Het bericht ‘200 medewerkers weg bij Pleyade’ |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «200 medewerkers weg bij Pleyade»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er door uw beleid 200 mensen bij deze zorgaanbieder hun baan verliezen?
De vertegenwoordiger van Pleyade geeft aan dat de reorganisatie wordt veroorzaakt door een kleinere toestroom van cliënten naar Pleyade. Dit is een tendens die al langer gaande is omdat ouderen er steeds vaker voor kiezen om langer thuis te blijven wonen. Zorginstellingen zullen hierop moeten anticiperen en hun bedrijfsproces moeten aanpassen. Tegenover de afnemende vraag naar verzorgingshuiszorg staat overigens een toenemende vraag naar verpleeghuiszorg en thuiszorg.
Hoe verhoudt het ontslag van deze medewerkers zich tot de Agemagelden die zorgaanbieder Pleyade gekregen heeft om extra personeel aan te nemen?
De intensiveringsmiddelen AWBZ zijn bedoeld voor het opleiden en aannemen van personeel. Hierover zijn afspraken gemaakt met het zorgkantoor. Indien Pleyade geen invulling meer geeft aan de afspraken die met het zorgkantoor zijn gemaakt, wordt de vergoeding niet gecontinueerd.
Hoeveel ouderen zullen door dit massaontslag verstoken blijven van zorg?
Er zullen door deze reorganisatie bij Pleyade geen ouderen verstoken blijven van zorg. Bepalend voor het recht op zorg is de AWBZ-indicatie. Het zorgkantoor heeft de zorgplicht om in de zorgvraag van deze ouderen met een AWBZ-indicatie te voorzien.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag twee, gaan ouderen die in het verleden zich zouden wenden tot Pleyade nu naar andere zorginstellingen of ontvangen zorg thuis.
Bent u bereid de Inspectie vaker te laten controleren, nu het werk door veel minder mensen gedaan zal moeten worden?
De personeelsreductie wordt veroorzaakt door de afnemende zorgvraag bij Pleyade. Het is dus niet zo dat het zelfde werk door veel minder mensen moet worden gedaan. De inspectie zal haar reguliere controles blijven uitvoeren. Ik zie geen aanleiding om de controletaak bij Pleyade te intensiveren.
Het verdwijnen van de unieke collectie typmachines van de schrijver W.F. Hermans naar het buitenland |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Betty de Boer (VVD), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving rondom de toewijzing van de unieke collectie van 150 typmachines van W.F. Hermans aan een boekhandel in België?1 2 3
Ja.
Hoe beoordeelt u deze situatie, waarbij een uniek onderdeel van de nalatenschap van deze Nederlandse schrijver naar België lijkt te verdwijnen?
Ik heb het vertrouwen dat er op zorgvuldige wijze een besluit is genomen over de bestemming van deze privécollectie. De collectie blijft bijeen, is voor publiek toegankelijk in het Nederlands taalgebied, in het land dat W.F. Hermans huldigde met een eredoctoraat en waar hij sedert 1991 woonde.
Hoe beoordeelt u het afwijzen van de optie voor behoud van de collectie voor Nederland via het aanbod van de gemeente Groningen, die de collectie tegen vraagprijs wilde overnemen en deze breed toegankelijk wilde maken via tentoonstelling?
De gemeente Groningen heeft meegedaan aan een prijsvraag en zich daarmee onderworpen aan de jurybeoordeling. De jury heeft een andere inzending verkozen boven die van Groningen. Het is begrijpelijk dat dat voor Groningen een teleurstellend resultaat is.
Is het correct dat deze collectie naar het buitenland kan verdwijnen als gevolg van het sluiten van het oorspronkelijk beherende museum Scryption in Tilburg in 2011, waardoor afspraken over overname van collecties niet van toepassing zijn?
Het toepassen van de Leidraad Afstoten Museale Objecten (Lamo) is een voorbeeld van zelfregulering van de musea. Aan het eind van dat traject kan een eigenaar besluiten, als andere stappen geen gewenst resultaat hebben, om een collectie af te stoten, ook naar het buitenland.
Sluiten van een museum betekent dat over de gehele collectie een besluit moet worden genomen onder de tijdsdruk van het besluit tot sluiting.
Stichting Onterfd Goed is hierbij behulpzaam. De Stichting hanteert de Lamo en andere museale ethische codes. Dit betekent dat in een vroeg stadium is onderzocht of Nederlandse instellingen voldoende belangstelling hadden voor de collectie typemachines van W.F. Hermans. Dit bleek niet het geval te zijn. Zo is mij bekend dat het Letterkundig Museum van mening is dat de cultuur- en literair-historische waarde van Hermans» typemachineverzameling niet erg hoog aangeslagen zou moeten worden. Vervolgens is een wedstrijd uitgeschreven, met een jury van deskundigen en een stem van het publiek. Dat de collectie in België is geplaatst, is een resultaat van het afwegingsproces in het kader van deze wedstrijd. Ik vind het een goed initiatief van de Stichting dat zij zich over «verweesde collecties» ontfermt.
Deelt u de analyse dat er in dat geval sprake is van een hiaat binnen de afspraken tussen musea wat betreft het overnemen van collecties of delen van collecties, met het oog op behoud binnen Nederland? Zo ja, bent u bereid om u in te zetten om deze afspraken zodanig aan te passen zodat er van een dergelijk hiaat geen sprake meer is? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse deel ik niet. Overigens is er wel behoefte aan aanpassing van de Lamo. De Nederlandse Museum Vereniging werkt eraan om het proces nog helderder in kaart te brengen. Ik ben voornemens in de Erfgoedwet het proces van afstoten van cultuurvoorwerpen door overheden, belangrijke eigenaars van collecties, nader te regelen, zodat wordt voorkomen dat voorwerpen die voor de Nederlandse cultuur niet kunnen worden gemist naar het buitenland verdwijnen.
In hoeverre kan de nieuwe erfgoedwet, die in voorbereiding is, een bijdrage leveren aan het voorkomen van situaties zoals deze?
Zie vraag 5.
Welke mogelijkheden staan u op dit moment ter beschikking om deze collectie toch te behouden binnen Nederland? Bent u bereid om u hiervoor in te zetten?
In gevallen dat cultuurvoorwerpen naar het buitenland verdwijnen die voor de Nederlandse cultuur onmisbaar zijn, kan ik besluiten tot een aanwijzing in het kader van de Wet tot behoud van cultuurbezit. Dat is een zwaar instrument, voorbehouden voor uitzonderingen. Immers, er wordt fundamenteel ingegrepen in het eigendomsrecht; beslissingen van anderen moeten worden teruggedraaid. Ik acht dat, gelet op deze collectie en gelet op de voorgeschiedenis, niet aan de orde.
Over het bericht ‘Geld voor gedupeerde TBS-patiënten’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Geld voor gedupeerde TBS-patiënten»?1
Ja.
Is het waar dat tbs’ers die door de dreigende sluiting van een tbs-kliniek mogelijk gedwongen worden te verhuizen naar een andere kliniek, een schadeloosstelling kunnen eisen?
Alleen de rechter oordeelt over toekenning van een schadevergoeding in het geval een tbs-gestelde dat eist. Voor een toekenning zal in elk geval sprake moeten zijn van een onrechtmatige situatie. Ik zie geen enkele aanleiding te veronderstellen dat een dergelijke situatie zich zal voordoen.
Een onvermijdelijk gevolg van de sluiting van een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) is dat een aantal daar thans verblijvende tbs-gestelden moeten worden overgeplaatst naar een ander fpc. Deze overplaatsing wordt zorgvuldig voorbereid en uitgevoerd om de overgang voor deze tbs-gestelden soepel te laten verlopen. Het overplaatsingsproces is er op gericht eventuele vertraging in de behandeling te voorkomen. Bij de overdracht van de behandeling zal nadrukkelijk rekening gehouden worden met de vorderingen die al gemaakt zijn en zal continuering daarvan het uitgangspunt zijn. Dat veel fpc’s inmiddels werken met vergelijkbare zorgprogramma's op basis van de dominante problematiek is daarbij behulpzaam. Tevens zal het deel van de tbs-gestelden dat zich in de resocialisatieprocedure bevindt zoveel mogelijk in hun resocialisatiewoning blijven.
Mocht het desondanks zo zijn dat de behandelduur in een enkel individueel geval toch toeneemt, dan is de verwachting dat de toename beperkt zal zijn. Dit levert geen onrechtmatige situatie op waarin de overheid schadeplichtig zou zijn.
Kunt u een schatting maken van het totaal bedrag aan schadeclaims dat ongeveer geëist zal worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het opnieuw opbouwen van een band met sociotherapeuten en specialisten, waardoor een tbs’er langer in de tbs zit, nooit een reden mag zijn om een schadeloosstelling uit te keren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het hier niet gaat om personen die het delict helemaal niet hebben gepleegd hebben en daarom onterecht vastzitten, maar om personen die een delict hebben gepleegd en daarom door de rechter tbs opgelegd hebben gekregen en een schadeloosstelling daarom niet op zijn plaats is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te bewerkstelligen om aan geen enkele tbs’er die door de sluiting van een tbs-kliniek overgeplaatst moet worden een schadeloosstelling uit te keren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u hiertoe nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Het door de Koning regeren “bij de Gratie Gods” |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat sinds de inhuldiging van Koning Willem-Alexander in het afkondigingsformulier van wetten en koninklijke besluiten vermeld wordt dat hij koning is «bij de gratie Gods»? Zo ja, is deze vermelding een persoonlijke geloofsuiting van de Koning of een element van onze staatsinrichting?
Sinds 1814 maakt deze vermelding deel uit van het afkondigingsformulier. Zij is geen element van onze staatsinrichting, maar behoort tot een «eeuwenoude traditie waarin een religieuze opvatting tot uitdrukking wordt gebracht, zoals bijvoorbeeld ook in ons volkslied.»1
Indien het een persoonlijke geloofsuiting is, hoe verhoudt deze zich tot het beginsel van scheiding van kerk en staat?
Zie antwoord vraag 1.
Indien het een element van onze staatsinrichting is, hoe valt dit te rijmen met de omstandigheid dat het niet wettelijk vastgelegd is?
Zie antwoord vraag 1.
Welke ruimte biedt het element «enz.» tussen «Wij» en «Koning der Nederlanden» in het afkondigingsformulier, dat ingevolge additioneel artikel XIX van de Grondwet nog steeds geldt, anders dan om de naam van de Koning te vermelden?
Het element «enz.» tussen «Wij» en «Koning der Nederlanden» biedt blijkens de wetsgeschiedenis en de wetgevingspraktijk ruimte voor de vermelding.
Indien «enz.» ruimte biedt voor de vermelding van «bij de gratie Gods», bestaat er dan juridisch gezien ook ruimte voor vermelding van iets anders, zoals bij voorbeeld «bij de gratie van het Nederlandse volk»?
Zie antwoord vraag 4.
Is het niet wenselijk om opdrachten tot wetgeving in de Grondwet zo snel mogelijk uit te voeren en de levensduur van additionele artikelen in de Grondwet zo kort mogelijk te houden?
Sinds de grondwetsherziening van 1983 is het afkondigingsformulier opgenomen in additioneel artikel XIX van de Grondwet. Dit bepaalt tevens dat de tekst van het formulier van kracht blijft totdat hiervoor een regeling is getroffen. De grondwetgever heeft er derhalve voor gekozen – anders dan bij andere additionele artikelen2 – geen termijn te verbinden aan het treffen van een regeling.
Waarom is artikel 88 van de Grondwet niet zó volledig uitgevoerd, dat additioneel artikel XIX kan vervallen?
Zie antwoord vraag 6.
