Het bericht: ‘Discriminatie in cellen’ |
|
Joram van Klaveren (PVV), Lilian Helder (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Discriminatie in cellen»?1
Ja.
Is het waar dat niet-islamitische gevangenen door gevangenen met een islamitische achtergrond worden gediscrimineerd en dat er een ware moslimterreur aan de gang is door moslimgevangenen?
Mij zijn geen gevallen bekend van (structurele) discriminatie van niet-islamitische gedetineerden door gedetineerden met een islamitische achtergrond. Ook zijn mij geen klachten bekend bij de commissies van toezicht over het feit dat moslimgedetineerden meer voor elkaar krijgen.
Is het waar dat moslimgevangenen ook meer voor elkaar krijgen en dat daarover is geklaagd bij de commissie van toezicht? Zo ja, is daar actie op ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel gevangenen (relatief en absoluut) hebben een dubbele nationaliteit en welke nationaliteiten zijn dat?
Het registratiesysteem van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) geeft aan dat van de aanwezige populatie in de penitentiaire inrichtingen ultimo mei 2013 5% een dubbele nationaliteit heeft (580 personen). Het betreft meer dan 70 verschillende nationaliteiten. 65% van de gedetineerden met een dubbele nationaliteit heeft een Nederlands paspoort in combinatie met een Turks, Marokkaans dan wel Surinaams paspoort.
Bent u van mening dat discriminatie door moslimgevangenen een groot probleem is daar zij in de meerderheid zijn binnen de gevangenismuren en zij daar blijkbaar de dienst uitmaken? Zo nee, waarom niet?
Het is de taak van de directeur om de orde, rust en veiligheid in de penitentiaire inrichting te bewaren en te bewaken. Wanneer sprake is van discriminatie zal dit niet worden getolereerd. De directeur kan grensoverschrijdend gedrag sanctioneren. Zo kan de directeur een verzoek indienen om een gedetineerde over te plaatsen naar een andere inrichting. Verder kan een directeur bij constatering van strafbare feiten ambtshalve hiervan aangifte doen bij de politie.
Ik zie de noodzaak tot het nemen van maatregelen niet in, nu niets bekend is over stelselmatige discriminatie van niet-islamitische gedetineerden door islamitische gedetineerden. De veronderstelling dat moslimgedetineerden veel te zeggen zouden hebben binnen de inrichtingen wordt op geen enkele wijze bevestigd.
Welke maatregelen gaat u per direct nemen om een eind te maken aan discriminatie door moslimgevangenen?
Zie antwoord vraag 5.
Welke maatregelen gaat u direct nemen om ervoor te zorgen dat gevangenispersoneel niet naar de pijpen van moslimgevangenen hoeven te dansen?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt gestimuleerd dat gevangenen aangifte doen indien zij door moslimgevangenen worden gediscrimineerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Meer tips over gedwongen prostitutie’ |
|
Gert-Jan Segers (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Meer tips over gedwongen prostitutie»?1
Ja.
Bent u bereid die campagne te intensiveren nu blijkt dat de campagne om bezoekers van prostituees aan te moedigen dwang en mensenhandel te melden succesvol is? Zo ja, op welke manier?
De campagne van Stichting M., die in opdracht van mijn ministerie is uitgevoerd, heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het beter in beeld krijgen van mensenhandel. Ik ben in overleg met Stichting M. om te bezien op welke wijze de campagne «Schijn bedriegt» wordt voortgezet. Ook de doelgroep van de campagne wordt hierbij betrokken.
Ziet u mogelijkheden om niet alleen klanten aan te moedigen dwang anoniem te melden, maar ook prostituees, zodat zij de signalen van dwang en uitbuiting in hun omgeving ook sneller melden? Bent u bereid om door middel van een campagne onder prostituees Meld Misdaad Anoniem verder bekend te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Is de genoemde stijging van het aantal meldingen, samen met de sterke groei van het aantal meldingen van mensenhandel bij Comensha, een indicatie van groei van gedwongen prostitutie of een indicatie van de jarenlange onwetendheid bij politie, justitie, hulpverleners, overheid en politiek over de omvang en ernst van gedwongen prostitutie in Nederland?
De bestrijding van mensenhandel is een prioriteit van dit kabinet. Door de inzet op een brede, integrale aanpak van – naast politie en Openbaar Ministerie – partijen als de KMar, ISZW, Kamers van Koophandel, CoMensha, de hotelbranche en Stichting M. is er meer zicht op mensenhandel en is er sprake van een toename van het aantal geregistreerde mogelijke slachtoffers van mensenhandel. Ook de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen heeft recent nog aangegeven in het kader van haar rapportage «Mensenhandel in en uit beeld; cijfers vervolging en berechting 2008 – 2012» dat met name de prioriteit die mensenhandel de afgelopen jaren bij verschillende instanties heeft gekregen van invloed is geweest op het groeiend aantal geregistreerde zaken.
Kunt u nader inzicht geven in welke sectoren van prostitutie de meeste meldingen worden gedaan? Hoe is dit voor de meldingen ten aanzien van minderjarigen? Geven deze uitkomsten reden tot aanpassing/intensivering van het beleid? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Uit de meldingen bij Stichting M. kunnen geen aantallen meldingen per prostitutiesector worden afgeleid. Wel is bekend dat één op de vier meldingen (mogelijke) minderjarige slachtoffers van mensenhandel betreft. CoMensha registreert – voor zover bekend – wel de sectoren van prostitutie waarop meldingen betrekking hebben. Wanneer door de aanmelder niet wordt aangegeven om welke vorm van prostitutie het gaat, wordt «prostitutie» geregistreerd. Het overgrote deel van de meldingen van mogelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting in 2012 is geregistreerd onder deze algemene noemer.
De cijfers uit het jaaroverzicht van CoMensha van 2012 laten verder zien dat de meeste meldingen over een specifieke vorm van prostitutie betrekking hebben op prostitutie in particuliere huizen/woningen. Wanneer alleen minderjarigen in beschouwing worden genomen is eveneens de niet-gespecificeerde categorie «prostitutie» het grootst. Waar de vorm van prostitutie is gespecificeerd, is uitbuiting in particuliere huizen/woningen ook de grootste categorie bij minderjarige (mogelijke) slachtoffers van seksuele uitbuiting.
Ik acht de bescherming van minderjarigen in het bijzonder van belang, mede gezien de extra kwetsbare positie van deze groep. Om minderjarigen te beschermen tegen mensenhandel is de Rijksbrede aanpak loverboyproblematiek ontwikkeld. Ik zal in de Task Force Aanpak Mensenhandel voorstellen om hiernaast ook expliciet te focussen op minderjarige slachtoffers van mensenhandel.
Wat zijn uw voornemens na 2013, als deze campagne is afgelopen, om bezoekers te blijven stimuleren alert te zijn en melding te doen? Heeft u hiervoor middelen beschikbaar?
Bij het overleg met Stichting M. over de wijze waarop de campagne «Schijn bedriegt» wordt voortgezet, wordt ook de borging van deze campagne betrokken.
Het bericht dat er gesjoemeld zou worden met groene stroom |
|
Agnes Mulder (CDA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Groene doelen, zonder het benodigd beleid»?1
Ja.
Is het waar dat al jarenlang bekend is dat er veel groene stroom wordt verkocht die is ingekocht door middel van garanties van oorsprong in het buitenland?
De garanties van oorsprong vinden hun basis in de Richtlijn Hernieuwbare Energie (2009/28/EG) van 23 april 2009. Op basis van deze richtlijn is import en export van garanties van oorsprong mogelijk. Het klopt dus dat het al geruime tijd mogelijk is om groene stroom te verkopen op basis van geïmporteerde garanties van oorsprong.
Zoals de leden Jansen (SP) en Leegte (VVD) in de regeling van werkzaamheden d.d. 14 mei jl. ook opmerkten, is dit de afgelopen jaren verschillende keren besproken in de Kamer.
Is het waar dat daardoor nieuwe (Nederlandse) duurzame opwekkingscapaciteit, waarbij daadwerkelijk meer duurzame energie wordt toegevoegd aan de totale productie, zich niet kan onderscheiden van groene stroom die is ingekocht door middel van garanties van oorsprong van al jarenlang bestaande, vaak buitenlandse opwekcapaciteit zoals de Nederlandse Energie Maatschappij die inkoopt?
Zie antwoord op vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het wenselijk voor de klant zou zijn als er gedifferentieerd wordt tussen groencertificaten, waarbij gekeken wordt naar de vorm van duurzame energie (windmolens, biomassa etc) en land of regio van herkomst?
Een garantie van oorsprong is een bewijs dat een bepaalde hoeveelheid elektriciteit geproduceerd is met behulp van hernieuwbare bronnen. Op een garantie van oorsprong staan veel gegevens, bijvoorbeeld de energiebron (wind, zon, biomassa, waterkracht), de identiteit, locatie, land, type en capaciteit van de productie-installatie, de datum waarop de installatie operationeel is geworden en de datum van de opwekking van de elektriciteit.
Groene stroom is een product dat door energieleveranciers in de markt wordt gezet. In principe kunnen leveranciers van elektriciteit hun stroomproducten onderscheiden naar alle genoemde kenmerken die op de garantie van oorsprong staan weergegeven. En dit gebeurt ook. Er zijn in Nederland bijvoorbeeld leveranciers van elektriciteit uit Nederlandse windmolens.
Is het waar dat er door verschillende milieuorganisaties en in samenwerking met de sector wordt gewerkt aan een meer transparant systeem zodat de consument straks een betere keuze kan maken? Zo ja, wat is de stand van zaken en bent u bereid om dit waar nodig te faciliteren? Zo nee, bent u dan bereid om te onderzoeken hoe u een dergelijk systeem zelf kunt opstellen/ afdwingen?
Er zijn verschillende organisaties die een vergelijking maken van verschillende stroomproducten of van aanbieders van elektriciteit. De «groene stroom checker» van HIER Klimaatcampagne vergelijkt verschillende groene stroomproducten. WISE vergelijkt verschillende leveranciers van stroom met elkaar. Greenpeace en de Consumentenbond vergelijken energiebedrijven met elkaar. Verder kunnen stroomproducten een Milieukeur van SMK krijgen. Verder biedt de website van Milieucentraal informatie over groene stroom. Er zijn dus verschillende vergelijkingen van stroomproducten en van leveranciers van energie beschikbaar.
De verschillende organisaties bieden de consumenten verschillende methoden aan ter ondersteuning bij het kiezen van een leverancier van stroom. Het is mij bekend dat in april jl. de verschillende organisaties elkaar hun instrumenten hebben gepresenteerd en bediscussieerd. Er is hierbij niet afgesproken dat er wordt gewerkt richting één vergelijkingsysteem.
Ik zie het niet als taak van het Rijk om een systeem te faciliteren dat producten van verschillende bedrijven met elkaar vergelijkt.
Zoals ik in het wetgevingsoverleg over het verzamelwetsvoorstel STROOM (Kamerstukken II 2012/2013, nr. 33493) van 3 juni jl. heb aangegeven zie ik wel een mogelijkheid om meer transparantie te realiseren in de markt voor groene stroom. Vanuit de Richtlijn Hernieuwbare Energie zijn leveranciers van energie verplicht een stroometiket te publiceren. De ACM ziet hierop toe. Momenteel is het voor de energieleveranciers niet verplicht om op het stroometiket aan te geven in welk land de groene stroom is opgewekt en veel energieleveranciers vermelden deze informatie ook niet. Ik denk dat het land van herkomst zinvolle informatie is voor de consument en vind dat het vermelden hiervan bijdraagt aan de transparantie. Ik roep de energieleveranciers op om op hun stroometiket deze informatie te vermelden. Mijn ministerie gaat hierover in gesprek met de energieleveranciers.
Is het waar dat de meeste EU-lidstaten (met uitzondering van België) geen gebruik maken van groenestroomcontracten op basis van Garanties van Oorsprong? Denkt u dat een systeem van handel in Garanties van Oorsprong alleen werkt als de meeste EU-lidstaten meedoen?
In de Richtlijn Hernieuwbare Energie is bepaald dat de lidstaten een systeem van Garanties van Oorsprong ontwikkelen en in stand houden en dat deze garanties van oorsprong internationaal verhandelbaar moeten zijn. Dit is voor alle EU-lidstaten verplicht.
Landen die momenteel garanties van oorsprong importeren en exporteren zijn onder andere Duitsland, België, Finland, Zweden, Oostenrijk en Noorwegen.
Er zijn echter ook nog landen in transitie van hun oude nationale systeem van certificering van elektriciteit naar het Europese systeem van Garanties van Oorsprong. Deze landen moeten de komende tijd dus overstappen op het Garanties van Oorsprong systeem.
Is het waar dat de handel in Garanties van Oorsprong tussen lidstaten geen invloed heeft op het behalen van de doelstellingen voor hernieuwbare energie van de afzonderlijke lidstaten en dat deze handel dus volledig losstaat van de doelstellingen voor hernieuwbare energie? Vindt u een koppeling wenselijk?
Het klopt dat de handel in Garanties van Oorsprong geen invloed heeft op het behalen van de doelstelling voor hernieuwbare energie in de afzonderlijke lidstaten (Richtlijn hernieuwbare Energie, artikel 15, lid 2.).
In de Richtlijn is opgenomen dat de overdracht van duurzame energie tussen landen alleen mag meetellen wanneer dat ook is vastgelegd in een overeenkomst tussen overheden die is goedgekeurd door de Europese Commissie.
