Het bericht dat honderden huisartsen gedwongen onveilige software gebruiken |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Huisartsen gedwongen tot gebruik uiterst onveilige Java-versie»?1
Achtergrond van het artikel op Tweakers.net is de volgende. ICT-leverancier Promedico heeft een deel van haar klanten geadviseerd om nog even te wachten met de nieuwste update van Java. De reden hiervoor was dat deze nieuwste versie van Java een probleem opleverde bij het gebruik van de UZI-pas. Het advies betrof dan ook alleen Promedico-klanten die een UZI-pas gebruiken. Volgens Promedico zijn dat 134 praktijken. Promedico heeft aangegeven dat sinds maandagavond 3 juni een update voor de klanten beschikbaar is. De Promedico-klanten die gebruik maken van een UZI-pas hebben hun systeem inmiddels kunnen aanpassen.
Deelt u de mening dat het dwingen tot uitstel van een securitypatch een veiligheidsrisico met zich meebrengt, omdat reeds bekende veiligheidsproblemen in de software niet verholpen worden?
Dat zou inderdaad onwenselijk zijn. Het is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieders en de leveranciers om informatiesystemen adequaat te beveiligen, zodat veilige en betrouwbare gegevensuitwisseling mogelijk is.
Softwareleveranciers hanteren over het algemeen release-planningen zodat klanten niet te pas en te onpas met aanpassingen worden geconfronteerd. Voor wat betreft de situatie waarover het artikel handelt, geldt het volgende. Promedico heeft na de release van april het probleem geconstateerd. Besloten is om de oplossing te prioriteren voor de eerstvolgende release. Deze release stond in de release-planning voor 6 juni. Promedico heeft dit onderdeel maandagavond 3 juni, in een aparte release aan haar klanten beschikbaar gesteld.
Klopt het dat via deze veiligheidsproblemen computers in theorie overgenomen kunnen worden, en dat daardoor patiëntendossiers mogelijk door onbevoegden kunnen worden ingezien?
Het is Promedico niet bekend dat met de betreffende Java versie computers kunnen worden overgenomen. Echter in deze Java versie zaten wel de nodige security issues. De Java update heeft betrekking op de PC van de arts die met het centrale systeem Promedico-ASP werkt. Promedico heeft aangegeven dat bij Promedico-ASP de patiëntgegevens niet op het systeem van de arts staan, maar dat alle patiëntgegevens staan opgeslagen in beveiligde datacenters. Inloggen in de dossiers is beveiligd met middelen als Digi-pas en UZI pas. In de datacenters wordt gebruik gemaakt van firewalls om hacken te voorkomen. Alle gegevens worden versleuteld verzonden van datacenter naar de arts.
Deelt u de mening dat bij het verwerken van medische gegevens een dergelijke situatie niet voor zou mogen komen, en dat hiermee niet wordt voldaan aan wettelijke eisen voor gegevensbescherming?
Dit is inderdaad geen wenselijke situatie. Het is aan het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) te beoordelen of in een dergelijke situatie wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor gegevensbescherming.
Kunt u toelichten waar de verantwoordelijkheid voor adequate gegevensbescherming in dergelijke situaties ligt? Ligt die verantwoordelijkheid bij de huisarts, of juist bij de leverancier?
De zorgaanbieder is op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens verantwoordelijk voor een veilige verwerking van de gegevens van zijn patiënten. De noodzakelijke beveiligingseisen zouden in de afspraken (de zogenaamde bewerkersovereenkomst) tussen zorgaanbieders en ICT-leveranciers duidelijk vastgelegd moeten zijn.
Hoe gaat u dergelijke situaties in de toekomst voorkomen?
ICT leveranciers moeten met de zorgaanbieders het beheer en onderhoud van hun systemen zo vormgeven, dat de kans op dergelijke situaties minimaal is. Het CBP ziet toe op het naleven van deze verantwoordelijkheden op basis van de Wet Bescherming Persoonsgegevens.
Specifiek voor de gezondheidszorg is de combinatie van bijzondere functionele eisen aan de informatievoorziening («een overal bereikbaar patiëntdossier») met bijzondere risico’s (soms levensbedreigend, zeer privacygevoelig). Hiervoor is voor de informatiebeveiliging in de zorg een speciale norm opgesteld: NEN 7510. De NEN 7510 geeft aanwijzingen voor het organisatorisch en technisch inrichten van de informatiebeveiliging. NEN 7510 wordt verder ingevuld door NEN 7512 en NEN 7513, die respectievelijk handelen over de veiligheid van gegevensuitwisseling tussen partijen en logging. In de toelichting bij het wetsvoorstel cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens is aangegeven dat naar deze NEN-normen bij algemene maatregel van bestuur dwingend zal worden verwezen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 509, nr. 3).
Het artikel ’Schuld Aruba enorm’ |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel »Schuld Aruba enorm»?1
Ja.
In hoeverre klopt het dat de tekorten in Aruba gedekt worden door de obligatieleningen met als gevolg dat de totale schuld telkens groter wordt en uitkomt op 71,2%?
Ik heb kennis genomen van de analyse van de Centrale Bank van Aruba, waarin de overheidsschuld voor 2013 wordt gesteld op 71,2%. Op basis van de stukken is de ontwikkeling van de financiën van Aruba zorgelijk. Ik heb recent op Aruba gesproken met de minister-president van Aruba over de financiën. In dat gesprek is mij duidelijk geworden dat Aruba beleid voert ter versterking van de economie, ook ten dienste van haar burgers en tegelijkertijd de risico's onderkent. Die inschattingen en afwegingen zijn ook voorbehouden aan de regering.
Het land Aruba geniet een autonome status en er is geen onafhankelijke toezichthouder op basis van een consensus rijkswet. De waarborgen voor goed financieel beheer liggen dan ook besloten in het openbaar bestuur van Aruba, met instellingen als de Centrale Bank, de Algemene Rekenkamer, de Raad van Advies en niet in de laatste plaats de Staten van Aruba.
In hoeverre voldoet Aruba momenteel aan de voorwaarden op basis van in het Koninkrijk en internationaal gehanteerde criteria voor houdbare overheidsfinanciën?
In het recent gesloten protocol is opgenomen dat Nederland de mogelijkheden voor inschrijving op een openbare aanbieding van een obligatielening van het Land Aruba zal beoordelen aan de hand van in het Koninkrijk en internationaal gehanteerde criteria van houdbare overheidsfinanciën en terugbetalingcapaciteit. Nederland behoudt zich het recht voor niet in te schrijven indien Aruba niet voldoet aan de criteria. Tot op heden is er nog geen aanvraag door Aruba gedaan en heeft er dus ook geen toetsing plaats gevonden. De exacte uitwerking van dit protocol moet overigens nog plaatsvinden alvorens daadwerkelijk een eerste verzoek ter beoordeling kan worden aangenomen tot inschrijving op een openbare aanbieding van een obligatielening van het land Aruba.
Waarom heeft de Nederlandse regering zich ingeschreven voor obligatieleningen ten behoeve van de Arubaanse staatsschuld, terwijl nu blijkt dat zij zich hiermee alleen dieper in de schulden werkt?
Nederland heeft in de afgelopen 20 jaar niet ingeschreven op obligatieleningen van Aruba ten behoeve van de Arubaanse staatsschuld. Met Aruba is in 2011 afgesproken dat de mogelijkheden tot een lopende inschrijving zouden worden onderzocht. Het recent gesloten protocol is een herbevestiging van deze afspraak. Op dit moment is niet bekend wanneer Aruba een verzoek gaat doen aan Nederland voor inschrijving op een openbare obligatielening van Aruba. Aruba maakt daar zelf beleidsmatige financieringskeuzes in.
De regering van Aruba heeft recent wel een verzoek ingediend voor het aangaan van een reguliere buitenlandse lening op de kapitaalmarkt. Dit verzoek vergt nog besluitvorming in de Rijksministerraad op basis van artikel 29 van het Statuut.
Deelt u de mening dat Nederland zich niet moet inschrijven voor deze obligatieleningen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat, zolang artikel 43 lid 2 van het Statuut, de waarborgfunctie, van kracht is en het Koninkrijk eindverantwoordelijk is, dit betekent dat uiteindelijk Nederland financieel eindverantwoordelijk is? Zo nee, waarom niet?
Nee, indien Aruba onverhoopt in financiële problemen komt, zal de regering van Aruba haar verantwoordelijkheid moeten nemen door besparingen te realiseren en hervormingsmaatregelen te treffen.
Het huren van kantoren door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) van bedrijven die niet in Nederland gevestigd zijn |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat het UWV geen kantoren zou moeten huren van bedrijven die Nederlandse belasting ontwijken en dat daarvoor grondig onderzoek naar de groepen waartoe de verhuurders behoren noodzakelijk is?1 Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoorden op uw eerdere vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr.2386) gaf ik aan dat bij het aangaan van huurovereenkomsten de taak van UWV zich beperkt tot het sluiten van een rechtmatige overeenkomst met een verhuurder. Een onderzoek naar de organisatie- en financieringsstructuur van de groep waartoe deze verhuurder mogelijk behoort is hier geen onderdeel van.
De inrichting van de organisatie- en financieringsstructuur is de verantwoordelijkheid van de verhuurder. Logischerwijs mag deze inrichting niet leiden tot het ontplooien van criminele activiteiten of frauduleus handelen door een verhuurder. In dat geval is het de rol van de Politie om deze criminaliteit op te sporen en het Openbaar Ministerie om vervolging in te stellen, de opsporing van financiële, economische en fiscale fraude is in handen van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst. Daarnaast wordt het vanaf 1 juli 2013 ingevolge de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) mogelijk het Bureau Bibob om een integriteitsbeoordeling van een verhuurder te vragen. Zo voorkomt de overheid dat zij ongewild criminele activiteiten mogelijk maakt. UWV kan eveneens van een dergelijke beoordeling gebruik maken bij het aangaan van huurovereenkomsten.
Aangezien er in deze casus geen sprake is van onrechtmatig of frauduleus handelen door een verhuurder, zie ik geen reden onderzoek te verrichten naar de structuur en daarmee de identiteit van en groepen waartoe verhuurders behoren en hun vestigingsplaats.
Bent u bereid uit te zoeken welke organisatie- en financieringsstructuren worden toegepast door de groepen waartoe de verhuurders van UWV-kantoren behoren, zodat eventuele belastingontwijking tegen kan worden gegaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de identiteit en de fiscale vestigingsplaatsen van de directe of indirecte aandeelhouders van de groep waar het UWV van huurt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
De onbekendheid van verlofregelingen bij mantelzorgers |
|
Grace Tanamal (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat mantelzorgers vaak niet goed op de hoogte zijn van regelingen rondom verlof bij mantelzorg?1
Ja.
Wat vindt u van de resultaten uit het onderzoek van de CNV Dienstenbond dat bijna de helft van de mantelzorgers met een betaalde baan niet weet dat zij recht hebben op extra verlofdagen wanneer zij mantelzorg verlenen aan een familielid of naaste?
Naar verwachting zal de druk op het combineren van werk en privé door vergrijzing en een toenemende zorgbehoefte voor bepaalde groepen werknemers groter worden. Mantelzorgers kunnen gebruik maken van de mogelijkheden die worden geboden door de Wet aanpassing arbeidsduur en het kort- en langdurend zorgverlof uit de Wet arbeid en zorg. Via het wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden worden deze regelingen aangepast zodat zij ook voor mantelzorgers beter kunnen aansluiten op de behoefte. Daarnaast heb ik in de periode 2010 – 2012 door middel van een stimuleringsproject Werk en mantelzorg ingezet op het agenderen bij en het stimuleren van werkgevers om mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid te voeren. De resultaten van het onderzoek geven echter aan dat er nog veel te doen is op dit terrein. Daarom zijn wij voornemens om een project gericht op voorlichting van werkende mantelzorgers en werkgevers uit te voeren. Ook zal mantelzorg aan de orde komen tijdens de arbeid-en-zorgtop die wij samen met de minister en staatssecretaris van OCW in het najaar organiseren.
