Het bericht ‘Mantelzorgers mishandelen uit stress’ |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mantelzorgers mishandelen uit stress»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen2 over de toename van het aantal meldingen van ouderenmishandeling?
Ja.
Deelt u inmiddels de mening dat het risico op ouderenmishandeling toeneemt naarmate ouderen langer thuis blijven wonen, omdat mantelzorgers het steeds zwaarder krijgen vanwege uw beleid? Zo nee, waarom niet?
Nee.
De rol van mantelzorgers en vrijwilligers bij ondersteuning van mensen in hun omgeving wordt weliswaar groter, maar dit betekent niet automatisch dat het risico op ouderenmishandeling toeneemt. Een belangrijke rol speelt hierbij of tijdig goede ondersteuning aan een mantelzorger wordt geboden zodat hij of zij het op een goede manier kan volhouden.
In mijn brief van 20 juli jl. aan uw Kamer geef ik aan dat daarvoor van belang is dat op een andere wijze wordt gekeken naar de ondersteuning van de mantelzorger.3 Ingeval de gemeente niet meer afzonderlijk maar integraal en met enige regelmaat de situatie van de cliënt en die van de mantelzorger beziet, kan aan beiden ondersteuning op maat worden geboden. Dit zorgt ervoor dat de belastbaarheid van de mantelzorger goed in het oog wordt gehouden en dat overbelasting zoveel mogelijk wordt voorkomen. Daarnaast is van belang dat de professional in zijn zorg- en ondersteuningsaanbod rekening houdt met de hulpvragen van een mantelzorger. In voornoemde brief zet ik uiteen hoe ik door middel van drie speerpunten – versterken van de positie van de mantelzorger (o.a. in de nieuwe Wmo), verlichten van de mantelzorger en beter verbinden van de informele en formele zorg en ondersteuning – wil bevorderen dat dit in de praktijk gestalte krijgt.
Verder wil ik u wijzen op mijn brief van 15 juli jl. waarin ik uw Kamer, mede namens de minister en staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bericht over de voortgang van de rijksbrede aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties.4 In het kader van het daarin opgenomen Actieplan «Ouderen in veilige handen» start ik een onderzoek naar hoe de aanpak van «ontspoorde» mantelzorg kan worden verbeterd. In de eerstvolgende voortgangsbrief, naar verwachting dit najaar, bericht ik uw Kamer over de voortgang van het onderzoek.
Hoe denkt u overbelasting van mantelzorgers tegen te gaan terwijl u tegelijkertijd fors snijdt in ondersteuning zoals huishoudelijke hulp en dagbesteding?
Door bij het organiseren van begeleiding en ondersteuning meer oog te hebben voor de positie van mantelzorgers kan overbelasting vaak worden voorkomen. Die aandacht kan variëren van het goed rekening houden met wat een mantelzorger wel en niet kan tot en met het regelen van respijtzorg.
Momenteel werk ik samen met de VNG aan een handreiking respijtzorg die gemeenten inzicht verschaft in hoe ze deze tijdelijk «vervangende» zorg kunnen vormgeven en in welke gevallen het uitkomst kan bieden.
Denkt u echt dat gemeenten in staat zullen zijn om mantelzorgers respijtzorg te bieden terwijl u de gemeenten opzadelt met een miljardenbezuiniging?
Zie antwoord vraag 4.
Files door flitsteams |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
|
|
|
Wat vindt u er van dat een snelheidscontrole op de A13, tussen Den Haag en Rotterdam, heeft gezorgd voor een file van 10 kilometer?1 Bent u er van op de hoogte dat het veel vaker voorkomt dat files ontstaan door flitsteams?2
Het ontstaan van files als gevolg van snelheidscontroles acht ik onwenselijk, daarom is het streven er voortdurend op gericht de hinder voor weggebruikers zo veel mogelijk te voorkomen.
De politie houdt de mobiele verkeerscontroles in algemene zin met het primaire doel om te controleren of men zich aan de ter plaatse toegestane snelheid houdt.
Daarnaast worden deze controles ook benut te behoeve van de opsporing. Aan de hand van kentekens wordt gecontroleerd of auto’s gesignaleerd staan bijvoorbeeld omdat ze gestolen zijn.
Ook in de specifieke situatie op de A13 was er sprake van een controle niet alleen gericht op snelheid. Bij aanvang van de controle stond op die locatie overigens al een file, die (mede) door de aanwezigheid van de controle niet oploste. Deze controle had eerder afgebroken moeten worden.
Wat heeft het voor nut om te blijven flitsen als automobilisten toch niet harder gaan dan 50 km/h?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom komt u uw belofte niet na dat een snelheidscontrole direct wordt beëindigd als blijkt dat die een file veroorzaakt?
De snelheidscontrole wordt direct beëindigd als blijkt dat die een file veroorzaakt.
Wanneer de politie tijdens een snelheidscontrole constateert dat de betreffende controle een file veroorzaakt wordt de controle (tijdelijk) opgeheven. Wanneer in de verkeerscentrales van Rijkswaterstaat een file wordt opgemerkt, die veroorzaakt wordt door een snelheidscontrole wordt de politie verzocht deze controle (tijdelijk) op te heffen.
Bent u bereid om voortaan direct te stoppen met flitsen als er een file dreigt te ontstaan? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De berichtgeving dat militairen bij het ‘grofvuil’ worden gezet |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat militairen bij het «grofvuil» worden gezet?1
Ja.
Klopt het dat honderden militairen en burgers door Defensie ontslag aangezegd hebben gekregen met een automatisch uitgedraaide, anonieme ontslagbrief, waarop namen van een contactpersoon of een handtekening ontbreken?
In de periode van 1 juli 2012 tot 1 juli 2013 hebben 64 defensiemedewerkers een brief gehad omdat zij vanwege overtolligheid worden ontslagen. Deze brief wordt opgesteld als gevolg van het ontslagbesluit dat door de leidinggevende is genomen. Aangezien de uit de rechtspositie voortvloeiende tekst van een dergelijke brief in vrijwel alle gevallen identiek is hanteert Defensie standaard ontslagbrieven die automatisch worden opgesteld door het Dienstencentrum Human Resources (DC HR). Om technische redenen was ondertekening van aanstellings- en ontslagbrieven aan militairen pas mogelijk sinds mei jongstleden. Aanstellings- en ontslagbrieven aan burgers zullen naar verwachting vanaf 1 oktober a.s. worden ondertekend.
Aan het ontslag gaat een langdurig traject vooraf waarin de persoonlijke benadering voorop staat, zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 4.
In de ontslagbrief wordt voor een nadere toelichting verwezen naar de P&O-adviseur van de desbetreffende medewerker met wie reeds intensief contact is geweest. Daarnaast worden de contactgegevens van het DC HR standaard opgenomen in de brief.
Klopt het dat de vakbonden in het recente verleden al vaker aandacht gevraagd hebben voor de anonieme wijze waarop Defensie meent afscheid te moeten nemen van personeel en dat hierover door Defensie toezeggingen gedaan zijn die nu niet blijken te zijn nagekomen? Zo ja, wat is hiervan de reden?
De centrales van overheidspersoneel hebben al eerder aandacht gevraagd voor de automatisch gegenereerde ontslagbrieven. De technische realisatie van de ondertekening van ontslagbrieven heeft helaas echter langer geduurd dan Defensie had voorzien.
Heeft u begrip voor het verdriet, de woede en de verbijstering onder militairen die soms al twintig of dertig jaar bij Defensie werken, die voor vele missies ingezet zijn, en nu een anonieme ontslagbrief op de deurmat hebben gekregen?
Ik heb begrip voor de emoties die het ontslag bij de betrokken defensiemedewerkers teweegbrengt. Het gaat vaak om mensen die zich jarenlang voor Defensie hebben ingezet en die zich intensief verbonden voelen met de krijgsmacht. Gezien de noodzakelijke, ingrijpende reorganisaties is gedwongen ontslag helaas onvermijdelijk. Het ontslag is de uitkomst van een lang traject waarin de betrokken defensiemedewerker meerdere gesprekken voert met zijn leidinggevende, zijn P&O-adviseur en de adviseur van de Begeleidings- en Bemiddelingsorganisatie (BBO). Het gesprek met de leidinggevende staat vooral in het licht van het afscheid nemen van het eigen onderdeel. Met de adviseur van de BBO spreekt de medewerker over het vinden van ander werk.
Bij ontslag wordt in alle gevallen door de leidinggevende bezien hoe op passende wijze afscheid van de medewerker kan worden genomen.
Hoe heeft dit kunnen gebeuren, zeker gezien het feit dat er al geruime tijd van tevoren bekend was dat deze ontslagrondes zouden komen? Hebben bezuinigingsoverwegingen een rol gespeeld bij de automatische wijze van het verzenden van ontslagbrieven?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze kille, onpersoonlijke gang van zaken onverteerbaar is?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen gaat u nemen om in het vervolg op een gepastere wijze afscheid van personeel te nemen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wilt u voorzien in een passend afscheid voor de langst dienenden?
Zie antwoord vraag 4.
De betrokkenheid van Shell bij een grote brand in Bodo, Nigeria |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het persbericht «Wider investigation into Shell’s Nigeria operation needed after arrest of contractors»1, waarin wordt belicht dat er dringend behoefte is aan een onderzoek naar de werkwijze van Shell in Bodo, Nigeria?
Het door Shell ingestelde onderzoek naar de brand in Bodo richt zich op de aanleiding, oorzaken en afwikkeling van het incident. Het onderzoeksteam kijkt hierbij ook naar de mogelijke betrokkenheid van (onder-) aannemers en van eenheden van politie en leger. Een vertegenwoordiger van de door u genoemde overkoepelende milieu-NGO «National Coalition On Gas Flaring and Oil Spills in the Niger Delta» (NACGOND) maakt deel uit van het onderzoeksteam. NACGOND heeft tegenover de Nederlandse ambassadeur verklaard dat naar haar oordeel de onafhankelijkheid van het interne Shell-onderzoek is gewaarborgd.
Het is aan de Nigeriaanse overheid al dan niet een aanvullend onderzoek naar dit incident in te stellen. Indien de Nigeriaanse overheid bij een eventueel onderzoek informatie over Nederlandse (rechts)personen nodig heeft, kan zij daartoe een rechtshulpverzoek indienen bij de Nederlandse autoriteiten.
Deelt u de mening van Amnesty International en Nigerian National Coalition on Gas Flaring and Oil Spills dat een onafhankelijk onderzoek noodzakelijk is naar zowel de oorzaken van de recente brand in Bodo als de gebeurtenissen de dagen voor de brand in Bodo, nu blijkt dat acht aannemers van Shell zijn gearresteerd door de Nigeriaanse Veiligheidsdienst? Bent u daarnaast van mening dat slechts een onderzoek uitgevoerd door Shell niet volstaat gezien het feit dat haar eigen aannemers zijn gearresteerd?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om de Nigeriaanse overheid aan te sporen tot het laten uitvoeren van een onafhankelijk onderzoek naar zowel de oorzaken van de brand in Bodo als de gebeurtenissen de dagen voor de brand in Bodo? Op welke wijze kunt u bijdragen aan het onderzoeken van de problemen in Bodo gezien de mogelijke betrokkenheid van een Nederlands bedrijf?
Zie antwoord vraag 1.
Tijdens het algemeen overleg Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) op 7 maart 2013 heeft u laten weten dat u blijft hameren op de uitvoering van de aanbevelingen van het VN-milieuprogramma (UNEP) richting alle betrokken partijen; welke stappen heeft u hiertoe reeds gezet? Wat heeft dit tot nu toe opgeleverd?
