de gaten gehouden en in beeld gebracht door een arbeidsmarkteffectrapportage (AER).
Heeft u concrete aanwijzingen dat ook andere thuiszorgaanbieders stoppen met het aanbieden van huishoudelijke verzorging? Zo ja, welke? Op welke termijn gebeurt dit? Hoeveel ontslagen hangen hiermee samen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een reactie geven op de uitspraak van de directeur van VDA die aangeeft dat het bieden van thuiszorg verliesgevend is vanwege het zorgakkoord en bezuinigingen van de regering?
Zorggroep VDA heeft ervoor gekozen om voor 135 thuishulpen ontslag aan te vragen. De organisatie heeft afgewogen of zij rendabel thuiszorg kon bieden en heeft een inschatting gemaakt van de vooruitzichten. Zoals gezegd, het is niet aan mij om in deze afweging te treden.
Voor zover de voorgenomen korting op het budget van de huishoudelijke hulp bijgedragen zou hebben aan het besluit om ontslag aan te vragen, geldt dat ik deze korting in 2015 en latere jaren aanzienlijk verzacht heb en dat voor 2014 geldt dat ook nieuwe cliënten een beroep kunnen doen op huishoudelijke hulp. Een en ander laat dus veel ruimte voor gemeenten en aanbieders om een goede invulling te geven aan gemeentelijk beleid.
Komt u door deze ontslagen tot het inzicht dat bezuinigen op de thuiszorg onverantwoord is?
In mijn brief aan uw Kamer van 25 april 2013 heb ik u mijn visie op de hervorming op de langdurige zorg toegelicht. De hervorming is noodzakelijk om de kwaliteit te verbeteren, de zorg houdbaar te maken voor toekomstige generaties en aan te laten sluiten bij de wijze waarop we samen leven en meer voor elkaar willen zorgen. Dit neemt niet weg dat de veranderingen veel gaan vragen van alle betrokkenen. Daar ben ik mij zeer van bewust.
Ziet u in dat niet alleen de medewerkers die nu ontslagen worden de dupe zijn van bezuinigingen op de thuiszorg, maar ook de mensen die zorg krijgen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe wordt de zorg geregeld voor mensen die nu huishoudelijke verzorging van VDA ontvangen?
Zorggroep VDA heeft mij aangegeven dat zij in goed overleg met alle gemeenten waarin zij actief is plannen gemaakt heeft om de continuïteit van ondersteuning voor de cliënten te waarborgen. Daarnaast heeft de organisatie collega-aanbieders benaderd met de vraag of zij interesse hebben om de cliënten en het personeel over te nemen. Het uitgangspunt daarbij is dat de cliënten hun huidige thuiszorgmedewerker behouden. Thuiszorgmedewerkers zullen wel moeten solliciteren bij de andere aanbieders. In dit proces gelden de aanvullende afspraken die werkgevers- en werknemersorganisaties in de algemeen verbindend verklaarde CAO Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (CAO VVT) hierover hebben gemaakt. Op dit moment is dit proces nog gaande.
Kunt u garanderen dat de mensen die nu huishoudelijke zorg ontvangen straks hun vertrouwde en vaste thuiszorgmedewerker terugkrijgen? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke andere zorgaanbieders kunnen of willen de thuiszorgmedewerkers overnemen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zorggroep VDA heeft zoveel mogelijk aanbieders in de regio waar zij actief is benaderd om de werknemers over te nemen. Dit zijn enkele tientallen aanbieders. Of en zo ja onder welke voorwaarden deze medewerkers worden overgenomen is op dit moment nog niet bekend. Uitgangspunt is dat hetgeen in de CAO VVT daarover vastgelegd is, wordt gevolgd.
Kunt u garanderen dat de thuiszorgmedewerkers die door een andere zorgaanbieder worden overgenomen onder goede arbeidsvoorwaarden worden overgenomen en loon ontvangen volgens FWG 15 (FunctieWaardering Gezondheidszorg)? Zo nee, waarom niet?
Ik kan geen salarisgarantie bieden als een bedrijf op basis van een eigenstandige afweging besluit om ontslag aan te vragen voor haar medewerkers en medewerkers vervolgens bij een andere aanbieder in dienst treden. Uitgangspunt is dat de CAO VVT gevolgd wordt bij de overname van het personeel.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de directeur van VDA dat de doorgeschoten bureaucratie één van de oorzaken van de problemen is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb contact opgenomen met de directeur van Zorggroep VDA en gevraagd om een toelichting op de aan hem toegeschreven uitspraken in het artikel. De uitspraak over drie controlerende ambtenaren per thuiszorgmedewerker was figuurlijk bedoeld en illustreerde het sentiment dat de directeur tijdens het interview voelde bij de hoogte van de beheerslast voor de huishoudelijke hulp. Het is dus niet een feitelijke weergave van de werkelijkheid. Wel deel ik de opvatting dat de administratieve lasten voor de zorgaanbieder en de burger zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Mede in het kader van uitwerking van de visie op de hervorming van de langdurige zorg bezie ik de mogelijkheden om de bureaucratie aan te pakken. Waar het mogelijk is om de uitvoering te versimpelen, dan zal ik dat doen.
Waarom zijn er drie controlerende ambtenaren per thuiszorgmedewerker? Komt dit vaker voor? Zo ja, waar? Kunt u aangeven hoeveel geld hiermee verspild wordt? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 11.
Welke maatregelen gaat u treffen om de bureaucratie aan te pakken?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht “EU wil meer concurrentie met haven Rotterdam” |
|
Dion Graus (PVV), Barry Madlener (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «EU wil meer concurrentie met haven Rotterdam»?1
Ja.