Is de regering bereid om een wetsvoorstel in te dienen ter aanvulling van de Bekendmakingswet met een formulier voor de afkondiging van wetten en koninklijke besluiten?
De indiening van een voorstel van (rijks)wet hierover heeft – mede in het licht van de uitvoering van het wetgevingsprogramma met een bezuinigingsdoelstelling van 50 miljoen of meer en de kosten verbonden aan de inzet van schaarse wetgevingscapaciteit – geen prioriteit.
De hoofdelijke aansprakelijkheid van volksvertegenwoordigers |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Chipshol dreigt raadsleden met aansprakelijkheid»?1
Ja.
In hoeverre kunnen gekozen volksvertegenwoordigers voor een democratisch genomen besluit hoofdelijk (financieel) aansprakelijk worden gesteld? Wat is de inhoud van de wettelijke bepalingen en jurisprudentie op dit punt?
Dat is niet mogelijk. Volksvertegenwoordigers dienen in hun vergaderingen te kunnen spreken en besluiten zonder de vrees of dreiging daarvoor persoonlijk te worden betrokken in gerechtelijke procedures. Gekozen volksvertegenwoordigers genieten daartoe immuniteit voor al hetgeen zij mondeling of schriftelijk inbrengen in de beraadslagingen van het volksvertegenwoordigend orgaan waarvan zij deel uitmaken. Dat geldt ook voor de wijze waarop zij hun stem uitbrengen. Ze kunnen daarvoor niet strafrechtelijk worden vervolgd of privaatrechtelijk op worden aangesproken. Dit is voor leden van de Staten-Generaal vastgelegd in artikel 71 van de Grondwet. Voor leden van provinciale staten, gemeenteraden, algemene besturen van waterschappen is dit geregeld in overeenkomstige bepalingen in respectievelijk de Provinciewet, de Gemeentewet en de Waterschapswet.2 De weinige jurisprudentie die er is, gaat vooral over de vraag of bepaalde in of buiten de volksvertegenwoordiging gedane uitlatingen onder de immuniteit vallen en over de vraag welke andere personen dan de volksvertegenwoordigers zelf mede deze immuniteit genieten.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat gekozen volksvertegenwoordigers voor een democratisch genomen besluit «persoonlijk financieel» aansprakelijk zouden kunnen worden gesteld? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het Nederlandse staatsbestel gaat uit van politieke verantwoordelijkheid en kent geen persoonlijke financiële aansprakelijkheid van volksvertegenwoordigers. Ook op gemeentelijke niveau ontbreekt privaatrechtelijke financiële aansprakelijkheid. Deze gaat – evenals op landelijk niveau – op in de politieke verantwoordingsplicht. Dat betekent dat volksvertegenwoordigers in hun vergaderingen kunnen spreken en besluiten zonder angst daarvoor persoonlijk en financieel te kunnen worden betrokken in gerechtelijke procedures.
Wie kan er in het geval er door een wijziging van een bestemmingsplan aan een ander financiële schade wordt toegebracht verantwoordelijk worden gesteld voor die schade? Wat is hierin het verschil tussen een privaatrechtelijke en een publiekrechtelijke rechtspersoon?
Schade die geleden wordt als gevolg van een wijziging in het bestemmingsplan (planschade) kan in aanmerking komen voor vergoeding door de gemeente. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. De aansprakelijkheid berust dus bij de gemeente en niet bij individuele bestuurders persoonlijk.
In het privaatrecht zal doorgaans de rechtspersoon aansprakelijk worden gesteld. Wanneer dat geen soelaas biedt (bijvoorbeeld bij een faillissement) kunnen daarnaast bestuurders onder bepaalde voorwaarden door derden aansprakelijk worden gesteld voor onrechtmatig handelen van de rechtspersoon. Artikel 2:1, derde lid BW sluit een dergelijke aansprakelijkheid voor bestuurders van publiekrechtelijke rechtspersonen uit.
Kan het Rijk, een provincie of gemeente in het geval zij wordt aangesproken voor een schadevergoeding, regres nemen op volksvertegenwoordigers die bij het nemen van het democratische besluit hebben gehandeld in strijd met de wet (bijvoorbeeld vanwege corruptie)?
De in het antwoord op de eerste vraag genoemde immuniteiten gelden ook ten opzichte van het Rijk, de provincie en de gemeente. Indien er schadevergoeding moet worden betaald naar aanleiding van een door de volksvertegenwoordiging genomen besluit, berust de betalingsplicht bij het desbetreffende overheidsorgaan. Deze overheid kan geen regres nemen op de eigen volksvertegenwoordigers wegens de wijze waarop zij hun stem hebben uitgebracht. Voor ambtsdelicten, zoals bijvoorbeeld het aannemen van steekpenningen, zijn volksvertegenwoordigers uiteraard wel strafrechtelijk vervolgbaar.
De niet-nakoming van controles op de correcte uitvoering van de Wet Politiegegevens |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich eerdere vragen over schendingen van de Wet Politiegegevens (Wpg)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de politie de verplichting (artikel 33, derde lid, Wpg) zichzelf opnieuw te controleren op de correcte uitvoering van de wet niet nakomt? Welke consequenties verbindt u hieraan?
In april 2012 zijn naar aanleiding van de vierjaarlijkse externe privacy-audit verbeterplannen opgesteld door de voormalige regiokorpsen.
Op basis van deze verbeterplannen is een hercontrole uitgevoerd van de onderdelen die niet voldeden in de externe privacy-audit. De rapportage hiervan is in april 2013 afgerond. Deze rapportage is op 15 juli openbaar gemaakt. Ik zal de Kamer afzonderlijk berichten over de uitkomsten hiervan. Het CPB ontvangt, conform de wettelijke kaders, de resultaten van de vierjaarlijke externe privacy- audit en, op verzoek, de resultaten van de tussentijdse interne controles.
De politie komt haar verplichting volgende uit art. 33, derde lid, van de Wet politiegegevens (Wpg) daarmee na.
Op welke termijn zullen de hercontroles zijn afgerond, de afschriften van de controleresultaten aan het College bescherming persoonsgegevens (CBP) zijn verzonden (artikel 33, tweede lid, Wpg) en deze rapportages openbaar zijn gemaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het vertrouwen van de Nederlandse burger in de politie wordt geschaad nu de politie niet alleen deze keer de controles te laat uitvoert, maar zij ook de vorige controle een jaar te laat heeft uitgevoerd en uit deze controle is gebleken dat geen enkel politiekorps de bescherming van persoonsgegevens op orde heeft?
Deze meningen deel ik niet. De hercontrole van de uitgevoerde verbeterplannen is conform planning in april 2013 afgerond. Ik zal de Kamer afzonderlijk berichten over de uitkomsten hiervan. De realisatie van de overige verbeteringen en de controle op de maatregelen zijn geborgd binnen de nationale politie. In september 2013 wordt gestart met de voorbereidingen voor de nieuwe externe privacy-audit van eind 2014. De controles lopen daarmee inmiddels volgens schema en er is geen reden om aan te nemen dat daar van afgeweken zal worden.
De politie is zich ervan bewust dat het werken met politiegegevens zorgvuldigheid vergt en heeft in het proces reeds de nodige waarborgen ingebouwd, die er voor zorgen dat er op verantwoorde wijze met politiegegevens omgegaan wordt. De WPG vereist waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de vorm van beveiligingseisen, protocollering en een strikter autorisatieregime. De politie gaat dan ook zeer vertrouwelijk om met de gegevens die ten behoeve van opsporing en handhaving in de politiesystemen worden verwerkt en opgeslagen.
Deelt u de mening dat het werk van de politie te belangrijk is om teniet te worden gedaan door slordigheden in de toepassing van bevoegdheden? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel onderzoeken gestrand zijn door een onverantwoorde omgang met gegevens? Zo nee, waarom niet?
Belangrijk is dat medewerkers van politie verantwoord met gegevens om gaan en zo het aantal zaken dat strandt door onverantwoorde omgang marginaliseren. Zoals aangegeven is dit verantwoordelijkheidsgevoel bij de politie aanwezig.
Het OM en de politie beschikken niet over gegevens met betrekking tot het aantal zaken dat gestrand is door een onverantwoorde omgang met gegevens.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat transparantie over de zorgvuldigheid waarmee de politie met persoonsgegevens omgaat van het grootste belang is? Bent u bereid om de frequentie van de controles (als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, Besluit politiegegevens) te verhogen tot een jaarlijkse controle? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening.
Over de vraag of het wenselijk is de frequentie van de vierjaarlijkse privacy-audit te verhogen, wil ik mij thans niet uitlaten. Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de Wet politiegegevens in de praktijk. Over de bevindingen van dit onderzoek, dat naar verwachting in september 2013 zal worden afgerond, zal ik de Eerste en de Tweede Kamer informeren, zoals artikel 47 van de Wet politiegegevens voorschrijft.
Deelt u de mening dat het voorbarig is om de opsporingsbevoegdheden van de politie uit te breiden als duidelijk is dat zij niet structureel op verantwoorde wijze met persoonsgegevens in een gevoelige context om kan gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Family tracing |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Welke mogelijkheden hebben Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V om familie van alleenstaande minderjarige asielzoekers of vreemdelingen te traceren in land van herkomst?
De mogelijkheden om familieleden van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) te traceren in het land van herkomst zijn in eerste instantie afhankelijk van de medewerking van de amv en zijn omgeving. Deze zijn tevens afhankelijk van de onderzoeksmogelijkheden van het land waar de familieleden zich bevinden en eventuele overige informatie waarover de DT&V beschikt. Dit zal de DT&V dus per individuele amv moeten bezien. Er zijn verschillende onderzoeksmogelijkheden in landen, zoals via het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassades, via medewerkers van de IND en KMar die werkzaam zijn in een land en wat betreft Afghanistan via de Identity Checking Unit van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Afghanistan (IDCU). De amv kan voorts zelf verzoeken voor family tracing indienen bij bijvoorbeeld het Rode Kruis en de IOM.
Op welk moment in de procedure wordt besloten om tot deze zogenaamde «family tracing» over te gaan? Klopt het dat het traceren van de familie reeds start wanneer de jongere (nog) niet uitgeprocedeerd is? Zo ja, waarom? Deelt u de mening dat dit kan leiden tot gevaarlijke situaties als informatie over de jonge asielzoeker en diens eventuele familie bekend wordt gemaakt bij de autoriteiten van het betreffend land van herkomst?
Indien er binnen de asielprocedure concrete aanwijzingen zijn dat er familieleden in Europa verblijven, wordt door de Nederlandse autoriteiten onderzocht of de amv in het kader van de Dublin II-Verordening aan de betreffende Lidstaat kan worden overgedragen.
Indien de asielaanvraag van de amv is afgewezen, wordt door de DT&V in voorbereiding op een eventuele terugkeer naar het land van herkomst tracing opgestart om zo adequate opvang voor de amv te kunnen realiseren. Voor amv’s die in de AA-procedure zijn afgewezen, gebeurt dit na de afwijzing door de IND en voor amv’s in de VA-procedure gebeurt dit na de uitspraak door de rechter. Het is dus niet juist dat tracing al start als er nog geen beslissing is genomen op de asielaanvraag. Uitgangspunt van het terugkeerbeleid voor amv’s is hereniging met de ouders. Indien geen verblijfsvergunning wordt verleend, rust op de amv de plicht Nederland uit eigen beweging te verlaten. Hierbij kan de amv hulp krijgen van bijvoorbeeld IOM en de DT&V. Indien de amv niet zelfstandig terugkeert, zal de Nederlandse overheid het gedwongen vertrek van de amv ter hand nemen. Hieronder valt dus ook het traceren van de familie in het land van herkomst.