Wat vindt u van de resultaten uit het onderzoek, waaruit blijkt dat ongeveer 80 procent van de werkende mantelzorgers moeilijkheden ondervindt bij het combineren van baan en zorgtaken, en dat bijna een derde van de respondenten aangeeft dat mantelzorg op het werk niet bespreekbaar is?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat mantelzorgers goed op de hoogte moeten zijn van bestaande regelingen rondom verlof en dat de werkgevers daar goede voorlichting in moeten geven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u voorts de mening dat mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid uitval van werknemers tegengaat en uiteindelijk bespaart op personeelskosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. De vergrijzing en de grotere zorgbehoefte die hieruit voortvloeit kunnen de tijdsdruk voor werkenden die mantelzorg verlenen doen toenemen. Dit legt mogelijk voor sommigen een druk op de balans tussen werk- en privéleven en kan vervolgens leiden tot uitval door ziekteverzuim. Aandacht van werkgevers voor mantelzorg kan een positieve invloed hebben op het voorkomen van ziekteverzuim.
Hoe gaat u werkgevers stimuleren om mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid te voeren? Kunt u de Kamer hier voor het zomerreces over informeren?
Wij gaan samen dit najaar met de minister en staatssecretaris van OCW een arbeid-en-zorgtop organiseren. Tijdens deze top zal gesproken worden over onder meer het creëren van flexibiliteit in het arbeidspatroon, kinderopvang, de aansluiting daarvan met het onderwijs en het stimuleren van een grotere betrokkenheid van mannen bij (mantel-)zorgtaken. Na deze top zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over eventuele aanvullende stappen om de combinatie van arbeid en zorg te verbeteren.
Kunt u nog voor het zomerreces, wanneer u aangeeft hoe regels die bepalen of ouderen samenwonen precies zitten en wat daaraan wellicht schort, ook aangeven hoe u er zorg voor gaat dragen dat mantelzorgers voldoende op de hoogte zijn van regelingen rondom mantelzorg?2, en welke rol gemeenten, werkgevers, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hierin hebben?
In de AOW is een uitzondering opgenomen voor de mantelzorg. Het AOW-pensioen van twee ongehuwde AOW-gerechtigden wordt gehandhaafd op 70% WML als zij een gezamenlijke huishouding gaan voeren omdat één van hen hulpbehoevend is en beiden over een eigen woning beschikken waarvoor ieder voor de eigen woning de financiële lasten draagt. Hulpbehoevend is de persoon die door ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard, blijvend niet is staat is om een eigen huishouding te voeren omdat hij dagelijks is aangewezen op intensieve hulp van anderen. De hulpbehoevendheid moet aanleiding zijn voor het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding.
Op de website www.svb.nl wordt informatie verstrekt over deze uitzondering bij mantelzorg. In de brief van 15 mei jl. heeft de commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gevraagd een verkenning op te stellen van alternatieven voor de huidige invulling van het criterium samenwonen in de AOW. In het AO Pensioen van 30 mei jl. heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangegeven dat zij daarop voor 1 september a.s. zal reageren. Verder wordt dit najaar de eerdergenoemde arbeid-en-zorgtop georganiseerd. In de voorbereiding hiervan zal worden bezien welke andere partijen voor deze top zullen worden uitgenodigd.
De ongewogen kapitaalratio |
|
Henk Nijboer (PvdA), Wouter Koolmees (D66) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de wetenschappelijke literatuur die de tekortkomingen van risicogewogen kapitaalratio’s benadrukt?1
Ja.
Klopt het dat er verschillen bestaan in de berekening van risicogewogen kapitaalratio’s tussen verschillende landen?2 Ziet u het gevaar dat deze verschillen de mogelijke functionaliteit van Bazel III beperken?
Onder bepaalde voorwaarden (zo is onder meer toestemming van de toezichthouder vereist) is het banken toegestaan gebruik te maken van interne modellen voor het berekenen van risicogewogen activa ten behoeve van de kapitaaleisen. Verschillen in bijvoorbeeld aannames die banken hierbij hanteren voor het bepalen van de kans op wanbetaling, kunnen leiden tot variatie in de risicogewogen activa die banken voor bepaalde typen activa berekenen.
Voor het toestaan van eigen berekeningen bestaan goede argumenten. Zo kan de accuraatheid van de berekening worden vergroot omdat banken rekening kunnen houden met de specifieke aard van de betreffende activa en de lokale omstandigheden. Ook kan deze aanpak een positieve bijdrage leveren aan de financiële stabiliteit, door het voorkomen van kuddegedrag dat kan optreden wanneer risico’s door alle banken op dezelfde manieren zouden worden gemeten. Dit laatste zou kunnen leiden tot het in buitensporige mate aanhouden of juist vermijden van bepaalde activa.
Aan het toestaan van eigen berekeningen door banken zitten vanzelfsprekend ook (potentiële) nadelen. Zo verhoogt het toestaan van eigen berekeningen de complexiteit van de afspraken ten opzichte van standaard risicogewichten. Ook kan er een prikkel van uitgaan om risicogewichten zo laag mogelijk vast te stellen om zo kostbaar kapitaal vrij te spelen. Daarom doen zowel de Europese Bankenautoriteit (EBA) als het Bazels Comité op dit moment al enige tijd onderzoek naar de oorzaken van verschillen in RWA en beleidsopties om ongewenste verschillen te beperken (zie het antwoord op vraag 3 hieronder). Hierbij wordt ook gekeken naar verschillen in berekeningen die het gevolg zijn van beleid van toezichthouders in verschillende jurisdicties. Meer informatie over dit onderwerp kunt u vinden in §3 van de nota «risicogewogen kapitaaleisen en de rol van externe ratings», die ik u gelijktijdig met de beantwoording van deze Kamervragen doe toekomen.
Worden in Europees verband stappen ondernomen om verschillen in de berekening van risicogewogen activa tegen te gaan? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, bent u bereid dit onderwerp op de Europese agenda te zetten?
De afgelopen jaren zijn in Europees en internationaal verband meerdere onderzoeken gedaan naar de aard van de verschillen in de berekeningen van risicogewogen activa, onder meer door het Bazels Comité3 en de EBA4. Naar aanleiding van de resultaten uit deze onderzoeken zijn vervolgonderzoeken aangekondigd naar de berekening van risicogewichten in het bankenboek. De uitkomsten hiervan worden deze zomer verwacht. Deze onderzoeken zijn zeer belangrijk omdat hierdoor meer zicht komt op verschillen in berekeningen van risicogewogen activa tussen banken, inclusief de beschikbare beleidsopties om deze te kunnen verkleinen wanneer deze verschillen niet het gevolg zijn van legitieme verschillen tussen banken zoals bijvoorbeeld uiteenlopende bedrijfsmodellen. De voornoemde nota «risicogewogen kapitaaleisen en de rol van externe ratings» gaat nader op deze onderzoeken in (§3).
Bent u het, gelet op de beperkingen van risicogewogen kapitaalratio’s, er mee eens dat de introductie van een bindende minimumdrempel voor de niet-risicogewogen leverage ratio essentieel is om tot een stabielere financiële sector te komen, zeker ook gezien de inzichten van de Parlementaire Enquêtecommissie Financieel Stelsel, dat op kritieke momenten vooral naar de leverage ratio’s van banken werd gekeken om de solvabiliteit van een bank te beoordelen?
De niet-risicogewogen leverage ratio vormt een belangrijke aanvulling op de risicogewogen kapitaaleisen gegeven de hierboven geschetste nadelen van de risicogewogen kapitaalratio’s. De leverage ratio komt tegemoet aan het risico met betrekking tot risicogewogen kapitaaleisen dat banken daarbij hun kapitaal te laag zouden kunnen vaststellen. Met de introductie van de leverage ratio moeten banken altijd een minimum percentage kapitaal aanhouden tegenover alle activa die ze op de balans hebben staan, ongeacht de risicoweging van hun activa. De leverage ratio dient derhalve als veiligheidsklep ten opzichte van de risicogewogen kapitaaleisen. Het voordeel van de leverage ratio is daarbij zijn eenvoud.
Het nadeel van de leverage ratio is het gebrek aan risicogevoeligheid. Indien de kapitaaleis niet voldoende meebeweegt met de mate van risico in een lening, geeft dat banken een prikkel om minder leningen met lage risico’s en bijbehorende lage rendementen te verstrekken. Met hetzelfde kapitaalbeslag kunnen banken immers leningen uitzetten met hogere rendementen en bijbehorende hogere risico’s. Op termijn kan dat leiden tot een hogere mate van kredietrisico op de bankbalansen en in de bancaire sector als geheel.
Gegeven de voor- en nadelen aan beide ratio’s steunt Nederland de combinatie die Bazel voorstelt van zowel een risicogewogen kapitaaleis als een leverage ratio, aangevuld met streng toezicht op interne modellen en meer transparantie over de berekeningswijzen die interne modellen hanteren (zie ook de voornoemde nota «risicogewogen kapitaaleisen en de rol van externe ratings»).
Klopt het dat de leverage ratio vanaf de jaren tachtig voor het Nederlandse bankwezen trendmatig is gedaald? Wat is de verklaring hiervoor en kan hier een overzicht van worden gegeven?
Hieronder is in figuur 1 op basis van data van de OESO de leverage ratio voor het Nederlandse bankwezen weergegeven voor de periode 1980–2009. Daaruit valt over deze periode genomen geen trendmatige daling van de leverage ratio af te leiden5. Over de hele periode lag de leverage ratio voor het Nederlandse bankwezen gemiddeld rond de 3,7%. Wel is een duidelijke daling zichtbaar vanaf midden jaren 90 tot 2005. Vanaf 2005 stijgt de leverage ratio voor het Nederlandse bankenwezen weer, met uitzondering voor 2008. De scherpe daling die daar zichtbaar is, is het gevolg van de verliezen die banken als gevolg van de financiële crisis moesten nemen.
Hoewel er geen eenduidige verklaring voor de daling over de periode 1995–2005 is, heeft wel een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden die mogelijk hebben bijgedragen aan de daling. Zo heeft de kapitaalmarkt zich de afgelopen decennia sterk ontwikkeld waardoor het voor banken makkelijker is geworden om toegang te krijgen tot vreemd vermogen. Ook kan een verklaring gevonden worden in de gevoerde bedrijfsvoering door banken. De genoemde periode kenmerkte zich door een bedrijfsvoering die erop gefocust was om hoge rendementen te behalen op het eigen vermogen, en hoge dividenden te kunnen uitkeren. Het aanhouden van minder kapitaal, wat de leverage ratio ceteris paribus doet dalen, kan hier aan bijdragen.
Figuur 1: Leverage ratio NL bankwezen 1980–2009
Bron: OECD statistiek
Klopt het dat de Capital Requirements Directive (CRD IV), in tegenstelling tot Bazel III, nog geen minimumdrempel voor de leverage ratio noemt en dat pas eind 2016 door de European Banking Authority (EBA) wordt gekeken of een ratio van 3% een adequaat niveau is?3 Bent u het er mee eens dat er snel duidelijkheid moet zijn voor banken over wanneer zij aan welke minimumdrempel moeten voldoen? Zo ja, wordt actie ondernomen om deze onduidelijkheid over de introductie van een minimumdrempel weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat er in de CRD IV nog geen minimumdrempel is opgenomen voor de leverage ratio. De leverage ratio is een nieuw instrument in CRD IV en er is tijd nodig om deze zorgvuldig te definiëren voordat zij als een definitieve eis wordt opgelegd aan banken.