Belangrijke reden hiervoor was dat enkele lidstaten bevreesd waren dat door hen gesubsidieerde hernieuwbare energie door middel van de handel in Garanties van Oorsprong al te gemakkelijk zou gaan meetellen bij de doelstelling van een ander land. In de huidige situatie van nationale doelstellingen voor hernieuwbare energie, acht ik herziening van de Richtlijn op dit punt op korte termijn niet waarschijnlijk.
De handelwijze van de nVWA in de zaak Selten |
|
Sjoera Dikkers (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Nieuwsuur van 22 mei jl.?
Ja.
Klopt het dat de monsters die door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) genomen zijn bij Selten genomen zijn uit een partij die gelabeld was 70/30, dus niet uit een partij die uit rundvlees bestaat?
Uit het monsteronderzoek van de voorraad van het vlees van Selten is in 35 van de 168 monsters paardenvlees aangetoond, waar dit niet stond vermeld in de aanduiding. Zoals wij u eerder hebben gemeld is er sprake van een lopend strafrechtelijk onderzoek, dat wordt uitgevoerd onder leiding van het Openbaar Ministerie. In het algemeen en ook in deze casus onthouden wij ons van beantwoording van vragen over lopende strafzaken dan wel beweringen van verdachten in lopende strafzaken. Wij kunnen hierover wel melden dat de resultaten van het opsporingsonderzoek tot op heden de ernstige verdenkingen bevestigen. Ook kunnen wij melden dat de Inlichtingen en opsporingsdienst van de NVWA als professionele opsporingsdienst werkt met monsterprotocollen die voldoen aan de eisen om bewijsvoering in een strafzaak te kunnen steunen. In dit onderzoek zijn monsters genomen om bewijs te vergaren dat sprake is van het omkatten van paardenvlees naar rundvlees.
Is het labelen van producten met uitsluitend «snippers 70/30 mix» of met de term «dunne lendenen» toegestaan? Zo nee, op welke wijze had het product dan gelabeld moeten worden? Mogen producten die niet juist zijn gelabeld worden verkocht? Welke sanctie staat op het onjuist labellen van de producten?
Nee, volgens artikel 4 van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen moet, als er geen aanduiding «vlees» op het etiket staat, de aanduiding een omschrijving van de waar bevatten. Deze moet zo duidelijk zijn dat de koper van het product de ware aard kan bevatten en het kan onderscheiden van waren waarmee het product kan worden verward. Dus bij een aanduiding mix 70/30 moet het duidelijk zijn dat het om rund- en paardenvlees gaat. Wanneer er uitsluitend «snippers 70/30 mix» of de term «dunne lendenen» wordt gebruikt is dit niet het geval.
Wanneer er sprake is van verpakt rundvlees moet dit volgens EU verordening (EG) nr 1760/2000 worden vermeld op het etiket. Voor andere soorten verpakt vlees schrijft het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen in artikel 26 voor dat op het etiket een aanduiding en een productcode worden vermeld. Als de aanduiding «vlees» wordt gebruikt, dan moet volgens artikel 6 van het Warenwetbesluit Vlees, gehakt en vleesproducten de soort van het slachtdier worden vermeld. Dus zowel rund- als paardenvlees moet in de aanduiding worden vermeld.
Levensmiddelen die worden verkocht of verhandeld moeten juist zijn geëtiketteerd. Onjuist geëtiketteerde producten mogen niet worden verhandeld. Een overtreding van de etiketteringsvoorschriften kan worden bestraft met een bestuurlijke boete. In geval van afhandeling via het strafrechtelijk spoor kan de strafrechter een boete opleggen. Ook kan er via de Wet op economische delicten een gevangenisstraf, een taakstraf of een boete worden opgelegd.
Klopt het dat de NVWA ook rundvlees, waarvan onomstotelijk aantoonbaar is dat het rundvlees betreft (aan één stuk), wil vernietigen? Hoe rijmt u dit met de strijd om verspilling van voedsel tegen te gaan?
De herkomst van het vlees van Selten is door de op zijn minst ondeugdelijke administratie niet herleidbaar, waardoor niet is vast te stellen dat dit vlees aan alle voedselveiligheidsvoorschriften voldoet en bijvoorbeeld de vereiste keuringen op hygiëne en dierziekten heeft ondergaan. Onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek is of er sprake is van een frauduleus opgestelde administratie en criminele handelwijze. Waar uit de administratie de herkomst niet is af te leiden, moet op grond van geldende wet- en regelgeving (Algemene Levensmiddelenverordening) het vlees als niet geschikt voor humane consumptie of diervoeder worden beschouwd. Vlees dat ongeschikt is voor humane consumptie mag niet op de markt worden gebracht. Vlees dat al op de markt is gebracht, moet daarom uit voorzorg van de markt worden gehaald.
De levensmiddelenexploitant is op grond van de Algemene Levensmiddelenverordening zelf verantwoordelijk voor het bepalen van de uiteindelijke bestemming van de van de markt gehaalde producten. De geldende wettelijke regels bepalen de mogelijke bestemmingen die de exploitant aan het vlees kan geven. Alleen als door de levensmiddelenexploitant alsnog wordt aangetoond dat het vlees aan alle geldende voedselveiligheidsvoorschriften voldoet, dan kan hij besluiten het van de markt gehaalde vlees opnieuw op de markt te brengen. De NVWA ziet erop toe dat deze bedrijven binnen de regels handelen.
Bij het besluit tot deze terughaalactie is de voedselveiligheid en de Europese wetgeving hierover leidend geweest. Dat laat onverlet dat de overheid voedselverspilling zo veel mogelijk wil tegengaan.
Klopt het dat de NVWA op de hoogte was van de invoer van een besmet paard, maar Selten pas 8 maanden na dato hiervan op de hoogte stelde?
Nee. Zoals wij in onze brief van 25 februari jl. (nr. 26991–340) aan uw Kamer hebben gemeld heeft de NVWA op 5 februari jl. een RASFF-melding van het Verenigd Koninkrijk ontvangen over fenylbutazon in gekoeld paardenvlees. Uit de melding bleek dat Selten één met fenylbutazon verontreinigd paardenkarkas geleverd heeft gekregen. De monstername in het Verenigd Koninkrijk heeft al op 21 mei 2012 plaatsgevonden.
Had bij bekendwording bij de NVWA van de invoer van een besmet paard niet onherroepelijk moeten worden ingegrepen, voordat het risico had kunnen ontstaan dat dit paard in de consumentenhandel terecht zou hebben kunnen komen?
De NVWA heeft de firma Selten geconfronteerd met de informatie uit de RASFF melding en gevraagd aan te geven waarin het vlees van het betreffende paardenkarkas in was verwerkt. Selten heeft het karkas niet kunnen traceren.
Daarnaast is aan het onafhankelijk Bureau Risicobeoordeling gevraagd om een beoordeling van de risico’s met fenylbutazon verontreinigd paardenvlees. Zoals weergegeven in onze brief van 25 februari jl. (nr. 26991-340) aan uw Kamer schat het Bureau Risicobeoordeling van de NVWA in dat bij incidentele consumptie van paardenvlees met residuen fenylbutazon de kans op schadelijke effecten bij de mens zeer klein zal zijn.
Hoe is het mogelijk dat een besmet paard wel het Europese goedkeuringsstempel heeft gekregen?
Elk paard wordt voor de slacht (levend) en na de slacht bij de zogenaamde «vleeskeuring»onderzocht door een dierenarts van de overheid. De officiële dierenarts kan naar aanleiding van de keuring voor het slachten en de aangeleverde voedselketeninformatie (zoals het paardenpaspoort) besluiten tot een onderzoek naar geneesmiddelenresiduen. Ook kan er sprake zijn van monstername als onderdeel van een bewakingsprogramma (monitoring op schadelijke residuen). Dan is de uitslag geen onderdeel van de vleeskeuring en in het algemeen pas later beschikbaar
Zoals hierboven vermeld, is in het Verenigd Koninkrijk pas later geconstateerd dat fenylbutazon aanwezig was in het karkas en heeft het Verenigd Koninkrijk een RASFF melding hierover gestuurd.
In het door de Europese Commissie opgesteld actieplan wordt op mijn aandringen eveneens gekeken naar het paardenpaspoort. In de lidstaten wordt geïnventariseerd, hoe de EU regels voor paardenpaspoorten en identificatie van paarden beter kan worden gehandhaafd, zodat fraude met de identiteit en geschiktheid van de paarden voor humane consumptie beter kan worden voorkomen. De inzet van de staatssecretaris is om op Europees niveau te komen tot verplichte invoering van een centrale database voor paarden bij lidstaten.
Klopt het dat de NVWA zendingen van Selten naar de opslag in het vrieshuis heeft geteld als verkoop?
In vervolg de beantwoording van vraag 2, melden wij dat wij in onze brief van 12 april jl. (nr. 26991-348) hebben aangegeven dat het Openbaar Ministerie op 26 maart informatie heeft vrijgegeven uit het strafrechtelijk onderzoek. Dat gaf aan dat uit gedetailleerd onderzoek van de NVWA-IOD naar de administratie van Selten vast is komen te staan dat in de periode van 1 januari 2011 tot 15 februari 2013:
Bent u bereid de nog bestaande partijen van Selten waarin onomstotelijk vaststaat dat er geen paardenvlees in is verwerkt, waaronder runderlendes aan één stuk, niet te laten vernietigen?
De reden om het vlees van de markt te halen is dat niet aangetoond kan worden dat het vlees aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoet, omdat de herkomst onbekend is. Alleen als door de levensmiddelenexploitant alsnog wordt aangetoond dat het vlees aan alle geldende voedselveiligheidsvoorschriften voldoet, dan kan hij besluiten het van de markt gehaalde vlees opnieuw op de markt te brengen.
Kunt u in het belang van de consument en de supermarktketens aangeven welke opdrachtgever gevraagd heeft om speciale receptuur waarbij paardenvlees en rundvlees vermengd worden en waarin deze producten verwerkt zijn?
Ingevolge de privacywetgeving mag de NVWA de namen van betrokken ondernemers niet openbaar maken zonder toestemming van deze ondernemers. De mogelijke afnemers van Selten zijn in de gelegenheid gesteld hun eigen verantwoordelijkheid te nemen en de recall te organiseren. Afnemers waarvan aangetoond is dat ze vlees van Selten hebben afgenomen en niet hebben voldaan aan de wettelijke verplichting tot het traceren van de partijen en het, waar nodig, uit de markt halen, zijn in overtreding. De NVWA neemt hier maatregelen, waaronder het in principe openbaar maken van de namen van betreffende ondernemers. De namen van ondernemers die bestuursrechtelijk of strafrechtelijk vervolgd zijn kunnen openbaar worden gemaakt indien daar toe wordt besloten.
De oproepen van de Dierenbescherming om te stoppen met de verkoop van konijnen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Dierenbescherming tegen winkeliers: stop met verkoop konijnen»1 en «Delft opgeschrikt door konijnenmishandeling»?2 Kunt u zich voorstellen dat de Dierenbescherming tot een dergelijke oproep komt, gelet op het grote aantal konijnen dat op straat of in opvangcentra belandt en op de erbarmelijke omstandigheden waaronder deze dieren worden gefokt en getransporteerd vanuit onder andere Oost-Europa? Zo neen, waarom niet?
Ja. Initiatieven die gestart worden om te zorgen dat konijnen, en andere dieren, uit de opvang een goed thuis krijgen bij een nieuwe eigenaar krijgen, vind ik een goede zaak. Het initiatief van de Dierenbescherming is daar een mooi voorbeeld van.
Wat vindt u ervan dat opvangplekken van konijnen bomvol zitten en veel konijnen letterlijk op straat worden gezet, terwijl tegelijkertijd volop met konijnen wordt gefokt om te verkopen in onder andere tuincentra en dierenwinkels? Deelt u de zorgen van de Dierenbescherming en anderen over deze situatie? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u het aprilnummer van Dibevo Vakblad gezien, een uitgave van de brancheorganisatie van fokkers, handelaren en verkopers van huisdieren die ook inspraak heeft op uw beleid? Heeft u dan ook gelezen dat de auteur van «Manipuleren kun je leren» aan het woord wordt gelaten en tips geeft hoe je twijfelende ouders in een dierenwinkel kunt overhalen een konijn aan te schaffen voor hun kind?3
Ja.
Wat vindt u ervan dat de brancheorganisatie van verkopers van huisdieren in de praktijk aanstuurt op impulsaankopen, terwijl zij beweert in te zetten op weloverwogen aankopen en voorlichting over onder andere gedrag, huisvesting en kosten? Hoe beoordeelt u dit in het licht van de lobby vanuit de sector tegen wettelijke maatregelen om impulsaankopen en dump van dieren terug te dringen, omdat zij dat zelf wel goed zou kunnen reguleren?
De verkoper wordt bij het in werking treden van het besluit Gezelschapsdieren verplicht om mogelijke kopers te wijzen op de zorg die een dier behoeft en ze daarmee te behoeden voor impulsaankopen. De koper heeft bij de aanschaf van een gezelschapsdier ook de verantwoordelijkheid zich vooraf goed te informeren over de specifieke behoeftes van het dier en hij dient daarbij de consequenties van het houden van dat dier te overzien.
Aan die informatievoorziening draagt de overheid bij via een bijdrage aan het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren. Op de website van dit informatiecentrum kunnen potentiële kopers informatie verkrijgen alvorens over te gaan tot het aanschaffen van een huisdier.
