Het bericht dat de prostitutie in Utrecht aan banden is gelegd |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is er precies aan de hand op het Zandpad in Utrecht? Welke gevolgen heeft het besluit om de vergunning(en) voor raamprostitutie in te trekken? Hoeveel sekswerkplekken betreft het precies en hoeveel blijven er nog over?1
Op 11 juli jongstleden heeft het Utrechtse College van Burgemeester en Wethouders aan de laatst overgebleven exploitant van prostitutieramen bekendgemaakt dat zijn lopende vergunningen worden ingetrokken en aanvragen voor nieuwe vergunningen worden geweigerd. Dit betreft in totaal 115 werkruimten. De sluiting is ingegaan per 25 juli. Zodra zich een nieuwe exploitant meldt die aan de regels voldoet en een vergunning krijgt, kunnen er weer werkruimten worden geopend. Inmiddels is de gemeente in gesprek met twee mogelijk nieuwe exploitanten.
Kunt u toelichten waarom hiervoor wordt gekozen? Indien er sprake was van misstanden op de locaties die nu worden gesloten, waren er dan geen andere oplossingen denkbaar, zoals het gericht aanpakken van de betreffende misstanden?
Reden voor de intrekking van de vergunning is dat de gemeente signalen heeft ontvangen van betrokkenheid bij mensenhandel, slecht toezicht, verstoring van de openbare orde en slecht levensgedrag van de exploitant. Het betreft een lokale aangelegenheid. Ik vertrouw erop dat het gemeentebestuur een goede afweging heeft gemaakt tussen de verschillende handelingsopties voordat het tot dit besluit is gekomen.
Erkent u dat het sluiten van plekken, zeker in deze omvang, risico’s met zich meebrengt, zoals het verplaatsen van de vrouwen en het verstoren van hun contact met politie en hulpverleners?
Het intrekken van een vergunning voor raamprostitutie heeft uiteraard gevolgen voor de prostituees die werkzaam zijn op de betreffende locaties. Ik heb begrepen dat de gemeente Utrecht uitgebreide maatregelen heeft getroffen om de prostituees te informeren over de voorgenomen sluiting, de mogelijkheden tot hulpverlening en de mogelijkheden om uit het beroep te stappen. Ook nu de sluiting een feit is blijft de hulpverlening beschikbaar en actief.
Hoe wordt voorkomen dat de vrouwen die op deze locaties werkten nu uit het zicht raken? Hoe lang hebben zij de tijd om een andere werkplek te vinden? Wat gaat de gemeente, de politie en/of uw ministerie doen om eventuele hulpverlening, ondersteuning en/of begeleiding te waarborgen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met het feit dat in de steden met raamprostitutie voor sommige locaties soms exorbitante bedragen als huurprijs worden gevraagd? Deelt u de mening dat hierdoor ook sprake kan zijn van misbruik en/of uitbuiting vanwege de kwetsbare positie van de werkers? In hoeverre is een gemeente en/of uw ministerie in staat om hier iets aan te doen en de werkers in een kwetsbare positie te beschermen? Welke mogelijkheden zijn hiervoor?
De exacte huurprijzen van ramen op verschillende locaties zijn mij niet bekend. De exploitant en de op diens locatie werkende prostituees komen zelf een huurprijs overeen. Het is denkbaar dat vanwege ligging en overige factoren bepaalde locaties gewilder zijn dan andere, hetgeen een hogere huurprijs tot gevolg kan hebben. Een hoge huurprijs hoeft op zichzelf dan ook geen aanwijzing voor misstanden te zijn. Als er aanwijzingen zijn van misbruik, uitbuiting of mensenhandel pakken politie, gemeenten en andere ketenpartners dit aan.
Klopt het dat een politieagent niet zomaar een vrouw achter het raam mag aanspreken en/of controleren wanneer dit niet is vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening? Waarom is dit zo geregeld? Waarom is er niet voor gekozen om dit landelijk te regelen en er voor te zorgen dat iedere zedenrechercheur deze bevoegdheid heeft?
Zedenrechercheurs ontlenen evenals andere politieagenten hun bevoegdheden aan de Politiewet en het Wetboek van Strafvordering. Dat betekent onder andere dat zij niet zonder aanleiding een bedrijfsruimte kunnen binnentreden of iemand kunnen vragen zich te legitimeren. Deze beperkingen dienen ter bescherming van de rechten en vrijheden van burgers.
Bepaalde toezichthouders kunnen wel zonder aanleiding een bedrijfsruimte binnentreden, als dit nodig is ter uitvoering van de aan hen opgedragen controlerende taken. Een gemeente kan ervoor kiezen om politieagenten die lokaal werkzaam zijn aan te wijzen als toezichthouders op de naleving van de APV, waarmee ook zij de bijbehorende bevoegdheden krijgen. Zowel de inhoud van de APV als de wijze waarop toezicht wordt gehouden op de naleving daarvan behoort tot de lokale autonomie van gemeenten en kan dus niet landelijk bepaald worden.
De aanpak van illegale taxi’s en aanbieders van illegale taxidiensten op internet |
|
Betty de Boer (VVD), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het toenemende aanbod aan illegale taxidiensten op internet?
Ik ben bekend met het feit dat op internet illegale taxidiensten worden aangeboden.
Deelt u de mening dat illegale taxidiensten, ook die via Facebook worden aangeboden, aangepakt dienen te worden omdat ze onder andere belasting ontduiken, oneerlijk concurreren met gecertificeerde taxibedrijven en een veiligheidsrisico voor de passagier met zich meebrengen?
Ja, die mening deel ik.
Wat is de omvang van het aantal illegale taxi’s ten opzichte van het aantal gecertificeerde taxi’s?
De omvang van de illegale taximarkt is niet vast te stellen en daardoor is een eventuele toe- of afname niet te verifiëren. Snorders zijn niet als taxi’s herkenbaar. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) registreert weliswaar kentekens van vermoedelijke snorders die zij via diverse kanalen ontvangt, maar vaak zijn die snorders na verloop van tijd niet meer traceerbaar omdat zij actief zijn geworden onder andere kentekens.
Bent u van mening dat de inzet van de politie en de inspectie om illegale taxi’s aan te pakken afdoende is? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot signalen over een toenemend aanbod van illegale taxi’s? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om het aanbieden van illegale taxidiensten, in het bijzonder via internet, tegen te gaan?
De ILT en de politie zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Wet Personenvervoer 2000 waarin het taxivervoer is geregeld. In relatie tot de beschikbare capaciteit wordt daarbinnen veel tijd besteed aan de bestrijding en opsporing van illegaal taxivervoer. Naar aanleiding van ontvangen signalen over een toename van illegale taxidiensten is de aanpak verder aangescherpt. Meer informatie hieromtrent kunt u tegemoet zien in de toegezegde voortgangsrapportage aan uw Kamer in september 2013 in antwoord op de motie van de leden Bashir en Elias (Kamerstuk 33 400 XII, nr.23) om de ILT prioriteit te laten geven aan de aanpak van illegale straattaxi’s.
Hoe vaak zijn het afgelopen jaar aanbieders via internet van illegale taxidiensten actief benaderd met een zogenoemde «snordersbrief», een waarschuwingsbrief of -e-mail waarin gewezen wordt op het vermoeden dat er illegaal betaald vervoer wordt verricht en de strafbaarheid daarvan?
Aanbieders van illegaal taxivervoer op internet worden door de ILT eerst telefonisch benaderd en erop gewezen dat zij zich schuldig maken aan een strafbaar feit. Tevens worden zij erop gewezen dat bij constatering van het vervoeren van personen tegen betaling of het aanbieden daarvan, tegen hen proces verbaal kan worden opgemaakt. Aanbieders ontvangen na het telefonische contact nog een waarschuwingsbrief van de ILT waarin zij schriftelijk nogmaals worden gewezen op de mogelijke gevolgen indien voortzetting plaatsvindt van de illegale activiteiten. In 2013 zijn tot nu toe circa 60 waarschuwingsbrieven verstuurd.
Hoe vaak zijn het afgelopen jaar die aanbieders na toestemming van het Openbaar Ministerie gebeld voor een rit? Hoe vaak zijn er tijdens een dergelijke rit snorders aangehouden of is er een proces-verbaal en/of last onder dwangsom opgelegd?
ILT belt geen aanbieders van illegale taxidiensten op internet voor een rit. Het aanbieden op zich is al strafbaar. De aanpak van de ILT is in eerste instantie correctief. Via een waarschuwing (zie antwoord op vraag 5) worden aanbieders in de gelegenheid gesteld de informatie op internet te wijzigen of te verwijderen. Bij herhaalde constatering wordt door de ILT proces verbaal opgemaakt en een last onder dwangsom opgelegd.
Hoe vaak zijn het afgelopen jaar beheerders van dergelijke sites/pagina’s, waar illegale taxidiensten worden aangeboden, er van op de hoogte gesteld dat zij in strijd met de wet handelen?
De ILT richt zich rechtstreeks op de aanbieders van illegale taxidiensten op internet en overweegt haar aandacht ook op providers te gaan richten.
Van hoeveel illegale taxichauffeurs is in het afgelopen jaar op last van de Officier van Justitie de auto in beslag genomen?
In beslagname van auto’s gebeurt in de regel door de politie. Het aantal op last van de Officier van Justitie in beslag genomen auto’s van snorders wordt niet apart geregistreerd. Deze aantallen zijn daarom niet bekend.
Het bericht dat nieuwe bloedverdunners dodelijke maag-darmbloedingen kunnen veroorzaken |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat nieuwe antistollingsmiddelen (NOAC’s) dodelijke maag-darmbloedingen kunnen veroorzaken? Is het gegeven dat de kans op maag-darmbloedingen 45% hoger ligt dan bij de traditionele antistollingsmiddelen niet verontrustend?1
Juist omdat het hier gaat om een nieuwe behandelingsmethode met potentiële risico’s is op verzoek van VWS door de Orde van Medisch Specialisten in samenwerking met de Wetenschappelijke Verenigingen een Leidraad ontwikkeld voor de begeleide introductie van deze nieuwe middelen.
In deze Leidraad is de uitkomst van onderhavig onderzoek, dat de NOAC’s een verhoogd risico op gastro enterale (GE) bloedingen geven, meegenomen. In de Leidraad staat dan ook dat er terughoudendheid geboden is bij het voorschrijven van NOAC’s bij personen die verhoogd risico op (GE) bloedingen hebben. Tegenover het licht verhoogde risico op GE bloedingen staat overigens wel een veel lager risico op ernstige hersenbloedingen. Het blijft bij het voorschrijven altijd zoeken naar de balans.
Hoe reageert u op de stelling van de onderzoeker dat het risico «in het dagelijks leven nog hoger zal zijn omdat in klinisch onderzoek altijd bij ideale patiënten wordt getest, terwijl patiënten in de praktijk vaak ook andere medicijnen slikken (zoals aspirines) die de maagwand aantasten»?
In zijn algemeenheid klopt het dat in de praktijk risico’s anders liggen dan in een ideale onderzoekssituatie. Dit geldt ten algemene voor het gebruik van geneesmiddelen. Gelet op de specifieke risico’s bij het gebruik van de NOAC’s, hebben de beroepsgroepen een Leidraad ontwikkeld en adviseert deze Leidraad terughoudendheid met betrekking tot het voorschrijven van de NOAC’s bij personen met een verhoogd bloedingrisico.
Hoe oordeelt u over het gegeven dat het risico toeneemt bij interacties met veel gebruikte cardiovasculaire medicatie?
Ook hier geldt dezelfde terughoudendheid zoals is aangegeven bij de beantwoording van de vragen 1 en 2.
Hoe reageert u op de stelling van nationale en internationale deskundigen dat het zorgelijk is dat deze middelen zo snel op de markt zijn gebracht terwijl er nog geen blokkade-medicijn op de markt is? Hoe beoordeelt u het standpunt van de hoofdredacteur van het Geneesmiddelenbulletin die van mening is dat de middelen dabigatran en rivaroxaban te vroeg op de markt zijn gebracht, omdat er nog geen goed antidotum is?2
De registratie autoriteiten hebben de afweging gemaakt of het verantwoord is om deze middelen een handelsvergunning te verlenen. In deze afweging is het wel of niet beschikbaar zijn van een anti-dotum meegewogen.