De DT&V werkt aan de hand van casemanagement. Dit is maatwerk. De DT&V zal in de vertrekgesprekken met de amv, die niet in aanmerking komt voor verblijf, en indien gewenst zijn voogd bespreken dat de amv terug moet keren naar het land van herkomst en zal daarbij de amv vragen stellen over zijn familie in het land van herkomst. De amv is hierdoor op de hoogte van het feit dat gezocht zal gaan worden naar zijn familie. De aanknopingspunten die voortkomen uit het gesprek worden samen met eventuele andere beschikbare informatie gebruikt om de familie te traceren. Afhankelijk van het land van herkomst wordt hierbij contact gezocht met autoriteiten of andere instanties in het land van herkomst.
Ouders en familieleden tot de 4<sup>e</sup> graad worden in beginsel als adequate opvang beschouwd. Dit geldt ook voor een echtgenoot met wie de amv niet-erkend traditioneel is gehuwd, of voor overige meerderjarigen van wie is gebleken dat zij de amv kunnen opvangen. Uiteraard worden in de toelatingsprocedure verklaringen van de amv meegewogen als hij aanvoert dat hij van mening is dat deze personen hem geen adequate opvang kunnen bieden.
Het resultaat van het tracingsonderzoek wordt door de DT&V met de amv besproken tijdens de vertrekgesprekken. De voogd van de amv kan aanwezig zijn bij de vertrekgesprekken met de DT&V als dit door de amv en de voogd gewenst is. Wanneer de familie is opgespoord wordt door de DT&V, eventueel samen met de amv, contact opgenomen met de familie om de terugkeer van de amv te organiseren. De amv, de voogd of advocaat kan te allen tijde zelf contact opnemen met zijn (getraceerde) familie indien hij dat wenst.
In de praktijk keren amv’s ook vrijwillig terug en amv’s nemen soms ook zelf contact op met hun familieleden.
Erkent u dat het van belang is dat deze jongeren voorafgaand toestemming moeten geven voordat familie in land van herkomst wordt gezocht, omdat «family tracing» een gevaar kan opleveren voor de jongeren als sprake is van bijvoorbeeld mensenhandel of het (mede) vluchten voor de familie? Zo nee, waarom niet en hoe ziet u dit in het licht van de artikelen 3, 5 en 12 van het Kinderrechtenverdrag, waaruit voortvloeit dat deze toestemming moet worden gevraagd voordat «family tracing» kan plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
Komt het voor dat zonder toestemming van of zelfs zonder kennisgeving aan een jongere of diens voogd toch contact wordt opgenomen met de autoriteiten in land van herkomst, ondanks dat dit tot gevaarlijke situaties kan leiden omdat de eventuele familie gegronde redenen kan hebben om niet met die autoriteiten in contact te treden? Zo ja, waarom en om welke landen van herkomst gaat het dan?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt de door de autoriteiten of andere partijen in het land van herkomst verstrekte informatie over de familie door de Nederlandse overheidsdiensten geverifieerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kan de door de autoriteiten of andere partijen in het land van herkomst verstrekte informatie over de familie door de advocaat en/of de voogd van de jongere worden geverifieerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u garanderen dat «family tracing» door de Nederlandse overheid alleen wordt ingezet nadat de minderjarige en diens voogd hierover geïnformeerd zijn, nadat zij hiervoor toestemming hebben verleend en als de resultaten van «family tracing» verifieerbaar zijn en gedeeld worden met de minderjarige en diens voogd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer acht u het voldoende veilig voor een kind om terug te keren naar de getraceerde familie? Wordt voorafgaand aan dit besluit altijd van tevoren contact gefaciliteerd tussen het kind en zijn familie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u om met familie die weigert het kind terug te nemen, waardoor het kind feitelijk geen familie meer heeft om naar terug te keren? Gaat u dan alsnog over tot gedwongen uitzetting? Zo ja, waarom?
Het enkele weigeren van bijvoorbeeld ouders om de amv terug te nemen is niet voldoende om de amv zonder meer een verblijfsvergunning te verstrekken. Voorkomen dient immers te worden dat ouders op deze wijze bewerkstelligen dat hun kind, terwijl dit kind geen bescherming nodig heeft, alsnog verblijf krijgt. Dit zou er toe kunnen leiden dat meer ouders hun kinderen in de hoop op een betere toekomst naar Europa zenden, terwijl er geen asielbescherming nodig is. Ook is dit in strijd met het IVRK dat als uitgangspunt hanteert dat ouders primair zijn aangewezen om voor hun kinderen te zorgen.
Gedwongen uitzetting is enkel mogelijk naar een situatie van adequate opvang en deze opvang moet gegarandeerd zijn. Bij voorkeur zijn dit de ouders, maar dit kunnen ook overige familieleden of volwassenen zijn of opvangvoorzieningen.
Het KNMG standpunt over medische beslissingen rond het levenseinde bij pasgeborenen met zeer ernstige afwijkingen |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het standpunt van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) over medische beslissingen rond het levenseinde bij pasgeborenen met zeer ernstige afwijkingen?
De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat er in het veld behoefte was aan meer helderheid over hoe de criteria uit de Regeling late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen moeten worden gehanteerd en geïnterpreteerd. Daarom vind ik het goed dat de KNMG, in samenwerking met onder meer de Nederlandse Vereniging voor Kinderartsen (NVK) tot een standpunt is gekomen. Het standpunt moet artsen en behandelteams een handvat bieden voor het handelen bij pasgeborenen met zeer ernstige afwijkingen. Daarnaast dient het ertoe ouders en de samenleving inzicht te geven in het besluitvormingsproces van artsen bij levensbeëindiging bij pasgeborenen en biedt het beroepsbeoefenaren en toetsingsorganen een kader om dit handelen aan te toetsen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de commissie is voorbijgegaan aan het onderzoek van Verhagen e.a. uit 2005 waarin alle 22 gemelde gevallen van levensbeëindiging over een periode van zeven jaar worden geanalyseerd?1
Voor het bepalen van het standpunt is alle relevante literatuur bestudeerd, waaronder het onderzoek van Verhagen e.a. uit 2005. Zie hiervoor ook bijlage II met referenties uit het standpunt. Ook was de heer Verhagen lid van de KNMG commissie die het standpunt heeft opgesteld.
Waarom is bij het standpunt de controverse over spina bifida niet genoemd?
Het gaat in het standpunt om de situatie van alle pasgeborenen met zeer ernstige afwijkingen, ongeacht de aandoening. Het standpunt beschrijft dat er direct na de geboorte is gestart met behandelen om te voorkomen dat de gezondheidstoestand verslechtert en er onherstelbare (hersen)schade optreedt. Er kan echter een moment komen dat de behandeling in medisch opzicht niet meer bijdraagt aan de gezondheidstoestand en kwaliteit van leven van de pasgeborenen. Artsen en ouders staan dan voor de buitengewoon ingrijpende vraag of starten of doorgaan met behandelen nog «goed doen» is of «schaden», gelet op het lijden dat uit de gebrekkige gezondheid van het kind kan voortvloeien. Het geboren worden met een open ruggetje of een andere aandoening is dus geen criterium voor behandelbeslissingen. Het criterium is of behandelen nog medisch zinvol is en of er, ongeacht de aandoening, nog enig perspectief is.
Bent u van mening dat met betrekking tot actieve levensbeëindiging van pasgeborenen voor Nederland een uitzonderingssituatie bestaat en zo ja, op welke gronden, aangezien in 2001 een lijst met aanbevelingen met betrekking tot ethische dilemma’s in de neonatologie verscheen van de Confederatie van Europese kinderartsen waarin onder andere wordt gesteld dat er geen plaats is voor actieve levensbeëindiging in de neonatologie?
Deze lijst met aanbevelingen is een weergave van de gedeelde mening over ethische principes van tien Europese landen, ruim tien jaar geleden. Voortschrijdende ontwikkelingen en inzichten hebben in Nederland geleid tot het door de Nederlandse Vereniging voor Kinderartsen aanvaarde Groninger Protocol in 2005 en het standpunt in 2013.
Hoe beoordeelt u het feit dat de concepttekst van het rapport niet is voorgelegd aan de Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie en niet aan de sectie kinderneurochirurgie van deze vereniging?
Beslissingen over het levenseinde worden veelal niet door neurochirurgen genomen. Er zijn vele specialismen betrokken bij de behandeling van pasgeborenen, zoals metabole specialisten, kinder-maag-darm-leverartsen, oogartsen, orthopeden en soms neurochirurgen. Hoewel deze specialisten wel betrokken kunnen zijn bij de besluitvorming als orgaanspecialist die geconsulteerd wordt en kennis inbrengt, is de besluitvorming ten aanzien van het levenseinde met name het domein van de kinderartsen en neonatologen.
Hoe beoordeelt u de stelling van de KNMG dat er consensus is bereikt, gezien de controverse die nog steeds bestaat rondom levensbeëindiging bij spina bifida?
Zie antwoord vraag 3.
Is het mogelijk om zo zeker mogelijk te zijn van de juistheid van het besluit tot levensbeëindiging, om tot toetsing vooraf over te gaan?
Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Regeling late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen blijkt dat destijds bewust de keuze is gemaakt om over te gaan tot toetsing achteraf van het handelen van de arts. In het kader van zorgvuldige besluitvorming wordt voorafgaand ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd. Daarnaast vindt overleg plaats in het behandelteam, waarbij gestreefd wordt naar consensus. Ik zie geen reden om hiervan af te wijken.
In welk opzicht zal het beslissingskader van artsen veranderen door dit standpunt van de KNMG?
Dit KNMG-standpunt is geautoriseerd door de Nederlandse Vereniging voor Kinderartsen en maakt onderdeel uit van de professionele standaard. Het standpunt heeft tot doel een einde te maken aan de onzekerheid over de verschillende beslissingen over het levenseinde van pasgeboren en over de criteria voor opzettelijke levensbeëindiging. Aangezien het standpunt zeer recent verschenen is, is het nog te vroeg om vast te stellen welke betekenis het zal hebben voor de praktijk.
Bent u van mening dat «lijden» nog steeds als een deugdelijk criterium kan worden gezien, terwijl uit wetenschappelijk onderzoek van Ottenhoff is gebleken dat dit een subjectief criterium is?
Zoals bij alle medisch inhoudelijke richtlijnen en standpunten van de beroepsgroep, is het niet aan mij om een oordeel over de precieze inhoud ervan te hebben. Ik weet wel dat de totstandkoming van het standpunt een nauwe samenwerking was tussen verschillende beroepsgroepen. De invulling van de zorgvuldigheidscriteria, zoals het lijden en de prognose, gebeurt door de arts. De prognose over de vooruitzichten van de gezondheid van het kind wordt gedaan op basis van inzichten naar de meest actuele stand van de medische wetenschap. Er is daarbij altijd een mate van onzekerheid. Artsen moeten zich bij het nemen van dergelijke geneeskundige beslissingen voor de pasgeborene met zeer ernstige afwijkingen laten leiden door wat verantwoorde zorg is.
In hoeverre kunnen artsen bij een pasgeborene absolute zekerheid geven dat het kind later tot geen enkele vorm van zelfstandig handelen in staat is?
Zie antwoord vraag 9.
Staat u nog steeds achter het wettelijk kader dat de toenmalige bewindslieden Ross-van Dorp en Donner de Kamer in 2005 hebben geschetst, waarbij werd gesteld dat alleen het actuele ondraaglijk en onbehandelbare lijden aanleiding kan zijn om levensbeëindiging te overwegen?
Deze herfst verwacht ik de uitkomsten van de evaluatie van de bestaande regeling. Na toezending aan uw Kamer zal ik uw Kamer een standpunt doen toekomen waarin ik de kabinetsvisie zal geven op de Regeling.
In hoeverre zijn ouders in staat om te bepalen wat wel of niet medisch zinvol of zinloos handelen is, gezien het standpunt van het Forensisch Medisch Genootschap?