Wat vindt u van de voorstellen van de Europese commissaris Siim Kallas, die tot meer concurrentie leiden voor onder andere de Rotterdamse haven?
Op 24 mei heb ik kennis genomen van de mededeling van de Europese Commissie getiteld «Havens: motoren voor groei», alsmede van een voorstel voor een EU verordening waarmee een structuur wordt vastgesteld voor de toegang tot de markt voor havendiensten en voor financiële transparantie van zeehavens (hierna Havenverordening). Met de Havenverordening wordt het beginsel van vrijheid van dienstverlening op zeehavens van toepassing verklaard en wordt hiervoor een eenvormige juridische structuur gecreëerd, die rechtszekerheid moet bieden aan investeerders in zeehavens. Ik bestudeer dit zogenoemde Havenpakket momenteel. Via de BNC procedure zal ik u volgens afspraak uiterlijk op 14 juni 2013 informeren.
Hoeveel EU-geld zal direct of indirect worden ingezet via de Europese begroting om de concurrenten van de Rotterdamse haven te versterken? Welke gevolgen heeft dit EU beleid voor de tweede Maasvlakte?
In de mededeling van de Europese Commissie wordt ingegaan op het verband tussen de Havenverordening en onder andere de nieuw te verschijnen TEN-T verordening voor de Europese Meerjarenbegroting in de jaren 2014 -2020. De Havenverordening is van toepassing op alle zeehavens in het TEN-T netwerk zoals zal worden vastgelegd in de nieuwe TEN-T verordening: 83 havens op het kernnetwerk en 236 havens op het uitgebreide netwerk. Drie Nederlandse havengebieden (de havens in de regio’s Amsterdam, Rotterdam en Zeeland) liggen op 3 van de 9 multimodale corridors van het TEN-T kernnetwerk. Alleen projecten die bijdragen aan het functioneren van de corridors van het kernnetwerk komen in aanmerking voor medefinanciering vanuit het TEN-T budget. De Europese Commissie overweegt om, bij de beoordeling van voorgestelde havengerelateerde projecten, ook de mate waarin havens aan de Havenverordening voldoen in de afweging te betrekken. De Havenverordening bepaalt overigens niets ten aanzien van de verdeling van het TEN-T budget en aan deze verordening zelf is ook geen budget verbonden. Wat de eventuele gevolgen zullen zijn voor de Tweede Maasvlakte in Rotterdam is op dit moment niet aan te geven.
Voor de financiering van het Europese infrastructuurbeleid TEN-T zal waarschijnlijk tot 2020 een budget beschikbaar zijn van € 13,2 miljard, plus € 10 miljard uitsluitend bestemd voor de cohesielanden. Dit budget zal worden vastgelegd in de nieuwe Connecting Europe Facility verordening. Ik zet mij in voor een zo groot mogelijke bijdrage aan Nederlandse projecten, waaronder de aanleg van nieuwe sluizen te IJmuiden en Terneuzen.
Gaat het kabinet actie ondernemen tegen deze EU voorstellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Zoals gesteld zal ik u via het BNC fiche uiterlijk op 14 juni 2013 informeren over het Kabinetsstandpunt op hoofdlijnen. Besluitvorming over de Havenverordening vindt plaats volgens de gewone wetgevingsprocedure. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid. Het Europees Parlement heeft medebeslissingsbevoegdheid. Het standpunt van het Kabinet zal in de Raad worden ingebracht.
Kan het kabinet garanderen dat er geen cent Europees geld zal worden ingezet om de Rotterdamse haven te beconcurreren? Zo nee, waarom niet?
Het Kabinet zet zich voortdurend in voor eerlijke concurrentie tussen zeehavens en geeft daarbij prioriteit aan een Europese aanpak van concurrentieverstorende staatssteun. De TEN-T middelen zijn bestemd voor ondersteuning van projecten met Europese meerwaarde in de gehele EU. Toekomstige aanvragen uit de Lidstaten worden op gelijke wijze beoordeeld. Nederland is voorstander hiervan.
De bureaucratische procedures na de vermissing van een persoon |
|
Jan de Wit (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Mevrouw, we zoeken het uit, u hoort van ons»1, waarin beschreven wordt hoe het leven van een mevrouw, van wie de man wordt vermist, in een nachtmerrie verandert?
Elke vermissing van een persoon is een ingrijpende en emotioneel belastende gebeurtenis, des temeer als een vermissing voortduurt. Langdurige vermissingen kunnen leiden tot moeilijke (financiële) situaties voor familieleden en andere betrokkenen. Het is dan ook van belang om verdere verzwaring van de situatie waarin zij verkeren zoveel mogelijk te voorkomen. Met het oog daarop is in 2002 een aantal ingrijpende aanpassingen in de relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) in werking getreden. Zo is geregeld dat in gevallen zoals het onderhavige, waarin de dood van de vermiste persoon waarschijnlijk is, al na 1 (in plaats van voorheen 5) jaar een verzoek aan de rechtbank kan worden gedaan om te verklaren dat er een rechtsvermoeden van overlijden bestaat en dat daarbij volstaan kan worden met 1 oproeping van de vermiste om van zijn in leven zijn te doen blijken (in plaats van voorheen 3; artikel 1:413 BW). Daardoor kunnen belanghebbenden sneller en tegen minder kosten een verklaring verkrijgen waarmee zij bijvoorbeeld een levensverzekering tot uitkering kunnen doen komen zodat de hypothecaire woonhuisfinanciering kan worden betaald.