De 3% leverage ratio in Bazel 3 is overigens ook een voorlopige afspraak. Vanaf 1 januari 2014 wordt een observatieperiode ingesteld om de leverage ratio, op basis van de rapportage van banken aan de toezichthouders, te monitoren. Naar aanleiding van deze observatieperiode zal het Bazels Comité een definitief voorstel doen over de vormgeving en de hoogte van deze ratio, die vanaf 1 januari 2018 verplicht zal worden. Daarnaast is met Bazel 3 de afspraak gemaakt dat de leverage ratio vanaf 2015 openbaar moet worden gemaakt door banken om marktdiscipline te bewerkstelligen.
Tegelijkertijd zal de EBA ook de consequenties van leverage ratio op verschillende bedrijfsmodellen van banken onderzoeken, met name voor banken met minder risicovolle activa zoals banken die leningen bieden aan locale overheden of de publieke sector.
Naar aanleiding van de uitkomsten van de rapportages en de input van de EBA zal de Europese Commissie voor 31 december 2016 een rapport opstellen, met als doel ook een definitief voorstel met betrekking tot de vormgeving van de leverage ratio te kunnen doen. Dit voorstel zal met de Europese Raad van Ministers en het Europees Parlement worden besproken. De Europese Commissie streeft ernaar om de verplichte leverage ratio dan per 1 januari 2018 in Europa te kunnen introduceren, conform de planning van het Bazels Comité.
Klopt het dat er verschillen zijn in boekhoudregels tussen de Verenigde Staten (US GAAP) en Europa (IFRS) met betrekking tot de activa van banken, bijvoorbeeld voor de waardering van derivaten? Welke impact hebben deze verschillen in boekhoudregels op de bepaling van de leverage ratio in de Verenigde Staten en in de eurozone? In hoeverre is het, gelet op de risico’s, verstandig om bij de berekening van de leverage ratio derivaten mee te tellen als activa?
Het klopt dat er verschillen zijn in boekhoudregels tussen US Gaap en IFRS met betrekking tot activa van banken en het belangrijkste verschil is hierbij inderdaad de wijze van verwerking van derivaten. Zowel onder US Gaap als onder IFRS dienen derivaten op marktwaarde te worden gewaardeerd en als activa op de balans erkend te worden. Het verschil zit hem erin dat onder US Gaap aan elkaar gekoppelde financiële transacties eerder gesaldeerd mogen worden dan onder IFRS. Dit betekent dat een bankbalans onder IFRS in totaal meer activa en passiva bevat dan een bankbalans onder US Gaap, waardoor de leverage ratio onder IFRS lager is dan onder US Gaap, en dus eerder «bijt».
Om de leverage ratio tussen banken die rapporteren onder US Gaap versus IFRS toch vergelijkbaar te maken, overweegt het Bazel Comité om een prudentieel filter toe te passen waarbij geregeld wordt dat voor de berekening van de leverage ratio alle banken onder dezelfde omstandigheden hun financiële transacties salderen. Minimaal zal duidelijk moeten zijn hoe verschillen tussen US Gaap en IFRS zoveel mogelijk worden ondervangen, voordat definitieve afspraken worden gemaakt over de leverage ratio.
Het bericht dat een rechtsbijstandverzekeraar een belang heeft in een deurwaarderskantoor |
|
Jan de Wit (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich eerdere rede vragen over het bericht dat de onafhankelijkheid van deurwaarders gevaar loopt?1
Ja.
Waarom heeft u nog geen besluit genomen over de gewijzigde Verordening Onafhankelijkheid van de Gerechtsdeurwaarder?2
Op 17 juni 2013 heb ik een besluit genomen over het verzoek van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) om goedkeuring aan de gewijzigde Verordening Onafhankelijkheid te verlenen. In dit besluit heb ik de gevraagde goedkeuring onthouden wegens strijd met het algemeen belang. Ik ben van mening dat de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder met deze verordening onvoldoende gewaarborgd is, omdat de kring van mogelijke participanten in gerechtsdeurwaarderskantoren verder wordt uitgebreid met participanten die indirect bij opdrachten aan het kantoor betrokken zijn. Deze uitbreiding verhoudt zich niet met de (exclusief) aan de gerechtsdeurwaarder toegekende ambtelijke taken en de daarmee verband houdende KBvG-regelgeving met betrekking tot de onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De in deze verordening gestelde eisen ten aanzien van participanten nemen dit niet weg.
Ik overweeg de kernwaarde onafhankelijkheid – en zo mogelijk de waarborgen daarvoor – in een op korte termijn bij uw Kamer in te dienen wetsvoorstel ter wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet op te nemen.
Wat is uw reactie op de gewijzigde Verordening Onafhankelijkheid van de Gerechtsdeurwaarder?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat de onafhankelijkheid, ondanks het niet hanteren van een nuloptie, alsnog gewaarborgd is in deze verordening? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het bericht dat rechtsbijstandverzekeraar DAS een belang van 49% heeft in deurwaarderskantoor Sensus Groep? Deelt u de mening dat dergelijke ontwikkelingen een bedreiging kunnen zijn voor de onafhankelijke positie van deurwaarders?
Ik verwijs naar mijn standpunt in algemene zin, zoals verwoord in antwoord op vragen 2 tot en met 4.
Het artikel ‘Alleen losers betalen belasting’ |
|
Jesse Klaver (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel en het redactioneel commentaar over belastingontduiking van multinationals, waarin de rol van Nederland wordt belicht en waarin duidelijk wordt dat moeder-dochterconstructies met daarin brievenbusmaatschappijen een essentieel onderdeel vormen in het systeem van belastingontduiking?1
Ja.
Heeft u de indruk dat de naar schatting 24.000 in Nederland gevestigde brievenbusmaatschappijen – die een schakel zijn in de belastingontduiking – zich ook aan de OESO richtlijnen houden (zie het staande beleid, zoals wederom verwoord in de nota «Wat de Wereld Verdient» dat u van in Nederland gevestigde bedrijven verwacht dat zij zich aan de OESO-richtlijnen houden)? Kun u aangeven waar u deze indruk op baseert?
Alom wordt onderkend dat de internationale afstemming van de uiteenlopende nationale fiscale stelsels niet is meegegroeid met de globalisering van het bedrijfsleven, een ontwikkeling die heeft gezorgd voor een exponentiële groei van het aantal internationale financiële transacties. Als gevolg hiervan doen zich situaties voor waarin multinationale ondernemingen te maken hebben met belastingheffing over dezelfde inkomsten door meer dan één overheid, maar ook een toenemend aantal situaties waarin geen of weinig belasting wordt geheven. Bovendien proberen steeds meer bedrijven, mede uit concurrentieoverwegingen, binnen het kader van de onvoldoende afgestemde fiscale stelsels hun belastingafdrachten te optimaliseren. In Nederland gevestigde bijzondere financiële instellingen vervullen daarin een functie. In de brief van de staatssecretaris van Financiën en mijzelf d.d. 30 augustus jl. (kenmerk IFZ/2013/320-U) is daar dieper op ingegaan.
De OESO-richtlijnen doen multinationale ondernemingen aanbevelingen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen in het licht van hun specifieke activiteiten en omstandigheden. Hoofdstuk XI van de OESO-richtlijnen stelt onder meer: «In het bijzonder dienen zij (d.w.z. ondernemingen) de belastingwetten en -regelgeving in alle landen waarin zij actief zijn naar de letter en de geest na te leven. Naleving naar de letter en de geest houdt in dat men de intentie van de wetgeving onderkent en volgt.» In hoeverre multinationale ondernemingen die uit oogpunt van het optimaliseren van hun belastingafdrachten bijzondere financiële instellingen in Nederland hebben gevestigd, in voornoemd opzicht voldoende opvolging geven aan deze aanbevelingen is ter beoordeling van de Nationale Contact Punten.
Teneinde de oordeelsvorming door de Nationale Contact Punten te ondersteunen zal ik aan de OESO vragen of de Working Party for Responsible Business Conduct in overleg met het Committee on Fiscal Affairs een nadere duiding kan geven van de OESO-richtlijnen in het geval van fiscale optimalisatie door multinationale ondernemingen.
Heeft u op dit moment voldoende mogelijkheden en middelen om zich adequaat te informeren of in Nederland gevestigde multinationale ondernemingen, inclusief brievenbusmaatschappijen, zich daadwerkelijk aan de OESO-richtlijnen houden? Zo neen, welke stappen zijn daarvoor dan nodig en bent u bereid deze te zetten. Zo ja, kunt u dan aangeven waaruit deze informatie bestaat?
Vragen over de naleving van de OESO-richtlijnen kunnen – onderbouwd – worden voorgelegd aan Nationale Contact Punten. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Is er ooit een klacht via het Nationaal Contact Punt (NCP) ingediend tegen een in Nederland gevestigde brievenbusmaatschappij?
Nee. Noch het Nederlandse NCP noch een buitenlands NCP heeft tot nu toe een klacht ontvangen die betrekking heeft op een in Nederland gevestigde bijzondere financiële instelling.
Bent u ermee eens dat het gebrek aan openbaar toegankelijke informatie over de activiteiten en eigendomsstructuur van brievenbusmaatschappijen een obstakel zouden kunnen vormen voor burgers om een NCP klacht in te dienen? Zo neen, waarom niet?
De beantwoording, waarover nog overleg gaande is met Staatssecretaris Weekers, zal zo spoedig mogelijk volgen.
Bent u van mening dat Nederlandse burgers ook tegen een in Nederland gevestigde brievenbusmaatschappij een NCP klacht zou moeten kunnen indienen?
Ja. Het is wel de vraag of het Nederlandse NCP het meest aangewezen zal zijn om de melding in behandeling te nemen. Dit zal onder meer afhankelijk zijn van de wijze waarop beslissingsbevoegdheden omtrent de vennootschap zijn geregeld. Indien het gaat om een bijzondere financiële vennootschap waarover het besluit tot oprichting in het buitenland om fiscale redenen is genomen, of waaraan geld wordt overgemaakt op basis van besluiten van een moederbedrijf dat elders is gevestigd, zal het naar verwachting de voorkeur genieten om de behandeling door te geleiden naar het NCP in het land van het moederbedrijf, ervan uitgaande dat het moederbedrijf in een land is gevestigd dat de OESO-richtlijnen onderschrijft. Indien het betrokken moederbedrijf niet is gevestigd in een land dat de OESO-richtlijnen onderschrijft, lijkt de behandeling van een melding bij het Nederlandse NCP op voorhand niet eenvoudig. Overigens kunnen belanghebbenden zich tot het Nederlandse NCP richten wanneer men duiding wil over een Nederlandse multinational die om fiscale redenen gebruik maakt van een buitenlandse bijzondere financiële instelling.
Bent u bereid om na te gaan wat de obstakels zijn om zo’n klacht in te dienen en voorstellen te doen om deze weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Het bericht 'Vertrek bestuurder kost ZuidZorg 170.000 euro'. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vertrek bestuurder kost ZuidZorg 170.000 euro»?1
Ja, ik heb het gelezen.
Deelt u de mening dat het van de zotte is dat deze bestuurder 170.000 euro gekregen heeft voor zeven weken werk? Zo nee, waarom niet?
Bij lezing van het artikel en uit navraag bij Zuidzorg blijkt het volgende.