De bepaling of een behandeling medisch zinloos is of niet, gebeurt door het behandelteam en niet door de ouders. Als er meerdere behandelalternatieven zijn die alle in overeenstemming zijn met de professionele standaard, beslissen de ouders welke van die behandelingen de pasgeborene krijgt.
Het weigeren van uitleveringsverzoeken vanwege een te kort strafrestant |
|
Jan de Wit (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van EenVandaag over de Nederlander Samuel die al vier jaar vast zit in de gevangenis in Venezuela en nog vier jaar te gaan heeft, mede vanwege het feit dat Nederland weigert hem terug naar Nederland te halen?1
Voor de goede orde merk ik op dat, anders dan de titel van de vraag doet vermoeden, de vragen betrekking hebben op verzoeken tot overdracht van de tenuitvoerlegging van een strafvonnis, niet op uitleveringsverzoeken.
De praktijk heeft uitgewezen dat de totale procedure voor overbrenging van Venezuela naar Nederland tweeëneenhalf tot vier jaar in beslag kan nemen. Deze doorlooptijd komt vooral door de zeer lange duur van het goedkeuringsproces in Venezuela en heeft gevolgen voor de lengte van het restant van de straf dat na overbrenging nog in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. Bij Panama speelt een vergelijkbare problematiek. Het betreft jaarlijks overigens een zeer gering aantal verzoeken om overbrenging. In 2012 was sprake van 2 respectievelijk 5 verzoeken.
Zowel het bilaterale verdrag met Venezuela als het Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen (VOGP), waarbij Venezuela, Panama en Nederland partij zijn, kennen de omzettingsprocedure en de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging. Sinds de inwerkingtreding van de Wet overdracht tenuitvoerlegging buitenlandse strafvonnissen (Wots) wordt waar mogelijk de omzettingsprocedure gevolgd. Een belangrijke reden voor toepassing van de omzettingsprocedure is, dat bij de zeer frequent voorkomende veroordelingen tot drugsdelicten, de buitenlandse straffen aanzienlijk hoger uitvallen dan in Nederland en omzetting de mogelijkheid biedt de straf meer aan te passen aan wat in Nederland gebruikelijk is. Alleen met landen die uitdrukkelijk bezwaar maken wordt de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging gevolgd. Venezuela en Panama hebben tot nu toe steeds ingestemd met de omzettingsprocedure, zodat er geen aanleiding is om van het beleid af te wijken.
Bij toepassing van de omzettingsprocedure bij verzoeken van gedetineerden in deze landen blijft er inderdaad in veel gevallen onvoldoende strafrestant over. Een strafrestant van ten minste vier maanden is nodig om betrokkene in detentie een resocialisatietraject te laten volgen, waarin hij wordt voorbereid op terugkeer in de Nederlandse samenleving en de benodigde papieren, onderdak en werk of uitkering worden geregeld. Zonder een dergelijk strafrestant kan niet worden voldaan aan het doel en strekking van de verdragen inzake overbrenging van gevonniste personen en de Wots. Deze verdragen en de Wots zien op overname van de tenuitvoerlegging van een buitenlandse vrijheidsstraf. Doel ervan is overbrenging van een gedetineerde naar zijn eigen land met het oog op de verdere tenuitvoerlegging van de hem opgelegde straf, teneinde hem aldaar voor te bereiden op terugkeer in zijn eigen samenleving. Dat is niet alleen in het belang van betrokkene maar ook van die samenleving, omdat daardoor de kans op recidive kan worden teruggedrongen.
Het in de vraag genoemde alternatief van resocialisatie buiten de muren van de gevangenis zou inhouden dat betrokkene wordt overgebracht naar Nederland en meteen of zeer kort daarna moet worden vrijgelaten, omdat de tenuitvoerlegging van de buitenlandse straf is voltooid. In eerst bedoelde situatie is er in het geheel geen sprake van overname van de tenuitvoerlegging en fungeert de Nederlandse staat slechts als reisbureau. In de tweede situatie kan er geen sprake zijn van een resocialisatietraject in detentie, waarin betrokkene wordt voorbereid op terugkeer in de Nederlandse samenleving. Tegen deze achtergrond acht ik de aangedragen alternatieven geen geschikte oplossingen.
Ik ben daarentegen wel bereid om na te gaan hoe de behandelingsduur van Wots-verzoeken ten behoeve van Nederlandse gedetineerden in Venezuela en ook Panama kan worden verkort. In november van dit jaar vindt in het kader van de Raad van Europa een bijeenkomst plaats waarvoor experts van alle staten partijen bij het VOGP zijn uitgenodigd en waarbij de toepassing van het verdrag centraal staat en voorkomende problemen maar ook «best practices» aan de orde zullen komen. Ik ga er voorshands vanuit dat Venezuela en Panama ook aan die vergadering zullen deelnemen. Mijn experts zullen van die gelegenheid gebruik maken om ook bilateraal met de experts van beide landen over de behandelingsduur te spreken.
Waarom blijft Nederland zo star vasthouden aan de eis dat er na omzetting van de straf in Nederland naar Nederlandse maatstaven sprake moet zijn van een strafrestant van minimaal zes maanden?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op het feit dat deze opstelling ertoe leidt dat sinds 2011 geen enkele Nederlander vanuit landen als Venezuela en Panama is overgedragen aan Nederland, steeds vanwege een te kort strafrestant? Deelt u de mening dat het noch voor de persoon in kwestie noch voor Nederland goed is dat iemand jarenlang (in doorgaans slechte omstandigheden) in de buitenlandse cel blijft zitten, omdat er op deze wijze ook geen sprake is van resocialisatie?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op het feit dat er alternatieven zijn voor deze onverkwikkelijke situatie, namelijk het resocialiseren van de overgedragen Nederlander buiten de muren van de gevangenis en het overdragen van de Nederlander aan Nederland waarbij de straf niet wordt omgezet naar Nederlandse maatstaven? Waarom staat u hier tot nu toe niet voor open? Wat zijn uw bezwaren tegen beide genoemde alternatieven?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de mogelijkheden nogmaals te bezien, verzoeken van Nederlanders in langdurige detentie in het buitenland om overgedragen te worden aan Nederland niet langer slechts af te wijzen vanwege een te kort strafrestant, de aangedragen alternatieven serieus te nemen en hiertoe zo nodig in overleg te treden met landen als Venezuela en Panama? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat justitie door uitzetting een moeder van haar kinderen wil scheiden |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere vragen over het bericht dat de Dienst Terugkeer & Vertrek een Marokkaanse moeder uit wil zetten, terwijl haar minderjarige kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben?
Ja.
Bent u bereid om betreffende vragen voor het zomerreces te beantwoorden, omdat de moeder op dit moment in vreemdelingendetentie zit?
Ik heb de vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Heeft u kennisgenomen van het arrest van het hof in Luxemburg C-‘219/12 (Finanzamt Freistadt Rohrbach Urfahr tegen Unabhängiger Finanzsenat Außenstelle Linz), waarin het hof beslist dat (paragraaf 37 van de uitspraak): «de exploitatie van een fotovoltaïsche installatie op of nabij een woning, die zodanig is ontworpen dat de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit altijd minder bedraagt dan de door de exploitant in totaliteit voor privédoeleinden verbruikte hoeveelheid elektriciteit en aan het elektriciteitsnet wordt geleverd in ruil voor een duurzame opbrengst, onder het begrip «economische activiteiten» in de zin van dat artikel valt.»?
Ja ik heb zeker kennis genomen van het arrest van het Hof van Justitie EU in zaak C-219/12, ook wel «zaak Fuchs» genoemd. Nederland heeft in deze zaak niet geïntervenieerd omdat het volledig onderbouwde Oostenrijkse standpunt in overeenstemming was met het Nederlandse standpunt, namelijk dat geen sprake is van btw relevante economische activiteiten. Duitsland heeft in deze zaak juist wel geïntervenieerd omdat in Duitsland het standpunt wordt toegepast dat de exploitatie van een fotovoltaïsche installatie op of nabij een woning wel leidt tot economische activiteiten voor de btw.
Waarom heeft de Duitse regering zich wel gevoegd in de zaak en de Nederlandse regering niet, terwijl er voor Nederland toch een groot belang op spel stond?
Zie antwoord vraag 1.
Onder welke omstandigheden en met hoeveel jaar terugwerkende kracht kunnen mensen de btw, die zij betaald hebben over zonnepanelen, de installatie van zonnepanelen en een deel van de constructie waarop ze hem geplaatst hebben, via de vooraftrek terugontvangen? Hoeveel btw moet de Nederlandse staat terugbetalen?
Aftrek van btw op de aanschaf van zonnepanelen is alleen mogelijk als de eigenaar ondernemer is voor de btw-heffing. Er ontstaat geen recht op aftrek of btw-plicht met terugwerkende kracht. Arresten van het Hof van Justitie hebben geen terugwerkende kracht in gevallen waarin de belastingheffing onherroepelijk vaststaat en de termijnen voor het tijdig verzoeken om btw-teruggaaf al zijn verstreken. Dit is conform mijn vaste beleidslijn zoals meest recentelijk verwoord in het beleidsbesluit ambtshalve verminderen of teruggeven van 16 december 2010, nr. DGB2010/6799M, Stcrt.2010/20999. De enige uitzondering die hierop gemaakt wordt betreft de zogenoemde Kühne & Heitz-uitzondering (arrest Hof van Justitie EU van 13 januari 2004, zaak C-453/00), die in dit geval niet speelt. De btw-plicht van zonnepaneleneigenaren moet worden beoordeeld op grond van alle feiten en omstandigheden van het geval. Deze beoordeling is voorbehouden aan de inspecteur. In algemene zin is sprake van btw-plicht als de particuliere eigenaar van zonnepanelen de opgewekte elektriciteit geheel of gedeeltelijk duurzaam en tegen vergoeding levert aan zijn energieleverancier. De zonnepaneleneigenaar zal dit wel aannemelijk moeten maken. Particulieren die niet aan deze voorwaarden voldoen hoeven zich niet te melden bij de Belastingdienst voor een eventuele btw-plicht ter zake van de exploitatie van zonnepanelen. Voor de budgettaire gevolgen verwijs ik naar vraag 6.
Heeft elke persoon die zonnepanelen heeft en energie terug levert een verplichting tot btw-aangifte en de mogelijkheid om een beroep te doen op de kleine ondernemersregeling?
Elke persoon die voor de exploitatie van zonnepanelen btw-ondernemer is heeft een verplichting tot het doen van btw-aangifte. Als aannemelijk is dat na toepassing van de btw-vermindering voor kleine ondernemers geen btw op aangifte hoeft te worden voldaan (namelijk bij een bedrag kleiner of gelijk aan € 1.345 per jaar na aftrek voorbelasting), dan kan om volledige ontheffing van btw-plicht voor de exploitatie van zonnepanelen en de daarbij behorende administratieve verplichtingen worden gevraagd. In dat geval vervalt ook de factureringsverplichting, maar mag aan de afnemer van de elektriciteit geen btw in rekening worden gebracht en bestaat geen recht op aftrek van btw meer. Alle natuurlijke personen en combinaties van natuurlijke personen, zoals een maatschap, kunnen een dergelijk beroep doen op de btw-ontheffing als kleine ondernemer. Na een daartoe gedaan verzoek kan die ontheffing onmiddellijk ingaan. De ontheffing gaat gepaard met een jaarlijks vragenformulier, dat ook nodig is om juiste btw-afdracht aan Brussel te bepalen. Ik bezie de mogelijkheid om dit formulier te vereenvoudigen of helemaal af te schaffen. Ik beschik niet over ervaringscijfers welk percentage van de eigenaren wel of geen beroep zal doen op de ontheffing. Ik kan daarom niet bevestigen dat (bijna) iedere zonnepaneeleigenaar een ontheffing zal vragen. Daarbij speelt uiteraard ook een belangrijke rol dat deze ontheffing meebrengt dat geen recht bestaat op teruggaaf van btw en er zonnepaneleneigenaren zullen zijn die zeker een beroep willen doen op dit teruggaafrecht.