Ik vertrouw op de expertise van de registratie autoriteiten in deze.
Hoeveel meldingen van bijwerkingen zijn bij het bijwerkingencentrum Lareb binnengekomen over de NOAC’s sinds het in het basispakket is opgenomen? Wat was de aard van die meldingen? Zijn daar ook meldingen van bijwerkingen met dodelijke afloop bij? Zo ja, hoeveel?
De nieuwe antistollingsmiddelen worden al langer vergoed, zij het slechts voor de beperkte indicatie knie- en heupoperaties. Sinds december 2012 is de aanspraak op de nieuwe antistollingsmiddelen rivaroxaban en dabigatran verruimd met de indicatie atriumfibrilleren, waardoor een potentieel grote patiëntengroep ook met deze middelen behandeld zou kunnen worden.
Het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) volgt intensief het gebruik en de risico’s van de nieuwe antistollingsmiddelen (dabigatran, rivaroxaban en apixaban) o.a. aan de hand van de ontvangen meldingen van mogelijke bijwerkingen van het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb. De middelen worden ook actief gevolgd met het Lareb Intensive Monitoring Systeem.
Daarnaast is er voor ieder nieuw antistollingsmiddel een Risk Management Plan (RMP) opgesteld. Op basis van dit plan worden maatregelen genomen om mogelijke gezondheidsrisico’s gerelateerd aan het gebruik te beperken.
In totaal heeft Lareb tot 29 juli 2013 138 meldingen van bijwerkingen bij dabigatran en 101 bij rivaroxaban ontvangen. Bij deze 239 meldingen was er in 11 gevallen sprake van overlijden. Hierbij is er sprake van een diffuus beeld en verschillende oorzaken, waarbij de relatie met deze middelen niet vast staat en soms ook onwaarschijnlijk is.
Op beide middelen zijn meldingen op bloedingen ontvangen; op rivaroxaban ook enkele meldingen van longembolieën; op het middel dabigatran ontving Lareb enkele meldingen van een herseninfarct.
Uit de laatste analyse van Lareb blijkt dat het bijwerkingenprofiel zowel met betrekking tot het middel rivaroxaban als dabigatran, grotendeels overeenkomt met de gegevens in de officiële productinformatie voor arts en apotheker.
Het is aan het CBG in samenwerking met de Europese registratie autoriteiten om op basis van gegevens uit de praktijk, de afweging te maken of de balans tussen werkzaamheid en risico’s nog positief is, of dat verdere maatregelen moeten worden genomen. Op dit moment is daar geen aanleiding toe.
Lareb heeft de meldingen ter beoordeling voorgelegd aan het CBG. Het CBG benadrukt dat voor deze nieuwe antistollingsmiddelen een positieve balans tussen werkzaamheid en risico’s is vastgesteld. Deze middelen zijn goedgekeurd voor een aantal verschillende indicaties. Het risico van maag-darmbloedingen bij het gebruik van deze geneesmiddelen is bekend en hier wordt ook voor gewaarschuwd in de productinformatie voor arts en apotheker (SmPC). Deze risico’s zijn meegenomen bij het wegen van de werking en risico’s van deze middelen ten tijde van hun registratie en worden ook daarna gevolgd.
Is het bericht dat NOAC’s een sterk verhoogd risico geven op maag-darmbloedingen voor u reden de NOAC’s alsnog van de markt te halen, zeker ook uitgaande van het goede principe in de zorg: primum non nocere? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer? Welk criterium hanteert u om de schade alsnog acceptabel te vinden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid in Nederland met zijn uniek georganiseerde netwerk van trombosediensten een onderzoek te verrichten naar de veiligheid, werkzaamheid en kosteneffectiviteit van de nieuwe antistollingsmiddelen bij de indicatie atriumfibrilleren? Zo neen, waarom niet?
Dit onderzoek is al ingezet in samenwerking met ZonMw en de betrokken beroepsverenigingen.
De gewelddadigheden rondom de opening van een “LGBT support center” in Skopje, Macedonië op 22 juni 2013 |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat tijdens het openingsevent van de Pride Week in Macedonië een groep anti-homodemonstranten het ondersteuningscentrum voor LGBT (Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender) in Skopje heeft aangevallen, waar op dat moment een bijeenkomst gaande was georganiseerd door LGBT United Macedonia?1
Ja.
Heeft u over dit incident contact gehad met de Nederlandse ambassade in Macedonië naar aanleiding waarvan deze namens Nederland een veroordeling over deze acties heeft uitgesproken?2
Uiteraard heeft contact plaatsgevonden tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en de ambassade over het incident. Het beschermen en bevorderen van gelijke rechten voor lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender (LHBT-)personen is een van de speerpunten van het Nederlands buitenlands beleid, zoals onder meer opgenomen in de beleidsbrief «Respect en recht voor ieder mens» die uw Kamer op 14 juni jl. toeging.
Heeft u inmiddels contact gehad met uw Macedonische collega over deze gebeurtenissen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was zijn verklaring en reactie op de gewelddadigheden van de groep anti-homodemonstranten?
Op 26 juni jl. heeft de Nederlandse ambassadeur de Nederlandse zorgen in een persoonlijk gesprek met de Macedonische minister van Buitenlandse Zaken nader toegelicht en opnieuw aangedrongen op adequate bescherming tegen en publiekelijk veroordeling van geweld tegen LHBT-personen en -organisaties. De minister was op de hoogte van de verklaring van de ambassade, en nam kennis van de Nederlandse zorgen.
Heeft u contact gehad met uw Macedonische collega over de oproep van de Nederlandse ambassade aan zijn adres om de gewelddadigheden van de groep anti-homodemonstranten te veroordelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was zijn reactie op de oproep?
Zie antwoord op vraag 3. Naast de verklaring van de Nederlandse ambassade te Skopje en het onderhoud van de Nederlandse ambassadeur met minister Poposki, zijn de Nederlandse zorgen tevens aan de Macedonische ambassade in Den Haag kenbaar gemaakt. Ook heeft Nederland in de EU-raadswerkgroep voor de Westelijke Balkan zijn zorgen uitgesproken over het incident. Op Nederlands initiatief zal de EU haar zorgen over het incident tevens kenbaar maken tijdens de tiende bijeenkomst van de Stabilisatie- en Associatieraad met Macedonië, voorzien op 23 juli 2013.
Kunt u meer informatie geven over de toedracht van deze gewelddadige aanval en de achtergrond van de groep anti-homodemonstranten?
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat in het jaarlijks rapport van de «Rainbow Europe Index 2011», uitgevoerd door de International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association Europe branch (ILGA-Europe) Macedonië – een kandidaat lidstaat van de Europese Unie – het land blijkt waar het het slechtst gesteld is met de waarborging van (juridische) bescherming van LGBT en de situatie voor LGBT in het land lijkt te verslechteren?
Kunt u – mede gezien het belang dat in de mensenrechtennota van het kabinet wordt gehecht aan de waarborging en verbetering van de rechten van LGBT – toezeggen dat u zich ook in Europees verband zult inzetten om de rechten van LGBT in Macedonië te verbeteren en bij uw Europese collega’s zult aandringen op het ondersteunen van de regering van Macedonië in dit proces?
De uitvoering van de kinderasielregeling |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij grensgevallen een voornemen tot een reisverbod stuurt naar aanvragers van een vergunning op grond van de regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen, terwijl de aanvraagprocedure nog loopt? Is deze procedure standaard? Zo ja, waarom? In hoeveel gevallen is een dergelijk voornemen reeds verstuurd? Zo nee, op welke gronden kan zo’n voornemen worden verzonden voordat een beslissing is genomen op de aanvraag?
Bij de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag op grond van een regulier verblijfsdoel, waaronder de speciale regeling voor langdurig verblijvende kinderen, bekijkt de IND of de aanvraag kans van slagen heeft of niet. Ook beoordeelt de IND of bij een afwijzing van de aanvraag een vertrektermijn moet worden onthouden en een inreisverbod kan worden opgelegd.
Een afwijzing gaat niet zonder meer gepaard met een inreisverbod. Wanneer de IND van oordeel is dat in een individuele zaak mogelijk een inreisverbod moet worden uitgevaardigd, verstuurt zij vóórdat op de verblijfsaanvraag wordt beslist de aanvrager een brief waarin staat dat de mogelijkheid om een inreisverbod op te leggen nader wordt bestudeerd. Deze brief is bedoeld om de vreemdeling de gelegenheid te bieden omstandigheden aan te voeren, die aan het opleggen van een inreisverbod in de weg staan. Het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht, verplicht hiertoe. De zienswijze wordt betrokken bij het uiteindelijke besluit.
Om verwarring te voorkomen, zal ik de brief laten aanpassen, zodat de bedoeling van de brief duidelijker wordt en tevens helder is dat de brief niet vooruitloopt op de beslissing op de verblijfsaanvraag.
Is dit de wijze waarop u in het kader en in de geest van het regeerakkoord invulling hebt willen geven aan de kinderasielregeling?1
Ja.
Deelt u de mening dat het voortijdig verzenden van een voornemen van een inreisverbod tot veel verwarring kan leiden bij de aanvragers, omdat zij op grond van artikel 8 Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf hebben als zij nog in afwachting zijn van de beslissing op hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u deze praktijk wijzigen?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze heeft u invulling gegeven aan uw toezegging om een aanvraag van een vergunning op grond van de overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen toch toe te wijzen, ondanks dat niet aan alle voorwaarden maar wel aan de hoofdvoorwaarden is voldaan en dat anders wordt bekeken of deze aanvragen niet om een andere reden discretionair afgedaan kunnen worden?2
Een vluchtend gezin voor Marokkaanse intimidatie |
|
Louis Bontes (PVV), Joram van Klaveren (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Louis Bontes (PVV), Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gezin vlucht voor tuig»?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom de politie niet gezorgd heeft dat de Marokkaanse terreurplaag werd gestopt en wat gaat de politie doen om het tuig aan te pakken en te straffen?
De gemeente Amsterdam heeft mij desgevraagd laten weten bekend te zijn met de onderhavige casus. De incidenten die zich de afgelopen tijd rondom het gezin hebben voorgedaan zijn door de gemeente beoordeeld. Daarbij is de conclusie getrokken dat de incidenten onvoldoende verband met elkaar houden om te kunnen worden aangemerkt als hardnekkig treiteren in de zin van de zogenaamde Amsterdam treiteraanpak. Deze aanpak is bedoeld voor structurele treiterijen, bedreigingen en overlast die gericht zijn tegen een specifiek persoon of huishouden en voorziet als ultimum remedium in een gedwongen verhuizing van de daders van treiterijen.
Dat de Amsterdamse treiteraanpak in dit geval niet geïndiceerd was laat onverlet dat er wel degelijk door de politie is opgetreden. De politie heeft onderzoek verricht naar de incidenten waarmee de genoemde familie is geconfronteerd en in drie zaken is het dossier aan het openbaar ministerie overgedragen. In een van die zaken concludeerde het OM dat er onvoldoende aanknopingspunten waren voor een strafrechtelijk onderzoek. In de andere twee zaken is wel een onderzoek gestart en in een geval ook al afgerond. De verdachte in die zaak zal over de vervolgingsbeslissing worden geïnformeerd. De beslissing om de resultaten van dit optreden niet langer af te wachten en te verhuizen is in dit geval een keuze geweest van de familie zelf. Uiteraard is het te betreuren als mensen zich om dit soort redenen gedwongen voelen te verhuizen.
Hoe oordeelt u over het feit dat niet het Marokkaanse tuig is gestraft en gedwongen is te verhuizen maar een geterroriseerd gezin dat al zoveel ellende heeft ondervonden van de situatie?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke manier Nederland beter is geworden van de massa-immigratie, kijkend naar de criminaliteitstatistieken?
Het baart zorgen dat het integratieproces bij een deel van onze inwoners te langzaam gaat of stokt. Tegelijk moet erkend en gevierd worden dat velen zich op eigen kracht weten te onttrekken aan de negatieve teneur die uit de statistieken spreekt. In contrast met de overlast en criminaliteit staan de prestaties in het onderwijs. De vooruitgang die de tweede generatie migranten geboekt heeft op het terrein van onderwijs biedt hoop voor de toekomst.