De Nederlandse ambassade in Nigeria heeft sinds het uitbrengen van het UNEP-rapport nauw contact met de Nigeriaanse overheid (op federaal en deelstaatniveau), andere betrokken overheidsorganisaties, Shell/SPDC, UNEP en milieu-NGO’s over de aanpak van de in dat rapport gesignaleerde problemen. De Nigeriaanse overheid is voornemens in de tweede helft van 2013 een «masterplan» uit te brengen om uitvoering te geven aan de aanbevelingen uit het UNEP-rapport. Op mijn uitnodiging heeft de uitvoeringsorganisatie Hydrocarbon Pollution Restoration Project (HYPREP) in januari van dit jaar een bezoek gebracht aan Nederland. HYPREP is van plan enkele Nederlandse deskundigen bij de totstandbrenging van het plan te betrekken. Ondertussen heeft de Nederlandse ambassade vanaf maart 2013 in samenwerking met NACGOND de haalbaarheid van een bemiddelingsproces tussen de Bodo-gemeenschap, Shell/SPDC en de lokale overheid verkend, met als resultaat dat dit proces medio augustus van start gaat.
Heeft u reeds een reactie van de Nigeriaanse overheid ontvangen op uw aanbod voor technische assistentie voor de versterking van het toezicht op de olie- en gassector? Zo ja, wat zijn de ontwikkelingen en verwachtingen? Staat er inmiddels een missie naar Nigeria gepland van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen om deze impasse te doorbreken?
Ondanks herhaaldelijk verzoek om een reactie en in tegenstelling tot eerder gedane toezeggingen van Nigeriaanse kant, is de minister van Oliezaken nog niet ingegaan op het aanbod. Inmiddels ga ik er van uit dat de Nigeriaanse overheid voorlopig geen gebruik wenst te maken van het aanbod.
De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake levenslang |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) tegen het Verenigd Koninkrijk waarin het EHRM bepaalt dat levenslange gevangenisstraf in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM)?1
Ja.
Heeft deze uitspraak consequenties voor de wijze waarop Nederland moet omgaan met levenslanggestraften? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u uitvoering geven aan de zienswijze van het EHRM op levenslanggestraften?
Ik heb de uitspraak van het Europees Hof goed bestudeerd. Een analyse van de uitspraak treft u in de bijlage bij deze beantwoording aan.2
Kent u de Stichting Forum Levenslang?2
Ja.
Deelt u de mening van de stichting dat gedurende de levenslange gevangenisstraf er een moment moet zijn dat de rechter opnieuw kijkt naar de gedetineerde en de levenslange gevangenisstraf die eerder is opgelegd?
Ik deel de mening van de stichting dat gedetineerden een perspectief op invrijheidstelling moeten hebben. In mijn analyse van de uitspraak, die u als bijlage bij deze antwoorden aantreft4, leest u dat dit perspectief naar mijn mening in Nederland, met de mogelijkheid tot gratie, ook aanwezig is.
Zoals ik in de antwoorden op Kamervragen van het lid Schouw (D66) over de wijze waarop Nederland invulling geeft aan de levenslange gevangenisstraf (Kamerstukken II 2011–2012, Aanhangsel, nr. 676) heb aangegeven, is het opleggen van de levenslange gevangenisstraf in ons rechtssysteem alleen mogelijk voor de ernstigste misdrijven, zoals moord, terroristische misdrijven en misdrijven tegen de veiligheid van de staat. Voor de misdrijven waarop in het Wetboek van Strafrecht levenslange gevangenisstraf is gesteld, kan de rechter ook de maximale tijdelijke gevangenisstraf opleggen. Het is de rechter die afweegt of de ernst van de feiten en de omstandigheden rechtvaardigen dat de levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd, of een tijdelijke (maximale) gevangenisstraf. Dit betekent echter niet dat er geen enkel perspectief op vrijlating is. Levenslanggestraften kunnen immers ook in aanmerking komen voor gratie.
Door deze mogelijkheid kent Nederland een wettelijke regeling als gevolg waarvan een door de rechter opgelegde levenslange gevangenisstraf kan worden verkort.
Deelt u de mening van de stichting dat gedetineerden perspectief op invrijheidstelling moeten hebben en dat het inhumaan is als dit perspectief gedetineerden niet wordt geboden? Zo ja, bent u van mening dat een gratieverzoek voldoende perspectief kan bieden om te voldoen aan de kritiek van het EHRM? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Is gratie in Nederland een voldoende effectief middel? Zo ja, hoe vaak is in de afgelopen tien jaar een gratieverzoek gehonoreerd? Zo nee, waarom niet en wat moet daaraan veranderen?
Gratie is zeker een effectief middel. Zo zijn in 2013 in de maanden januari tot en met augustus in totaal 1.075 gratieverzoeken ingediend. Er zijn 1.019 gratiebeslissingen genomen in deze periode. In 147 gevallen is er onvoorwaardelijke gratie verleend, in 51 gevallen is er voorwaardelijke gratie verleend. 329 gratieverzoeken zijn afgewezen, en 492 verzoeken zijn buiten behandeling gesteld.
In de afgelopen tien jaar is eenmaal een gratieverzoek van een levenslanggestrafte ingewilligd.
Deelt u de mening dat bij de afweging of een levenslanggestrafte gratie moet worden verleend altijd het belang van het slachtoffer moet worden meegewogen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. Dit is overigens ook de praktijk. Gratieverzoeken worden conform de door de Gratiewet voorgeschreven procedure afgehandeld. Aan de hand van de adviezen van de rechterlijke macht en het openbaar ministerie wordt op basis van de individuele omstandigheden van de levenslanggestrafte en met inachtneming van maatschappelijke belangen en de belangen van slachtoffers en nabestaanden op het gratieverzoek beslist.
Heeft u contact met de Stichting Forum Levenslang (gehad)? Zo ja, wanneer was dat en wat heeft dit opgeleverd?
Ja, ambtenaren van mijn ministerie hebben contact met de Stichting Forum Levenslang. In juli 2012 heeft het laatste overleg plaatsgevonden. Tijdens dit overleg is onder andere van gedachten gewisseld over de aparte afdelingen voor levenslanggestraften (Kamerstukken II 2011–2012, 24 587, nr. 464).
De uitspraken van een internist over het medisch beroepsgeheim en vreemdelingen |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de politie de rechten van vreemdelingen schendt op de Spoedeisende Hulp?1 Handhaaft u ondanks dit bericht uw antwoorden van 17 juni 2013 op eerdere vragen?2 Zo ja, waarom? Zo nee, op welke wijze zou u op dit moment de vragen hebben beantwoord?
In elke eenheid van de politie zijn afspraken gemaakt tussen medische instellingen in dat gebied, de politie en het Openbaar Ministerie. In veel gevallen is ook een medisch convenant getekend. Ook hebben de instellingen contactpersonen aangewezen. Deze afspraken worden periodiek geëvalueerd. Waar de gemaakte afspraken onvoldoende worden nageleefd, dienen deze in het gesprek tussen de instellingen, de politie en het OM aan de orde te komen. Zolang deze afspraken en de onderlinge evaluatie goed wordt uitgevoerd deel ik niet de vrees dat personen zich belemmerd zullen voelen in het zich uiten jegens artsen. Ik deel niet de opvatting dat er sprake is van structurele problematiek.
Of het handelen van de betrokken medewerkers in deze specifieke casus professioneel is geweest hangt mede af van de concrete beoordeling van de omstandigheden van het geval. Met de auteur van het artikel zal contact worden opgenomen. Indien immers afspraken onvoldoende zijn nagekomen, is het van belang om hierover goed in gesprek te zijn, teneinde te bezien of en zo ja waar verbetering nodig is.
Kunt u reageren op de drie casussen? Gaat u onderzoek doen naar de wijze waarop hier is omgegaan met de rechten van de patiënt en het medisch beroepsgeheim?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat wekelijks door de politie de eigen afspraken met ziekenhuizen worden overtreden? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke wijze wordt er dan uitvoering gegeven aan de betreffende convenanten en de handreiking «Beroepsgeheim en politie/justitie» van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG)?
Zie antwoord vraag 1.
Welke concrete gevallen leiden volgens u tot schending van het medisch beroepsgeheim? Is dit in lijn met de convenanten die met de ziekenhuizen zijn afgesloten en met de KNMG-handreiking «Beroepsgeheim en politie/justitie»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat agenten en medewerkers van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) geen beroepsgeheim hebben en dat dit ertoe kan leiden dat medische gegevens van zieke vreemdelingen vroeg of laat openbaar kunnen worden? Kunt u toelichten wat er precies met de medische gegevens gebeurt en hoe u eventuele openbaring en daarmee privacyschending zult voorkomen?
De medewerkers van DV&O dragen zorg voor bewaking en hebben een algemene zorgplicht tijdens het ziekenhuisbezoek. Ook zij hebben een geheimhoudingsplicht. Zij zijn op grond van artikel 125a lid 3 van de Ambtenarenwet verplicht de informatie, waarvan zij bij de uitoefening van hun functie kennisnemen, geheim te houden. Hoewel deze geheimhoudingsplicht een andere wettelijke basis heeft dan de geheimhoudingsplicht van de hulpverleners in de gezondheidszorg, die geregeld is in de artt. 7:457 BW en 88 Wet BIG, brengt ook deze geheimhoudingsplicht mee dat de DV&O-medewerkers de medische gegevens waarvan zij eventueel kennisnemen, niet aan derden mogen verstrekken. Na het ziekenhuisbezoek communiceert alleen de specialist in het ziekenhuis met de medische professionals van de betreffende inrichting. Op deze wijze wordt openbaarmaking van medische gegevens en privacyschending van vreemdelingen voorkomen.
Deelt u de vrees van artsen dat zieke asielzoekers en vreemdelingen wegens wantrouwen jegens autoriteiten niet snel vrijuit zullen praten, wat onwenselijk is voor de medische behandeling? Zo ja, welke consequenties trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te bekijken of het mogelijk is dat er een gemeenschappelijk opleidingsprogramma voor politie en medici komt over het medisch beroepsgeheim en bijbehorend belangenconflict? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 1, 2, 3, 4 en 6 deel ik niet de opvatting dat er sprake is van een probleem dat op structurele basis voorkomt. Wel acht ik het van belang dat medische instellingen, de politie en het Openbaar Ministerie in de verschillende eenheden met elkaar in gesprek treden indien door één van de partijen wordt geconstateerd dat afspraken niet worden nagekomen. Ook zal de politie in contact treden met de auteur van het artikel.
Bent u bereid om in overleg te treden met medici en politie over betreffende problematiek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Doodsbedreigingen door gefrustreerde sportgokkers |
|
Mei Li Vos (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Gefrustreerde gokkers achter doodsbedreigingen Haase» en «Gokmaffia loert op de sappelende tennisprof»?1 2
Ja.
Wanneer worden het algemeen onderzoek en het voorbereidend justitieel onderzoek matchfixing naar de Tweede Kamer gezonden?
Het onderzoek naar aard en omvang van matchfixing in Nederland van de Universiteit van Tilburg, Vrije Universiteit en Ernst & Young dat eind januari 2013 van start is gegaan, wordt voor het einde van het zomerreces aan de Tweede Kamer gezonden. Over een voorbereidend onderzoek doe ik – in het kader van het mogelijke opsporingsbelang – geen mededelingen. Het voorbereidend onderzoek kan immers leiden tot een strafrechtelijk onderzoek, dat niet gediend is bij voortijdige openbaarmaking van onderzoeksgegevens.
Maken de in het artikel genoemde praktijken, zoals bedreigingen aan het adres van sporters, onderdeel uit van deze onderzoeken?
In het onderzoek naar matchfixing worden onder andere de verschillende (risico)factoren voor matchfixing beschreven. Bedreigingen aan het adres van sporters zullen dan ook, in algemene zin, onderdeel uitmaken van het onderzoek. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 2.
Komen bedreigingen in deze mate ook voor in andere takken van sport?