Gaan deze mensen (bijna) allemaal een ontheffing vragen en krijgen (misschien op naam van partner of kind wanneer zij zelf al ondernemer zijn) en moet die ontheffing dan gepaard gaan met een jaarlijks vragenformulier?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel btw levert deze maatregel op en hoeveel administratieve lasten voor de burgers en voor de Belastingdienst?
Het antwoord op deze vraag hangt onder meer af van het aantal personen dat als gevolg van de exploitatie van zonnepanelen btw-plichtig wordt. Gelet op de onzekerheid over het aantal btw-plichtige zonnepaneleneigenaren en het aantal dat een beroep zal doen op de administratieve ontheffing, is het voor mij niet mogelijk de effecten voor de uitvoeringskosten bij de Belastingdienst en de administratieve lasten voor bedrijven exact te becijferen. Het is echter onmiskenbaar dat de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst toe zullen nemen en dat hetzelfde geldt voor de administratieve lasten voor ondernemers. Met de energieleveranciers zal nog overleg gevoerd worden over de praktische gevolgen van de btw-plicht voor de exploitatie tegen vergoeding van zonnepanelen. De btw-plicht voor de levering van elektriciteit en het recht op teruggave van btw bij aankoop van zonnepanelen levert budgettair niets op maar betekent een budgettaire derving. Deze derving ontstaat door de aan het ondernemerschap gekoppelde recht op aftrek van voorbelasting. In samenhang met de werking van de kleine ondernemersregeling ontvangen particulieren die investeren in zonnepanelen en voor de levering van de elektriciteit ondernemer zijn, in het jaar van aanschaf van de zonnepanelen (na datum arrest Hof van Justitie) alleen maar btw terug van de Belastingdienst. Deze derving zal conform de begrotingsregels gedekt worden.
Bent u bereid om samen met Oostenrijk, Duitsland en andere gelijkgestemde landen, te pleiten voor een aanpassing van de btw-richtlijn, waardoor het begrip «economische activiteiten» een beperktere uitleg krijgt en goederen die in en om het huis geproduceerd worden en voornamelijk gebruikt worden voor eigen consumptie (direct of uitgesteld) ervan worden uitgezonderd?
Ja. Ik acht de uitkomst van het arrest ongewenst, maar zie in het arrest geen juridische ruimte om het ondernemerschap te ontkennen wanneer is voldaan aan de in het antwoord op vraag 3 aangegeven voorwaarden. Daarom zal ik in Europees verband pleiten voor een aanpassing van de btw-richtlijn en daarbij de steun zoeken van gelijkgestemde landen. Daarbij valt te denken aan een mogelijkheid voor lidstaten om zeer kleine ondernemers met geringe omzetten of particuliere zonnepaneleneigenaren verplicht vrij te stellen van btw. Met het oog op eventuele aanpassing van de btw-richtlijn heeft Nederland dit onderwerp aanhangig gemaakt bij de Europese Commissie, die hiervoor nadrukkelijk de aandacht heeft. Wat Duitsland betreft mag overigens duidelijk zijn dat het in het arrest geen reden zal zien tot aanpassing van de regelgeving. In Duitsland wordt juist uitgegaan van btw-plicht voor de exploitatie van zonnepanelen.
De toename van mobiele teams voor euthanasie en het promoten van hulp bij zelfdoding door familieleden |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat het aantal mobiele teams voor euthanasie fors is uitgebreid?1
Ja.
Vindt u het een gewenste ontwikkeling dat de levenseindekliniek steeds meer teams inzet om vast te stellen of er overgegaan mag worden tot euthanasie, die vervolgens in een deel van de gevallen ook door de mobiele teams plaatsvindt?
De Levenseindekliniek is een particulier initiatief van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde. Het oprichten van deze kliniek was een reactie op het signaal dat er patiënten zijn die hun verzoek om levensbeëindiging niet ingewilligd zien worden bij hun arts, terwijl wel zou zijn voldaan aan de zorgvuldigheidseisen. De informatie die de kliniek verstrekt over zijn activiteiten geeft als beeld dat de kliniek in een behoefte voorziet. Dat neemt niet weg dat het in het algemeen de voorkeur heeft dat een verzoek om levensbeëindiging, en het proces om dit verzoek te onderzoeken, plaatsvindt binnen de bestaande arts-patiëntrelatie. Dit wordt ook onderkend door de Levenseindekliniek, die ernaar streeft om de behandelend arts opnieuw bij de hulpvraag te betrekken.
Op welke wijze wordt voldaan aan de zorgvuldigheidseisen uit de Euthanasiewet, waartoe onder meer horen het consulteren van een onafhankelijke tweede arts en nagaan of er alternatieve mogelijkheden zijn om het lijden te verlichten, terwijl tevens een vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt gewenst is?
Tot nu toe zijn ruim 50 meldingen van de Levenseindekliniek binnengekomen bij de vijf Regionale toetsingscommissies euthanasie (Rte). Deze commissies beoordelen alle meldingen van euthanasie. De algemeen secretaris van deze commissies heeft aangegeven dat alle tot nu toe door de toetsingscommissies beoordeelde meldingen van de Levenseindekliniek als zorgvuldig zijn beoordeeld. Dit betekent dat de arts zich heeft gehouden aan de wettelijke zorgvuldigheidscriteria.
Wanneer een melding van de arts door de toetsingscommissies als onzorgvuldig wordt beoordeeld, zal deze melding doorgestuurd worden naar de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en het Openbaar Ministerie (OM). Deze beide instanties kunnen zo nodig besluiten in deze zaken nadere stappen te zetten. Binnen de IGZ worden de door de toetsingscommissies toegezonden zaken die als onzorgvuldig zijn beoordeeld als melding beschouwd en behandeld conform de Leidraad Meldingen IGZ. Deze procedure geldt voor alle euthanasiemeldingen en dus ook voor meldingen van de Levenseindekliniek.
Op welke wijze wordt door de Inspectie gecontroleerd of de levenseindekliniek wel handelt in overeenstemming met de wettelijke eisen? Bent u bereid de mobiele teams met bijzondere aandacht te volgen en alsnog te komen tot een onafhankelijk onderzoek naar de praktijken van deze levenseindekliniek, zoals voorgesteld in het tweede evaluatierapport over de Euthanasiewet, om te bezien of deze organisatie zich wel houdt aan de wettelijke kaders?2
Zie antwoord vraag 3.
Hebt u tevens kennisgenomen van het bericht dat een nieuwe film toont hoe familieleden in strijd met het Wetboek van Strafrecht behulpzaam zijn bij levensbeëindiging?3 Deelt u de mening dat het promoten van strafbare feiten laakbaar is?
Het OM heeft kennisgenomen van de film. In de film wordt met diverse mensen gesproken over levensbeëindiging, maar de film toont niet de feitelijke levensbeëindiging en strafbare handelingen die daarbij eventueel zijn verricht. Voor zover de film moet worden beschouwd als promotie voor het plegen van strafbare feiten is dat uiteraard onwenselijk, maar het tonen van of informeren over handelingen die strafbaar zijn is op zichzelf niet strafbaar. Zie daarover ook het antwoord op vragen 7 en 9.
Klopt het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) niet of nauwelijks optreedt tegen familieleden die behulpzaam zijn bij zelfdoding door bijvoorbeeld het bestellen of toedienen van medicijnen? Zo ja, waarom treedt het OM hier dan niet tegen op?
Het is niet zo dat het OM niet optreedt of wil optreden tegen het verlenen van hulp bij zelfdoding. In alle gevallen die het OM onder ogen krijgt wordt beoordeeld of strafbaar handelen aan de orde is geweest en of dat strafbare handelen bewezen kan worden. Wanneer beide zaken het geval zijn wordt in het algemeen vervolging ingesteld. Met name de bewijsbaarheid is evenwel vaak moeilijk, wat in belangrijke mate verklaart dat slechts in een beperkt aantal zaken vervolging is ingesteld. Maatregelen mijnerzijds doen hier niets aan toe of af.
In hoeverre is het op dit moment strafbaar om een strafbaar feit als hulp bij zelfdoding door familieleden door een film of op een andere wijze te promoten?
Zoals in antwoord op eerdere schriftelijke vragen4 is uiteengezet is het enkel publiceren of verstrekken van een boek met adviezen over zelfdoding in de zin van het louter verstrekken van algemene informatie niet strafbaar op grond van artikel 294 Wetboek van Strafrecht. Datzelfde geldt voor een film over hulp bij zelfdoding.
Bent u bereid alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om het verbod op hulp bij zelfdoding ten volle te handhaven en te laten handhaven door het OM?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u tevens bereid om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om promotie van handelingen die in strijd zijn met het Wetboek van Strafrecht tegen te gaan dan wel tegen deze promotie op te treden?
Voor zover met promotie wordt bedoeld het uitlokken van een strafbaar feit voorziet het Wetboek van Strafrecht middels artikel 47, lid 1, onder 2, reeds in een algemene strafbaarstelling. Verder stelt het Wetboek van Strafrecht een aantal specifieke feiten strafbaar waarmee anderen worden aangezet tot bepaalde handelingen, zoals opruiing en het aanzetten tot zelfdoding. Ik zie geen reden om in aanvulling hierop in algemene zin het tonen van of informeren over handelingen die strafbaar zijn, strafbaar te stellen.
Het in rekening brengen van administratiekosten bij verkeersboetes dat tot ergernis en tot verwarring leidt |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het in rekening brengen van administratiekosten bij verkeersboetes tot ergernis en tot verwarring leidt?
Het is mij bekend dat het in rekening brengen van administratiekosten bij verkeersboetes soms aanleiding geeft tot discussie. Voor verwarring is geen aanleiding. De beschikking en de acceptgiro vermelden duidelijk het te betalen bedrag inclusief de administratiekosten.
Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van de Sector kanton Rechtbank Zeeland-West-Brabant (LJN: CA0211)?
Ja.
Deelt u het oordeel van de kantonrechter dat in deze zaak buiten alle proporties incassomaatregelen zijn toegepast, en dat om 6 euro te innen ten behoeve van de Staat der Nederlanden?
Het past mij als Minister van Veiligheid en Justitie niet om een oordeel te hebben over de uitspraak van een kantonrechter in een individuele zaak.
Deelt u de mening dat het in rekening brengen van administratiekosten alsmede het toepassen van buitenproportionele incassomaatregelen het maatschappelijk draagvlak voor verkeersboetes ondermijnt?
Op 1 juli 20091 is een aantal bepalingen in werking getreden waarbij de wettelijke basis is gevormd om naast de administratieve sanctie administratiekosten te innen. Het Gerechtshof Leeuwarden, de hoogste beroepsinstantie in dit soort zaken, heeft in meerdere arresten geoordeeld dat het in rekening brengen van administratiekosten rechtmatig is en niet strijdig met nationale of internationale regelgeving2. Ik zie dan ook niet in waarom het maatschappelijk draagvlak hierdoor zou worden ondermijnd. Datzelfde geldt voor de toegepaste incassomaatregelen. Bij het geloofwaardig handhaven van de verkeersregels hoort immers dat de gevolgen van het overtreden van deze regels worden geëffectueerd.
Bent u bereid het in rekening brengen van administratiekosten te betrekken bij de door u toegezegde evaluatie van het boetesysteem?