Het integratieproces vraagt om de volle aandacht, omdat het de samenleving als geheel raakt. Dit kabinet staat voor een Nederland waarin iedereen gelijke kansen krijgt, ongeacht zijn of haar afkomst. Van nieuwkomers mag verwacht worden dat zij deze kansen grijpen.
Erkent u inmiddels dat er sprake is van een Marokkanenprobleem? Zo neen, bent u bereid zelf te gaan wonen in de buurt waar het geterroriseerde gezin is weggejaagd?
Het kabinet onderkent dat bepaalde groepen meer overlast en criminaliteit veroorzaken dan andere. De aanpak van (jeugd)criminaliteit is één van de speerpunten van dit kabinet. De oplossing ligt in een combinatie van repressie van crimineel gedrag, preventieve activiteiten gericht op het verbeteren van de uitgangspositie van deze jongeren, het voorkomen van grensoverschrijdend gedrag en opvoedingsondersteuning. Ouders hebben de verantwoordelijkheid hun kinderen goed op te voeden en daar hoort bij dat zij grenzen stellen aan gedrag, thuis en op straat. Indien ouders problemen ondervinden met de opvoeding dienen zij daarbij ondersteuning te zoeken.
In de aanpak wordt geen onderscheid naar etniciteit gemaakt. Wel is het uiteraard zo dat de groepen die vaker problemen veroorzaken navenant meer met deze aanpak in aanraking zullen komen.
Bent u bereid alles op alles te zetten om te zorgen dat criminelen met een dubbele nationaliteit – en dat zijn uitzonderlijk vaak Marokkanen – na denaturalisatie en straf, ons land worden uitgezet?
Wanneer sprake is van het begaan van strafbare feiten dan is het aan de rechter om te beoordelen welke straf passend is, gelet op het delict, de persoon van de dader(s) en het aangedane leed. De intrekking van de Nederlandse nationaliteit en uitzetting wegens een veroordeling voor commune misdrijven is niet mogelijk.
De samenwerking tussen de EU en de Organisation of Islamic Cooperation (OIC) |
|
Barry Madlener (PVV), Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u vernomen dat de OIC de status van permanente waarnemer bij de EU heeft verkregen en dat Commissievoorzitter Barroso bij die gelegenheid heeft gesproken met de secretaris-generaal van de OIC over verbetering van de samenwerking tussen beide organisaties?1
Ja.
Deelt u de mening dat de OIC een organisatie is van voornamelijk islamitische dictaturen, die er blijkens de artikelen 24 en 25 van hun verklaring van Caïro op uit zijn om de mensenrechten te knevelen door ondergeschikt making daarvan aan de sharia?2 Deelt u de mening dat dit ook blijkt uit het OIC-beleid om de kritiek op de islam aan banden te leggen?
Nee. Hoewel de Caïro-declaratie ingaat tegen zowel de letter als de geest van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, legt deze verklaring geen wettelijke verplichting op. Bovendien gaat het om een verklaring die meer dan twintig jaar geleden werd opgesteld. Passages die in strijd zijn met de universaliteit van de rechten van de mens, zijn sindsdien ook binnen de OIC vaker gerelativeerd.
Wilt u in de krachtigst mogelijke bewoordingen afstand nemen van de recente uitlating van de secretaris-generaal van de OIC, Ekmeleddin Ihsanoglu, «dat er een religieuze vervolging van moslims is in het Westen»3? Zo neen, waarom niet?
De woorden van de secretaris-generaal voor zijn rekening.
Is het u bekend dat de OIC, onder aanvoering van deze secretaris-generaal, een campagne heeft gevoerd om te bevorderen dat in het internationaal recht kritiek op de islam aan banden wordt gelegd4?
Ja. De OIC diende in de VN-mensenrechtenfora eerder resoluties in over godsdienstlastering. De laatste jaren is hiervan echter geen sprake meer.
Weet u ook dat deze secretaris-generaal zijn strijd blijft voortzetten om islamkritiek aan banden te leggen door het bevorderen van sancties5?
Nee. Wel heeft de OIC al geruime tijd veel aandacht voor het tegengaan van religieuze intolerantie.
Wilt u bevestigen, dat u het beleid van uw ambtsvoorganger, minister Rosenthal, onverkort voortzet, voor zover inhoudende dat Nederland bezwaar maakt tegen de internationale lobby van de OIC om de vrijheid van meningsuiting in te perken ter bescherming van religies6? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat heeft u gedaan om die beleidslijn uit te voeren en wat gaat u daartoe in de toekomst doen?
Ja. Nederland zet zich in EU-verband onverkort in voor de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Nederland doet dat door in de onderhandelingen in de VN-mensenrechtenfora consequent een mensenrechtenbenadering te hanteren en te benadrukken dat individuen – en niet religies of levensovertuigingen – rechtenhouders zijn.
Deelt u de mening dat de OIC in Europa niets te zoeken heeft en contacten van de Nederlandse overheid en van de EU met die organisatie uitermate onwenselijk zijn en vermeden moeten worden?
Nee.
Wilt u bevorderen dat de waarnemersstatus van de OIC bij de EU zo snel mogelijk wordt opgeheven?
Nee.
Indien uw antwoord op de voorgaande twee vragen negatief zou zijn: waarom wilt u dat er contacten bestaan met een organisatie waar islamitische dictaturen de toon zetten en die tot doel heeft om de mensenrechten ondergeschikt te maken aan de sharia?
Zie mijn antwoorden op de vragen 2 en 6.
Eerherstel van “Indië-weigeraars” |
|
Angelien Eijsink (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de arresten van Hoge Raad van 25 juni 2013 met betrekking tot aanvragen van herziening van straffen tegen zogenoemde «Indië-weigeraars»?1
Ja.
Deelt u de mening van de Hoge Raad dat indien de maatschappelijke opvattingen over de strafwaardigheid van de genoemde zijn veranderd, het aan «de politieke en wetgevende organen is» om te beoordelen of de «gevolgen van een dergelijke veroordeling (moeten) worden geredresseerd»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de opvatting het in dit geval aan de politiek is om maatschappelijke opvattingen al dan niet om te zetten in beleid en maatregelen. Zie ook het antwoord op de vragen 5, 6 en 7.
Deelt u de mening dat met de toenmalige kennis en opvattingen over de strijd in het voormalig Nederland-Indië de keuze van individuele mannen om wel aan de gewapende strijd daar deel te nemen, ook gerechtvaardigd was? Zo ja, kunt u uw mening toelichten? Zo nee, waarom niet?
Aan de gewapende inzet van Nederlandse militairen in het toenmalige Nederlands-Indië lagen democratisch gelegitimeerde besluiten ten grondslag. Een grote meerderheid van de Tweede Kamer steunde het kabinetsbeleid. De Hoge Raad wijst er verder op dat de wet destijds voorzag in een uitputtende regeling voor gewetensbezwaarden. Militairen die hebben deelgenomen aan de gewapende inzet in Nederlands-Indië en zich daarbij aan de wetten en regels hebben gehouden, kunnen dan ook niet aan de hand van de hedendaagse normen worden aangesproken. Ook zij verdienen waardering en respect.
Deelt u de mening dat rehabilitatie van genoemde voormalige dienstweigeraars en erkenning van hun gewetensbezwaren achteraf, niets ten nadele betekenen voor de individuele inzet en opvattingen van degenen die toentertijd wel hebben meegedaan aan de strijd in het voormalig Nederlands-Indië? Zo ja, kunt u uw mening toelichten? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat, gezien hetgeen over de aard van het Nederlandse militaire ingrijpen in het voormalige Nederlands-Indië bekend is geworden en gezien de veranderde opvattingen over de erkenning van ernstige (politieke) gewetensbezwaren, ook de opvattingen over de strafwaardigheid van de gedragingen van toenmalige dienstweigeraars veranderd kunnen zijn? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zoals uiteengezet in de brief van 17 september 2012 (Handelingen TK 2011–2012, nr. 3479) hebben rechters destijds het gedrag van personen getoetst aan de toenmalige normen en wetten. Dit heeft in sommige gevallen geleid tot het opleggen van een sanctie. Ik acht het niet zorgvuldig de toetsing van het gedrag van individuele personen in algemene zin te herbeoordelen aan de hand van hedendaagse normen en met de wetenschap van nu. Daarmee is een verkenning van de mogelijkheden tot herbeoordeling niet aan de orde.
Acht u rehabilitatie anders dan via de weg van herziening van een vonnis mogelijk? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Over welke mogelijkheden beschikt u om voor rehabilitatie te zorgen van gewetensbezwaarde dienstweigeraars die met de kennis en opvattingen van nu wellicht geen straf meer zouden hebben verdiend? Acht u die mogelijkheden toereikend? Zo ja, gaat u van die mogelijkheden gebruik maken? Zo ja, hoe en op welke termijn? Zo nee, waarom niet? Hoe gaat u er voor zorgen dat u wel voor rehabilitatie kunt zorgen?
Zie antwoord vraag 5.
De rol van de Rijksoverheid bij het inpassen van windparken in de provincie Drenthe |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de inpassing van de beoogde projecten voor windparken in de provincie Drenthe onder de verantwoordelijkheid valt van het Rijk, aangezien al deze projecten groter zijn dan 100 MW?
Ja, het beoogde windpark «De Drentse Monden en Oostermoer» heeft een omvang groter dan 100 MW en valt derhalve overeenkomstig de Elektriciteitswet 1998 van rechtswege via de rijkscoördinatieregeling (RCR) onder de verantwoordelijkheid van het Rijk.
Bent u bekend met het feit dat de Gedeputeerde Staten van Drenthe aangeven deze verantwoordelijkheid op zich te willen nemen?1
Ik heb kennisgenomen van de antwoorden van 30 mei jl. van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe op de vragen van de Statenleden van GroenLinks, de heer Kuipers en mevrouw Van Dinteren.
Op 22 januari 2013 heb ik samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu afspraken gemaakt met het IPO over de inpassing van 6000 MW windenergie op land. Daarbij geldt voor de RCR-procedure windpark «De Drentse Monden en Oostermoer» in de provincie Drenthe hetgeen in de brief van 14 maart jl. van de Minister van Infrastructuur en Milieu en mij aan IPO is aangegeven:
Dit is tijdens een bestuurlijk platform door het Rijk met de provincie en initiatiefnemers afgesproken.
Op welke wijze bent u van plan de regie bij de Rijksoverheid te houden?
Zoals in de ontwerpStructuurvisie Windenergie op land opgenomen, zal ik samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu de regierol invullen overeenkomstig hetgeen daarvoor wettelijk is geregeld in de RCR. Daarbij gaan wij als volgt te werk. Bij windenergieprojecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen wordt door het Rijk samenwerking gezocht met de initiatiefnemers en de betreffende bestuurders van de provincie en gemeenten. Meestal wordt er onder voorzitterschap van de provincie een stuurgroep ingesteld voor overleg en afstemming over het desbetreffende windproject.
In het geval van RCR-windpark «De Drentse Monden en Oostermoer», is er een bestuurlijk platform ingesteld met de volgende deelnemers: de wethouders van de gemeenten Borger-Odoorn en Aa en Hunze, de gedeputeerden van de provincie Drenthe, de initiatiefnemers, de MER-adviseur en vertegenwoordigers van de Ministeries van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken.
Het betreft een platform, waarin overleg, afstemming en informatievoorziening plaatsvindt. Besluitvorming met betrekking tot de ruimtelijke inpassing is en blijft voorbehouden aan het Rijk. Het gaat hier immers om een project dat krachtens de Elektriciteitswet 1998 is aangemerkt als een nationaal belang waarvoor het Rijk de verantwoordelijkheid draagt. In aanvulling op de ruimtelijke inpassing coördineert de Minister van Economische Zaken de besluitvorming en bekendmaking van de overige benodigde besluiten (vergunningen, ontheffingen).
De bevoegdheid tot het nemen van die besluiten blijft in beginsel bij het daartoe bevoegde gezag.