Er zijn signalen dat dergelijke bedreigen zich ook in andere takken van sport voordoen. De signalen over de voetbalsport zijn hierin het sterkst, zoals blijkt uit het zwartboek van de Fédération Internationale des Associations de Footballeurs Professionnels (FIFfpro) uit 2012 over Oost-Europa. Maatschappelijk gezien zijn diverse vormen van bedreiging aan het adres van bij het grote publiek bekende personen – met name via digitale middelen zoals email en sociale media- meer prevalent geworden.
Is er naar uw mening voldoende zicht en toezicht op matchfixing en illegaal gokken in deze tak van sport?
Matchfixing en illegaal gokken zijn twee verschillende fenomenen die niet noodzakelijkerwijs met elkaar verbonden zijn. Het onderzoek naar aard en omvang van matchfixing zal een nader beeld geven van het fenomeen matchfixing. Tevens zullen de onderzoekers aanbevelingen doen over de adequaatheid van het huidige instrumentarium tegen matchfixing van zowel de sportwereld zelf als de overheid.
Om de aanpak van illegale kansspelen te verstevigen is op 1 april 2012 de kansspelautoriteit opgericht. De kansspelautoriteit heeft de wettelijke taak meegekregen om de voor haar toepasselijke wet- en regelgeving te handhaven.
Welke extra en eventueel justitiële acties op korte termijn ziet u voor zich en welke bent u bereid te nemen ter bescherming van de sport en de sporters?
Een beleidsreactie op het eerder genoemde onderzoek naar aard en omvang van matchfixing in Nederland, waarmee uw Kamer zal worden geïnformeerd over de huidige en de naar aanleiding van het onderzoek eventueel te nemen maatregelen ter bestrijding van matchfixing door zowel de sportbonden als de overheid, zal op korte termijn aan uw Kamer worden verzonden.
Wat kunnen de internationale tennisbond en de Nederlandse tennisbond extra doen om tennisspelers te beschermen tegen dreigende gokkers en de invloed van goksyndicaten?
De Internationale Tennis Federatie (ITF) heeft sinds 2008 een Tennis Integrity Unit (TIU). De TIU is specifiek gericht op matchfixing. Bedreigingen door gokkers zijn niet per definitie gerelateerd aan matchfixing. Om gokgerelateerde bedreigingen goed te kunnen analyseren, heeft de internationale spelersvakbond ATP recent een deskundige in dienst genomen. Op nationaal niveau heeft de Nederlandse Tennisbond (KNLTB) een voorlichtende en begeleidende rol richting topjeugdspelers, senioren en coaches. De KNLTB adviseert spelers om bij ernstige bedreigingen altijd aangifte te doen bij de politie en de spelersvakbonden ATP/WTA. Tevens ontwikkelt de KNLTB in samenwerking met de ITF voorlichtingsprogramma’s en richtlijnen voor spelers, onder meer over het omgaan met de media en de sociale media.
De Nederlandse sponsoring van een Turks festival in Turkije |
|
Joram van Klaveren (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «WTF? Nederland sponsort Turks festival in Turkije»?1
Ja.
Klopt dit bericht of is het een hoax?
Nederland heeft bijgedragen aan het festival «International Bodrum Carnival» in Bodrum, Turkije.
Bent u bekend met het gezegde «Eṣek hoṣaftan ne anlar»?
Ja.
Indien dit bericht klopt, kunt u dan uitleggen waarom u Nederlands belastinggeld aan een festival in Turkije besteedt? Gaat u dit geld terugvorderen? Bent u zelf een ezel?
Nederland heeft 5.000 euro bijgedragen aan het International Bodrum Carnival in Bodrum, met als doel een Turks en internationaal publiek te laten kennismaken met Nederlandse cultuur. Want mede door de bijdrage was het mogelijk twee Nederlandse bands te laten optreden op het genoemde festival. Het ondersteunen van de Nederlandse culturele sector bij activiteiten in het buitenland is een belangrijk onderdeel van ons internationaal cultuurbeleid. Het biedt ons de kans de bekendheid van Nederland en de Nederlandse bevolking in het buitenland te vergroten. Zodat ook mensen buiten onze landsgrenzen zien dat de Nederlandse cultuur op internationaal hoog niveau staat en dat deze cultuur een goede indruk geeft van onze open, vrij diverse en tolerante samenleving.
Het imago van Nederland als land waar cultuur op een hoog niveau staat en waar mensen graag hun eigen cultuur uitdragen, maar ook zeer geïnteresseerd zijn in culturele uitingen van alle bevolkingsgroepen in onze eigen samenleving, zowel als in andere samenlevingen, is een groot goed dat wij graag koesteren. Want dit imago draagt bij aan een positief beeld van Nederland in de wereld. En dat positieve beeld is in economische termen letterlijk onbetaalbaar.
Het meldpunt ‘De overgang naar een nieuwe thuiszorg’ |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «De overgang naar een nieuwe thuiszorg»?1
Ik vind het goed dat deze betrokken werknemers en cliënten signalen over de uitvoering van de huishoudelijke hulp hebben verzameld en op basis daarvan in gesprek willen gaan met de betrokken wethouder en gemeenteraad om te bezien hoe de uitvoering kan verbeteren.
Wilt u een reactie geven op de klachten die binnengekomen zijn bij het meldpunt en die in het rapport geplaatst zijn? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de gemeente Rotterdam om de meldingen te beoordelen en zo nodig tot actie over te gaan.
Hoe oordeelt u over de werkwijze van de gemeente Rotterdam en de thuiszorgaanbieders die voor veel problemen zorgen waardoor noodzakelijke zorg en de arbeidsvoorwaarden van thuiszorgmedewerkers in het geding zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De gemeente Rotterdam heeft nieuwe contracten afgesloten met de aanbieders waarin wordt gestuurd op basis van resultaten. Dat wil zeggen dat er afspraken gemaakt zijn over de resultaten die aanbieders moeten bereiken bij cliënten thuis, bijvoorbeeld een schoon huis, en/of schone kleding. De cliënt mag verwachten van zijn aanbieder dat in overleg met hem een arrangement wordt samengesteld om de voor hem nagestreefde resultaten te behalen. Met deze werkwijze beoogt de gemeente invulling te geven aan de compensatieplicht die zij heeft op grond van de Wmo. Het is niet aan mij om een oordeel uit te spreken over de werkwijze van de gemeente Rotterdam. Dat is de verantwoordelijkheid van primair de gemeenteraad van Rotterdam.
Als het gaat om de arbeidsvoorwaarden voor thuiszorgmedewerkers dan is dit primair een zaak tussen werknemers en werkgevers.
Kunt u laten weten hoeveel mensen in Rotterdam de thuiszorg hebben opgezegd, ten gevolge van de problemen van de overgang naar een nieuwe thuiszorg? Kunt u dit aangeven per thuiszorgaanbieder?
Nee, deze informatie is niet beschikbaar.
Kunt u tevens laten weten hoeveel mensen hun vertrouwde huishoudelijk verzorgende niet hebben kunnen behouden? Wat vindt u hiervan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, deze informatie is niet beschikbaar.
Kunt u tevens laten weten hoeveel mensen zonder huishoudelijke verzorging hebben gezeten en voor hoelang? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit de verzamelde informatie blijkt dat de gemeente Rotterdam en de aanbieders voor de implementatie van de nieuwe werkwijze zes maanden hebben uitgetrokken. In deze periode is de overgang van medewerkers en cliënten voorbereid en gerealiseerd. Cliënten zijn in deze periode op verschillende manieren geïnformeerd door zowel de gemeente als de aanbieder.
Circa 2% van het totaal aantal van ca. 15.500 cliënten heeft in de eerste week na de start van het nieuwe contract geen ondersteuning gekregen, bijvoorbeeld door administratieve fouten en miscommunicatie (waaronder ook dat de aanbieder de cliënt niet heeft kunnen bereiken om afspraken te maken over de ondersteuning). Bij deze meldingen is binnen enkele dagen de ondersteuning alsnog geregeld.
Hoe oordeelt u over de handelwijze van thuiszorgaanbieders en de gemeente Rotterdam die hun verantwoordelijkheid voor de thuiszorg hebben verzaakt, doordat mensen wekenlang geen thuiszorg hebben ontvangen? Is dit de juiste wijze van uitvoering geven aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u het verantwoord dat mensen geen noodzakelijke zorg hebben gekregen? Gaat u ervoor zorgen dat deze mensen hiervoor gecompenseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u het verantwoord dat mensen zijn gekort op het aantal uren huishoudelijke verzorging? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wmo geeft de gemeente de verantwoordelijkheid om een burger te compenseren voor beperkingen die hij ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie voor zover hij die zelf niet kan oplossen. Dit is een kwestie van maatwerk, afgestemd op de persoonlijke kenmerken en situatie van betrokkene.
Vindt u het terecht dat mensen worden gekort op de huishoudelijke verzorging, zonder dat er een gesprek is geweest of een verandering in de indicatie? Komt dit overeen met uw beleidsvisie op de Wmo? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 9.
Vindt u het verantwoord dat thuiszorgmedewerkers aan mensen moesten uitleggen dat zij minder uren krijgen? Deelt u de mening dat dit niet een taak is voor thuiszorgmedewerkers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is mogelijk voor een gemeente om de uitvoering van een voorziening door een derde te laten uitvoeren. Gemeenten houden daarbij wel de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering en kunnen daar ook op aangesproken worden door cliënten. Gelet op de omvang van de transitie in Rotterdam vind ik het begrijpelijk dat thuiszorgmedewerkers ook een rol hebben bij het realiseren van deze transitie.
Vindt u het normaal dat mensen die huishoudelijke verzorging krijgen, die niet hebben gehad en ook geen respons kregen op telefoontjes aan de thuiszorgaanbieders en de gemeente? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de eerste dagen is het helaas voorgekomen dat mensen de thuiszorgaanbieder moeilijk konden bereiken. Dit is inmiddels niet meer aan de orde.
Vindt u het verantwoord dat mensen vaak nu nog maar 1 of 2 uur huishoudelijke zorg krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Huishoudelijke hulp is altijd een aanvullende voorziening. Een aanvulling van 1 of 2 uur huishoudelijke hulp kan in situaties voldoende zijn om – in aanvulling op de eigen kracht en die van het netwerk – het beoogde resultaat, bijvoorbeeld een «schoon huis» – te realiseren.
Kunt u uw huis in 1 uur schoonmaken en daarbij ook de was doen? Zo ja, bent u bereid dit voor te doen?
Zie antwoord vraag 13.
Wilt u uitzoeken hoeveel mensen meer eigen bijdrage betalen voor huishoudelijke verzorging en vervolgens gekort zijn in het aantal uren zorg? Zo nee, waarom niet?
Dat is niet te herleiden. Een verandering in de eigen bijdrage kan immers verschillende oorzaken hebben.
Hoe oordeelt u over de handelwijze van Aafje die aangeeft dat huishoudelijke verzorging enkel schoonmaak is en valt onder Functiewaardering in de gezondheidszorg (FWG) 10? Komt dit overeen met uw visie? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de afspraken die Aafje en de gemeente Rotterdam hebben gemaakt is de cao Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg het uitgangspunt. Dat lijkt mij juist.
Vindt u het ook walgelijk dat de bestuurders van Aafje € 241.996 en € 219.876 verdienden in 2012 en dat zij auto’s van de zaak hadden met een cataloguswaarde van € 54.632 en € 72.975, maar tegelijkertijd zeggen dat hun huishoudelijk verzorgend personeel te duur is? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet normering topinkomens (Wnt) in werking getreden. Dat is in de toekomst de beloningsnorm.
Hoe oordeelt u erover dat flexcontracten nu afgebouwd worden en dat thuiszorgmedewerkers hierdoor geen recht hebben op ww-uitkering? Welke maatregelen gaat u treffen om dit te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Een van de resultaten van het sociaal overleg is dat afspraken gemaakt zijn tussen kabinet en sociale partners over een nieuwe balans tussen flexibiliteit en zekerheid door enerzijds de wijze waarop met ontslag wordt omgegaan fundamenteel te hervormen en anderzijds de positie van flexwerkers te versterken. Ik ga er van uit dat met deze afspraken en met de inzet van de diverse betrokken ondernemingsraden een betere balans kan worden gevonden voor de behoeften van de werkgevers aan flexibiliteit enerzijds en de behoeften aan werkzekerheid van de medewerkers anderzijds.