Het past mij niet om een individueel geval te beoordelen. Wel kan ik aangeven dat ten tijde van de wetswijziging2 door verzekeraars is toegezegd achterblijvers beter tegemoet te komen nadat een verzoek zoals bedoeld in 1:413 BW is ingediend en de verklaring van rechtsvermoeden van overlijden nog niet is verkregen. Een tegemoetkoming kan bestaan uit een voorschot op de uitkering of bijvoorbeeld uitstel van betaling van de hypotheekrente. Ook is toen van de zijde van de Nederlandse Vereniging van Banken aangegeven dat van banken een welwillende houding kan worden verwacht. Bedrijven en instellingen kunnen besluiten ook al voor het doen van een dergelijk verzoek een voorschot of uitstel van betaling te verlenen; ze zijn daar echter niet toe verplicht. Het is begrijpelijk, hoewel pijnlijk voor familieleden van een vermiste persoon, dat bedrijven daartoe niet altijd bereid zullen zijn aangezien het voor hen een risico kan inhouden.
Verder kan ik aangeven dat de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) mij over de duur van een procedure zoals bedoeld in artikel 1:413 BW heeft meegedeeld dat het gebruikelijk is dat na ontvangst van het verzoekschrift een periode van 3 maanden verstrijkt voordat de (eerste) zitting plaatsvindt. In die tijd wordt onder meer zonodig het dossier gecompleteerd en worden de door alle belanghebbenden te ondertekenen instemmingsverklaringen verzameld. Na de zitting geldt op grond van artikel 1:414 een termijn van ten minste een maand voor het oproepen van de vermiste. De RvdR heeft aangegeven bij de rechtbanken onder de aandacht te zullen brengen deze zaken zo mogelijk met voorrang te behandelen om de doorlooptijd zo kort mogelijk te houden, gelet op de grote emotionele en financiële gevolgen die nabestaanden ondervinden bij vertraging van de procedure.
Wat vindt u ervan dat de partner van een vermiste persoon zo lang na de vermissing nog stuit op een muur van bureaucratie bij banken, verzekeringen, gemeente en andere officiële instanties? Hoe kan voorkomen worden dat het leven van een (vermoedelijke) nabestaande verandert in een bureaucratische ramp? Ziet u mogelijkheden de tijdrovende en kostbare procedure om bij de rechtbank een verklaring rechtsvermoeden van overlijden te krijgen, minder belastend te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Denkt u dat een centraal loket of centrale instantie de oplossing kan zijn voor personen die met een dergelijke dramatische gebeurtenis te maken krijgen, waarbij het de bedoeling is dat een expert of deskundige naast de nabestaande gaat staan en meehelpt bij het vinden van oplossingen voor allerlei problemen met diverse instanties?
Er bestaat een hulplijn voor achterblijvers van vermiste personen voor vragen op het terrein van psychosociale en praktische ondersteuning. Tot voor kort beheerde het Nederlandse Rode Kruis deze hulplijn. Deze zomer wordt deze hulplijn overgedragen aan Slachtofferhulp Nederland. Verder is op de website www.vermistepersonen.nl veel informatie te vinden over dit onderwerp.
Daarnaast bestaat al vele jaren een informatiefolder «Wat te doen als iemand vermist wordt».3 Daarin is aangegeven wat te doen om te bevorderen dat de vermiste wordt teruggevonden en wat de juridische aspecten zijn bij een langdurige vermissing. Ook is opgenomen wat de mogelijkheden zijn voor het afhandelen van financiële zaken, zoals zaakwaarneming of het doen van een verzoek aan de rechtbank om een bewindvoerder te benoemen. Een bewindvoerder kan onder meer de verklaring van rechtsvermoeden van overlijden aanvragen en zo deze procedure minder belastend maken voor de belanghebbenden. In de folder staat waar iedereen die te maken heeft met een vermissing terecht kan voor informatie, advies en/of ondersteuning, zoals het juridisch loket of de Vereniging van Achterblijvers na Vermissing. Een betrokkene kan ook een advocaat inschakelen.
Gezien het voorgaande acht ik het niet nodig om een centraal loket in te richten.
Wat is uw reactie op de opmerking van de adviseur van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters dat de burgemeester de meest logische plek voor ondersteuning is en dat er bepaalde knellende regels zijn die vanuit coulance-oogpunt tijdelijk terzijde geschoven kunnen worden?2 Bent u bereid de mogelijkheid hiertoe te verkennen en te bezien of hiertoe wetten en regels moeten worden aangepast?
Gezien het antwoord op vraag 3 is er geen aanleiding om nog een specifieke instantie aan te wijzen die ondersteuning kan bieden. Evenmin is in zijn algemeenheid duidelijk dat de burgemeester regels terzijde moet kunnen stellen. Bovenstaande laat onverlet dat mensen die te maken hebben met een geval van langdurige vermissing zich ter ondersteuning ook tot de burgemeester kunnen wenden.
De vergoeding van hoortoestellen aan mensen met een structurele functionele hoorbeperking |
|
Renske Leijten (SP), Sadet Karabulut (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat iedereen zoveel mogelijk geacht wordt om naar vermogen te werken? Zo ja, wat is de reden dat mensen met een geïndiceerde structurele functionele hoorbeperking geen beroep meer op het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) kunnen doen voor een vergoeding van hoorhulpmiddelen in verband met behoud van regulier werk?1 2
Iedereen wordt geacht om naar vermogen te werken, ook mensen met een structurele hoorbeperking. Sinds 1 januari 2013 is de Zorgverzekeringswet (Zvw) op het punt van de hoorhulpmiddelen gewijzigd. Sindsdien kunnen alle noodzakelijke hoorhulpmiddelen inclusief bijbehorende apparatuur – ook wanneer deze (specifiek) nodig zijn voor het werk – worden verstrekt op grond van de Zvw. Daarom kan er geen beroep meer worden gedaan op het UWV voor de vergoeding van hoorhulpmiddelen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Dit is geregeld met een wijziging van het Reïntegratiebesluit (Staatsblad 2012, 656). Het UWV stuurt mensen in voorkomende situaties door naar de zorgverzekeraar.