Er is kort na de indiensttreding van de bestuurder gebleken dat men niet meer met elkaar verder kon. Dan zijn er de contractuele bepalingen uit de arbeidsovereenkomst en het Burgerlijk Wetboek plus de feitelijke omstandigheden die vervolgens de afwikkeling en de afwikkelingskosten bepalen. Kennelijk is hier dus geen goede procedure gevolgd bij de vervulling van de vacature. Het feit dat dit tot deze hoge kosten leidt, is zeer betreurenswaardig.
Deelt u de mening dat geld, dat bedoeld is voor zorg, aan zorg moet worden besteed? Wat gaat u doen om dit geld terug te vorderen, zodat het gespendeerd kan worden aan zorg?
Wil ik geld kunnen terugvorderen dan moet er a) een juridische titel voor zijn en b) die juridische titel moet bij mij liggen. Aan geen van beide voorwaarden is in dit geval voldaan.
Vindt u het niet onverkoopbaar dat u zware bezuinigingen door gaat voeren op de langdurige zorg, terwijl dergelijke bestuurders er met de poet vandoor gaan?
Voor de houdbaarheid van de langdurige zorg zijn hervormingen nodig. Met de Wet normering topinkomens (Wnt) worden nu grenzen gesteld aan de beloning en aan de vertrekpremies.
Waarom kiest u ervoor om hulpbehoevenden en ouderen hun zorg af te pakken, in plaats van bestuurders hun veel te riante ontslagvergoedingen af te pakken?
Zie het antwoord op vraag 4.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over het bestuur van ZuidZorg?2 Wat vindt u ervan dat het bestuur in luttele maanden tijd voor 350.000 euro aan tenenkrommende ontslagvergoedingen over de balk heeft gesmeten? Wat gaat u doen om hier een einde aan te maken?
Ja, die herinner ik me. De Raad van Toezicht is in dit geval het verantwoordelijke gremium, die raad is de formele werkgever van de bestuurder. Ik betreur het zeer dat deze Raad van Toezicht hier niet zorgvuldig genoeg heeft gehandeld. Dat is niet goed voor betrokkenen zelf, maar ook niet voor het beeld van de zorg.
Zoals aangegeven, wordt met de Wnt paal en perk gesteld aan excessieve beloningen en vertrekpremies.
Het toepassen van het mvv-vereiste in gezinsmigratiezaken waar kinderen bij betrokken zijn |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het tv-programma «Ik kan het niet alleen» d.d. 4 juni 2013 op RTL4 waarin een tweejarig Nederlands jongetje wordt geportretteerd dat van zijn Nigeriaanse moeder gescheiden dreigt te worden omdat zij niet voldoet aan het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv-vereiste)?1
Ja.
Deelt u de mening dat het gezin, bestaande uit een Nederlandse werkende vader, een Nederlands kind en een onrechtmatig verblijvende Nigeriaanse moeder die slachtoffer is van mensenhandel aan alle eisen voldoet om samen in Nederland te kunnen wonen, met uitzondering van het mvv-vereiste?
Zoals bekend kan ik geen informatie verstrekken over een individuele zaak.
Ik ben echter graag bereid het beleid ter zake nader toe te lichten.
Het mvv-vereiste heeft tot doel in het geval van reguliere migratie, waaronder gezinsmigratie, voorafgaande aan de komst van de vreemdeling naar Nederland te kunnen beoordelen of aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning wordt voldaan. Voordat betrokkene inreist moet duidelijk zijn dat hij of zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. In het geval van gezinshereniging wordt bij de mvv-aanvraag niet alleen gekeken of de referent voldoet aan de gestelde voorwaarden van gezinsband, leeftijd en inkomen, maar ook wordt beoordeeld of de aanvrager geslaagd is voor het inburgeringsexamen buitenland en geen bedreiging vormt voor de openbare orde. Of het stellen van het mvv-vereiste gerechtvaardigd is of in de context van een individuele zaak zou kunnen leiden tot een excessief formalisme waartoe het Europees Hof in de zaak Rodrigues da Silva en Hoogkamer versus Nederland3 heeft geconcludeerd, hangt af van de merites van de zaak. Zoals hierboven gesteld ga ik hier niet in op individuele zaken.
Overwegingen als excessief formalisme of mogelijke strijdigheid met internationale verdragen kunnen aanleiding zijn voor toepassing van een van de vrijstellingsgronden of om gebruik te maken van de hardheidsclausule zoals opgenomen in het Vreemdelingenbesluit.
Deelt u de mening, dat het handhaven van het mvv-vereiste in dit soort gevallen leidt tot een «excessive formalism» zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onder andere oordeelde in de zaak Rodrigues da Silva en Hoogkamer versus Nederland?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het in dit soort zaken vasthouden aan het mvv-vereiste in strijd komt met de vereisten van «welwillendheid, menselijkheid en spoed» uit artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dat over gezinshereninging handelt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze Nederlandse vader zich in een nadeliger positie bevindt dan derdelanders of EU-burgers die gebruik maken hun recht op vrij verkeer?
In het algemeen kan ik opmerken dat het verblijfsrecht voor gezinsleden van EU-onderdanen die gebruik maken van het recht op vrij verkeer wordt bepaald door Europees recht. Hier is het van belang dat de EU onderdaan die zich in een andere EU lidstaat wil vestigen in zijn recht op vrij verkeer zou worden belemmerd als hij zijn gezin niet kan meenemen. Ten aanzien van onderdanen van derde landen die zich vestigen bij een Nederlander die in Nederland gevestigd is, en die zelf geen gebruik maakt van het recht op vrij verkeer, geldt het nationale toelatingsbeleid. Het is dus juridisch mogelijk dat er in het tweede geval strengere eisen worden gesteld.
Bent u bereid om in zaken waarbij kinderen betrokken zijn, de referent aan alle eisen voor gezinsherening voldoet, er sprake is van feitelijk gezinsleven tussen de betrokkenen en dit gezinsleven zich in Nederland afspeelt, met het oog op de spoed die het belang van het kind bij gezinshereniging vordert (artikel 3 en 10 IVRK) af te zien van het mvv-vereiste?3 Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vragen 3 en 4.
Nederlandstalige beleidsplannen die niet vertaald worden voor Bonaire, St Eustatius en Saba |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat het recent aan de Kamer verstuurde Natuurbeleidsplan voor Caribisch Nederland alleen in het Nederlands is verschenen en niet in de andere talen die op de BES-eilanden gesproken worden (Engels en Papiaments)?
Het Natuurbeleidsplan voor Caribisch Nederland zal medio augustus in het Engels verschijnen. Het Ministerie van Economische Zaken zal geen Papiamentstalige versie van het Natuurbeleidplan uitbrengen.
Waarom is er niet voor gekozen om het plan in de lokaal gesproken talen te vertalen, zodat bewoners en natuurbeheerders het ook kunnen lezen?
Er is om die reden voor gekozen het plan in het Engels te vertalen. Overigens is tijdens het afstemmingsproces ook met een Engelstalige versie gewerkt.
Bent u bereid om het Natuurbeleidsplan voor Caribisch Nederland op korte termijn te laten vertalen, zodat de bewoners en natuurbeheerders er kennis van kunnen nemen voordat de parlementaire behandeling plaatsvindt?
Zie vraag 1. De parlementaire behandeling is voorzien na het zomerreces.
Worden andere beleidsplannen die door de vakministers gemaakt worden voor de BES-eilanden, standaard vertaald in Engels/Papiaments? Zo nee, kunt u aangeven waarom dat niet het geval is?
In de Invoeringswet Bonaire, Sint Eustatius en Saba (I-BES) staan regels over het gebruik van Papiaments op Bonaire en Engels op Eustatius en Saba. Dat betreft uitsluitend de communicatie, zowel schriftelijk als mondeling tussen de eilandbewoners en de bestuursorganen, de eilandsraad, de rijksvertegenwoordiger en de personen die werkzaam zijn in de openbare lichamen onder verantwoordelijkheid van de centrale overheid.
In het onderling schriftelijk verkeer maken de bestuursorganen alleen gebruik van het Nederlands (artikel 4f). daarvan mag worden afgeweken als het doelmatiger is in het Papiaments of Engels te communiceren en de belangen van derden daardoor niet worden geschaad.
Er bestaat dus geen wettelijke verplichting dat beleidsplannen die gelden voor Caribisch Nederland in het Engels of Papiaments moeten worden vertaald. Ieder beleidsdepartement dient afzonderlijk die afweging te maken.
Zijn de publicaties van bijvoorbeeld andere Nederlandse overheidsinstanties, Planbureaus, de rechtspraak en hoge colleges van staat als de nationale Ombudsman, naar uw mening voldoende toegankelijk voor inwoners van Bonaire, St. Eustatius en Saba?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat twee directieleden van Bureau Financieel Toezicht zijn opgestapt |
|
Jan de Wit (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat twee directieleden van het Bureau Financieel Toezicht zijn opgestapt?1
Ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Klopt het dat er een verschil van inzicht is ontstaat tussen deze twee directieleden? Zo ja, wat hield dit verschil van inzicht precies in en hoe heeft dit kunnen ontstaan?
Er is een verschil van inzicht ontstaan tussen de twee oud-directieleden over de te volgen koers van het Bureau Financieel Toezicht (hierna: het Bureau). Met de inwerkingtreding van gewijzigde Wet op het notarisambt op 1 januari 2013 is de toezichtstaak van het Bureau uitgebreid van alleen financieel toezicht naar integraal toezicht op het notariaat. Om de efficiency en slagvaardigheid te vergroten is gekozen voor één algemeen directeur, die de organisatie snel en direct kan aansturen. De directeuren waren het niet eens over de nieuwe werkwijze.
Hoe wordt het toezicht op dit moment uitgevoerd? Hoe en wanneer worden de toezichttaken weer uitgevoerd?
Het Bureau vervult de volgende wettelijke toezichtstaken: het integrale toezicht op notarissen en het financiële toezicht op gerechtsdeurwaarders. Voorts is het Bureau toezichthouder op de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme door (toegevoegd of kandidaat-) notarissen, advocaten, accountants, belastingadviseurs en administratiekantoren. Door het aanpassen van de directiestructuur wijzigen deze wettelijke toezichtstaken niet; deze zijn en worden onverminderd vervuld. Het bestuur van het Bureau heeft een interim-directeur aangesteld. Beide oud-directeuren vervullen op verzoek van het bestuur een adviseursrol vanwege hun expertise op het toezichtsterrein. Zij adviseren het bestuur over inhoudelijke kwesties, niet over de organisatievorm, en vervullen geen managementtaken meer.
Wat betekent dit verschil van inzicht en het aftreden van deze twee directieleden voor de manier waarop het toezicht nu wordt uitgevoerd en ingericht en waarop dit in de toekomst zal gebeuren?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan hun nieuwe rol als adviseur van het bestuur samengaan met het verschil van inzicht?
Zie antwoord vraag 3.
De ontwikkeling en de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse havens |
|
Ed Groot (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) naar de positie van de havens van Rotterdam en Amsterdam?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen van het OESO-onderzoek als het gaat om de internationale concurrentiepositie van de havens van Rotterdam en Amsterdam?
Het onderzoek van de OESO waaraan u refereert is één van de casestudies naar de relatie tussen haven en stad in een breder internationaal onderzoek. Verschillende casestudies moeten nog worden afgerond. In het najaar verschijnt een vergelijkende rapportage op basis van de verschillende deelstudies, die in september in Rotterdam gepresenteerd zal worden.
De OESO geeft in de deelstudie geen conclusies ten aanzien van de internationale concurrentiepositie van de havens van Rotterdam en Amsterdam. Wel doet zij aanbevelingen over hoe de baten van de havens – die tot ver in het Europese achterland reiken – en de (milieu)lasten van de havens – die meer lokaal neerslaan – beter met elkaar in balans kunnen worden gebracht. Daarbij richt de OESO zich tot overheden op Europees, nationaal en decentraal niveau. Veel van de aanbevelingen worden onderschreven en opgepakt.