Bent u bereid de twee lopende beoogde projecten voor windparken (de Drentse Monden en Oostermoer) en één variant uit de provinciale gebiedsvisie windenergie onafhankelijk van elkaar in het MER-onderzoek te beoordelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de daaruit voortkomende beste optie voor windenergie in Drenthe uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, in het plan-MER zijn globaal drie varianten onderzocht van de initiatiefnemers en de variant uit de provinciale gebiedsvisie.
Op dit moment wordt het project-MER voorbereid, waarbij voor het windpark tot in detail opstellingsvarianten van windmolens worden onderzocht. Uitgangspunt daarbij is de opstellingsvariant die in het plan-MER het beste scoorde en een omvang heeft van maximaal 255 MW. Daarbinnen zal de variant uit de provinciale gebiedsvisie aandacht krijgen.
Na afweging van alle belangen zal het Rijk uiteindelijk een ontwerpinpassingsplan vaststellen.
Een Brits inreisverbod voor islamcritici |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Pamela Geller And Robert Spencer Banned From The UK By Home Office, Due To Speak At EDL Woolwich Rally»?1
Ja.
Heeft u ook kennisgenomen van de brief die Pamela Geller daarover heeft ontvangen van de minister van Binnenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk?2
Ik heb kennisgenomen van de brief zoals die op de website is gepubliceerd.
Deelt u de mening dat de vrees dat een meningsuiting wellicht zou kunnen leiden tot geweldpleging door anderen, geen reden zou mogen zijn om die meningsuiting te belemmeren? Zo neen, waarom niet?
Ik deel uw mening dat het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting een belangrijke taak van de overheid is. Het beschermen van de openbare orde is dat ook. Waar de vrijheid van meningsuiting gevolgen kan hebben voor de openbare orde, is het derhalve aan de autoriteiten – in dit geval de Britse autoriteiten – om per geval zorgvuldig af te wegen hoe met die situatie dient te worden omgegaan.
Deelt u de mening dat in zo’n situatie de overheid alles op alles moet zetten om de vrije meningsuiting te waarborgen en geweld door aanhangers en vrienden van de islam tegen te gaan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u de Engelse regering herinneren aan haar politieke inreisverbod voor Geert Wilders en het feit dat een Engelse rechter van dat verbod later gehakt heeft gemaakt?3
Ik heb geen reden om aan te nemen dat de Britse regering niet op de hoogte is van de door u genoemde rechterlijke uitspraak, noch dat het Britse Home Office het belang van vrije meningsuiting niet heeft meegewogen in de beslissing over mevrouw Geller en de heer Spencer.
Wilt u het ongenoegen van de Nederlandse regering over dit dhimmigedrag van de minister van Binnenlandse Zaken aan de Engelse regering overbrengen en haar vragen niet meer te bezwijken voor islamitisch geklaag en dreigementen, als mensen gebruik willen maken van hun recht op vrije meningsuiting? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Problemen met de ouderbijdrage in het onderwijs |
|
Jasper van Dijk (SP), Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Op een zwarte school is wel plek»?1
Ik ben van mening dat iedere school een transparante toelatingsprocedure moet hanteren. Bovendien kan een schoolbestuur leerlingen niet weigeren op grond van sociale status, afkomst of een taalachterstand. Daarnaast kan de (vrijwillige) ouderbijdrage nooit een drempel vormen voor minder draagkrachtige ouders.
Hoe oordeelt u over scholen die een ouderbijdrage hanteren van honderden euro’s per jaar, waardoor arme gezinnen worden afgeschrikt?
De ouderbijdrage mag nooit een belemmering vormen voor minder draagkrachtige ouders, omdat deze bijdrage vrijwillig is. Scholen moeten ouders in hun schoolgids wijzen op het vrijwillige karakter van de bijdrage. Dit is helder geregeld in de WPO. Indien scholen zich niet aan de wet houden, treedt de inspectie handhavend op en dienen zij hun handelen in overeenstemming met de wet te brengen.
Deelt u de mening dat de ouderbijdrage altijd vrijwillig dient te zijn en dat ouders hierop gewezen dienen te worden indien zij een overeenkomst moeten tekenen?
Ja. Scholen dienen ouders altijd van de vrijwilligheid van de ouderbijdrage op de hoogte te stellen, onder andere door dit in de schoolgids te vermelden. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om de ouderbijdrage aan een maximum te verbinden, zodat deze geen belemmering kan vormen voor arme gezinnen? Zo nee, hoe voorkomt u dat scholen dit middel inzetten om leerlingen te selecteren?
Nee. Ik ben niet voornemens de ouderbijdrage te maximeren. Dat is ook niet nodig, omdat de oudergeleding van de MR vooraf moet instemmen met de hoogte en de bestemming van de ouderbijdrage. De randvoorwaarden voor deze interactie liggen vast in de WMS, ouders zijn hiermee wettelijk in positie gebracht. Dat scholen daarbij ouders in de schoolgids moeten wijzen op het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage, heb ik bij vraag 2 reeds genoemd. Daar waar de inspectie constateert dat scholen zich niet aan deze wettelijke vereiste houden, treedt de inspectie handhavend op.
Bent u bereid om een vast aanmeldmoment voor scholen te stimuleren, opdat de segregatie in het onderwijs wordt tegengegaan?
Nee. Het tegengaan van segregatie is lokaal belegd. De lokale educatieve agenda’s bieden de gemeenten voldoende ruimte om segregatie met schoolbesturen te bespreken en maatwerkoplossingen te kiezen. Graag verwijs ik in mijn antwoord ook naar het op 13 april 2012 aan u verzonden Evaluatieonderzoek Pilots Gemengde Scholen (Kamerstuk 31 293, nr. 139).
De stand van zaken met betrekking tot de vaccinatie van geiten tegen Q-koorts |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is de voortgang met betrekking tot de verplichting voor geitenhouders om uiterlijk 1 augustus 2013 alle geiten te vaccineren tegen Q-koorts?
Volgens het registratiesysteem heeft 24% van de houders hun dieren gevaccineerd (peildatum 1 juli). Dit is een maand voor de einddatum (1 augustus) van de vaccinatiecampagne voor professionele houders van melkgeiten en melkschapen. In 2.012 had 20% van alle melkproducerende geiten- en schapenbedrijven op dit moment de Q-koorts vaccinatie geregistreerd.
Op 1 augustus 2012 was dat 82%.
Veehouders moeten de vaccinatie registreren in het I&R-systeem. Mogelijk is een deel van de achterstand te verklaren doordat houders nog geen vaccinatiemelding in I&R hebben gedaan. Daarnaast houden veel houders vast aan een vaccinatie-interval van 12 maanden. Ook vorig jaar zijn veel dieren gevaccineerd in de maand juli.
Op 1 juli heeft de NVWA aan de professionele houders van melkschapen en -geiten die op de verzenddatum nog geen vaccinatiemelding hadden gedaan een herinneringsbrief vaccinatieplicht Q-koorts verstuurd. De Nederlandse GeitenZuivel Organisatie en LTO hebben deze houders per brief ook opgeroepen tijdig aan de vaccinatieplicht Q-koorts te voldoen.
Ik vind het vanuit het oogpunt van volksgezondheid van het grootste belang dat veehouders tijdig en correct voldoen aan de vaccinatieplicht, en verwacht van hen dat zij op dit punt hun verantwoordelijkheid zullen nemen.
Deelt u de mening dat het niet meer acceptabel is als geitenhouders hun veestapel niet uiterlijk 1 augustus 2013 hebben ingeënt tegen Q-koorts?
Voor de volksgezondheid is het van het grootste belang dat dieren gevaccineerd zijn voordat ze gedekt worden. Ik vind het dan ook essentieel dat de veehouders door tijdige en correcte naleving van de vaccinatieplicht uitstralen dat zij zich (mede)verantwoordelijk voelen voor de gezondheid van de omwonenden. Daarom wordt vanaf 1 augustus 2013 door de NVWA strenger opgetreden bij overtredingen van de verplichte Q-koorts maatregelen. Vanaf 1 augustus 2013 zal de NVWA de houder een last onder bestuursdwang opleggen die is gericht op herstel van de overtreding, namelijk het alsnog vaccineren van de dieren. De houder zal eerst nog in de gelegenheid worden gesteld om alsnog aan zijn verplichting te voldoen. Hiervoor zal een termijn van 1 week worden aangehouden. Indien na deze periode de overtreding niet is hersteld, zal de NVWA de vaccinatie uitvoeren. De kosten die hiermee gepaard gaan zijn voor rekening van de houder van de dieren. Daarnaast zal tegen die houders die hun dieren niet vóór 1 augustus hebben gevaccineerd door de NVWA proces-verbaal worden opgemaakt.
Niet tijdig en volledig vaccineren heeft tot gevolg dat professionele houders van melkgeiten en melkschapen geen dieren mogen laten dekken en aanvoeren op hun bedrijf. Bij de aanvoer van niet-gevaccineerde dieren en inseminatie of dekking van niet-gevaccineerde dieren zal de NVWA per 1 augustus ook een proces-verbaal opmaken.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen tegen geitenhouders die op 1 augustus 2013 hun veestapel niet hebben ingeënt tegen Q-koorts?
Zie antwoord vraag 2.
Het risico op bloedingen bij het gebruik van nieuwe bloedverdunners |
|
Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de studie van L.Holster van het Erasmus MC, waaruit blijkt dat bij gebruik van de bloedverdunners dabigatran en rivaroxaban de kans op een bloeding minstens 45 procent hoger is?1
Ja, ik ben van de uitkomst van deze studie op de hoogte. Ik heb begrepen dat de uitkomst van deze studie reeds in de door de beroepsgroepen ontwikkelde «Leidraad begeleide introductie nieuwe antistollingsmedicatie», is meegenomen.
Wat is uw reactie op het feit dat internationale deskundigen zich in een commentaar op de studie bezorgd tonen over het gebruik van deze middelen?
Het is bekend dat een aantal internationale deskundigen bezorgd zijn over het gebruik van deze middelen. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) heeft op basis van alle beschikbare informatie voor deze nieuwe antistollingsmiddelen een positieve balans tussen werkzaamheid en risico’s vastgesteld en blijft de balans tussen werkzaamheid en risico’s volgen nadat de registratie is verleend. Ik vertrouw op de expertise van de registratieautoriteiten in deze.
Tot wanneer loopt de geheime prijsafspraak met de fabrikant, en daarmee de vergoeding van deze middelen?
De afspraken met de betrokken fabrikanten lopen tot 1 januari 2016.
Zijn bij de toelating de risico's van het gebruik afgewogen tegen de baten van de behandeling; in dit geval het voorkómen van onder andere herseninfarcten als gevolg van stolsels bij hartpatiënten, zoals u tijdens het algemeen overleg Geneesmiddelenbeleid op 12 december 2012 (29 477, nr. 222) aangaf, of is ook het risico op maag- en darmbloedingen meegenomen in de afweging?
Het CBG benadrukt dat voor deze nieuwe antistollingsmiddelen een positieve balans tussen werkzaamheid en risico’s is vastgesteld. Deze middelen zijn goedgekeurd voor een aantal verschillende indicaties. Het risico op maag- en darmbloedingen bij het gebruik van deze geneesmiddelen is bekend en hier wordt ook voor gewaarschuwd in de productinformatie voor arts en apotheker (SmPC). Deze risico’s zijn meegenomen bij het wegen van de werking en risico’s van deze middelen ten tijde van hun registratie en worden ook daarna gevolgd.
Zijn er al resultaten van het vervolgonderzoek door ZonMW? Op welke wijze worden de resultaten van dit onderzoek van het Erasmus MC daarbij betrokken?
De uitkomsten van onderhavig onderzoek van het Erasmus MC zijn niet nieuw en reeds meegenomen in de «Leidraad begeleide introductie nieuwe antistollings-medicatie». De voorbereiding om het vervolgonderzoek concreet in gang te zetten, is inmiddels gestart met een pilotproject. Aan de hand van de resultaten van deze pilot kan beoordeeld worden of de aangezochte dataleverancier de juiste gegevens kan opleveren. De eerste resultaten van het onderzoek dat antwoord zal moeten geven op de vraag of de nieuwe orale antistollingsmiddelen (NOAC’s) veilig zijn in de dagelijkse praktijk en ze beoordeeld kunnen worden in de praktijk als kosteneffectief, worden niet voor 2016 verwacht.