Acht u het voldoende toereikend dat personen met een geïndiceerde structurele functionele hoorbeperking worden doorgestuurd naar de zorgverzekeraar voor de vergoeding van hoorhulpmiddelen in verband met behoud van (regulier) werk?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de zorgverzekeraar functiegerichte hoorhulpmiddelen slechts voor 75% vergoed en dat personen met een geïndiceerde structurele functionele hoorbeperking 25% van de kosten zelf moeten dragen en bovendien (een aanzienlijk deel van) het eigen risico moeten opsouperen om goed te kunnen functioneren als werknemer met een beperking?
Dat is waar voor zover het de vergoeding van hoortoestellen betreft. De eigen bijdrage van 25% is namelijk alleen van toepassing op de vergoeding van een hoortoestel. De aanspraak voor een werkende en niet werkende slechthorende is daarbij gelijk. Voor andere noodzakelijke hoorhulpmiddelen (bijvoorbeeld ringleidingen) geldt geen eigen bijdrage.
Hoe verhoudt het schrappen van de vergoeding van het UWV voor hoorhulpmiddelen voor personen met een structurele functionele hoorbeperking zich tot het onlangs gesloten sociaal akkoord3 waarin wordt voorgesteld een «activerend stelsel te vormen dat bijdraagt aan arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking waarbij inkomensregimes en ondersteunend instrumentarium worden gestroomlijnd en afwenteling tussen regelingen zoveel mogelijk worden voorkomen»?
Nu is er voor de verstrekking van hoorhulpmiddelen één wettelijk kader en één uitvoerder, respectievelijk de Zvw en de zorgverzekeraar. Dit sluit aan op de in het sociaal akkoord beoogde stroomlijning van instrumentarium voor mensen met een arbeidsbeperking.
Bent u bereid om het schrappen van de vergoedingen van hoorhulpmiddelen vanuit het UWV ongedaan te maken of de vergoeding van functiegerichte hoorhulpmiddelen in het basispakket te verruimen tot in ieder geval een vergoeding van 100%?
Nee, ik ben niet bereid om het schrappen van de vergoedingen voor hoorhulpmiddelen vanuit het UWV ongedaan te maken of om de vergoeding van hoorhulpmiddelen in het basispakket te verruimen. Vanaf 2013 is er één loket voor alle individuele hoorhulpmiddelen (namelijk de Zvw), is de aanspraak in de Zvw functiegericht omschreven, en bestaat er geen vergoedingslimiet meer. Dit betekent dat een slechthorende recht heeft op een Zvw vergoeding voor adequate individuele hoorhulpmiddelen die eveneens geschikt zijn voor de werksituatie. Om het schrappen van de vergoedingslimieten voor hoortoestellen zonder verhoging van de zorgpremie mogelijk te maken, is een eigen bijdrage van maximaal 25% van de prijs van het hoortoestel van toepassing. Het doelmatiger inkoopbeleid van zorgverzekeraars heeft inmiddels geleid tot een daling van de prijs van hoortoestellen. Dit werkt door in een daling van de eigen bijdragen.
Bent u bereid om de Kamer een overzicht te verstrekken van het aantal vergoedingen voor (functiegerichte) hoorhulpmiddelen in de jaren 2010, 2011 en 2012 door het UWV en de vergoedingen van (functiegerichte) hoorhulpmiddelen in de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013 door zorgverzekeraars?
Ja, hieronder treft u een overzicht van het aantal vergoedingen voor hoorhulpmiddelen in de jaren 2010, 2011 en 2012 door het UWV zoals bekend bij het UWV.
2010
2011
2012
Toegewezen aanvragen
8.010
8.019
7.339
9,1
8,9
10,9
* in mln euro’s
** Eind 2012 zijn nog veel aanvragen ingediend. De daarvoor in 2013 geboekte kosten, zijn in dit overzicht meegenomen in 2012. Naar huidige verwachting volgt er nog ongeveer € 300.000,– aan kosten in verband met de toekenningen in 2013.
Vervolgens treft u hieronder het overzicht van de totale kosten aan hoorhulpmiddelen in de Zvw zoals deze op dit moment bekend zijn4. De stijging van het aantal hoortoestellen in 2012 is vooral te wijten aan het significant toegenomen aantal aanvragen in het 4e kwartaal. Over de uitgaven aan Zvw hulpmiddelen in 2013 zijn nog geen cijfers beschikbaar.
2010
2011
2012
Aantal vergoedingen
186.200
186.300
205.500
137,6
141,9
179,4
* in mln euro’s
De gezochte Syrië-ronselaar die opduikt in Shariawijk |
|
Louis Bontes (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gezochte Syrië-ronselaar duikt op in Shariawijk»?1
Ja.
Klopt het dat er drie keer aangifte is gedaan tegen deze jihad-ronselaar?2Zo ja, hoe is het dan mogelijk dat deze ronselaar vrij rondloopt en een journalist te woord staat in de bewuste Shariawijk in Den Haag?
Ik doe geen uitspraken over individuele strafzaken, mede om te voorkomen dat eventuele opsporingsbelangen zouden kunnen worden geschaad. Wel kan ik aangeven dat er aangifte is gedaan tegen mogelijke ronselaars en dat momenteel een opsporingsonderzoek loopt. Dit opsporingsonderzoek heeft nog niet geleid tot aanhoudingen.