Hoeveel tijdelijke contracten zijn niet verlengd? Kunt u dit aangeven per thuiszorgaanbieder? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, deze informatie is niet beschikbaar.
Hoeveel thuiszorgmedewerkers verliezen hun baan in de gemeente Rotterdam? Kunt u uw antwoord toelichten?
De gemeente heeft geen zicht op het precieze aantal flexmedewerkers dat hun baan heeft verloren of de komende tijd zal verliezen.
Waarom hebben thuiszorgaanbieders mensen van buiten aangenomen? Waarom zijn er mensen uit de sociale dienst aangenomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De gemeente Rotterdam heeft erop toegezien dat het gesprek tussen oude en nieuwe aanbieders plaatsvond.
Verder vraagt de gemeente Rotterdam van aanbieders om te voldoen aan een «social return»-eis. Aanbieders kunnen voldoen aan de «social return»-eis door inzet van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt of stagiaires. De inzet van vrijwilligers telt alleen mee als «social return» als het inzet van WWB-ers betreft die als vrijwilliger additionele werkzaamheden verrichten.
Komt het overeen met uw beleidsvisie dat mensen in de huishoudelijke verzorging hun werk verliezen, maar dat voor het werk mensen uit de bijstand worden ingezet?4
Zie antwoord vraag 21.
Deelt u de mening dat het inzetten van mensen uit de bijstand verdringing van werk betekent? Zo ja, welke maatregelen gaat u hiertegen treffen? Zo nee, waarom komt u niet op voor deze thuiszorgmedewerkers?
Zie antwoord vraag 21.
Is het conform uw visie op de Wmo dat mensen en thuiszorgmedewerkers zo slecht geïnformeerd zijn over de overgang naar een nieuwe thuiszorg? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u doen om de gemeente Rotterdam op de vingers te tikken?
Gemeente en aanbieders hebben voorafgaand aan de startdatum van het nieuwe contract op diverse manieren cliënten tijdig geïnformeerd over de veranderingen die plaatsvinden en hebben zij ook afspraken gemaakt over de onderlinge communicatie in de eerste dagen na aanvang van het contract. Daar waar signalen zijn binnengekomen bij gemeente of aanbieders, is zo snel mogelijk contact gezocht met de cliënt om te zoeken naar een oplossing. Tevens hebben aanbieders hun medewerkers op verschillende manieren meegenomen in de nieuwe werkwijze (bijvoorbeeld bijeenkomsten met uitleg, casuïstiek en rollenspellen). Ik ga de gemeente Rotterdam niet op de vingers tikken.
Hoe reageert u op de klachten dat thuiszorgaanbieders indicaties voor huishoudelijke verzorging naast zich neerleggen? Vindt u dat de gemeente Rotterdam in dit geval fatsoenlijk voor zijn inwoners zorgt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan de gemeenteraad van Rotterdam om dat te beoordelen.
Vindt u het verantwoord dat de gemeente Rotterdam al 30% gekort heeft op uren en dat zij voornemens zijn om nog 30% te korten op huishoudelijke verzorging? Vindt u het prettig dat de gemeente Rotterdam op deze manier vast voorsorteert op de Rijkskorting van 40% in 2015? Kunt u uw antwoord toelichten?
De gemeente Rotterdam heeft afgelopen jaren de zogeheten «Kanteling» in haar werkwijze doorgevoerd. Vanuit de Kanteling wordt, in lijn met de uitgangspunten van de Wmo, gekeken naar oplossingsmogelijkheden die cliënt zelf of met hulp van anderen kan treffen en is een individuele voorziening het sluitstuk in het ondersteuningsaanbod. Deze werkwijze heeft ertoe geleid dat er in Rotterdam al een daling zichtbaar was in de uren huishoudelijke verzorging die cliënten ontvingen.
Wat vindt u van het bericht dat mensen wijzen op een eerdere opname in een verzorgingshuis, vanwege de problemen met de huishoudelijke verzorging in Rotterdam? Is dit in lijn met uw visie op de Wmo? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een veronderstelde beperking van huishoudelijke hulp leidt mijns inziens niet tot versnelde opname in een verzorgingshuis. Daarvoor is meer nodig.
Wat is uw reactie op de uitspraken van mensen die huishoudelijke zorg krijgen die vrezen voor vervuiling van het huis, de overbelasting van mantelzorgers en de achteruitgang van hun eigen gezondheid? Is dit in lijn met uw visie op de Wmo? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wmo biedt voldoende waarborgen voor cliënten als deze de aan hem geboden voorziening onvoldoende compenserend acht voor zijn beperkingen. Een cliënt die het niet eens zijn met de gekozen oplossing kan bijvoorbeeld altijd bezwaar en eventueel beroep aantekenen bij de gemeente.
Deelt u de mening dat huishoudelijke zorg noodzakelijk is voor de kwaliteit van leven en de kwaliteit van zorg en dat hieraan niet getornd mag worden? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om de huishoudelijke zorg in Rotterdam te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 28.
Deelt u de mening dat dit niet enkel een verantwoordelijkheid is van de gemeente Rotterdam en de thuiszorgaanbieders, maar dat u ook systeemverantwoordelijk bent voor de uitvoering van de Wmo? Zo ja, waarom heeft u eerder niet ingegrepen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, de uitvoering van de Wmo en de beleidsmatige invulling ervan is bij gemeenten belegd; zij zijn verantwoordelijk voor een goede uitvoering en voor de gemaakte keuzes. Ik ben verantwoordelijk voor het systeem van de wet: ik ben verantwoordelijk voor een wettelijk kader dat leidt tot realisatie van de beoogde beleidsdoelen. Daarbij horen waarborgen voor de cliënt en randvoorwaarden die gemeenten in staat moeten stellen om de wet goed uit te voeren. Mocht mij blijken dat het door de gemeente Rotterdam gevoerde Wmo-beleid zich (mogelijk) niet verhoudt met het wettelijke kader, dan zal ik «- gegeven mijn stelselverantwoordelijkheid- ingrijpen. Op dit moment zie ik op grond van de mij ter beschikking staande informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat de waarborgen voor cliënten onvoldoende zijn of dat de gemeente Rotterdam onvoldoende invulling geeft aan de uitvoering van de Wmo.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met thuiszorgmedewerkers en mensen die huishoudelijke verzorging krijgen in Rotterdam? Zo ja, wanneer gaat u bij hen langs? Zo nee, waarom niet?
De cliënten en werknemers die betrokken zijn bij het rapport hebben aangegeven graag in gesprek te gaan met de wethouder en de gemeenteraad over de nieuwe thuiszorg in Rotterdam. Ik begrijp deze keuze. Ik heb begrepen dat de betrokken wethouder op vrijdag 12 juli heeft gesproken met cliënten en een vertegenwoordiging van het meldpunt van de SP, «Wij zijn de Thuiszorg» en de, AbvaKabo FNV. Ik zie daarom in dit lokale debat, waarin het gesprek met het lokaal bestuur gaande is, dan ook geen rol weggelegd voor mij.
Vindt u nog steeds dat het beleid van de gemeente Rotterdam een voorbeeld is voor de uitvoering van de Wmo? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op grond van de mij ter beschikking staande informatie stel ik vast dat de gemeente Rotterdam binnen de beschikbare kaders van regelgeving en middelen gekozen heeft voor een andere werkwijze om mensen te stimuleren om zoveel mogelijk zelfredzaam te zijn en op maat te ondersteunen. De gemeente Rotterdam heeft ervoor gekozen om in het (nieuwe) contract dat zij heeft afgesloten met aanbieders – overeenkomstig het doel van de Wmo – te sturen op resultaten. En overeenkomstig de Wmo, wordt in overleg met de cliënt een arrangement afgesproken om het resultaat, bijvoorbeeld een schoon huis of schone was, te bereiken.
De noodsituatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van Artsen Zonder Grenzen «Centraal-Afrikaanse Republiek op drempel van crisis»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland zelfstandig en in EU-verband druk moet uitoefenen op internationale organisaties als de VN en de Afrikaanse Unie om de hulp te bieden die aan de Centraal-Afrikaanse bevolking beloofd is? Zo ja, hoe bent u dit voornemens te doen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Tijdens diverse gesprekken en marge van de AU Top op 25 mei heb ik mijn zorgen geuit over de situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR). Op mijn aandringen is de situatie in de CAR besproken op de Raad Buitenlandse Zaken/ Ontwikkelingssamenwerking op 28 mei. Hierbij heb ik de Hoge Vertegenwoordiger van de EU en mijn EU-collega’s opgeroepen de Afrikaanse Unie aan te moedigen een actieve rol te spelen om de situatie vlot te trekken. Daarop heeft de EU een crisisplatform voor de CAR opgezet en het voorzitterschap op zich genomen van de Peace Building Commission(PBC) van de Verenigde Naties die zich over de situatie in de CAR buigt. Het voorzitterschap van deze groep was lang vacant.
Daarnaast bezocht van 19-22 juni een EU-missie de CAR om te bezien hoe de EU kan bijdragen aan stabilisering en herstel van veiligheid. Op 11 en 12 juli was EU Commissaris voor Internationale Samenwerking, Humanitaire Hulp en Crisisbestrijding, Kristalina Georgieva, in de CAR om zich op de hoogte te stellen van de humanitaire situatie en internationale aandacht voor de CAR te vragen.
Bent u bereid te bekijken of een extra bijdrage van Nederland voor noodhulp in de CAR mogelijk is? Deelt u de opvatting dat een Nederlandse financiële bijdrage extra kracht geeft aan een eventuele Nederlandse oproep in internationaal verband om de beloofde hulp te leveren aan de bevolking van de CAR? Zo nee, waarom niet?
Vooralsnog overweeg ik geen extra bijdrage voor noodhulp in de CAR. Nederland draagt bij aan noodhulp in de CAR via de jaarlijkse algemene bijdrage aan het Central Emergency Response Fund (CERF) van de VN. Nederland is met een jaarlijkse bijdrage van 40 mln. EUR een grote donor van dit fonds voor acute levensreddende hulp. Uit het CERF werd tot nu toe in 2013 voor 7 mln. USD aan noodhulpactiviteiten in de CAR gefinancierd. Daarnaast draagt Nederland ook bij aan humanitaire hulp in de CAR via de EU (DG ECHO) en via algemene bijdragen aan UNHCR (38 mln. EUR), WFP (36 mln. EUR) en ICRC (25 mln. EUR).
Verder kondigde de Europese Commissie op 11 juli een additionele bijdrage aan van 8 mln. EUR voor humanitaire hulp aan de CAR, in aanvulling op de 12 mln. EUR die eerder dit jaar was toegekend.
Deelt u de mening dat het inhumaan is hoe de Seleka-beweging, die een staatsgreep heeft gepleegd en momenteel de facto de macht heeft, tijdens haar opmars ziekenhuizen heeft geplunderd en het volk nu aan haar lot overlaat? Zo ja, op welke wijze spreek u de vertegenwoordigers van de Seleka-beweging dan wel de de facto regering van de CAR aan op hun verantwoordelijkheid, hetzij bilateraal, hetzij in VN- of EU-verband? Zo nee, waarom niet?
Ja, de situatie in de CAR is sinds de machtsovername door de Seleka-beweging erg zorgelijk. Aangezien de CAR geen partnerland is van Nederland, vind ik het van belang dat de EU zich nadrukkelijk actief bezig houdt met de situatie in het land. Dit gebeurt onder meer door het EU voorzitterschap van de PBC.