Een vorm van zelfregulering vanuit de sector, zoals certificatie, kan een goede aanvulling vormen op de voorschriften van het Besluit gezelschapsdieren, die voor een deel uit doelvoorschriften bestaan.
Zoals toegezegd stuur ik uw Kamer voor de zomer een beleidsbrief dierenwelzijn, waar impulsaankopen onderdeel van uit maakt.
Bent u bereid om de roep om zelfregulering vanuit de sector te weerstaan en de oproep van de Dierenbescherming om de verkoop van konijnen een halt toe te roepen mee te nemen in uw beleidsbrief dierenwelzijn, waarin u terugkomt op uw toezegging om impulsaankopen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het advies van de KNAW: Digitale geletterdheid in het voortgezet onderwijs. Vaardigheden en attitudes voor de 21ste eeuw.“ |
|
Karin Straus (VVD) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het advies van de KNAW1 «Digitale geletterdheid in het voortgezet onderwijs. Vaardigheden en attitudes voor de 21ste eeuw»?2
Ja.
Bent u het eens met de stelling in dit adviesrapport dat het erbarmelijk slecht gaat met het middelbare schoolvak Informatica? Zo ja, wat wilt u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
De KNAW stelt in haar advies dat het vak informatica op havo en vwo tekort schiet qua inhoud, kwaliteit en positie. Tegelijk constateert de KNAW dat er scholen voor havo en vwo zijn waar uitstekend informaticaonderwijs wordt gegeven. Dat het «erbarmelijk slecht» zou gaan met dit vak kan ik dus niet zonder meer onderschrijven, de KNAW gebruikt deze kwalificatie ook niet. Wel acht ik impulsen nodig om in den brede te komen tot actueel en stimulerend onderwijs in dit vak. Daarbij kan gedacht worden aan een gedeeltelijke of volledige herziening van het examenprogramma, maar wellicht zijn al op kortere termijn belangrijke verbeteringen mogelijk. Ik zal de Stichting voor de Leerplanontwikkeling (SLO) opdracht geven om een onderzoek uit te voeren naar de meest effectieve acties.
Is het waar dat slechts 5,3% van de leerlingen op dit moment kiest voor het keuzevak Informatica? Welke initiatieven gaat u nemen om dit percentage omhoog te krijgen?
Dit cijfer is niet juist. In 2012 heeft 11,2% van de leerlingen op het havo het vak informatica gekozen als examenvak; op het vwo was dit 11,9%. De afgelopen zes jaar is dit percentage op havo of vwo niet lager geweest dan 9,0%. Het is daarmee het meest gekozen keuzevak (in de zin van: vak dat niet in enig profiel verplicht is) na aardrijkskunde en management en organisatie. Ik zie daarom geen aanleiding tot initiatieven om het aantal leerlingen dat informatica kiest verder omhoog te krijgen. Wel wil ik bezien op welke wijze digitale geletterdheid voor alle leerlingen in de onderbouw van havo en vwo onderwijs een betere verankering kan krijgen.
Het Amerikaanse initiatief «Code to your School»3 promoot het leren van het programmeren aan leerlingen/studenten; in hoeverre ondersteunt u de doelstelling van deze organisatie?
Leren programmeren is een onderdeel van het vak Informatica. De KNAW wijst er echter nadrukkelijk op dat onderwijs in digitale geletterdheid veel breder dient te zijn dan leren programmeren. Het gaat in haar visie om het vermogen om digitale informatie en communicatie verstandig te gebruiken en de gevolgen daarvan kritisch te beoordelen. Voor een concretisering daarvan wacht ik het resultaat af van het onderzoek door de SLO.
Voor de zomer komt u met een uitgebreide reactie op het adviesrapport van de KNAW over ICT in het onderwijs; kunt u in deze reactie meenemen in hoeverre dit programma ook in Nederland kan worden uitgerold?
In mijn brief van 19 april jl. heb ik Uw Kamer toegezegd om u te informeren over het voorstel dat de SLO mij zal voorleggen over het geheel van de adviezen van de KNAW. Daarin zal zowel het onderwijs in de onderbouw van havo en vwo als het keuzevak informatica in de bovenbouw aan de orde komen. Voor de plaats van leren programmeren daarin verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Een mogelijke ‘bevriezing’ van deelcertificaten van het motorexamen |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom u van mening bent dat door het bevriezen van de theoriecertificaten rechtsongelijkheid ontstaat?1
De geldigheidsduur van het theoriecertificaat is op verzoek van de branche om opleidingsredenen beperkt. Bij het CBR komen vaker verzoeken om verlenging van de geldigheidsduur vanwege allerlei omstandigheden zoals bijvoorbeeld ziekte of verblijf in het buitenland. Als de geldigheid van een theoriecertificaat voor het motorrijbewijs zou worden verlengd vanwege deze specifieke omstandigheid, ontstaat rechtsongelijkheid ten opzichte van andere argumenten die niet worden gehonoreerd. Eenduidigheid voorkomt rechtsongelijkheid.
Is het mogelijk om het AVB-certificaat (algemene voertuigbeheersing) van de oude categorie A-zwaar te gebruiken voor de A2 categorie?
De richtlijn staat dat niet toe.
Waarom is het vanaf 2014 wel mogelijk om vanaf 19 jaar te beginnen met rijlessen voor directe instroom op A2 en geldt dit niet voor wie met 23 jaar wil beginnen met lessen voor directe instroom op A-zwaar?
Ik stel voorop dat de verlaging van de lesleeftijd tot 19 jaar alleen mogelijk zal worden gemaakt voor degenen die reeds in het bezit zijn van een rijbewijs A1 en willen doorstromen naar A2. Voor de directe instroom in A is beginnen met lessen op 23 jaar niet mogelijk gelet op de in de Derde Rijbewijsrichtlijn opgenomen minimumleeftijd van 24 jaar. Ik zal de komende jaren bezien of het wenselijk is om dat voor doorstromers van A1 via A2 naar A wel te doen.
Wat is voor u leidend voor iemand die een doorstroom-examen wil doen voor een zwaardere categorie: de minimale leeftijd of minimale rijervaring van twee jaar op de onderliggende klasse? Kunt u dit toelichten?
Beide voorwaarden zijn essentieel en bindend op grond van de Derde Rijbewijsrichtlijn.
Waarop is het bedrag gebaseerd van € 150,- dat als compensatie wordt geboden vanuit het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) voor mensen die in het najaar 2012 door weersomstandigheden geen examen konden doen? Kunt u uw antwoord onderbouwen?
Het bedrag is geen compensatie van geleden schade, maar is bedoeld als coulance voor de examenkandidaten die pech hebben gehad als gevolg van het slechte weer. Zoals ik reeds mondeling heb geantwoord in het AO van 21 mei jongstleden is het bedrag van € 150,– een redelijk en substantieel bedrag waarbij ik tevens de nodige terughoudendheid bij het uitgeven van overheidsgelden in acht heb genomen.
Wat is de reden dat er is gekozen voor een financiële tegemoetkoming vanuit het CBR en waarom is er niet de mogelijkheid geboden om het examen alsnog dit jaar af te leggen?
Op 29 januari jongstleden heb ik vraag 3 van het lid De Graaf (PVV) over de onmogelijkheid om het examen alsnog af te leggen beantwoord, waarnaar ik kortheidshalve verwijs.
Deelt u de mening dat de 11kW (A1) motoren op de snelwegen (130 km/h) veiligheidsrisico’s met zich mee kunnen brengen en zouden deze niet beter geweerd kunnen worden van snelwegen, zoals Frankrijk sinds kort doet?
De A1 motor kent voor- en nadelen (zoals dat ook geldt voor zwaardere voertuigen) in verschillende verkeerssituaties. Ik acht de A1-motorrijder in staat een dergelijke afweging zelf te maken. Ik zie geen reden om deze motoren te verbieden op de snelwegen.
Wat is de reden dat het in Nederland – in tegenstelling tot in veel andere Europese landen – niet mogelijk is om met rijbewijs B op een A1 motor te rijden (met een korte aanvullende training)?
Ten tijde van de Tweede Rijbewijsrichtlijn is daarvoor in ons land niet gekozen omdat dit niet in het belang van de verkeersveiligheid werd geacht. Een motorrijwiel is een tweewielig, evenwichtsvoertuig waarvoor andere eisen en vaardigheden gelden dan voor vierwielige motorrijtuigen. Ik zie geen aanleiding om deze keuze te heroverwegen.
Blijven mensen die in aanmerking komen voor een faalangstexamen (na vier reguliere examens in het geval van rijbewijs A) dit recht behouden als ze enige tijd geen examen hebben gedaan vanwege de veranderde regelgeving?
Het faalangstexamen is alleen van toepassing op kandidaten voor het rijbewijs B en is een keuze van de kandidaat. Het nader onderzoek rijvaardigheid is daarentegen verplicht. Dat onderzoek (in de vorm van een langer examen) is bedoeld voor kandidaten die vier keer zijn gezakt in dezelfde categorie binnen een termijn van vijf jaar. Wijzigingen in de regelgeving hebben hierop geen invloed.
Het bericht dat in vergelijking met andere Europese landen het mobiele dataverkeer in Nederland het duurst is |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «mobiele data het duurst in Nederland»1 waarin wordt belicht dat Nederlanders in vergelijking met andere Europeanen het meest moeten betalen voor mobiel internet?
Ik heb kennis genomen van het artikel. De vragen gaan over één van de conclusies in het rapport waar het artikel naar refereert, namelijk de prijs van mobiele data-only abonnementen. Dit betreft de gebruikers die alleen een mobiele databundel en geen andere diensten afnemen. Dit is slechts een klein gedeelte (minder dan 5%) van de markt. In het onderzoek valt op dat binnen dat segment alleen gekeken wordt naar de premium abonnementen van de Nederlandse providers en niet naar hun «second brands» die goedkoper zijn.
Het rapport spreekt de verwachting uit dat door toetreding van een nieuwe uitdager (Tele2) de prijzen voor de mobiele data-only abonnementen zullen dalen. Het merkt ook op dat waar het abonnementen voor bundels van mobiele data en bellen en sms-en betreft Nederland beter uit het onderzoek komt. Op grond van dit rapport deel ik niet de mening dat de markt onvoldoende functioneert.
Er verschijnen geregeld onderzoeken (onder andere ook de OESO) naar de tarieven van telecommunicatie met niet zelden wisselende en soms tegenstrijdige uitkomsten. Dat komt ten eerste omdat het moeilijk is uniforme vergelijkingsmaatstaven te definiëren. Zo verschillen de databundels per land. In het rapport wordt bijvoorbeeld een combinatie-bundel met 20 sms-jes gehanteerd en die komt niet in Nederland voor. Ten tweede wordt onvoldoende rekening gehouden met factoren die de prijs van telecommunicatie in een land bepalen. Het betreft factoren als de koopkracht per land, het gebruiksprofiel van consumenten en eventuele handsetsubsidies. Het maakt analyses over prijsverschillen buitengewoon lastig en vaak voor discussies vatbaar.
Ik ga onderzoeken hoe we tot een betekenisvollere internationale vergelijking kunnen komen van mobiele telecommunicatietarieven en zal u over de uitkomsten van zo’n vergelijking dit najaar informeren.
Deelt u de mening dat de kosten per gigabyte in Nederland (gemiddeld 9 euro) in vergelijking met andere Europese landen (gemiddeld 1 a 2 euro) dusdanig hoog zijn dat er zeer waarschijnlijk sprake zal zijn van een onvoldoende functionerende markt? Zo ja, op welke wijze gaat u dit probleem aanpakken?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er naast het gebrek aan concurrentie andere oorzaken voor de hoge kosten van mobiel dataverkeer in Nederland? Bent u bereid dit zo nodig nader te (laten) onderzoeken?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om deze vragen voor het verzamel algemeen overleg Telecommunicatie op 28 mei 2013 te beantwoorden?
Ja.
De beschikbaarheid van het Q-koorts medicijn doxycycline |
|
Tunahan Kuzu (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht dat het antibioticum doxycycline sinds 13 mei jl. niet meer beschikbaar is in Nederland?1
Ja.
Bent u er bekend mee dat het antibioticum doxycycline van levensbelang is voor de 280 patiënten die er in Nederland zijn besmet met chronische Q-koorts?
Ik ben mij ervan bewust dat het tekort van het antibioticum doxycycline een zeer nare situatie voor patiënten. Het betreft een geneesmiddel van eerste keus voor een breed scala aan infecties en de leverbetrouwbaarheid is daarom zeer belangrijk voor patiënten.
Bent u bekend met de redenen waarom doxycycline tijdelijk niet beschikbaar was? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren?
In mei 2013 hadden twee van de vijf leveranciers productievertraging en één leverancier een grondstofprobleem. Hierdoor trad een domino-effect op: leveranciers gaan uit voorraad, de andere leveranciers hebben vervolgens onvoldoende voorraad om het tekort op te vangen en gaan ook uit voorraad. Dit heeft eindelijk geleid tot een nationaal tekort aan doxycycline.
Kunt u bevestigen dat doxycycline inmiddels weer beschikbaar is? Zo nee, waarom is doxycycline nog niet beschikbaar? Zo nee, wanneer komt doxycycline weer beschikbaar?2
Doxycycline is momenteel beschikbaar van de firma’s Accord en Ratiopharm.
Doxycycline van de firma PCH is nog steeds niet beschikbaar vanwege productievertraging en is voorzien voor week 33 (half augustus).