Nulurencontracten in de zorg |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het bericht dat er zorgwerkgevers zijn die proberen onder het sociaal akkoord uit te komen met allerlei varianten van nulurencontracten?1 Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb het bericht gelezen. Verder wil ik verwijzen naar de antwoorden op de vragenset van de PvdA waar uw vragen een aanvulling op zijn.*)
Acht u het wenselijk dat zorgwerkgevers op deze wijze zorgverleners uitbuiten? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen om dit te verbieden?
Ook hier wil ik verwijzen naar de antwoorden op de vragenset van de PvdA waar uw vragen een aanvulling op zijn.
Wat is uw reactie op de uitspraak van C. Passchier, FNV-onderhandelaar, dat dit volstrekt belachelijk en onacceptabel is en dat dit niet in lijn is met wat is afgesproken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ook hier wil ik verwijzen naar de antwoorden op de vragenset van de PvdA waar uw vragen een aanvulling op zijn, met name naar het antwoord op vraag 4 en vraag 6.
Verder kan ik er over opmerken dat het onderwerp over de vormgeving van de flexibele schil in de zorg en over de balans daar tussen flexibiliteit en zekerheid op dit moment bij sociale partners in de zorg op de overlegtafels ligt, met de afspraken uit het Stichtingsakkoord als kader. Gezien hun primaire verantwoordelijkheid hierin past het mij niet om daar nu uitspraken over te doen.
Hoeveel jaarcontracten voor 25 uur en/of contracten voor 2 à 3 uur per maand zijn de afgelopen maanden gesloten? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Dat weet ik niet. Dat vind ik ook een zaak die primair de sociale partners in de desbetreffende sector regardeert. Verder wil ik verwijzen naar de antwoorden op de vragenset van de PvdA waar uw vragen een aanvulling op zijn, met name naar de antwoorden op de vragen 4 en 6.
Hoeveel signalen over variaties op nulurencontracten hebben de FNV, het CNV en andere vakbonden ontvangen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen signalen ontvangen, maar dit is ook logisch omdat dit ook een zaak is die primair de sociale partners in de desbetreffende sector regardeert. Verder wil ik verwijzen naar de antwoorden op de vragenset van de PvdA waar uw vragen een aanvulling op zijn, met name naar de antwoorden op de vragen 4 en 6.
Hoeveel en welke zorgwerkgevers sluiten op dit moment variaties op de nulurencontracten? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoeveel nulurencontracten zijn er in 2013 totaal gesloten en hoeveel in vorige jaren? Kunt u dit aangeven per zorgsector? Zo nee, waarom niet?
De jaarlijkse arbeidsmarktrapportage die de minister van VWS en ik uw Kamer doen toekomen, voorziet niet in deze gegevensuitvraag.
Zijn er verschillen in regio’s wat betreft het aantal nulurencontracten dat wordt gesloten? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u aangeven of er momenteel meer nulurencontracten worden gesloten dan voorheen, gezien de aankomende bezuinigingen op de langdurige zorg? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 7 en vraag 5.
Deelt u de mening dat de waardering voor zorgverleners op dit moment minimaal is en dat dit sterk verbeterd dient te worden, o.a. door middel van betere arbeidsvoorwaarden? Zo ja, hoe gaat u dit verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening op dit punt niet. De in de diverse zorgsectoren afgesloten CAO’s bevatten immers afspraken over een arbeidsvoorwaardenpakket dat voor werknemers en werkgevers aanvaardbaar is. Ook wil ik er in dit verband op wijzen dat de arbeidsvoorwaarden in de zorg in het kabinetsbeleid worden ontzien, door het afzien van een nullijn.
Welke maatregelen gaat u samen met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid precies treffen om te zorgen dat nulurencontracten in de zorg verdwijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ook hier wil ik verwijzen naar de antwoorden op de vragenset van de PvdA waar uw vragen een aanvulling op zijn, met name naar de antwoorden op de vragen 4 en 6.
Welke maatregelen gaat u treffen om zorgwerkgevers aan te pakken die varianten van nulurencontracten aanbieden en op deze wijze hun personeel uitbuiten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ook hier wil ik verwijzen naar de antwoorden op de vragenset van de PvdA waar uw vragen een aanvulling op zijn, met name naar de antwoorden op de vragen 4 en 6.
Erkent u dat het van belang is dat zorgmedewerkers economisch zelfstandig kunnen zijn met een baan in de zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te verbeteren?
Zorgmedewerkers moeten de baan in de zorg kunnen krijgen die het beste past bij hun persoonlijke behoeften en wensen en daarvoor het arbeidsvoorwaardenpakket ontvangen dat in de cao van hun sector is overeengekomen.
Het bericht dat e-Court voor rechtbank speelt |
|
Jan de Wit (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat e-Court voor rechtbank speelt? In hoeverre acht u de handelwijze van e-Court wenselijk en conform de Nederlandse wet- en regelgeving?1
De instemming van partijen is een voorwaarde voor buitengerechtelijke geschiloplossing. E-Court is een particulier initiatief dat blijkens het reglement buitengerechtelijke geschilbeslechting aanbiedt op basis van arbitrage. Daarbij dient e-Court zich te houden aan de regels voor arbitrage in het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 1020 – 1077 Rv). Geschillen kunnen bij overeenkomst aan arbitrage worden onderworpen. In een overeenkomst kan verwezen worden naar een arbitragereglement, dat dan deel uitmaakt van die overeenkomst. Daarnaast kan in algemene voorwaarden een arbitraal beding worden aangegaan. Of arbitrage is overeengekomen wordt bepaald aan de hand van de geldende regels en jurisprudentie voor de totstandkoming en uitleg van een overeenkomst.
Ik vind het belangrijk dat er volstrekte duidelijkheid is over de juridische status van de procedures van e-Court. Hierover hebben medewerkers van mijn departement bij diverse gelegenheden met vertegenwoordigers van e-Court gesproken. Uw Kamer is hierover ook geïnformeerd.3 Ik zal e-Court nogmaals wijzen op de gemaakte afspraken rondom de gebruikte terminologie en het aanpassen van het procesreglement.
Ten aanzien van procedures van e-Court op basis van bindend advies (artikel 7:900 e.v. BW) is mij niet bekend hoeveel zaken op deze manier door e-Court zijn behandeld.
Erkent u dat buitengerechtelijke geschiloplossing alleen de voorkeur heeft als beide partijen hier vooraf uitdrukkelijk mee akkoord gaan? Wat is uw reactie op het feit dat zaken die voor 1 februari 2013 bij e-Court zijn ingediend onder het oude procesreglement vallen, waarin nog steeds de omstreden mogelijkheid staat om op grond van artikel 7:900 e.v. Burgerlijk Wetboek (BW) de uitspraak notarieel vast te leggen?2 Om hoeveel zaken gaat het van oktober 2011 tot 1 februari 2013?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat zaken die voor 1 februari 2013 zijn ingediend bij e-Court op grond van artikel 12 van eerder genoemd procesreglement exclusief worden beslecht door e-Court en dus de gang naar de overheidsrechter hierdoor is afgesloten?3
Voor zover mij bekend heeft artikel 12 van het tot 1 februari 2013 geldende procesreglement van e-Court betrekking op geschillen tussen e-Court en een partij, die voortvloeien uit of samenhangen met het procesreglement. Het gaat daarbij niet om het uitsluiten van de overheidsrechter met betrekking tot toetsing van de beslissing in het geschil tussen partijen. Overigens heeft e-Court op 1 juli jongstleden op de website vermeld dat dit bewuste artikel 12 lid 2 is komen te vervallen.
Kunt u aangeven of e-Court altijd vooraf partijen uitdrukkelijk vraagt of deze akkoord zijn met geschillenbeslechting door e-Court? Op welke wijze gebeurt dit precies?
Blijkens het arbitragereglement van e-Court moet de eisende partij bewijs leveren dat de andere partij ook wil procederen bij e-Court. Wanneer de keuze voor e-Court is gemaakt voordat het conflict is ontstaan – bijvoorbeeld middels een beding in algemene voorwaarden – heeft de gedaagde na de oproeping door de deurwaarder voor de e-Courtprocedure nog een maand om te kiezen voor geschilbeslechting door de overheidsrechter (artikel6. De termijn van een maand komt overeen met artikel 6:236n BW. Na deze maand is de mogelijkheid om te kiezen voor de overheidsrechter in beginsel vervallen. Wel kan de uitkomst van de arbitrale procedure op bepaalde gronden nog aan de overheidsrechter worden voorgelegd. Zie hierover verder het antwoord op vraag 6.
Wat is uw reactie op de wijze waarop e-Court in het nieuwe procesreglement stelt dat sprake is van rechtsverwerking als iemand binnen een maand niet aangeeft naar de overheidsrechter te willen?4 Deelt u de mening dat dit de omgekeerde wereld is en een gang naar de overheidsrechter altijd mogelijk moet zijn, behalve als beide partijen uitdrukkelijk aangeven dat e-Court zich over de zaak mag buigen?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat bij uitspraken van buitengerechtelijke geschillenbeslechters bovendien altijd uitdrukkelijk moet worden gewezen op het recht om deze uitspraak te laten toetsen door de overheidsrechter?
Ook bij buitengerechtelijke geschiloplossing blijft de gang naar de overheidsrechter open. Zo geldt dat bij bindend advies de rechter kan worden gevraagd of de gebondenheid aan het bindend advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Wanneer hiervan sprake is, is de beslissing vernietigbaar (7: 904 BW). In het geval van arbitrage dient voor tenuitvoerlegging rechterlijk verlof te worden gevraagd (art. 1062 Rv). In zijn algemeenheid geldt dat wanneer een arbitrale procedure is doorlopen en een partij het niet eens is met de gang van zaken of de gegeven arbitrale beslissing, de zaak op in de wet aangegeven gronden aan de overheidsrechter kan worden voorgelegd. Deze middelen en de mogelijkheden van toepassing staan in de wet beschreven (art. 1064- 1068 Rv). Het is niet nodig om in uitspraken hier steeds uitdrukkelijk op te wijzen.
Wat is uw reactie op het voorbeeld dat in het bericht wordt genoemd van een gedaagde die aangeeft e-Court niet te erkennen, wat geen aanleiding geeft voor e-Court om de procedure te staken?5
Op grond van het bericht is niet duidelijk of, en zo ja wanneer en op welke wijze, in casu een geldige geschilbeslechting door e-Court tussen partijen is overeengekomen en wanneer en op welke wijze de betreffende gedaagde gemeld heeft e-Court niet te erkennen. Ik kan daar dus geen oordeel over geven.
Wat is uw reactie op artikel 3 van het nieuwe procesreglement van e-Court, waarin staat dat geen van de procespartijen invloed heeft op de benoeming van de arbiters?6 Deelt u de mening dat de benoeming van arbiters moet verlopen conform de door zogenaamde lijstprocedure, zoals gebruikelijk is in de arbitragepraktijk?7
De wet bepaalt in artikel 1027 Rv dat de arbiter of arbiters worden benoemd op de wijze zoals door partijen overeengekomen. De benoeming kan op verschillende manieren plaats vinden. Partijen kunnen daar zelf een stem in hebben, zoals bij een lijstprocedure. Partijen kunnen de benoeming van de arbiter of arbiters ook aan een derde opdragen. De wijze van benoeming kan zijn opgenomen in een overeenkomst tot arbitrage of in een nadere overeenkomst, eventueel door middel van toepasselijkverklaring van een arbitragereglement waarin de wijze van benoeming is geregeld. Als geen wijze van benoeming is overeengekomen, worden de arbiter of arbiters door de partijen gezamenlijk benoemd.
Acht u het nog steeds onwenselijk als een overheidsrechter zich als arbiter in laat huren indien een pseudorechtbank als e-Court niet volledig aan de wet voldoet of hier discussie over bestaat?8 Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen?