Lopen er nog meer Syrië-ronselaars vrij rond waar politie en justitie niet tegen optreden? Zo ja, om hoeveel ronselaars gaat dit en waarom wordt hier niet tegen opgetreden?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u ervoor zorgen dat deze ronselaar, samen met eventueel andere ronselaars, direct wordt opgepakt voor het als misdrijf aangemerkte ronselen voor de jihad en gaat u er verder voor zorgen dat deze ronselaar indien mogelijk gedenaturaliseerd wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat het aantal toegewezen asielaanvragen in Nederland veel hoger ligt dan in de rest van de EU |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe is het mogelijk dat Nederland (relatief) veel meer asielverzoeken inwilligt dan andere Europese landen?1
Ja, ik onderschrijf de uitleg van de hoofddirecteur van de IND over de verschillen in inwilligingspercentages binnen de EU. Het verschil in de inwilligingspercentages tussen de lidstaten kan niet eenduidig worden verklaard. De hoofddirecteur heeft er in dat kader op gewezen dat er een aantal factoren is dat deze verschillen mogelijk kan verklaren, zoals de verschillen in landen van herkomst van de asielzoekers en verschillen in de uitvoering van het gemeenschappelijk asielbeleid in verschillende EU-landen.
Voor een nadere toelichting op de mogelijke redenen die ten grondslag kunnen liggen aan het verschil in de inwilligingspercentages verwijs ik naar het antwoord (20 augustus 2013, kenmerk 2012Z14484) van de toenmalige minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op vragen van het lid Van Nieuwenhuizen (VVD). Hierin werd gemeld dat het verschil in inwilligingspercentage mogelijk mede toe te schrijven is aan de aard van de Nederlandse asielprocedure en de aandacht voor het snel afdoen van kansloze aanvragen in de korte aanmeldcentrumprocedure. Nederland is met de introductie van de aanmeldcentra en de toenmalige 24-uursprocedure koploper geweest binnen Europa in het neerzetten van een korte procedure waarin kansloze aanvragen werden afgedaan. Dit stelsel is sindsdien met een aantal belangrijke verbeteringen steeds verder uitgebouwd. Het is zeer wel mogelijk dat daarmee Nederland weinig aantrekkelijk is voor vreemdelingen die geen bescherming tegen terugkeer behoeven, maar toch door middel van een asielprocedure toegang tot Europa zoeken. Vanuit dat perspectief is een lage instroom van asielzoekers met kansloze aanvragen wenselijk en kan een relatief hoog inwilligingspercentage (mede) worden verklaard.
Onderschrijft u de uitspraak van de directeur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dat dit deels wordt veroorzaakt door verschillen in regelgeving? Zo ja, welke specifieke verschillen in regelgeving zorgen er voor dat Nederland relatief veel asielzoekers toelaat?
Zie antwoord vraag 1.
Welke andere oorzaken bestaan er voor het relatief hoge percentage aan inwilligingen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het absurd is dat juist Nederland zoveel asielzoekers toelaat, terwijl het al zoveel problemen heeft met allochtonen die zijn oververtegenwoordigd op het gebied van bijvoorbeeld uitkeringsafhankelijkheid en criminaliteit? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Ik meen dat Nederland die asielzoekers moet toelaten die volgens de internationale normen behoefte hebben aan bescherming.
Bent u bereid de toelating van asielzoekers stevig in te dammen en het voorstel over te nemen dit te maximeren op 1000 personen van wie vaststaat dat ze niet in de eigen regio kunnen worden opgevangen? Zo nee, waarom niet?
Nee, hiertoe ben ik niet bereid aangezien ik meen dat Nederland bescherming moet bieden aan hen die daar, volgens de internationaal vastgestelde normen, recht op hebben. Hierbij past geen maximalisatie of «plafond» aangezien wij dan, bij afwijzing van asielzoekers die recht hebben op bescherming, deze internationale normen (zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in het Europese asiel acquis) zouden overtreden.
De opleiding van heftruckchauffeurs |
|
John Kerstens (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat opleidingen voor heftruckchauffeurs kwalitatief onder de maat zijn en niet garanderen dat een werknemer voldoende gekwalificeerd is om veilig met een heftruck te werken?1
Ja.
Deelt u de mening dat gezien het grote aantal ongevallen (minimaal 1.600 ziekenhuisconsultaties & 5 doden per jaar) die op de werkvloer met heftrucks plaatsvinden, de opleidingen voor heftruckchauffeurs geen lege huls mogen zijn?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat in het kader van veiligheid op de werkvloer de kwaliteit van opleidingen voor heftruckchauffeurs dient te worden gewaarborgd en dat daarvoor meerdere maatregelen (zoals het stellen van minimum kwaliteitseisen aan heftruckopleidingen, de invoering van een kwaliteitscertificering en/of wettelijke verplichtingen) in aanmerking komen?
Ik erken en onderstreep het belang van kwalitatief goede opleidingen voor heftruckchauffeurs. De signalen en de daarbij genoemde voorbeelden van niet goede opleidingen zijn ernstig en moeten serieus genomen worden. Het ministerie heeft echter geen signalen ontvangen dat de genoemde problemen met heftruckopleidingen wijdverbreid zijn.
Ik heb er vertrouwen in dat de vele inspanningen van bedrijven en brancheorganisaties op dit terrein ertoe leiden dat de kwaliteit van de opleidingen voor heftruckchauffeurs verder verbetert. Bedrijven en brancheorganisaties spelen daarbij een cruciale rol. Zij zijn in staat om de opleidingen goed te laten aansluiten op de praktijk, zodat deze «op maat» zijn.