Doxycyline van de firma Mylan is nog niet beschikbaar vanwege grondstof-problemen en heeft een onbekende levertijd.
Doxycycline van de firma Actavis is beperkt beschikbaar en wordt beperkt uitgeleverd.
Welke maatregelen gaat u nemen om de verstrekking van het antibioticum doxycycline aan patiënten met chronische Q-koorts in de toekomst te waarborgen?
Helaas blijkt er in de praktijk steeds vaker sprake te zijn van beschikbaarheidproblemen van genees-middelen. Dit is zorgelijk. Omdat farmaceutische bedrijven mondiaal opereren is de ruimte om op nationaal niveau geneesmiddelentekorten aan te pakken beperkt. Ik heb dan ook niet de illusie dat geneesmiddelentekorten volledig kunnen worden voorkomen of dat er voor elk geneesmiddeltekort een oplossing voorhanden zal zijn. De oorzaken van geneesmiddeltekorten zijn zeer divers en complex. Productieproblemen, de beschikbaarheid van grondstoffen maar ook economische motieven spelen hierin een belangrijke rol. De oplossingen zijn al even divers en complex. Als een tekort al voorkomen kan worden, is er niet één partij die dit kan realiseren. Mijn ambitie is dan ook daar waar mogelijk geneesmiddelentekorten aan te pakken door een gezamenlijke inspanning van alle betrokken partijen.
Recent heb ik mijn plan van aanpak naar de Tweede Kamer gestuurd waarin ik nader ben ingaan op de maatregelen die ik wil nemen om geneesmiddelen-tekorten zoveel mogelijk te voorkomen.
Het bericht ‘Werden Deutsche Autofahrer im Ausland abgezockt?’ |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Werden Deutsche Autofahrer im Ausland abgezockt»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse politie regelmatig bekeuringen van € 200 uitdeelt aan inwoners van Duitsland aan de grens bij Denekamp, omdat in de autopapieren een streepje staat, terwijl op de kentekenplaten geen streepje staat?
Ik heb bij de Nationale Politie navraag gedaan. De Politie en het CJIB geven aan niet bekend te zijn met dergelijke bekeuringen. Vraag 3 is dan ook niet aan de orde.
Hoe beoordeelt u deze handhaving in het licht van de prioriteiten van de Nationale politie en het beeld dat zowel Nederlandse als Duitse burgers van het politiewerk hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat borstkankerkliniek Monro niet voor risicopatiënten is |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «Borstkankerkliniek Monro niet voor risicopatiënten»1 en «Monro Kliniek haalt krenten uit de pap»?2
Ja.
Voldoet de Alexander Monrokliniek aan alle eisen en richtlijnen voor de behandeling van borstkanker? Heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) dit gecontroleerd? Zo ja, op welke wijze?
De zorgverlening van het Alexander Monro Ziekenhuis is medio april 2013 gestart. De formele opening was eind mei. Het is primair de verantwoordelijkheid van een zorginstelling zelf om aan de richtlijnen voor verantwoorde zorg te voldoen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ziet daar op toe en toetst een zorginstelling wanneer de organisatie ook daadwerkelijk zorg levert. De IGZ heeft voorafgaand aan de opening van de instelling een bezoek gebracht en zal in de komende maanden wederom een inspectiebezoek afleggen.
Op welke wijze geeft het Alexander Monroziekenhuis vorm aan de uitvoering van de richtlijn waarbij overleg nodig is met onder meer thuiszorg, fysiotherapie en huisarts? Kunt u dit toelichten?
Het Alexander Monro Ziekenhuis heeft mij laten weten dat er structureel overleg plaatsvindt met de eerste lijn en heeft als beleid de eerste lijn actief bij de behandeling van de patiënt te betrekken. Het ziekenhuis geeft aan dat er samenwerking is met regionale fysiotherapeuten, gespecialiseerd in behandeling van borstkankerpatiënten en met huisartsen over het palliatieve traject. Daarnaast wordt er samengewerkt met een regionale diëtiek praktijk, gespecialiseerd in voeding bij kanker. Voor de psychosociale ondersteuning is er een samenwerking met het Helen Dowling Institute. Met diverse thuiszorgorganisaties is overleg geweest. Ook geeft het ziekenhuis aan dat thuiszorg bij borstkanker patiënten relatief weinig voorkomt, deze wordt per patiënt afgestemd met gespecialiseerde verpleegkundigen.
Bent u van mening dat de Alexander Monrokliniek in een behoefte voorziet? Kunt u dit toelichten?
Het is niet aan mij om te beoordelen of een bepaalde zorginstelling in een behoefte voorziet. Wel merk ik het volgende op. In de zorg is een trend ten aanzien van specialisatie. Richtlijnen vanuit beroepsgroepen en zorgverzekeraars benadrukken het belang daarvan.
Meer specifiek meld ik dat recent de Borstkanker Vereniging Nederland onder haar leden de behoefte aan dit gespecialiseerde borstkankerziekenhuis heeft onderzocht. Hieruit bleek dat 50% van de borstkanker patiënten die gereageerd hebben het een goede ontwikkeling vindt dat er een speciaal borstkanker ziekenhuis komt in Nederland, 15% vindt dit geen goede ontwikkeling.
Vindt u het wenselijk dat borstkanker in een Zelfstandig Behandel Centrum (ZBC) behandeld wordt, waar alleen laag-complexe zorg geleverd wordt, waar geen intensive care beschikbaar is? Kunt u dit toelichten?
Het Alexander Monro Ziekenhuis laat weten dat het een zelfstandig behandelcentrum is dat zich ook richt op hoog complexe borstkankerzorg. Naar de informatie van de instelling zijn de volgende specialismen en voorzieningen binnen het ziekenhuis (conform SONCOS richtlijnen) vertegenwoordigd:
Ook het ondersteunend personeel heeft ervoor gekozen om zich volledige te specialiseren in de borst(kanker)zorg. Binnen het Alexander Monro ziekenhuis werken mamma-care verpleegkundigen, een verpleegkundig specialist mammacare, radiodiagnostisch en nucleair laboranten, OK- en anesthesie medewerkers en afdelings- en oncologie verpleegkundigen.
Dagelijks is er tweemaal een multidisciplinair overleg waarin alle patiënten besproken worden in aanwezigheid van het complete medische team.
Het ziekenhuis geeft verder aan dat voor het opereren van ASA 3 en 4 patiënten een overeenkomst is opgesteld met een collega ziekenhuis, waar de specialisten van het Alexander Monro Ziekenhuis deze patiënten opereren en indien nodig de beschikking hebben over een intensive care unit. De kosten voor het inrichten van een intensive care unit zijn op deze manier bespaard omdat aangetoond is dat borstkanker patiënten slechts zeer sporadisch op de intensive care verblijven. Voor de patiënten voor wie dit nodig is, zijn goede regionale afspraken gemaakt. Binnen het Alexander Monro Ziekenhuis is een intensivist aanwezig die een acute intensive care opvang kan creëren indien de situatie zich voordoet. Binnen de regio zijn er afspraken gemaakt voor de opvang van de acute zorg en eventuele calamiteiten. Het ziekenhuis is 24/7 bereikbaar en de patiënten worden duidelijk geïnformeerd over hoe zij 24/7 contact kunnen hebben met hun behandelend arts.
Is er onderzoek gedaan naar het aantal gevallen waarin patiënten die complicaties hebben gekregen na behandeling in een ZBC moeten worden behandeld in een algemeen ziekenhuis? Zo ja, wat zijn de cijfers? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Nee, hier is geen onderzoek naar gedaan. Zowel Zelfstandige Behandel Centra (ZBC’s) als ziekenhuizen zijn door de overheid erkende organisatievormen voor medisch specialistische zorg en staan onder toezicht van de IGZ. Dit gebeurt risicogericht op basis van onder andere meldingen en indicatorgegevens die zorgverleners bij de inspectie dienen aan te leveren en krijgt vorm door onder andere onaangekondigde inspectiebezoeken. Wanneer de kwaliteit of veiligheid van zorg in het geding is, dan grijpt de IGZ in. Het verrichten van nader onderzoek naar de in de vraag geschetste situatie acht ik dan ook niet noodzakelijk. Een dergelijk onderzoek zou ook geen relevante informatie voor het toezicht opleveren.
Hoe beoordeelt u de claim van het Alexander Monroziekenhuis dat het «hét borstkankerziekenhuis van Nederland» is? Is deze claim gebaseerd op onafhankelijk opgestelde indicatoren? Zo ja, welke?
Het is niet mijn verantwoordelijkheid een oordeel over een dergelijke claim te hebben. Het Alexander Monro ziekenhuis stelt zelf hèt borstkankerziekenhuis te zijn met als motivatie dat dit het enige ziekenhuis is waar de mensen en middelen 100% gespecialiseerd zijn rondom mensen met een afwijking aan de borst, dat voldoet aan de Soncos richtlijn en transparant is in het presenteren van de gevraagde prestatie-indicatoren.
Wat is de betekenis van de term «centre of excellence» die het ziekenhuis op zijn website hanteert? Kunt u dit toelichten?
Het Alexander Monro Ziekenhuis noemt zichzelf een centre of excellence voor borstkankerzorg omdat diagnostiek, operatie en reconstructie,
chemotherapie, nabehandeling en psychosociale zorg allemaal in huis aanwezig is. De term center of excellence is een zelf toegekende kwalificatie. Rond het begrip bestaan geen normen of overeenstemming waar aan voldaan moet zijn wil men een dergelijke kwalificatie rechtvaardigen.
Vindt u dat het Alexander Monroziekenhuis patiënten goed voorlicht over a) de behandelingen die het ziekenhuis wel en niet aanbiedt, b) de opvang van patiënten bij calamiteiten en complicaties buiten kantooruren, c) de kwaliteitsverschillen met andere ziekenhuizen en behandelcentra? Kunt u dit (a tot en met c) toelichten?
Het Alexander Monro Ziekenhuis geeft aan dat de patiënten worden voorgelicht via de website en dat alle patiënten mondelinge en schriftelijke uitleg krijgen conform de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) voor diagnostische en behandel opties met alternatieven en bijbehorende risico’s.
De opvang van patiënten bij calamiteiten en complicaties buiten kantooruren wordt naar eigen zeggen van de instelling zeer uitgebreid besproken. Het medisch team is 24/7 beschikbaar voor patiënten voor overleg en/of vragen. Na een operatie slaapt er een medisch specialist in huis zodat indien nodig alle optimale zorg geboden kan worden, naast de normaal aanwezige verpleging.
Het Alexander Monro Ziekenhuis stelt te voldoen aan alle richtlijnen en aan het aanleveren van prestatie indicatoren. In samenwerking met IKNL en NBCA wordt er tevens gewerkt aan een maandelijkse openbare rapportage over de prestatie-indicatoren in plaats van de jaarlijkse geanonimiseerde rapportage zoals die er nu is.
De IGZ heeft een inspectiebezoek gepland waarbij getoetst zal worden op kwaliteit en veiligheid. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
De toekomst van het Tropenmuseum |
|
Jasper van Dijk (SP), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Lot Tropenmuseum is ongewis»?1
Ja.
Is de toekomst van dit wereldwijd vermaarde museum met 180.000 bezoekers per jaar inderdaad in gevaar? Zo nee, wat is dan de situatie? Zo ja, wat is hierover uw oordeel?
Het Tropenmuseum (TM) is zoals bekend onderdeel van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT). Per besluit van 6 juli 2011 heeft de toenmalig Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, in het kader van de toegenomen focus van het OS-beleid en de voorgenomen bezuinigingen, aan het KIT bekendgemaakt de subsidie voor outputfinanciering na 2011 niet meer te zullen verlengen. Om de gevolgen voor het beëindigen van de subsidierelatie op te vangen is daarbij voor 2012 een bedrag van € 22 miljoen toegekend. Dat besluit staat na het doorlopen van een beroepsprocedure bij de rechtbank in rechte vast.
Staatssecretaris Knapen besloot in november 2012 om het KIT voor 2013 nog eenmalig een bijdrage van € 15,3 miljoen voor het transitieproces te verlenen. Overleg tussen betrokkenen over de situatie na 2013 is gaande.
Is het waar dat 90 arbeidsplaatsen verdwijnen bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) en dat de grootste klappen vallen bij het Tropenmuseum en bij de bibliotheek? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de activiteiten van het museum en voor de toekomstplannen die er bestaan ten aanzien van het museum?
Het KIT heeft besloten, in het licht van de opgelegde bezuinigingen, 90 medewerkers te ontslaan. De verantwoordelijkheid voor de verdeling van de bezuinigingen over de verschillende afdelingen ligt bij het KIT.
Wat is de visie van het Koninklijk Instituut voor de Tropen voor het voortbestaan van het Tropenmuseum, zoals neergelegd in het toekomstscenario voor 2013 t/m 2015? Hoe passen de huidige bezuinigingsmaatregelen in dit plan?
De visie van het KIT op het voortbestaan van het Tropenmuseum is uiteraard de verantwoordelijkheid van het KIT. Dit geldt ook voor de verdeling van de bezuinigingen over de verschillende afdelingen.
Welke afspraken zijn er met het KIT gemaakt bij de toekenning van financiering voor 2013 over de financiering ná 2013? Welk deel van de financiering voor 2013 is bestemd voor het beheer en de openstelling van het museum?