Wat is uw appreciatie van de wijze waarop lokale mensenrechtenorganisaties in de CAR onder druk staan van de Seleka-beweging en in hun werk worden belemmerd? Op welke wijze staat Nederland lokale organisaties en mensenrechtenverdedigers bij die direct of indirect steun ontvangen van de Nederlandse overheid?
Al voor het Seleka-offensief kenmerkten de beperkte groep mensenrechten-organisaties zich in de CAR door sociale verdeeldheid en beperkte capaciteit. Het Seleka-offensief en met name de daarmee gepaard gaande onveiligheid heeft hun bewegingsruimte nog verder beperkt. Nederland is door de beperkte aanwezigheid in de CAR niet in staat directe of indirecte steun aan lokale organisaties en mensenrechtenverdedigers te verstrekken. Via MFS II draagt Nederland wel bij aan de alliantie «Samen voor verandering – Communities of change». Deze alliantie is actief in CAR met een programma gericht op conflicttransformatie.
Wat betekent de coup en de toenemende humanitaire nood in de Centraal-Afrikaanse Republiek voor de stabiliteit van de regio en de impact van ontwikkelingssamenwerking? Hoe spant Nederland zich in om stabiliteit te waarborgen, hetzij bilateraal, hetzij in EU- en/of VN-verband?
De regio is erg instabiel, als gevolg van conflictsituaties in onder andere DRC, Sudan, alsook tussen Sudan en Zuid-Sudan. De coup en de daarmee gepaard gaande plunderingen hebben tot gevolg gehad dat hulporganisaties hun activiteiten hebben moeten staken. Door het vertrek van de meeste NGO’s, de onveilige situatie en de verminderde bereikbaarheid, is de uitvoering van meerdere EU-projecten in de CAR opgeschort. In sommige delen van het land wordt de uitvoering van EU-projecten inmiddels geleidelijk hervat. Het herstel van de Europese ontwikkelingssamenwerking in de CAR is echter afhankelijk van het herstel van de veiligheid in Bangui en in de rest van het land.
De EU draagt bij aan het stabilisatieprogramma dat gericht is op de crisis die na de coup is ontstaan.
Klopt het dat de CAR op de drempel staat van een grote malariacrisis? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en op welke wijze kunt u hier iets betekenen?
Malaria is endemisch in de CAR met een piek in het regenseizoen tussen juni en september. Vanwege het Seleka-offensief zijn bevolkingsgroepen de jungle in gevlucht. In combinatie met de opschorting van de activiteiten voor preventie van malaria door internationale organisaties heeft dit ertoe geleid dat het aantal malariagevallen met 33% is toegenomen: één van de meest acute malariacrises van de afgelopen jaren. Samen met de toegenomen ondervoeding is dit ernstig. Hulporganisaties hebben nauwelijks toegang tot de getroffen bevolking. Nederland draagt via het Global Fund to fight Aids, Tuberculosis and Malaria bij aan malariabestrijding in de CAR. In de periode van 2009–2012 besteedde het Global FundUSD 5,26 mln. in de CAR; voor de komende periode is nog USD 8,7 mln. beschikbaar.
De ISLA-raffinaderij |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat SMOC inzage heeft gevraagd in de rapporten «A sustainable future for Curaçao. Strategic options for Isla and the Isla site» en «Economical impact study of the oil refinery industry represented by the Isla Oil Refinery», waarin wordt ingegaan op toekomstscenario’s voor de ISLA-raffinaderij en de uiteindelijk geringe bijdragen van deze raffinaderij aan de Curaçaose economie?1
Ja
Waarom zijn deze twee rapporten niet eerder openbaar gemaakt? Kunt u de openbaarmaking van deze rapporten bespoedigen? Bent u bereid om u er ten volle voor in te zetten dat alle stukken, de ISLA-raffinaderij betreffende, op korte termijn worden geopenbaard met het oog op de besluitvorming rond de toekomst van de ISLA-raffinaderij? Zo nee, waarom niet?
Zoals u weet zijn gezondheidszorg en milieubeleid taken die bij de regering van het autonome land Curaçao horen. Het is verder ook aan de regering van Curaçao om de afweging te maken of en in hoeverre de genoemde rapporten openbaar worden gemaakt. Het eigendom van de rapporten berust niet bij de Nederlandse regering. Inmiddels heb ik begrepen dat enkele rapporten voor de Staten ter inzage zijn gelegd.
Wat is de huidige stand van zaken rond de toekomst van de ISLA-raffinaderij?
In de Staten van Curaçao is hierover een discussie gaande. Ik vind het ook belangrijk en positief dat deze discussie thans met name in Curaçao zelf wordt gevoerd omdat hij daar ook thuis hoort. Voor zover mij bekend heeft onlangs aangetreden kabinet Asjes nog geen standpunt ingenomen over het toekomstige beleid. Op het moment dat dit standpunt is gevormd zal ik daar met veel interesse kennis van nemen. Dit zou tevens aanleiding kunnen vormen voor de Nederlandse regering om hierover nader met Curaçao te spreken.
Kloppen berichten op Twitter dat de ISLA-raffinaderij voor de zoveelste keer milieunormen heeft overschreden en giftige stoffen heeft uitgestoten?
Door het plotselinge stilvallen op 7 juli jongstleden van de energiecentrale bij de raffinaderij en het daarop volgende opstartproces hebben zich negatieve milieueffecten voorgedaan. Op internet (luchtmetingencuracao.org) zijn de metingen van de concentratie van een aantal stoffen op een tweetal locaties te volgen. Dit betreffen overigens nog niet gevalideerde metingen.
Bent u bereid om er bij uw Curaçaose ambtgenoten op aan te dringen nu eindelijk adequate maatregelen te treffen om deze lozingen te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om, indien Curaçao in gebreke blijft adequaat in te grijpen, de waarborgfunctie te activeren? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering voert regelmatig gesprekken met de Curaçaose regering over de Isla raffinaderij. Nederland en Curaçao delen de zorgen met betrekking tot de milieusituatie. Het is echter de verantwoordelijkheid van Curaçao om het beleid aangaande de raffinaderij vorm te geven. Nederland staat klaar om Curaçao bij te staan bij het uitvoeren van de beleidskeuzes indien hiervoor een concreet verzoek wordt gedaan. Dat is in het verleden ook steeds gebeurd, zoals door middel van het opleiden van medewerkers van de milieudienst, juridische bijstand bij het opstellen van de hindervergunning, het plaatsen van de genoemde meetstations, het financieren van studies en het bijstaan van Curaçao bij onderhandelingen met potentiële investeerders. Gezien het onderwerp is agendering in de Rijksministerraad in het kader van Artikel 43, lid 2 Statuut thans niet aan de orde.
Het bericht dat een 10-jarig meisje is aangerand door een illegaal in Nederland verblijvende Somalische bewoner van de “vluchtkerk” |
|
Sietse Fritsma (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Een aangekondigde aanranding»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat deze psychopathische illegale Somalische vreemdeling, die al sinds 1995 in Nederland verblijft, vrij kon rondlopen, terwijl bekend is dat hij een verleden heeft van (seksuele) agressie en hij reeds herhaaldelijk met justitie in aanraking is geweest?
Kort na de aanranding in de vluchtkerk is betrokkene aangehouden. Hij verblijft sindsdien in voorlopige hechtenis in afwachting van zijn strafzaak.
De verwijdering van criminele en overlast gevende vreemdelingen acht ik een prioriteit. De op verdenking van aanranding aangehouden vreemdeling is eerder niet uitgezet omdat hij lijdt aan een psychische stoornis waarvoor in het land van herkomst onvoldoende behandelmogelijkheden zijn. Daarom was vreemdelingenbewaring, dat immers is gericht op gedwongen vertrek naar het land van herkomst, niet mogelijk. Verder stonden er op het moment van de aanranding geen strafbare feiten tegen betrokkene open die een basis boden om hem in detentie of voorarrest te houden.
Deelt u de mening dat uit dit trieste geval eens te meer blijkt dat, zolang niet tot uitzetting van dergelijke vreemdelingen kan worden overgegaan, zij vastgezet moeten worden zodat ze geen vrij spel hebben in onze samenleving en zodat er een prikkel is om uit Nederland te vertrekken? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u garanderen dat de dader van dit weerzinwekkende misdrijf niet meer vrij komt, maar achter slot en grendel verblijft tot hij alsnog uit Nederland kan worden verwijderd? Zo neen, waarom niet?
Betrokkene is gedagvaard wegens de aanranding in de vluchtkerk. Het is aan de rechter om te oordelen welke maatregel passend is, alle omstandigheden van het geval en de persoon van de dader meewegend. Ik kan niet vooruit lopen op het oordeel van de rechter.
Hoeveel andere criminele illegalen telt ons land? Wat doet u om al deze vreemdelingen uit te zetten dan wel vast te zetten zolang uitzetting niet lukt?
Het aanpakken van criminele illegale vreemdelingen heeft hoge prioriteit. Doel is het daadwerkelijke vertrek van deze vreemdelingen uit Nederland en daarmee de bescherming van de Nederlandse samenleving. De werkwijze is dat een criminele illegale vreemdeling direct na afloop van de strafrechtelijke detentie Nederland wordt uitgezet. In het geval dat uitzetting niet direct aansluitend aan de strafrechtelijke detentie mogelijk blijkt, kan een criminele vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld.
Zoals ik ook heb aangegeven in de beantwoording van de schriftelijke vragen van de leden Helder en Fritsma (beiden PVV) over het bericht «België: bijna 20 criminele illegalen per dag»2, worden momenteel in samenwerking met de ketenpartners verbeteringen aangebracht op het terrein van managementinformatie. Hierbij wordt een koppeling gemaakt tussen de strafrechtketen en de vreemdelingenketen waarmee naar verwachting in 2014 gegevens beschikbaar komen over vreemdelingen die verdacht worden van een misdrijf.
Het totaal aantal verdachte of veroordeelde vreemdelingen dat door tussenkomst van de Dienst Terugkeer en Vertrek Nederland is uitgezet of aantoonbaar uit Nederland is vertrokken, wordt geregistreerd. In 2012 waren dat er circa 690.
Het bericht dat Irak nog altijd niet meewerkt aan het terugnemen van uitgeprocedeerde asielzoekers |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de Iraakse autoriteiten duidelijk gemaakt dat hun tegenwerking bij het terugnemen van uit te zetten Irakezen meer dan schandalig is, gelet op het feit dat Nederland Irak in het verleden op grote schaal heeft gesteund bij de wederopbouw, waarbij Nederlandse militairen zijn gesneuveld en waarbij bijvoorbeeld voor honderden miljoenen euro’s aan schuldenverlichting is verleend? Zo neen, waarom niet?1
Tijdens mijn korte bezoek aan Irak heb ik de autoriteiten gewezen op hun internationale verplichtingen om Irakezen terug te nemen die niet (langer) in Nederland mogen blijven. Daarbij heb ik aangegeven dat Nederland grote inspanningen heeft geleverd bij de wederopbouw van Irak en jarenlang vele Irakezen heeft opgevangen en in onze samenleving heeft opgenomen. Inmiddels verblijven circa 50.000 Irakezen legaal in Nederland. Tevens heb ik duidelijk gemaakt dat het voor de geloofwaardigheid van het Nederlandse migratiebeleid van belang is dat Irakezen die geen verblijfsvergunning ontvangen daadwerkelijk terugkeren naar Irak. Voor de Nederlandse regering is vrijwillige terugkeer daarbij het uitgangspunt, waarvoor Nederland ondersteuning aanbiedt.
Mijn Iraakse gesprekspartners toonden veel respect voor de inspanningen die Nederland ten behoeve van Irak heeft gedaan. Zij voegden daaraan toe dat Irak echter nog altijd in wederopbouw is en tevens kampt met ruim 1,5 miljoen ontheemden binnen Irak en de directe buurlanden. De terugkeer en herhuisvesting van deze Irakezen wordt door Irak vooralsnog belangrijker geacht dan het voldoen aan het verzoek van een derde land tot terugname van Iraakse burgers in het kader van een niet-vrijwillig vertrek uit dit derde land. Irak werkt wel mee aan vrijwillige terugkeer en is ook bereid dat te ondersteunen.