De werkgever is ervoor verantwoordelijk dat zijn heftruckchauffeurs zo opgeleid zijn, dat deze de aan hen toegewezen taken kunnen uitvoeren. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de werkgever verplicht zijn werknemers doelmatig voor te lichten over veiligheids- en gezondheidsrisico’s en de in dat verband te nemen (preventieve) maatregelen.
In veel gevallen kiest een werkgever een heftruckopleiding uit de markt, die een groot en zeer divers aanbod aan heftruckopleidingen kent. Brancheorganisaties ondersteunen bedrijven daarbij actief.
Zo hebben de ondernemersvereniging voor vervoer en logistiek EVO en sectororganisatie Gezond Transport – met ondersteuning van de Inspectie SZW – een handleiding met kwaliteitscriteria ontwikkeld voor de selectie van de juiste opleiding voor heftruckchauffeurs.
Om de bedrijven daarin verder te ondersteunen is EVO bovendien van plan om meer inzicht te bieden in welke opleidingen aan de kwaliteitscriteria voldoen.
Zoals gezegd, vind ik met u dat kwalitatief goede opleidingen van groot belang zijn. Ik ga met brancheorganisaties in gesprek om dat nog eens onder de aandacht te brengen.
Twee Chinese tolken die door de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) op non-actief zijn gezet |
|
Harry van Bommel (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Worden de tolken waarover eerder schriftelijke vragen zijn gesteld die op 26 april 2013 zijn beantwoord, strafrechtelijk vervolgd voor het lekken van vertrouwelijke en gevoelige informatie aan de Chinese autoriteiten?1 Zo nee, waarom niet?
Er is door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aangifte gedaan tegen de betreffende tolken. De verdere beoordeling van de aangifte komt toe aan het Openbaar Ministerie.
Waren deze twee tolken beëdigd in de zin van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) of stonden zij op de uitwijklijst van het Bureau beëdigde tolken en vertalers (Bbtv)? Hoe komt het dat zij door de bijbehorende screening zijn gekomen?
De IND maakt sinds 2000 (man), respectievelijk 2004 (vrouw) gebruik van de tolkdiensten van de betreffende tolken. Bij de opname in het IND-tolkenbestand heeft de man een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) overgelegd. Ten aanzien van de vrouw werd met haar toestemming door de IND een uittreksel uit het strafregister opgevraagd, hetgeen in 2004 de gebruikelijke werkwijze was.
De Wet Beëdigde Tolken en Vertalers (Wbtv) is sinds 2009 van kracht en ten behoeve van inschrijving in het register of op de uitwijklijst dient een VOG overgelegd te worden. Beide tolken zijn in 2009 op de uitwijklijst geplaatst en hebben toen ten behoeve van de inschrijving op de uitwijklijst ook een VOG overgelegd. Het Bureau beëdigde tolken en vertalers (Bureau btv).
hanteert een geldigheidsduur van vijf jaar met betrekking tot de overgelegde VOG.
Plaatsing op de uitwijklijst van het Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv) is drie jaar geldig en vervalt nadien van rechtswege. In mei 2012 is de aanvraag tot verlenging afgewezen omdat niet voldaan werd aan de gestelde bijscholingseisen, waarna de inschrijving automatisch is komen te vervallen.
Beide tolken bleven wel ingeschreven staan in het IND-tolkenbestand, daar het Oeigoers een schaarse en minder gangbare taal betreft waarvoor weinig tolken beschikbaar zijn. De door het Bureau btv gehanteerde geldigheidsduur van de VOG van vijf jaar geldt ook voor het IND-tolkenbestand. Omdat de gestelde termijn van vijf jaar in 2012 nog niet verstreken was, had de IND op dat moment geen reden een nieuwe VOG te verzoeken. Indien gerede twijfel bestaat over de integriteit van een tolk, behoudt de IND zich het recht voor om de tolk tussentijds een nieuwe VOG te laten overleggen.
Vindt er naast het overleggen van een Verklaring omtrent het gedrag (VOG) ook een diepgaandere screening plaats door bijvoorbeeld de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)? Zo nee, waarom niet?
Nee. In de Wbtv is opgenomen dat voor inschrijving in het register of op de uitwijklijst een VOG moet worden overgelegd. Voor de beoordeling van aanvragen van een VOG geldt een terugkijktermijn van tien jaar. Een tolk of vertaler die minder dan vijf jaar in Nederland woonachtig is, dient in aanvulling op de VOG tevens een integriteitverklaring van de bevoegde autoriteit in het land van herkomst te overleggen. Ook kan van de tolk of vertaler geëist worden tussentijds of voorafgaand aan een inzet een VOG te overleggen, indien gerede twijfel bestaat over de integriteit van de tolk.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel beëdigde tolken en vertalers in 20072 is de vraag naar een screening door de AIVD aan de orde geweest. Door mijn ambtsvoorganger is toen aangegeven dat een VOG een veel zwaardere screening is dan wordt gedacht. Voor de screening wordt gekeken naar de gegevens die in de justitiële documentatie staan en naar de politiegegevens. Dit betekent dat er niet alleen gekeken wordt naar veroordelingen, sepots en transacties, maar ook naar de zogenaamde zachte gegevens in de politieregisters. Daarbij is van belang dat de weging van al deze informatie wordt gedaan met inachtneming van het feit dat de tolk of vertaler werkzaamheden kan verrichten voor het justitiedomein. Een standaard screening door de AIVD van tolken en vertalers is derhalve niet noodzakelijk.