Acht u het toelaatbaar dat e-Court deze discutabele praktijken voortzet en verwarring blijft zaaien bij rechtzoekenden? Erkent u dat u de taak heeft om signalen over misstanden in rechtspraak en arbitrage aan te kaarten bij de betreffende instituties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om op te treden tegen deze rechtspersoon?
Tegen de medewerking van rechters aan arbitrage bestaat als zodanig geen bezwaar. Om te bepalen of het wenselijk is dat een rechter een nevenfunctie heeft bij een bepaalde private geschilbeslechtingsinstantie beschikt de Rechtspraak over een «leidraad Nevenfuncties» en ook heeft de Raad voor de rechtspraak hierin een algemene adviserende taak. Als in een concreet geval een bezwaar bestaat tegen een nevenfunctie dan neemt het gerechtsbestuur dit met de betreffende rechter op.
De slechte arbeidsomstandigheden van garnalenpelsters in Marokko |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de verhuizing van vier Marokkaanse garnalenpelfabrieken naar een andere vrijhandelszone in Marokko in verband met de opheffing van de vrijhandelszone in Tanger? Klopt het dat deze fabrieken uitsluitend voor drie Nederlandse en één Duits garnaalbedrijf werken?
Uit contact en met de Vereniging ter bevordering van de garnalenhandel (VEBEGA) heb ik begrepen dat drie Nederlandse garnalenbedrijven garnalen laten pellen bij fabrieken in de oude vrijhandelszone in Tanger. Hiervan laten twee bedrijven garnalen pellen bij pelstations die deel uitmaken van de Marokkaanse Sea Food Group. Het derde Nederlandse bedrijf voert het management over een eigen pelstation in de oude vrijhandelszone. In totaal zijn er vier pelfabrieken gevestigd in de oude vrijhandelszone in Tanger. Welke bedrijven uit andere landen hier garnalen laten pellen, is mij niet bekend.
Omdat de oude vrijhandelszone naast de oude stad in Tanger plaats moet maken voor een jachthaven, zijn de daar gevestigde bedrijven gedwongen te verhuizen. Momenteel zijn alle vier de pelstations nog operationeel in de oude vrijhandelszone. Naar verwachting zullen in de loop van 2014 alle fabrieken op een nieuwe locatie starten. Vooruitlopend op de verhuizing heeft de Seafood Group een nieuwe pelfabriek geopend op een andere locatie in Tanger. Hier laten twee Nederlandse bedrijven garnalen pellen. Het Nederlandse bedrijf, dat nu nog de garnalen laat pellen in hun pelstation in de oude vrijhandelszone, zal begin 2014 verhuizen naar een nieuwe pelfabriek op een locatie in Tanger dicht bij de wijken waar het merendeel van de werkneemsters woont. Deze fabriek is nu nog in aanbouw.
Kloppen de signalen dat deze Marokkaanse garnalenpelfabrieken zowel nationale als internationale wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden overtreden? Is het waar dat garnalenpelsters werkdagen van 13 uur maken met slechts één pauze per dag, en klopt het dat het recht op vervoer van huis tot aan de fabriek niet georganiseerd is waardoor deze vrouwen het risico lopen mishandeld, verkracht of beroofd te worden?
Naar aanleiding van de Kamervragen is intensief contact geweest tussen mijn ministerie en de Nederlandse garnalenbedrijven verenigd in de branchevereniging VEBEGA. De branchevereniging VEBEGA verklaart namens de Nederlandse leden dat de garnalenbedrijven zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid op het gebied van sociale omstandigheden bij de garnalenpelstations in Marokko. De garnalenbedrijven geven aan dat zij zelf of in samenwerking met hun partners zorgen voor fatsoenlijk werkgeverschap bij zowel de eigen pelstations als bij pelstations van derden. Dit geven de bedrijven invulling door bijvoorbeeld een systeem van identificatiebadges met digitale informatie over werkuren, controle van de faciliteiten en aanstellen van een contactpersoon die contact met de pelsters onderhoudt. Dit beperkt zich niet tot de vrijhandelszone in Tanger. Over het naleven van standaarden, en het verbeteren van de naleving daar waar nodig, zijn zij in overleg met de Marokkaanse overheid of indien nodig met lokale partners.
Daar waar misstanden zich onverhoopt voordoen, geeft de sector aan alles binnen hun invloed te doen om deze op te lossen en een bevredigende oplossing voor betrokken partijen te vinden.
Ook is uitgebreid contact geweest met de non-gouvernementele organisatie TIE Netherlands. Deze NGO onderhoudt in het kader van een vakbondstraining-programma contacten met de pelsters. TIE Netherlands geeft aan dat er bij de garnalenpelfabrieken in de oude vrijhandelszone in Tanger forse problemen zijn op het vlak van ontslaan van vakbondsleden, dreiging met ontslag wanneer pelsters kritische vragen aan het management willen stellen, gebrek aan gereguleerde pauzes, ontbreken van een loonstrookje met duidelijke vermelding van afdracht sociale premies en geen georganiseerd vervoer van huis naar de fabriek. De NGO baseert zich op gesprekken met Marokkaanse garnalenpelsters bij twee van de pelstations van de Sea Food Group.
De branchevereniging VEBEGA geeft namens de Nederlandse leden aan zich niet te herkennen in het beeld dat wordt geschetst in de Kamervragen en op de website van TIE Netherlands. Zij geven aan hierover met TIE Netherlands in gesprek te gaan. Als er in dit gesprek nieuwe feiten naar voren komen die wijzen op misstanden, stelt de sector dat dit aanleiding zal zijn om deze verder te onderzoeken met als doel deze op te lossen. Mijn ministerie zal dit gesprek tussen de bedrijven en de NGO faciliteren.
Wat betreft de juridische aspecten van de in de vraag genoemde zaken ligt de primaire verantwoordelijkheid voor toezicht op en handhaving van wet- en regelgeving bij de daartoe bevoegde Marokkaanse autoriteiten. Op internationaal vlak zijn er de ILO-verdragen die onder meer gaan over arbeidsomstandigheden en vakbondsvrijheid. De Nederlandse overheid draagt (het belang van) de fundamentele verdragen breed uit en roept andere landen op deze te ratificeren en te implementeren. Marokko heeft diverse ILO-verdragen, waaronder ILO-verdrag C098 (vakbondsvrijheid), geratificeerd en geïmplementeerd.
Welke voor- en nadelen heeft deze verhuizing voor zowel de Nederlandse en Marokkaanse ondernemingen als voor de garnalenpelsters die na ontslag in de oude fabriek opnieuw aangenomen worden in de nieuwe fabriek?
De voor- en nadelen van de gedwongen verhuizing zullen verschillen per bedrijf en per belanghebbende. Hierbij zullen zaken meespelen als de investering in de bouw van een nieuwe fabriek, compensatie door de Marokkaanse overheid, logistieke aspecten van de nieuwe locatie, woon-werk afstand, etc.
Bent u van mening dat de kans reëel is dat de garnalenpelsters in de nieuwe fabriek de kleine hoeveelheid rechten (o.a. loonstijgingen, vakantiedagen, pensioenrechten) die zij hebben opgebouwd in de sluitende fabriek, verliezen? Deelt u de mening dat indien dit gebeurt zowel nationale als internationale wet- en regelgeving wordt overtreden?
TIE Netherlands geeft hierover aan dat er zorg leeft onder de werkneemsters dat zij bij de verhuizing hun baan en recht op achterstallige afdracht van sociale premies zullen verliezen. De betrokken bedrijven spreken dit tegen en geven aan dat in afspraken tussen de Marokkaanse overheid en het pelstation van de Sea Food Group waar zij zaken mee doen, is vastgelegd dat het personeel en bijbehorende salarissen en anciënniteit zullen worden overgenomen op de nieuwe locatie. De VEBEGA geeft aan met TIE Netherlands in gesprek te gaan over specifieke kwesties en indien nodig gezamenlijk naar oplossingen te willen zoeken.
Wat betreft de juridische aspecten van de in de vraag genoemde zaken verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de drie Nederlandse bedrijven de verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun productieketen en van de garnalenpelfabrieken moeten eisen dat er een einde wordt gemaakt aan deze schrijnende situatie?
Zoals ook aangegeven in de beleidsbrieven «Wat de wereld verdient»1 en «Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen loont»2 verwacht ik van Nederlandse bedrijven die in het buitenland opereren, dat zij zich bewust zijn van potentiële positieve en negatieve effecten, rechtstreeks en via hun keten van toeleveranciers en afnemers. Bedrijven hebben hierbij een verantwoordelijkheid om risico’s in kaart te brengen, alert te zijn op signalen van stakeholders en de invloed die zij hebben om de situatie te verbeteren aan te wenden in lijn met de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen3. Ook de Nederlandse bedrijven die in Marokko garnalen laten pellen dragen mede verantwoordelijkheid voor goede arbeidsomstandigheden voor de Marokkaanse werknemers in hun keten. Uit de gesprekken met de Nederlandse garnalenbedrijven en de verklaring van de VEBEGA trek ik de conclusie dat zij zich inzetten voor fatsoenlijk werkgeverschap bij de Marokkaanse pelfabrieken. Belangrijk is voor mij dat de bedrijven hebben aangegeven in gesprek te willen gaan met organisaties die signalen hebben over vermeende misstanden, met het doel om oplossingen te vinden.
Bent u bereid hierover met de Nederlandse bedrijven in overleg te gaan? Zo ja, zou dit overleg voor de zomer kunnen plaatsvinden aangezien de garnalenpelsters tijdens de zomermaanden ontslagen dreigen te worden?
Ja. Meerdere gesprekken met mijn ministerie hebben plaatsgevonden voor en tijdens de zomermaanden. Wat betreft de dreiging van ontslagen tijdens de zomermaanden hebben de Nederlandse garnalenbedrijven laten weten dat dit onwaarschijnlijk is, aangezien de pelsters een flexibel contract hebben en per kilo gepelde garnalen worden betaald. Het is wel zo dat de aanvoer van garnalen dit jaar laag is, met als gevolg dat er minder werk is.
Het bericht dat het zorgverzekeraar Achmea een omzetgrens hanteert bij het inkopen van zorg |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat zorgverzekeraar Achmea een omzetgrens hanteert bij het inkopen van zorg?1
Mijn oordeel is dat een verzekeraar zorgplicht heeft. En dat een verzekeraar verantwoordelijk is voor de wijze waarop de invulling van de zorgplicht plaats vindt. Ik vind het belangrijk dat verzekeraars transparant zijn over de te hanteren criteria. Koopt een zorgverzekeraar ter vervulling van zijn zorgplicht zorg in, dan dient zijn inkoopbeleid verifieerbaar, transparant en non-discriminatoir te zijn en mogen de bij de zorginkoop aangelegde normen niet onredelijk zijn2.
In het «onderhandelaarsresultaat medisch specialistische zorg 2014–2017» dat ik u recent heb toegestuurd is een passage opgenomen over het proces van contractering en het gelijke speelveld.
Als het inkoopbeleid past binnen de randvoorwaarden zoals opgenomen in de onderhandelaarsresultaten en de hiervoor genoemde eisen, is het verder niet aan mij om een inhoudelijk oordeel te geven over het door Achmea gehanteerde beleid.
Is het waar dat u het belangrijk vindt dat zorgverzekeraars inkopen op kwaliteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, dat vind ik belangrijk. Voor een toelichting verwijs ik naar de Zorgverzekeringswet waar in de memorie van toelichting is opgenomen: »De regering acht het een blijvende overheidsverantwoordelijkheid dat noodzakelijke gezondheidszorg van goede kwaliteit voor alle Nederlanders toegankelijk is, ongeacht hun leeftijd, gezondheidstoestand of inkomenspositie. Een solide borging van dit publieke belang stelt hoge eisen aan het systeem van gezondheidszorg, zowel op medisch en zorginhoudelijk gebied als vanuit een oogpunt van doelmatige uitvoering en beheerste kostenontwikkeling».
Heeft het enkel contracteren van zorginstellingen met een omzet van minimaal 150.000 euro volgens u iets te maken met het hanteren van kwaliteit als criterium voor het inkopen van zorg? Kunt u uw antwoord toelichten? Bent u daarover te spreken?