Zoals gesteld onder het antwoord op vraag 2 heeft het vorige kabinet besloten om nog éénmalig een bedrag van € 15,3 mln voor het transitieproces toe te kennen voor 2013; voor het Tropenmuseum is hiervan € 7,5 mln geoormerkt. Bij de toekenning is aangegeven dat verdere frictiekosten door het KIT worden gedragen en dat het KIT, als andere organisaties, kan inschrijven op subsidietenders en aanbestedingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Op welke wijze zijn uw ministeries betrokken bij de toekomst van het Tropenmuseum? Welke ontwikkeling is er in de samenvoeging of samenwerking tussen het Tropenmuseum, het Rijksmuseum Volkenkunde en het Afrika Museum?
Beide ministeries hebben in 2011 het KIT verzocht om samen met het Rijksmuseum Volkenkunde en het Afrika Museum een plan voor museale samenwerking op te stellen. In 2012 hebben de drie musea een Letter of Intent ondertekend met als doel tot samenwerking en integratie te komen tussen de drie musea. Het is hen toen niet gelukt een gemeenschappelijk en financieel haalbaar plan op te stellen. Gesprekken tussen het KIT en de betrokken ministeries (vanuit de respectievelijke verantwoordelijkheden) zijn nog gaande, maar de eindverantwoordelijkheid voor een dergelijk plan ligt uiteraard bij het KIT.
Door welk ministerie zou toekomstige financiering van het Tropenmuseum naar uw mening gedragen moeten worden? Hoe wilt u gezamenlijk bijdragen aan een bestendige financiële toekomst van het Tropenmuseum?
De financiering van het Tropenmuseum is na 2013 niet meer een kerntaak van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Overleg tussen de ministeries van Buitenlandse Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de gemeente Amsterdam is gaande.
Spoedige oplossingen voor abonnementen in het scholierenvervoer |
|
Carla Dik-Faber (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over de stijgende regionale vervoertarieven voor scholieren vanaf het schooljaar 2013–2014?1
Ja.
Herkent u het beeld dat, ondanks de brief van uw voorganger, nog niet in alle regio’s overheden en vervoerders gezamenlijk en in het belang van de reiziger tot afspraken en oplossingen zijn gekomen voor scholen die te maken hebben met leerlingen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer?
In mijn brief van 26 februari 20132 heb ik aangegeven dat decentralisatie van het OV met zich meebrengt dat differentiatie per regio mogelijk is. Het kan daarbij voorkomen dat een product niet geldig is in aangrenzende gebieden of bij andere vervoerders. Overheden en vervoerders moeten gezamenlijk en in het belang van de reiziger hierover afspraken maken of oplossingen realiseren en reizigers adequaat informeren over de nieuwe producten en veranderingen. Mijn voorganger heeft partijen per brief nadrukkelijk gewezen op deze verantwoordelijkheid. Partijen hebben aangegeven dit te zullen doen.
Tussen overheden en vervoerders zijn afspraken gemaakt over abonnementen in het Landelijk Tarieven Kader. Het «Altijd Korting»- abonnement is interoperabel en geeft 20% korting voor de reguliere reiziger en voor scholieren (12 tot en met 18 jaar) 40% korting.
Decentrale overheden en vervoerders geven aan dat in meer dan de helft van de regio’s de oude sterabonnementen verchipt zijn. In de overige regio’s zijn nieuwe abonnementen ingevoerd.
Door de decentralisatie van het openbaar vervoer kan per regio worden ingespeeld op de lokale of regionale vervoervraag. Dit heeft in enkele regio’s, waaronder de provincie Zuid-Holland, geleid tot aanvullende afspraken voor scholieren. Overall is mijn beeld dat er in alle regio’s afspraken gemaakt zijn, maar dat het kortingspercentage voor scholieren per regio kan verschillen. Verder krijgen scholieren veelal een hoger kortingspercentage dan andere reguliere reizigers.
Kunt u reageren op de situatie van verschillende middelbare scholen in Amersfoort die voor het vervoer van hun leerlingen te maken hebben met vijf OV-concessies, vier provincies en drie regionale vervoerders en de gevolgen die dit heeft voor de tarieven voor scholieren in dit gebied met stijgingen van tientallen procenten (50–100%) als gevolg van een stapeling van wijzigingen in de tariefopbouw (indexering, wegvallen van het grootverbruikerscontract, verlagen van kortingspercentage, geen abonnement meer voor meerdere vervoerders)? Kunt u daarbij specifiek reageren op de forse kostenstijging in het komende schooljaar voor scholieren die reizen tussen Zeewolde en Amersfoort? Vindt u, vanuit uw systeemverantwoordelijkheid voor het openbaar voer, dergelijke kostenstijgingen voor gezinnen, met vaak meerdere kinderen die gebruik maken van het openbaar vervoer, acceptabel?
Als gevolg van de decentralisatie van het OV worden de tarieven in het regionaal openbaar vervoer in de regio’s door de decentrale overheden vastgesteld. Door de decentrale structuur van het OV (als gevolg van de decentralisatie) is een mozaïek van gebiedsgebonden tarieven en voorwaarden ontstaan. Enerzijds biedt dit kansen omdat het OV kan inspelen op de lokale of regionale vervoervraag. Anderzijds is er vanuit het reizigersbelang ook behoefte aan meer samenhang over de grenzen van de concessiegebieden heen. De tijd is rijp voor een sectorbrede fundamentele discussie over tarieven en producten. In mijn brief van 26 februari 2013 (TK, 23 645, nr. 524) over het wetgevingstraject OV-chipkaart heb ik een eerste aanzet gegeven. Inmiddels is besloten dat de decentrale overheden het voortouw nemen in het ontwikkelen van een dergelijke (lange termijn) visie op hun domein van tarieven en producten. Daarbij zijn de vervoerbedrijven en mijn ministerie aangesloten. Ook consumentenorganisaties zullen betrokken worden. Vanuit een gezamenlijke visie kunnen kaders gecreëerd worden waarbinnen de partijen tot meer samenhang en transparantie in tarieven en producten komen in het belang van de (doorgaande) reiziger. In de hoofdlijnennotitie over het wetgevingstraject voor de OV-chipkaart veranker ik de mogelijkheid om hier op termijn regels aan te kunnen stellen. Op korte termijn informeer ik u separaat over de start van het wetgevingstraject.
De provincie Utrecht heeft aangegeven dat in haar concessie het nauwelijks voorkomt dat scholieren over meerdere concessies reizen en daardoor extra kosten maken. Scholierenlijnen zijn veelal rechtstreekse buslijnen waarbij niet overgestapt hoeft te worden en het abonnement geldig is op de hele lijn. Voor scholieren is er een Regio Vrij abonnement vastgesteld waarbij 34% korting wordt geboden op de reguliere prijs. Dit abonnement is feitelijk een voortzetting van het sterabonnement maar dan alleen geldig in alle concessies van Connexxion en van GVU. In de provincie Overijssel een vergelijkbaar verhaal. De verbinding Zeewolde – Amersfoort is een lange afstandverbinding die normaal via bus en trein gemaakt wordt. Met de bus naar Harderwijk en dan met de trein naar Amersfoort (Schothorst). Daarnaast rijdt er een speciale scholierenlijn van Zeewolde rechtstreeks naar het Guido de Bres college (en v.v.). Deze lijn wordt uitgevoerd door één vervoerder, Connexxion. Hiervoor is één abonnement te kopen, ondanks dat deze door 3 concessies heen rijdt. Er zijn daarvoor afspraken gemaakt tussen de school en Connexxion over de bijbehorende prijs. De standaardprijs is 66% van de werkelijke prijs van een abonnement met daarnaast een jaarkorting (12 maanden voor 10 maanden).
De provincie Utrecht laat weten dat voor haar concessiegebied de tariefstijging hoofdzakelijk veroorzaakt wordt door het besluit van Connexxion om de kortingen op de grootgebruik contracten met de scholen te beëindigen. Daarmee vervalt een extra korting van circa 14% (behoudens indexering) op de prijs van een abonnement. Ook de provincie Overijssel heeft mij laten weten dat haar vervoerder deze korting afbouwt. Beide provincies zullen geen actie ondernemen om de grootverbruikerkorting te behouden omdat de budgetten voor het OV onder druk staan. Deze overheden en hun opbrengstverantwoordelijke vervoerders zijn van mening dat wanneer zij het OV op peil willen houden, er daar ook voor de reiziger een reële prijs tegenover moet staan.
Evenals de provincies vind ik tariefsverhoging in het openbaar vervoer in beginsel gerechtvaardigd omdat dit op de lange termijn zorgt voor een verhoging van de kostendekkingsgraad. Ik betreur het echter als reizigers te maken krijgen met extreme grote kostenstijgingen. Dit zal betrokken worden bij het visietraject producten en tarieven. Wel vind ik het de verantwoordelijkheid van decentrale partijen (overheden en vervoerders) om in de tussenliggende periode na te denken over dempende maatregelen voor groepen, waaronder scholieren, die recent hard zijn getroffen door de wijzigingen in regionale abonnementen en tarieven.
Kunt u aangeven hoe scholen en ouders op dit moment wegwijs worden gemaakt in het aanbod van producten, wat blijkens uw eerdere antwoorden van belang is? Welke rol heeft u hierin vanuit uw systeemverantwoordelijkheid? Bent u ermee bekend dat de verschillende vervoerders alleen advies uitbrengen over hun eigen abonnementen en dus niet voor de totale ketenreis, of verwijzen naar 9292 terwijl deze aanbieder van reisinformatie momenteel ook geen maatwerkadvies kan bieden voor scholen?
Ik vind het van groot belang dat reizigers wegwijs worden gemaakt in het aanbod van producten. Communicatie en informatievoorzieningen naar de reizigers maken daar onderdeel van uit. De vervoerders spelen een belangrijke rol hierin. Daarbij kan aangetekend worden dat veel reizigers binnen één concessie blijven en voldoende aan een overzicht van de regionale abonnementen hebben. Daarnaast is er ruimte voor onafhankelijke initiatieven zoals bijv. ovchipkaartabonnement.nl. De reiziger kan op deze website per regio en per vervoerder zien welke abonnementen er zijn.
Zijn er inmiddels, zoals aangekondigd in de antwoorden op genoemde eerdere vragen, afspraken gemaakt over de harmonisatie van kortingsproducten en abonnementen voor scholieren? Zo nee, wanneer worden deze afspraken wel uiterlijk gemaakt?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat er als onderdeel van de nieuwe landelijke menukaart voor abonnementen gewerkt wordt aan een landelijk kortingsproduct voor scholieren dat geldig is bij alle vervoerders en 55% korting geeft? Zo ja, wordt besluitvorming hierover nog deze maand afgerond zodat scholen hun (toekomstige) leerlingen en ouders hierover tijdig kunnen informeren?
Nee dat klopt niet. Het genoemde kortingsproduct voor scholieren is het resultaat geweest van de afspraken die enkele decentrale overheden met hun vervoerders hebben gemaakt (zie ook het antwoord op vraag 2). Onder meer in de provincie Zuid-Holland kunnen scholieren van dit kortingsproduct gebruik maken.
Klopt het dat een landelijk regisseur momenteel met een aantal regio’s werkt aan een oplossing voor scholieren via de businesscard? Zo ja, wat houdt deze oplossing precies in en wanneer komt deze beschikbaar?
De openbaarvervoerbedrijven hebben in mei 2013 een uitvoeringsorganisatie Serviceverlening Openbaar Vervoer B.V. (SVOV) opgericht, waarvan zij gezamenlijk eigenaar zijn. Bij SVOV zijn twee bedrijven ondergebracht, de al langer bestaande Regisseur Studenten Reisrecht B.V. (RSR) en de nieuw opgerichte Landelijk Product Regisseur B.V. (LPR).
LPR heeft als taak om in opdracht van de openbaarvervoerbedrijven landelijk interoperabele reisproducten te ontwikkelen en te beheren. De LPR heeft aangegeven dat een scholierenproduct via de businesscard niet aan de orde is.
Wel hebben NS en RET aangegeven samen een pilot uit te voeren waarbij reizen op rekening wordt gebruikt voor scholen.
Bent u er mee bekend dat in sommige regio’s, zoals Zeeland, vervoerders grootverbruikerscontracten sluiten met scholen, terwijl zij dat in andere regio’s weigeren omdat het niet geregeld zou zijn in de vervoerconcessies? Deelt u de mening dat dit een onwenselijke situatie is? Bent u bereid vanuit uw systeemverantwoordelijkheid hierover in overleg te gaan met decentrale overheden en te bezien of in alle concessies bepalingen kunnen worden opgenomen over grootverbruikerscontracten?
Ja, de koepels van decentrale overheden hebben mij laten weten dat in sommige regio’s dergelijke grootverbruikerscontracten waren gesloten. Het betreft de decentrale overheden die zelf opbrengstverantwoordelijk zijn en de grootverbruikerscontracten aanvullend op de concessie hebben opgenomen.
Het opstellen en beheren van de concessies blijft een eigen verantwoordelijkheid van de decentrale overheden en zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 kunnen decentrale overheden er juist ook voor kiezen dat er een reële prijs betaald moet worden voor het OV. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van hetgeen binnen het NOVB wordt opgepakt.
Bent u, vooruitlopend op het wetgevingstraject voor de OV-chipkaart en mogelijke oplossingen voor de lange termijn, bereid een uiterste inspanning te doen om scholen, vervoerders en decentrale overheden rond de tafel te krijgen om voor de verschillende regio’s voor het komend schooljaar een praktische oplossing te vinden, bijvoorbeeld middels een zichtkaart?
Zie het antwoord op vraag 3.