Nee. De administratiekosten maken immers geen onderdeel uit van de boete, maar zijn een gevolg van de door de wetgever gemaakte keuze om de kosten die met de inning van een boete zijn gemoeid door te berekenen aan degene aan wie de sanctie is opgelegd. Het past daarom niet om in een evaluatie van het boetesysteem de administratiekosten te betrekken.
De toename van piraterij aan de Westkust van Afrika. |
|
Sultan Günal-Gezer (PvdA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «West Africa piracy overtakes Somali ship attacks»?1
Ja.
Bent u al benaderd door Nederlandse koopvaardijschepen en/of rederijen over de problemen met de toenemende piraterij aan de Westkust van Afrika?
Tussen maart 2011 en 31 december 2012 zijn vijf Vessel Protection Detachements (VPD) aanvragen ingediend voor schepen die havens aan de westkust van Afrika zouden aandoen. Deze aanvragen zijn afgewezen omdat de inzet geen betrekking had op het risicogebied nabij Somalië. In 2013 zijn tot dusver geen aanvragen ontvangen voor een VPD voor de westkust van Afrika. Wel heeft een reder geïnformeerd naar de mogelijkheden terzake.
Welke mogelijkheden ziet u voor de Vessel Protection Detachments (VPD’s) om de Nederlandse koopvaardijschepen te beschermen tegen piraterij aan de Westkust van Afrika?
Maritieme criminaliteit voor de westkust van Afrika gebeurt meestal binnen de territoriale wateren (TTW) van de kuststaten in de Golf van Guinee. Het gaat daarbij om gewapende overvallen op zee. De aanvallen zijn vaak gericht op de lading van het schip, vaak olie, en niet op losgeld voor het schip en zijn bemanning. In een aantal gevallen zijn schepen aangevallen buiten de TTW.
Binnen de TTW zijn de kuststaten exclusief bevoegd tot en verantwoordelijk voor een adequate bescherming van koopvaardijschepen. Binnen deze wateren is het op grond van internationale verdragen niet toegestaan VPD’s of gewapende particuliere beveiligers in te zetten. Buiten de TTW is de koopvaardijsector, net zoals in het risicogebied nabij Somalië, eerstverantwoordelijk voor het treffen van beschermingsmaatregelen tegen piraterij. Voor Somalië zijn hier de Best Management Practices (BMP2 voor opgesteld. Het huidige VPD concept is hier een aanvulling op en is gericht op de inzet aan boord van Nederlandse koopvaardijschepen die in dat risicogebied varen. Het kabinet wil, in overleg met de koopvaardijsector, onderzoeken of er aanvullende maatregelen moeten worden genomen buiten de TTW van West-Afrikaanse staten, zoals de inzet van VPD’s.
Bent u in overleg met uw Europese ambtsgenoten, dan wel met andere EU-regeringsvertegenwoordigers, over mogelijke maatregelen tegen de toenemende piraterij aan de Westkust van Afrika?
De problematiek van gewapende overvallen op zee in de Golf van Guinee krijgt in toenemende mate internationale aandacht. In 2011 en 2012 heeft de VN Veiligheidsraad met de resoluties 2018 en 2039 het belang van een geïntegreerde oplossing, de ontwikkeling van een regionale strategie en een versterkte regionale samenwerking beklemtoond. In het najaar van 2011 heeft de VN een onderzoeksteam naar de regio gestuurd om de aard van de problematiek en mogelijke oplossingen in kaart te brengen. De aanbevelingen voor de staten in de regio betroffen onder andere gezamenlijke maritieme patrouilles en informatievergaring, bevordering van juridische capaciteit om piraterij/zeeroof te criminaliseren en het opstellen van een regionale strategie voor de bestrijding van de problematiek.
Omdat de aanvallen vooral worden uitgevoerd in de territoriale wateren en de West-Afrikaanse landen in tegenstelling tot Somalië geen falende staten zijn, is bestrijding van deze aanvallen de verantwoordelijkheid van de kuststaat. Ook de VN Veiligheidsraad onderstreept dit. Een internationale antipiraterijmissie is op dit moment dan ook niet aan de orde. De Afrikaanse partners worden gewezen op hun primaire verantwoordelijkheid voor adequate bescherming van koopvaardijschepen en het nemen van de daarvoor benodigde maritieme veiligheidsmaatregelen. De Afrikaanse partners tonen op dat gebied initiatief. Het ECOWAS Integrated Maritime Strategy and Implementation Plan bevindt zich in de afsluitende fase. Daarnaast vond op 24 en 25 juni jl. een regionale top plaats over maritieme veiligheid in de Golf van Guinee. De VN heeft ondersteuning aan deze top geleverd. De betrokken Afrikaanse regeringsleiders hebben afspraken gemaakt over informatie-uitwisseling, harmonisatie van procedures en het oppakken en vervolgen van verdachten van gewapende overvallen op zee (Code of Conduct concerning the Prevention and Repression of Piracy, Armed Robbery against Ships, and Illegal Maritime Activities in West and Central Africa). Dit laat zien dat de regio verantwoordelijkheid wil nemen.
Op het gebied van informatie-uitwisseling wordt op initiatief van het bedrijfsleven en in samenwerking met de International Maritime Organization (IMO) en regionale partners ECOWAS en de Economic Community of Central African States (ECCAS) en de Gulf of Guinea Commission (GGC) gewerkt aan het opzetten van een regionaal information sharing centre in Accra, Ghana. Koopvaardijschepen kunnen hier straks (verdachte) activiteiten van maritieme criminaliteit doorgeven. Het informatiecentrum geeft deze gegevens dan door aan de autoriteiten van het land in wiens territoriale wateren de (verdachte) activiteiten hebben plaatsgevonden. De oprichting van dit centrum wordt ondersteund door het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Noorwegen. Nederland overweegt eveneens steun te leveren.
Daarnaast werkt de EU aan een maritieme strategie voor de Golf van Guinee. Deze strategie wordt in het najaar van 2013 gepresenteerd. De nadruk ligt hierbij op capaciteitsversterking van de kustwachten en marines van de aangrenzende landen, de economische ontwikkeling van de regio en rechtshandhaving.
Is er in internationaal verband overleg gaande om de toenemende piraterij aan de Westkust van Afrika tegen te gaan? Zo ja, wat is de stand van zaken?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u in internationaal verband een verzoek ontvangen om in overleg te treden over de toenemende piraterij aan de Westkust van Afrika?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van plan de toename van piraterij in internationaal verband te agenderen? Zo ja, in welk verband en op welke termijn?
De toename van het aantal incidenten in de Golf van Guinee is zorgwekkend. De context vraagt een andere aanpak dan in Somalië. Nederland spreekt in EU-verband de betrokken kuststaten aan op hun verantwoordelijkheden, zoals implementatie van de Code of Conduct. Daarnaast is regionale maritieme en juridische capaciteitsopbouw noodzakelijk. De EU-strategie voor de Golf van Guinee biedt een aanknopingspunt om dit in EU-verband te agenderen. Ter voorbereiding op deze strategie neemt Nederland deel aan discussies in EU-verband om de problematiek in kaart te brengen en een effectieve aanpak te identificeren.
Het bericht dat er 280.000 potentiele stageplaatsen onbenut blijven |
|
Loes Ypma (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de landelijke onderwijsadministratie van scholen voor voortgezet onderwijs BRIN1 «van geen kanten deugt», zoals het Haarlems Dagblad het kwalificeert?2
Nee, dat beeld herken ik niet.
Deze brede conclusie in het artikel baseert de journalist op een enkele casus waarbij het enige verschil tussen BRIN en werkelijkheid bestaat uit de naam die de school voert in het maatschappelijk verkeer en die in de registratie. De Inspectie van het Onderwijs heeft het bevoegd gezag van deze school hierop aangesproken. Er is door de journalist geen hoor en wederhoor gepleegd met de onderwijsinspectie.
Schoolbesturen dragen de verantwoordelijkheid voor een juiste registratie en dienen onjuistheden of veranderingen van hun gegevens tijdig te melden. Soms veranderen scholen hun naam of adres en geven dat niet of laat door aan DUO. Hierdoor kan het gebeuren dat BRIN niet op elk moment 100% overeenkomt met de werkelijkheid. Daar wordt echter wel naar gestreefd. Bij elke wijziging krijgt het bevoegd gezag een terugmelding van de registratie in BRIN met het verzoek te reageren als de gegevens niet kloppen. De Inspectie besteedt in haar toezicht aandacht aan de correctheid van de geregistreerde gegevens. Onjuiste registratie kan namelijk gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de bekostiging. Ook doet de instellingsaccountant jaarlijks onderzoek naar de licenties van de school. Als er afwijkingen zijn, dan volgt een uitzonderingsrapportage.
Kunnen scholen nevenvestigingen naar believen veranderen in hoofdvestigingen en zo de strenge procedures van het RPO3 ontwijken?
Nee.
De eerste vestiging van een school wordt de hoofdvestiging genoemd (artikel 65 WVO). Vervolgens kan er aan een school een nevenvestiging of een tijdelijke nevenvestiging worden toegevoegd. Zo bestaat een school (BRIN-nummer) uit meerdere vestigingen. Een nieuwe nevenvestiging kan worden opgericht als men daar overeenstemming over bereikt met alle schoolbesturen die in een RPO samenwerken. Het argument hiervoor is dat oprichting van een nevenvestiging gevolgen kan hebben voor de leerlingstromen in de stad (en dus voor het leerlingpotentieel van de andere scholen). Als men in het RPO overeenstemming bereikt, is er geen toestemming van de minister meer nodig. Daarnaast kan een nevenvestiging ontstaan door fusie van twee zelfstandige scholen; dan wordt automatisch één school de hoofdvestiging en de andere de nevenvestiging.
Voor het opheffen/sluiten van vestigingen is geen overeenstemming in het RPO of toestemming van de minister of gemeente nodig. Schoolbesturen kunnen te allen tijde zelf besluiten of zij een vestiging sluiten omdat bijvoorbeeld de inschrijvingen zodanig teruglopen dat de kwaliteit van onderwijs niet meer gegarandeerd kan worden. Overigens, als er op een BRIN-nummer minder leerlingen worden ingeschreven dan de opheffingsnorm dan wordt de bekostiging van overheidswege beëindigd.
Als een nevenvestiging wordt gesloten dan verandert er niets aan de hoofdvestiging en blijft deze gewoon bestaan. Als een bevoegd gezag besluit de hoofdvestiging te willen sluiten dan zal als gevolg van de administratieve registratie, ook de nevenvestiging worden gesloten. In het specifieke geval van sluiting van het Teylercollege zou dan ook de Paulus Mavo, geregistreerd als nevenvestiging van deze school door een fusie in het verleden, haar deuren moeten sluiten. Het bevoegd gezag heeft aangegeven alleen de vestiging van Teylercollege te willen sluiten en niets te willen veranderen aan de licenties op de nevenvestiging (met andere woorden: er wordt geen onderwijsaanbod verplaatst). Daarom is in het belang van de zittende leerlingen op de Paulus Mavo besloten de nevenvestiging Paulus Mavo in stand te laten en zodoende wordt deze automatisch aangemerkt als hoofdvestiging. Er verandert als zodanig niets aan deze vestiging; het toegestane onderwijsaanbod blijft gelijk en de leerlingstromen veranderen niet. Derhalve zou het bureaucratisch en onlogisch zijn om voor deze verandering overeenstemming te eisen in het RPO.
In mijn beleidsreactie op de evaluatie voorzieningenplanning kondig ik aan deze omissie in de wet, namelijk «wat gebeurt er als de hoofdvestiging gesloten wordt en de nevenvestiging niet», te repareren. Mijn beleidsreactie zult u binnenkort ontvangen.
Hoe zit met de geldigheid van diploma’s die enkel op naam staan van een school (Teyler College) die anders luidt dan de naam die is geregistreerd in BRIN (Linnaeus College Haarlem)?