Dit Iraakse standpunt deel ik niet. Ik heb dit mijn Iraakse gesprekspartners ook duidelijk laten weten. Afgesproken is samen met Irak een werkgroep in te stellen om concrete oplossingen voor de terugkeerproblematiek uit te werken. Omdat naast Nederland, ook andere landen met dezelfde problematiek kampen, heb ik voorgesteld deze landen daarbij te betrekken.
Is het door uw ambtsvoorganger toegezegde bedrag van 5,5 miljoen euro dat aan Irak beschikbaar zou worden gesteld om de terugkeer en opvang van uitgeprocedeerde Iraakse asielzoekers te faciliteren al uitbetaald aan de Iraakse autoriteiten? Zo ja, bent u bereid dit bedrag onmiddellijk terug te vorderen? Zo neen, bent u bereid er voor te zorgen dat er geen cent van dit bedrag aan Irak wordt uitgekeerd zolang men blijft weigeren mee te werken aan terugkeer van de eigen onderdanen?
Mijn ambtsvoorganger heeft destijds aangegeven dat de Nederlandse regering bereid is Irak te ondersteunen bij de opvang en reïntegratie van Irakezen die Nederland moeten verlaten en te helpen met het vinden van een oplossing voor het probleem van de vele binnenlandse ontheemden. Hiervoor was een substantieel bedrag van 5,5 miljoen euro beschikbaar gesteld. Duidelijk is dat er sprake moet zijn van uit Nederland naar Irak teruggekeerde Irakezen om het bedrag te kunnen bestemmen. Vooralsnog lijkt Irak echter niet te willen voldoen aan de op Irak rustende internationale verplichting om op verzoek van Nederland Iraakse staatsburgers terug te nemen. Dat geld is nog steeds beschikbaar.
Welke vormen van hulp (economisch, militair of anderszins) ontvangt Irak momenteel van Nederland? Bent u bereid elke vorm van Nederlandse hulpverlening aan Irak per ommegaande op te schorten tot het moment waarop volledige medewerking aan de terugkeer van eigen onderdanen wordt verleend? Zo ja, kunt u specificeren welke hulpverlening wordt gestopt en hoeveel geld dit betreft? Zo neen, welke maatregelen of sancties gaat u dan treffen om er voor te zorgen dat gedwongen terugkeer naar Irak mogelijk wordt?
Het opschorten van hulpverlening aan Irak is niet aan de orde. Irak ontvangt geen economische of militaire hulp. Nederland ondersteunt via NGO’s en internationale organisaties de mensenrechtensituatie van bevolkingsgroepen die het in Irak moeilijk hebben: etnische, religieuze en seksuele minderheden (LHBT). Tevens wordt bijgedragen aan ontmijning in de Koerdische regio. Opschorting van deze programma’s zou maatschappelijk kwetsbare groepen onevenredig treffen.
Naast terugkeer en mensenrechten is economische diplomatie speerpunt van het Nederlandse beleid richting Irak. Hierbij gaat het om actieve ondersteuning van het Nederlandse bedrijfsleven door de Nederlandse ambassade in Bagdad en het liaisonkantoor in Erbil. De Iraakse overheid werkt hard aan de wederopbouw van Irak en investeert hiertoe veel fondsen in voor Nederland belangrijke sectoren, zoals landbouw, infrastructuur, watersector, gezondheidszorg, olie- en gassector en onderwijs. Irak betaalt deze grootschalige investeringen zelf uit de (groeiende) olieopbrengsten. Irak kende in 2012 een economische groei van 8,5%. Voor de periode 2013–2017 wordt gemiddeld 9% groei per jaar verwacht. De Iraakse investeringsbegroting is 20% van het Bruto Nationaal Product (BNP), d.w.z. 46 miljard US$ in 2013.
Het voorgaande neemt niet weg dat ik mij blijf inzetten om te bewerkstellingen dat Irak de op soevereine staten rustende verplichting om op verzoek van een derde staat eigen staatsburgers terug te nemen, zal nakomen.
De grondrechtensituatie in Hongarije |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het verslag-Tavares over de grondrechtensituatie in Hongarije, dat op 3 juli jl. door het Europees Parlement is aangenomen?1
Ja.
Deelt u de teleurstelling van het Europees Parlement over het feit dat «de Europese Raad de enige politieke instelling van de EU is die zich niet heeft uitgesproken, terwijl de Commissie, het Parlement, de Raad van Europa, de OVSE en zelfs de regering van de VS hun bezorgdheid hebben geuit over de situatie in Hongarije»?
Het is goed dat het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Raad van Europa de rechtsstaatontwikkelingen in zo Hongarije nauwgezet volgen. Deze internationale druk van m.n. de Europese Commissie en de Raad van Europa (waaronder de Venetië Commissie) heeft er eerder toe geleid dat Hongaarse wetgeving werd aangepast.
De merites van de aanpak van de Europese Commissie en de Venetië Commissie ligt in hun onafhankelijke en technische beoordeling van de situatie in Hongarije (respectievelijk bezien vanuit de Europese verdragen en de waarden van de Raad van Europa) – evenals de Hongaarse bereidheid met hen in dialoog te gaan en waar nodig wetten aan te passen. Ook nu heeft de Hongaarse regering gezegd tegemoet te komen aan de zorgen van de Europese Commissie en Venetië Commissie. Nederland verwacht dit ook van Hongarije.
Het kabinet is tevreden met de wijze waarop de Europese Commissie en de Venetië Commissie deze dialoog voeren en Hongarije weten te overtuigen aanpassingen door te voeren. De internationale kritiek op de wetgevingsprocessen is de Hongaarse regering reeds goed bekend, en de zorgen worden ook geregeld besproken door verschillende Europese lidstaten met Hongarije zelf. Ook Nederland heeft, zowel bij monde van de minister-president bij zijn Hongaarse ambtsgenoot als van de minister van Buitenlandse Zaken bij zijn ambtsgenoot, de situatie aan de orde gesteld.
Bent u bereid te bevorderen dat de voorzitter van de Europese Raad voldoet aan het verzoek om het Europees Parlement op de hoogte te brengen van zijn beoordeling van de situatie in Hongarije?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te bevorderen dat de grondrechtensituatie in Hongarije op de eerstkomende bijeenkomst van de Europese Raad wordt geagendeerd, opdat voorzitter Van Rompuy kan voldoen aan het verzoek van het Europees Parlement?
Zie antwoord vraag 2.
Zult u zich inzetten voor het inwilligen van het verzoek van het Europees Parlement om een «artikel 2-trialoog» in het leven te roepen, waarbij de Europese Commissie en de Raad elk een vertegenwoordiger aanwijzen teneinde er, met de rapporteur en schaduwrapporteurs van het parlement, gezamenlijk op toe te zien dat de Hongaarse autoriteiten de aanbevelingen uit het verslag-Tavares (alsmede die van de Venetiëcommissie) ten uitvoer leggen?
In een Europese waardengemeenschap moeten we elkaar kunnen aanspreken op naleving van die waarden. Dat doet Nederland ook. Wat betreft de Hongaarse rechtsstaatontwikkelingen vervullen de Europese Commissie en de Raad van Europa hierbij momenteel een goede en constructieve rol.
Daarnaast zet het kabinet zich in voor de ontwikkeling van een aanvullend rechtsstaatelijkheidsmechanisme binnen de EU, zoals onlangs wederom besproken in de Raad Algemene Zaken. De aanbevelingen in de EP-resolutie naar aanleiding van het rapport Tavares voor een structureel monitoringsmechanisme («Kopenhagen-commissie») en een ad hoc mechanisme in geval van acute problemen op dit terrein («artikel 2 Noodagenda») sluiten hier goed bij aan. Het kabinet is evenwel geen voorstander van de ontwikkeling van mechanismen die specifiek gericht zijn op afzonderlijke lidstaten, zoals de voorgestelde «artikel 2-trialoog» voor Hongarije, omdat het aanvullend mechanisme op gelijke wijze op alle lidstaten toegepast moet kunnen worden indien daarvoor aanleiding zou zijn.
Deelt u de inschatting dat zo'n artikel 2-trialoog helpt voorkomen dat de politieke instellingen van de Europese Unie zich achter elkaar verschuilen bij het aanspreken van de Hongaarse regering op de ondermijning van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten, en het in werking zetten van de procedure van artikel 7, lid 1 van het EU-verdrag kan vergemakkelijken?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u beoordelen of de pogingen van de Europese Volkspartij (EVP) om de regering-Orbán via partijpolitieke contacten tot groter respect voor Europese waarden te bewegen, al resultaat hebben gesorteerd?
Nee, maar acties van de EVP in die richting worden uiteraard ondersteund.
Het bericht 'Militairen bij grof vuil gezet' |
|
Sultan Günal-Gezer (PvdA), Angelien Eijsink (PvdA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Militairen bij grof vuil gezet»?1
Is het waar dat er in alle gevallen gebruik is gemaakt van een standaardontslagbrief? Zijn er verschillende standaardbrieven voor de verschillende onderdelen? Zo ja, hoeveel verschillende standaardontslagbrieven zijn er voor welk onderdeel gebruikt?
Welke afwegingen lagen ten grondslag aan de keuze voor een standaardontslagbrief?
Kunt u toelichten waarom er voor deze – ogenschijnlijk onpersoonlijke – manier van ontslagaanzegging gekozen is?
Is er vooraf een gesprek geweest met alle betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Volgt er nog een persoonlijk gesprek met alle betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Is er of volgt er op enigerlei wijze nog een persoonlijk contact met allen die een dergelijke ontslagbrief ontvangen hebben?
Wisten de betrokkenen op welke manier communicatie over het ontslag zou geschieden?
Is er op enige manier gecommuniceerd over de wijze waarop het personeel van Defensie dat als gevolg van de reorganisatie ontslag aangezegd zal krijgen? Zo ja, op welke manier?
Zijn de afzonderlijke leidinggevenden van de onderdelen waar de ontslagen vallen, betrokken geweest? Zo ja, op welke wijze?
Op welke wijze zullen de ontslagen militairen verder gevolgd worden in verband met de nazorg, indien zij op missie zijn geweest?
Hoe gaat u invulling geven aan de gemaakte afspraken over de nazorg aan militairen die op missie zijn geweest?
Het bericht dat boeren in 2012 nog steeds veel antibiotica gebruikten |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Boeren zweren nog bij antibiotica»?1
Ja. Het bericht is mede gebaseerd op het rapport over het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren dat de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa) op 8 juli 2013 heeft uitgebracht. De minister van VWS en ik hebben dit rapport op 29 augustus jl. met onze reactie aan uw Kamer gezonden.
Hoe beoordeelt u het feit dat het aantal boeren, dat op grote schaal antibiotica gebruikt, vorig jaar nauwelijks is gedaald vergeleken met 2011 en hoe waardeert u deze gegevens in relatie tot de ambitie om in 2015 70% minder antibiotica te gebruiken ten opzichte van 2009?
Uit de analyse van de SDa blijkt dat het gebruik van antibiotica op vleeskalver-, varkens-, en vleeskuikenbedrijven in 2012 ten opzichte van 2011 met circa 15% is afgenomen. De gerealiseerde afname in 2012 strookt met de ambitie om in 2015 70% minder antibiotica te gebruiken dan in 2009. De signalering van de SDa dat de totale spreiding in het gebruik tussen bedrijven in de varkens- en kalversector nog vergelijkbaar is met die in 2011 is daarmee niet in tegenspraak. Het betekent wel dat het aandeel van de bedrijven die structureel veel antibiotica gebruiken in die sectoren min of meer stabiel is gebleven. Ik ben het met de SDa eens dat sectoren zich met name moeten inzetten om het gebruik in deze categorie van veelgebruikers terug te dringen. Het is primair aan de sectoren en dierenartsen om daaraan te werken. De sectoren hebben begin 2013 verbetertrajecten voor structurele veelgebruikers opgesteld. Deze zijn vastgelegd in de private kwaliteitssystemen van de sectoren. Veelgebruikende veehouders moeten een aanvullend bedrijfsgezondheidsplan opstellen om het gebruik in ieder geval te reduceren tot onder de actiewaarde. Deze aanpak moet bijdragen aan een daling van het aandeel structurele veelgebruikers en verdere daling van het totale gebruik.