Kunt u toelichten wat u bedoelt als u stelt dat betreffende tolken niet meer zullen worden ingezet bij asielprocedures? Betekent dit dat deze tolken nog wel kunnen worden ingezet bij reguliere procedures en/of voor andere tolkactiviteiten door de overheid? Zo ja, waarom?
Zoals ik u op 26 april jl. heb geschreven is het ambtsbericht van de AIVD voor de IND aanleiding geweest om de betrokken tolken niet langer in te zetten. Ook de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) zullen geen gebruik meer maken van de diensten van beide tolken. Daarnaast is het Openbaar Ministerie en de politie geïnformeerd en verzocht geen gebruik meer te maken van de diensten van beide tolken. Tevens zijn de Raad voor Rechtsbijstand en de bemiddelingsbureaus, die bemiddeling van tolk- en vertaaldiensten verzorgen, ingelicht over sterke aanwijzingen voor niet-integer handelen en is hen verzocht de tolken niet meer in te zetten. De Raad voor de Rechtspraak is telefonisch ingelicht over deze kwestie.
In de betreffende bewaringszaak is de tolk opgeroepen door de rechtbank. Gebleken is dat de betreffende rechtbank, ondanks de ondernomen acties, niet voldoende op de hoogte is geraakt van de gerezen twijfel aan de integriteit van betrokkenen. Naar aanleiding van dit incident is de Raad voor de Rechtspraak in navolging van voorgaande alsnog schriftelijk verzocht alle gerechten te informeren over betrokkenen. Tevens draagt het Parket-Generaal in aanvulling hierop zorg voor het informeren van alle parketten.
Is tijdens een bewaringszaak d.d. 14 mei 2013 één van de twee door de IND geschorste Chinese tolken door de rechtbank opgeroepen om te tolken in een zitting?2 Waren de rechtbank in kwestie en de aanwezige procesvertegenwoordiger van de IND niet op de hoogte van de namen van de geschorste tolken? Zo ja, hoe komt dat en hoe vaak zijn deze tolken sinds hun schorsing in januari 2013 ingezet bij andere vreemdelingrechtelijke zaken? Zo nee, kunt u dan toelichten wat er precies is gebeurd tijdens de zitting van 14 mei 2013?
Zie antwoord vraag 4.
Betekent dit dat er nog steeds gebruik wordt gemaakt van deze twee tolken? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn de twee Chinese tolken ingezet in andere zaken dan asielzaken? Zo ja, op welke wijze is dan onderzocht of er in die zaken is gelekt en wat hiervan de consequenties zijn?
Het onderzoek door de IND naar de betrokkenheid van tolken bij toelatingsprocedures heeft uitgewezen dat het overgrote deel van de zaken waarin gebruik is gemaakt van de betrokken tolken, asielprocedures betreft. Met name in deze zaken is deze vaststelling relevant omdat in dit geval Oeigoerse vreemdelingen zich tot de Nederlandse overheid hebben gewend met een vraag tot bescherming.
Zoals ik uw Kamer op 26 april 2013 heb gemeld4, heb ik besloten om asielaanvragen van Oeigoeren te herbeoordelen in die gevallen waarbij tijdens de asielprocedure gebruik is gemaakt van één van beide tolken. Conform mijn toezegging tijdens het Algemeen Overleg van 19 juni jl. meld ik u dat alle zaken zijn herbeoordeeld. In nagenoeg alle zaken is een verblijfsvergunning asiel verleend. In een zeer klein aantal gevallen, minder dan tien, is sprake van een gevaar voor de openbare orde en is om die reden geen verblijfsvergunning verleend.
Worden de betrokkenen van de 75% van de zaken waarin de Chinese tolken een rol speelden ingelicht over het feit dat er mogelijk vertrouwelijke informatie over hen aan de Chinese overheid is doorgespeeld? Zo nee, waarom niet?
Nee. Nog afgezien van het gegeven dat niet zeker is of, en zo ja, welke informatie door de tolken in een individuele zaak mogelijk is doorgespeeld aan de Chinese autoriteiten, hebben betrokkenen rechtmatig verblijf in Nederland. Het beoordelen van de risico’s bij terugkeer naar China is dus niet langer aan de orde voor deze groep. Wel zal in hun dossier bij de IND een aantekening worden opgenomen als vaststaat dat er een contactmoment is geweest met één van beide tolken.
Hoeveel Chinezen, die tijdens hun asielprocedure te maken hebben gehad met betreffende tolken, zijn reeds uitgezet en/of overgedragen aan andere EU-landen in het kader van het Dublin-verdrag? Wat kunt u nog voor hen betekenen?
Er zijn geen Oeigoeren uitgezet naar China waarbij tijdens de asielprocedure gebruik is gemaakt van de betreffende tolken. Wel zijn er twee Oeigoeren overgedragen, waarbij de betreffende tolken zijn ingezet, aan een andere EU-lidstaat in het kader van de Dublinverordening. Uit navraag is gebleken dat in beide zaken na overdracht een asielvergunning is verstrekt.
Op welke wijze gaat u zoveel mogelijk voorkomen dat familieleden, vrienden en relaties in China van Oeigoeren in Nederland van wie informatie is gelekt, problemen of negatieve aandacht krijgen van de Chinese autoriteiten? Worden de Oeigoeren in Nederland die asielbescherming hebben gekregen ingelicht over deze risico's?
Zoals ik reeds in antwoord op vraag 8 heb gemeld is onzeker of, en zo ja, welke informatie de betrokken tolken hebben doorgespeeld aan de Chinese autoriteiten. Daarnaast blijkt uit de opeenvolgende ambtsberichten dat familieleden van Oeigoeren die in het buitenland verblijven, niet noodzakelijkerwijs te maken krijgen met negatieve aandacht van de autoriteiten. Ik blijf de situatie van Oeigoeren in China voor zover mogelijk nauwlettend te volgen.