Wat is uw reactie op de bevindingen en aanbevelingen in het OESO-onderzoek als het gaat om het creëren van een aantrekkelijker vestigingsklimaat zodat Rotterdam ook een wereldcentrum kan worden op het gebied van niet direct havengerelateerde maritieme dienstverlening?
In de rapportage van de OESO wordt voornamelijk gedoeld op het aantrekken van maritieme hoofdkantoren, verzekeraars, juridische en financiële dienstverleners en consultancy gericht op de maritieme sector. De uitdaging om meer hoofdkantoren en maritiem gerelateerde dienstverlening naar Nederland te halen en het vestigingsklimaat te versterken wordt door dit kabinet en door decentrale overheden onderschreven. Het kabinet spant zich in om buitenlandse investeringen naar Nederland te halen via het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA). NFIA heeft alleen al in 2012 33 buitenlandse hoofdkantoren aangetrokken. De nabijheid van de Rotterdamse haven is daarbij regelmatig een doorslaggevende factor voor buitenlandse bedrijven om zich in Nederland te vestigen. Het kabinet spant zich daarnaast maximaal in voor een uitstekend vestigingsklimaat, zowel in Rotterdam als in heel Nederland.
Het kabinet neemt deze uitdaging verder mee bij het mainportbeleid en de gebiedsgerichte uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in de gebiedsagenda’s. Ook de gemeente Rotterdam werkt samen met omliggende gemeenten en andere partners aan het verbeteren van het vestigingsklimaat. De Rotterdam Investment Agency richt zich in nauwe samenwerking met de NFIA naast acquisitie op behoud en groei van de bestaande internationale en Rotterdamse bedrijven en het faciliteren bij uitbreidingen in de regio Rotterdam. In 2012 hebben 28 internationale bedrijven voor Rotterdam gekozen. Het onderwerp komt tot slot ook terug in de Rotterdamse havenvisie 2030 waarvan de uitvoering door het havenbedrijf Rotterdam, de gemeente Rotterdam en Deltalinqs samen met de Provincie Zuid-Holland en de Rijksoverheid is opgepakt.
Wat zijn volgens u de gevolgen voor de Nederlandse havenbedrijven van het voorstel van de Europese Commissie om de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor Nederlandse overheidsbedrijven af te schaffen?2
Op dit moment wordt gewerkt aan een inventarisatie van (ondernemings)-activiteiten van overheden. In dit kader wordt door het Ministerie van Financiën gesproken met ministeries en belanghebbende partijen, zoals zeehavenbedrijven. Het is op dit moment echter nog niet duidelijk hoe de herziening van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsbedrijven wordt vormgegeven. Ik kan daarom nog niet vooruitlopen op de gevolgen hiervan voor de desbetreffende overheidsbedrijven. Dit geldt ook voor de Nederlandse havenbedrijven. Wel is het kabinet van mening dat het level playing field tussen de Europese zeehavens voor Nederland van groot belang is. Het belang van een level playing field is overgebracht aan de Europese Commissie. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat de Europese Commissie dit signaal serieus oppakt.
Wat is uw visie op de opvatting dat de Nederlandse havenbedrijven niet concurreren met particuliere ondernemingen in Nederland maar met de zeehavens in andere Europese landen?
Deze opvatting kan in hoofdlijnen worden onderschreven. Zeehavens concurreren voornamelijk met andere zeehavens nationaal en internationaal en vrijwel niet met andere (binnen)havens. Alleen het beheer van het havencomplex te IJmuiden – het voormalige Staatsvissershavenbedrijf – is in particuliere handen maar vooral gericht op het nabijgelegen staalbedrijf Tata Steel en de visafslag. Alle andere Nederlandse zeehavens, waaronder Groningen Seaports, Haven Amsterdam NV, Havenbedrijf Rotterdam NV, Havenschap Moerdijk en Zeeland Seaports zijn volledig in handen van overheden.
Bent u bekend met de uitkomsten van het onderzoek van Ernst & Young naar de belastingplicht van andere Europese zeehavens, waarin wordt gesteld dat havenbedrijven in België, Duitsland en Frankrijk niet aan (equivalenten van) vennootschapsbelasting zijn onderworpen?
Ja.
Wat is uw standpunt met betrekking tot het voornemen van de Europese Commissie om concurrentie voor de havens van Rotterdam, Antwerpen en Hamburg te bevorderen door te investeren in kleinere zeehavens?3
De Europese Commissie wil met zijn TEN-T beleid short sea shipping bevorderen ten behoeve van intra Europees vervoer, waarmee de verkeersdruk op met name de weginfrastructuur verlicht kan worden. Projecten met aantoonbare Europese toegevoegde waarde kunnen daarvan profiteren, zowel in grote als in kleine havens. Het kabinet ondersteunt dat beleid.
Bent u van mening dat de invoering van vennootschapsbelasting voor Nederlandse zeehavens en de investeringen in kleinere Europese havens tot gevolg heeft dat er voor de Nederlandse zeehavens een concurrentienadeel ontstaat ten opzichte van andere Europese zeehavens?
Zoals hierboven bij de beantwoording van vraag 4 is weergegeven is nog niet duidelijk hoe de herziening van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsbedrijven wordt vormgegeven. Ik kan daarom nog niet vooruitlopen op de gevolgen hiervan. Wel is het kabinet van mening dat het level playing field tussen de Europese zeehavens voor Nederland van groot belang is.
Zoals bij antwoord 7 toegelicht, leidt EU cofinanciering van havenprojecten ter bevordering van short sea shipping niet tot een concurrentienadeel voor de Nederlandse zeehavens.
Het vertrek van de president-directeur van de NS |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan het vertrek van de president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen (NS), de heer Meerstadt?
De heer Meerstadt heeft zelf gekozen voor zijn vertrek als president-directeur van Nederlandse Spoorwegen en heeft aan de raad van commissarissen aangegeven na 12 jaar als bestuurder van de Nederlandse Spoorwegen toe te zijn aan een andere uitdaging. Nadat de heer Meerstadt zijn keuze kenbaar had gemaakt is de raad van commissarissen op zoek gegaan naar een geschikte kandidaat om hem op te volgen.
In hoeverre heeft het vertrek van de heer Meerstadt te maken met de falende Fyra?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe ziet de vertrekregeling van de heer Meerstadt eruit? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
De heer Meerstadt is vrijwillig vertrokken en ontvangt geen vertrekvergoeding.
Om een goede overdracht van werkzaamheden te bevorderen, blijft de heer Meerstadt nog zes maanden in dienst van de NS als adviseur. Hiervoor ontvangt hij zijn vaste beloning; er zal geen sprake zijn van een variabele beloning. Na dit adviseurschap is er geen opzegtermijn meer die zal worden uitgediend. Daarnaast zal het adviseurschap eindigen indien de heer Meerstadt tussentijds een andere (voltijds) betrekking aangaat.
Op welke wijze is de benoeming van de nieuwe president-directeur, de heer Huges, tot stand gekomen?
Zoals gebruikelijk bij deelnemingen heeft de raad van commissarissen nadat hij geïnformeerd was over de wens tot vertrek van de heer Meerstadt de zoektocht ingezet naar een geschikte opvolger. De raad heeft zich daarbij laten ondersteunen door een extern zoekbureau. De eerste stap is het opstellen van een profielschets, die door de raad met mijn ministerie gedeeld is. In reactie daarop heeft de aandeelhouder zijn visie op de profielschets gedeeld met de raad. Vervolgens is een zgn. «longlist» van kandidaten opgesteld, waarover de raad van commissarissen met elkaar heeft gesproken. Met verschillende personen zijn vervolgens gesprekken gevoerd. Zo is de longlist teruggebracht tot een zgn. «shortlist» die met de aandeelhouder gedeeld is. Vervolgens heeft de raad van commissarissen een voorkeurskandidaat aan mij voorgedragen. Met de voorkeurskandidaat heb ik een kennismakingsgesprek gevoerd, waarna ik heb geconstateerd dat de heer Huges over de juiste kwaliteiten beschikt. Daarna heb ik de staatssecretaris van IenM geïnformeerd en heb ik de heer Huges benoemd als president-directeur van Nederlandse Spoorwegen.
Zijn er ook andere kandidaten in beeld geweest, zo ja hoeveel? Waarom is de keus op de heer Huges gevallen. Zo nee, waarom niet?
Zoals ik hiervoor al noemde was er sprake van een longlist met meerdere kandidaten die teruggebracht is tot een shortlist. De raad van commissarissen heeft diens voorkeur uitgesproken voor de heer Huges omdat hij aantoonbaar voldeed aan het opgestelde profiel. Hij heeft de ervaring om als topman te opereren in een organisatie van groot maatschappelijk en economisch belang die, net als NS, een complex stakeholderveld kent (Flora Holland). Daarnaast heeft hij ervaring in de logistiek (transportbedrijf Frans Maassen). Als bestuurlid van het strategisch platform Logistiek is hij ook niet onbekend in Den Haag.
Bent u het er mee eens dat een hoog salaris niet automatisch betekent dat er ook betere prestaties voor de reiziger en de belastingbetaler geleverd worden? Zo niet, hoe verklaart u dan de falende Fyra?
Zoals bekend vallen deelnemingen niet onder de Wet Normering Topinkomens omdat zij niet publiek bekostigd worden en omdat zij over het algemeen aan concurrentie onderhevig zijn. Dit geldt ook voor de NS. Bij de totstandkoming van de beloning van een deelneming wordt rekening gehouden met zowel het publieke als het private – en mogelijk concurrerende – karakter van een deelneming, zodat de beloning bestuurders aantrekt die voldoende deskundig en ervaren zijn om de betrokken deelneming te besturen. Dat is nodig om de gemoeide publieke belangen (zowel die aangaande de reiziger als die aangaande de belastingbetaler) zo goed mogelijk te dienen. Bestuurders van de deelneming worden door de raad van commissarissen beoordeeld op de door de deelneming gerealiseerde prestaties via de (partiële) toekenning van variabele beloning. Hierbij kijkt de raad naar zowel kwalitatieve doelstellingen als kwantitatieve doelstellingen aangaande de publieke belangen en de prestaties van de onderneming. De hoogte van het salaris is wat mij betreft een accurate reflectie van de grootte en complexiteit van deze organisatie en acht ik daarom een te verdedigen bezoldiging voor een president-directeur van een dergelijke onderneming.
De opvolger van de heer Meerstadt, de heer Huges, zal bezoldigd worden conform het nieuwe beloningsbeleid van de NS, waarover ik op 21 december 20121 de Kamer geïnformeerd heb. De heer Huges zal een totale maximale beloning van EUR 499.000 kunnen ontvangen; de variabele component hiervan is maximaal 20%. Dat betekent dat ten opzichte van de bezoldiging van zijn voorganger de remuneratie van de heer Huges ongeveer 35% gematigder is.
Hoe hoog zijn het inkomen van de heer Huges, de bijbehorende pensioenvoorziening en de variabele beloningen? Waarom hanteert u niet de Balkenendenorm? Zou dit niet het moment zijn om voor de nieuwe president-directeur van de NS maximaal de Balkenendenorm te hanteren? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het ontslag van de top van de KLM Flight Academy |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over het ontslag van de top van de KLM Flight Academy?1
Ja. De ILT heeft een rol bij de vergunningverlening voor de KLM Flight Academy (oftewel de Koninklijke Luchtvaartschool, de KLS) en het toezicht op het voldoen aan de regelgeving met betrekking tot de organisatie en de eisen voor de opleiding tot piloot. Derhalve heeft de ILT een brief ontvangen van de KLM waarin is aangegeven dat in verband met een intern onderzoek de directeur tijdelijk een stap terug heeft gedaan. Tevens wordt het verzoek gedaan tot acceptatie van een tijdelijke directeur.