Diploma’s zijn een hoeksteen van ons maatschappelijk bestel. Zij vormen de ingang tot het vervolgonderwijs of bepaalde beroepen. Het civiel effect van een diploma en het belang van de leerlingen verzetten zich ertegen om de desbetreffende diploma’s «ongeldig» te verklaren. Alleen zeer zwaarwegende redenen kunnen aanleiding vormen om een diploma achteraf ongeldig te verklaren. Dit dient dan overigens te gebeuren door degene die het diploma uitreikt: de directeur van de school.
Een onjuiste naamsvermelding van de school op het diploma rechtvaardigt niet, naar mijn oordeel, het achteraf ongeldig verklaren van diploma’s. Wel heeft de Inspectie het bevoegd gezag en de schoolleiding van de desbetreffende school inmiddels gewezen op de relevantie van het naleven van de Regeling modellen diploma’s v.w.o.-h.a.v.o.-v.m.b.o. De school heeft toegezegd voor volgende jaren de naam van het BRIN te vermelden. Middels de nieuwsbrief voortgezet onderwijs zal ik ook de andere scholen wijzen op het belang van naleving van deze regeling.
Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat de echte wereld van de scholen zo kan verschillen van de wereld van scholen zoals deze geregistreerd staan en dat scholen moeten functioneren zonder eigen BRIN-nummer?
Echte wereld versus registratie
Zie het antwoord op vraag 1.
Scholen functioneren zonder eigen BRIN-nummer
Er moeten geen scholen functioneren zonder eigen BRIN-nummer.
Zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 2 bestaan sommige scholen uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen. Zo’n school is als bekostigingseenheid voorzien van één BRIN-nummer en elke vestiging heeft een sub-BRIN-nummer. Sommige nevenvestigingen zijn echter in het verleden nevenvestiging geworden als gevolg van een fusie tussen twee zelfstandige scholen met ieder een eigen BRIN-nummer. Na de fusie resteert dan één bekostigingseenheid, dus één BRIN-nummer.
Het is mogelijk om nevenvestigingen (weer) te verzelfstandigen en van een eigen BRIN-nummer te voorzien. Dan is er ofwel sprake van
De consumptie van ‘Schipholganzen’ |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vergaste Schipholganzen worden opgegeten»?1
Ja.
Deelt u de mening dat we op een verantwoorde wijze moeten omgaan met de vele duizenden ganzen die helaas worden vergast en dat het onverantwoord is om deze ganzen af te voeren naar de destructor? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Klopt het gestelde in het artikel dat de ganzen die in de omgeving van Schiphol worden gevangen en vervolgens vergast, in principe bestemd zijn voor poeliers en voedselbanken?
Alle ganzen die door de uitvoerder worden gevangen en gedood worden ter beschikking gesteld van een poelier. Sinds 2012 worden de ganzen die gevangen worden in het belang van de vliegveiligheid ter plaatse gedood met CO2. Een poelier haalt ze op de vangplek op. Deze stelt al enige jaren uit eigener beweging een deel ter beschikking aan de voedselbank. De overige ganzen worden ook verwerkt en verkocht aan horecaondernemers.
Is het gestelde in het artikel waar dat in de ontheffingen/machtigingen die de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht hebben verleend om de dieren te doden, staat dat de ganzen moeten worden benut? Zo nee, wat staat er dan in de ontheffingen? Zo ja, welke concrete benuttingsvoorschriften zijn opgenomen in de ontheffingen?
In het contract met de uitvoerder is opgenomen dat een zo groot mogelijk deel van de ganzen in de voedselketen terecht dient te komen.
De teksten van de ontheffingen van de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht zijn te vinden op de websites van genoemde provincies.
Kunt u aangeven waar de gevangen en vergaste «Schipholganzen» tot nu toe naar toe worden gebracht en hoeveel procent van de ganzen de voedselketen in gaan?
De ganzen worden op de vangplek gedood en opgehaald door de poelier. Alle ganzen gaan de voedselketen in. Alle volwassen ganzen worden voor menselijke consumptie gebruikt en verkocht aan de horeca of geschonken aan de voedselbank. Van de jonge ganzen wordt een deel gebruikt voor dierlijke consumptie. Dit jaar is 63% van het totaal aantal gevangen ganzen de menselijke voedselketen ingegaan. De overige (jonge) ganzen worden gebruikt voor diervoeding.
Bent u bereid om in overleg te gaan met de provincies en uitvoerders van het Ganzenakkoord om te zorgen dat ook alle ganzen die vanaf 2013 in het kader van het Ganzenakkoord worden gedood, de voedselketen ingaan? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid om ganzenvlees op de positieflijst voor duurzame inkoop door overheden te plaatsen?
De criteria voor de inkoop van catering door overheden zijn recentelijk (november 2012) herzien in nauwe samenwerking met marktpartijen en andere overheden.
De herziening van de criteria moet cateraars stimuleren om duurzamere, waaronder diervriendelijkere, producten op te nemen in het assortiment. De cateraar blijft, in overeenstemming met het Advies Duurzaam Inkopen van VNO-NCW e.a., vrij in zijn keuze hoe hij zijn assortiment inricht.
Bent u bereid om de consumptie van ganzenvlees in te brengen in uw overleg met de sector over voedselverspilling?
Mijn inzet is er op gericht om de gedode ganzen zo veel mogelijk voor menselijke consumptie te bestemmen dan wel een andere hoogwaardige bestemming te geven. Van voedselverspilling is hier overigens, gelet op de definitie van de Monitor Voedselverspilling (TK 31 532, nr. 115), geen sprake, want het betreft wilde ganzen die niet bedoeld waren voor menselijke consumptie.
Het bericht ‘Barrières terug van weggeweest. Nederlandse technologiebedrijven krijgen zelfs binnen EU met belemmeringen te maken’ |
|
Jan Vos (PvdA), Michiel Servaes (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Barrières terug van weggeweest. Nederlandse technologiebedrijven krijgen zelfs binnen EU met belemmeringen te maken»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de conclusie uit het onderzoek van werkgeversorganisatie FME-CWM onder 612 technologiebedrijven, dat moeizame douaneprocedures, interne regels en afwijkende standaardeisen voor producten in EU-lidstaten steeds vaker de kop opsteken, een slechte ontwikkeling is? Zo nee, waarom niet?
Een optimaal werkende Europese interne markt, waarbij er sprake is van een level playing field voor alle betrokken partijen, is voor Nederland van groot belang. Als regels en procedures de goede werking van de interne markt voor producten belemmeren is dat geen goede ontwikkeling.
In het onderzoek van FME-CWM wordt een aantal belemmeringen gesignaleerd voor het internationaal zakendoen. Deze belemmeringen zijn niet nader gespecificeerd en er wordt geen onderscheid gemaakt tussen belemmeringen binnen en buiten de EU. De douanebelemmeringen waaraan wordt gerefereerd hebben vooral betrekking op exportbestemmingen buiten Europa, met name Brazilië, Rusland, India en China (de zogenoemde BRIC-landen). Die landen voeren al jaren de lijst van «barrièrelanden» aan, zeker als het om «moeizame douaneprocedures» gaat. Deels lijken de gesignaleerde belemmeringen ook de Europese interne markt te betreffen. Ik ga graag in overleg met FME-CWM om de gesignaleerde problemen nader te duiden, zodat ik deze eventueel mee kan nemen in lopende trajecten in EU-verband om de werking van de interne markt voor industrieproducten te verbeteren (zie antwoord op vraag 4).
Deelt u de mening dat het stellen van specifieke eisen aan technologische producten om de eigen markt te beschermen verdere versterking van de Europese interne markt in de weg staat en dat dit een onwenselijke ontwikkeling is?
Het stellen van additionele eisen aan producten om de eigen markt te beschermen belemmert het vrije verkeer van goederen op de Europese interne markt. Een ontwikkeling in die richting is onwenselijk en zal ik altijd krachtig van de hand wijzen. Alleen op basis van dwingende redenen van algemeen belang zijn beperkende maatregelen geoorloofd («rule of reason»), bijvoorbeeld in het geval van risico voor de volksgezondheid of het milieu. Dit moet uiteraard uitzondering zijn, geen regel.
Indien een lidstaat redenen heeft om voor een product aanvullende technische vereisten in te stellen, dan geldt er op grond van richtlijn 98/34/EG een notificatieplicht. Een lidstaat dient de aanvullende vereisten voor het product, met opgaaf van reden, te melden aan de Europese Commissie. De Commissie stelt de overige lidstaten op de hoogte die samen met de Commissie de mogelijkheid hebben om op de technische voorschriften te reageren.
Bent u bereid om de obstructies die technologiebedrijven ondervinden binnen de EU, zoals moeizame douaneprocedures, interne regels en afwijkende standaardeisen, op een zo kort mogelijke termijn in Europees verband ter sprake te brengen?
Nederland en de Europese Commissie zijn zich door signalen uit de industrie bewust van het feit dat, ondanks dat de markt voor industriële producten een succesvol deel van de Europese interne markt is, deze markt nog steeds belemmeringen kent. De Commissie komt daarom, onder andere op basis van de uitkomsten van een publieke consultatie, dit jaar nog met een strategisch initiatief om de kwaliteit van wetgeving voor de interne markt voor industriële producten en de consistente toepassing daarvan te verbeteren en resterende belemmeringen aan te pakken. Ik zal na overleg met FME-CWM bezien in hoeverre de door hen gesignaleerde belemmeringen, voor zover zij een relatie hebben met de Europese interne markt, voldoende in dit initiatief van de Commissie worden meegenomen.
Tevens werkt Nederland constructief aan de lopende onderhandelingen over de voorstellen onder het Single Market Act I- en het Single Market Act II-pakket, die beide beogen de interne werking van de interne markt te optimaliseren. Een van de onderdelen is het productveiligheid- en markttoezichtpakket dat onder andere als doel heeft voor bedrijven een gelijk speelveld te garanderen en de productveiligheid te verbeteren.
FME-CWM heeft laten weten dat de «moeizame douaneprocedures» betrekking hebben op de export naar landen buiten de EU (met name de BRIC-landen) en niet op afzet van goederen in andere EU-lidstaten. Binnen de EU bestaan geen douaneprocedurele belemmeringen voor goederen die binnen de EU op de markt zijn gebracht (vrij verkeer van goederen). Tussen de EU-landen onderling is geen sprake van douanecontroles aan de grens. Verder zorgen instrumenten als de gemeenschappelijke douanewetgeving ervoor dat de douaneautoriteiten van de lidstaten dezelfde normen toepassen.
Op welke wijze kunt u de Nederlandse exporterende technologiebedrijven ondersteunen bij de internationale handelsbelemmeringen die zij ondervinden, ten eerste binnen en ten tweede buiten de EU-lidstaten?
Veel Nederlandse ondernemers en kennisinstellingen zijn actief in het buitenland en buitenlandse bedrijven investeren in de Nederlandse economie. Handel, investeringen en technologische samenwerking zorgen voor groei en werkgelegenheid.
Binnen de EU ziet de Nederlandse overheid er bij de totstandkoming van regelgeving op toe dat regelgeving zo lastenarm mogelijk wordt vormgegeven en dat het level playing field door nieuwe regelgeving niet nadelig wordt beïnvloed. Bij individuele handelsbelemmeringen die zich binnen de EU voordoen kunnen bedrijven een klacht indienen bij Solvit. Solvit is een Europees netwerk dat zich inzet voor burgers en bedrijven die problemen ondervinden door de verkeerde toepassing van het Europees recht door een autoriteit in een andere EU-lidstaat. Ook worden bedrijven in het internationaal zakendoen ondersteund door Antwoord voor Bedrijven, dat ondernemingen wegwijs maakt in regels, vergunningen en subsidies.