Asbestsanering in Emmen |
|
Henk van Gerven (SP), Paulus Jansen (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de asbestsanering van de Visserhoekflat in Emmen en de gerechtelijke uitspraak hierover in mei 2013?1 Wat is uw oordeel over de wijze waarop met de gezondheidsrisico’s van bewoners is omgesprongen?
Ik ben bekend met de asbestsanering van de Visserhoekflat in Emmen en de gerechtelijke uitspraak hierover in mei 2013. De regels rondom het binnenmilieu en het verwijderen van asbest zijn streng, juist omdat de overheid van oordeel is dat zorgvuldig met asbest moet worden omgesprongen. Ik acht het van groot belang dat deze regels worden nageleefd. Zoals uit de onderstaande antwoorden blijkt zijn de werkzaamheden uitgevoerd door gecertificeerde bedrijven en is geen overtreding van de wet of onjuist handelen geconstateerd. Ik heb dan ook geen reden aan te nemen dat er onzorgvuldig met de gezondheidsrisico’s van de bewoners is omgesprongen.
Kunt u het feitelijke verloop van het saneringsproces beschrijven?
Voor het verloop van het proces vertrouw ik op de beschrijving daarvan die wordt gegeven in het gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 mei 2013, waar ook in de als eerste gestelde vraag aan gerefereerd wordt2.
Wat is precies de alternatieve reinigingsmethode waarvoor woningcorporatie Lefier heeft gekozen? Is deze valide?
Kortweg bestaat de methode in het verwijderen van de asbestbesmetting door «shampoorellen met kleefrollers». Deze methode is voor de specifieke locatie gevalideerd conform het protocol validatiemetingen SC-5483.
Kunt u aangeven waar en op welke manier in het proces woningcorporatie Lefier onjuist handelde en op welke manier? Wat is uw oordeel over deze handelwijze?
Uit het feitenrelaas uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat Lefier als opdrachtgever voor de asbestinventarisaties en asbestsaneringen steeds gebruik heeft gemaakt van gecertificeerde asbestinventarisatie en -verwijderingsbedrijven, en aldus niet onjuist gehandeld lijkt te hebben. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat Lefier ook voor de nog vereiste asbestsaneringen binnen de vigerende regels voor asbestverwijdering moet handelen.
Kunt u aangeven of en zo ja, op welke wijze de asbestsaneerder onjuist handelde bij de sanering? Wat is uw oordeel over deze handelwijze?
Op basis van een klacht van een bewoner heeft de Inspectie SZW destijds een inspectie uitgevoerd. Er is bij die inspectie geen overtreding van de wet of onjuist handelen geconstateerd in relatie tot de klacht. De Inspectie SZW is verder niet betrokken geweest bij deze saneringslocatie.
Kunt u aangeven waar de gemeente te kort schoot in het toezicht en de handhaving van het saneringsproces? Wat is uw oordeel hierover?
Het interbestuurlijk toezicht op gemeenten is middels de Wet Revitalisering Generiek Toezicht neergelegd bij de provincies. Het is derhalve niet aan mij om een oordeel te geven over het handelen van de gemeente.
Hoe beoordeelt u de positie van inspectiebureau TUV en zijn aandeel in het proces? Dient een dergelijke dubbelrol niet te allen tijde worden voorkomen?
TüV Nederland heeft op de saneringslocatie een reguliere controle uitgevoerd. Ook is er een controle uitgevoerd naar aanleiding van een klacht (zie ook antwoord 5). Daarbij is geconstateerd dat de saneerder overeenkomstig de voor hem geldende certificatienormen werkt.
De beoordelingen in Emmen zijn uitgevoerd door een auditor van TüV die geen enkele relatie heeft met de organisatie die heeft geadviseerd over de aanpak van de sanering in Emmen. De Inspectie SZW heeft geen aanleiding of bewijzen gevonden dat in de zaak Emmen de onafhankelijkheid van TüV in het geding is geweest of is aangetast.
Wat is de verklaring voor het feit dat ondanks besmetting de asbestvrijverklaring in eerste instantie wel is afgegeven?
Het is door mij niet te achterhalen waarom na de vrijgavemeting en eindbeoordeling van de betreffende woning alsnog een hoge concentratie van asbestvezels is aangetroffen in de kast. Zowel TüV als de Inspectie SZW hebben destijds naar aanleiding van een klacht een onderzoek en beoordeling uitgevoerd. Uit de stukken is geen verklaring of bewijs te achterhalen waaruit een oorzaak blijkt voor de later gemeten concentratie van asbestvezels.
Kunt u aangeven wat volgens de woningcorporatie, de asbestsaneerder, het laboratorium en de gemeente de reden is voor het eigen (onjuiste) handelen?
Zoals blijkt uit bovenstaande antwoorden heeft de woningcorporatie gehandeld conform de asbestregelgeving en is zij gehouden dit te blijven doen. Bij een inspectie in relatie tot een klacht over de sanering is geen overtreding van de wet of onjuist handelen geconstateerd. Het laboratorium heeft een reguliere controle uitgevoerd. Verder is er geen aanleiding of bewijs gevonden dat in de zaak Emmen de onafhankelijkheid van TüV in het geding is geweest of is aangetast. Aangezien het interbestuurlijk toezicht op gemeenten is neergelegd bij de provincies is het niet aan mij een oordeel te geven over het handelen van de gemeente.
Deelt u de mening dat deze casus niet op zichzelf staat, maar dat in te veel gevallen onjuist gehandeld wordt bij asbestsaneringen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke verbeterstappen gaat u zetten?
Het is niet te zeggen of dit incident op zichzelf staat. Asbestsaneringen in Nederland zijn aan de orde van de dag. In 2012 zijn ruim 50.000 asbestsaneringen gemeld. Zoals hierboven vermeld (antwoorden 4 en 5), is niet gebleken dat er door de asbestsaneerder onjuist gehandeld is. Het is in het belang van de asbestsaneerder zelf om de werkzaamheden veilig en gezond uit te voeren. De sector neemt hierin haar verantwoordelijkheid en heeft hiertoe onlangs de campagne «Veilig in elke vezel»4 gelanceerd.
Het bericht “Afghaanse tolk vreest bijltjesdag” |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Afghaanse tolk vreest bijltjesdag»?1
We hebben kennis genomen van het artikel.
Heeft u onderzocht of Afghaanse tolken en andere medewerkers gevaar lopen na het transitieproces en de terugtrekking van de internationale aanwezigheid in algemene zin en de Nederlandse aanwezigheid in Kunduz in specifieke zin?
Hoe de situatie zich na de terugtrekking van de internationale, inclusief Nederlandse, aanwezigheid zal ontwikkelen, valt op dit moment niet te voorzien. Ook is onzeker welk gevolgen dat heeft voor de veiligheid van de Afghaanse medewerkers. Wel zijn al enkele veiligheidsmaatregelen getroffen voor Afghanen die voor Nederland werken en is een inventarisatie gemaakt van Afghaans personeel dat voor Nederland gewerkt heeft (zie ook antwoord op vraag2.
Hoeveel Afghanen werken met Nederland samen in Kunduz onder Nederlands contract?
Vier Afghanen hebben een tijdelijk contract met de Nederlandse ambassade in Kaboel als monitors van door Nederland gefinancierde projecten. Bij het vertrek van Nederland uit Kunduz wordt hun contract overgenomen door het Duitse Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit (GIZ). Daarnaast is één chauffeur die in Kunduz werkt formeel in dienst van de Nederlandse Ambassade in Kaboel.
De zestien Afghaanse tolken die werk verrichten voor de Nederlandse missie staan onder contract van de Duitse administratie.
Zijn er in het kader van dit samenwerkingsverband asielaanvragen gedaan? Zo ja, hoeveel? Zo neen, verwacht u deze?
Voor zover bekend hebben de in antwoord 3 genoemde Afghanen die onder Nederlands contract in Kunduz werken geen asielaanvragen gedaan. Overigens registreert de IND informatie niet op dit niveau.
Bent u van mening dat deze Afghanen, mochten zij een asielaanvraag doen, het reguliere proces moeten doorlopen of is er een lichter regime van kracht? Wat zijn de kenmerken van dit mogelijke lichtere regime?
Mensen die in levensgevaar verkeren omdat zij voor de Nederlandse missie gewerkt hebben, moeten op steun kunnen rekenen. Asielaanvragen worden op individuele basis beoordeeld, waarbij de specifieke situatie van de betrokken Afghaan, mede in relatie tot zijn werkzaamheden voor Nederland in Afghanistan, beoordeeld wordt tegen de achtergrond van de actuele situatie in Afghanistan. We zien geen aanleiding voor een bijzondere (collectieve) regeling.
Heeft u contact met uw Duitse collega over de bescherming van de positie van deze Afghanen na de transitie en terugtrekking? Zo ja, wat behelst dit contact?
Hierover is contact met Duitsland omdat Afghaans personeel dat voor Nederland werkt of heeft gewerkt een Duits contract heeft. Duitsland heeft bevestigd verantwoordelijk te zijn voor al het personeel dat een Duits contract heeft en neemt elk verzoek afzonderlijk in beschouwing.
Regeldruk door informatie-uitvragen van de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer van de Belastingdienst en van het Centraal Bureau voor de Statistiek |
|
Erik Ziengs (VVD), Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD), Helma Neppérus (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de werkwijze van de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (CDIU) van de Belastingdienst ten aanzien van het verzamelen van statistieken van aanbestedende diensten?
Ja.
Is het waar dat de CDIU voor het verkrijgen van de benodigde data zoveel mogelijk gebruik maakt van het systeem Tenders Electronic Daily (TED) en van TenderNed, maar in het geval van ontbrekende data aanbestedende diensten afzonderlijk benadert met verzoeken om deze data aan te leveren? Zo ja, in welke mate kan het CDIU de benodigde informatie verkrijgen via TED en TenderNed? In welke mate worden aanbestedende diensten apart aangeschreven met deze verzoeken?
De CDIU maakt gebruik van gegevens die de Europese Commissie aanlevert aan het ministerie van Economische Zaken. Deze gegevens zijn ontleend aan TED. Aanbestedende diensten zijn verplicht om hun gunningsbeslissingen te melden aan TED. De praktijk is echter dat aanbestedende diensten daarbij niet altijd alle gevraagde gegevens aanleveren. Vooral de waarden van de gegunde aanbestedingen worden vaak niet gemeld. Om te kunnen voldoen aan de Europese statistiekverplichting die voortvloeit uit de Aanbestedingsrichtlijn dienen deze ontbrekende gegevens alsnog bij aanbestedende diensten te worden opgevraagd.
Mede om beter te kunnen voldoen aan de statistiekverplichting is in de nieuwe Aanbestedingswet 2012, die op 1 april 2013 in werking is getreden, bepaald dat aanbestedingen via TenderNed moeten worden aangekondigd. Ook de meldingen van gunningsbeslissingen dienen vanaf 1 april 2013 via TenderNed te verlopen. Het is de bedoeling om in de toekomst de verzameling van gegevens in verband met de statistiekverplichting elektronisch via TenderNed te laten verlopen. Aanbestedende diensten hoeven dan niet langer jaarlijks een aantal formulieren in te vullen.
Is het waar dat aanbestedende diensten de gevraagde gegevens alleen per post kunnen aanleveren? Zo ja, waarom hebben deze diensten geen mogelijkheid om hun data digitaal aan te leveren? Bent u bereid dit mogelijk te maken voor aanbestedende diensten?
De CDIU heeft brieven gestuurd aan aanbestedende diensten met de vraag om ontbrekende informatie via de post aan te leveren. Verwerking per post heeft voor de CDIU de voorkeur omdat verwerking van elektronische aangeleverde bestanden bewerkelijker is. Met aanbestedende diensten die contact opnemen met de CDIU worden overigens ook vaak afspraken gemaakt om de informatie per mail aan te leveren.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven is het de bedoeling in de toekomst de verzameling van gegevens elektronisch via TenderNed te laten verlopen.
Bent u van mening dat aanbestedende diensten en ondernemers zo min mogelijk administratieve hinder zouden mogen ondervinden van statistiekverplichtingen, opgelegd vanuit nationale en/ of Europese wet- en regelgeving?
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel statistiek-uitvragen in het kader van de statistiekverplichtingen voor ondernemers voortkomen uit Nederlandse wet- en regelgeving en hoeveel uit Europese wet- en regelgeving?
Ongeveer 98% van de lastendruk door verplichte statistieken gericht op het bedrijfsleven, is het gevolg van Europese verordeningen. De verordening die de meeste enquêtedruk met zich brengt is de verordening betreffende de communautaire statistieken van handel in goederen tussen de lidstaten (ook wel Intrastat genoemd). Deze enquête veroorzaakt ruim de helft van de lastendruk die het gevolg is van de statistiekverplichtingen. Bijgevoegd is een totaaloverzicht van de verplichte statistieken. Ik kom hiermee tevens tegemoet aan het verzoek van de Kamer, geuit tijdens het Wetgevingsoverleg Ondernemerschap van 17 december jongstleden, om een overzicht van de statistiekverplichtingen van Europese origine.
Daar waar mogelijk wordt telkens weer getracht de administratieve lastendruk voor bedrijven verder te verminderen. Zo ziet het CBS mogelijkheden om bij Intrastat met andere statistische methoden en technieken de maandelijkse enquêtedruk bij driekwart van de bedrijven te verminderen. Realisatie van deze vermindering is afhankelijk van toekomstige wijziging in Europese regelgeving, die op zijn vroegst in 2014 zal plaatsvinden. Nederland spant zich in om binnen Europa zoveel mogelijk steun voor dit voorstel te verkrijgen.