De NVWA krijgt de gegevens van de structurele veelgebruikers van de sectoren en zal deze gebruiken in het kader van het risicogebaseerde toezicht.
Wat is volgens u de reden dat na de eerste forse en succesvolle inspanningen voor 50% reductie van het antibioticagebruik het verder terugbrengen van het antibioticagebruik moeizamer verloopt?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt bij de registratie van het antibioticagebruik ook gekeken naar de toepassing en de periode dat een middel werkzaam is? Anders gezegd: is de doelstelling alleen kwantitatief of ook kwalitatief?
Op basis van de geregistreerde gegevens wordt voor elke veehouderijbedrijf het aantal dierdagdoseringen per dierjaar berekend. Bij deze berekening wordt rekening gehouden met de periode dat een middel werkzaam is. Een middel dat langer werkzaam is, leidt tot een langere blootstelling en daarmee tot meer dierdagdoseringen.
Bij de registratie en de analyse daarvan wordt ook naar kwalitatieve aspecten gekeken, zoals de wijze van toediening en het gebruik van eerste-, tweede- en derdekeusmiddelen per bedrijfstype.
Hoe beoordeelt u het aanhoudende gebruik van fluorochinolonen bij vleeskuikens en vleeskalveren?
Uit de SDa rapportage blijkt dat het gebruik van fluoroquinolonen in 2012 bij vleeskuikens, blankvleeskalveren, rosé startkalveren en rosé afmestkalveren gedaald is. Niettemin dient het gebruik van deze middelen verder beperkt te worden. Fluoroquinolonen zijn in de medio 2012 aangepaste formularia aangemerkt als derdekeusmiddelen. Dit betekent dat deze middelen alleen mogen worden ingezet als op basis van bacteriologisch onderzoek en een gevoeligheidsbepaling is aangetoond dat er geen alternatieven zijn. Sinds januari 2013 is deze gevoeligheidsbepaling wettelijk verplicht.
Wanneer bent u van plan de Kamer te berichten over uw gesprekken met de kalversector over het verder terugdringen van het antibioticagebruik conform uw toezegging in het plenaire debat over het Verslag van het algemeen overleg Dierziekten en antibioticagebruik veehouderij d.d. 11 april 2013?
In het kader van de uitwerking van de UDD-maatregel heb ik met de kalversector en andere sectoren afgesproken dat ze concrete en effectieve preventieve maatregelen nemen om de diergezondheid te verbeteren, waardoor minder inzet van antibiotica nodig is. Ik heb u hierover bij brief van 4 juli 2013 geïnformeerd. De kalversector zal een pakket van structurele maatregelen uitvoeren om de gezondheid en weerstand van de kalveren bij aankomst op het kalverbedrijf te verbeteren. Deze maatregelen zullen worden vastgelegd in private kwaliteitssystemen. Daarnaast zal de kalversector in overleg met de melkveesector een plan van aanpak opstellen om ervoor te zorgen dat de kalveren in goede conditie op het kalverbedrijf aankomen. Dit plan moet gereed zijn op 1 januari 2014.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om te zorgen dat het aantal en het percentage veelgebruikers (gebruikers op het actieniveau) het komende jaar substantieel zal dalen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de discrepantie tussen hoeveelheden verkochte en gebruikte antibiotica voor dieren en in hoeverre is deze discrepantie volgens u te verklaren door het illegale gebruik van antibiotica?
De SDa constateert dat in er in 2012 meer antibiotica in de veehouderij zijn gebruikt dan er op basis van de cijfers van de FIDIN (Fabrikanten en Importeurs van Diergeneesmiddelen in Nederland) zijn verkocht. De SDa zal nader onderzoek uitvoeren naar de reden hiervan. Zijn noemt onder andere het interen op eerder opgebouwde voorraden door dierenartspraktijken als een mogelijke oorzaak.
Kunt u aangeven welke typen antibiotica het meest worden aangetroffen bij controles op illegaal gebruik?
Op basis van de opsporings- en toezichtbevindingen in de afgelopen twee jaar kan niet worden geconstateerd dat er één of enkele typen antibiotica zijn die opvallend vaker worden aangetroffen dan andere.
Is er een verband tussen de daling van het antibioticagebruik in de pluimveesector en het gebruik van illegaal verkregen en niet geregistreerde antibiotica, zoals in het artikel gesuggereerd wordt?
Ik heb geen indicatie dat er een verband is tussen daling van het antibioticumgebruik in de pluimveesector en eventueel illegaal gebruik van antibiotica. Mogelijke illegale praktijken onttrekken zich per definitie aan het zicht. Zie ook mijn antwoord op vragen van het lid Thieme over illegaal gebruik van antibiotica in de veehouderij (AH TK 2012–2013, 1273).
Kunt u aangeven wat de totale omvang van het illegale gebruik van antibiotica in de pluimveesector is?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat illegaal gebruik van antibiotica negatief uitwerkt op het imago van de sector als geheel? Welke maatregelen treft u om het illegale gebruik terug te dringen?
Ja. In de brief van 5 april 2013 (TK 29 683, nr. 156) is aangegeven hoe het kabinet mogelijk illegale handel aanpakt. De Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de NVWA is voortdurend gericht op het opsporen van illegale antibioticahandel. Sinds 2011 wordt per jaar 1 miljoen euro extra besteed aan opsporing en toezicht op het gebruik van antibiotica in de veehouderij. Een effectievere aanpak van illegale handel is mogelijk geworden doordat het bezit van grondstoffen voor diergeneesmiddelen (inclusief antibiotica) vanaf januari 2013 niet meer is toegestaan zonder vergunning. Importeurs, fabrikanten en distributeurs van werkzame stoffen moeten zijn opgenomen in het Register grondstoffen van diergeneesmiddelen. Veehouders mogen geen grondstoffen voorhanden hebben. Wanneer nu grondstoffen worden aangetroffen, wordt getoetst of men in het register voorkomt. Daarbij is complexe strafrechtelijke bewijsvoering die moet aantonen dat er sprake is van bezit van een grondstof die daadwerkelijk wordt gebruikt als diergeneesmiddel niet meer nodig.
De veiligheidssituatie in Irak |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Marit Maij (PvdA), Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u de meest recent informatie die u op dit moment beschikbaar heeft over de veiligheidssituatie in bepaalde delen van Irak, met name in de regio in en rondom Bagdad en het noorden daarvan, gelet op de eerdere vragen over de actuele veiligheidssituatie in Irak?1
De veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Irak lijkt sinds april 2013 te verslechteren ten gevolge van oplopende sektarische spanningen tussen de Sjiitische en Soennitische bevolkingsgroepen. In mijn antwoord op vraag 2 zal ik dit nader toelichten. Naar mijn opvatting kan echter uit de beschikbare informatie niet worden opgemaakt dat de situatie in Irak zo ernstig is dat terugkeer naar dat land een schending van artikel 3 EVRM oplevert. Verder wijs ik u nog op een achttal zeer recent door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gewezen arresten (o.a. arrest van 27 juni 2013, no. 66523/10). In deze arresten concludeert het Hof dat de actuele situatie in Irak niet dusdanig is dat een asielzoeker bij terugkeer naar Irak louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Deze uitspraken hebben naar mijn oordeel des te meer belang nu het Hof de te behandelen zaken ex nunc heeft beoordeeld en ten gevolge in de uitspraken rekening heeft gehouden met de periode tot aan het moment van de uitspraak.
Hoeveel ernstige geweldsincidenten zijn er dit jaar geweest in die gebieden? Is bij benadering bekend hoeveel doden en gewonden daarbij zijn gevallen? Hoe verhouden deze cijfers zich tot die over de jaren 2011 en 2012?
Volgens cijfers van de United Nations Assistance Mission to Iraq (UNAMI) zijn er in Irak in de maanden april, mei en juni respectievelijk 595, 963 en 685 burgerdoden gevallen. Dit duidt op een geweldstoename ten opzichte van de voorgaande periode. Dit geldt met name voor de regio Bagdad, maar ook in de andere delen van Centraal- en Zuid Irak is het aantal geweldsincidenten toegenomen. De veiligheidssituatie in de drie provincies formeel onder bestuur van de Kurdistan Regional Government (Dohuk, Erbil, Sulaimaniya) is in de afgelopen periode stabiel gebleven, en zelfs verbeterd!
In het algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat naar verwachting in het najaar zal verschijnen, zal in detail worden ingegaan op de veiligheidssituatie in Irak.
Op welk moment is de veiligheidssituatie in delen van Irak dusdanig verslechterd dat het instellen van het vertrekmoratorium noodzakelijk zou zijn?
Deze vraag is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Het voeren van een vertrekmoratorium is overigens binnen het stelsel van de wet niet de meest geëigende stap bij een verslechterende veiligheidssituatie. Bij een wijzigende veiligheidssituatie, die aanleiding vormt voor een beleidsaanpassing, is primair een wijziging van het geldende toelatingsbeleid aangewezen. Op basis van de specifieke ontwikkelingen zal moeten worden bezien of, en zo ja welke beleidsmaatregelen zijn geïndiceerd.
Het milieuprobleem veroorzaakt door oude boten in havens |
|
Wassila Hachchi (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oude bootjes zijn afvalprobleem»?1
Ja.
Klopt het dat er ongeveer 25.000 verwaarloosde zeil- en motorjachten in de Nederlandse jachthavens liggen?
Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de beheerder van een jachthaven om bij te houden hoeveel en wat voor soort vaartuigen in de haven liggen, wie de eigenaar is van een vaartuig, enz. Het is niet de taak van de Rijksoverheid om dit soort gegevens te verzamelen of te beheren.
Klopt het dat de eigenaren van deze verwaarloosde boten vaak niet te achterhalen zijn, waardoor deze boten gewoon blijven liggen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid een landelijk registratiesysteem in te voeren voor Nederlandse zeil- en motorjachten om het afvalprobleem van boten in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Er zijn momenteel twee registratiesystemen voor (plezier)vaartuigen:
Ik zie geen noodzaak om als Rijksoverheid aanvullend aan deze twee systemen een nieuw systeem in te voeren of een van de twee systemen om te bouwen tot een verplicht landelijk systeem voor alle pleziervaartuigen.
Bent u bereid een verwijderingsbijdrage in te voeren bij aanschaf van een boot, om op die manier het opruimen van deze boten in de toekomst te kunnen financieren? Zo nee, waarom niet?
Het invoeren van een verwijderingsbijdrage op een bepaald product is de verantwoordelijkheid van de producenten en importeurs van dat product, niet van de Rijksoverheid.
Een toepasselijk voorbeeld in dit kader is de autobranche. Producenten en importeurs van auto’s in Nederland hebben in 1995 Auto Recycling Nederland (ARN) opgericht. ARN is onder meer belast met het beheren van het fonds dat wordt gevuld door de verwijderingsbijdrage (heet voor auto’s nu recyclingbijdrage) die op elke nieuwe auto moet worden betaald. Het fonds wordt gebruikt om auto's aan het eind van hun levensduur duurzaam te verwerken.
De producenten en importeurs van pleziervaartuigen kunnen zelf een vergelijkbaar systeem als voor auto’s opzetten, eventueel in samenwerking met beheerders van wateren waar pleziervaartuigen varen. Branche- en belangenorganisaties als Hiswa Vereniging en Nederlandse Jachtbouw Industrie (NJI) zouden gezamenlijk het initiatief kunnen nemen voor het invoeren van een verwijderingsbijdrage en het vormen van een fonds, waarmee de verwerking van afgedankte en/of verwaarloosde pleziervaartuigen kan worden gefinancierd.