Voor het wegnemen van handelsbelemmeringen buiten de EU vindt overleg plaats tussen lidstaten en derde landen, gezamenlijk maar ook bilateraal. Het overleg tussen lidstaten is onder meer gericht op de inzet en ontwikkelingen in WTO-kader, maar ook gericht op bilaterale onderhandelingen. In WTO-kader is de laatste jaren weinig vooruitgang geweest in de Doharondebesprekingen over verdergaande handelsliberalisering. Momenteel is de inzet om eind dit jaar enkele deelakkoorden (onder andere handelsfacilitatie) af te ronden. Voor oneerlijke concurrentie op een buitenlandse markt kunnen bedrijven en kennisinstellingen zich richten tot het Meldpunt Handelsbelemmeringen: www.rijksoverheid.nl/meldpunthandelsbelemmeringen
Naast bilaterale interventies worden in EU-verband in het kader van de markttoegangsstrategie handelsbelemmeringen opgebracht bij overheden van derde landen. Nederland agendeert daartoe, in het EU-overleg ter plekke en in Brussel, handelsbelemmeringen waarmee onze bedrijven te maken hebben. Dit kan resulteren in gezamenlijke interventies van de Nederlandse en EU-delegatie. De Europese Commissie werkt ook aan het wegwerken van handelsbelemmeringen. Onder andere worden er handelsverdragen voorbereid met de Verenigde Staten en Japan.
De Nederlandse overheid zet zich in het buitenland daarnaast via het postennet (onder meer de innovatie-attaché»s) in voor de belangen van de Nederlandse economie. Zij doet dit door deuren te openen voor onze bedrijven en kennisinstellingen. De economische verhoudingen in de wereld veranderen, onder meer door opkomende markten zoals Brazilië, India en China. In deze landen speelt de overheid vaak nog een doorslaggevende rol in het dagelijkse economische leven. Dat betekent dat de Nederlandse diplomatie zich vooral richt op die landen waar de Nederlandse overheid het verschil kan maken voor de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven. Dat doet Nederland door gericht contact te zoeken met de collega-overheden in het buitenland over bijvoorbeeld markttoegang, en belemmerende wet- en regelgeving. Ook kunnen Nederlandse diplomaten de lokale context en regelgeving duiden, bemiddelen en helpen bij het zoeken van partners door hun netwerk in te zetten. Daarnaast gaan technologiebedrijven en kennisinstellingen ook mee met missies, en kunnen zij op die manier bij overheden en (staats)bedrijven op een hoog niveau binnenkomen.
Heeft u de «gebruikers» van het postennet, waaronder de Nederlandse exporterende technologiebedrijven, betrokken bij modernisering van de diplomatie? Zo ja, welke partijen zijn hiervoor geraadpleegd? Zo nee, waarom niet?
Ja. In het traject met betrekking tot de modernisering van de diplomatie inclusief de totstandkoming van de brief «Voor Nederland wereldwijd», die vrijdag 28 juni 2013 is toegezonden aan de Tweede Kamer, heeft consultatie plaatsgevonden met stakeholders van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarbij gaat het om vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, de reiswereld, NGO’s, overheden, media, wetenschappelijke organisaties en kennisinstituten. De consultaties geschiedden zowel plenair als op individuele basis.
Welke rol kunnen de diplomatieke posten vervullen bij het slechten van de handelsbarrières die Nederlandse bedrijven ondervinden bij het betreden van handelslanden zoals Brazilië, India, Rusland en China?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 5.
Het stikken van varkens door een kapot ventilatiesysteem |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat er in Milheeze 1.100 varkens zijn doodgegaan nadat het ventilatiesysteem uitviel, en welke consequenties verbindt u hieraan?1
Dit is een zeer te betreuren gebeurtenis voor de varkens en de getroffen ondernemer. Dit soort calamiteiten geeft aan hoe belangrijk het is dat er noodsystemen aanwezig zijn, dat er een alarmsysteem in werking treedt en dat beiden regelmatig worden getest.
Heeft u er kennis van genomen dat het ventilatiesysteem in de stal mogelijk al sinds dinsdagavond 18 juni jl. kapot was, maar dat dit pas in de loop van de volgende dag geconstateerd werd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit, mede in het licht van de zorgplicht?
Het onderzoek naar de toedracht van deze calamiteit is nog niet afgerond maar uit voorlopige resultaten blijkt dat zowel het noodsysteem als het alarm niet in werking zijn getreden. Voor het onderzoek is de betreffende apparatuur meegenomen waarbij wordt uitgezocht wat de oorzaak is geweest. Tevens wordt onderzocht wanneer de apparatuur voor het laatst is gecontroleerd.
Dit is niet de eerste keer dat er dieren omkomen doordat het ventilatiesysteem in een stal het begeeft, kunt u dat bevestigen?2 Zo ja, kunt u een overzicht verschaffen van vergelijkbare gebeurtenissen in de afgelopen vijf jaar en steeds daarbij aangeven hoeveel dieren er zijn omgekomen? Zo nee, waarom beschikt u niet over deze gegevens?
Uit beschikbare bronnen blijkt dat in de afgelopen 5 jaar drie soortgelijke situaties hebben voorgedaan in de varkenshouderij. Het ging hier in totaal om respectievelijk 230, 900 en 500 varkens. In de pluimveehouderij zijn op basis van beschikbare bronnen tot nog toe geen vergelijkbare gevallen bekend. Vorig jaar bleek echter op verschillende bedrijven dat bij extreem hoge buitentemperaturen de ventilatie onvoldoende toereikend was. Op 2 bedrijven kwamen hierbij 400 kippen om.
Deelt u de mening dat potdichte stallen, waarbij ventilatie noodzakelijk is voor het kunnen overleven van de dieren in deze stal, zeer kwetsbaar zijn voor technische fouten en dat deze fouten grote consequenties hebben voor het dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
In de Europese richtlijn over het welzijn van productiedieren (98/58/EG) die is geïmplementeerd in het nationale Besluit welzijn productiedieren is vastgelegd dat, indien een dier afhankelijk is van een kunstmatig ventilatiesysteem, deze voorzien moet zijn van een noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. Indien het hoofdsysteem uitvalt moet een alarmsysteem in werking treden en dit alarmsysteem moet regelmatig worden getest.
Indien deze systemen niet aanwezig zijn of indien wel aanwezig maar niet regelmatig gecheckt dan vormen dichte stallen een risico voor zowel mens als dier. Daarom wordt hier zowel door de NVWA als door controlerende instanties in het kader van ketenkwaliteitssystemen op gecontroleerd en kan indien nodig handhavend worden opgetreden. De ondernemer heeft er baat bij dat er een goed werkend ventilatiesysteem aanwezig is; er is geen reden deze uit te schakelen. Ik ben derhalve niet voornemens een tijdscontrolesysteem voor te gaan schrijven.
Bent u bereid om vergaande maatregelen te nemen zodat dieren te allen tijde kunnen beschikken over een buitenloop en daarmee over frisse lucht zodat dit soort ongevallen niet meer voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
De huidige Europese regelgeving en de implementatie daarvan door middel van nationale regelgeving voldoet. Wel ben ik bereid, mede naar aanleiding van de motie van het lid Ouwehand (33 605-XIII, nr. 18) van 4 juli 2013, om deze zomer extra stalklimaatcontroles uit te voeren op veehouderijbedrijven. Hierover bent u middels een aparte brief geïnformeerd.
Is er proces verbaal opgemaakt tegen de betreffende ondernemer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een alarmsysteem voor het uitvallen van ventilatiesystemen in stallen verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid een tijdcontrole systeem, vergelijkbaar met een tachograaf in vrachtwagens, verplicht te stellen voor het gebruik van luchtwassers en ventilatiesystemen in stallen zodat die systemen niet in strijd met de regels uitgeschakeld kunnen worden zonder sancties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Zie antwoord vraag 4.
Schriftelijke vragen van het lid Thieme met betrekking tot de opgehangen ezels op Bonaire |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de beelden van Donkey Sanctuary Bonaire over opgehangen wilde ezels in Rincon?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe het staat met het beheerplan verwilderde ezels dat het Openbaar Lichaam Bonaire reeds geruime tijd in ontwikkeling heeft?
Het Openbaar Lichaam werkt momenteel aan een acceptabele en duurzame oplossing voor de loslopende ezels. Op dit moment is nog niet bekend op welke termijn het beheerplan gepresenteerd kan worden.
Bent u bereid het bestuur van het Openbaar Lichaam Bonaire te vragen of en op welke wijze het bereid is wreedheden en misstanden met ezels, zoals gemeld door Donkey Sanctuary Bonaire, te onderzoeken en te bestrijden?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen over het welzijn van ezels op Sint-Eustatius van 17 april jl. is het waarborgen van het welzijn van dieren een verantwoordelijkheid van het Openbaar Lichaam. Uit berichten blijkt overigens dat het hier niet gaat om ezels maar uit geiten, waarop de veterinaire wetgeving van toepassing is.
Een mogelijk ongeoorloofde subsidiëring en staatssteun bij de verkoop van Syntus aan Keoli |
|
Sander de Rouwe (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het onlangs uitgekomen jaarverslag van de NS? Bent u op de hoogte van de mededeling in dat jaarverslag (bladzijde 78) dat NS € 11 miljoen verlies heeft geleden op een transactie?
Ja.
Wat is de achtergrond van dit verlies? Betekent dit verlies dat er door NS een bedrag is meegegeven aan de kopende partij Keolis?
Syntus was verlieslatend en dreigde op een faillissement af te stevenen. De € 11 mln was een afboeking op een lening die als verloren was te beschouwen en op de waarde van de deelneming. Overdracht van Syntus aan Keolis was aantrekkelijker voor NS dan een (mogelijk) faillissement, beter voor de belangen van de werknemers en beter voor de belangen van de concessieverstrekkende decentrale overheden; het zorgde voor continuïteit bij de uitvoering van de concessieovereenkomsten.
Heeft dit verlies er wellicht mee te maken dat de koper, Keolis, met Syntus een bedrijf met een negatieve exploitatie heeft gekocht en dat Keolis de transactie alleen wilde accepteren wanneer de verkopende partij een bedrag ter dekking hiervan mee geeft?
Zie antwoord vraag 2.
Indien deze verliezen ten koste gaan van de winsten respectievelijk dividenduitkeringen van NS, is de Staat (als enig aandeelhouder van NS) dan uiteindelijk de partij die opdraait voor die verliezen?
Indien er sprake is van verliezen gaat dit ten koste van de rendementen die de NS maakt, hetgeen mogelijk doorwerkt in de dividenden. Laatste is afhankelijk van de vermogensstructuur. Het alternatief, een faillissement, had tot eenzelfde verlies geleid maar was onaantrekkelijker geweest voor stakeholders als aanbestedende overheden en werknemers.
Bent u bereid te onderzoeken of bij deze transactie geen ongeoorloofde staatssteun dan wel verliescompensatie is verleend?
Bij deze transactie was geen sprake van verliescompensatie danwel staatssteun, de Staat is immers geen partij in deze transactie. Het betrof hier een beslissing van de NS. De keuze was failleren van Syntus met de daaraan verbonden kosten en met verlies van werkgelegenheid en onderbreking van de dienstverlening versus afboeken van negatieve waarde en verkopen met als voordeel behoud van werkgelegenheid en continuïteit van dienstverlening. Er is geen sprake van concurrentievervalsing: Syntus is immers verkocht aan een met NS concurrerende vervoerspartij.
In hoeverre is er door, weliswaar indirecte, inzet van Rijksmiddelen om verliezen te compenseren sprake van concurrentievervalsing ten opzichte van de andere private vervoerders?
Zie antwoord vraag 5.