Naast het verminderen van het aantal enquêtes, worden ook andere initiatieven genomen om de lastendruk te verminderen. Zo wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van reeds beschikbare registraties en pas wanneer die ontbreken of onvoldoende informatie bevatten, worden enquêtes gebruikt. Daarnaast wordt gewerkt aan betere aansluiting van de enquêtes bij de administratie van ondernemers om zo het invullen gemakkelijker te maken.
Bent u bekend met de werkwijze van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ten aanzien van enquêtering van ondernemers en met het softwareprogramma dat door ondernemers moet worden gedownload voor het uitvoeren van de aanleverplicht? Is het waar dat dit programma al jarenlang regelmatig niet naar behoren functioneert?
Voor de enquêtering bij bedrijven maakt CBS overwegend gebruik van online vragenlijsten. Deze vragenlijsten hoeven niet te worden gedownload en kunnen via de internetbrowser worden ingevuld. Voor de jaarstatistiek geldt dat de vragenlijst moet worden gedownload en lokaal worden geïnstalleerd. Dit werkt voor zover bekend naar behoren. In gevallen waar gebruik wordt gemaakt van operating systemen anders dan Windows, kan dit complicaties geven. Er is inmiddels gestart met het vervangen van de vragenlijsten voor de jaarstatistiek door een via de internetbrowser in te vullen variant. Aangezien de vragenlijsten per branche verschillen, gebeurt dit branchegewijs.
Bent u bereid om het CDIU en het CBS te verzoeken hun werkwijzen aan te passen, zodat aanbestedende diensten en ondernemers geen onnodige administratieve hinder meer hoeven te ondervinden van de genoemde problemen? Welke verbetermogelijkheden ziet u?
Het CBS betrekt de basisgegevens voor de statistieken zoveel mogelijk uit bestaande registraties. Deze registraties alleen zijn echter niet in alle gevallen toereikend, waardoor aanvullend uitvraag bij bedrijven noodzakelijk blijft. Het CBS verzamelt de gegevens op zo’n manier dat de administratieve lasten voor ondernemingen en instellingen zo laag mogelijk zijn. Belangrijk daarbij zijn het gebruik van registerdata, verbeterde statistische technieken en methoden en de overgang van papieren naar digitale vragenlijsten. Het CBS werkt hierbij intensief samen met ondernemers en ondernemersorganisaties om het aanleveren van gegevens voor ondernemers zo gemakkelijk mogelijk te maken.
Zoals al is opgemerkt in het antwoord op vraag 2 is het de bedoeling de verzameling van gegevens over aanbestedingen uit hoofde van de statistiekverplichting elektronisch via TenderNed te laten verlopen. In verband met deze statistiekverplichting worden nooit gegevens gevraagd aan ondernemers, maar alleen aan aanbestedende diensten en een aantal speciale sectorbedrijven die onder de aanbestedingsregels vallen.
Ziet u mogelijkheden om de uitvraag van gegevens door het CDIU en het CBS tezamen met de uitvraag door de overheid van andere informatie in één verzoek bij de ondernemer neer te leggen? Kan dit bijvoorbeeld worden gekoppeld aan de digitale ondernemerspleinen die met de huidige herziening van de Wet op de Kamer van Koophandel worden opgericht?
Het digitale ondernemersplein heeft vooral tot doel om overheidsinformatie gestroomlijnd via één kanaal te ontsluiten en is niet gericht op het verzamelen van gegevens. Verbetering en vereenvoudiging van de gegevensuitvraag bij statistiek vindt eerder via bovengenoemde trajecten plaats.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 8 worden uit hoofde van de statistiekverplichting in verband met aanbestedingen geen gegevens gevraagd aan ondernemers, maar alleen aan aanbestedende diensten en een aantal speciale sectorbedrijven.
In tabel 1 zijn de verplichte statistieken opgenomen zoals deze in 2011 zijn uitgevraagd bij ondernemingen. Hierbij zijn de statistiekverplichtingen gegroepeerd naar de omvang van de gegenereerde lastendruk in 2011. Tevens is aangegeven of deze statistieken zijn gebaseerd op Europese wetgeving, nationale wetgeving of een combinatie hiervan. Deels zijn gelijksoortige statistieken geclusterd.
Tabel 2 bevat de statistische verplichtingen waarbij het bedrijfsleven slechts éénmaal in de twee tot vijf jaar wordt bevraagd. Deze statistieken stonden in 2011 niet op het programma.
Statistieknaam
EU
Nat
Internationale handel in goederen (Intrastat)
X
Productiestatistieken
X
X
Omzetstatistieken maand en kwartaal
X
X
Bedrijfsopleidingen (CVTS)
X
Bedrijfstelling (per 2013 geen enquêtering meer)
X
Financiën grote ondernemingen, jaarrekening
X
Goederenvervoer over de weg (grote vragenlijst)
X
ICT-gebruik bedrijven
X
Innovatie-enquête (1 x per 2 jaar)
X
Investeringen
X
X
Milieukosten bedrijven
X
Producentenprijzen
X
X
Vacatures & ziekteverzuim
X
X
Aardoliegrondstoffen en -producten
X
X
Bedrijfsafvalstoffen
X
Bedrijfstelling starters (per 2013 geen enquêtering meer)
X
Conjunctuurtest
X
Conjunctuurenquête Nederland (COEN), online, kwartaal en jaar
X
Consumentenprijzen
X
X
Consumptief krediet
X
Enquête regionale werkgelegenheid
X
Huurenquête
X
X
Investeringsverwachtingen
X
Kwartaalstatistiek financiën van ondernemingen
X
Logiesaccomodaties
X
X
Oogstramingen (-akkerbouw en -appels en peren)
X
Prijsindexcijfers diverse diensten
X
Prodcom-enquête
X
Recreatiecentra en -instellingen (1 x per 2 jaar)
X
Verbruik van energie; industrie
X
Winning, omzetting en verbruik van energiedragers
X
Zeevaart en containervervoer over zee
X
Duurzame energie
X
Landbouwstatistieken biologische landbouw
X
Landbouwstatistieken groente open grond
X
Landbouwstatistieken varkensstapel
X
Productiemiddelen electriciteit
X
R&D (bedrijven en instellingen)
X
Spaargelden
X
Waterkwaliteitsbeheer, afvalwater – zuiveringsslib van particuliere bedrijven
X
De lastendruk wordt berekend door het aantal ontvangen vragenlijsten te vermenigvuldigen met de invultijd en de kosten (uurtarief). Deze berekeningswijze wordt aangeduid met Standaard Kostmodel en wordt in de EU gebruikt voor de meting van de lastendruk.
Statistieknaam
EU
Nat
Areaal fruit (productiepotentieel soorten fruitbomen)
X
Landbouw: bestrijdingsmiddelen
X
Sportaccommodaties en watersport
X
Sportorganisaties: sportscholen en -instructeurs (excl. zeil- en surf-)
X
Natuurbeleid moet weg van details |
|
Pieter Litjens (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het advies «Onbeperkt Houdbaar, naar een robuust natuurbeleid» uitgevoerd door de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI)?1
Ja, dit advies is mij op 16 mei jl. aangeboden.
Deelt u de conclusies van het advies dat het Nederlandse natuurbeleid te technocratisch en te ingewikkeld als gevolg van de extreme focus op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten, zoals de korenwolf en korfslak, en dat dit een van de redenen is voor de vermindering van het draagvlak voor natuurbeleid in het afgelopen decennium? Zo nee, waarom niet?
Het advies getuigt van anders denken over natuur, zonder aan natuurbescherming en natuurbehoud af te doen. Het houdt ons een spiegel voor.
Het beschrijft de effecten van natuurbeleid dat zich teveel richt op de maakbaarheid van natuur en adviseert meer nadruk te leggen op randvoorwaarden en de eigen kracht van natuur. Dat idee spreekt mij aan.
Op dit punt en op de relatie met het draagvlak voor natuurbeleid zal ik nader ingaan in mijn officiële reactie op het advies dat ik uw Kamer zal doen toekomen. Het advies zal vervolgens een bouwsteen zijn voor de natuurvisie die ik momenteel ontwikkel. Verder zal ik de algemene noties van het advies ook betrekken bij de besluitvorming over de invulling van de Nota van Wijziging van het voorstel van de wet natuurbescherming.
Deelt u de opvatting dat het advies aanknopingspunten biedt om het strikte Nederlandse natuurbeleid op onderdelen aan te passen, zoals het sturen op randvoorwaarden in plaats van gedetailleerde doelen, geen afzonderlijk soortenbeleid en middelen te besteden aan het beter beheren van bestaande natuurgebieden? Zo ja, op welke wijze gaat u dit oppakken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat agrarisch natuurbeheer juist wel kansen biedt en een onmisbare schakel vormt voor het toekomstig natuurbeheer in Nederland in tegenstelling tot de conclusie van het rapport dat stelt dat de circa 40 miljoen euro die jaarlijks werden besteed aan beheersovereenkomsten met boeren nauwelijks hebben geleid tot het herstel van de biologische diversiteit? Zo nee, waarom niet?2
Ja, ik deel de opvatting dat agrarisch natuurbeheer wel degelijk kansen biedt en een onmisbare schakel vormt voor het toekomstig natuurbeheer in Nederland. Ik ben echter niet blind voor het signaal van het RLI-rapport. De effectiviteit zal versterkt moeten worden. Ik heb uw Kamer recent geïnformeerd over het nieuwe stelsel van agrarisch natuurbeheer.
Bent u bereid om de aanbevelingen en conclusies van het advies te betrekken bij de natuurvisie en de nieuwe natuurwet? Zo ja, kunt u aangeven op welke wijze u de uitkomsten hierbij gaat betrekken?
Zie antwoord vraag 2.
Haaien als attractie in een club |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Haaien nieuwe attractie op Arnhemse Korenmarkt»?1
Ja.
Is het waar dat er plannen zijn voor een permanent aquarium met haaien in een club in Arnhem? Zo ja, wat vindt u ervan dat twee haaien opgesloten worden in een aquarium van 5,5 bij 2 meter ter vermaak en het aantrekken van bezoekers? Deelt u de mening dat (het risico op) aantasting van het welzijn van dieren niet te verantwoorden is voor dergelijke doelen?
Er bestaan plannen voor een aquarium in een club in Arnhem. Bij navraag bleek dat het aquarium een omvang krijgt van 500 cm lengte, 90 cm diepte en 130 cm hoogte. In het aquarium worden enkele gekweekte kleine haaiensoorten en groupersoorten van circa 30 cm lengte gehouden. Mogelijk komen daar nog enkele vissoorten bij. Het hangt van de inrichting van het aquarium en de directe omgeving ervan af of de natuurlijke leefomgeving benaderd wordt.
Het is mogelijk dat in een omgeving met een hoge geluidsdruk het geluid wordt overgedragen naar het zeewater in een aquarium. Het is bekend dat geluiden vissen, haaien en roggen kunnen verstoren. Dit kan ook het geval zijn met bepaalde geluidsfrequenties, zoals die voorkomen in een bar/dancing, trillingen veroorzaakt door dansende mensen en het gebruik van licht. Wanneer deze drie factoren zich tegelijkertijd voordoen is het mogelijk dat de dieren in een aquarium te veel worden belast en dat de biologische klok van de vissen wordt verstoord.
Het welzijn en de gezondheid van dieren in allerlei situaties wordt beschermd door artikel 36, lid 1, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen. Mocht dit aan de orde zijn dan behoort een aquarium als aankleding van de ruimte wat mij betreft niet tot de categorie redelijke doelen. Op dit moment doet de situatie zich echter nog niet voor in de betreffende club. Ik heb de NVWA verzocht hiernaar nader onderzoek te doen.
Wat is de rol van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) als een dergelijk plan naar buiten komt? Is het waar dat er vooraf geen toetsing plaatsvindt op het welzijn van de dieren? Zo neen, hoe zit het dan?
De dierenwelzijnswetgeving kent, met uitzondering van het Dierentuinenbesluit, geen bepalingen waar toetsing van dergelijke plannen vooraf is voorgeschreven. Het Dierentuinenbesluit is in dit geval niet van toepassing. Wanneer een dergelijk plan naar buiten komt, maar niet is uitgevoerd, is er derhalve op dat moment nog geen rol voor de NVWA. Dit is wel het geval op het moment dat plannen worden gerealiseerd.
Kunt u bevestigen dat haaien gevoelig zijn voor geluid en gestresst kunnen raken in een klein aquarium in de omgeving van een club? Deelt u de mening dat een aquarium in een club geen natuurlijke leefomgeving is voor dieren en dit ook nooit zal worden? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de plannen om haaien te gebruiken als attractie tegen te houden? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het houden van haaien als gezelschapsdieren in de toekomst te verbieden via de positieflijst waar de Kamer om heeft gevraagd? Wanneer kan de Kamer uw voorstel voor de positieflijst verwachten?
Op 19 juni jl. is een brief over de positieflijst over te houden zoogdieren naar de Tweede Kamer gestuurd, waarnaar ik kortheidshalve wil verwijzen.