Een verzekeraar neemt diverse aspecten mee in de weging bij het contracteerbeleid. Kwaliteit, inclusief veiligheid, is er één van. Een dergelijke grens kan dus een kwaliteitsgrondslag hebben. Maar redenen van doelmatigheid kunnen ook meespelen in de beslissing betreffende de contractering.
Achmea heeft aangegeven dat de keuze voor het stellen van deze grens zowel kwaliteits- als doelmatigheidsredenen heeft. Hierbij speelt onder meer de omvang van de aanbieder een rol, bijvoorbeeld om multidisciplinaire samenwerking te borgen, maar ook om te voorkomen dat plafondafspraken met ziekenhuizen worden omzeild door het oprichten van kleine zelfstandige entiteiten. Ook heeft Achmea aangegeven dat zij steeds hogere eisen stelt aan kwaliteit en veiligheid en multidisciplinair werken, waarbij een aanbieder die te klein is, deze eisen niet of slechts op ondoelmatige wijze kan realiseren.
Ik vind het een goede zaak dat Achmea kwaliteit en doelmatigheid mee laat wegen in het contracteerbeleid.
Is hier naar uw mening uw stelling van toepassing dat het «algemeen consumentenbelang wordt gediend wanneer zorgaanbieders en zorgverzekeraars onderling met elkaar concurreren op prijs en kwaliteit»? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Ja, verzekeraars kopen zorg in voor hun verzekerden in het geval van een natura-polis (en in veel gevallen overigens ook voor de restitutieverzekerden). De verzekeraar zal de verzekerde tevreden willen houden, er moeten dus ook voor naturaverzekerden voldoende keuzemogelijkheden voor haar verzekerden zijn, maar tegelijkertijd speelt de kwaliteit van de zorg en de hoogte van de premie ook een rol. Dit is de basis voor het systeem van de Zorgverzekeringswet.
Wat betekent dit naar uw mening voor kleinere zorginstellingen die zorg van goede kwaliteit leveren? Kunnen die een contract met Achmea vergeten? Bent u daarover te spreken?
Het contracteerbeleid van Achmea biedt wel ruimte voor nieuwe partijen om toe te treden tot de zorgmarkt, ook als ze relatief klein zijn. Achmea heeft aangegeven dat daar waar sprake is van toegevoegde waarde, met name als er sprake is van vernieuwing van zorg, er een uitzondering gemaakt kan worden.
Daarnaast heeft Achmea aangegeven bereid te zijn een ingroeitraject van 1 jaar te faciliteren voor klinieken die al een contract hebben en minder dan 150.000 euro per jaar bij Achmea declareren. Zij hebben tot 2015 om zich te richten op een situatie zonder overeenkomst.
Verder is het altijd mogelijk, ook voor grotere instellingen, dat ze geen contract krijgen. Dat is inherent aan de door verzekeraars gehanteerde inkoopstrategie. Ik laat dit over aan de individuele verzekeraars en aanbieders. Een zorginstelling die van mening is dat een zorgverzekeraar hem ten onterecht weigert te contracteren (dat wil zeggen niet voldoet aan de in antwoord 1 genoemde criteria) kan zijn zaak aan de civiele rechter voorleggen.
Zet Achmea hiermee de trend? Zijn er aanwijzingen dat andere zorgverzekeraars Achmea zullen volgen in het selecteren van zorgaanbieders op omzet? Is dat naar uw mening toe te juichen?
Dat is mij niet bekend. Maar het is mogelijk. Zolang een zorgverzekeraar aan de zorgplicht voldoet en zich als partij beweegt binnen de grenzen zoals aangegeven in het «onderhandelaarsresultaat medisch specialistische zorg 2014–2017», heb ik hier geen mening over.
Wat betekent dit voor de keuzevrijheid van patiënten? Deelt u de vrees dat die sterk zal afnemen? Is dat naar uw mening een goede ontwikkeling?
De keuzevrijheid van de patiënten kan beperkt worden door iedere vorm van selectieve contractering die een verzekeraar doet, door iedere eis die een verzekeraar stelt en door de keuze van de aanbieder om -wel of niet onder voorwaarden- een contract te sluiten met de zorgverzekeraar. Zolang er voldoende keuzemogelijkheden zijn voor verzekerden, en voldaan wordt aan de zorgplicht heb ik geen oordeel over het contracteerbeleid van individuele verzekeraars. De naturaverzekerden, daarentegen, kunnen wel een oordeel hebben. Zelfs als hun zorgverzekeraar voldoende zorg heeft gecontracteerd om aan zijn zorgplicht te voldoen, kunnen ze besluiten met ingang van een nieuw verzekeringsjaar naar een andere verzekeraar over te stappen indien zij van mening zijn dat zij te weinig keuzemogelijkheden tussen zorgaanbieders hebben, of ze kunnen overstappen op een restitutieverzekering.
Is dit niet een uitnodiging om de omzet te verhogen, ten einde een contract binnen te halen met Achmea? Hoe verhoudt dit zich tot de wil om zorgaanbieders niet meer aan te zetten tot upcoding?
Upcoding moet voorkomen worden ongeacht het wel of niet kans maken op een contract. De aanpak van oneigenlijk gebruik van zorgmiddelen (bijvoorbeeld in de vorm van upcoding) heeft voor mij topprioriteit. Zoals toegezegd in het debat over fraude in de zorg van 23 mei 2013 zal ik na de zomer de Kamer informeren over het vervolg van de aanpak van fraude. Dit zal ik onder andere doen in september met een actieplan en in december 2013 met voortgangsrapportage.
Overigens heeft Achmea zelf aangegeven dat het wel of niet halen van de omzetgrens voor bestaande gevallen vastgesteld is op basis van de contractwaarde 2013. Het verhogen van de omzet heeft dan sowieso geen effect.
Is de door u geliefde marktwerking ermee gediend dat nieuwe toetreders het moeilijker zullen krijgen een plek te veroveren op de zorgmarkt? Ziet u nu ook in dat marktwerking er niet toe leidt dat de kwaliteit van de zorg zal verbeteren? Toont dit volgens u het failliet van de marktwerking aan? Kunt u uw antwoord toelichten?
In mijn ogen is marktwerking de meest misbruikte term in de gezondheidszorg en is de discussie al dan geen marktwerking sterk achterhaald. De zorg zal altijd een mix zijn van overheidsingrijpen (ten behoeve van de solidariteit en toegankelijkheid) en concurrentie (ten behoeve van de kwaliteit en doelmatigheid).
Het idiote plan van een imam-opleiding op het Ibn Ghaldoun |
|
Joram van Klaveren (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ibn Ghaldoun wil imamopleiding»?1
Ja.
Op welke wijze is de Turkse staat, middels de Diyanet (Turkse Presidium voor Godsdienstzaken), betrokken bij de oprichting van dit Imam Lyceum?
De Diyanet is in Nederland vertegenwoordigd door de Islamitische Stichting Nederland. Het bestuur van Ibn Ghaldoun heeft een samenwerkingsovereenkomst getekend met de Stichting Imam Hatip Lyceum om een imamopleiding op vo-niveau aan te bieden. De Stichting Imam Hatip Lyceum is een stichting onder de Islamitische Stichting Nederland.
Deelt u de mening dat het opleiden van leerlingen tot verkondigers van de islamitische ideologie schadelijk is voor de integratie en dus niet zou moeten gebeuren?
In Nederland geldt de vrijheid van godsdienst. Dit geeft mensen het recht om – binnen de grenzen van rechtstaat – te leven naar eigen culturele en religieuze inzichten. Het is niet aan het kabinet zich uit te laten over deze activiteiten, zolang deze binnen de grenzen van de wet plaatsvinden.
Deelt u de mening dat een ieder die überhaupt imam-lessen wil volgen, en helemaal in de Turkse taal met Turks lesmateriaal door Turkse docenten, dat het liefst niet en anders zo ver mogelijk buiten Nederland moet doen?
Nederland kent keuzevrijheid wanneer het gaat om het kiezen van een opleiding. Ook hier staat het mensen vrij om – binnen de grenzen van de rechtsstaat – naar eigen inzicht en overtuiging deze opleiding in te richten. Uitgangspunt is wel dat wie ervoor kiest om in Nederland een toekomst op te bouwen, zich richt naar de Nederlandse samenleving en de waarden die hier gelden.
Wordt er op wat voor manier dan ook Nederlands belastinggeld gebruikt voor deze imam-opleiding voor middelbare scholieren? Zo ja, op welke wijze en om hoeveel geld gaat het?
Nee. Het Ibn Ghaldoun wordt door het Rijk bekostigd voor het verzorgen van onderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs. Deze bekostiging mag niet worden besteed aan de imamopleiding, want dat is geen voortgezet onderwijs in de zin van de wet. In de voornoemde samenwerkingsovereenkomst staat bovendien dat de opleiding bekostigd wordt door de Stichting Imam Hatip Lyceum.
Deelt u de mening dat dit plan voor een imam-opleiding absurd is? Welke maatregelen gaat u treffen om deze idiotie te blokkeren en daarnaast eindelijk deze school dicht te gooien?
Het staat een schoolbestuur en een stichting vrij een samenwerkingsovereenkomst te sluiten om een imamopleiding te verzorgen.
De toekomst van Ibn Ghaldoun is mede afhankelijk van het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs naar het bestuurlijk handelen op de school. Op de uitkomsten daarvan, die uw Kamer medio september ontvangt, loop ik niet vooruit.
Het bericht “Reservisten Natres laten zich de vrijwilligersmedaille niet afpakken!” |
|
Ybeltje Berckmoes-Duindam (VVD) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Reservisten Natres laten zich de vrijwilligersmedaille niet afpakken!»?1
Ja.
Klopt het dat u de vrijwilligersmedaille Openbare Orde en Veiligheid, die in 1958 bij Koninklijk Besluit werd ingesteld, wilt afschaffen omdat de vrijwilligersmedaille Openbare Orde en Veiligheid in feite een overlapping vormt met de Medaille Trouwe Dienst en het Officierskruis?
De Vrijwilligersmedaille Openbare Orde en Veiligheid is een onderscheiding die valt onder de verantwoordelijkheid van de ministeries van Veiligheid en Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie. Vrijwilligers behorende tot de organisaties genoemd in de instellingsbeschikking kunnen aanspraak maken op deze medaille na tien jaren in repressieve dienst. Onder repressieve dienst wordt verstaan het daadwerkelijk uitvoeren van taken zoals gewondenverzorging, brandbestrijding of bewaking. Het verantwoordelijke ministerie kent de medaille toe aan de vrijwilliger die aan de voorwaarden voldoet.
De Nationale Reserve (NATRES) is als enige militaire organisatie opgenomen in de lijst van organisaties die aanspraak kunnen maken op de medaille. Tot nu toe werd de medaille door Defensie steeds toegekend aan de reservisten van de NATRES. Echter, de Vrijwilligersmedaille overlapt met het Onderscheidingsteken voor Langdurige en Trouwe Dienst voor militairen beneden de rang van officier en het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier. Sinds 2002 kunnen ook de reservisten van de NATRES – net als andere reservisten – hier aanspraak op maken. Het is staand beleid bij Defensie om militairen niet twee maal voor hetzelfde feit te decoreren. Bovendien kunnen reservisten die niet tot de NATRES behoren, maar wel vergelijkbare taken uitvoeren, geen aanspraak maken op de Vrijwilligersmedaille.
Ik heb om die redenen besloten de Vrijwilligersmedaille vanaf 1 januari 2014 niet meer toe te kennen aan reservisten van de NATRES. Er is dus geen sprake van afschaffing van deze medaille.
Betekent het afschaffen van de vrijwilligersmedaille Openbare Orde en Veiligheid dat diegenen, die aaneensluitend, of met een onderbreking van ten hoogste twee maanden, gedurende een periode van tien jaren in repressieve dienst taken op het terrein van de openbare orde en veiligheid hebben verricht als vrijwilliger, geen aanspraak meer kunnen maken op medailles?
Zie antwoord vraag 2.