Welke problemen spelen er precies op de Flight Academy?
In de brief van KLM aan ILT is aangegeven dat er een onderzoek gaat plaatsvinden naar de interne organisatie. Daarbij zal gekeken worden naar de veiligheidscultuur, en de financiën. Aanleiding voor dit onderzoek zijn de twee ongelukken die zich vorig jaar in Amerika hebben voorgedaan en waarbij een leerling en twee instructeurs zijn omgekomen.
Wanneer is het onderzoek naar de veiligheidscultuur afgerond?
De KLM heeft aangegeven dat het onderzoek naar verwachting eind juli zal zijn afgerond.
Klopt het dat de problemen met de veiligheidscultuur niet alleen in de Verenigde Staten bestaan, maar ook in Nederland?
Of er problemen zijn met de veiligheidscultuur bij de KLM Flight Academy in Nederland is nog niet duidelijk. Dit is een van de aspecten die door KLM in het interne onderzoek bij de KLS zal worden meegenomen. Of er problemen zijn met de veiligheidscultuur in Amerika is aan de Amerikaanse autoriteiten om dat te beoordelen. De KLS huurt ten behoeve van haar opleiding instructeurs en vliegtuigen van de Amerikaanse vliegschool in die onder verantwoordelijkheid van de Amerikaanse autoriteiten opereert. De KLS hanteert bij het inhuren van toestellen en instructeurs de Europese richtlijnen op dit gebied.
Welke aanvullende acties gaan de KLM Flight Academy, KLM en u ondernemen om hierin verbetering te krijgen?
Het is de verantwoordelijkheid van de KLM en KLS om de veiligheid binnen de organisatie en bij het uitvoeren van haar activiteiten te borgen. Welke en indien nodig bevonden aanvullende acties daartoe zullen worden ingezet door de KLM flight Academy en KLM kan pas worden bepaald nadat het interne onderzoek is afgerond. Of er vanuit de ILT nog aanvullende acties nodig zijn kan ook pas worden beoordeeld op basis van de resultaten van het interne onderzoek en het onderzoek van de National Transportation Safety Board (NTSB, de Amerikaanse Onderzoeksraad Voor de Veiligheid, OVV). Daarbij vormt de van toepassing zijnde regelgeving met betrekking tot de organisatie en de eisen voor de opleiding tot piloot het kader.
een werkbezoek aan het Internationaal Strafhof |
|
Harry van Bommel (SP), Pieter Omtzigt (CDA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van het Internationaal Strafhof over de beperkte personele capaciteit? Bent u bereid om hierover met het Strafhof in gesprek te gaan? Bent u bereid de capaciteitsproblematiek onder de aandacht te brengen van de andere 121 aangesloten landen?
Nederland is bekend met de zorgen van het ICC over de beperkte personele capaciteit en is hierover met het ICC in gesprek. Nederland heeft zowel in het kader van de Vergadering van Statenpartijen van het ICC als in het ICC-overleg van de EU steun uitgesproken voor het idee van het ICC om de onderzoekscapaciteit van het Bureau van de Aanklager te versterken.
Welke gevolgen heeft de sluiting van de gevangenis in Scheveningen voor de gevangenen van het Internationaal Strafhof? Welke risico’s brengt dit met zich mee? Is hiermee bij de besluitvorming over de bezuinigingen op het gevangeniswezen rekening gehouden?
Ik verwijs naar het antwoord d.d. 24 mei 2013 van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op vraag 38 van de schriftelijke vragen (Kamerstuk 24 587, nr. 507) die door de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van uw Kamer zijn gesteld naar aanleiding van het Masterplan DJI. Hierin wordt aangegeven dat detentie in relatie tot de internationale tribunalen en gerechten wordt gecontinueerd in Scheveningen.
Bent u bekend met het feit dat getuigen vaak niet lang genoeg in ons land worden toegelaten als voor de procesgang noodzakelijk is? Waardoor wordt dit veroorzaakt en wat kunt u hieraan doen?
Nee, ik ben hiermee niet bekend. De procedure rondom het toelaten van getuigen, alsmede de duur van toelating, is neergelegd in de artikelen 38 en 26 van het Zetelverdrag tussen het Strafhof en Nederland. Hieraan wordt door Nederland gevolg gegeven.
Duidelijkheid omtrent de duur van de hypotheekrenteaftrek met betrekking tot trouwen |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de artikelen «Jos» Belastingdienstonderzoek»1 en «Koets wacht nog op antwoord»2, waarin verschillende interpretaties van de duur van de hypotheekrenteaftrek bij trouwen worden blootgelegd?
Ja.
Kan worden aangegeven waardoor de verschillende uitleg van de duur van de hypotheekrenteaftrek bij trouwen is ontstaan?
Uit de antwoorden op de Kamervragen van 10 maart 2010 kan worden afgeleid dat partners in specifieke gevallen, door met elkaar in gemeenschap van goederen te trouwen, een lening zo zouden kunnen construeren dat er 60 jaar renteaftrek op (een deel van) die lening mogelijk is. Deze zienswijze is ook zo door de Belastingdienst uitgedragen.
Bij de behandeling van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning is er evenwel vanuit gegaan dat een opeenstapeling van 30-jaarstermijnen op dezelfde lening niet meer mogelijk zou zijn onder het nieuwe recht. De 30-jaarstermijn is in het nieuwe regime geïncorporeerd in de aflossingseis. Bij het aangaan van een huwelijk in gemeenschap van goederen, lopen de 30-jaarstermijn en de aflossingseis van een eigenwoningschuld van de ene echtgenoot, die door het huwelijk een eigenwoningschuld van beide echtgenoten wordt, gewoon door. Er gaat dus geen nieuwe aflossingseis of 30-jaarstermijn gelden door het huwelijk. In het sinds 1 januari 2013 geldende regime is derhalve per lening nooit meer dan 30 jaar aftrek mogelijk.
In de nota naar aanleiding van het verslag bij dat wetsvoorstel is ook een voorbeeld gegeven van de gevolgen van een huwelijk onder de tot 1 januari 2013 geldende eigenwoningregeling (hierna: het oude recht).4 In dat voorbeeld staat dat de huwende partner ook onder het oude recht geen nieuwe 30-jaarstermijn krijgt. Dat is niet in overeenstemming met de in 2010 gegeven antwoorden op de Kamervragen.
De recente parlementaire stukken geven dus blijk van een andere wetsuitleg dan de antwoorden op de Kamervragen uit 2010. Uiteraard mag dit geen nadelige gevolgen hebben voor degenen die hun verwachtingen hebben gebaseerd op die antwoorden. Het standpunt in die antwoorden wordt mede daarom voor het oude recht gehandhaafd. Overigens wordt de mogelijkheid om gebruik te maken van de dubbele 30-jaarstermijn in elk geval beperkt door het vervallen van het overgangsrecht op 1 januari 2044.
Klopt het antwoord dat u op 10 maart 2010 gaf op vragen van het lid Bashir (SP)3, namelijk dat voor beide partners de termijn start bij aankoop van de woning en het aangaan van de eigenwoningschuld en 30 jaar later eindigt? Indien neen, sinds wanneer is dit antwoord niet meer correct?
Zie antwoord vraag 2.
Welke uitleg van de duur van de hypotheekrenteaftrek bij trouwen wordt door de Belastingdienst gehanteerd?
De Belastingdienst voert de wet uit in overeenstemming met de door mij gegeven uitleg.
Hoe verklaart u dat de Belastingdienst, wanneer deze wordt gevraagd naar duidelijkheid omtrent de hoogte en de maximale duur van de hypotheekrenteaftrek, na twee maanden nog geen uitsluitsel heeft kunnen geven?
Een grote hervorming, zoals de invoering van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning, levert, zo leert de ervaring, vaak een aanzienlijke hoeveelheid vragen van belastingplichtigen op. Hoewel de Belastingdienst zijn uiterste best doet om die vragen zo snel mogelijk te beantwoorden, kan het zijn dat onder dergelijke omstandigheden een antwoord wat langer dan gebruikelijk op zich laat wachten. Daarnaast heeft de recente wetsgeschiedenis, zoals blijkt uit de antwoorden op de vragen 2 en 3, verwarring gewekt over de 30-jaarstermijn, zodat de Belastingdienst op vragen hierover geen kant-en-klaar antwoord kon geven, maar in overleg moest treden met het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Na overleg met deze beide ministeries is het antwoord op deze vraag duidelijk geworden. Aan de auteur van de in vraag 1 bedoelde artikelen is medegedeeld dat dit overleg gaande was en dat hij zo snel als mogelijk antwoord zou krijgen op de door hem gestelde vraag. Dit is inmiddels ook gebeurd. Deze kwestie zal ook in een beleidsbesluit worden opgenomen.
Bent u van mening dat voor huizenbezitters duidelijkheid is geboden over de maximale duur van de hypotheekrenteaftrek en de hoogte van het hypotheekbedrag? Zo ja, welke concrete actie gaat u ondernemen om meer duidelijkheid te verschaffen aan huizenbezitters?
Het is belangrijk dat (potentiële) huizenbezitters duidelijkheid hebben over hun fiscale positie. Naast algemene informatie worden via beleidsbesluiten verduidelijkingen en goedkeuringen gegeven inzake de eigenwoningregeling.
Waar het gaat om de individuele positie speelt ook de eigen verantwoordelijkheid van de belastingplichtige een rol. De bewijslast voor een aftrekpost ligt bij hem. Hij zal desgevraagd aannemelijk moeten kunnen maken of hij recht op aftrek heeft. Voor de renteaftrek is ook van belang hoeveel jaren reeds aftrek is genoten. Een belastingplichtige zal daarom de gegevens over eigenwoningleningen die nodig zijn om een juiste aangifte te doen, zelf zorgvuldig bij moeten houden.
De Belastingdienst spant zich overigens in om zoveel mogelijk gegevens op andere wijze dan via de belastingplichtige te bemachtigen en deze waar mogelijk vooraf in te vullen. Het jaarlijks verstrekken van een overzicht van de duur en het bedrag van de hypotheekrenteaftrek zou zeker bijdragen tot duidelijkheid, maar is op dit moment en ook in de eerstvolgende jaren niet mogelijk.
Wat is uw opvatting over de in het artikel genoemde suggestie, dat iedere huizenbezitter jaarlijks een overzicht zou moeten ontvangen van de duur en het bedrag van de hypotheekrenteaftrek? Draagt het jaarlijks verstrekken van een dergelijk overzicht volgens u bij aan duidelijkheid over de maximale duur en het bedrag van de aftrek? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kan worden verklaard waarom medewerkers van de Belastingdienst verschillende antwoorden geven op de vraag of huizenbezitters recht op hypotheekrenteaftrek hebben, indien deze huizenbezitters tijdelijk in een huurhuis hebben gewoond?
De in de vraag besloten liggende veronderstelling volgt niet uit de beide in vraag 1 genoemde artikelen. Zonder de feiten of de achtergrond van deze vraag te kennen kan ik hierover dan ook geen oordeel geven.