Deelt u de mening dat er een fonds moet worden opgericht voor het opruimen van de grote hoeveelheid verwaarloosde boten die nu in de jachthavens ligt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, zie ik het oprichten van een fonds voor het opruimen en verwerken van verwaarloosde vaartuigen als een verantwoordelijkheid van producenten en importeurs van pleziervaartuigen en van overkoepelende branche- en belangenorganisaties. Ik zal geen initiatief nemen voor het oprichten van een dergelijk fonds.
Welke oplossing stelt u voor om de vele verwaarloosde boten die nu in de jachthavens van Nederland ligt op te ruimen?
Verwaarloosde vaartuigen liggen vooral in wateren die worden beheerd door gemeenten, waterschappen en private ondernemingen. Deze beheerders zijn daarom verantwoordelijk voor het opruimen van de verwaarloosde vaartuigen. De kosten daarvan zullen de beheerders normaliter verhalen op de eigenaren van de vaartuigen. Als er geen eigenaren bekend zijn of ze zijn niet meer aanspreekbaar, dan zullen de beheerders de kosten zelf moeten betalen en het geld hiervoor zelf moeten genereren, bijvoorbeeld via een opslag op de lig- of havengelden. Ook een fonds zoals beschreven in het antwoord op vraag 5 kan een oplossing bieden, al zal dat waarschijnlijk niet op korte termijn voldoende gevuld zijn.
Overigens vormen de verwaarloosde vaartuigen naar mijn mening op dit moment geen milieuprobleem gelet op de omvang en het gegeven dat de waterkwaliteit niet nadelig wordt beïnvloed door deze vaartuigen.
Welke oplossing stelt u voor, waarbij er recht wordt gedaan aan het principe van «de vervuiler betaalt», om te voorkomen dat het milieuprobleem veroorzaakt door verwaarloosde boten in de toekomst zal toenemen?
Zie de antwoorden op de vragen 5 tot en met 7.
Het bericht dat het LangeLand Ziekenhuis behouden blijft |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat het LangeLand Ziekenhuis behouden blijft voor Zoetermeer?1
Ik vind het van belang dat de inwoners van Zoetermeer toegang hebben tot kwalitatief goede zorg. Als het LangeLand ziekenhuis daarin een positieve rol kan spelen dan juich ik dat toe.
In welke vorm blijft het ziekenhuis bestaan? Wat wordt het profiel van het ziekenhuis?
Het LangeLand Ziekenhuis laat mij weten dat momenteel samen met de Vierstroom, het Groene Hart Ziekenhuis, de zorgverzekeraars en de 1e lijnorganisaties een regiovisie wordt uitgewerkt. Daarbij wordt aangegeven dat de toegankelijkheid en beschikbaarheid voor basale, essentiële zorgonderdelen zoals de spoedeisende hulp en verloskunde voor Zoetermeer en haar inwoners behouden blijft. Onder meer door nauwe samenwerking met de 1e lijn zou de zorg in de toekomst efficiënter moeten worden ingericht. Voor de hoog complexe zorg met een laag volume geeft Het LangeLand Ziekenhuis aan afspraken te maken met omliggende ziekenhuizen.
Worden er als gevolg van de overname afdelingen gesloten? Zo ja, welke? Wat zijn de gevolgen voor de regio?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de overname van het LangeLand Ziekenhuis gevolgen voor het personeel? Zo ja, welke? Kunt u ontslagen uitsluiten?
Wat de precieze gevolgen zijn voor het personeel is nog niet duidelijk. Door deze oplossing zal de werkgelegenheid voor velen behouden blijven. Dit betekent niet dat er geen mutaties zullen zijn in het personeelsbestand. De RvB van Het LangeLand Ziekenhuis geeft mij aan dat personeel zal afvloeien in de overhead en de facilitaire afdeling en dat er verpleegkundig personeel voor terug komt.
Blijven de spoedeisende hulp en de afdeling klinische verloskunde ook na de overname op het huidige niveau gehandhaafd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat vindt u van de constructie dat specialisten aandelen nemen in een ziekenhuis? Vindt u dit niet risicovol, aangezien dit een prikkel kan vormen tot onnodige productieverhoging, omdat specialisten bij een dergelijke constructie een financieel belang hebben bij een zo hoog mogelijke omzet? Zo neen, waarom niet?
Ik vind het een positieve ontwikkeling dat de partijen betrokken bij het LangeLand Ziekenhuis gezamenlijk voor een oplossing zorgen. Financiële participatie van medisch specialisten zal kunnen bijdragen aan het vergroten van de gelijkgerichtheid van de belangen van ziekenhuis en medisch specialisten. Deze grotere gelijkgerichtheid, overigens ook een belangrijk doel van de per 2015 voorziene invoering van integrale tarieven in de medisch specialistische zorg, heeft naar verwachting een positief effect op de interne organisatie, de kwaliteit en doelmatigheid van de te leveren medisch specialistische zorg.
Welke rol hebben de zorgverzekeraars gespeeld bij deze nieuwe plannen? Beoordeelt u deze als adequaat, gezien de bijzondere particuliere constructie die is bedacht? Zijn zij op een of andere manier betrokken bij de deals die zijn gesloten?
Het LangeLand Ziekenhuis geeft aan dat de verzekeraars gedurende de voorbereiding steeds op de hoogte zijn gehouden van de inhoud van de gesprekken en de gewenste oplossingsrichting. Daarnaast zijn zij zoals vermeld betrokken bij de uitwerking van de regioplannen. Gezien de verantwoordelijkheid die de zorgverzekeraars hebben voor de continuïteit van (cruciale) zorg is het van belang dat zij hierin hun rol vervullen.
Is uw ministerie of de Inspectie voor de Gezondheidszorg op enigerlei wijze betrokken of betrokken geweest bij de huidige tot stand gekomen plannen?
De Raad van Bestuur van Het LangeLand Ziekenhuis heeft de inspectie steeds op de hoogte gehouden van een eventuele overname, met het oog op de gevolgen voor de continuïteit en patiëntveiligheid, overigens zonder vermelding van de overnamepartners. De inspectie is niet betrokken geweest bij de besluitvorming over de constructie of de keuze voor een overnamepartner. Verder is mijn departement niet betrokken in de planvorming.
Hoe beoordeelt u de rol van het particuliere bedrijf Vebego dat onder andere facilitaire diensten levert? Onder welke condities heeft het een indirecte lening van 3 miljoen euro verstrekt?
Het is aan het ziekenhuis om afspraken te maken met haar kapitaalverschaffers. Ik heb hierin geen rol. De NZa en de ACM zien toe op de gemaakte afspraken.
Gaat Vebego nu of in de toekomst facilitaire of andere diensten in het ziekenhuis overnemen?
Het LangeLand Ziekenhuis geeft aan dat zij een eigen facilitair bedrijf heeft dat onderdelen uitbesteed. Vebego is een van de potentiële partners.
Is het waar dat zorgaanbieder Vierstroom AWBZ-geld steekt in de financiering van het LangeLand Ziekenhuis? Zo ja, om hoeveel geld gaat het? Op welke wijze stopt de Vierstroom er geld in? Is dit wettelijk toegestaan? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?
Vierstroom investeert een deel van zijn zogenaamde vrije reserves in Het LangeLand Ziekenhuis. Het is aan de NZa en de ACM om toe te zien op de rechtmatigheid van deze constructie.
Wat is de reden dat de overname door Loek Winter, zoals door u eerder aangegeven, is afgeketst?2
Deze keuze is gemaakt door de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht van het LangeLand Ziekenhuis. Ik heb hierin geen rol. De Raad van Bestuur van het Lange Land Ziekenhuis geeft mij aan dat zij deze keuze heeft gemaakt, omdat hierbij de risico’s voor de bedrijfsvoering, het personeel, de patiënten en de schuldeisers het kleinst zijn.
Hoe beoordeelt u de redding van het LangeLand Ziekenhuis in relatie tot het recente faillissement van het Ruwaard van Putten Ziekenhuis? Deelt u de mening dat de redding van het LangeLand Ziekenhuis schril afsteekt tegen het faillissement van het Ruwaard van Putten Ziekenhuis? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit zijn twee verschillende gevallen die afzonderlijk moeten worden beoordeeld.
De inperking van de internetvrijheid in Singapore |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VS «zeer bezorgd» over internetregels Singapore»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat Singaporese nieuwssites met minstens 50.00 bezoekers een licentie van de overheid moeten hebben? Bent u van mening dat dit de digitale vrijheid in Singapore ernstig kan inperken? Kunt u uw mening toelichten?
Op 28 mei jl. maakte de Singaporese «Media Development Authority» (MDA) bekend dat nieuws-websites die aan bepaalde criteria voldoen per 1 juni 2013 een aparte vergunning nodig hebben. Het gaat om websites die gemiddeld tenminste één nieuwsbericht per week over Singapore plaatsen en een gemiddeld bereik hebben van minimaal 50.000 bezoekers. De MDA heeft tien websites geïdentificeerd die aan de genoemde criteria voldoen. De Singaporese regering beoogt met deze stap de regelgeving voor online nieuws-websites meer in lijn te brengen met die voor «traditionele nieuwsplatforms» (kranten, TV). Voor deze «traditionele» media werden al individuele vergunningen afgegeven.
Het vereiste van een licentie kan op gespannen voet komen te staan met het recht op vrijheid van meningsuiting zoals opgenomen in artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Dit omvat het recht om zonder tussenkomst een mening toegedaan te zijn en de vrijheid om onafhankelijke informatie te zoeken, ontvangen en te delen.
Hoe oordeelt u over het feit dat websites met een licentie binnen 24 uur artikelen moeten verwijderen als de mediawaakhond in Singapore daar opdracht toe geeft? Welke gevolgen verwacht u dat dit zal hebben voor de persvrijheid in Singapore?
De inhoudelijke normen waar deze sites aan moeten voldoen zijn niet veranderd. Deze sites zijn – net als voorheen – verplicht om inhoud, die niet aan de door de MDA gestelde normen voldoen, binnen 24 uur te verwijderen. Het verwijderen van inhoud op verzoek is een vorm van censuur. Het is onduidelijk wat er onder gewraakt materiaal wordt geschaard en welke waarborgen er bestaan om misbruik van deze gronden te voorkomen. In dat opzicht zal deze nieuwe wijze van vergunningverlening vermoedelijk op zichzelf geen grote verandering in de mate van persvrijheid teweeg brengen in Singapore.
Welke gevolgen verwacht u dat deze wet zal hebben voor de mensenrechtensituatie in Singapore en voor Nederlanders in Singapore?
De impact van de nieuwe regelgeving is beperkt. De inhoudelijke normering waaraan de geselecteerde websites moeten voldoen is niet veranderd.
De aankondiging heeft tot onrust geleid in de «online community» in Singapore, omdat gevreesd wordt voor mogelijke uitbreiding van de lijst van nieuws-sites in de toekomst. De Singaporese overheid heeft aangegeven dat «blogs» niet onder de regelgeving zullen vallen en dat kritiek op de overheid geen reden vormt om tot een verzoek tot verwijdering van inhoud over te gaan.
Bent u bereid stappen, eventueel op Europees niveau, te nemen om de vrijheid van meningsuiting en in het bijzonder de internetvrijheid in Singapore te waarborgen? Zo ja, welke stappen bent u bereid in deze te nemen en op welke termijn?
De aankondiging is binnen de EU uitgebreid besproken.
Gezien de beperkte impact van deze specifieke aankondiging ligt een stap richting de Singaporese overheid op dit moment niet voor de hand. De Nederlandse ambassade in Singapore zal dit dossier wel nauwlettend blijven volgen, ook in overleg met EU-partners.