Waarom heeft het feit dat Chinese autoriteiten zich vergaand inspannen om op de hoogte te blijven van asielaanvragen in het buitenland tot dusver niet geleid tot de conclusie dat elke Oeigoer bij terugkeer naar China het risico loopt op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, omwille van het enkele feit dat hij Oeigoer is?
Uit het jaarverslag van de AIVD van 2011 blijkt inderdaad dat de Chinese autoriteiten geïnteresseerd zijn in de Chinese minderheden in Nederland en deze nauwlettend in de gaten houden. Deze activiteiten geven echter geen aanleiding om te veronderstellen dat elke Oeigoer bij terugkeer het risico loopt op vervolging in zin van artikel 3 EVRM, maar deze informatie is vanzelfsprekend relevant bij de individuele beoordeling van de asielaanvragen van Oeigoerse asielzoekers.
Inzake risico's van de bezuinigingen voor de kwaliteit van de kinderopvang |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Abvakabo FNV onder medewerkers in de kinderopvang?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitkomst van het onderzoek dat 76% van de ondervraagde medewerkers vindt dat de kwaliteit van de organisatie onder druk staat?
Ik vind dit een zorgelijk signaal. Kinderopvangorganisaties moeten voldoen aan de geldende kwaliteitseisen. De GGD houdt hier toezicht op. Daar waar overtredingen worden geconstateerd, handhaven gemeenten. Ik onderstreep het belang van kwaliteit en wijs hierbij op de lijn die is ingezet vanuit het risicogestuurd toezicht. Locaties waar veelvuldig en/of zware overtredingen (zoals op de beroepskracht-kindratio) worden geconstateerd, worden extra vaak bezocht door de GGD.
Deelt u de zorgen over de uitkomst van het onderzoek dat een derde van de medewerkers aangeeft wel eens met te weinig leidsters op een groep te staan, waardoor de veiligheid in het geding komt?
Ja, deze zorgen deel ik. Voor mijn toelichting hierbij verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 2.
Deelt u de zorgen over de uitkomsten van het onderzoek over de naleving van de leidster-kindratio, dat 56% van de medewerkers aangeeft dat deze een enkele keer niet wordt nageleefd, dat 32% aangeeft dat dit één tot twee dagdelen per week gebeurt en bij 13% dit zelfs meer dan twee dagdelen per week gebeurt?
Ja, deze zorgen deel ik. Daar waar de GGD een dergelijke situatie constateert, wordt een tekortkoming geconstateerd. Gemeenten kunnen vervolgens handhaven. Omdat de GGD niet altijd zicht kan hebben op overtredingen, wil ik hierbij ook een beroep doen op de eigen verantwoordelijkheid van beroepskrachten. Zij kunnen zelf (eventueel anoniem) een melding te doen van overtredingen bij de GGD.
Wat is uw reactie op de uitkomst van het onderzoek dat 63% van de medewerkers aangeeft dat er geen vaste contracten meer worden gegeven binnen hun organisatie en dat 53% aangeeft dat er juist meer 0-urencontracten worden gegeven, wat de kwaliteit niet ten goede komt? Deelt u de zorgen over de kwaliteit van de kinderopvang door een verschuiving naar meer 0-urencontraten?
Ik zie geen direct verband tussen een toename van het aantal 0-urencontracten en de kwaliteit van de kinderopvang. Ook bij 0-urencontracten blijven alle kwaliteitsregels van toepassing. Zo blijft bijvoorbeeld gelden dat maximaal drie vaste beroepskrachten mogen worden toegewezen aan een kind, waarvan altijd tenminste één beroepskracht op de groep van het kind werkzaam is.
Overigens acht ik teveel flexibele contracten vanuit het perspectief van zekerheid voor medewerkers ongewenst. In het sociaal akkoord is afgesproken om de bescherming van flexibele krachten en vaste krachten beter met elkaar in balans te brengen. Het wetsvoorstel hiertoe wordt momenteel uitgewerkt en dit najaar aan uw Kamer toegestuurd.
Bent u bekend met de berichtgeving over het samenvoegen van drie werkmaatschappijen in de kinderopvang?2
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat ook na deze samenvoeging mogelijk nog overgegaan moet worden tot het sluiten van locaties?
Het concentreren van de opvang op een aantal vestigingen is voor ondernemers een manier om de concurrentie met andere instellingen aan te gaan. Het is aan ondernemers om een afweging te maken over het al dan niet openhouden van vestigingen.
Kunt u aangeven hoeveel van de voor kinderopvangtoeslag voor 2013 gereserveerde middelen dit jaar niet besteed zullen worden door de terugloop in het gebruik van formele kinderopvang? Hoeveel verwacht u dat de structurele onderbesteding zal zijn van de middelen beschikbaar voor kinderopvangtoeslag?
Zoals gemeld bij Voorjaarsnota (Kamerstukken, 2013–2014, 33640, nr.3 wordt er in 2013 een meevaller van € 221 miljoen verwacht op de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag, oplopend naar € 276 miljoen in 2018.
Bent u bereid de onderbesteedde middelen alsnog te investeren in de kinderopvang? Zo nee, waarom niet?
Gezien de economische situatie is er momenteel geen ruimte om extra te investeren in de kinderopvang. Tegenover de meevaller op de kinderopvangtoeslag staan diverse tegenvallers, zoals op het kindgebonden budget. De meevaller is bij Voorjaarsnota ingezet om de begroting van SZW sluitend te krijgen.