De ontwikkeling van winkelruimte |
|
Selçuk Öztürk (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport Retaillocaties in 2020 van ABN-AMRO, waarin wordt gesteld dat de gemiddelde leegstand van winkelruimte in Nederland fors toeneemt en herkent u het toekomstperspectief dat in het rapport wordt geschetst?1
Ja, ik ken het rapport en herken het toekomstperspectief dat wordt geschetst. Het rapport voorspelt een groei van de totale leegstand van winkels van 7% nu naar 14% in 2020. Het Hoofdbedrijfschap detailhandel gaat zelfs uit van een leegstand van 10 procent (cijfers mei 2013). Naast conjuncturele tegenwind ondergaat de sector ook structurele veranderingen, zoals de toename van verkoop via internet en de groei van grote ketens ten koste van speciaalzaken. In 2012 was sprake van een omzetgroei van 9% (11% non food) in online aankopen. Ook demografische veranderingen en veranderende voorkeuren van de consument spelen een rol. Dit heeft als gevolg dat de behoefte aan winkeloppervlakte zal afnemen.
Wat is uw reactie op de uitspraak van Detailhandel Nederland dat de plannen die veel gemeenten hebben voor uitbreiding en zelfs volledige nieuwbouw van winkelcentra in het licht van de toenemende structurele winkelleegstand onwenselijk zijn?2
Het rapport laat zien dat er grote verschillen bestaan tussen de A, B en C locaties en de verschillende regio’s. Daarnaast zijn er grote verschillen binnen de sector; tussen food, non-food en speciaalzaken en supermarkten, maar ook tussen branches.
Om goed in te spelen op toekomstige ontwikkelingen en de behoeften van de consument, is lokaal en regionaal maatwerk nodig. Het rapport laat zien dat niet elk nieuwbouwplan ongewenst is, maar dat het van groot belang is dat plannen passen in de detailhandelstructuur van de gemeente en de omliggende regio. Voorbeelden uit de praktijk laten zien dat samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven daarbij nodig is.
Deelt u onze mening dat in plaats van ontwikkeling van nieuwe winkelruimte bij voorkeur bestaand winkelvastgoed dient te worden getransformeerd? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat ontwikkeling van nieuwe winkelruimte bij voorkeur binnen bestaand bebouwd gebied moet plaatsvinden. Dat kan door herbestemming of herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen. Dit heb ik zo ook opgenomen in de handreiking bij de ladder voor duurzame verstedelijking.
Welke mogelijkheden hebt u om gemeenten er toe aan te zetten om geen nieuwe mogelijkheden te creëren om winkelruimte te ontwikkelen en kunt u aangeven bij welke mate van leegstand u bereid bent om in te grijpen?
Sinds oktober 2012 moeten alle overheden bij nieuwe ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken een motivatie opnemen volgens de treden van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de eerste trede van de ladder moet de betreffende overheid motiveren dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Als er geen sprake is van een regionale behoefte, kan er ook geen ruimte voor die ontwikkeling in het bestemmingsplan worden opgenomen.
In de ruimtelijke ordening leg ik de beslissingsbehoefte zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, zoals ik ook in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heb aangegeven. Ik ga er vanuit dat gemeenten en provincies in staat zijn om hun taken in het ruimtelijk domein goed uit te voeren. Ik ben dan ook niet bereid in te grijpen bij een vooraf bepaalde mate van leegstand in een gemeente.
Welke mogelijkheden hebt u om gemeenten te overtuigen om de ontwikkeling van nieuwe, aanvullende winkelruimte te beperken en in het uiterste geval tegen te houden? Hoe ziet u dat voor zich in gemeenten waar de ontwikkelmogelijkheden al in vigerende bestemmingsplannen zijn opgenomen?
Ik heb in het eerste deel van het antwoord op vraag 4 al aangegeven hoe ik de ontwikkeling van nieuwe winkelruimte in nieuwe plannen wil beperken.
Ik ga gemeenten niet beperken in de ontwikkelmogelijkheden die in vigerende bestemmingsplannen zijn opgenomen. Gemeenten hebben de mogelijkheid om bestemmingsplannen te herzien. Het is aan de gemeente of zij daarbij de nog niet gebruikte ontwikkelruimte wil herbestemmen.
Wat is uw visie op de wens van Detailhandel Nederland om de provincies regie te laten voeren op de ontwikkeling van winkelruimte om tot een betere regionale afstemming van het aanbod aan winkelruimte te komen? Welke instrumenten dienen de provincies hiervoor ter beschikking te krijgen?
De provincies hebben de regie in de ruimtelijke ordening. Zij kunnen via hun verordening een bijdrage leveren aan betere regionale afstemming van het aanbod van winkelruimte. Daarnaast verplicht de ladder voor duurzame verstedelijking decentrale overheden om hun behoefte aan extra planruimte voor detailhandel regionaal af te stemmen. Er zijn dus geen aanvullende instrumenten nodig.
Bent u het met de PvdA-fractie eens dat het van het grootste belang is dat de «Ladder voor duurzame verstedelijking» door gemeenten strikt wordt toegepast bij stedelijke ontwikkeling om te voorkomen dat er wordt ontwikkeld voor leegstand? Zo nee, waarom niet?
De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Daarmee is het verplicht om bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen. Daarmee wordt voorkomen dat bestemmingsplanruimte wordt geboden voor ontwikkelingen waar regionaal geen vraag naar is.
Bent u van mening dat de «Ladder voor duurzame verstedelijking» door gemeenten voldoende toegepast wordt als toetsingsinstrument bij vaststelling van bestemmingsplannen en bent u van mening dat de provincies voldoende toezicht houden en daadwerkelijk handhaven op de toepassing door gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen onderzoek laten doen naar de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking door gemeenten en ook niet naar de wijze waarop de provincies het toezicht hierop hebben ingericht.
Het Rijk vertrouwt voor de toepassing van de ladder niet alleen op andere overheden, maar ook op de kwaliteit van lokale democratische processen. De ladder voor duurzame verstedelijking biedt een versterking van het decentrale proces van de beoordeling van ruimtelijke besluiten. Projectontwikkelaars en lokale bestuurders kunnen hun plannen alleen realiseren als deze worden goedgekeurd door de gemeenteraad of provinciale staten.
Bent u bereid deze schriftelijke vragen te beantwoorden voor het AO Leegstand Woningen en Kantoren van 5 juni a.s.?
Ja.
Het opinieartikel ‘Timmermans' goede bedoelingen brengen Syrië dichter bij hel’ |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het opinieartikel «Timmermans» goede bedoelingen brengen Syrië dichter bij hel»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de door de auteur aangehaalde passage uit een standaardwerk over volkenrecht: «Met name het voortijdig erkennen van opstandelingen als de wettige regering van het betrokken land (dat wil zeggen nog voordat zij effectief het gezag hebben overgenomen) geldt als een volkerenrechtelijke onrechtmatige daad, aangezien dit een ontoelaatbare inmenging in de interne aangelegenheden van het betrokken land is.»?2 Hoe verhoudt zich dit tot de erkenning door de EU van de Syrische Nationale Coalitie als officiële vertegenwoordiger van het Syrische volk?
De aangehaalde passage ziet op de voortijdige erkenning van de gewapende oppositie als legitieme vertegenwoordiger van de betreffende staat. Dit is niet hetzelfde als de erkenning van opstandelingen als legitieme vertegenwoordiger van het volk. Deze erkenning is een politieke aangelegenheid zonder volkenrechtelijke implicaties.
Voor de erkenning van opstandelingen als legitieme vertegenwoordiger van een volk is geen rechtsgrond noodzakelijk anders dan de bevoegdheid van de regering op het terrein van de buitenlandse politiek, nu een dergelijke erkenning geen juridische doch een politieke stap is. Dit geldt minstens evenzeer voor de feitelijke vaststelling dat de SOC/Syrische Nationale Coalitie inmiddels gezien moet worden als de officiële vertegenwoordiger van het Syrische volk. Zowel de Nederlandse regering als de EU hebben de opstandelingen slechts als legitieme vertegenwoordigers van het volk erkend.
Op basis van welke rechtsgrond heeft de regering besloten tot deze erkenning over te gaan? Behelst deze erkenning ook de erkenning van de Syrische Nationale Coalitie als regering, nu Nederland het regime van Assad illegitiem heeft verklaard?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft u in het algemeen overleg over Syrië d.d. 23 mei jl. gesteld dat wapenleveranties aan de Syrische rebellen legaal zouden zijn, omdat veel landen de rebellen erkend hebben als officiële vertegenwoordiger van het Syrische volk? Kunt u dit standpunt uitgebreid toelichten en onderbouwen op basis van het volkenrecht, ook in het licht van de in vraag 2 aangehaalde passage?
Ik verwijs hierbij naar de brief aan uw Kamer van 4 juni jl. met kenmerk BPZ-2013/130 over de volkenrechtelijke aspecten van het sanctieregime tegen Syrië.
Heeft u kennisgenomen van het standpunt van Oostenrijk over opheffing van het wapenembargo tegen Syrië?3
De visie van Oostenrijk is de regering bekend. Als gesteld in de bovenvermelde brief aan uw Kamer van 4 juni jl. geldt het verbod op inmenging in de interne aangelegenheden van een staat als volkenrechtelijk uitgangspunt. Dit non-interventiebeginsel is een essentiële tot het internationaal gewoonterecht behorende volkenrechtelijke norm. Het steunen van gewapende oppositie met materieel en het verzorgen van training vallen onder dit verbod.
Vanwege de redenen aangegeven in bovengenoemde brief heeft het kabinet er begrip voor dat het non-interventiebeginsel onder druk komt te staan. Het gebrek aan legitimiteit van het regime van Assad, en de brede erkenning van de SOC/Syrische Nationale Coalitie als legitieme vertegenwoordigers van het Syrische volk brengen het kabinet tot het oordeel dat het leveren van militair materieel aan de SOC in uitzonderlijke gevallen, en onder specifieke voorwaarden, niet in strijd zou behoeven te zijn met het internationaal recht. Een dergelijke afweging zal van geval tot geval moeten worden gemaakt in het licht van de specifieke omstandigheden. Er zij overigens onderstreept dat de Nederlandse overheid op dit moment geen wapenleveranties aan de Syrische oppositie overweegt.
De mening van Oostenrijk dat het leveren van wapens aan de Syrische rebellen in strijd is met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944 kan ik niet in zijn algemeenheid onderschrijven of verwerpen. Artikel 1 van het Gemeenschappelijk Standpunt bepaalt dat een lidstaat per geval toetst of de aanvragen inzake uitvoervergunningen voldoen aan de criteria van artikel 2. Het is aan de lidstaten om dit te beoordelen. In de Kamerbrief (kenmerk BPZ-2013/130) heeft het kabinet aangegeven dat Nederland onder de huidige omstandigheden zeer waarschijnlijk niet tot een positief besluit zal komen als een aanvraag getoetst moet worden. Het kabinet heeft hierbij in het bijzonder gewezen op criterium 2 (mensenrechten) en criterium 3 (situatie van gewapend conflict). Ten aanzien van criterium 7 (eindbestemming) zijn er naar het oordeel van het kabinet geen absolute garanties te geven over eindgebruik van wapens die aan de Syrische oppositie zouden geleverd worden.
Deelt u de opvatting van Oostenrijk dat wapenleveranties aan de Syrische rebellen illegaal zijn op basis van – een inbreuk op het gewoonterechtelijke beginsel van niet inmenging in binnenlandse aangelegenheden en het geweldsverbod van artikel 4 lid 2 van het VN Handvest?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in de Nicaragua-zaak dat het leveren van wapens aan rebellen illegaal is, ook van toepassing op Syrië? Zo nee, waarom wijkt Syrië volgens u af van het verbod op inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van een staat door wapens aan de oppositie te leveren?
Het oordeel van het Internationaal Gerechtshof in de Nicaragua zaak herbevestigde de belangrijke volkenrechtelijke norm van non-interventie. De betekenis van deze specifieke zaak in het geval een Staat zou overwegen wapens te leveren aan de Syrische opstandelingen – hetgeen de Nederlandse regering op dit moment niet doet – dient door de betrokken Staat in elk individueel geval te worden overwogen.