De privacybestendigheid van de anonieme ov-chipkaart |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe verhouden uw antwoorden op eerdere vragen met betrekking tot de anonieme OV-chipkaart zich tot de uitspraak van het College Bescherming Persoonsgegevens dat het hier mogelijk toch om persoonsgegevens gaat?1
In mijn beantwoording van 14 mei 2013 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nummer 2229) heb ik aangegeven dat TLS geen persoonsgegevens heeft van de kaarthouder in de zin dat er door TLS een relatie gelegd kan worden tussen een persoon en het inzicht in waar een kaart is geweest. Bij het aanvragen van een account voor een anonieme OV-chipkaart registreert TLS geen gegevens van de houder, zoals naam, adres en woonplaats (NAW-gegevens). Zoals gesteld in de brief hoeft bovendien de houder van een anonieme kaart niet degene te zijn die gereisd heeft met de kaart.
In het artikel waarnaar u verwijst gaat het College bescherming persoonsgegevens (CBP) in op de vraag of transactiegegevens persoonsgegevens op kan leveren en op dit punt heeft TLS bevestigd dat ze het eens zijn met het standpunt van het CBP.
Bent u bekend met het artikel «Unique in the Crowd: The privacy bounds of human mobility»2, dat concludeert dat ook zeer ruwe locatiegegevens in een groot deel van de gevallen zijn te herleiden tot personen en daarmee persoonsgegevens zijn? Wat is uw reactie hierop?
Ik deel de mening van het CBP dat transacties van een anonieme kaart persoonsgegevens kunnen zijn. Omdat verschillende personen met dezelfde anonieme OV-chipkaart kunnen reizen, zijn de transacties echter niet per se herleidbaar naar één persoon.
Heeft u inzicht in het aantal anonieme kaarten dat door meerdere mensen wordt gebruikt? Zo ja, om welk percentage van het totaal aantal kaarten gaat het? Worden de meeste anonieme kaarten niet door één persoon gebruikt?
Op dit moment zijn 12,7 miljoen OV-chipkaarten actief in Nederland. Hiervan zijn 7,7 miljoen persoonlijke kaarten en 5 miljoen anonieme OV-chipkaarten. TLS weet hoe vaak een anonieme kaart wordt gebruikt, maar weet niet wie die anonieme kaarten aanschaffen. Daarmee is ook niet bekend of en hoe vaak anonieme kaarten door verschillende reizigers worden gebruikt. Wel is bekend dat het als een voordeel wordt gezien dat een anonieme kaart niet aan een bepaalde persoon is gebonden. Vooral voor reizigers die incidenteel reizen, voor gezinnen en voor het meenemen van bezoekers door reizigers is het handig.
Deelt u de mening dat de kaartgegevens van de anonieme OV-chipkaart die benodigd zijn om de reisgegevens in te zien, zeer eenvoudig zijn te achterhalen, door in een onbewaakt ogenblik deze gegevens van de kaart van een vriend(in), collega, kind, etc. te noteren?
De kaartgegevens die nodig zijn om een online transactieoverzicht voor een anonieme kaart aan te vragen, staan op de kaart vermeld. Dit zijn een 16-cijferig kaartnummer en een einddatum. Bij het ontwikkelen van deze dienstverlening, waarop door consumentenorganisaties is aangedrongen, heeft TLS het reizigersgemak voorop gesteld. Met het online transactieoverzicht zijn de reisgegevens van de kaart in te zien. Hiermee heeft de kaarthouder de mogelijkheid zijn transacties te controleren, kan de kaarthouder een overzicht maken voor declaratiedoeleinden of voor belastingaangifte.
Alleen het strikt noodzakelijke wordt gevraagd om een account aan te maken. Ik ben voorstander van een laagdrempelige manier van dienstverlening, zolang de privacyrichtlijnen maar niet worden overschreden.
TLS respecteert de anonimiteit van de kaarthouder, door niet de NAW-gegevens op te vragen. Het is bovendien de vraag of het wenselijk is om grote reizigersaantallen te belasten met extra handelingen of beperkingen om te voorkomen dat een enkeling ongeautoriseerd door de kaarthouder zich gegevens toe-eigent met het doel om de kaarthouder te bespioneren. Bovendien ontbreekt het deze derde, zoals eerder gesteld, aan de zekerheid dat de reizen door de houder zelf zijn gemaakt.
Bent u er mee bekend dat het vrij makkelijk is om lukraak kaartnummers en vervaldata van willekeurige anonieme kaarten te achterhalen, doordat er een bepaalde getallenreeks tussen de kaartnummers zit? Is het mogelijk dat een computer hiermee alle reisgegevens van anonieme kaarten kan achterhalen?
TLS heeft mij laten weten dat het alleen mogelijk is kaartnummers te achterhalen als bekend is hoe het kaartnummer opgebouwd is en op welke dag de kaart geproduceerd is. Dit is informatie die zeker niet algemeen beschikbaar en dus bekend is. Als deze gegevens bekend zijn, kan een online transactieoverzicht voor een anonieme kaart aangevraagd worden. De reistransacties van de kaart zijn dan zichtbaar, maar het is niet bekend wie met de betreffende kaart heeft gereisd.
Deelt u de mening dat juist mensen met een anonieme OV-chipkaart waarde hechten aan privacy en voor hen de persoonlijke OV-chipkaart geen alternatief is?
Zoals in antwoord 3 staat zijn er 5 miljoen anonieme OV-chipkaarten in omloop. Ik heb geen inzicht hoeveel van deze kaarten toebehoren aan mensen voor wie de persoonlijke OV-chipkaart geen alternatief is vanwege de privacy.
Maar juist omdat er mensen zijn met een anonieme kaart die veel waarde hechten aan privacy heeft TLS voor de optie gekozen om geen NAW-gegevens te vragen bij het registreren van een account om het online transactieoverzicht aan te vragen. TLS stelt de privacy van houders van persoonlijke kaarten te respecteren en zorgvuldig om te gaan met deze persoonlijke gegevens.
Deelt u de mening dat echt anoniem reizen met de OV-chipkaart hierdoor niet mogelijk is, omdat in het ene geval de reisgegevens aan persoonsgegevens verbonden worden en in het andere geval de reisgegevens zeer eenvoudig zijn na te gaan?
Met het online transactieoverzicht zijn bij een anonieme kaart de reisgegevens van een kaart in te zien. Deze functionaliteit is gerealiseerd op verzoek van consumentenorganisaties. Voor het aanvragen van een account zijn met het oog op het borgen van anonimiteit en het klantgemak geen NAW-gegevens vereist. Uit het online transactieoverzicht blijkt niet wie met de kaart gereisd heeft. Zie verder ook het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid alsnog stappen te nemen om de reisgegevens van een anonieme OV-chipkaart beter te beschermen?
Sinds de introductie van het transactieoverzicht van anonieme kaarten in december 2012 hebben bijna 60.000 mensen zich geregistreerd om een online transactieoverzicht voor een anonieme OV-chipkaart aan te vragen. Ook na publicatie van het artikel in NRC Next en het artikel op nu.nl ziet TLS geen terugval in het aantal aanmeldingen en zijn er geen klachten binnengekomen. Ook is er geen sprake van mensen die hun account weer verwijderen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een duidelijke behoefte is aan deze dienstverlening van TLS.
Toezicht op de naleving van de privacywetgeving is niet bij mij belegd maar bij het CBP als onafhankelijke toezichthouder. Wel hecht ik eraan dat privacyrichtlijnen niet overschreden worden. Het is echter aan het CBP om te bepalen of en zo ja waarnaar het onderzoek wil doen. In vraag 1 verwijst u naar mijn brief van 14 mei 2013. Ik heb daarin aangegeven geen noodzaak te zien stappen te nemen om de privacybestendigheid van de anonieme OV-chipkaart te vergroten. Ik heb op dit moment geen aanleiding van standpunt te veranderen.
Het bericht ‘vervolging om fraude met scharreleieren’ |
|
Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin staat dat er eieren verkocht zijn als scharreleieren zonder dat was voldaan aan de daarvoor gestelde norm van bijvoorbeeld vloeroppervlakte voor de kippen?1
Ja.
Kunt u aangeven op welke wijze de controle op de echtheid van de keurmerken tot stand komt? Acht u deze werkwijze afdoende? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De handelsnormen voor kooi-, scharrel- en vrije uitloopeieren, zoals vastgelegd in de Europese handelsnormenverordening, bepalen aan welke voorschriften de betreffende houderijsystemen dienen te voldoen. Een deel van de voorschriften van deze handelsnormen, zoals de bezettingsdichtheid, is gekoppeld aan de welzijnsregelgeving voor legpluimveehouderijen in het Legkippenbesluit 2003.
De Nederlandse Controle Autoriteit Eieren (NCAE) (onderdeel van het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ) controleert als publiekrechtelijke toezichthouder ingevolge de Wet dieren de handelsnormen voor kooi-, scharrel- en vrije uitloopeieren. De NCAE controleert minimaal één keer per jaar elk legpluimveebedrijf. Wanneer een legpluimveebedrijf deelneemt aan het private kwaliteitsysteem IKB-Ei controleert de NCAE één keer per drie jaar. De controles vinden onaangekondigd plaats. Per stal controleert de NCAE of het aantal legkippen aan de hand van de afleveringsformulieren overeenkomt met het maximaal aantal legkippen dat volgens het stalmetingsrapport aanwezig mag zijn. Dit rapport geeft aan hoeveel legkippen op basis van de afmetingen van de stal en de wettelijke eisen ten aanzien van de bezettingsdichtheid in de betreffende stal mogen worden gehouden.
Het op fysieke wijze exact vaststellen van het aantal legkippen in scharrel- en vrije uitloopstallen, waar grote aantallen dieren vrij rondlopen in de stallen, is praktisch gezien niet mogelijk. De NCAE controleert de bezettingsdichtheid op basis van de administratie, waarin de legpluimveehouder verplicht is een aantal gegevens te registreren. Het gaat hierbij onder andere om het aantal aanwezige leghennen, de registratie van de dagelijkse eiproductie, de hoeveelheid afgeleverde eieren en contactgegevens van de afnemers.
Sanctionering van overtredingen van de handelsnormen kan plaatsvinden via tuchtrecht of strafrecht. De NCAE heeft geen bevoegdheid voor het verrichten van opsporingsonderzoek. Dit is een bevoegdheid van de NVWA.
Stichting Skal controleert als publiekrechtelijke toezichthouder op basis van de Landbouwkwaliteitswet of het keurmerk voor biologische eieren voldoet aan de voorschriften van de biologische regelgeving. Skal controleert minimaal één keer per jaar elk biologisch legpluimveebedrijf. De controles vinden zowel onaangekondigd als aangekondigd plaats. Tijdens de jaarlijkse controle wordt nagegaan of de afzet van het geregistreerde aantal biologische eieren mogelijk is met het aantal opgezette legkippen volgens de afleveringsformulieren, de aangekochte hoeveelheid veevoer en de mestproductie. Bij vermoedens van overbezetting wordt de administratie opgevraagd en verricht Skal aanvullend onderzoek of het aantal afgeleverde eieren overeenkomt met de door de afnemer geregistreerde aanvoer van de eieren. Vanwege de voorwaarde dat biologische leghennen in compartimenten van 3.000 dieren moeten worden gehouden, is een forse overbezetting visueel zichtbaar. Sanctionering van overtredingen van de normen uit de biologische regelgeving vindt plaats via tuchtrecht of strafrecht.
Mijn vertrekpunt is dat de pluimveehouder primair verantwoordelijk is voor het voldoen aan de wettelijke normen voor de bezetting en het aantal dieren in de stallen. Frauderende ondernemers, die zich niet aan de regels houden, kunnen op een harde aanpak rekenen. Dit schaadt het consumentenvertrouwen en brengt de goede naam van Nederland als pluimveeproductie- en exportland in gevaar.
Naar aanleiding van het nog lopende onderzoek naar fraude met eieren wordt het toezicht in de eierketen op dit moment nader geanalyseerd en wordt nagegaan welke mogelijkheden er zijn om de huidige gehanteerde toezichtsystematiek op de bezettingsdichtheid op legpluimveebedrijven te versterken. Uitgangspunt hierbij is of de feitelijke bezettingsdichtheid op deze bedrijven overeenkomt met de administratie. Ik zal uw Kamer over de resultaten informeren.
Kan het zijn dat dergelijke fraude met scharreleieren ook in andere sectoren voorkomt, bijvoorbeeld bij scharrelvlees van varkens? Zo nee, waarom niet? Op welke wijze vindt de controle hierop plaats? Acht u deze werkwijze afdoende? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
In andere sectoren zoals de varkenshouderij is het risico op fraude gering omdat de dieren in veel kleinere groepen worden gehouden dan in de pluimveestallen. Het aantal dieren in de stallen kan bij controles door de betreffende toezichthouders fysiek worden gecontroleerd.
Voor de productie van scharrelvarkensvlees gelden geen wettelijke normen. Er is een aantal private stelsels met productie voorwaarden voor scharrelvarkensvlees, waaronder het Beter Leven kenmerk van de Dierenbescherming. De controles in het kader van het Beter Leven kenmerk vinden plaats door geaccrediteerde Certificerende Instellingen, die ook betrokken zijn bij de controles van private kwaliteitsystemen (IKB). Deze instellingen voeren jaarlijks bij de deelnemende veehouderijbedrijven een controle uit van de productievoorwaarden van het Beter Leven kenmerk, waaronder de bezettingsdichtheid. Wanneer bij deze controle geen afwijkingen zijn geconstateerd wordt het Beter Leven certificaat afgegeven voor een periode van één jaar. In het kader van het toezicht op de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (onderdeel Stimuleringsregeling diervriendelijk produceren) voert de NVWA jaarlijks een audit uit van het Beter Leven kenmerk.