Indien u deze vrijwilligersmedaille wilt afschaffen, kunt u dan toelichten wat hiervoor de beweegredenen zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat het belangrijk is dat reservisten, die zich vrijwillig inzetten in repressieve dienst om taken op het terrein van de openbare orde en veiligheid te verrichten, aanspraak moeten kunnen maken op een medaille? Zo ja, wat gaat u eraan doen om deze mogelijkheid te behouden?
Ja. Ik vind het van belang om alle militairen te erkennen en waarderen voor langdurige, eerlijke en trouwe dienst. Hiertoe beschikt Defensie over speciale onderscheidingstekens waar ook alle reservisten aanspraak op kunnen maken.
Daarnaast onderzoek ik de mogelijkheid om reservisten tevens in aanmerking te laten komen voor de verschillende krijgsmachtdeelmedailles zoals de landmachtmedaille en de luchtmachtmedaille.
Het bericht dat justitie “superdrones” mag lenen van defensie |
|
Wassila Hachchi (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat Justitie gebruik mag maken van de nieuwe «drone», de zogenoemde ScanEagle, die onlangs in twaalfvoud door Defensie is aangeschaft?1
In beginsel kunnen alle beschikbare defensiecapaciteiten worden ingezet bij verzoeken van civiele autoriteiten om militaire bijstand. Dit geldt dus ook voor de Scan Eagle.
Het zal nog enige tijd duren totdat de Scan Eagle gereed is voor ondersteuning van civiele autoriteiten. De nieuwste versie van de Scan Eagleis op 26 juni jl. door Defensie in gebruik genomen. Het betreft twee systemen met elk een grondstation en drie vliegtuigen. Deze versie mag wel boven Nederland vliegen maar het bedienend personeel is hiervoor nog niet gekwalificeerd. Zodra dit wel het geval is, wordt in overleg met de civiele autoriteiten bezien of de Scan Eagleeen geschikt middel is voor strafrechtelijke opsporing of handhaving van de openbare orde. De huidige juridische kaders voor de inzet van onbemande vliegtuigen, ook voor ondersteuning van de civiele autoriteiten, volstaan.
Klopt het dat deze geavanceerde «drone» veel langer en op veel grotere hoogte kan vliegen en uitgerust is met een daglicht- en infraroodcamera?
De Scan Eagle beschikt over een infrarood- of een daglichtcamera. De daglichtcamera is van betere kwaliteit dan die van de Raven. Dit is nodig vanwege de grotere hoogte (tot maximaal 6.000 meter) waarop de Scan Eagle opereert. De Scan Eagle kan vliegend op de operationele hoogte personen niet herkenbaar in beeld brengen. Als de Scan Eagle erg laag vliegt en de persoon in kwestie omhoog kijkt, is dit mogelijk wel het geval. Opereren op een dergelijk lage hoogte is echter zeer ongebruikelijk en in de meeste gevallen niet toegestaan uit veiligheidsoverwegingen.
Bent u van plan dit geavanceerde type «drone» in te zetten voor opsporing door de politie? Zo ja, waarvoor en onder welke voorwaarden?
Zie antwoord vraag 1.
Is het risico voor de privacy groter bij de inzet van dit type geavanceerd onbemand spionagevliegtuig, waarmee 16 uur non stop onopgemerkt op 5 kilometer boven Nederland kan worden gevlogen en dat uitgerust is met een daglicht- en een infraroodcamera, gelet op het feit dat u eerder de Kamer liet weten dat de privacy niet in het geding was doordat met de bestaande Raven «drones» slechts kort kan worden gevlogen en geen haarscherpe beelden kunnen worden gemaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat bij toenemende technische mogelijkheden het des te belangrijker wordt om de inzet van «drones» goed en transparant te reguleren en dat de bestaande wetgeving op dit punt onvoldoende is om de inzet van de ScanEagle «drone» van goede kaders te voorzien? Zo ja, wanneer kan de Kamer een (wets)voorstel tegemoet zien?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid in het belang van transparantie over de inzet van «drones» boven Nederlands grondgebied alle evaluaties over de inzet van onbemande vliegtuigjes door justitie openbaar te maken en aan de Kamer te sturen?
Het is niet een standaardprocedure voor de politie om iedere inzet van een Raven van Defensie met een evaluatie af te sluiten. Voor zover dergelijke evaluaties wel zijn gemaakt, lenen zij zich bovendien niet voor openbaarmaking omdat zij veelal informatie bevatten over de opsporingsonderzoeken waarbij de Raven is ingezet.
Bent u bereid in nieuwe regelgeving af te zien van toestemming voor de inzet van «drones», tenzij deze inzet plaatsvindt op basis van een verzoek vooraf door het bevoegde gezag en met een onderbouwing van de subsidiariteit en proportionaliteit naar de gemeenteraad?
In de bestaande regelgeving is reeds opgenomen dat bijstand door Defensie aan de civiele autoriteiten alleen geschiedt op grond van een voorafgaand verzoek door het bevoegd gezag. Dit is de burgemeester indien een UAV wordt ingezet in het kader van de handhaving van de openbare orde en de officier van justitie indien een UAV wordt ingezet in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Hiervoor is dus geen nieuwe regelgeving vereist. Voorafgaand aan het verzoek om inzet van een UAV in het kader van bijstand door Defensie aan de civiele autoriteiten beoordeelt het bevoegd gezag onder meer de proportionaliteit en de subsidiariteit.
In hoeverre kunt u garanderen dat de inzet van de ScanEagle boven Nederlands grondgebied geen veiligheidsrisico vormt voor verstoring van het radioverkeer van vliegtuigen boven Nederland en dat hiermee de veiligheid van het vliegverkeer en van mensen op de grond op geen enkele wijze in het geding komt?
Indien uw vraag doelt op de datalink-communicatie tussen het grondstation en de Scan Eagle is het van belang onderscheid te maken tussen de analoge en de digitale versie van de Scan Eagle. De analoge versie is verworven voor de antipiraterijmissie en is vorig jaar ingezet vanaf de Zr. Ms. Rotterdam. Dit systeem bestaat uit een grondstation en zes vliegtuigen. Vanwege mogelijke interferentie met civiele telecommunicatie mag deze analoge versie van het systeem niet boven Nederland worden ingezet. Defensie heeft de digitale versie van de Scan Eagle op 26 juni jl. in gebruik genomen. Deze versie maakt gebruik van een andere frequentieband waardoor geen verstoringen kunnen optreden en kan mogelijk op termijn wel boven Nederland worden ingezet ter ondersteuning van civiele autoriteiten. Zie hierover ook het antwoord op vragen 1, 3 en 5.
Op welke plekken in Nederland kan op 5 km hoogte gevlogen worden zonder overlast en zonder verkeersleiding, gezien het drukke luchtruim van Nederland?
Een luchtverkeersleidingsinstantie controleert al het verkeer boven een hoogte van ongeveer twee kilometer. Eventuele overlast is sterk afhankelijk van de locatie, de duur en het tijdstip van de vlucht. Dit geldt ook voor de combinatie van civiele en militaire bemande luchtvaart. Militaire luchtvaart die vanwege de aard van de vluchtuitvoering niet kan worden gecombineerd met regulier civiel luchtverkeer, vindt plaats in tijdelijk gesloten luchtruim ten behoeve van militaire oefeningen.
Kan eventuele hinder voor het vliegverkeer betekenen dat de ScanEagle op lagere hoogte ingezet zal worden?
De Scan Eagle heeft een maximale vlieghoogte van 6.000 meter en kan op een lagere hoogte worden ingezet. De keuze hiervoor is sterk afhankelijk van het type operatie, aard van de vluchtuitvoering, locatie, duur en tijdstip van de inzet. De inzet van de Scan Eagle wordt in alle gevallen gecoördineerd met de verantwoordelijke luchtverkeersdienstverleningsorganisaties die in het Nederlandse luchtruim de veiligheid borgen en de overlast voor het overige vliegverkeer minimaliseren. Net als bij andere militaire luchtvaartactiviteiten vindt nauwe afstemming plaats om een veilige en efficiënte afhandeling van het verkeer in het luchtruim te verzekeren.
Welke afspraken zijn gemaakt met Luchtverkeersleiding Nederland over de inzet van de ScanEagle?
Met de Luchtverkeersleiding Nederland worden afspraken gemaakt over vluchten met de Scan Eagle, in een tijdelijk gesloten luchtruim dat onder controle van de Luchtverkeersleiding Nederland valt. Deze procedure is gelijk aan de wijze waarop ook de inzet van de Raven buiten militaire oefengebieden is geregeld.
Hoeveel Nederlandse «drones» zijn de afgelopen vijf jaar verongelukt en wat was daarvan de oorzaak?
Defensie heeft in de afgelopen vijf jaar de beschikking gehad over vier verschillende typen UAV’s. Dit zijn de Sperwer, deAerostar 2, de Raven en sinds kort de Scan Eagle.
Tijdens de inzet van de Sperwer in Afghanistan van 2008 tot 2009 hebben zich vijf incidenten gerelateerd aan de landing of lancering voorgedaan. In alle gevallen was er alleen sprake van materiële schade aan het eigen systeem. De Sperwer is inmiddels uitgefaseerd.
Sinds 2009 zijn er vijf incidenten geweest met de Raven, een kleine UAV (spanwijdte 1,37 meter, gewicht 2,1 kilo), die kunnen worden aangemerkt als ongeluk. Deze incidenten zijn in drie gevallen veroorzaakt door bedieningsfouten en in twee gevallen door een technisch mankement. Naar aanleiding van één incident heeft Defensie nader onderzoek ingesteld. Dit betrof een voorval op 25 januari jl. waarbij een Raven na een defect een voorzorgslanding heeft uitgevoerd in de Rijkewoerdse Plassen bij Arnhem. In afwachting van de uitkomsten van het onderzoek is destijds het vliegen met de Raven door Defensie tijdelijk gestaakt. Dit onderzoek heeft niet geleid tot twijfels over de luchtvaardigheid en de veiligheid van het toestel en de vluchten zijn daarna hervat. In alle gevallen was er geen sprake van personele of materiele schade.
Bent u bereid een vliegverbod af te kondigen voor dit nieuwe type «drone» totdat u met de Kamer van gedachte heeft kunnen wisselen over de nieuwe regels over de inzet van spionagevliegtuigjes?
Ik zie geen reden om een vliegverbod af te kondigen. De huidige juridische kaders voor de inzet van onbemande vliegtuigen, ook voor ondersteuning van de civiele autoriteiten, volstaan. Bovendien is de Scan Eagle een militaire capaciteit die primair bedoeld is voor de ondersteuning van militaire operaties op het land en op zee (bijvoorbeeld ter ondersteuning van de antipiraterijmissie). Hiertoe moet het gehele systeem oefenen en trainen om over de juiste kwalificaties te beschikken. Een vliegverbod zou betekenen dat missies niet kunnen worden ondersteund.
Zoals vermeld in antwoord op vragen 1, 3 en 5 is de inzet van de Scan Eagle ter ondersteuning van civiele autoriteiten vooralsnog niet aan de orde.
Bent u bereid de Kamer bij de begrotingsbehandeling jaarlijks te informeren over het aantal malen dat «drones» zijn ingezet en voor welke doeleinden evenals over de kosten die gepaard gaan met de inzet door justitie en de bekostiging daarvan?
Hoofdstuk 4 van het jaarverslag en de slotwet van Defensie bevat een uitgebreide uiteenzetting over de vele vormen van inzet door de krijgsmacht. Dit hoofdstuk bevat ook een tabel met een weergave van de inzet van alle militaire capaciteiten ter ondersteuning van civiele autoriteiten, waaronder de inzet van UAV’s. Dergelijke inzet geschiedt onder gezag en verantwoordelijkheid van de civiele autoriteiten. In veel gevallen worden de resultaten van UAV-inzet gebruikt voor lopend justitieel onderzoek en kunnen daarover in beginsel geen mededelingen worden gedaan. De uitgaven die samenhangen met het verlenen van deze militaire bijstand worden verrekend op grond van het Convenant inzake de Financiering Nationale Inzet Krijgsmacht (FNIK). Hiervoor hebben het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten structureel een bedrag ter beschikking gesteld aan het ministerie van Defensie. Het ministerie van Defensie verantwoordt deze additionele uitgaven onder artikel 1 – Inzet van de defensiebegroting.