Deelt u de mening van Oostenrijk dat het leveren van wapens aan de Syrische rebellen in strijd is met het Gemeenschappelijk Standpunt van de EU inzake wapenexport?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening van Oostenrijk dat het leveren van wapens aan de Syrische rebellen in strijd is met VN Veiligheidsraadresolutie 2083, waarin een wapenembargo ingesteld werd tegen individuen en entiteiten die geassocieerd zijn met Al-Qaida, aangezien er geen duidelijk onderscheid is tussen sommige eenheden van het Vrije Syrische Leger en de aan Al-Qaida gelieerde organisatie Al-Nusrah, eveneens een terroristische organisatie?
Het kabinet is van mening dat eventuele leveranties conform de afspraken die de Raad op 27 mei jl. heeft gemaakt VN-Veiligheidsraadresolutie 2083 niet schenden. Ook Oostenrijk heeft zich deze afspraken gecommitteerd. Deze afspraken dienen om te voorkomen dat wapens in verkeerde handen terecht komen. Lidstaten die militaire uitrusting leveren, moeten beschikken over adequate waarborgen om misbruik tegen te gaan, met name in de vorm van informatie over het eindgebruik en de eindbestemming van te leveren goederen. De Syrische Coalitie heeft in haar verklaring van 20 april jl. elke vorm van terrorisme afgewezen.
Bent u zich ervan bewust dat effectieve controle over wat er in Syrië gebeurt met aan rebellen geleverde wapens nauwelijks mogelijk is en dat zowel de terroristische beweging Al-Nusrah, maar ook onderdelen van het Vrije Syrische leger, zich schuldig maken aan gruwelijkheden en oorlogsmisdaden?
Onder de huidige omstandigheden zijn er naar het oordeel van het kabinet geen absolute garanties te geven over eindgebruik van wapens die aan de Syrische oppositie zouden geleverd worden.
Hoe reëel acht u het risico dat aan de Syrische rebellen te leveren wapens op de verkeerde manier ingezet worden, zoals tegen de christelijke minderheid, die nu al ernstig bedreigd wordt door soennitische extremisten?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat een deel van eerder door het Westen aan de rebellen in Libië geleverde wapens doorgegeven of verhandeld zijn aan terroristische groeperingen en later opgedoken zijn in conflicthaarden zoals in Mali?
Wapens uit Libië worden verhandeld in de regio. Dit betreft met name wapens uit de omvangrijke depots van Qaddafi. Het kan echter niet worden uitgesloten dat ook een deel van destijds aan de rebellen geleverde wapens zijn verhandeld in de regio. De internationale gemeenschap werkt samen met de Libische autoriteiten om verdere proliferatie tegen te gaan. Nederland draagt bijvoorbeeld bij aan ontwapening (m.n. mijnen en MANPADS) en de op handen zijnde EU-grensbewakingsmissie EUBAM Libië is er mede op gericht om verspreiding van wapens te helpen bestrijden.
Rechtvaardigt het beginsel van «Responsibility to Protect» het leveren van wapens aan rebellen in Syrië en daarmee het kiezen van partij in de burgeroorlog?
Het beginsel «Responsibility to Protect» kan geen zelfstandige rechtsbasis verschaffen voor de genoemde wapenleveranties, indien die onder het internationaal recht onrechtmatig zouden zijn.
Bent u, net als Oostenrijk, bereid publiekelijk een met duidelijke argumenten omkleed standpunt in te nemen over de legaliteit van wapenleveranties aan Syrische rebellen?
Ik verwijs hierbij naar de brief aan uw Kamer van 4 juni jl. over de volkenrechtelijke aspecten van het sanctieregime tegen Syrië.
Bent u alsnog bereid de Adviesraad Internationale Vraagstukken of de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) om advies te vragen over de legaliteit van wapenleveranties aan Syrische rebellen, respectievelijk over mogelijk toekomstig optreden van de EU of «coalitions of the willing» ten aanzien van Syrië, zoals het instellen van een no-fly zone? Zo nee, waarom niet?
Nee, de regering acht dit niet noodzakelijk.
Bent u bereid het juridische standpunt over de legaliteit van wapenleveranties aan de Syrische rebellen van uw eigen Directie Juridische Zaken openbaar te maken?
Het juridische standpunt van de Directie Juridische Zaken is meegenomen in de brief aan uw Kamer van 4 juni jl. over volkenrechtelijke aspecten van het sanctieregime tegen Syrië.
Heeft u advies gevraagd aan of gekregen van de volkenrechtelijk adviseur over de legaliteit van wapenleveranties aan de Syrische rebellen? Zo ja, bent u bereid dit advies openbaar te maken?
Nee. Zie antwoord op vraag 15.
Kunt u het advies van de juridische dienst van de Europese Raad over de legaliteit van wapenleveranties aan de Syrische rebellen openbaar maken?
De Juridische Dienst van de Raad heeft geen schriftelijk advies aan de Raad gestuurd. Deze dienst neemt deel aan de vergaderingen in Raadsverband en heeft daar mondeling zijn zienswijze uiteen gezet. Deze zienswijze is meegenomen in de brief aan uw Kamer van 4 juni jl.
Bent u bereid deze vragen vóór 9 juni a.s. te beantwoorden?
Deze vragen zijn zo snel als bij een zorgvuldige beantwoording mogelijk was beantwoord.
Het artikel ‘Den Bosch wil snel duidelijkheid verkiezingen’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Den Bosch wil snel duidelijkheid verkiezingen»?1
Ja.
Deelt u de mening van de burgemeester van Den Bosch, dat de herindeling Maasdonk «een vrijwillige en eenvoudige herindeling is die breed gedragen wordt»?
In deze fase van de herindelingsprocedure kan ik daar geen antwoord op geven, aangezien ik het herindelingsadvies en provinciale zienswijze nog niet heb ontvangen.
Is het juist, dat er in Den Bosch als gevolg van de herindeling Maasdonk niet in maart 2014 gemeenteraadsverkiezingen worden gehouden, maar herindelingsverkiezingen in november 2014?
Zie antwoord op vraag 5.
Welke gemeenten bevinden zich nog meer in een Arhi-procedure die kan leiden tot herindeling met ingang van 1 januari 2015?
Behalve ’s-Hertogenbosch, Oss en Maasdonk betreft het de gemeenten Millingen aan den Rijn, Ubbergen, Groesbeek, Bernisse, Spijkenisse, Alkmaar, Graft-de Rijp en Schermer. Ook de gemeenten in de Krimpenerwaard, te weten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven, Vlist en Krimpen aan den IJssel, bevinden zich in een Arhi-procedure. Ik ben voornemens op korte termijn een besluit te nemen over de bestuurlijke inrichting in de Krimpenerwaard.
Bent u bereid op korte termijn een wetsvoorstel in te dienen, dat verlenging van de zittingsduur van gemeenteraden regelt in gemeenten waarvoor met ingang van 1 januari 2015 een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt beoogd?
Een dergelijk wetsvoorstel ligt ter advisering bij de Raad van State. Beoogd wordt om het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in te dienen bij de Tweede Kamer. Deze «uitstelwet», vergelijkbaar aan de wet uit 2009 (Stb. 2009, 476), zal van toepassing zijn op de gemeenten waarvoor uiterlijk op 31 december 2013 bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel wordt ingediend.
Het terugsturen van negen gevluchte Noord-Koreanen naar hun eigen land |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de grote zorg van mensenrechtengroepen over het lot van negen jonge Noord-Koreaanse burgers (15 tot 23 jaar), die na hun vlucht naar Laos zijn teruggestuurd – via China – naar hun eigen land?1 Hoe beoordeelt u dit bericht en de geuite zorg? Welke bijzondere risico’s lopen deze vluchtelingen?
Ja. Het kabinet is bezorgd over het lot van de Noord-Koreanen die vanuit Laos, via China, teruggestuurd zijn naar Noord-Korea. Onduidelijk is welke straf de Noord-Koreanen boven het hoofd hangt.
In hoeverre is het nog steeds de gewoonte van China om gevluchte Noord-Koreanen terug te sturen naar hun eigen land? Hebben de internationale contacten met China op dit punt iets opgeleverd in de afgelopen periode? Welke inspanningen heeft de internationale gemeenschap nog op stapel staan?
UNHCR heeft geen toegang tot Noord-Korea en Noord-Koreanen in het grensgebied met China en kan zodoende niet verifiëren of China doorgaans gevluchte Noord-Koreanen terugstuurt naar Noord-Korea. China beschouwt Noord-Koreanen niet als vluchtelingen in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen uit 1951 (Vluchtelingenverdrag) en het bijbehorende Protocol uit 1967, maar als illegale, economische migranten. China heeft wel in juni 2012 de «Exit and Entry Law» geamendeerd waarin een verwijzing is opgenomen naar China’s verplichtingen neergelegd in het Vluchtelingenverdrag en naar het recht op asiel. De aangepaste wet zal op 1 juli 2013 ingaan.
Naar aanleiding van het terugsturen van de negen Noord-Koreanen hebben UNHCR en OHCHR verklaringen uitgebracht waarin zorgen worden geuit over het feit dat Laos en China non-refoulement verplichtingen niet zijn nagekomen. China en Laos zijn om opheldering gevraagd.
Zowel Nederland als de EU heeft China eerder aangesproken op het principe van non-refoulement en toegang van UNHCR bepleit. De EU heeft haar zorgen hierover tijdens de laatste EU-China mensenrechtendialoog van 29 mei 2012 overgebracht. Nederland en de EU blijven aandacht vragen voor de situatie van Noord-Koreaanse vluchtelingen, zoals bij de EU-China mensenrechtendialogen en tijdens bezoeken van de mensenrechtenambassadeur aan China.
In hoeverre kent ook Laos de praktijk om gevluchte Noord-Koreanen terug te sturen? Doet zich dit vaak voor? Voert de internationale gemeenschap overleg met Laos over deze handelwijze?
Voor zover bekend is dit de eerste keer dat Noord-Koreanen door Laos zijn teruggestuurd. Nederland en de EU zullen Laos aanspreken op het principe van non-refoulement door het uitvoeren van een demarche op EU niveau en tijdens de EU-Laos mensenrechtendialoog. UNHCR is met Laos in contact om te voorkomen dat dit zich in de toekomst vaker voor zal doen.
Welke mogelijkheden ziet u – mede gelet op de bestendige praktijk van China – om het overleg hierover met China en zo mogelijk Laos te intensiveren?
Zie antwoorden op vraag 2 en 3.
Welke mogelijkheden zijn er om Noord-Korea te bewegen om duidelijkheid te geven over de negen vluchtelingen en hen te behoeden voor vergelding? Bent u bereid om zich hiervoor – samen met onder meer de betrokken mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch – sterk te maken?
Naar aanleiding van het terugsturen van de negen Noord-Koreanen heeft Hoge Vertegenwoordiger Ashton een verklaring uitgebracht waarin zorgen worden overgebracht en staten worden opgeroepen non-refoulement verplichtingen na te komen. Noord-Korea wordt opgeroepen om verplichtingen op het terrein van mensenrechten na te komen en te voorkomen dat de negen Noord-Koreanen worden onderworpen aan marteling of de doodstraf. De UNHCR en OHCHR hebben in hun verklaringen Noord-Korea opgeroepen toegang te verlenen tot de groep Noord-Koreanen door onafhankelijke actoren. De Nederlandse zorgen worden in de (beperkte) contacten tussen Nederland en Noord-Korea gemeld, zoals tijdens bezoeken van de Nederlandse ambassadeur te Seoul aan Noord-Korea.